<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.92--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR374969_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening tegenprestatie Albrandswaard 2015</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Albrandswaard</dcterms:creator><dcterms:modified>2015-01-01</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Albrandswaard</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2014-80131.html">Elektronisch gemeenteblad, 2014, 80131</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening tegenprestatie Participatiewet Albrandswaard 2015</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0035333&amp;artikel=8a">Invoeringswet Participatiewet, art. 8a, lid 1, onderdeel b</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0004044&amp;artikel=35">Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers, art. 35, onderdeel d</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0004163&amp;artikel=35">Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen, art. 35, onderdeel d</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2014-12-15</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2015-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2023-07-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>109156</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>maatschappelijke zorg en welzijn</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen.</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 januari 2015.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening tegenprestatie Albrandswaard 2015</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente Albrandswaard;</al><al/><al>Gelezen het voorstel van het college van de gemeente Albrandswaard met
                        kenmerk 115108 d.d. 18 november 2014;</al><al/><al>Gelet op artikel 8a, eerste lid, onderdeel b, van de Participatiewet,
                        artikel 35, onderdeel d, van de Wet inkomensvoorziening oudere en
                        gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers en artikel 35, onderdeel
                        d, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte
                        gewezen zelfstandigen;</al><al/><al><vet>BESLUIT:</vet></al><al/><al>vast te stellen de</al><al/><al><vet>Verordening tegenprestatie Albrandswaard 2015.</vet></al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Begrippen</titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder: </al><lijst><li nr="-"><al><cursief>grote afstand tot de arbeidsmarkt</cursief>: deelname
                                    aan de arbeidsmarkt is redelijkerwijs niet mogelijk binnen één
                                    jaar;</al></li><li nr="-"><al><cursief>korte afstand tot de arbeidsmarkt</cursief>: deelname
                                    aan de arbeidsmarkt is redelijkerwijs mogelijk binnen één
                                    jaar;</al></li><li nr="-"><al><cursief>mantelzorg: </cursief>hulp ten behoeve van
                                    zelfredzaamheid, participatie, beschermd wonen, opvang,
                                    jeugdhulp, het opvoeden en opgroeien van jeugdigen en zorg en
                                    overige diensten als bedoeld in de Zorgverzekeringswet, die
                                    rechtstreeks voortvloeit uit een tussen personen bestaande
                                    sociale relatie en die niet wordt verleend in het kader van een
                                    hulpverlenend beroep</al></li><li nr="-"><al><cursief>vrijwilligerswerk: </cursief>werk dat in enig verband
                                    onverplicht en onbetaald wordt verricht, voor anderen of de
                                    samenleving (vergelijk TK 2005-2006, 30 334, nr. 1, p. 2</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2.</nr><titel>Beleid</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Verslag over beleid</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college informeert de gemeenteraad via de tussenrapportage over
                                de doeltreffendheid van het beleid.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het jaarverslag, zoals bedoeld in het eerste lid, bevat het oordeel
                                van de cliëntenraad.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3</nr><titel>De tegenprestatie naar vermogen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>Inhoud van een tegenprestatie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden,
                                die additioneel van aard zijn, inzetten als tegenprestatie voor
                                zover die werkzaamheden:</al><lijst><li nr="a."><al> naar zijn aard niet zijn gericht op toeleiding tot de
                                        arbeidsmarkt; </al></li></lijst><lijst><li nr="b."><al>niet zijn bedoeld als re-integratieinstrument;</al></li><li nr="c."><al>worden verricht naast of in aanvulling op reguliere arbeid
                                        in de organisatie waarin ze worden verricht; en </al></li><li nr="d."><al>niet leiden tot verdringing. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college stelt ter nadere uitvoering van deze verordening een
                                beleidsplan vast waarin wordt vastgelegd welke aanvullende
                                werkzaamheden het college in ieder geval kan aanbieden en de
                                voorwaarden die daarbij gelden voor zover daarover in deze
                                verordening geen nadere bepalingen zijn opgenomen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Het opdragen van een tegenprestatie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan een belanghebbende met een grote afstand tot de
                                arbeidsmarkt een tegenprestatie opdragen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan een belanghebbende met een korte afstand tot de
                                arbeidsmarkt een tegenprestatie naar vermogen opdragen indien dit
                                re-integratie niet belemmert.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Bij het opdragen van een tegenprestatie houdt het college rekening
                                met de volgende factoren:</al><lijst><li nr="a."><al> de tegenprestatie moet naar vermogen kunnen worden verricht
                                        door een belanghebbende; </al></li></lijst><lijst><li nr="b."><al>de persoonlijke situatie en individuele omstandigheden van
                                        een belanghebbende moeten in aanmerking worden genomen;
                                    </al></li><li nr="c."><al> de persoonlijke wensen en kwaliteiten van een
                                        belanghebbende moeten in overweging worden genomen; </al></li><li nr="d."><al> als een belanghebbende al maatschappelijke activiteiten of
                                        vrijwilligerswerk verricht, moet daarmee rekening worden
                                        gehouden.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Duur en omvang van een tegenprestatie</titel></kop><al>De tegenprestatie wordt maximaal voor de duur van één jaar opgedragen,
                            voor maximaal 8 uur per week. Na 1 jaar wordt opnieuw bezien of een
                            tegenprestatie wordt opgedragen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Mantelzorg</titel></kop><al>Het college draagt geen tegenprestatie op indien een belanghebbende
                            mantelzorg verricht voor zover het verrichten van mantelzorg naar het
                            oordeel van het college redelijkerwijs noodzakelijk is, én minimaal
                            overeenkomt met de duur en omvang, zoals genoemd in artikel 5. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel>Geen werkzaamheden voorhanden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college draagt geen tegenprestatie op indien geen werkzaamheden
                                voorhanden zijn die kunnen worden ingezet als tegenprestatie.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien het college geen tegenprestatie opdraagt omdat er geen
                                werkzaamheden voorhanden zijn, beoordeelt het college binnen
                                    <vet>3</vet> maanden of op dat moment wel werkzaamheden
                                voorhanden zijn die kunnen worden ingezet als tegenprestatie.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.</nr><titel>Rapportage en Evalutatie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het College rapporteert periodiek, middels de Tussenrapportages, de
                                Voorjaarsnota en de Begroting, over de beleidsinhoudelijke en
                                financiële voortgang van het door het gemeentebestuur gevoerde
                                beleid, voortvloeiende uit de bevoegdheden zoals die krachtens de
                                Participatiewet en deze verordening bij het gemeentebestuur zijn
                                neergelegd;</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het door het gemeentebestuur gevoerde beleid wordt minstens eenmaal
                                per drie jaar geëvalueerd</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 januari 2015. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als: <vet>Verordening tegenprestatie
                                Participatiewet Albrandswaard 2015</vet>.</al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld door de raad van de gemeente Albrandswaard in zijn
                        openbare vergadering van15 december 2014.</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>De griffier, De voorzitter,</ondertekening><ondertekening>Mr. Renske van der Tempel drs. Hans-Christoph Wagner</ondertekening></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>Voorwoord Verordening Tegenprestatie Participatiewet Albrandswaard
                        2015</titel></kop><al>Een tegenprestatie benadrukt de wederkerige relatie tussen een
                    uitkeringsgerechtigde en de maatschappij die de mogelijkheid biedt tot
                    ondersteuning bij het vinden van werk en het voorzien in de kosten van
                    levensonderhoud. In principe is deze dus van toepassing op iedere
                    uitkeringsgerechtigde. Als iemand immers al naar vermogen invulling geeft aan
                    maatschappelijke nuttige activiteiten, of vanwege belemmeringen of andere
                    noodzakelijke verplichtingen naast de noodzakelijke activiteiten van het
                    dagelijkse bestaan geen tegenprestatie meer kan leveren, hoeft een
                    tegenprestatie niet opgedragen te worden. </al><al>Bij het opdragen en bepalen van de omvang en duur van de tegenprestatie, wordt
                    maatwerk geleverd. De landelijke overheid heeft bepaald dat de invulling en
                    inzet van de tegenprestatie geen onderdeel mag uitmaken van een
                    re-integratietraject. Ook wordt er rekening gehouden met maatschappelijk nuttige
                    activiteiten die iemand al verricht, en mantelzorg. Als belanghebbenden
                    daarnaast nog een tegenprestatie naar vermogen kunnen leveren dienen ze dat te
                    doen, en kan dus een tegenprestatie opgedragen worden. Dat zal vooral het geval
                    zijn bij uitkeringsgerechtigden met een grote afstand tot de arbeidsmarkt, en
                    bij uitkeringsgerechtigden met een korte afstand tot de arbeidsmarkt, mits de
                    inzet van de maatschappelijke inspanning de re-integratie naar werk niet
                    belemmert. </al><al>Als uitkeringsgerechtigden naar vermogen al invulling geven aan maatschappelijk
                    nuttige activiteiten wordt dat erkend, en wordt daar rekening mee gehouden bij
                    de beoordeling of er nog een tegenprestatie naar vermogen geleverd dient te
                    worden. De tegenprestatie wordt daarom niet opgedragen aan:</al><lijst><li nr="-"><al>uitkeringsgerechtigden die duurzaam arbeidsongeschikt zijn,</al></li><li nr="-"><al>alleenstaande ouders die vanwege de zorg voor hun kind(eren) al een
                            ontheffing hebben om te voldoen aan de arbeidsverplichtingen,</al></li><li nr="-"><al>uitkeringsgerechtigden die naar vermogen al maatschappelijk nuttige
                            activiteiten verrichten, en</al></li><li nr="-"><al>personen die naar vermogen mantelzorg verrichten.</al><al/></li></lijst><al>In onderstaande tekst vindt U de Verordening Tegenprestatie Partcipatiewet.
                    Daarbij zijn de kaders zoals verwoord in het Beleidskaders Participatiewet
                    vertaald in de voorliggende verordening. </al><al/><al><vet>Algemene toelichting Verordening tegenprestatie Participatiewet gemeente
                        Albrandswaard 2015</vet></al><al>Het college is bevoegd een belanghebbende te verplichten naar vermogen een
                    tegenprestatie te verrichten, ook als die tegenprestatie niet direct samenhangt
                    met arbeidsinschakeling. Een belanghebbende van achttien jaar of ouder doch
                    jonger dan de pensioengerechtigde leeftijd is vanaf de dag van melding gehouden
                    naar vermogen een tegenprestatie te verrichten. Dit is vastgelegd in artikel 9,
                    eerste lid, onderdeel c, van de Participatiewet. De tegenprestatie bestaat uit
                    de plicht om naar vermogen door het college opgedragen onbeloonde
                    maatschappelijk nuttige werkzaamheden te verrichten, naast of in aanvulling op
                    reguliere arbeid en die niet leiden tot verdringing op de arbeidsmarkt. </al><al/><al><cursief>Individuele omstandigheden </cursief></al><al>Het college bepaalt aan de hand van de individuele omstandigheden en de
                    voorhanden zijnde onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden, de aard, de
                    duur en de omvang van de aan een persoon op te leggen tegenprestatie. Hierbij
                    moet het college de in deze verordening neergelegde criteria in acht nemen. Als
                    het college een tegenprestatie vraagt van belanghebbende, moet het een
                    duidelijke omschrijving geven van de te verrichten werkzaamheden. Het moet voor
                    een belanghebbende immers duidelijk zijn welke tegenprestatie van hem verwacht
                    wordt (zie Rechtbank Zeeland-West-Brabant 25-02-2013, nr. 12/3649,
                    ECLI:NL:RBZWB:2013:BZ5171). </al><al/><al><cursief>Geen tegenprestatie </cursief></al><al>Indien daarvoor dringende redenen - zoals zorgtaken - aanwezig zijn, verleent
                    het college in individuele gevallen tijdelijk ontheffing verlenen van de plicht
                    tot het verrichten van een tegenprestatie (artikel 9, tweede lid, van de
                    Participatiewet). De plicht tot tegenprestatie is niet van toepassing op een
                    belanghebbende die volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is als bedoeld in
                    artikel 4 van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (artikel 9, vijfde
                    lid, van de Participatiewet). De plicht tot tegenprestatie is voorts niet van
                    toepassing op een alleenstaande ouder die in het bezit is van een ontheffing als
                    bedoeld in artikel 9a, eerste lid, van de Participatiewet (artikel 9, zevende
                    lid, van de Participatiewet). </al><al/><al><cursief>Afstemmen </cursief></al><al>Net als bij het niet nakomen van de arbeids- en re-integratieverplichting geldt
                    voor het niet nakomen van de tegenprestatie dat de bijstand kan worden afgestemd
                    overeenkomstig de gemeentelijke afstemmingsverordening.</al><al/><al><cursief>Bevoegdheid opdragen tegenprestatie</cursief></al><al>De bevoegdheid van het college om een belanghebbende te verplichten naar
                    vermogen een tegenprestatie te verrichten geldt al sinds 1 januari 2012. De
                    regering meent dat de tegenprestatie voor uitkeringsgerechtigden een gelegenheid
                    is om te blijven participeren in de samenleving en om een sociaal netwerk,
                    arbeidsritme en regelmaat te behouden. Dit zijn volgens de regering ook
                    noodzakelijke voorwaarden om de kansen op de arbeidsmarkt te vergroten (TK
                    2013-2014, 33 801, nr. 3, p. 29).</al><al/><al><cursief>Tegenprestatie is geen re-integratieinstrument </cursief></al><al>De plicht tot tegenprestatie heeft tot doel om maatschappelijk nuttige
                    werkzaamheden te doen in de samenleving als tegenprestatie voor het ontvangen
                    van een uitkering. Het opdragen van een tegenprestatie heeft niet primair tot
                    doel de re-integratie van een belanghebbende te bevorderen, maar moet worden
                    gezien als een nuttige bijdrage aan de samenleving (TK 2013-2014, 33 801, nr. 7,
                    p. 4950). De tegenprestatie is daarom naar zijn aard niet gericht op toeleiding
                    tot de arbeidsmarkt en is niet bedoeld als re-integratieinstrument. Voorts mag
                    een tegenprestatie het accepteren van passende arbeid of van
                    reintegratieinspanningen niet belemmeren. Immers, als uitgangspunt geldt werk
                    boven uitkering. </al><al/><al><cursief>Verordeningsplicht </cursief></al><al>De Wet maatregelen WWB legt de gemeenteraad de verplichting op om bij
                    verordening regels vast te stellen over het opdragen van een tegenprestatie aan
                    mensen met een bijstandsuitkering in de leeftijd van 18 jaar tot de
                    pensioengerechtigde leeftijd. Deze verordeningsopdracht is neergelegd in artikel
                    8a, eerste lid, onderdeel b Participatiewet. Het is aan de gemeente om de duur,
                    omvang en inhoud van de tegenprestatie te regelen (zie TK 2013-2014, 33 801, nr.
                    24, p. 6).</al><al/><al><cursief>Ontwikkelen beleid door college </cursief></al><al>Het college heeft de opdracht beleid te ontwikkelen ten behoeve van het
                    verrichten van een tegenprestatie en het uitvoeren ervan overeenkomstig de
                    verordening tegenprestatie. Dit volgt uit artikel 7, eerste lid, onderdeel c,
                    van de Participatiewet.</al><al/><al><vet>Artikelsgewijze toelichting Verordening Tegenprestatie Participatiewet
                        gemeente Albrandswaard 2015 </vet></al><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Begrippen</titel></kop><al>Begrippen die al zijn omschreven in de Participatiewet, de Algemene wet
                        bestuursrecht of de Gemeentewet worden niet afzonderlijk gedefinieerd in
                        deze verordening. Deze zijn vanzelfsprekend van toepassing op deze
                        verordening.</al><al/><al><cursief>Korte afstand tot de arbeidsmarkt </cursief></al><al>In artikel 1 van deze verordening is een definitie opgenomen van het begrip
                        'korte afstand tot de arbeidsmarkt'. Onder een korte afstand tot de
                        arbeidsmarkt wordt verstaan dat een persoon redelijkerwijs binnen één jaar
                        geschikt is voor deelname aan de arbeidsmarkt. Dit begrip is van belang in
                        verband met de mogelijkheid tot het opdragen van een tegenprestatie. Zie
                        hierover artikel 4 van deze verordening. </al><al/><al><cursief>Grote afstand tot de arbeidsmarkt </cursief></al><al>In artikel 1 van deze verordening is een definitie opgenomen van het begrip
                        'grote afstand tot de arbeidsmarkt'. Onder een grote afstand tot de
                        arbeidsmarkt wordt verstaan dat een persoon redelijkerwijs niet binnen één
                        jaar geschikt is voor deelname aan de arbeidsmarkt. Dit begrip is van belang
                        in verband met de mogelijkheid tot het opdragen van een tegenprestatie. Zie
                        hierover artikel 4 van deze verordening. </al><al/><al><cursief>Mantelzorg </cursief></al><al>In artikel 1 van deze verordening is de definitie opgenomen van mantelzorg.
                        Deze begripsbepaling is gebaseerd op het begrip zoals dat wordt gehanteerd
                        in de Wet maatschappelijke ondersteuning (zie artikel 1, eerste lid,
                        onderdeel b, van de Wet maatschappelijke ondersteuning). Onder mantelzorg
                        wordt verstaan: langdurige zorg die niet in het kader van een hulpverlenend
                        beroep wordt geboden aan een hulpbehoevende door personen uit diens directe
                        omgeving, waarbij zorgverlening rechtstreeks voortvloeit uit de sociale
                        relatie en de gebruikelijke zorg van huisgenoten voor elkaar overstijgt. Het
                        begrip 'mantelzorg' is van belang omdat artikel 6 van deze verordening
                        bepaalt dat het college geen tegenprestatie opdraagt indien een
                        belanghebbende mantelzorg verricht voor zover het verrichten van mantelzorg
                        naar het oordeel van het college redelijkerwijs noodzakelijk is. </al><al>Uit kamerstukken met betrekking tot het begrip 'mantelzorg' zoals neergelegd
                        in de Wet maatschappelijke ondersteuning volgt dat de vier belangrijkste
                        kenmerken van mantelzorg zijn: </al><lijst><li nr="1."><al>er is een bestaande sociale relatie tussen de zorgvrager en de
                                zorgverlener; </al></li><li nr="2."><al>mantelzorg wordt niet verricht in een georganiseerd verband; </al></li><li nr="3."><al> het verrichten van mantelzorg is veelal geen bewuste keuze; </al></li><li nr="4."><al> het verlenen van mantelzorg is nooit afdwingbaar. </al></li></lijst><al>Deze kenmerken zijn ontleend aan diverse kamerstukken zoals TK 2004-2005, 30
                        169, nr. 1 (Notitie "De mantelzorger in beeld") en TK 2005-2006, 30 131, nr.
                        C.</al><al/><al>Voor mantelzorg is vereist dat de verleende zorg de gebruikelijke zorg van
                        huisgenoten voor elkaar overstijgt. Voor de uitvoering van de Wet
                        maatschappelijke ondersteuning hanteren gemeenten veelal het protocol
                        Gebruikelijke Zorg van het Centrum Indicatiestelling Zorg om vast te stellen
                        of sprake is van gebruikelijke zorg. Voor de uitleg van wat onder
                        gebruikelijke zorg kan worden aangesloten bij de definitie van gebruikelijke
                        zorg in het protocol Gebruikelijke Zorg. Gebruikelijke zorg wordt in dat
                        Protocol als volgt omschreven: de normale, dagelijkse zorg die partners of
                        ouders en inwonende kinderen geacht worden elkaar onderling te bieden omdat
                        ze als leefeenheid een gezamenlijk huishouden voeren en op die grond een
                        gezamenlijke verantwoordelijkheid hebben voor het functioneren van dat
                        huishouden. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Verslag over beleid</titel></kop><al>Het college informeert de gemeenteraad via de tussenrapportage een verslag
                        over de doeltreffendheid van het beleid inzake het opdragen van een
                        tegenprestatie. </al><al/><al><cursief>Cliëntenraad betrekken bij beleid </cursief></al><al>Uit artikel 2, tweede lid, van deze verordening volgt nadrukkelijk dat de
                        cliëntenraad moet worden betrokken bij de verantwoording over het beleid.
                        Het jaarverslag dat via de tussenrapportage aan de raad wordt gezonden bevat
                        tevens het oordeel van de cliëntenraad bevatten (zie ook artikel 47
                        Participatiewet). </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>Inhoud van een tegenprestatie</titel></kop><al>Het college bepaalt aan de hand van de individuele omstandigheden en de
                        voorhanden zijnde onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden, de aard,
                        de duur en de omvang van de aan een persoon op te leggen tegenprestatie.
                        Hierbij moet het college de in deze verordening neergelegde criteria in acht
                        nemen. Artikel 3 van deze verordening stelt voorwaarden ten aanzien van de
                            <vet>inhoud</vet> van de tegenprestatie. Het college dient
                            <vet>maatwerk</vet> toe te passen bij het opdragen van een
                        tegenprestatie. Rekening moet worden gehouden met de individuele
                        omstandigheden van belanghebbende, waaronder leeftijd, opleiding,
                        werkervaring en andere relevante persoonlijke omstandigheden. De
                        werkzaamheden worden immers opgedragen ‘naar vermogen’. Het is dus van
                        belang dat belanghebbende ook in staat is de werkzaamheden te verrichten
                        (zie Rechtbank Zeeland-WestBrabant 25-02-2013, nr. 12/3649,
                        ECLI:NL:RBZWB:2013:BZ5171). </al><al/><al>Als het college een tegenprestatie vraagt van belanghebbende, moet het een
                        duidelijke omschrijving geven van de te verrichten werkzaamheden. Het moet
                        voor een belanghebbende immers duidelijk zijn welke tegenprestatie van hem
                        wordt verwacht (zie Rechtbank Zeeland-West-Brabant 25-02-2013, nr. 12/3649,
                        ECLI:NL:RBZWB:2013:BZ5171). </al><al/><al><cursief>Additionele onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden
                        </cursief></al><al>In artikel 3, eerste lid, van deze verordening is bepaald dat de
                        tegenprestatie onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden betreffen
                        die additioneel van aard zijn. De maatschappelijk nuttige werkzaamheden in
                        het kader van de tegenprestatie dienen zich te onderscheiden van
                        werkzaamheden die door de reguliere arbeidsmarkt verricht worden. Het
                        onderscheid tussen betaalde en onbetaalde werkzaamheden is afhankelijk van
                        onder meer economische factoren en van keuzes die mede op basis daarvan door
                        het bedrijfsleven en/of de overheid worden gemaakt (TK 2013-2014, 33 801,
                        nr. 3, p. 30).</al><al/><al><cursief>Werkzaamheden die kunnen worden ingezet</cursief></al><al>Het college kan onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden, die
                        additioneel van aard zijn, inzetten als tegenprestatie voor zover die
                        werkzaamheden voldoen aan de in artikel 3, eerste lid, van deze verordening
                        genomen de voorwaarden. Dit betekent dat de als tegenprestatie in te zetten
                        werkzaamheid: </al><lijst><li nr="a."><al>naar zijn aard niet is gericht op toeleiding tot de arbeidsmarkt;
                            </al></li><li nr="b."><al>niet is bedoeld als re-integratieinstrument; </al></li><li nr="c."><al>wordt verricht naast of in aanvulling op reguliere arbeid in de
                                organisatie waarin deze worden verricht; en</al></li><li nr="d."><al>niet leidt tot verdringing. </al></li></lijst><al/><al>Deze voorwaarden zijn gebaseerd op de belangrijkste kenmerken van de
                        tegenprestatie die volgen uit de parlementaire geschiedenis (zie TK
                        2010-2011, 32 815, nr. 3, p. 14). </al><al/><al>In overeenstemming hiermee:</al><lijst><li nr="-"><al>Het moet gaan om activiteiten waar evident geen betaling tegenover
                                staat. Het mag daarom niet gaan om activiteiten waarvoor
                                belanghebbende of een ander normaal gesproken betaald wordt of
                                eerder (minder dan één jaar geleden) nog betaald werd. Dit is het
                                geval als eerder bestaande arbeidsplaatsen met vergelijkbare
                                werkzaamheden binnen deze periode zijn wegbezuinigd bij de
                                betreffende (overheids-)organisatie.</al></li><li nr="-"><al>Er mag geen vacature openstaan voor dezelfde of bijna dezelfde
                                activiteiten als die bij de tegenprestatie zouden worden
                                uitgevoerd.</al><al/></li></lijst><al><cursief>Samenwerking van de gemeente met maatschappelijke organisaties:
                        </cursief></al><al>De gemeente kan voor het werven van maatschappelijk nuttige werkzaamheden
                        samenwerken met maatschappelijke organisaties zoals: welzijnsinstellingen,
                        vrijwilligerswerkorganisaties, buurthuizen en/of sportvoorzieningen. Om
                        ervoor te zorgen dat voldoende maatschappelijk nuttige werkzaamheden
                        voorhanden zijn, is het van belang dat contacten worden onderhouden met
                        maatschappelijke organisaties. Een vrijwilligersvacaturebank bij een
                        vrijwilligerscentrale kan een belangrijk hulpmiddel zijn om het aanbod van
                        maatschappelijk nuttige werkzaamheden te bepalen. De gemeente kan ervoor
                        kiezen uitsluitend werkzaamheden binnen de gemeentegrenzen als
                        tegenprestatie in te zetten of werkzaamheden zowel binnen als buiten de
                        gemeentegrenzen in te zetten. Zie hierover de toelichting bij artikel 7 van
                        deze verordening.</al><al/><al><cursief>Tegenprestatie mag niet leiden tot verdringing </cursief></al><al>De tegenprestatie mag niet worden ingezet in het kader van de re-integratie.
                        De tegenprestatie mag bovendien niet direct gericht zijn op toeleiding naar
                        de arbeidsmarkt en is dan ook niet bedoeld als re-integratieinstrument. Het
                        betreffen werkzaamheden die worden verricht naast of in aanvulling op
                        reguliere arbeid en die niet mogen leiden tot verdringing op de
                        arbeidsmarkt. Reguliere werkzaamheden kunnen daarom niet als tegenprestatie
                        worden ingezet. De tegenprestatie mag het accepteren van passende arbeid of
                        van re-integratieinspanningen niet belemmeren. Het uitgangspunt werk boven
                        uitkering staat voorop. Dit volgt uit artikel 9, eerste lid, onderdeel c,
                        van de Participatiewet en de parlementaire geschiedenis (zie TK 2010-2011,
                        32 815, nr. 3, p. 14).</al><al>De activiteiten worden getoetst aan de volgende criteria:</al><lijst><li nr="1."><al>de aard, de plaats, de duur en de werktijden van de in het kader van
                                de aangeboden voorziening te verrichten werkzaamheden in relatie tot
                                de mogelijkheden, de werkervaring, de opleiding en de gezinssituatie
                                van de belanghebbende;</al></li><li nr="2."><al>de duur van de werkloosheid van de belanghebbende;</al></li><li nr="3."><al>of en zo ja, hoe de aangeboden voorziening kan bijdragen aan de
                                arbeidsinschakeling van de belanghebbende;</al></li><li nr="4."><al>de zwaarte van de sanctie bij niet meewerken aan de aangeboden
                                voorziening.</al><al/></li></lijst><al>D.m.v. de volgende beslisboom kan vastgesteld worden of een bepaalde
                        activiteit voldoet aan de voorwaarden van een tegenprestatie:</al><al/><al>1. Gaat het om iemand met een WWB-, IOAW- of IOAZ-uitkering?</al><al><vet>Nee </vet>→ Kan geen tegenprestatie zijn.</al><al><vet>Ja </vet>→ Ga naar vraag 2.</al><al/><al>2. Gaat het om onbetaalde werkzaamheden?</al><al><vet>Nee </vet>→ Geen tegenprestatie maar <vet>regulier werk</vet>.</al><al><vet>Ja </vet>→ Ga naar vraag 3.</al><al/><al>3. Gaat het om werkzaamheden die additioneel zijn op reguliere arbeid ?</al><al><vet>Nee </vet>→ Geen tegenprestatie maar <vet>werken met behoud van
                            uitkering</vet></al><al><vet>Ja </vet>→ Ga naar vraag 4.</al><al/><al>4. Is het primaire doel arbeidsinschakeling?</al><al><vet>Ja </vet>→ Geen tegenprestatie maar een <vet>re-integratietraject of
                            participatieplaats</vet></al><al><vet>Nee </vet>→ Ga naar vraag 5.</al><al/><al>5. Zijn de activiteiten nauwkeurig omschreven en afgestemd op de
                        capaciteiten en mogelijkheden van</al><al>belanghebbende?</al><al><vet>Nee </vet>→ Geen tegenprestatie</al><al><vet>Ja </vet>→ Ga naar vraag 6.</al><al/><al>6. Is het beperkt in duur en omvang (zodat het re-integreren en solliciteren
                        niet in de weg staat)?</al><al><vet>Nee </vet>→ Geen tegenprestatie</al><al><vet>Ja </vet>→ Ga naar vraag 7.</al><al/><al>7. Gaat het om maatschappelijk nuttige activiteiten?</al><al/><al>Het gaat o.a. om de volgende activiteiten:</al><lijst><li nr="-"><al>helpen bij organisatie van een festival</al></li><li nr="-"><al>leesouder op school</al></li><li nr="-"><al>opknappen van speelplekken in de wijk</al></li><li nr="-"><al>taalmaatje voor inburgeringsplichtigen</al></li><li nr="-"><al>scheidsrechter bij de voetbalvereniging</al></li><li nr="-"><al>sneeuwschuiven</al></li><li nr="-"><al>activiteiten in een wijkcentrum</al></li><li nr="-"><al>respijtzorger</al></li><li nr="-"><al>koffie schenken of maaltijden uitdelen in een verzorgingshuis of
                                wijkhuis</al></li></lijst></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Het opdragen van een tegenprestatie</titel></kop><al>Het college heeft beleidsvrijheid om een tegenprestatie op te leggen. Het
                        college bepaalt uiteindelijk of, en zo ja welke tegenprestatie wordt
                        opgedragen. Tegen een besluit tot het opdragen van een tegenprestatie kan
                        bezwaar en beroep worden aangetekend (TK 2013-2014, 33 801, nr. 7, p.
                        49).</al><al/><al><cursief>Tegenprestatie opdragen aan personen met grote afstand tot
                            arbeidsmarkt </cursief></al><al>De gemeenteraad kiest er in deze verordening voor te bepalen dat het college
                        een tegenprestatie in beginsel wordt opdragen aan een belanghebbende die een
                        grote afstand tot de arbeidsmarkt heeft. Aan belanghebbenden die een korte
                        afstand tot de arbeidsmarkt hebben wordt alleen een tegenprestatie
                        opgedragen, als de tegenprestatie re-integratie niet in de weg staat (zie
                        hierover ook de toelichting bij artikel 4, tweede lid, onder de kop
                        "Belanghebbende met een korte afstand tot de arbeidsmarkt"). Zie artikel 1
                        van deze verordening voor de begrippen korte en grote afstand tot de
                        arbeidsmarkt. </al><al>Hiervoor is gekozen opdat personen met een korte afstand tot de arbeidsmarkt
                        zich zo volledig mogelijk kunnen richten op de arbeidsplicht en de
                        re-integratieplicht, zoals het naar vermogen algemeen geaccepteerde arbeid
                        verkrijgen. Bij personen met een korte afstand tot de arbeidsmarkt kan
                        redelijkerwijs worden verwacht dat hun inspanningen eerder zullen leiden tot
                        uitstroom. De tegenprestatie mag immers het accepteren van passende arbeid
                        of van re-integratieinspanningen niet belemmeren aangezien werk boven
                        uitkering als uitgangspunt geldt.</al><al/><al><cursief>Belanghebbende met een korte afstand tot de arbeidsmarkt </cursief></al><al>Artikel 4, tweede lid, van deze verordening bepaalt dat het college een
                        belanghebbende met een korte afstand tot de arbeidsmarkt een tegenprestatie
                        kan opdragen als dat re-integratie niet in de weg staat. Hierbij kan
                        bijvoorbeeld gedacht worden aan de situatie waarin geen
                        re-integratieactiviteiten worden verricht door belanghebbende, het
                        verrichten van reintegratieactiviteiten op korte termijn redelijkerwijs niet
                        kan worden verwacht, of dat op korte termijn niet te verwachten is dat
                        re-integratieactiviteiten dusdanig intensief zijn dat belanghebbende geen
                        tegenprestatie meer kan leveren. In dat geval dient belanghebbende een
                        tegenprestatie te leveren. </al><al/><al><cursief>Geen tegenprestatie </cursief></al><al>Indien daarvoor dringende redenen - zoals zorgtaken - aanwezig zijn, kan het
                        college in individuele gevallen tijdelijk ontheffing verlenen van de plicht
                        tot het verrichten van een tegenprestatie (artikel 9, tweede lid, van de
                        Participatiewet). De verplichting tot het verrichten van een tegenprestatie
                        is niet van toepassing op een belanghebbende die volledig en duurzaam
                        arbeidsongeschikt is, als bedoeld in artikel 4 van de Wet werk en inkomen
                        naar arbeidsvermogen (artikel 9, vijfde lid, van de
                        Participatiewet)</al><al>De verplichting tot tegenprestatie is niet van toepassing op een
                        alleenstaande ouder die in het bezit is van een ontheffing als bedoeld in
                        artikel 9a, eerste lid, van de Participatiewet (artikel 9, zevende lid, van
                        de Participatiewet). </al><al/><al><cursief>Weigering tegenprestatie</cursief></al><al>Het college dient bij weigering van belanghebbende om de tegenprestatie te
                        verrichten, op basis van het individuele geval de hoogte en de duur van de
                        op te leggen maatregel te bepalen (TK 2013-2014, 33 801, nr. 3, p. 29). Dat
                        wordt vastgelegd in de afstemmingsverordening.</al><al/><al><cursief>Factoren opdragen tegenprestatie </cursief></al><al>In artikel 4, derde lid, van deze verordening is neergelegd met welke
                        factoren het college rekening moet houden bij het opdragen van een
                        tegenprestatie. Deze factoren worden hierna toegelicht. </al><al><cursief>Factor: tegenprestatie </cursief><vet><cursief>'naar vermogen'</cursief></vet></al><al>De werkzaamheden die als tegenprestatie ingezet worden, moeten naar vermogen
                        door een belanghebbende verricht kunnen worden. De term 'naar vermogen'
                        heeft betrekking op de mogelijkheden waarover een belanghebbende beschikt om
                        deze werkzaamheden te verrichten. Immers, niet alle onbeloonde
                        maatschappelijk nuttige werkzaamheden kunnen worden opgedragen aan elke
                        uitkeringsgerechtigde (TK 2013-2014, 33 801, nr. 3, p. 30).</al><al/><al><cursief>Factor: persoonlijke situatie en individuele omstandigheden
                            belanghebbende </cursief></al><al>Bij het opdragen van de tegenprestatie houdt het college rekening met de
                        persoonlijke situatie en individuele omstandigheden van een belanghebbende,
                        waaronder leeftijd, opleiding en werkervaring (Rechtbank
                        Zeeland-West-Brabant 25-02-2013, nr. 12/3649, ECLI:NL:RBZWB:2013:BZ5171).
                        Hierbij wordt rekening gehouden met het fysieke en psychische vermogen van
                        een belanghebbende. Bij het opdragen van de tegenprestatie dient het college
                        maatwerk te leveren. </al><al>Indien iemand geen perspectief heeft op werk, dan is de belastbaarheid en de
                        loonwaarde van iemand waarschijnlijk dusdanig laag, dat in de meeste
                        gevallen naar verwachting ook een tegenprestatie niet vaak uitgevoerd kan
                        worden.</al><al/><al>Voorts wordt bij opdragen van een tegenprestatie rekening gehouden met </al><al>praktische omstandigheden zoals reistijd, beschikbaarheid van kinderopvang
                        en/of belanghebbende al maatschappelijke activiteiten verricht.</al><al/><al><cursief>Factor: persoonlijke wensen en kwaliteiten belanghebbende
                        </cursief></al><al>Bij het opdragen van de verplichting tot tegenprestatie houdt het
                        college rekening met de persoonlijke wensen en kwaliteiten van
                        belanghebbende. De regering vindt het immers belangrijk dat een
                        belanghebbende invloed heeft op de keuze van de activiteiten (TK 2013-2014,
                        33 801, nr. 7, p. 47). Belanghebbende kan zelf ideeën aandragen voor de als
                        tegenprestatie te verrichten werkzaamheden. Het college kan in beleidsregels
                        bepalen wanneer een belanghebbende zijn keuze voor het verrichten van
                        maatschappelijk nuttige activiteit kenbaar maakt aan het college. gegeven
                        dat een belanghebbende al maatschappelijk actief is (TK 2013-2014, 33 801,
                        nr. 24, p. 6). Indien een belanghebbende al een maatschappelijke activiteit
                        verricht, kan het college in bepaalde gevallen besluiten deze
                        maatschappelijke activiteit aan te merken als tegenprestatie. Ook kan de
                        omstandigheid dat een belanghebbende maatschappelijke activiteit verricht,
                        ertoe leiden dat hiermee rekening wordt gehouden bij het vaststellen van de
                        tegenprestatie, met name de duur en de omvang van de tegenprestatie. Een
                        voorbeeld van maatschappelijke activiteiten zijn: de zorg voor een ouder of
                        een gehandicapt kind. Het college beoordeelt de maatschappelijke
                        activiteiten en houdt daarbij rekening met de duur en omvang. Het college
                        beoordeelt de door belanghebbende zelf aangedragen ideeën en kan besluiten
                        om het voorstel van belanghebbende over te nemen en die werkzaamheden in te
                        zetten als tegenprestatie. Uiteraard moet die werkzaamheid voldoen aan het
                        bepaalde bij of krachtens artikel 3 van deze verordening en moet die
                        werkzaamheid beschikbaar zijn. Het college is niet gehouden te voldoen aan
                        de wensen van een belanghebbende, maar moet deze wel in de beoordeling
                        meenemen. Draagt belanghebbende geen ideeën aan, dan legt het college
                        belanghebbende een lijst met keuzemogelijkheden voor van maatschappelijk
                        nuttige werkzaamheden die voorhanden zijn. Als belanghebbende geen voorkeur
                        kenbaar maakt of er geen keuzemogelijkheid is, legt het college een
                        werkzaamheid op. Het is immers aan het college, en niet aan een
                        belanghebbende, een tegenprestatie op te dragen aan belanghebbende. </al><al/><al><cursief>Factor: maatschappelijke activiteiten en vrijwilligerswerk door
                            belanghebbende </cursief></al><al>Het college houdt er bij het opdragen van de plicht tot tegenprestatie
                        rekening met het eventuele </al><al>Dit geldt ook voor het verrichten van vrijwilligerswerk. Het college kan ook
                        besluiten vrijwilligerswerk aan te merken als tegenprestatie. Hierbij moet
                        wel rekening worden gehouden met de minimale en maximale duur van de
                        tegenprestatie zoals neergelegd in artikel 5 van deze verordening. Hierbij
                        kan ook de aard van het vrijwilligerswerk een rol spelen. Omdat
                        vrijwilligerswerk veelzijdig van aard is, is geen begripsomschrijving
                        opgenomen. </al><al/><al><cursief>Begeleiding, monitoring en handhaving</cursief></al><al>Indien een tegenprestatie opgedragen wordt zal de gemeente de regie voeren
                        over de begeleiding, monitoring en handhaving, en daartoe geregeld contact
                        onderhouden met de uitkeringsgerechtigde, en de organisatie waarbij, of
                        onder begeleiding waarvan, de tegenprestatie wordt geleverd. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Duur en omvang van een tegenprestatie</titel></kop><al>Het college bepaalt aan de hand van de individuele omstandigheden en de
                        voorhanden zijnde onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden, de aard,
                        de duur en de omvang van de aan een persoon op te leggen tegenprestatie.
                        Hierbij moet het college de in deze verordening neergelegde criteria in acht
                        nemen. Daarbij moet rekening gehouden worden met de internationale
                        bepalingen met betrekking tot het verbod op dwangarbeid en verplichte
                        arbeid.Artikel 5 van deze verordening stelt voorwaarden ten
                        aanzien van de duur en omvang van de tegenprestatie. </al><al/><al><cursief>Individuele omstandigheden </cursief></al><al>Het college beoordeelt op basis van de individuele omstandigheden van een
                        belanghebbende de omvang en de duur van de tegenprestatie. De omvang van de
                        werkzaamheden en de duur in de tijd dienen in de regel <vet>beperkt</vet> te
                        zijn. Dat betekent dat het college steeds een afweging maakt op basis van de
                        situatie in welke mate een tegenprestatie verlangd kan worden (TK 2013-2014,
                        33 801, nr. 30). </al><al>Van belang is dat de schijn van dwangarbeid wordt vermeden. Dat heeft
                        gevolgen voor de duur van een Tegenprestatie, en de omvang ervan.
                        Kluwer/Schulinck adviseert om de omvang niet meer te laten zijn dan 10 uur
                        per week. Om zowel een projectmatige als een regelmatige (aantal uur per
                        week) tegenprestatie op te kunnen dragen gaat de voorkeur uit naar een
                        tegenprestatie van 8 uur per week. Iemand die meer dan 8 uur per week
                        inzetbaar is voor een tegenprestatie heeft immers al snel
                        re-integratiemogelijkheden. In het geval dat iemand kan re-integreren, én de
                        afstand tot de arbeidsmarkt groot is, kan de omvang van de tegenprestatie
                        afgestemd worden op de re-integratieactiviteiten en het vermogen van een
                        uitkeringsgerechtigde.</al><al>Omdat het voor iemand met een grote afstand tot de arbeidsmarkt naar
                        verwachting langer duurt dan 1 jaar om te re-integreren, is bij deze periode
                        aangesloten voor de bepaling van de periode van de Tegenprestatie. Hierbij
                        dient de aantekening gemaakt te worden dat de duur beperkt dient te zijn.
                    </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Mantelzorg</titel></kop><al>Artikel 6 van de verordening bepaalt dat geen tegenprestatie wordt
                        opgedragen indien een belanghebbende mantelzorg verricht en het college het
                        verrichten hiervan redelijkerwijze noodzakelijk vindt. De regering heeft
                        deze mogelijkheid uitdrukkelijk benoemd in de nota van wijziging met
                        betrekking tot de Wet maatregelen WWB (TK 2013-2014, 33 801, nr. 24, p. 6).
                        Of sprake is van mantelzorg wordt getoetst aan de criteria van het begrip
                        mantelzorg zoals neergelegd in artikel 1 van deze verordening. Verricht een
                        belanghebbende mantelzorg in de zin van deze verordening en is het
                        verrichten van mantelzorg volgens het college redelijkerwijs noodzakelijk,
                        dan draagt het college een belanghebbende geen tegenprestatie op (artikel 6
                        van deze verordening). </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel>Geen werkzaamheden voorhanden</titel></kop><al>Artikel 7 van deze verordening bepaalt dat geen tegenprestatie wordt
                        opgedragen indien geen onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden
                        voorhanden zijn. In deze verordening kiest de gemeenteraad ervoor dat indien
                        geen maatschappelijk nuttige werkzaamheden voorhanden zijn binnen de eigen
                        gemeentegrenzen, buiten de gemeentegrenzen gezocht moet worden naar
                        maatschappelijk nuttige werkzaamheden. Ter uitvoering hiervan kan worden
                        samengewerkt met de andere 2 clustergemeenten en de gemeenten in de
                        arbeidsmarktregio. Indien het college besluit geen tegenprestatie op te
                        leggen omdat geen onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden
                        voorhanden zijn, wordt binnen <vet>3</vet> maanden opnieuw beoordeeld of op
                        dat moment wel maatschappelijk nuttige werkzaamheden voorhanden zijn. Dit is
                        geregeld in artikel 7, tweede lid, van deze verordening. </al><al/><al>Dit zal in de praktijk echter alleen het geval zijn als belanghebbende er
                        niet in slaagt zelfstandig een concrete invulling te geven aan de
                        verplichting tot het leveren van een tegenprestatie. In dat geval zal een
                        opdracht tot een specifieke invulling van deze verplichting worden gegeven.
                        In alle andere gevallen zal belanghebbende, met of zonder begeleiding,
                        zelfstandig invulling kunnen geven aan deze verplichting. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>9.</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 januari 2015. Vanaf die
                        datum is in artikel 8a, eerste lid, onderdeel b, van de Participatiewet de
                        verordeningsopdracht voor de gemeenteraad neergelegd om regels in de
                        verordening vast te stellen over het opdragen van een tegenprestatie. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>10.</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>In dit artikel is de citeertitel van deze verordening neergelegd. </al></divisie></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>