<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR37508_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening regelende het onderzoek door de raad Bloemendaal 2003</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Bloemendaal</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-09-05</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Bloemendaal</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Bloemendaals Weekblad, 13-11-2003</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening regelende het onderzoek door de raad Bloemendaal 2003</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="http://wetten.overheid.nl/BWBR0005416/TitelIII/HoofdstukIX/Artikel155a/">Gemeentewet, art. 155a</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="http://wetten.overheid.nl/BWBR0005416/TitelIII/HoofdstukIX/Artikel155f/">Gemeentewet, art. 155f</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>bestuur en recht</dcterms:subject><dcterms:issued>2003-11-05</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2003-12-26</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>-</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>1.Geen.</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening regelende het onderzoek door de raad Bloemendaal
                            2003</intitule><regeling><aanhef><preambule><al> 66</al><al>De raad der gemeente Bloemendaal;</al><al>Gelezen het voorstel van de door hem ingestelde Voorbereidingscommissie
                        onderzoek Marinehospitaalterrein van 23 oktober 2003;</al><al>Gelet op de artikelen 155a tot en met 155f van de Gemeentewet;</al><al><vet><onderstreept>B e s l u i t:</onderstreept></vet></al><al>vast te stellen de</al><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr></kop><al>De gemeenteraad kan op voorstel van een of meer van zijn leden een
                            onderzoek naar het door het college of de burgemeester gevoerde bestuur
                            instellen. De raad bepaalt het type onderzoek:</al><lijst><li nr="a."><al>Onderzoek op basis van de artikelen 2 tot en met 4 van deze
                                    verordening, met uitsluiting van artikelen 5 tot en met 11 van
                                    deze verordening (onderzoek).</al></li><li nr="b."><al>Onderzoek op basis van de artikelen 2 tot en met 4 van deze
                                    verordening, met verlening door de raad aan de commissie van de
                                    bevoegdheid om tijdens dit onderzoek de artikelen 5 tot en met
                                    11 van deze verordening eveneens te gebruiken (onderzoek, met
                                    enquêterecht).</al></li><li nr="c."><al>Onderzoek op basis van de artikelen 2 tot en met 11 van deze
                                    verordening (enquête).</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het besluit tot het instellen van een onderzoek bevat een
                                omschrijving van het onderwerp van onderzoek alsmede een
                                toelichting. Deze omschrijving kan hangende het onderzoek, al dan
                                niet op verzoek van de commissie die het onderzoek verricht, door de
                                gemeenteraad worden gewijzigd.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De uitvoering van dit besluit wordt opgedragen aan hetzij een reeds
                                door de gemeenteraad ingestelde commissie, hetzij aan een daartoe
                                voor dit onderzoek in te stellen tijdelijke commissie. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De door de raad voor het onderzoek ingestelde tijdelijke commissie
                                bestaat uit zeven raadsleden. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De commissie wijst uit haar midden een voorzitter en een
                                plaatsvervangend voorzitter aan.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het presidium wijst op voorstel van de griffier de secretaris van de
                                commissie aan.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>De commissie kan geen van de bevoegdheden, haar bij deze verordening
                                of Gemeentewet verleent, uitoefenen, indien niet ten minste drie van
                                haar leden tegenwoordig zijn. </al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>De bevoegdheden en de werkzaamheden van de commissie worden niet
                                geschorst door het aftreden van de gemeenteraad. De nieuw
                                geïnstalleerde gemeenteraad vervult zo spoedig mogelijk de door het
                                aftreden van leden ontstane vacatures in de commissie.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het besluit tot het instellen van een onderzoek, het type onderzoek,
                                de omschrijving van het onderwerp van onderzoek en de samenstelling
                                van de commissie worden ter openbare kennis gebracht op de in de
                                gemeente gebruikelijke wijze. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Van wijzigingen in de omschrijving van het onderwerp van onderzoek
                                en van beëindiging van het onderzoek wordt op gelijke wijze kennis
                                gegeven.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Alle activiteiten van de leden en de aan de commissie toegevoegde
                                medewerkers vallen onder de politieke verantwoordelijkheid van de
                                commissie.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De secretaris van de commissie is op basis van een mandaatbesluit
                                van de griffier verantwoordelijk voor alle inhoudelijke en
                                organisatorische activiteiten van de ondersteuning van de commissie
                                en is (indien van toepassing) daartoe belast met het beheer van de
                                gelden, toegestaan in de goedgekeurde begroting.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Zo spoedig mogelijk na instelling van de commissie c.q. vaststelling
                                van de onderzoeksopdracht stellen de voorzitter en de secretaris van
                                de commissie in overleg met de griffier een concept plan van aanpak
                                op waarin zij in ieder geval aandacht besteden aan: - de uitvoering
                                van de onderzoeksopdracht; - de eerste planning van de uit te voeren
                                taken; - de taakverdeling; - de taak en rol van de voorzitter; - de
                                nadere invulling van de wenselijke ondersteuning, waarbij aandacht
                                wordt besteed aan de wettelijke aansprakelijkheid; - de plaats en de
                                omvang van de werkruimten; - de noodzaak van een informatieprotocol;
                                - de archivering en classificering; - de geheimhoudings- en
                                beveiligingsaspecten; - de vertrouwelijkheid van de informatie in de
                                verschillende fasen van het onderzoek; - de contacten met de pers.
                                Voor zover een beroep wordt gedaan op de reguliere ambtelijke
                                organisatie vindt dit in overleg plaats met de gemeentesecretaris.
                                Dit plan van aanpak wordt in de eerste vergadering van de
                                onderzoekscommissie besproken en, na eventuele wijzigingen,
                                vastgesteld en ter kennisname aan de gemeenteraad gezonden.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Indien de commissie besluit de uitvoering van bepaalde delen van het
                                onderzoek neer te leggen bij derden, vindt deze uitvoering plaats
                                onder haar verantwoordelijkheid.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Vanaf het tijdstip van de eerste bekendmaking zijn leden en gewezen
                                leden van de raad, de burgemeester en gewezen burgemeesters,
                                wethouders en gewezen wethouders, leden en gewezen leden van een
                                door de raad, het college of de burgemeester ingestelde commissie,
                                ambtenaren en gewezen ambtenaren, door of vanwege het
                                gemeentebestuur aangesteld of daaraan ondergeschikt, verplicht te
                                voldoen aan een vordering van de enquête commissie tot het
                                verschaffen van inzage in, het nemen van afschrift van of het
                                anderszins laten kennisnemen van alle bescheiden waarover zij
                                beschikken en waarvan naar het redelijk oordeel van de enquête
                                commissie inzage, afschrift of kennisneming anderszins voor het doen
                                van een onderzoek als bedoeld in artikel 1 nodig is. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien een vordering als bedoeld in het eerste lid betrekking heeft
                                op bescheiden die afkomstig zijn van een instelling van de Europese
                                Unie of van het Rijk en kennisneming van die bescheiden door de
                                enquête commissie het belang van de Europese Unie of de Staat kan
                                schaden, wordt niet dan met toestemming van de minister van
                                Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties aan de vordering
                                voldaan.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Ambtenaren, door of vanwege het gemeentebestuur aangesteld of
                                daaraan ondergeschikt, zijn gehouden om aan een onderzoek alle door
                                de enquête commissie gevorderde medewerking te verlenen.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Diegene die over informatie denkt te beschikken die van belang kan
                                zijn voor het onderzoek, wordt uitgenodigd zich te melden bij de
                                voorzitter van de enquêtecommissie.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De enquêtecommissie besluit of van de diensten van betrokkene
                                gebruik wordt gemaakt.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Personen als bedoeld in artikel 5, eerste lid, zijn verplicht te
                                voldoen aan een oproep van de enquête commissie om als getuige of
                                deskundige te worden gehoord.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een getuige of deskundige die door de enquête commissie wordt
                                gehoord, is niet tevens lid van de enquête commissie.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De getuigen zijn verplicht getuigenis af te leggen. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De deskundigen zijn verplicht hun diensten onpartijdig en naar beste
                                weten als zodanig te verlenen. </al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De enquête commissie kan besluiten dat getuigen uitsluitend worden
                                verhoord na het afleggen van een eed of belofte. Zij leggen dan in
                                de vergadering van de enquête commissie, in handen van de
                                voorzitter, de eed of belofte af dat zij de gehele waarheid en niets
                                dan de waarheid zullen zeggen.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>De getuigen en deskundigen worden in een openbare zitting van de
                                enquête commissie gehoord. Plaats en tijd van de openbare zitting
                                worden door de voorzitter tijdig ter openbare kennis gebracht.</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>De enquêtecommissie kan ter voorbereiding op de openbare verhoren
                                informatieve gesprekken voeren in beslotenheid.</al></lid><lid><lidnr>8.</lidnr><al>De enquêtecommissie kan om gewichtige redenen besluiten een verhoor
                                of een gedeelte daarvan niet in het openbaar af te nemen. De leden
                                van de enquêtecommissie en andere aanwezigen bewaren geheimhouding
                                over hetgeen hun tijdens een besloten zitting ter kennis komt.</al></lid><lid><lidnr>9.</lidnr><al>Een getuige is gerechtigd zich tijdens het verhoor te laten
                                bijstaan. Om gewichtige redenen kan de enquêtecommissie besluiten,
                                dat een getuige zonder bijstand wordt gehoord.</al></lid><lid><lidnr>10.</lidnr><al>Verklaringen die zijn afgelegd voor de enquêtecommissie kunnen,
                                behalve in het geval van artikel 207, eerste lid, van het Wetboek
                                van Strafrecht, niet als bewijs in rechte gelden.</al></lid><lid><lidnr>11.</lidnr><al>Wanneer een getuige of deskundige, hetzij vrijwillig, hetzij op de
                                oproeping verschenen of door de openbare macht gebracht zijnde,
                                weigert te antwoorden, of de eed of de belofte af te leggen, wordt
                                daarvan proces-verbaal opgemaakt, hetwelk de redenen van die
                                weigering, zo die gegeven zijn, inhoudt, en door de aanwezige leden
                                van de enquêtecommissie wordt ondertekend.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Getuigen en deskundigen worden schriftelijk opgeroepen. De brief,
                                houdende de oproep, wordt aangetekend verzonden of tegen gedagtekend
                                ontvangstbewijs uitgereikt.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De getuigen of deskundigen dienen de oproeping als bedoeld in lid 1,
                                ten minste tien werkdagen voor de dag van het verhoor te
                                ontvangen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien de behoorlijk opgeroepen getuige of deskundige niet
                                verschijnt, wordt daarvan een proces-verbaal opgemaakt, hetwelk een
                                nauwkeurige omschrijving van de oproeping behelst en door de
                                aanwezige leden der enquêtecommissie wordt ondertekend.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De enquêtecommissie kan bevelen dat getuigen en deskundigen die,
                                hoewel opgeroepen in overeenstemming met het eerste lid, niet zijn
                                verschenen, door de openbare macht voor hen worden gebracht om aan
                                hun verplichting te voldoen. De enquêtecommissie stelt de getuige of
                                deskundige hiervan schriftelijk in kennis op de wijze, bedoeld in
                                het eerste lid. In de beschikking wordt een termijn gesteld
                                waarbinnen de belanghebbende de tenuitvoerlegging kan voorkomen door
                                alsnog aan zijn verplichting te voldoen.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Op een beschikking als bedoeld in het eerste en het vierde lid is
                                artikel 7:1 van de Algemene wet bestuursrecht niet van
                                toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr></kop><al>De getuigen en deskundigen ontvangen op hun daartoe strekkend verzoek
                            schadeloosstelling, door de commissie op vertoon van de schriftelijke
                            oproeping of de akte van dagvaarding te begroten, overeenkomstig het
                            bepaalde omtrent getuigen en deskundigen krachtens artikel 57 van de Wet
                            tarieven in burgerlijke zaken. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Niemand kan genoodzaakt worden aan de enquêtecommissie geheimen te
                                openbaren, voor zover daardoor onevenredige schade zou worden
                                toegebracht aan het belang van de uitoefening van zijn beroep, dan
                                wel aan het belang van zijn onderneming of de onderneming waarbij
                                hij werkzaam is of geweest is.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Zij die uit hoofde van hun ambt, beroep of betrekking tot
                                geheimhouding verplicht zijn, kunnen zich verschonen getuigenis af
                                te leggen, doch uitsluitend met betrekking tot hetgeen waarvan de
                                wetenschap aan hen als zodanig is toevertrouwd. Zij kunnen inzage,
                                afschrift of kennisneming anderszins weigeren van bescheiden of
                                gedeelten daarvan tot welke hun plicht tot geheimhouding zich
                                uitstrekt.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Leden en gewezen leden van de raad, de burgemeester en gewezen
                                burgemeesters, wethouders en gewezen wethouders, leden en gewezen
                                leden van een door de raad, het college of de burgemeester
                                ingestelde commissie, ambtenaren en gewezen ambtenaren, door of
                                vanwege het gemeentebestuur aangesteld of daaraan ondergeschikt,
                                zijn niet verplicht aan artikel 5, eerste lid, en artikel 6, derde
                                lid, te voldoen, indien het verstrekken van de inlichtingen in
                                strijd is met het openbaar belang.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De enquêtecommissie kan verlangen dat een beroep als bedoeld in het
                                derde lid in strijd met het openbaar belang wordt bevestigd door het
                                college, of, voor zover de inlichtingen betrekking hebben op het
                                door de burgemeester gevoerde bestuur, door de burgemeester.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr></kop><al>1.De schriftelijke aantekening van de afgelegde verklaringen of gegeven
                            berichten wordt aan de getuigen of deskundigen voorgelezen of ter inzage
                            verstrekt en door dezen ondertekend.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De enquêtecommissie kan om gewichtige redenen in verband met de
                                bescherming van de in artikel 5, eerste lid, genoemde personen of
                                van een belang, bedoeld in artikel 9, besluiten aan haar overgelegde
                                bescheiden of gedeelten daarvan niet openbaar te maken.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De leden van de enquêtecommissie bewaren geheimhouding omtrent de
                                inhoud van de bescheiden of gedeelten daarvan, die ingevolge een
                                besluit, bedoeld in het eerste lid, niet openbaar worden
                                gemaakt.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Voor zover de in het tweede lid bedoelde bescheiden deel uitmaken
                                van het onderzoeksverslag van de enquêtecommissie, worden deze ter
                                inzage of anderszins ter kennisneming gelegd van de leden van de
                                gemeenteraad. De leden van de gemeenteraad bewaren omtrent de inhoud
                                van de zodanige bescheiden geheimhouding. De geheimhouding wordt in
                                acht genomen totdat de raad haar opheft.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De enquêtecommissie kan in een besloten vergadering, op grond van
                                een belang, genoemd in artikel 10 van de Wet openbaarheid van
                                bestuur, omtrent het in die vergadering met gesloten deuren
                                behandelde en omtrent de inhoud van de stukken die aan de
                                enquêtecommissie worden overgelegd, geheimhouding opleggen.
                                Geheimhouding omtrent het in een besloten vergadering behandelde
                                wordt tijdens die vergadering opgelegd. De geheimhouding wordt door
                                hen die bij de behandeling aanwezig waren en allen die van het
                                behandelde of de stukken kennis dragen, in acht genomen totdat de
                                enquêtecommissie haar opheft.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Na de beëindiging van het onderzoek van een door hem ingestelde
                                enquêtecommissie besluit de gemeenteraad, dat de processen-verbaal
                                en de overige bescheiden van het onderzoek worden vernietigd, dan
                                wel gedurende een door hem te bepalen periode worden bewaard in het
                                gemeentearchief.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Bescheiden en aantekeningen, die ingevolge een besluit van de
                                enquêtecommissie geheim dienen te worden gehouden, maken geen deel
                                uit van dit archief.</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>De enquêtecommissie bepaalt waar de in het tweede lid bedoelde
                                bescheiden, voor zover deze geen deel uitmaken van het
                                onderzoeksverslag van de commissie, worden bewaard en gedurende
                                welke periode zij geheim zijn.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr></kop><lijst><li nr="1."><al>Deze verordening kan worden aangehaald als “Verordening
                                    regelende het onderzoek door de raad Bloemendaal 2003”</al></li><li nr="2."><al>Deze verordening treedt in werking 6 weken na bekendmaking.</al></li></lijst></artikel></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus besloten in de openbare vergadering van de raad der gemeente
                        Bloemendaal, gehouden op 5 november 2003.</ondertekening><ondertekening> ,voorzitter</ondertekening><ondertekening> ,griffier</ondertekening><ondertekening/><ondertekening/></regeling-sluiting><nota-toelichting><tussenkop>Toelichting op de Verordening regelende het onderzoek door de raad
                    Bloemendaal 2003</tussenkop><tussenkop>Algemene toelichting</tussenkop><al>Artikel 155a van de Gemeentewet bepaalt dat de raad bij verordening nadere
                    regels met betrekking tot onderzoek door de raad stelt, alvorens de raad besluit
                    tot een enquête conform artikelen 155a tot en met 155f van de Gemeentewet. Ook
                    als onderzoek door de raad niet op deze wetsartikelen stoelt, zijn er nadere
                    regels te stellen. De raad maakt de keuze tussen een lichte variant, een zware
                    variant of tussenvorm alvorens het onderzoek start.</al><al>Bij een onderzoek kan aan alle betrokkenen alleen op basis van vrijwilligheid
                    medewerking worden gevraagd. Uit de keuze voor een enquête vloeit voort dat alle
                    personen die van gemeentelijke zijde direct met het gemeentebestuur te maken
                    hebben of te maken hebben gehad onder de bijbehorende verplichtingen vallen. </al><al>Ook bij een enquête kan aan andere betrokkenen slechts op vrijwillige basis
                    medewerking aan de enquête worden gevraagd; voor hen is er dus geen verschil
                    tussen beide vormen. </al><tussenkop>Artikelsgewijze toelichting</tussenkop><tussenkop>Artikel 1</tussenkop><al>Dit eerste artikel van de verordening regelt het onderscheid tussen het
                    onderzoek en de enquête. In het laatste geval gelden voor het onderzoek ook de
                    artikelen die zijn gebaseerd op artikelen 155a tot en met 155f van de
                    Gemeentewet. De raad kan ook besluiten een enquête te houden en daarbij tegelijk
                    te bepalen dat de commissie het onderzoek start als onderzoekscommissie; de
                    commissie krijgt daarmee de flexibiliteit om op basis van vrijwilligheid
                    medewerking te vragen, maar zodra dit onvoldoende resultaten biedt, voor
                    (gewezen) bestuurders en (gewezen) ambtenaren over te gaan op de verplichting om
                    mee te werken. Zonder verlening door de raad van de bevoegdheid bij de start van
                    het onderzoek zou de commissie mogelijk lopende het onderzoek de raad moeten
                    verzoeken het onderzoek een zwaarder karakter te geven door alsnog als raad tot
                    het houden van een enquête te besluiten; deze procedure leidt tot onnodig
                    tijdsverlies. De omschrijving van het onderwerp van onderzoek en de
                    samenstelling van de commissie blijven dan wel ongewijzigd. Conform artikel 3
                    vindt publicatie plaats.</al><al>Het besluit om een enquête te houden is een besluit in de zin van de Algemene
                    wet bestuursrecht. Dit betekent dat tegen dit besluit bezwaar en beroep open
                    staat.</al><tussenkop>Artikel 2</tussenkop><al>De leden 1, 6 en 7 stoelen op de leden 2, 5 en 6 van artikel 155a van de
                    Gemeentewet. De leden 2 tot en met 4 regelen de samenstelling en het
                    voorzitterschap van de commissie. In lid 3 van artikel 155a van de Gemeentewet
                    is bepaald dat alleen leden van de gemeenteraad lid van de commissie kunnen
                    zijn. Lid 5 regelt de ambtelijke ondersteuning van de commissie, met een nadere
                    uitwerking in artikel 4. De regeling van ambtelijke bijstand aan deze commissie
                    is een in artikel 155a lid 8 van de Gemeentewet verplicht voorgeschreven
                    onderdeel van de verordening.</al><tussenkop>Artikel 3</tussenkop><al>Dit artikel regelt de openbare kennisgeving van het onderzoek.</al><tussenkop>Artikel 4</tussenkop><al>De aandachtspunten voor de aanpak van het onderzoek worden in dit artikel
                    geregeld. In de eerste vergadering van de onderzoekscommissie wordt een plan van
                    aanpak vastgesteld. De commissie is politiek verantwoordelijk voor de
                    activiteiten van de leden en van alle ingeschakelde ambtenaren en derden. Het
                    voorgeschreven overleg met de gemeentesecretaris garandeert dat de commissie
                    niet eenzijdig en onevenredig claims op werkruimten, ambtenaren, etc. gaat
                    leggen.</al><tussenkop>Artikel 5</tussenkop><al>Dit artikel regelt de toegang van de commissie tot relevante stukken. De leden 1
                    tot en met 3 zijn gelijk aan artikel 155b van de Gemeentewet. Anderen dan in
                    artikel 155b genoemden kunnen natuurlijk worden uitgenodigd om eveneens
                    informatie te verstrekken. De leden 4 en 5 regelen deze vrijwillige verstrekking
                    van informatie.</al><tussenkop>Artikel 6</tussenkop><al>Het horen van getuigen of deskundigen is in dit artikel geregeld. De leden 1 tot
                    en met 6 zijn gelijk aan de leden 1 tot en met 6 van artikel 155c van de
                    Gemeentewet. De leden 8 tot en met 10 zijn gelijk aan de leden 7 tot en met 9
                    van artikel 155c van de Gemeentewet. </al><al>Bij lid 5 benadrukt de Memorie van Toelichting bij de Gemeentewet: “Voorafgaand
                    aan het verhoor van een getuige die verplicht is te verschijnen, kan de
                    commissie besluiten dat het verhoor onder ede zal plaatsvinden. Het gevolg
                    hiervan is dat op grond van artikel 207 van het Wetboek van Strafrecht
                    vervolging mogelijk is wegens meineed.” </al><al>De onderzoekscommissie kan dus per getuige bepalen of er noodzaak is om onder
                    ede te horen, en zal dit vooraf aan de getuige moeten melden, bij voorkeur reeds
                    in de oproep.</al><al>Lid 7 is toegevoegd om de voorbereiding op de openbare verhoren te regelen; de
                    verplichtingen die in dit artikel worden geregeld, zijn niet van toepassing op
                    de gesprekken ter voorbereiding, die een vrijblijvend karakter hebben. </al><al>Lid 11 regelt dat proces verbaal wordt opgemaakt van weigeringen tot
                    medewerking.</al><tussenkop>Artikel 7 </tussenkop><al>Artikel 7 regelt de oproep van getuigen en deskundigen. De leden 1, 4 en 5 zijn
                    gelijk aan artikel 155d van de Gemeentewet. Lid 2 regelt de termijn voor de
                    ontvangst van de oproep. Lid 3 regelt dat proces verbaal wordt opgemaakt van
                    absentie.</al><tussenkop>Artikel 8</tussenkop><al>Dit artikel behoeft geen toelichting. </al><tussenkop>Artikel 9</tussenkop><al>Artikel 9 regelt het verschoningsrecht van onder meer getuigen en deskundigen,
                    en is gelijk aan artikel 155e van de Gemeentewet.</al><tussenkop>Artikel 10</tussenkop><al>Dit artikel regelt de verslaglegging van berichten en verklaringen. </al><tussenkop>Artikel 11</tussenkop><al>De vertrouwelijkheid omtrent ontvangen bescheiden of omtrent het in beslotenheid
                    besprokene wordt in dit artikel geregeld. De gemeenteraad krijgt wel inzage in
                    deze stukken voor zover ze onderdeel uitmaken van het verslag. Ook de
                    archivering van de bescheiden van de commissie is hier geregeld.</al><al>Lid 4 is gelijk aan artikel 86 lid 1 van de Gemeentewet; de laatste zin van lid
                    3 is gelijk aan het laatste deel van artikel 86 lid 3 van de Gemeentewet.</al><tussenkop>Artikel 12</tussenkop><al>Dit artikel behoeft geen toelichting. </al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>