<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--
      meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR37463_13</dcterms:identifier><dcterms:title>Omgevingsverordening Overijssel 2009</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Provincie">Overijssel</dcterms:creator><dcterms:modified>2016-12-30</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Provincie">Overijssel</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Provinciaal Blad nr. 7020</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Omgevingsverordening Overijssel 2009</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Onbekend.</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanProvincie">provinciale staten</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>ruimtelijke ordening, verkeer en vervoer</dcterms:subject><dcterms:subject>milieu</dcterms:subject><dcterms:issued>2015-10-07</dcterms:issued><dcterms:rights>
          De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
          databankrecht
        </dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2015-10-21</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2017-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>wijziging artikel(en)</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Besluit van Provinciale Staten van 7 oktober 2015, kenmerk PS/2015/653</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Regeling uitwegen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Datum ondertekening inwerkingtredingsbesluit: 7-10-2015</al><al>Bron bekendmaking inwerkingtredingsbesluit: Provinciaal Blad nr. 7020</al></overheidrg:redactioneleToevoeging><overheidrg:externeBijlage>exb-2016-43614</overheidrg:externeBijlage><overheidrg:externeBijlage>exb-2016-43615</overheidrg:externeBijlage></cvdripm></meta><body><intitule>Omgevingsverordening Overijssel 2009</intitule><regeling><aanhef><preambule><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><titel>Algemene toelichting</titel></kop><artikel><kop><titel>0.1 Ambitie en sturingsfilosofie van de provincie Overijssel
                            </titel></kop><al>De provincie Overijssel heeft als ambitie om samen met partners een
                            vitale samenleving tot ontplooiing te laten komen in een mooi en vitaal
                            landschap. Een samenleving waarin alle Overijsselaars zich thuis voelen
                            en participeren. Met bloeiende steden en dorpen als motoren voor cultuur
                            en werkgelegenheid, ingebed in een landschap, waarin wonen, natuur,
                            landbouw en water elkaar versterken..­</al><al>Deze ambitie is nader uitgewerkt in de Omgevingsvisie Overijssel. Hierin
                            is de provinciale visie op de ontwikkeling van de fysieke leefomgeving
                            in Overijssel weergegeven. De bestuursfilosofie daarbij is dat de
                            provincie ernaar streeft om maatschappelijke resultaten te boeken waar
                            inwoners van Overijssel belang aan hechten. Daartoe: </al><lijst><li nr="•"><al>Pakken we complexe maatschappelijke uitdagingen integraal en
                                    samen met publieke, private en maatschappelijke partners in
                                    vitale coalities aan;</al></li><li nr="•"><al>Bieden we bestuurlijke partners op het meest geëigende
                                    schaalniveau ruimte om op eigen gezag te handelen; </al></li><li nr="•"><al>Beperken we bestuurlijke en ambtelijke drukte door eenvoudige en
                                    heldere regels.</al></li></lijst><al>Bewoners van Overijssel hebben aangegeven dat zij het stimuleren van de
                            werkgelegenheid belangrijk vinden en gehecht zijn aan het Overijssels
                            landschap en de natuur zoals deze nu is. De provincie heeft in de
                            Omgevingsvisie de uitdaging opgepakt om een ontwikkelingsvisie te geven
                            voor Overijssel, daarvoor ambities te formuleren en hierbij het
                            instrumentarium te kiezen waarmee aan de ene kant ruimte wordt geboden
                            aan sociaaleconomische ontwikkeling en tegelijkertijd de kwaliteit van
                            het Overijssels landschap wordt versterkt. Een instrumentarium waarmee
                            de provincie haar ambities realiseert en waarmee tegelijk partners
                            ruimte hebben hun doelen te realiseren. </al><al>In de Omgevingsvisie zijn de onderwerpen benoemd die de provincie tot
                            haar belang rekent. In figuur 1 in paragraaf 2.2.2. van de
                            Omgevingsvisie zijn de provinciale ambities op hoofdlijnen samengevat.
                            Een belangrijke wijziging ten opzichte van het huidige beleid is dat de
                            provincie integraal en meer expliciet wil sturen op ruimtelijke
                            kwaliteit en duurzaamheid. In de Omgevingsvisie is per thema nader
                            uitgewerkt wat de provinciale ambities zijn en welke instrumenten
                            daarvoor zullen worden ingezet. </al></artikel><artikel><kop><titel>0.1.1 Verordening in palet aan instrumenten</titel></kop><al>De provincie beschikt over een palet aan instrumenten waarmee zij haar
                            ambities realiseert. Het gaat er daarbij om steeds de meest optimale mix
                            van instrumenten toe te passen zodat effectief en efficiënt resultaat
                            wordt geboekt voor alle ambities en doelstellingen van de
                            Omgevingsvisie. De keuze voor inzet van deze instrumenten is bepaald aan
                            de hand van drie criteria: </al><lijst><li nr="•"><al>Functioneren vitale coalitie en positie burger: met welk
                                    instrument kan een vitale coalitie zo goed mogelijk gevormd
                                    worden en is het in belang van de rechtsstaat?</al></li><li nr="•"><al>Effectiviteit: met welk instrument kan het doel het best worden
                                    bereikt? </al></li><li nr="•"><al>Doelmatigheid: welk instrument voorkomt onevenredige
                                    administratieve lasten en/of bestuurlijke drukte?</al></li></lijst><al>De instrumenten waaruit we kunnen kiezen, volgen uit de drie
                            ‘productielijnen’ voor de provincie, zoals deze in onze visie op het
                            middenbestuur, ‘de vitale coalitie van de provincie Overijssel’ zijn
                            beschreven: </al><lijst><li nr="•"><al>Visie (zie 3.3.1. van de Omgevingsvisie) </al><al>o Omgevingsvisie zelf </al><al>o Kennis verwerven en delen</al></li><li nr="•"><al>Waarborg (zie 3.3.2. van de Omgevingsvisie)</al><al>o Verordening (inclusief toezicht en handhaving en bijbehorende
                                    instrumenten als zienswijze, bezwaar en aanwijzing)</al></li><li nr="•"><al>Realisatie (zie 3.3.3. van de Omgevingsvisie)</al><al>o (Prestatie-)afspraken </al><al>o Gebiedsontwikkelings- en uitvoeringsprojecten (inclusief bijv.
                                    inpassingsplan en projectbesluit) </al><al>o Subsidies en fondsen</al></li></lijst><al>Op basis van bovenstaande criteria en productielijnen is in de
                            Omgevingsvisie bij elke beleidsambitie een realisatieschema opgenomen
                            waarin is aangegeven welke instrumenten de provincie zal inzetten om de
                            verschillende onderwerpen van provinciaal belang te realiseren. De
                            realisatieschema’s zijn het vertrekpunt geweest voor het opstellen van
                            de verordening, waarbij de tekst van de Omgevingsvisie leidend is voor
                            de inhoud en de vorm van de regels in de verordening. De verordening is
                            dus één van de instrumenten die provincie inzet. </al><al>De verordening wordt ingezet voor die onderwerpen waarvoor de provincie
                            eraan hecht dat de doorwerking van het beleid van de Omgevingsvisie
                            juridisch geborgd is. De verordening voorziet ten opzichte van de
                            Omgevingsvisie niet in nieuw beleid en is daarmee dus beleidsneutraal.
                            De inzet van de verordening als juridisch instrument om de doorwerking
                            van provinciaal beleid af te dwingen is beperkt tot die onderdelen van
                            het beleid waarvoor de inzet van algemene regels noodzakelijk is om
                            provinciale belangen veilig te stellen of om uitvoering te geven aan
                            wettelijke verplichtingen. </al></artikel><artikel><kop><titel>0.1.2 Inzet van de verordening</titel></kop><al>In het kader van de Omgevingsvisie is bepaald voor welke onderwerpen de
                            verordening wordt ingezet. Voor de wijze van regelen zijn de volgende
                            aspecten als uitgangspunt gehanteerd (zie ook paragraaf 3.1. van de
                            Omgevingsvisie): </al><lijst><li nr="•"><al>Vitale coalities: realisatie door partnerschap </al></li><li nr="•"><al>Effectief bestuur: decentralisatie en ruimte voor partners </al></li><li nr="•"><al>Doelmatig bestuur: deregulering en helderheid</al></li></lijst><al>Dit betekent bijvoorbeeld dat we niet meer regelen dat strikt
                            noodzakelijk, dat dubbelingen met andere regelgeving is vermeden en
                            voorschriften zoveel mogelijk partners als gemeenten, waterschappen,
                            bedrijven en particulieren in positie brengen om verantwoordelijkheid te
                            nemen.</al><al>Verder wordt er niet meer geregeld wordt dan nodig is voor het belang
                            zoals dat in de Omgevingsvisie is verwoord. Gemeenten krijgen zoveel
                            mogelijk ruimte om daaraan een nadere invulling te geven. Wat elders
                            geregeld wordt (in de komende AMvB Ruimte van het Rijk, in sectorale
                            wet- en regelgeving of op andere plekken in de verordening zelf), wordt
                            niet nog eens dubbel geregeld in deze verordening om extra regeldruk te
                            voorkomen.</al><al>Voor de onderdelen die worden ‘overgenomen’ uit de verordening voor de
                            Fysieke Leefomgeving (VFLO) geldt dat kritisch is nagegaan of een
                            verdergaande deregulering mogelijk is. Daarbij wordt aangetekend dat bij
                            de totstandkoming van de VFLO al een vergaande dereguleringsslag is
                            gemaakt. In deze ronde zijn met name uitvoeringsbesluiten geschrapt die
                            dubbelingen opleverden ten opzichte van de verordening zelf. Verder zijn
                            procedurevoorschriften waar mogelijk vervangen door voorgeschreven
                            formulieren.</al><al>Het uitgangspunt ‘decentraal wat kan, centraal wat moet’ is ook
                            toegepast bij de flexibiliteitsbepalingen in deze verordening. Waar
                            mogelijk zijn afwijkingsmogelijkheden toegepast in plaats van
                            ontheffingsbepalingen. Ook is zoveel mogelijk gekozen voor positief
                            geformuleerde voorwaarden. In enkele gevallen was het niet goed mogelijk
                            om een bepaling te formuleren als een ‘ja, mits-constructie’ en is een
                            bepaling voor de benodigde juridische helderheid toch geformuleerd als
                            een ‘nee, tenzij-constructie’. </al><al>Om te voorkomen dat procedures nodeloos ingewikkeld worden, is afgezien
                            van de mogelijkheid om in het onderdeel dat zich richt op gemeentelijke
                            ruimtelijke plannen (hoofdstuk 2) rechtstreekswerkende bepalingen op te
                            nemen. Artikel 4.1. lid 3 van de Wet ruimtelijke ordening biedt die
                            mogelijkheid in de vorm van regels die moeten voorkomen dat in de
                            verordening begrepen gronden of bouwwerken minder geschikt worden voor
                            de verwezenlijking van het doel van de verordening zolang geen
                            bestemmingsplan of beheersverordening in werking is getreden die is
                            aangepast op de inhoud van deze verordening. Er is dus geen sprake van
                            rechtstreekswerkende bepalingen in dit hoofdstuk waaraan bouwaanvragen
                            getoetst zouden moeten worden zolang bestemmingsplannen niet zijn
                            aangepast.</al></artikel><artikel><kop><titel>0.1.3 Status van de Omgevingsverordening</titel></kop><al>De Omgevingsverordening richt zich net zo breed als de Omgevingsvisie
                            Overijssel op de fysieke leefomgeving in de provincie Overijssel. Dit
                            betekent dat regels worden gegeven op het gebied van de ruimtelijke
                            ordening, maar ook op het gebied van mobiliteit, milieu, water en bodem.
                            De Omgevingsverordening Overijssel 2009 heeft de status van: </al><lijst><li nr="•"><al>Ruimtelijke verordening in de zin van artikel 4.1. Wet
                                    ruimtelijke ordening </al></li><li nr="•"><al>Milieuverordening in de zin van artikel 1.2. Wet milieubeheer
                                </al></li><li nr="•"><al>Waterverordening in de zin van de Waterwet </al></li><li nr="•"><al>Verkeersverordening in de zin van artikel 57. van de Wegenwet en
                                    artikel 2A. van de Wegenverkeerswet.</al></li></lijst><al><cursief>Rechtsbescherming </cursief></al><al>De Omgevingsverordening Overijssel 2009 bevat algemene regels. Tegen het
                            besluit tot vaststelling van algemene regels staan geen bezwaar- en
                            beroepsmogelijkheden open. Wel kunnen belanghebbenden in procedures
                            tegen bijvoorbeeld bestemmingsplannen, de onverbindendheid van de
                            Omgevingsverordening inroepen. </al><al>De Omgevingsverordening voorziet in de mogelijkheid om ontheffingen te
                            verlenen. In hoofdstuk 7 is bepaald aan welke (algemene) voorwaarden een
                            verzoek om ontheffing moet voldoen. Wanneer een ontheffing is verleend
                            of geweigerd, kan hiertegen door belanghebbenden bezwaar en beroep
                            worden ingesteld. De procedure daarvoor is geregeld in de Algemene Wet
                            Bestuursrecht en in andere specifieke wetgeving die aan de
                            Omgevingsverordening ten grondslag ligt. Overigens worden inwoners van
                            Overijssel betrokken volgens de openbare voorbereidingsprocedure bij de
                            wijziging van de Omgevingsvisie en de Omgevingsverordening.</al></artikel><artikel><kop><titel>0.1.4 Opbouw naar doelgroepen</titel></kop><al>Hoewel het logisch lijkt om de Omgevingsverordening te rubriceren op
                            thema’s is een dergelijke indeling niet handig gelet op het feit dat de
                            ruimtelijke verordening, de waterverordening en de milieuverordening
                            zich tot verschillende doelgroepen richten. Voor het thema water
                            bijvoorbeeld geldt dat naast de (deels verplichte) regelingen in de
                            waterverordening en de milieuverordening, er aanvullend ook via de
                            ruimtelijke verordening bescherming van bepaalde belangen geregeld
                            worden (o.a. primaire watergebieden, grondwaterbeschermingsgebieden). </al><al>De ruimtelijke verordening is gericht op gemeenten, de waterverordening
                            is met name gericht op waterschappen en de milieuverordening richt zich
                            op burgers, bedrijven en instellingen. Het is ongewenst dat gemeenten of
                            waterschappen de hele verordening door moeten lopen om voorschriften te
                            vinden die zij bij het opstellen van een bestemmingsplan dan wel een
                            waterplan in acht moeten nemen. Het risico is te groot dat daarbij een
                            bepaling over het hoofd wordt gezien. </al><al>Dit leidt ertoe dat - hoewel de benaming Omgevingsverordening weliswaar
                            doet vermoeden dat er een integrale regeling wordt geboden voor de
                            diverse onderwerpen waarvoor de provincie normstellend wil optreden - de
                            Omgevingsverordening feitelijk een kaft vormt met daarbinnen 5
                            verschillende ‘verordeningen’ gericht op verschillende doelgroepen, die
                            onderling zijn afgestemd om dubbelingen te voorkomen. Het gaat dan om de
                            ruimtelijke verordening (hoofdstuk 2), de milieuverordening (hoofdstuk
                            3), de waterverordening (hoofdstuk 4) en de verkeersverordening
                            (hoofdstuk 5). De overige hoofdstukken bevatten algemene
                            bepalingen.</al></artikel><artikel><kop><titel>0.1.5 Hoofdstukindeling</titel></kop><al>De opbouw naar doelgroepen levert de volgende hoofdstukindeling op:</al><al>De regeling van de Provinciale Commissie voor de Fysieke Leefomgeving
                            die opgenomen was in de provinciale Verordening voor de Fysieke
                            Leefomgeving Overijssel (VFLO) wordt gewijzigd en vereenvoudigd
                            ondergebracht in hoofdstuk 1. Met de regeling wordt voldaan aan de eis
                            in artikel 9.1. Wro. In dit hoofdstuk staan verder enkele bepalingen die
                            op het totaal van de Omgevingsverordening van toepassing zijn. Hier
                            wordt nog eens expliciet vermeld dat hoofdstuk 2 (de ruimtelijke
                            verordening) geen direct werkende bepalingen bevat. Verder wordt ter
                            voorkoming van misverstanden duidelijk gemaakt dat de instructies in
                            hoofdstuk 2 niet alleen gelden voor bestemmingsplannen, maar ook voor
                            beheerverordeningen en projectbesluiten.</al><al>In hoofdstuk 2 is de ruimtelijke verordening te vinden die zich richt
                            tot gemeenteraden en instructies bevat over de inhoud van en de
                            toelichting op bestemmingsplannen. Hiermee wordt gebruik gemaakt van de
                            mogelijkheid die de Wro biedt in artikel 4.1.</al><al>In hoofdstuk 3 is de ‘milieuverordening’ te vinden die zich richt op
                            burgers, bedrijven en instellingen. Met dit onderdeel wordt invulling
                            gegeven aan verplichtingen op grond van de Wet Milieubeheer en de
                            Ontgrondingenwet. Hoewel het betreffende onderdeel als
                            ‘milieuverordening’ te boek staat, betreft het de onderwerpen
                            grondwaterbescherming en grondwateronttrekking, bodemsanering en
                            ontgrondingen, dus onderwerpen op het terrein van water en bodem. Deze
                            onderwerpen zijn tot dusver geregeld in de Provinciale Verordening voor
                            de Fysieke Leefomgeving Overijssel (VFLO). Voor het onderdeel
                            grondwateronttrekking is geconstateerd dat deze regeling zal vervallen
                            op het moment dat de Waterwet in werking treedt (eind dit jaar). Vanaf
                            dat moment voorziet de waterverordening (hoofdstuk 4) in een regeling
                            voor grondwateronttrekking (titel 4.6). Daarom is er voor gekozen om de
                            huidige regeling voor grondwateronttrekking niet (tijdelijk) over te
                            nemen in hoofdstuk 3 van de verordening, maar voor dit onderdeel
                            vooralsnog de huidige VFLO te handhaven. </al><al>In hoofdstuk 4 is de waterverordening opgenomen. Met dit onderdeel wordt
                            voldaan aan de verplichting van de komende Waterwet. Hoofdstuk 4 is
                            gebaseerd op de IPO-modelverordening en richt zich met name tot
                            waterschappen. Het bijzondere van dit hoofdstuk is dat er sprake is van
                            een uitgestelde inwerkingtreding (in verband de komende Waterwet) en van
                            verschillende varianten (met het oog op provinciegrensoverschrijdende
                            waterschappen die volgens landelijk afspraak met 1 verordening te maken
                            krijgen). </al><al>In hoofdstuk 5 is het onderdeel van de huidige VFLO is (vrijwel
                            ongewijzigd) opgenomen dat betrekking heeft op de aansluiting op en het
                            gebruik van provinciale (vaar)wegen en is gericht op weggebruikers en
                            ‘aanwonenden’. </al><al>De overige hoofdstukken bevatten procedurele en
                            inwerkingtredingsbepalingen. Hoofdstuk 6 gaat over toezichthouders en
                            strafbepalingen. Hoofdstuk 7 regelt de procedure voor het aanvragen van
                            ontheffingen. Om misverstanden te voorkomen wordt hier nog eens
                            expliciet verklaard dat dit hoofdstuk geen algemene
                            ontheffingsmogelijkheid bevat. Ook regelt dit hoofdstuk niet de
                            rechtsbescherming voor derden. Er bestaat de mogelijkheid van bezwaar en
                            beroep tegen het verlenen of weigeren van een ontheffing, maar de
                            procedure daarvan is al geregeld in de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
                            In hoofdstuk 8 wordt ook de inwerkingtreding geregeld. Afgezien van de
                            uitgestelde inwerkingtreding voor hoofdstuk 4, is als datum van
                            inwerkingtreding 1 september 2009 opgenomen. </al><al>Bij de verordening zijn enkele bijlagen gevoegd, die informatie bevatten
                            waarnaar in de voorschriften wordt verwezen, maar die zich er niet voor
                            lenen in die voorschriften zelf op te nemen.</al></artikel><artikel><kop><titel>0.2 Ruimtelijke verordening</titel></kop><al/><al/></artikel><artikel><kop><titel>0.2.1 Wro: scheiding beleid en normstelling</titel></kop><al>Op 1 juli 2008 is de nieuwe Wet ruimtelijke ordening (Wro) in werking
                            getreden. Deze wet vervangt de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) die
                            dateerde van 1965 en als verouderd gold. De nieuwe wet biedt het
                            wettelijke kader en de wettelijke instrumenten voor het (uit)voeren van
                            ruimtelijk beleid. De nieuwe wet heeft daarmee net zoals de WRO, een
                            instrumenteel karakter en doet geen beleidsinhoudelijke uitspraken over
                            wat een goede ruimtelijke ordening is. </al><al>Ten opzichte van de oude WRO is met name voor de provincie veel
                            veranderd. De provincie is niet langer aangewezen als instantie die
                            (breed) toezicht moet houden op gemeenten maar zal zich onder de nWro
                            moeten beperken tot de behartiging van provinciale ruimtelijke belangen.
                            Daar staat tegenover dat de provincie evenals het Rijk zelfstandige
                            instrumenten krijgt om die belangen te realiseren. De provincie krijgt
                            met ingang van 1 juli 2008 dus niet alleen een andere rol, maar krijgt
                            ook nieuwe instrumenten in handen die binnen de kaders die de nWro
                            aangeeft kunnen worden ingezet. </al><al>De Wro gaat uit van een scheiding van beleid en normstelling. De
                            hoofdlijnen van het provinciale ruimtelijke beleid moet in één of
                            meerdere structuurvisies worden vastgelegd en voorzien worden van een
                            uitvoeringsparagraaf. Op basis van het overgangsrecht heeft het geldende
                            streekplan de status van structuurvisie gekregen. Voor structuurvisies
                            geldt dat zij bijna geheel vorm- en procedurevrij zijn en alleen de
                            overheidslaag zelf binden. Om de doorwerking van het provinciale beleid
                            veilig te stellen door middel van normering, zal de provincie het
                            juridische instrumentarium moeten in zetten dat in de Wro hiervoor
                            beschikbaar wordt gesteld. </al></artikel><artikel><kop><titel>0.2.2 Instrumenten onder de Wro</titel></kop><al>De Wro biedt de provincie de diverse nieuwe instrumenten:</al><al>In de eerste plaats biedt de Wro de provincie instrumenten om de
                            uitvoering van het beleid zelf ter hand te nemen. Het gaat dan om de
                            volgende instrumenten: </al><lijst><li nr="•"><al>het provinciale bestemmingsplan dat in de Wro ‘inpassingsplan’
                                    wordt genoemd, </al></li><li nr="•"><al>het provinciale projectbesluit waarbij ontheffing van het
                                    geldende bestemmingsplan wordt verleend ten behoeve van een
                                    bouwplan, </al></li><li nr="•"><al>de coördinatieregeling die het mogelijk maakt om vergunningen
                                    parallel te schakelen en </al></li><li nr="•"><al>het instrumentarium van het grondbeleid (voorkeursrecht,
                                    onteigening en grondexploitatiebevoegdheden).</al></li></lijst><al>De provincie beschikt op grond van de Wro over de volgende instrumenten
                            voor de beleidsdoorwerking vooraf: </al><lijst><li nr="•"><al>de provinciale ruimtelijke verordening en</al></li><li nr="•"><al>de proactieve aanwijzing.</al></li></lijst><al>De ruimtelijke verordening is een instructie van Provinciale Staten (PS)
                            gericht aan gemeenteraden om de inhoud van en de toelichting op
                            gemeentelijke bestemmingsplannen binnen een jaar in overeenstemming te
                            brengen met de inhoud van de verordening. PS kunnen bij het vaststellen
                            van de verordening gevallen aanwijzen waarvoor een andere termijn geldt.
                            De proactieve aanwijzing is een instructie aan één of enkele gemeenten
                            om een gemeentelijk bestemmingsplan met een bepaalde inhoud vast te
                            stellen. Niet juridische instrumenten voor de doorwerking vooraf zijn
                            beleidsregels, bestuursafspraken (prestatieafspraken) en het vooroverleg
                            over gemeentelijke ruimtelijke plannen. </al><al>Voor de beleidsdoorwerking achteraf kunnen de volgende juridische
                            instrumenten worden ingezet: </al><lijst><li nr="•"><al>zienswijzen op ontwerpbestemmingsplannen </al></li><li nr="•"><al>beroep tegen vastgestelde bestemmingsplannen en </al></li><li nr="•"><al>de reactieve aanwijzing waarmee een (deel van) een
                                    bestemmingsplan wegens strijd met het provinciaal belang
                                    buitenwerking kan worden gesteld.</al><al><cursief>Reactieve</cursief><cursief>aanwijzing</cursief></al><al>Bij de behandeling van de Invoeringswet Wro in de Eerste Kamer
                                    is door de minister gesteld dat het instrument van reactieve
                                    aanwijzing alleen kan worden ingezet op onderwerpen waarvoor
                                    vooraf kaders zijn gesteld in de provinciale ruimtelijke
                                    verordening. Er is alleen uitzondering op deze regel mogelijk
                                    voor onderwerpen die niet goed geregeld kunnen worden in de
                                    verordening of alleen op een wijze die onevenredig veel
                                    bestuurslasten met zich mee zou brengen. Deze stelling name
                                    betekent dat er in de praktijk een zwaarder accent komt te
                                    liggen bij de provinciale verordening om de doorwerking van het
                                    provinciale beleid veilig te stellen. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>0.2.3 Sturen en samenwerken onder de nieuwe Wro</titel></kop><al>In het Lentedocument – Sturen en samenwerken onder de nieuwe Wro (2008)
                            is de provinciale sturingsfilosofie op basis van de Wro weergegeven.
                            Voor de provincie Overijssel is uitgangspunt dat gemeenten primair de
                            instantie zijn die in bestemmingsplannen de gewenste goede ruimtelijke
                            ordening juridisch vastleggen. Daarbij gaat de provincie er vanuit dat
                            de gemeenten rekening zullen houden met het provinciale belang. Door
                            middel van voorkantsturing zal de provincie tijdig helder maken op welke
                            wijze volgens haar rekening moet worden gehouden met dat provinciale
                            belang. Als overleg niet leidt tot het veiligstellen van het provinciaal
                            belang, zal de provincie haar juridisch instrumentarium inzetten.
                            Daarbij is op voorhand geen enkel instrument uitgesloten. Dit betekent
                            dat de provincie zienswijzen zal indienen bij de gemeenteraad en beroep
                            op de Afdeling Bestuursrechtsopraak zal instellen tegen gemeentelijke
                            (ontwerp)plannen die in strijd zijn met het provinciaal belang, maar zo
                            nodig een reactieve aanwijzing zal geven waarmee het betreffende
                            bestemmingsplan buiten werking wordt gesteld. De provincie zal waar
                            nodig door middel van de provinciale ruimtelijke verordening instructies
                            geven aan gemeenteraden om bestemmingsplannen aan te passen aan de
                            inhoud van de verordening. De provincie zal alleen overgaan tot het
                            vaststellen van inpassingsplannen (= provinciale bestemmingsplannen) als
                            een gemeente niet bereid is of (tijdig) in staat blijkt een
                            bestemmingsplan vast te stellen hoewel het provinciaal belang daarom
                            vraagt.</al><al>De provincie zet als volgt in op het realiseren van provinciaal belang: </al><lijst><li nr="•"><al>Accent op samenwerking, overleg en voorkantsturing </al></li><li nr="•"><al>Realisatie door (voor-)overleg en (prestatie-)afspraken </al></li><li nr="•"><al>Bij strijdigheid: zienswijze geven, eventueel gevolgd door
                                    reactieve aanwijzing/beroep. </al></li></lijst><al>De verordening wordt ingezet als dit selectief en doelmatig is, van
                            belang voor de positie van de burger, als het Rijk dit eist of ter
                            verkoming van extra regels in een Algemene Maatregel van Bestuur.
                            Overige instrumenten zoals het inpassingsplan, het projectbesluit en de
                            proactieve aanwijzing zet de provincie selectief in. </al><al>De verordening is dus één van de instrumenten ter realisatie van
                            beleidsambities van provinciaal belang. In de Omgevingsvisie Overijssel
                            wordt de inzet van dit instrument bepaald, maar ook van de andere
                            instrumenten zoals (prestatie-)afspraken,
                            gebiedsontwikkeling/uitvoeringsprojecten, subsidies en fondsen en kennis
                            verwerven en delen. </al></artikel><artikel><kop><titel>0.2.4 Principebesluit tot inzet van de ruimtelijke
                                verordening</titel></kop><al>De Wro introduceert dus een nieuw sturingsinstrument voor de provincie,
                            te weten de provinciale ruimtelijke verordening. Met een dergelijke
                            verordening kan het provinciaal bestuur regels stellen die gemeenten bij
                            het maken van bestemmingsplannen in acht moeten nemen. De verordening
                            komt samen met andere instrumenten in plaats van het recht op
                            goedkeuring van bestemmingsplannen dat de provincie onder de oude Wet op
                            de Ruimtelijke Ordening had. Een groot verschil tussen het nieuwe en het
                            oude systeem is, dat de regels in de provinciale verordening vooraf
                            worden gesteld, terwijl de goedkeuring van bestemmingsplannen achteraf
                            plaatsvond, nadat de gemeenten de bestemmingsplannen hadden
                            vastgesteld.</al><al>In de Startnotitie Omgevingsvisie Overijssel van 21 augustus 2007 hebben
                            GS besloten tot de voorbereiding van één integrale omgevingsvisie waarin
                            richting wordt gegeven aan de ruimtelijke ontwikkeling in Overijssel en
                            tegelijk ruimte wordt geboden aan gemeenten voor lokale keuzes. In de
                            Startnotitie is een nieuwe sturingsfilosofie op basis van de nieuwe Wro
                            aangekondigd en dat de provincie gaat sturen op ruimtelijke kwaliteit. </al><al>In de Startnotitie is geconcludeerd dat de doorwerking van het
                            provinciale beleid onder de Wro bereikt wordt door de inzet van de
                            nieuwe instrumenten die de provincie onder deze wet ter beschikking
                            staan. In de Startnotitie is vanuit het uitgangspunt van deregulering en
                            ontbureaucratisering ervoor gekozen om de bestaande beleidsregels bijeen
                            te brengen in één Omgevingsverordening.</al></artikel><artikel><kop><titel>0.2.5 AMvB Ruimte</titel></kop><al>In de AMvB Ruimte, waarvan de eerste tranche naar verwachting in werking
                            treedt in 2010, stelt het Rijk de doorwerking van nationale belangen
                            veilig in gemeentelijke bestemmingsplannen. Het Rijk doet dit voor een
                            deel door rechtstreeks regels te stellen aan de inhoud van en de
                            toelichting op bestemmingsplannen. Voor een deel worden deze regels
                            getrapt gegeven, namelijk via een opdracht aan Provinciale Staten om een
                            nadere uitwerking van deze regels te geven in de provinciale
                            verordening. Deze getrapte regeling stelt de provincie in staat om
                            vanuit provinciaal belang een inkleuring te geven aan de nationale
                            belangen die in het Rijksbeleid ‘indirect’ zijn geformuleerd. Hiermee
                            wordt bedoeld dat het Rijksbeleid een algemeen beleidskader en doel
                            vaststelt, maar dat een nadere uitwerking en detaillering door de
                            provincies wordt verlangd.</al><al>De eerste tranche van de AMvB Ruimte die naar verwachting medio 2010 in
                            werking zal treden bevat de volgende onderwerpen die voor Overijssel
                            relevant zijn: </al><lijst><li nr="•"><al>Bundeling van verstedelijking en economische activiteiten t.b.v.
                                    optimale benutting bestaand bebouwd gebied </al></li><li nr="•"><al>Regime van beleidslijn grote rivieren voor buitendijks gebied en
                                    reservering voor lange termijn locaties voor ruimte voor de
                                    rivier </al></li><li nr="•"><al>Vrijwaringszone t.b.v. de mogelijke versterking van de primaire
                                    waterkering rond het IJsselmeergebied en een planologisch regime
                                    voor buitendijkse ontwikkelingen </al></li><li nr="•"><al>Planologische borging van ruimtelijke aanspraken t.b.v.
                                    regionale watersystemen </al></li><li nr="•"><al>Ecologische hoofdstructuur </al></li><li nr="•"><al>Nationale Landschappen </al></li><li nr="•"><al>Planologisch kader recreatiewoningen en vastleggen
                                    basisrecreatietoervaartnet </al></li></lijst><al>Voor deze onderwerpen geldt dat de verplichting om deze onderwerpen te
                            regelen in de verordening pas formeel gaat gelden op het moment dat AMvB
                            Ruimte van kracht wordt. De inhoud van de AMvB is nog in discussie met
                            IPO en VNG. In deze Omgevingsverordening wordt voorzichtig
                            voorgesorteerd op de inhoud van de concept-AMvB. Uitgangspunt daarbij is
                            dat alvast geregeld wordt wat op basis van de Ontwerp Omgevingsvisie
                            gerekend wordt tot het provinciale belang en past bij het beoogde
                            detailniveau van de regeling. </al><al>In hoofdstuk 2 is een regeling opgenomen van voor de SER-ladder,
                            programmering van woningbouw en bedrijventerreinen, een kader wordt
                            geboden voor Rood-voor-Rood, Rood-voor-Groen, en VAB-beleid (via de
                            Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving), de EHS wordt geregeld volgens de
                            huidige afspraken met het Rijk en de Nationale Landschappen worden
                            beschermd. De mogelijkheden voor nieuwe recreatiewoningen zijn conform
                            het provinciale beleid meer ingeperkt dan het Rijk gaat doen. Daar staat
                            tegenover dat geen poging wordt gedaan om de zeer gedetailleerde
                            regeling voor het basisrecreatietoervaartnet (BRTN) in de verordening
                            een plek te geven, omdat het Rijk dat straks rechtsreeks laat vastleggen
                            in bestemmingsplannen.</al><al>Aan het lijstje kan het onderwerp GDV/PDV worden toegevoegd, omdat
                            hierover recentelijk bestuurlijke afspraken zijn gemaakt tussen de
                            provincies en de Minister van VROM. </al><al>Door deze onderwerpen alvast op te pakken in deze tranche van de
                            Omgevingsverordening wordt invulling gegeven aan de afspraken die
                            gemaakt zijn in het kader van Mooi Nederland.</al><al>Er bestaat een risico dat deze regeling weer aangepast moet worden als
                            blijkt dat deze niet strookt met de precieze opdracht in de AMvB
                            Ruimte.</al></artikel><artikel><kop><titel>0.3 Milieuverordening</titel></kop><al>Op grond van de Wet milieubeheer (Wm) is het opstellen van een
                            milieuverordening verplicht. Deze milieuverordening omvat in ieder
                            geval: </al><lijst><li nr="•"><al>Regels ter bescherming van de kwaliteit van het grondwater met
                                    het oog op de waterwinning in bij de verordening aangewezen
                                    gebieden (grondwaterbeschermingsgebieden) (artikel 1.2. Wm)
                                </al></li><li nr="•"><al>Regels inzake het voorkomen of beperken van geluidhinder in bij
                                    de verordening aangewezen gebieden (stiltegebieden) (artikel
                                    1.2. Wm) </al></li></lijst><al>Voor deze onderwerpen is op dit moment een regeling getroffen in de
                            verordening voor de Fysieke Leefomgeving Overijssel (VFLO) zij het dat
                            voor het onderdeel ‘stiltegebieden’ een leeg artikel geldt. Voor
                            (potentiële) stiltegebieden geldt dat er vanuit wordt gegaan dat deze
                            voldoende bescherming krijgen door ligging binnen de EHS. In de
                            Omgevingsvisie is daarom nadrukkelijk afgezien van het aanwijzen van
                            stiltegebieden. Het opnieuw opnemen van een leeg artikel over
                            stiltegebieden in de Omgevingsverordening wordt niet zinvol geacht.</al><al>Ten opzichte van de huidige VFLO is een dereguleringsslag geleverd,
                            waarbij uitvoeringsbesluiten zijn geschrapt en procedurevoorschriften
                            waar mogelijk vervangen zijn door voorgeschreven formulieren. Waar
                            uitvoeringsvoorschriften niet gemist kunnen worden, zijn deze
                            ondergebracht in een bijlage bij hoofdstuk 3. </al><al>Nieuw ten opzichte van de VFLO zijn de volgende onderdelen: </al><lijst><li nr="•"><al>De aanwijzing van de boringsvrije zone Salland Diep. Daarvoor
                                    zijn de volgende regels opgenomen: </al><al>o Algemene voorschriften voor mechanische ingrepen (boringen
                                    e.d.) dieper dan 50 meter onder het maaiveld en </al><al>o Een absoluut verbod op nieuwe bodemenergiesystemen dieper dan
                                    50 meter (bestaande systemen mogen aanwezig blijven); </al></li><li nr="•"><al>Voor de boringsvrije zone Engelse Werk te Zwolle geldt nu een
                                    verbod op ingrepen en bodemenergiesystemen dieper dan 75 meter.
                                    Tot dusver gold een verbod tot ingrepen dieper dan 50 meter. De
                                    beschermende kleilaag ligt hier echter op een diepte van 75/80
                                    meter. De gemeente Zwolle heeft gevraagd om verruiming van de
                                    regeling om bodemenergiesystemen mogelijk te kunnen maken tot
                                    75/80 meter. Overigens wordt de boringsvrije zone Engelse Werk
                                    bijna geheel overlapt door de nieuwe boringsvrije zone Salland
                                    Diep. </al></li><li nr="•"><al>De regels voor bouwstoffen, grond en bagger zijn aangepast
                                    vanwege de inwerkingtreding van het nieuwe Besluit
                                    bodemkwaliteit. Daarbij is een onderzoeksplicht en een
                                    meldingsplicht opgenomen voor grootschalige toepassingen (meer
                                    dan 5000 m3) waarbij licht verontreinigde grond en bagger wordt
                                    gebruikt, bijv. bij verondieping van zandwinplassen. </al></li></lijst><al>De regels die in de VFLO waren opgenomen voor het gebruik van
                            bestrijdingsmiddelen zijn geschrapt omdat landelijke regelgeving is
                            aangescherpt.</al></artikel><artikel><kop><titel>0.4 Waterverordening</titel></kop><al>Op grond van de Waterwet zijn de volgende onderdelen in de
                            waterverordening verplicht: </al><lijst><li nr="•"><al>Regionale waterkeringen (2.4. Waterwet) </al></li><li nr="•"><al>Waterkwantiteit (2.8. Waterwet) </al></li><li nr="•"><al>Toedeling vaarwegbeheer (3.2. Waterwet) </al></li><li nr="•"><al>Regionale waterplannen (3.11., 4.5. en 4.7. Waterwet) </al></li><li nr="•"><al>Beheersplannen betreffende regionale wateren (3.10., 4.5. en
                                    4.7. Waterwet) </al></li><li nr="•"><al>Peilbesluiten (5.2. Waterwet) </al></li><li nr="•"><al>Grondwateronttrekkingen (8.1. jo 6.4. Waterwet) </al></li><li nr="•"><al>Handhaving </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>0.4.1 Afstemming waterverordening</titel></kop><al>In IPO-verband zijn afspraken gemaakt over de inhoudelijke afstemming
                            van de waterverordeningen van provincies die te maken hebben met
                            provinciegrensoverschrijdende waterschappen. Om te voorkomen dat een
                            waterschap te maken krijgt met verschillende waterverordeningen, is
                            afgesproken dat de provincie waarin het kleinste deel van het
                            grondgebied van het waterschap valt de waterverordening ‘overneemt’ van
                            de provincie waarin het grootste deel valt. Dit vergt niet alleen
                            afstemming over de inhoud van de waterverordening met buurprovincies,
                            maar ook een afstemming van het moment dat overgegaan wordt tot
                            vaststelling/inwerkingtreding. </al><al>Hoofdstuk 4 van de Omgevingsverordening richt zich op het regionale
                            waterbeheer en de taakuitoefening van de waterschappen Groot-Salland,
                            Vechtstromen en Reest en Wieden. Voor de waterschappen Rijn en IJssel,
                            Zuiderzeeland en Vallei en Veluwe geldt dat zij een klein deel van hun
                            werkgebied in Overijssel hebben liggen. Op grond van de afspraken in
                            IPO-verband zal voor het waterschap Zuiderzeeland de waterverordening
                            van Flevoland van toepassing worden verklaard. Voor de waterschappen
                            Rijn en IJssel en Vallei en Veluwe zijn de waterverordeningen die de
                            betrokken provincies voor elk waterschap afzonderlijk heeft gemaakt van
                            toepassing . Met de provincie Drenthe is de afspraak gemaakt dat voor
                            Vechtstromen en Reest en Wieden de waterverordening van de provincie
                            Overijssel (hoofdstuk 4 van deze Omgevingsverordening) van toepassing
                            is. </al></artikel><artikel><kop><titel>0.5 Verkeer</titel></kop><al>In hoofdstuk 5 is het onderdeel van de huidige VFLO ongewijzigd
                            opgenomen dat betrekking heeft op de aansluiting op en het gebruik van
                            provinciale (vaar)wegen en is gericht op weggebruikers en ‘aanwonenden’.
                        </al></artikel><artikel><kop><titel>0.6 Toezicht en strafbepaling</titel></kop><al>Dit hoofdstuk is nodig om de rol van de provincie als toezichthouder uit
                            te kunnen oefenen door de aanwijzing van toezichthouders en de
                            mogelijkheid van strafbaarstelling te regelen. Dergelijke bepalingen
                            waren ook al opgenomen in de verordening voor de Fysieke
                            Leefomgeving.</al></artikel><artikel><kop><titel>0.7 Ontheffingsbepalingen</titel></kop><al>Op een aantal punten in de verordening is voorzien in
                            ontheffingsmogelijkheden voor GS om te zorgen voor de nodige
                            flexibiliteit. Benadrukt wordt dat de ontheffingen gekoppeld zijn aan de
                            aard van het betreffende hoofdstuk. Dit betekent dat de ontheffing in
                            hoofdstuk 2 een vrijstelling inhoud voor een gemeenteraad van de
                            opdracht die in de verordening in algemene zin aan gemeenteraden wordt
                            gegeven om hun bestemmingsplannen in overeenstemming te brengen met de
                            inhoud van de verordening. De ontheffing in hoofdstuk 3 maken onder
                            voorwaarden specifieke activiteiten mogelijk binnen gebieden waarvoor
                            een algemeen geformuleerd verbod geldt (bijvoorbeeld activiteiten
                            waardoor schadelijke stoffen in het grondwater terecht zouden kunnen
                            komen). De ontheffingen in hoofdstuk 4 richten zich niet alleen op
                            waterschappen, maar op een ieder die veranderingen wil aanbrengen aan
                            bepaalde scheepvaartwegen en werken wil uitvoeren in de oevers van
                            scheepvaartwegen. In hoofdstuk 7 zijn de procedurebepalingen ten aanzien
                            van ontheffingsaanvragen opgenomen. </al></artikel><artikel><kop><titel>0.8 Overgangs- en slotbepalingen</titel></kop><al>In hoofdstuk 8 van de Omgevingsverordening worden in het algemeen
                            overgangsbepalingen geformuleerd, die voorkomen moeten worden dat
                            geldende besluiten opnieuw ter discussie komen en dat aanvragers lopende
                            een procedure geconfronteerd worden met nieuw recht. De bepalingen van
                            de ruimtelijke verordening richten zich in hoofdzaak richten op nieuwe
                            ontwikkelingen. Dit betekent dat de verordening pas op dat moment
                            doorwerkt in de gemeentelijke bestemmingsplannen. Voor de Ecologische
                            Hoofdstructuur geldt een specifieke overgangsbepaling, waarbij de
                            wettelijke termijn tot aanpassing van 1 jaar is verruimd.</al></artikel><artikel><kop><titel>0.8.1 Uitgestelde inwerkingtreding </titel></kop><al>Hoofdstuk 4 van is gebaseerd op de model-watererordening van het IPO.
                            Dit model is afgestemd op de Waterwet die naar verwachting eind 2009 in
                            werking zal treden. Om te voorkomen dat bepalingen die opgenomen zijn op
                            basis van de Waterwet inwerking treden voordat de wet zelf in werking
                            treedt, is in hoofdstuk 9 geregeld dat hoofdstuk 4 pas op dat moment in
                            werking treedt. </al><al>In hoofdstuk 4 zijn onderwerpen geregeld die tot dusver in de
                            Provinciale Verordening voor de Fysieke Leefomgeving waren geregeld.
                            Deze verordening wordt met de inwerkingtreding van de
                            Omgevingsverordening ingetrokken. Om te voorkomen dat er op dit punt een
                            gat valt, worden de onderdelen uit de Provinciale Verordening voor de
                            Fysieke Leefomgeving die straks geregeld worden in hoofdstuk 4 van de
                            Omgevingsverordening vooralsnog niet ingetrokken. Het gaat om hoofdstuk
                            4 paragraaf 1 (grondwateronttrekking) en het daarop gebaseerde
                            uitvoeringsbesluit, om hoofdstuk 6 artikel 6.1. (aanwijzing
                            toezichthouders) en artikel 6.2. (strafbepalingen) en hoofdstuk 5
                            paragraaf 2 (scheepvaartwegen).</al></artikel><artikel><kop><titel>0.9 Wijze van publicatie</titel></kop><al>De Verordening zal analoog worden vastgesteld, maar ook digitaal
                            beschikbaar komen. Met name voor het sturen op ruimtelijke kwaliteit is
                            een digitale en interactieve wijze van benaderen voor de praktijk
                            handiger dan het hanteren van alle fysieke kaarten die onderdeel
                            uitmaken van de verordening. Het systeem met kaartlagen maakt het
                            mogelijk om verschillende gegevens eenvoudig te combineren en af te
                            wegen. </al><al>Aan de verordening zal een eigen set kaarten worden toegevoegd die met
                            name voor het helder definiëren van het toepassingsbereik van bepalingen
                            onmisbaar zijn. De kaarten zijn gemaakt op een schaal van 1:100.000 en
                            zullen op papier na publicatie op provinciehuis en gemeentehuizen ter
                            inzage liggen. Daarnaast zijn de kaarten online te raadplegen op de
                            website http://www.omgevingsvisie.nl/. </al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Hoofdstuk 1. Algemeen</titel></kop><paragraaf><kop><titel>Titel 1.1. Algemene begrippen</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 1.1.1. </titel></kop><lid><lidnr/><al>In deze verordening wordt verstaan onder: </al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al id="anker-H55821_0_1_1_1_"> Omgevingsvisie Overijssel:
                                    provinciale integrale visie voor de fysieke leefomgeving zoals
                                    vastgesteld door Provinciale Staten Overijssel op 1 juli 2009;
                                </al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al id="anker-H55821_0_1_1_2_"> bestemmingsplan: plan als bedoeld in
                                    artikel 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening; </al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al id="anker-H55821_0_1_1_3_"> beheersverordening: verordening als
                                    bedoeld in artikel 3.38 van de Wet ruimtelijke ordening; </al></lid><lid><lidnr>d.</lidnr><al id="anker-H55821_0_1_1_4_"> projectbesluit: besluit als bedoeld
                                    in artikel 3.10 van de Wet ruimtelijke ordening.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 1.1.2. </titel></kop><al>Waar in deze verordening instructies worden gegeven ten aanzien van
                                de inhoud van en de toelichting op bestemmingsplannen, moeten deze
                                instructies ook geacht worden gericht te zijn op projectbesluiten en
                                beheersverordeningen.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 1.1.3. </titel></kop><al>Waar in deze verordening instructies worden gegeven ten aanzien van
                                de inhoud van bestemmingsplannen, zijn deze instructies gericht aan
                                de gemeenteraad en werken deze niet rechtstreeks door bij de afgifte
                                van bouwvergunningen, aanlegvergunningen en ontheffingen.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Titel 1.2. Adviescommissie </titel></kop><structuurtekst><al><noot id="d17e519"><noot.nr>1</noot.nr><noot.al>[<vet>Toelichting: </vet>Ten opzichte van de ‘oude'
                                        regeling in de verordening voor de Fysieke Leefomgeving
                                        Overijssel (VFLO) is de regeling beperkt tot de instelling
                                        van de commissie en een globale omschrijving van de taken.
                                        Verder is de (gezamenlijke) benoeming van de onafhankelijke
                                        voorzitter door PS en GS geregeld. Deze benoeming wordt in
                                        de Verordening geregeld omdat dit een gezamenlijk besluit
                                        van GS en PS vergt. Voor de overige leden van de commissie
                                        is bepaald welke instanties een vertegenwoordiger in de
                                        commissie hebben. Deze instanties zijn vervolgens vrij om te
                                        bepalen wie zij afvaardigen. Alle overige instructie-achtige
                                        bepalingen uit het VFLO worden ondervangen door bevoegdheid
                                        van PS en GS gezamenlijk om nadere regels te geven over de
                                        taak en werkwijze van de commissie. </noot.al><noot.al>Deze nadere regels kunnen ook het besluit inhouden om
                                        deelcommissies in te stellen voor bepaalde taken die aan de
                                        commissie zijn toebedeeld. Daarmee is ook ondervangen dat er
                                        op dit moment sprake is van een subcommissie die zich met
                                        name bezighoudt met onderwerpen op lokaal niveau. Deze
                                        commissie wordt vooralsnog gehandhaafd, ondermeer met het
                                        oog op bestemmingsplannen die nog goedkeuring van GS
                                        behoeven op grond het overgangsrecht van de Wro. </noot.al><noot.al>De commissie heeft een brede samenstelling met het oog
                                        op de gewenste integrale advisering op hoofdlijnen van
                                        provinciaal beleid. Het beleid in de Omgevingsvisie zal
                                        immers steeds geactualiseerd moeten worden om adequaat te
                                        kunnen inspelen op maatschappelijke ontwikkelingen. De
                                        commissie krijgt vooralsnog geen adviserende taak bij de
                                        behandeling van aanvragen om ontheffing, omdat dit gericht
                                        is op uitvoering van beleid. ]</noot.al></noot></al></structuurtekst><artikel><kop><titel>Artikel 1.2.1. Instelling en taken Provinciale Commissie voor
                                    de Fysieke Leefomgeving </titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H55821_0_2_4_5_"> Er is een Provinciale Commissie voor
                                    de Fysieke Leefomgeving (PCFL), hierna te noemen de commissie.
                                </al></lid><lid><lidnr>2a.</lidnr><al id="anker-H55821_0_2_4_6_"> De commissie vervult de advies- en
                                    overlegtaken inzake het provinciaal beleid zoals bepaald in
                                    artikel 8, lid 2 van de Wet op de waterhuishouding, artikel 2.41
                                    van de Wet milieubeheer en artikel 9.1 van de Wet ruimtelijke
                                    ordening. </al></lid><lid><lidnr>2b.</lidnr><al id="anker-H55821_0_2_4_7_"> Daarnaast adviseert de commissie aan
                                    Provinciale Staten en/of Gedeputeerde Staten over
                                    aangelegenheden betreffende de waterhuishouding, het
                                    milieubeheer, de ruimtelijke ordening, de volkshuisvesting en de
                                    stedelijke vernieuwing in Overijssel, indien en voor zover in
                                    enig wettelijk voorschrift een dergelijk advies wordt
                                    voorgeschreven dan wel daarom door Gedeputeerde Staten dan wel
                                    Provinciale Staten wordt gevraagd. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al id="anker-H55821_0_2_4_8_"> Provinciale Staten en Gedeputeerde
                                    Staten kunnen gezamenlijk nadere regels geven omtrent de taak en
                                    werkwijze van de commissie.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 1.2.2. Samenstelling van de commissie </titel></kop><lid><lidnr/><al>De commissie bestaat uit de volgende leden: </al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al id="anker-H55821_0_2_5_9_"> een onafhankelijke voorzitter; </al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al id="anker-H55821_0_2_5_10_"> een vertegenwoordiger van het
                                    Ministerie van VROM, Directoraat Generaal Ruimte; </al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al id="anker-H55821_0_2_5_11_"> de VROM-inspecteur Oost; </al></lid><lid><lidnr>d.</lidnr><al id="anker-H55821_0_2_5_12_"> een vertegenwoordiger van
                                    Rijkswaterstaat, directie Oost-Nederland; </al></lid><lid><lidnr>e.</lidnr><al id="anker-H55821_0_2_5_13_"> een vertegenwoordiger van het
                                    Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, directie
                                    Oost; </al></lid><lid><lidnr>f.</lidnr><al id="anker-H55821_0_2_5_14_"> een vertegenwoordiger van het
                                    Ministerie van Economische Zaken; </al></lid><lid><lidnr>g.</lidnr><al id="anker-H55821_0_2_5_15_"> een vertegenwoordiger van het
                                    Ministerie van Defensie; </al></lid><lid><lidnr>h.</lidnr><al id="anker-H55821_0_2_5_16_"> een vertegenwoordiger van Het
                                    Oversticht, genootschap tot bevordering en instandhouding van
                                    het landelijk en stedelijk schoon in de provincie Overijssel;
                                </al></lid><lid><lidnr>i.</lidnr><al id="anker-H55821_0_2_5_17_"> een vertegenwoordiger van de
                                    Rijksdienst voor Archeologie, Cultuurlandschappen en Monumenten;
                                </al></lid><lid><lidnr>j.</lidnr><al id="anker-H55821_0_2_5_18_"> twee vertegenwoordigers van de
                                    Vereniging van Nederlandse gemeenten, afdeling Overijssel,
                                    waarvan één lid uit de kring van de vijf grote gemeenten en één
                                    lid uit de kring van de overige gemeenten; </al></lid><lid><lidnr>k.</lidnr><al id="anker-H55821_0_2_5_19_"> een vertegenwoordiger van de
                                    gezamenlijke Overijsselse waterschappen (Overijssels Dijkgraven
                                    Overleg); </al></lid><lid><lidnr>l.</lidnr><al id="anker-H55821_0_2_5_20_"> een vertegenwoordiger van Vitens
                                    NV; </al></lid><lid><lidnr>m.</lidnr><al id="anker-H55821_0_2_5_21_"> een vertegenwoordiger van de
                                    LTO-Noord; </al></lid><lid><lidnr>n.</lidnr><al id="anker-H55821_0_2_5_22_"> een vertegenwoordiger van de
                                    samenwerkende Kamers van Koophandel in Overijssel; </al></lid><lid><lidnr>o.</lidnr><al id="anker-H55821_0_2_5_23_"> een vertegenwoordiger van de
                                    werkgevers- en werknemersorganisaties in Overijssel; </al></lid><lid><lidnr>p.</lidnr><al id="anker-H55821_0_2_5_24_"> een vertegenwoordiger van Natuur en
                                    Milieu Overijssel; </al></lid><lid><lidnr>q.</lidnr><al id="anker-H55821_0_2_5_25_"> een vertegenwoordiger van de
                                    besturen van de erkende particuliere terreinbeherende
                                    natuurbeschermingsorganisaties in Overijssel; </al></lid><lid><lidnr>r.</lidnr><al id="anker-H55821_0_2_5_26_"> een vertegenwoordiger van een
                                    organisatie die de zorg voor integrale veiligheid tot haar taak
                                    heeft; </al></lid><lid><lidnr>s.</lidnr><al id="anker-H55821_0_2_5_27_"> een vertegenwoordiger van de
                                    Recron; </al></lid><lid><lidnr>t.</lidnr><al id="anker-H55821_0_2_5_28_"> een vertegenwoordiger van de ANWB
                                    Oost; </al></lid><lid><lidnr>u.</lidnr><al id="anker-H55821_0_2_5_29_"> een vertegenwoordiger van het
                                    Overijssels Particulier Grondbezit; </al></lid><lid><lidnr>v.</lidnr><al id="anker-H55821_0_2_5_30_"> een vertegenwoordiger van de
                                    Universiteit Twente.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 1.2.3. Benoeming en lidmaatschap van de commissie
                                </titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H55821_0_2_6_31_"> Gedeputeerde Staten en Provinciale
                                    Staten bereiden gezamenlijk de benoeming voor van de
                                    onafhankelijke voorzitter van de commissie. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H55821_0_2_6_32_"> De voorzitter van de commissie
                                    wordt benoemd door Gedeputeerde Staten. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al id="anker-H55821_0_2_6_33_"> Benoeming op grond van het tweede
                                    lid geldt tevens als benoeming door Provinciale Staten. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al id="anker-H55821_0_2_6_34_"> Gedeputeerde Staten stellen
                                    Provinciale Staten spoedig van elk benoemingsbesluit in
                                    kennis.</al></lid></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Hoofdstuk 2. Ruimtelijke ordening</titel></kop><paragraaf><kop><titel>Titel 2.1. Sturen op ruimtelijke kwaliteit en duurzaamheid
                            </titel></kop><structuurtekst><al><noot id="d17e709"><noot.nr>2</noot.nr><noot.al>[<vet>Toelichting: </vet>De provincie Overijssel wil
                                        met de Omgevingsvisie Overijssel 2009 nadrukkelijker sturen
                                        op ruimtelijke kwaliteit en duurzaamheid. </noot.al><noot.al/><noot.al><cursief>Ruimtelijke kwaliteit </cursief></noot.al><noot.al>Ruimtelijke kwaliteit wordt hierin gedefinieerd als het
                                        - bedoeld en onbedoeld - resultaat van menselijk handelen en
                                        natuurlijke processen dat de ruimte geschikt maakt en houdt
                                        voor wat voor mens, plant en dier belangrijk is. Ruimtelijke
                                        kwaliteit is de optelsom van toekomstwaarden,
                                        gebruikswaarden en belevingswaarden. Ruimtelijke kwaliteit
                                        is niet alleen de waarden die objecten en gebieden hebben,
                                        maar ook de potenties die gebieden en objecten hebben om
                                        waarden tot ontwikkeling te brengen. Het zijn waarden die te
                                        maken hebben met eigenheid, identiteit, herkenbaarheid,
                                        bruikbaarheid en continuïteit. Ruimtelijke kwaliteit is niet
                                        alleen wat gebieden en objecten hebben, maar vooral hoe dit
                                        beleefd wordt. </noot.al><noot.al>De provincie Overijssel is een rijke en gevarieerde
                                        provincie. In Overijssel is een brede waaier aan
                                        landschapstypen te vinden met kenmerkende eigenschappen. De
                                        provincie wil deze diversiteit aan gebiedskenmerken door
                                        middel van haar omgevingsbeleid graag laten zien, versterken
                                        en vernieuwen. </noot.al><noot.al><cursief>Duurzaamheid</cursief></noot.al><noot.al>Duurzaamheid is in de Omgevingsvisie Overijssel
                                        gedefinieerd als een duurzame ontwikkeling die voorziet in
                                        de behoefte van de huidige generatie, zonder voor
                                        toekomstige generaties de mogelijkheden in gevaar te brengen
                                        om ook in hun behoeften te voorzien. Duurzaamheid vraagt om
                                        een transparante afweging van ecologische, economische en
                                        sociaal-culturele beleidsambities. Uit figuur 1 in paragraaf
                                        2.2.2. van de Omgevingsvisie blijkt welke beleidsambities op
                                        provinciale schaal in relatie tot elkaar gebracht worden met
                                        als doel een toekomstvaste groei van welvaart met een
                                        verantwoord beslag op de beschikbare natuurlijke
                                        voorwaarden. </noot.al><noot.al><cursief>Generieke regels</cursief></noot.al><noot.al>Ruimtelijke kwaliteit en duurzaamheid zijn rode draden
                                        in het provinciaal beleid. De sturing daarop is in deze
                                        titel vertaald in generieke regels. Dit betekent dat alle
                                        andere onderdelen in de ruimtelijke verordening (hoofdstuk
                                        2) altijd in combinatie met de bepalingen in titel 2.1.
                                        toegepast moeten worden. </noot.al><noot.al>In de Omgevingsvisie Overijssel is een uitvoeringsmodel
                                        ontwikkeld voor het sturen op ruimtelijke kwaliteit en
                                        duurzaamheid waarbij drie stappen worden onderscheiden:
                                        Allereerst moeten ontwikkelingen getoetst worden aan
                                        generieke beleidskeuzes. Deze stap stelt de vraag aan de
                                        orde of er wel een opgave is. De tweede stap is de toets van
                                        ontwikkelingen aan de ontwikkelingsperspectieven. Deze stap
                                        stelt de vraag aan de orde waar deze opgave een plek zou
                                        kunnen krijgen. In paragraaf 2.6. van de Omgevingsvisie
                                        Overijssel 2009 is de (richtinggevende) betekenis van de
                                        aanduidingen op de kaart Ontwikkelingsperspectieven benoemd.
                                        De derde stap is de toets van ontwikkelingen aan de
                                        gebiedskenmerken en stelt de vraag aan de orde hoe de opgave
                                        op een goede wijze kan worden ingepast. </noot.al><noot.al/><noot.al><cursief>Integraliteit </cursief></noot.al><noot.al>Het Besluit ruimtelijke ordening eist een integrale
                                        afweging van alle betrokken belangen bij de vaststelling van
                                        ruimtelijke plannen. Deze afweging moet inzichtelijk gemaakt
                                        worden in de toelichting op bestemmingsplannen. In deze
                                        afweging zullen ook de aspecten die samen de duurzaamheid
                                        van een ontwikkeling bepalen aan de orde moeten komen. In de
                                        verordening is de eis van integraliteit (een transparante en
                                        evenwichtige afweging tussen ecologische, economische en
                                        sociaal-culturele beleidsambities) daarom niet meer als
                                        zodanig opgenomen omdat dit een dubbeling met wettelijke
                                        eisen zou opleveren. </noot.al><noot.al/><noot.al><cursief>Inbreiding gaat voor
                                        uitbreiding</cursief></noot.al><noot.al>Om met name het onderscheid tussen de bebouwde stads-
                                        en dorpsomgeving en de onbebouwde groene omgeving scherp te
                                        houden, wordt sterker gestuurd op het principe ‘inbreiding
                                        gaat voor uitbreiding'. Door middel van de SER-ladder wordt
                                        de verplichting opgelegd om eerst de mogelijkheden te
                                        benutten binnen gebieden die al een stedelijke functie
                                        hebben, voordat een claim mag worden gelegd op gebieden die
                                        nu nog een groene functie hebben. Op de SER-ladder is een
                                        variant ontwikkeld voor de groene omgeving om te bereiken
                                        dat de principes van zorgvuldig en zuinig ruimtegebruik
                                        wordt toegepast op andere dan stedelijke ontwikkelingen die
                                        een claim leggen op de groene omgeving. </noot.al><noot.al>In de verordening wordt bestaand bebouwd gebied in de
                                        eerste plaats gedefinieerd als de gronden die op grond van
                                        geldende bestemmingsplannen benut kunnen worden voor
                                        stedelijke functies. Daarnaast wordt daartoe gerekend die
                                        gebieden die in een voorontwerp-bestemmingsplan bestemd
                                        worden voor stedelijke functies voor zover daarover
                                        schriftelijk een positief advies is uitgebracht door de
                                        provinciale diensten. De wettelijk verplichte gemeentelijke
                                        structuurvisie leent zich er goed voor om de contour van het
                                        bestaand bebouwd gebied inzichtelijk te maken, zodat een
                                        totaalafweging gemaakt kan worden tussen potentiële
                                        inbreidingslocaties. </noot.al><noot.al>Daarbij geldt dat aan de gemeenten de keuze wordt
                                        gelaten of zij stadsrandgebieden beschouwen als stedelijke
                                        omgeving dan wel groene omgeving. Vanzelfsprekend geldt voor
                                        de invulling van de stadsrandgebieden dat de ontwikkeling
                                        ervan op grond van artikel 2.1.5. in overeenstemming moet
                                        zijn met de uitspraken die hierover in de Omgevingsvisie
                                        Overijssel in de ontwikkelingsperspectieven en de Catalogus
                                        Gebiedskenmerken 2009 worden gedaan. In de gemeentelijke
                                        structuurvisie kan nadere invulling worden gegeven aan de
                                        ontwikkeling van deze gebieden. </noot.al><noot.al>Overigens is het niet de bedoeling dat door toepassing
                                        van de SER-ladder al het bestaand stedelijke groen en sport-
                                        en spelvoorzieningen uit bestaand bebouwd gebieden zullen
                                        verdwijnen. Vandaar dat nadrukkelijk het criterium is
                                        gesteld dat het in redelijkheid niet mogelijk is om voor de
                                        opgave een locatie binnen het bestaande bebouwde gebied te
                                        vinden. </noot.al><noot.al>De principes van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik
                                        zijn een variant op de SER-ladder ten behoeve van de
                                        toepassing binnen de groene omgeving. Artikel 2.1.4. is
                                        gericht op alle ontwikkelingen dan stedelijke
                                        ontwikkelingen, zoals die gedefinieerd zijn in artikel
                                        2.1.1. en die leiden tot extra ruimtebeslag op de groene
                                        omgeving. Ook hierbij geldt dat eerst bezien moet worden of
                                        door optimaal gebruik van bestaande erven niet tegemoet
                                        gekomen kan worden aan de wens voor meer
                                        ontwikkelingsruimte. </noot.al><noot.al/><noot.al><cursief>Maatschappelijke behoefte</cursief></noot.al><noot.al>Het voorkomen van onnodig ruimtebeslag op de Groene
                                        omgeving begint overigens al daarvoor, namelijk met het
                                        nadenken over de vraag of er wel een maatschappelijke
                                        behoefte is aan de beoogde ontwikkeling. Hiertoe zijn in de
                                        verordening specifieke motiveringseisen opgenomen ten
                                        aanzien van woningbouwprogrammering en de ontwikkeling van
                                        bedrijventerrein (zie titel 2.2. en titel 2.3.) </noot.al><noot.al/><noot.al><cursief>Concentratie </cursief></noot.al><noot.al>In het kader van sturen op ruimtelijke kwaliteit wordt
                                        op deze plek in de verordening het principe van concentratie
                                        van stedelijke bebouwing vastgelegd. Dit houdt in dat
                                        stedelijke opgaven zoveel mogelijk geconcentreerd moeten
                                        worden in stedelijke netwerken. Daar mag gebouwd worden voor
                                        de bovenregionale behoefte. Daarbij wordt een uitzondering
                                        gemaakt voor die delen van het gemeentelijke grondgebied die
                                        vallen binnen een nationaal landschap. Hiermee is verzekerd
                                        dat binnen de nationale landschappen alleen voor de lokale
                                        behoefte wordt gebouwd en wordt dus voldaan aan de eis
                                        vanuit het Rijksbeleid van ‘migratiesaldo nul'. </noot.al><noot.al>Voor de overige kernen geldt dat alleen voor de lokale
                                        behoefte en bijzondere doelgroepen gebouwd mag worden. Deze
                                        kernen mogen ruimte bieden aan lokaal gewortelde
                                        bedrijvigheid. Onder lokaal gewortelde bedrijvigheid wordt
                                        in dit verband verstaan: bedrijven die hun oorsprong óf
                                        verzorgingsgebied hebben of vinden in de gemeente of kern
                                        waar ze gevestigd zijn of zich vestigen en toegevoegde
                                        waarde bieden aan de sociaaleconomische
                                        structuur/voorzieningen.</noot.al><noot.al>Voor de stedelijke netwerken en de streekcentra geldt
                                        dat de eis van lokaal geworteld zijn niet wordt gesteld. De
                                        streekcentra Hardenberg en Steenwijk vormen in zoverre een
                                        uitzondering, dat die gelet op hun streekfunctie ruimte
                                        krijgen voor extra mogelijkheden voor woningbouw,
                                        voorzieningen en werkgelegenheid. </noot.al><noot.al>De verordening maakt verder nog een uitzondering op het
                                        principe dat alleen voor lokale behoefte gebouwd mag worden
                                        met het oog op situaties waarin samenwerkende gemeenten
                                        afspraken gemaakt hebben waarbij een gemeente in (een deel
                                        van) de behoefte van een buurgemeente voorziet. Voorwaarde
                                        daarbij is wel dat de afspraak past binnen de woonvisie of
                                        bedrijventerreinenvisie zoals bedoeld in artikel 2.2.2.
                                        respectievelijk artikel 2.3.2. Dit betekent dat zowel
                                        buurgemeenten als de provincie hebben laten weten dat zij
                                        kunnen instemmen met voorgestelde programmering, </noot.al><noot.al/><noot.al><cursief>Gebiedskenmerken </cursief></noot.al><noot.al>Om het spectrum aan verschillen hanteerbaar te maken,
                                        zijn de gebiedskenmerken gegroepeerd in vier lagen, elk met
                                        een eigen logica. De karakteristieken uit de laag van het
                                        natuurlijke landschap, de laag van het agrarisch
                                        cultuurlandschap, de laag van het stedelijke gebied en de
                                        laag van het lust- en leisurelandschap zijn geïnventariseerd
                                        en gewaardeerd op hun provinciaal belang. In de Catalogus
                                        Gebiedskenmerken 2009 is vervolgens voor alle gebiedstypen
                                        beschreven wat de kenmerken zijn, hoe het landschap zich
                                        ontwikkeld heeft, wat de provinciale ambities zijn ten
                                        aanzien van het gebiedstype en met welke sturing deze visie
                                        zal worden bewerkstelligd. Hiermee is gedefinieerd hoe aan
                                        het provinciaal belang in ruimtelijke kwaliteit invulling
                                        gegeven wordt en hoe deze belangen dienen door te werken in
                                        gemeentelijke bestemmingsplannen. </noot.al><noot.al/><noot.al><cursief>Motiveringseis</cursief></noot.al><noot.al>De gemeenteraden wordt in deze verordening gevraagd om
                                        in elk bestemmingsplan te onderbouwen dat de beoogde
                                        ontwikkeling bijdraagt aan de versterking van de ruimtelijke
                                        kwaliteit. Aan deze onderbouwing wordt de eis gesteld dat
                                        inzichtelijk wordt gemaakt hoe is omgegaan met de
                                        provinciale vier-lagenbenadering en de bijbehorende
                                        Catalogus Gebiedskenmerken 2009. Daarbij geldt voor de
                                        normstellende uitspraken in de Catalogus Gebiedskenmerken
                                        dat deze altijd ertoe leiden dat een bestemmingsregeling
                                        wordt toegekend conform deze normstellende uitspraak voor
                                        zover deze uitspraken zich lenen voor een vertaling in een
                                        bestemmingsplan. In artikel 2.1.5. lid 7 wordt de
                                        mogelijkheid geboden om af te wijken van normstellende
                                        uitspraken als er sprake is van zwaarwegende
                                        maatschappelijke redenen en wanneer voldoende verzekerd is
                                        dat er sprake is van versterking van de ruimtelijke
                                        kwaliteit conform de provinciale ambities zoals aangegeven
                                        in de Catalogus Gebiedskenmerken. </noot.al><noot.al>Voor de richtinggevende uitspraken in de catalogus
                                        geldt dat een manier van omgang met kenmerken is weergegeven
                                        die de provincie zeer wenselijk vindt. Gemeenteraden kunnen
                                        hier echter gemotiveerd van afwijken mits aannemelijk
                                        gemaakt is dat de ruimtelijke kwaliteit door een andere
                                        benadering ook versterkt wordt. De inspirerende uitspraken
                                        in de catalogus hebben een strekking conform hun benaming:
                                        er worden ontwikkelingen vermeld die denkbaar zijn in het
                                        betreffende gebiedstype. </noot.al><noot.al/><noot.al><cursief>Ontwikkelingsperspectieven</cursief></noot.al><noot.al>In het kader van sturen op ruimtelijke kwaliteit wordt
                                        de gemeenteraden gevraagd om in hun onderbouwing in te gaan
                                        op het ontwikkelingsperspectief dat van toepassing is. De
                                        provincie heeft in 6 ontwikkelingsperspectieven op
                                        hoofdlijnen haar beleidsambities neergelegd ten aanzien van
                                        de sociaaleconomische en maatschappelijke ontwikkelingen die
                                        leiden tot claims op de fysieke leefomgeving. Deze
                                        ontwikkelingsperspectieven zijn globaal van aard en daarom
                                        wordt de mogelijkheid geboden om daarvan gemotiveerd van af
                                        te wijken. Daarbij wordt aangetekend dat op andere plekken
                                        in de verordening bescherming is geregeld van gebieden die
                                        gerekend worden tot de EHS en de
                                        landbouwontwikkelingsgebieden. Dit betekent dat in de
                                        praktijk weinig ruimte zal zijn om af te wijken van de
                                        beleidsambities die geschetst zijn voor de
                                        ontwikkelingsperspectieven ‘realisatie groene en blauwe
                                        hoofdstructuur' en ‘buitengebied accent productie'. De
                                        mogelijkheid om af te wijken van een
                                        ontwikkelingsperspectief geldt niet voor ontwikkelingen die
                                        volgens het bepaalde in de onderdelen C en D van het Besluit
                                        milieueffectrapportagge 1994 MER-plichting zijn. Voor deze
                                        gevallen geldt dat PS eerst moet overgaan tot aanpassing van
                                        de kaart met ontwikkelingsperspectieven voordat daaraan
                                        medewerking kan worden verleend. Voor de duidelijkheid: voor
                                        ontwikkelingen die passen binnen de
                                        ontwikkelingsperspectieven zoals beschreven in paragraaf
                                        2.6. van de Omgevingsvisie, is voor toepassing van de
                                        verordening niet relevant of er sprake is van een MER-plicht
                                        op niet. </noot.al><noot.al/><noot.al><cursief>Kwaliteitsimpuls Groene
                                        omgeving</cursief></noot.al><noot.al>In dit onderdeel van de verordening wordt tenslotte een
                                        regeling getroffen voor de beoogde kwaliteitsimpuls groene
                                        omgeving. De SER-ladder en de principes van zuinig en
                                        zorgvuldig ruimtegebruik hebben tot doel om onnodig
                                        ruimtebeslag op de groene omgeving tegen te gaan. Toepassing
                                        van deze instrumenten zal ertoe leiden dat in principe geen
                                        nieuwvestigingen en grootschalige uitbreidingen in de groene
                                        ruimte zullen worden gerealiseerd, omdat daarvoor als regel
                                        binnen het stedelijk gebied en binnen bestaande erven in de
                                        groene omgeving ruimte gevonden kan worden. Voordat
                                        overgegaan wordt tot toepassing van de kwaliteitsimpuls zal
                                        dus altijd eerst nagegaan moeten worden of toepassing van de
                                        SER-ladder of de principes van zuinig en zorgvuldig
                                        ruimtegebruik niet een oplossing biedt voor het ruimtelijk
                                        vraagstuk. </noot.al><noot.al>Vanwege sociaaleconomische en/of maatschappelijke
                                        redenen kan er aanleiding zijn om een uitzondering te maken
                                        op de algemene regel ‘inbreiding voor uitbreiding' deze
                                        algemene regel mits het verlies van ecologisch en
                                        landschappelijk kapitaal in voldoende mate wordt
                                        gecompenseerd. Dat er voldoende wordt gecompenseerd moet
                                        blijken uit een ruimtelijke onderbouwing. Voor deze
                                        ruimtelijke onderbouwing kan een gemeente een kader
                                        opstellen, waarin het beoogde evenwicht tussen ontwikkeling
                                        van bebouwing en de investering in ruimtelijke kwaliteit is
                                        vastgelegd. Bij de ruimtelijke onderbouwing van het
                                        betreffende initiatief kan dan worden volstaan met een
                                        verwijzing naar dit kader en een toelichting hoe daaraan in
                                        dit geval invulling is gegeven. Beschikt de gemeente niet
                                        over een adequaat kader voor toepassing van de
                                        kwaliteitsimpuls, dan zal per geval onderbouwd moeten worden
                                        dat er sprake is van evenwicht tussen extra rood en de extra
                                        investering in ruimtelijke kwaliteit. </noot.al><noot.al>Bij toepassing van de kwaliteitsimpuls zijn de eisen
                                        vanuit de bepaling over ruimtelijke kwaliteit (2.1.5.)
                                        onverkort van toepassing. De extra investeringen in
                                        ruimtelijke kwaliteit komen immers bovenop de normale eis
                                        dat elke ontwikkeling moet bijdragen aan het versterken van
                                        ruimtelijke kwaliteit. </noot.al><noot.al>De kwaliteitsimpuls is niet bedoeld voor situaties van
                                        stadsuitleg. Daarbij wordt immers niet afgeweken van de
                                        SER-ladder, maar leidt het door lopen van de afwegingspunten
                                        tot de conclusie dat een uitbreiding van het bestaand
                                        bebouwd gebied noodzakelijk is omdat niet in de opgave kan
                                        worden voorzien binnen het bestaand bebouwd gebied. </noot.al><noot.al>Om te voorkomen dat elke gemeente een eigen kader moet
                                        uitvinden, wil de provincie graag samen met de gemeenten een
                                        kader ontwikkelen voor de toepassing van de kwaliteitsimpuls
                                        groene omgeving die als bouwsteen kan dienen voor de
                                        onderbouwing die voor de toepassing van de onderdeel van de
                                        verordening in individuele gevallen geleverd zal moeten
                                        worden. Verder zal de provincie de kwaliteitsimpuls
                                        ondersteunen met een stimuleringsbudget, opleiding en
                                        beschikbaarheid van expertise. </noot.al><noot.al>Onder het toepassingsbereik van de kwaliteitsimpuls
                                        groene omgeving vallen ondermeer de volgende gevallen: </noot.al><noot.al>¿ Het toevoegen van nieuwe agrarische bouwpercelen
                                        buiten de landbouwontwikkelingsgebieden </noot.al><noot.al>¿ Uitbreidingen van bestaande agrarische bouwpercelen
                                        waardoor grotere bouwpercelen ontstaan dan 1,5 ha in
                                        gebieden buiten de landbouwontwikkelingsgebieden </noot.al><noot.al>¿ Nieuwe verblijfsrecreatieve verblijven en complexen </noot.al><noot.al>¿ Uitbreidingen van bestaande verblijfsrecreatieve
                                        complexen </noot.al><noot.al>¿ De bouw van nieuwe woningen </noot.al><noot.al>¿ Nieuwe bouwlocaties voor bedrijvigheid die niet aan
                                        de Groene Omgeving is gebonden </noot.al><noot.al>¿ Grootschalige uitbreiding van bestaande locaties voor
                                        niet-agrarische bedrijvigheid die niet aan de Groene
                                        Omgeving is gebonden. </noot.al><noot.al>Onder bedrijvigheid die niet aan het buitengebied is
                                        gebonden worden niet-agrarische bedrijven verstaan die niet
                                        functioneel gebonden zijn aan de groene omgeving, zoals
                                        aannemersbedrijven, garagebedrijven,
                                        landbouwmechanisatiebedrijven, ambachtelijke bedrijven. </noot.al><noot.al>Onder het toepassingsbereik van de kwaliteitsimpuls
                                        vallen ook die gevallen van hergebruik van vrijkomende
                                        agrarische bouwpercelen waarbij de nieuwe functie vraagt om
                                        ingrijpende aanpassing van de bestaande bebouwing en de
                                        bestaande erfinrichting. In die gevallen is de inpassing van
                                        de functie op basis van de gebiedskenmerken onvoldoende en
                                        wordt een extra investering verwacht in de ruimtelijke
                                        kwaliteit van de omgeving. Daarnaast geldt dat bepaalde
                                        functies op zich al aanleiding kunnen zijn voor de
                                        toepassing van de kwaliteitsimpuls, omdat deze als minder
                                        passend moeten worden beschouwd gelet op de ligging in de
                                        groene omgeving (vanwege de verkeersaantrekkende werking,
                                        industriële karakter en dergelijke). </noot.al><noot.al>Het wijkersbeleid valt buiten het toepassingsbereik van
                                        de kwaliteitsimpuls groene omgeving, omdat in het geval van
                                        wijkersbeleid er sprake is van vervanging van bestaande
                                        woningen in de groene omgeving en niet van toevoegen van
                                        extra woningen. Onder het wijkersbeleid vallen de gevallen
                                        waarin bestaande burgerwoningen in het buitengebied moeten
                                        wijken voor stadsuitleg of infrastructuur. In afwijking van
                                        de algemene regel kan dan een vervangende woning worden
                                        toegestaan in de groene omgeving.</noot.al><noot.al>De Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving eist een extra
                                        investering in ruimtelijke kwaliteit als een bestemmingsplan
                                        voorziet in nieuwvestiging of grootschalige uitbreiding van
                                        bestaande functies in de groene omgeving. Wanneer een
                                        bestemmingsplan voorziet in een nieuw agrarisch bouwblok,
                                        moet op grond van deze regeling een extra investering worden
                                        gedaan in ruimtelijke kwaliteit, naast de basisinspanning op
                                        dat punt die op grond van artikel 2.1.5 is vereist. Dit
                                        geldt ook als met het nieuwe agrarisch bouwblok de
                                        verplaatsing van een bestaand agrarisch bedrijf wordt
                                        gefaciliteerd. </noot.al><noot.al>De provincie heeft op deze algemene regeling een
                                        uitzondering gemaakt voor die gevallen waarin de
                                        verplaatsing op zich al een maatschappelijk doel dient. Het
                                        gaat om gevallen waarin sprake is van verplaatsing die nodig
                                        is voor het realiseren van publieke belangen, bijvoorbeeld
                                        de aanleg van infrastructuur of stadsuitleg. Een extra
                                        investering in ruimtelijke kwaliteit wordt in dat geval niet
                                        nodig geacht.</noot.al><noot.al>Een extra investering in ruimtelijke kwaliteit wordt
                                        ook niet nodig geacht in die gevallen waarin op de
                                        uitplaatsingslocatie het agrarische bouwperceel wordt
                                        opgeheven. Het opheffen van dat agrarische bouwperceel wordt
                                        gezien als voldoende tegenprestatie voor het leggen van een
                                        nieuw agrarisch bouwblok. Het verplaatsen van een
                                        (volwaardig) agrarische bedrijf van een locatie waar geen
                                        ontwikkelingsmogelijkheden meer zijn naar een locatie waar
                                        het bedrijf wel ruimte voor ontwikkeling heeft, draagt bij
                                        aan de structuurversterking van de landbouw. Ook wordt er
                                        daarbij vanuit gegaan dat door verplaatsing van het
                                        agrarische bedrijf situaties van milieuoverlast voor de
                                        omgeving worden opgelost. Het bij verplaatsing opheffen van
                                        het agrarische bouwperceel op de uitplaatsingslocatie draagt
                                        bij aan de doelstelling om per saldo het aantal agrarische
                                        bouwpercelen niet (onnodig) te laten toenemen.</noot.al><noot.al>Met het oog op die doelstelling is in de regeling
                                        voorzien dat in sommige gevallen de uitplaatsingslocaties
                                        weliswaar niet meer geschikt is voor het bedrijf dat
                                        verplaatst wordt, maar wel voldoende ruimte kan bieden voor
                                        een ander volwaardig agrarisch bedrijf. In die gevallen
                                        wordt dan niet de eis van opheffing van het agrarische
                                        bouwblok gesteld, omdat herbenutting van een bestaand
                                        agrarisch bouwblok als voldoende tegenprestatie wordt gezien
                                        voor het leggen van een nieuw bouwblok. Voor de locatie die
                                        bij deze doorschuifactie vrijkomt, geldt dan wel weer de eis
                                        van saldering, tenzij deze ook weer duurzaam herbenut kan
                                        worden door een ander volwaardig agrarisch
                                        bedrijf.</noot.al><noot.al>De eis van opheffing wordt ook niet gesteld als de
                                        verplaatsing feitelijk een splitsing oplevert in een
                                        gemengde bedrijfsvoering, waarbij de intensieve tak naar een
                                        landbouwontwikkelingsgebied gaat, maar de grondgebonden tak
                                        op de huidige locatie gehandhaafd wordt.</noot.al><noot.al>Overigens blijft bij de toepassing van de
                                        kwaliteitsimpuls de regeling in titel 2.9. over
                                        reconstructie als generieke regeling onverkort van
                                        toepassing. </noot.al><noot.al>Voor de toepassing van de kwaliteitsimpuls groene
                                        omgeving kan onderscheid gemaakt worden tussen gevallen
                                        waarin de bouw van nieuwe woningen dient als
                                        financieringsbron voor ontwikkelingen gericht op versterking
                                        van de ruimtelijke kwaliteit en tussen gevallen waarbij
                                        bedrijven meer dan gewone uitbreidingsmogelijkheden worden
                                        geboden. </noot.al><noot.al>Onder de kwaliteitsimpuls groene omgeving vallen in de
                                        eerste plaats situaties waarbij de bouw van nieuwe woningen
                                        als financieringsbron dient voor ontwikkelingen die de
                                        ruimtelijke kwaliteit een impuls geven die meer is dan wat
                                        normaal bereikt kan worden via inpassing conform de
                                        gebiedskenmerken. Het gaat dan om
                                        rood-voor-rood-constructies waarbij landschapsontsierende
                                        bebouwing wordt gesloopt en extra investeringen worden
                                        gedaan in de ruimtelijke kwaliteit van de locatie. Het kan
                                        ook gaan om rood-voor-groen-constructies waarbij extra
                                        investeringen worden gedaan in de ontwikkeling van natuur en
                                        landschap. Verder valt het VAB-beleid waarbij gezocht wordt
                                        naar nieuwe functies voor voormalige agrarische
                                        bedrijfsbebouwing om bebouwing die karakteristiek is voor de
                                        Groene omgeving te behouden en kapitaalvernietiging tegen te
                                        gaan, onder de werking van de kwaliteitsimpuls. Ruimte die
                                        in bepaalde landschappen kan worden geboden voor de
                                        ontwikkeling van knooperven valt wat betreft de provincie
                                        ook onder deze regeling van de kwaliteitsimpuls groene
                                        omgeving. De regeling stelt de eis dat onderbouwd wordt dat
                                        er een evenwicht is tussen het toevoegen van rood en de
                                        investering in ruimtelijke kwaliteit. </noot.al><noot.al>De andere aanleiding om af te wijken van de algemene
                                        regel zijn de gevallen waarin (agrarische) bedrijven meer
                                        dan gewone uitbreidingsmogelijkheden zou kunnen worden
                                        geboden gelet op het belang daarvan voor de leefbaarheid van
                                        het platteland mits daar een substantiële investering in
                                        ruimtelijke kwaliteit buiten de eigen locatie tegenover zou
                                        staan waardoor de aantasting van de ruimtelijke kwaliteit op
                                        de eigen locatie tenminste gecompenseerd wordt. </noot.al><noot.al>De regeling stelt de eis van een ruimtelijke
                                        onderbouwing (op basis van een gemeentelijke kader dan wel
                                        een specifiek ruimtelijk kwaliteitsplan) waarmee aangetoond
                                        wordt dat er een substantiële investering in de ruimtelijke
                                        kwaliteit plaatsvindt ter compensatie van het extra rood dat
                                        wordt toegestaan. </noot.al><noot.al>In de verordening is bewust afgezien van een definitie
                                        wat onder grootschalig wordt verstaan omdat dit ongewenst
                                        uitgebreide en complexe bepalingen zou opleveren. In dit
                                        geval is de nadere invulling aan de praktijk overgelaten.
                                        Kleinschalige uitbreidingen van bestaande functies in de
                                        Groene Omgeving worden afgewogen via het principe van zuinig
                                        en zorgvuldig ruimtegebruik (artikel 2.1.4.). Daarvoor is
                                        het voldoende dat in de ruimtelijke onderbouwing aan de hand
                                        van de Catalogus Gebiedskenmerken 2009 duidelijk wordt
                                        gemaakt hoe de ontwikkeling wordt ingepast in het landschap.
                                        Voor nieuwvestigingen en grootschalige uitbreidingen van
                                        bestaande functies worden vanwege de impact een meer
                                        gebiedsgerichte benadering gevraagd. In een ruimtelijk
                                        kwaliteitsplan dient dan een relatie te worden gelegd tussen
                                        de stijging van de grondwaarde en de bijzondere investering
                                        in de ruimtelijke kwaliteit. Er kan hierbij sprake zijn van
                                        een combinatie van private en publieke
                                        investeringen.</noot.al><noot.al>Het ontwikkelingsperspectief Ondernemen met Natuur en
                                        Water is gericht op behouden en ontwikkelen van de natuur-
                                        en landschapskwaliteiten en de versterking van het
                                        watersysteem, in samenhang met economische ontwikkeling. De
                                        ambitie is een samenhangend netwerk van natuur en water met
                                        ecologische, hydrologische, economische en recreatieve
                                        kwaliteit. Voor zover gronden niet zijn aangeduid als
                                        Ecologische Hoofdstructuur, geldt hier een ‘ja,
                                        mits-benadering'. Dit houdt in dat ontwikkelingsruimte wordt
                                        geboden onder de voorwaarde dat er bijgedragen wordt aan
                                        ruimtelijke kwaliteit. Deze benadering geldt in principe ook
                                        voor de andere ontwikkelingsperspectieven, maar daar kan de
                                        kwaliteitsinvestering breed worden ingezet. In het geval van
                                        het ontwikkelingsperspectief Ondernemen met Natuur en Water
                                        geldt dat de investeringen in ruimtelijke kwaliteit gericht
                                        moeten worden ingezet op het realiseren van wateropgaven en
                                        het versterking van natuur en landschap. Als ondernemers,
                                        burgers of organisaties nieuwe groene initiatieven
                                        ontplooien, zoals bijvoorbeeld de ontwikkeling van een nieuw
                                        landgoed, dient dat bij voorkeur in de zone Ondernemen met
                                        natuur en water plaats te vinden.</noot.al><noot.al>Deze bijzondere verplichting om binnen het
                                        ontwikkelingsperspectief Ondernemen met Natuur en Water de
                                        investering in extra kwaliteit gericht in te zetten voor
                                        natuur, landschap en water, wordt geregeld door in artikel
                                        2.1.6 voor deze gebieden nadere voorwaarden op te nemen voor
                                        toepassing van de Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving voor wat
                                        betreft de investeringen in ruimtelijke kwaliteit in de
                                        omgeving.</noot.al><noot.al/><noot.al><cursief>Algemene sturingsprincipes</cursief></noot.al><noot.al>Voor titel 2.1. geldt dat hierin de algemene
                                        sturingsprincipes van de provincie worden vastgelegd. Dit
                                        betekent dat dit onderdeel altijd van toepassing is en
                                        toegepast moeten worden in combinatie met de overige
                                        bepalingen in hoofdstuk 2.]</noot.al></noot></al></structuurtekst><artikel><kop><titel>Artikel 2.1.1. Begripsbepalingen </titel></kop><lid><lidnr/><al>In deze verordening wordt verstaan onder: </al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al id="anker-H55822_0_1_1_1_"> ruimtelijke kwaliteit: het resultaat
                                    van menselijk handelen en natuurlijke processen dat de ruimte
                                    geschikt maakt en houdt voor wat voor mens, plant en dier
                                    belangrijk is; </al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al id="anker-H55822_0_1_1_2_"> gebiedskenmerken: de verschillende
                                    typen landschappen en hun kenmerkende eigenschappen zoals
                                    beschreven in de Catalogus Gebiedskenmerken, die als bijlage
                                    deel uitmaakt van deze verordening en aangegeven op de kaarten: </al><lijst><li nr=""><al id="anker-H55822_0_1_1_2_1_">• Gebiedskenmerkenkaart,
                                            Natuurlijke laag nr. 09295046; </al></li><li nr=""><al id="anker-H55822_0_1_1_2_2_">• Gebiedskenmerkenkaart,
                                            Laag van het agrarisch cultuurlandschap nr. 09295047;
                                        </al></li><li nr=""><al id="anker-H55822_0_1_1_2_3_">• Gebiedskenmerkenlaag,
                                            Stedelijke laag nr. 09295048; </al></li><li nr=""><al id="anker-H55822_0_1_1_2_4_">• Gebiedskenmerkenkaart,
                                            Lust- en leisurelaag nr. 09295049; </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al id="anker-H55822_0_1_1_3_"> ontwikkelingsperspectieven: de als
                                    zodanig op kaart Ontwikkelingsperspectieven nr. 09295055
                                    aangegeven gebieden waarvoor in de Omgevingsvisie Overijssel
                                    2009 beleidsambities en ruimtelijke kwaliteitsambities zijn
                                    geformuleerd op basis van voor deze gebieden geldende opgaven en
                                    kansen; </al></lid><lid><lidnr>d.</lidnr><al id="anker-H55822_0_1_1_4_"> versterken van ruimtelijke
                                    kwaliteit: het leggen van nieuwe verbindingen tussen bestaande
                                    gebiedskwaliteiten en nieuwe ontwikkelingen waarbij bestaande
                                    kwaliteiten worden benut en waar mogelijk nieuwe kwaliteiten
                                    worden toegevoegd; </al></lid><lid><lidnr>e.</lidnr><al id="anker-H55822_0_1_1_5_"> kwaliteitsontwikkeling: is het
                                    proces waarbij elk project/elke ontwikkeling bijdraagt aan
                                    versterking van de ruimtelijke kwaliteit van de leefomgeving;
                                </al></lid><lid><lidnr>f.</lidnr><al id="anker-H55822_0_1_1_6_"> bestaand bebouwd gebied: de gronden
                                    die benut kunnen worden voor stedelijke functies op grond van
                                    geldende bestemmingsplannen en op grond van
                                    voorontwerp-bestemmingsplannen voor zover de provinciale
                                    diensten daarover schriftelijk een positief advies hebben
                                    uitgebracht in het kader van het vooroverleg als bedoeld in
                                    artikel 3.1.1 Bro/artikel 10 BRO; </al></lid><lid><lidnr>g.</lidnr><al id="anker-H55822_0_1_1_7_"> stedelijke functies: wonen,
                                    bedrijvigheid, detailhandel, horeca, maatschappelijke,
                                    educatieve, culturele en religieuze voorzieningen, met de
                                    bijbehorende infrastructuur, stedelijk water en stedelijk groen;
                                </al></lid><lid><lidnr>h.</lidnr><al id="anker-H55822_0_1_1_8_"> groene omgeving: de gronden die niet
                                    vallen onder bestaand bebouwd gebied; </al></lid><lid><lidnr>i.</lidnr><al id="anker-H55822_0_1_1_9_"> bestaande erven: bestaande en/of als
                                    zodanig bestemde bouwvlakken ten behoeve van woningen,
                                    voorzieningen en bedrijven in de groene omgeving, daarbij
                                    inbegrepen de bouwvlakken voor dergelijke functies die voorzien
                                    zijn in voorontwerp-bestemmingsplannen voor zover de provinciale
                                    diensten daarover een positief advies hebben uitgebracht in het
                                    kader van het vooroverleg als bedoeld in artikel 3.1.1 Bro/
                                    artikel 10 BRO; </al></lid><lid><lidnr>j.</lidnr><al id="anker-H55822_0_1_1_10_"> stedelijke ontwikkelingen: het
                                    realiseren van stedelijke functies zoals woningbouw,
                                    bedrijventerreinen, detailhandel, horeca, maatschappelijke,
                                    educatieve en religieuze voorzieningen met de daarbij behorende
                                    infrastructuur met bijbehorende groen en water en het hiertoe
                                    bouwrijp maken van gronden; </al></lid><lid><lidnr>k.</lidnr><al id="anker-H55822_0_1_1_11_"> niet aan de Groene omgeving
                                    gebonden bedrijvigheid: niet-agrarische bedrijvigheid die niet
                                    functioneel aan de Groene omgeving is gebonden; </al></lid><lid><lidnr>l.</lidnr><al id="anker-H55822_0_1_1_12_"> stedelijke netwerken: de
                                    Netwerkstad Zwolle Kampen, de Netwerkstad Twente en de
                                    Stedendriehoek; </al></lid><lid><lidnr>m.</lidnr><al id="anker-H55822_0_1_1_13_"> streekcentra: de kernen Steenwijk
                                    en Hardenberg. </al></lid><lid><lidnr>n.</lidnr><al id="anker-H55822_0_1_1_14_"> herstructurering: het proces
                                    waarbij verouderde woonwijken en bedrijventerreinen opnieuw
                                    worden ingericht waarbij de bestaande functie van het terrein
                                    gehandhaafd blijft; </al></lid><lid><lidnr>o.</lidnr><al id="anker-H55822_0_1_1_15_"> transformatie: het proces waarbij
                                    verouderde woonwijken en bedrijventerreinen opnieuw worden
                                    ingericht waarbij de bestaande functie wordt omgezet naar een
                                    andere functie; </al></lid><lid><lidnr>p.</lidnr><al id="anker-H55822_0_1_1_16_"> schuifruimte: nieuwe locaties voor
                                    wonen of bedrijventerreinen ten behoeve van de uitplaatsing van
                                    functies in het kader van herstructurering;</al></lid><lid><lidnr>q.</lidnr><al id="anker-H55822_0_1_1_17_"> lokaal gewortelde bedrijvigheid:
                                    bedrijven die hun oorsprong óf verzorgingsgebied hebben of
                                    vinden in de gemeente of kern waar ze gevestigd zijn of zich
                                    vestigen én toegevoegde waarde bieden aan de sociaaleconomische
                                    structuur/voorzieningen.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2.1.2. Principe van concentratie </titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H55822_0_1_2_18_"> Bestemmingsplannen voorzien
                                    uitsluitend in woningbouw, aanleg van bedrijventerreinen voor
                                    lokaal gewortelde bedrijvigheid en het realiseren van stedelijke
                                    voorzieningen, met bijbehorende infrastructuur en
                                    groenvoorzieningen om te voldoen aan de lokale behoefte en de
                                    behoefte van bijzondere doelgroepen. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H55822_0_1_2_19_"> In afwijking van het gestelde onder
                                    1 kunnen bestemmingsplannen voorzien in woningbouw, aanleg van
                                    bedrijventerreinen en het realiseren van stedelijke
                                    voorzieningen om te voldoen aan een bovenregionale behoefte voor
                                    zover deze bestemmingsplannen gebieden betreffen die onderdeel
                                    uitmaken van stedelijke netwerken. Deze afwijkingsmogelijkheid
                                    geldt niet voor gebieden die vallen binnen nationale
                                    landschappen als bedoeld in artikel 2.6.2. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al id="anker-H55822_0_1_2_20_"> In afwijking van het gestelde onder
                                    1 kunnen bestemmingsplannen van de streekcentra voorzien in
                                    woningbouw, aanleg van bedrijventerreinen en het realiseren van
                                    voorzieningen ter voldoening van een regionale behoefte. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al id="anker-H55822_0_1_2_21_"> In afwijking van het gestelde onder
                                    1 kunnen bestemmingsplannen voorzien in woningbouw en
                                    bedrijventerrein om te voldoen aan (een deel van) de behoefte
                                    van een buurgemeente op basis van afspraken die door
                                    samenwerkende gemeenten zijn gemaakt en die passen binnen een
                                    woonvisie als bedoeld in artikel 2.2.2 en/of een
                                    bedrijventerreinenvisie als bedoeld in artikel 2.3.2.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2.1.3. SER-ladder voor de Stedelijke omgeving
                                </titel></kop><lid><lidnr/><al>Bestemmingsplannen voorzien uitsluitend in stedelijke
                                    ontwikkelingen die een extra ruimtebeslag door bouwen en
                                    verharden leggen op de groene omgeving wanneer aannemelijk is
                                    gemaakt: </al></lid><lid><lidnr/><al id="anker-H55822_0_1_3_22_">• dat er voor deze opgave in
                                    redelijkheid geen ruimte beschikbaar is binnen het bestaande
                                    bebouwd gebied en de ruimte binnen het bestaand bebouwd gebied
                                    ook niet geschikt te maken is door herstructurering en/of
                                    transformatie; </al></lid><lid><lidnr/><al id="anker-H55822_0_1_3_23_">• dat mogelijkheden voor meervoudig
                                    ruimtegebruik binnen het bestaand bebouwd gebied optimaal zijn
                                    benut.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2.1.4. Principes van zuinig en zorgvuldig
                                    ruimtegebruik </titel></kop><lid><lidnr/><al>Bestemmingsplannen voorzien uitsluitend in andere dan stedelijke
                                    ontwikkelingen die een extra ruimtebeslag door bouwen en
                                    verharden leggen op de groene omgeving wanneer aannemelijk is
                                    gemaakt: </al></lid><lid><lidnr/><al id="anker-H55822_0_1_4_24_">• dat (her)benutting van bestaande
                                    bebouwing in de groene omgeving in redelijkheid niet mogelijk
                                    is; </al></lid><lid><lidnr/><al id="anker-H55822_0_1_4_25_">• dat mogelijkheden voor combinatie
                                    van functies op bestaande erven optimaal zijn benut.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2.1.5. Ruimtelijke kwaliteit </titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H55822_0_1_5_26_"> In de toelichting op
                                    bestemmingsplannen wordt onderbouwd dat de nieuwe ontwikkelingen
                                    die het bestemmingsplan mogelijk maakt, bijdragen aan het
                                    versterken van de ruimtelijke kwaliteit conform de geldende
                                    gebiedskenmerken. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H55822_0_1_5_27_"> In het kader van toelichting als
                                    bedoeld in lid 1 wordt inzichtelijk gemaakt op welke wijze
                                    toepassing is gegeven aan de vier-lagen-benadering die in de
                                    Omgevingsvisie Overijssel is neergelegd en op welke wijze de
                                    Catalogus Gebiedskenmerken is gebruikt bij de ruimtelijke
                                    inpassing. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al id="anker-H55822_0_1_5_28_"> In het kader van de toelichting als
                                    bedoeld in lid 1 wordt gemotiveerd dat de nieuwe ontwikkeling
                                    past binnen het ontwikkelingsperspectief die in de
                                    Omgevingsvisie Overijssel voor het gebied is neergelegd. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al id="anker-H55822_0_1_5_29_"> Gemeenteraden mogen gemotiveerd
                                    afwijken van het ontwikkelingsperspectief dat voor het
                                    betreffende gebied geldt, wanneer: </al><lijst><li nr=""><al id="anker-H55822_0_1_5_29_5_">• er sprake is
                                            sociaaleconomische en/of maatschappelijke redenen en
                                        </al></li><li nr=""><al id="anker-H55822_0_1_5_29_6_">• voldoende verzekerd is
                                            dat er sprake is van versterking van ruimtelijke
                                            kwaliteit conform de gebiedskenmerken. Deze
                                            afwijkingsmogelijkheid geldt niet voor gevallen waarin
                                            sprake is van ontwikkelingen die volgens het bepaalde in
                                            de onderdelen C en D van het Besluit
                                            milieueffectrapportage 1994 MER-plichtig zijn. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al id="anker-H55822_0_1_5_30_"> Bestemmingsplannen die betrekking
                                    hebben op gebieden waarvoor in de Catalogus Gebiedskenmerken
                                    normerende uitspraken worden gedaan voorzien voor zover deze
                                    uitspraken zich daarvoor lenen, in een bestemmingsregeling
                                    conform deze normerende uitspraken. </al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al id="anker-H55822_0_1_5_31_"> Bestemmingsplannen die betrekking
                                    hebben op gebieden waarvoor in de Catalogus Gebiedskenmerken
                                    richtinggevende uitspraken worden gedaan voorzien voor zover
                                    deze uitspraken zich daarvoor lenen, in een bestemmingsregeling
                                    conform deze richtinggevende uitspraken. </al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al id="anker-H55822_0_1_5_32_"> Van het gestelde onder 5 mag
                                    gemotiveerd worden afgeweken wanneer: </al><lijst><li nr=""><al id="anker-H55822_0_1_5_32_7_">• er sprake is van
                                            zwaarwegende sociaaleconomische en/of maatschappelijke
                                            redenen en </al></li><li nr=""><al id="anker-H55822_0_1_5_32_8_">• voldoende verzekerd is
                                            dat er sprake is van versterking van ruimtelijke
                                            kwaliteit conform de provinciale ambities zoals
                                            aangegeven in de Catalogus Gebiedskenmerken. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>8.</lidnr><al id="anker-H55822_0_1_5_33_"> Van het gestelde onder 6 mag worden
                                    afgeweken mits voldoende gemotiveerd is dat de kwaliteitsambitie
                                    zoals aangegeven in de Catalogus Gebiedskenmerken in gelijke
                                    mate gerealiseerd wordt.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2.1.6. Kwaliteitsimpuls Groene omgeving </titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H55822_0_1_6_34_"> Bestemmingsplannen voor de groene
                                    omgeving kunnen – met in achtneming van het bepaalde in artikel
                                    2.1.3 en artikel 2.1.4 en het bepaalde in artikel 2.1.5 –
                                    voorzien in nieuwvestiging en grootschalige uitbreidingen van
                                    bestaande functies in de groene omgeving, uitsluitend indien
                                    hier sociaaleconomische en/of maatschappelijke redenen voor zijn
                                    én er is aangetoond dat het verlies aan ecologisch en/of
                                    landschappelijk waarden in voldoende mate wordt gecompenseerd
                                    door investeringen ter versterking van ruimtelijke kwaliteit in
                                    de omgeving. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H55822_0_1_6_35_"> In afwijking van het gestelde onder
                                    lid 1 en onverminderd artikel 2.1.5 kan de vestiging van nieuwe
                                    agrarische bouwpercelen worden toegestaan als:</al><lijst><li nr=""><al id="anker-H55822_0_1_6_35_9_">• een ondernemer zijn
                                            landbouwbedrijf verplaatst voor het realiseren van
                                            publieke belangen; </al></li><li nr=""><al id="anker-H55822_0_1_6_35_10_">• een ondernemer op de
                                            huidige locatie geen ontwikkelingsmogelijkheden meer
                                            heeft en een volwaardig agrarisch bedrijf verplaatst
                                            naar een locatie waar wel ontwikkelingsmogelijkheden
                                            zijn. Op voorwaarde dat het agrarisch bouwperceel als
                                            bestemming op de uitplaatsingslocatie(s) in Overijssel
                                            wordt opgeheven. Deze voorwaarde geldt niet als er
                                            sprake is van een verplaatsing van een intensieve tak
                                            van een gemengd landbouwbedrijf naar een
                                            Landbouwontwikkelingsgebied of als de
                                            uitplaatsingslocatie herbenut zal worden door een
                                            volwaardig agrarisch bedrijf.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al id="anker-H55822_0_1_6_36_"> In aanvulling op het gestelde onder
                                    1 geldt voor nieuwe ontwikkelingen die plaatsvinden op gronden
                                    die vallen binnen het ontwikkelingsperspectief Ondernemen met
                                    Natuur en Water en die niet zijn aangeduid als Ecologische
                                    Hoofdstructuur (EHS), de voorwaarde dat de compensatie door
                                    investeringen ter versterking van ruimtelijke kwaliteit in de
                                    omgeving gericht dienen te zijn op de versterking van de
                                    kwaliteit van natuur, water en landschap.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Titel 2.2. Woningbouw </titel></kop><structuurtekst><al><noot id="d17e1122"><noot.nr>3</noot.nr><noot.al>[<vet>Toelichting: </vet>Provinciaal belang </noot.al><noot.al>De provincie zet in op differentiatie in woonmilieus om
                                        nu en in de toekomst voldoende ruimte te kunnen bieden aan
                                        de huisvesting van alle doelgroepen. Voor het realiseren van
                                        de opgave van nieuwbouw en herstructurering is naast een
                                        sterke gemeentelijke regie, regionale afstemming nodig omdat
                                        de woningmarkt (boven)regionaal georiënteerd. De provincie
                                        ziet hierin voor zichzelf een rol weggelegd en zal erop
                                        toezien dat er afstemming plaatsvindt van de
                                        woningbouwprogrammering tussen gemeenten zodat vraag en
                                        aanbod op regionaal niveau in evenwicht zijn. De provincie
                                        voorziet een afname van groei van de bevolking en
                                        wijzigingen in de samenstelling van de bevolking
                                        (vergrijzing, huishoudensverdunning). Gemeenten zullen in
                                        gemeentelijke woonvisies moeten aangeven hoe zij in een
                                        teruglopende woningbouwmarkt, de regie voeren om de
                                        woningvoorraad ook in de toekomst te laten aansluiten op de
                                        behoeften van hun inwoners. De provincie stelt geen
                                        rechtstreekse eisen aan woonvisies, maar wel aan de
                                        onderbouwing van bestemmingsplannen die voorzien in nieuwe
                                        woningbouwlocaties. In die onderbouwing spelen gemeentelijke
                                        woonvisies een wezenlijke rol vanwege hun functie voor
                                        integrale afweging van woningbouwontwikkelingen. </noot.al><noot.al>Dit hoofdstuk van de verordening bevat regels voor
                                        bestemmingsplannen (en projectbesluiten) die voorzien in het
                                        realiseren van nieuwe woningbouwlocaties. Onder het begrip
                                        woningbouwlocatie wordt verstaan elke locatie waar nieuwe
                                        woningen worden gerealiseerd. Het ter zake geldende
                                        provinciale beleid ligt vast in de Omgevingsvisie
                                        Overijssel. De verordening is inhoudelijk in overeenstemming
                                        met de regels die het Rijk zal stellen in de AMvB Ruimte. </noot.al><noot.al>SER-ladder </noot.al><noot.al>In de Omgevingsvisie is het provinciale belang
                                        beschreven van zorgvuldige planning en regulering van nieuwe
                                        woningbouwlocaties en herstructurering van bestaande
                                        woongebieden. De SER-ladder die in titel 2.1. is vastgelegd
                                        is erop gericht dat de ontwikkeling van nieuwe
                                        woningbouwlocaties allereerst moet plaatsvinden binnen het
                                        bestaand stedelijk gebied als daar nog voldoende ruimte
                                        beschikbaar is of naar verwachting door optimalisering van
                                        de bouw- en gebruiksmogelijkheden en herstructurering
                                        beschikbaar zal komen. Door de verplichte afstemming met
                                        buurgemeenten wordt ervoor gezorgd dat de toepassing van de
                                        SER-ladder in breder verband wordt geplaatst dan de schaal
                                        van de individuele gemeenten. </noot.al><noot.al>Lokale behoefte </noot.al><noot.al>In titel 2.1. is vastgelegd dat gemeenten in principe
                                        alleen voorzien in de lokale woningbehoefte en de behoefte
                                        van bijzondere doelgroepen. Alleen de stedelijke netwerken
                                        mogen voorzien in een bovenregionale behoefte. Voor de
                                        streekcentra Hardenberg en Steenwijk geldt dat zij mogen
                                        voorzien in een bovenlokale behoefte. Gemeenten mogen in
                                        afwijking van het principe dat alleen voor de lokale
                                        behoefte wordt gebouwd, ook voorzien in (een deel van) de
                                        woningbehoefte van buurgemeente, wanneer hierover door
                                        samenwerkende gemeenten afspraken zijn gemaakt (artikel
                                        2.1.2. lid 4). </noot.al><noot.al>Afstemming met buurgemeenten </noot.al><noot.al>Een essentieel element in de verordening is dat de
                                        gemeenten verplicht zijn om hun woningbouwplannen af te
                                        stemmen met de buurgemeenten. Uitgangspunt van de
                                        provinciale visie op de woningbouwprogrammering is dat de
                                        woningbouwmogelijkheden worden bezien op een grotere schaal
                                        dan die van de individuele gemeenten. </noot.al><noot.al>Afstemmen betekent dat buurgemeenten over en weer tot
                                        overeenstemming komen over de invulling van de
                                        woningbouwprogrammering. Buurgemeenten zijn de gemeenten
                                        waaraan een gemeente grenst, dus ook gemeenten aan de andere
                                        kant van de (provincie)grens. Deze afstemmingseis wordt
                                        gesteld gelet op de onderlinge relaties die er zijn binnen
                                        woningmarktregio's. Vanzelfsprekend is de eis van
                                        overeenstemming alleen van toepassing op aspecten die de
                                        buurgemeenten raken. Ook voor gemeenten die uitsluitend
                                        mogen voorzien in een lokale behoefte is onderlinge
                                        afstemming gewenst, gelet op de relatie die er is binnen de
                                        woningmarktregio in het aanbod voor (bijzondere)
                                        doelgroepen, soorten woonmilieus en de (fasering) van
                                        uitgifte. </noot.al><noot.al>Basis voor deze afstemming zijn de woonvisies van de
                                        individuele gemeenten waarin zij vastleggen hoe het
                                        woningbouwprogramma binnen de gemeente zal worden ingepast.
                                        Deze woonvisie komt tot stand in samenwerking met de
                                        maatschappelijke partners en marktpartijen. Dat beleid zal
                                        als zodanig weer een van de thema's vormen voor de bredere
                                        gemeentelijke structuurvisie die op grond van de Wro
                                        verplicht is. </noot.al><noot.al>In de verordening is een bijzondere regeling opgenomen
                                        voor die gevallen waarbij gemeenten verplicht zijn om af te
                                        stemmen met buurgemeenten buiten de provincie Overijssel
                                        (dus ook in Duitsland). Daarvoor is bepaald dat voldoende is
                                        dat wordt overlegd met deze buurgemeenten, maar dat daarbij
                                        niet de eis van overeenstemming wordt gesteld. Reden
                                        hiervoor is dat gemeenten buiten Overijssel in een ander
                                        stelsel van woningbouwprogrammering functioneren. </noot.al><noot.al>Woonvisie </noot.al><noot.al>Vervolgens wordt de woonvisie voorgelegd aan
                                        Gedeputeerde Staten voor afstemming op de provinciale visie
                                        op de woningbouwprogrammering. Ook hier geldt dat afstemming
                                        betekent dat provincie en gemeente tot overeenstemming
                                        moeten komen over die onderdelen van de woonvisie die het
                                        provinciaal belang raken. Een woonvisie zal daartoe in ieder
                                        geval moeten ingaan op de volgende aspecten: </noot.al><noot.al>¿ De actuele inventarisatie van aard en omvang van
                                        bestaande woningvoorraad en het bestaande vraag en aanbod
                                        van woonmilieus; </noot.al><noot.al>¿ Een overzicht van de geldende en in voorbereiding
                                        zijnde plannen voor woningbouw; </noot.al><noot.al>¿ Een visie op de plannen en mogelijkheden voor
                                        herstructurering van bestaande woongebieden; </noot.al><noot.al>¿ De voorraad direct en op termijn uitgeefbare grond en
                                        het verwachte of voorgenomen tempo van uitgifte; </noot.al><noot.al>¿ De verwachte dan wel voorzienbare ontwikkelingen op
                                        de woonmarkt; </noot.al><noot.al>¿ De verwachte dan wel voorzienbare demografische
                                        ontwikkelingen en de effecten daarvan op de
                                        woningbouwbehoefte; </noot.al><noot.al>Prestatieafspraken </noot.al><noot.al>De woonvisie zal gebruikt worden voor het maken van
                                        prestatieafspraken met de gemeente over de woningbouw. Deze
                                        prestatieafspraken zijn erop gericht om de ambities die
                                        geformuleerd zijn in de woonvisie ten aanzien van het
                                        kwalitatieve en kwantitatieve woningbouwprogrammering, het
                                        doelgroepenbeleid, woonmilieus, herstructurering en
                                        energiebesparing, enz. daadwerkelijk uit te voeren. Daarbij
                                        zal van de kant van de provincie de inzet daarbij van
                                        subsidies en fondsen uit bestaande en nieuwe programma's
                                        worden vastgelegd. </noot.al><noot.al>Overeenstemming met provincie </noot.al><noot.al>Indien ook Gedeputeerde Staten overeenstemmen met de
                                        gemeentelijke woonvisie dan is de vaststelling van
                                        bestemmingsplannen c.q. het nemen van projectbesluiten
                                        overeenkomstig die visie in overeenstemming met de
                                        verordening (artikel 2.2.2.). Deze instemming met de
                                        gemeentelijke woonvisie zal schriftelijk bevestigd worden in
                                        het kader van het vooroverleg dat hiertoe over deze
                                        bouwsteen van de gemeentelijke structuurvisie gevoerd zal
                                        worden. </noot.al><noot.al>Bij het projecteren van de woningbouwlocaties zal
                                        overigens altijd nog rekening gehouden moeten worden met wat
                                        bepaald is ten aanzien van ruimtelijke kwaliteit en
                                        duurzaamheid in titel 2.1. (ontwikkelingsperspectieven en
                                        gebiedskenmerken). </noot.al><noot.al>Vervangende overeenstemming met provincie </noot.al><noot.al>Het kan zijn dat aan de voorwaarden in artikel 2.2.2.
                                        (overeenstemming met buurgemeenten) ondanks de daartoe
                                        verrichte inspanningen niet kan worden voldaan. Om te
                                        voorkomen dat een gemeente in een patstelling terecht komt,
                                        is in de verordening voorzien in een constructie waarbij
                                        provinciale overeenstemming in de plaats kan treden van de
                                        verplichte overeenstemming van de buurgemeenten.
                                        Gedeputeerde Staten zullen dan nagaan of de woningbouw past
                                        binnen de provinciale visie op de woningbouwprogrammering
                                        conform het principe van concentratie zoals neergelegd in
                                        artikel 2.1.2. Op deze wijze wordt de regionale afstemming
                                        (met de buurgemeenten) vervangen door een rechtstreekse
                                        toets aan het plafond voor de totale woningbouw in
                                        Overijssel, waarbij ook de prestatieafspraken betrokken
                                        zullen worden die met de buurgemeenten zijn gemaakt.
                                        Uiteraard zullen Gedeputeerde Staten nagaan of wordt voldaan
                                        aan de SER-ladder. </noot.al><noot.al>De provincie is van oordeel dat alleen in uiterste
                                        situaties de weg van vervangende overeenstemming gekozen
                                        moet worden. Gemeenten die een beroep doen op de constructie
                                        van vervangende overeenstemming zullen schriftelijk moeten
                                        onderbouwen waarom zij niet tot overeenstemming kunnen komen
                                        en dat zij alles hebben gedaan wat in redelijkheid mogelijk
                                        is om er met hun buurgemeenten uit te komen. Gelet op de
                                        sturingsfilosofie van de provincie is het in de eerste
                                        plaats de verantwoordelijkheid van gemeenten om in goed
                                        overleg te komen tot onderlinge afstemming van de
                                        woningbouwprogrammering. </noot.al><noot.al>Als blijkt dat gemeenten vaak (in ongeveer een derde
                                        van de gevallen) een beroep doen op de constructie van
                                        vervangende overeenstemming, zal na bestuurlijke actie
                                        gericht op het versterken van onderlinge afstemming, deze
                                        constructie in de verordening opnieuw worden bezien.
                                        ]</noot.al></noot></al></structuurtekst><artikel><kop><titel>Artikel 2.2.1. Begripsbepalingen </titel></kop><al>In deze titel wordt verstaan onder: </al><al>a. woonvisie: gemeentelijk beleidsdocument waarin staat hoe het
                                woningbouwprogramma binnen de gemeente zal worden ingevuld en dat
                                tot stand komt in onderlinge afstemming met buurgemeenten.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2.2.2. Nieuwe woningbouwlocaties </titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H55822_0_2_8_37_"> Bestemmingsplannen en
                                    projectbesluiten voorzien in de totstandkoming van nieuwe
                                    woningbouwlocaties voor zover de nieuwe woningbouwlocatie naar
                                    aard, omvang en locatie in overeenstemming is met een woonvisie
                                    waarover overeenstemming is bereikt met de buurgemeenten en met
                                    Gedeputeerde Staten van Overijssel. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H55822_0_2_8_38_"> In afwijking van het bepaalde in
                                    lid 1 geldt de eis van overeenstemming met buurgemeenten niet
                                    voor buurgemeenten buiten de provincie Overijssel. In dat geval
                                    is het voldoende dat aangetoond is dat afstemmingsoverleg heeft
                                    plaatsgevonden.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2.2.3. Vervangende overeenstemming provincie </titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H55822_0_2_9_39_"> In het geval dat schriftelijk is
                                    onderbouwd dat in redelijkheid geen overeenstemming kon worden
                                    bereikt met een buurgemeente, treedt de overeenstemming met
                                    Gedeputeerde Staten in de plaats van de verplichte
                                    overeenstemming met buurgemeenten zoals bepaald in artikel
                                    2.2.2. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H55822_0_2_9_40_"> Gedeputeerde Staten besluiten tot
                                    overeenstemming als bedoeld in lid 1 indien genoegzaam is
                                    aangetoond dat de woningbouw past binnen de provinciale visie op
                                    de woningbouwprogrammering.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2.2.4. </titel></kop><al>Vervalt.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Titel 2.3. Werklocaties (Bedrijventerreinen en
                                kantoren(locaties))</titel></kop><structuurtekst><al><noot id="d17e1236"><noot.nr>4</noot.nr><noot.al><vet>[<vet>Toelichting: </vet>2.3
                                        Werklocaties</vet></noot.al><noot.al><vet>2.3.1. Bedrijventerreinen</vet></noot.al><noot.al><vet>Provinciaal belang</vet></noot.al><noot.al>Dit onderdeel van de verordening bevat regels voor
                                        bestemmingsplannen (en projectbesluiten) die voorzien in
                                        aanleg van nieuwe bedrijventerreinen. Onder nieuwe
                                        bedrijventerreinen wordt elke locatie verstaan die
                                        ontwikkeld wordt ten behoeve van de vestiging van bedrijven
                                        en bij die bedrijven behorende kantoren Het ter zake
                                        geldende provinciale beleid ligt vast in de Omgevingsvisie
                                        Overijssel. De verordening is inhoudelijk in overeenstemming
                                        met de regels die het Rijk gesteld heeft in het Besluit
                                        algemene regels ruimtelijke ordening.</noot.al><noot.al>In de Omgevingsvisie is het provinciale belang
                                        beschreven van zorgvuldige planning en regulering van nieuwe
                                        en herstructurering van bestaande bedrijventerreinen. Het
                                        beleid is erop gericht dat geen aanleg van nieuw
                                        bedrijventerrein mag plaatsvinden als op bestaande terreinen
                                        nog voldoende ruimte beschikbaar is of naar verwachting door
                                        optimalisering van de bouw- en gebruiksmogelijkheden en
                                        herstructurering beschikbaar zal komen. Dit beleid krijgt
                                        juridische doorwerking in de verordening in titel 2.1.
                                        (SER-ladder). In het kader van de herstructurering van de
                                        bedrijventerreinen is het vaak nodig dit proces samen te
                                        laten gaan met een (bescheiden) aanleg van nieuw
                                        bedrijventerrein, zodat de ruimte kan worden geboden voor
                                        uitplaatsing, waardoor herstructurering vlotter kan verlopen
                                        (schuifruimte). </noot.al><noot.al>De provincie stelt geen rechtstreekse eisen aan
                                        bedrijventerreinenvisies, maar wel aan de onderbouwing van
                                        bestemmingsplannen die voorzien in nieuwe
                                        bedrijventerreinen. In die onderbouwing spelen gemeentelijke
                                        bedrijventerreinenvisies een wezenlijke rol vanwege hun
                                        functie voor integrale afweging van de ontwikkeling van
                                        bedrijventerreinen.</noot.al><noot.al><vet>2.3.2. Kantoren</vet></noot.al><noot.al><vet>Provinciaal belang </vet></noot.al><noot.al>Dit onderdeel van de verordening bevat regels voor
                                        bestemmingsplannen (en projectbesluiten) die voorzien in
                                        aanleg van nieuwe zelfstandige kantoren en kantorenlocaties.
                                        Onder nieuwe kantoren(locaties) wordt elke locatie verstaan
                                        die ontwikkeld wordt ten behoeve van de vestiging van
                                        zelfstandige kantoren. Het ter zake geldende provinciale
                                        beleid ligt vast in de Omgevingsvisie Overijssel. Ons beleid
                                        richt zich niet op niet-zelfstandige kantoorruimte, zoals
                                        ondergeschikte kantoorruimte die binnen woningen is
                                        gerealiseerd voor aan huis-gebonden-beroepen. </noot.al><noot.al>In de Omgevingsvisie is het provinciale belang
                                        beschreven van zorgvuldige planning en regulering van nieuwe
                                        kantoren(locaties). Het beleid is er op gericht dat geen
                                        bouw van nieuwe zelfstandige kantoren en aanleg van nieuwe
                                        kantorenlocaties mag plaatsvinden als in bestaande gebouwen
                                        en op bestaande locaties nog voldoende ruimte beschikbaar is
                                        of naar verwachting door optimalisering van de bouw- en
                                        gebruiksmogelijkheden en herstructurering beschikbaar zal
                                        komen. Dit beleid krijgt juridische doorwerking in de
                                        verordening in titel 2.1. (SER-ladder). </noot.al><noot.al>De SER-ladder werkt te grof om de problemen van
                                        overaanbod van kantoren aan te pakken. Transitieprocessen
                                        binnen het bestaand stedelijk gebied, waarbij bestaande
                                        locaties of bestaande gebouwen benut worden voor het
                                        realiseren van nieuwe kantoorruimte, kan ertoe leiden dat
                                        het overaanbod nog verder vergroot wordt. Daarom is het
                                        nodig om in aanvulling op de SER-ladder nadrukkelijk te
                                        sturen op de programmering van het kantorenaanbod binnen het
                                        bestaand stedelijk gebied. </noot.al><noot.al>Op de kantorenmarkt is sprake van een omvangrijke
                                        leegstand, die ver uitgaat boven een acceptabele
                                        frictie-leegstand. Om een verdere leegstand van kantoren te
                                        voorkomen acht de provincie een heroriëntatie op voorgenomen
                                        of reeds geplande uitbreiding (in plaats, kwaliteit en tijd)
                                        op zijn plaats. Uitgangspunt is dat er geen nieuwe plannen
                                        worden ontwikkeld tenzij de behoefte daaraan kan worden
                                        aangetoond aan de hand van een ruimtelijk-economische
                                        onderbouwing. Deze onderbouwing bestaat bij voorkeur uit een
                                        kantorenvisie of werklocatievisie. In verband met de
                                        situatie op de kantorenmarkt waar al sprake is van een
                                        overaanbod is gekozen voor een formulering met een verbod om
                                        bestemmingsplannen of projectbesluiten vast te stellen die
                                        voorzien in de totstandkoming van nieuwe zelfstandige
                                        kantoorruimte. Op dit verbod wordt een uitzondering gemaakt
                                        voor die gevallen waarin met een ruimtelijk-economische
                                        onderbouwing is aangetoond dat er sprake is van een behoefte
                                        waarin niet kan worden voorzien vanuit de bestaande
                                        capaciteit aan kantoorruimte. Onder totstandkoming van
                                        nieuwe zelfstandige kantoorruimte wordt ook de verbouw van
                                        bestaande panden gerekend die tot dan een andere functie
                                        hebben. Dit artikel vormt daarmee een aanscherping van de de
                                        algemeen geldende SER-ladder. Wij verwachten van gemeenten
                                        dat zij in de ruimtelijk-economische onderbouwing hebben
                                        afgewogen en kunnen aantonen dat in de gesignaleerde
                                        behoefte kwalitatief alleen op een nieuwe locatie kan worden
                                        voorzien. Daarbij moet zijn nagegaan of met renovatie en
                                        opwaardering van bestaand aanbod en van andere
                                        redelijkerwijs in aanmerking komende gebouwen (b.v.
                                        leegkomende scholen) niet de vereiste kwaliteit geleverd kon
                                        worden. Verder moet er zicht zijn op de invulling die wordt
                                        gegeven aan de leegstand die mogelijk ontstaat door nieuw
                                        aanbod. De onderbouwing moet dus zicht bieden op reële
                                        mogelijkheden van functieverandering of eventueel sloop van
                                        langdurig leegstaande kantoorpanden, of zicht op andere
                                        wijzen van onttrekking aan de voorraad zonder dat er
                                        ernstige effecten op de leefbaarheid en ruimtelijke
                                        kwaliteit van gebieden optreden. Van belang is om daarbij
                                        ook ontwikkelingen in de richting van nieuwe
                                        werklandschappen en woon-werklandschappen in de
                                        beschouwingen te betrekken. Dit sluit aan op het pleidooi
                                        hiervoor in par. 2.5.1., om het palet aan woon-, werk- en
                                        voorzieningenmilieus te verbreden. </noot.al><noot.al>Omdat bij het ontwikkelen van nieuwe kantoren het
                                        risico op een vergroting van de leegstand heel groot is, is
                                        het van belang dat de ruimtelijk-economische onderbouwing in
                                        goed overleg en samenwerking met marktpartijen wordt
                                        voorbereid. Omdat kantorenmarkten zich tot over
                                        gemeentegrenzen uitstrekken en de bouw van nieuwe
                                        kantoorruimte in de ene gemeente gevolgen kan hebben voor
                                        vraag en aanbod in de andere gemeente (zoals nog meer
                                        leegstand), stellen wij de eis dat buurgemeenten en het
                                        college van Gedeputeerde Staten moeten instemmen met de
                                        conclusie dat er inderdaad behoefte is aan extra
                                        kantoorruimte zoals voorzien in het bestemmingsplan of
                                        projectbesluit. Waar de ruimtelijk-economische onderbouwing
                                        wordt geleverd in de vorm van een
                                        kantorenvisie/werklocatievisie, wijzen wij er op dat de
                                        provincie</noot.al><noot.al>geen rechtstreekse eisen stelt deze beleidsdocumenten,
                                        maar wel aan de onderbouwing van bestemmingsplannen en
                                        projectbesluiten die voorzien in nieuwe
                                        kantoren(locaties).</noot.al><noot.al><vet>2.3.3. Aspecten bij de voorbereiding van de
                                            visies</vet></noot.al><noot.al><vet>Lokale behoefte</vet></noot.al><noot.al>In titel 2.1. is verder bepaald dat gemeenten
                                        uitsluitend mogen voorzien in de lokale behoefte
                                        aan</noot.al><noot.al>stedelijke voorzieningen, waaronder bedrijventerreinen
                                        en kantoren. Een uitzondering daarop wordt gemaakt voor
                                        stedelijke netwerken die mogen voorzien in een
                                        (boven)regionale behoefte en de streekcentra Hardenberg en
                                        Steenwijk, die mogen voorzien in een bovenlokale behoefte.
                                        In de Omgevingsvisie wordt de lokale behoefte voor
                                        bedrijvigheid gedefinieerd vanuit het begrip van lokaal
                                        gewortelde bedrijven. Dit zijn bedrijven die hun oorsprong
                                        of verzorgingsgebied hebben of vinden in de gemeente of kern
                                        waar zij gevestigd zijn of zich vestigen en die een
                                        toegevoegde waarde bieden aan de lokale sociaaleconomische
                                        structuur/voorzieningenniveau.</noot.al><noot.al>Gemeenten mogen in afwijking van het principe dat
                                        alleen voor de lokale behoefte wordt gebouwd, ook voorzien
                                        in (een deel van) de behoefte van buurgemeente aan
                                        bedrijventerrein en kantoren, wanneer hierover door
                                        buurgemeenten afspraken zijn gemaakt (artikel 2.1.2. lid 4). </noot.al><noot.al><vet>Afstemming buurgemeenten</vet></noot.al><noot.al>Een essentieel element in de verordening is dat de
                                        gemeenten verplicht zijn om hun plannen voor de</noot.al><noot.al>ontwikkeling van nieuw bedrijventerrein en kantoren af
                                        te stemmen met buurgemeenten. Uitgangspunt van de
                                        provinciale visie op de programmering van bedrijfsterreinen
                                        is dat de mogelijkheden van bedrijfsvestiging- en
                                        uitbreiding worden bezien op een grotere schaal dan die van
                                        de individuele gemeenten. Afstemmen betekent dat
                                        buurgemeenten over en weer tot overeenstemming komen over de
                                        invulling van de bedrijventerreinenprogrammering of de
                                        ontwikkeling van kantoren(locaties).</noot.al><noot.al>Buurgemeenten zijn de gemeenten waaraan een gemeente
                                        grenst, dus ook gemeenten aan de andere</noot.al><noot.al>kant van de (provincie)grens. Vanzelfsprekend is de eis
                                        van overeenstemming alleen van toepassing op aspecten die de
                                        buurgemeenten raken. Deze afstemmingseis wordt gesteld gelet
                                        op de onderlinge relaties die er zijn tussen buurgemeenten
                                        die functioneren binnen dezelfde markt voor
                                        bedrijventerreinen en kantoren. Ook voor gemeenten die
                                        uitsluitend mogen voorzien in een lokale behoefte is
                                        onderlinge afstemming gewenst, gelet op de relatie die er is
                                        tussen aangrenzende gemeenten in het aanbod van soorten
                                        bedrijventerreinen en de (fasering) van uitgifte. Voor
                                        kantoren is er sprake van vergelijkbare relaties.</noot.al><noot.al><vet>2.3.4. Beoordelingskader voor overeenstemming met
                                            college van GS</vet></noot.al><noot.al><vet>Bedrijventerreinenvisie </vet></noot.al><noot.al>Vervolgens wordt de bedrijventerreinenvisie voorgelegd
                                        aan Gedeputeerde Staten voor afstemming op de provinciale
                                        visie op de ontwikkeling van bedrijventerreinen. Ook hier
                                        geldt dat afstemming betekent dat provincie en gemeente tot
                                        overeenstemming moeten komen over die onderdelen van de
                                        bedrijventerreinenvisie die het provinciaal belang raken. </noot.al><noot.al>Een bedrijventerreinenvisie zal daartoe in ieder geval
                                        moeten ingaan op de volgende aspecten: </noot.al><noot.al>- Een inventarisatie van aard en omvang van bestaande
                                        bedrijventerreinen en de daarop gevestigde bedrijven; </noot.al><noot.al>- Een overzicht van de geldende en in voorbereiding
                                        zijnde plannen voor bedrijventerreinen; </noot.al><noot.al>- Een visie op de plannen en mogelijkheden voor
                                        herstructurering van bestaande bedrijventerreinen, waarbij
                                        ook in beeld wordt gebracht welke schuifruimte nodig is om
                                        te komen tot een optimale invulling van gebieden die voor
                                        herstructurering in aanmerking komen; </noot.al><noot.al>- De voorraad direct en op termijn uitgeefbare grond en
                                        het verwachte of voorgenomen tempo van uitgifte; </noot.al><noot.al>- De verwachte dan wel voorzienbare ontwikkelingen op
                                        de arbeidsmarkt; </noot.al><noot.al>- De verwachte dan wel voorzienbare demografische
                                        ontwikkelingen en de effecten daarvan op de werkgelegenheid; </noot.al><noot.al>- De mogelijkheden om de vestigingsvraag in een van de
                                        samenwerkende gemeenten in een of meer van de andere
                                        samenwerkende gemeenten te accommoderen. </noot.al><noot.al>Overigens is bij de Omgevingsvisie een overzicht
                                        opgenomen van bedrijventerreinen die worden aangemerkt als
                                        pijplijnprojecten. Voor deze ontwikkelingen geldt dat de
                                        provinciale diensten in het kader van het vooroverleg over
                                        voorontwerp-bestemmingsplannen schriftelijk positief hebben
                                        geadviseerd over de voorgenomen aanleg van
                                        bedrijventerreinen.</noot.al><noot.al><vet>Prestatieafspraken </vet></noot.al><noot.al>De bedrijventerreinenvisie zal gebruikt worden voor het
                                        maken van prestatieafspraken met de </noot.al><noot.al>gemeente over de ontwikkeling van bedrijventerreinen.
                                        Deze prestatieafspraken zijn er op gericht om de ambities
                                        die geformuleerd zijn in de bedrijventerreinenvisie, o.a.
                                        ten aanzien van herstructurering, energiegebruik en
                                        uitgifteprotocollen, tot uitvoering te brengen. Van de kant
                                        van de provincie zal de inzet daarbij van subsidies en
                                        fondsen uit bestaande en nieuwe programma's worden
                                        vastgelegd.</noot.al><noot.al><vet>Ruimtelijk-economische onderbouwing
                                        kantoren</vet></noot.al><noot.al>De ruimtelijk-economische onderbouwing wordt voorgelegd
                                        aan Gedeputeerde Staten voor afstemming op de provinciale
                                        visie op de ontwikkeling van de kantorenmarkt. Ook hier
                                        geldt dat afstemming betekent dat provincie en gemeente tot
                                        overeenstemming moeten komen over die onderdelen van de
                                        onderbouwing die het provinciaal belang raken. </noot.al><noot.al>Verwacht mag worden dat de inhoud en de diepgang van
                                        deze onderbouwing in verband staat met de omvang van de
                                        kantorenmarkt en leegstandsproblematiek. In andere gemeenten
                                        dan gemeenten met een regionale kantorenmarkt met
                                        leegstandsproblematiek kan waarschijnlijk worden volstaan
                                        met een meer bescheiden document dat is toegespitst op de
                                        locale situatie. </noot.al><noot.al>Een ruimtelijk-economische onderbouwing zal in ieder
                                        geval moeten ingaan op de hieronder genoemde aspecten: </noot.al><noot.al>- Een inventarisatie van aard en omvang van bestaande
                                        kantoren en kantorenlocaties en inzicht in de eventuele
                                        leegstand van deze kantoren en kantorencomplexen;</noot.al><noot.al>- De mogelijkheden voor herstructurering van bestaande
                                        kantoren en andere gebouwencomplexen die zich mogelijk lenen
                                        voor kantorenontwikkeling of mengvormen van woon-, werk- en
                                        andere voorzieningen; </noot.al><noot.al>- een confrontatie van vraag en aanbod waarbij wordt
                                        aangegeven hoe de plannen aansluiten op de - marktbehoefte,
                                        prioritaire kantorenlocaties en welke eisen aan duurzaamheid
                                        en flexibel gebruik worden gesteld; </noot.al><noot.al>- De betrokkenheid van marktpartijen.</noot.al><noot.al><vet>Kantorenvisie/werklocatievisie</vet></noot.al><noot.al>De kantorenvisie wordt voorgelegd aan Gedeputeerde
                                        Staten voor afstemming op de provinciale visie op de
                                        ontwikkeling van de kantorenmarkt. Ook hier geldt dat
                                        afstemming betekent dat provincie en gemeente tot
                                        overeenstemming moeten komen over die onderdelen van de
                                        kantorenvisie die het provinciaal belang raken. </noot.al><noot.al>Het beleid voor de kantorenprogrammering is nog in
                                        ontwikkeling. In samenhang met het op te stellen Actieplan
                                        leegstand kantoren zal een handreiking voor kantorenvisies
                                        worden opgesteld met een uitwerking van de hier en in de
                                        Omgevingsvisie aangegeven randvoorwaarden. In het Actieplan
                                        zal worden bezien of er aanleiding is voor
                                        pilot-projecten.</noot.al><noot.al>Een kantorenvisie zal daartoe in ieder geval moeten
                                        ingaan op de volgende aspecten:</noot.al><noot.al>1 Een inventarisatie van aard en omvang van
                                                bestaande kantoren en kantorenlocaties en de daarin
                                                gevestigde bedrijven; </noot.al><noot.al>2 voor de regionale kantorenmarkt in de
                                                stedelijke netwerken verdient het aanbeveling
                                                daarbij onderscheid te maken in a. centrumlocaties
                                                (stadscentrum en stationsomgeving), b. (meer
                                                perifere) kantorenlocaties en c. overige kantoren;
                                            </noot.al><noot.al>3 Een overzicht van de geldende en in
                                                voorbereiding zijnde plannen voor kantoren en
                                                kantorenlocaties, met informatie over
                                                initiatiefnemer en de hardheid van de plannen;
                                            </noot.al><noot.al>4 het hieruit resulterende aanbod, direct en op
                                                termijn, aan kantoorruimte; </noot.al><noot.al>5 inzicht in de eventuele leegstand van kantoren
                                                en kantorencomplexen in totaliteit, per marktsegment
                                                en de ontwikkeling van de leegstand; </noot.al><noot.al>6 inzicht in de actuele en potentiele vraag naar
                                                kantoorruimte en de verwachte invloed daarvan op de
                                                leegstand; </noot.al><noot.al>7 een confrontatie van vraag en aanbod waarbij
                                                wordt aangegeven hoe de plannen aansluiten op de
                                                marktbehoefte en welke eisen aan duurzaamheid en
                                                flexibel gebruik worden gesteld; </noot.al><noot.al>8 Een visie op de plannen en mogelijkheden voor
                                                herstructurering van bestaande kantoren en andere
                                                gebouwencomplexen die zich mogelijk lenen voor
                                                kantorenontwikkeling of mengvormen van woon-, werk-
                                                en andere voorzieningen; </noot.al><noot.al>9 de mogelijkheden om de vestigingsvraag in één
                                                van de samenwerkende gemeenten in een of meer van de
                                                andere samenwerkende gemeenten te accommoderen;
                                            </noot.al><noot.al>10 Verwachte kwalitatieve en kwantitatieve
                                                vraagontwikkeling waarbij nadrukkelijk de verwachte
                                                dan wel voorzienbare ontwikkelingen op de
                                                arbeidsmarkt en de verwachte dan wel voorzienbare
                                                demografische ontwikkelingen en de effecten daarvan
                                                op de werkgelegenheid in kantoren worden betrokken;
                                            </noot.al><noot.al>11 De betrokkenheid van marktpartijen bij de
                                                uitvoering van de kantorenvisie. </noot.al><noot.al>De hierboven genoemde aspecten zijn vooral gericht op
                                        de kantorenvisies van gemeenten waar sprake is van een
                                        regionale kantorenmarkt met leegstandsproblematiek. Verwacht
                                        mag worden dat de inhoud en de diepgang van een
                                        kantorenvisie in verband staat met de omvang van de
                                        kantorenmarkt en leegstandsproblematiek. In andere gemeenten
                                        kan waarschijnlijk worden volstaan met een meer bescheiden
                                        document dat is toegespitst op de locale situatie.</noot.al><noot.al><vet>Prestatieafspraken</vet></noot.al><noot.al>De bedrijventerreinenvisie zal gebruikt worden voor het
                                        maken van prestatieafspraken met de</noot.al><noot.al>gemeente over de ontwikkeling van bedrijventerreinen.
                                        Deze prestatieafspraken zijn er op gericht om de ambities
                                        die geformuleerd zijn in de bedrijventerreinenvisie, o.a.
                                        ten aanzien van herstructurering, energiegebruik en
                                        uitgifteprotocollen, tot uitvoering te brengen. Van de kant
                                        van de provincie zal de inzet daarbij van subsidies en
                                        fondsen uit bestaande en nieuwe programma's worden
                                        vastgelegd.</noot.al><noot.al><vet>Overeenstemming provincie</vet></noot.al><noot.al>Indien Gedeputeerde Staten overeenstemmen met de
                                        gemeentelijke bedrijventerreinenvisie en/of kantorenvisie
                                        dan is de vaststelling van bestemmingsplannen c.q. het nemen
                                        van projectbesluiten overeenkomstig die visie in
                                        overeenstemming met de verordening (artikel 2.3.2. en
                                        2.3.3.). Deze instemming met de gemeentelijke
                                        bedrijventerreinenvisie en/of kantorenvisie zal schriftelijk
                                        bevestigd worden in het kader van het vooroverleg dat
                                        hiertoe over deze bouwsteen van de gemeentelijke
                                        structuurvisie gevoerd zal worden.</noot.al><noot.al>Bij het projecteren van de bedrijventerreinen en
                                        kantoren zal overigens altijd nog rekening gehouden moeten
                                        worden met wat bepaald is ten aanzien van ruimtelijke
                                        kwaliteit en duurzaamheid in titel 2.1.
                                        (ontwikkelingsperspectieven en gebiedskenmerken).</noot.al><noot.al><vet>Vervangende overeenstemming met
                                        provincie</vet></noot.al><noot.al>Het kan zijn dat aan de voorwaarden in artikel 2.3.2.
                                        en 2.3.3. (overeenstemming met buurgemeenten) ondanks de
                                        daartoe verrichte inspanningen niet kan worden voldaan. Om
                                        te voorkomen dat een gemeente in een patstelling terecht
                                        komt, is in de verordening voorzien in een constructie
                                        waarbij provinciale overeenstemming in de plaats kan treden
                                        van de verplichte overeenstemming van de buurgemeenten.
                                        Gedeputeerde Staten zullen dan nagaan of de ontwikkeling van
                                        bedrijventerrein past binnen de provinciale visie op de
                                        bedrijventerreinen-programmering conform het principe van
                                        concentratie zoals neergelegd in artikel 2.1.2. Op deze
                                        wijze wordt de regionale afstemming (met de buurgemeenten)
                                        vervangen door een rechtstreekse toets aan het plafond voor
                                        de totale de ontwikkeling van bedrijventerrein in
                                        Overijssel, waarbij ook de prestatieafspraken betrokken
                                        zullen worden die met de buurgemeenten zijn gemaakt.
                                        Uiteraard zullen Gedeputeerde Staten nagaan of wordt voldaan
                                        aan de SER-ladder.</noot.al><noot.al>Voor de ontwikkeling van kantoren is de
                                        uitgangssituatie een andere. Zoals in de Omgevingsvisie is
                                        aangegeven, is er sprake van een overaanbod aan
                                        kantoorruimte en daarmee samenhangend een structurele
                                        leegstand. Deze treedt vooral op in de grote steden, waar
                                        sprake is van een regionale kantorenmarkt. Behoefte aan
                                        nieuwe kantoren zal hier alleen vanuit kwalitatieve eisen
                                        aan de orde zijn. </noot.al><noot.al>De provincie is van oordeel dat alleen in uiterste
                                        situaties de weg van vervangende overeenstemming gekozen
                                        moet worden. Gemeenten die een beroep doen op de constructie
                                        van vervangende overeenstemming zullen schriftelijk moeten
                                        onderbouwen waarom zij niet tot overeenstemming kunnen komen
                                        en dat zij alles hebben gedaan wat in redelijkheid mogelijk
                                        is om er met hun buurgemeenten uit te komen. Gelet op de
                                        sturingsfilosofie van de provincie is het in de eerste
                                        plaats de verantwoordelijkheid van gemeenten om in goed
                                        overleg te komen tot onderlinge afstemming van de
                                        bedrijventerreinenprogrammering. Als blijkt dat gemeenten
                                        vaak (in ongeveer een derde van de gevallen) een beroep doen
                                        op de constructie van vervangende overeenstemming, zal na
                                        bestuurlijke actie gericht op het versterken van onderlinge
                                        afstemming, deze constructie in de verordening opnieuw
                                        worden bezien.]</noot.al></noot></al></structuurtekst><artikel><kop><titel>Artikel 2.3.1. Begripsbepalingen </titel></kop><lid><lidnr/><al>In deze titel wordt verstaan onder:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al id="anker-H55822_0_3_11_41_"> bedrijventerreinenvisie:
                                    gemeentelijk beleidsdocument waarin staat hoe de
                                    bedrijfsterreinenprogrammering binnen de gemeente zal worden
                                    ingevuld en dat tot stand komt in onderlinge afstemming met
                                    buurgemeenten.</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al id="anker-H55822_0_3_11_42_"> bedrijventerrein: werklocaties
                                    voor bedrijvigheid en bij de bedrijven behorende
                                    kantoorruimte.</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al id="anker-H55822_0_3_11_43_"> kantorenvisie: gemeentelijk
                                    beleidsdocument waarin staat hoe de kantorenprogrammering binnen
                                    de gemeente zal worden ingevuld en dat tot stand komt in overleg
                                    en samenwerking met marktpartijen en in onderlinge afstemming
                                    met buurgemeenten.</al></lid><lid><lidnr>d.</lidnr><al id="anker-H55822_0_3_11_44_"> ruimtelijk-economische
                                    onderbouwing: gemeentelijk document waarin vanuit
                                    ruimtelijke-economische overwegingen een onderbouwing is gegeven
                                    van de behoefte met betrekking tot de realisering van nieuwe
                                    zelfstandige kantoren en dat tot stand komt in overleg en
                                    samenwerking met marktpartijen en in onderlinge afstemming met
                                    buurgemeenten.</al></lid><lid><lidnr>e.</lidnr><al id="anker-H55822_0_3_11_45_"> kantorenlocatie: werklocatie met
                                    zelfstandige kantoren.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2.3.2 Nieuwe bedrijventerreinenlocaties</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H55822_0_3_12_46_"> Bestemmingsplannen en
                                    projectbesluiten voorzien uitsluitend in de totstandkoming van
                                    nieuwe bedrijventerreinen indien de nieuwe bedrijventerreinen
                                    naar aard, omvang en locatie in overeenstemming zijn met de
                                    gemeentelijke bedrijventerreinenvisie waarover overeenstemming
                                    is bereikt met de buurgemeenten en metGedeputeerde Staten van
                                    Overijssel.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H55822_0_3_12_47_"> In afwijking van het bepaalde in
                                    lid 1 geldt de eis van overeenstemming met buurgemeenten niet
                                    voor buurgemeenten buiten de provincie Overijssel. In dat geval
                                    is het voldoende dat aangetoond is dat afstemmingsoverleg heeft
                                    plaatsgevonden.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al id="anker-H55822_0_3_12_48_"> Het bepaalde in lid 1 is niet van
                                    toepassing op die bestemmingsplannen waarvoor geldt dat de
                                    provinciale diensten in het kader van het vooroverleg als
                                    bedoeld in artikel 3.1.1 Bro/10 BRO een positief advies hebben
                                    uitgebracht over het voorontwerp.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>2.3.3 Nieuwe kantoren en kantorenlocaties</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H55822_0_3_13_49_"> Bestemmingsplannen en
                                    projectbesluiten voorzien niet in de totstandkoming van nieuwe
                                    zelfstandige kantoren en/of kantorenlocaties.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H55822_0_3_13_50_"> In afwijking van het eerste lid
                                    kan met een bestemmingsplan of projectbesluit medewerking worden
                                    verleend aan de totstandkoming van nieuwe zelfstandige kantoren
                                    als in een ruimtelijk-economische onderbouwing is aangetoond
                                    dat:</al><lijst><li nr="a."><al id="anker-H55822_0_3_13_50_11_"> er behoefte is aan
                                            extra kantoorruimte waarin niet kan worden voorzien
                                            vanuit de bestaande capaciteit aan kantoorruimte;</al></li><li nr="b."><al id="anker-H55822_0_3_13_50_12_"> de buurgemeenten en
                                            Gedeputeerde Staten van Overijssel hebben ingestemd met
                                            de conclusie dat er behoefte is aan extra kantoorruimte
                                            zoals voorzien in het bestemmingsplan of
                                            projectbesluit;</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al id="anker-H55822_0_3_13_51_"> In afwijking van het bepaalde in
                                    lid 1 geldt de eis van instemming van buurgemeenten niet voor
                                    buurgemeenten buiten de provincie Overijssel. In dat geval is
                                    het voldoende dat aangetoond is dat afstemmingsoverleg heeft
                                    plaatsgevonden.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al id="anker-H55822_0_3_13_52_"> Het bepaalde in lid 1 is niet van
                                    toepassing op die bestemmingsplannen waarvoor geldt dat de
                                    provinciale diensten in het kader van het vooroverleg als
                                    bedoeld in artikel 3.1.1 Bro/10 BRO een positief advies hebben
                                    uitgebracht over het voorontwerp.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>2.3.4 Vervangende overeenstemming provincie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H55822_0_3_14_53_"> In het geval dat schriftelijk is
                                    onderbouwd dat in redelijkheid geen overeenstemming kon worden
                                    bereikt met een buurgemeente, treedt de overeenstemming met
                                    Gedeputeerde Staten in de plaats van de verplichte
                                    overeenstemming met buurgemeenten zoals bepaald in artikel
                                    2.3.2. en 2.3.3.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H55822_0_3_14_54_"> Gedeputeerde Staten besluiten tot
                                    overeenstemming als bedoeld in lid 1 indien genoegzaam is
                                    aangetoond dat de ontwikkeling van bedrijventerrein past binnen
                                    de provinciale visie op de bedrijventerreinenprogrammering.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al id="anker-H55822_0_3_14_55_"> Gedeputeerde Staten besluiten tot
                                    overeenstemming als bedoeld in lid 1 indien genoegzaam is
                                    aangetoond dat de ontwikkeling van nieuwe kantoren past binnen
                                    de provinciale visie op de ontwikkeling van de (regionale)
                                    kantorenmarkt.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Titel 2.4. Detailhandel </titel></kop><structuurtekst><al><noot id="d17e1518"><noot.nr>5</noot.nr><noot.al><vet>[<vet>Toelichting: </vet>Provinciaal
                                        belang</vet></noot.al><noot.al>Binnensteden vormen het hart van Overijsselse steden en
                                        regionale centra. De kwaliteit van de binnensteden bepaalt
                                        de identiteit en het imago van de steden, maar ook de mate
                                        waarin Overijssel als geheel als aantrekkelijke en
                                        dynamische economische en culturele regio wordt gezien. De
                                        bundeling van detailhandelsvoorzieningen in binnensteden en
                                        wijkwinkelcentra draagt bij aan het creëren van
                                        aantrekkelijke winkelomgevingen en is belangrijk voor de
                                        aantrekkingskracht van binnensteden als woon/werklocaties en
                                        recreatieve bestemmingen. Dit element komt ook terug in de
                                        ontwikkelingsperspectief steden als motor en de
                                        gebiedskenmerken historische centra, binnensteden en
                                        landstadjes.]</noot.al></noot></al><al><noot id="d17e1530"><noot.nr>6</noot.nr><noot.al>[<vet>Toelichting: </vet>Bestaande overprogrammering in
                                        winkelvloeroppervlak, in combinatie met de huidige
                                        economische crisis en veranderend consumentengedrag, maakt
                                        dat er sprake is van overaanbod van winkelruimte. Dit blijkt
                                        met name uit toenemende leegstand in winkelcentra. Deze
                                        leegstand heeftt een negatief effect op het functioneren van
                                        het verblijfsklimaat in de binnensteden en daarmee op het
                                        woon-, werk- en leefklimaat van steden en dorpen.
                                        Grootschalige detailhandelsvestigingen en volumineuze
                                        detailhandel met een regionale uitstraling op perifere
                                        locaties zetten de detailhandelsfunctie in binnensteden nog
                                        verder onder druk, niet alleen in de betreffende kern zelf
                                        maar ook in de regio. De provincie ziet voor zichzelf een
                                        regierol in de regionale afstemming en programmering van
                                        detailhandel met een regionale uitstraling. Dit laat
                                        onverlet dat wij detailhandelsbeleid primair als een
                                        verantwoordelijkheid van gemeenten zien.</noot.al><noot.al>De provinciale regeling geeft een aanvulling op de
                                        regionale afstemming die beoogd wordt met de zogenaamde
                                        ‘Ladder voor duurzame verstedelijking' uit het Besluit
                                        ruimtelijke ordening. Op basis van de Ladder van duurzame
                                        verstedelijking moet de actuele regionale behoefte van een
                                        stedelijke ontwikkeling zijn aangetoond en dient binnen die
                                        betreffende regio te worden afgewogen waar deze kan worden
                                        gefaciliteerd binnen het bestaand stedelijk gebied van de
                                        betreffende regio De Ladder voor duurzame verstedelijking
                                        heeft een ander bereik dan de SER-ladder zoals die in de
                                        Omgevingsverordening is vastgelegd. De Ladder voor duurzame
                                        verstedelijking is alleen van toepassing als er sprake is
                                        van een ontwikkeling die voorziet in een regionale behoefte.
                                        De SER-ladder in de Omgevingsverordening is een
                                        motiveringseis waarbij voor elke nieuwe ontwikkeling waarmee
                                        een ruimtebeslag wordt gelegd op de groene omgeving moet
                                        worden nagegaan of daarvoor geen ruimte te vinden of gemaakt
                                        kan worden binnen het bestaand bebouwd gebied. De regeling
                                        in artikel 2.4 op het punt van regionale afstemming kan
                                        gezien worden als een aanvulling op de Ladder voor duurzame
                                        verstedelijking, omdat daarin wordt vastgelegd hoe de
                                        regionale afstemming vorm moet krijgen als het gaat om
                                        detailhandel met een regionale uitstraling. </noot.al><noot.al>De provinciale regeling legt voor detailhandel
                                        nadrukkelijker de focus op binnensteden en gaat uit van de
                                        kernenhierarchie zoals vastgelegd in het principe van
                                        concentratie (artikel 2.1.2).</noot.al><noot.al><vet>Wijkwinkelcentra</vet></noot.al><noot.al>Naast het centrale winkelgebied die vaak in het
                                        historische hart van kernen te vinden is, kennen grotere
                                        kernen ook een aantal verspreid liggende
                                        winkelconcentraties. Het gaat dan vaak om winkelcentra in
                                        woonwijken die vooral gericht zijn op de eerste
                                        levensbehoeften. Bestaande concentraties van volumineuze
                                        detailhandelsvestigingen, zoals woonboulevards,
                                        autoboulevards, e.d. beschouwen wij niet als
                                        wijkwinkelcentra. Deze locaties zijn immers ontstaan als
                                        uitzondering op de regel dat detailhandel geconcentreerd
                                        dient te worden in binnensteden en (wijk)winkelcentra. Ook
                                        bestaande grootschalige detailhandelslocaties rekenen wij
                                        niet tot (wijk)winkelcentra, omdat ook die ontstaan zijn als
                                        een uitzondering op de algemene regel. Aanmerken van een
                                        perifere detailhandelslocatie voor volumineuze of
                                        grootschalige detailhandel als wijkwinkelcentra zou
                                        betekenen dat de mogelijkheden die artikel 2.4 biedt voor
                                        vestiging van reguliere detailhandel zo'n perifere locatie
                                        zou kunnen uitgroeien tot regulier winkelgebied. Daarmee
                                        wordt afbreuk gedaan aan de doelstelling om detailhandel
                                        zoveel mogelijk te concentreren in binnensteden en bestaande
                                        wijkwinkelcentra.</noot.al><noot.al><vet>Volumineuze detailhandel</vet></noot.al><noot.al>Om te voorkomen dat de binnensteden door concurrentie
                                        van goedkopere locaties op bedrijfsterreinen ‘leeglopen',
                                        dient de uitoefening van detailhandel op bedrijventerreinen
                                        tot uitzonderingen beperkt te blijven. Er is alleen ruimte
                                        voor volumineuze detailhandel waarvoor binnen de reguliere
                                        winkelcentra geen ruimte kan worden gevonden. </noot.al><noot.al>Deze bepaling ziet niet op detailhandel als
                                        ondergeschikte nevenactiviteit, zoals de verkoop van ter
                                        plekke gemaakte producten of de verkoop van goederen waarvan
                                        de verkoop aan particulieren onderdeel uitmaakt van de
                                        normale dienstverlening van het bedrijf.</noot.al><noot.al>Conform het principe van concentratie in artikel 2.1.2
                                        geldt ook voor volumineuze detailhandel dat het als regel
                                        zal moeten gaan om een voorziening voor de lokale behoefte.
                                        Volumineuze detailhandel met een regionale uitstraling kan
                                        conform het principe van concentratie alleen worden
                                        toegestaan in de streekcentra (Hardenberg en Steenwijk) en
                                        de stedelijke centra (de kernen Almelo, Borne, Enschede,
                                        Hengelo, Oldenzaal, Deventer, Zwolle en Kampen). Met het oog
                                        op de noodzakelijk afstemming van voorzieningen met een
                                        regionale uitstraling in de betreffende regio, zal in de
                                        ruimtelijke onderbouwing van een plan dat als nieuwe
                                        ontwikkeling volumineuze detailhandel met een regionale
                                        uitstraling mogelijk maakt, aannemelijk gemaakt moeten
                                        worden dat er een behoefte is aan deze nieuwe
                                        detailhandelsvoorziening. In lijn met de Ladder voor
                                        duurzame verstedelijking gaat het bij de onderbouwing van de
                                        behoefte aan een dergelijke voorziening om zowel de
                                        kwantitatieve als de kwalitatieve behoefte, rekening houdend
                                        met de bestaande voorraad (zowel kwalitatief als
                                        kwantitatief). Een distributieplanologisch onderzoek kan een
                                        functie hebben in het bepalen van de kwantitatieve
                                        behoefte.Verder moet aangetoond worden dat de vestiging niet
                                        leidt tot een onevenredige aantasting van het
                                        voorzieningenniveau in de betreffende regio en het woon-,
                                        leef- en ondernemersklimaat in de betreffende kern. Deze
                                        eisen richten zich aan de ene kant op het voorkomen van een
                                        duurzame ontwrichting van het voorzieningenniveau in de
                                        regio en aan de andere kant op het voorkomen van leegstand
                                        met alle gevolgen van dien voor het woon-, leef- en
                                        ondernemersklimaat in de betreffende kernen. Om te zorgen
                                        dat er daadwerkelijke regionale afstemming plaatsvindt over
                                        nieuwe detailhandelsvestigingen met een regionale
                                        uitstraling, wordt de eis gesteld dat aangetoond moet worden
                                        dat er is afgestemd met zowel de buurgemeenten in de regio
                                        en Gedeputeerde Staten. Voor de vraag met welke
                                        buurgemeenten regionaal moet worden afgestemd, is bepalend
                                        hoever de regionale uitstraling van de betreffende
                                        detailhandelsvestiging reikt. </noot.al><noot.al><vet>Grootschalige detailhandel (GDV)</vet></noot.al><noot.al>Grootschalige detailhandel kan uitsluitend in of
                                        aansluitend aan bestaande binnensteden en wijkwinkelcentra
                                        worden toegestaan. Ook hier geldt dat op grond van het
                                        principe van concentratie als regel alleen GDV gericht op de
                                        lokale behoefte kan worden toegestaan. Voor grootschalige
                                        detailhandel geldt dat wanneer er sprake is van een
                                        regionale uitstraling, hiervoor alleen ruimte is in de
                                        stedelijke centra. Daarbij zal allereerst afgewogen moeten
                                        worden of er behoefte is aan een dergelijke voorziening. In
                                        lijn met de Ladder voor duurzame verstedelijking gaat het
                                        bij de onderbouwing van de behoefte aan een dergelijke
                                        voorziening om zowel de kwantitatieve als de kwalitatieve
                                        behoefte, rekening houdend met de bestaande voorraad (zowel
                                        kwalitatief als kwantitatief). Een distributieplanologisch
                                        onderzoek kan een functie hebben in het bepalen van de
                                        kwantitatieve behoefte. Verder moet aangetoond worden dat de
                                        vestiging niet leidt tot een onevenredige aantasting van het
                                        voorzieningenniveau in de betreffende regio en het woon-,
                                        leef- en ondernemersklimaat in de betreffende kern. Verder
                                        moet aangetoond worden dat er regionale afstemming heeft
                                        plaatsgevonden over de voorgenomen vestiging met de
                                        buurgemeenten en Gedeputeerde Staten. Ook hier geldt dat
                                        voor de vraag met welke buurgemeenten regionaal moet worden
                                        afgestemd, is bepalend hoever de regionale uitstraling van
                                        de betreffende detailhandelsvestiging reikt.</noot.al><noot.al>Met deze regeling wordt voldaan aan afspraken die met
                                        het Rijk zijn gemaakt over grootschalige detailhandel met
                                        regionale effecten gelet op de mogelijke gevolgen die dat
                                        soort vestigingen kunnen hebben voor het voorzieningenniveau
                                        in binnensteden. </noot.al><noot.al><vet>Weidewinkels</vet></noot.al><noot.al>Weidewinkels worden niet toegestaan gelet op de
                                        mogelijke gevolgen voor de positie van de reguliere
                                        winkelgebieden en vanwege de verkeerseffecten in het
                                        buitengebied. Weidewinkels zijn gedefinieerd als
                                        zelfstandige detailhandelsvestigingen aan de rand van
                                        bebouwde kommen of in de groene omgeving. Onder weidewinkels
                                        wordt niet verstaan detailhandel in de vorm van verkoop bij
                                        de boer. Dit betekent dat detailhandel in het buitengebied
                                        uitsluitend kan plaatsvinden als het gaat om ondergeschikte
                                        nevenactiviteiten, bijvoorbeeld in de vorm van
                                        streekproducten bij een agrarisch bedrijf of een
                                        landgoedwinkel. ]</noot.al></noot></al></structuurtekst><artikel><kop><titel>Artikel 2.4.1. Begripsbepalingen </titel></kop><lid><lidnr/><al>In deze titel wordt verstaan onder:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al id="anker-H55822_0_4_15_56_"> stedelijke centra: steden binnen
                                    de stedelijke netwerken Zwolle Kampen, Netwerkstad Twente en
                                    Stedendriehoek;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al id="anker-H55822_0_4_15_57_"> streekcentra: de kernen Steenwijk
                                    en Hardenberg;</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al id="anker-H55822_0_4_15_58_"> volumineuze detailhandel:
                                    winkelformules die vanwege de omvang en aard van het assortiment
                                    een groot oppervlak nodig hebben, zoals showrooms voor auto's,
                                    boten en caravans, bouwmarkten, tuincentra,
                                    wooninrichtingszaken;</al></lid><lid><lidnr>d.</lidnr><al id="anker-H55822_0_4_15_59_"> grootschalige detailhandel:
                                    winkelformules met een zeer groot winkelvloeroppervlak dat
                                    (hoog)-frequent wordt bezocht en waarin een aanbod plaatsvindt
                                    van niet-volumineuze goederen;</al></lid><lid><lidnr>e.</lidnr><al id="anker-H55822_0_4_15_60_"> weidewinkel: zelfstandige
                                    detailhandelsvestingen aan de rand van bestaand bebouwd gebied
                                    van steden en dorpen of in de groene omgeving. Onder weidewinkel
                                    wordt niet verstaan detailhandel in de vorm van ‘verkoop bij de
                                    boer'.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2.4.2 volumineuze detailhandel</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H55822_0_4_16_61_"> Bestemmingsplannen voorzien niet
                                    in de nieuwe mogelijkheid om detailhandel uit te oefenen op
                                    bedrijventerreinen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H55822_0_4_16_62_"> In afwijking van het bepaalde in
                                    lid 1 kan in bestemmingsplannen voor bedrijventerreinen de
                                    mogelijkheid worden geboden voor de vestiging van volumineuze
                                    detailhandel voor de lokale behoefte waarvoor in binnensteden en
                                    wijkwinkelcentra geen ruimte gevonden kan worden.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al id="anker-H55822_0_4_16_63_"> In afwijking van het bepaalde in
                                    lid 2 kan in bestemmingsplannen voor bedrijventerreinen in
                                    streekcentra en stedelijke centra de mogelijkheid geboden worden
                                    voor de vestiging van volumineuze detailhandel met een regionale
                                    uitstraling, mits met een ruimtelijke onderbouwing:</al><lijst><li nr="a."><al id="anker-H55822_0_4_16_63_13_"> de behoefte aannemelijk
                                            is gemaakt;</al></li><li nr="b."><al id="anker-H55822_0_4_16_63_14_"> aangetoond is dat de
                                            vestiging niet leidt tot een onevenredige aantasting van
                                            het voorzieningenniveau in de betreffende regio en het
                                            woon-, leef- en ondernemersklimaat in de betreffende
                                            kernen;</al></li><li nr="c."><al id="anker-H55822_0_4_16_63_15_"> aangetoond is dat er
                                            regionale afstemming heeft plaatsgevonden over de
                                            voorgenomen vestiging met de buurgemeenten en
                                            Gedeputeerde Staten.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2.4.3. Grootschalige detailhandel</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H55822_0_4_17_64_"> Bestemmingsplannen voorzien
                                    uitsluitend in nieuwe grootschalige detailhandelsvestigingen
                                    wanneer de locatie gelegen is in of aansluit op bestaande
                                    binnensteden en wijkwinkelcentra.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H55822_0_4_17_65_"> Grootschalige
                                    detailhandelsvestigingen met een regionale uitstraling mogen
                                    uitsluitend worden toegelaten in de binnensteden en
                                    wijkwinkelcentra van de stedelijke centra, nadat met een
                                    ruimtelijke onderbouwing:</al><lijst><li nr="a."><al id="anker-H55822_0_4_17_65_16_"> de behoefte aannemelijk
                                            is gemaakt;</al></li><li nr="b."><al id="anker-H55822_0_4_17_65_17_"> aangetoond is dat de
                                            vestiging niet leidt tot een onevenredige aantasting van
                                            het voorzieningenniveau in de betreffende regio en het
                                            woon-, leef- en ondernemersklimaat in de betreffende
                                            kernen;</al></li><li nr="c."><al id="anker-H55822_0_4_17_65_18_"> aangetoond is dat er
                                            regionale afstemming heeft plaatsgevonden over de
                                            voorgenomen vestiging met de buurgemeenten en
                                            Gedeputeerde Staten.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al id="anker-H55822_0_4_17_66_"> In afwijking van het bepaalde in
                                    lid 2, eerste volzin, kan in bestemmingsplannen voor
                                    bedrijventerreinen binnen de stedelijke centra een ontheffing
                                    als bedoeld in artikel 3.6, lid 1, sub c Wro worden opgenomen
                                    ten behoeve van de vestiging van grootschalige detailhandel
                                    waarvoor in de binnensteden en wijkwinkelcentra geen ruimte
                                    gevonden kan worden.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al id="anker-H55822_0_4_17_67_"> In afwijking van het bepaalde in
                                    lid 2, eerste volzin, kan in bestemmingsplannen voor locaties
                                    elders binnen de stedelijke centra een ontheffing als bedoeld in
                                    artikel 3.6, lid 1, sub c Wro worden opgenomen ten behoeve van
                                    de vestiging van grootschalige detailhandel in geval de
                                    grootschalige detailhandel thematisch aan deze perifere locatie
                                    is gebonden.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2.4.4. Weidewinkels</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H55822_0_4_18_68_"> Bestemmingsplannen voorzien niet
                                    in de mogelijkheid tot vestiging van nieuwe weidewinkels.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Titel 2.5. Afvalstortlocaties radioactief afval </titel></kop><structuurtekst><al><noot id="d17e1680"><noot.nr>7</noot.nr><noot.al>[<vet>Toelichting: </vet>Provinciaal belang </noot.al><noot.al>Het provinciale beleid voor afval is gericht op een zo
                                        duurzaam mogelijke afvalverwerking. De volgorde is:
                                        preventie, bevordering van hergebruik en als laatste
                                        mogelijkheid verbranden met energieterugwinning en storten
                                        van het niet-brandbare deel. </noot.al><noot.al>Radioactief afval </noot.al><noot.al>Berging en opslag van radioactief afval in de diepe
                                        ondergrond wordt niet toegestaan, tenzij daarvoor een
                                        onherroepelijk geworden vergunning op grond van de
                                        Kernenergiewet is verleend. Hetzelfde geldt voor
                                        bovengrondse opslag van hoog radioactief afval. </noot.al><noot.al>Het onderscheid tussen opslagmogelijkheden voor
                                        hoogradioactief afval en laagradioactief afval is bewust
                                        gemaakt. In de diepe ondergrond is zelfs de opslag van
                                        laagradioactief afval niet toegestaan. Voor de bovengrondse
                                        opslag van radioactief afval geldt een genuanceerder
                                        standpunt omdat dit afval afkomstig is uit laboratoria,
                                        ziekenhuizen, meetinstellingen etc. Overigens wordt dit
                                        afval afgevoerd naar de COVRA in Borsele. ]</noot.al></noot></al></structuurtekst><artikel><kop><titel>Artikel 2.5.1. </titel></kop><al>Bestemmingsplannen voorzien niet in het realiseren van nieuwe
                                ondergrondse opslagmogelijkheden voor radioactief afval.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2.5.2. </titel></kop><al>Bestemmingsplannen voorzien niet in het realiseren van nieuwe
                                bovengrondse opslagmogelijkheden voor hoogradioactief afval.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Titel 2.6. Nationale Landschappen </titel></kop><structuurtekst><al><noot id="d17e1714"><noot.nr>8</noot.nr><noot.al>[<vet>Toelichting: </vet>Provinciaal belang </noot.al><noot.al>De Nationale Landschappen IJsseldelta en
                                        Noordoost-Twente zijn gebieden met (inter)nationaal zeldzame
                                        of unieke landschapskwaliteiten en in samenhang daarmee
                                        bijzondere natuurlijke en recreatieve kwaliteiten. Deze
                                        gebieden zijn aangewezen door het Rijk met de opdracht om de
                                        gebieden nader te begrenzen. Naast behoud en duurzaam
                                        beheer, wordt ingezet op het waar mogelijk versterken van de
                                        bijzondere kwaliteiten. Daarbij moet de recreatieve
                                        toegankelijkheid worden vergroot. De begrenzing van de
                                        nationale landschappen is inmiddels vastgesteld en wordt
                                        door middel van deze verordening bevestigd. De regeling is
                                        erop gericht om grootschalige ruimtelijke ontwikkelingen die
                                        in strijd zijn met de kernkwaliteiten van de nationale
                                        landschappen tegen te gaan. Er gelden hiervoor overigens
                                        geen specifieke inhoudelijke bepalingen: voor bv. de relatie
                                        met het woningbouwprogramma geldt het hiervoor van
                                        toepassing zijnde regime. </noot.al><noot.al>Kernkwaliteiten </noot.al><noot.al>Het Nationaal Landschap IJsseldelta wordt gekenmerkt
                                        door de volgende kernkwaliteiten: </noot.al><noot.al>¿ De grote mate van openheid, </noot.al><noot.al>¿ De historische, rationele, geometrische verkaveling
                                        van de polder Mastenbroek </noot.al><noot.al>¿ Het reliëf in de vorm van huisterpen en kreekruggen </noot.al><noot.al>¿ De kleinschaligheid en openheid van het
                                        rivierenlandschap. </noot.al><noot.al>Noordoost-Twente is aangewezen als nationaal landschap
                                        vanwege de volgende kernkwaliteiten: </noot.al><noot.al>¿ Samenhangend complex van beken, essen, kampen en
                                        moderne ontginningen </noot.al><noot.al>¿ De grote mate van kleinschaligheid </noot.al><noot.al>¿ Het groene karakter. </noot.al><noot.al>Deze kernkwaliteiten zijn voor beide nationale
                                        landschappen verder uitgewerkt in
                                        ontwikkelingsperspectieven, waarin de ambities zijn
                                        neergelegd om uitvoering te geven aan het principe ‘behoud
                                        door ontwikkeling' met als doel om waar mogelijk te komen
                                        tot versterking van de bijzondere kwaliteiten van de
                                        gebieden. De ontwikkelingsperspectieven zijn vastgesteld
                                        door Provinciale Staten van Overijssel, de raden van de
                                        betreffende gemeenten en de algemene besturen van de
                                        waterschappen in samenwerking met belangenverenigingen en
                                        vertegenwoordigers van de ministeries van VROM en LNV.
                                        Provinciale Staten is overgegaan tot vaststelling van het
                                        Ontwikkelingsperspectief Nationaal Landschap IJsseldelta op
                                        15 februari 2006. Het Ontwikkelingsperspectief Nationaal
                                        Landschap Noordoost-Twente is door PS vastgesteld op 13
                                        december 2006. </noot.al><noot.al>Bij de verordening zijn tabellen gevoegd waarin een
                                        nadere uitwerking conform deze ontwikkelingsperspectieven
                                        wordt geven van de kernkwaliteiten van zowel het Nationaal
                                        Landschap IJsseldelta als het Nationaal Landschap
                                        Noordoost-Twente. In de verordening wordt hiernaar verwezen. </noot.al><noot.al>Gebiedskenmerken </noot.al><noot.al>Een groot deel van de bescherming van de
                                        kernkwaliteiten van de beide nationale landschappen wordt al
                                        bereikt via de regeling ten aanzien van de gebiedskenmerken
                                        zoals die in de Catalogus Gebiedskenmerken voor beide
                                        gebieden zijn benoemd. Zo is in de normstellende uitspraken
                                        ten aanzien van laagveenontginningen (2.5.) bepaald dat de
                                        polder Mastenbroek een beschermende bestemming een
                                        beschermende bestemming dient te krijgen, gericht op
                                        instandhouding van het grootschalig open karakter van zijn
                                        wegen- en lintengrid en aanliggende huisterpen en het
                                        patroon van dijken. De nationale landschappen omvatten
                                        echter meerdere typen gebiedskenmerken en niet alle
                                        onderdelen in de Catalogus Gebiedskenmerken zijn zo
                                        duidelijk toegespitst op de genoemde kernkwaliteiten.
                                        Vanwege de bijzondere status en de gewenste samenhang in
                                        benadering van het gebied, is er daarom voor gekozen om voor
                                        de nationale landschappen een aanvullende regeling op te
                                        nemen. Kern van deze regeling is dat nieuwe ontwikkelingen
                                        alleen mogelijk zijn als ze bijdragen aan het behoud of de
                                        ontwikkeling van de kernkwaliteiten van de Nationale
                                        Landschappen. </noot.al><noot.al>AMvB Ruimte </noot.al><noot.al>De regeling in titel 2.6. komt overeen met de
                                        doelstellingen van het beleid van het Rijk ten aanzien van
                                        nationale landschappen. Het Rijk heeft aangekondigd in de
                                        AMvB Ruimte algemene bepalingen op te nemen voor nationale
                                        landschappen. Naast een regeling voor de begrenzing en de
                                        uitwerking van de kernkwaliteiten, zal er naar verwachting
                                        een getrapte regeling komen in de AMvB waarbij de provincie
                                        wordt opgedragen om in de provinciale verordening regels
                                        vast te stellen ten aanzien van de inhoud van
                                        bestemmingsplannen die gericht moeten zijn op de
                                        instandhouding en verdere ontwikkeling van de
                                        kernkwaliteiten van de nationale landschappen. De
                                        provinciale verordening zal een regeling opgenomen moeten
                                        worden die ertoe leidt dat wijzigingen van bestemmingen of
                                        grondgebruik alleen mogelijk zijn als de wijziging geen
                                        significant negatief effect heeft op de kernkwaliteiten.
                                        Vooruitlopend op de AMvB is hiertoe een regeling opgenomen
                                        in titel 2.6. Voor wat betreft het principe ‘migratiesaldo
                                        nul' dat voor de nationale landschappen van toepassing is,
                                        geldt dat de provinciale regeling ten aanzien van woningbouw
                                        (titel 2.2.) hieraan afdoende invulling geeft. ]</noot.al></noot></al></structuurtekst><artikel><kop><titel>Artikel 2.6.1. Begripsbepalingen </titel></kop><lid><lidnr/><al>In deze verordening wordt verstaan onder: </al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al id="anker-H55822_0_6_21_69_"> Nationaal Landschap: door het Rijk
                                    aangewezen en globaal begrensde gebieden met (inter)-nationaal
                                    zeldzame of unieke landschapskwaliteiten en in samenhang daarmee
                                    cultuurhistorische en natuurlijke kenmerken; </al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al id="anker-H55822_0_6_21_70_"> kernkwaliteit: de essentiële
                                    landschappelijke of cultuurhistorische kenmerken van nationale
                                    landschappen of van een deel van een nationaal landschap die
                                    voor het Rijk aanleiding zijn geweest om over te gaan tot
                                    aanwijzing van het nationaal landschap; </al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al id="anker-H55822_0_6_21_71_"> Ontwikkelingsperspectief Nationaal
                                    Landschap IJsseldelta: het Ontwikkelingsperspectief Nationaal
                                    Landschap IJsseldelta zoals vastgesteld door Provinciale Staten
                                    van Overijssel bij besluit van 15 februari 2006 (nr.
                                    PS/2005/1363); </al></lid><lid><lidnr>d.</lidnr><al id="anker-H55822_0_6_21_72_"> Ontwikkelingsperspectief Nationaal
                                    Landschap Noordoost-Twente: het Ontwikkelingsperspectief
                                    Noordoost-Twente zoals vastgesteld door Provinciale Staten van
                                    Overijssel bij besluit van 13 december 2006 (nr.
                                    PS/2006/867).</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2.6.2. Begrenzing </titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H55822_0_6_22_73_"> Als Nationaal Landschap
                                    IJsseldelta is nader begrensd het gebied dat op kaart EHS,
                                    Overige natuur en Nationale Landschappen nr. 09295050 is
                                    aangegeven. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H55822_0_6_22_74_"> Als Nationaal Landschap
                                    Noordoost-Twente is nader begrensd het gebied dat op kaart EHS,
                                    Overige natuur en Nationale Landschappen nr. 09295050 is
                                    aangegeven.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2.6.3. Kernkwaliteiten </titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H55822_0_6_23_75_"> De kernkwaliteiten van het
                                    Nationaal Landschap IJsseldelta zijn:</al><lijst><li nr="a."><al id="anker-H55822_0_6_23_75_19_"> de grote mate van
                                            openheid; </al></li><li nr="b."><al id="anker-H55822_0_6_23_75_20_"> de historische,
                                            rationele, geometrische verkaveling van de polder
                                            Mastenbroek; </al></li><li nr="c."><al id="anker-H55822_0_6_23_75_21_"> het reliëf in de vorm
                                            van huisterpen en kreekruggen; </al></li><li nr="d."><al id="anker-H55822_0_6_23_75_22_"> de kleinschaligheid en
                                            openheid van het rivierenlandschap. </al></li></lijst><al>Deze kernkwaliteiten zijn nader uitgewerkt in tabel A in bijlage
                                    7 van deze verordening. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H55822_0_6_23_76_"> De kernkwaliteiten van het
                                    Nationaal Landschap Noordoost-Twente zijn:</al><lijst><li nr="a."><al id="anker-H55822_0_6_23_76_23_"> het samenhangende
                                            complex van beken, essen, kampen en moderne
                                            ontginningen; </al></li><li nr="b."><al id="anker-H55822_0_6_23_76_24_"> de grote mate van
                                            kleinschaligheid; </al></li><li nr="c."><al id="anker-H55822_0_6_23_76_25_"> het groene karakter.
                                        </al></li></lijst><al>Deze kernkwaliteiten zijn nader uitgewerkt in tabel B in bijlage
                                    7 van deze Verordening.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2.6.4. Nieuwe ontwikkelingen </titel></kop><al>Bestemmingsplannen voorzien alleen in nieuwe ontwikkelingen binnen
                                gebieden die in artikel 2.6.2 begrensd zijn als Nationaal Landschap
                                als die bijdragen aan het behoud of de ontwikkeling van de
                                kernkwaliteiten als benoemd in artikel 2.6.3 en zoals nader
                                uitgewerkt in tabel A en tabel B in bijlage 7 van deze
                                verordening.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Titel 2.7. Ecologische Hoofdstructuur </titel></kop><structuurtekst><al><noot id="d17e1852"><noot.nr>9</noot.nr><noot.al><vet><cursief>[<vet>Toelichting: </vet>Provinciaal
                                                belang</cursief></vet></noot.al><noot.al>Overijssel wordt gekenmerkt door een grote variatie aan
                                        plant- en diersoorten (biodiversiteit). Het verlies van
                                        soorten verarmt de natuurwaarde en maakt ecosystemen
                                        kwetsbaar. Het behoud van biodiversiteit is nodig voor een
                                        duurzame toekomst. Om deze redenen willen wij achteruitgang
                                        van biodiversiteit voorkomen en zetten wij in op
                                        ontwikkeling, beheer en bescherming van de biodiversiteit in
                                        Overijssel.</noot.al><noot.al>Natuur en landschap zijn niet alleen van betekenis voor
                                        het behoud en bescherming van biodiversiteit. Natuur en
                                        landschap zijn ook van belang voor de regionale economie en
                                        voor de kwaliteit van de leefomgeving en een goed
                                        vestigingsklimaat voor wonen en werken. Om deze redenen
                                        zetten wij in op een duurzame ontwikkeling en bescherming
                                        van de natuurwaarden in Overijssel. Daartoe hebben wij
                                        gebieden aangewezen als Ecologische Hoofdstructuur waarvoor
                                        geldt dat het beleid is gericht op het behoud en de
                                        ontwikkeling van aanwezige en potentiële natuurwaarden. </noot.al><noot.al><vet><cursief>beleidsdoelstellingen</cursief></vet></noot.al><noot.al>De Ecologische Hoofdstructuur (EHS) is een netwerk van
                                        natuurgebieden en bestaat ondermeer uit bossen, heidevelden,
                                        vennen, brongebieden, rivieren, oevers, houtsingels en
                                        struweel, maar ook kruidenrijk grasland. Voor het merendeel
                                        gaat het om bestaande natuur en natuur die in afgelopen tijd
                                        gerealiseerd is in het kader van het beleid voor de EHS.
                                        Daarnaast zijn er gebieden aangewezen waar de komende tijd
                                        nieuwe natuur ontwikkeld zal worden en gebieden waarvoor nog
                                        een uitwerking plaats moet vinden over de te nemen
                                        maatregelen. In de Omgevingsverordening is de begrenzing van
                                        de EHS vastgelegd. Het werkingsgebied van het beleid voor de
                                        EHS is aangegeven op een digitale kaart die onderdeel
                                        uitmaakt van de Omgevingsverordening (artikel
                                        2.7.2)</noot.al><noot.al>Wij willen binnen de EHS een netwerk van natuurgebieden
                                        realiseren met goede condities voor de biodiversiteit. Ons
                                        beleid is gericht op het behoud, herstel en de duurzame
                                        ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden van
                                        natuurgebieden die in de EHS zijn opgenomen. Deze
                                        natuurgebieden zijn belangrijk voor dier- en plantensoorten.
                                        Om de populaties gezond te houden en de genetische
                                        uitwisseling te bevorderen is het noodzakelijk dat deze
                                        gebieden zowel van voldoende omvang zijn als de mogelijkheid
                                        bieden om te migreren tussen deze gebieden. De EHS in
                                        Overijssel hangt samen met de EHS in de andere delen van
                                        Nederland en met het Europese net van natuurgebieden. Dit
                                        Europese net van natuurgebieden staat bekend als "Natura
                                        2000". De natuurwaarden in de Natura 2000 gebieden zijn van
                                        Europees belang en vallen onder het beschermingsregime van
                                        de natuurbeschermingswet. Het grootste deel van de Natura
                                        2000 gebieden ligt in de EHS. </noot.al><noot.al>Voor de mens is de EHS belangrijk om van de schoonheid
                                        van natuur en landschap te genieten, te recreëren en tot
                                        rust te komen. Daarom wil de provincie deze gebieden
                                        toegankelijk maken voor het publiek. Het beleid is er op
                                        gericht dit netwerk van samenhangende natuurgebieden in 2018
                                        gereed te hebben.</noot.al><noot.al>Het beleid voor de EHS is aan de ene kant gericht op
                                        het vrijwaren van de betreffende gebieden van ontwikkelingen
                                        die het realiseren van de beoogde natuurdoelen in de weg
                                        kunnen staan. Aan de andere kant richt het beleid zich op
                                        het toekennen van passende bestemmingen voor gronden die
                                        inmiddels zijn aangekocht voor het realiseren van natuur of
                                        waarvan de huidige economische waarden anderszins zijn
                                        afgeboekt.</noot.al><noot.al><vet><cursief>beschermingsregime</cursief></vet></noot.al><noot.al>Vanwege het grote belang voor de biodiversiteit en de
                                        betekenis voor de kwaliteit van de leefomgeving en regionale
                                        economie geldt een beschermingsregime voor de gehele EHS.
                                        Voor de EHS geldt de verplichting tot instandhouding van de
                                        wezenlijke kernmerken en waarden van het gebied. In de
                                        verordening is het "nee, tenzij"-regime vast gelegd. Dit
                                        betekent dat (nieuwe) plannen, projecten of handelingen niet
                                        zijn toegestaan indien zij de wezenlijke kenmerken of
                                        waarden van het gebied significant aantasten. Zolang een
                                        dergelijke aantasting niet plaatsheeft, is er vanwege de EHS
                                        geen grond om de betreffende ontwikkeling tegen te gaan.
                                        Uiteraard geldt ook hier dat de generieke regeling van titel
                                        2.1. van toepassing blijft (zoals de toepassing van de
                                        SER-ladder, ontwikkelingsperspectief en gebiedskenmerken). </noot.al><noot.al>Met dit beschermingsregime voldoen wij aan de eisen van
                                        het Besluit Algemene regels ruimtelijke ordening (Barro).
                                        Het Barro bevat de randvoorwaarden die het rijk vanuit
                                        nationale belangen stelt aan de ruimtelijke bescherming van
                                        de EHS. </noot.al><noot.al>Naast de ruimtelijke bescherming vanuit de EHS gelden
                                        mogelijk ook andere wet- en regelgeving voor de bescherming
                                        van natuurwaarden.</noot.al><noot.al>Binnen het gebied dat aangewezen is als EHS worden
                                        gebiedscategorieën onderscheiden waarvoor een verschil in
                                        bestemmingsregime geldt. Het gaat om de volgende
                                        gebiedscategorieën:</noot.al><noot.al>- Bestaand; </noot.al><noot.al>- Te realiseren.</noot.al><noot.al><cursief>Gebiedscategorieën Ecologische
                                            Hoofdstructuur</cursief></noot.al><noot.al><cursief>Bestaand</cursief></noot.al><noot.al>De categorie ‘Bestaand' is van toepassing op gebieden
                                        waar de beoogde natuurwaarden aanwezig zijn zoals bestaande
                                        wateren, natuur - en bosgebieden. Verder vallen binnen deze
                                        categorie gebieden de gronden zijn aangekocht en/of
                                        afgewaardeerd en die ingericht zijn conform de natuurdoelen
                                        als omschreven in de bijlage ‘wezenlijke kenmerken en waarde
                                        EHS'. Die gebieden moeten als natuur worden bestemd. </noot.al><noot.al>Binnen de gebiedscategorie ‘Bestaand' vallen ook
                                        landbouwgronden die eigendom zijn van
                                        natuurbeschermingsorganisaties, die de gronden in het kader
                                        van landgoederen beheren. Deze cultuurgronden zijn meestal
                                        langjarig verpacht en zullen de komende jaren een
                                        landbouwkundig gebruik houden. Met het oog op de
                                        pachtconstructie moeten deze gronden een agrarische
                                        bestemming houden totdat de pachtsituatie is beëindigd.
                                        Hiervoor is in artikel 2.7.3. lid 5 een regeling getroffen
                                        op grond waarvan bestaand gebruik conform de geldende
                                        bestemming kan worden voortgezet.</noot.al><noot.al><cursief>Te realiseren</cursief></noot.al><noot.al>De categorie ‘Te realiseren' is van toepassing op
                                        gebieden waar de beoogde natuurwaarden nog niet of niet
                                        geheel zijn gerealiseerd. Deze "te realiseren" gebieden
                                        kunnen al wel zijn aangekocht en/of afgewaardeerd en deels
                                        zijn ingericht. Voor deze gebieden geldt dat zolang de
                                        gronden nog niet zijn aangekocht en/of afgewaardeerd, de
                                        huidige bestemming vooralsnog gehandhaafd kan blijven. Op
                                        het moment dat de gronden worden aangekocht en/of
                                        afgewaardeerd ten dienste van de EHS en ook beschikbaar zijn
                                        voor het realiseren van de beoogde natuurdoelen, moeten de
                                        gronden bestemd worden als natuur. Voor de inrichting van
                                        natuurgebieden is doorgaans een bestemmingsplanwijziging
                                        nodig. Artikel 2.7.3 lid 3 sub b is een vangnetbepaling op
                                        grond waarvan zonodig de planologische medewerking van de
                                        gemeenten aan de inrichting van natuurgebieden binnen de EHS
                                        kan worden afgedwongen. Wanneer gronden zijn aangekocht, kan
                                        nog niet in alle gevallen worden overgegaan tot inrichting
                                        omdat in sommige gevallen de gronden nog niet beschikbaar
                                        zijn voor de realisatie van de beoogde natuurwaarden. </noot.al><noot.al>Binnen deze gebiedscategorie zijn 3 subcategorieën te
                                        onderscheiden: </noot.al><noot.al>a. Netto begrensd;</noot.al><noot.al>b. Bruto begrensd;</noot.al><noot.al>c. Uitwerkingsgebied ontwikkelopgave Natura
                                        2000.</noot.al><noot.al>De subcategorie ‘Netto begrensd' omvat gebieden die
                                        concreet zijn begrensd als gronden waarop nieuwe natuur
                                        gerealiseerd zal worden. </noot.al><noot.al>De subcategorie ‘Bruto begrensd' omvat de gebieden die
                                        aangewezen zijn voor het realiseren van nieuwe natuur, maar
                                        waar de begrenzing ruimer is dan wat er als nieuwe natuur
                                        gerealiseerd zal worden. Dit is het geval bij een aantal
                                        inrichtingsprojecten. De opgave voor natuur (aantal hectare)
                                        ligt vast, maar de exacte plek is nog onduidelijk. De
                                        komende tijd wordt gebruikt om de opgave concreet te
                                        begrenzen. Dit proces zal zo spoedig mogelijk worden
                                        afgreond. Indien de concrete begrenzing duidelijk is, zal
                                        dit gewijzigd worden op de kaart.</noot.al><noot.al>Binnen de EHS-begrenzing ligt het "Uitwerkingsgebied
                                        Ontwikkelopgave Natura 2000". In dit gebied worden
                                        maatregelen genomen die nodig zijn om de achteruitgang van
                                        natuurwaarden in Natura 2000 gebieden te voorkomen en op
                                        langere termijn de doelen voor de Natura 2000 gebieden te
                                        realiseren. Deze opgave vloeit voort uit de
                                        Natuurbeschermingswet 1998.</noot.al><noot.al>De te nemen maatregelen zullen gericht zijn op het
                                        realiseren van de in de gebiedsanalyses beschreven na te
                                        streven effecten. De PAS richt zich op na te streven
                                        effecten voor de korte termijn (te realiseren binnen zes
                                        jaar na inwerkingtreding van de PAS) en langere termijn (te
                                        realiseren in de tweede en derde periode van zes jaar). Om
                                        de economische ontwikkelingsruimte die door uitvoering van
                                        de PAS beschikbaar komt te kunnen benutten zullen we de ons
                                        beschikbare instrumenten maximaal inzetten.</noot.al><noot.al>Er zijn op voorhand geen natuurdoelen vastgesteld voor
                                        het Uitwerkingsgebied. Wel is de verwachting dat door de
                                        uitvoering van de Natura2000-beheerplannen en de PAS een
                                        deel van de begrensde hectares een meer natuur gerelateerde
                                        bestemming zal krijgen en hiervoor ingericht wordt. De
                                        overige hectares blijven agrarisch en worden uit de EHS
                                        gehaald. Het is op voorhand onmogelijk om dit in een exact
                                        percentage aan te geven of de exacte locaties te bepalen. In
                                        de gebiedsgerichte uitwerking van de PAS-opgaven wordt
                                        bepaald welke natuurwaarden op welke locatie nagestreefd
                                        worden opdat optimaal gebruik kan worden gemaakt van de
                                        kansen voor natuur en landbouw. </noot.al><noot.al>Voor het realiseren van peilaanpassingen zullen we met
                                        de waterschappen bezien waar en hoe het instrument van
                                        Peilbesluiten ingezet zal worden. Zolang gronden binnen de
                                        Uitwerkingsgebieden Ontwikkelopgave Natura2000 niet zijn
                                        ingericht, blijft agrarisch gebruik mogelijk binnen
                                        gebiedskenmerken en binnen overige vigerende
                                        regelgeving.]</noot.al></noot></al></structuurtekst><artikel><kop><titel>Artikel 2.7.1. Begripsbepalingen </titel></kop><lid><lidnr/><al><noot id="d17e1938"><noot.nr>10</noot.nr><noot.al>[<vet>Toelichting: </vet>Bij de verordening is een
                                            (digitale) kaart opgenomen. Daarop is tot op
                                            perceelsniveau nauwkeurig aangegeven welk gebied behoort
                                            tot de provinciale ecologische hoofdstructuur van
                                            Overijssel. </noot.al><noot.al>In de begripsbepalingen wordt onderscheid gemaakt
                                            tussen de gebiedscategorie ‘Bestaand' en de
                                            gebiedscategorie ‘Te realiseren'. Voor de
                                            gebiedscategorie ‘Bestaand' geldt dat de beoogde
                                            natuurdoelen inmiddels zijn gerealiseerd of de gebieden
                                            die zijn ingericht voor de natuurdoelen die zijn
                                            omschreven in de bijlage ‘Wezenlijke kenmerken en
                                            waarden EHS'. Voor de gebiedscategorie ‘Te realiseren'
                                            geldt dat de beoogde natuurwaarden nog niet of niet
                                            geheel zijn gerealiseerd. Deze gebieden kunnen al wel
                                            zijn aangekocht en/of afgewaardeerd en deels zijn
                                            ingericht. </noot.al><noot.al>Binnen de gebiedscategorie ‘Te realiseren' wordt
                                            vooralsnog rekening gehouden met de subcategorieën
                                            ‘Netto begrensd' , ‘Bruto begrensd' en
                                            ‘Uitwerkingsgebied ontwikkelopgave Natura 2000'. Voor de
                                            toelichting op dit onderscheid verwijzen wij naar wat
                                            hierover is opgemerkt in de algemene
                                            toelichting.</noot.al><noot.al>In de begripsbepaling wordt een definitie gegeven
                                            van het begrip ‘wezenlijke kenmerken en waarden'.
                                            Daarbij wordt verwezen naar de bijlage ‘Wezenlijke
                                            kenmerken en waarden EHS' waarin voor de verschillende
                                            gebieden binnen de EHS de wezenlijke kenmerken en
                                            waarden zijn beschreven. Het gaat om een globale
                                            beschrijving van de actuele en potentiële natuurwaarden
                                            van de verschillende deelgebieden van de EHS. Bij deze
                                            bijlage hoort een kaart waarop de verschillende
                                            deelgebieden zijn aangegeven. Met deze beschrijving van
                                            de wezenlijke kenmerken en waarden voldoen wij aan de
                                            eis die op dit punt in het Barro wordt gesteld.
                                            ]</noot.al></noot></al></lid><lid><lidnr/><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al id="anker-H55822_0_7_25_77_"> compensatieplan: plan waarin
                                    overeenkomstig de eisen van artikel 2.7.5 de maatregelen worden
                                    vastgelegd die noodzakelijk zijn om de impact van ontwikkelingen
                                    binnen de EHS te compenseren en mitigeren;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al id="anker-H55822_0_7_25_78_"> Ecologische Hoofdstructuur (EHS):
                                    samenhangend netwerk van natuurgebieden met bestaande en
                                    potentiële natuurwaarden van (inter)nationaal belang met als
                                    doel het veiligstellen van ecosystemen met de daarbij behorende
                                    soorten, begrensd overeenkomstig artikel 2.7.2;</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al id="anker-H55822_0_7_25_79_"> gebiedscategorie: typering zoals
                                    aangegeven op de kaart van een deelgebied van de EHS, bestaande
                                    uit:</al><lijst><li nr="i."><al id="anker-H55822_0_7_25_79_26_"> Bestaand: gebieden
                                            getypeerd door de aanwezigheid van grote natuurwaarden
                                            en gebieden die zijn aangekocht en/of afgewaardeerd en
                                            die zijn ingericht conform de natuurdoelen als
                                            omschreven in de bijlage ‘wezenlijke kenmerken en
                                            waarden EHS';</al></li><li nr="ii."><al> Te realiseren: gebieden getypeerd door de geschiktheid
                                            voor verdere ontwikkeling van aanwezige of in potentie
                                            aanwezige natuurwaarden, maar die nog niet of niet
                                            geheel kunnen worden ingericht als natuur conform de
                                            natuurdoelen als omschreven in de bijlage ‘wezenlijke
                                            kenmerken enwaarden EHS' omdat de gronden nog niet zijn
                                            aangekocht, nog niet zijn afgewaardeerd en/of nog niet
                                            beschikbaar zijn voor de realisering van de EHS,
                                            bestaande uit de volgende subcategorieën:</al><al>¿ - Netto begrensd: concreet begrensde nog te realiseren
                                            natuur;</al><al>¿ - Bruto begrensd: zoekgebied waarbinnen nog bepaald
                                            moet worden waar een vooraf vastgesteld aantal hectares
                                            natuur concreet zal worden gerealiseerd; <noot id="d17e1982"><noot.nr>11</noot.nr><noot.al>[<vet>Toelichting: </vet>Inzet voor deze
                                                  zoekgebieden is dat er bij vaststelling van de
                                                  herijkte EHS duidelijk is wat er als EHS begrensd
                                                  wordt.]</noot.al></noot></al><al>¿ - Uitwerkingsgebied ontwikkelopgave Natura 2000:
                                            gebieden waar maatregelen genomen moeten worden om
                                            natuurwaarden in nabijgelegen N2000-gebieden te
                                            beschermen; <noot id="d17e1992"><noot.nr>12</noot.nr><noot.al>[<vet>Toelichting: </vet>De precieze
                                                  uitwerking van de vastgestelde maatregelen moet
                                                  nog plaatsvinden (nader uitgewerkt in
                                                  realisatiestrategie en vervolg proces van
                                                  realisatie). Op basis hiervan kan de EHS te zijner
                                                  tijd waar mogelijk verkleind worden.]</noot.al></noot></al></li></lijst></lid><lid><lidnr>d.</lidnr><al id="anker-H55822_0_7_25_80_"> wezenlijke kenmerken en waarden:
                                    actuele en potentiële waarden, gebaseerd op de natuurdoelen voor
                                    het gebied, zoals omschreven in de bijlage 10: Wezenlijke
                                    kenmerken en waarden EHS.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2.7.2. Werkingsgebied </titel></kop><lid><lidnr/><al><noot id="d17e2012"><noot.nr>13</noot.nr><noot.al>[<vet>Toelichting: </vet>Met dit artikel stellen
                                            Provinciale Staten vast welke gebieden tot de EHS worden
                                            gerekend en leggen zij dit digitaal op de bijbehorende
                                            kaart vast. Op grond van het Barro (artikel 2.10.5) moet
                                            de begrenzing van de EHS bij verordening worden
                                            vastgelegd. Dit betekent dat het niet langer mogelijk is
                                            om de bevoegdheid om de begrenzing van de EHS aan te
                                            passen aan Gedeputeerde Staten toe te kennen. </noot.al><noot.al>Er kunnen diverse redenen zijn om de begrenzing van
                                            de EHS aan te passen. Een aanleiding om de begrenzing
                                            aan te passen kan zijn dat na een afwijking op grond van
                                            artikel 2.7.4 het niet meer reëel is om voor die locatie
                                            uit te gaan van het realiseren van de eerder beoogde
                                            natuurwaarden. Aanpassing van de begrenzing van de EHS
                                            is dan een logische vervolgstap op de afwijking die in
                                            het kader van een bestemmingstraject is toegepast en
                                            waarbij als regel sprake is van een compensatieplan.
                                            Provinciale Staten passen de begrenzing van de EHS niet
                                            direct na elke afwijking aan. De afwijkingen worden
                                            verzameld en de begrenzing van de EHS wordt hierop
                                            regelmatig (bijvoorbeeld jaarlijks) door Provinciale
                                            Staten aangepast. </noot.al><noot.al>Verder kunnen Provinciale Staten de grenzen van de
                                            EHS aanpassen ten behoeve van een verbetering van de
                                            samenhang of een betere planologische inpassing van de
                                            Ecologische Hoofdstructuur. </noot.al><noot.al>Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening
                                            (Barro) stelt als voorwaarde bij herbegrenzing dat het
                                            areaal van de EHS per saldo gelijk moet blijven. In
                                            artikel 2.7.2 lid 4 wordt hierop een uitzondering
                                            gemaakt voor aanpassing van de begrenzing van gebieden
                                            die zijn aangeduid als ‘Bruto begrensd' en
                                            ‘Uitwerkingsgebied ontwikkelopgave Natura 2000', omdat
                                            voorzien wordt dat delen van deze gebiedscategorieën
                                            uiteindelijk uit de EHS zullen worden gehaald.</noot.al><noot.al>Doelstelling is om bij de definitieve vaststelling
                                            van de Omgevingsvisie en Omgevingsverordening
                                            duidelijkheid te kunnen bieden over de subcategorie
                                            ‘Bruto begrensd'. In dat geval kan deze subcategorie
                                            komen te vervallen. Mocht de benodigde duidelijkheid nog
                                            niet geboden kunnen worden, dan wordt het onderscheid
                                            voor alsnog gehandhaafd. Het nader begrenzen van de
                                            EHS-opgaven binnen gebieden die als ‘Bruto begrensd'
                                            zijn aangeduid, leidt er toe dat het uiteindelijke
                                            areaal aan EHS kleiner zal worden dan nu is aangegeven.
                                            Waar voor de concreet begrensde EHS de voorwaarde wordt
                                            gehanteerd dat bij herbegrenzing het areaal aan EHS
                                            gelijk moet blijven, geldt deze eis voor de subcategorie
                                            ‘Bruto begrensd' niet.</noot.al><noot.al>Voor het gebied Otterhagen staatde exacte
                                            begrenzing nog niet vast. Daarom is voor dit gebied op
                                            de kaart een zoekgebied opgenomen, met daarbinnen een
                                            totale netto opgave van 111 ha. </noot.al><noot.al>Op een later moment zal er duidelijkheid komen over
                                            de mogelijkheden om een landbouwfunctie te handhaven op
                                            gronden waarvoor een waterpeilverhoging zal worden
                                            doorgevoerd met het oog op de natuurdoelen van
                                            nabijgelegen Natura 2000-gebieden. Dit zal leiden tot
                                            herbegrenzing van de EHS op dit punt.</noot.al><noot.al>Voor het ‘Uitwerkingsgebied ontwikkelopgave Natura
                                            2000' geldt ook dat bij de uiteindelijke herbegrenzing
                                            niet de eis wordt gesteld dat het areaal aan EHS gelijk
                                            moet blijven.]</noot.al></noot></al></lid><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H55822_0_7_26_81_"> Het werkingsgebied van titel 2.7
                                    wordt begrensd door de geometrische plaatsbepaling van de EHS op
                                    de digitale kaart ‘EHS' horende bij deze verordening.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H55822_0_7_26_82_"> Provinciale Staten passen de
                                    begrenzing van de EHS aan op ontwikkelingen waarvoor op grond
                                    van artikel 2.7.4 is afgeweken van het beschermingsregime van
                                    artikel 2.7.3.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al id="anker-H55822_0_7_26_83_"> Bij de herbegrenzing als bedoeld
                                    in lid 2 geldt de voorwaarde dat het areaal van de EHS per saldo
                                    ten minste gelijk blijft.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al id="anker-H55822_0_7_26_84_"> De voorwaarde als bedoeld in lid 3
                                    geldt niet bij aanpassing van de begrenzing van gebieden die
                                    aangeduid zijn als ‘Uitwerkingsgebied ontwikkelopgave Natura
                                    2000' en ‘Bruto begrensd'. </al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2.7.3. Beschermingsregime </titel></kop><lid><lidnr/><al><noot id="d17e2061"><noot.nr>14</noot.nr><noot.al><cursief>[<vet>Toelichting:
                                                </vet>Beheersverordening</cursief></noot.al><noot.al>Het instrument van de beheersverordening als
                                            bedoeld in artikel 3.38 Wro vinden wij geen geschikt
                                            instrument om gebieden die zijn aangewezen als ‘Te
                                            realiseren' van een passende regeling te voorzien. De
                                            huidige situatie in deze gebieden is immers niet het
                                            gewenste eindbeeld. Naar zijn aard is een
                                            beheersverordening slechts bedoeld voor gebieden waar
                                            geen ruimtelijke ontwikkeling wordt voorzien en waar kan
                                            worden volstaan met regeling van het beheer van dat
                                            gebied overeenkomstig het bestaande gebruik. Een
                                            beheersverordening is in beginsel wel denkbaar voor de
                                            categorie ‘Bestaand', maar moet dus voor andere
                                            categorieën worden uitgesloten. </noot.al><noot.al><vet><cursief>Gebiedscategorieën Ecologische
                                                  Hoofdstructuur</cursief></vet></noot.al><noot.al>Artikel 2.7.3 lid 2 en 3 bevat de opdracht aan
                                            gemeenten om gebieden binnen de EHS conform de eisen van
                                            de gebiedscategorie te bestemmen. </noot.al><noot.al><cursief>Bestaand</cursief></noot.al><noot.al>Gemeenten moeten het beschermingsregime voor
                                            gronden met de aanduiding ‘Bestaand' afstemmen op de
                                            natuurdoelen die voor deze gronden zijn geformuleerd.
                                            Deze natuurdoelen zijn af te leiden uit de beschrijving
                                            van de wezenlijke waarden en kenmerken van de
                                            betreffende gebieden zoals die onderdeel uitmaakt van
                                            deze verordening. Gronden binnen de categorie ‘Bestaand'
                                            mogen uitsluitend worden bestemd voor behoud, herstel of
                                            duurzame ontwikkeling van de aanwezige natuurwaarden of
                                            de beoogde natuurwaarden. </noot.al><noot.al><cursief>Te realiseren</cursief></noot.al><noot.al>Voor de gebiedscategorie 'Te realiseren' geldt dat
                                            er wel actuele natuurwaarden aanwezig kunnen zijn, maar
                                            dat er nog andere functies binnen het gebied aanwezig
                                            zijn waarvan de geldende ontwikkelingsrechten
                                            (ontwikkelingsmogelijkheden op basis van het geldende
                                            bestemmingsplan) gerespecteerd moeten worden, zolang de
                                            gronden nog niet zijn aangekocht en/of afgewaardeerd.
                                            Zodra de gronden zijn aangekocht en/of afgewaarderd ten
                                            dienste van de realisering van de EHS en ook als zodanig
                                            beschikbaar zijn, mogen deze gronden uitsluitend worden
                                            bestemd voor behoud, herstel of duurzame ontwikkeling
                                            van de aanwezige natuurwaarden of de beoogde
                                            natuurwaarden. Gemeenten dienen deze gronden als zodanig
                                            te bestemmen. </noot.al><noot.al>Voor de subcategorie ‘Uitwerkingsgebied
                                            ontwikkelopgave Natura 2000' geldt een extra argument om
                                            de huidige bestemming vooralsnog te handhaven. Het zal
                                            nog enige tijd duren voordat precies duidelijk is wat de
                                            consequenties zullen zijn van de maatregelen die genomen
                                            zullen worden ter bescherming van nabij gelegen Natura
                                            2000-gebieden. Tot het moment dat duidelijk is of in
                                            deze gebieden nog andere functies mogelijk zijn dan
                                            natuur, kunnen deze gebieden in principe hun huidige
                                            bestemming houden. </noot.al><noot.al>Om te voorkomen dat er in de tussentijd
                                            onomkeerbare ontwikkelingen plaatsvinden waardoor de
                                            natuurontwikkeling niet meer te realiseren is, zijn
                                            gemeenten verplicht om voor gebieden met de aanduiding
                                            ‘Te realiseren' een bestemmingsregeling te treffen die
                                            deze gebieden hiervan vrijwaart. Bestemmingen voor deze
                                            gebieden moeten mede strekken tot behoud, bescherming of
                                            duurzame ontwikkeling van de actuele natuurwaarden. De
                                            bestaande planologische rechten voor die functies worden
                                            daarbij gerespecteerd. Uitbreiding van die functies
                                            waarvoor het geldende bestemmingsplan moet worden
                                            aangepast en waardoor de ontwikkelingsmogelijkheden voor
                                            natuur zouden worden aangetast, mogen niet worden
                                            toegestaan.</noot.al><noot.al>Het beschermingsregime van de EHS is niet alleen
                                            relevant voor de vaststelling van bestemmingsplannen en
                                            een beheersverordeningen. In artikel 2.7.3 lid 7 is
                                            bepaald dat het beschermingsregime ook relevant is voor
                                            ontwikkelingen die mogelijk worden gemaakt met een
                                            omgevingsvergunning. </noot.al><noot.al>In lid 8 is het principe vastgelegd dat de
                                            bestaande (agrarische) functies zoals die uitgeoefend
                                            kunnen worden op grond van het geldende bestemmingsplan
                                            binnen de EHS kunnen worden voortgezet, zolang de
                                            betreffende gronden niet zijn aangekocht en/of
                                            afgewaardeerd ten dienste van de realisering van de EHS
                                            en ook nog niet beschikbaar zijn voor het realiseren van
                                            de beoogde natuurdoelen. Deze bepaling doet niets af aan
                                            beperkingen of verplichtingen op basis van andere
                                            wetgeving die van toepassing is op dit soort
                                            (agrarische) activiteiten, zoals de Wet Ammoniak en
                                            Veehouderij, de Natuurbeschermingswet en het
                                            Reconstructieplan. </noot.al><noot.al>Wij benadrukken nogmaals dat de EHS geen
                                            schaduwwerking heeft op naastliggende gronden. Voor deze
                                            gronden geldt geen beperkende bepalingen vanwege de
                                            ligging naast EHS. Er zijn echter andere wettelijke
                                            kaders die wel voor beperkingen kunnen zorgen. Zo geldt
                                            voor Natura 2000-gebieden een externe werking, die
                                            voortvloeit uit landelijke en internationale
                                            natuurwetgeving maar dus niet uit het beschermingsregime
                                            van de EHS. In bijlage 1 is een overzicht van wet en
                                            regelgeving opgenomen die - naast de regeling in deze
                                            verordening - van toepassing kan zijn op EHS-gebieden. </noot.al><noot.al>In lid 9 is de (verbale) uitsluiting geregeld van
                                            bestaande functies die ook na de herijking van de EHS
                                            volgens het kaartbeeld vallen binnen de EHS, maar
                                            waarvoor aangenomen moet worden dat ze ter plekke
                                            gehandhaafd zullen blijven. Het gaat dan om agrarische
                                            bouwblokken, burgerwoningen, recreatiebedrijven en
                                            andere bedrijven die aan geldende bestemmingsplannen
                                            bepaalde rechten en ontwikkelingsmogelijkheden kunnen
                                            ontlenen. De regeling voor de EHS heeft niet de
                                            bedoeling om die bestaande rechten en
                                            ontwikkelingsrechten in te perken. De opdracht om een
                                            passende bestemming toe te kennen aan gronden die op de
                                            kaart de aanduiding krijgen van ‘bestaand' of ‘te
                                            realiseren' is daarom niet van toepassing op bestaande
                                            functies binnen de EHS, voor zover het gaat om bestaande
                                            bouwmogelijkheden of geldende mogelijkheden om
                                            terreinverhardingen aan te leggen. Een burgerwoning in
                                            de EHS kan dus zijn woonbestemming houden, net zoals een
                                            recreatieterrein binnen de EHS een bestemming voor
                                            verblijfsrecreatie kan houden. Bepalend voor de verbale
                                            uitsluiting is welke bestemming deze bestaande functies
                                            hadden op het moment van inwerkingtreding van het nieuwe
                                            artikel 2.7.3. Deze bepaling doet niets af aan
                                            beperkingen of verplichtingen op basis van andere
                                            wetgeving die van toepassing is op dit soort
                                            (agrarische) activiteiten, zoals de Wet Ammoniak en
                                            Veehouderij, de Natuurbeschermingswet en het
                                            Reconstructieplan.]</noot.al></noot></al></lid><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H55822_0_7_27_85_"> Het beschermingsregime voor
                                    gebieden die op de kaart als bedoeld in artikel 2.7.2 zijn
                                    aangeduid als gebiedscategorie ‘Bestaand' wordt vastgelegd in
                                    een bestemmingsplan of in beheersverordening. Voor de overige
                                    gebieden binnen de EHS geldt dat het beschermingsregime
                                    uitsluitend vastgelegd kan worden in een bestemmingsplan.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H55822_0_7_27_86_"> Gebieden die op de kaart als
                                    bedoeld in artikel 2.7.2 zijn aangeduid als ‘Bestaand' moeten
                                    een bestemming krijgen die uitsluitend is gericht op het behoud,
                                    herstel of de duurzame ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken
                                    en waarden van deze gebieden.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al id="anker-H55822_0_7_27_87_"> Gebieden die op de kaart als
                                    bedoeld in artikel 2.7.2 zijn aangeduid als ‘Te
                                    realiseren':</al><lijst><li nr="a."><al id="anker-H55822_0_7_27_87_28_"> moeten een bestemming
                                            krijgen die mede gericht is op het behoud, herstel of de
                                            duurzame ontwikkeling van de actuele natuurwaarden van
                                            deze gebieden zolang deze gronden nog niet zijn
                                            aangekocht en/of afgewaardeerd;</al></li><li nr="b."><al id="anker-H55822_0_7_27_87_29_"> moeten een bestemming
                                            krijgen die uitsluitend is gericht op het behoud,
                                            herstel of de duurzame ontwikkeling van de wezenlijke
                                            kenmerken en waarden van deze gebieden indien de gronden
                                            zijn aangekocht en/of afgewaardeerd ten dienste van de
                                            realisering van de EHS en ook als zodanig beschikbaar
                                            zijn.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al id="anker-H55822_0_7_27_88_"> Bestemmingsplannen die betrekking
                                    hebben op gebieden die op de kaart als bedoeld in artikel 2.7.2
                                    zijn aangeduid als EHS wijzen geen bestemmingen aan of stellen
                                    geen regels die activiteiten mogelijk maken die leiden tot een
                                    significante aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden,
                                    of tot een significante vermindering van de oppervlakte van die
                                    gebieden, of van de samenhang tussen die gebieden.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al id="anker-H55822_0_7_27_89_"> De verplichtingen die voortvloeien
                                    uit lid 2 tot en met 4 houden in ieder geval in: behoud van
                                    areaal, kwaliteit en samenhang van de betrokken gebieden.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al id="anker-H55822_0_7_27_90_"> GS kunnen nadere regels stellen
                                    aan de toelichting c.q onderbouwing van bestemmingsplannen en
                                    beheersverordeningen die betrekking hebben op gronden die vallen
                                    binnen de EHS en waaruit moet blijken op basis van welke
                                    gegevens, waarderingen en afwegingen tot vaststelling is
                                    besloten.</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al id="anker-H55822_0_7_27_91_"> De verplichtingen die voortvloeien
                                    uit voorgaande leden zijn van overeenkomstige toepassing op
                                    omgevingsvergunningen, waarbij met toepassing van artikel 2.12,
                                    eerste lid, onderdeel a, onder 3o van de Wet algemene bepalingen
                                    omgevingsrecht van het bestemmingsplan wordt afgeweken.</al></lid><lid><lidnr>8.</lidnr><al id="anker-H55822_0_7_27_92_"> Daar waar op het moment van het
                                    van kracht worden van deze titel bestemmingen gelden die rechten
                                    en ontwikkelingsmogelijkheden bieden voor bestaande functies
                                    binnen gebieden die aangeduid zijn als ‘Te realiseren',
                                    verplicht deze titel niet om deze bestaande rechten en
                                    ontwikkelingsmogelijkheden in te perken zolang de gronden niet
                                    zijn aangekocht of functiewijziging nog niet heeft
                                    plaatsgevonden.</al></lid><lid><lidnr>9.</lidnr><al id="anker-H55822_0_7_27_93_"> De verplichting op grond van lid 2
                                    en 3 van dit artikel om een passende bestemming toe te kennen
                                    geldt niet voor bestaande functies waarvoor het bestemmingsplan
                                    dat geldt op het moment van inwerkingtreding van dit artikel,
                                    ontwikkelingsmogelijkheden toekent voor wat betreft bouwen en
                                    het aanbrengen van terreinverhardingen</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2.7.4. Afwijkingsmogelijkheden </titel></kop><lid><lidnr/><al><noot id="d17e2160"><noot.nr>15</noot.nr><noot.al>[<vet>Toelichting: </vet>Het ruimtelijk beleid van
                                            de EHS is gericht op het behoud en de duurzame
                                            ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden van
                                            de gebieden die als EHS zijn aangewezen. Om te voorkomen
                                            dat aanwezige en potentiële natuurwaarden worden
                                            aangetast, zijn in principe geen ontwikkelingen
                                            toegestaan die significante effecten hebben op deze
                                            waarden. </noot.al><noot.al>Er kan echter aanleiding zijn om toch
                                            ontwikkelingen toe te staan. De mogelijkheid om een
                                            uitzondering te maken op de algemene lijn van behoud en
                                            duurzame ontwikkeling van wezenlijke kenmerken en
                                            waarden, is aan strikte voorwaarden gebonden. Dit ‘nee,
                                            tenzij-beleid' is vastgelegd in artikel 2.7.3 in
                                            combinatie met artikel 2.7.4 (voorwaarden waaronder
                                            afwijking van het beschermingsgregime mogelijk is). </noot.al><noot.al>In artikel 2.7.4 lid 1 is een
                                            afwijkingsmogelijkheid opgenomen ten behoeve van
                                            ontwikkelingen die van groot openbaar belang zijn. In
                                            artikel 2.7.4 lid 3 is een afwijkingsmogelijkheid
                                            opgenomen voor kleinschalige ontwikkelingen die weinig
                                            impact hebben op wezenlijk kenmerken en waarden. Wanneer
                                            een ontwikkeling geen effect heeft op de EHS voor wat
                                            betreft kwaliteit, areaal en samenhang, is afwijking
                                            niet nodig. In dat geval staat het beschermingsregime
                                            van de EHS de ontwikkeling immers niet in de
                                            weg.</noot.al><noot.al>De mogelijkheid om af te wijken van het
                                            beschermingsregime van de EHS is niet langer als een
                                            ontheffingsconstructie in de verordening opgenomen,
                                            omdat de Spoedwet Wro geen ontheffingsconstructies
                                            toestaat voor voorzienbare ontwikkelingen. </noot.al><noot.al><vet>Afwijkingsmogelijkheid 1 - Groot openbaar
                                                belang</vet></noot.al><noot.al>De gemeenteraad is op grond van artikel 2.7.4 lid 1
                                            bevoegd om bij de vaststelling van een bestemmingsplan
                                            af te wijken van het beschermingsregime dat op grond van
                                            artikel 2.7.3 van toepassing is. De gemeente moet dan
                                            wel aangetoond hebben dat er sprake is van groot
                                            openbaar belang én dat er geen reële alternatieven voor
                                            de betreffende ingreep zijn. Ook dient de gemeente te
                                            verzekeren dat de gevolgen van de ingreep zoveel
                                            mogelijk beperkt worden (mitigatie) en de overblijvende
                                            effecten voldoende gecompenseerd worden (compensatie). </noot.al><noot.al>Bij ontwikkelingen van groot openbaar belang kan
                                            gedacht worden aan veiligheid, drinkwatervoorziening en
                                            plaatsing van installaties voor winning, opslag of
                                            transport van gas. De mitigerende maatregelen moeten
                                            ervoor zorgen dat de negatieve effecten van de beoogde
                                            activiteit die niet kunnen worden voorkomen wel zoveel
                                            mogelijk beperkt worden gehouden. De compenserende
                                            maatregelen moeten ervoor zorgen dat de overblijvende
                                            optredende schade of negatieve effecten op een
                                            toereikende, tenminste op een gelijkwaardige wijze
                                            worden gecompenseerd. Na uitvoering van de compensatie
                                            moet er een duurzame situatie ontstaan. Om te borgen dat
                                            de compensatie binnen redelijke termijn gerealiseerd
                                            wordt, zal de compensatie geregeld moeten worden in
                                            hetzelfde plan dat de beoogde ontwikkeling mogelijk
                                            maakt. Als de compensatie plaatsvindt buiten het
                                            plangebied, moet de planologische regeling voor de
                                            compensatie zoveel mogelijk gelijktijdig in procedure
                                            worden gebracht met het bestemmingsplan waarin de
                                            beoogde ontwikkeling mogelijk wordt gemaakt. </noot.al><noot.al>Wij benadrukken dat aan alle voorwaarden in artikel
                                            2.7.4 lid 1 moet worden voldaan, voordat meegewerkt kan
                                            worden aan een afwijking. Ook hier geldt dat er vanuit
                                            andere wet- en regelgeving beperkingen kunnen gelden die
                                            toepassing van de afwijkingsbevoegdheid in de weg staan. </noot.al><noot.al>Voor de onderbouwing dat er in voldoende mate en
                                            tijdig wordt gemitigeerd en gecompenseerd, wordt in
                                            artikel 2.7.4 lid 2 een compensatieplan voorgeschreven.
                                            Het compensatieplan moet niet alleen de onderbouwing
                                            leveren wat er aan compensatie nodig is, maar ook
                                            garanties dat de benodigde mitigerende en compenserende
                                            maatregelen daadwerkelijk worden doorgevoerd. Het
                                            compensatieplan kan onderdeel uitmaken van de
                                            toelichting van het bestemmingsplan of de wijziging
                                            daarvan. </noot.al><noot.al>In artikel 2.7.5 is aangegeven wat in ieder geval
                                            in een compensatieplan moet zijn opgenomen. </noot.al><noot.al><vet>Afwijkingsmogelijkheid 2 - Kleinschalige
                                                ontwikkeling</vet></noot.al><noot.al>De gemeenteraad is op grond van artikel 2.7.4 lid 3
                                            bevoegd om bij de vaststelling van bestemmingsplannen af
                                            te wijken ten behoeve relatief kleinschalige
                                            ontwikkelingen waarvoor een wijziging van het
                                            bestemmingsplan nodig is. Bij een kleinschalige
                                            ontwikkelingen kan gedacht worden aan de plaatsing van
                                            een bijgebouw bij een woning die zelf net buiten de EHS
                                            ligt of het realiseren van een uitkijktoren van enige
                                            omvang ten behoeve van het recreatieve medegebruik van
                                            de EHS. </noot.al><noot.al>Voordat een gemeenteraad meewerkt aan een afwijking
                                            moet zijn aangetoond dat door de voorgestelde
                                            ruimtelijke ingreep slechts een beperkte aantasting van
                                            de wezenlijke kenmerken en waarden van het gebied
                                            plaatsvindt. Verder moet aangetoond zijn dat het
                                            initiatief per saldo leidt tot een versterking van de
                                            wezenlijke kenmerken en waarden van de EHS of tot
                                            vergroting van de oppervlakte van de EHS. De gemeente
                                            zal ook moeten onderbouwen dat de ruimtelijke ingreep op
                                            de gegeven locatie nodig is met een afweging van
                                            alternatieven. Uiteraard zullen er ter plekke zodanige
                                            maatregelen genomen moeten worden dat er sprake is van
                                            een goede landschappelijke en natuurlijke
                                            inpassing.</noot.al><noot.al>Wij benadrukken dat bij een afwijking ten behoeve
                                            van kleinschalige ontwikkelingen aan alle hierboven
                                            genoemde voorwaarden moet worden voldaan. Overigens
                                            kunnen er vanuit andere wet- en regelgeving beperkingen
                                            gelden aan de toepassing van deze
                                            afwijkingsbevoegdheid.</noot.al><noot.al>In de toelichting op het bestemmingsplan dat de
                                            beoogde ontwikkeling mogelijk maakt, zal moeten worden
                                            aangetoond dat aan bovenstaande punten wordt voldaan.
                                            Voor kleinschalige ontwikkelingen is geen
                                            compensatieplan vereist. Wel zullen onderzoeken en
                                            onderzoeksgegevens waarmee wordt aangetoond dat de
                                            effecten van de ingreep inderdaad beperkt zijn, als
                                            bijlage bij de toelichting moeten worden gevoegd. </noot.al><noot.al><vet>Meldingsplicht</vet></noot.al><noot.al>De EHS is van groot provinciaal belang. Als de
                                            gemeente van plan is om af te wijken van het
                                            beschermingsregime voor de EHS, dan dient dit in een
                                            vroeg stadium afgestemd te worden met de provinciale
                                            diensten als bedoeld in artikel 3.1.1 Besluit
                                            ruimtelijke ordening (Bro). Hiervoor is het ruimtelijke
                                            vooroverleg tussen provincie en gemeente het meest
                                            geëigende forum. In dit overleg kan worden bezien of aan
                                            alle relevante voorwaarden voor afwijking kan worden
                                            voldaan. </noot.al><noot.al>Artikel 2.7.4 lid 4 bevat de opdracht aan de
                                            gemeente om na de vaststelling van een bestemmingsplan
                                            (actief) bij Gedeputeerde Staten te melden dat gebruik
                                            is gemaakt van de afwijkingsmogelijkheden van artikel
                                            2.7.4 lid 1 en 3. Deze gegevens worden gebruikt voor het
                                            voorstel tot herbegrenzing aan Provinciale Staten
                                            waarbij de begrenzing van de EHS geactualiseerd wordt.
                                            Zie artikel 2.7.2.]</noot.al></noot></al></lid><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H55822_0_7_28_94_"> De gemeenteraad is bevoegd om bij
                                    de vaststelling van een bestemmingsplan voor relatief
                                    grootschalige ontwikkelingen of een combinatie van ingrepen
                                    binnen de EHS af te wijken van het beschermingsregime zoals
                                    vastgelegd in artikel 2.7.3 mits is aangetoond en verzekerd
                                    dat:</al><lijst><li nr="a."><al id="anker-H55822_0_7_28_94_30_"> er sprake is van
                                            redenen van groot openbaar belang,</al></li><li nr="b."><al id="anker-H55822_0_7_28_94_31_"> er geen reële
                                            alternatieven zijn,</al></li><li nr="c."><al id="anker-H55822_0_7_28_94_32_"> voor zover de negatieve
                                            effecten tengevolge van de beoogde activiteit niet
                                            kunnen worden voorkomen, deze zo beperkt mogelijk worden
                                            gehouden,</al></li><li nr="d."><al id="anker-H55822_0_7_28_94_33_"> overblijvende
                                            optredende schade of negatieve effecten op een
                                            toereikende maar tenminste op een gelijkwaardige wijze
                                            worden gecompenseerd. Het besluit hiertoe dient tegelijk
                                            genomen te worden met het besluit tot wijziging van de
                                            bestemming of de regels ter zake het gebruik van de
                                            grond.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H55822_0_7_28_95_"> Voor de onderbouwing van het
                                    bepaalde in lid 1 sub c en d wordt een compensatieplan
                                    vastgesteld.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al id="anker-H55822_0_7_28_96_"> De gemeenteraad is bevoegd om bij
                                    de vaststelling van een bestemmingsplan voor relatief
                                    kleinschalige ontwikkelingen binnen de EHS af te wijken van het
                                    beschermingsregime zoals vastgelegd in artikel 2.7.3 mits is
                                    aangetoond en verzekerd dat deze wijziging:</al><lijst><li nr="a."><al id="anker-H55822_0_7_28_96_34_"> de wezenlijke kenmerken
                                            en waarden slechts in beperkte mate aantast,</al></li><li nr="b."><al id="anker-H55822_0_7_28_96_35_"> per saldo gepaard gaat
                                            met een versterking van de wezenlijke kenmerken en
                                            waarden van de EHS, of een vergroting van de oppervlakte
                                            van de EHS,</al></li><li nr="c."><al id="anker-H55822_0_7_28_96_36_"> plaatsvindt na een
                                            zorgvuldige afweging van alternatieve locaties.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al id="anker-H55822_0_7_28_97_"> Wanneer het bestemmingsplan
                                    waarvoor een afwijking is toegepast als bedoeld in het eerste en
                                    derde lid onherroepelijk is geworden, doen burgemeester en
                                    wethouders hiervan melding bij Gedeputeerde Staten.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2.7.5. Compensatieplan</titel></kop><lid><lidnr/><al><noot id="d17e2256"><noot.nr>16</noot.nr><noot.al>[<vet>Toelichting: </vet>Een afwijking op grond van
                                            artikel 2.7.4 is alleen aanvaardbaar als compensatie van
                                            de negatieve effecten op de EHS voldoende verzekerd is.
                                            Het compensatieplan moet duidelijk maken welke
                                            compenserende en mitigerende maatregelen nodig zijn om
                                            de nadelige effecten van de ingreep weg te nemen of de
                                            ondervangen. Dit betekent dat in ieder geval er inzicht
                                            moet zijn in de effecten op de EHS. Daarom moeten
                                            onderzoeken en onderzoeksgegevens naar de effecten als
                                            bijlage bij het compensatieplan gevoegd worden. Ook moet
                                            uit het compensatieplan duidelijk worden welke waarde en
                                            betekenis de gemeente bij het bepalen van de compensatie
                                            heeft toegekend aan wettelijke regelingen en
                                            beleidsvisies van Rijk en provincie. </noot.al><noot.al>Om de opgave tot compensatie en mitigatie te kunnen
                                            benoemen, moet de actuele natuurkwaliteit in het veld
                                            zijn bepaald. In het compensatieplan zal beschreven
                                            moeten worden welke maatregelen getroffen zullen worden
                                            om het verlies van de kwantiteit en kwaliteit van de EHS
                                            tegen te gaan. </noot.al><noot.al>Het compensatieplan moet inzicht bieden in de wijze
                                            waarop het verlies aan (actuele) natuurwaarden wordt
                                            gecompenseerd. Voor het bepalen van de benodigde
                                            compensatie, wordt gebruik gemaakt van
                                            compensatiefactoren. Deze werkwijze is uitgewerkt in de
                                            Spelregels EHS. Voor de Natura 2000 gebieden, die zowel
                                            binnen als buiten de EHS liggen, zijn ook eisen van de
                                            Natuurbeschermingswet en bepalingen uit de Vogel- en
                                            Habitatrichtlijn van toepassing. Dit betekent dat er
                                            voor de Natura 2000-gebieden een aanvullend regime geldt
                                            naast het regime dat in deze verordening voor de EHS is
                                            geregeld. </noot.al><noot.al>Van groot belang is het verkrijgen van voldoende
                                            zekerheid dat een voorgenomen ingreep niet alleen op
                                            papier, maar ook daadwerkelijk zal worden gecompenseerd.
                                            Het wat, waarom, wanneer en door wie moet duidelijk
                                            zijn. Het compensatieplan moet inzicht geven wat er
                                            planologisch geregeld moet worden om de compensatie te
                                            kunnen realiseren. Ook moet het compensatieplan inzicht
                                            geven in de waarborgen die de gemeente biedt voor
                                            daadwerkelijke uitvoering van de compensatie. Dit speelt
                                            met name wanneer de initiatiefnemer (een burger of
                                            rechtspersoon) zelf de compenserende maatregelen moet
                                            (laten) uitvoeren. Deze waarborgen kunnen op
                                            verschillende manieren geboden worden. In veel gevallen
                                            zal een privaatrechtelijke overeenkomst tussen gemeente
                                            en initiatiefnemer juridische waarborgen moeten bieden
                                            dat de compensatie daadwerkelijk plaatsvindt. </noot.al><noot.al>In artikel 2.7.5 lid 1 sub c is de mogelijkheid
                                            voorzien dat compensatie geregeld wordt in de vorm van
                                            financiële compensatie voor het geval dat het de
                                            initiatiefnemer niet lukt om de benodigde compensatie
                                            fysiek te regelen. Op grond van nationale en
                                            internationale wet- en regelgeving is voor negatieve
                                            effecten op Natura 2000-gebieden geen financiële
                                            compensatie mogelijk.]</noot.al></noot></al></lid><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H55822_0_7_29_98_"> het compensatieplan, zoals bedoeld
                                    in artikel 2.7.4, lid 2 blijkt in ieder geval dat:</al><lijst><li nr="a."><al id="anker-H55822_0_7_29_98_37_">Uit de nadelige effecten
                                            zoveel mogelijk worden beperkt en -voor zover deze niet
                                            kunnen worden beperkt -voldoende worden gecompenseerd.
                                            In geval van afwijking op grond van artikel 2.7.4 lid 1
                                            betekent dit dat er geen nettoverlies van areaal,
                                            kwaliteit en samenhang van de wezenlijke kenmerken en
                                            waarden plaatsvindt. In geval van afwijking op grond van
                                            artikel 2.7.4 lid 3 betekent dit dat per saldo een
                                            versterking van de wezenlijke kenmerken en waarden of
                                            vergroting van het areaal van de EHS plaatsvindt,</al></li><li nr="b."><al id="anker-H55822_0_7_29_98_38_"> de compensatie door
                                            realisering van kwalitatief gelijkwaardige waarden of
                                            fysieke compensatie elders plaatsvindt,</al></li><li nr="c"><al id="anker-H55822_0_7_29_98_39_"> de compensatie op
                                            financiële wijze afdoende is geregeld als fysieke
                                            compensatie als bedoeld in lid b niet mogelijk is,</al></li><li nr="d."><al id="anker-H55822_0_7_29_98_40_"> de tenuitvoerlegging
                                            van de compensatie planologisch is dan wel mogelijk
                                            wordt gemaakt door het bestemmingsplan dat voorziet in
                                            de betreffende ontwikkeling in het geval de compensatie
                                            binnen hetzelfde plangebied plaatsvindt,</al></li><li nr="e."><al id="anker-H55822_0_7_29_98_41_"> de tenuitvoerlegging
                                            van de compensatie mogelijk is of mogelijk wordt gemaakt
                                            door (wijziging van) een ander bestemmingsplan dan het
                                            bestemmingsplan dat in de betreffende ontwikkeling
                                            voorziet in het geval dat de compensatie elders plaats
                                            vindt,</al></li><li nr="f."><al id="anker-H55822_0_7_29_98_42_"> welke
                                            compensatiemaatregelen zullen getroffen, waarbij zowel
                                            de aard, omvang, kwaliteit, locatie als tijdvak van
                                            uitvoering van de maatregelen en voorzieningen worden
                                            beschreven,</al></li><li nr="g."><al id="anker-H55822_0_7_29_98_43_"> de inrichting- en
                                            beheerskosten van de maatregelen en voorzieningen
                                            duurzaam geregeld zijn,</al></li><li nr="h."><al id="anker-H55822_0_7_29_98_44_"> de compensatie
                                            uitvoerbaar is en daadwerkelijk gerealiseerd kan worden
                                            en</al></li><li nr="i."><al id="anker-H55822_0_7_29_98_45_"> de wijze van monitoring
                                            en rapportage van de tenuitvoerlegging.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H55822_0_7_29_99_"> Indien het compensatieplan
                                    betrekking heeft op de uitvoering van een combinatie van
                                    ingrepen bevat het plan in aanvulling op lid 1 in ieder
                                    geval:</al><lijst><li nr="a."><al id="anker-H55822_0_7_29_99_46_"> een ruimtelijke visie
                                            waarin de plannen, projecten of handelingen in hun
                                            onderlinge samenhang worden gepresenteerd en waaruit
                                            blijkt dat het oppervlak natuur binnen de EHS minimaal
                                            gelijk blijft dan wel het EHS-areaal wordt
                                            vergroot,</al></li><li nr="b."><al id="anker-H55822_0_7_29_99_47_"> waarborgen dat de
                                            plannen, projecten of handelingen conform de ruimtelijke
                                            visie als bedoeld in sub a in onderlinge samenhang
                                            worden gerealiseerd.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al id="anker-H55822_0_7_29_100_"> Indien de compensatie bedoeld in
                                    het eerste en tweede lid voorziet in ontwikkelingen die
                                    gerealiseerd worden door een natuurlijke persoon of
                                    rechtspersoon, niet zijnde een publiekrechtelijke rechtspersoon,
                                    dan dient het compensatieplan specifieke waarborgen te bevatten
                                    dat de vereiste compensatie daadwerkelijk gerealiseerd zal
                                    worden. Deze waarborg dient tenminste te omvatten:</al><lijst><li nr="a."><al id="anker-H55822_0_7_29_100_48_"> de wijze waarop
                                            financiële zekerheidsstelling is gerealiseerd voor
                                            uitvoering van de maatregelen en voorzieningen van het
                                            compensatieplan alsmede voor de financiering van het
                                            ontwikkelingsbeheer,</al></li><li nr="b."><al id="anker-H55822_0_7_29_100_49_"> de uiterste termijn
                                            voor realisatie alsmede een effectieve boeteclausule die
                                            van toepassing is bij een niet tijdige of genoegzame
                                            tenuitvoerlegging van de verplichtingen uit het
                                            compensatieplan.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al id="anker-H55822_0_7_29_101_"> Gedeputeerde Staten kunnen nadere
                                    regels stellen over de compensatie zoals bedoeld in dit
                                    artikel.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Titel 2.8. Bos en natuurgebieden buiten de EHS </titel></kop><structuurtekst><al><noot id="d17e2340"><noot.nr>17</noot.nr><noot.al>[<vet>Toelichting: </vet>Provinciaal belang </noot.al><noot.al>Buiten de EHS zijn in de provincie in ruime mate bos-
                                        en natuurgebieden aanwezig. Deze gebieden hebben vaak
                                        gebiedskenmerken die bepalend zijn voor de ruimtelijke
                                        kwaliteit en die daarom behouden dienen te blijven. In
                                        aanvulling op de gebiedskenmerken - die vooral gericht zijn
                                        op het behoud en herstel van landschapskenmerken - voorziet
                                        de verordening in een aanvullende bescherming voor bos- en
                                        natuurgebieden vanwege het belang van deze gebieden voor
                                        flora- en fauna. Gelet op dit functie is het ongewenst dat
                                        bos- en natuurelementen worden ‘verplaatst'. De
                                        gebiedskenmerken sluiten immers niet uit dat bestaande
                                        groene elementen worden ‘verschoven' mits daarbij de
                                        karakteristiek van het gebied gehandhaafd blijft. Dit zou
                                        een verlies van natuurwaarden kunnen betekenen, bijvoorbeeld
                                        waar oude bosbodems verloren gaan. </noot.al><noot.al>Specifieke bestemming </noot.al><noot.al>Daarom wordt in artikel 2.8.2. bepaald dat bestaande
                                        bos- en natuurgebieden die als zodanig zijn bestemd in
                                        geldende bestemmingsplannen ook in de toekomst voorzien
                                        moeten blijven van een specifieke bestemming. Deze bepaling
                                        is alleen van toepassing op bos- en natuurgebieden en niet
                                        op landschapselementen. Aantasting van de aanwezige en te
                                        ontwikkelen waarden alleen in zeer uitzonderlijke situaties
                                        toegestaan. In die gevallen moet aangetoond worden dat er
                                        sprake is van zwaarwegende maatschappelijke belangen
                                        waarvoor geen alternatieve oplossingen gevonden kunnen
                                        worden. Verzekerd moet zijn dat de ingrepen voldoende worden
                                        gecompenseerd. Dit houdt in dat de aanwezige waarden in het
                                        gebied in kwantitatieve en kwalitatieve zin ten minste
                                        behouden blijven. ]</noot.al></noot></al></structuurtekst><artikel><kop><titel>Artikel 2.8.1. Begripsbepalingen </titel></kop><al>In deze titel wordt verstaan onder: </al><al>a. bestaande natuur: bestaande bos- en natuurgebieden buiten de EHS
                                die op het moment van inwerkingtreding van deze verordening in
                                geldende bestemmingsplannen als zodanig zijn bestemd.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2.8.2. </titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H55822_0_8_31_102_"> Bestemmingsplannen die betrekking
                                    hebben op bestaande natuur voorzien in een specifieke, daarop
                                    toegesneden bestemming die gericht is op behoud, herstel en
                                    ontwikkeling van natuur- en landschapswaarden. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H55822_0_8_31_103_"> Bestemmingsplannen als bedoeld in
                                    lid 1 voorzien niet in ontwikkelingen waardoor de aanwezige en
                                    te ontwikkelen natuur- en landschapswaarden worden aangetast.
                                </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al id="anker-H55822_0_8_31_104_"> In afwijking van het gestelde
                                    onder 2 kunnen ontwikkelingen worden toegestaan die uit een
                                    oogpunt van zwaarwegende maatschappelijke belangen noodzakelijk
                                    zijn en waarin niet op een andere wijze kan worden voorzien,
                                    mits in voldoende mate in compensatie is voorzien. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al id="anker-H55822_0_8_31_105_"> Gedeputeerde Staten kunnen regels
                                    stellen voor het bieden van compensatie als bedoeld in het
                                    vorige lid.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Titel 2.9. Reconstructiebeleid </titel></kop><structuurtekst><al><noot id="d17e2392"><noot.nr>18</noot.nr><noot.al>[<vet>Toelichting: </vet>Provinciaal belang </noot.al><noot.al>Naast de Omgevingsvisie blijft het Reconstructieplan
                                        Salland-Twente van kracht. </noot.al><noot.al>Eén van de instrumenten voor uitvoering van het
                                        reconstructieplan was tot 1 juli 2008 de provinciale
                                        goedkeuring van gemeentelijke bestemmingsplannen. Met dat
                                        instrument kon vooral effectief worden voorkomen dat
                                        bestemmingsplannen rechtskracht zouden krijgen die
                                        ontwikkelingsmogelijkheden boden in strijd met het
                                        reconstructieplan. Die waarborg is als zodanig met de nieuwe
                                        Wet ruimtelijke ordening verdwenen. Om de doorwerking van
                                        het reconstructieplan veilig te stellen is het noodzakelijk
                                        om in de provinciale verordening te bepalen dat -kort
                                        gezegd- het in het reconstructieplan vastgelegde beleid in
                                        gemeentelijke bestemmingsplannen moet worden vertaald. </noot.al><noot.al>Doorwerking in gemeentelijke plannen </noot.al><noot.al>Omwille van de rechtszekerheid wordt die verplichting
                                        geënt op het reconstructieplan zoals dat is vastgesteld en
                                        nadien gewijzigd door Provinciale Staten bij besluit van 15
                                        december 2004, laatstelijk gewijzigd per 1 juli 2009 </noot.al><noot.al>De verplichting heeft dus niet automatisch betrekking
                                        op eventuele toekomstige herzieningen van het
                                        reconstructieplan. Indien ook die herzieningen hun
                                        doorwerking moeten vinden in gemeentelijke
                                        bestemmingsplannen, zal de verordening in die zin moeten
                                        worden aangepast. </noot.al><noot.al>Met de reconstructiegemeenten zijn bestuurlijke
                                        afspraken gemaakt, strekkend onder andere tot aanpassing van
                                        de gemeentelijke bestemmingsplannen aan het
                                        reconstructieplan. Daarbij is ook overeengekomen binnen
                                        welke termijn die aanpassingen hun beslag moeten hebben
                                        gekregen. </noot.al><noot.al>Niet alle afspraken op dit punt zijn geëffectueerd. Ook
                                        is met de afspraken niet of niet volledig geborgd dat de
                                        bestemmingsplannen met het reconstructieplan in
                                        overeenstemming zullen blijven. Die waarborg wordt wel
                                        verkregen via het bepaalde in artikel 2.9.2., inhoudende dat
                                        bestemmingsplannen met het reconstructieplan in
                                        overeenstemming dienen te zijn (en dus ook te blijven). In
                                        aanmerking genomen dat de destijds overeengekomen termijn
                                        voor aanpassing van de gemeentelijke plannen al enkele jaren
                                        is verstreken, is het ter voorkoming van ongewenste
                                        ontwikkelingen niet meer dan redelijk, zo niet noodzakelijk,
                                        om voor die aanpassing nu een termijn te bepalen die de
                                        helft bedraagt (zes maanden) van de termijn voor overige
                                        aanpassingen van bestemmingsplannen aan de verordening. </noot.al><noot.al>Zoals ook bij de toelichting op de kwaliteitsimpuls
                                        Groene omgeving is vermeld, blijft het generieke beleid
                                        zoals neergelegd in titel 2.9. daarbij onverkort van
                                        toepassing. ]</noot.al></noot></al></structuurtekst><artikel><kop><titel>Artikel 2.9.1. Begripsbepalingen </titel></kop><al>In deze titel wordt verstaan onder: </al><al>a. reconstructieplan: het Reconstructieplan Salland-Twente, zoals
                                vastgesteld door Provinciale Staten van Overijssel bij besluit van
                                15 september 2004 (nr. PS/2004/738) en laatstelijk gewijzigd bij
                                besluit van 1 juli 2009.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2.9.2. Doorwerking reconstructieplan </titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H55822_0_9_33_106_"> Bestemmingsplannen voor gebieden
                                    die zijn opgenomen in het reconstructieplan dienen, voor wat
                                    betreft de mogelijkheden van bebouwing en het gebruik van
                                    gronden en opstallen, in overeenstemming te zijn met het
                                    reconstructieplan. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H55822_0_9_33_107_"> Voor zover aan het bepaalde in
                                    lid 1 nog niet is voldaan, geldt voor die vaststelling in
                                    afwijking van het bepaalde in artikel 4.1, tweede lid van de Wet
                                    ruimtelijke ordening, een termijn van zes maanden na
                                    inwerkingtreding van deze titel.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2.9.3. Eisen toelichting </titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H55822_0_9_34_108_"> Bestemmingsplannen voor gebieden
                                    die als landbouwontwikkelingsgebied zijn opgenomen in het
                                    reconstructieplan gaan vergezeld van een toelichting dan wel
                                    onderbouwing, waaruit blijkt op basis van welke gegevens,
                                    waarderingen en afwegingen tot vaststelling is besloten, een en
                                    ander in overeenstemming met de vereisten van het
                                    Reconstructieplan Salland-Twente. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H55822_0_9_34_109_"> Bij de toelichting dan wel
                                    onderbouwing als bedoeld in lid 1 wordt in elk geval expliciet
                                    verwoord op welke wijze de regels met betrekking tot bebouwing
                                    en het gebruik van gronden en opstallen op het reconstructieplan
                                    zijn afgestemd.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Titel 2.10. Glastuinbouwlocaties </titel></kop><structuurtekst><al><noot id="d17e2458"><noot.nr>19</noot.nr><noot.al>[<vet>Toelichting: </vet>Provinciaal belang </noot.al><noot.al>Het beleid in de Omgevingsvisie is gericht op verdere
                                        ontwikkeling van het glastuinbouwcluster in de
                                        Koekoekspolder binnen de daarvoor aangegeven grens en op het
                                        tegengaan van nieuwvestiging van glastuinbouwbedrijven
                                        buiten dat gebied. </noot.al><noot.al>Alleen in Koekoekspolder </noot.al><noot.al>Titel 2.10. beoogt de doorwerking van dit beleid
                                        juridisch te borgen. </noot.al><noot.al>Al bestaande en als zodanig bestemde
                                        glastuinbouwbedrijven buiten de Koekoekspolder worden door
                                        het bepaalde in artikel 1 niet in hun
                                        uitbreidingsmogelijkheden beperkt, met dien verstande dat
                                        dergelijke beperkingen wel kunnen voortvloeien uit andere
                                        regels en dat de voorgenomen uitbreidingen uiteraard niet
                                        feitelijk het karakter van nieuwvestiging mogen hebben. </noot.al><noot.al>Ondersteunend glas </noot.al><noot.al>Overigens ziet titel 2.10. niet op gevallen waar sprake
                                        is van ondersteunend glas, bijvoorbeeld ten behoeve van de
                                        boomteelt. Daarvoor gelden overigens wel de generieke
                                        bepalingen van titel 2.1. (voorwaarden van zuinig en
                                        zorgvuldig ruimtegebruik, ontwikkelingsperspectieven en
                                        gebiedskenmerken). ]</noot.al></noot></al></structuurtekst><artikel><kop><titel>Artikel 2.10.1. </titel></kop><al>Bestemmingsplannen en projectbesluiten voorzien niet in nieuwe
                                mogelijkheden voor de vestiging van glastuinbouwbedrijven buiten het
                                daarvoor op de kaart Ontwikkelingsperspectieven nr. 009295055 als
                                ‘glastuinbouw’ aangegeven glastuinbouwgebied de Koekoekspolder.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Titel 2.11. Cultuurhistorie </titel></kop><structuurtekst><al><noot id="d17e2491"><noot.nr>20</noot.nr><noot.al>[<vet>Toelichting: </vet>Provinciaal belang </noot.al><noot.al>Cultuurhistorische waarden spelen een belangrijke rol
                                        in de identiteit en de leefkwaliteit van Overijssel. </noot.al><noot.al>De provincie zet in op een integrale benadering van het
                                        cultuurhistorisch erfgoed in ruimtelijke ontwikkelingen. De
                                        uitdaging ligt in het behouden van cultuurhistorische
                                        waarden door ze te verbinden met actuele en toekomstige
                                        (ruimtelijke) ontwikkelingen. Door het vinden van een nieuwe
                                        functie en bestaansbasis die aansluit bij de eisen van de
                                        huidige samenleving wordt behoud op de lange termijn veilig
                                        gesteld. </noot.al><noot.al>Het behoud en het beleefbaar maken van
                                        cultuurhistorische waarden levert een bijdrage aan een
                                        aantrekkelijk woon- en leefklimaat en aan een grotere
                                        toeristische belevingswaarde. Cultuurhistorische waarden
                                        zijn in deze optiek geen belemmering voor voorgenomen
                                        ruimtelijke ontwikkelingen, maar bieden juist kansen om te
                                        benutten bij het versterken van het ruimtelijke ontwerp. Om
                                        die rol goed te kunnen vervullen is het van belang dat in
                                        vroegtijdig stadium van de planvorming bekend is welke
                                        waarden in een gebied aanwezig zijn zodat daarmee gerekend
                                        kan worden. </noot.al><noot.al>Gebiedskenmerken </noot.al><noot.al>Door middel van de gebiedskenmerken zoals die in de
                                        Catalogus Gebiedskenmerken zijn benoemd wordt voor een groot
                                        deel al bereikt dat rekening wordt gehouden met aanwezige
                                        cultuurhistorische waarden. Deze gebiedskenmerken zullen
                                        vooral een rol gaan spelen op het moment dat over wordt
                                        gegaan tot inpassing van een ontwikkeling in het landschap.
                                        De specifieke motiveringsplicht die geregeld wordt in
                                        artikel 2.12.2. moet ertoe leiden dat in een vroegtijdig
                                        stadium van de planontwikkeling rekening wordt gehouden met
                                        de aanwezige cultuurhistorische waarden zodat die niet
                                        alleen beschermd worden, maar ook positief benut gaan worden
                                        bij de keuze van de locatie en de aard en functie van
                                        ruimtelijke ontwikkelingen. </noot.al><noot.al>Gemeenten zijn op basis van de Wet op de Archeologische
                                        Monumentenzorg al verplicht om het archeologisch erfgoed
                                        zoveel mogelijk ter plekke te bewaren en beheermaatregelen
                                        te treffen om dit te bewerken. Dit is een punt van aandacht
                                        in de toelichting op bestemmingsplannen. Deze
                                        motiveringsplicht wordt met deze regeling in de verordening
                                        verbreed zodat ook aan het bovengrondse deel van het
                                        cultuurhistorisch erfgoed in de ruimtelijke afwegingen
                                        aandacht moet worden besteed. </noot.al><noot.al>Archeologische verwachtingskaart </noot.al><noot.al>De Archeologische Verwachtingskaart geeft de kans op
                                        het aantreffen van archeologische waarden en de
                                        Archeologische Gebiedenkaart geeft de archeologische waarden
                                        en monumenten aan die op basis van vondsten bekend zijn.
                                        Deze kaarten kunnen gebruikt worden bij het ontwikkelen van
                                        een visie op ruimtelijke plannen. In 2009 wordt nog een
                                        detailkaart aardkundige waarden gemaakt. In de Catalogus
                                        Gebiedskenmerken wordt voor diverse landschapstypen aandacht
                                        gevraagd voor cultuurhistorische, archeologische en
                                        aardkundige waarden. De provinciale archeologische
                                        gebiedenkaart en de provinciale archeologische
                                        verwachtingenkaart geven de archeologische waarden en
                                        verwachtingen weer op provinciaal niveau. Het merendeel van
                                        de Overijsselse gemeenten beschikt echter ook over een eigen
                                        archeologische waardenkaart om aan de verplichtingen van de
                                        Wet op de Archeologische Monumentenzorg te voldoen.
                                        Gemeenten kunnen bij de ontwikkeling van hun plannen
                                        uiteraard gebruik maken van dit meer gedetailleerde
                                        kaartmateriaal. ]</noot.al></noot></al></structuurtekst><artikel><kop><titel>Artikel 2.11.1. Begripsbepalingen </titel></kop><al>In deze titel wordt verstaan onder: </al><al>a. cultuurhistorische waarden: het samenspel van historische
                                landschappen, historisch geografische elementen en structuren,
                                cultuurhistorisch waardevolle gebouwen en bouwwerken en
                                archeologische vindplaatsen die iets vertellen over het
                                verleden.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2.11.2. </titel></kop><al>In de toelichting op bestemmingsplannen wordt aangegeven op welke
                                wijze bij de planontwikkeling rekening is gehouden met de aanwezige
                                cultuurhistorische waarden.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Titel 2.12. Verblijfsrecreatie </titel></kop><structuurtekst><al><noot id="d17e2535"><noot.nr>21</noot.nr><noot.al>[<vet>Toelichting: </vet>Provinciaal belang </noot.al><noot.al>Het huidige aanbod aan verblijfsaccommodaties in
                                        Overijssel sluit niet in alle opzichten aan op de behoeften
                                        van recreanten en toeristen. Kwantitatief is er in principe
                                        voldoende aanbod. Kwalitatief schiet het aanbod nog te kort. </noot.al><noot.al>Verdere uitbreiding van het aantal recreatiewoningen is
                                        ongewenst omdat bij een te lage bezettingsgraad van
                                        recreatiewoningen het risico van permanente bewoning
                                        toeneemt. Ook om het ondernemerschap en de kwaliteit van de
                                        voorzieningen onder druk te staan. Afgezien daarvan is het
                                        uit een oogpunt van zuinig ruimtegebruik ongewenst om nieuw
                                        aanbod te creëren die niet zal worden opgenomen door de
                                        recreatieve verhuurmarkt. Om het huidige aanbod aan
                                        recreatiewoningen meer aan te laten sluiten op de vraag zet
                                        de provincie in op kwaliteitsverbetering en het vergroten
                                        van de diversiteit in het aanbod aan verblijfsaccommodatie
                                        in Overijssel. Recreatiewoningen dienen beschikbaar te zijn
                                        voor de verhuur omdat hierdoor meer mensen kunnen profiteren
                                        van deze verblijfsrecreatieve voorzieningen en er meer
                                        toeristen naar Overijssel kunnen komen. De provincie
                                        verwacht dat door de steeds wisselende vakantiegangers, het
                                        economische effect (= bestedingen) voor de omgeving groter
                                        is. De bedrijfsmatige exploitatie van complexen van
                                        recreatiewoningen biedt garanties dat de recreatiewoningen
                                        op de lange termijn beschikbaar blijven voor verhuur. </noot.al><noot.al>Beperkt ruimte </noot.al><noot.al>In de verordening wordt de uitspraak in de Ontwerp
                                        Omgevingsvisie vastgelegd dat alleen nog ruimte wordt
                                        geboden voor de bouw van nieuwe recreatiewoningen als sprake
                                        is van een innovatief concept en als verzekerd is dat de
                                        recreatiewoningen voor de verhuur beschikbaar zijn en
                                        bedrijfsmatig geëxploiteerd zullen worden. Onder innovatieve
                                        concepten worden verstaan verblijfsrecreatieve voorzieningen
                                        die voorzien in een nieuw aanbod waarin de markt tot dusver
                                        nog niet voorziet en die een meerwaarde bieden voor het
                                        toeristisch-recreatieve product van Overijssel. Onder de
                                        kwaliteitsimpuls voor bestaande recreatiebedrijven vallen
                                        die situaties waarin een bestaand recreatieterrein een
                                        totale verbetering ondergaat door investeringen in de
                                        aanwezige recreatieverblijven waarbij voor de exploitatie
                                        ook nieuwe recreatiewoningen moeten worden toegevoegd.
                                        Daarbij geldt dat ook geïnvesteerd moet worden in de
                                        inpassing van het recreatieterrein in het landschap waardoor
                                        de ruimtelijke kwaliteit van het gebied verbeterd. Hierdoor
                                        wordt niet alleen de kwaliteit van de voorziening verbeterd,
                                        maar ook de ruimtelijke kwaliteit van de omgeving. </noot.al><noot.al>Verder worden enkele specifieke locaties (die al in het
                                        Gebiedsperspectief Noordwest-Overijssel waren voorzien en de
                                        locatie Saasveld waarvoor eerder een plan voor
                                        verblijfsrecreatie is goedgekeurd) buiten het ‘verbod op
                                        nieuwe recreatiewoningen' gehouden omdat daar sprake is van
                                        ‘bestaande rechten'. Voor deze locaties geldt uiteraard wel
                                        de eis van op de verhuurgerichte, bedrijfsmatige
                                        exploitatie. </noot.al><noot.al>Op het moment dat toepassing wordt gegeven aan artikel
                                        2.12.2. lid 1 is ook artikel 2.1.6. (kwaliteitsimpuls) van
                                        toepassing en zal een extra investering moeten worden gedaan
                                        in ruimtelijke kwaliteit. </noot.al><noot.al>AMvB Ruimte </noot.al><noot.al>In de AMvB Ruimte zal het Rijk juridisch bindende
                                        normen opnemen ten aanzien van de nieuwbouw van
                                        recreatiewoningen die rechtstreeks doorwerking hebben op
                                        gemeentelijke bestemmingsplannen. Daar waar het Rijk ruimte
                                        biedt voor nieuwbouw van recreatiewoningen op locaties
                                        buiten het bestaand bebouwd gebied waar ook woningbouw kan
                                        worden toegestaan en voor complexen van recreatiewoningen
                                        voor zover het recreatieve gebruik door middel van een
                                        bedrijfsmatige exploitatie is verzekerd, ziet de provincie
                                        aanleiding om verdergaande beperkingen op te leggen gelet op
                                        het aanwezige aanbod in Overijssel. De aanvullende eis is
                                        dat er sprake moet zijn van een innovatief concept dan wel
                                        een kwaliteitsimpuls van bestaande terreinen. Verder moet
                                        het gaan om een op verhuur gerichte exploitatie. </noot.al><noot.al>Permanente bewoning </noot.al><noot.al>In de verordening wordt het principe vastgelegd dat
                                        recreatiewoningen die op enig moment als zodanig zijn
                                        gebouwd, beschikbaar moeten blijven voor recreatief gebruik
                                        door een breed publiek. Conform het Rijksbeleid wordt ruimte
                                        gelaten voor een persoonsgebonden
                                        overgangsrecht/gedoogbeschikking/ontheffing voor die
                                        gevallen waarin vóór 31 oktober 2003 sprake was van
                                        permanente bewoning die sindsdien onafgebroken is
                                        voortgezet. Waar gemeenten op het moment van
                                        inwerkingtreding van de verordening een objectgebonden
                                        overgangsrecht hebben toegekend, wordt dit als een bestaand
                                        recht gerespecteerd. </noot.al><noot.al>Geen woonbestemming </noot.al><noot.al>In aanvulling op de toekomstige regeling in de AMvB
                                        Ruimte - die voor de provincie Overijssel te ruim wordt
                                        geacht - wordt geregeld dat de bestemming van
                                        recreatiewoningen niet mag worden gewijzigd in een
                                        woonbestemming. De achtergrond van deze regel is dat
                                        recreatiewoningen die op enig moment als zodanig zijn
                                        gebouwd, beschikbaar moeten blijven voor een recreatieve
                                        functie om te voorkomen dat voor de bouw van nieuwe
                                        recreatiewoningen (opnieuw) beslag wordt gelegd op de groene
                                        omgeving. </noot.al><noot.al>Een uitzondering op deze regel wordt gemaakt voor die
                                        permanent bewoonde recreatiewoningen die staan in stads- en
                                        dorpsrandgebieden, voor zover het niet gaat om gebieden die
                                        aangewezen zijn als EHS en nationaal landschap. Daarbij moet
                                        ook worden voldaan aan de eisen van het Bouwbesluit voor
                                        (bestaande) regulier woningen en relevante milieuwetgeving
                                        en milieuregelgeving. Reden voor deze uitzondering is dat
                                        deze gebieden op termijn wellicht toch gaan vallen binnen
                                        het stads- en dorpsgebied in het kader van stadsuitleg en
                                        een woonfunctie aansluit bij de functie van het naastgelegen
                                        gebied. ]</noot.al></noot></al></structuurtekst><artikel><kop><titel>Artikel 2.12.1. </titel></kop><lid><lidnr/><al>In deze verordening wordt verstaan onder: </al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al id="anker-H55822_0_12_38_110_"> recreatiewoning: een permanent
                                    ter plaatse aanwezig gebouw, dat niet op wielen verplaatsbaar is
                                    en dat bedoeld is om uitsluitend door een huishouden of daarmee
                                    gelijk te stellen groep van personen, dat het hoofdverblijf
                                    elders heeft, gedurende een gedeelte van het jaar te worden
                                    gebruikt voor toeristisch of recreatief gebruik. Onder
                                    recreatiewoningen worden niet verstaan groepsaccommodaties zoals
                                    kampeerboerderijen en jeugdherbergen; </al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al id="anker-H55822_0_12_38_111_"> recreatieverblijf: een gebouw of
                                    kampeermiddel dat bedoeld is om uitsluitend door een huishouden
                                    of daarmee gelijk te stellen groep van personen, dat het
                                    hoofdverblijf elders heeft, gedurende een gedeelte van het jaar
                                    te worden gebruikt; </al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al id="anker-H55822_0_12_38_112_"> kampeermiddel: een tent,
                                    kampeerauto of caravan dan wel enig ander onderkomen of voertuig
                                    of gedeelte daarvan, voor zover deze onderkomens of voertuigen
                                    geheel of ten dele blijvend bestemd zijn of kunnen worden
                                    gebruikt voor toeristisch nachtverblijf; </al></lid><lid><lidnr>d.</lidnr><al id="anker-H55822_0_12_38_113_"> bedrijfsmatige exploitatie: het
                                    via een bedrijf, stichting of andere rechtspersoon voeren van
                                    een zodanig beheer dat in de recreatieve verblijven
                                    daadwerkelijk recreatieve (nacht)verblijfsmogelijkheden worden
                                    geboden. </al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2.12.2. </titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H55822_0_12_39_114_"> Bestemmingsplannen en
                                    projectbesluiten voorzien uitsluitend in de bouw van nieuwe
                                    recreatiewoningen indien en voor zover het betreft:</al><lijst><li nr="a."><al id="anker-H55822_0_12_39_114_50_"> de nieuwbouw van een
                                            complex van recreatiewoningen waarvan het recreatieve
                                            gebruik door middel van een op verhuur gerichte
                                            bedrijfsmatige exploitatie is verzekerd en tevens sprake
                                            is van een innovatief concept dan wel een
                                            kwaliteitsimpuls van bestaande recreatieterreinen
                                            waarvan de bouw van nieuwe recreatiewoningen onderdeel
                                            uitmaakt; </al></li><li nr="b."><al id="anker-H55822_0_12_39_114_51_"> de locaties voor
                                            verblijfsrecreatie die als zodanig zijn aangegeven op
                                            kaart Recreatie nr. 09295051, waarbij geldt dat op
                                            locaties aangeduid met * alleen kleinschalige complexen
                                            zijn toegestaan, mits door middel van een op verhuur
                                            gerichte bedrijfsmatige exploitatie verzekerd is dat er
                                            sprake zal zijn van recreatief gebruik. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H55822_0_12_39_115_"> Het bepaalde in lid 1 is niet
                                    van toepassing op recreatiewoningen die worden gerealiseerd in
                                    het kader van de kwaliteitsimpuls Groene omgeving, voor zover
                                    deze recreatiewoningen voldoen aan de eis van op de
                                    verhuurgerichte, bedrijfsmatige exploitatie.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2.12.3. </titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H55822_0_12_40_116_"> De regels van bestemmingsplannen
                                    sluiten permanente bewoning van recreatiewoningen en
                                    recreatieverblijven uit. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H55822_0_12_40_117_"> In afwijking van het bepaalde in
                                    lid 1 kan permanente bewoning van recreatiewoningen worden
                                    toegestaan met een daarop gericht persoonsgebonden
                                    overgangsrecht, een persoonsgebonden gedoogbeschikking of een
                                    persoonsgebonden ontheffing, voor zover deze recreatiewoningen
                                    vóór of op 31 oktober 2003 permanent werden bewoond en dat
                                    gebruik sindsdien onafgebroken is voortgezet. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al id="anker-H55822_0_12_40_118_"> In afwijking van het bepaalde in
                                    lid 1 kan permanente bewoning van recreatiewoningen worden
                                    toegestaan met een daarop gericht objectgebonden overgangsrecht,
                                    voor zover deze recreatiewoningen vóór of op 31 oktober 2003
                                    permanent werden bewoond en dat gebruik sindsdien onafgebroken
                                    is voortgezet, voor zover op het moment van inwerkingtreding van
                                    deze verordening in een geldende bestemmingsplan voorzien was in
                                    een dergelijk objectgebonden overgangsrecht.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2.12.4. </titel></kop><lid><lidnr/><al><noot id="d17e2645"><noot.nr>22</noot.nr><noot.al>[<vet>Toelichting: </vet>Het Rijk heeft er vanaf
                                            gezien om in de AmvB Ruimte/Besluit algemene regels
                                            ruimtelijke ordening (Barro) een regeling te treffen
                                            voor permanent bewoonde recreatiewoningen. De provincie
                                            Overijssel ziet vanuit haar belang van zuinig en
                                            zorgvuldig ruimtegebruik wel aanleiding om hiervoor iets
                                            te regelen. Kern van de bepaling is dat de bestemming
                                            van recreatiewoningen niet mag worden gewijzigd in een
                                            woonbestemming. De achtergrond van deze regel is dat
                                            recreatiewoningen die nu als zodanig bestemd zijn,
                                            beschikbaar moeten blijven voor een recreatieve functie
                                            om te voorkomen dat voor de bouw van nieuwe
                                            recreatiewoningen (opnieuw) beslag wordt gelegd op de
                                            groene omgeving.</noot.al><noot.al>Een uitzondering op deze regel wordt gemaakt voor
                                            die permanent bewoonde recreatiewoningen die staan in
                                            stads- en dorpsrandgebieden, voor zover het niet gaat om
                                            gebieden die aangewezen zijn als EHS en Nationaal
                                            Landschap. Daarbij moet ook worden voldaan aan de eisen
                                            van het Bouwbesluit voor (bestaande) reguliere woningen
                                            en relevante milieuwetgeving en milieuregelgeving. Reden
                                            voor deze uitzondering is dat deze gebieden op termijn
                                            wellicht toch gaan vallen binnen het stads- en
                                            dorpsgebied in het kader van stadsuitleg en een
                                            woonfunctie die aansluit bij de functie van het
                                            naastgelegen gebied.]</noot.al></noot></al></lid><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H55822_0_12_41_119_"> Bestemmingsplannen voorzien niet
                                    in wijziging van geldende bestemmingsplannen waarbij aan een
                                    recreatiewoning die op dat moment als zodanig is bestemd, een
                                    woonbestemming wordt toegekend. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H55822_0_12_41_120_"> In afwijking van het bepaalde in
                                    lid 1 kan aan recreatiewoningen een woonbestemming worden
                                    toegekend voor zover deze recreatiewoningen al vóór of op 31
                                    oktober 2003 permanent bewoond werden en deze permanente
                                    bewoning sindsdien onafgebroken is voortgezet voor zover: </al><lijst><li nr=""><al id="anker-H55822_0_12_41_120_52_">• voldaan wordt aan de
                                            eisen van het Bouwbesluit 2012 voor (bestaande)
                                            reguliere woningen; </al></li><li nr=""><al id="anker-H55822_0_12_41_120_53_">• voldaan wordt aan
                                            relevante milieuwet- en regelgeving; </al></li><li nr=""><al id="anker-H55822_0_12_41_120_54_">• de recreatiewoningen
                                            staan in stads- en dorpsrandgebieden voor zover het niet
                                            gaat om gebieden die zijn aangewezen als EHS en
                                            Nationaal Landschap.</al></li></lijst></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Titel 2.13. Drinkwatervoorziening </titel></kop><structuurtekst><al><noot id="d17e2681"><noot.nr>23</noot.nr><noot.al>[<vet>Toelichting: </vet>Provinciaal belang </noot.al><noot.al>De bescherming van het grondwater met het oog op de
                                        openbare drinkwatervoorziening is een provinciaal belang.
                                        Daarom worden de bestaande en toekomstige
                                        drinkwatervoorzieningen (ook) via de ruimtelijke ordening
                                        beschermd. Voor het ruimtelijke ordeningsbeleid is het
                                        uitgangspunt dat het risico op verontreiniging van het
                                        grondwater binnen grondwaterbeschermingsgebieden en
                                        intrekgebieden wordt tegengegaan. Hierbij worden in deze
                                        titel bepalingen opgenomen die ruimte bieden voor
                                        ontwikkelingen in grondwaterbeschermingsgebieden en
                                        intrekgebieden voor zover deze ontwikkelingen: </noot.al><noot.al>¿ Bijdragen aan kwalitatief goed grondwater; </noot.al><noot.al>¿ De risico van grondwaterverontreiniging verkleinen; </noot.al><noot.al>¿ Geen risico van grondwaterverontreiniging met zich
                                        meebrengen. </noot.al><noot.al>Werkingsgebied </noot.al><noot.al>Voor een juiste bepaling van de locaties waarvoor de
                                        betreffende onderdelen van toepassing zijn, zijn aan de
                                        verordening kaarten (op perceelsniveau) toegevoegd die de
                                        volgende gebieden aanduiden: </noot.al><noot.al>¿ Grondwaterbeschermingsgebieden </noot.al><noot.al>¿ Grondwaterbeschermingsgebieden met stedelijke
                                        functies </noot.al><noot.al>¿ Intrekgebieden </noot.al><noot.al>¿ Intrekgebieden met stedelijke functies </noot.al><noot.al>¿ Waterwingebieden </noot.al><noot.al>Relatie milieuspoor </noot.al><noot.al>De bescherming van de drinkwatervoorziening dient
                                        enerzijds gerealiseerd te worden door middel van het
                                        ruimtelijke ordeningsspoor. Anderzijds dient ook in het
                                        milieuspoor zorg te worden gedragen voor de bescherming van
                                        de drinkwatervoorziening. Hiervoor zijn in hoofdstuk 3 van
                                        deze verordening de noodzakelijke regelingen getroffen. Voor
                                        de toelichting hierop wordt verwezen naar de passages bij
                                        hoofdstuk 3. </noot.al><noot.al>Definities </noot.al><noot.al>In titel 2.13. is voor de gebruikte definities
                                        aansluiting gevonden bij de omschrijvingen zoals opgenomen
                                        in de waterbijlage van de Omgevingsvisie. Het gaat daarbij
                                        om onder andere de volgende definities: harmoniërende
                                        functies, niet-risicovolle functies, grote en grootschalige
                                        risicovolle functies, stand still-principe en stap
                                        vooruit-principe. </noot.al><noot.al>Onder harmoniërende functies worden in elk geval
                                        verstaan: </noot.al><noot.al>¿ Extensieve land- en tuinbouw, waaronder
                                        beheerslandbouw en biologische land- en tuinbouw </noot.al><noot.al>¿ Extensieve recreatie </noot.al><noot.al>¿ Landschaps-, natuur- en bosbouw </noot.al><noot.al>¿ Nieuwe landgoederen en buitenplaatsen. </noot.al><noot.al>In grondwaterbeschermingsgebieden met stedelijke
                                        functies worden onder niet-risicovolle functies in ieder
                                        geval begrepen projecten van minder dan 10 woningen. </noot.al><noot.al>In intrekgebieden met stedelijke functies worden onder
                                        niet-risicovolle functies in elk geval begrepen projecten
                                        van minder dan 100 woningen. </noot.al><noot.al>Onder grote of grootschalige risicovolle functies
                                        worden in elk geval verstaan grote en grootschalige vormen
                                        van: </noot.al><noot.al>¿ (Dag- en verblijfs-)recreatie </noot.al><noot.al>¿ Woningbouw (meer dan 10 respectievelijk 100 woningen) </noot.al><noot.al>¿ Stedenbouw (winkelcentra, bedrijven voor horeca,
                                        handel en dienstverlening) </noot.al><noot.al>¿ Autowegen (inclusief parkeerterreinen, transferia),
                                        spoorwegen (inclusief emplacementen) en waterwegen
                                        (inclusief havens) </noot.al><noot.al>¿ Bedrijventerreinen </noot.al><noot.al>¿ Buisleidingen voor gas, olie(producten) of
                                        chemicaliën </noot.al><noot.al>¿ Nieuwe rioolwaterzuiveringsinstallaties en
                                        diepteontgrondingen. </noot.al><noot.al>Onder niet-risicovolle functies worden alle functies
                                        verstaan die niet gerekend worden tot harmoniërende functies
                                        en tot grote of grootschalige risicovolle functies. </noot.al><noot.al>Bescherming RO-spoor </noot.al><noot.al>De grondwaterbeschermingsgebieden en intrekgebieden
                                        krijgen in deze titel hun bescherming in de RO-regelgeving. </noot.al><noot.al>Het beschermingsregime voor intrekgebieden is in grote
                                        lijnen vergelijkbaar met dat van
                                        grondwaterbeschermingsgebieden. De intrekgebieden liggen
                                        echter op een grotere afstand van de winputten en zijn
                                        daarom minder kwetsbaar. Daarom is voor intrekgebieden het
                                        aanvaardbaar dat er minder zware eisen worden gesteld aan
                                        nieuwe ontwikkelingen. </noot.al><noot.al>Waar in grondwaterbeschermingsgebieden alleen
                                        niet-risicovolle functies worden toegestaan die voldoen aan
                                        het stand still-principe, geldt dat in intrekgebieden naast
                                        niet-risicovolle ook grote risicovolle functies worden
                                        toegestaan die aan dit principe voldoen. </noot.al><noot.al>In grondwaterbeschermingsgebieden geldt voor grote en
                                        grootschalige activiteiten de eisen van zwaarwegend
                                        maatschappelijk belang, ontbreken alternatieven en
                                        stap-vooruit. In intrekgebieden worden deze voorwaarden
                                        alleen gesteld bij grootschalige activiteiten. </noot.al><noot.al>Verder wordt een onderscheid gemaakt tussen
                                        grondwaterbeschermingsgebieden en intrekgebieden met
                                        stedelijke functies en overige, overwegend landelijke
                                        gebieden. In gebieden met stedelijke functies komen vaak van
                                        oudsher al activiteiten voor die een risico kunnen opleveren
                                        voor de grondwaterkwaliteit. De eisen van zwaarwegend
                                        maatschappelijk belang en het ontbreken van alternatieven
                                        zou voor deze gebieden ongerechtvaardigde beperkingen
                                        opleveren. Daarom is voor deze gebieden een afwijkende
                                        regeling van toepassing zodat nieuwe stedelijke functies
                                        kunnen worden toegestaan mits de risico's worden verminderd
                                        (stap vooruit principe in grondwaterbeschermingsgebieden) of
                                        de risico's niet toenemen (stand still-principe in
                                        intrekgebieden). </noot.al><noot.al>Voor het overige wordt de bescherming van de
                                        grondwaterbeschermingsgebieden geregeld in hoofdstuk 3. Voor
                                        deze gebieden geldt namelijk dat er op allerlei activiteiten
                                        die risico's opleveren voor de kwaliteit van het grondwater,
                                        milieuregels van toepassing zijn. Voor grote en
                                        grootschalige activiteiten is een ontheffing nodig. Ten
                                        aanzien van de intrekgebieden geldt dat er alleen
                                        bescherming is via het ruimtelijke spoor mogelijk is omdat
                                        de Wet milieubeheer hierin niet voorziet. ]</noot.al></noot></al></structuurtekst><artikel><kop><titel>Artikel 2.13.1. Begripsbepalingen </titel></kop><lid><lidnr/><al>In deze verordening wordt verstaan onder: </al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al id="anker-H55822_0_13_42_121_"> waterwingebieden: de als zodanig
                                    op kaart Drinkwatervoorziening nr. 09295053 aangegeven gebieden;
                                </al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al id="anker-H55822_0_13_42_122_"> grondwaterbeschermingsgebieden:
                                    de als zodanig op kaart Drinkwatervoorziening nr. 09295053
                                    aangegeven gebieden; </al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al id="anker-H55822_0_13_42_123_"> grondwaterbeschermingsgebieden
                                    met stedelijke functies: de als zodanig op kaart
                                    Drinkwatervoorziening nr. 09295053 aangegeven gebieden; </al></lid><lid><lidnr>d.</lidnr><al id="anker-H55822_0_13_42_124_"> intrekgebieden: de als zodanig
                                    op kaart Drinkwatervoorziening nr. 09295053 aangegeven gebieden;
                                </al></lid><lid><lidnr>e.</lidnr><al id="anker-H55822_0_13_42_125_"> intrekgebieden met stedelijke
                                    functies: de als zodanig op kaart Drinkwatervoorziening nr.
                                    09295053 aangegeven gebieden; </al></lid><lid><lidnr>f.</lidnr><al id="anker-H55822_0_13_42_126_"> stand still-principe: beginsel
                                    dat erop gericht is verslechtering van de grondwaterkwaliteit
                                    tegen te gaan en het vergroten van risico’s op verontreiniging
                                    van het grondwater te voorkomen; </al></lid><lid><lidnr>g.</lidnr><al id="anker-H55822_0_13_42_127_"> stap vooruit-principe: beginsel
                                    dat erop gericht is de risico’s op verontreiniging van het
                                    grondwater te verminderen en de grondwaterkwaliteit te
                                    verbeteren; </al></lid><lid><lidnr>h.</lidnr><al id="anker-H55822_0_13_42_128_"> methodiek gebiedsgerichte
                                    grondwaterbescherming: de door Gedeputeerde Staten als zodanig
                                    vastgestelde methodiek; </al></lid><lid><lidnr>i.</lidnr><al id="anker-H55822_0_13_42_129_"> niet-risicovolle functies: alle
                                    functies behalve harmoniërende functies en grotere of
                                    grootschalige risicovolle functies; </al></lid><lid><lidnr>j.</lidnr><al id="anker-H55822_0_13_42_130_"> harmoniërende functies: functies
                                    die goed samengaan met de drinkwaterwinning; </al></lid><lid><lidnr>k.</lidnr><al id="anker-H55822_0_13_42_131_"> grote en grootschalige
                                    risicovolle functies: functies die gelet op de risico’s voor de
                                    grondwaterkwaliteit én als zodanig, ongewenst zijn in
                                    grondwaterbeschermingsgebieden en intrekgebieden.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2.13.2. Waterwingebieden </titel></kop><al>Bestemmingsplannen voorzien in een specifieke aanduiding voor
                                waterwingebieden waarbij alleen functies zijn toegestaan die ten
                                dienste staan aan de drinkwaterwinning.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2.13.3. Grondwaterbeschermingsgebieden en
                                    intrekgebieden </titel></kop><al>Bestemmingsplannen voorzien in een aanduiding voor
                                grondwaterbeschermingsgebieden en intrekgebieden waarbij alleen
                                functies worden toegestaan die harmoniëren met de functie voor de
                                drinkwatervoorziening. </al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2.13.4. Niet-risicovolle functies in
                                    grondwaterbeschermingsgebieden </titel></kop><al>In afwijking van het bepaalde in artikel 2.13.3 kunnen in
                                grondwaterbeschermingsgebieden ook nieuwe niet-risicovolle functies
                                worden toegestaan, mits daarbij wordt voldaan aan het stand
                                still-principe. </al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2.13.5. Niet-risicovolle functies en grote
                                    risicovolle functies in intrekgebieden </titel></kop><al>In afwijking van het bepaalde in artikel 2.13.3 kunnen in
                                intrekgebieden ook nieuwe niet-risicovolle en grote risicovolle
                                functies worden toegestaan, mits daarbij wordt voldaan aan het stand
                                still-principe.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2.13.6. Grote of grootschalige risicovolle functies
                                </titel></kop><al>In afwijking van het bepaalde in artikel 2.13.3 en onverlet het
                                bepaalde in artikel 2.13.4 en artikel 2.13.5, kunnen nieuwe grote of
                                grootschalige risicovolle functies in grondwaterbeschermingsgebieden
                                en nieuwe grootschalige risicovolle functies in intrekgebieden
                                alleen worden toegestaan als dit noodzakelijk is vanuit een
                                zwaarwegend maatschappelijk belang, waarvoor redelijke alternatieven
                                ontbreken en mits voldaan wordt aan het stap vooruit-principe.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2.13.7. Grondwaterbeschermingsgebieden met een
                                    stedelijke functie </titel></kop><al>In afwijking van het bepaalde in artikel 2.13.3 en onverlet het
                                bepaalde in de artikelen 2.13.4 en 2.13.6 kunnen binnen
                                grondwaterbeschermingsgebieden met stedelijke functies nieuwe
                                grootschalige risicovolle functies worden toegestaan mits deze
                                functies voldoen aan de eis van een goede ruimtelijke ordening en
                                aan het stap vooruit-principe.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2.13.8. Intrekgebieden met stedelijke functies
                                </titel></kop><al>In afwijking van het bepaalde in artikel 2.13.3 en onverlet het
                                bepaalde in de artikelen 2.13.5 en 2.13.6 kunnen binnen
                                intrekgebieden met stedelijke functies nieuwe grotere of
                                grootschalige risicovolle functies worden toegestaan mits deze
                                functie voldoet aan de eis van een goede ruimtelijke ordening en aan
                                het stand still-principe.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2.13.9. Toelichting op bestemmingsplan </titel></kop><al>Indien bij enig bestemmingsplan ingevolge dit hoofdstuk dient te
                                zijn voldaan aan het stand still-principe of aan het stap
                                vooruit-principe, wordt dat in de toelichting bij dat plan
                                verantwoord op basis van toepassing van de methodiek gebiedsgerichte
                                grondwaterbescherming. </al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Titel 2.14. Watergebiedsreservering </titel></kop><structuurtekst><al><noot id="d17e2886"><noot.nr>24</noot.nr><noot.al>[<vet>Toelichting: </vet>Provinciaal belang </noot.al><noot.al>Doel van deze regeling is bescherming te bieden tegen
                                        overstroming en wateroverlast. Door klimaatverandering neemt
                                        de kans daarop toe. </noot.al><noot.al>Primaire watergebieden en waterbergingsgebieden </noot.al><noot.al>Primaire watergebieden en waterbergingsgebieden worden
                                        aangewezen als gebieden waarin water in extreme situaties
                                        kan worden vastgehouden om te voorkomen dat
                                        waterafvoersystemen overbelast raken en er wateroverlast
                                        optreedt op plekken waar dit meer schade toebrengt. Primaire
                                        waterbergingen zijn gebieden die vanwege de natuurlijke lage
                                        ligging bij hoog water gemakkelijk onderlopen.
                                        Waterbergingsgebieden zijn gebieden die door het aanbrengen
                                        van waterhuishoudkundige werken zoals dijken, kades en
                                        toevoerwerken geschikt gemaakt zijn voor waterberging. In
                                        primaire watergebieden en waterbergingsgebieden mag worden
                                        gebouwd mits hierdoor het waterbergend vermogen niet wordt
                                        aangetast. Daarbij geldt wel dat nieuwe kapitaalintensieve
                                        functies zoveel mogelijk worden geweerd in verband met
                                        schadekosten. </noot.al><noot.al>Gebieden met risico op overstroming </noot.al><noot.al>Gebieden met risico op overstroming zijn gebieden in
                                        lage delen van Overijssel die geheel of gedeeltelijk omgeven
                                        zijn door primaire waterkeringen en waar het risico bestaat
                                        dat bij een doorbraak het gebied snel en diep dan wel minder
                                        snel en ondiep onderloopt. De gevolgen van een overstroming
                                        worden bepaald door de maximale waterdiepte tijdens een
                                        overstroming (is af te leiden uit de risicokaart) en de
                                        snelheid waarmee een gebied overstroomt. </noot.al><noot.al>In overstromingsrisicogebieden die snel en diep
                                        onderlopen (gelegen binnen dijkring 10: Mastenbroek en
                                        dijkring 11: IJsseldelta) mag in principe geen nieuwe
                                        bebouwing worden toegevoegd. Een uitzondering wordt gemaakt
                                        voor nieuwe bebouwing die nodig is vanuit zwaarwegende
                                        maatschappelijke belangen en t.b.v. agrarische functies of
                                        kleinschalige individuele woonfuncties. </noot.al><noot.al>Voor alle gebieden binnen dijkringen is het gewenst dat
                                        gemeenten bij ruimtelijke ontwikkelingen (nieuwe woonwijken,
                                        bedrijventerreinen en herstructurering) tijdig nadenken over
                                        voorzieningen die in zo'n geval getroffen kunnen en moeten
                                        worden om de bebouwing te beschermen tegen onderlopen, het
                                        gebied te kunnen evacueren of belangrijke functies veilig te
                                        stellen. Het gaat daarbij bijvoorbeeld over het ophogen van
                                        gebieden, het realiseren van hoger gelegen wegen of locale
                                        dijken en kaden die vitale bebouwing beschermen. De urgentie
                                        van dit soort voorzieningen is hoger voor gebieden die snel
                                        en diep onderlopen (binnen dijkring 10:Mastenbroek en
                                        dijkring 11: IJsseldelta) dan voor gebieden die langzaam en
                                        minder diep onderlopen (binnen dijkring 9: Vollenhove,
                                        dijkring 52: Oost-Veluwe en dijkring 53: Salland). De
                                        verordening schrijft voor dat voor gebieden met risico op
                                        overstroming een overstromingsrisicoparagraaf wordt
                                        opgenomen in de toelichting bij bestemmingsplannen, waarin
                                        aandacht wordt besteed aan deze aspecten. </noot.al><noot.al>Essentiële waterlopen </noot.al><noot.al>Voor essentiële waterlopen geldt dat er aan weerszijden
                                        een strook van 100 meter wordt aangewezen als zone die
                                        gevrijwaard moet worden van ontwikkelingen die nu en in de
                                        toekomst belemmerend kunnen werken voor het waterafvoerend
                                        en waterbergend vermogen van deze waterlopen. ]</noot.al></noot></al></structuurtekst><artikel><kop><titel>Artikel 2.14.1. Primaire watergebieden </titel></kop><al>Bestemmingsplannen die betrekking hebben op primaire watergebieden
                                zoals op kaart Waterveiligheid nr.140305 aangegeven, voorzien niet
                                in nieuwe ontwikkelingen die de rol van deze gebieden voor
                                wateropvang belemmeren.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2.14.2. Waterbergingsgebieden </titel></kop><al>Bestemmingsplannen die betrekking hebben op waterbergingsgebieden
                                die als zodanig op kaart Waterveiligheid nr. 140305 zijn aangegeven,
                                regelen de instandhouding van de waterhuishoudkundige werken en
                                voorzien niet in nieuwe ontwikkelingen die de rol van deze gebieden
                                voor wateropvang belemmeren.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2.14.3. Gebieden met risico op overstroming (minder
                                    snel en ondiep onderlopende gebieden) </titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H55822_0_14_53_132_"> Bestemmingsplannen die
                                    betrekking hebben op gebieden die gelegen zijn binnen de
                                    dijkringen 9: Vollenhove, 52: Oost-Veluwe, 53: Salland
                                    (wettelijk vastgelegde dijkringgebieden) en als zodanig op kaart
                                    Waterveiligheid nr. 140305 zijn aangegeven, voorzien alleen in
                                    nieuwe grootschalige ontwikkelingen binnen deze gebieden als in
                                    het desbetreffende bestemmingsplan zodanige voorwaarden worden
                                    gesteld dat de veiligheid ook op lange termijn voldoende is
                                    gewaarborgd. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H55822_0_14_53_133_"> De toelichting bij
                                    bestemmingsplannen die betrekking hebben op gebieden als bedoeld
                                    in lid 1, is voorzien van een overstromingsrisicoparagraaf die
                                    inzicht biedt in: </al><lijst><li nr=""><al id="anker-H55822_0_14_53_133_55_">• de risico’s bij
                                            overstroming; </al></li><li nr=""><al id="anker-H55822_0_14_53_133_56_">• de maatregelen en
                                            voorzieningen die worden getroffen om deze risico’s te
                                            voorkomen dan wel te beperken.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2.14.4. Gebieden met risico op overstroming (snel en
                                    diep onderlopende gebieden) </titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H55822_0_14_54_134_"> Bestemmingsplannen die
                                    betrekking hebben op gebieden die gelegen zijn binnen de
                                    dijkringen 10: Mastenbroek en 11: IJsseldelta (wettelijk
                                    vastgelegde dijkringgebieden) en als zodanig op kaart
                                    Waterveiligheid nr. 140305 zijn aangegeven, voorzien alleen in
                                    het realiseren van nieuwe bebouwing binnen deze gebieden als er
                                    sprake is van zwaarwegend maatschappelijk belang. Het
                                    desbetreffende bestemmingsplan stelt in dit geval zodanige
                                    voorwaarden dat de veiligheid ook op de lange termijn voldoende
                                    is gewaarborgd. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H55822_0_14_54_135_"> In afwijking van het gestelde in
                                    lid 1 wordt de voorwaarde van zwaarwegend maatschappelijk
                                    belang, niet gesteld ten aanzien van agrarische functies en
                                    incidentele woonbebouwing. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al id="anker-H55822_0_14_54_136_"> De toelichting op
                                    bestemmingsplannen die betrekking hebben op gebieden als bedoeld
                                    in lid 1, is voorzien van een overstromingsrisicoparagraaf die
                                    inzicht biedt in: </al><lijst><li nr=""><al id="anker-H55822_0_14_54_136_57_">• de risico’s bij
                                            overstroming; </al></li><li nr=""><al id="anker-H55822_0_14_54_136_58_">• de maatregelen en
                                            voorzieningen die worden getroffen om deze risico’s te
                                            voorkomen dan wel te beperken.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2.14.5. Essentiële watergangen </titel></kop><lid><lidnr/><al>Bestemmingsplannen die betrekking hebben op essentiële
                                    waterlopen die op kaart Waterveiligheid nr. 140305 als zodanig
                                    zijn aangegeven, voorzien binnen stroken van 100 meter aan
                                    weerzijden van deze essentiële waterlopen niet in nieuwe
                                    ontwikkelingen die: </al></lid><lid><lidnr/><al id="anker-H55822_0_14_55_137_">• de functie van deze waterlopen
                                    voor de waterafvoer beperken; </al></lid><lid><lidnr/><al id="anker-H55822_0_14_55_138_">• de toekomstige verruiming van
                                    de waterloop ten behoeve van afvoer en berging van water
                                    onmogelijk maken.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Titel 2.15. Windturbines </titel></kop><structuurtekst><al><noot id="d17e2993"><noot.nr>25</noot.nr><noot.al>[<vet>Toelichting: </vet>Provinciaal beleid </noot.al><noot.al>De provincie bevordert de opwekking van duurzame
                                        energie. In dat kader wordt ingezet op het vergroten van het
                                        aandeel van windenergie in de energieopwekking. Op dit
                                        moment leveren de 3 windturbines in Staphorst (de Lichtmis)
                                        een totaalvermogen van 6 MW (megawatt). De provincie heeft
                                        met het Rijk afgesproken dat in 2010 tenminste 80 MW in de
                                        vorm van duurzame energie zal worden geleverd. Inmiddels
                                        zijn diverse projecten in voorbereiding waarbij windturbines
                                        zullen worden opgericht. Met name in de gebieden die in de
                                        Omgevingsvisie zijn aangemerkt als kansrijk zoekgebied
                                        windenergie verwacht de provincie haar taakstelling op het
                                        gebied van windenergie te kunnen behalen. </noot.al><noot.al>Beperkingen </noot.al><noot.al>Niet overal binnen Overijssel is de oprichting van
                                        windturbines gewenst gelet op de impact die dat kan hebben
                                        op landschappelijke en natuurlijke waarden. Verder geldt dat
                                        hoge bouwwerken ongewenst zijn binnen zones waar (laag)
                                        gevlogen kan worden. In de verordening wordt daarom de
                                        oprichting van windmolens uitgesloten binnen de EHS, de twee
                                        nationale landschappen (IJsseldelta en Noordoost-Twente) en
                                        gebieden die zijn aangewezen als laagvliegroutes en funnels. </noot.al><noot.al>Verplichte clustering </noot.al><noot.al>In de verordening is het principe van verplichte
                                        clustering vastgelegd. In de groene omgeving zijn
                                        windturbines alleen toegestaan in de vorm van een windpark.
                                        Een windpark bestaat uit minimaal 4 windturbines. </noot.al><noot.al>Uitzondering op dit principe van clustering wordt
                                        gemaakt voor windturbines met een maximale tiphoogte van 25
                                        meter. De invloed van deze kleine molens op de omgeving is
                                        namelijk relatief gering. </noot.al><noot.al>Gebiedskenmerken </noot.al><noot.al>Buiten deze gebieden is de oprichting van windturbines
                                        in principe toegestaan op grond van het provinciale beleid.
                                        Gemeenten zullen de initiatieven voor het plaatsen van
                                        windturbines verder moeten beoordelen op basis van een
                                        nadere verkenning van de lokale situatie. Afhankelijk van de
                                        situering ten opzichte van natuurgebieden, zal ecologisch
                                        onderzoek nodig zijn om aan te tonen dat de oprichting van
                                        de windmolens niet zal leiden tot significante effecten op
                                        beschermde natuurwaarden. In alle gevallen zal toegelicht
                                        moeten worden hoe de plaatsing van windturbines zich
                                        verhoudt tot de aanwezige gebiedskenmerken. Deze
                                        verplichting vloeit voort uit het bepaalde in artikel 2.1.5.
                                        van deze verordening (sturen op ruimtelijke kwaliteit).
                                        ]</noot.al></noot></al></structuurtekst><artikel><kop><titel>Artikel 2.15.1. Begripsbepalingen </titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder: </al><al>a. windturbines: een door wind aangedreven bouwwerk waarmee energie
                                wordt opgewekt.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2.15.2. Uitsluiting windturbines </titel></kop><lid><lidnr/><al>Bestemmingsplannen voorzien niet in de mogelijkheid van het
                                    oprichten van nieuwe windturbines binnen gebieden die: </al></lid><lid><lidnr/><al id="anker-H55822_0_15_57_139_">• op grond van artikel 2.7.2.
                                    gerekend worden tot de Ecologische Hoofdstructuur (EHS) of </al></lid><lid><lidnr/><al id="anker-H55822_0_15_57_140_">• op grond van artikel 2.6.2.
                                    worden aangemerkt als Nationaal Landschap of </al></lid><lid><lidnr/><al id="anker-H55822_0_15_57_141_">• die vallen binnen de als
                                    zodanig op kaart Externe Veiligheid nr. 09295052 aangegeven
                                    laagvliegroutes en funnel vliegveld Twente. </al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2.15.3. Eis van clustering </titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H55822_0_15_58_142_"> Bestemmingsplannen die
                                    betrekking hebben op de groene omgeving voorzien uitsluitend in
                                    de mogelijkheid van het oprichten van nieuwe windturbines in de
                                    vorm van windparken. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H55822_0_15_58_143_"> In afwijking van het bepaalde in
                                    lid 1 kunnen bestemmingsplannen voor de Groene omgeving
                                    individuele windturbines toestaan voor zover de tiphoogte
                                    daarvan niet meer bedraagt dan 25 meter.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Titel 2.16. Basisrecreatietoervaartnet </titel></kop><structuurtekst><al><noot id="d17e3065"><noot.nr>26</noot.nr><noot.al>[<vet>Toelichting: </vet>Provinciaal belang </noot.al><noot.al>De landelijke toeristisch-recreatieve infrastructuur
                                        voor de recreatieve toervaart is van belang voor de beleving
                                        van de omgeving en de toeristische aantrekkingskracht van de
                                        provincie. Niet alleen hebben de routes een hoge recreatieve
                                        belevingswaarde, maar ook hebben zij een gunstig effect op
                                        de economische omzet van bedrijven langs deze routes. </noot.al><noot.al>Voor de aantrekkelijkheid van de routes is - naast de
                                        vrije doorvaart - het van belang dat zij goed worden
                                        ingepast bij eventuele nieuwe (stedelijke) ontwikkelingen. </noot.al><noot.al>Motiveringsplicht </noot.al><noot.al>De regeling voorziet in een bijzondere
                                        motiveringsplicht, om te verzekeren dat in gebieden rond het
                                        als zodanig aangegeven basisrecreatietoervaartnet in een
                                        vroeg stadium van de planontwikkeling hieraan aandacht wordt
                                        geschonken. Overigens blijven daarnaast de generieke
                                        bepalingen in titel 2.1. (principes van zuinig en zorgvuldig
                                        ruimtegebruik, ontwikkelingsperspectief en gebiedskenmerken)
                                        van toepassing. </noot.al><noot.al>AMvB Ruimte </noot.al><noot.al>Deze regeling is een aanvulling op de regeling die het
                                        Rijk zal treffen in de AMvB Ruimte en die gericht is op het
                                        veiligstellen van de vrije doorvaart op de
                                        basisrecreatietoervaartnet, dat in de Nota Ruimte is
                                        aangemerkt als nationaal belang. De ontwerp-AMvB voorziet in
                                        een (rechtstreekse) opdracht aan de raad om ten opzichte van
                                        geldende bestemmingsplannen geen wijzigingen aan te brengen
                                        in de bestemming die een nieuwe belemmering vormen of kunnen
                                        vormen voor de doorgang van schepen met bepaalde
                                        doorvaartmaten. ]</noot.al></noot></al></structuurtekst><artikel><kop><titel>Artikel 2.16.1. </titel></kop><al>In de toelichting op bestemmingsplannen wordt aangegeven op welke
                                wijze bij de planontwikkeling rekening is gehouden met het
                                basisrecreatietoervaartnet zoals is aangegeven op kaart Recreatie
                                nr. 09295051.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Titel 2.17. Fiets- en wandelroutestructuren </titel></kop><structuurtekst><al><noot id="d17e3097"><noot.nr>27</noot.nr><noot.al>[<vet>Toelichting: </vet>Provinciaal belang </noot.al><noot.al>De bovenlokale toeristisch-recreatieve infrastructuur
                                        voor fietsen en wandelen is van belang voor de beleving van
                                        de omgeving en de toeristische aantrekkingskracht van de
                                        provincie. Niet alleen hebben de routes een hoge recreatieve
                                        belevingswaarde, maar ook hebben zij een gunstig effect op
                                        de economische omzet van bedrijven langs deze routes. </noot.al><noot.al>Naast de landelijke routes zoals de Lange afstand
                                        wandelpaden (LAW's) en de Landelijke Fietsroutes (LF's) die
                                        door Overijssel lopen, gaat het om provinciale fiets- en
                                        wandelstructuren zoals de paden die deel uitmaken van het
                                        Raamplan Fietspaden, het Fietsroutenetwerk Overijssel en het
                                        Wandelnetwerk Twente. </noot.al><noot.al>Motiveringsplicht </noot.al><noot.al>Voor de aantrekkelijkheid van de bovenlokale routes is
                                        het van belang dat zij goed worden ingepast bij eventuele
                                        nieuwe (stedelijke) ontwikkelingen. Het ontstaan van nieuwe
                                        belemmeringen, barrières en knelpunten moet zoveel mogelijk
                                        worden tegengegaan en in ieder geval gecompenseerd moeten
                                        worden door bijvoorbeeld het aanleggen van alternatieve
                                        tracés waarbij de belevingswaarde van de route gewaarborgd
                                        blijft. De regeling voorziet in een bijzondere
                                        motiveringsplicht, om te verzekeren dat in een vroegtijdig
                                        stadium van de planontwikkeling hieraan aandacht wordt
                                        geschonken. Overigens blijven daarnaast de generieke
                                        bepalingen in titel 2.1. (principes van zuinig en zorgvuldig
                                        ruimtegebruik, ontwikkelingsperspectief en gebiedskenmerken)
                                        van toepassing. ]</noot.al></noot></al></structuurtekst><artikel><kop><titel>Artikel 2.17.1. Bovenlokale fiets- en wandelroutestructuren
                                </titel></kop><al>In de toelichting op bestemmingsplannen die voorzien in nieuwe
                                ontwikkelingen wordt aangegeven op welke wijze bij de
                                planontwikkeling rekening is gehouden met bestaande bovenlokale
                                fiets- en wandelroutestructuren zoals aangegeven op kaart Recreatie
                                nr. 09295051.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Titel 2.18. Externe Veiligheid </titel></kop><structuurtekst><al><noot id="d17e3125"><noot.nr>28</noot.nr><noot.al>[<vet>Toelichting: </vet>Provinciaal belang </noot.al><noot.al>Economische ontwikkeling en toename van de bevolking
                                        betekenen een toename van externe veiligheidsrisico's. De
                                        intensiteit van risicovolle activiteiten, waaronder het
                                        transport van gevaarlijke stoffen via weg, spoor en water en
                                        via ondergrondse transportleidingen neemt toe. Daarnaast is
                                        er de opgave om voor de bevolking en veilige woon-, werk-,
                                        en leefomgeving in stand te houden en daar waar nodig te
                                        creëren. Daarom zijn keuzes noodzakelijk. </noot.al><noot.al>Provinciaal routenetwerk transport gevaarlijke stoffen </noot.al><noot.al>Voor het transport van gevaarlijke stoffen over
                                        (vaar)wegen is een provinciaal routenetwerk transport
                                        gevaarlijke stoffen aangewezen. Het provinciaal routenetwerk
                                        transport gevaarlijke stoffen is afgestemd op het Basisnet
                                        vervoer gevaarlijke stoffen voor weg, water en spoor. Om te
                                        kunnen komen tot een aaneengesloten route van transport van
                                        gevaarlijke stoffen is het van belang om langs (vaar)wegen
                                        die zijn vrijgegeven en (mogelijk) aangewezen worden als
                                        route gevaarlijke stoffen, het toevoegen van kwetsbare
                                        functies te voorkomen als dit zou leiden tot beperking van
                                        de gebruiksmogelijkheden van de (vaar)weg als onderdeel van
                                        de route gevaarlijke stoffen. </noot.al><noot.al>Buisleidingen </noot.al><noot.al>Uit een oogpunt van externe veiligheid stimuleert de
                                        provincie het vervoer van gevaarlijke stoffen via
                                        buisleidingen. Voor hoofdtransportleidingen en regionale
                                        transportleidingen van aardgas worden vooruitlopend op de
                                        AMvB Buisleidingen vrijwaringszones geregeld waarbinnen niet
                                        gebouwd mag worden als dit zou leiden tot een inperking van
                                        de ruimtelijke reservering voor intensivering van de
                                        transportfunctie van deze leidingen. </noot.al><noot.al>Essentiële functies </noot.al><noot.al>Essentiële functies en gebouwen moeten zonder meer
                                        inzetbaar zijn bij een crisis, ramp of andere calamiteit.
                                        Dit geldt voor rampencoördinatiecentra, als traumacentrum
                                        aangewezen ziekenhuizen, energiecentrales, specifieke
                                        infrastructuur enz. Deze functies dienen te worden beschermd
                                        tegen externe veiligheidsrisico's. Kwetsbare objecten dienen
                                        ruimtelijk gescheiden te zijn van transportroutes voor
                                        gevaarlijke stoffen. ]</noot.al></noot></al></structuurtekst><artikel><kop><titel>Artikel 2.18.1. Begripsbepalingen </titel></kop><lid><lidnr/><al>In deze verordening wordt verstaan onder: </al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al id="anker-H55822_0_18_61_144_"> buisleiding gevaarlijke stoffen:
                                    als zodanig op kaart Externe Veiligheid nr. 09295052 aangegeven
                                    regionale en hoofdtransportleidingen voor het transport van
                                    aardgas, olie, olieproducten, chemicaliën en CO2; </al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al id="anker-H55822_0_18_61_145_"> provinciaal routenetwerk
                                    transport gevaarlijke stoffen: als zodanig op kaart Externe
                                    Veiligheid nr. 09295052 aangegeven (vaar)wegen die vrijgegeven
                                    zijn en (mogelijk) aangewezen worden voor het transport van
                                    gevaarlijke stoffen over weg of water; </al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al id="anker-H55822_0_18_61_146_"> essentiële functies en gebouwen:
                                    functies en gebouwen die essentieel zijn voor het effectief
                                    kunnen bestrijden en beperken van gevolgen van crises, rampen en
                                    andere calamiteiten, zoals rampencoördinatiecentra, als
                                    traumacentra aangewezen ziekenhuizen, energiecentrales en
                                    infrastructuur die nodig is bij eventuele ontruimingen van een
                                    gebied; </al></lid><lid><lidnr>d.</lidnr><al id="anker-H55822_0_18_61_147_"> kwetsbaar object: object als
                                    bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel m van het Besluit
                                    externe veiligheid inrichtingen zoals dat luidde op de datum van
                                    inwerkingtreding van deze verordening; </al></lid><lid><lidnr>e.</lidnr><al id="anker-H55822_0_18_61_148_"> beperkt kwetsbare objecten:
                                    objecten als bedoeld in artikel 1, lid 1, onderdeel a van het
                                    Besluit externe veiligheid inrichtingen zoals dat luidde op de
                                    datum van inwerkingtreding van deze verordening; </al></lid><lid><lidnr>f.</lidnr><al id="anker-H55822_0_18_61_149_"> groepsrisico: cumulatieve kans
                                    per jaar dat ten minste 10, 100 of 1.000 personen overlijden als
                                    rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied
                                    van risicobron; </al></lid><lid><lidnr>g.</lidnr><al id="anker-H55822_0_18_61_150_"> plaatsgebonden risico: risico op
                                    een plaats, uitgedrukt als de kans per jaar dat een persoon die
                                    onafgebroken en onbeschermd op die bepaalde plaats zou
                                    verblijven, overlijdt als gevolg van een ongewoon voorval met
                                    een risicobron; </al></lid><lid><lidnr>h.</lidnr><al id="anker-H55822_0_18_61_151_"> invloedsgebied: gebied waarin
                                    personen worden meegeteld voor de berekening van het
                                    groepsrisico; </al></lid><lid><lidnr>i.</lidnr><al id="anker-H55822_0_18_61_152_"> exploitant: de instantie die
                                    verantwoordelijk is voor de aanleg, het beheer en het onderhoud
                                    van de risicobron; </al></lid><lid><lidnr>j.</lidnr><al id="anker-H55822_0_18_61_153_"> risicokaart: een geografische
                                    kaart waarop de in de provincie aanwezige risico’s zijn
                                    aangeduid als bedoeld in artikel 6a van de Wet Rampen en zware
                                    ongevallen.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2.18.2. Buisleiding gevaarlijke stoffen en
                                    belemmeringenstroken</titel></kop><lid><lidnr/><al><noot id="d17e3213"><noot.nr>29</noot.nr><noot.al>[<vet>Toelichting: </vet>Artikel 2.18.2. en 2.18.3.
                                            geven voorlopige invulling aan zaken die in de toekomst
                                            geregeld worden door een AMvB (Besluit Externe
                                            Veiligheid Buisleidingen) en de structuurvisie
                                            buisleidingen. </noot.al><noot.al>De procedure daarvan loopt, maar de verwachting is
                                            dat de AMvB en structuurvisie pas over enige tijd in
                                            werking zal treden. Bij buisleidingen die op de
                                            risicokaart staan kan men op deze kaart ook de GR
                                            (groepsrisico) en PR- (plaatsgebonden risico) contour
                                            aflezen. Zolang dit nog niet voor de volledige 100% is
                                            geborgd kunnen de contouren nog bij de Gasunie of NAM
                                            worden opgevraagd. Dat kan via het steunpunt of via
                                            info@concernloket.nl ]</noot.al></noot></al></lid><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H55822_0_18_62_154_"> Bestemmingsplannen voorzien in
                                    een specifieke bestemming en/of aanduiding voor de in het
                                    plangebied aanwezige buisleidingen gevaarlijke stoffen en de
                                    daarbij behorende belemmeringenstrook ten behoeve van het
                                    onderhoud van de buisleiding. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H55822_0_18_62_155_"> In het kader van het toekennen
                                    van de bestemming en/of aanduiding als bedoeld onder 1 wordt
                                    bepaald dat bouwwerken alleen zijn toegestaan na ontheffing
                                    gehoord de exploitant. Deze ontheffing kan alleen worden
                                    verleend voor zover de buisleiding niet wordt geschaad en geen
                                    kwetsbare objecten worden toegelaten. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al id="anker-H55822_0_18_62_156_"> In het kader van het toekennen
                                    van de bestemming en/of aanduiding als bedoeld onder 1 wordt een
                                    aanlegvergunningstelsel opgenomen voor werken of werkzaamheden
                                    die van invloed kunnen zijn op de buisleiding.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2.18.3. Ontwikkelingen nabij buisleiding gevaarlijke
                                    stoffen </titel></kop><lid><lidnr/><al><noot id="d17e3245"><noot.nr>30</noot.nr><noot.al>[<vet>Toelichting: </vet>Artikel 2.18.2. en 2.18.3.
                                            geven voorlopige invulling aan zaken die in de toekomst
                                            geregeld worden door een AMvB (Besluit Externe
                                            Veiligheid Buisleidingen) en de structuurvisie
                                            buisleidingen. De procedure daarvan loopt, maar de
                                            verwachting is dat de AMvB en structuurvisie pas over
                                            enige tijd in werking zal treden. Bij buisleidingen die
                                            op de risicokaart staan kan men op deze kaart ook de GR
                                            (groepsrisico) en PR- (plaatsgebonden risico) contour
                                            aflezen. Zolang dit nog niet voor de volledige 100% is
                                            geborgd kunnen de contouren nog bij de Gasunie of NAM
                                            worden opgevraagd. Dat kan via het steunpunt of via
                                            info@concernloket.nl]</noot.al></noot></al></lid><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H55822_0_18_63_157_"> Bestemmingsplannen voorzien
                                    alleen in de aanleg, bouw of vestiging van een kwetsbaar object
                                    als is aangetoond dat de grenswaarde van 10-6 met betrekking tot
                                    het plaatsgebonden risico voor kwetsbare objecten in acht
                                    genomen wordt. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H55822_0_18_63_158_"> Bestemmingsplannen voorzien
                                    alleen in de aanleg, bouw of vestiging van een beperkt kwetsbaar
                                    object of van een buisleiding met gevaarlijke stoffen als
                                    rekening is gehouden met de richtwaarde van 10-6 met betrekking
                                    tot het plaatsgebonden risico voor beperkt kwetsbare objecten.
                                </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al id="anker-H55822_0_18_63_159_"> In afwijking van het gestelde
                                    onder lid 2 kan overschrijding van de richtwaarde van 10-6 per
                                    jaar met betrekking tot het plaatsgebonden risico voor beperkt
                                    kwetsbare objecten worden toegestaan na ontheffing zoals bedoeld
                                    in artikel 3.6, lid 1, sub c Wro, mits: </al><lijst><li nr=""><al id="anker-H55822_0_18_63_159_59_">• sprake is van een
                                            groot maatschappelijk belang en </al></li><li nr=""><al id="anker-H55822_0_18_63_159_60_">• verzekerd is dat
                                            zodanige maatregelen worden getroffen dat een goed woon-
                                            en leefklimaat verzekerd is.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2.18.4. Nieuwe ontwikkelingen en transport
                                    gevaarlijke stoffen </titel></kop><lid><lidnr/><al><noot id="d17e3282"><noot.nr>31</noot.nr><noot.al>[<vet>Toelichting: </vet>Artikel 2.18.4. (nieuwe
                                            ontwikkelingen nabij provinciaal routenetwerk transport
                                            gevaarlijke stoffen) </noot.al><noot.al>Dit artikel geeft een voorlopige invulling aan
                                            zaken die in de toekomst geregeld worden door een AMvB
                                            (Besluit Transport Externe Veiligheid). De procedure
                                            daarvan loopt, maar de verwachting is dat de AMvB pas
                                            over enige tijd in werking zal treden. De toekomstige
                                            AMvB stelt dat bij alle overige wegen (de niet in het
                                            landelijk basisnet genoemde wegen) naast het GR en het
                                            PR ook rekening moet worden gehouden met een
                                            plasbrandaandachtsgebied van 20 meter. Daarnaast geeft
                                            het toekomstige basisnet naar alle waarschijnlijkheid de
                                            mogelijkheid een provinciaal basisnet op te zetten. </noot.al><noot.al>Samenhang en continuïteit routenetwerk </noot.al><noot.al>In de verordening is een bijzondere
                                            motiveringsplicht opgenomen op grond waarvan gemeenten
                                            in de toelichting moeten ingaan op de vraag in hoeverre
                                            bij de planontwikkeling rekening is gehouden met het
                                            principe van provinciale samenhang en continuïteit van
                                            het routenetwerk vervoer gevaarlijk stoffen. </noot.al><noot.al>Nieuwe ontwikkelingen </noot.al><noot.al>Door nu via de Omgevingsverordening te borgen dat
                                            rekening wordt gehouden met als zodanig op de kaart
                                            aangegeven provinciaal routenetwerk transport
                                            gevaarlijke stoffen, hoeft alleen bij die wegen rekening
                                            gehouden te worden met het plasbrandaandachtsgebied
                                            (i.p.v. bij alle gemeentelijke en provinciale wegen). </noot.al><noot.al>Overigens is het relevant om te weten dat bij
                                            gemeentelijke en provinciale wegen de PR 10-6 contour in
                                            de regel op de weg zelf ligt en het
                                            plasbrandaandachtsgebied in de toekomst de voornaamste
                                            ruimtelijke belemmering zal zijn rondom deze wegen. Als
                                            (een deel van) de ruimtelijke ontwikkeling binnen de 200
                                            meter van de weg plaatsvindt kan het, afhankelijk van de
                                            verwachte verandering van het groepsrisico, noodzakelijk
                                            zijn een berekening van het groepsrisico uit te voeren.
                                            Als de ontwikkeling buiten deze 200 meter plaatsvindt,
                                            is een berekening in het kader van de verantwoording van
                                            het groepsrisico niet noodzakelijk. </noot.al><noot.al>Voor wat betreft artikel 2.18.4. lid 4, sub b is
                                            het de bedoeling dat in één grafiek de 0-situatie, de
                                            eindsituatie en oriënterende waarde van het groepsrisico
                                            met elkaar worden vergeleken. </noot.al><noot.al>Essentiële functies </noot.al><noot.al>Het begrip ‘Essentiële functies en gebouwen' is
                                            niet limitatief. Het gaat om functies en gebouwen die
                                            zonder meer inzetbaar moeten zijn bij een crisis, ramp
                                            of andere calamiteit. Dit geldt in ieder geval voor
                                            rampencoördinatiecentra, als traumacentrum aangewezen
                                            ziekenhuizen, energiecentrales en specifiek voor de
                                            rampenbestrijding benodigde infrastructuur. Het
                                            doorfunctioneren van deze functies dient te worden
                                            gegarandeerd door ze te beschermen tegen externe
                                            veiligheidsrisico's. Hierbij zal specifiek gekeken
                                            moeten worden naar de invloed op het doorfunctioneren
                                            van de essentiële functie. Bijvoorbeeld: een toxische
                                            wolk zal het doorfunctioneren van het C2000 netwerk niet
                                            beïnvloeden, maar heeft bij een als traumacentrum
                                            aangewezen ziekenhuis wel duidelijke gevolgen voor de
                                            inzetbaarheid. ]</noot.al></noot></al></lid><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H55822_0_18_64_160_"> In de toelichting op
                                    bestemmingsplannen die betrekking hebben op wegen en vaarwegen
                                    die onderdeel uitmaken van het provinciaal routenetwerk
                                    transport gevaarlijke stoffen wordt aangegeven op welke wijze
                                    bij de planontwikkeling rekening is gehouden met het
                                    uitgangspunt dat de provinciale samenhang en de continuïteit van
                                    dit routenetwerk moet worden geborgd. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H55822_0_18_64_161_"> Bestemmingsplannen voorzien
                                    alleen in de aanleg, bouw of vestiging van kwetsbare en beperkt
                                    kwetsbare objecten in het invloedsgebied van een (vaar)weg die
                                    op de risicokaart is aangeduid als ‘route gevaarlijke stoffen’
                                    nadat is aangetoond dat dit geen beperkingen zal opleveren voor
                                    de functie van de (vaar)weg als onderdeel van het provinciaal
                                    routenetwerk transport gevaarlijke stoffen en advies is gevraagd
                                    van de regionale brandweer. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al id="anker-H55822_0_18_64_162_"> Voorafgaand aan de vaststelling
                                    van een bestemmingsplan als bedoeld onder lid 2 stelt het
                                    bevoegd gezag, het bestuur van de regionale brandweer in wier
                                    gebied het bestemmingsplan ligt, in de gelegenheid advies uit te
                                    brengen over het groepsrisico en de mogelijkheden tot
                                    voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een
                                    ramp of zwaar ongeval. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al id="anker-H55822_0_18_64_163_"> In de toelichting op een
                                    bestemmingsplan als bedoeld onder lid 2 wordt in elk geval
                                    vermeld: </al><lijst><li nr="a."><al id="anker-H55822_0_18_64_163_61_"> de aanwezige en de op
                                            grond van het bestemmingsplan te verwachten dichtheid
                                            van personen in het invloedsgebied van de ‘route
                                            gevaarlijke stoffen’ die het groepsrisico mede
                                            veroorzaakt of veroorzaken; </al></li><li nr="b."><al id="anker-H55822_0_18_64_163_62_"> het groepsrisico per
                                            kilometer (vaar)weg op het tijdstip waarop het
                                            bestemmingsplan wordt vastgesteld en de invloed van het
                                            bestemmingsplan op de hoogte van het groepsrisico,
                                            vergeleken met de lijn die de kans weergeeft op een
                                            ongeval van 10 of meer dodelijke slachtoffers van ten
                                            hoogste 10-4 per jaar en de kans op een ongeval met 100
                                            of meer dodelijke slachtoffers van ten hoogste 10-6 per
                                            jaar; </al></li><li nr="c."><al id="anker-H55822_0_18_64_163_63_"> de maatregelen ter
                                            beperking van het groepsrisico die worden toegepast;
                                        </al></li><li nr="d."><al id="anker-H55822_0_18_64_163_64_"> andere mogelijkheden
                                            voor ruimtelijke ontwikkelingen met een lager
                                            groepsrisico en de voor- en nadelen daarvan; </al></li><li nr="e."><al id="anker-H55822_0_18_64_163_65_"> de mogelijkheden voor
                                            personen die zich bevinden in het invloedsgebied van de
                                            ‘route gevaarlijke stoffen’ om zich in veiligheid te
                                            brengen indien zich een ramp of zwaar ongeval voordoet;
                                        </al></li><li nr="f."><al id="anker-H55822_0_18_64_163_66_"> het
                                            plasbrandaandachtsgebied en de maatregelen die met
                                            betrekking tot dit gebied zijn getroffen om de effecten
                                            van een zwaar ongeval of ramp te beperken; </al></li><li nr="g."><al id="anker-H55822_0_18_64_163_67_"> een samenvatting van
                                            het advies van de regionale brandweer over de
                                            mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en
                                            beperking van de omvang van de ramp of het zware ongeval
                                            als bedoeld in de Wet Rampen en zware ongevallen,
                                            alsmede hulpverlening en zelfredzaamheid.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2.18.5. Essentiële functies en gebouwen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H55822_0_18_65_164_"> Bestemmingsplannen voorzien niet
                                    in de aanleg, bouw of vestiging van nieuwe essentiële functies
                                    en gebouwen binnen het invloedsgebied van inrichtingen die
                                    vallen onder de werking van het Besluit externe veiligheid
                                    inrichtingen zoals die luidde op het moment van inwerkingtreding
                                    van deze verordening en/of binnen het invloedsgebied van een als
                                    zodanig aangewezen route gevaarlijke stoffen of buisleiding
                                    gevaarlijke stoffen, tenzij aangetoond is dat zodanige
                                    maatregelen getroffen zijn dat het essentiële gebouw of de
                                    essentiële functie naar zijn aard kan blijven functioneren in
                                    geval van een calamiteit. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H55822_0_18_65_165_"> Bestemmingsplannen voorzien niet
                                    in de aanleg, bouw of vestiging van nieuwe inrichtingen die
                                    vallen onder de werking van het Besluit externe veiligheid
                                    inrichtingen zoals die luidde op het moment van inwerkingtreding
                                    van deze verordening en van een als zodanig aangewezen route
                                    gevaarlijke stoffen of buisleiding gevaarlijke stoffen als zich
                                    binnen het invloedsgebied essentiële functies en gebouwen
                                    bevinden, tenzij aangetoond is dat zodanige maatregelen
                                    getroffen zijn dat het essentiële gebouw of de essentiële
                                    functie naar zijn aard kan blijven functioneren in geval van een
                                    calamiteit.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Titel 2.19. Mobiliteit </titel></kop><structuurtekst><al><noot id="d17e3370"><noot.nr>32</noot.nr><noot.al>[<vet>Toelichting: </vet>Provinciaal belang </noot.al><noot.al>Goede verbindingen zijn essentieel voor de economische
                                        groei en stedelijke ontwikkeling van de economische
                                        kerngebieden. Aan de andere kant kan mobiliteit ook de
                                        kwaliteit van de leefomgeving aantasten. Daarom wordt
                                        ingezet op bundeling van verkeersstromen op de
                                        hoofdinfrastructuur waar het belang van een goede en veilige
                                        doorstroming vervolgens voorop wordt gezet. Voor de overige
                                        wegen geldt dat het mobiliteitsbelang ondergeschikt wordt
                                        gesteld aan de kwaliteit van de leefomgeving, zoals de
                                        woonomgeving, landschap, natuur, toerisme en recreatie. </noot.al><noot.al>Wegencategorisering </noot.al><noot.al>Met het systeem van wegencategorisering wordt aan de
                                        diverse wegen een functie toegekend, waarop vervolgens de
                                        inrichting van de weg wordt aangepast. Hiermee is niet
                                        alleen doorstroming gediend, maar wordt ook bijgedragen aan
                                        de verkeersveiligheid. Met gemeenten worden afspraken
                                        gemaakt over het toepassen van het systeem van
                                        wegencategorisering op gemeentelijke wegen. </noot.al><noot.al>Concentratie </noot.al><noot.al>De provincie zet vanuit het belang voor de economische
                                        ontwikkeling in op een goede bereikbaarheid van en naar
                                        stedelijke en streekcentra met zowel per auto, met het
                                        openbaar vervoer, met de fiets als over water. Omgekeerd
                                        dient bij het projecteren van ruimtelijk-economische
                                        activiteiten rekening gehouden worden met de effecten op de
                                        (hoofd)infrastructuur. Ontwikkelingen die mobiliteit
                                        oproepen dienen bij voorkeur geprojecteerd te worden nabij
                                        aansluitingen op de hoofdinfrastructuur en multimodale
                                        knooppunten. </noot.al><noot.al>Aansluitingen </noot.al><noot.al>Om de doorstroming op de hoofdinfrastructuur te
                                        verzekeren dient het aantal aansluitingen op deze wegen
                                        beperkt te blijven. Voor zover het gaat om provinciale wegen
                                        zal de provincie als wegbeheerder terughoudend omgaan met
                                        het toestaan van nieuwe aansluitingen. Wij gaan er vanuit
                                        dat voor rijkswegen het bestaande terughoudende beleid ten
                                        aanzien van het toestaan van nieuwe aansluitingen wordt
                                        gehandhaafd. In hoofdstuk 5 Verkeer is voorzien in een
                                        ontheffingssysteem voor uitwegen en aansluitingen op
                                        provinciale wegen. Door middel van beleidsregels worden
                                        kaders gesteld aan de verlening van dergelijke ontheffingen. </noot.al><noot.al>Fietsverbindingen </noot.al><noot.al>De provincie wil het aandeel van het fietsverkeer in
                                        het totaal aan verkeersbewegingen vergroten. Daarvoor is van
                                        belang dat fietsverbindingen voldoende kwaliteit hebben en
                                        snelle en aantrekkelijke routes volgen. Bij het projecteren
                                        van stedelijke ontwikkelingen dient aandacht te zijn voor
                                        een goede aansluiting op hoofdfietsverbindingen. ]</noot.al></noot></al></structuurtekst><artikel><kop><titel>Artikel 2.19.1. Begripsbepalingen </titel></kop><lid><lidnr/><al>In deze verordening wordt verstaan onder: </al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al id="anker-H55822_0_19_66_166_"> hoofdinfrastructuur: weg-,
                                    vaarweg- en spoorverbindingen van en naar de stedelijke centra
                                    en streekcentra; </al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al id="anker-H55822_0_19_66_167_"> hoofdfietsverbindingen:
                                    hoogwaardig fietsnetwerk van en naar de stedelijke centra en
                                    streekcentra; </al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al id="anker-H55822_0_19_66_168_"> multimodale knooppunten:
                                    locaties waar de uitwisseling plaatsvindt tussen
                                    verkeersmodaliteiten (weg, water, spoor).</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2.19.2. Nieuwe ontwikkelingen </titel></kop><al>In de toelichting op bestemmingsplannen die voorzien in nieuwe
                                grootschalige ontwikkelingen die bovenlokale verkeersbewegingen met
                                zich meebrengen of effecten hebben op de verkeersafwikkeling op de
                                hoofdinfrastructuur, wordt aangegeven op welke wijze rekening is
                                gehouden met het uitgangspunt dat ontwikkelingen die mobiliteit
                                oproepen worden geprojecteerd nabij aansluitingen op
                                hoofdinfrastructuur, hoofdfietsverbindingen en multimodale
                                knooppunten.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Titel 2.20. Winlocaties grondstoffen </titel></kop><structuurtekst><al><noot id="d17e3431"><noot.nr>33</noot.nr><noot.al>[<vet>Toelichting: </vet>Provinciaal belang </noot.al><noot.al>Vanuit de ambitie dat er zorgvuldig moet worden
                                        omgegaan met de ondergrond, is in de Omgevingsvisie
                                        vastgelegd dat wanneer de ondergrond gebruikt kan worden als
                                        bron van grondstoffen (waaronder oppervlaktedelfstoffen),
                                        deze kans duurzaam moet worden benut. Voor nieuwe ontgronden
                                        geldt dat deze multifunctioneel moeten zijn, moeten passen
                                        binnen het bestaande netwerk van zandwinningen en bijdragen
                                        aan ruimtelijke kwaliteit. </noot.al><noot.al>Vergunningverlening </noot.al><noot.al>Nu is de provincie op grond van de Ontgrondingenwet de
                                        instantie die moet beslissen over de vergunningen voor
                                        ontgrondingen. Dit betekent echter niet zonder meer dat ook
                                        het provinciale ruimtelijke beleid ten aanzien van
                                        zandwinningen zonder meer bij die beslissing kunnen worden
                                        betrokken. </noot.al><noot.al>Het systeem van vergunningverlening voor ontgrondingen
                                        komt kortweg op het volgende neer: </noot.al><noot.al>1. Het is verboden te ontgronden zonder vergunning. </noot.al><noot.al>2. Bij de beslissing over verlening van een
                                        ontgrondingsvergunning moeten alle betrokken belangen worden
                                        afgewogen. </noot.al><noot.al>3. Een ontgrondingsvergunning wordt geweigerd indien
                                        sprake is van strijd met een ruimtelijk besluit, tenzij die
                                        strijd naar verwachting zal worden opgeheven. </noot.al><noot.al>Ruimtelijke spoor </noot.al><noot.al>Omdat de provinciale structuurvisie (Omgevingsvisie)
                                        niet mag worden aangemerkt als een ruimtelijk besluit (dus
                                        als weigeringsgrond), is het nodig om in de verordening
                                        hiervoor een kader te geven omdat die wel een externe
                                        bindende/normerende werking heeft. De vergunning kan op
                                        grond van de Ontgrondingenwet weliswaar worden geweigerd op
                                        basis van een "afweging van alle betrokken belangen", dus
                                        ook die waar de Omgevingsvisie op ziet. Daarbij kan echter
                                        niet de formele "strijd met de Omgevingsvisie" als
                                        motivering wordt gehanteerd, maar alleen inhoudelijke strijd
                                        met belangen van bijvoorbeeld natuur, landschap, aardkundige
                                        waarden etc. Daarmee is dan nog niet verzekerd dat in de
                                        locatieafweging voor ontgrondingen de principes van
                                        multifunctionaliteit, passendheid in het netwerk van
                                        zandwinningen en ruimtelijke kwaliteit worden toegepast. </noot.al><noot.al>Via artikel 2.20.1. wordt bereikt dat
                                        bestemmingsplannen alleen ontgrondingen mogelijk maken die
                                        voldoen aan deze principes. Dit heeft als resultaat dat
                                        gevraagde vergunningen voor ontgrondingen die vanuit
                                        ruimtelijk oogpunt ongewenst zijn, geweigerd kunnen worden
                                        wegens strijd met het bestemmingsplan en met de ruimtelijke
                                        verordening die hiermee ook op zichzelf als een
                                        weigeringsgrond kan worden gebruikt. </noot.al><noot.al>Zoutwinlocaties </noot.al><noot.al>In artikel 2.20.2. is een regeling opgenomen die ervoor
                                        zorgt dat nieuwe zoutwinlocaties alleen worden toegelaten
                                        als deze kunnen worden ingepast in de structuur van
                                        landbouw, natuur en landschap conform de gebiedskenmerken.
                                        Op grond van de Mijnbouwwet zal eventuele schade als gevolg
                                        van de winning, bijvoorbeeld door bodemdaling en
                                        bodemtrillingen, gecompenseerd moeten worden. ]</noot.al></noot></al></structuurtekst><artikel><kop><titel>Artikel 2.20.1. Ontgrondingen </titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H55822_0_20_68_169_"> Bestemmingsplannen voorzien
                                    alleen in nieuwe, multifunctionele ontgrondingslocaties, indien
                                    deze passen binnen het bestaande netwerk van zandwinningen en
                                    bijdragen aan ruimtelijke kwaliteit. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H55822_0_20_68_170_"> Een bestemmingsplan als bedoeld
                                    in lid 1 regelt, voor zover mogelijk, dat de ontgrondingslocatie
                                    zodanig wordt geprojecteerd en ingericht dat tijdens de
                                    zandwinning de invloed op de omgevingskwaliteiten beperkt blijft
                                    en de locatie na het (gefaseerd) beëindigen van de zandwinning
                                    eenvoudig geschikt te maken is voor de beoogde nieuwe
                                    bestemming.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2.20.2. Zoutwinningen </titel></kop><al>Bestemmingsplannen voorzien alleen in nieuwe zoutwinlocaties indien
                                de zoutwinning kan worden ingepast in de structuur van landbouw,
                                natuur en landschap.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Titel 2.21 ruimtelijke reservering luchthaven Twente</titel></kop><structuurtekst><al><noot id="d17e3490"><noot.nr>34</noot.nr><noot.al><vet>[<vet>Toelichting: </vet>Provinciaal
                                        belang</vet></noot.al><noot.al>Op 16 juni 2010 is de ruimtelijke visie
                                        Gebiedsontwikkeling Luchthaven Twente en omgeving
                                        vastgesteld als uitwerking van de provinciale
                                        Omgevingsvisie. De ruimtelijke visie voorziet in de
                                        doorontwikkeling van de voormalige militaire luchtbasis
                                        Twente tot burgerluchthaven. De benutting van de aanwezige
                                        luchthavenvoorzieningen, waaronder een relatief lange start-
                                        en landingsbaan als luchthaven voor zakelijk, toeristisch en
                                        recreatief vliegverkeer is een passende vervolgfunctie, die
                                        bijdraagt aan de economische ontwikkeling van de regio. </noot.al><noot.al>Op grond van artikel 19 van het Besluit
                                        burgerluchthavens moet bij de vaststelling van het
                                        luchthavenbesluit een afweging worden gemaakt over de
                                        ruimtelijke ontwikkeling van het gebied gelegen tussen de
                                        geluidscontour van 56 dB(A) Lden en de geluidcontour van 48
                                        dB(A) Lden in relatie tot het gebruik van de luchthaven. Ten
                                        aanzien van dit afwegingsgebied is in de ruimtelijke visie
                                        Gebiedsontwikkeling Luchthaven Twente eo vastgelegd dat de
                                        provincie nieuwbouw van woningen en andere geluidgevoelige
                                        functies als scholen, ziekenhuizen en verpleeginrichtingen
                                        niet mogelijk acht. In artikel 2.21.2 lid 1 wordt daarom
                                        uitdrukkelijk de bouw van dergelijke nieuwe geluidgevoelige
                                        functies binnen het afwegingsgebied uitgesloten.</noot.al><noot.al>Op dit moment geldt rond de luchthaven de geluidszone
                                        die door het Rijk is vastgesteld is op basis van militair
                                        gebruik. De vergunde militaire geluidscontour voor 35
                                        Kosten-eenheden (Ke) beslaat een oppervlakte van 38,71 km2.
                                        Voor het gebruik als burgerluchthaven kan worden volstaan
                                        met een kleinere zone. Uit berekeningen blijkt dat in dat
                                        geval kan worden volstaan met een contour van 56 dB(A) Lden.
                                        Dit gebied van ongeveer 8 km2 geldt als beperkingengebied,
                                        waarbinnen nieuwbouw van woningen en de bebouwing voor
                                        andere geluidgevoelige functies niet is toegestaan. Deze
                                        geluidscontour zal te zijner tijd op basis van aanvullend
                                        onderzoek en van een besluit-MER worden vastgelegd in het
                                        Luchthavenbesluit. Voor dit besluit is de minister van
                                        Infrastructuur en Milieu verantwoordelijk. </noot.al><noot.al>In de ruimtelijke visie Gebiedsontwikkeling Luchthaven
                                        Twente is vastgelegd dat het vanwege de belangen van welzijn
                                        en volksgezondheid het hoogst onwenselijk is wanneer zich
                                        direct buiten de contour van 56 dB(A) Lden zich nieuwe
                                        geluidgevoelige functies zouden ontwikkelen. Daarom wordt
                                        rekening gehouden met een buffer binnen het afwegingsgebied
                                        met een oppervlakte van 10,6 km2, waarbinnen de provincie
                                        nieuwbouw van woningen en andere geluidgevoelige functies
                                        zoals scholen, ziekenhuizen en verpleeginrichtingen niet
                                        mogelijk achten. Voor deze bufferzone geldt dat bij
                                        uitzondering geluidgevoelige functies kunnen worden
                                        toegestaan.</noot.al><noot.al>Zowel de geluidscontour voor de 8,0 km20-zone als de
                                        geluidscontour voor de 10,6 km2-zone zijn globaal aangegeven
                                        in de ruimtelijke visie Gebiedsontwikkeling Luchthaven
                                        Twente eo. Deze zones zijn tot dusver nog niet juridisch
                                        bindend vastgelegd. </noot.al><noot.al>Op dit moment wordt bij ontwikkelingen in de omgeving
                                        van de luchthaven al geanticipeerd op het terugleggen van de
                                        geluidzone door het Rijk. Dit betekent dat de huidige zone
                                        feitelijk niet gehandhaafd wordt en daardoor onvoldoende is
                                        veiliggesteld dat de beoogde doorontwikkeling als
                                        burgerluchthaven niet ingeperkt wordt. Die inperking kan
                                        ontstaan doordat rekening moet worden gehouden met (nieuwe)
                                        geluidgevoelige functies in de omgeving. Ook is niet geborgd
                                        dat er binnen de bufferzone in principe geen nieuwe
                                        geluidgevoelige functies zoals scholen, ziekenhuizen en
                                        verpleeghuizen zijn toegelaten. Gemeenten kunnen in de
                                        bufferzone bij afwijking een uitzondering maken op deze
                                        algemene regel, Er kan een uitzondering worden gemaakt voor
                                        de nieuwbouw van bedrijfswoningen als die uit een oogpunt
                                        van bedrijfsvoering noodzakelijk zijn. Bij wijze van
                                        uitzondering kan in de bufferzone ook meegewerkt worden aan
                                        de bouw van nieuwe woningen en andere geluidgevoelige
                                        bebouwing als het gaat om het opvullen van open plek tussen
                                        bestaande bebouwing of als het gaat om vervangende nieuwbouw
                                        van bebouwing die al op de locatie zelf aanwezig is of om
                                        ‘verplaatsing' van bebouwing elders binnen de bufferzone als
                                        daardoor de geluidsbelasting als gevolg van het
                                        luchthavenluchtverkeer minder zal zijn.</noot.al><noot.al><vet>Ruimtelijke reservering</vet></noot.al><noot.al>Om veilig te stellen dat de luchthaven de beoogde
                                        doorstart als burgerluchthaven kan maken, wordt met het
                                        nieuwe artikel 2.21 een nieuwe zone aangegeven waarbinnen in
                                        gemeentelijke bestemmingsplannen geen nieuwe geluidgevoelige
                                        functies mogen worden toegestaan. Daarbij wordt uitgegaan
                                        van de beoogde vorm en omvang van de burgerluchthaven zoals
                                        die de provinciale ruimtelijke visie is voorzien. Op de
                                        kaart wordt de bufferzone apart aangegeven, omdat daarbinnen
                                        bij uitzondering wel geluidgevoelige functies kunnen worden
                                        toegelaten.</noot.al><noot.al><vet>Geluidgevoelige functies</vet></noot.al><noot.al>Voor de definitie van geluidgevoelige functies is
                                        aansluiting gezocht bij de regeling die het Rijk heeft
                                        getroffen voor de huidige geluidszone.]</noot.al></noot></al></structuurtekst><artikel><kop><titel>Artikel 2.21.1 begripsbepalingen</titel></kop><lid><lidnr/><al>In dit artikel wordt verstaan onder:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al id="anker-H55822_0_21_70_171_"> geluidgevoelige functies:
                                    woningen, niet zijnde bedrijfswoningen en kwetsbare functies
                                    zoals scholen, ziekenhuizen en verpleeghuizen;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al id="anker-H55822_0_21_70_172_"> bedrijfswoning: woning in of bij
                                    een gebouw of op of bij een terrein, slechts bestemd voor het
                                    huishouden van een persoon wiens huisvesting daar, gelet op de
                                    bestemming van het gebouw of terrein, noodzakelijk is;</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al id="anker-H55822_0_21_70_173_"> ruimtelijke reservering
                                    luchthaven Twente: het als zodanig op kaart nr. 10395119
                                    aangegeven gebied begrensd door contour 10,6 km2;</al></lid><lid><lidnr>d.</lidnr><al id="anker-H55822_0_21_70_174_"> beperkingengebied luchthaven
                                    Twente: het als zodanig op kaart nr. 10395119 aangegeven gebied
                                    rond luchthaven Twente door contour van 8,0 km2;</al></lid><lid><lidnr>e.</lidnr><al id="anker-H55822_0_21_70_175_"> bufferzone luchthaven Twente:
                                    het als zodanig op kaart kaart nr. 10395119 aangegeven gebied
                                    rond luchthaven Twente tussen contour 8,0 en 10,6 km2.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2.21.2</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H55822_0_21_71_176_"> Bestemmingsplannen voorzien niet
                                    in nieuwe geluidgevoelige functies binnen de ruimtelijke
                                    reservering luchthaven Twente.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H55822_0_21_71_177_"> In afwijking van het gestelde in
                                    lid 1 kan binnen de bufferzone luchthaven Twente de nieuwbouw
                                    van bedrijfswoningen worden toegestaan mits de nieuwe
                                    bedrijfswoning uit een oogpunt van de bedrijfsvoering
                                    noodzakelijk is.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al id="anker-H55822_0_21_71_178_"> In afwijking van het gestelde in
                                    lid 1 kan daarnaast binnen de bufferzone luchthaven Twente ook
                                    de bouw van woningen en andere geluidsgevoelige gebouwen worden
                                    toegestaan, mits is voldaan aan een van de volgende
                                    criteria:</al><lijst><li nr="a."><al id="anker-H55822_0_21_71_178_68_"> met de bouw wordt een
                                            open plek tussen bestaande bebouwing opgevuld;</al></li><li nr="b."><al id="anker-H55822_0_21_71_178_69_"> de bouw dient ter
                                            vervanging van bebouwing die al op die locatie aanwezig
                                            is;</al></li><li nr="c."><al id="anker-H55822_0_21_71_178_70_"> de bouw dient ter
                                            vervanging van bestaande bebouwing elders binnen de
                                            bufferzone die op dit moment een hogere geluidbelasting
                                            als gevolg van het luchthavenluchtverkeer ondervindt dan
                                            op de nieuwe locatie het geval zal zijn.</al></li></lijst></lid></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Hoofdstuk 3. Grondwaterbescherming en bodem</titel></kop><paragraaf><kop><titel>Titel 3.1. Grondwaterbescherming, algemeen</titel></kop><structuurtekst><al><noot id="d17e3594"><noot.nr>35</noot.nr><noot.al><vet>[<vet>Toelichting: </vet>3.1
                                            Grondwaterbescherming, algemeen</vet></noot.al><noot.al><vet>3.1.1 Begripsbepalingen en zorgplicht
                                            (waterwingebieden, grondwaterbeschermingsgebieden en
                                            boringsvrije zones)</vet></noot.al><noot.al>Op grond van de zorgplichtbepaling in artikel 3.1.1.2
                                        is het verboden om in de beschermingsgebieden van (openbare)
                                        drinkwaterwinningen schadelijke stoffen te gebruiken en/of
                                        handelingen te verrichten die de grondwaterkwaliteit kunnen
                                        aantasten, zonder beschermende maatregelen of voorzieningen
                                        te treffen. In de verordening zijn slechts voor een beperkt
                                        aantal risico-activiteiten buiten inrichtingen expliciete
                                        regels opgenomen. De zorgplichtbepaling heeft daarom een
                                        belangrijke vangnetfunctie. Voor risico-activiteiten binnen
                                        inrichtingen is een zorgplichtbepaling opgenomen in de
                                        voorschriften en instructies in bijlage 3.</noot.al><noot.al>Ter invulling van het begrip schadelijke stoffen is een
                                        niet-limitatieve stoffenlijst in bijlage 2.1
                                        opgenomen.</noot.al><noot.al><vet>3.1.2 Gebiedsaanwijzing (waterwingebieden,
                                            grondwaterbeschermingsgebieden en boringsvrije
                                            zones)</vet></noot.al><noot.al>Op grond van artikel 3.1.2.1 worden de
                                        beschermingsgebieden van drinkwaterwinningen aangewezen, de
                                        zogenaamde milieubeschermingsgebieden met de functie
                                        waterwinning. De beschermingsgebieden zijn onderverdeeld in
                                        waterwingebieden, grondwaterbeschermingsgebieden en
                                        boringsvrije zones. De grenzen van de verschillende gebieden
                                        en zones zijn op perceelsniveau aangegeven aan de hand van
                                        topografisch herkenbare kenmerken. Een waterwingebied
                                        beslaat de directe omgeving van de pompputten. Deze gebieden
                                        worden begrensd door de lijn van waaraf het grondwater
                                        tenminste 60 dagen in het watervoerende pakket nodig heeft
                                        om de pompputten te bereiken. </noot.al><noot.al>Een grondwaterbeschermingsgebied en een boringsvrije
                                        zone liggen als een schil rond een waterwingebied. De grens
                                        van deze gebieden is de lijn, van waaraf het grondwater een
                                        periode van 25 jaar nodig heeft om de pompputten ter
                                        bereiken (25-jaarszone). Een uitzondering hierop vormt de
                                        begrenzing van de boringsvrije zone Salland Diep. Het
                                        onderscheid tussen een grondwaterbeschermingsgebied en een
                                        boringsvrije zone is dat zich in een boringsvrije zone een
                                        beschermende kleilaag in de bodem bevindt, waardoor
                                        verontreinigingen het op te pompen grondwater niet kunnen
                                        bereiken. </noot.al><noot.al>Gedeputeerde Staten hebben op grond van artikel 3.1.2.2
                                        de bevoegdheid de grenzen te wijzigen, bijvoorbeeld in
                                        verband met (ver)plaatsing van pompputten (eerste lid, onder
                                        a). Over het eerste lid, onder d. merken wij op dat een
                                        vergroting van de winning met maximaal 1 miljoen m³ naar
                                        onze verwachting niet zal leiden tot een "substantiële"
                                        vergroting van het beschermingsgebied, mede gezien de
                                        huidige omvang van winningen. De grenzen van de
                                        waterwingebieden en grondwaterbeschermingsgebieden worden
                                        aangegeven door middel van borden. De borden moeten in ieder
                                        geval worden geplaatst langs alle openbare wegen en
                                        vaarwegen die toegang geven tot het gebied of daaraan
                                        grenzen, op of nabij de grens van het gebied.]</noot.al></noot></al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Paragraaf 3.1.1. Begripsbepalingen en zorgplicht in
                                waterwingebieden, grondwaterbeschermingsgebieden en boringsvrije
                                zones</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 3.1.1.1. Begrippen </titel></kop><lid><lidnr/><al>In dit hoofdstuk en in de bijlagen bij dit hoofdstuk wordt
                                    verstaan onder:</al></lid><lid><lidnr>a</lidnr><al id="anker-H55823_0_2_1_1_">) achtergrondwaarden, baggerspecie,
                                    bouwstof, grond, IBC-bouwstof, kwaliteitsklasse Wonen en
                                    kwaliteitsklasse A, toepassen van bouwstoffen, toepassen van
                                    grond of baggerspecie, werk: hetgeen daaronder wordt verstaan in
                                    artikel 1 van het Besluit bodemkwaliteit dan wel de Regeling
                                    bodemkwaliteit;</al></lid><lid><lidnr>b</lidnr><al id="anker-H55823_0_2_1_2_">) begraafplaatsen en terreinen voor
                                    de verstrooiing van as: begraafplaatsen of terreinen voor de
                                    verstrooiing van as als bedoeld in de Wet op de lijkbezorging
                                    alsmede dierenbegraafplaatsen;</al></lid><lid><lidnr>c</lidnr><al id="anker-H55823_0_2_1_3_">) betrokken grondwateronttrekker: de
                                    drijver van een onttrekkingsinrichting, als bedoeld in artikel
                                    1.1 van de Waterwet, uitsluitend of mede bestemd voor het
                                    onttrekken van grondwater voor de (openbare)
                                    drinkwatervoorziening, in wiens belang het betreffende gebied
                                    wordt beschermd;</al></lid><lid><lidnr>d</lidnr><al id="anker-H55823_0_2_1_4_">) bijlage: bij deze verordening
                                    behorende bijlage;</al></lid><lid><lidnr>e</lidnr><al id="anker-H55823_0_2_1_5_">) bodem: hetgeen daaronder wordt
                                    verstaan in artikel 1 van de Wet bodembescherming;</al></lid><lid><lidnr>f</lidnr><al id="anker-H55823_0_2_1_6_">) bodemenergiesysteem: een gesloten
                                    of een open bodemenergiesysteem;</al></lid><lid><lidnr>g</lidnr><al id="anker-H55823_0_2_1_7_">) bodemenergiesysteem gesloten:
                                    installatie waarmee gebruik wordt gemaakt van de bodem voor de
                                    levering van warmte of koude ten behoeve van de verwarming of
                                    koeling van ruimten in bouwwerken, door middel van een gesloten
                                    circuit van leidingen, met inbegrip van het bovengrondse deel
                                    van de installatie;</al></lid><lid><lidnr>h</lidnr><al id="anker-H55823_0_2_1_8_">) bodemenergiesysteem open:
                                    installatie waarmee gebruik wordt gemaakt van de bodem voor de
                                    levering van warmte of koude ten behoeve van de verwarming of
                                    koeling van ruimten in bouwwerken, door grondwater te onttrekken
                                    en na gebruik in de bodem terug te brengen, met inbegrip van het
                                    bovengrondse deel van de installatie;</al></lid><lid><lidnr>i</lidnr><al id="anker-H55823_0_2_1_9_">) buisleiding: buisleiding voor het
                                    transport van olie, chemicaliën en gas met uitzondering van een
                                    buisleiding voor het transport van aardgas, alsmede een
                                    buisleiding voor het transport van elektriciteit die wordt
                                    gekoeld met olie of chemicaliën;</al></lid><lid><lidnr>j</lidnr><al id="anker-H55823_0_2_1_10_">) gebouw: een gebouw als bedoeld in
                                    artikel 1, eerste lid, onder c, van de Woningwet;</al></lid><lid><lidnr>k</lidnr><al id="anker-H55823_0_2_1_11_">) gewasbeschermingsmiddel, biocide:
                                    hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van de Wet
                                    gewasbeschermingsmiddelen en biociden;</al></lid><lid><lidnr>l</lidnr><al id="anker-H55823_0_2_1_12_">) inrichting: inrichting, als
                                    bedoeld in artikel 1.1, derde lid, van de wet die behoort tot
                                    een categorie die is aangewezen in bijlage I van het Besluit
                                    omgevingsrecht;</al></lid><lid><lidnr>m</lidnr><al id="anker-H55823_0_2_1_13_">) lozing: het op of in de bodem
                                    brengen van koelwater, afvalwater dan wel overige vloeistoffen,
                                    waarin schadelijke stoffen voorkomen;</al></lid><lid><lidnr>n</lidnr><al id="anker-H55823_0_2_1_14_">) lozen vanuit een particulier
                                    huishouden: hetgeen daaronder wordt verstaan in het Besluit
                                    lozing afvalwater huishoudens;</al></lid><lid><lidnr>o</lidnr><al id="anker-H55823_0_2_1_15_">) mechanische ingreep: een werk op
                                    of in de bodem, waarbij ingrepen worden verricht of stoffen
                                    worden gebruikt die de beschermende werking van slecht
                                    doorlatende bodemlagen kunnen aantasten, waaronder begrepen
                                    boringen, grond- en funderingswerken;</al></lid><lid><lidnr>p</lidnr><al id="anker-H55823_0_2_1_16_">) meststoffen, dierlijke meststoffen
                                    respectievelijk anorganische meststoffen, compost en
                                    kalkmeststoffen: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1,
                                    eerste lid, van de Meststoffenwet respectievelijk het
                                    Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet;</al></lid><lid><lidnr>q</lidnr><al id="anker-H55823_0_2_1_17_">) milieubeschermingsgebieden met de
                                    functie waterwinning: gebieden als bedoeld in artikel 1.2,
                                    tweede lid, onder a, van de wet;</al></lid><lid><lidnr>r</lidnr><al id="anker-H55823_0_2_1_18_">) NEN 3650: Norm van het Nederlands
                                    Normalisatie-instituut "Eisen voor buisleidingsystemen", uitgave
                                    augustus 2006;</al></lid><lid><lidnr>s</lidnr><al id="anker-H55823_0_2_1_19_">) NTA 8000: Nederlandse technische
                                    afspraak van het Nederlands Normalisatie-instituut "Specificatie
                                    voor een risicomanagementsysteem (RMS) voor risico's van
                                    buisleidingsystemen voor het transport van gevaarlijke stoffen
                                    in de beheerfase", uitgave april 2009;</al></lid><lid><lidnr>t</lidnr><al id="anker-H55823_0_2_1_20_">) omgevingsvergunning:
                                    omgevingsvergunning voor een activiteit met betrekking tot een
                                    inrichting als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder e, van
                                    de Wabo;</al></lid><lid><lidnr>u</lidnr><al id="anker-H55823_0_2_1_21_">) schadelijke stoffen: stoffen of
                                    combinaties van stoffen of vloeistoffen, preparaten of andere
                                    producten, in welke vorm dan ook, waarvan hetzij in het
                                    algemeen, hetzij in het gegeven geval, verwacht kan worden dat
                                    ze de bodem en het grondwater verontreinigen of kunnen
                                    verontreinigen, met inbegrip van de stoffen zoals opgenomen in
                                    bijlage 2.1;</al></lid><lid><lidnr>v</lidnr><al id="anker-H55823_0_2_1_22_">) waterwingebied,
                                    grondwaterbeschermingsgebied, boringsvrije zone: zones van
                                    milieubeschermingsgebieden met de functie waterwinning, die op
                                    de bij deze verordening behorende kaarten als zodanig zijn
                                    aangewezen;</al></lid><lid><lidnr>w</lidnr><al id="anker-H55823_0_2_1_23_">) wet: Wet milieubeheer;</al></lid><lid><lidnr>x</lidnr><al id="anker-H55823_0_2_1_24_">) Wabo: Wet algemene bepalingen
                                    omgevingsrecht.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3.1.1.2. Zorgplicht</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H55823_0_2_2_25_"> Ieder die in een
                                    milieubeschermingsgebied met de functie waterwinning buiten een
                                    inrichting gedragingen verricht of nalaat en die weet of
                                    redelijkerwijs kan vermoeden dat daardoor het belang van de
                                    bescherming van de kwaliteit van het grondwater met het oog op
                                    de waterwinning kan worden geschaad, is verplicht alle
                                    maatregelen te nemen die redelijkerwijs van hem kunnen worden
                                    gevergd om die schade te voorkomen. Indien die schade niet kan
                                    worden voorkomen moet hij deze zoveel mogelijk beperken en
                                    ongedaan maken.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H55823_0_2_2_26_"> Indien die schade zich voordoet of
                                    dreigt voor te doen, behoort tot de maatregelen als bedoeld in
                                    het eerste lid, in ieder geval dat degene die de bedoelde
                                    gedragingen verricht of nalaat, onmiddellijk Gedeputeerde Staten
                                    en de betrokken grondwateronttrekker informeert.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Paragraaf 3.1.2. Gebiedsaanwijzing: waterwingebieden,
                                grondwaterbeschermingsgebieden en boringsvrije zones</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 3.1.2.1. Milieubeschermingsgebieden met de functie
                                    waterwinning</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H55823_0_3_3_27_"> Als milieubeschermingsgebieden met
                                    de functie waterwinning worden aangewezen de gebieden die als
                                    zodanig zijn aangegeven op kaart Drinkwatervoorziening nr.
                                    09295053.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H55823_0_3_3_28_"> Een milieubeschermingsgebied met de
                                    functie waterwinning kan bestaan uit verschillende zones, die
                                    als zodanig zijn aangewezen op de kaart, als bedoeld in het
                                    eerste lid:</al><lijst><li nr="a."><al id="anker-H55823_0_3_3_28_1_"> waterwingebied;</al></li><li nr="b."><al id="anker-H55823_0_3_3_28_2_">
                                            grondwaterbeschermingsgebied;</al></li><li nr="c."><al id="anker-H55823_0_3_3_28_3_"> boringsvrije zone.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3.1.2.2. Bevoegdheden Gedeputeerde Staten tot
                                    wijzigen grenzen gebieden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H55823_0_3_4_29_"> Gedeputeerde Staten kunnen de
                                    grenzen van de gebieden, als bedoeld in artikel 3.1.2.1,
                                    wijzigen als er sprake is van:</al><lijst><li nr="a."><al id="anker-H55823_0_3_4_29_4_"> wijzigingen op
                                            perceelsniveau;</al></li><li nr="b."><al id="anker-H55823_0_3_4_29_5_"> verkleining of opheffing
                                            van een gebied bij (gedeeltelijke) sluiting van een
                                            drinkwaterwinning;</al></li><li nr="c."><al id="anker-H55823_0_3_4_29_6_"> verkleining van een
                                            gebied bij voorzienbare sluiting van een
                                            drinkwaterwinning;</al></li><li nr="d."><al id="anker-H55823_0_3_4_29_7_"> vergroting van een gebied
                                            als gevolg van uitbreiding van de vergunde capaciteit
                                            van een drinkwaterwinning met maximaal 1 miljoen m3
                                            grondwater.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H55823_0_3_4_30_"> In aanvulling op artikel 1.4 van de
                                    wet worden eigenaren en gebruikers van de betreffende gronden in
                                    de gelegenheid gesteld om hun zienswijze naar voren te brengen
                                    over een grenswijziging als bedoeld in het eerste lid.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al id="anker-H55823_0_3_4_31_"> In aanvulling op het tweede lid
                                    wordt de betrokken grondwateronttrekker in de gelegenheid
                                    gesteld om advies uit te brengen over een grenswijziging als
                                    bedoeld in het eerste lid.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al id="anker-H55823_0_3_4_32_"> Gedeputeerde Staten duiden de
                                    waterwingebieden en grondwaterbeschermingsgebieden, als bedoeld
                                    in artikel 3.1.2.1, tweede lid, onder a en b, op afdoende wijze
                                    aan door middel van borden.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Titel 3.2. Grondwaterbescherming</titel></kop><structuurtekst><al><noot id="d17e3838"><noot.nr>36</noot.nr><noot.al><vet>[<vet>Toelichting: </vet>3.2
                                            Grondwaterbescherming</vet></noot.al><noot.al><vet>3.2.1 Waterwingebieden</vet></noot.al><noot.al>Een waterwingebied wordt aangemerkt als het meest
                                        kwetsbare deel van het beschermingsgebied van een
                                        drinkwaterwinning. In een waterwingebied dient het risico
                                        van verontreiniging van het grondwater absoluut voorkomen te
                                        worden. Daarvoor zijn zeer stringente beschermingsregels in
                                        de verordening opgenomen. Naast de milieuregels in paragraaf
                                        3.2.1 gelden de ruimtelijke ordeningsregels in titel 2.13
                                        van de verordening.</noot.al><noot.al>In deze paragraaf wordt onderscheid gemaakt tussen
                                        activiteiten binnen en activiteiten buiten inrichtingen in
                                        de zin van de Wet milieubeheer. Dit vloeit voort uit de
                                        systematiek van de Wet milieubeheer. Deze wet geeft
                                        beperkingen voor het stellen van rechtstreeks werkende
                                        regels voor inrichtingen in de verordening.</noot.al><noot.al><cursief>Activiteiten binnen inrichtingen (artikelen
                                            3.2.1.1 t/m 3.2.1.3)</cursief></noot.al><noot.al>In de waterwingebieden mogen geen nieuwe inrichtingen
                                        in de zin van de Wet milieubeheer worden opgericht, met
                                        uitzondering van inrichtingen die noodzakelijk zijn voor de
                                        drinkwaterwinning. Bestaande bedrijven mogen in werking
                                        blijven en kunnen wijzigen of uitbreiden als dit geen
                                        nadelige gevolgen heeft voor de waterwinning. Het gaat om
                                        inrichtingen die reeds (legaal) aanwezig waren op het moment
                                        dat de verbodsbepaling in werking is getreden.</noot.al><noot.al>In waterwingebieden is het niet toegestaan om binnen
                                        een inrichting koelwater, afvalwater en overige
                                        (verontreinigde) vloeistoffen te lozen en om een
                                        bodemenergiesysteem te installeren. Dit gelet op de
                                        (mogelijke) risico's van opwarming of verontreiniging van
                                        het grondwater. </noot.al><noot.al>Voor andere risico-activiteiten binnen een inrichting
                                        gelden extra voorschriften ter bescherming van de
                                        grondwaterkwaliteit. Deze zijn opgenomen in bijlage 3 bij de
                                        verordening. De voorschriften gelden zowel voor inrichtingen
                                        waarvoor een omgevingsvergunning voor de inrichting is
                                        vereist als voor inrichtingen waarvoor zo'n
                                        omgevingsvergunning niet is vereist en die vallen onder de
                                        werkingssfeer van een Algemene Maatregel van Bestuur op
                                        basis van artikel 8.40 van de Wet milieubeheer.</noot.al><noot.al>Voor omgevingsvergunningplichtige inrichtingen moeten
                                        de voorschriften door het bevoegd gezag aan de vergunning
                                        worden verbonden. Dit ingevolge de instructieregels op grond
                                        van artikel 1.3c van de Wet milieubeheer. </noot.al><noot.al>Voor niet-omgevingsvergunningplichtige inrichtingen
                                        zijn de voorschriften rechtstreeks werkend. Wanneer de
                                        voorschriften niet afdoende zijn om de kwaliteit van het
                                        grondwater te beschermen kunnen nadere eisen worden gesteld.
                                        Dat kan ingeval de voorschriften nader moeten worden
                                        uitgewerkt ofwel een situatie in de voorschriften niet is
                                        voorzien. </noot.al><noot.al><cursief>Activiteiten buiten inrichtingen (artikelen
                                            3.2.1.4 t/m 3.2.1.6)</cursief></noot.al><noot.al>In waterwingebieden zijn in principe alle activiteiten
                                        verboden die niet direct in verband staan met de
                                        waterwinning. Het verbod is niet van toepassing op
                                        activiteiten die noodzakelijk zijn voor de
                                        drinkwaterwinning. Het verbod geldt ook niet wanneer het
                                        waterleidingbedrijf een beheerplan heeft opgesteld voor het
                                        waterwingebied. In het plan dient te zijn aangegeven: op
                                        welke wijze het gebied is of wordt ingericht en beheerd, op
                                        welke wijze de bodem en het grondwater met het oog op de
                                        waterwinning worden beschermd en welke activiteiten in het
                                        gebied worden uitgevoerd. </noot.al><noot.al>De toepassing van schadelijke stoffen in een
                                        waterwingebied is in enkele gevallen toegestaan. Het gaat
                                        ondermeer om het voorhanden hebben van kleine hoeveelheden
                                        schadelijke stoffen voor normaal (huishoudelijk) gebruik of
                                        verkoop. Aangehouden wordt een maximale hoeveelheid van 20
                                        tot 25 kilo of liter. Ook geldt een uitzondering voor het
                                        verspreiden van wegenzout en het vervoeren van schadelijke
                                        stoffen over de weg. Bestaande constructies en werken mogen
                                        in stand blijven. Het gaat om constructies en werken die
                                        reeds (legaal) aanwezig waren op het moment dat de
                                        verbodsbepaling in werking is getreden. Wijziging of
                                        uitbreiding van de constructies of werken is mogelijk indien
                                        wordt aangetoond dat dit geen nadelige gevolgen heeft voor
                                        de grondwaterbescherming. </noot.al><noot.al>In spaarzame gevallen kunnen in de waterwingebieden
                                        nieuwe activiteiten worden toegestaan, die niet direct in
                                        verband staan met de waterwinning. Gedeputeerde Staten
                                        kunnen in die gevallen (onder strikte voorwaarden)
                                        ontheffing verlenen van het verbod. De activiteiten mogen
                                        geen extra risico's met zich meebrengen voor de
                                        grondwaterkwaliteit. Het gaat ondermeer om
                                        natuurontwikkeling en extensieve recreatie. Daarbij kan
                                        worden gedacht aan extensieve beweiding (max. 1,5 GVE) ten
                                        behoeve van natuurbeheer en het openstellen van het gebied
                                        voor publiek ten behoeve van educatie en recreatie. Ook
                                        activiteiten van groot maatschappelijk belang kunnen in
                                        uitzonderlijke gevallen worden toegestaan. Gezien de
                                        kwetsbaarheid van een waterwingebied is het noodzakelijk dat
                                        een adequate afweging wordt gemaakt en specifieke
                                        voorwaarden worden gesteld ingeval van nieuwe activiteiten.
                                        Daarom is gekozen voor het instrument van de
                                        ontheffingverlening. </noot.al><noot.al><vet>3.2.2
                                        Grondwaterbeschermingsgebieden</vet></noot.al><noot.al>In een grondwaterbeschermingsgebied dient het risico
                                        van verontreiniging van het grondwater zoveel mogelijk
                                        voorkomen te worden. De verordening bevat regels voor
                                        activiteiten die een risico kunnen vormen voor de
                                        grondwaterkwaliteit. Een aantal activiteiten met een groot
                                        risico zijn verboden of slechts onder strenge voorwaarden
                                        toegestaan. Voor overige risico-activiteiten gelden
                                        specifieke regels en voorschriften. Naast de milieuregels in
                                        paragraaf 3.2.2 gelden de ruimtelijke ordeningsregels in
                                        titel 2.13 van de verordening.</noot.al><noot.al>In deze paragraaf wordt onderscheid gemaakt tussen
                                        activiteiten binnen en activiteiten buiten inrichtingen in
                                        de zin van de Wet milieubeheer. Dit vloeit voort uit de
                                        systematiek van de Wet milieubeheer. Deze wet geeft
                                        beperkingen voor het stellen van rechtstreeks werkende
                                        regels voor inrichtingen in de verordening.</noot.al><noot.al><cursief>Activiteiten binnen inrichtingen (artikelen
                                            3.2.2.1 t/m 3.2.2.3)</cursief></noot.al><noot.al>In de grondwaterbeschermingsgebieden geldt een
                                        oprichtingsverbod voor bepaalde categorieën inrichtingen.
                                        Het gaat om bedrijven met een bodemindex B volgens de
                                        brochure Bedrijven en milieuzonering, VNG, editie 2009. Deze
                                        lijst komt op hoofdlijnen overeen met de voorheen geldende
                                        verbodslijst uit 1992. De verbodslijst is zowel van
                                        toepassing op inrichtingen met een omgevingsvergunningplicht
                                        voor de inrichting als voor inrichtingen zonder
                                        omgevingsvergunningplicht, die vallen onder de werkingssfeer
                                        van een Algemene Maatregel van Bestuur op basis van artikel
                                        8.40 van de Wet milieubeheer.</noot.al><noot.al>In interprovinciaal verband is voor inrichtingen in
                                        grondwaterbeschermingsgebieden op basis van een
                                        risico-analyse een nieuwe, verkorte, verbodslijst opgesteld
                                        in combinatie met een stoffenbeoordelingsmethodiek voor
                                        inrichtingen. Verwacht wordt dat deze nieuwe regeling een
                                        behoorlijke administratieve lastenverzwaring voor gemeenten
                                        en provincie met zich meebrengt, wat zou kunnen leiden tot
                                        verslechtering van het beschermingsniveau. Daarom hebben wij
                                        deze regeling vooralsnog niet opgenomen in de verordening.
                                        Aan de hand van ervaringen van andere provincies zullen wij
                                        in 2014/2015 bezien of we de regels voor inrichtingen
                                        aanpassen. </noot.al><noot.al>In grondwaterbeschermingsgebieden is het niet
                                        toegestaan om binnen een inrichting koelwater, afvalwater en
                                        overige (verontreinigde) vloeistoffen te lozen en om een
                                        bodemenergiesysteem te installeren. Dit gelet op de
                                        (mogelijke) risico's van opwarming of verontreiniging van
                                        het grondwater. Verder worden eerst de resultaten afgewacht
                                        van enkele langjarige, landelijke proefprojecten waarbij de
                                        risico's van bodemenergiesystemen in beeld worden gebracht. </noot.al><noot.al>Voor andere risico-activiteiten binnen een inrichting
                                        gelden extra voorschriften ter bescherming van de
                                        grondwaterkwaliteit. Deze zijn opgenomen in bijlage 3 bij de
                                        verordening. De voorschriften gelden zowel voor inrichtingen
                                        waarvoor een omgevingsvergunning voor de inrichting is
                                        vereist als voor inrichtingen waarvoor zo'n
                                        omgevingsvergunning niet is vereist en die vallen onder de
                                        werkingssfeer van een Algemene Maatregel van Bestuur op
                                        basis van artikel 8.40 van de Wet milieubeheer. Voor
                                        omgevingsvergunningplichtige inrichtingen moeten de
                                        voorschriften door het bevoegd gezag aan de vergunning
                                        worden verbonden. Dit ingevolge de instructieregels op grond
                                        van artikel 1.3c van de Wet milieubeheer. </noot.al><noot.al>Voor niet-omgevingsvergunningplichtige inrichtingen
                                        zijn de voorschriften rechtstreeks werkend. Wanneer de
                                        voorschriften niet afdoende zijn om de kwaliteit van het
                                        grondwater te beschermen kunnen nadere eisen worden gesteld.
                                        Dat kan ingeval de voorschriften nader moeten worden
                                        uitgewerkt ofwel een situatie in de voorschriften niet is
                                        voorzien. </noot.al><noot.al><cursief>Activiteiten buiten
                                        inrichtingen</cursief></noot.al><noot.al><cursief>Grote en grootschalige projecten (artikel
                                            3.2.2.4 en artikel 3.2.4.1)</cursief></noot.al><noot.al>In grondwaterbeschermingsgebieden geldt voor grote en
                                        grootschalige projecten een verbod met een
                                        ontheffingsmogelijkheid. Het gaat hier om projecten die
                                        grote tot zeer grote risico's met zich kunnen meebrengen
                                        voor de bescherming van de grondwaterkwaliteit. Bij de
                                        beschrijving van de activiteiten is aansluiting gezocht bij
                                        het Besluit milieu-effectrapportage 1994, zoals die gold
                                        vóór de inwerkingtreding van het wijzigingsbesluit op 1
                                        april 2011.</noot.al><noot.al>a. Bij grote respectievelijk grootschalige dag- of
                                        verblijfsrecreatie (recreatieve of toeristische
                                        voorzieningen) kan worden gedacht aan voorzieningen of een
                                        combinatie van voorzieningen met een oppervlakte van ten
                                        minste 1 respectievelijk 10 hectare in het
                                        beschermingsgebied. De ontheffingsplicht geldt voor
                                        voorzieningen met een oppervlakte van 1 ha of meer in het
                                        beschermingsgebied. </noot.al><noot.al>b. Van grote respectievelijk grootschalige
                                        woningbouwprojecten is sprake ingeval van de bouw van meer
                                        dan 10 respectievelijk 100 woningen in het
                                        beschermingsgebied. Een ontheffingplicht bestaat bij de bouw
                                        van meer dan 10 woningen. </noot.al><noot.al>c. Bij grote respectievelijk grootschalige stedenbouw
                                        denken wij aan de aanleg dan wel de wijziging of uitbreiding
                                        van stadsprojecten met inbegrip van winkelcentra, bedrijven
                                        voor horeca, handel en dienstverlening of parkeerterreinen
                                        betrekking hebbend op een oppervlakte van ten minste 1
                                        hectare (groot) respectievelijk 10 hectare (grootschalig) in
                                        het beschermingsgebied. Een ontheffingsplicht geldt vanaf 1
                                        hectare. </noot.al><noot.al>d. Onder grootschalige wegen worden begrepen
                                        stroomwegen (hoofdwegen, autosnelwegen en autowegen) en de
                                        daarbij behorende bruggen, viaducten en andere kunstwerken
                                        voor het verkeer vallen onder het begrip grootschalig. Onder
                                        grote autowegen worden begrepen gebiedsontsluitingswegen.
                                        Voor de aanleg, wijziging of uitbreiding van genoemde wegen
                                        geldt een ontheffingsplicht. Voor de begrippen stroomwegen
                                        en gebiedsontsluitingswegen wordt verwezen naar de
                                        provinciale Omgevingsvisie.</noot.al><noot.al>Met grote parkeerterreinen/transferia worden ondermeer
                                        bedoeld parkeerterreinen/ transferia voor ten minste 50
                                        personenauto's, parkeerterreinen voor transportmaterieel,
                                        zoals vrachtwagens, tankauto's, bussen en dergelijke en
                                        parkeerterreinen waar handelingen met schadelijke stoffen
                                        (bijvoorbeeld overslag) plaatsvinden. Voor de aanleg,
                                        wijziging of uitbreiding van genoemde parkeerterreinen geldt
                                        een ontheffingsplicht. </noot.al><noot.al>Van een grote waterweg/haven is sprake ingeval de
                                        waterweg/haven kan worden bevaren door schepen met een
                                        laadvermogen van 250 ton tot 900 ton. </noot.al><noot.al>Van een grootschalige waterweg/haven kan worden
                                        gesproken bij een waterweg/haven die kan worden bevaren door
                                        schepen met een laadvermogen van 900 ton of meer. De
                                        ontheffingsplicht geldt voor de aanleg, wijziging of
                                        uitbreiding van waterweg/havens die kunnen worden bevaren
                                        door schepen met een laadvermogen vanaf 250 ton. </noot.al><noot.al> Voor aanleg, wijziging en uitbreiding van spoorwegen
                                        en bijbehorende bruggen, viaducten en andere kunstwerken
                                        voor het verkeer per spoor geldt een ontheffingsplicht. De
                                        ontheffingsplicht geldt niet voor onderhoudswerkzaamheden
                                        aan spoorwegen. </noot.al><noot.al>e. De aanleg, wijziging of uitbreiding van een
                                        bedrijventerrein is ontheffingplichtig bij een oppervlakte
                                        van ten minste 1 hectare in het beschermingsgebied. In dat
                                        geval is sprake van een groot bedrijventerrein. </noot.al><noot.al>Van een grootschalig bedrijventerrein is sprake bij een
                                        oppervlakte van ten minste 10 hectare in het
                                        beschermingsgebied. </noot.al><noot.al>f. Van een grote buisleiding is sprake ingeval van een
                                        buisleiding voor het transport van olie(producten),
                                        chemicaliën of gas (met uitzondering van aardgas) die over
                                        een lengte van 1 kilometer of meer is gelegen of
                                        geprojecteerd binnen een grondwaterbeschermingsgebied. In
                                        dat geval geldt een ontheffingsplicht. Grootschalige
                                        buisleidingen zijn buisleidingen die over een lengte van 5
                                        kilometer of meer in een beschermingsgebied liggen. Ook deze
                                        buisleidingen zijn ontheffingsplichtig. Voor
                                        transportleidingen voor aardgas, water, afvalwater en stoom
                                        geldt geen ontheffingsplicht. </noot.al><noot.al><cursief>Overige risicoactiviteiten (artikelen 3.2.2.5
                                            t/m 3.2.2.10 en artikelen 3.2.5.1 en
                                        3.2.5.2)</cursief></noot.al><noot.al>Een aantal, zogenaamde overige risicoactiviteiten is in
                                        grondwaterbeschermingsgebieden niet toegestaan of slechts
                                        onder voorwaarden. Het gaat om de volgende
                                        activiteiten:</noot.al><noot.al>1. het toepassen van meststoffen anders dan dierlijke
                                        meststoffen, anorganische meststoffen, compost en
                                        kalkmeststoffen; vanwege het risico van mogelijk aanwezige
                                        onbekende verontreinigingen in meststoffen en de complexe
                                        handhaafbaarheid van het gebruik van deze
                                        meststoffen;</noot.al><noot.al>2. toepassen van IBC-bouwstoffen, grond en
                                        baggerspecie; omdat het gebruik van verontreinigd materiaal
                                        risico's met zich mee kan brengen voor de kwaliteit van het
                                        grondwater voor de drinkwaterwinning. De toepassing van
                                        IBC-bouwstoffen is nooit toegestaan omdat deze bouwstoffen
                                        dermate verontreinigd zijn dat zij niet zonder
                                        isolatiemaatregelen mogen worden toegepast. Toepassing van
                                        licht verontreinigde grond en bagger (klasse A en klasse
                                        Wonen) is alleen onder voorwaarden toegestaan. Het materiaal
                                        moet uit hetzelfde grondwaterbeschermingsgebied afkomstig
                                        zijn (stand-still op gebiedsniveau). Ook geldt de voorwaarde
                                        dat geen verontreinigd materiaal op een schone bodem mag
                                        worden toegepast (stand-still op lokaal niveau). Voor
                                        grootschalige toepassingen van licht verontreinigde grond en
                                        bagger (tenminste 5000 m³) geldt dat het materiaal uit
                                        hetzelfde grondwaterbeschermingsgebied afkomstig moet zijn
                                        en door onderzoek moet worden aangetoond dat door de
                                        toepassing de risico's op verontreiniging van het grondwater
                                        voor de waterwinning niet toenemen. Daarnaast geldt voor
                                        deze grootschalige toepassingen een meldingsplicht. Voor
                                        verspreiding van baggerspecie vanuit watergangen, die
                                        vrijkomt bij regulier onderhoud, over aangrenzende percelen
                                        biedt het Besluit bodemkwaliteit voldoende bescherming en
                                        geldt een vrijstelling.</noot.al><noot.al>3. het uitvoeren van lozingen; gelet op de risico's van
                                        opwarming of verontreiniging van het grondwater. Een
                                        uitzondering geldt voor de lozing van hemelwater afkomstig
                                        van daken van particuliere huishoudens, gezien de beperkte
                                        risico's en de complexe handhaafbaarheid. Het lozen van
                                        hemelwater vanaf wegen en parkeerplaatsen en andere
                                        terreinen voor gemotoriseerd verkeer is toegestaan wanneer
                                        wordt voldaan aan algemene voorschriften. Daarnaast geldt
                                        een meldingsplicht.</noot.al><noot.al>4. het hebben of tot stand brengen van constructies
                                        waarbij schadelijke stoffen op of in de bodem worden
                                        vervoerd, op- of overgeslagen; vanwege het risico op
                                        lekkages waardoor schadelijke stoffen het grondwater kunnen
                                        verontreinigen. Voor een aantal constructies geldt een
                                        uitzondering. Het gaat om voorzieningen voor de inzameling
                                        en transport van afvalwater en om voorzieningen voor opslag
                                        en transport van schadelijke stoffen voor
                                        niet-bedrijfsmatige doeleinden omdat daarvoor algemeen
                                        aanvaarde landelijke regelgeving geldt. Verder is het tot
                                        stand brengen, wijzigen of uitbreiden van buisleidingen voor
                                        het transport van olie, chemicaliën en gas (niet zijnde
                                        aardgas) binnen het beschermingsgebied uitgezonderd, mits
                                        extra voorzieningen en maatregelen voor aanleg en beheer van
                                        de buisleidingen worden getroffen. Hiervoor geldt een
                                        meldingsplicht. Deze bepaling geldt voor buisleidingen die
                                        over een lengte tot 1 km in het beschermingsgebied liggen.
                                        Voor buisleidingen met een lengte van meer dan 1 km geldt
                                        een ontheffingsplicht. </noot.al><noot.al>5. het uitvoeren van mechanische ingrepen; vanwege de
                                        risico's dat de beschermende werking van slecht doorlatende
                                        bodemlagen worden aangetast. Voor mechanische ingrepen die
                                        noodzakelijk zijn voor de waterwinning geldt een
                                        uitzondering op het verbod. Overige mechanische ingrepen
                                        zijn alleen toegestaan wanneer wordt voldaan aan algemene
                                        voorschriften en vooraf een melding wordt ingediend. </noot.al><noot.al>6. het tot stand brengen van bodemenergiesystemen;
                                        omdat nog onvoldoende duidelijk is dat deze systemen geen
                                        negatieve invloed hebben op de kwaliteit van het grondwater
                                        ten behoeve van de drinkwaterwinning. Het verbod geldt in
                                        afwachting van resultaten van landelijke
                                        proefprojecten.</noot.al><noot.al><vet>3.2.3 Boringsvrije zones</vet></noot.al><noot.al>In een boringsvrije zone bevinden zich tussen het
                                        maaiveld en het watervoerende pakket waaraan het grondwater
                                        wordt onttrokken, zodanige beschermende bodemlagen dat met
                                        beperkte regels kan worden volstaan. </noot.al><noot.al>In boringsvrije zones is het beschermingsregime erop
                                        gericht om de zones te vrijwaren van mechanische
                                        bodemingrepen, die de beschermende functie van slecht
                                        doorlatende bodemlagen teniet zouden kunnen doen. Ook moet
                                        worden voorkomen dat schadelijke stoffen het grondwater
                                        verontreinigen dat wordt gebruikt voor de
                                        drinkwatervoorziening. Om die reden is een verbod opgenomen
                                        om koelwater, afvalwater en overige (verontreinigde)
                                        vloeistoffen te lozen en om bodemenergiesystemen te
                                        installeren vanaf een bepaalde diepte in de ondergrond. Dit
                                        gelet op de (mogelijke) risico's van opwarming of
                                        verontreiniging van het grondwater. Verder worden eerst de
                                        resultaten afgewacht van enkele langjarige, landelijke
                                        proefprojecten waarbij de risico's van bodemenergiesystemen
                                        in beeld worden gebracht. </noot.al><noot.al>Overige mechanische ingrepen zijn alleen toegestaan
                                        wanneer wordt voldaan aan algemene voorschriften en vooraf
                                        een melding wordt ingediend. Voor de boringsvrije zone
                                        Salland-Diep is het mogelijk om een bodemenergiesysteem te
                                        installeren en een daarmee samenhangende lozing uit te
                                        voeren, dieper dan vijftig meter onder het maaiveld, mits
                                        wordt aangetoond dat de beschermende kleilaag dieper ligt
                                        dan vijftig meter. </noot.al><noot.al>In deze paragraaf wordt onderscheid gemaakt tussen
                                        activiteiten binnen en activiteiten buiten inrichtingen in
                                        de zin van de Wet milieubeheer. Dit vloeit voort uit de
                                        systematiek van de Wet milieubeheer. Deze wet geeft
                                        beperkingen voor het stellen van rechtstreeks werkende
                                        regels voor inrichtingen in de verordening. De hiervoor
                                        genoemde regels in boringsvrije zones gelden zowel voor
                                        activiteiten binnen inrichtingen als voor activiteiten
                                        buiten inrichtingen. </noot.al><noot.al><cursief>Activiteiten binnen inrichtingen (artikelen
                                            3.2.3.1 t/m 3.2.3.3 en artikelen 3.2.4.1, 3.2.5.1 en
                                            3.2.5.2)</cursief></noot.al><noot.al>Onderscheid is gemaakt in regels voor inrichtingen
                                        waarvoor een omgevingsvergunning voor de inrichting is
                                        vereist en voor inrichtingen waarvoor zo'n
                                        omgevingsvergunning niet is vereist en die vallen onder de
                                        werkingssfeer van een Algemene Maatregel van Bestuur op
                                        basis van artikel 8.40 van de Wet milieubeheer. Qua inhoud
                                        komen de regels en voorschriften overeen. De voorschriften
                                        zijn opgenomen in bijlage 3 bij de verordening.</noot.al><noot.al>Voor omgevingsvergunningplichtige inrichtingen moeten
                                        de voorschriften door het bevoegd gezag aan de vergunning
                                        worden verbonden. Dit ingevolge de instructieregels op grond
                                        van artikel 1.3c van de Wet milieubeheer. </noot.al><noot.al>Voor niet-omgevingsvergunningplichtige inrichtingen
                                        zijn de voorschriften rechtstreeks werkend. Wanneer de
                                        voorschriften niet afdoende zijn om de kwaliteit van het
                                        grondwater te beschermen kunnen nadere eisen worden gesteld.
                                        Dat kan ingeval de voorschriften nader moeten worden
                                        uitgewerkt ofwel een situatie in de voorschriften niet is
                                        voorzien. </noot.al><noot.al>Voor het installeren van een bodemenergiesysteem in de
                                        boringsvrije zone Salland Diep dieper dan vijftig meter
                                        binnen een omgevingsvergunningplichtige inrichting geldt een
                                        meldingsplicht aan het bevoegd gezag, binnen een
                                        niet-omgevingsvergunningplichtige inrichting geldt een
                                        ontheffingsplicht.</noot.al><noot.al><cursief>Activiteiten buiten inrichtingen (artikel
                                            3.2.3.4 en artikelen 3.2.4.1, 3.2.5.1 en
                                            3.2.5.2)</cursief></noot.al><noot.al>Voor lozingen, mechanische ingrepen en
                                        bodemenergiesystemen die plaatsvinden buiten een inrichting
                                        gelden de hiervoor genoemde regels en voorschriften
                                        rechtstreeks. Voor mechanische ingrepen geldt een
                                        meldingsplicht. Voor het installeren van een
                                        bodemenergiesysteem in de boringsvrije zone Salland Diep
                                        dieper dan vijftig meter geldt een
                                        ontheffingsplicht.</noot.al><noot.al><vet>3.2.4 Ontheffingen in waterwingebieden,
                                            grondwaterbeschermingsgebieden en boringsvrije
                                            zones</vet></noot.al><noot.al>Voor het verlenen en wijzigen van een ontheffing geldt
                                        de voorwaarde dat een onherroepelijk bestemmingsplan de
                                        gedragingen of activiteiten toestaat (artikel 3.2.4.1,
                                        eerste lid). Voor het al of niet toestaan van
                                        risicoactiviteiten is het provinciaal planologische beleid
                                        uitgangspunt. Risicoactiviteiten in waterwingebieden, grote
                                        of grootschalige risicoactiviteiten in
                                        grondwaterbeschermingsgebieden en bodemenergiesystemen
                                        dieper dan vijftig meter in de boringsvrije zone
                                        Salland-Diep worden in principe geweerd. Ze kunnen slechts
                                        bij uitzondering en onder voorwaarden, te verbinden aan een
                                        ontheffing, worden toegestaan. </noot.al><noot.al><vet>3.2.5 Meldingen in grondwaterbeschermingsgebieden
                                            en boringsvrije zones</vet></noot.al><noot.al>Voor de handhaving van de gestelde regels is het van
                                        belang dat de provincie tijdig informatie ontvangt over het
                                        voornemen om activiteiten uit te voeren die risico's voor de
                                        grondwaterkwaliteit met zich meebrengen. Hoewel het streven
                                        van de provincie er op is gericht zo min mogelijk
                                        administratieve lastendruk te veroorzaken, is in een aantal
                                        gevallen een meldingsplicht ingevoerd. Dit geldt voor de
                                        volgende activiteiten buiten inrichtingen: grootschalige
                                        toepassing van verontreinigde grond en baggerspecie, lozing
                                        van afvloeiend hemelwater vanaf wegen en parkeerplaatsen,
                                        aanleg en wijziging van buisleidingen en mechanische
                                        ingrepen in grondwaterbeschermingsgebieden en voor
                                        mechanische ingrepen op een bepaalde diepte in boringsvrije
                                        zones. </noot.al><noot.al><vet>3.2.6 Vergoeding van kosten en schade in
                                            waterwingebieden, grondwaterbeschermingsgebieden en
                                            boringsvrije zones</vet></noot.al><noot.al>Paragraaf 3.2.6 bevat enkele procedurele bepalingen met
                                        betrekking tot de totstandkoming van een beslissing over de
                                        vergoeding van schade en kosten door het van toepassing
                                        worden van grondwaterbeschermingsregels. De bepalingen
                                        vormen een uitwerking van en aanvulling op de bepalingen in
                                        de Wet milieubeheer en de Algemene wet bestuursrecht . Bij
                                        de voorbereiding van een schadevergoedingsbeschikking zullen
                                        doorgaans alleen de aanvrager, de adviserende deskundigen en
                                        de grondwateronttrekker (het waterleidingbedrijf) betrokken
                                        zijn, daarom is afdeling 4.1 Awb van toepassing. Het
                                        bevoegde gezag kan zich laten adviseren door één of meer
                                        deskundigen. Wezenlijk voor de advisering is dat de
                                        deskundigen in staat zijn een onpartijdig oordeel te geven
                                        over de toepasselijkheid van de wettelijke criteria op de
                                        aanvraag om vergoeding of op de ambtshalve toekenning
                                        daarvan. Naast de aanvrager of degene aan wie Gedeputeerde
                                        Staten uit eigen beweging een schadevergoeding willen
                                        toekennen, wordt ook het waterleidingbedrijf in de
                                        gelegenheid gesteld om mondeling of schriftelijk haar
                                        opvattingen kenbaar te maken. Het waterleidingbedrijf heeft
                                        een bijzonder belang bij de besluitvorming terzake omdat de
                                        kosten van schadevergoeding voor haar rekening kunnen worden
                                        gebracht. </noot.al><noot.al>Sinds 1995 geldt het 'Schadevergoedingsconvenant
                                        formele claims grondwaterbescherming 1995-1998' tussen
                                        Gedeputeerde Staten, colleges van burgemeester en wethouders
                                        van betrokken gemeenten en het waterleidingbedrijf voor de
                                        procedure voor de afwikkeling van verzoeken om
                                        schadevergoeding in verband met de toepassing van
                                        grondwaterbeschermingsregels. Het convenant is tot op heden
                                        jaarlijks stilzwijgend verlengd. Het convenant geldt in
                                        aanvulling op en ter uitwerking van de procedurebepalingen
                                        in deze paragraaf. In het convenant is geregeld dat partijen
                                        in eerste instantie proberen een minnelijke regeling te
                                        treffen, zodat de formele wettelijke regeling niet hoeft te
                                        worden gevolgd. De wettelijke regeling heeft dus een
                                        vangnetfunctie.]</noot.al></noot></al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Paragraaf 3.2.1. Waterwingebieden</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 3.2.1.1. Regels voor omgevingsvergunningplichtige
                                    inrichtingen in waterwingebieden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H55823_0_5_5_33_"> Het is verboden in een
                                    waterwingebied een inrichting, waarvoor een omgevingsvergunning
                                    is vereist, op te richten.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H55823_0_5_5_34_"> Het verbod als bedoeld in het
                                    eerste lid geldt niet voor de betrokken grondwateronttrekker,
                                    voor zover de inrichting noodzakelijk is voor de
                                    waterwinning.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al id="anker-H55823_0_5_5_35_"> Het is verboden in een
                                    waterwingebied binnen een inrichting waarvoor een
                                    omgevingsvergunning is vereist, een lozing uit te voeren.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al id="anker-H55823_0_5_5_36_"> Het is verboden in een
                                    waterwingebied binnen een inrichting waarvoor een
                                    omgevingsvergunning is vereist, een bodemenergiesysteem te
                                    installeren.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3.2.1.2. Instructieregels voor omgevingsvergunningen
                                    voor inrichtingen in waterwingebieden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H55823_0_5_6_37_"> Het bevoegd gezag verbindt aan een
                                    omgevingsvergunning voor een inrichting in een waterwingebied in
                                    ieder geval de voorschriften die zijn aangegeven in bijlage
                                    3.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H55823_0_5_6_38_"> Het bevoegd gezag kan afwijken van
                                    de voorschriften als bedoeld in het eerste lid dan wel nadere
                                    eisen stellen, voor zover dit is aangegeven in bijlage 3.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3.2.1.3. Regels voor
                                    niet-omgevingsvergunningplichtige inrichtingen in
                                    waterwingebieden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H55823_0_5_7_39_"> De in artikel 3.2.1.1 gestelde
                                    bepalingen zijn van overeenkomstige toepassing op een inrichting
                                    in een waterwingebied, waarvoor geen omgevingsvergunning is
                                    vereist.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H55823_0_5_7_40_"> Het is verboden in een
                                    waterwingebied een inrichting waarvoor geen omgevingsvergunning
                                    is vereist, in werking te hebben, te veranderen of de werking te
                                    veranderen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al id="anker-H55823_0_5_7_41_"> Het in het tweede lid gestelde
                                    verbod geldt niet indien wordt voldaan aan de voorschriften in
                                    bijlage 3 en geen nadelige gevolgen voor de waterwinning
                                    optreden.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al id="anker-H55823_0_5_7_42_"> Gedeputeerde Staten kunnen afwijken
                                    van de voorschriften als bedoeld in het derde lid dan wel nadere
                                    eisen stellen, voor zover dit is aangegeven in bijlage 3.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3.2.1.4. Verboden in waterwingebieden, buiten
                                    inrichtingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H55823_0_5_8_43_"> Het is in een waterwingebied
                                    verboden om buiten inrichtingen:</al><lijst><li nr="a."><al id="anker-H55823_0_5_8_43_8_"> schadelijke stoffen op of
                                            in de bodem te brengen, te hebben, te gebruiken of te
                                            vervoeren;</al></li><li nr="b."><al id="anker-H55823_0_5_8_43_9_"> constructies of werken op
                                            of in de bodem op te richten, te hebben, of uit te
                                            voeren als daarmee verspreiding van schadelijke stoffen
                                            in de bodem of aantasting van de beschermende werking
                                            van bodemlagen kan ontstaan.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H55823_0_5_8_44_"> Onder de in het eerste lid, onder
                                    a, bedoelde schadelijke stoffen worden in ieder geval begrepen
                                    aardolie en aardolieproducten, afvalstoffen,
                                    gewasbeschermingsmiddelen en biociden, meststoffen,
                                    IBC-bouwstoffen, grond en baggerspecie waarvan de kwaliteit de
                                    achtergrondenwaarden overschrijdt, koelwater, afvalwater en
                                    overige vloeistoffen waarin schadelijke stoffen voorkomen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al id="anker-H55823_0_5_8_45_"> Onder de in het eerste lid, onder
                                    b, bedoelde constructies of werken worden in ieder geval
                                    begrepen leidingen, installaties, opslagreservoirs, mechanische
                                    ingrepen, begraafplaatsen en terreinen voor het verstrooien van
                                    as, wegen, parkeerplaatsen en andere terreinen voor
                                    gemotoriseerd verkeer, spoorwegen en waterwegen, recreatieve
                                    voorzieningen, gebouwen en bodemenergiesystemen.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3.2.1.5. Vrijstellingen in waterwingebieden, buiten
                                    inrichtingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H55823_0_5_9_46_"> De in artikel 3.2.1.4, eerste lid,
                                    onder a en b, gestelde verboden gelden niet voor:</al><lijst><li nr="a."><al id="anker-H55823_0_5_9_46_10_"> activiteiten van de
                                            betrokken grondwateronttrekker, voor zover de
                                            activiteiten noodzakelijk zijn voor de
                                            waterwinning;</al></li><li nr="b."><al id="anker-H55823_0_5_9_46_11_"> activiteiten waarvoor
                                            Gedeputeerde Staten een vergunning hebben verleend op
                                            grond van de Waterwet of de Ontgrondingenwet dan wel een
                                            beschikking hebben gegeven op grond van de Wet
                                            bodembescherming en aan die vergunning of beschikking
                                            voorschriften hebben verbonden die nodig zijn ter
                                            bescherming van de waterwinning;</al></li><li nr="c."><al id="anker-H55823_0_5_9_46_12_"> activiteiten waarvoor de
                                            betrokken grondwateronttrekker een beheerplan heeft
                                            opgesteld dat is goedgekeurd door Gedeputeerde
                                            Staten.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H55823_0_5_9_47_"> Het in artikel 3.2.1.4, eerste lid,
                                    onder a, gestelde verbod geldt niet voor:</al><lijst><li nr="a."><al id="anker-H55823_0_5_9_47_13_"> het hebben of gebruiken
                                            van geringe hoeveelheden schadelijke stoffen, anders dan
                                            gewasbeschermingsmiddelen en biociden, bij woningen en
                                            andere gebouwen, bestemd voor of afkomstig van normaal
                                            gebruik ter plaatse, mits bewaard in een deugdelijke
                                            verpakking en afdoende beschermd tegen
                                            weersinvloeden;</al></li><li nr="b."><al id="anker-H55823_0_5_9_47_14_"> het hebben of gebruiken
                                            van schadelijke stoffen aanwezig in en benodigd voor het
                                            doen functioneren van motorvoertuigen, motorwerktuigen
                                            of bromfietsen;</al></li><li nr="c."><al id="anker-H55823_0_5_9_47_15_"> het toepassen van
                                            strooizout ten behoeve van de gladheidbestrijding;</al></li><li nr="d."><al id="anker-H55823_0_5_9_47_16_"> het vervoeren van
                                            schadelijke stoffen in afgesloten en vloeistofdichte
                                            tanks of in een deugdelijk gesloten verpakking, mits
                                            deugdelijk geladen, afdoende beschermd tegen
                                            weersinvloeden en op zodanige wijze dat geen gevaar voor
                                            verspreiding of verstuiving bestaat.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al id="anker-H55823_0_5_9_48_"> Het in artikel 3.2.1.4, eerste lid,
                                    onder b, gestelde verbod geldt niet voor:</al><lijst><li nr="a."><al id="anker-H55823_0_5_9_48_17_"> constructies of werken
                                            die op het moment van inwerkingtreding van deze
                                            verordening bestonden;</al></li><li nr="b."><al id="anker-H55823_0_5_9_48_18_"> uitbreiding of wijziging
                                            van de constructies en werken bedoeld onder a voor zover
                                            de risico's op verontreiniging van het grondwater voor
                                            de waterwinning niet toenemen.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3.2.1.6. Ontheffingen in waterwingebieden, buiten
                                    inrichtingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H55823_0_5_10_49_"> Gedeputeerde Staten kunnen, voor
                                    zover de risico's op verontreiniging van het grondwater voor de
                                    waterwinning niet toenemen, ontheffing verlenen van de in de
                                    artikelen 3.2.1.4 gestelde verboden voor:</al><lijst><li nr="a."><al id="anker-H55823_0_5_10_49_19_"> activiteiten in verband
                                            met natuurontwikkeling en natuurbeheer;</al></li><li nr="b."><al id="anker-H55823_0_5_10_49_20_"> activiteiten in verband
                                            met extensieve recreatie en educatie;</al></li><li nr="c."><al id="anker-H55823_0_5_10_49_21_"> activiteiten van
                                            tijdelijke aard, in uitzonderlijke gevallen, voor
                                            maximaal vijf jaar, die van zwaarwegend maatschappelijk
                                            belang zijn en waarvoor geen alternatieven beschikbaar
                                            zijn.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H55823_0_5_10_50_"> Ten aanzien van de ontheffing is
                                    artikel 3.2.4.1 van toepassing.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Paragraaf 3.2.2. Grondwaterbeschermingsgebieden</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 3.2.2.1. Regels voor omgevingsvergunningplichtige
                                    inrichtingen in grondwaterbeschermingsgebieden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H55823_0_6_11_51_"> Het is verboden in een
                                    grondwaterbeschermingsgebied een inrichting op te richten
                                    waarvoor een omgevingsvergunning is vereist, indien die
                                    inrichting behoort tot een categorie van inrichtingen die is
                                    aangewezen in bijlage 2.2.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H55823_0_6_11_52_"> Het verbod als bedoeld in het
                                    eerste lid geldt niet voor de betrokken grondwateronttrekker,
                                    voor zover de inrichting noodzakelijk is voor de
                                    waterwinning.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al id="anker-H55823_0_6_11_53_"> Het is verboden in een
                                    grondwaterbeschermingsgebied binnen een inrichting waarvoor een
                                    omgevingsvergunning is vereist, een lozing uit te voeren.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al id="anker-H55823_0_6_11_54_"> Het is verboden in
                                    grondwaterbeschermingsgebieden binnen een inrichting waarvoor
                                    een omgevingsvergunning is vereist, een bodemenergiesysteem te
                                    installeren.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3.2.2.2. Instructieregels voor omgevingsvergunningen
                                    voor inrichtingen in grondwaterbeschermingsgebieden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H55823_0_6_12_55_"> Het bevoegd gezag verbindt aan een
                                    omgevingsvergunning voor een inrichting in een
                                    grondwaterbeschermingsgebied in ieder geval de voorschriften die
                                    zijn aangegeven in bijlage 3.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H55823_0_6_12_56_"> Het bevoegd gezag kan afwijken van
                                    de voorschriften als bedoeld in het eerste lid dan wel nadere
                                    eisen stellen, voor zover dit is aangegeven in bijlage 3.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3.2.2.3. Regels voor
                                    niet-omgevingsvergunningplichtige inrichtingen in
                                    grondwaterbeschermingsgebieden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H55823_0_6_13_57_"> De bepalingen in artikel 3.2.2.1
                                    zijn van overeenkomstige toepassing op een inrichting in een
                                    grondwaterbeschermingsgebied, waarvoor geen omgevingsvergunning
                                    is vereist.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H55823_0_6_13_58_"> Het is verboden in een
                                    grondwaterbeschermingsgebied een inrichting waarvoor geen
                                    omgevingsvergunning is vereist, in werking te hebben, te
                                    veranderen of de werking te veranderen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al id="anker-H55823_0_6_13_59_"> Het in het tweede lid gestelde
                                    verbod geldt niet indien wordt voldaan aan de voorschriften in
                                    bijlage 3 en geen nadelige gevolgen voor de waterwinning
                                    optreden.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al id="anker-H55823_0_6_13_60_"> Gedeputeerde Staten kunnen
                                    afwijken van de voorschriften als bedoeld in het derde lid dan
                                    wel nadere eisen stellen, voor zover dit is aangegeven in
                                    bijlage 3.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3.2.2.4. Regels voor grote en grootschalige projecten
                                    in grondwaterbeschermingsgebieden, buiten inrichtingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H55823_0_6_14_61_"> Het is in een
                                    grondwaterbeschermingsgebied verboden om buiten inrichtingen
                                    grote en grootschalige projecten tot stand te brengen, te
                                    wijzigen of uit te breiden, voor zover de risico's op
                                    verontreiniging van het grondwater voor de waterwinning
                                    toenemen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H55823_0_6_14_62_"> Onder projecten, als bedoeld in
                                    het eerste lid, worden in ieder geval verstaan grote en
                                    grootschalige:</al><lijst><li nr="-"><al id="anker-H55823_0_6_14_62_22_"> dag- of
                                            verblijfsrecreatie;</al></li><li nr="-"><al id="anker-H55823_0_6_14_62_23_"> woningbouw (meer dan 10
                                            respectievelijk 100 woningen);</al></li><li nr="-"><al id="anker-H55823_0_6_14_62_24_"> stedenbouw
                                            (winkelcentra, bedrijven voor horeca, handel en
                                            dienstverlening);</al></li><li nr="-"><al id="anker-H55823_0_6_14_62_25_"> autowegen (inclusief
                                            parkeerterreinen, transferia), waterwegen (inclusief
                                            havens), spoorwegen;</al></li><li nr="-"><al id="anker-H55823_0_6_14_62_26_">
                                            bedrijventerreinen;</al></li><li nr="-"><al id="anker-H55823_0_6_14_62_27_"> buisleidingen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al id="anker-H55823_0_6_14_63_"> Gedeputeerde Staten kunnen
                                    ontheffing verlenen van de in het eerste lid gestelde verboden.
                                    Ten aanzien van de ontheffing is artikel 3.2.4.1 van
                                    toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3.2.2.5 Regels voor meststoffen in
                                    grondwaterbeschermingsgebieden, buiten inrichtingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H55823_0_6_15_64_"> Het is in een
                                    grondwaterbeschermingsgebied verboden om buiten inrichtingen
                                    meststoffen op of in de bodem te brengen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H55823_0_6_15_65_"> Het in het eerste lid gestelde
                                    verbod geldt niet voor dierlijke meststoffen, anorganische
                                    meststoffen, compost en kalkmeststoffen.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3.2.2.6 Regels voor bouwstoffen, grond en
                                    baggerspecie in grondwaterbeschermingsgebieden, buiten
                                    inrichtingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H55823_0_6_16_66_"> Het is in een
                                    grondwaterbeschermingsgebied verboden om buiten inrichtingen
                                    IBC-bouwstoffen op of in de bodem te brengen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H55823_0_6_16_67_"> Het is in
                                    grondwaterbeschermingsgebieden verboden om buiten inrichtingen
                                    grond of baggerspecie op of in de bodem toe te passen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al id="anker-H55823_0_6_16_68_"> Het in het tweede lid gestelde
                                    verbod geldt niet voor de toepassing van grond of
                                    baggerspecie:</al><lijst><li nr="a."><al> op of in de bodem: indien de kwaliteit van de grond of
                                            baggerspecie</al><al>1º de achtergrondwaarden niet overschrijdt dan wel</al><al>2º de maximale waarden van de kwaliteitsklasse wonen
                                            niet overschrijdt, de kwaliteit van de ontvangende bodem
                                            gelijk is aan of slechter is dan kwaliteitsklasse wonen
                                            en de grond of baggerspecie uit het
                                            grondwaterbeschermingsgebied afkomstig is;</al></li><li nr="b."><al> in oppervlaktewater: indien de kwaliteit van de grond
                                            of baggerspecie</al><al> 1º de achtergrondwaarden niet overschrijdt dan wel</al><al> 2º de maximale waarden van de kwaliteitsklasse A niet
                                            overschrijdt, de kwaliteit van de ontvangende waterbodem
                                            gelijk is aan of slechter is dan kwaliteitsklasse A en
                                            de grond of baggerspecie uit het
                                            grondwaterbeschermingsgebied afkomstig is;</al></li><li nr="c."><al> met een omvang van meer dan 5.000 m3 indien wordt
                                            aangetoond dat de risico's op verontreiniging van het
                                            grondwater voor de waterwinning niet toenemen, de grond
                                            of baggerspecie uit het grondwaterbeschermingsgebied
                                            afkomstig is en de kwaliteit van de grond of
                                            baggerspecie</al><al> 1º de maximale waarden van de kwaliteitsklasse wonen
                                            niet overschrijdt bij een toepassing op of in de bodem; </al><al> 2º de maximale waarden kwaliteitsklasse A niet
                                            overschrijdt bij een toepassing in
                                            oppervlaktewater;</al></li><li nr="d."><al id="anker-H55823_0_6_16_68_31_"> indien sprake is van
                                            verspreiding van de baggerspecie uit een watergang, die
                                            vrijkomt bij regulier onderhoud, over de aan de
                                            watergang grenzende percelen, met het oog op het
                                            herstellen of verbeteren van die percelen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al id="anker-H55823_0_6_16_69_"> De eisen als bedoeld in hoofdstuk
                                    4, afdeling 2, paragraaf 1 en 2 van het Besluit bodemkwaliteit
                                    zijn van toepassing op het derde lid, onder c.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al id="anker-H55823_0_6_16_70_"> Degene die voornemens is een
                                    activiteit genoemd in het derde lid, onder c, uit te voeren doet
                                    een melding. Bij de melding wordt een rapport van
                                    locatiespecifiek onderzoek gevoegd op grond waarvan kan worden
                                    vastgesteld dat de risico's op verontreiniging van het
                                    grondwater voor de waterwinning niet toenemen. Ten aanzien van
                                    de melding is artikel 3.2.5.1 van toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3.2.2.7 Regels voor lozingen in
                                    grondwaterbeschermingsgebieden, buiten inrichtingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H55823_0_6_17_71_"> Het is in een
                                    grondwaterbeschermingsgebied verboden om buiten inrichtingen een
                                    lozing uit te voeren;</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H55823_0_6_17_72_"> Het in het eerste lid gestelde
                                    verbod geldt niet voor het lozen:</al><lijst><li nr="a."><al id="anker-H55823_0_6_17_72_32_"> vanuit een particulier
                                            huishouden;</al></li><li nr="b."><al id="anker-H55823_0_6_17_72_33_"> van afvloeiend
                                            hemelwater afkomstig van wegen, spoorwegen en daarbij
                                            behorende bruggen, viaducten en andere kunstwerken
                                            alsmede van parkeerplaatsen en andere terreinen die
                                            openstaan voor gemotoriseerd verkeer, indien wordt
                                            voldaan aan de voorschriften in bijlage 4.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al id="anker-H55823_0_6_17_73_"> Degene die voornemens is een
                                    activiteit genoemd in het tweede lid, onder b uit te voeren doet
                                    een melding. Ten aanzien van de melding is artikel 3.2.5.1 van
                                    toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3.2.2.8 Regels voor constructies in
                                    grondwaterbeschermingsgebieden, buiten inrichtingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H55823_0_6_18_74_"> Het is in een
                                    grondwaterbeschermingsgebied verboden om buiten inrichtingen
                                    constructies voor het vervoeren, bergen, opslaan, overslaan,
                                    storten of verzinken van schadelijke stoffen op of in de bodem
                                    te hebben of tot stand te brengen, waaronder begrepen leidingen,
                                    installaties en opslagreservoirs.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H55823_0_6_18_75_"> Het in het eerste lid gestelde
                                    verbod geldt niet voor constructies:</al><lijst><li nr="a."><al id="anker-H55823_0_6_18_75_34_"> voor de inzameling en
                                            het transport van afvalwater;</al></li><li nr="b."><al id="anker-H55823_0_6_18_75_35_"> voor de opslag en het
                                            transport van schadelijke stoffen voor
                                            niet-bedrijfsmatige doeleinden;</al></li><li nr="c."><al> inhoudende het tot stand brengen, wijzigen of
                                            uitbreiden van een buisleiding indien:</al><al> 1º gebruik wordt gemaakt van mantelbuizen conform NEN
                                            3650 met een lekdetectiesysteem;</al><al> 2º markeringslint boven de buisleiding wordt
                                            aangebracht en</al><al> 3º een locatiespecifiek calamiteitenplan wordt
                                            opgesteld overeenkomstig NTA 8000, gericht op het
                                            voorkomen van verontreiniging van het grondwater voor de
                                            waterwinning, waarbij in ieder geval wordt betrokken een
                                            geohydrologisch onderzoek met berekeningen van de
                                            verspreiding van de schadelijke stof in de bodem.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al id="anker-H55823_0_6_18_76_"> Degene die voornemens is een
                                    activiteit genoemd in het tweede lid, onder c, uit te voeren
                                    doet een melding. Ten aanzien van de melding is artikel 3.2.5.1
                                    van toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3.2.2.9 Regels voor mechanische ingrepen in
                                    grondwaterbeschermingsgebieden, buiten inrichtingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H55823_0_6_19_77_"> Het is in een
                                    grondwaterbeschermingsgebied verboden om buiten inrichtingen
                                    mechanische ingrepen op of in de bodem uit te voeren dieper dan
                                    twee meter onder het maaiveld.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H55823_0_6_19_78_"> Het in het eerste lid gestelde
                                    verbod geldt niet voor mechanische ingrepen:</al><lijst><li nr="a."><al id="anker-H55823_0_6_19_78_37_"> ten behoeve van een
                                            grondwateronttrekking, met het oog op de
                                            waterwinning;</al></li><li nr="b."><al id="anker-H55823_0_6_19_78_38_"> waarvoor Gedeputeerde
                                            Staten een vergunning hebben verleend op grond van de
                                            Waterwet of de Ontgrondingenwet dan wel een beschikking
                                            hebben gegeven op grond van de Wet bodembescherming en
                                            aan die vergunning of beschikking voorschriften hebben
                                            verbonden die nodig zijn ter bescherming van de
                                            waterwinning of</al></li><li nr="c."><al id="anker-H55823_0_6_19_78_39_"> waarbij wordt voldaan
                                            aan de voorschriften in bijlage 5.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al id="anker-H55823_0_6_19_79_"> Degene die voornemens is een
                                    activiteit genoemd in het tweede lid, onder c, uit te voeren
                                    doet een melding. Ten aanzien van de melding is artikel 3.2.5.1
                                    van toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3.2.2.10 Regels voor bodemenergiesystemen in
                                    grondwaterbeschermingsgebieden, buiten inrichtingen</titel></kop><al>Het is in een grondwaterbeschermingsgebied verboden om buiten
                                inrichtingen een bodemenergiesysteem te installeren.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Paragraaf 3.2.3. Boringsvrije zones</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 3.2.3.1. Regels voor omgevingsvergunningplichtige
                                    inrichtingen in boringsvrije zones</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H55823_0_7_21_80_"> Het is verboden in een
                                    boringsvrije zone binnen een inrichting waarvoor een
                                    omgevingsvergunning is vereist, een lozing uit te voeren of een
                                    bodemenergiesysteem te installeren, voor zover deze activiteiten
                                    plaatsvinden:</al><lijst><li nr="a."><al id="anker-H55823_0_7_21_80_40_"> dieper dan vijftig
                                            meter onder het maaiveld in de boringsvrije zones
                                            Diepenveen, Deventer-Ceintuurbaan en
                                            Deventer-Zutphenseweg;</al></li><li nr="b."><al id="anker-H55823_0_7_21_80_41_"> dieper dan
                                            vijfenzeventig meter onder het maaiveld in de
                                            boringsvrije zone Engelse Werk te Zwolle;</al></li><li nr="c."><al id="anker-H55823_0_7_21_80_42_"> dieper dan vijf meter
                                            onder het maaiveld in de boringsvrije zone
                                            Kotkamp/Schreurserve te Enschede en</al></li><li nr="d."><al id="anker-H55823_0_7_21_80_43_"> dieper dan vijftig
                                            meter onder het maaiveld in de boringsvrije zone Salland
                                            Diep.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H55823_0_7_21_81_"> Het in het eerste lid onder d.
                                    genoemde verbod geldt niet voor het installeren van een
                                    bodemenergiesysteem en het uitvoeren van een lozing die daarmee
                                    verband houdt, indien op basis van een boring ter plaatse van de
                                    voorgenomen activiteit wordt aangetoond dat de slecht
                                    doorlatende laag dieper ligt dan vijftig meter onder het
                                    maaiveld en de activiteit wordt uitgevoerd tot maximaal de
                                    diepte waarop de top van de slecht doorlatende laag is
                                    aangetroffen.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3.2.3.2. Instructieregels voor omgevingsvergunningen
                                    voor inrichtingen in boringsvrije zones</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H55823_0_7_22_82_"> Het bevoegd gezag verbindt aan een
                                    omgevingsvergunning voor een inrichting in een boringsvrije zone
                                    in ieder geval de voorschriften die zijn aangegeven in bijlage
                                    3.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H55823_0_7_22_83_"> Het bevoegd gezag kan afwijken van
                                    de voorschriften als bedoeld in het eerste lid dan wel nadere
                                    eisen stellen, voor zover dit is aangegeven in bijlage 3.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3.2.3.3. Regels voor
                                    niet-omgevingsvergunningplichtige inrichtingen in boringsvrije
                                    zones</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H55823_0_7_23_84_"> De verboden in artikel 3.2.3.1,
                                    eerste lid, zijn van overeenkomstige toepassing op een
                                    inrichting in een boringsvrije zone, waarvoor geen
                                    omgevingsvergunning is vereist.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H55823_0_7_23_85_"> Het is verboden in een
                                    boringsvrije zone binnen een inrichting waarvoor geen
                                    omgevingsvergunning is vereist, een mechanische ingreep uit te
                                    voeren, op de wijze als bedoeld in artikel 3.2.3.1, eerste lid,
                                    onder a, b, c en d.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al id="anker-H55823_0_7_23_86_"> Het in het tweede lid gestelde
                                    verbod geldt niet indien wordt voldaan aan de voorschriften in
                                    bijlage 3 en geen nadelige gevolgen voor de waterwinning
                                    optreden.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al id="anker-H55823_0_7_23_87_"> Gedeputeerde Staten kunnen
                                    afwijken van de voorschriften als bedoeld in het derde lid dan
                                    wel nadere eisen stellen, voor zover dit is aangegeven in
                                    bijlage 3.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al id="anker-H55823_0_7_23_88_"> Gedeputeerde Staten kunnen
                                    ontheffing verlenen van de verboden als bedoeld in het eerste
                                    lid, voor het installeren van een bodemenergiesysteem en voor
                                    het uitvoeren van een lozing die daarmee verband houdt, dieper
                                    dan vijftig meter in de boringsvrije zone Salland Diep.
                                    Ontheffing kan worden verleend indien op basis van een boring
                                    ter plaatse van de voorgenomen activiteit wordt aangetoond dat
                                    de slecht doorlatende laag dieper ligt dan vijftig meter onder
                                    het maaiveld. De ontheffing wordt verleend voor de activiteit
                                    tot maximaal de diepte waarop de top van de slecht doorlatende
                                    laag is aangetroffen. Ten aanzien van de ontheffing is artikel
                                    3.2.4.1 van toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3.2.3.4. Regels in boringsvrije zones, buiten
                                    inrichtingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H55823_0_7_24_89_"> Het is in een boringsvrije zone
                                    verboden om buiten inrichtingen een lozing uit te voeren of een
                                    bodemenergiesysteem te installeren, voor zover deze activiteiten
                                    plaatsvinden:</al><lijst><li nr="a."><al id="anker-H55823_0_7_24_89_44_"> dieper dan vijftig
                                            meter onder het maaiveld in de boringsvrije zones
                                            Diepenveen, Deventer-Ceintuurbaan en
                                            Deventer-Zutphenseweg;</al></li><li nr="b."><al id="anker-H55823_0_7_24_89_45_"> dieper dan
                                            vijfenzeventig meter onder het maaiveld in de
                                            boringsvrije zones Engelse Werk te Zwolle;</al></li><li nr="c."><al id="anker-H55823_0_7_24_89_46_"> dieper dan vijf meter
                                            onder het maaiveld in de boringsvrije zone
                                            Kotkamp/Schreurserve te Enschede of</al></li><li nr="d."><al id="anker-H55823_0_7_24_89_47_"> dieper dan vijftig
                                            meter onder het maaiveld in de boringsvrije zone Salland
                                            Diep.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H55823_0_7_24_90_"> Het is in een boringsvrije zone
                                    verboden om buiten inrichtingen een mechanische ingreep uit te
                                    voeren, op de wijze als bedoeld in artikel 3.2.3.4, eerste lid,
                                    onder a, b, c, en d.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al id="anker-H55823_0_7_24_91_"> Het in het tweede lid gestelde
                                    verbod geldt niet voor mechanische ingrepen:</al><lijst><li nr="a."><al id="anker-H55823_0_7_24_91_48_"> ten behoeve van een
                                            grondwateronttrekking, met het oog op de
                                            waterwinning;</al></li><li nr="b."><al id="anker-H55823_0_7_24_91_49_"> waarvoor Gedeputeerde
                                            Staten een vergunning hebben verleend op grond van de
                                            Waterwet of de Ontgrondingenwet dan wel een beschikking
                                            hebben gegeven op grond van de Wet bodembescherming en
                                            aan die vergunning of beschikking voorschriften hebben
                                            verbonden die nodig zijn ter bescherming van de
                                            waterwinning of</al></li><li nr="c."><al id="anker-H55823_0_7_24_91_50_"> waarbij wordt voldaan
                                            aan de voorschriften in bijlage 5.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al id="anker-H55823_0_7_24_92_"> Degene die voornemens is een
                                    mechanische ingreep als bedoeld in het derde lid, onder c, uit
                                    te voeren doet een melding. Ten aanzien van de melding is
                                    artikel 3.2.5.1 van toepassing.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al id="anker-H55823_0_7_24_93_"> Gedeputeerde Staten kunnen
                                    ontheffing verlenen van de verboden als bedoeld in het eerste en
                                    tweede lid, ten behoeve van het installeren van een
                                    bodemenergiesysteem, dieper dan vijftig meter in de boringsvrije
                                    zone Salland Diep. Ontheffing kan worden verleend indien op
                                    basis van een boring ter plaatse van de voorgenomen activiteit
                                    wordt aangetoond dat de slecht doorlatende laag dieper ligt dan
                                    vijftig meter onder het maaiveld. De ontheffing wordt verleend
                                    voor de activiteit tot maximaal de diepte waarop de top van de
                                    slecht doorlatende laag is aangetroffen. Ten aanzien van de
                                    ontheffing is artikel 3.2.4.1 van toepassing.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Paragraaf 3.2.4. Ontheffingen in waterwingebieden,
                                grondwaterbeschermingsgebieden en boringsvrije zones</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 3.2.4.1. Ontheffingen in waterwingebieden,
                                    grondwaterbeschermingsgebieden en boringsvrije zones</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H55823_0_8_25_94_"> Gedeputeerde Staten verlenen geen
                                    ontheffing indien de activiteit in strijd is met een geldend en
                                    onherroepelijk bestemmingsplan of met bij dat plan gestelde
                                    eisen, dan wel in strijd is met de Omgevingsvisie
                                    Overijssel.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H55823_0_8_25_95_"> Gedeputeerde Staten stellen, in
                                    afwijking van artikel 7.1.9, de volgende personen en instanties
                                    in de gelegenheid advies uit te brengen met betrekking tot de
                                    ontwerp-beschikking:</al><lijst><li nr="a."><al id="anker-H55823_0_8_25_95_51_"> de inspecteur als
                                            bedoeld in artikel 1.1 van de Wet milieubeheer,</al></li><li nr="b."><al id="anker-H55823_0_8_25_95_52_"> burgemeester en
                                            wethouders van de betrokken gemeente,</al></li><li nr="c."><al id="anker-H55823_0_8_25_95_53_"> het dagelijks bestuur
                                            van het betrokken waterschap en</al></li><li nr="d."><al id="anker-H55823_0_8_25_95_54_"> de betrokken
                                            grondwateronttrekker.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al id="anker-H55823_0_8_25_96_"> Gedeputeerde Staten kunnen
                                    afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht buiten toepassing
                                    verklaren indien er geen zienswijzen te verwachten zijn
                                    betreffende de bescherming van de waterwinning. Ze beslissen in
                                    dat geval binnen twaalf weken na ontvangst van de aanvraag.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al id="anker-H55823_0_8_25_97_"> Ten behoeve van de
                                    ontheffingaanvraag wordt gebruikt gemaakt van een door
                                    Gedeputeerde Staten vastgesteld formulier, onder bijvoeging van
                                    de daarin gevraagde gegevens.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Paragraaf 3.2.5. Meldingen in grondwaterbeschermingsgebieden en
                                boringsvrije zones</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 3.2.5.1. Meldingen in grondwaterbeschermingsgebieden
                                    en boringsvrije zone, buiten inrichtingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H55823_0_9_26_98_"> Een melding als bedoeld in de
                                    artikelen 3.2.2.6, vijfde lid, 3.2.2.7, derde lid, 3.2.2.8,
                                    derde lid en 3.2.2.9, derde lid en 3.2.3.4, vierde lid, wordt
                                    gedaan ten minste vier weken voor aanvang van de activiteit
                                    waarop de melding betrekking heeft aan Gedeputeerde Staten.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H55823_0_9_26_99_"> Ten behoeve van de melding wordt
                                    gebruik gemaakt van een door Gedeputeerde Staten vastgesteld
                                    formulier, onder bijvoeging van de daarin gevraagde
                                    gegevens.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al id="anker-H55823_0_9_26_100_"> Indien met de activiteit niet is
                                    gestart binnen een jaar na de aanvangsdatum van de activiteit
                                    zoals aangegeven op het meldingsformulier, vervalt de gedane
                                    melding van rechtswege.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3.2.5.2. Nadere eisen in
                                    grondwaterbeschermingsgebieden en boringsvrije zones, buiten
                                    inrichtingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H55823_0_9_27_101_"> Gedeputeerde Staten kunnen in het
                                    belang van de waterwinning nadere eisen stellen met betrekking
                                    tot de voorschriften als bedoeld in de artikelen 3.2.2.6, vijfde
                                    lid, 3.2.2.7, derde lid, 3.2.2.8, derde lid en 3.2.2.9, derde
                                    lid en 3.2.3.4, vierde lid.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H55823_0_9_27_102_"> Gedeputeerde Staten kunnen de
                                    nadere eisen wijzigen, aanvullen of intrekken indien het belang
                                    van de waterwinning zich daartegen niet verzet.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al id="anker-H55823_0_9_27_103_"> De voorschriften als bedoeld in
                                    de artikelen 3.2.2.6, vijfde lid, 3.2.2.7, derde lid, 3.2.2.8,
                                    derde lid en 3.2.2.9, derde lid en 3.2.3.4, vierde lid, en de
                                    nadere eisen gelden voor degene die de activiteit uitvoert.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Paragraaf 3.2.6. Vergoeding van kosten en schade in
                                waterwingebieden, grondwaterbeschermingsgebieden en boringsvrije
                                zones</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 3.2.6.1. Toepassingsbereik</titel></kop><al>Deze subparagraaf is van toepassing op de totstandkoming van
                                beschikkingen van Gedeputeerde Staten ingevolge artikel 4.3 juncto
                                4.2 van de Wabo met betrekking tot de vergoeding van kosten of
                                schade door het van toepassing worden van bepalingen van hoofdstuk
                                3, titel 3.2. paragrafen 3.2.1 tot en met 3.2.5 van deze
                                verordening.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3.2.6.2. Inhoud verzoek</titel></kop><lid><lidnr/><al>Het verzoek om vergoeding van kosten of schade bevat tenminste
                                    de volgende gegevens:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al id="anker-H55823_0_10_29_104_"> de bepalingen van hoofdstuk 3,
                                    titel 3.2, paragrafen 3.2.1 tot en met 3.2.5 van deze
                                    verordening door het van toepassing worden waarvan de verzoeker
                                    zich voor kosten ziet gesteld of schade lijdt;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al id="anker-H55823_0_10_29_105_"> de aard en de omvang van de
                                    kosten of de schade;</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al id="anker-H55823_0_10_29_106_"> de wijze waarop de kosten of de
                                    schade naar het oordeel van de verzoeker dienen
                                    onderscheidenlijk dient te worden vergoed en, zo een vergoeding
                                    in geld wordt gewenst, het bedrag dat naar zijn oordeel voor
                                    vergoeding in aanmerking komt.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3.2.6.3. Advies van deskundigen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H55823_0_10_30_107_"> Gedeputeerde Staten kunnen
                                    deskundigen aanwijzen die zijn belast met het adviseren inzake
                                    het geven van een beschikking, als bedoeld in artikel
                                    3.2.6.1.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H55823_0_10_30_108_"> Gedeputeerde Staten kunnen van
                                    de aangewezen deskundigen, als bedoeld in het eerste lid, het
                                    advies inwinnen omtrent een verzoek om vergoeding of omtrent het
                                    voornemen tot een toekenning daarvan uit eigen beweging. Indien
                                    Gedeputeerde Staten advies inwinnen zijn de bepalingen in het
                                    derde tot en met zesde lid van overeenkomstige toepassing.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al id="anker-H55823_0_10_30_109_"> De verzoeker wordt in de
                                    gelegenheid gesteld aan de deskundigen zijn verzoek om
                                    vergoeding toe te lichten. Indien Gedeputeerde Staten voornemens
                                    zijn tot toekenning van een vergoeding uit eigen beweging, wordt
                                    degene tot wie de beschikking zal zijn gericht, in de
                                    gelegenheid gesteld zijn opvattingen omtrent het voornemen aan
                                    de deskundigen kenbaar te maken.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al id="anker-H55823_0_10_30_110_"> De betrokken
                                    grondwateronttrekker wordt in de gelegenheid gesteld zijn
                                    opvattingen over het verzoek of het voornemen aan de deskundigen
                                    kenbaar te maken.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al id="anker-H55823_0_10_30_111_"> De deskundigen brengen advies
                                    uit inzake:</al><lijst><li nr="a."><al id="anker-H55823_0_10_30_111_55_"> de vraag of de kosten
                                            zijn gemaakt of de schade is geleden door het van
                                            toepassing worden van bepalingen van hoofdstuk 3, titel
                                            3.2, paragrafen 3.2.1 tot en met 3.2.5 van deze
                                            verordening;</al></li><li nr="b."><al id="anker-H55823_0_10_30_111_56_"> de omvang van de
                                            kosten of de schade;</al></li><li nr="c."><al id="anker-H55823_0_10_30_111_57_"> de vraag of de kosten
                                            of de schade niet of niet geheel ten laste van de
                                            benadeelde behoren onderscheidenlijk behoort te
                                            blijven;</al></li><li nr="d."><al id="anker-H55823_0_10_30_111_58_"> de vraag in hoeverre
                                            op een andere wijze in een redelijke vergoeding is of
                                            kan worden voorzien;</al></li><li nr="e."><al id="anker-H55823_0_10_30_111_59_"> de vraag of er
                                            aanleiding is voor maatregelen of voorzieningen waardoor
                                            de kosten of de schade, anders dan door een vergoeding
                                            in geld, kunnen onderscheidenlijk kan worden beperkt of
                                            ongedaan gemaakt;</al></li><li nr="f."><al id="anker-H55823_0_10_30_111_60_"> de hoogte van de toe
                                            te kennen vergoeding.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al id="anker-H55823_0_10_30_112_"> De deskundigen brengen hun
                                    advies zo spoedig mogelijk uit aan Gedeputeerde Staten, doch in
                                    elk geval binnen dertien weken na ontvangst van het verzoek om
                                    advies. Gedeputeerde Staten zenden een afschrift van het advies
                                    aan degene tot wie de beschikking zal zijn gericht en aan de
                                    betrokken grondwateronttrekker. Gedeputeerde Staten vermelden
                                    daarbij de termijn waarbinnen zij hun opvattingen omtrent het
                                    advies kenbaar kunnen maken. </al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3.2.6.4. Betrokkenheid grondwateronttrekker</titel></kop><al>Indien Gedeputeerde Staten geen advies inwinnen van deskundigen,
                                stellen zij de betrokken grondwateronttrekker in de gelegenheid zijn
                                zienswijze over het verzoek of het voornemen naar voren te brengen
                                voordat zij een besluit nemen met betrekking tot het toekennen van
                                een vergoeding.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3.2.6.5. Inhoud verzoek ander bestuursorgaan</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H55823_0_10_32_113_"> Indien een bestuursorgaan als
                                    bedoeld in artikel 4.2, eerste lid van de Wabo Gedeputeerde
                                    Staten verzoekt in te stemmen met de toekenning van een
                                    vergoeding van kosten of schade door het aan de vergunning
                                    verbinden van voorschriften op basis van de artikelen 3.2.1.2,
                                    3.2.2.2 en 3.2.3.2 en bijlage 3, getiteld Algemene voorschriften
                                    en instructies voor inrichtingen in waterwingebieden,
                                    grondwaterbeschermingsgebieden en boringsvrije zones, dient dat
                                    verzoek ten minste vergezeld te gaan van:</al><lijst><li nr="a."><al id="anker-H55823_0_10_32_113_61_"> indien het
                                            bestuursorgaan een verzoek om een vergoeding heeft
                                            ontvangen: een afschrift van dat verzoek en de daarbij
                                            gevoegde stukken;</al></li><li nr="b."><al id="anker-H55823_0_10_32_113_62_"> indien de betrokken
                                            grondwateronttrekker schriftelijk zijn opvattingen over
                                            het verzoek of het voornemen om een vergoeding toe te
                                            kennen heeft kenbaar gemaakt: een afschrift van die
                                            opvattingen;</al></li><li nr="c."><al id="anker-H55823_0_10_32_113_63_"> indien het
                                            bestuursorgaan een advies van deskundigen als bedoeld in
                                            artikel 4.2, derde lid, van de Wabo heeft ingewonnen:
                                            een afschrift van dat advies;</al></li><li nr="d."><al id="anker-H55823_0_10_32_113_64_"> het ontwerp van de
                                            beschikking houdende de toekenning van een vergoeding
                                            of, indien het bestuursorgaan de beschikking reeds heeft
                                            gegeven: een afschrift van die beschikking.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H55823_0_10_32_114_"> Indien bij het verzoek niet een
                                    afschrift van de opvattingen van de betrokken
                                    grondwateronttrekker is gevoegd, stellen Gedeputeerde Staten hem
                                    in gelegenheid zijn zienswijze over het verzoek naar voren te
                                    brengen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al id="anker-H55823_0_10_32_115_"> Gedeputeerde staten geven de
                                    beschikking op het verzoek uiterlijk vier maanden na ontvangst
                                    van het verzoek, of, indien toepassing wordt gegeven aan artikel
                                    3.2.6.3, tweede lid, binnen zeven maanden na de ontvangst van
                                    het verzoek.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3.2.6.6. Schadevergoedingsconvenant</titel></kop><al>In aanvulling op en ter uitwerking van het bepaalde in de artikelen
                                3.2.6.1 tot en met 3.2.6.5 gelden de bepalingen van een tussen de
                                provincie, de betrokken grondwateronttrekker en de betrokken
                                Overijsselse gemeenten gesloten convenant.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Titel 3.3. Bodem</titel></kop><structuurtekst><al/></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Paragraaf 3.3.1. Bodemsanering </titel></kop><structuurtekst><al><noot id="d17e4775"><noot.nr>37</noot.nr><noot.al>[<vet>Toelichting: </vet>De Wet bodembescherming en de
                                        Algemene wet bestuursrecht bevatten de geldende
                                        normstelling. In aanvulling hierop hebben Gedeputeerde
                                        Staten voor diverse onderwerpen formulieren vastgesteld.
                                        Bijvoorbeeld voor de melding van verontreinigingen en het
                                        verzoek tot instemming met een saneringsplan. Voor alle
                                        procedures in het kader van de Wet bodembescherming geldt de
                                        reguliere (verkorte) procedure van de Algemene wet
                                        bestuursrecht. In uitzonderlijke gevallen kunnen
                                        Gedeputeerde Staten besluiten de uniforme openbare
                                        voorbereidingsprocedure van de Algemene wet bestuursrecht
                                        toe te passen. In dat geval kunnen eerst zienswijzen worden
                                        ingediend over het ontwerpbesluit voordat een definitief
                                        besluit wordt genomen. Dit kan bijvoorbeeld aan de orde zijn
                                        bij complexe situaties. ]</noot.al></noot></al></structuurtekst><artikel><kop><titel>Artikel 3.3.1.1. Uitgebreide voorbereidingsprocedure </titel></kop><lid><lidnr/><al id="anker-H55823_0_12_34_116_">[Vervallen]</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3.3.1.2. Melding van voorgenomen bodemsanering
                                </titel></kop><al><noot id="d17e4796"><noot.nr>38</noot.nr><noot.al>[<vet>Toelichting: </vet> In het bij de VFLO behorende
                                        uitvoeringsbesluit werd voor het melden van voorgenomen
                                        bodemsanering verplicht gesteld dat gebruik werd gemaakt van
                                        een door Gedeputeerde Staten vastgesteld formulier, onder
                                        bijvoeging van de daarin gevraagde gegevens. In deze
                                        verordening blijft die systematiek gelden voor het doen van
                                        voornoemde melding, maar wordt deze tevens doorgevoerd voor
                                        de inhoud van het saneringsplan, het evaluatieverslag en het
                                        nazorgplan. Ook hiervoor geldt nu dat gebruik moet worden
                                        gemaakt van door Gedeputeerde Staten vastgestelde
                                        formulieren. De formulieren zijn te vinden op de provinciale
                                        website. Naar onze mening levert dit voor alle betrokkenen
                                        een eenduidige en transparante werkwijze op. Belangrijk
                                        voordeel is, dat wetswijzigingen direct kunnen worden
                                        ingepast. Bovendien worden via de formulieren de wettelijke
                                        eisen (Wet bodembescherming) en de provinciale voorwaarden
                                        geïntegreerd. Mocht er overigens in concrete gevallen aan
                                        bepaalde gegevens geen behoefte blijken te bestaan, dan
                                        kunnen deze in de besluitvormingsprocedure buiten
                                        beschouwing blijven. Dit levert eveneens een besparing op.
                                        ]</noot.al></noot></al><al>Gedeputeerde Staten stellen een formulier vast voor een melding als
                                bedoeld in artikel 28, lid 1 van de Wet bodembescherming. </al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3.3.1.3. Inhoud saneringsplan </titel></kop><al><noot id="d17e4811"><noot.nr>39</noot.nr><noot.al>[<vet>Toelichting: </vet> In het bij de VFLO behorende
                                        uitvoeringsbesluit werd voor het melden van voorgenomen
                                        bodemsanering verplicht gesteld dat gebruik werd gemaakt van
                                        een door Gedeputeerde Staten vastgesteld formulier, onder
                                        bijvoeging van de daarin gevraagde gegevens. In deze
                                        verordening blijft die systematiek gelden voor het doen van
                                        voornoemde melding, maar wordt deze tevens doorgevoerd voor
                                        de inhoud van het saneringsplan, het evaluatieverslag en het
                                        nazorgplan. Ook hiervoor geldt nu dat gebruik moet worden
                                        gemaakt van door Gedeputeerde Staten vastgestelde
                                        formulieren. De formulieren zijn te vinden op de provinciale
                                        website. Naar onze mening levert dit voor alle betrokkenen
                                        een eenduidige en transparante werkwijze op. Belangrijk
                                        voordeel is, dat wetswijzigingen direct kunnen worden
                                        ingepast. Bovendien worden via de formulieren de wettelijke
                                        eisen (Wet bodembescherming) en de provinciale voorwaarden
                                        geïntegreerd. Mocht er overigens in concrete gevallen aan
                                        bepaalde gegevens geen behoefte blijken te bestaan, dan
                                        kunnen deze in de besluitvormingsprocedure buiten
                                        beschouwing blijven. Dit levert eveneens een besparing op.
                                        ]</noot.al></noot></al><al>In het saneringsplan als bedoeld in artikel 39, lid 2 van de Wet
                                bodembescherming dienen in aanvulling op de eisen uit deze wet de
                                gegevens te worden opgenomen zoals aangegeven in een door
                                Gedeputeerde Staten vastgesteld formulier, onder bijvoeging van de
                                daarin gevraagde gegevens.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3.3.1.4. Inhoud evaluatieverslag </titel></kop><al><noot id="d17e4826"><noot.nr>40</noot.nr><noot.al>[<vet>Toelichting: </vet> In het bij de VFLO behorende
                                        uitvoeringsbesluit werd voor het melden van voorgenomen
                                        bodemsanering verplicht gesteld dat gebruik werd gemaakt van
                                        een door Gedeputeerde Staten vastgesteld formulier, onder
                                        bijvoeging van de daarin gevraagde gegevens. In deze
                                        verordening blijft die systematiek gelden voor het doen van
                                        voornoemde melding, maar wordt deze tevens doorgevoerd voor
                                        de inhoud van het saneringsplan, het evaluatieverslag en het
                                        nazorgplan. Ook hiervoor geldt nu dat gebruik moet worden
                                        gemaakt van door Gedeputeerde Staten vastgestelde
                                        formulieren. De formulieren zijn te vinden op de provinciale
                                        website. Naar onze mening levert dit voor alle betrokkenen
                                        een eenduidige en transparante werkwijze op. Belangrijk
                                        voordeel is, dat wetswijzigingen direct kunnen worden
                                        ingepast. Bovendien worden via de formulieren de wettelijke
                                        eisen (Wet bodembescherming) en de provinciale voorwaarden
                                        geïntegreerd. Mocht er overigens in concrete gevallen aan
                                        bepaalde gegevens geen behoefte blijken te bestaan, dan
                                        kunnen deze in de besluitvormingsprocedure buiten
                                        beschouwing blijven. Dit levert eveneens een besparing op.
                                        ]</noot.al></noot></al><al>In het evaluatieverslag als bedoeld in artikel 39c van de Wet
                                bodembescherming dienen in aanvulling op de eisen uit deze wet de
                                gegevens te worden opgenomen zoals aangegeven in een door
                                Gedeputeerde Staten vastgesteld formulier, onder bijvoeging van de
                                daarin gevraagde gegevens.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3.3.1.5. Inhoud nazorgplan </titel></kop><al><noot id="d17e4841"><noot.nr>41</noot.nr><noot.al>[<vet>Toelichting: </vet> In het bij de VFLO behorende
                                        uitvoeringsbesluit werd voor het melden van voorgenomen
                                        bodemsanering verplicht gesteld dat gebruik werd gemaakt van
                                        een door Gedeputeerde Staten vastgesteld formulier, onder
                                        bijvoeging van de daarin gevraagde gegevens. In deze
                                        verordening blijft die systematiek gelden voor het doen van
                                        voornoemde melding, maar wordt deze tevens doorgevoerd voor
                                        de inhoud van het saneringsplan, het evaluatieverslag en het
                                        nazorgplan. Ook hiervoor geldt nu dat gebruik moet worden
                                        gemaakt van door Gedeputeerde Staten vastgestelde
                                        formulieren. De formulieren zijn te vinden op de provinciale
                                        website. Naar onze mening levert dit voor alle betrokkenen
                                        een eenduidige en transparante werkwijze op. Belangrijk
                                        voordeel is, dat wetswijzigingen direct kunnen worden
                                        ingepast. Bovendien worden via de formulieren de wettelijke
                                        eisen (Wet bodembescherming) en de provinciale voorwaarden
                                        geïntegreerd. Mocht er overigens in concrete gevallen aan
                                        bepaalde gegevens geen behoefte blijken te bestaan, dan
                                        kunnen deze in de besluitvormingsprocedure buiten
                                        beschouwing blijven. Dit levert eveneens een besparing op.
                                        ]</noot.al></noot></al><al>In een nazorgplan als bedoeld in artikel 39d van de Wet
                                bodembescherming dienen in aanvulling op de eisen uit deze wet de
                                gegevens te worden opgenomen zoals aangegeven in een door
                                Gedeputeerde Staten vastgesteld formulier, onder bijvoeging van de
                                daarin gevraagde gegevens.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3.3.1.6. Waterkwaliteitsbeheerder </titel></kop><al><noot id="d17e4856"><noot.nr>42</noot.nr><noot.al>[<vet>Toelichting: </vet> Ook na inwerkingtreding van
                                        de Waterwet is dit artikel nog relevant. Met de
                                        waterschappen worden op bestuurlijk niveau convenanten
                                        afgesloten voor de sanering van waterbodems. Dat gaat vaak
                                        om meerjarige saneringen waarbij naderhand verantwoording
                                        over zowel de resultaten van de uitgevoerde saneringen als
                                        de besteding van de aan het waterschap toegekende gelden
                                        plaats dient te vinden. Bovendien zijn er nu lopende
                                        saneringen waarvoor het waterschap op termijn verantwoording
                                        zal afleggen. ]</noot.al></noot></al><al>De waterkwaliteitsbeheerder verschaft de informatie omtrent de
                                resultaten van door hem uitgevoerde saneringen en de besteding van
                                de daarvoor aan hem toegekende gelden, overeenkomstig de
                                voorschriften die Gedeputeerde Staten stellen bij het verlenen van
                                een bijdrage.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Paragraaf 3.3.2. Ontgrondingen </titel></kop><structuurtekst><al><noot id="d17e4872"><noot.nr>43</noot.nr><noot.al>[<vet>Toelichting: </vet>De Ontgrondingenwet kent in
                                        beginsel een vergunningplicht voor alle soorten
                                        ontgrondingen (iedere verlaging van maaiveld of waterbodem,
                                        ongeacht tijd of doel). De bevoegdheid tot het verlenen van
                                        ontgrondingsvergunningen ligt (met uitzondering van
                                        ontgrondingen in rijkswateren waarvoor de minister van
                                        Verkeer en Waterstaat bevoegd is) bij Gedeputeerde Staten.
                                        Bij deze vergunningverlening dienen alle bij een voorgenomen
                                        ontgronding betrokken belangen te worden betrokken. Dit zijn
                                        er in de praktijk vele. Enerzijds algemene belangen als:
                                        bouwgrondstoffenvoorziening, ruimtelijke ordening, natuur en
                                        landschap, milieu, waterhuishouding, archeologie. Anderzijds
                                        ook bijzondere (particuliere) belangen van aanvrager,
                                        omwonenden en andere direct belanghebbenden. Naast de
                                        bevoegdheid tot vergunningverlening, biedt de
                                        Ontgrondingenwet ons ook de (geclausuleerde) mogelijkheid om
                                        bij provinciale verordening soorten ontgrondingen aan te
                                        wijzen, waarvoor geen vergunningplicht of een korte
                                        vergunningprocedure (met beperkte inspraak) geldt. In deze
                                        paragraaf is uitvoering gegeven aan die bevoegdheid door te
                                        bepalen welke ontgrondingen zijn vrijgesteld van
                                        vergunningplicht en voor welke ontgrondingen een korte
                                        vergunningprocedure geldt. Uitgangspunt hierbij is onder
                                        meer het provinciale ontgrondingenbeleid. Dit beleid is
                                        afgestemd op rijksbeleid en gaat uit van de volgende
                                        hoofdindeling: </noot.al><noot.al>¿ Multifunctionele ontgrondingen: gericht op zowel de
                                        functie oppervlaktedelfstoffenwinning als op een of meer
                                        gelijkwaardige andere functies als wonen, recreatie,
                                        waterhuishouding e.d., welke functies samen locatie,
                                        inrichting en beheer bepalen; </noot.al><noot.al>¿ Functionele ontgrondingen: gericht op bodemverlaging
                                        ter realisering ter plaatse van een werk (bijvoorbeeld een
                                        recreatieplas) of een werkzaamheid (bijvoorbeeld
                                        landbouwkundige ontgronding). </noot.al><noot.al>De provincie hanteert een bundelingsbeleid, dat is
                                        gebaseerd op regionaal gecentraliseerde winning van
                                        oppervlaktedelfstoffen met winkelverkoop, in de vorm van
                                        multifunctionele ontgrondingen. Dit beleid is gericht op het
                                        zoveel mogelijk voorkomen (vanuit behoud van ruimtelijke
                                        kwaliteit) van aantasting van natuur en landschap en op
                                        bevordering van zuinig ruimtegebruik. Gelet op het nieuwe
                                        rijksontgrondingenbeleid speelt hierbij voortaan tevens de
                                        tijdige uitvoerbaarheid van multifunctionele ontgrondingen
                                        (en daarvan afgeleid van functionele ontgrondingen) een
                                        belangrijke rol. Functionele ontgrondingen dienen dan ook
                                        strikt functioneel te zijn om de bediening van de zandmarkt
                                        door multifunctionele ontgrondingen niet onevenredig te
                                        verstoren. Omdat het eerste artikel in praktijk soms vragen
                                        oproept volgt in het onderstaande een toelichting op dat
                                        artikel. ]</noot.al></noot></al></structuurtekst><artikel><kop><titel>Artikel 3.3.2.1. Vrijstelling vergunningplicht </titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H55823_0_13_40_117_"> Geen vergunning als bedoeld in
                                    de Ontgrondingenwet is vereist voor ontgrondingen voor de
                                    navolgende werken of werkzaamheden:</al><lijst><li nr="a."><al id="anker-H55823_0_13_40_117_65_"> het aanleggen,
                                            onderhouden, wijzigen of opruimen van
                                            rijkswaterstaatswerken en werken door of op last van de
                                            provincie Overijssel; </al></li><li nr="b."><al id="anker-H55823_0_13_40_117_66_"> het aanleggen,
                                            onderhouden, wijzigen of opruimen van een werk, waarvan
                                            het oppervlak is vastgelegd op de plankaart of op het
                                            inrichtingsplan van een onherroepelijk bestemmingsplan
                                            of van een onherroepelijk projectbesluit, als bedoeld in
                                            artikel 3.10 van Wet ruimtelijke ordening, waarbij niet
                                            dieper wordt gegraven dan 3 meter beneden het
                                            oorspronkelijke niveau; <noot id="d17e4902"><noot.nr>44</noot.nr><noot.al>[<vet>Toelichting: </vet>Werken op basis
                                                  van een bestemmingsplan of projectbesluit als
                                                  bedoeld in artikel 3.10. van de Wet ruimtelijke
                                                  ordening; het gaat hier om specifiek werkgebonden
                                                  ontgrondingen, waarvan ten aanzien van het werk
                                                  een expliciete tweedimensionale (wat betreft
                                                  oppervlak) afweging heeft plaatsgevonden binnen
                                                  een (onherroepelijk) ruimtelijk plan, uitmondend
                                                  in een concrete bestemming op de plankaart
                                                  (bijvoorbeeld bestemming water voor aanleg van een
                                                  waterpartij). Binnen een dergelijk ruimtelijk plan
                                                  vindt tegenwoordig ook een watertoets plaats en
                                                  bijvoorbeeld een archeologische toets. Gelet op
                                                  deze gewenste concreetheid, is in dit verband een
                                                  verleende aanlegvergunning of een globaal uit te
                                                  werken bestemmingsplan onvoldoende. Daarnaast
                                                  speelt bij dergelijke ontgrondingen de derde
                                                  dimensie (diepte), die niet binnen het ruimtelijke
                                                  plan wordt afgewogen en bijgevolg een functionele
                                                  begrenzing vanuit de Ontgrondingenwet c.q. deze
                                                  para-graaf behoeft. In dit verband is 3 meter
                                                  beneden het oorspronkelijke maaiveld meestal
                                                  functioneel adequaat.]</noot.al></noot></al></li><li nr="c."><al id="anker-H55823_0_13_40_117_67_"> het aanleggen,
                                            onderhouden, wijzigen of opruimen van een werk door of
                                            in opdracht van gemeenten of waterschappen, met inbegrip
                                            van de aanleg van waterpartijen indien minder dan 10.000
                                            m³ vaste stoffen uit een of meer waterpartijen wordt
                                            ontgraven, en waarbij niet dieper wordt gegraven dan 3
                                            meter beneden het oorspronkelijke niveau; <noot id="d17e4913"><noot.nr>45</noot.nr><noot.al>[<vet>Toelichting: </vet>Werken door of in
                                                  opdracht van gemeenten en waterschappen; Het gaat
                                                  hier om specifiek werkgebonden ontgrondingen,
                                                  waarvan ten aanzien van het werk een expliciete
                                                  tweedimensionale (wat betreft oppervlak) afweging
                                                  heeft plaatsgevonden binnen een (onherroepelijk)
                                                  ruimtelijk plan, uitmondend in een concrete
                                                  bestemming op de plankaart (bijvoorbeeld
                                                  bestemming water voor aanleg van een waterpartij)
                                                  of op een inrichtingsplan. Ook hier geldt verder
                                                  een functionele begrenzing van de diepte op grond
                                                  van onderhavige verordening, waaraan wat betreft
                                                  waterpartijen ook een volumegrens is toegevoegd,
                                                  daar ruimtelijk niet is voorzien in een
                                                  waterhuishoudkundige afweging in de vorm van een
                                                  watertoets.]</noot.al></noot></al></li><li nr="d."><al id="anker-H55823_0_13_40_117_68_"> het aanleggen,
                                            onderhouden, verbreden of verdiepen van watergangen,
                                            voor zover deze een bodembreedte krijgen van niet meer
                                            dan 5 meter, en een diepte van niet meer dan 3 meter
                                            beneden het oorspronkelijke niveau; <noot id="d17e4924"><noot.nr>46</noot.nr><noot.al>[<vet>Toelichting: </vet>Watergangen; voor
                                                  een watergang zijn vooral bodembreedte en diepte
                                                  functioneel bepalend voor het watervoerende doel;
                                                  het overgrote deel van aan te leggen watergangen
                                                  past binnen de maten uit deze
                                                  verordening.]</noot.al></noot></al></li></lijst><al>e. het aanleggen, verhogen, verzwaren of onderhouden van
                                    waterkeringen; <noot id="d17e4934"><noot.nr>47</noot.nr><noot.al>[<vet>Toelichting: </vet>Waterkeringen; het
                                            opruimen van waterkeringen is vergunningplichtig vanwege
                                            veelal aanwezige cultuurhistorische en landschappelijke
                                            waarden.]</noot.al></noot></al><lijst><li nr="f."><al id="anker-H55823_0_13_40_117_69_"> het uitvoeren van
                                            werkgebonden ontgrondingen gericht op: <noot id="d17e4946"><noot.nr>48</noot.nr><noot.al>[<vet>Toelichting: </vet>Natuurbeheer en
                                                  -ontwikkeling; bij uitvoering van het natuurbeleid
                                                  zijn soms functionele ontgrondingen noodzakelijk.
                                                  Bij natuurbeheer gaat het om normaal onderhoud,
                                                  waarbij niet of nauwelijks oppervlaktedelfstoffen
                                                  vrijkomen (bijvoorbeeld afplaggen van rietland).
                                                  Bij natuurontwikkeling gaat het om
                                                  inrichtingsactiviteiten binnen een bestaand
                                                  natuurgebied, dat veelal tevens in een
                                                  bestemmingsplan als zodanig is bestemd. De
                                                  werkzaamheden worden meestal uitgevoerd door een
                                                  natuurbeherende instantie (in Overijssel
                                                  bijvoorbeeld: Staatsbosbeheer, Natuurmonumenten,
                                                  Landschap Overijssel), of door particulieren (op
                                                  grond van een overheidssubsidie). Hierin ligt een
                                                  afdoende belangenafweging besloten, aangevuld met
                                                  functionele maten voor wat betreft volume en
                                                  diepte.]</noot.al></noot></al></li><li nr=""><al id="anker-H55823_0_13_40_117_70_">• beheer en onderhoud
                                            ten behoeve van de instandhouding van bestaande natuur,
                                            of </al></li><li nr=""><al id="anker-H55823_0_13_40_117_71_">• het ontwikkelen van
                                            nieuwe natuur, mits per werk minder dan 10.000 m³ vaste
                                            stoffen wordt ontgraven en waarbij niet dieper wordt
                                            gegraven dan 3 meter beneden het oorspronkelijke niveau,
                                            indien uitgevoerd door of in opdracht van een
                                            natuurbeherende instantie of op grond van een specifieke
                                            daartoe verleende overheidssubsidie; </al></li><li nr="g."><al id="anker-H55823_0_13_40_117_72_"> de normale
                                            uitoefening van het landbouw-, tuinbouw-, of
                                            bosbouwbedrijf, alsmede het planten of rooien van bomen,
                                            struiken of andere gewassen; <noot id="d17e4963"><noot.nr>49</noot.nr><noot.al>[<vet>Toelichting: </vet>Normale
                                                  landbouwkundige werken; het gaat hier om periodiek
                                                  terugkerende landbouwkundige activiteiten als
                                                  cultuurmaatregelen met geringe invloed op het
                                                  maaiveld (ploegen, scheuren, frezen, eggen, rooien
                                                  e.d.), inkuilen (gras, maïs en aardappels) door
                                                  afdekking met bodemspecie, en het dichtploegen van
                                                  slootjes en greppels, het breken van storende
                                                  lagen en profielverbetering zonder
                                                  graafwerkzaamheden (als diepploegen en
                                                  mengwoelen). Daarbuiten vallende werkzaamheden als
                                                  egaliseren en cultuurtechnische grondverbetering.
                                                  Deze werkzaamheden zijn altijd vergunningplichtig,
                                                  gelet op veelal aanwezige landschappelijke en
                                                  andere waarden.]</noot.al></noot></al></li><li nr="h."><al id="anker-H55823_0_13_40_117_73_"> het maken,
                                            onderhouden, wijzigen of opruimen van waterputten,
                                            reservoirs, bassins, vijvers en soortgelijke werken,
                                            mits die zijn gelegen bij woningen of op agrarische
                                            bedrijfserven en de inhoud ervan niet meer bedraagt dan
                                            500 m³ vaste stoffen; <noot id="d17e4974"><noot.nr>50</noot.nr><noot.al>[<vet>Toelichting: </vet>Particuliere
                                                  waterpartijen; ruimtelijk wordt uitgegaan van
                                                  bestemmingen als woondoeleinden,
                                                  bedrijfsdoeleinden en bouwblok, waarbij het volume
                                                  functioneel is begrensd.]</noot.al></noot></al></li><li nr="i."><al id="anker-H55823_0_13_40_117_74_"> het doen van
                                            archeologische opgravingen op grond van een vergunning
                                            ingevolge de Monumentenwet; <noot id="d17e4985"><noot.nr>51</noot.nr><noot.al>[<vet>Toelichting: </vet>Archeologische
                                                  opgravingen; geldt voor iedere (ook particuliere)
                                                  vergunninghouder in de zin van de
                                                  Monumentenwet.]</noot.al></noot></al></li><li nr="j."><al id="anker-H55823_0_13_40_117_75_"> het aanleggen of
                                            wijzigen van gronddepotplaatsen met inbegrip van het
                                            ontgraven van de humeuze bovenlaag, alsmede het opruimen
                                            binnen 5 jaar na vulling ervan, en het aanleggen of
                                            wijzigen daarvan met betrekking tot bodem- en
                                            onderwaterbodemsanering als bedoeld in artikel 4, onder
                                            c van de Ontgrondingenwet; </al></li><li nr="k."><al id="anker-H55823_0_13_40_117_76_"> het aanleggen of
                                            wijzigen van buitenmaneges, mits niet groter dan 1.500
                                            m² en niet gelegen in landschappelijk of
                                            natuurwetenschappelijk gevoelige gebieden, en mits
                                            daarbij uitsluitend sprake is van omwisseling van
                                            deklaag en onderliggend zand waarbij niet dieper wordt
                                            gegraven dan 1 meter beneden het oorspronkelijke niveau;
                                        </al></li><li nr="l."><al id="anker-H55823_0_13_40_117_77_"> het maken,
                                            onderhouden, wijzigen of opruimen van bouwwerken,
                                            kelders en graven, het doen van grondboringen en
                                            sonderingen, en het leggen, plaatsen, onderhouden,
                                            wijzigen of opruimen van buizen, kabels, palen en
                                            soortgelijke werken. <noot id="d17e5002"><noot.nr>52</noot.nr><noot.al>[<vet>Toelichting: </vet>Bouwwerken,
                                                  graven, boringen, leidingen; het gaat hier met
                                                  name om werken, die op grond van een
                                                  bouwvergunning worden uitgevoerd, of slechts een
                                                  zeer geringe ontgronding inhouden.]</noot.al></noot></al></li><li nr="2."><al id="anker-H55823_0_13_40_117_78_"> In afwijking van het
                                            eerste lid is voor de in dat lid genoemde ontgrondingen
                                            vergunning vereist als deze in hoofdzaak worden
                                            uitgevoerd om bodemmateriaal te verkrijgen.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3.3.2.2. Meldingsplicht vrijgestelde ontgrondingen
                                </titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H55823_0_13_41_118_"> Indien bij een ontgronding als
                                    bedoeld in artikel 3.3.2.1, lid 1, de te ontgraven hoeveelheid
                                    10.000 m³ vaste stoffen of meer bedraagt, meldt de opdrachtgever
                                    van de ontgronding of de zakelijk of persoonlijk gerechtigde als
                                    bedoeld in artikel 3, eerste lid van de Ontgrondingenwet de
                                    voorgenomen ontgronding uiterlijk twee weken voor aanvang
                                    daarvan aan Gedeputeerde Staten. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H55823_0_13_41_119_"> Ten behoeve van een melding als
                                    bedoeld in het eerste lid, wordt gebruikgemaakt van een door
                                    Gedeputeerde Staten vastgesteld formulier, onder bijvoeging van
                                    de daarin gevraagde gegevens.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3.3.2.3. Verkorte procedure </titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H55823_0_13_42_120_"> Op de voorbereiding van een
                                    beschikking als bedoeld in artikel 8, tweede lid van de
                                    Ontgrondingenwet voor ontgrondingen van eenvoudige aard is
                                    artikel 10, eerste tot en met derde lid van de Ontgrondingenwet
                                    niet van toepassing, indien daarbij andere belangen dan die van
                                    de aanvrager niet of nauwelijks zijn betrokken. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H55823_0_13_42_121_"> Ontgrondingen van eenvoudige
                                    aard zijn: </al><lijst><li nr="a."><al id="anker-H55823_0_13_42_121_79_"> ontgrondingen als
                                            bedoeld in artikel 3.3.2.1, lid 1, onder b en c, voor
                                            zover niet vrijgesteld en niet dieper dan 5 meter
                                            beneden het oorspronkelijk niveau uitgevoerd; </al></li><li nr="b."><al id="anker-H55823_0_13_42_121_80_"> ontgrondingen als
                                            bedoeld in artikel 3.3.2.1, lid 1, onder c, voor zover
                                            het een niet vrijgestelde waterpartij betreft, die niet
                                            dieper dan 3 meter beneden het oorspronkelijke niveau
                                            wordt uitgevoerd; </al></li><li nr="c."><al id="anker-H55823_0_13_42_121_81_"> watergangen als
                                            bedoeld in artikel 3.3.2.1, lid 1, onder d, voor zover
                                            niet vrijgesteld, met een omvang van 10.000 m³ vaste
                                            stoffen of meer en niet dieper dan 3 meter beneden het
                                            oorspronkelijke niveau uitgevoerd; </al></li><li nr="d."><al> ontgrondingen als bedoeld in artikel 3.3.2.1, lid 1,
                                            onder f, voor zover gericht op de ontwikkeling van
                                            nieuwe natuur en niet vrijgesteld, waartoe een
                                            overheidssubsidie is verleend en die niet dieper dan 3
                                            meter beneden het oorspronkelijke niveau wordt
                                            uitgevoerd, of </al><al>- indien geen overheidssubsidie is verleend - tot een
                                            omvang van minder dan 10.000 m³ vaste stoffen; </al></li><li nr="e."><al id="anker-H55823_0_13_42_121_83_"> ontgrondingen, niet
                                            vrijgesteld in artikel 3.3.2.1, lid 1, onder g en h, met
                                            een omvang van minder dan 10.000 m³ vaste stoffen en
                                            niet dieper dan 3 meter beneden het oorspronkelijke
                                            niveau uitgevoerd. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al id="anker-H55823_0_13_42_122_"> De verkorte procedure, als
                                    bedoeld in het eerste lid, is bij wijziging van een vergunning
                                    eveneens van toepassing op:</al><lijst><li nr="a."><al id="anker-H55823_0_13_42_122_84_"> verlenging van de in
                                            de vergunningsvoorschriften gestelde geldigheidstermijn
                                            van de vergunning en de daarmee samenhangende termijnen;
                                        </al></li><li nr="b."><al id="anker-H55823_0_13_42_122_85_"> wijziging van de
                                            tenaamstelling van de vergunning; </al></li><li nr="c."><al id="anker-H55823_0_13_42_122_86_"> wijziging van de in
                                            de vergunningsvoorschriften vastgelegde
                                            zekerheidsstelling; </al></li><li nr="d."><al id="anker-H55823_0_13_42_122_87_"> alle overige
                                            eenvoudige wijzigingen van de vergunningsvoorschriften.
                                        </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al id="anker-H55823_0_13_42_123_"> De verkorte procedure, als
                                    bedoeld in het eerste lid, is eveneens van toepassing op de
                                    intrekking van de vergunning op verzoek van de
                                    vergunninghouder.</al></lid></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Hoofdstuk 4. Water</titel></kop><paragraaf><kop><titel>Titel 4.1. Begripsbepalingen </titel></kop><structuurtekst><al><noot id="d17e5092"><noot.nr>53</noot.nr><noot.al>[<vet>Toelichting: </vet>In titel 4.1. zijn de
                                        begripsbepalingen en het toepassingsbereik opgenomen. De
                                        begripsbepalingen die in de Waterwet en het Waterbesluit
                                        zijn opgenomen (zoals bijvoorbeeld oppervlaktewaterlichaam
                                        en bergingsgebied) zijn niet in deze verordening herhaald.
                                        Gemakshalve wordt voor de uitleg van die begripsbepalingen
                                        verwezen naar de Waterwet en het Waterbesluit. </noot.al><noot.al>Dit hoofdstuk is van toepassing op de gebieden van de
                                        waterschappen Groot Salland, Vechtstromen en Reest en Wieden
                                        voor zover gelegen binnen het grondgebied van de provincie
                                        Overijssel. Het gaat ook gelden voor de overige gebieden van
                                        Vechtstromen en Reest en Wieden. Daarvoor is separate
                                        besluitvorming van PS Drenthe en Gelderland nodig. </noot.al><noot.al>Voor de Overijsselse delen van de waterschappen Rijn en
                                        IJssel, Veluwe en Zuiderzeeland nemen wij de verordeningen
                                        die door de provincie Gelderland c.q. Flevoland voor deze
                                        waterschappen zijn opgesteld over. ]</noot.al></noot></al></structuurtekst><artikel><kop><titel>Artikel 4.1.1. Begripsbepalingen </titel></kop><lid><lidnr/><al>In dit hoofdstuk wordt verstaan onder: </al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al id="anker-H55824_0_1_1_1_"> algemeen bestuur: het algemeen
                                    bestuur van een waterschap in de provincie Overijssel; </al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al id="anker-H55824_0_1_1_2_"> beheerplan: plan als bedoeld in
                                    artikel 4.6 van de wet; </al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al id="anker-H55824_0_1_1_3_"> dagelijks bestuur: het dagelijks
                                    bestuur van een waterschap in de provincie Overijssel; </al></lid><lid><lidnr>d.</lidnr><al id="anker-H55824_0_1_1_4_"> de minister: de minister van
                                    Infrastructuur en Milieu; </al></lid><lid><lidnr>e.</lidnr><al id="anker-H55824_0_1_1_5_"> Gedeputeerde Staten: Gedeputeerde
                                    Staten van de provincie Overijssel tenzij in de verordening
                                    anders is bepaald; </al></lid><lid><lidnr>f.</lidnr><al id="anker-H55824_0_1_1_6_"> peilbesluit: besluit als bedoeld in
                                    artikel 5.2 van de wet; </al></lid><lid><lidnr>g.</lidnr><al id="anker-H55824_0_1_1_7_"> projectplan: plan als bedoeld in
                                    artikel 5.5 van de wet; </al></lid><lid><lidnr>h.</lidnr><al id="anker-H55824_0_1_1_8_"> profiel van vrije ruimte: de ruimte
                                    ter weerszijden van en boven een primaire en regionale
                                    waterkering die naar het oordeel van de beheerder benodigd is
                                    ten behoeve van een toekomstige versterking van de waterkering;
                                </al></lid><lid><lidnr>i.</lidnr><al id="anker-H55824_0_1_1_9_"> regionale waterkering: een
                                    waterkering, niet zijnde een primaire waterkering als bedoeld in
                                    de wet, die beveiliging biedt tegen overstroming en die als
                                    zodanig is aangewezen in deze verordening; </al></lid><lid><lidnr>j.</lidnr><al id="anker-H55824_0_1_1_10_"> regionaal waterplan: plan als
                                    bedoeld in artikel 4.4 van de wet; </al></lid><lid><lidnr>k.</lidnr><al id="anker-H55824_0_1_1_11_"> retourbemaling: het in een
                                    grondwaterlichaam brengen van onttrokken water, ter compensatie
                                    of vermindering van de gevolgen van het onttrekken van water;
                                </al></lid><lid><lidnr>l.</lidnr><al id="anker-H55824_0_1_1_12_"> het waterschap: de Waterschappen
                                    Groot-Salland, Vechtstromen en Reest en Wieden;</al></lid><lid><lidnr>m.</lidnr><al id="anker-H55824_0_1_1_13_"> wet: de Waterwet.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 4.1.2. Toepassingsbereik </titel></kop><al>Dit hoofdstuk van deze verordening is van toepassing op het gebied
                                van het Waterschap Groot Salland, het Waterschap Vechstromen en het
                                Waterschap Reest en Wieden, bedoeld in artikel 2 van het reglement
                                van het waterschap. </al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Titel 4.2. Normen regionale keringen en wateroverlast,
                                verdringingsreeks </titel></kop><structuurtekst><al><noot id="d17e5190"><noot.nr>54</noot.nr><noot.al>[<vet>Toelichting: </vet>Op grond van artikel 2.4 van
                                        de Waterwet moeten bij provinciale verordening voor daarbij
                                        aan te wijzen andere dan primaire waterkeringen die in
                                        beheer zijn bij een andere beheerder dan het Rijk,
                                        veiligheidsnormen worden vastgesteld. In deze titel wordt
                                        daarin voorzien. Vastgelegd is wat het gewenste
                                        beschermingsniveau is van de waterkeringen die op grond van
                                        hun functie van regionale betekenis worden geacht. De
                                        desbetreffende regionale waterkeringen zijn aangegeven op de
                                        als bijlage bij deze verordening behorende kaart(en). Op die
                                        kaart(en) is tevens voor elke waterkering de veiligheidsnorm
                                        aangegeven. </noot.al><noot.al>Door het stellen van normen geeft de provincie nader
                                        invulling aan de reglementair opgedragen taak van de
                                        waterschappen, te weten de waterstaatkundige verzorging van
                                        zijn gebied. Het waterschap is reglementair gehouden het
                                        watersysteem zo in te richten en te beheren dat het voldoet
                                        aan de in deze verordening nader gestelde eisen in de vorm
                                        van normen. In verband hiermee is ervan afgezien in deze
                                        titel een specifieke beheersopdracht op te nemen die inhoudt
                                        dat het waterschap er voor zorg draagt dat de regionale
                                        waterkeringen aan de gestelde veiligheidsnorm voldoen.
                                        Hetzelfde geldt voor de normen wateroverlast (zie artikel
                                        2.8. Waterwet). ]</noot.al></noot></al></structuurtekst><artikel><kop><titel>Artikel 4.2.1. Aanwijzen regionale waterkeringen </titel></kop><al>Als regionale keringen gelden de regionale waterkeringen die zijn
                                aangegeven op de kaart Regionale waterkeringen en peilbesluiten nr.
                                09295056.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 4.2.2. Veiligheidsnorm regionale waterkeringen
                                </titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H55824_0_2_4_14_"> Op kaart Regionale waterkeringen en
                                    peilbesluiten nr. 09295056 is voor elke regionale waterkering of
                                    voor elk deel daarvan de veiligheidsnorm aangegeven als de
                                    gemiddelde overschrijdingskans per jaar van de hoogste
                                    hoogwaterstand waarop de regionale waterkering moet zijn
                                    berekend, mede gelet op overige het waterkerende vermogen
                                    bepalende factoren. <noot id="d17e5215"><noot.nr>55</noot.nr><noot.al>[<vet>Toelichting: </vet>In dit lid is bepaald dat
                                            voor regionale waterkeringen de gemiddelde
                                            overschrijdingsfrequentie per jaar (kans van voorkomen
                                            van een bepaalde waterstand) de veiligheidsnorm is. Het
                                            wenselijke veiligheidsniveau is gerelateerd aan de
                                            economische schade die bij het falen van de waterkering
                                            kan optreden. De aangewezen waterkeringen zijn op de
                                            bijlage bij deze verordening behorende kaart(en)
                                            opgenomen. De norm is bepaald op basis van de mogelijk
                                            optredende schade. De uitgangspunten voor de berekening
                                            van de schade en de vertaling naar de norm zijn afgeleid
                                            van IPO-Leidraden die daartoe zijn opgesteld. Voor elk
                                            van de regionale waterkeringen is de veiligheidsnorm ook
                                            op bedoelde kaart(en) opgenomen.]</noot.al></noot></al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H55824_0_2_4_15_"> Gedeputeerde Staten stellen een
                                    technische leidraad vast voor het ontwerp van regionale
                                    waterkeringen. Deze strekt tot aanbeveling voor de beheerder. <noot id="d17e5228"><noot.nr>56</noot.nr><noot.al>[<vet>Toelichting: </vet>Zoals hiervoor is
                                            aangegeven is op de kaart(en) voor de verschillende
                                            regionale waterkeringen of delen daarvan de
                                            veiligheidsnorm aangegeven. Deze abstracte norm dient
                                            voor de dagelijkse praktijk geoperationaliseerd te
                                            worden. Dit geschiedt enerzijds in de vorm van een
                                            voorschrift voor de toetsing en anderzijds in de vorm
                                            van een leidraad voor het ontwerp van een regionale
                                            waterkering. Omdat het hierbij om een uitwerking van de
                                            veiligheidsnorm gaat, is de bevoegdheid tot vaststelling
                                            van het voorschrift en de leidraad in handen van
                                            gedeputeerde staten gelegd.]</noot.al></noot></al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al id="anker-H55824_0_2_4_16_"> Gedeputeerde Staten stellen
                                    voorschriften vast voor de door het dagelijks bestuur te
                                    verrichten beoordeling van de veiligheid van regionale
                                    waterkeringen en stellen ten behoeve van de beoordeling de
                                    maatgevende waterstanden vast. <noot id="d17e5241"><noot.nr>57</noot.nr><noot.al>[<vet>Toelichting: </vet>Zoals hiervoor is
                                            aangegeven is op de kaart(en) voor de verschillende
                                            regionale waterkeringen of delen daarvan de
                                            veiligheidsnorm aangegeven. Deze abstracte norm dient
                                            voor de dagelijkse praktijk geoperationaliseerd te
                                            worden. Dit geschiedt enerzijds in de vorm van een
                                            voorschrift voor de toetsing en anderzijds in de vorm
                                            van een leidraad voor het ontwerp van een regionale
                                            waterkering. Omdat het hierbij om een uitwerking van de
                                            veiligheidsnorm gaat, is de bevoegdheid tot vaststelling
                                            van het voorschrift en de leidraad in handen van
                                            gedeputeerde staten gelegd.]</noot.al></noot></al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al id="anker-H55824_0_2_4_17_"> Gedeputeerde Staten stellen na
                                    overleg met het dagelijks bestuur het tijdstip vast waarop de
                                    verschillende regionale waterkeringen voor de eerste keer moeten
                                    voldoen aan de veiligheidsnorm, bedoeld in het eerste lid. <noot id="d17e5254"><noot.nr>58</noot.nr><noot.al>[<vet>Toelichting: </vet>Het vaststellen van het
                                            tijdstip waarop de verschillende regionale waterkeringen
                                            aan de gestelde veiligheidsnorm moeten voldoen is
                                            bepalend voor de zorgplicht van de beheerder en is
                                            derhalve een aangelegenheid van het provinciaal bestuur.
                                            Er is echter om de volgende reden niet voor gekozen dat
                                            tijdstip in deze verordening vast te leggen. De omvang
                                            van het door de beheerder uit te voeren
                                            maatregelenpakket wordt bepaald door de uitkomst van het
                                            toetsingsproces. De (financiële) inspanningen die de
                                            beheerder zal moeten leveren om de regionale
                                            waterkeringen te laten voldoen aan de vastgestelde
                                            veiligheidsnorm worden verder in hoge mate bepaald door
                                            het tijdsbestek waarbinnen de gevraagde inspanning
                                            geleverd moet worden. Het bepalen van het tijdstip
                                            waarop de waterkeringen op orde moeten zijn, vereist een
                                            afweging tussen enerzijds wat wenselijk is wat betreft
                                            veiligheid en anderzijds wat aanvaardbaar is wat betreft
                                            lastenstijging. Dat is maatwerk. Om die reden is die
                                            bevoegdheid in handen van gedeputeerde staten gelegd en
                                            is bepaald dat gedeputeerde staten overleg voeren met
                                            het dagelijks bestuur van de beheerder alvorens zij een
                                            dergelijk besluit nemen.]</noot.al></noot></al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al id="anker-H55824_0_2_4_18_"> Indien een regionale waterkering is
                                    gelegen in meer dan één provincie, kunnen Gedeputeerde Staten
                                    van die provincies besluiten dat het toezicht op die waterkering
                                    wordt uitgeoefend door Gedeputeerde Staten van de provincie
                                    waarin de waterkering in hoofdzaak is gelegen.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 4.2.3. Regionale verdringingsreeks onttrekking
                                    IJsselmeergebied </titel></kop><lid><lidnr/><al><noot id="d17e5274"><noot.nr>59</noot.nr><noot.al><vet>[<vet>Toelichting: </vet>Algemene toelichting
                                                bij artikel 4.2.3 en 4.2.3a</vet></noot.al><noot.al><cursief>Regionale verdringingsreeks onttrekking
                                                uit IJsselmeer en Twentekanalen / Overijsselse
                                                Vecht</cursief></noot.al><noot.al>In artikel 2.2 van het Waterbesluit is bepaald dat
                                            bij provinciale verordening voor de regionale wateren de
                                            rangorde kan worden bepaald van de maatschappelijke en
                                            ecologische behoeften bij watertekorten.</noot.al><noot.al>In de artikelen 4.2.3 en 4.2.3a is voor
                                            respectievelijk het IJsselmeergebied en het
                                            Twentekanalen / Overijsselse Vechtsysteem van deze
                                            mogelijkheid gebruik gemaakt.</noot.al><noot.al>Van watertekort is sprake indien de vraag naar
                                            water vanuit de verschillende maatschappelijke en
                                            economische behoeften groter is dan het aanbod, waarbij
                                            het gaat om de beschikbaarheid van voldoende water van
                                            die kwaliteit die voor bepaalde behoeften nodig is. Het
                                            beheer van het regionale watersysteem is er, onder
                                            andere, op gericht alle watervragers zoveel mogelijk van
                                            het benodigde water te voorzien. In tijden van
                                            watertekort is dit echter niet meer mogelijk. De
                                            gevolgen voor waterverbruikers kunnen aanzienlijk zijn.
                                            De regionale verdringingsreeks biedt helderheid over
                                            welke behoefte in een situatie van watertekort voorgaat
                                            boven de anderen en draagt bij aan een slagvaardig en
                                            eenduidig optreden van de waterbeheerder in situaties
                                            van watertekorten.</noot.al><noot.al>In de Omgevingsvisie is aangegeven, dat de hiervoor
                                            beschreven landelijke verdringingsreeks gevolgd moet
                                            worden. </noot.al><noot.al>Voor de onttrekkingen in het IJsselmeergebied en
                                            het Twentekanalen / Overijsselse Vechtsysteem is het
                                            echter noodzakelijk om voor deze gebieden een aparte
                                            verdringingsreeksen in deze verordening op te
                                            nemen.</noot.al><noot.al>Artikel 2.1 van het Waterbesluit legt de landelijke
                                            verdringingsreeks vast. De landelijke verdringingsreeks
                                            bepaalt hoe het beschikbare water in de door het Rijk
                                            beheerde wateren wordt verdeeld in tijden van
                                            watertekort. De reeks is daardoor van toepassing in alle
                                            rijkswateren. Daarnaast is er een groot aantal gebieden
                                            waar het oppervlaktewater niet door het Rijk beheerd
                                            wordt. In de landelijke verdringingsreeks zijn de
                                            "watergebruikers" ingedeeld in 4 categorieën.</noot.al><noot.al>Binnen de categorieën 1 (veiligheid en voorkomen
                                            onomkeerbare schade aan waterkeringen, onomkeerbare
                                            klink en zetting en onomkeerbare schade aan natuur) en 2
                                            (drinkwatervoorziening en energievoorziening) is sprake
                                            van een door het Rijk vastgestelde
                                            prioriteitsvolgorde.</noot.al><noot.al>Binnen de categorieën 3 en 4 is er ruimte voor een
                                            regionale prioritering op basis van minimalisatie van de
                                            economische en maatschappelijke schade. Dat kan in
                                            principe betekenen dat elke partij of regio binnen
                                            categorieën 3 en 4 anders prioriteert. </noot.al><noot.al>Een werkgroep heeft voor het gebied rondom het
                                            IJsselmeer geadviseerd om die prioritering voor
                                            Noord-Nederland zo veel mogelijk op elkaar af te
                                            stemmen. In het rapport Waterverdeling Noord-Nederland,
                                            Advies van de Werkgroep Regionale Uitwerking
                                            Verdringingsreeks Noord-Nederland, september 2006
                                            (Waterverdeling Noord-Nederland, Advies van de werkgroep
                                            Regionale uitwerking Verdringingsreeks Noord-Nederland,
                                            herziening november 2009.) is daar uitwerking aan
                                            gegeven. Op basis van dit rapport is door de provincies
                                            rondom het IJsselmeer de verdringingsreeks voor
                                            onttrekkingen uit het IJsselmeer in de verordening
                                            vastgelegd.</noot.al><noot.al>In opdracht van de Coördinatiecommissie
                                            Twentekanalen/Overijsselse Vecht is in 2009 en 2010
                                            onderzoek verricht naar prioritering van de watervraag
                                            in het aanvoergebied van de Twentekanalen en de
                                            Overijsselsche Vecht. De resultaten van dat onderzoek
                                            zijn neergelegd in het rapport Actualisatie
                                            aan-/afvoerdebieten en verdringingsreeks Twentekanalen
                                            en Overijsselse Vecht, juli 2010 (Actualisatie
                                            aan-/afvoerdebieten en verdringingsreeks Twenthekanalen
                                            en Overijsselsche Vecht, 6 juli 2010, Witteveen &amp;
                                            Bos.) Het advies van de Coördinatiecommissie
                                            Twentekanalen/Overijsselse Vecht is verwerkt in het
                                            Waterakkoord Twentekanalen/Overijsselse Vecht, dat de
                                            basis vormt voor de verdringingsreeks voor de aanvoer
                                            naar dit watersysteem.</noot.al><noot.al>Op basis van dit rapport leggen de provincies
                                            Drenthe, Overijssel en Gelderland het advies voor de
                                            verdringingsreeks voor onttrekkingen uit het
                                            Twentekanalen/Overijsselse Vechtsysteem in de
                                            verordening vast.</noot.al><noot.al>Bij artikel 4.2.3 is zowel in lid 2 als in lid 3 de
                                            beregening van akker- en tuinbouwgewassen opgenomen.
                                            Hiervoor geldt dat als uitgangspunt geldt dat dit tot de
                                            vierde categorie behoort. Echter, overeenkomstig het
                                            advies Waterverdeling Noord-Nederland geldt voor een
                                            situatie in de derde categorie dat ‘deze
                                            uitzonderingsmogelijkheid alleen geldt wanneer met
                                            relatief kleine hoeveelheden water relatief grote
                                            sociaaleconomische gevolgen als faillissementen te
                                            voorkomen zijn. Kan structureel van toepassing zijn of
                                            er kan in voorkomende gevallen incidenteel gebruik van
                                            worden gemaakt'.]</noot.al></noot></al></lid><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H55824_0_2_5_19_"> In geval van een watertekort of
                                    dreigend watertekort wordt met het oog op de verdeling van het
                                    beschikbare water over de in artikel 2.1 lid 1 onder 3° van het
                                    Waterbesluit bedoelde behoeften bij het beheer van de regionale
                                    wateren achtereenvolgens prioriteit toegekend aan:</al><lijst><li nr="a."><al id="anker-H55824_0_2_5_19_1_"> onttrekking voor proces-
                                            en gietwater voor de glastuinbouw;</al></li><li nr="b."><al id="anker-H55824_0_2_5_19_2_"> doorspoeling ter
                                            bestrijding van verzilting of verontreiniging van
                                            oppervlaktewater waaruit proces- of gietwater onttrokken
                                            wordt;</al></li><li nr="c."><al id="anker-H55824_0_2_5_19_3_"> beregening van akker- en
                                            tuinbouwgewassen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H55824_0_2_5_20_"> In geval van een watertekort of
                                    dreigend watertekort wordt met het oog op de verdeling van het
                                    beschikbare water over de in artikel 2.1 onder 4°van het
                                    Waterbesluit bedoelde behoeften bij het beheer van de regionale
                                    wateren achtereenvolgens prioriteit toegekend aan:</al><lijst><li nr="a."><al id="anker-H55824_0_2_5_20_4_"> In geval van een
                                            doorspoeling van stedelijk en landelijk gebied ter
                                            voorkoming van botulisme en blauwalgen, in geval sprake
                                            is van een risico voor de volksgezondheid;</al></li><li nr="b."><al id="anker-H55824_0_2_5_20_5_"> doorspoeling tegen
                                            verzilting en verontreiniging ten behoeve van beregening
                                            akker- en tuinbouw;</al></li><li nr="c."><al id="anker-H55824_0_2_5_20_6_"> peilhandhaving klei- en
                                            zandgebieden;</al></li><li nr="d."><al id="anker-H55824_0_2_5_20_7_"> peilhandhaving en
                                            doorspoeling van niet kwetsbare natuur;</al></li><li nr="e."><al id="anker-H55824_0_2_5_20_8_"> beregening
                                            gras/maïs;</al></li><li nr="f."><al id="anker-H55824_0_2_5_20_9_"> doorspoeling tegen
                                            botulisme en blauwalgen voor zover de volksgezondheid
                                            niet in het geding is.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 4.2.3a Regionale verdringingsreeks onttrekking
                                    Twentekanalen/Overijsselse Vecht</titel></kop><lid><lidnr/><al><noot id="d17e5357"><noot.nr>60</noot.nr><noot.al>[<vet>Toelichting: </vet> Zie de toelichting bij
                                            artikel 4.2.3 ]</noot.al></noot></al></lid><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H55824_0_2_6_21_"> In geval van een watertekort of
                                    dreigend watertekort wordt met het oog op de verdeling van het
                                    beschikbare water over de in artikel 2.1 onder 3° van het
                                    Waterbesluit bedoelde behoeften bij het beheer van de regionale
                                    wateren achtereenvolgens prioriteit toegekend aan:</al><lijst><li nr="a."><al id="anker-H55824_0_2_6_21_10_"> onttrekking voor
                                            proceswater;</al></li><li nr="b."><al id="anker-H55824_0_2_6_21_11_"> doorspoeling ter
                                            bestrijding van verzilting of verontreiniging van
                                            oppervlaktewater waaruit proces- of gietwater onttrokken
                                            wordt</al></li><li nr="c."><al id="anker-H55824_0_2_6_21_12_"> beregening van
                                            kapitaalintensieve gewassen</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H55824_0_2_6_22_"> In geval van een watertekort of
                                    dreigend watertekort wordt met het oog op de verdeling van het
                                    beschikbare water over de in artikel 2.1 onder 4°van het
                                    Waterbesluit bedoelde behoeften bij het beheer van de regionale
                                    wateren achtereenvolgens prioriteit toegekend aan:</al><lijst><li nr="a."><al id="anker-H55824_0_2_6_22_13_"> doorspoelen in geval van
                                            (de kans op) acuut risico voor de volksgezondheid;</al></li><li nr="b."><al id="anker-H55824_0_2_6_22_14_"> scheepvaart;</al></li><li nr="c."><al id="anker-H55824_0_2_6_22_15_"> peilhandhaving en
                                            beregening ten behoeve van akkerbouw;</al></li><li nr="d."><al id="anker-H55824_0_2_6_22_16_"> beregening
                                            gras/maïs;</al></li><li nr="e."><al id="anker-H55824_0_2_6_22_17_"> peilhandhaving en
                                            doorspoeling van niet kwetsbare natuur;</al></li><li nr="f."><al id="anker-H55824_0_2_6_22_18_"> doorspoeling ten behoeve
                                            van aquatische ecologie (KRW).</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 4.2.4. Normen wateroverlast </titel></kop><lid><lidnr/><al><noot id="d17e5411"><noot.nr>61</noot.nr><noot.al>[<vet>Toelichting: </vet>Op grond van artikel 2.8
                                            van de Waterwet moeten bij provinciale verordening, met
                                            het oog op de bergings- en afvoercapaciteit waarop de
                                            regionale wateren moeten zijn ingericht, normen worden
                                            gesteld met betrekking tot de gemiddelde
                                            overstromingskans per jaar van daarbij aan te wijzen
                                            gebieden. In dit artikel wordt daarin voorzien. </noot.al><noot.al>Voor verschillende te onderscheiden gebieden worden
                                            normen gegeven waarbij de kans op overstroming als
                                            gevolg van grote hoeveelheden neerslag is gerelateerd
                                            aan de economische waarde van landgebruik en de te
                                            verwachten schade bij overstroming. De normen drukken de
                                            hoogst toelaatbaar geachte kans op overstroming uit
                                            ofwel het wenselijk geachte beschermingsniveau. </noot.al><noot.al>De normering bakent de
                                            zorgplicht/inspanningsverplichting af die de
                                            waterbeheerder heeft op het vlak van het voorkomen, dan
                                            wel beperken van ontoelaatbare wateroverlast door
                                            inundatie vanuit oppervlaktewater ten gevolge van
                                            neerslag en geeft daarmee helderheid voor de burgers en
                                            de bedrijven over het restrisico en hun eigen
                                            verantwoordelijkheid ten aanzien van roerende en
                                            onroerende zaken. </noot.al><noot.al>In het Nationaal Bestuursakkoord Water (2003) zijn
                                            werknormen opgenomen welke voor de verschillende vormen
                                            van landgebruik de hoogst toelaatbaar geachte kans op
                                            overstroming ofwel het wenselijk geachte
                                            beschermingsniveau uitdrukken. De vormen van landgebruik
                                            die worden onderscheiden zijn: grasland, akkerbouw,
                                            hoogwaardige land- en tuinbouw, glastuinbouw en bebouwd
                                            gebied. Deze werknormen zijn uitgangspunt geweest bij
                                            het bepalen van het definitief voor een gebied
                                            toepasselijke beschermingsniveau, de vast te stellen
                                            gebiedsnormen. </noot.al><noot.al>Voor specifieke gebieden kunnen door de
                                            waterbeheerder gemotiveerd andere normen worden
                                            aangehouden. Wanneer het een strengere norm betreft valt
                                            dit reeds binnen de bepaling (`niet vaker dan´). Voor
                                            bepaalde gebieden is het wenselijk lichtere normen aan
                                            te houden. </noot.al><noot.al>De waterbeheerder doet hiertoe een gemotiveerd
                                            voorstel aan provinciale staten. Indien deze het
                                            voorstel overnemen worden de afwijkende normen
                                            vastgesteld en opgenomen in de provinciale verordening
                                            en het beheerplan van het waterschap. De gebieden met
                                            afwijkende normen zijn in het artikel expliciet vermeld. </noot.al><noot.al>Indien in de toekomst voor niet nader genoemde
                                            gebieden een andere norm zou moeten gelden kan door de
                                            beheerder hiertoe een verzoek aan Provinciale Staten
                                            worden gericht. Eventuele maatregelen die nodig zijn om
                                            de bergings- en afvoercapaciteit van de regionale
                                            wateren aan de in deze verordening vastgelegde norm te
                                            laten voldoen neemt de beheerder op in het beheerplan
                                            zoals bedoeld in artikel 4.6 van de wet. </noot.al><noot.al>In het eerste en tweede lid wordt onderscheid
                                            gemaakt in het gebied binnen en buiten de bebouwde kom.
                                            Voor de bepaling van de bebouwde kom wordt aansluiting
                                            gezocht bij de grenzen die door de gemeenteraad in het
                                            kader van de Wegenverkeerswet 1994 worden vastgesteld.
                                            Hiertoe is gekozen om te voorkomen dat bij een wijziging
                                            van de bebouwde komgrens de verordening zou moeten
                                            worden aangepast. Binnen de bebouwde kom is de normering
                                            voor wateroverlast vastgesteld op eens in de 100 jaar.
                                            Deze norm geldt voor alle onroerende zaken voor zover
                                            niet behorende tot een oppervlaktewaterlichaam. Voor het
                                            overige gebied is een gemiddelde vastgesteld van eens in
                                            de 10 jaar. Als overige gebied kan gedacht worden aan
                                            parken en plantsoenen, waarvoor een norm van 1:100 als
                                            onnodig zwaar wordt gezien. Indien een waterschap
                                            desondanks ook voor deze gebieden de zwaardere norm wil
                                            aanhouden verzet de verordening zich daar niet tegen. </noot.al><noot.al>Buiten de bebouwde kom is de normering voor
                                            wateroverlast met name gerelateerd aan de economische
                                            waarde van het landgebruik. In lid 3 zijn voor een
                                            aantal genoemde gebieden andere normen vastgelegd.
                                            Hierbij is een verbinding met het waterbeheerplan van
                                            het waterschap gelegd door op te nemen dat in het plan
                                            een kaart moet worden toegevoegd waarop de begrenzing
                                            van deze gebieden is aangegeven. In artikel 4.4.4.
                                            (inhoud waterbeheerplan) wordt deze verplichting
                                            geconcretiseerd. </noot.al><noot.al>Om te bereiken dat de toetsing van de bergings- en
                                            afvoercapaciteit van de regionale wateren door de
                                            beheerders op uniforme wijze tot stand komt, is aan
                                            gedeputeerde staten de bevoegdheid gegeven om nadere
                                            voorschriften te stellen. </noot.al><noot.al>Het vaststellen van het tijdstip waarop de
                                            bergings- en afvoercapaciteit van de regionale wateren
                                            voor de eerste keer aan de gestelde norm moeten voldoen
                                            is bepalend voor de zorgplicht van de beheerder en is
                                            daarom een aangelegenheid van het provinciaal bestuur.
                                            In de afgelopen periode is in diverse beleidsdocumenten
                                            uitgegaan dat uiterlijk in 2015 wordt voldaan. In
                                            bijzondere gevallen kan van deze datum gemotiveerd
                                            worden afgeweken. ]</noot.al></noot></al></lid><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H55824_0_2_7_23_"> Met het oog op de bergings- en
                                    afvoercapaciteit waarop regionale wateren moeten zijn ingericht,
                                    geldt voor het gebied binnen de bebouwde kom van een gemeente,
                                    zoals bedoeld in artikel 20a van de Wegenverkeerswet 1994, dat
                                    in een ruimtelijk plan is bestemd voor de doeleinden bebouwing,
                                    hoofdinfrastructuur en spoorwegen, een gemiddelde
                                    overstromingskans van eens in de 100 jaar en voor het overige
                                    gebied een gemiddelde overstromingskans van eens in de 10 jaar.
                                </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H55824_0_2_7_24_"> Met het oog op de bergings- en
                                    afvoercapaciteit waarop de regionale wateren moeten zijn
                                    ingericht, geldt voor het gebied buiten de bebouwde kom van een
                                    gemeente, zoals bedoeld in artikel 20a van de Wegenverkeerswet
                                    1994 en behoudens de gebieden van genoemd in lid 3 een
                                    gemiddelde overstromingskans van niet vaker dan: </al><lijst><li nr="a."><al id="anker-H55824_0_2_7_24_19_"> eens in de 50 jaar voor
                                            glastuinbouw en hoogwaardig land- en tuinbouw, waarbij 1
                                            procent van het oppervlak een grotere overstromingskans
                                            mag hebben; </al></li><li nr="b."><al id="anker-H55824_0_2_7_24_20_"> eens in de 25 jaar voor
                                            akkerbouw, waarbij 1 procent van het oppervlak een
                                            grotere overstromingskans mag hebben; </al></li><li nr="c."><al id="anker-H55824_0_2_7_24_21_"> eens in de 10 jaar voor
                                            grasland, waarbij 5 procent van het oppervlak een
                                            grotere overstromingskans mag hebben. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al id="anker-H55824_0_2_7_25_"> Voor de volgende gebieden wordt een
                                    andere daarbij vermelde gemiddelde overstromingskans
                                    vastgesteld:</al><lijst><li nr="a."><al id="anker-H55824_0_2_7_25_22_"> eens in de 10 jaar,
                                            waarbij 30 procent van het oppervlak een grotere
                                            overstromingskans mag hebben voor de veenweidegebieden
                                            rond de Weerribben in het beheersgebied van het
                                            Waterschap Reest en Wieden, waarbij de begrenzing door
                                            het waterschap in het waterbeheerplan, zoals vermeld in
                                            artikel 4.4.4, is vastgelegd; </al></li><li nr="b."><al id="anker-H55824_0_2_7_25_23_"> eens in de 10 jaar voor
                                            landbouwgronden in beekdalen in het beheergebied van het
                                            Waterschap Vechtstromen, waarbij de begrenzing door het
                                            waterschap in het waterbeheerplan, zoals vermeld in
                                            artikel 4.4.4, is vastgelegd; </al></li><li nr="c."><al id="anker-H55824_0_2_7_25_24_"> eens in het jaar voor
                                            laaggelegen gebieden in het beheergebied van het
                                            Waterschap Vechtstromen, waarbij de begrenzing door het
                                            waterschap in het waterbeheerplan, zoals vermeld in
                                            artikel 4.4.4, is vastgelegd; </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al id="anker-H55824_0_2_7_26_"> Gedeputeerde Staten stellen
                                    voorschriften vast voor de door het dagelijks bestuur te
                                    verrichten beoordeling van de bergings- en afvoercapaciteit van
                                    de regionale wateren. </al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al id="anker-H55824_0_2_7_27_"> De bergings- en afvoercapaciteit
                                    van de verschillende regionale wateren voldoen uiterlijk in 2015
                                    voor de eerste keer aan de in het eerste, tweede en derde lid
                                    opgenomen normen; zo nodig kunnen Gedeputeerde Staten op verzoek
                                    van het dagelijks bestuur ontheffing van deze termijn
                                    verlenen.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 4.2.5. Verslag toetsing watersysteem </titel></kop><lid><lidnr/><al><noot id="d17e5492"><noot.nr>62</noot.nr><noot.al>[<vet>Toelichting: </vet>Uit artikel 2.14. van de
                                            Waterwet volgt dat bij of krachtens provinciale
                                            verordening, regels kunnen worden gesteld ten aanzien
                                            van het periodiek door de beheerder meten van daarbij
                                            aan te geven grootheden en het aan de hand van de
                                            meetresultaten beoordelen van de mate van
                                            verwezenlijking van de in deze verordening neergelegde
                                            normen met betrekking tot de waterkering en de
                                            waterkwantiteit. Het is gelet op de Memorie van
                                            Toelichting bij artikel 2.14. van de Waterwet gewenst
                                            dat de beheerder de vinger "aan de pols van het
                                            watersysteem houdt" en periodiek nagaat in hoeverre de
                                            normen verwezenlijkt zijn. </noot.al><noot.al>De resultaten van de beoordeling van het
                                            watersysteem en de bevindingen bij de beoordeling worden
                                            door de beheerder vervat in een verslag, dat wordt
                                            toegezonden aan gedeputeerde staten. Het verslag heeft
                                            een ander karakter en wordt met een andere frequentie
                                            opgesteld dan de algemene voortgangsrapportage bedoeld
                                            in artikel 4.4.9. Om die reden maakt het verslag als
                                            bedoeld in artikel 4.2.5. geen onderdeel uit van de
                                            algemene voortgangsrapportage. </noot.al><noot.al>De beheerder draagt zorg voor de periodieke
                                            beoordeling van het watersysteem, meer specifiek de
                                            beoordeling van de primaire en regionale waterkering, de
                                            regionale wateren en de ondersteunende kunstwerken.
                                            Daarbij wordt beoordeeld in hoeverre de waterstaatwerken
                                            voldoen aan de gestelde normen met betrekking tot de
                                            veiligheid van de regionale waterkering respectievelijk
                                            het tegengaan van wateroverlast. </noot.al><noot.al>De beheerder rapporteert de uitkomsten van deze
                                            beoordeling periodiek aan gedeputeerde staten zodat
                                            gedeputeerde staten kunnen nagaan of aan de normen is
                                            voldaan. </noot.al><noot.al>In samenhang met het voorgaande kan in de
                                            rapportage aandacht worden besteed aan de uit het
                                            Nationaal Bestuursakkoord Water voortvloeiende
                                            verplichting voor de beheerder om de regionale
                                            watersystemen te toetsen aan de vastgestelde
                                            gebiedsnormen voor wateroverlast en de uitwerking van de
                                            gewenste grond- en oppervlaktewaterregimes (GGOR) als
                                            bedoeld in het Nationaal Bestuursakkoord Water. </noot.al><noot.al>In verband met de vereiste veiligheid, het
                                            tegengaan van wateroverlast en discussies met betrekking
                                            tot schaderegelingen en kostenverdeling is het van
                                            belang dat de toetsing van watersystemen op uniforme
                                            wijze kan worden uitgevoerd, zodat eenduidig kan worden
                                            bepaald wanneer het watersysteem kan worden
                                            gekwalificeerd als "op orde". In dit kader kan ook
                                            worden gewezen op de voorschriften die gedeputeerde
                                            staten ingevolgde de verordening kunnen stellen met
                                            betrekking tot de beoordeling van waterstaatswerken.
                                            ]</noot.al></noot></al></lid><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H55824_0_2_8_28_"> Het dagelijks bestuur brengt,
                                    vanwege de zorg die op hem rust voor de handhaving van de
                                    veiligheidsnorm, bedoeld in artikel 4.2.2, lid 1 en 2, periodiek
                                    verslag uit aan Gedeputeerde Staten over de algemene
                                    waterstaatkundige toestand van de regionale waterkeringen onder
                                    zijn beheer. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H55824_0_2_8_29_"> Het verslag, bedoeld in het eerste
                                    lid, bevat een beoordeling van de veiligheid. Die beoordeling
                                    geschiedt onder meer in het licht van de veiligheidsnorm,
                                    technische leidraad en voorschriften bedoeld in artikel 4.2.2 en
                                    de legger bedoeld in artikel 4.5.1. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al id="anker-H55824_0_2_8_30_"> Het dagelijks bestuur brengt,
                                    vanwege de zorg die op hem rust voor de handhaving van de
                                    normen, bedoeld in artikel 4.2.4, periodiek verslag uit aan
                                    Gedeputeerde Staten over de algemene waterstaatkundige toestand
                                    van de regionale wateren onder zijn beheer. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al id="anker-H55824_0_2_8_31_"> Het verslag, bedoeld in het derde
                                    lid, bevat een beoordeling van de regionale wateren met het oog
                                    op de bergings- en afvoercapaciteit waarop de regionale wateren
                                    moeten zijn ingericht. Die beoordeling geschiedt onder meer in
                                    het licht van de normen en voorschriften bedoeld in artikel
                                    4.2.4 en de legger bedoeld in artikel 4.5.1. </al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al id="anker-H55824_0_2_8_32_"> Indien de beoordeling daartoe
                                    aanleiding geeft, bevatten de verslagen bedoeld in het eerste en
                                    derde lid een omschrijving van de voorzieningen die op een
                                    daarbij aan te geven termijn nodig worden geacht. </al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al id="anker-H55824_0_2_8_33_"> Gedeputeerde Staten stellen, na
                                    overleg met het dagelijks bestuur, vast voor welk tijdstip de
                                    verslagen, bedoeld in het eerste en derde lid, voor de eerste
                                    maal worden uitgebracht en met welke frequentie de verslagen
                                    daarna worden uitgebracht.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Titel 4.3. Toedeling beheer watersysteem en beheer en
                                instandhouding vaarwegen </titel></kop><structuurtekst><al><noot id="d17e5546"><noot.nr>63</noot.nr><noot.al>[<vet>Toelichting: </vet>De Waterwet beoogt te
                                        bewerkstelligen dat landsdekkend is bepaald wie belast zijn
                                        met het beheer van watersystemen. Hiertoe is in artikel 3.1.
                                        van de Waterwet bepaald dat alle watersystemen of onderdelen
                                        daarvan die bij het Rijk in beheer zijn, worden aangewezen
                                        bij algemene maatregel van bestuur. In artikel 2, tweede
                                        lid, van de Waterschapswet is bepaald dat de zorg voor het
                                        regionale watersysteem bij reglement aan waterschappen wordt
                                        opgedragen, tenzij dat niet verenigbaar is met een goede
                                        organisatie van de waterstaatkundige verzorging. De
                                        reglementaire taakopdracht is gebiedsgericht. Dat betekent
                                        dat alle regionale watersystemen of onderdelen daarvan bij
                                        een waterschap in beheer zijn, tenzij er sprake is van een
                                        uitzonderingssituatie als bedoeld in artikel 2. lid 2, van
                                        de Waterschapswet. </noot.al><noot.al>Op grond van artikel 3.2. lid 1, van de Waterwet moeten
                                        voor de niet bij het Rijk in beheer zijnde watersystemen of
                                        onderdelen daarvan bij provinciale verordening beheerders
                                        worden aangewezen. Hierbij dient artikel 2, tweede lid, van
                                        de Waterschapswet in acht te worden genomen. Ter uitvoering
                                        van artikel 3.2. van de Waterwet is in artikel 4.3.1. van
                                        deze verordening het waterschap aangewezen als beheerder van
                                        het regionale watersysteem. Hierbij is verwezen naar de
                                        reglementaire omschrijving van de taak van het waterschap,
                                        zijnde de waterstaatkundige verzorging van zijn gebied, voor
                                        zover deze taak niet aan andere publiekrechtelijke lichamen
                                        is opgedragen'. Met de in taakopdracht opgenomen
                                        clausulering wordt bereikt dat de toedeling van beheer geen
                                        betrekking heeft op watersystemen die in beheer zijn bij het
                                        Rijk of op vaarwegbeheer dat als onderdeel van het
                                        watersysteembeheer bij een gemeente of provincie berust,
                                        zijnde een uitzonderingssituatie als bedoeld in artikel 2.
                                        lid 2, van de Waterschapswet. ]</noot.al></noot></al></structuurtekst><artikel><kop><titel>Artikel 4.3.1. </titel></kop><al>Het waterschap is belast met het beheer van het watersysteem dat
                                behoort tot de taak van het waterschap, zoals omschreven in artikel
                                4 van het reglement van het waterschap. </al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 4.3.2. Toedeling beheer vaarwegen </titel></kop><al><noot id="d17e5567"><noot.nr>64</noot.nr><noot.al>[<vet>Toelichting: </vet>Hiertoe is op een aangegeven
                                        welke gemeente, provincie of welk waterschap is belast met
                                        het vaarwegbeheer van regionale en lokale wateren. Door
                                        middel van deze lijst wordt de bestaande beheersituatie
                                        vastgelegd. Daarmee is deze lijst voor de bestuurspraktijk
                                        bepalend voor de vraag welk bestuursorgaan aangaande het
                                        vaarwegbeheer van bedoelde wateren een zorgplicht heeft dan
                                        wel bevoegdheden heeft. Lijst A bevat alleen de vaarwegen
                                        die bij de provincie in beheer zijn. Lijst B (de
                                        ‘toezichtslijst') is een uitgebreidere lijst. Daarop zijn
                                        alle wateren opgenomen die van lokale betekenis zijn voor de
                                        scheepvaart en waarop de provincie het toezicht heeft. </noot.al><noot.al>Aard van de bepalingen </noot.al><noot.al>De in de artikelen 4.3.3. tot en met 4.3.10. opgenomen
                                        bepalingen zijn gebaseerd op de in 2007 door het IPO
                                        vastgestelde Modelverordening Vaarwegen. Er hebben
                                        aanpassingen plaatsgevonden voor zover de tekst van de
                                        Waterwet daartoe noodzaakte en voor zover dat noodzakelijk
                                        was in verband met het integreren van die modelverordening
                                        in deze verordening. </noot.al><noot.al>De artikelen hebben betrekking op het vaarwegbeheer.
                                        Bij vaarwegbeheer gaat het om instandhouding van de natte
                                        infrastructuur waarover scheepvaartverkeer moet kunnen
                                        plaatsvinden, alsmede om aanleg en verbetering van objecten
                                        die deel uitmaken van die infrastructuur. In de praktijk
                                        wordt dit wel omschreven als ‘het in stand houden van de
                                        bak'. Voor het (technisch) beheer van de droge
                                        infrastructuur zijn richtlijnen opgenomen in de Wegenwet.
                                        Voor het beheer en onderhoud van de natte infrastructuur is
                                        echter geen specifiek wettelijk kader beschikbaar. </noot.al><noot.al>Deze artikelen hebben geen betrekking op het nautisch
                                        beheer, behalve artikel 4.3.11. Het nautisch beheer is
                                        gericht op het bevorderen van een veilige, vlotte en
                                        doelmatige afwikkeling van het scheepvaartverkeer, onder
                                        andere door regulering en handhaving. Het nautisch beheer is
                                        min of meer uitputtend geregeld in de zogenaamde hogere
                                        regelgeving: de Scheepvaartverkeerswet en de daaruit
                                        voortvloeiende regelingen zoals onder meer het
                                        Binnenvaartpolitiereglement (BPR) en het Besluit
                                        Administratieve Bepalingen Scheepvaartverkeer (BABS).
                                        ]</noot.al></noot></al><al>Op de als bijlage 6 bij deze verordening behorende lijsten is
                                aangegeven welk bestuursorgaan, niet zijnde een bestuursorgaan van
                                het Rijk, is belast met het vaarwegbeheer.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 4.3.3. Begripsomschrijvingen </titel></kop><lid><lidnr/><al><noot id="d17e5592"><noot.nr>65</noot.nr><noot.al>[<vet>Toelichting: </vet>De omschrijving is
                                            ontleend aan artikel 1.01., onderdeel D5 van het
                                            Binnenvaartpolitiereglement (verder in deze toelichting:
                                            BPR). Binnen deze omschrijving valt het begrip
                                            vaarwater, zijnde het gedeelte van een vaarweg dat
                                            feitelijk door de scheepvaart kan worden gebruikt. De
                                            beperking ‘voor zover vermeld op lijst A of lijst B'
                                            voorkomt dat ook sloten en dergelijke kleine wateren in
                                            principe onder het regime van de verordening vallen. </noot.al><noot.al>Werk. Strikt genomen moet een vaarweg ook als een
                                            ‘werk' als hier bedoeld worden beschouwd, maar voor de
                                            hanteerbaarheid van de bepalingen van de verordening is
                                            hiervan afgezien. ]</noot.al></noot></al></lid><lid><lidnr/><al>In deze titel en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan
                                    onder: </al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al id="anker-H55824_0_3_11_34_"> lijst A: de in bijlage 6 bij deze
                                    verordening behorende lijst met kaart van vaarwegen in beheer
                                    bij de provincie; </al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al id="anker-H55824_0_3_11_35_"> lijst B: de in bijlage 6 bij deze
                                    verordening behorende lijst met kaart van binnen de provincie
                                    gelegen vaarwegen in beheer bij andere overheidslichamen, het
                                    Rijk uitgezonderd; </al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al id="anker-H55824_0_3_11_36_"> minimaal benodigde vaarwegdiepte:
                                    de vaarwegdiepte op basis van de scheepstype indeling conform
                                    CEMT, of conform de klasse indeling volgens de BRTN, vermeerderd
                                    met de benodigde kielspeling; </al></lid><lid><lidnr>d.</lidnr><al id="anker-H55824_0_3_11_37_"> schip: schip als bedoeld in
                                    artikel 1, lid 1, onder b, van de Scheepvaartverkeerswet; </al></lid><lid><lidnr>e.</lidnr><al id="anker-H55824_0_3_11_38_"> vaarweg: elk binnen de provincie
                                    gelegen water dat openstaat voor het openbaar
                                    scheepvaartverkeer, voor zover vermeld op lijst A of lijst B;
                                </al></lid><lid><lidnr>f.</lidnr><al id="anker-H55824_0_3_11_39_"> vaarwegbeheer: de overheidszorg
                                    gericht op de instandhouding, bruikbaarheid en bescherming van
                                    een vaarweg en bijbehorende werken; </al></lid><lid><lidnr>g.</lidnr><al id="anker-H55824_0_3_11_40_"> vaarwegbeheerder: het bevoegde
                                    bestuursorgaan van het overheidslichaam dat met het
                                    vaarwegbeheer is belast en als zodanig is vermeld op lijst A of
                                    lijst B; </al></lid><lid><lidnr>h.</lidnr><al id="anker-H55824_0_3_11_41_"> werk: elk kunstwerk of ander
                                    bouwwerk, waaronder begrepen oevers en oevervoorzieningen,
                                    boven, op, in, onder of langs een vaarweg gelegen.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 4.3.4. Belangenbescherming </titel></kop><lid><lidnr/><al><noot id="d17e5653"><noot.nr>66</noot.nr><noot.al>[<vet>Toelichting: </vet> Deze bepaling geeft een
                                            nadere uitwerking van de doelstellingen die met deze
                                            titel worden nagestreefd. ]</noot.al></noot></al></lid><lid><lidnr/><al>Deze titel en de daarop berustende bepalingen hebben tot doel:
                                </al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al id="anker-H55824_0_3_12_42_"> regels te stellen in het belang
                                    van de instandhouding, de bruikbaarheid en bescherming van de
                                    vaarwegen en de bijbehorende werken; </al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al id="anker-H55824_0_3_12_43_"> aanvullende regels te stellen in
                                    het belang van de veiligheid en het vlotte verloop van het
                                    scheepvaartverkeer op de vaarwegen.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 4.3.5. Vaarwegdiepte en vaarwegonderhoud </titel></kop><lid><lidnr/><al><noot id="d17e5682"><noot.nr>67</noot.nr><noot.al>[<vet>Toelichting: </vet>Het derde lid bindt het
                                            vaststellen en wijzigen van de minimaal benodigde
                                            vaarwegdiepten aan de openbare voorbereidingsprocedure
                                            van Afdeling 3.4. Algemene wet bestuursrecht. Hierbij
                                            wordt rekening gehouden met de Richtlijnen Vaarwegen
                                            2005, onderdeel 3 Vaarwegvakken en de vigerende
                                            CEMT-klassen en richtlijnen van het BRTN-convenant.
                                            ]</noot.al></noot></al></lid><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H55824_0_3_13_44_"> Gedeputeerde Staten kunnen de
                                    minimaal benodigde vaarwegdiepten vaststellen van de vaarwegen
                                    op de lijsten A en B. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H55824_0_3_13_45_"> De vaarwegbeheerder draagt zorg
                                    voor het onderhoud van de vaarweg met inachtneming van de
                                    minimaal benodigde vaarwegdiepten, vastgesteld krachtens het
                                    eerste lid. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al id="anker-H55824_0_3_13_46_"> Op de voorbereiding van een
                                    besluit als bedoeld in het eerste lid is afdeling 3.4 van de
                                    Algemene wet bestuursrecht van toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 4.3.6. Bedieningstijden van bruggen en sluizen
                                </titel></kop><lid><lidnr/><al><noot id="d17e5712"><noot.nr>68</noot.nr><noot.al>[<vet>Toelichting: </vet> Het belang van de
                                            beroepsvaart en de recreatievaart is gediend met een
                                            optimale afstemming van de bedieningsregime van de
                                            beweegbare bruggen en sluizen. Dit artikel legt daarom
                                            de vaststelling van deze bedieningstijden exclusief
                                            (uitgezonderd de spoorbruggen) bij gedeputeerde staten
                                            (eerste lid). Voorts moeten de beheerders van deze
                                            bruggen en sluizen ervoor zorgen (derde lid) dat ze
                                            minimaal bediend worden op de tijden die door
                                            gedeputeerde staten zijn vastgesteld. Het vierde lid
                                            bindt het vaststellen en wijzigen van bedieningstijden
                                            van bruggen en sluizen aan de openbare
                                            voorbereidingsprocedure van de Algemene wet
                                            bestuursrecht. Hierbij wordt rekening gehouden met de
                                            Richtlijnen Vaarwegen 2005, onderdeel 7, Bediening. Voor
                                            de vaststelling van de bedieningstijden voor vaarwegen
                                            die opgenomen zijn in de BRTN worden de BRTN-richtlijnen
                                            ten behoeve van de recreatievaart tevens mee gewogen.
                                            ]</noot.al></noot></al></lid><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H55824_0_3_14_47_"> Gedeputeerde Staten stellen de
                                    bedieningstijden vast van de beweegbare bruggen en sluizen,
                                    behorende bij de vaarwegen op de lijsten A en B. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H55824_0_3_14_48_"> Het in het eerste lid bepaalde
                                    geldt niet voor spoorbruggen en voor bruggen en sluizen in
                                    beheer bij het Rijk. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al id="anker-H55824_0_3_14_49_"> De beheerders van de bruggen en
                                    sluizen dragen er zorg voor dat de bruggen en sluizen worden
                                    bediend op de door gedeputeerde staten vastgestelde tijden.
                                </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al id="anker-H55824_0_3_14_50_"> Op de voorbereiding van een
                                    besluit als bedoeld in het eerste lid is afdeling 3.4 van de
                                    Algemene wet bestuursrecht van toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 4.3.7. Onttrekken van een vaarweg aan het openbaar
                                    scheepvaartverkeer </titel></kop><lid><lidnr/><al><noot id="d17e5747"><noot.nr>69</noot.nr><noot.al>[<vet>Toelichting: </vet> Deze bepaling is
                                            vergelijkbaar met artikel 8, tweede lid, van de
                                            Wegenwet, op grond waarvan (land)wegen in beheer bij een
                                            provincie of een waterschap aan het openbaar verkeer
                                            onttrokken kunnen worden. De onttrekking van een vaarweg
                                            of een gedeelte daarvan aan het openbaar
                                            scheepvaartverkeer is blijvend, dus niet tijdelijk, en
                                            geldt voor alle schepen, dat wil zeggen voor elk type
                                            schip in de zin van artikel 1, eerste lid, onderdeel b,
                                            van de Scheepvaartverkeerswet. ]</noot.al></noot></al></lid><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H55824_0_3_15_51_"> Het besluit van een
                                    vaarwegbeheerder, tot het blijvend geheel of gedeeltelijk
                                    onttrekken aan het openbaar verkeer van een vaarweg van lijst B
                                    voor alle schepen behoeft de goedkeuring van Provinciale Staten.
                                </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H55824_0_3_15_52_"> Op de voorbereiding van een
                                    besluit als bedoeld in het eerste lid is afdeling 3.4 van de
                                    Algemene wet bestuursrecht van toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 4.3.8. Absoluut verbod voor provinciale vaarwegen
                                    (lijst A) en de bijbehorende werken </titel></kop><lid><lidnr/><al><noot id="d17e5772"><noot.nr>70</noot.nr><noot.al>[<vet>Toelichting: </vet>Dit artikel is alleen van
                                            toepassing op provinciale vaarwegen (lijst A) en de
                                            bijbehorende werken. De vaarwegbeheerders van de wateren
                                            van lijst B dienen ten aanzien van de in die artikelen
                                            genoemde onderwerpen zelf te voorzien in regelgeving. </noot.al><noot.al>In dit artikel zijn verboden opgenomen, zoveel
                                            mogelijk in de vorm van doelvoorschriften. Zo is het
                                            verboden het voor het scheepvaartverkeer noodzakelijke
                                            uitzicht op en bij scheepvaartwegen te belemmeren. Ook
                                            is het verboden om de veiligheid en het vlotte verloop
                                            van het scheepvaartverkeer op de scheepvaartweg in
                                            gevaar te brengen. Dat betekent bijvoorbeeld dat het
                                            verboden is om houtgewas of takken van bomen zodanig in
                                            of boven de vaarweg te laten hangen dat zij hinder voor
                                            de scheepvaart veroorzaken. </noot.al><noot.al>Dit betekent ook dat er langs de oever geen werken
                                            mogen worden opgericht, bijvoorbeeld in de bocht van een
                                            scheepvaartweg, die het uitzicht van het
                                            scheepvaartverkeer belemmeren. De afstand van het werk
                                            tot de vaarweg is hierbij niet van belang. Bij twijfel
                                            kunnen de richtlijnen vaarwegen 2005 uitkomst bieden, of
                                            kan contact worden opgenomen met de betreffende
                                            beleidsafdeling. </noot.al><noot.al>Volgens sub c is het verboden vaste stoffen of
                                            voorwerpen in een vaarweg te doen geraken, dan wel vaste
                                            stoffen of voorwerpen op een zodanige wijze op oevers te
                                            plaatsen of te hebben, dat deze geheel of gedeeltelijk
                                            in een vaarweg kunnen geraken. Soortgelijke bepalingen
                                            staan in het Binnenvaartpolitiereglement en de keuren
                                            van de waterschappen. In het Binnenvaartpolitiereglement
                                            is geregeld dat het verboden is vanaf een schip stoffen
                                            in het water te brengen. Daarnaast is in de keuren van
                                            de waterschappen, die ook voor de scheepvaartwegen
                                            gelden, ook geregeld dat er geen stoffen in het water
                                            mogen worden gebracht. Het komt voor dat er maaisel
                                            zodanig op de oever wordt gebracht dat het in het water
                                            terecht kan komen. Hierop moet adequaat gehandhaafd
                                            kunnen worden. Daarom is een expliciet verbod in de
                                            verordening opgenomen. De verboden van dit artikel zijn
                                            absoluut: ontheffing ervan is niet mogelijk. ]</noot.al></noot></al></lid><lid><lidnr/><al>Het is verboden: </al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al id="anker-H55824_0_3_16_53_"> het voor het scheepvaartverkeer
                                    noodzakelijke uitzicht op en bij scheepvaartwegen te belemmeren;
                                </al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al id="anker-H55824_0_3_16_54_"> de veiligheid en het vlotte
                                    verloop van het scheepvaartverkeer op de scheepvaartweg in
                                    gevaar te brengen; </al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al id="anker-H55824_0_3_16_55_"> vaste stoffen of voorwerpen in een
                                    vaarweg te brengen, dan wel vaste stoffen of voorwerpen op een
                                    zodanige wijze op oevers te plaatsen of te hebben, dat deze
                                    geheel of gedeeltelijk in een vaarweg kunnen geraken; </al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 4.3.9. Verboden met ontheffingsmogelijkheid voor
                                    provinciale vaarwegen (lijst A) en de bijbehorende werken
                                </titel></kop><lid><lidnr/><al><noot id="d17e5812"><noot.nr>71</noot.nr><noot.al>[<vet>Toelichting: </vet>Dit artikel is alleen van
                                            toepassing op provinciale vaarwegen (lijst A) en de
                                            bijbehorende werken. De vaarwegbeheerders van de wateren
                                            van lijst B dienen ten aanzien van de in die artikelen
                                            genoemde onderwerpen zelf te voorzien in regelgeving. </noot.al><noot.al>Lid 1 bevat relatieve verboden, waarvan wel
                                            ontheffing kan worden gevraagd. In sub 1a is bepaald dat
                                            er geen veranderingen mogen worden aangebracht aan de
                                            scheepvaartweg. Tot veranderingen behoren onder meer
                                            verbredingen, versmallingen, verdiepingen of
                                            verondiepingen van de scheepvaartweg. </noot.al><noot.al>Voor het houden van wedstrijden is op grond van
                                            artikel 1.23. van het Binnenvaartpolitiereglement
                                            toestemming vereist. ]</noot.al></noot></al></lid><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H55824_0_3_17_56_"> Het is verboden om:</al><lijst><li nr="a."><al id="anker-H55824_0_3_17_56_25_"> veranderingen aan te
                                            brengen aan de scheepvaartweg; </al></li><li nr="b."><al> enig werk aan te brengen, te houden, te veranderen of
                                            te verwijderen boven, op, in, onder of binnen een
                                            afstand van tien meter landinwaarts van de
                                            scheepvaartweg horizontaal gemeten vanuit de oeverlijn. </al><al>Dit verbod geldt niet voor het Giethoornse meer, de
                                            Beulakerwijde en de Belterwijde. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al> Gedeputeerde Staten kunnen ontheffing verlenen van de
                                    verbodsbepalingen van lid 1, indien de belangen, bedoeld in
                                    artikel 4.3.4 zich daartegen niet verzetten. Aan een ontheffing
                                    kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden. </al><al>Een ontheffing kan worden ingetrokken of gewijzigd indien:</al><lijst><li nr="a."><al id="anker-H55824_0_3_17_57_27_"> de omstandigheden
                                            zodanig zijn gewijzigd dat de ontheffing niet meer op
                                            dezelfde wijze zou worden verleend; </al></li><li nr="b."><al id="anker-H55824_0_3_17_57_28_"> de ontheffing gedurende
                                            twee jaar niet is gebruikt; </al></li><li nr="c."><al id="anker-H55824_0_3_17_57_29_"> gebleken is dat de
                                            ontheffing is verleend op basis van door de houder
                                            verstrekte onjuiste gegevens; </al></li><li nr="d."><al id="anker-H55824_0_3_17_57_30_"> de in het tweede lid
                                            bedoelde voorschriften of beperkingen niet of niet
                                            voldoende worden nageleefd; </al></li><li nr="e."><al id="anker-H55824_0_3_17_57_31_"> op de voorbereiding van
                                            een besluit omtrent de beperking van de
                                            gebruiksmogelijkheid van een kanaal voor de scheepvaart
                                            is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van
                                            toepassing.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al id="anker-H55824_0_3_17_58_"> Voor werken die geschieden door of
                                    namens de provincie is geen ontheffing, als genoemd in het
                                    tweede lid, vereist.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 4.3.10. Regeling werken op de oever van vaarwegen
                                </titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H55824_0_3_18_59_"> Voor het aanbrengen, houden,
                                    veranderen of verwijderen van enig werk op de oever binnen een
                                    afstand van tien meter landinwaarts van de scheepvaartweg
                                    horizontaal gemeten vanuit de oeverlijn kan volstaan worden met
                                    het inzenden van een ondertekend en volledig ingevuld
                                    meldingsformulier. Deze melding dient minimaal vier weken voor
                                    aanvang van de werken te geschieden. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H55824_0_3_18_60_"> Indien de bruikbaarheid en/of
                                    instandhouding van de scheepvaartweg door enig werk in gevaar
                                    kan komen, zal voor het werk alsnog een ontheffing met
                                    voorschriften en beperkingen worden verleend. Gedeputeerde
                                    Staten brengen dit besluit zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk
                                    binnen vier weken na ontvangst van de melding ter kennis aan de
                                    meldingplichtige. In dat geval wordt het meldingsformulier
                                    behandeld als een aanvraag om ontheffing. </al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 4.3.11. Verhaalplicht </titel></kop><al><noot id="d17e5886"><noot.nr>72</noot.nr><noot.al>[<vet>Toelichting: </vet> Dit artikel vormt een
                                        aanvulling op de nautische regel van het
                                        Binnenvaartpolitiereglement ten aanzien van de verhaalplicht
                                        van schepen die afgemeerd zijn op plaatsen waar andere
                                        schepen moeten worden geladen of gelost. Deze verhaalplicht
                                        wordt in dit artikel ook opgelegd aan schepen wanneer
                                        onderhoudswerkzaamheden moeten worden uitgevoerd.
                                        ]</noot.al></noot></al><al>Onverminderd artikel 7.11 van het Binnenvaartpolitiereglement,
                                moeten schepen, samenstellen van schepen en drijvende voorwerpen op
                                aanwijzing van de vaarwegbeheerder worden verhaald indien onderhoud
                                van een vaarweg of bijbehorend werk dat nodig maakt.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Titel 4.4. Regionaal waterplan en beheerplannen </titel></kop><structuurtekst><al><noot id="d17e5902"><noot.nr>73</noot.nr><noot.al>[<vet>Toelichting: </vet> De bepalingen onder deze
                                        titel hebben betrekking op de totstandkoming en de inhoud
                                        van het regionaal waterplan en het beheerplan en de
                                        voortgangsrapportage. Provinciale staten stellen het
                                        regionaal waterplan vast. De waterschappen houden hier
                                        rekening mee bij het opstellen van hun beheerplan. Dit is de
                                        waarborg dat het uitvoeringsgerichte beheerplan goed wordt
                                        ingebed in het breder afgewogen regionaal waterplan. Om de
                                        betekenis van de watersysteembenadering te benadrukken biedt
                                        de wet nu de mogelijkheid om, in plaats van voor een gehele
                                        provincie, een regionaal waterplan te maken voor
                                        bijvoorbeeld een deelstroomgebied. De wet geeft in artikel
                                        4.4. duidelijk aan welke onderdelen het regionaal waterplan
                                        moet bevatten. De verordening is op dit punt dan ook
                                        beknopt. De verordening gaat uitgebreider in op de in het
                                        beheerplan op te nemen onderdelen. ]</noot.al></noot></al></structuurtekst><artikel><kop><titel>Artikel 4.4.1. Inhoud regionaal waterplan </titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H55824_0_4_20_61_"> Het regionaal waterplan bevat,
                                    naast het bepaalde in de artikelen 4.4 van de wet, één of meer
                                    kaarten met bijbehorende verklaring waarin de hoofdlijnen van
                                    het waterbeleid in beeld zijn gebracht. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H55824_0_4_20_62_"> De ruimtelijke aspecten bedoeld in
                                    artikel 4.4, eerste lid van de wet worden in het regionaal
                                    waterplan aangeduid. <noot id="d17e5924"><noot.nr>74</noot.nr><noot.al>[<vet>Toelichting: </vet>Integratie van water en
                                            ruimtelijke ordening is alleen mogelijk wanneer de
                                            ruimtelijke gevolgen van de wateropgaven worden
                                            uitgewerkt in ruimtelijke plannen. De Waterwet brengt
                                            daarom een koppeling aan tussen de wateropgaven en de
                                            uitwerking daarvan door het regionaal waterplan
                                            tegelijkertijd de status te geven van structuurvisie in
                                            de zin van de Wet ruimtelijke ordening. Integratie van
                                            water en ruimtelijke ordening is alleen mogelijk wanneer
                                            de ruimtelijke gevolgen van de wateropgaven worden
                                            uitgewerkt in ruimtelijke plannen. De Waterwet brengt
                                            daarom een koppeling aan tussen de wateropgaven en de
                                            uitwerking daarvan door het regionaal waterplan
                                            tegelijkertijd de status te geven van structuurvisie in
                                            de zin van de Wet ruimtelijke ordening.]</noot.al></noot></al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 4.4.2. Voorbereiding regionaal waterplan </titel></kop><lid><lidnr/><al><noot id="d17e5939"><noot.nr>75</noot.nr><noot.al>[<vet>Toelichting: </vet>Verplicht overleg </noot.al><noot.al>Het eerste artikellid verplicht gedeputeerde staten
                                            tot het voeren van overleg met ten minste het dagelijks
                                            bestuur van de waterschappen. Het staat gedeputeerde
                                            staten vrij, behalve met de genoemde partijen, ook te
                                            overleggen met de colleges van burgemeester en
                                            wethouders van de gemeenten, bedrijven en instanties die
                                            binnen het plangebied liggen. </noot.al><noot.al>Verplicht raadplegen </noot.al><noot.al>Het tweede lid bepaalt dat gedeputeerde staten
                                            gehouden zijn om ten minste te raadplegen de minister,
                                            Gedeputeerde Staten van de aangrenzende provincies en de
                                            beheerder van de grensoverschrijdende of grensvormende
                                            watersystemen. Deze opsomming is niet limitatief. Het
                                            staat gedeputeerde staten vrij bijvoorbeeld andere
                                            overheden, bedrijven en instanties te raadplegen.
                                            Daarbij kan worden gedacht aan Rijkswaterstaat,
                                            waterleidingbedrijven en belangenorganisaties, zoals
                                            LTO, natuur- en milieuorganisaties, VNO-NCW en de Kamer
                                            van Koophandel. </noot.al><noot.al>Inspraakperiode </noot.al><noot.al>Afdeling 3.4. van de Algemene wet bestuursrecht
                                            (Awb) is van toepassing op de voorbereiding van het
                                            plan. De inspraakperiode bedraagt zes weken. ]</noot.al></noot></al></lid><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H55824_0_4_21_63_"> Gedeputeerde Staten voeren, ter
                                    voorbereiding van het regionaal waterplan, ten minste overleg
                                    met het dagelijks bestuur, de hoofdingenieur-directeur van
                                    Rijkswaterstaat en de colleges van Burgemeester en Wethouders
                                    van de binnen het plangebied liggende gemeenten. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H55824_0_4_21_64_"> Gedeputeerde Staten raadplegen ter
                                    voorbereiding van het regionaal waterplan de minister en
                                    Gedeputeerde Staten van de aangrenzende provincies en de
                                    beheerder(s) van de grensoverschrijdende of grensvormende
                                    watersystemen. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al id="anker-H55824_0_4_21_65_"> Op de voorbereiding van het
                                    regionaal waterplan is afdeling 3.4 van de Algemene wet
                                    bestuursrecht van toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 4.4.3. Uitwerking regionaal waterplan </titel></kop><lid><lidnr/><al><noot id="d17e5979"><noot.nr>76</noot.nr><noot.al>[<vet>Toelichting: </vet> Dit artikel biedt
                                            provinciale staten de grondslag om gedeputeerde staten
                                            de bevoegdheid te verlenen dan wel te verplichten tot
                                            het, onder nader beschreven voorwaarden, uitwerken van
                                            bepaalde onderdelen van het regionaal waterplan. De
                                            planuitwerking verkrijgt vervolgens dezelfde status als
                                            het regionaal waterplan. De bevoegdheid is beperkt tot
                                            het uitwerken van het eerder vastgestelde kader. Deze
                                            mag zich dan ook niet richten op het niveau van
                                            daadwerkelijke uitvoering van maatregelen. Die
                                            bevoegdheid is immers voorbehouden aan de waterschappen.
                                            Een in een uitwerkingsplan uit te werken onderwerp is
                                            bijvoorbeeld het aanwijzen van een waterbergingsgebied.
                                            ]</noot.al></noot></al></lid><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H55824_0_4_22_66_"> In het regionaal waterplan kan
                                    worden bepaald dat Gedeputeerde Staten het regionaal waterplan
                                    of onderdelen daarvan moeten of kunnen uitwerken volgens de in
                                    het regionaal waterplan gegeven regels. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H55824_0_4_22_67_"> Het besluit van Gedeputeerde
                                    Staten tot uitwerking van het regionaal waterplan maakt deel uit
                                    van het regionaal waterplan. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al id="anker-H55824_0_4_22_68_"> Artikel 4.4.2 is van
                                    overeenkomstige toepassing op het in het tweede lid genoemde
                                    besluit.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 4.4.4. Inhoud beheerplan </titel></kop><lid><lidnr/><al><noot id="d17e6009"><noot.nr>77</noot.nr><noot.al>[<vet>Toelichting: </vet>Het beheerplan bevat, op
                                            de schaal van het waterschap, een uitwerking van de
                                            strategische doelen, die de provincie in haar regionaal
                                            waterplan heeft geformuleerd. De uitwerking bevat ten
                                            minste concrete maatregelen, de bijbehorende planning en
                                            de kosten die nodig zijn om deze maatregelen te
                                            realiseren. </noot.al><noot.al>Het beheerplan gaat ook in op de vaststelling van
                                            het Gewenste Grondwater- en oppervlaktewaterregiem
                                            (GGOR) per gebied dan wel het proces om te komen tot
                                            aanpassing. Het GGOR geeft aan welke grondwater- en
                                            oppervlaktewatersituatie (verdeeld naar ruimte en tijd)
                                            in het projectgebied wordt nagestreefd, uitgedrukt in: </noot.al><noot.al>¿ De gemiddeld hoogste grondwaterstand (ghg), de
                                            gemiddeld laagste grondwaterstand (glg), de gemiddelde
                                            voorjaarsgrondwaterstand (gvg); </noot.al><noot.al>¿ De te hanteren streefpeilen; </noot.al><noot.al>¿ De termijn van realisatie bij aanpassing. </noot.al><noot.al>In een achtergronddocument wordt toegelicht: </noot.al><noot.al>¿ De afweging die ten grondslag ligt aan het
                                            GGOR-besluit en het doorlopen proces; </noot.al><noot.al>¿ Indien relevant: de inrichting van de
                                            watergangen, de (grond)waterkwaliteit en de benodigde
                                            wateraanvoer; </noot.al><noot.al>¿ Een beschrijving van de maatregelen, raming van
                                            kosten en een globaal plan van aanpak. ]</noot.al></noot></al></lid><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H55824_0_4_23_69_"> Het beheerplan bevat, naast het
                                    bepaalde in artikel 4.6 van de wet, ten minste:</al><lijst><li nr="a."><al id="anker-H55824_0_4_23_69_32_"> de beschrijving van de
                                            bestaande toestand van het watersysteem waarover het
                                            beheer zich uitstrekt; </al></li><li nr="b."><al id="anker-H55824_0_4_23_69_33_"> het beleid inzake het
                                            beheer van de watersystemen gericht op de functies en
                                            doelstellingen die aan de watersystemen zijn toegekend;
                                        </al></li><li nr="c."><al id="anker-H55824_0_4_23_69_34_"> de beschrijving van de
                                            maatregelen met prioriteitstelling en fasering, zodat de
                                            gestelde doelen zijn te realiseren; </al></li><li nr="d."><al id="anker-H55824_0_4_23_69_35_"> een raming van de
                                            kosten van de, gedurende de planperiode, te nemen
                                            maatregelen, inzicht in de dekking van de kosten en een
                                            indicatie van het verloop van de op te leggen omslagen
                                            of heffingen in de planperiode; </al></li><li nr="e."><al id="anker-H55824_0_4_23_69_36_"> het gewenste grond- en
                                            oppervlaktewaterregiem voor de (landgebruiks)functies in
                                            het beheersgebied; </al></li><li nr="f."><al id="anker-H55824_0_4_23_69_37_"> één of meer kaarten,
                                            waarop de bestaande en geplande waterstaatswerken staan
                                            aangegeven. </al></li><li nr="g."><al id="anker-H55824_0_4_23_69_38_"> één of meer kaarten,
                                            waarbij de gebieden met de daarbij behorende normen als
                                            bedoeld in artikel 4.2.4, leden 2 en 3, staan
                                            aangegeven.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H55824_0_4_23_70_"> Het beheerplan is voorzien van een
                                    toelichting, waarin ten minste is opgenomen:</al><lijst><li nr="a."><al id="anker-H55824_0_4_23_70_39_"> afwegingen die aan het
                                            plan ten grondslag liggen en uitkomsten van de eventueel
                                            uitgevoerde onderzoeken; </al></li><li nr="b."><al id="anker-H55824_0_4_23_70_40_"> een overzicht van de
                                            strategische doelstellingen in het regionaal waterplan,
                                            die worden gerealiseerd door het uitvoeren van de
                                            maatregelen die in het eerste lid, onder c, zijn
                                            genoemd.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 4.4.5. Raadplegen bij opstellen beheerplan </titel></kop><al>Het dagelijks bestuur raadpleegt, bij het opstellen van het
                                beheerplan, ten minste de dagelijks besturen van de aangrenzende
                                waterbeheerders, Gedeputeerde Staten en de colleges van Burgemeester
                                en Wethouders van de binnen het plangebied liggende provincies en
                                gemeenten alsmede de ten aanzien van grensoverschrijdende dan wel
                                grensvormende watersystemen bevoegde Duitse autoriteiten.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 4.4.6. Voorbereiding beheerplan </titel></kop><lid><lidnr/><al><noot id="d17e6085"><noot.nr>78</noot.nr><noot.al>[<vet>Toelichting: </vet> Afdeling 3.4. van de
                                            Algemene wet bestuursrecht is van toepassing op de
                                            voorbereiding van besluiten, waaronder de voorbereiding
                                            en vaststelling van het beheersplan. De
                                            voorbereidingsprocedure voor het beheerplan is overigens
                                            identiek aan de procedure die in titel 4.4. is
                                            neergelegd voor de totstandkoming van het regionaal
                                            waterplan. Voor de verdere toelichting wordt verwezen
                                            naar de toelichting bij titel 4.4. ]</noot.al></noot></al></lid><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H55824_0_4_25_71_"> Op de voorbereiding van het
                                    beheerplan is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van
                                    toepassing. De stukken worden ter inzage gelegd in ten minste
                                    het kantoor van het desbetreffende waterschap en in de
                                    gemeentehuizen van de gemeenten die zijn gelegen binnen het
                                    gebied waarop het beheerplan betrekking heeft. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H55824_0_4_25_72_"> Een ieder heeft de gelegenheid
                                    zijn zienswijze over het beheerplan naar keuze schriftelijk of
                                    mondeling naar voren te brengen. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al id="anker-H55824_0_4_25_73_"> Het dagelijks bestuur kan
                                    besluiten dat de procedure die in afdeling 3.4 van de Algemene
                                    wet bestuursrecht is geregeld, niet wordt toegepast bij het
                                    actualiseren van het maatregelenprogramma en het aanpassen van
                                    het gewenste grond- en oppervlaktewaterregiem als bedoeld in
                                    artikel 4.4.4, lid 1, onder c en e, indien redelijkerwijs kan
                                    worden aangenomen dat aan de toepassing van die procedure geen
                                    behoefte bestaat. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al id="anker-H55824_0_4_25_74_"> Een vastgesteld beheerplan wordt
                                    toegezonden aan de instanties als bedoeld in artikel 4.4.5 en
                                    aan de minister.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 4.4.7. Uitwerking beheerplan </titel></kop><lid><lidnr/><al><noot id="d17e6120"><noot.nr>79</noot.nr><noot.al>[<vet>Toelichting: </vet> Dit artikel biedt het
                                            algemeen bestuur de grondslag om het dagelijks bestuur
                                            de bevoegdheid te verlenen dan wel te verplichten tot
                                            het, onder nader beschreven voorwaarden, uitwerken van
                                            bepaalde onderdelen van het beheerplan. De
                                            planuitwerking verkrijgt vervolgens dezelfde status als
                                            het beheerplan ]</noot.al></noot></al></lid><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H55824_0_4_26_75_"> In het beheerplan kan worden
                                    bepaald dat het dagelijks bestuur het beheerplan of onderdelen
                                    daarvan moet of kan uitwerken volgens de in het beheersplan
                                    gegeven regels. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H55824_0_4_26_76_"> Het besluit van het dagelijks
                                    bestuur tot uitwerking van het beheerplan maakt deel uit van het
                                    beheerplan. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al id="anker-H55824_0_4_26_77_"> Artikel 4.4.6 is van
                                    overeenkomstige toepassing op het in het tweede lid genoemde
                                    besluit.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 4.4.8. Goedkeuring beheerplan </titel></kop><al>[vervallen]</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 4.4.9. Voortgangsrapportage uitvoering beheerplan
                                </titel></kop><al><noot id="d17e6154"><noot.nr>80</noot.nr><noot.al>[<vet>Toelichting: </vet>In artikel 3.10 van de
                                        Waterwet is bepaald dat bij provinciale verordening met het
                                        oog op een samenhangend en doelmatig regionaal waterbeheer
                                        regels kunnen worden gesteld omtrent de door de besturen van
                                        waterschappen te vertrekken informatie. Voor het kunnen
                                        uitoefenen van toezicht is het van belang dat gedeputeerde
                                        staten over adequate en voldoende actuele informatie
                                        beschikken. </noot.al><noot.al>In dit artikel is geregeld dat de beheerder, ten minste
                                        eenmaal per jaar, aan gedeputeerde staten rapporteert over
                                        de voortgang van de uitvoering van het beheerplan en de mate
                                        waarin de in het beheerplan gestelde doelen worden bereikt.
                                        Deze voortgangsrapportage vormt de basis voor het periodiek
                                        bestuurlijk overleg in de beleidscyclus tussen de provincie
                                        en het waterschap. In dit verband kan worden gewezen op de
                                        afspraken die het IPO en de Unie van waterschappen hebben
                                        neergelegd in de rapportage "Afstemming van taken in het
                                        regionale waterbeheer" (2005). </noot.al><noot.al>Uitgangspunt is dat de samenwerking tussen provincie en
                                        waterschap zich toespitst op de gezamenlijke beleidsvorming
                                        (met ieder een eigen rol hierin), de uitvoering en het
                                        toezicht op de uitvoering. Daarbij wordt uitgegaan van een
                                        afstemming van taken op basis van partnership en
                                        complementariteit. </noot.al><noot.al>In het periodiek overleg kunnen alle onderwerpen
                                        betreffende het regionaal waterbeheer, het regionaal
                                        waterplan en het beheerplan aan de orde worden gesteld. Ook
                                        de wijze waarop het toezicht wordt ingevuld en het maken van
                                        afspraken ter evaluatie in het eerstvolgende overleg kunnen
                                        hiervan deel uitmaken. </noot.al><noot.al>In de voortgangsrapportage en het overleg daaromtrent
                                        kan onder meer worden ingegaan op de aspecten en
                                        planonderdelen, genoemd in artikel 4.7. lid 2, van de
                                        Waterwet en hetgeen daaromtrent is bepaald in het
                                        Waterbesluit. </noot.al><noot.al>Hierbij kan worden gedacht aan de uitvoering van het
                                        programma van maatregelen en voorzieningen, de planning van
                                        de uitvoering, de daarvoor beschikbare en/of benodigde
                                        financiële middelen, de gekwantificeerde opgaven en de
                                        condities (zoals de mogelijkheden voor de ruimtelijke
                                        inpassing van waterhuishoudkundige voorzieningen, het
                                        draagvlak bij belanghebbenden, de acceptatie van de
                                        financiële gevolgen die nodig zijn om de strategische doelen
                                        te kunnen realiseren en overige, voor de realisatie,
                                        relevante omstandigheden). </noot.al><noot.al>Bij de rapportage en het bepalen van de prioriteiten
                                        kan een relatie worden gelegd met het verslag inzake de
                                        beoordeling van het watersysteem, bedoeld in artikel 4.2.5.
                                        Op basis van het verslag en het periodiek overleg ziet de
                                        provincie erop toe dat de gestelde strategische doelen
                                        worden bereikt. In voorkomende gevallen, wanneer blijkt dat
                                        de strategische doelen niet worden bereikt, kunnen
                                        specifieke nadere afspraken worden gemaakt. Indien nodig
                                        kan, na voorafgaand overleg, het toepassen van instrumenten
                                        om te kunnen bijsturen worden overwogen. ]</noot.al></noot></al><al>Het dagelijks bestuur rapporteert ten minste eenmaal per jaar aan
                                Gedeputeerde Staten over de voortgang van de uitvoering van het
                                beheerplan, de mate waarin de gestelde doelen worden bereikt, de
                                redenen van eventuele afwijkingen en de voorgestelde
                                maatregelen.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 4.4.10. Nadere voorschriften voortgangsrapportage
                                </titel></kop><al><noot id="d17e6182"><noot.nr>81</noot.nr><noot.al>[<vet>Toelichting: </vet>In artikel 3.10 van de
                                        Waterwet is bepaald dat bij provinciale verordening met het
                                        oog op een samenhangend en doelmatig regionaal waterbeheer
                                        regels kunnen worden gesteld omtrent de door de besturen van
                                        waterschappen te vertrekken informatie. Voor het kunnen
                                        uitoefenen van toezicht is het van belang dat gedeputeerde
                                        staten over adequate en voldoende actuele informatie
                                        beschikken. </noot.al><noot.al>In dit artikel is geregeld dat de beheerder, ten minste
                                        eenmaal per jaar, aan gedeputeerde staten rapporteert over
                                        de voortgang van de uitvoering van het beheerplan en de mate
                                        waarin de in het beheerplan gestelde doelen worden bereikt.
                                        Deze voortgangsrapportage vormt de basis voor het periodiek
                                        bestuurlijk overleg in de beleidscyclus tussen de provincie
                                        en het waterschap. In dit verband kan worden gewezen op de
                                        afspraken die het IPO en de Unie van waterschappen hebben
                                        neergelegd in de rapportage "Afstemming van taken in het
                                        regionale waterbeheer" (2005). </noot.al><noot.al>Uitgangspunt is dat de samenwerking tussen provincie en
                                        waterschap zich toespitst op de gezamenlijke beleidsvorming
                                        (met ieder een eigen rol hierin), de uitvoering en het
                                        toezicht op de uitvoering. Daarbij wordt uitgegaan van een
                                        afstemming van taken op basis van partnership en
                                        complementariteit. </noot.al><noot.al>In het periodiek overleg kunnen alle onderwerpen
                                        betreffende het regionaal waterbeheer, het regionaal
                                        waterplan en het beheerplan aan de orde worden gesteld. Ook
                                        de wijze waarop het toezicht wordt ingevuld en het maken van
                                        afspraken ter evaluatie in het eerstvolgende overleg kunnen
                                        hiervan deel uitmaken. </noot.al><noot.al>In de voortgangsrapportage en het overleg daaromtrent
                                        kan onder meer worden ingegaan op de aspecten en
                                        planonderdelen, genoemd in artikel 4.7. lid 2, van de
                                        Waterwet en hetgeen daaromtrent is bepaald in het
                                        Waterbesluit. </noot.al><noot.al>Hierbij kan worden gedacht aan de uitvoering van het
                                        programma van maatregelen en voorzieningen, de planning van
                                        de uitvoering, de daarvoor beschikbare en/of benodigde
                                        financiële middelen, de gekwantificeerde opgaven en de
                                        condities (zoals de mogelijkheden voor de ruimtelijke
                                        inpassing van waterhuishoudkundige voorzieningen, het
                                        draagvlak bij belanghebbenden, de acceptatie van de
                                        financiële gevolgen die nodig zijn om de strategische doelen
                                        te kunnen realiseren en overige, voor de realisatie,
                                        relevante omstandigheden). </noot.al><noot.al>Bij de rapportage en het bepalen van de prioriteiten
                                        kan een relatie worden gelegd met het verslag inzake de
                                        beoordeling van het watersysteem, bedoeld in artikel 4.2.5.
                                        Op basis van het verslag en het periodiek overleg ziet de
                                        provincie erop toe dat de gestelde strategische doelen
                                        worden bereikt. In voorkomende gevallen, wanneer blijkt dat
                                        de strategische doelen niet worden bereikt, kunnen
                                        specifieke nadere afspraken worden gemaakt. Indien nodig
                                        kan, na voorafgaand overleg, het toepassen van instrumenten
                                        om te kunnen bijsturen worden overwogen. ]</noot.al></noot></al><al>Gedeputeerde Staten kunnen nadere voorschriften stellen met
                                betrekking tot de vorm en inhoud van de voortgangsrapportage,
                                bedoeld in artikel 4.4.9.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Titel 4.5. Legger waterstaatswerken </titel></kop><structuurtekst><al><noot id="d17e6210"><noot.nr>82</noot.nr><noot.al>[<vet>Toelichting: </vet>Legger
                                        waterstaatswerken</noot.al><noot.al>In artikel 5.1 van de Waterwet is bepaald dat de
                                        beheerder zorg draagt voor de vaststelling van een legger,
                                        waarin is omschreven waaraan waterstaatswerken naar ligging,
                                        vorm, afmeting en constructie moeten voldoen. In artikel 1.1
                                        van de Waterwet is bepaald welke beheersobjecten onder
                                        waterstaatswerken zijn begrepen. De Waterwet vermeldt de
                                        basisgegevens die van de legger deel uitmaken. De ligging
                                        van de waterstaatswerken en daaraan grenzende
                                        beschermingszones wordt aangegeven op overzichtskaarten. </noot.al><noot.al>In de Waterwet is bepaald dat bij provinciale
                                        verordening ten aanzien van inhoud, vorm en periodieke
                                        herziening van de legger voor daarbij te onderscheiden
                                        categorieën van waterstaatswerken nadere voorschriften
                                        kunnen worden gegeven. In deze titel wordt dit onderwerp
                                        nader uitgewerkt. </noot.al><noot.al>De beheerder draagt er zorg voor dat de gegevens in de
                                        legger actueel blijven. De legger voor de
                                        oppervlaktewaterlichamen, bergingsgebieden, primaire- en
                                        regionale waterkeringen of ondersteunende kunstwerken kunnen
                                        door de beheerder desgewenst bij een of meer afzonderlijke
                                        besluiten, in afzonderlijke documenten worden vastgesteld
                                        dan wel worden gecombineerd. </noot.al><noot.al>De legger is van belang voor de toetsing van de
                                        waterstaatswerken aan de gestelde normen. </noot.al><noot.al>Deze toetsing wordt mogelijk door de gegevens in de
                                        legger, waarin de vereiste toestand van de waterstaatswerken
                                        is aangegeven, te vergelijken met de feitelijke toestand van
                                        de waterstaatswerken.</noot.al><noot.al>De legger op grond van de Waterwet moet worden
                                        onderscheiden van de legger als bedoeld in artikel 78 van de
                                        Waterschapswet. Desgewenst kunnen beide leggers in één
                                        document worden gecombineerd. De Waterschapswet bevat enkele
                                        procedurele bepalingen met betrekking tot de voorbereiding
                                        en vaststelling van de laatstgenoemde legger (toepassing
                                        inspraakverordening). </noot.al><noot.al>In het derde lid van artikel 5.1 van de wet is bepaald
                                        dat bij of krachtens provinciale verordening vrijstelling
                                        kan worden verleend van de verplichting om op de legger
                                        ligging, vorm, afmeting, constructie van waterstaatswerken
                                        te omschrijven met betrekking tot bepaalde waterstaatswerken
                                        die zich naar hun aard of functie niet lenen voor het
                                        omschrijven van die elementen, dan wel van geringe
                                        afmetingen zijn. Van deze mogelijkheid is in artikel 4.5.1
                                        lid 6 van deze verordening gebruik gemaakt, gelet op de aard
                                        en functie van de in dat artikel genoemde
                                        waterstaatswerken.]</noot.al></noot></al></structuurtekst><artikel><kop><titel>Artikel 4.5.1. Legger waterstaatswerken </titel></kop><lid><lidnr/><al><noot id="d17e6239"><noot.nr>83</noot.nr><noot.al>[<vet>Toelichting: </vet>Voor de vast te leggen
                                            gegevens in de legger van de regionale waterkering (en
                                            ondersteunende kunstwerken) zijn maatgevend de gestelde
                                            veiligheidsnorm, de technische leidraad en de
                                            voorschriften, bedoeld in artikel 4.2.2 van deze
                                            verordening. Met behulp van situatietekeningen en, waar
                                            mogelijk, dwarsprofielen wordt in de legger aangegeven
                                            wat de vereiste en te handhaven afmetingen van (de
                                            primaire en regionale) waterkering en de daaraan
                                            grenzende beschermingszones zijn. </noot.al><noot.al>Voor de vast te leggen gegevens in de legger van de
                                            oppervlaktewaterlichamen en bergingsgebieden (en
                                            ondersteunende kunstwerken) zijn maatgevend de gestelde
                                            normen en de voorschriften, bedoeld in artikel 4.2.4 van
                                            deze verordening, met het oog op de bergings- en
                                            afvoercapaciteit waarop de regionale wateren moeten zijn
                                            ingericht (het voorkomen en tegengaan van
                                            wateroverlast). </noot.al><noot.al>Het opstellen van deze legger is mede van belang
                                            gelet op de uit het Nationaal Bestuursakkoord Water voor
                                            de beheerder voortvloeiende verplichting om de regionale
                                            watersystemen te toetsen in samenhang met het GGOR. </noot.al><noot.al>Met behulp van situatietekeningen en, waar
                                            mogelijk, overige gegevens met betrekking tot de
                                            bergings- en afvoercapaciteit, wordt in de legger
                                            aangegeven wat de vereiste en te handhaven afmetingen
                                            van de te onderscheiden oppervlaktewaterlichamen of
                                            categorieën van oppervlaktewaterlichamen en daaraan
                                            grenzende beschermingszones, alsmede van de
                                            bergingsgebieden, zijn. </noot.al><noot.al>De gegevens in de legger zijn mede van belang voor
                                            de ruimtelijke reikwijdte van verbods- en
                                            beheerbepalingen ingevolge de Waterwet of de
                                            waterschapskeur (de werkingssfeer het vereiste van
                                            vergunningen of ontheffingen). Omdat hieruit gevolgen
                                            kunnen voortvloeien voor belanghebbende eigenaren en
                                            gebruikers van onroerende zaken die nabij
                                            waterstaatswerken zijn gelegen ligt het in de rede dat
                                            bij de voorbereiding van de legger de procedure, bedoeld
                                            in afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht, wordt
                                            gevolgd.]</noot.al></noot></al></lid><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H55824_0_5_30_78_"> De legger bedoeld in artikel 5.1
                                    van de wet bevat naast het bepaalde in het eerste en tweede lid
                                    van dat artikel in ieder geval:</al><lijst><li nr="a."><al id="anker-H55824_0_5_30_78_41_"> het lengteprofiel en
                                            dwarsprofielen van de primaire en regionale
                                            waterkeringen en regionale oppervlaktewaterlichamen;
                                        </al></li><li nr="b."><al id="anker-H55824_0_5_30_78_42_"> een omschrijving van de
                                            ondersteunende kunstwerken en de bijzondere constructies
                                            die deel uitmaken van de primaire en regionale
                                            waterkering, regionale oppervlaktewaterlichamen en
                                            bergingsgebieden. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H55824_0_5_30_79_"> In afwijking van het eerste lid,
                                    onder a en artikel 5.1, lid 1 van de wet, geldt in geval van het
                                    meanderen van een oppervlaktewaterlichaam dat daarvoor in de
                                    legger ten minste wordt opgenomen de ruimtelijke begrenzing en
                                    het minimale dwarsprofiel. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al id="anker-H55824_0_5_30_80_"> In afwijking van artikel 5.1,
                                    eerste lid van de wet, wordt in het geval van bergingsgebieden
                                    ten minste opgenomen de ruimtelijke begrenzing en het bergend
                                    vermogen. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al id="anker-H55824_0_5_30_81_"> Op de overzichtskaart bedoeld in
                                    artikel 5.1, lid 1 van de wet is ten aanzien van de primaire en
                                    regionale waterkeringen tevens aangegeven het profiel van vrije
                                    ruimte. </al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al id="anker-H55824_0_5_30_82_"> Gedeputeerde Staten kunnen bepalen
                                    dat artikel 5.1, lid 1 van de wet, gedurende een daarbij vast te
                                    stellen termijn niet van toepassing is op daarbij aan te wijzen
                                    waterkeringen of onderdelen daarvan. </al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al id="anker-H55824_0_5_30_83_"> Gedeputeerde Staten kunnen voor
                                    waterstaatswerken vrijstelling verlenen van de leggerplicht
                                    bedoeld in artikel 5.1 van de wet met betrekking tot ligging,
                                    vorm, afmeting en constructie indien deze waterstaatswerken zich
                                    naar hun aard of functie niet lenen voor omschrijving van die
                                    elementen.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 4.5.2. Aanwijzing verplichte peilbesluiten </titel></kop><al><noot id="d17e6297"><noot.nr>84</noot.nr><noot.al>[<vet>Toelichting: </vet> Op kaart Regionale
                                        waterkeringen en peilbesluiten nr. 09295056 bij deze
                                        verordening behorende kaart(en) zijn de
                                        oppervlaktewaterlichamen aangewezen, waarvoor het waterschap
                                        verplicht is een of meer peilbesluiten vast te stellen die
                                        zoveel mogelijk worden gehandhaafd. Deze kaart kent een
                                        globale begrenzing. De exacte begrenzing zal door het
                                        waterschap bij de vaststelling van het peilbesluit worden
                                        bepaald. ]</noot.al></noot></al><al>Het algemeen bestuur stelt een of meer peilbesluiten vast voor de
                                oppervlaktewateren in de gebieden die zijn aangegeven op de als
                                kaart Regionale waterkeringen en peilbesluiten nr. 09295056 bij deze
                                verordening behorende kaart of kaarten.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 4.5.3. Inhoud peilbesluit </titel></kop><lid><lidnr/><al><noot id="d17e6314"><noot.nr>85</noot.nr><noot.al>[<vet>Toelichting: </vet>In dit artikel wordt
                                            aangegeven welke informatie het peilbesluit ten minste
                                            bevat. </noot.al><noot.al>In verband met de wisselvalligheid van
                                            weersomstandigheden (nat of droog) hebben waterschappen
                                            behoefte aan een flexibel peilbeheer. Het tweede lid van
                                            artikel 5.2. van de wet voorziet er daarom in dat
                                            peilbesluiten door de toepassing van bandbreedten
                                            flexibel kunnen zijn. In het peilbesluit kan zo nodig
                                            worden aangegeven welke peilen of bandbreedten in
                                            bepaalde delen van het jaar worden aangehouden. Het
                                            waterschap heeft de inspanningsverplichting om de in het
                                            peilbesluit aangegeven waterstanden te handhaven. </noot.al><noot.al>De toelichting bij het peilbesluit dient op grond
                                            van onderdeel a van het tweede lid inzicht te gegeven in
                                            de verhouding tussen de gekozen oppervlaktewaterstanden
                                            ten opzichte van het optimale grond- en
                                            oppervlaktewaterregime. ]</noot.al></noot></al></lid><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H55824_0_5_32_84_"> Het peilbesluit bevat naast het
                                    bepaalde in het tweede lid van artikel 5.2 van de wet een kaart
                                    met de begrenzing van het gebied waarbinnen de
                                    oppervlaktewaterlichamen en grondwaterlichamen gelegen zijn
                                    waarop het peilbesluit betrekking heeft. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H55824_0_5_32_85_"> Het peilbesluit gaat vergezeld van
                                    een toelichting waarin ten minste zijn opgenomen: </al><lijst><li nr="a."><al id="anker-H55824_0_5_32_85_43_"> de aan het besluit ten
                                            grondslag liggende afwegingen en uitkomsten van de
                                            verrichte onderzoeken; </al></li><li nr="b."><al id="anker-H55824_0_5_32_85_44_"> een aanduiding van de
                                            veranderingen van de waterstanden ten opzichte van de
                                            bestaande situatie; </al></li><li nr="c."><al id="anker-H55824_0_5_32_85_45_"> een aanduiding van de
                                            gevolgen van de te handhaven waterstanden voor de
                                            diverse belangen.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 4.5.4. Openbare voorbereiding peilbesluit </titel></kop><al><noot id="d17e6351"><noot.nr>86</noot.nr><noot.al>[<vet>Toelichting: </vet> Op de voorbereiding van het
                                        peilbesluit is afdeling 3.4. van de Algemene wet
                                        bestuursrecht van toepassing verklaard. ]</noot.al></noot></al><al>Op de voorbereiding van het peilbesluit is afdeling 3.4 van de
                                Algemene wet bestuursrecht van toepassing.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 4.5.5. Herziening peilbesluit </titel></kop><lid><lidnr/><al><noot id="d17e6368"><noot.nr>87</noot.nr><noot.al>[<vet>Toelichting: </vet> Het eerste lid geeft aan
                                            dat een peilbesluit ten minste eenmaal in de tien jaar
                                            moet worden herzien. De termijn van tien jaar waarbinnen
                                            de herziening moet plaatsvinden, vangt aan op de datum
                                            waarop het peilbesluit, na publicatie van de
                                            goedkeuring, in werking is getreden. ]</noot.al></noot></al></lid><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H55824_0_5_34_86_"> Een peilbesluit wordt ten minste
                                    eens in de tien jaren herzien. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H55824_0_5_34_87_"> Gedeputeerde Staten, kunnen op
                                    verzoek van het algemeen bestuur van het waterschap eenmalig
                                    vrijstelling verlenen van de verplichting genoemd in het eerste
                                    lid voor ten hoogste 5 jaar. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al id="anker-H55824_0_5_34_88_"> Indien het peilbesluit betrekking
                                    heeft op het grondgebied van meerdere provincies, dan wordt de
                                    vrijstelling verleend door Gedeputeerde Staten van de provincie,
                                    waarbinnen het grootste deel van het gebied, waarvoor het
                                    peilbesluit geldt, is gelegen.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 4.5.6. Projectprocedure voor waterstaatswerken
                                </titel></kop><lid><lidnr/><al><noot id="d17e6398"><noot.nr>88</noot.nr><noot.al>[<vet>Toelichting: </vet> Bij of krachtens
                                            provinciale verordening kunnen projecten worden
                                            aangewezen die zodanig belangrijk zijn voor het goed
                                            functioneren van het watersysteem dat deze alleen kunnen
                                            worden gerealiseerd door het gebruiken van de
                                            projectenprocedure. Er is ten behoeve van de
                                            transparantie voor gekozen de projecten bij verordening
                                            aan te wijzen. Dat biedt het voordeel dat vooraf
                                            duidelijk is voor welke projecten de projectenprocedure
                                            dient te worden ingezet. De projectenprocedure brengt
                                            immers belangrijke gevolgen met zich mee. ]</noot.al></noot></al></lid><lid><lidnr/><al id="anker-H55824_0_5_35_89_">Gedeputeerde Staten van de
                                    provincie waarbinnen het te realiseren project in hoofdzaak is
                                    gelegen kunnen, mede op verzoek van het dagelijks bestuur,
                                    paragraaf 2 van hoofdstuk 5 van de wet van toepassing verklaren
                                    op:</al><lijst><li nr="a."><al id="anker-H55824_0_5_35_89_46_"> projectplannen tot de
                                            aanleg of wijziging van bergingsgebieden in regionale
                                            watersystemen; </al></li><li nr="b."><al id="anker-H55824_0_5_35_89_47_"> projectplannen tot
                                            aanleg, verlegging of versterking van regionale
                                            waterkeringen.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 4.5.7. Toezending projectplannen </titel></kop><al>Projectplannen, als bedoeld in artikel 5.5 van de wet, behoeven de
                                goedkeuring van Gedeputeerde Staten van de provincie waarbinnen het
                                te realiseren project in hoofdzaak is gelegen. </al><al>Een projectplan, dat betrekking heeft op een primaire of regionale
                                waterkering die onderdeel uitmaakt van een dijkring die tevens is
                                gelegen op het grondgebied van een andere provincie of provincies
                                wordt door het dagelijks bestuur tevens toegezonden aan Gedeputeerde
                                Staten van die provincie of provincies.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 4.5.8. Waterakkoorden </titel></kop><al>Bij de voorbereiding van een waterakkoord, bedoeld in artikel 3.7
                                van de wet, raadpleegt het dagelijks bestuur het college van
                                Burgemeester en Wethouders en Gedeputeerde Staten.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Titel 4.6. Handelingen in watersystemen: grondwateronttrekking en
                                infiltratie </titel></kop><structuurtekst><al><noot id="d17e6437"><noot.nr>89</noot.nr><noot.al>[<vet>Toelichting: </vet>In lijn met het uitgangspunt
                                        "decentraal wat kan, centraal wat moet" zijn in de Waterwet
                                        de eigen verordenende bevoegdheden van provincie en
                                        waterschap niet verder ingeperkt dan nodig. Dit blijkt onder
                                        andere uit hoofdstuk 6 van de wet, waar ruimte wordt geboden
                                        aan provincie en waterschap om zelf in de benodigde
                                        regelgeving te voorzien. Alleen waar dat nodig is met het
                                        oog op internationale verplichtingen of bovenregionale
                                        belangen, zullen door het Rijk regels worden gesteld. Dit
                                        betekent dat, waar van rijkswege gestelde regels ontbreken,
                                        waterschappen en provincies bevoegd zijn om daarin zelf bij
                                        verordening te voorzien. </noot.al><noot.al>De waterschappen zijn als watersysteembeheerder
                                        verantwoordelijk voor de regulering van de handelingen in
                                        het regionale watersysteem. De Waterwet maakt hierop één
                                        uitzondering voor een drietal specifieke categorieën van
                                        grondwateronttrekkingen. Deze categorieën zijn opgenomen in
                                        artikel 6.4. van de wet. Het betreft onttrekkingen ten
                                        behoeve van de openbare drinkwatervoorziening,
                                        bodemenergiesystemen en onttrekkingen van meer dan 150.000
                                        m3 per jaar ten behoeve van industriële toepassingen. Voor
                                        deze categorieën van onttrekkingen kunnen door de provincie
                                        bij of krachtens verordening regels worden gesteld. Het
                                        infiltreren van water ten behoeve van voornoemde
                                        toepassingen valt ook onder het bevoegd gezag van
                                        gedeputeerde staten. </noot.al><noot.al>Overige onttrekkingen kunnen worden gereguleerd door de
                                        waterschappen. De Waterwet laat de waterschappen de
                                        mogelijkheid voor de overige onttrekkingen een
                                        verbodsstelsel te introduceren met de mogelijkheid van
                                        vergunningen, algemene regels en vrijstellingen. De
                                        provincie heeft de mogelijkheid de regulering van de overige
                                        onttrekkingen te sturen via instructieregels bedoeld in
                                        artikel 3.11. van de Waterwet. </noot.al><noot.al>In deze titel is daardoor een gedifferentieerd stelsel
                                        van regels vastgelegd. Deels hebben de regels betrekking op
                                        de specifieke categorieën van onttrekkingen en infiltraties
                                        die onder het bevoegd gezag van gedeputeerde staten vallen.
                                        Voor het overige deel zijn in deze titel
                                        instructiebepalingen opgenomen die mede sturend zijn voor de
                                        invulling van het verbodsstelsel bij de waterschappen en het
                                        grondwaterregister. ]</noot.al></noot></al></structuurtekst><artikel><kop><titel>Artikel 4.6.1. Grondwaterregister </titel></kop><lid><lidnr/><al><noot id="d17e6458"><noot.nr>90</noot.nr><noot.al>[<vet>Toelichting: </vet>De inrichting van het
                                            grondwaterregister is niet expliciet geregeld in de
                                            Waterwet, maar er wordt naar verwezen in artikel 7.7.,
                                            eerste lid, onder c van de Waterwet. Dit houdt in dat de
                                            provincie bevoegd is daarin zelf bij of krachtens
                                            verordening te voorzien. Het grondwaterregister is
                                            gekoppeld aan de grondwaterheffing. Deze
                                            grondwaterheffing kan van toepassing zijn op
                                            onttrekkingen die onder het bevoegd gezag van provincie
                                            en waterschap vallen. Dit brengt met zich mee dat het
                                            grondwaterregister moet worden gevuld met gegevens die
                                            door de provincie en het waterschap afzonderlijk worden
                                            verkregen. Artikel 4.6.1. geeft hier invulling aan door
                                            te bepalen dat de gegevens die door provincie en
                                            waterschap worden verkregen in het register moeten
                                            worden opgenomen. Het beheer van het grondwaterregister
                                            is expliciet neergelegd bij Gedeputeerde Staten. </noot.al><noot.al>In overleg tussen IPO en Unie van Waterschappen
                                            wordt gewerkt aan het opzetten van een landelijk
                                            register. Ook bij een landelijk register is het
                                            noodzakelijk de verantwoordelijkheid voor het
                                            grondwaterregister bij een daar toe aangewezen
                                            bestuursorgaan neer te leggen. De aangewezen
                                            bestuursorganen kunnen gezamenlijk besluiten een
                                            landelijk register in te richten en te vullen.
                                            ]</noot.al></noot></al></lid><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H55824_0_6_38_90_"> Gedeputeerde Staten houden een
                                    register bij waarin inrichtingen of werken, bestemd voor het
                                    onttrekken van grondwater of het infiltreren van water worden
                                    ingeschreven met vermelding van de gegevens die op grond van
                                    artikel 6.11 van het Waterbesluit aan hen of aan de dagelijkse
                                    besturen van de waterschappen worden verstrekt. Voorts worden
                                    daarin de vergunningen, krachtens welke het onttrekken van
                                    grondwater of infiltreren van water plaatsvindt, vermeld. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H55824_0_6_38_91_"> Het dagelijks bestuur verstrekt
                                    aan Gedeputeerde Staten van de provincie of de provincies waarin
                                    de onttrekking van grondwater of infiltratie van water
                                    plaatsvindt de gegevens die op grond van artikel 6.11 van het
                                    Waterbesluit worden verkregen. Voorts wordt een overzicht
                                    verstrekt van de vergunningen en meldingen, krachtens welke het
                                    onttrekken van grondwater of infiltreren van water plaatsvindt.
                                </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al id="anker-H55824_0_6_38_92_"> De opgave, bedoeld in het vorige
                                    lid, wordt uiterlijk op 31 mei van elk jaar of, bij beëindiging
                                    van de onttrekking, binnen vier maanden na die beëindiging
                                    verstrekt.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al id="anker-H55824_0_6_38_93_"> Het dagelijks bestuur maakt voor
                                    de uitvoering van het gestelde in de vorige leden gebruik van
                                    het Landelijk Grondwater Register zoals dat is ondergebracht bij
                                    TNO/DINO (http://www.lgronline.nl/).</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 4.6.2. Registratieplicht grondwateronttrekkingen en
                                    -infiltraties </titel></kop><al><noot id="d17e6493"><noot.nr>91</noot.nr><noot.al>[<vet>Toelichting: </vet>Dit artikel bepaalt dat het
                                        algemeen bestuur de vrijstellingsmogelijkheid die artikel
                                        6.11, vijfde lid van het Waterbesluit biedt, niet kan
                                        toepassen voor onttrekkingen of infiltraties van meer dan
                                        50.000 m3 per jaar en voor tijdelijke onttrekkingen of
                                        infiltraties van in totaal meer dan 50.000 m3. Door middel
                                        van dit artikellid wordt de vrijstellingsmogelijkheid van de
                                        waterschappen beperkt. </noot.al><noot.al>Een registratieplicht voor alle onttrekkingen
                                        (inclusief de relatief kleine en nauwelijks fluctuerende
                                        onttrekkingen) is niet altijd noodzakelijk. Dit artikel
                                        geeft aan dat het waterschap onttrekkingen van minder dan
                                        50.000 m3 van de registratieplicht kan uitzonderen. </noot.al><noot.al>Het dagelijks bestuur van het waterschap verstrekt
                                        onder andere de gegevens die op grond van artikel 6.11 van
                                        het Waterbesluit worden verkregen aan Gedeputeerde Staten.
                                        Artikel 6.11, eerste lid van het Waterbesluit bepaalt dat
                                        degene die grondwater onttrekt of water infiltreert,
                                        waarvoor geen vergunning is vereist krachtens artikel 6.4
                                        van de wet of een verordening van het waterschap, dit bij
                                        het bevoegd gezag meldt. De gegevens die bij een dergelijke
                                        melding moeten worden verstrekt zijn opgenomen in de
                                        artikelen 6.27, 6.28 en 6.29 van de Waterregeling. Deze
                                        instructiebepaling hangt samen met het grondwaterregister
                                        (artikel 4.6.1) en is opgenomen vanwege het grote
                                        provinciale belang bij registratie. Een betrouwbaar
                                        grondwaterregister is belangrijk, zowel voor
                                        beleidsinhoudelijke beslissingen door provincie en
                                        waterschap (zoals belangenafweging bij vergunningen) als
                                        voor de provinciale grondwaterheffing. Een betrouwbaar
                                        register heeft met name waarde indien de
                                        grondwateronttrekkingen waarvoor de provincie en die
                                        waarvoor de waterschappen bevoegd zijn onder de
                                        registratieplicht vallen. Hierdoor ontstaat er een dekkend
                                        beeld van de belangrijkste grondwateronttrekkingen.
                                        ]</noot.al></noot></al><al>Het algemeen bestuur kan de vrijstellingsmogelijkheid, bedoeld in
                                artikel 6.11, vijfde lid van het Waterbesluit niet toepassen voor
                                onttrekkingen of infiltraties van meer dan 50.000 m3 per jaar en
                                voor tijdelijke onttrekkingen of infiltraties van in totaal meer dan
                                50.000 m3.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 4.6.3. Ambtshalve inschrijving in grondwaterregister
                                </titel></kop><lid><lidnr/><al><noot id="d17e6514"><noot.nr>92</noot.nr><noot.al>[<vet>Toelichting: </vet> De ambtshalve
                                            inschrijving in het openbaar register met terugwerkende
                                            kracht tot de datum, waarop de onttrekking is
                                            aangevangen, is noodzakelijk in verband met de
                                            grondwaterheffing. ]</noot.al></noot></al></lid><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H55824_0_6_40_94_"> Gedeputeerde Staten kunnen een
                                    inrichting of infiltratie die niet ingevolge artikel 6.11,
                                    eerste lid van het Waterbesluit is opgegeven, ambtshalve in het
                                    register, genoemd in artikel 4.6.1, inschrijven. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H55824_0_6_40_95_"> Indien de ambtshalve inschrijving,
                                    genoemd in het eerste lid, plaatsvindt in de loop van een
                                    kalenderjaar, wordt als datum van de inschrijving aangehouden de
                                    datum waarop de onttrekking is aangevangen. </al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 4.6.4. Vergunningplicht reservering diepe pakket van
                                    Salland </titel></kop><lid><lidnr/><al><noot id="d17e6539"><noot.nr>93</noot.nr><noot.al>[<vet>Toelichting: </vet> Voor het derde
                                            watervoerende pakket onder Salland geldt al sinds 1991
                                            een strategische reservering voor de openbare
                                            drinkwatervoorziening en hoogwaardige industriële
                                            toepassing waarop de warenwet van toepassing is. Dit
                                            watervoerende pakket bevat grondwater van een zeer hoge
                                            kwaliteit en leeftijd maar is tegelijkertijd kwetsbaar
                                            voor uitputting (verzilting door te veel onttrekkingen)
                                            en verontreinigingen (doorboren van bovenliggende
                                            kleilagen). Zorgvuldig beheer is noodzakelijk mede gelet
                                            op de reeds aanwezige onttrekkingen voor de
                                            drinkwatervoorziening en hoogwaardige industriële
                                            toepassingen. Daarom zijn via dit artikel voorwaarden
                                            opgenomen teneinde algehele vergunningplicht te regelen
                                            en tevens de gronden waarop door het dagelijks bestuur
                                            wel vergunning kan worden verleend expliciet bepaald.
                                            ]</noot.al></noot></al></lid><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H55824_0_6_41_96_"> Alle onttrekkingen van grondwater
                                    op een diepte van meer dan 50 meter beneden het maaiveld en zijn
                                    gelegen in het gebied, aangegeven als boringsvrije zone Salland
                                    Diep op kaart Drinkwatervoorziening nr. 09295053, zijn
                                    vergunningplichtig. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H55824_0_6_41_97_"> Het algemeen bestuur van het
                                    Waterschap Groot Salland regelt bij verordening dat voor
                                    onttrekkingen van grondwater op een diepte van meer dan 50 meter
                                    beneden het maaiveld en zijn gelegen in het gebied, aangegeven
                                    als boringsvrije zone Salland Diep op kaart
                                    Drinkwatervoorziening nr. 09295053, een vergunningplicht geldt.
                                </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al id="anker-H55824_0_6_41_98_"> Het dagelijkse bestuur van het
                                    Waterschap Groot Salland kan voor het gebied bedoeld in lid 2
                                    slechts vergunning verlenen voor het onttrekken van grondwater
                                    als dit grondwater bedoeld is voor hoogwaardige industrieel
                                    gebruik waarop de Warenwet van toepassing is en waarvoor geen
                                    alternatief voorhanden is.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al id="anker-H55824_0_6_41_99_"> Het algemeen bestuur van het
                                    Waterschap Groot Salland kan de vrijstellingsmogelijkheid,
                                    bedoeld in artikel 6.11, vijfde lid van het Waterbesluit niet
                                    toepassen op de onttrekkingen waarvoor het dagelijkse bestuur op
                                    grond van het vorige lid vergunning verleent. <noot id="d17e6567"><noot.nr>94</noot.nr><noot.al>[<vet>Toelichting: </vet>Er wordt een vierde lid
                                            toegevoegd waardoor het waterschap verplicht wordt om de
                                            gegevens van de door het dagelijks bestuur verleende
                                            vergunningen voor dit watervoerende pakket op te nemen
                                            in het register.]</noot.al></noot></al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 4.6.5.Vrijstelling vergunningplicht </titel></kop><al>[Vervallen]</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 4.6.6. Instelling commissie </titel></kop><al>[Vervallen] </al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 4.6.7. Verzoeken om vergoeding van schade of
                                    onderzoek </titel></kop><al>[vervallen]</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 4.6.8. Deskundigenadvies</titel></kop><al>[vervallen] </al></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Hoofdstuk 5. Verkeer </titel></kop><structuurtekst><al><noot id="d17e6605"><noot.nr>95</noot.nr><noot.al>[<vet>Toelichting: </vet>Dit onderdeel is ongewijzigd
                                    overgenomen uit de verordening op de Fysieke Leefomgeving van de
                                    provincie Overijssel. De bijbehorende uitvoeringsbesluiten
                                    worden niet ingetrokken, maar gelden onverkort onder de nieuwe
                                    Omgevingsverordening. Het gaat om de volgende regeling: </noot.al><noot.al>o Richtlijnen Bewegwijzering en Objectverwijzing Provincie
                                    Overijssel ]</noot.al></noot></al></structuurtekst><paragraaf><kop><titel>Titel 5.1. Wegen</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 5.1.1. Toepassingsbereik </titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H55825_0_1_1_1_"> Deze paragraaf is van toepassing
                                    op:</al><lijst><li nr="a."><al id="anker-H55825_0_1_1_1_1_"> de wegen in beheer bij de
                                            provincie Overijssel; </al></li><li nr="b."><al id="anker-H55825_0_1_1_1_2_"> situaties buiten de
                                            beheersgrens van deze wegen, indien het doelmatig en
                                            veilig gebruik van die wegen in het geding is. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H55825_0_1_1_2_"> In deze paragraaf worden mede tot de
                                    wegen gerekend de daarin gelegen kunstwerken en wat verder naar
                                    de aard van de weg daartoe behoort, een en ander voor zover in
                                    beheer bij de provincie.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.1.2. Verboden </titel></kop><lid><lidnr/><al>Het is verboden: </al></lid><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H55825_0_1_2_3_"> het voor het verkeer noodzakelijke
                                    uitzicht op en bij wegen te belemmeren; </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H55825_0_1_2_4_"> de veiligheid en de doorstroming van
                                    het verkeer op de weg in gevaar te brengen danwel beplanting of
                                    voorwerpen op, naast of boven de weg aan te brengen of te hebben
                                    die hinder of gevaar oplevert voor het beheer en onderhoud van
                                    de weg;</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al id="anker-H55825_0_1_2_5_"> een weg te gebruiken in strijd met
                                    het doel daarvan; </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al id="anker-H55825_0_1_2_6_"> veranderingen aan de weg aan te
                                    brengen; </al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al id="anker-H55825_0_1_2_7_"> enig werk aan te brengen, te houden,
                                    te veranderen of te verwijderen boven, op, in, of onder de
                                    weg.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.1.3. Ontheffing en melding</titel></kop><lid><lidnr/><al><noot id="d17e6680"><noot.nr>96</noot.nr><noot.al>[<vet>Toelichting: </vet>Vanaf 1 januari 2014 is de
                                            regeling uitwegen van kracht. De ontheffingsplicht voor
                                            uitwegen is daarin vervangen door een meldingsplicht,
                                            zodat artikel 5.1.3, zesde lid, daarop moest worden
                                            aangepast.]</noot.al></noot></al></lid><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H55825_0_1_3_8_"> Van de verboden, als bedoeld in
                                    artikel 5.1.2, onderdelen 3 tot en met 5 kan ontheffing worden
                                    verleend.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H55825_0_1_3_9_"> De ontheffing bedoeld in het vorige
                                    lid wordt verleend door Gedeputeerde Staten, tenzij op grond van
                                    enige wet een ander orgaan bevoegd is.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al id="anker-H55825_0_1_3_10_"> Gedeputeerde Staten kunnen nadere
                                    regels stellen met betrekking tot gevallen waarin met een
                                    melding kan worden volstaan.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al id="anker-H55825_0_1_3_11_"> Voor werken die geschieden door of
                                    namens de provincie is geen ontheffing, als genoemd in het
                                    eerste lid, vereist.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al id="anker-H55825_0_1_3_12_"> Een ontheffing kan worden gewijzigd
                                    of ingetrokken indien:</al><lijst><li nr="a."><al id="anker-H55825_0_1_3_12_3_"> dit in het belang van het
                                            gebruik van de wegen, dan wel ter bescherming van de
                                            wegen of kunstwerken nodig is;</al></li><li nr="b."><al id="anker-H55825_0_1_3_12_4_"> de daaraan verbonden
                                            voorschriften of beperkingen niet of niet behoorlijk
                                            worden nageleefd;</al></li><li nr="c."><al id="anker-H55825_0_1_3_12_5_"> van de ontheffing
                                            gedurende een aaneengesloten periode van meer dan twee
                                            jaren geen gebruik is gemaakt;</al></li><li nr="d."><al id="anker-H55825_0_1_3_12_6_"> de omstandigheden zodanig
                                            gewijzigd zijn dat de ontheffing niet meer op dezelfde
                                            wijze zou worden verleend;</al></li><li nr="e."><al id="anker-H55825_0_1_3_12_7_"> de ontheffing is verleend
                                            ten gevolge van het verstrekken van onjuiste of
                                            onvolledige gegevens.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al id="anker-H55825_0_1_3_13_"> Gedeputeerde Staten kunnen nadere
                                    regels stellen met betrekking tot criteria voor de melding voor
                                    het maken, hebben of veranderen van een uitweg, dan wel het
                                    veranderen van het gebruik daarvan.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Titel 5.2 Luchthavens</titel></kop><structuurtekst><al/></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Paragraaf 5.2.1 Algemeen</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 5.2.1.1. Begripsbepaling</titel></kop><al>In deze titel wordt verstaan onder</al><al>a. wet: de Wet Luchtvaart.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.2.1.2. Reikwijdte </titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H55825_0_3_5_14_"> Dit hoofdstuk is van toepassing
                                    op:</al><lijst><li nr="a."><al id="anker-H55825_0_3_5_14_8_"> aanvragen tot het
                                            vaststellen of wijzigen van een luchthavenbesluit voor
                                            een luchthaven gelegen in Overijssel;</al></li><li nr="b."><al id="anker-H55825_0_3_5_14_9_"> aanvragen tot het
                                            vaststellen of wijzigen van een luchthavenregeling voor
                                            een luchthaven gelegen in Overijssel.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H55825_0_3_5_15_"> Een aanvraag tot vaststelling van
                                    een luchthavenbesluit dan wel een luchthavenregeling kan door
                                    provinciale staten worden omgezet in en behandeld als een
                                    aanvraag tot vaststelling van een luchthavenregeling dan wel een
                                    luchthavenbesluit, indien provinciale staten dat op grond van de
                                    ingediende gegevens of uit beleidsmatige overwegingen aangewezen
                                    achten. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al id="anker-H55825_0_3_5_16_"> Dit hoofdstuk is niet van
                                    toepassing op het vaststellen van een luchthavenbesluit of
                                    luchthavenregeling op grond van de bepalingen krachtens
                                    artikelen XIII, XIV en XV van de Wet van 18 december 2008, Stb.
                                    561 (Regelgeving Burgerluchthavens en Militaire
                                    Luchthavens).</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.2.1.3. Taak Gedeputeerde Staten</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H55825_0_3_6_17_"> Aanvragen tot vaststelling of
                                    wijziging van een luchthavenbesluit of luchthavenregeling worden
                                    ingediend bij Gedeputeerde Staten.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H55825_0_3_6_18_"> Gedeputeerde Staten zijn belast met
                                    de voorbereiding van een voorstel over een aanvraag voor
                                    Provinciale Staten, met inbegrip van het opstellen van een
                                    ontwerpvoorstel en het toepassing geven aan afdeling 3.4 van de
                                    Algemene wet bestuursrecht.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al id="anker-H55825_0_3_6_19_"> Gedeputeerde Staten kunnen bij de
                                    voorbereiding van een voorstel toepassing geven aan artikel
                                    3:18, tweede lid van de Algemene wet bestuursrecht.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.2.1.4. Indieningsvereiste</titel></kop><al>Aanvragen worden schriftelijk of digitaal in enkelvoud
                                ingediend.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.2.1.5. Aanvragen</titel></kop><al>Gedeputeerde Staten stellen voor een aanvraag tot vaststelling of
                                wijziging van een luchthavenbesluit of luchthavenregeling een
                                formulier vast. Daarin kunnen Gedeputeerde Staten gegevens vragen
                                over de aanvrager, de beoogde locatie en mogelijke gevolgen voor de
                                omgeving, en de beoogde wijze van exploitatie.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.2.1.6. Aanvraag verklaring veilig gebruik
                                    luchtruim</titel></kop><al>Gedeputeerde Staten dienen de aanvraag voor een verklaring van
                                veilig gebruik van het luchtruim, als bedoeld in artikel 8.49 van de
                                wet, in. </al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Paragraaf 5.2.2 Aanwijzing van luchthavens en voor deze
                                luchthavens geldende besluiten of regelingen</titel></kop><structuurtekst><al/></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><titel>5.2.2.1 - Algemeen </titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 5.2.2.1.1</titel></kop><al>Het gebruiksjaar betreft de periode van 1 januari tot en met 31
                                december van enig jaar.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.2.2.1.2</titel></kop><al>Een luchthavenbesluit en een luchthavenregeling treden in werking
                                met ingang van de dag na de dag van de bekendmaking ervan in het
                                provinciaal blad.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>5.2.2.2 - Luchthavenregeling Helihaven Isala klinieken</titel></kop><structuurtekst><al>[Vervallen]</al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><titel>5.2.2.3 - Luchthavenregeling Helihaven Medisch Spectrum
                                Twente</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 5.2.2.3.1</titel></kop><lid><lidnr/><al>In deze luchthavenregeling wordt verstaan onder:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al id="anker-H55825_0_7_12_20_"> wet: de Wet luchtvaart;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al id="anker-H55825_0_7_12_21_"> regeling: de Regeling veilig
                                    gebruik luchthavens en andere terreinen;</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al id="anker-H55825_0_7_12_22_"> luchthaven: een terrein als
                                    bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van de Wet luchtvaart;</al></lid><lid><lidnr>d.</lidnr><al id="anker-H55825_0_7_12_23_"> gebruiker: een
                                    luchtvaartmaatschappij, alsmede een natuurlijke of rechtspersoon
                                    die vluchten uitvoert, niet zijnde een
                                    luchtvaartmaatschappij.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.2.2.3.2</titel></kop><al>Deze luchthavenregeling is van toepassing op de helikopterluchthaven
                                aan de Haaksbergerstraat 55 te Enschede, geografische positie is
                                52°12'55.72''N 006°53'28.55''E, zoals aangegeven op de bij deze
                                luchthavenregeling behorende kaart (bijlage 9).</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.2.2.3.3</titel></kop><al>De exploitant van de luchthaven is de Stichting Ziekenhuis Medisch
                                Spectrum Twente, gevestigd aan de Haaksbergerstraat 55, 7531 ER te
                                Enschede.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.2.2.3.4</titel></kop><al>Van de luchthaven mag uitsluitend gebruik worden gemaakt door de
                                exploitant van de luchthaven en de gebruiker.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.2.2.3.5</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H55825_0_7_16_24_"> Onverminderd de bepalingen uit de
                                    wet en de regeling, mag de luchthaven uitsluitend worden
                                    gebruikt door (meermotorige) helikopters met een All Up Weight
                                    (AUW) tot 5.000 kg, die conform het flight manual mogen opereren
                                    op een heliplatform met de afmeting van 22 bij 22 meter.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H55825_0_7_16_25_"> De luchthaven mag uitsluitend
                                    worden gebruikt voor starts en landingen ten behoeve van
                                    medische doeleinden.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al id="anker-H55825_0_7_16_26_"> De helihaven beschikt over
                                    brandklasse H1, waardoor er alleen helikopters met een LOA
                                    (Length over all) tot 15 meter gebruik mogen maken van de
                                    helihaven.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al id="anker-H55825_0_7_16_27_"> Vluchten van en naar de helihaven
                                    dienen uitgevoerd te worden in Visual Meteorological
                                    Conditions.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al id="anker-H55825_0_7_16_28_"> De beschikbare invliegrichtingen
                                    zijn 90° en 277° naar Final Approach and Take-off area (FATO).
                                    De beschikbare uitvliegrichtingen zijn 97° en 270° naar Final
                                    Approach and Take-off area (FATO).</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.2.2.3.6</titel></kop><al>Binnen vier weken na het einde van een gebruiksjaar overlegt de
                                exploitant aan Gedeputeerde Staten een rapportage over het gebruik
                                van de luchthaven gedurende het gebruiksjaar.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>5.2.2.4 - Luchthavenregeling Zweefvliegterrein
                                Lemelerveld</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 5.2.2.4.1</titel></kop><lid><lidnr/><al>In deze luchthavenregeling wordt verstaan onder:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al id="anker-H55825_0_8_18_29_"> wet: de Wet luchtvaart;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al id="anker-H55825_0_8_18_30_"> regeling: de Regeling veilig
                                    gebruik luchthavens en andere terreinen;</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al id="anker-H55825_0_8_18_31_"> luchthaven: een terrein als
                                    bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van de Wet luchtvaart;</al></lid><lid><lidnr>d.</lidnr><al id="anker-H55825_0_8_18_32_"> gebruiker: een natuurlijke of
                                    rechtspersoon die recreatieve vluchten uitvoert, niet zijnde een
                                    luchtvaartmaatschappij;</al></lid><lid><lidnr>e.</lidnr><al id="anker-H55825_0_8_18_33_"> TMG (Touring Motor Glider):
                                    motorzweefvliegtuig met een integraal gemonteerde niet
                                    intrekbare motor en een niet intrekbare propeller, dat in staat
                                    is om op eigen kracht op te stijgen en te klimmen;</al></lid><lid><lidnr>f.</lidnr><al id="anker-H55825_0_8_18_34_"> zweefvliegtuig: zweeftoestel met
                                    een vaste vleugel;</al></lid><lid><lidnr>g.</lidnr><al id="anker-H55825_0_8_18_35_"> uniforme daglichtperiode: het
                                    gedeelte van het etmaal tussen vijftien minuten voor zonsopgang
                                    en vijftien minuten na zonsondergang, zoals geldt voor de
                                    positie 52.00 graden N en 05.00 graden O op zeeniveau;</al></lid><lid><lidnr>h.</lidnr><al id="anker-H55825_0_8_18_36_"> Zelfstartend zweefvliegtuig: een
                                    zweefvliegtuig met een ingebouwde uitklapbare motor, waarmee het
                                    zweefvliegtuig zelfstandig kan starten. Als het zweefvliegtuig
                                    op hoogte is, wordt de motor gestopt en in de romp ingeklapt en
                                    vliegt en landt het zweeftoestel als een zweefvliegtuig.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.2.2.4.2</titel></kop><al>Deze luchthavenregeling is van toepassing op de luchthaven aan de
                                Langsweg 28 te Lemelerveld, gemeente Dalfsen, geografische positie
                                is 52°28'04'' N 006°19'58'' E, zoals aangegeven op de bij deze
                                luchthavenregeling behorende kaart (bijlage 9).</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.2.2.4.3</titel></kop><al>De exploitant van de luchthaven is Vereniging Aero Club ‘Salland',
                                statutair gevestigd aan de Langsweg 28, 8152 EA te Lemelerveld.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.2.2.4.4</titel></kop><al>Van de luchthaven mag uitsluitend gebruik worden gemaakt door de
                                exploitant van de luchthaven en de gebruiker.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.2.2.4.5</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H55825_0_8_22_37_"> Onverminderd de bepalingen uit de
                                    wet en de regeling veilig gebruik luchthavens, mag de luchthaven
                                    uitsluitend worden gebruikt voor:</al><lijst><li nr="-"><al id="anker-H55825_0_8_22_37_10_"> zweefvliegtuigen
                                            waaronder zelfstartende zweefvliegtuigen;</al></li><li nr="-"><al id="anker-H55825_0_8_22_37_11_"> vliegtuigen die
                                            noodzakelijk zijn voor het doen opstijgen van de
                                            zweefvliegtuigen (sleepvliegtuigen);</al></li><li nr="-"><al id="anker-H55825_0_8_22_37_12_"> TMG's.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H55825_0_8_22_38_"> Het toegestane type TMG betreft de
                                    "Scheibe 25 C" of een gelijkwaardig type vliegtuig waarbij het
                                    maximale toegestane aantal starts en landingen 450 (900
                                    vliegbewegingen) per gebruiksjaar betreft.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al id="anker-H55825_0_8_22_39_"> Het maximale toegestane aantal
                                    starts van de zelfstarters is 100 per gebruiksjaar (100
                                    vliegbewegingen).</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al id="anker-H55825_0_8_22_40_"> Het maximale toegestane aantal
                                    starts en landingen van de sleepvliegtuigen is 300 per
                                    gebruiksjaar (600 vliegbewegingen).</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al id="anker-H55825_0_8_22_41_"> Zondags voor 12 uur mag niet meer
                                    dan één start met de TMG plaatsvinden.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al id="anker-H55825_0_8_22_42_"> Het gebruik of doen gebruiken van
                                    de luchthaven is alleen toegestaan gedurende de uniforme
                                    daglichtperiode in Visual Meteorological Conditions (VMC).</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al id="anker-H55825_0_8_22_43_"> De beschikbare in- en
                                    uitvliegrichtingen zijn 90°en 270°.</al></lid><lid><lidnr>8.</lidnr><al id="anker-H55825_0_8_22_44_"> De maximale lengte van de start-
                                    en landingsbaan bedraagt 1050 meter.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.2.2.4.6</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H55825_0_8_23_45_"> Binnen vier weken na het einde van
                                    elk van de vier kalenderkwartalen overlegt de exploitant aan GS
                                    een rapportage over het gebruik van de luchthaven gedurende het
                                    betreffende kwartaal waarbij de 4e kwartaalrapportage kan worden
                                    opgenomen in de jaarrapportage zoals bedoeld in lid 2 van dit
                                    artikel.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H55825_0_8_23_46_"> Binnen vier weken na het einde van
                                    een gebruiksjaar overlegt de exploitant aan Gedeputeerde Staten
                                    een rapportage over het gebruik van de luchthaven gedurende het
                                    gebruiksjaar.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>5.2.2.5 - Luchthavenregeling Helihaven De Koperen Hoogte
                                Zwolle</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 5.2.2.5.1</titel></kop><lid><lidnr/><al>In deze luchthavenregeling wordt verstaan onder:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al id="anker-H55825_0_9_24_47_"> wet: de Wet luchtvaart;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al id="anker-H55825_0_9_24_48_"> regeling: de Regeling veilig
                                    gebruik luchthavens en andere terreinen;</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al id="anker-H55825_0_9_24_49_"> luchthaven: een terrein als
                                    bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van de Wet luchtvaart;</al></lid><lid><lidnr>d.</lidnr><al id="anker-H55825_0_9_24_50_"> gebruiker: een
                                    luchtvaartmaatschappij, alsmede een natuurlijke of rechtspersoon
                                    die vluchten uitvoert, niet zijnde een
                                    luchtvaartmaatschappij;</al></lid><lid><lidnr>e.</lidnr><al id="anker-H55825_0_9_24_51_"> uniforme daglichtperiode: het
                                    gedeelte van het etmaal tussen vijftien minuten voor zonsopgang
                                    en vijftien minuten na zonsondergang, zoals geldt voor de
                                    positie 52.00 graden N en 05.00 graden O op zeeniveau.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.2.2.5.2</titel></kop><al>Deze luchthavenregeling is van toepassing op de helikopterluchthaven
                                aan de Lichtmisweg 51 te Zwolle, geografische positie is
                                52°35'5.22''N 006°11'19.37''E, zoals aangegeven op de bij deze
                                luchthavenregeling behorende kaart (bijlage 9).</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.2.2.5.3</titel></kop><al>De exploitant van de luchthaven is de Van der Most Beheer III B.V,
                                gevestigd aan de Hoogeveenseweg 7F, 7777 TA te Hoogeveen.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.2.2.5.4</titel></kop><al>Van de luchthaven mag uitsluitend gebruik worden gemaakt door de
                                exploitant van de luchthaven en de gebruiker.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.2.2.5.5</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H55825_0_9_28_52_"> Onverminderd de bepalingen uit de
                                    wet en de regeling, mag de luchthaven uitsluitend worden
                                    gebruikt door helikopters (type EC-120 met een Maximum Takeoff
                                    Weight (MTOW) van 1715 kg), of een gelijkwaardig type
                                    helikopter, met een bronvermogen dat gelijk of minder is.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H55825_0_9_28_53_"> Het maximale aantal toegestane
                                    vluchten bedraagt 250 per jaar (= 500 vliegbewegingen, zijnde
                                    starts of landingen).</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al id="anker-H55825_0_9_28_54_"> Het is verboden zondags voor 13
                                    uur starts en/of landingen uit te voeren op de luchthaven.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al id="anker-H55825_0_9_28_55_"> Vluchten van en naar de helihaven
                                    dienen uitgevoerd te worden gedurende de uniforme
                                    daglichtperiode in Visual Meteorological Conditions.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al id="anker-H55825_0_9_28_56_"> De beschikbare invliegrichtingen
                                    zijn 148° en 358° naar Final Approach and Take-off area (FATO).
                                    De beschikbare uitvliegrichtingen zijn 178° en 328° naar Final
                                    Approach and Take-off area (FATO).</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al id="anker-H55825_0_9_28_57_"> Alle vliegbewegingen van en naar
                                    deze locatie dienen vooraf te worden aangemeld bij de militaire
                                    verkeersleiding, te weten het Air Operations Control Station
                                    (AOCS) te Nieuw Milligen.</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al id="anker-H55825_0_9_28_58_"> De laagvliegroute 10A van het
                                    ministerie van Defensie mag alleen op een hoogte van meer dan
                                    150 meter boven maaiveld worden gekruist, indien en zodra het
                                    gebruik daarvan wordt hervat.</al></lid><lid><lidnr>8.</lidnr><al id="anker-H55825_0_9_28_59_"> De toegangswegen naar het
                                    heliplatform en de bluswatervoorziening dienen te zijn
                                    uitgevoerd conform de handleiding Bluswatervoorziening en
                                    Bereikbaarheid (NVBR, 2012). Deze moet ten alle tijd worden
                                    vrijgehouden ten behoeve van de hulpverleningsdiensten.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.2.2.5.6</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H55825_0_9_29_60_"> Binnen vier weken na het einde van
                                    elk van de vier kalenderkwartalen overlegt de exploitant aan GS
                                    een rapportage over het gebruik van de luchthaven gedurende het
                                    betreffende kwartaal waarbij de 4e kwartaalrapportage kan worden
                                    opgenomen in de jaarrapportage zoals bedoeld in lid 2 van dit
                                    artikel.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H55825_0_9_29_61_"> Binnen vier weken na het einde van
                                    een gebruiksjaar overlegt de exploitant aan GS een rapportage
                                    over het gebruik van de luchthaven gedurende het
                                    gebruiksjaar.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.2.2.5.7</titel></kop><al>Indien aanvragen worden ingediend voor het tijdelijk en
                                uitzonderlijk gebruik van terreinen voor het opstijgen en landen met
                                helikopters binnen een afstand van 1 kilometer vanaf het
                                luchthavengebied worden hiervoor geen ontheffingen verleend.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>5.2.2.6 - Luchthavenregeling Helihaven daklocatie Isala
                                Klinieken</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 5.2.2.6.1</titel></kop><lid><lidnr/><al>In deze luchthavenregeling wordt verstaan onder</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al id="anker-H55825_0_10_31_62_"> wet: de Wet Luchtvaart</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al id="anker-H55825_0_10_31_63_"> regeling: de Regeling veilig
                                    gebruik luchthavens en andere terreinen</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al id="anker-H55825_0_10_31_64_"> luchthaven: een terrein als
                                    bedoeld in artikel 1 .1, eerste lid, van de Wet Luchtvaart</al></lid><lid><lidnr>d.</lidnr><al id="anker-H55825_0_10_31_65_"> gebruiker: een
                                    luchtvaartmaatschappij, alsmede een natuurlijk of rechtspersoon
                                    die vluchten uitvoert niet zijnde een
                                    luchtvaartmaatschappij</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.2.2.6.2</titel></kop><al>Deze luchthavenregeling is van toepassing op de helikopterluchthaven
                                aan de Dr. Van Heesweg nr.2 te Zwolle. De geografische positie van
                                de helihaven is N52.51350o; E6.12235o, zoals aangegeven op de bij
                                deze luchthavenregeling behorende kaart (bijlage 1).</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.2.2.6.3</titel></kop><al>De exploitant van de luchthaven is de Stichting Isala Klinieken,
                                gevestigd aan de Dr. Van Heesweg 2, 8025 AS te Zwolle.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.2.2.6.4</titel></kop><al>Van de luchthaven mag uitsluitend gebruik worden gemaakt door de
                                exploitant van de luchthaven en de gebruiker.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.2.2.6.5</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H55825_0_10_35_66_"> Onverminderd de bepalingen uit de
                                    wet en de Regeling veilig gebruik luchthavens en andere
                                    terreinen, mag de luchthaven uitsluitend worden gebruikt door
                                    traumahelikopters (type EC-135 met een Maximum Takeoff Weight
                                    (MTOW) van 2910 kg), of een gelijkwaardig type helikopter, die
                                    conform het flight manual mogen opereren op een heliplatform met
                                    de afmetingen van 18 bij 18 meter.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H55825_0_10_35_67_"> De luchthaven mag uitsluitend
                                    gebruikt worden voor starts en landingen voor medische
                                    doeleinden.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al id="anker-H55825_0_10_35_68_"> De helihaven beschikt over
                                    brandklasse H1, waardoor er alleen helikopters met een LOA
                                    (Length over all) tot 15 meter gebruik mogen maken van de
                                    helihaven.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al id="anker-H55825_0_10_35_69_"> Vluchten van en naar de helihaven
                                    dienen uitgevoerd te worden in Visual Meteorological
                                    Conditions.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al id="anker-H55825_0_10_35_70_"> De beschikbare invliegrichtingen
                                    zijn 104o en 254o naar Final Approach and Take-off area (FATO).
                                    De beschikbare uitvliegrichtingen zijn 74o en 284o naar Final
                                    Approach and Take-off area (FATO).</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.2.2.2.6</titel></kop><al>Binnen 4 weken na het einde van een gebruiksjaar overlegt de
                                exploitant aan Gedeputeerde Staten een rapportage over het gebruik
                                van de luchthaven gedurende het gebruiksjaar.</al></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Hoofdstuk 6. Toezicht en strafbepaling </titel></kop><structuurtekst><al><noot id="d17e7274"><noot.nr>97</noot.nr><noot.al>[<vet>Toelichting: </vet> In dit hoofdstuk wordt de
                                    aanwijzing van toezichthouders geregeld. Verder wordt de
                                    strafbaarstelling geregeld van gedragingen in strijd met het
                                    bepaalde in artikel 3.1.1.2, paragraaf 3.2.1, paragraaf 3.2.2 en
                                    paragraaf 3.2.3. van de verordening. ]</noot.al></noot></al></structuurtekst><paragraaf><kop><titel>Titel 6.1. Handhaving</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 6.1.1. Aanwijzing toezichthouders </titel></kop><al>Gedeputeerde Staten kunnen personen aanwijzen die zijn belast met
                                het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze
                                verordening.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6.1.2. Strafbepaling </titel></kop><al>Een gedraging in strijd met het bepaalde bij of krachtens artikel
                                3.1.1.2, paragraaf 3.2.1, paragraaf 3.2.2 en paragraaf 3.2.3 van
                                deze verordening is een strafbaar feit. </al></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Hoofdstuk 7. Ontheffing </titel></kop><structuurtekst><al><noot id="d17e7304"><noot.nr>98</noot.nr><noot.al>[<vet>Toelichting: </vet> In dit hoofdstuk van de
                                    Omgevingsverordening zijn de algemene bepalingen opgenomen
                                    waaraan een verzoek om ontheffing moet voldoen, voordat
                                    Gedeputeerde Staten daaraan medewerking kunnen verlenen. In de
                                    andere hoofdstukken van de verordening is bepaald in welke
                                    gevallen ontheffing kan worden gevraagd. Soms zijn daarbij
                                    specifieke voorwaarden opgenomen. Een besluit op een aanvraag om
                                    ontheffing wordt voorbereid met toepassing van afdeling 3.4. van
                                    de Algemene Wet Bestuursrecht, tenzij anders is bepaald.
                                    ]</noot.al></noot></al></structuurtekst><paragraaf><kop><titel>Titel 7.1. Algemene bepalingen inzake ontheffingen</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 7.1.1. </titel></kop><lid><lidnr/><al><noot id="d17e7323"><noot.nr>99</noot.nr><noot.al>[<vet>Toelichting: </vet> In artikel 7.1.1. is
                                            bepaald dat ontheffingen alleen gevraagd kunnen worden
                                            door gemeenteraden tenzij anders is bepaald. Deze
                                            bepaling is vooral bedoeld voor de ontheffingen die op
                                            grond van hoofdstuk 2 kunnen worden gevraagd van de
                                            instructies die in dat hoofdstuk worden gegeven aan de
                                            gemeenteraden voor de inhoud van en de toelichting op
                                            bestemmingsplan, projectbesluiten en
                                            beheersverordeningen. Deze ontheffingsmogelijkheden zijn
                                            bedoeld voor ontwikkelingen die de gemeente planologisch
                                            willen regelen, maar die op grond van de verordening
                                            niet zonder meer mogelijk zijn. De
                                            ontheffingsmogelijkheid biedt de nodige flexibiliteit,
                                            maar biedt voor de provincie gelet op het gewicht van de
                                            betrokken belangen een extra waarborg dat Gedeputeerde
                                            Staten zelf de ‘hefboom’ bedienen. ]</noot.al></noot></al></lid><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H55827_0_1_1_1_"> Van de bepalingen van deze
                                    verordening kunnen Gedeputeerde Staten een ontheffing verlenen
                                    voor zover dit is aangegeven en met inachtneming van de
                                    bepalingen van dit hoofdstuk. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H55827_0_1_1_2_"> Dit hoofdstuk is van toepassing op
                                    de totstandkoming van de beschikking op de aanvraag tot het
                                    geven van een ontheffing en van de beschikking tot wijziging of
                                    intrekking van een ontheffing. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al id="anker-H55827_0_1_1_3_"> Een ontheffing kan slechts worden
                                    aangevraagd door de gemeenteraad tenzij anders is bepaald.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al id="anker-H55827_0_1_1_4_"> Dit hoofdstuk is niet van toepassing
                                    op Titel 4.3 en Hoofdstuk 5 van deze verordening.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7.1.2. </titel></kop><al><noot id="d17e7356"><noot.nr>100</noot.nr><noot.al>[<vet>Toelichting: </vet> Op grond van artikel 7.1.2.
                                        wordt daarbij aan Gedeputeerde Staten een kader meegegeven
                                        in de vorm van geldende provinciale structuurvisies door
                                        Provinciale Staten zijn vastgesteld. ]</noot.al></noot></al><al>Gedeputeerde Staten houden bij de beslissing op de aanvraag om
                                ontheffing als bedoeld in hoofdstuk 2 in ieder geval rekening met de
                                geldende provinciale structuurvisies, als bedoeld in artikel 2.2 van
                                de Wet ruimtelijke ordening.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7.1.3. </titel></kop><al><noot id="d17e7371"><noot.nr>101</noot.nr><noot.al>[<vet>Toelichting: </vet> Artikel 7.1.3. legt een
                                        inhoudelijke relatie tussen de gevolgen van de ontwikkeling
                                        waarvoor ontheffing wordt verleend en de belangen die
                                        Provinciale Staten met de algemene regel in de verordening
                                        hebben willen waarborgen. ]</noot.al></noot></al><al>Gedeputeerde Staten verlenen geen ontheffing indien door het stellen
                                van beperkingen of voorschriften niet voldoende kan worden
                                tegemoetgekomen aan het belang dat beschermd wordt door de bepaling
                                waarvan ontheffing wordt gevraagd.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7.1.4.</titel></kop><al><noot id="d17e7386"><noot.nr>102</noot.nr><noot.al>[<vet>Toelichting: </vet> Artikel 7.1.4. maakt het
                                        mogelijk om aan de ontheffing onder beperkingen te verlenen
                                        of daaraan nadere voorwaarden te verbinden in de vorm van
                                        voorschriften. Hierdoor wordt bereikt dat zo dicht mogelijk
                                        gebleven wordt bij de bedoeling van het algemene voorschrift
                                        in de verordening. ]</noot.al></noot></al><al>Een ontheffing van een bepaling van deze verordening kan in het
                                belang dat beschermd wordt door die bepaling, onder beperkingen
                                worden verleend. Aan een ontheffing worden de voorschriften
                                verbonden, die ter bescherming van dat belang nodig zijn.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7.1.5. </titel></kop><lid><lidnr/><al><noot id="d17e7403"><noot.nr>103</noot.nr><noot.al>[<vet>Toelichting: </vet> Artikel 7.1.5. maakt het
                                            mogelijk om – al dan niet op verzoek van degene aan wie
                                            de ontheffing is verleend - verleende ontheffingen en de
                                            voorschriften die daaraan verbonden zijn, te wijzigen,
                                            aan te vullen of in te trekken, als dit nodig is met het
                                            oog op de belangen die de verordening met de algemene
                                            regels beoogt te beschermen. ]</noot.al></noot></al></lid><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H55827_0_1_5_5_"> Op aanvraag van de gemeenteraad
                                    kunnen Gedeputeerde Staten beperkingen waaronder de ontheffing
                                    is verleend, en voorschriften die daaraan zijn verbonden,
                                    wijzigen, aanvullen of intrekken, dan wel alsnog beperkingen
                                    aanbrengen of voorschriften aan de ontheffing verbinden. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H55827_0_1_5_6_"> Gedeputeerde Staten kunnen – anders
                                    dan op aanvraag van de gemeenteraad – beperkingen waaronder een
                                    ontheffing is verleend, en voorschriften die daaraan zijn
                                    verbonden, wijzigen, aanvullen of intrekken, dan wel alsnog
                                    beperkingen aanbrengen of voorschriften aan een ontheffing
                                    verbinden in het belang dat beschermd wordt door de bepaling
                                    waarvan ontheffing is verleend.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7.1.6. </titel></kop><lid><lidnr/><al><noot id="d17e7428"><noot.nr>104</noot.nr><noot.al>[<vet>Toelichting: </vet> Artikel 7.1.6. maakt het
                                            mogelijk om een ontheffing geheel of gedeeltelijk in te
                                            trekken als er sprake blijkt te zijn van ontoelaatbare
                                            nadelige gevolgen of als er twee jaar na verlening van
                                            de ontheffing daarvan nog steeds geen gebruik is
                                            gemaakt. ]</noot.al></noot></al></lid><lid><lidnr/><al>Gedeputeerde Staten kunnen een ontheffing geheel of gedeeltelijk
                                    intrekken indien: </al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al id="anker-H55827_0_1_6_7_"> de wijze van het gebruik van de
                                    ontheffing ontoelaatbaar nadelige gevolgen blijkt te hebben voor
                                    het belang dat beschermd wordt door de bepaling waarvan
                                    ontheffing is verleend; </al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al id="anker-H55827_0_1_6_8_"> Binnen een periode van twee jaar te
                                    rekenen van de datum van de ontheffing geen bestemmingsplan is
                                    vastgesteld met gebruikmaking van de ontheffing.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7.1.7. </titel></kop><al>Met betrekking tot de totstandkoming van een besluit op grond van
                                artikel 7.1.6 zijn de artikelen 7.1.2 tot en met 7.1.4 van
                                overeenkomstige toepassing. </al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7.1.8. </titel></kop><lid><lidnr/><al><noot id="d17e7463"><noot.nr>105</noot.nr><noot.al>[<vet>Toelichting: </vet> Artikel 7.1.8. geeft de
                                            vereisten waaraan de aanvraag om ontheffing moet
                                            voldoen. Zo moet er een onderbouwing geleverd worden van
                                            de aanvraag, de mogelijke gevolgen moeten in beeld
                                            worden gebracht en het nodige kaartmateriaal moet
                                            overlegd worden. ]</noot.al></noot></al></lid><lid><lidnr/><al>Een aanvraag om een ontheffing bevat in ieder geval: </al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al id="anker-H55827_0_1_8_9_"> een beschrijving van de redenen
                                    waarom de ontheffing wordt gevraagd; </al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al id="anker-H55827_0_1_8_10_"> een beschrijving van de mogelijke
                                    gevolgen van de ontheffing voor het belang dat beschermd wordt
                                    door de bepaling waarvan ontheffing wordt gevraagd; </al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al id="anker-H55827_0_1_8_11_"> een of meer kaarten op een zodanige
                                    schaal dat een duidelijk beeld wordt verkregen van de plaats
                                    waarop de ontheffing betrekking heeft.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7.1.9. </titel></kop><al><noot id="d17e7495"><noot.nr>106</noot.nr><noot.al>[<vet>Toelichting: </vet> Artikel 7.1.9. voorziet in
                                        het betrekken van naburige gemeenten en eventueel het
                                        betreffende waterschap bij de procedure van ontheffing. Zij
                                        worden in de gelegenheid gesteld om advies uit te brengen.
                                        ]</noot.al></noot></al><al>Gedeputeerde Staten stellen de raad van de naburige gemeenten
                                alsmede het waterschap waarin de gedraging waarvoor ontheffing wordt
                                gevraagd gevolgen kan hebben, in de gelegenheid advies uit te
                                brengen naar aanleiding van die aanvraag om ontheffing
                                respectievelijk over het voornemen een besluit te nemen op grond van
                                artikel 7.1.1.</al></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Hoofdstuk 8. Overgangs- en slotbepalingen </titel></kop><structuurtekst><al><noot id="d17e7511"><noot.nr>107</noot.nr><noot.al>[<vet>Toelichting: </vet> Dit hoofdstuk geeft de algemene
                                    overgangsbepalingen die op de Omgevingverordening van toepassing
                                    zijn. ]</noot.al></noot></al></structuurtekst><paragraaf><kop><titel>Titel 8.1. Overgangsrecht</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 8.1.1. Overgangsrecht beschikkingen </titel></kop><al><noot id="d17e7528"><noot.nr>108</noot.nr><noot.al>[<vet>Toelichting: </vet> Artikel 8.1.1. regelt dat
                                        besluiten en ontheffingen die zijn verleend onder de werking
                                        van de verordening op de Fysieke Leefomgeving aangemerkt
                                        worden als vergunningen en ontheffingen krachtens deze
                                        verordening en dus gewoon van kracht blijven. Deze bepaling
                                        wordt gehandhaafd omdat er nog besluiten en ontheffingen
                                        kunnen zijn die afgegeven zijn onder de werking van de
                                        voorganger van de huidige Omgevingsverordening. Artikel
                                        8.1.2 wordt niet opnieuw vastgesteld omdat inmiddels alle
                                        onderdelen van de Verordening Fysieke Leefomgeving
                                        Overijssel zijn ingetrokken). ]</noot.al></noot></al><al>1. Vergunningen en ontheffingen die zijn verleend onder de werking
                                van de Verordening op de Fysieke leefomgeving Overijssel en die van
                                kracht zijn op het moment van inwerkingtreding van deze verordening,
                                worden aangemerkt als vergunningen en ontheffingen krachtens deze
                                verordening.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 8.1.2. Intrekking Verordening Fysieke Leefomgeving
                                    Overijssel </titel></kop><lid><lidnr/><al><noot id="d17e7545"><noot.nr>109</noot.nr><noot.al>[<vet>Toelichting: </vet> In artikel 8.1.2. wordt
                                            bevestigd dat de verordening voor de Fysieke
                                            Leefomgeving grotendeels is ingetrokken. De onderdelen
                                            die (vooralsnog) in stand blijven worden als zodanig
                                            benoemd. Een aantal onderdelen uit die verordening
                                            moeten namelijk in stand blijven tot het moment dat
                                            hoofdstuk 4 inwerking treedt en dat is weer afhankelijk
                                            van de inwerkingtreding van de Waterwet. ]</noot.al></noot></al></lid><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H55828_0_1_2_1_"> De Verordening voor de Fysieke
                                    Leefomgeving Overijssel en de hierop gebaseerde
                                    uitvoeringsbesluiten worden ingetrokken met uitzondering
                                    van:</al><lijst><li nr="a."><al id="anker-H55828_0_1_2_1_1_"> hoofdstuk 4, paragraaf 1
                                            (grondwateronttrekking) met het daarop gebaseerde
                                            uitvoeringsbesluit; </al></li><li nr="b."><al id="anker-H55828_0_1_2_1_2_"> hoofdstuk 6, de artikelen
                                            6.1 en 6.2, lid 1 en lid 2 (toezichthouders en
                                            strafbepalingen); </al></li><li nr="c."><al id="anker-H55828_0_1_2_1_3_"> hoofdstuk 5, paragraaf 2
                                            (scheepvaartwegen). </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H55828_0_1_2_2_"> Gelijktijdig met de inwerkingtreding
                                    van de Waterwet worden de onderdelen a tot en met c van het
                                    eerste lid alsnog ingetrokken, met uitzondering van bijlage bij
                                    hoofdstuk 5, paragraaf 2.2, dagen en tijden, waarop de sluizen
                                    in en de bruggen over de provinciale vaarwegen voor de
                                    scheepvaart worden bediend. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al id="anker-H55828_0_1_2_3_"> Ingetrokken worden: </al><lijst><li nr=""><al id="anker-H55828_0_1_2_3_4_">• Verordening op de
                                            waterhuishouding 2002; </al></li><li nr=""><al id="anker-H55828_0_1_2_3_5_">• Verordening waterkering
                                            Noord-Nederland.</al></li></lijst></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Titel 8.2. Overgangsrecht hoofdstukken 2 en 4</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 8.2.1. Overgangsrecht hoofdstuk ruimtelijke ordening
                                </titel></kop><lid><lidnr/><al><noot id="d17e7596"><noot.nr>110</noot.nr><noot.al>[<vet>Toelichting: </vet> Artikel 8.2.1. en 8.2.2.
                                            geven bijzondere overgangsbepalingen voor hoofdstuk 2.
                                            ]</noot.al></noot></al></lid><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H55828_0_2_3_4_"> Het bepaalde in hoofdstuk 2 is niet
                                    van toepassing op ontwerpbestemmingsplannen die ter visie zijn
                                    gelegd maar nog niet zijn vastgesteld vóór de inwerkingtreding
                                    van deze verordening, voor zover daarover door de provinciale
                                    diensten positief is geadviseerd. <noot id="d17e7609"><noot.nr>111</noot.nr><noot.al>[<vet>Toelichting: </vet>In lid 1 van artikel
                                            8.2.1. wordt duidelijk gemaakt dat de verordening niet
                                            van toepassing is op ontwerpbestemmingsplannen,
                                            ontwerp-projectbesluiten en
                                            ontwerp-beheersverordeningen, die (formeel) ter visie
                                            zijn gelegd maar nog niet zijn vastgesteld op het moment
                                            van inwerkingtreding van de verordening, voor zover over
                                            deze plannen een positief advies is uitgebracht door de
                                            provinciale diensten. Hiermee wordt voorkomen dat
                                            gemeentelijke plannen die al in procedure zijn op grond
                                            van de Wro, bij de vaststelling nog aangepast moeten
                                            worden aan de verordening.]</noot.al></noot></al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H55828_0_2_3_5_"> De verplichting tot aanpassing van
                                    onherroepelijke bestemmingsplannen na 1 jaar zoals bedoeld in
                                    artikel 4.1, lid 2 Wro, is niet van toepassing indien de
                                    wijziging geen ander doel heeft dan aanpassing van de
                                    toelichting op het plan aan het bepaalde in hoofdstuk 2. <noot id="d17e7622"><noot.nr>112</noot.nr><noot.al>[<vet>Toelichting: </vet>In lid 2 van artikel
                                            8.2.1. wordt een uitzondering gemaakt op de wettelijke
                                            verplichting in artikel 4.1. lid 2 Wro om, voor zover
                                            het in hoofdstuk 2 gaat om bepalingen alleen tot gevolg
                                            zouden hebben dat de toelichting op een bestemmingsplan
                                            moet worden aangepast aan de verordening, terwijl de
                                            inhoud van het bestemmingsplan zelf niet wijzigt. Voor
                                            die gevallen dat alleen de toelichting aangepast zou
                                            moeten worden, is de urgentie van aanpassing niet zo
                                            hoog, dat niet gewacht zou kunnen worden tot het moment
                                            dat het plan vanwege de actualiseringsverplichting in
                                            artikel 3.1. lid 2 Wro opnieuw moet worden vastgesteld.
                                            Deze bepalingen worden opnieuw vastgesteld in
                                            ongewijzigde formulering. De verwijzing ‘deze
                                            verordening' slaat nu op de geactualiseerd
                                            Omgevingsverordening zoals die op 3 juli 2013 is
                                            vastgesteld, waarmee het overgangsrecht een nieuwe
                                            peildatum heeft gekregen.]</noot.al></noot></al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 8.2.2. Overgangsrecht EHS </titel></kop><lid><lidnr/><al><noot id="d17e7637"><noot.nr>113</noot.nr><noot.al>[<vet>Toelichting: </vet>Artikel 8.2.1. en 8.2.2.
                                            geven bijzondere overgangsbepalingen voor hoofdstuk 2.In
                                            artikel 8.2.2. wordt een regeling getroffen voor
                                            bestemmingsplannen die betrekking hebben op de
                                            Ecologische Hoofdstructuur en die op grond van titel 2.7
                                            moeten worden aangepast. Ingevolge de Wro stelt de
                                            gemeenteraad binnen een jaar na inwerkingtreding van de
                                            verordening een bestemmingsplan of beheersverordening
                                            vast met inachtneming van de verordening, tenzij bij de
                                            verordening een andere termijn wordt gesteld. </noot.al><noot.al>Dit artikel beoogt een andere termijn te stellen.
                                            Plannen, "ouder" dan vijf jaar moeten worden aangepast
                                            binnen twee jaren na inwerkingtreding van de
                                            verordening. </noot.al><noot.al>Plannen, "jonger" dan vijf jaren moeten worden
                                            aangepast op het moment dat zij ingevolge de Wro opnieuw
                                            dienen te worden vastgesteld dat wil zeggen: binnen een
                                            periode van tien jaar, gerekend vanaf de datum van
                                            vaststelling van het plan. </noot.al><noot.al>Er is geen verplichting om een bestemmingspan of
                                            beheersverordening opnieuw vast te stellen binnen de
                                            door de verordening bepaalde termijn, als die plannen of
                                            beheersverordeningen niet van deze verordening afwijken.
                                            Deze bepaling wordt opnieuw vastgesteld in ongewijzigde
                                            formulering. De verwijzing ‘deze verordening' slaat nu
                                            op de geactualiseerde Omgevingsverordening zoals die op
                                            3 juli 2013 is vastgesteld, waarmee het overgangsrecht
                                            een nieuwe peildatum heeft gekregen.]</noot.al></noot></al></lid><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H55828_0_2_4_6_"> Voor bestemmingsplannen die
                                    betrekking hebben op de Ecologische Hoofdstructuur zoals
                                    begrensd op basis van artikel 2.7.2 en die op het moment van
                                    inwerkingtreding van deze verordening al langer dan 5 jaar
                                    onherroepelijk zijn, geldt in afwijking van de termijn in
                                    artikel 4.1, lid 2 Wro een termijn van 2 jaar voor aanpassing
                                    aan het gestelde in deze verordening. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H55828_0_2_4_7_"> Voor bestemmingsplannen die
                                    betrekking hebben op de Ecologische Hoofdstructuur zoals
                                    begrensd op basis van artikel 2.7.2. en die op het moment van
                                    inwerkingtreding van deze verordening korter dan 5 jaar
                                    onherroepelijk zijn, geldt in afwijking van de termijn in
                                    artikel 4.1, lid 2 Wro een termijn van 10 jaar na het
                                    onherroepelijk worden van deze bestemmingsplannen. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al id="anker-H55828_0_2_4_8_"> Een besluit tot verlenging van de
                                    periode van tien jaar als bedoeld in artikel 3.1, lid 3 van de
                                    Wet ruimtelijke ordening wordt niet genomen indien de in het
                                    bestemmingsplan aangewezen bestemmingen en de met het oog daarop
                                    gegeven regels geen of onvoldoende waarborgen bieden voor het
                                    behoud, herstel of de duurzame ontwikkeling van de wezenlijke
                                    kenmerken en waarden van het betrokken gebieden die aangewezen
                                    zijn als EHS.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 8.2.3 Overgangsrecht bodemenergiesystemen</titel></kop><lid><lidnr/><al><noot id="d17e7673"><noot.nr>114</noot.nr><noot.al>[<vet>Toelichting: </vet>Artikel 8.2.3 geeft een
                                            bijzondere overgangsbepaling in verband met het
                                            vervallen van de vrijstelling van de vergunningplicht
                                            voor kleine open bodemenergiesystemen. De vrijstelling
                                            was opgenomen in hoofdstuk 4. Met deze</noot.al><noot.al>overgangsregeling worden uniforme regels en een
                                            gelijk speelveld gecreëerd voor bestaande open en
                                            gesloten bodemenergiesystemen.]</noot.al></noot></al></lid><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H55828_0_2_5_9_"> Voor het onttrekken van grondwater
                                    of het infiltreren van water ten behoeve van een
                                    bodemenergiesysteem als bedoeld in artikel 6.4, eerste lid,
                                    onder b. van de Waterwet, waarbij de te onttrekken hoeveelheid
                                    niet meer bedraagt dan 10 m³ per uur en 5.000 m³ per kwartaal en
                                    waarbij het systeem vóór de datum van inwerkingtreding van deze
                                    wijziging van de verordening is geïnstalleerd en aan
                                    Gedeputeerde Staten is gemeld krachtens artikel 6.6 van de
                                    Waterwet, blijft het recht van toepassing zoals dat gold vóór
                                    die datum.</al></lid><lid><lidnr/><al><noot id="d17e7691"><noot.nr>115</noot.nr><noot.al>[<vet>Toelichting: </vet>Voor kleine open
                                            bodemenergiesystemen, die vóór de inwerkingtreding van
                                            deze bepaling zijn geïnstalleerd en gemeld bij
                                            Gedeputeerde Staten, blijft de vrijstelling van de
                                            vergunningplicht gelden. Het gaat om systemen die zijn
                                            gemeld op grond van artikel 6.11, eerste lid van het
                                            Waterbesluit of op grond van artikel 15b van de
                                            Grondwaterwet.]</noot.al></noot></al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H55828_0_2_5_10_"> Het onderhoud aan een open
                                    bodemenergiesysteem als bedoeld in het eerste lid moet
                                    mechanisch uitgevoerd worden. Chemische regeneratie is alleen
                                    toegestaan wanneer mechanische putreiniging niet mogelijk is en
                                    indien vooraf goedkeuring is verleend door Gedeputeerde Staten.
                                    Chemische regeneratie moet zodanig worden uitgevoerd dat er geen
                                    restverontreiniging achterblijft in de bodem. Het water dat
                                    wordt opgepompt tijdens het chemisch regenereren, mag niet
                                    worden geretourneerd in de bodem. Gedeputeerde Staten kunnen
                                    nadere voorschriften verbinden aan de goedkeuring ter voorkoming
                                    van verontreiniging van bodem en grondwater bij chemische
                                    regeneratie.</al></lid><lid><lidnr/><al><noot id="d17e7707"><noot.nr>116</noot.nr><noot.al>[<vet>Toelichting: </vet>Dit algemene voorschrift
                                            voor het onderhoud aan bestaande kleine open systemen is
                                            opgenomen om verontreiniging van bodem en grondwater te
                                            voorkomen.]</noot.al></noot></al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al id="anker-H55828_0_2_5_11_"> Het voornemen om het in werking
                                    hebben van een open bodemenergiesysteem als bedoeld in het
                                    eerste lid te beëindigen, en de datum van afdichting van de
                                    bronnen en waarnemingsfilters, worden ten minste vier weken voor
                                    de beëindiging aan Gedeputeerde Staten gemeld.</al></lid><lid><lidnr/><al><noot id="d17e7723"><noot.nr>117</noot.nr><noot.al>[<vet>Toelichting: </vet>Om beschadiging van
                                            waterscheidende bodemlagen te voorkomen mag het
                                            ondergrondse deel van een bodemenergiesysteem na
                                            beëindiging van het gebruik niet worden verwijderd. De
                                            buizen moeten zodanig met een waterondoorlatend
                                            materiaal worden gevuld dat de werking van de
                                            afsluitende lagen zoveel mogelijk wordt hersteld. Hoe
                                            dit moet gebeuren is aangegeven in het protocol 2101
                                            Mechanisch boren. Hierin staat ook met welk materiaal de
                                            doorboring na de buitengebruikstelling moet worden
                                            afgewerkt. Hiervoor kunnen ook andere materialen dan
                                            klei worden gebruikt.]</noot.al></noot></al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al id="anker-H55828_0_2_5_12_"> Zo spoedig mogelijk na de
                                    beëindiging van het in werking hebben van een
                                    bodemenergiesysteem als bedoeld in het eerste lid wordt het
                                    systeem, zonder daarbij het ondergrondse deel te verwijderen,
                                    zodanig opgevuld dat de werking van de oorspronkelijke
                                    waterscheidende lagen wordt hersteld.</al></lid><lid><lidnr/><al><noot id="d17e7739"><noot.nr>118</noot.nr><noot.al>[<vet>Toelichting: </vet>Om beschadiging van
                                            waterscheidende bodemlagen te voorkomen mag het
                                            ondergrondse deel van een bodemenergiesysteem na
                                            beëindiging van het gebruik niet worden verwijderd. De
                                            buizen moeten zodanig met een waterondoorlatend
                                            materiaal worden gevuld dat de werking van de
                                            afsluitende lagen zoveel mogelijk wordt hersteld. Hoe
                                            dit moet gebeuren is aangegeven in het protocol 2101
                                            Mechanisch boren. Hierin staat ook met welk materiaal de
                                            doorboring na de buitengebruikstelling moet worden
                                            afgewerkt. Hiervoor kunnen ook andere materialen dan
                                            klei worden gebruikt.]</noot.al></noot></al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al id="anker-H55828_0_2_5_13_"> Na buitengebruikstelling van een
                                    bodemenergiesysteem als bedoeld in het eerste lid wordt binnen
                                    een maand na de afdichting een verslag van de afdichting aan
                                    Gedeputeerde Staten toegezonden.</al></lid><lid><lidnr/><al><noot id="d17e7756"><noot.nr>119</noot.nr><noot.al>[<vet>Toelichting: </vet>Om beschadiging van
                                            waterscheidende bodemlagen te voorkomen mag het
                                            ondergrondse deel van een bodemenergiesysteem na
                                            beëindiging van het gebruik niet worden verwijderd. De
                                            buizen moeten zodanig met een waterondoorlatend
                                            materiaal worden gevuld dat de werking van de
                                            afsluitende lagen zoveel mogelijk wordt hersteld. Hoe
                                            dit moet gebeuren is aangegeven in het protocol 2101
                                            Mechanisch boren. Hierin staat ook met welk materiaal de
                                            doorboring na de buitengebruikstelling moet worden
                                            afgewerkt. Hiervoor kunnen ook andere materialen dan
                                            klei worden gebruikt.]</noot.al></noot></al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Titel 8.3. Inwerkingtreding</titel></kop><al/><al/></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 8.3.1. </titel></kop><lid><lidnr/><al><noot id="d17e7777"><noot.nr>120</noot.nr><noot.al>[<vet>Toelichting: </vet> Artikel 8.3.1. regelt de
                                            inwerkingtreding van de verordening. ]</noot.al></noot></al></lid><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H55828_0_2_7_14_"> De geactualiseerde
                                    Omgevingsverordening zoals vastgesteld op 3 juli 2013 treedt in
                                    werking op 1 september 2013. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H55828_0_2_7_15_"> [vervallen] </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al id="anker-H55828_0_2_7_16_"> Op 1 januari 2015 vervalt artikel
                                    4.6.5 en treedt artikel 8.2.3 in werking, tenzij Gedeputeerde
                                    Staten vóór die datum besluiten een eerdere datum van
                                    inwerkingtreding vast te stellen. De overige artikelen in deze
                                    verordening treden in werking met ingang van de dag na de datum
                                    van publicatie in het provinciaal Blad (ook op
                                    www.ruimtelijkeplannen.nl).</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Titel 8.4. Citeertitel</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 8.4.1. </titel></kop><al><noot id="d17e7809"><noot.nr>121</noot.nr><noot.al>[<vet>Toelichting: </vet> Artikel 8.4.1. regelt de
                                        wijze van citeren van deze verordening. ]</noot.al></noot></al><al>Deze verordening kan worden aangehaald als: Actualisatie
                                Omgevingsverordening Overijssel 2013.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Titel 8.5 Actualisatie Omgevingsverordening -
                                wijzigingsbevoegdheid bij kennelijke onjuistheden in teksten en
                                kaartmateriaal</titel></kop><structuurtekst><al><vet>Artikel 8.5.1 Kennelijke onvolkomenheden</vet></al><al>Gedeputeerde staten zijn bevoegd om kennelijke onjuistheden in de
                                tekst van deze verordening en de kaarten die bij de verordening
                                horen - en de digitale verbeelding daarvan - te corrigeren. <noot id="d17e7829"><noot.nr>122</noot.nr><noot.al>[<vet>Toelichting: </vet>Dit artikel regelt de
                                        bevoegdheid voor GS om de tekst van de Omgevingsverordening
                                        en de bijbehorende kaarten te corrigeren als blijkt dat er
                                        sprake is van kennelijke onjuistheden in de tekst of de
                                        begrenzing van gebieden.]</noot.al></noot></al></structuurtekst></paragraaf></hoofdstuk></regeling-tekst><bijlage><kop><titel>Bijlage 1 Lijst van specifieke regelingen in relatie tot de EHS</titel></kop><al>- Algemene eisen en generieke maatregelen ter zake van milieu-, water- en
                    natuurkwaliteit die niet specifiek voor de EHS in het leven zijn geroepen maar
                    wel bijdragen aan versterking daarvan.</al><al>- Natuurkwaliteit zoals vastgelegd in de natuurdoeltypenkaart van het
                    natuurgebiedplan en de natuurdoelenkaart Overijssel waaronder ook de beheers- en
                    uitvoeringsmaatregelen hieruit voorvloeiend (Gegadigdenkaart –grondaankopen-,
                    probleemgebieden). Deelname aan dit instrumentarium is vrijwillig. </al><al>- Europese Vogel- en Habitatrichtlijn (VHR): beoordeling op gebieden van
                    communautair belang (liggen in de PEHS) en op soorten (geïmplementeerd in de
                    Flora- en faunawet). Dit regime kent o.m. een compensatieplicht. </al><al>- Natuurbeschermingswet: beoordeling op gebieden. Deels VHR- geïmplementeerd.
                    Beschermde natuurmonumenten (liggen in de PEHS) is aparte categorie. Ook dit
                    regime kent een eigen compensatieplicht. </al><al>- Flora- en faunawet: art. 75 geeft een ontheffing/vergunningplicht voor plan-
                    en projectbeoordelingen op soorten. Dit regime kent een eigen compensatieplicht. </al><al>- Wet milieubeheer en besluit MER, ligging in nabijheid van kwetsbare natuur
                    (Wav- en Natura 2000-gebieden) vraagt in de omgevingstoets om een nadere
                    uitwerking.</al><al>- Wet ammoniak en veehouderij: aanwijzen van zeer kwetsbare gebieden (voor
                    verzuring gevoelige gebieden in de PEHS). Dit regime kent een specifiek
                    zoneringsbeleid.</al><al>- Geur/stank, nitraat fosfaat: NEC-richtlijn, IPPC, Wet geurhinder etc.
                    Individuele beoordeling waarbij lokale milieuomstandigheden in verband met
                    ligging nabij kwetsbare natuur (Wav- en Natura 2000-gebieden) om een extra
                    afweging kan vragen.</al><al>- Reconstructiewet: in het Reconstructieplan is de EHS voor de zonering
                    (extensiveringsgebieden) een van de elementen geweest.</al><al>- Boswet: verbod op kappen, vellen en dunnen van houtopstanden. Dit regime kent
                    een eigen herplant- en compensatieplicht. </al></bijlage><bijlage><kop><titel>bijlage 2.1 Niet-limitatieve lijst met schadelijke stoffen in
                        waterwingebieden, grondwaterbeschermingsgebieden en boringsvrije
                        zones</titel></kop><artikel><kop><titel>Niet-limitatieve lijst met schadelijke stoffen in waterwingebieden,
                            grondwaterbeschermingsgebieden en boringsvrije zones als bedoeld in
                            hoofdstuk 3, titel 3.1, paragraaf 3.1.1, artikel 3.1.1.1, onder u van de
                            Omgevingsverordening Overijssel.</titel></kop><lid><lidnr>o</lidnr><al id="anker-H55830_0_0_1_1_"> Organische halogeenverbindingen en stoffen
                            waaruit dergelijke verbindingen kunnen ontstaan.</al></lid><lid><lidnr>o</lidnr><al id="anker-H55830_0_0_1_2_"> Organische fosforverbindingen.</al></lid><lid><lidnr>o</lidnr><al id="anker-H55830_0_0_1_3_"> Organische tinverbindingen.</al></lid><lid><lidnr>o</lidnr><al id="anker-H55830_0_0_1_4_"> Organische siliciumverbindingen die toxisch
                            of persistent zijn en stoffen waaruit dergelijke verbindingen kunnen
                            ontstaan, met uitzondering van die welke biologisch onschadelijk zijn of
                            die snel worden omgezet in onschadelijke stoffen.</al></lid><lid><lidnr>o</lidnr><al id="anker-H55830_0_0_1_5_"> Anorganische fosforverbindingen en
                            elementair fosfor.</al></lid><lid><lidnr>o</lidnr><al id="anker-H55830_0_0_1_6_"> Cyaniden. </al></lid><lid><lidnr>o</lidnr><al id="anker-H55830_0_0_1_7_"> Chloriden, bromiden, fluoriden.</al></lid><lid><lidnr>o</lidnr><al id="anker-H55830_0_0_1_8_"> Sulfaten.</al></lid><lid><lidnr>o</lidnr><al id="anker-H55830_0_0_1_9_"> Ammoniak, nitrieten en nitraten.</al></lid><lid><lidnr>o</lidnr><al id="anker-H55830_0_0_1_10_"> Minerale oliën en koolwaterstoffen.</al></lid><lid><lidnr>o</lidnr><al id="anker-H55830_0_0_1_11_"> De volgende metalloïden en metalen alsmede
                            verbindingen daarvan:</al><lijst><li nr="-"><al id="anker-H55830_0_0_1_11_1_"> kwik</al></li><li nr="-"><al id="anker-H55830_0_0_1_11_2_"> cadmium</al></li><li nr="-"><al id="anker-H55830_0_0_1_11_3_"> lood</al></li><li nr="-"><al id="anker-H55830_0_0_1_11_4_"> arsenicum</al></li><li nr="-"><al id="anker-H55830_0_0_1_11_5_"> antimoon</al></li><li nr="-"><al id="anker-H55830_0_0_1_11_6_"> tin</al></li><li nr="-"><al id="anker-H55830_0_0_1_11_7_"> beryllium</al></li><li nr="-"><al id="anker-H55830_0_0_1_11_8_"> uranium</al></li><li nr="-"><al id="anker-H55830_0_0_1_11_9_"> thallium</al></li><li nr="-"><al id="anker-H55830_0_0_1_11_10_"> tellurium</al></li><li nr="-"><al id="anker-H55830_0_0_1_11_11_"> zilver</al></li><li nr="-"><al id="anker-H55830_0_0_1_11_12_"> zink</al></li><li nr="-"><al id="anker-H55830_0_0_1_11_13_"> koper</al></li><li nr="-"><al id="anker-H55830_0_0_1_11_14_"> nikkel</al></li><li nr="-"><al id="anker-H55830_0_0_1_11_15_"> chroom</al></li><li nr="-"><al id="anker-H55830_0_0_1_11_16_"> selenium</al></li><li nr="-"><al id="anker-H55830_0_0_1_11_17_"> molybdeen</al></li><li nr="-"><al id="anker-H55830_0_0_1_11_18_"> borium</al></li><li nr="-"><al id="anker-H55830_0_0_1_11_19_"> vanadium</al></li><li nr="-"><al id="anker-H55830_0_0_1_11_20_"> kobalt</al></li><li nr="-"><al id="anker-H55830_0_0_1_11_21_"> barium</al></li><li nr="-"><al id="anker-H55830_0_0_1_11_22_"> titaan</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>o</lidnr><al id="anker-H55830_0_0_1_12_"> Stoffen die een kankerverwekkende, mutagene
                            of teratogene werking hebben.</al></lid><lid><lidnr>o</lidnr><al id="anker-H55830_0_0_1_13_"> Stoffen met een schadelijke werking op de
                            smaak en/of geur van het grondwater alsmede verbindingen waaruit
                            dergelijke stoffen in het water kunnen ontstaan en die het water
                            ongeschikt voor menselijke consumptie maken.</al></lid><lid><lidnr>o</lidnr><al id="anker-H55830_0_0_1_14_"> Biociden en derivaten daarvan.</al></lid></artikel></bijlage><bijlage><kop><titel>Bijlage 2.2 Lijst met verboden inrichtingen in
                        grondwaterbeschermingsgebieden</titel></kop><al>Categorieën van inrichtingen als bedoeld in hoofdstuk 3, titel 3.2, paragraaf
                    3.2.2, artikel 3.2.2.1, eerste lid, van de Omgevingsverordening Overijssel.</al><al>(Bedrijven met een bodemindex B volgens de brochure "Bedrijven en
                    milieuzonering", VNG, editie 2009).</al><al>Gebruikte afkortingen:</al><al>p.c.: productiecapaciteit</al><al>p.o.: productieoppervlak</al><al>v.c.: verwerkingscapaciteit</al><al>n.e.g.: niet elders genoemd</al><al>b.o.: bedrijfsoppervlak</al><al>o.c.: opslagcapaciteit </al><table><title>Lijst met verboden inrichtingen in grondwaterbeschermingsgebieden</title><tgroup cols="3"><colspec colname="C3" colnum="3"/><colspec colname="C2" colnum="2"/><colspec colname="C1" colnum="1"/><colspec colname="C0" colnum="0"/><thead><row><entry><al>SBI-2008 </al></entry><entry><al>Nr. </al></entry><entry><al>Omschrijving </al></entry></row></thead><tbody><row><entry><al>01</al></entry><entry><al/></entry><entry><al>LANDBOUW EN DIENSTVERLENING T.B.V. DE LANDBOUW</al></entry></row><row><entry><al>011,012,013</al></entry><entry><al/></entry><entry><al>Akkerbouw en fruitteelt (bedrijfsgebouwen)</al></entry></row><row><entry><al>011,012,013,016</al></entry><entry><al>0</al></entry><entry><al>Tuinbouw:</al></entry></row><row><entry><al>011,012,013</al></entry><entry><al>1</al></entry><entry><al>- bedrijfsgebouwen</al></entry></row><row><entry><al>011,012,013</al></entry><entry><al>2</al></entry><entry><al>- kassen zonder verwarming</al></entry></row><row><entry><al>011,012,013</al></entry><entry><al>3</al></entry><entry><al>- kassen met gasverwarming</al></entry></row><row><entry><al>0113</al></entry><entry><al>4</al></entry><entry><al>- champignonkwekerijen (algemeen)</al></entry></row><row><entry><al>0113</al></entry><entry><al>5</al></entry><entry><al>- champignonkwekerijen met mestfermentatie</al></entry></row><row><entry><al>0163</al></entry><entry><al>6</al></entry><entry><al>- bloembollendroog- en prepareerbedrijven</al></entry></row><row><entry><al>06</al></entry><entry><al/></entry><entry><al>AARDOLIE- EN AARDGASWINNING</al></entry></row><row><entry><al>061,062</al></entry><entry><al>0</al></entry><entry><al>Aardolie- en aardgaswinning:</al></entry></row><row><entry><al>061</al></entry><entry><al>1</al></entry><entry><al>- aardoliewinputten</al></entry></row><row><entry><al>062</al></entry><entry><al>2</al></entry><entry><al>- aardgaswinning incl. gasbeh.inst.:&lt; 10.000.000 N
                                        m³/dag</al></entry></row><row><entry><al>062</al></entry><entry><al>3</al></entry><entry><al>- aardgaswinning incl. gasbeh.inst.&gt;= 10.000.000 N
                                        m³/dag</al></entry></row><row><entry><al>08</al></entry><entry><al/></entry><entry><al>WINNING VAN ZAND, GRIND, KLEI, ZOUT, E.D.</al></entry></row><row><entry><al>0893</al></entry><entry><al/></entry><entry><al>Zoutwinningbedrijven</al></entry></row><row><entry><al>10,11</al></entry><entry><al/></entry><entry><al>VERVAARDIGING VAN VOEDINGSMIDDELEN EN DRANKEN</al></entry></row><row><entry><al>104101</al></entry><entry><al>0</al></entry><entry><al>Vervaardiging van ruwe plantaardige en dierlijke oliën en
                                        vetten:</al></entry></row><row><entry><al>1041011</al></entry><entry><al>1</al></entry><entry><al>- p.c. &lt; 250.000 t/jaar</al></entry></row><row><entry><al>104101</al></entry><entry><al>2</al></entry><entry><al>- p.c. &gt;= 250.000 t/jaar</al></entry></row><row><entry><al>104102</al></entry><entry><al>0</al></entry><entry><al>Raffinage van plantaardige en dierlijke oliën en
                                        vetten:</al></entry></row><row><entry><al>104102</al></entry><entry><al>1</al></entry><entry><al>- p.c. &lt; 250.000 t/jaar</al></entry></row><row><entry><al>104102</al></entry><entry><al>2</al></entry><entry><al>- p.c. &gt;= 250.000 t/jaar</al></entry></row><row><entry><al>1042</al></entry><entry><al>0</al></entry><entry><al>Margarinefabrieken:</al></entry></row><row><entry><al>1042</al></entry><entry><al>2</al></entry><entry><al>- p.c. &gt;= 250.000 t/jaar</al></entry></row><row><entry><al>1081</al></entry><entry><al>0</al></entry><entry><al>Suikerfabrieken:</al></entry></row><row><entry><al>1081</al></entry><entry><al>1</al></entry><entry><al>- v.c. &lt; 250.000 t/jaar</al></entry></row><row><entry><al>1081</al></entry><entry><al>2</al></entry><entry><al>- v.c. &gt;= 250.000 t/jaar</al></entry></row><row><entry><al>110102</al></entry><entry><al>0</al></entry><entry><al>Vervaardiging van ethylalcohol door gisting:</al></entry></row><row><entry><al>110102</al></entry><entry><al>2</al></entry><entry><al>- p.c. &gt;= 5.000 t/jaar</al></entry></row><row><entry><al>13</al></entry><entry><al/></entry><entry><al>VERVAARDIGING VAN TEXTIEL</al></entry></row><row><entry><al>133</al></entry><entry><al/></entry><entry><al>Textielveredelingsbedrijven</al></entry></row><row><entry><al>1393</al></entry><entry><al/></entry><entry><al>Tapijt-, kokos- en vloermattenfabrieken</al></entry></row><row><entry><al>14</al></entry><entry><al/></entry><entry><al>VERVAARDIGING VAN KLEDING; BEREIDEN EN VERVEN VAN BONT</al></entry></row><row><entry><al>142,151</al></entry><entry><al/></entry><entry><al>Bereiden en verven van bont; vervaardiging van artikelen van
                                        bont</al></entry></row><row><entry><al>15</al></entry><entry><al/></entry><entry><al>VERVAARDIGING VAN LEER EN LEDERWAREN (EXCL. KLEDING)</al></entry></row><row><entry><al>151,152</al></entry><entry><al/></entry><entry><al>Lederfabrieken</al></entry></row><row><entry><al>16</al></entry><entry><al/></entry><entry><al>HOUTINDUSTRIE EN VERVAARDIGING VAN ARTIKELEN VAN HOUT, RIET,
                                        KURK E.D.</al></entry></row><row><entry><al>16102</al></entry><entry><al>0</al></entry><entry><al>Houtconserveringsbedrijven:</al></entry></row><row><entry><al>16102</al></entry><entry><al>1</al></entry><entry><al>- met creosootolie</al></entry></row><row><entry><al>16102</al></entry><entry><al>2</al></entry><entry><al>- met zoutoplossingen</al></entry></row><row><entry><al>1621</al></entry><entry><al/></entry><entry><al>Fineer- en plaatmaterialenfabrieken</al></entry></row><row><entry><al>58</al></entry><entry><al/></entry><entry><al>UITGEVERIJEN, DRUKKERIJEN EN REPRODUKTIE VAN OPGENOMEN
                                        MEDIA</al></entry></row><row><entry><al>1811</al></entry><entry><al/></entry><entry><al>Drukkerijen van dagbladen</al></entry></row><row><entry><al>1812</al></entry><entry><al/></entry><entry><al>Drukkerijen (vlak- en rotatie-diepdrukkerijen)</al></entry></row><row><entry><al>18129</al></entry><entry><al/></entry><entry><al>Kleine drukkerijen en kopieerinrichtingen</al></entry></row><row><entry><al>1813</al></entry><entry><al/></entry><entry><al>Grafische reproduktie en zetten</al></entry></row><row><entry><al>1814</al></entry><entry><al/></entry><entry><al>Overige grafische aktiviteiten</al></entry></row><row><entry><al>19</al></entry><entry><al/></entry><entry><al>AARDOLIE-/STEENKOOLVERWERK.IND.; BEWERKING
                                        SPUIT-/KWEEKSTOFFEN</al></entry></row><row><entry><al>191</al></entry><entry><al/></entry><entry><al>Cokesfabrieken</al></entry></row><row><entry><al>19201</al></entry><entry><al/></entry><entry><al>Aardolieraffinaderijen</al></entry></row><row><entry><al>19202</al></entry><entry><al>A</al></entry><entry><al>Smeeroliën- en vettenfabrieken</al></entry></row><row><entry><al>19202</al></entry><entry><al>B</al></entry><entry><al>Recyclingbedrijven voor afgewerkte olie</al></entry></row><row><entry><al>19202</al></entry><entry><al>C</al></entry><entry><al>Aardolieproduktenfabrieken n.e.g.</al></entry></row><row><entry><al>201,212,244</al></entry><entry><al/></entry><entry><al>Splijt- en kweekstoffenbewerkingsbedrijven</al></entry></row><row><entry><al>20</al></entry><entry><al/></entry><entry><al>VERVAARDIGING VAN CHEMISCHE PRODUKTEN</al></entry></row><row><entry><al>2012</al></entry><entry><al/></entry><entry><al>Kleur- en verstoffenfabrieken </al></entry></row><row><entry><al>2012</al></entry><entry><al>0</al></entry><entry><al>Anorg. chemische grondstoffenfabrieken:</al></entry></row><row><entry><al>2012</al></entry><entry><al>1</al></entry><entry><al>- niet vallend onder 'post-Seveso-richtlijn'</al></entry></row><row><entry><al>2012</al></entry><entry><al>2</al></entry><entry><al>- vallend onder 'post-Seveso-richtlijn'</al></entry></row><row><entry><al>20141</al></entry><entry><al>A0</al></entry><entry><al>Organ. chemische grondstoffenfabrieken:</al></entry></row><row><entry><al>20141</al></entry><entry><al>A1</al></entry><entry><al>- niet vallend onder 'post-Seveso-richtlijn'</al></entry></row><row><entry><al>20141</al></entry><entry><al>A2</al></entry><entry><al>- vallend onder 'post-Seveso-richtlijn'</al></entry></row><row><entry><al>20141</al></entry><entry><al>B0</al></entry><entry><al>Methanolfabrieken: </al></entry></row><row><entry><al>20141</al></entry><entry><al>B1</al></entry><entry><al>p.c. &lt; 100.000 t/jaar</al></entry></row><row><entry><al>20141</al></entry><entry><al>B2</al></entry><entry><al>p.c. &gt;= 100.000 t/jaar</al></entry></row><row><entry><al>20149</al></entry><entry><al>0</al></entry><entry><al>Vetzuren en alkanolenfabrieken (niet synth.):</al></entry></row><row><entry><al>20149</al></entry><entry><al>1</al></entry><entry><al>p.c. &lt; 50.000 t/jaar</al></entry></row><row><entry><al>20149</al></entry><entry><al>2</al></entry><entry><al>p.c. &gt;= 50.000 t/jaar</al></entry></row><row><entry><al>2015</al></entry><entry><al/></entry><entry><al>Kunstmeststoffenfabrieken</al></entry></row><row><entry><al>2016</al></entry><entry><al/></entry><entry><al>Kunstharsenfabrieken e.d.</al></entry></row><row><entry><al>202</al></entry><entry><al>0</al></entry><entry><al>Landbouwchemicaliënfabrieken:</al></entry></row><row><entry><al>202</al></entry><entry><al>1</al></entry><entry><al>- fabricage</al></entry></row><row><entry><al>202</al></entry><entry><al>2</al></entry><entry><al>- formulering en afvullen</al></entry></row><row><entry><al>203</al></entry><entry><al/></entry><entry><al>Verf-, lak- en vernisfabrieken</al></entry></row><row><entry><al>2110</al></entry><entry><al>0</al></entry><entry><al>Farmaceutische grondstoffenfabrieken:</al></entry></row><row><entry><al>2110</al></entry><entry><al>1</al></entry><entry><al>productiecap. &lt; 1.000 t/jaar</al></entry></row><row><entry><al>2110</al></entry><entry><al>2</al></entry><entry><al>productiecap. &gt;= 1.000 t/jaar</al></entry></row><row><entry><al>2120</al></entry><entry><al>0</al></entry><entry><al>Farmaceutische produktenfabrieken:</al></entry></row><row><entry><al>2120</al></entry><entry><al>1</al></entry><entry><al>- formulering en afvullen geneesmiddelen</al></entry></row><row><entry><al>2041</al></entry><entry><al/></entry><entry><al>Zeep-, was- en reinigingsmiddelenfabrieken</al></entry></row><row><entry><al>2051</al></entry><entry><al/></entry><entry><al>Kruit-, vuurwerk- en springstoffenfabrieken</al></entry></row><row><entry><al>2052</al></entry><entry><al>0</al></entry><entry><al>Lijm- en plakmiddelenfabrieken:</al></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al>1</al></entry><entry><al>- zonder dierlijke grondstoffen</al></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al>2</al></entry><entry><al>- met dierlijke grondstoffen</al></entry></row><row><entry><al>205902</al></entry><entry><al/></entry><entry><al>Fotochemische produktenfabrieken</al></entry></row><row><entry><al>205903</al></entry><entry><al>A</al></entry><entry><al>Chemische kantoorbenodigdhedenfabrieken</al></entry></row><row><entry><al>205903</al></entry><entry><al>B</al></entry><entry><al>Overige chemische produktenfabrieken n.e.g.</al></entry></row><row><entry><al>2060</al></entry><entry><al/></entry><entry><al>Kunstmatige synthetische garen- en vezelfabrieken</al></entry></row><row><entry><al>22</al></entry><entry><al/></entry><entry><al>VERVAARDIGING VAN PRODUKTEN VAN RUBBER EN KUNSTSTOF</al></entry></row><row><entry><al>221101</al></entry><entry><al/></entry><entry><al>Rubberbandenfabrieken</al></entry></row><row><entry><al>221102</al></entry><entry><al>0</al></entry><entry><al>Loopvlakvernieuwingsbedrijven:</al></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al>2</al></entry><entry><al>- vloeropp. &gt;= 100 m2</al></entry></row><row><entry><al>222</al></entry><entry><al>0</al></entry><entry><al>Kunststofverwerkende bedrijven:</al></entry></row><row><entry><al>222</al></entry><entry><al>2</al></entry><entry><al>- met fenolharsen</al></entry></row><row><entry><al>23</al></entry><entry><al/></entry><entry><al>VERVAARDIGING VAN GLAS, AARDEWERK, CEMENT-, KALK- EN
                                        GIPSPRODUKTEN</al></entry></row><row><entry><al>2351</al></entry><entry><al>0</al></entry><entry><al>Cementfabrieken:</al></entry></row><row><entry><al>2351</al></entry><entry><al>2</al></entry><entry><al>- p.c. &gt;= 100.000 t/jaar</al></entry></row><row><entry><al>235202</al></entry><entry><al>0</al></entry><entry><al>Gipsfabrieken:</al></entry></row><row><entry><al>235202</al></entry><entry><al>2</al></entry><entry><al>- p.c. &gt;= 100.000 t/jaar</al></entry></row><row><entry><al>23611</al></entry><entry><al>0</al></entry><entry><al>Betonwarenfabrieken:</al></entry></row><row><entry><al>23611</al></entry><entry><al>1</al></entry><entry><al>- zonder persen, triltafels en bekistingstrillers</al></entry></row><row><entry><al>23611</al></entry><entry><al>2</al></entry><entry><al>- met persen, triltafels of bekistingstrillers, p.c. &lt;
                                        100 t/dag</al></entry></row><row><entry><al>23611</al></entry><entry><al>3</al></entry><entry><al>- met persen, triltafels of bekistingstrillers, p.c. &gt;=
                                        100 t/dag</al></entry></row><row><entry><al>2365,2369</al></entry><entry><al>0</al></entry><entry><al>Vervaardiging van produkten van beton, (vezel)cement en
                                        gips:</al></entry></row><row><entry><al>2365,2369</al></entry><entry><al>2</al></entry><entry><al>- p.c. &gt;= 100 t/dag</al></entry></row><row><entry><al>2399</al></entry><entry><al>A0</al></entry><entry><al>Bitumineuze materialenfabrieken</al></entry></row><row><entry><al>2399</al></entry><entry><al>A1</al></entry><entry><al>- p.c. &lt; 100 t/uur</al></entry></row><row><entry><al>2399</al></entry><entry><al>A2</al></entry><entry><al>- p.c. &gt;= 100 t/uur</al></entry></row><row><entry><al>2399</al></entry><entry><al>D0</al></entry><entry><al>Asfaltcentrales: p.c. &lt; 100 ton/uur</al></entry></row><row><entry><al>2399</al></entry><entry><al>D1</al></entry><entry><al>- asfaltcentrales, p.c. &gt;= 100 ton/uur</al></entry></row><row><entry><al>24</al></entry><entry><al/></entry><entry><al>VERVAARDIGING VAN METALEN</al></entry></row><row><entry><al>241</al></entry><entry><al>0</al></entry><entry><al>Ruwijzer- en staalfabrieken: </al></entry></row><row><entry><al>241</al></entry><entry><al>1</al></entry><entry><al>- p.c. &lt; 1.000 t/jaar</al></entry></row><row><entry><al>241</al></entry><entry><al>2</al></entry><entry><al>- p.c. &gt;= 1.000 t/jaar</al></entry></row><row><entry><al>245</al></entry><entry><al>0</al></entry><entry><al>IJzeren- en stalenbuizenfabrieken:</al></entry></row><row><entry><al>245</al></entry><entry><al>1</al></entry><entry><al>- p.o. &lt; 2.000 m2</al></entry></row><row><entry><al>245</al></entry><entry><al>2</al></entry><entry><al>- p.o. &gt;= 2.000 m2</al></entry></row><row><entry><al>243</al></entry><entry><al>0</al></entry><entry><al>Draadtrekkerijen, koudbandwalserijen en
                                        profielzetterijen:</al></entry></row><row><entry><al>243</al></entry><entry><al>2</al></entry><entry><al>- p.o. &gt;= 2.000 m2</al></entry></row><row><entry><al>244</al></entry><entry><al>A0</al></entry><entry><al>Non-ferro-metaalfabrieken:</al></entry></row><row><entry><al>244</al></entry><entry><al>A1</al></entry><entry><al>- p.c. &lt; 1.000 t/jaar</al></entry></row><row><entry><al>244</al></entry><entry><al>A2</al></entry><entry><al>- p.c. &gt;= 1.000 t/jaar</al></entry></row><row><entry><al>244</al></entry><entry><al>B0</al></entry><entry><al>Non-ferro-metaalwalserijen, -trekkerijen e.d.:</al></entry></row><row><entry><al>244</al></entry><entry><al>B1</al></entry><entry><al>- p.o. &lt; 2.000 m2</al></entry></row><row><entry><al>244</al></entry><entry><al>B2</al></entry><entry><al>- p.o. &gt;= 2.000 m2</al></entry></row><row><entry><al>2451,2452</al></entry><entry><al>0</al></entry><entry><al>IJzer- en staalgieterijen/-smelterijen:</al></entry></row><row><entry><al>2451,2452</al></entry><entry><al>1</al></entry><entry><al>- p.c. &lt; 4.000 t/jaar</al></entry></row><row><entry><al>2451,2452</al></entry><entry><al>2</al></entry><entry><al>- p.c. &gt;= 4.000 t/jaar</al></entry></row><row><entry><al>2453,2454</al></entry><entry><al>0</al></entry><entry><al>Non-ferro-metaalgieterijen/-smelterijen:</al></entry></row><row><entry><al>2435,2454</al></entry><entry><al>1</al></entry><entry><al>- p.c. &lt; 4.000 t/jaar</al></entry></row><row><entry><al>2453,2454</al></entry><entry><al>2</al></entry><entry><al>- p.c. &gt;= 4.000 t/jaar</al></entry></row><row><entry><al>25,31</al></entry><entry><al/></entry><entry><al>VERVAARD. EN REPARATIE VAN PRODUKTEN VAN METAAL (EXCL.
                                        MACH./TRANSPORTMIDD.)</al></entry></row><row><entry><al>251,331</al></entry><entry><al>0</al></entry><entry><al>Constructiewerkplaatsen:</al></entry></row><row><entry><al>251,331</al></entry><entry><al>1</al></entry><entry><al>- gesloten gebouw</al></entry></row><row><entry><al>251,331</al></entry><entry><al>2</al></entry><entry><al>- in open lucht, p.o. &lt; 2.000 m2</al></entry></row><row><entry><al>251,331</al></entry><entry><al>3</al></entry><entry><al>- in open lucht, p.o. &gt;= 2.000 m2</al></entry></row><row><entry><al>2529,3311</al></entry><entry><al>0</al></entry><entry><al>Tank- en reservoirbouwbedrijven:</al></entry></row><row><entry><al>2529,3311</al></entry><entry><al>1</al></entry><entry><al>- p.o. &lt; 2.000 m2</al></entry></row><row><entry><al>2529,3311</al></entry><entry><al>2</al></entry><entry><al>- p.o. &gt;= 2.000 m2</al></entry></row><row><entry><al>2521,2530,3311</al></entry><entry><al/></entry><entry><al>Vervaardiging van verwarmingsketels, radiatoren en
                                        stoomketels</al></entry></row><row><entry><al>255,331</al></entry><entry><al>A</al></entry><entry><al>Stamp-, pers-, dieptrek- en forceerbedrijven</al></entry></row><row><entry><al>255,331</al></entry><entry><al>B</al></entry><entry><al>Smederijen, lasinrichtingen, bankwerkerijen e.d.</al></entry></row><row><entry><al>255,331</al></entry><entry><al>B1</al></entry><entry><al>Smederijen, lasinrichtingen, bankwerkerijen e.d., p.o. &lt;
                                        200 m2</al></entry></row><row><entry><al>2561,3311</al></entry><entry><al>0</al></entry><entry><al>Metaaloppervlaktebehandelingsbedrijven:</al></entry></row><row><entry><al>2561,3311</al></entry><entry><al>1</al></entry><entry><al>- algemeen</al></entry></row><row><entry><al>2561,3311</al></entry><entry><al>10</al></entry><entry><al>- stralen</al></entry></row><row><entry><al>2561,3311</al></entry><entry><al>11</al></entry><entry><al>- metaalharden m2</al></entry></row><row><entry><al>2561,3311</al></entry><entry><al>12</al></entry><entry><al>- lakspuiten en moffelen</al></entry></row><row><entry><al>2561,3311</al></entry><entry><al>2</al></entry><entry><al>- scoperen (opspuiten van zink)</al></entry></row><row><entry><al>2561,3311</al></entry><entry><al>3</al></entry><entry><al>- thermisch verzinken</al></entry></row><row><entry><al>2561,3311</al></entry><entry><al>4</al></entry><entry><al>- thermisch vertinnen</al></entry></row><row><entry><al>2561,3311</al></entry><entry><al>5</al></entry><entry><al>- mechanische oppervlaktebehandeling (slijpen,
                                        polijsten)</al></entry></row><row><entry><al>2561,3311</al></entry><entry><al>6</al></entry><entry><al>- anodiseren, eloxeren</al></entry></row><row><entry><al>2561,3311</al></entry><entry><al>7</al></entry><entry><al>- chemische oppervlaktebehandeling</al></entry></row><row><entry><al>2561,3311</al></entry><entry><al>8</al></entry><entry><al>- emailleren</al></entry></row><row><entry><al>2561,3311</al></entry><entry><al>9</al></entry><entry><al>- galvaniseren (vernikkelen, verchromen, verzinken,
                                        verkoperen e.d.)</al></entry></row><row><entry><al>2562,3311</al></entry><entry><al>1</al></entry><entry><al>Overige metaalbewerkende industrie</al></entry></row><row><entry><al>2562,3311</al></entry><entry><al>2</al></entry><entry><al>Overige metaalbewerkende industrie, inpandig, p.o. &lt; 200
                                        m2</al></entry></row><row><entry><al>259,331</al></entry><entry><al>A0</al></entry><entry><al>Grofsmederijen, anker- en kettingfabrieken: </al></entry></row><row><entry><al>259,331</al></entry><entry><al>A1</al></entry><entry><al>- p.o. &lt; 2.000 m2</al></entry></row><row><entry><al>259,331</al></entry><entry><al>A2</al></entry><entry><al>- p.o. &gt;= 2.000 m2</al></entry></row><row><entry><al>259,331</al></entry><entry><al>B</al></entry><entry><al>Overige metaalwarenfabrieken n.e.g.</al></entry></row><row><entry><al>259,331</al></entry><entry><al>B</al></entry><entry><al>Overige metaalwarenfabrieken n.e.g.; inpandig, p.o. &lt; 200
                                        m2</al></entry></row><row><entry><al>27,28,33</al></entry><entry><al/></entry><entry><al>VERVAARDIGING VAN MACHINES EN APPARATEN</al></entry></row><row><entry><al>27,28,33</al></entry><entry><al>0</al></entry><entry><al>Machine- en apparatenfabrieken incl. reparatie:</al></entry></row><row><entry><al>27,28,33</al></entry><entry><al>1</al></entry><entry><al>- p.o. &lt; 2.000 m2</al></entry></row><row><entry><al>27,28,33</al></entry><entry><al>2</al></entry><entry><al>- p.o. &gt;= 2.000 m2</al></entry></row><row><entry><al>28,33</al></entry><entry><al>3</al></entry><entry><al>met proefdraaien verbrandingsmotoren &gt;= 1 MW</al></entry></row><row><entry><al>26,27,33</al></entry><entry><al/></entry><entry><al>VERVAARDIGING VAN OVER. ELEKTR. MACHINES, APPARATEN EN
                                        BENODIGDHEDEN</al></entry></row><row><entry><al>271,331</al></entry><entry><al/></entry><entry><al>Elektromotoren- en generatorenfabrieken incl. reparatie</al></entry></row><row><entry><al>271,273</al></entry><entry><al/></entry><entry><al>Schakel- en installatiemateriaalfabrieken</al></entry></row><row><entry><al>272</al></entry><entry><al/></entry><entry><al>Accumulatoren- en batterijenfabrieken</al></entry></row><row><entry><al>274</al></entry><entry><al/></entry><entry><al>Lampenfabrieken</al></entry></row><row><entry><al>2790</al></entry><entry><al/></entry><entry><al>Koolelektrodenfabrieken</al></entry></row><row><entry><al>26,33</al></entry><entry><al/></entry><entry><al>VERVAARDIGING VAN AUDIO-, VIDEO-, TELECOMAPPARATEN EN
                                        BENODIGDHEDEN</al></entry></row><row><entry><al>261,263,264,331</al></entry><entry><al/></entry><entry><al>Vervaardiging van audio-, video, en telecomapparatuur e.d.
                                        incl. reparatie</al></entry></row><row><entry><al>2612</al></entry><entry><al/></entry><entry><al>Fabrieken voor gedrukte bedrading</al></entry></row><row><entry><al>29</al></entry><entry><al/></entry><entry><al>VERVAARDIGING VAN AUTO'S, AANHANGWAGENS EN OPLEGGERS</al></entry></row><row><entry><al>291</al></entry><entry><al>0</al></entry><entry><al>Autofabrieken en assemblagebedrijven:</al></entry></row><row><entry><al>291</al></entry><entry><al>1</al></entry><entry><al>- p.o. &lt; 10.000 m2</al></entry></row><row><entry><al>291</al></entry><entry><al>2</al></entry><entry><al>- p.o. &gt;= 10.000 m2</al></entry></row><row><entry><al>29201</al></entry><entry><al/></entry><entry><al>Carrosseriefabrieken</al></entry></row><row><entry><al>29202</al></entry><entry><al/></entry><entry><al>Aanhangwagen- en opleggerfabrieken</al></entry></row><row><entry><al>30</al></entry><entry><al/></entry><entry><al>VERVAARDIGING VAN TRANSPORTMIDDELEN (EXCL. AUTO'S,
                                        AANHANGWAGENS)</al></entry></row><row><entry><al>301,3315</al></entry><entry><al>0</al></entry><entry><al>Scheepsbouw- en reparatiebedrijven:</al></entry></row><row><entry><al>301,3315</al></entry><entry><al>1</al></entry><entry><al>- houten schepen</al></entry></row><row><entry><al>301,3315</al></entry><entry><al>2</al></entry><entry><al>- kunststof schepen</al></entry></row><row><entry><al>301,3315</al></entry><entry><al>3</al></entry><entry><al>- metalen schepen &lt; 25 m</al></entry></row><row><entry><al>301,3315</al></entry><entry><al>4</al></entry><entry><al>- metalen schepen &gt;= 25 m en/of proefdraaien motoren
                                        &gt;= 1 MW</al></entry></row><row><entry><al>3831</al></entry><entry><al/></entry><entry><al>Scheepssloperijen</al></entry></row><row><entry><al>302,317</al></entry><entry><al>0</al></entry><entry><al>Wagonbouw- en spoorwegwerkplaatsen:</al></entry></row><row><entry><al>302,317</al></entry><entry><al>1</al></entry><entry><al>- algemeen</al></entry></row><row><entry><al>302,317</al></entry><entry><al>2</al></entry><entry><al>- met proefdraaien van verbrandingsmotoren &gt;= 1 MW</al></entry></row><row><entry><al>303,3316</al></entry><entry><al>0</al></entry><entry><al>Vliegtuigbouw- en reparatiebedrijven:</al></entry></row><row><entry><al>303,3316</al></entry><entry><al>1</al></entry><entry><al>- zonder proefdraaien motoren</al></entry></row><row><entry><al>303,3316</al></entry><entry><al>2</al></entry><entry><al>- met proefdraaien motoren</al></entry></row><row><entry><al>309</al></entry><entry><al/></entry><entry><al>Rijwiel- en motorrijwielfabrieken</al></entry></row><row><entry><al>3099</al></entry><entry><al/></entry><entry><al>Transportmiddelenindustrie n.e.g.</al></entry></row><row><entry><al>31</al></entry><entry><al/></entry><entry><al>VERVAARDIGING VAN MEUBELS EN OVERIGE GOEDEREN N.E.G.</al></entry></row><row><entry><al>310</al></entry><entry><al>1</al></entry><entry><al>Meubelfabrieken</al></entry></row><row><entry><al>321</al></entry><entry><al/></entry><entry><al>Fabricage van munten, sieraden e.d.</al></entry></row><row><entry><al>38</al></entry><entry><al/></entry><entry><al>VOORBEREIDING TOT RECYCLING</al></entry></row><row><entry><al>383201</al></entry><entry><al/></entry><entry><al>Metaal- en autoshredders</al></entry></row><row><entry><al>383202</al></entry><entry><al>C</al></entry><entry><al>Afvalscheidingsinstallaties</al></entry></row><row><entry><al>35</al></entry><entry><al/></entry><entry><al>PRODUKTIE EN DISTRIB. VAN STROOM, AARDGAS, STOOM EN WARM
                                        WATER</al></entry></row><row><entry><al>35</al></entry><entry><al>A0</al></entry><entry><al>Elektriciteitsproduktiebedrijven (electrisch vermogen &gt;=
                                        50 MWe):</al></entry></row><row><entry><al>35</al></entry><entry><al>A1</al></entry><entry><al>- kolengestookt (incl. meestook biomassa), thermisch
                                        vermogen &gt; 75 MWth</al></entry></row><row><entry><al>35</al></entry><entry><al>A2</al></entry><entry><al>- oliegestookt, thermisch vermogen &gt; 75 MWth</al></entry></row><row><entry><al>35</al></entry><entry><al>C0</al></entry><entry><al>Elektriciteitsdistributiebedrijven, met
                                        transformatorvermogen:</al></entry></row><row><entry><al>35</al></entry><entry><al>C1</al></entry><entry><al>- &lt; 10 MVA</al></entry></row><row><entry><al>35</al></entry><entry><al>C2</al></entry><entry><al>- 10 - 100 MVA</al></entry></row><row><entry><al>35</al></entry><entry><al>C3</al></entry><entry><al>- 100 - 200 MVA</al></entry></row><row><entry><al>35</al></entry><entry><al>C4</al></entry><entry><al>- 200 - 1000 MVA</al></entry></row><row><entry><al>35</al></entry><entry><al>C5</al></entry><entry><al>- &gt;= 1000 MVA</al></entry></row><row><entry><al>41,42,43</al></entry><entry><al/></entry><entry><al>BOUWNIJVERHEID</al></entry></row><row><entry><al>41,42,43</al></entry><entry><al>0</al></entry><entry><al>Bouwbedrijven algemeen: b.o. &gt; 2.000 m2</al></entry></row><row><entry><al>41,42,43</al></entry><entry><al>1</al></entry><entry><al>- bouwbedrijven algemeen: b.o. &lt;= 2.000 m2</al></entry></row><row><entry><al>41,42,43</al></entry><entry><al>2</al></entry><entry><al>Aannemersbedrijven met werkplaats: b.o. &gt; 1.000 m2</al></entry></row><row><entry><al>41,42,43</al></entry><entry><al>3</al></entry><entry><al>- aannemersbedrijven met werkplaats: b.o. &lt;= 1.000
                                        m2</al></entry></row><row><entry><al>45,47</al></entry><entry><al/></entry><entry><al>HANDEL/REPARATIE VAN AUTO'S, MOTORFIETSEN;
                                        BEZINESERVICE-STATIONS</al></entry></row><row><entry><al>451,452,454</al></entry><entry><al/></entry><entry><al>Handel in auto's en motorfietsen, reparatie- en
                                        servicebedrijven</al></entry></row><row><entry><al>45204</al></entry><entry><al>C</al></entry><entry><al>Autospuitinrichtingen</al></entry></row><row><entry><al>473</al></entry><entry><al>0</al></entry><entry><al>Benzineservicestations:</al></entry></row><row><entry><al>473</al></entry><entry><al>1</al></entry><entry><al>- met LPG &gt; 1.000 m3/jaar</al></entry></row><row><entry><al>473</al></entry><entry><al>2</al></entry><entry><al>- met LPG &lt; 1.000 m3/jaar</al></entry></row><row><entry><al>473</al></entry><entry><al>3</al></entry><entry><al>- zonder LPG</al></entry></row><row><entry><al>46</al></entry><entry><al/></entry><entry><al>GROOTHANDEL EN HANDELSBEMIDDELING</al></entry></row><row><entry><al>46711</al></entry><entry><al>0</al></entry><entry><al>Grth in vaste brandstoffen</al></entry></row><row><entry><al>46711</al></entry><entry><al>2</al></entry><entry><al>- kolenterminal, opslag opp. &gt;= 2.000 m2</al></entry></row><row><entry><al>46712</al></entry><entry><al>0</al></entry><entry><al>Grth in vloeibare en gasvormige brandstoffen:</al></entry></row><row><entry><al>46712</al></entry><entry><al>1</al></entry><entry><al>- vloeistoffen, o.c. &lt; 100.000 m3</al></entry></row><row><entry><al>46712</al></entry><entry><al>2</al></entry><entry><al>- vloeistoffen, o.c. &gt;= 100.000 m3</al></entry></row><row><entry><al>46713</al></entry><entry><al/></entry><entry><al>Grth minerale olieprodukten (excl. Brandstoffen)</al></entry></row><row><entry><al>46721</al></entry><entry><al>0</al></entry><entry><al>Grth in metaalertsen:</al></entry></row><row><entry><al>46721</al></entry><entry><al>1</al></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al>46721</al></entry><entry><al>2</al></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al>46751</al></entry><entry><al/></entry><entry><al>Grth in chemische produkten</al></entry></row><row><entry><al>4677</al></entry><entry><al>0</al></entry><entry><al>Autosloperijen: b.o. &gt; 1.000 m2</al></entry></row><row><entry><al>4677</al></entry><entry><al>1</al></entry><entry><al>- autosloperijen: b.o. &lt;= 1.000 m2</al></entry></row><row><entry><al>4677</al></entry><entry><al>0</al></entry><entry><al>Overige groothandel in afval en schroot: b.o. &gt; 1.000
                                        m2</al></entry></row><row><entry><al>4677</al></entry><entry><al>1</al></entry><entry><al>- overige groothandel in afval en schroot: b.o. &lt;= 1.000
                                        m2</al></entry></row><row><entry><al>49</al></entry><entry><al/></entry><entry><al>VERVOER OVER LAND</al></entry></row><row><entry><al>495</al></entry><entry><al/></entry><entry><al>Pomp- en compressorstations van pijpleidingen</al></entry></row><row><entry><al>52</al></entry><entry><al/></entry><entry><al>DIENSTVERLENING T.B.V. VERVOER</al></entry></row><row><entry><al>52241</al></entry><entry><al>0</al></entry><entry><al>Laad-, los- en overslagbedrijven t.b.v. zeeschepen:</al></entry></row><row><entry><al>52241</al></entry><entry><al>2</al></entry><entry><al>- stukgoederen</al></entry></row><row><entry><al>52241</al></entry><entry><al>3</al></entry><entry><al>- ertsen, mineralen e.d., opslagopp. &gt;= 2.000 m2</al></entry></row><row><entry><al>52241</al></entry><entry><al>5</al></entry><entry><al>- steenkool, opslagopp. &gt;= 2.000 m2</al></entry></row><row><entry><al>52241</al></entry><entry><al>6</al></entry><entry><al>- olie, LPG, e.d.</al></entry></row><row><entry><al>52241</al></entry><entry><al>7</al></entry><entry><al>- tankercleaning</al></entry></row><row><entry><al>52242</al></entry><entry><al>0</al></entry><entry><al>Laad-, los- en overslagbedrijven t.b.v. binnenvaart:</al></entry></row><row><entry><al>52242</al></entry><entry><al>10</al></entry><entry><al>- tankercleaning</al></entry></row><row><entry><al>52242</al></entry><entry><al>2</al></entry><entry><al>- stukgoederen</al></entry></row><row><entry><al>52242</al></entry><entry><al>3</al></entry><entry><al>- ertsen, mineralen e.d., opslagopp. &lt; 2.000 m2</al></entry></row><row><entry><al>52242</al></entry><entry><al>4</al></entry><entry><al>- ertsen, mineralen e.d., opslagopp. &gt;= 2.000 m2</al></entry></row><row><entry><al>52242</al></entry><entry><al>7</al></entry><entry><al>- steenkool, opslagopp. &lt; 2.000 m2</al></entry></row><row><entry><al>52242</al></entry><entry><al>8</al></entry><entry><al>- steenkool, opslagopp. &gt;= 2.000 m2</al></entry></row><row><entry><al>52242</al></entry><entry><al>9</al></entry><entry><al>- olie, LPG, e.d.</al></entry></row><row><entry><al>5223</al></entry><entry><al>A</al></entry><entry><al>Luchthavens</al></entry></row><row><entry><al>77</al></entry><entry><al/></entry><entry><al>VERHUUR VAN TRANSPORTMIDDELEN, MACHINES, ANDERE ROERENDE
                                        GOEDEREN</al></entry></row><row><entry><al>773</al></entry><entry><al/></entry><entry><al>Verhuurbedrijven voor machines en werktuigen</al></entry></row><row><entry><al>63,69t/m71,73</al></entry><entry><al/></entry><entry><al>OVERIGE ZAKELIJKE DIENSTVERLENING</al></entry></row><row><entry><al>74,77,78</al></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al>80t/m82</al></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al>812</al></entry><entry><al/></entry><entry><al>Reinigingsbedrijven voor gebouwen</al></entry></row><row><entry><al>74203</al></entry><entry><al/></entry><entry><al>Foto- en filmontwikkelingscentrales</al></entry></row><row><entry><al>84</al></entry><entry><al/></entry><entry><al>OPENBAAR BESTUUR, OVERHEIDSDIENSTEN, SOCIALE
                                        VERZEKERINGEN</al></entry></row><row><entry><al>8422</al></entry><entry><al/></entry><entry><al>Defensie-inrichtingen</al></entry></row><row><entry><al>37,38,39</al></entry><entry><al/></entry><entry><al>MILIEUDIENSTVERLENING</al></entry></row><row><entry><al>381</al></entry><entry><al>B</al></entry><entry><al>Gemeentewerven (afvalinzameldepots)</al></entry></row><row><entry><al>381</al></entry><entry><al>C</al></entry><entry><al>Vuiloverslagstations</al></entry></row><row><entry><al>382</al></entry><entry><al>A0</al></entry><entry><al>Afvalverwerkingsbedrijven:</al></entry></row><row><entry><al>382</al></entry><entry><al>A2</al></entry><entry><al>- kabelbranderijen</al></entry></row><row><entry><al>382</al></entry><entry><al>A5</al></entry><entry><al>- oplosmiddelterugwinning</al></entry></row><row><entry><al>382</al></entry><entry><al>A6</al></entry><entry><al>- afvalverbrandingsinrichtingen, thermisch vermogen &gt; 75
                                        MW</al></entry></row><row><entry><al>382</al></entry><entry><al>A7</al></entry><entry><al>- verwerking fotochemisch en galvano-afval</al></entry></row><row><entry><al>382</al></entry><entry><al>B</al></entry><entry><al>Vuilstortplaatsen</al></entry></row><row><entry><al>382</al></entry><entry><al>C0</al></entry><entry><al>Composteerbedrijven:</al></entry></row><row><entry><al>382</al></entry><entry><al>C1</al></entry><entry><al>- niet-belucht v.c. &lt; 5.000 ton/jaar</al></entry></row><row><entry><al>382</al></entry><entry><al>C2</al></entry><entry><al>- niet-belucht v.c. &lt; 5.000 tot 20.000 ton/jaar</al></entry></row><row><entry><al>382</al></entry><entry><al>C3</al></entry><entry><al>- belucht v.c. &lt; 20.000 ton/jaar</al></entry></row><row><entry><al>382</al></entry><entry><al>C4</al></entry><entry><al>- belucht v.c. &gt; 20.000 ton/jaar</al></entry></row><row><entry><al>382</al></entry><entry><al>C5</al></entry><entry><al>- GFT in gesloten gebouw</al></entry></row><row><entry><al>59</al></entry><entry><al/></entry><entry><al>CULTUUR, SPORT EN RECREATIE</al></entry></row><row><entry><al>931</al></entry><entry><al>B</al></entry><entry><al>Skelter- en kartbanen, open lucht, &lt; 8 uur/week in
                                        gebruik</al></entry></row><row><entry><al>931</al></entry><entry><al>C</al></entry><entry><al>Skelter- en kartbanen, open lucht,&gt;= 8 uur/week in
                                        gebruik</al></entry></row><row><entry><al>931</al></entry><entry><al>D</al></entry><entry><al>Autocircuits, motorcrossterreinen e.d., &lt; 8 uur/week in
                                        gebruik</al></entry></row><row><entry><al>931</al></entry><entry><al>E</al></entry><entry><al>Autocircuits, motorcrossterreinen e.d., &gt;= 8 uur/week in
                                        gebruik</al></entry></row><row><entry><al>932</al></entry><entry><al>G</al></entry><entry><al>Jachthavens met diverse voorzieningen</al></entry></row><row><entry><al>96</al></entry><entry><al/></entry><entry><al>OVERIGE DIENSTVERLENING</al></entry></row><row><entry><al>96012</al></entry><entry><al/></entry><entry><al>Chemische wasserijen en ververijen</al></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al>OPSLAGEN</al></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al>3.0</al></entry><entry><al>Brandbare vloeistoffen (in tanks):</al></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al>3.1</al></entry><entry><al>- ondergronds, K1/K2/K3-klasse</al></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al>3.2</al></entry><entry><al>- bovengronds, K1/K2-kl.: &lt; 10 m3</al></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al>3.3</al></entry><entry><al>- bovengronds, K1/K2-kl.: 10 - 1000 m3</al></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al>3.4</al></entry><entry><al>- bovengronds, K3-klasse: &lt; 10 m3</al></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al>3.5</al></entry><entry><al>- bovengronds, K3-klasse: 10 - 1000 m3</al></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al>10.0</al></entry><entry><al>Gier/drijfmest (gesloten opslag):</al></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al>10.1</al></entry><entry><al>- oppervlakte &lt; 350 m2</al></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al>10.2</al></entry><entry><al>- oppervlakte 350 - 750 m2</al></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al>10.3</al></entry><entry><al>- oppervlakte &gt;= 750 m2</al></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al>INSTALLATIES</al></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al>28</al></entry><entry><al>vatenspoelinstallaties</al></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al>31.0</al></entry><entry><al>Stookinstallaties &gt; 900 kW thermisch vermogen:</al></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al>31.6</al></entry><entry><al>- olie &gt;= 75 MW</al></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al>35</al></entry><entry><al>Motorbrandstofpompen zonder LPG</al></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry></row></tbody></tgroup></table></bijlage><bijlage><kop><titel>Bijlage 3 Voorschriften en instructies voor inrichtingen in
                        waterwingebieden, grondwaterbeschermingsgebieden en boringsvrije
                        zones</titel></kop><artikel><kop><titel/></kop><al>Voorschriften voor inrichtingen, waarvoor geen omgevingsvergunning is
                        vereist, in waterwingebieden, grondwaterbeschermingsgebieden en boringsvrije
                        zones, als bedoeld in hoofdstuk 3, titel 3.2, paragraaf 3.2.1, artikel
                        3.2.1.3; paragraaf 3.2.2, artikel 3.2.2.3 en paragraaf 3.2.3, artikel
                        3.2.3.3 van de Omgevingsverordening Overijssel.</al><al>Instructieregels voor omgevingsvergunningen voor inrichtingen in
                        waterwingebieden, grondwaterbeschermingsgebieden en boringsvrije zones, als
                        bedoeld in hoofdstuk 3, titel 3.2, paragraaf 3.2.1, artikel 3.2.1.2;
                        paragraaf 3.2.2, artikel 3.2.2.2 en paragraaf 3.2.3, artikel 3.2.3.2 van de
                        Omgevingsverordening Overijssel.</al></artikel><artikel><kop><titel>3A Begripsbepalingen</titel></kop><lid><lidnr/><al>In deze bijlage wordt verstaan onder:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al id="anker-H55832_0_0_1_1_"> AS 6700: Accreditatieschema Inspectie van
                            vloeistofdichte voorzieningen, AS SIKB 6700, versie 1.0, uitgave juni
                            2011 van de Stichting Infrastructuur Kwaliteitsborging Bodembeheer;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al id="anker-H55832_0_0_1_2_"> CUR/PBV: Stichting civieltechnisch centrum
                            uitvoering, research en regelgeving/projectbureau Plan Bodembeschermende
                            Voorzieningen;</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al id="anker-H55832_0_0_1_3_"> CUR/PBV-Aanbeveling 51: CUR/PBV-Aanbeveling
                            51 Milieutechnische ontwerpcriteria voor bedrijfsriolering, uitgave
                            augustus 1997;</al></lid><lid><lidnr>d.</lidnr><al id="anker-H55832_0_0_1_4_"> CUR/PBV Rapport 2001-3: CUR/PBV Rapport
                            2001-3 Beheer bedrijfsriolering bodembescherming, uitgave 2001;</al></lid><lid><lidnr>e.</lidnr><al id="anker-H55832_0_0_1_5_"> PGS: Publicatiereeks Gevaarlijke
                            Stoffen;</al></lid><lid><lidnr>f.</lidnr><al id="anker-H55832_0_0_1_6_"> PGS 15: Richtlijn PGS 15, getiteld ‘Opslag
                            van verpakte gevaarlijke stoffen', zoals gepubliceerd op
                            www.publicatiereeksgevaarlijkestoffen.nl, PGS 15: 2005 (6-2005) en de
                            errata van 28 juni 2005, 4 oktober 2007, 7 januari 2008, 3 april 2008,
                            15 mei 2008, 25 juni 2008, 15 september 2008, 21 november 2008, 11
                            december 2008 en 12 december 2008;</al></lid><lid><lidnr>g.</lidnr><al id="anker-H55832_0_0_1_7_"> PGS 28: Richtlijn PGS 28, getiteld
                            ‘Vloeibare aardolieproducten, Afleverinstallaties en ondergrondse
                            opslag', zoals gepubliceerd op www.publicatiereeksgevaarlijkestoffen.nl,
                            PGS 28: 2000 (3-2005);</al></lid><lid><lidnr>h.</lidnr><al id="anker-H55832_0_0_1_8_"> PGS 30: Richtlijn PGS 30, getiteld
                            ‘Vloeibare aardolieproducten, Buitenopslag in kleine installaties',
                            zoals gepubliceerd op www.publicatiereeksgevaarlijkestoffen.nl, PGS 30:
                            1999 versie 0.1 (2-2009).</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>3b Aanwijzing van categorieën van gevallen, beperkingen en
                            voorschriften, afwijkingen en nadere eisen</titel></kop><table><tgroup cols="4"><colspec colname="C4" colnum="4"/><colspec colname="C3" colnum="3"/><colspec colname="C2" colnum="2"/><colspec colname="C1" colnum="1"/><colspec colname="C0" colnum="0"/><thead><row><entry><al>Nr. </al></entry><entry><al>CATEGORIEEN VAN GEVALLEN </al></entry><entry><al>BEPERKINGEN EN VOORSCHRIFTEN </al><al>inhoudende de verplichting:</al></entry><entry><al>AFWIJKINGEN EN </al><al>NADERE EISEN </al></entry></row></thead><tbody><row><entry><al/></entry><entry><al><vet>Activiteiten in waterwingebieden en </vet></al><al><vet>grondwaterbeschermingsgebieden</vet></al></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al> 1.</al></entry><entry><al>zorgplicht</al></entry><entry><al>1. dat ieder die in een milieubeschermingsgebied met de
                                            functie waterwinning binnen een inrichting gedragingen
                                            verricht of nalaat en die weet of redelijkerwijs kan
                                            vermoeden dat daardoor het belang van de bescherming van
                                            de kwaliteit van het grondwater met het oog op de
                                            waterwinning kan worden geschaad, is verplicht alle
                                            maatregelen te nemen die redelijkerwijs van hem kunnen
                                            worden gevergd om die schade te voorkomen. Indien die
                                            schade niet kan worden voorkomen moet hij deze zoveel
                                            mogelijk beperken en ongedaan maken.</al><al>2. dat ingeval van een verontreiniging of van een
                                            dreigende verontreiniging van bodem of grondwater, tot
                                            de maatregelen als bedoeld in voorschrift 1 in ieder
                                            geval behoort dat degene die de bedoelde gedragingen
                                            verricht of nalaat, terstond het bevoegd gezag en de
                                            betrokken grondwateronttrekker informeert.</al></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al> 2.</al></entry><entry><al>het op- en overslaan van </al><al>vloeibare en vaste </al><al>schadelijke stoffen en </al><al>vloeibare en vaste </al><al>afvalstoffen in emballage</al></entry><entry><al>de bodembeschermende maatregelen en voorzieningen te
                                            treffen als bedoeld in PGS 15.</al></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al> 3.</al></entry><entry><al>het op- en overslaan van </al><al>vaste schadelijke stoffen </al><al>en vaste afvalstoffen anders </al><al>dan in emballage </al></entry><entry><al>1. dat voorzieningen dienen te worden aangebracht welke
                                            duurzaam voorkomen dat schadelijke stoffen in de bodem
                                            kunnen komen en dat een regelmatige controle wordt
                                            uitgevoerd ten aanzien van het functioneren van deze
                                            voorzieningen; </al><al>2. dat vloeistoffen afkomstig van verhardingen zodanig
                                            dienen te worden afgevoerd dat deze niet in de bodem
                                            terecht kunnen komen.</al></entry><entry><al>Bij bestaande en nieuwe </al><al>opslag in silo's, kelders </al><al>of vergelijkbare inpandige </al><al>vloeistofdichte constructies </al><al>(ter beoordeling van het </al><al>bevoegd gezag), is </al><al>voorschrift 2 niet van </al><al>toepassing. </al></entry></row><row><entry><al> 4.</al></entry><entry><al>het op- en overslaan van </al><al>vloeibare aardolie- </al><al>producten in ondergrondse </al><al>tanks </al></entry><entry><al>1. extra bodembeschermende maatregelen en voorzieningen
                                            te treffen, zoals die in hoofdstuk 11 van PGS 28 zijn
                                            aangegeven;</al><al>2. de maatregelen en voorzieningen te treffen zoals die
                                            in paragraaf 6.6 en paragraaf 7.8 van PGS 28 zijn
                                            aangegeven;</al><al>3. dat het onklaar maken of verwijderen van de tank
                                            geschiedt overeenkomstig het daartoe krachtens het
                                            Besluit bodemkwaliteit aangewezen normdocument door een
                                            bedrijf, dat daartoe beschikt over een erkenning op
                                            grond van dat besluit en dat het onklaar maken of
                                            verwijderen ten minste tien dagen voor aanvang van de
                                            werkzaamheden schriftelijk wordt gemeld aan het bevoegd
                                            gezag.</al></entry><entry><al>Voorschrift 2 is niet van </al><al>toepassing indien aan de </al><al>tank een afleverinstallatie </al><al>met een doorzet van </al><al>10.000 liter of minder per </al><al>jaar is verbonden. </al><al>In dat geval dient </al><al>voorschrift 4.3.10 van </al><al>PGS 30 te worden opgenomen. </al></entry></row><row><entry><al> 5.</al></entry><entry><al>het op- en overslaan van </al><al>vloeibare schadelijke </al><al>stoffen (niet zijnde </al><al>vloeibare aardolieproducten) </al><al>en vloeibare afvalstoffen </al><al>in ondergrondse tanks </al></entry><entry><al>1. de bodem te monitoren op de aanwezigheid van de
                                            stoffen die zijn opgeslagen, door het nemen van
                                            grondwatermonsters overeenkomstig het daartoe krachtens
                                            het Besluit bodemkwaliteit aangewezen normdocument. </al><al>2. de bodembeschermende maatregelen en voorzieningen te
                                            treffen die in PGS 28 zijn aangegeven;</al><al>3. dat het onklaar maken of verwijderen van de tank
                                            geschiedt overeenkomstig het daartoe krachtens het
                                            Besluit bodemkwaliteit aangewezen normdocument door een
                                            bedrijf, dat daartoe beschikt over een erkenning op
                                            grond van dat besluit en dat het onklaar maken of
                                            verwijderen ten minste tien dagen voor aanvang van de
                                            werkzaamheden schriftelijk wordt gemeld aan het bevoegd
                                            gezag.</al></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al> 6.</al></entry><entry><al>het op- en overslaan </al><al>van vloeibare </al><al>aardolieproducten in </al><al>bovengrondse tanks </al></entry><entry><al>1. extra bodembeschermende maatregelen en voorzieningen
                                            te treffen, zoals die in paragraaf 4.7 van PGS 30 zijn
                                            aangegeven.</al><al>2. dat het onklaar maken of verwijderen van de tank
                                            geschiedt overeenkomstig voorschrift 4.5.9 van PGS 30 en
                                            dat het onklaar maken of verwijderen ten minste tien
                                            dagen voor aanvang van de werkzaamheden schriftelijk
                                            wordt gemeld aan het bevoegd gezag.</al></entry><entry><al>In afwijking van voorschrift 1 </al><al>zijn de voorschriften 4.7.4 en </al><al>4.7.5 van PGS 30 niet van </al><al>toepassing indien aan de tank </al><al>een afleverinstallatie met een </al><al>doorzet van 10.000 liter of </al><al>minder per jaar is verbonden. </al><al>In dat geval dient voorschrift </al><al>4.3.10 van PGS 30 te worden opgenomen.</al></entry></row><row><entry><al> 7.</al></entry><entry><al>het op- en overslaan van </al><al>vloeibare schadelijke </al><al>stoffen (niet zijnde vloeibare </al><al>aardolieproducten) en </al><al>vloeibare afvalstoffen in </al><al>bovengrondse tanks</al></entry><entry><al>1. extra bodembeschermende maatre¬ge¬len en
                                            voorzieningen te treffen zoals die in hoofdstuk 4,
                                            voorschriften 4.7.2 en 4.7.3 van PGS 30 zijn
                                            aangegeven;</al><al>2. dat het onklaar maken of verwijderen van de tank
                                            geschiedt overeenkomstig voorschrift 4.5.9 van PGS 30 en
                                            dat het onklaar maken of verwijderen ten minste tien
                                            dagen voor aanvang van de werkzaamheden schriftelijk
                                            wordt gemeld aan het bevoegd gezag.</al></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al> 8.</al></entry><entry><al>het op - en overslaan van </al><al>vloeibare dierlijke mest</al></entry><entry><al>dat mestfoliebassins en mestzakken dienen te worden
                                            uitgevoerd </al><al>met een dubbele onderfolie, tussen de folies een
                                            drainagesysteem </al><al>dient te zijn aangebracht die aansluit op een
                                            inspectieput met als </al><al>doelen een regelmatige controle op het functioneren van
                                            de </al><al>voorziening en ontgassing van de ondergrond</al></entry><entry><al>in waterwingebieden </al><al>is deze activiteit niet </al><al>toegestaan</al></entry></row><row><entry><al> 9.</al></entry><entry><al>het op- en overslaan van </al><al>mestsoffen, niet zijnde </al><al>dierlijke mest</al></entry><entry><al>1. dat voorzieningen dienen te worden aangebracht welke
                                            duurzaam voorkomen dat schadelijke stoffen in de bodem
                                            kunnen komen en dat een regelmatige controle wordt
                                            uitgevoerd ten aanzien van het functioneren van deze
                                            voorzieningen; </al><al>2. dat vloeistoffen afkomstig van verhardingen zodanig
                                            worden afgevoerd dat deze niet in de bodem terecht
                                            kunnen komen.</al></entry><entry><al>In waterwingebieden is </al><al>deze activiteit niet toegestaan. </al><al>In grondwaterbeschermings </al><al>gebieden: indien de opslag </al><al>200 kilo of 1 m3 of minder is, </al><al>zijn de voorschriften niet van </al><al>toepassing.</al></entry></row><row><entry><al> 10.</al></entry><entry><al> het opslaan van vaar-, vlieg- </al><al>of motorvoertuigen of </al><al>onderdelen daarvan</al></entry><entry><al>1. dat voorzieningen dienen te worden aangebracht welke </al><al>duurzaam voorkomen dat schadelijke stoffen in de bodem </al><al>kunnen komen en dat een regelmatige controle wordt </al><al>uitgevoerd ten aanzien van het functioneren van deze </al><al>voorzieningen; </al><al>2. dat vloeistoffen afkomstig van verhardingen zodanig </al><al>worden afgevoerd dat deze niet in de bodem terecht
                                            kunnen komen.</al></entry><entry><al>in waterwingebieden is </al><al>deze activiteit niet toegestaan</al></entry></row><row><entry><al> 11.</al></entry><entry><al>het gebruiken t.b.v. het </al><al>productieproces (in ruime zin) </al><al>van vloeibare aardolie </al><al>producten en andere </al><al>schadelijke stoffen </al></entry><entry><al>1. dat voorzieningen dienen te worden aangebracht </al><al>welke duurzaam voorkomen dat schadelijke stoffen </al><al>in de bodem kunnen komen en dat een regelmatige </al><al>controle wordt uitgevoerd ten aanzien van het
                                            functioneren </al><al>van deze voorzieningen; </al><al>2. dat vloeistoffen afkomstig van verhardingen zodanig </al><al>worden afgevoerd dat deze niet in de bodem terecht
                                            kunnen komen.</al></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al> 12.</al></entry><entry><al>Het tot stand brengen, hebben </al><al>of gebruiken van leidingen </al><al>t.b.v. het transport van </al><al>schadelijke stoffen, niet zijnde </al><al>afvalwater (productleidingen)</al></entry><entry><al>dat leidingen ten behoeve van het transport van </al><al>schadelijke stoffen, niet zijnde aardolieproducten en
                                            afvalwater, </al><al>zodanig worden aangelegd en onderhouden dat het gehele </al><al>stelsel duurzaam vloeistofdicht is en dat leidingen voor
                                            de </al><al>ingebruikname en vervolgens om de vijf jaar worden </al><al>geïnspecteerd op vloeistofdichtheid.</al></entry><entry><al>Indien het minder risicovolle </al><al>leidingen betreft, geldt met </al><al>betrekking tot de inspectie </al><al>een periode van 10 jaar.</al></entry></row><row><entry><al> 13.</al></entry><entry><al>Het tot stand brengen, hebben </al><al>of gebruiken van leidingen t.b.v. </al><al>het transport van afvalwater </al><al>(zoals bedrijfsriolering)</al></entry><entry><al>dat leidingen c.a. ten behoeve van het transport van
                                            afvalwater vloeistofdicht worden ontworpen
                                            overeenkomstig CUR/PBV Aanbeveling 51, worden
                                            onderhouden overeenkomstig CUR/PBV Rapport 2001-3 en
                                            worden geïnspecteerd op vloeistofdichtheid
                                            overeenkomstig AS 6700.</al></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al> 14.</al></entry><entry><al>het tot stand brengen, hebben </al><al>of gebruiken van niet eerder </al><al>genoemde werken om schadelijke </al><al>stoffen te vervoeren, te bergen, </al><al>over te slaan of te storten</al></entry><entry><al>1. dat voorzieningen dienen worden aangebracht welke
                                            duurzaam voorkomen dat schadelijke stoffen in de bodem
                                            kunnen komen en dat een regelmatige controle wordt
                                            uitgevoerd ten aanzien van het functioneren van deze
                                            voorzieningen;</al><al>2. dat vloeistoffen afkomstig van verhardingen zodanig
                                            dienen te worden afgevoerd dat deze niet in de bodem
                                            terecht kunnen komen.</al></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al> 15.</al></entry><entry><al>Het tot stand brengen, hebben </al><al>of gebruiken van wegen, </al><al>parkeerterreinen en andere terreinen </al><al>voor gemotoriseerd verkeer</al></entry><entry><al>1. terreinen die openstaan voor gemotoriseerd verkeer
                                            een aaneengesloten verharding hebben met bijvoorbeeld
                                            straatklinkers, asfalt of beton. </al><al>2. dat wegen, parkeerplaatsen en andere terreinen ten
                                            behoeve van transportmaterieel, zoals vrachtwagens,
                                            tankauto's, bussen en dergelijke, of waar handelingen
                                            plaatsvinden met schadelijke stoffen moeten worden
                                            voorzien van een degelijke vloeistofdichte
                                            verharding;</al><al>3. dat wegen, parkeerplaatsen en andere terreinen die
                                            openstaan voor gemotoriseerd verkeer afwaterend liggen
                                            naar één of meer afvoerputten uitmondend op de riolering
                                            of een andere voorziening voor de inzameling of
                                            transport van afvalwater aangesloten op een doelmatig
                                            werkende zuiveringsvoorziening of een
                                            zuiveringstechnisch werk.'</al><al>4. dat de kwaliteit van het via een
                                            zuiveringsvoorziening te lozen afvloeiend hemelwater
                                            voldoet aan de streefwaarden voor ondiep grondwater
                                            zoals opgenomen in bijlage 1 bij de Circulaire
                                            bodemsanering 2009, zoals gewijzigd op 3 april 2012. </al><al>5. dat een regelmatige controle wordt uitgevoerd ten
                                            aanzien van het functioneren van voorzieningen en
                                            maatregelen.</al></entry><entry><al>Indien het gaat om een weg, </al><al>een parkeerplaats of een </al><al>ander terrein die openstaat </al><al>voor gemotoriseerd verkeer </al><al>die in beperkte mate wordt </al><al>gebruikt en waar geen </al><al>handelingen plaatsvinden </al><al>met schadelijke stoffen, </al><al>zijn de voorschriften 2 tot en </al><al>met 5 niet van toepassing. </al></entry></row><row><entry><al> 16.</al></entry><entry><al>een lozing uitvoeren van</al><al>koelwater, afvalwater </al><al>en overige vloeistoffen</al></entry><entry><al>dat het niet is toegestaan een lozing op of in de bodem
                                            uit te voeren van koelwater, afvalwater en overige
                                            vloeistoffen, waarin schadelijke stoffen voorkomen.</al></entry><entry><al>Voor het lozen van afvloeiend </al><al>hemelwater afkomstig van </al><al>wegen, </al><al>parkeerterreinen of terreinen </al><al>voor gemotoriseerd verkeer </al><al>gelden de voorschriften als </al><al>bedoeld onder nr. 15.</al></entry></row><row><entry><al> 17.</al></entry><entry><al>het toepassen van </al><al>bouwstoffen, grond en </al><al>baggerspecie</al></entry><entry><al>1. dat geen IBC-bouwstoffen worden toegepast;</al><al>2. dat de toepassing van grond en baggerspecie in een
                                            werk slechts is toegestaan in de volgende gevallen:</al><al>a. bij toepassing op of in de bodem: indien de kwaliteit
                                            van de grond of baggerspecie</al><al>1º de achtergrondwaarden niet overschrijdt dan wel</al><al>2º de maximale waarden van de kwaliteitsklasse wonen
                                            niet overschrijdt, de kwaliteit van de ontvangende bodem
                                            gelijk is aan of slechter is dan kwaliteitsklasse wonen
                                            en de grond of baggerspecie uit het
                                            grondwaterbeschermingsgebied afkomstig is;</al><al>b. bij toepassing in oppervlaktewater: indien de
                                            kwaliteit van de grond of baggerspecie</al><al>1º de achtergrondwaarden niet overschrijdt dan wel</al><al>2º de maximale waarden van de kwaliteitsklasse A niet
                                            overschrijdt, de kwaliteit van de ontvangende waterbodem
                                            gelijk is aan of slechter is dan kwaliteitsklasse A en
                                            de grond of baggerspecie uit het
                                            grondwaterbeschermingsgebied afkomstig is;</al><al>c. met een omvang van meer dan 5.000 m3 indien wordt
                                            aangetoond dat de risico's op verontreiniging van het
                                            grondwater voor de waterwinning niet toenemen, de grond
                                            of baggerspecie uit het grondwaterbeschermingsgebied
                                            afkomstig is en de kwaliteit van de grond of
                                            baggerspecie</al><al>1º de maximale waarden van de kwaliteitsklasse wonen
                                            niet overschrijdt bij een toepassing op of in de bodem; </al><al>2º de maximale waarden kwaliteitsklasse A niet
                                            overschrijdt bij een toepassing in
                                            oppervlaktewater;</al><al>d. indien sprake is van verspreiding van de baggerspecie
                                            uit een watergang, die vrijkomt bij regulier onderhoud,
                                            over de aan de watergang grenzende percelen met het oog
                                            op het herstellen of verbeteren van die percelen.</al><al>3. dat de eisen als bedoeld in hoofdstuk 4, afdeling 2,
                                            paragraaf 1 en 2 van het Besluit bodemkwaliteit van
                                            toepassing zijn op voorschrift 2, onder c.</al></entry><entry><al>In waterwingebieden zijn toepassingen als bedoeld in de
                                            voorschriften 2a onder 2º, 2b onder 2º, 2c en 2d niet
                                            toegestaan en is voorschrift 3 niet van toepassing.</al></entry></row><row><entry><al> 18.</al></entry><entry><al>het verrichten van </al><al>mechanische ingrepen </al><al>in de bodem dieper dan </al><al>twee meter </al></entry><entry><al>1. dat tijdens de mechanische ingreep geen
                                            verontreiniging van de bodem plaatsvindt of kan
                                            plaatsvinden;</al><al>2. dat de mate van doorlaatbaarheid van de
                                            weerstandbiedende lagen na de ingreep niet groter is dan
                                            daarvoor;</al><al>3. dat zodanige voorzieningen moeten worden getroffen
                                            dat tijdens het gebruik en bij het tijdelijk niet
                                            gebruiken van het boorgat geen schadelijke stoffen via
                                            dit boorgat in de bodem kunnen komen;</al><al>4. dat bij het buiten gebruik stellen van een boorput of
                                            bij definitieve beëindiging van de werkzaamheden het
                                            ontstane boorgat of de ontgraving afdoende afslui¬tend
                                            wordt aangevuld en geen verontreiniging van de bodem
                                            plaatsvindt of kan plaatsvinden.</al><al>5. dat aan de voorschriften 1 tot en met 4 in ieder
                                            geval wordt voldaan bij toepassing van de voorschriften
                                            in bijlage 5 bij de verordening.</al></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al> 19.</al></entry><entry><al>het installeren van </al><al>bodemenergiesystemen</al></entry><entry><al>dat het niet is toegestaan een bodemenergiesysteem </al><al>te installeren</al></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al><vet>Activiteiten in boringsvrije zones</vet></al></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al> 20.</al></entry><entry><al>het verrichten van mechanische ingrepen in de bodem
                                            dieper dan: </al><al>50 meter onder het maaiveld in de boringsvrije zones
                                            Diepenveen, Deventer-Ceintuurbaan en
                                            Deven¬ter-Zutphenseweg te Deventer; </al><al>75 meter onder het maaiveld in de boringsvrije zones van
                                            de winning Engelse Werk te Zwolle; </al><al>5 meter onder het maaiveld in de boringsvrije zone
                                            Kotkamp/Schreurserve te Enschede </al><al>50 meter onder het maaiveld in de boringsvrije zone
                                            Salland Diep</al></entry><entry><al>1. dat tijdens de mechanische ingreep geen
                                            verontreiniging van de bodem plaatsvindt of kan
                                            plaatsvinden;</al><al>2. dat de mate van doorlaatbaarheid van de
                                            weerstandbiedende lagen na de ingreep niet groter is dan
                                            daarvoor;</al><al>3. dat zodanige voorzieningen moeten worden getroffen
                                            dat tijdens het gebruik en bij het tijdelijk niet
                                            gebruiken van het boorgat geen schadelijke stoffen via
                                            dit boorgat in de bodem kunnen komen;</al><al>4. dat bij het buiten gebruik stellen van een boorput of
                                            bij definitieve beëindiging van de werkzaamheden het
                                            ontstane boorgat of de ontgraving afdoende afslui¬tend
                                            wordt aangevuld en geen verontreiniging van de bodem
                                            plaatsvindt of kan plaatsvinden.</al><al>5. dat aan de voorschriften 1 tot en met 4 in ieder
                                            geval wordt voldaan bij toepassing van de voorschriften
                                            in bijlage 5 bij de verordening. </al></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al> 21.</al></entry><entry><al>het installeren van een</al><al>bodemenergiesysteem in de </al><al>bodem op de wijze en in de </al><al>boringsvrije zones als bedoeld </al><al>in nr. 20</al></entry><entry><al>1. dat het niet is toegestaan een bodemenergiesysteem te
                                            installeren op de wijze zoals omschreven onder
                                            categorieën van gevallen, nr. 20.</al><al>2. dat het, in afwijking van voorschrift 1, is
                                            toegestaan een bodemenergiesysteem te installeren dieper
                                            dan 50 meter onder het maaiveld in de boringsvrije zone
                                            Salland Diep, indien op basis van een boring ter plaatse
                                            van de voorgenomen activiteit wordt aangetoond dat de
                                            slecht doorlatende laag dieper ligt dan 50 meter. De
                                            activiteit kan worden uitgevoerd tot maximaal de diepte
                                            waarop de top van de slecht doorlatende laag is
                                            aangetroffen.</al><al>Degene die voornemens is de activiteit uit te voeren
                                            binnen een niet-omgevingsvergunningplichtige inrichting
                                            dient een ontheffing aan te vragen op grond van artikel
                                            3.2.3.3, vijfde lid, van de verordening. </al><al>Degene die voornemens is de activiteit uit te voeren
                                            binnen een omgevingsvergunningplichtige inrichting doet
                                            ten minste vier weken voor aanvang van de activiteit een
                                            melding aan het bevoegd gezag. Indien Gedeputeerde
                                            Staten bevoegd gezag zijn, zijn de artikelen 3.2.5.1 en
                                            3.2.5.2 van de verordening van toepassing. </al></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al> 22.</al></entry><entry><al>een lozing uitvoeren van </al><al>koelwater, afvalwater en </al><al>overige vloeistoffen, op de </al><al>wijze en in de boringsvrije </al><al>zones als bedoeld in nr. 20</al></entry><entry><al>1. dat het niet is toegestaan een lozing op of in de
                                            bodem uit te voeren van koelwater, afvalwater en overige
                                            vloeistoffen, waarin schadelijke stoffen voorkomen, op
                                            de wijze zoals omschreven onder categorieën van
                                            gevallen, nr. 20.</al><al>2. dat het in afwijking van voorschrift 1 is toegestaan
                                            een lozing uit te voeren ten behoeve van een
                                            bodemenergiesysteem, als bedoeld in nr. 21, voorschrift
                                            2.</al></entry><entry><al/></entry></row></tbody></tgroup></table></artikel></bijlage><bijlage><kop><titel>Bijlage 4 Algemene voorschriften lozing afvloeiend hemelwater van wegen
                        in grondwaterbeschermingsgebieden</titel></kop><artikel><kop><titel/></kop><al>Algemene voorschriften voor afvloeiend hemelwater afkomstig van wegen,
                        spoorwegen en daarbij behorende bruggen, viaducten en andere kunstwerken
                        voor het verkeer alsmede van parkeerplaatsen en andere terreinen die
                        openstaan voor gemotoriseerd verkeer in grondwaterbeschermingsgebieden als
                        bedoeld in hoofdstuk 3, titel 3.2, paragraaf 3.2.2, artikel 3.2.2.7, tweede
                        lid onder b van de Omgevingsverordening Overijssel</al></artikel><artikel><kop><titel>Doelvoorschriften: </titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H55833_0_0_1_1_"> Voor het afvoeren van afvloeiend hemelwater
                            afkomstig van verhardingen dienen zodanige maatregelen te worden genomen
                            of voorzieningen te worden aangebracht dat deze vloeistoffen de bodem
                            niet kunnen verontreinigen; </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H55833_0_0_1_2_"> Ten aanzien van het functioneren van
                            voorzieningen en maatregelen, als bedoeld onder 1, moet een regelmatige
                            controle worden uitgevoerd.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Aan doelvoorschrift 1 wordt in ieder geval voldaan indien: </titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H55833_0_0_2_3_"> het een weg, een parkeerplaats of een ander
                            terrein die openstaat voor gemotoriseerd verkeer betreft, die in
                            beperkte mate wordt gebruikt en waar geen handelingen plaatsvinden met
                            schadelijke stoffen of </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H55833_0_0_2_4_"> het afvloeiend hemelwater afkomstig van een
                            weg, een parkeerplaats of een ander terrein die openstaat voor
                            gemotoriseerd verkeer wordt geloosd op of in de bodem of in een
                            oppervlaktewaterlichaam buiten het grondwaterbeschermingsgebied of </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al id="anker-H55833_0_0_2_5_"> wordt aangetoond dat de opbouw van de bodem,
                            waarop afvloeiend hemelwater afkomstig van een weg, een parkeerplaats of
                            een ander terrein die openstaat voor gemotoriseerd verkeer wordt
                            geloosd, zodanig is dat geen verontreiniging van de bodem en het
                            grondwater is te verwachten, de kwaliteit van de bodem en van het
                            grondwater periodiek wordt gecontroleerd en ingeval van verontreiniging
                            gepaste maatregelen worden getroffen om die verontreiniging ongedaan te
                            maken of </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al id="anker-H55833_0_0_2_6_"> wegen, parkeerplaatsen en andere terreinen
                            die openstaan voor gemotoriseerd verkeer afwaterend liggen naar één of
                            meer afvoerputten uitmondend op de riolering of een andere voorziening
                            voor de inzameling of transport van afvalwater of uitmondend op een
                            doelmatig werkend zuiveringstechnisch werk of een andere
                            zuiveringsvoorziening. De kwaliteit van het via een
                            zuiveringsvoorziening te lozen afvloeiend hemelwater voldoet aan de
                            streefwaarden van ondiep grondwater zoals opgenomen in bijlage 1 bij de
                            Circulaire bodemsanering 2009, zoals gewijzigd op 3 april 2012. </al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Aan doelvoorschrift 2 wordt in elk geval voldaan indien: </titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H55833_0_0_3_7_"> aan Gedeputeerde Staten ter goedkeuring een
                            meetplan wordt overgelegd voor het controleren van de kwaliteit van de
                            bodem en het grondwater als bedoeld in voorschrift 3. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H55833_0_0_3_8_"> aan Gedeputeerde Staten ter goedkeuring een
                            meetplan wordt overgelegd voor de toetsing van het correct functioneren
                            van de zuiveringsvoorziening als bedoeld in voorschrift 4; dit plan
                            geeft in elk geval informatie over het analyseprogramma.</al></lid></artikel></bijlage><bijlage><kop><titel>bijlage 5</titel></kop><artikel><kop><titel/></kop><al>Algemene voorschriften voor mechanische ingrepen in
                        grondwaterbeschermingsgebieden en boringsvrije zones als bedoeld in
                        hoofdstuk 3, titel 3.2, paragraaf 3.2.2, artikel 3.2.2.9, tweede lid onder c
                        en artikel 3.2.3.4, derde lid, onder c van de Omgevingsverordening
                        Overijssel</al></artikel><artikel><kop><titel>Doelvoorschriften: </titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H55834_0_0_1_1_"> Tijdens de ingreep vindt geen
                            verontreiniging van de bodem plaats of kan niet plaatsvinden; </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H55834_0_0_1_2_"> Na de ingreep is de mate van
                            doorlaatbaarheid van de weerstandbiedende lagen niet groter dan
                            daarvoor; </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al id="anker-H55834_0_0_1_3_"> Er moeten zodanige voorzieningen worden
                            getroffen dat tijdens het gebruik en bij het tijdelijk niet gebruiken
                            van een boorgat geen schadelijke stoffen via dit boorgat in de bodem
                            kunnen komen; </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al id="anker-H55834_0_0_1_4_"> Bij het buiten gebruik stellen van een
                            pompput/peilbuis of bij beëindiging van de werkzaamheden wordt het
                            ontstane boorgat of de ontgraving afdoende afsluitend aangevuld en vindt
                            geen verontreiniging van de bodem plaats of kan niet plaatsvinden. </al></lid><lid><lidnr/><al>Ten aanzien van boringen</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Aan doelvoorschrift 1 wordt in ieder geval voldaan indien: </titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H55834_0_0_2_5_"> het voor de boring toe te passen werkwater
                            of spoelwater van drinkwaterkwaliteit; </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H55834_0_0_2_6_"> voor het aanmaken van boorspoeling klei of
                            bentoniet wordt toegepast. Het toepassen van andersoortige anorganische
                            of organische hulpstoffen is niet toegestaan, uitgezonderd
                            natriumhydroxide voor het reguleren van de zuurgraad; </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al id="anker-H55834_0_0_2_7_"> bassins, suppletiebakken en tanks voor de
                            opslag van werkwater, spoelwater of boorspoeling geen schadelijke
                            stoffen bevatten.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Aan doelvoorschrift 2 wordt in ieder geval voldaan indien: </titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H55834_0_0_3_8_"> de aanwezigheid van slecht doorlatende lagen
                            is vastgesteld aan de hand van een profielopname van de doorboorde
                            grondkolom. Indien de boormethode dit onvoldoende nauwkeurig mogelijk
                            maakt, wat bijvoorbeeld het geval is bij toepassing van spuit- of
                            roterende boormethoden, dient het profiel door middel van een geofysisch
                            boorgatonderzoek te worden vastgesteld; </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H55834_0_0_3_9_"> een boorgat zo spoedig mogelijk na het boren
                            of tijdens het plaatsen van peilbuizen/putfilters wordt opgevuld.
                            Daarbij dienen de slecht doorlatende lagen in het profiel van 0,5 m
                            boven tot 0,5 m onder deze lagen te zijn afgedicht met klei,
                            bijvoorbeeld expanderende of zwelklei.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Aan doelvoorschrift 3 wordt in ieder geval voldaan indien: </titel></kop><al>de in het boorgat geplaatste peilbuizen/putfilters aan de bovenzijde worden
                        beschermd met afsluitbare straatpotten of putdeksels.</al></artikel><artikel><kop><titel>Aan doelvoorschrift 4 wordt in ieder geval voldaan indien: </titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H55834_0_0_5_10_"> peilbuizen en putfilters zo spoedig
                            mogelijk na het buiten gebruik stellen van de put worden opgevuld. De
                            zandvang en het filtergedeelte worden afgedicht met grof grindzand of
                            grind; </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H55834_0_0_5_11_"> het boorgat en/of de buis van 0 tot 5 meter
                            beneden het maaiveld wordt afgedicht met klei, bijvoorbeeld expanderende
                            klei of zwelklei; </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al id="anker-H55834_0_0_5_12_"> de slecht doorlatende lagen in het profiel
                            van 0,5 m boven tot 0,5 m beneden deze lagen worden afgedicht met
                            zwelklei of expanderende klei. Indien een profielopname ontbreekt,
                            moeten de peilbuizen en putfilters volledig worden opgevuld met deze
                            klei; </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al id="anker-H55834_0_0_5_13_"> in het opvul- of afdichtingsmateriaal geen
                            schadelijke stoffen voorkomen in concentraties boven de streefwaarden
                            van grond zoals opgenomen in bijlage 1 bij de Circulaire bodemsanering
                            2009, zoals gewijzigd op 3 april 2012. </al></lid><lid><lidnr/><al>Ten aanzien van grond- en funderingswerken: </al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Aan doelvoorschrift 1 wordt in ieder geval voldaan indien: </titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H55834_0_0_6_14_"> bij het toepassen van retourbemaling aan
                            het terug te pompen water geen schadelijke stoffen worden toegevoegd;
                        </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H55834_0_0_6_15_"> bij het injecteren in de bodem de te
                            injecteren vloeistoffen niet schadelijk zijn; </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al id="anker-H55834_0_0_6_16_"> voor het inbrengen van palen worden
                            gebruikt: </al><lijst><li nr="a."><al id="anker-H55834_0_0_6_16_1_"> grondverdringende gladde
                                    geprefabriceerde palen zonder verbrede voet; </al></li><li nr="b."><al id="anker-H55834_0_0_6_16_2_"> in de grond gevormde palen
                                    waarbij een hulpbuis wordt gebruikt die niet plaatselijk
                                    verbreed is, grondverdringend wordt ingebracht en niet wordt
                                    getrokken; </al></li><li nr="c."><al id="anker-H55834_0_0_6_16_3_"> boor- of schroefpalen, indien
                                    wordt aangetoond dat de paalsystemen genoemd onder a en b op de
                                    betreffende locatie niet toepasbaar zijn; </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al id="anker-H55834_0_0_6_17_"> voor het aanbrengen van een damwand of
                            diepwand:</al><lijst><li nr="a."><al id="anker-H55834_0_0_6_17_4_"> het materiaal van de damwand of
                                    diepwand geen verontreiniging van de bodem of het grondwater kan
                                    veroorzaken; </al></li><li nr="b."><al id="anker-H55834_0_0_6_17_5_"> de gebruikte (dik)spoeling en
                                    vulvloeistoffen niet bestaan uit schadelijke stoffen, maar
                                    bijvoorbeeld uit bentoniet, kleicementmengsels of beton; </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al> voor het aanbrengen van een scherm: </al><al>het materiaal van de platen, vliezen of folie niet bestaat uit
                            schadelijke stoffen, maar bijvoorbeeld uit kunststoffolie HDPE al of
                            niet in combinatie met bentoniet.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Aan doelvoorschrift 2 wordt in ieder geval voldaan indien: </titel></kop><al>de grond uit de ontgraving zoveel mogelijk op dezelfde plaats wordt
                        teruggebracht in de ontgraving, zodat de slecht doorlatende bodemlagen die
                        zijn doorboord, weer afsluitend en/of weerstandbiedend worden gemaakt.</al></artikel><artikel><kop><titel>Aan doelvoorschrift 4 wordt in ieder geval voldaan indien: </titel></kop><al>bij het verwijderen van een damwand, diepwand of scherm geen schadelijke
                        stoffen worden toegepast. </al></artikel></bijlage><bijlage><kop><titel>Bijlage 6 Lijst van vaarwegen behorende bij de Waterverordening
                        Overijssel</titel></kop><table><title>Lijst A </title><tgroup cols="3"><colspec colname="C3" colnum="3"/><colspec colname="C2" colnum="2"/><colspec colname="C1" colnum="1"/><colspec colname="C0" colnum="0"/><thead><row><entry><al/></entry><entry><al>Naam vaarweg</al></entry><entry><al>Beheerder </al></entry></row></thead><tbody><row><entry><al> 1.</al></entry><entry><al>Vaarweg Beukers-Steenwijk (van het Meppelerdiep via het
                                        kanaal </al><al>Beukers-Steenwijk naar het kanaal Steenwijk-Ossenzijl)</al></entry><entry><al>prv Overijssel </al></entry></row><row><entry><al> 2.</al></entry><entry><al>Vaarweg Steenwijk-de Linde (van Steenwijk via het kanaal </al><al>Steenwijk-Ossenzijl en de Ossenzijlersloot naar de
                                        Linde)</al></entry><entry><al>prv Overijssel </al></entry></row><row><entry><al> 3.</al></entry><entry><al>Vaarweg mr. H.P. Linthorst Homansluis-Ossenzijlersloot (van
                                        de </al><al>Helomavaart via de Linde naar de Ossenzijlersloot)</al></entry><entry><al>prv Overijssel </al></entry></row><row><entry><al> 4.</al></entry><entry><al>Vaarweg Ossenzijlersloot-Schoterzijl (van de
                                        Ossenzijlersloot via de </al><al>Linde naar Kuinre-Nieuwe
                                        Kanaal-Tussenlinde-Worstsloot-Schoterzijl)</al></entry><entry><al>prv Overijssel </al></entry></row><row><entry><al> 5.</al></entry><entry><al>Vaarweg Giethoornse meer-kanaal Steenwijk-Ossenzijl (van
                                        vaarweg </al><al>nr. 7 via het Giethoornse meer, de Wetering, de Heuvengracht
                                        en de </al><al>Kalenbergergracht naar vaarweg nr. 2)</al></entry><entry><al>prv Overijssel </al></entry></row><row><entry><al> 5a.</al></entry><entry><al>Vaarweg Valsche Trog-Wetering (van de Valsche Trog via het </al><al>Giethoornse meer naar de Wetering)</al></entry><entry><al>prv Overijssel </al></entry></row><row><entry><al> 6.</al></entry><entry><al>Vaarweg van kanaal Steenwijk-Ossenzijl naar de Wetering (van </al><al>vaarweg nr. 2 via het Steenwijkerdiep naar de Wetering)</al></entry><entry><al>prv Overijssel </al></entry></row><row><entry><al> 7.</al></entry><entry><al>Vaarweg Blauwe Hand-Blokzijl (keersluis)(van de Blauwe Hand
                                        via </al><al>het Beulakerwijde, de Walengracht, het Giethoornse meer, de
                                        Valsche </al><al>Trog, het Noorderdiep en de Havenkolk naar de keersluis te
                                        Blokzijl) </al></entry><entry><al>prv Overijssel </al></entry></row><row><entry><al> 8.</al></entry><entry><al>Vaarweg Zwartsluis-Walengracht (van het Zwartewater via de
                                        Whaa, </al><al>Arembergergracht, de Ronduite, het Beulakerwijde naar de
                                        Walengracht)</al></entry><entry><al>prv Overijssel </al></entry></row><row><entry><al> 9.</al></entry><entry><al>Vaarweg IJssel-Zwolsche Diep (van de IJssel via het
                                        Ganzendiep, de </al><al>Goot en het Scheepvaartgat naar het Zwolsche Diep) </al></entry><entry><al>prv Overijssel </al></entry></row><row><entry><al> 10.</al></entry><entry><al>Giethoornse meer </al></entry><entry><al>prv Overijssel </al></entry></row><row><entry><al> 11.</al></entry><entry><al>Beulakerwijde </al></entry><entry><al>prv Overijssel </al></entry></row><row><entry><al> 12.</al></entry><entry><al>Belterwijde </al></entry><entry><al>prv Overijssel </al></entry></row><row><entry><al> 77.</al></entry><entry><al>Kanaal Almelo-de Haandrik</al></entry><entry><al>prv Overijssel </al></entry></row></tbody></tgroup></table><table><title>Lijst B</title><tgroup cols="3"><colspec colname="C3" colnum="3"/><colspec colname="C2" colnum="2"/><colspec colname="C1" colnum="1"/><colspec colname="C0" colnum="0"/><thead><row><entry><al/></entry><entry><al>Locatie</al></entry><entry><al>Beheerder</al></entry></row></thead><tbody><row><entry><al>13</al></entry><entry><al>Opvaart of vaart bij Pijlman</al></entry><entry><al>ws Reest en Wieden </al></entry></row><row><entry><al>14</al></entry><entry><al>Jurriesvaart</al></entry><entry><al>ws Reest en Wieden </al></entry></row><row><entry><al>15</al></entry><entry><al>Vaart bij Tietema</al></entry><entry><al>ws Reest en Wieden </al></entry></row><row><entry><al>16</al></entry><entry><al>Twaalf Dagmat</al></entry><entry><al>ws Reest en Wieden </al></entry></row><row><entry><al>17</al></entry><entry><al>Hamsgracht</al></entry><entry><al>ws Reest en Wieden </al></entry></row><row><entry><al>17a</al></entry><entry><al>Meentegat</al></entry><entry><al>ws Reest en Wieden </al></entry></row><row><entry><al>18</al></entry><entry><al>Bokvaart </al></entry><entry><al>ws Reest en Wieden </al></entry></row><row><entry><al>19</al></entry><entry><al>Verlengde Bokvaart</al></entry><entry><al>ws Reest en Wieden </al></entry></row><row><entry><al>20</al></entry><entry><al>Heer van Diezenvaart </al></entry><entry><al>ws Reest en Wieden </al></entry></row><row><entry><al>21</al></entry><entry><al>Roomsloot </al></entry><entry><al>ws Reest en Wieden </al></entry></row><row><entry><al>22</al></entry><entry><al>Vaart bij Teunis Hoen </al></entry><entry><al>ws Reest en Wieden </al></entry></row><row><entry><al>23</al></entry><entry><al>Bokvaart-Nijevaart </al></entry><entry><al>ws Reest en Wieden </al></entry></row><row><entry><al>24</al></entry><entry><al>Hogewegsloot </al></entry><entry><al>ws Reest en Wieden </al></entry></row><row><entry><al>25</al></entry><entry><al>Vlodder </al></entry><entry><al>ws Reest en Wieden </al></entry></row><row><entry><al>26</al></entry><entry><al>Lokkenvaart </al></entry><entry><al>ws Reest en Wieden </al></entry></row><row><entry><al>27</al></entry><entry><al>Moddergat </al></entry><entry><al>ws Reest en Wieden </al></entry></row><row><entry><al>28</al></entry><entry><al>Vaart door Muggenbeet </al></entry><entry><al>ws Reest en Wieden </al></entry></row><row><entry><al>29</al></entry><entry><al>Thijssengracht (ten westen van het kanaal Beukers-Steenwijk)
                                    </al></entry><entry><al>ws Reest en Wieden </al></entry></row><row><entry><al>30</al></entry><entry><al>Thijssengracht (ten oosten van het kanaal Beukers-Steenwijk)
                                    </al></entry><entry><al>Gem Steenwijkerland </al></entry></row><row><entry><al>30a</al></entry><entry><al>Boksloot</al></entry><entry><al>Gem Steenwijkerland </al></entry></row><row><entry><al>31</al></entry><entry><al>Pinkesloot </al></entry><entry><al>ws Reest en Wieden </al></entry></row><row><entry><al>32</al></entry><entry><al>Cornelisgracht </al></entry><entry><al>Gem Steenwijkerland </al></entry></row><row><entry><al>32a</al></entry><entry><al>Westelijke Vaart </al></entry><entry><al>ws Reest en Wieden </al></entry></row><row><entry><al>33</al></entry><entry><al>Dwarsgracht </al></entry><entry><al>Gem Steenwijkerland </al></entry></row><row><entry><al>34</al></entry><entry><al>Vaartsloot </al></entry><entry><al>ws Reest en Wieden </al></entry></row><row><entry><al>35</al></entry><entry><al>Bouwersgracht </al></entry><entry><al>ws Reest en Wieden </al></entry></row><row><entry><al>36</al></entry><entry><al>Ettenlands Kanaal (ten oosten van de tonnen tot
                                        Vaartsloot)</al></entry><entry><al>ws Reest en Wieden </al></entry></row><row><entry><al>36a</al></entry><entry><al>De Korversgaten </al></entry><entry><al>ws Reest en Wieden </al></entry></row><row><entry><al>37</al></entry><entry><al>Boschwijde </al></entry><entry><al>ws Reest en Wieden </al></entry></row><row><entry><al>38</al></entry><entry><al>Schusloterwijde </al></entry><entry><al> ws Reest en Wieden </al></entry></row><row><entry><al>39</al></entry><entry><al>Kleine Belterwijde </al></entry><entry><al>ws Reest en Wieden </al></entry></row><row><entry><al>40</al></entry><entry><al>Diephoofd </al></entry><entry><al>ws Reest en Wieden </al></entry></row><row><entry><al>41</al></entry><entry><al>Pikkersvaart </al></entry><entry><al>ws Reest en Wieden </al></entry></row><row><entry><al>42</al></entry><entry><al>Verbinding Pikkersvaart </al></entry><entry><al>ws Reest en Wieden </al></entry></row><row><entry><al>43</al></entry><entry><al>Schutsloot </al></entry><entry><al>Gem Steenwijkerland </al></entry></row><row><entry><al>44</al></entry><entry><al>Zandgracht </al></entry><entry><al>ws Reest en Wieden </al></entry></row><row><entry><al>45</al></entry><entry><al>Dwarsheuven</al></entry><entry><al>ws Reest en Wieden </al></entry></row><row><entry><al>46</al></entry><entry><al>Schenkelvaart-noord (verbinding
                                        Dirkswijde-Mastenbroekerkolk)</al></entry><entry><al>ws Reest en Wieden </al></entry></row><row><entry><al>47</al></entry><entry><al>Verbinding Vossebelt-Venematen </al></entry><entry><al>ws Reest en Wieden </al></entry></row><row><entry><al>48</al></entry><entry><al>Oostelijke Wetering </al></entry><entry><al>ws Reest en Wieden </al></entry></row><row><entry><al>49</al></entry><entry><al>Garriet Geessen</al></entry><entry><al>ws Reest en Wieden </al></entry></row><row><entry><al>50</al></entry><entry><al>Schuine Vaart</al></entry><entry><al>ws Reest en Wieden </al></entry></row><row><entry><al>51</al></entry><entry><al>Baggervaart</al></entry><entry><al>ws Reest en Wieden </al></entry></row><row><entry><al>52</al></entry><entry><al>60 roe van het Svhuine tot Schutsloot</al></entry><entry><al>ws Reest en Wieden </al></entry></row><row><entry><al>53</al></entry><entry><al>Bartelsgat met vaart naar het Wijde</al></entry><entry><al>ws Reest en Wieden </al></entry></row><row><entry><al>54</al></entry><entry><al>Nederstouwe</al></entry><entry><al>ws Reest en Wieden </al></entry></row><row><entry><al>54a</al></entry><entry><al>Zuiderstouwe</al></entry><entry><al>ws Reest en Wieden </al></entry></row><row><entry><al>55</al></entry><entry><al>Noorderstouwe en Noordeinde</al></entry><entry><al>ws Reest en Wieden </al></entry></row><row><entry><al>56</al></entry><entry><al>Dorpsgracht</al></entry><entry><al>Gem Steenwijkerland </al></entry></row><row><entry><al>57</al></entry><entry><al>verbindingen Dorpsgracht-Bovenwijde (molenvaart, Smitsvaart, </al><al>Jan Balsvaart, Volkensvaart en Molsvaart)</al></entry><entry><al>Gem Steenwijkerland </al></entry></row><row><entry><al>58</al></entry><entry><al>Bovenwijde</al></entry><entry><al>Gem Steenwijkerland </al></entry></row><row><entry><al>58a</al></entry><entry><al>Vaart bij Woudsma</al></entry><entry><al>Gem Steenwijkerland </al></entry></row><row><entry><al>59</al></entry><entry><al>Meuleboezem (verbinding Molengat-Thijssengracht)</al></entry><entry><al>Gem Steenwijkerland </al></entry></row><row><entry><al>60</al></entry><entry><al>Jan Hoozengracht (tussen kanaal Beukers-Steenwijk en
                                        Dorpsgracht)</al></entry><entry><al>Gem Steenwijkerland </al></entry></row><row><entry><al>61</al></entry><entry><al>Paasloervaart</al></entry><entry><al>ws Reest en Wieden </al></entry></row><row><entry><al>61a</al></entry><entry><al>Klossegracht</al></entry><entry><al>ws Reest en Wieden </al></entry></row><row><entry><al>62</al></entry><entry><al>Hoosjesgracht</al></entry><entry><al>ws Reest en Wieden </al></entry></row><row><entry><al>63</al></entry><entry><al>Haagjesgracht</al></entry><entry><al>ws Reest en Wieden </al></entry></row><row><entry><al>64</al></entry><entry><al>Westelijke schutsloot</al></entry><entry><al>ws Reest en Wieden </al></entry></row><row><entry><al>65</al></entry><entry><al>Kerkgracht-Dwarssloot</al></entry><entry><al>ws Reest en Wieden </al></entry></row><row><entry><al>66</al></entry><entry><al>Molengracht</al></entry><entry><al>Gem Steenwijkerland </al></entry></row><row><entry><al>67</al></entry><entry><al>Bovenboersevaart</al></entry><entry><al>Gem Steenwijkerland </al></entry></row><row><entry><al>68</al></entry><entry><al>Zuidergracht</al></entry><entry><al>Gem Steenwijkerland </al></entry></row><row><entry><al>69</al></entry><entry><al>Zuideindigerwijde</al></entry><entry><al>ws Reest en Wieden </al></entry></row><row><entry><al>70</al></entry><entry><al>Mallegat</al><al>de Linde (ten oosten van de Driewegsluis), het Wijde (tot
                                        aan natuurreservaat Lindevallei)</al></entry><entry><al>ws Reest en Wieden </al><al>provincie Friesland</al></entry></row><row><entry><al>71</al></entry><entry><al>Hasselter stadsgrachten </al></entry><entry><al>Gem Zwartewaterland</al></entry></row><row><entry><al>72</al></entry><entry><al>Zwartewater van Zwolle-IJsselkanaal tot Thorbeckegracht
                                    </al></entry><entry><al>Gemeente Zwolle</al></entry></row><row><entry><al>73</al></entry><entry><al>Thorbeckegracht</al></entry><entry><al>Gemeente Zwolle</al></entry></row><row><entry><al>74</al></entry><entry><al>Almelo’s kanaal </al></entry><entry><al>Gemeente Zwolle</al></entry></row><row><entry><al>75</al></entry><entry><al>Steenwijker Aa/Dolderkanaal </al></entry><entry><al>ws Reest en Wieden </al></entry></row><row><entry><al>76</al></entry><entry><al>Kloostergracht (verbinding Dorpsgracht Giethoorn-Noord en ‘t
                                        Klooster </al></entry><entry><al>Gem Steenwijkerland </al></entry></row><row><entry><al>78</al></entry><entry><al>Overijsselse Vecht (vanaf de Duitse grens tot en met de
                                        monding van </al><al>de rivier de Regge bij Ommen)</al></entry><entry><al>ws Vechtstromen</al></entry></row><row><entry><al>79</al></entry><entry><al>Overijsselse Vecht (vanaf de monding van de rivier de Regge
                                        bij </al><al>Ommen tot aan de monding van het Zwarte Water)</al></entry><entry><al>ws Groot Salland </al></entry></row></tbody></tgroup></table></bijlage><bijlage><kop><titel>Bijlage 7 Tabellen behorend bij artikel 2.6.3 (nadere uitwerking
                        kernkwaliteiten nationale landschappen) </titel></kop><artikel><kop><titel>7A Nader uitgewerkte kernkwaliteiten nationaal landschap IJsseldelta
                        </titel></kop><table><title>Kernkwaliteiten Landschap, cultuurhistorie, archeologie (volgens Omgevingsvisie Overijssel 2009) </title><tgroup cols="4"><colspec colname="C4" colnum="4"/><colspec colname="C3" colnum="3"/><colspec colname="C2" colnum="2"/><colspec colname="C1" colnum="1"/><colspec colname="C0" colnum="0"/><thead><row><entry><al><vet>Deelgebied</vet></al></entry><entry><al><vet>Hoofdkenmerken</vet></al></entry><entry><al><vet>Structuren</vet></al></entry><entry><al><vet>elementen</vet></al></entry></row></thead><tbody><row><entry><al>Polder Mastenbroek</al></entry><entry><al>Weidsheid </al></entry><entry><al>geometrie </al><al>lange linten en weteringen </al><al>ontbrekende wegbeplanting </al><al>contrastrijke randen </al></entry><entry><al>Boerderijen op terpen </al><al>Bajonetkruisingen </al><al>Kreken </al><al>Sloten </al><al>Kolken </al></entry></row><row><entry><al>Kampereiland en de </al><al>buitenpolders </al><al>Mandjeswaard, </al><al>Polder de Pieper </al><al>en </al><al>zuiderzeepolder </al></entry><entry><al>Openheid </al></entry><entry><al>Reliëf </al><al>Onregelmatige vormen </al><al>Rivierarmen </al><al>Dijken </al></entry><entry><al>Kreken </al><al>Sloten </al><al>Kolken </al><al>Boerderijen op terpen </al></entry></row><row><entry><al>Rivierenlandschap </al></entry><entry><al>Kleinschaligheid en </al><al>openheid </al></entry><entry><al>Meanderende rivieren </al><al>Uiterwaarden' </al><al>Contrastrijke randen </al><al>Dijken </al><al>Historische kernen </al></entry><entry><al>Boerderijen </al><al>Kreken </al><al>Hanken </al><al>Rivierduinen </al><al>Kolken </al><al>Moeras </al></entry></row></tbody></tgroup></table><table><title>Kernkwaliteit Natuur</title><tgroup cols="3"><colspec colname="C3" colnum="3"/><colspec colname="C2" colnum="2"/><colspec colname="C1" colnum="1"/><colspec colname="C0" colnum="0"/><thead><row><entry><al><vet>Deelgebied </vet></al></entry><entry><al><vet>Hoofdkenmerken</vet></al></entry><entry><al><vet>Waardevolle leefgebieden</vet></al></entry></row></thead><tbody><row><entry><al>Polder </al><al>Mastenbroek </al></entry><entry><al>Veen- en kleibodem </al><al>Rust door geringe </al><al>ontsluiting </al><al>Ligging tussen </al><al>IJssel en Zwarte </al><al>Water </al></entry><entry><al>Graslanden </al><al>Rieten (kreken) </al><al>Sloten </al><al>Dijken </al><al>Kolken </al><al><vet>Met bijzondere planten en dieren als</vet>: </al><al>- Zwanebloem </al><al>- Grutto (bv), purperreiger (vz), kolgans, kleine zwaan
                                            (wg) </al><al>- Goudplevier en watersnip (dt) </al><al>- 8 soorten (Hrl) zoogdieren </al><al>- Heidekikker (Rls) </al><al>- Grote en keine modderkruiper en bittervoorn
                                            (Hrl-vissen in sloten)</al></entry></row><row><entry><al>Kampereiland en </al><al>de buitenpolders </al><al>Mandjeswaard, </al><al>Polder de Pieper </al><al>en </al><al>Zuiderzeepolder </al></entry><entry><al>Ligging langs </al><al>Zwarte Meer </al><al>Rust door geringe </al><al>ontsluiting </al></entry><entry><al>Graslanden </al><al>Kreken </al><al>Sloten </al><al>Wegbermen </al><al><vet>Met bijzondere planten en dieren als:</vet></al><al>- Eebies, veldgerst, zilte greppelrus </al><al>- Grutto (bv), kolgans en grauwe gans (wg),
                                            goudplevier</al></entry></row><row><entry><al>Rivierenlandschap</al></entry><entry><al>Overstromingen, </al><al>afzettingen en </al><al>erosie </al></entry><entry><al>Vochtige graslanden </al><al>Moerassen </al><al>Hanken en geulen </al><al>Kolken en plassen </al><al>Dijken </al><al><vet>Met bijzonder planten en dieren als:</vet></al><al>- Rivierfonteinkruid, margriet, cichorei, bitterkruid,
                                            kievitsbloem </al><al>- Kwartelkoning en ijsvogel (BV) </al><al>- Wilde zwaan, kleine zwaan, kolgans, meerkoet en smient
                                            (wg) </al><al>- Slobeend en grutto (dt), watervleermuis</al></entry></row><row><entry><al>Zwarte Meer en </al><al>Ketelmeer </al></entry><entry><al>Omvangrijk moeras </al><al>Voedselrijk ondiep </al><al>water </al><al>Rust door geringe </al><al>ontsluiting </al></entry><entry><al>Moeras </al><al>Ondiep water </al><al>Vogeleiland </al><al>NURG eilanden </al><al>Keteleiland </al><al><vet>Met bijzonder planten en dieren als:</vet></al><al>- Dotterbloem, mattengebied, bittere veldkers </al><al>- Roerdomp, purperreiger, grote karekiet en baardman
                                            (bv) </al><al>- Lepelaar (zg), aalscholvers, wintertaling en krakeend
                                            (dt) </al><al>- Grauwe ganzen, kolganzen en kleine zwanen
                                            (slaapplaatsen; wg) </al><al>- Watervleermuis, meervleermuis en otter </al><al>- Zeeforel, zeeprik, rivierprik, krabaal en meerval</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>bv=broedvogel; vz=voedselzoekend; wg=wintergasten; dt=doortrekkers;
                        zg=zomergasten; </al><al>Hrl=Habitatrichtlijn; Rls=rode lijstsoort</al></artikel><artikel><kop><titel>7B Nader uitgewerkte kernkwaliteiten nationaal landschap
                            Noordoost-Twente</titel></kop><table><title>Kernkwaliteiten Landschap, cultuurhistorie, archeologie (volgens Omgevingsvisie Overijssel 2009) </title><tgroup cols="4"><colspec colname="C4" colnum="4"/><colspec colname="C3" colnum="3"/><colspec colname="C2" colnum="2"/><colspec colname="C1" colnum="1"/><colspec colname="C0" colnum="0"/><thead><row><entry><al><vet>Landschapstype</vet></al></entry><entry><al><vet>Hoofdkenmerken</vet></al></entry><entry><al><vet>Structuren</vet></al></entry><entry><al><vet>nederzettingsvormen</vet></al></entry></row></thead><tbody><row><entry><al>Essenlandschap </al><al>(incl. stuwwallen)</al></entry><entry><al>Samenhangend systeem van </al><al>essen, flanken, lager </al><al>gelegen maten en fliergronden</al><al>Brongebieden en stuwwallen </al></entry><entry><al>Kleinschaligheid </al><al>Afwisselend em cotrastrijk, </al><al>volgend aan de organische </al><al>patronen van het natuurlijk </al><al>landschap </al><al>Essen zijn open met karakteristiek </al><al>reliëf en stijlranden </al><al>Spinragstructuur tussen de esdorpen </al><al>en erven </al></entry><entry><al>Kenmerkende bebouwing </al><al>rond de es (esdorpen) en </al><al>verspreide erven </al><al>Esdorpen, kern- en flank- </al><al>en kransesdorpen </al><al>Ordening vanuit de erven </al><al>en de essen </al><al>Grote erven, met grote </al><al>volumes en zware </al><al>beplanting (eiken </al><al>houtwallen) </al></entry></row><row><entry><al>Oude hoeven </al><al>landschap </al></entry><entry><al>Contrastrijke landschappen </al><al>met veel variatie op de korte </al><al>afstand: open es, kleinschalige </al><al>flank met erf, kleinschalige </al><al>natte laagtes met veel houtwallen, </al><al>open heidevelden en –ontginningen. </al><al>Daartussen kleinere bovenlopen </al><al>van beken </al><al>Brongebieden en stuwwallen </al></entry><entry><al>Organisch, route van erf tot erf </al><al>Systeem van beken en bronnen </al></entry><entry><al>Verspreide individuele </al><al>erven, geen dorpen </al><al>Middelgrote erven, met </al><al>verschillende volumes en </al><al>zware beplantingen </al><al>120 bronsystemen </al></entry></row><row><entry><al>Maten- en Flieren </al><al>Landschap </al></entry><entry><al>Laaggelegen kleinschalig </al><al>landschap dat zich langs </al><al>beken, in de natuurlijke </al><al>laagten heeft ontwikkeld. </al><al>Coulissen van hakhoutstruweel, </al><al>open kamers van hooien en </al><al>weilanden, met hier en daar </al><al>een broekbos op de nattere plekken. </al></entry><entry><al>Onregelmatige blokverkaveling, </al><al>soms in strokenverkaveling </al><al>Contramal van het </al><al>essenlandschap en het oude </al><al>hoevenlandschap en is daar </al><al>functioneel aan verbonden </al><al>Bomensingels op de </al><al>perceelscheidingen </al></entry><entry><al>Vrijwel geen </al><al>nederzettingen </al></entry></row><row><entry><al>Jonge- heide en </al><al>Broekontginnings </al><al>landschap </al></entry><entry><al>Relatief grote open </al><al>ruimtes, deels omzoomd </al><al>door boscomplex. </al><al>Vaak ïnbreidingslandchappen </al><al>met een rommelige driehoek </al><al>structuren als resultaat </al></entry><entry><al>Planmatig, rechtlijnig </al><al>lanen, bosjes vaak met </al><al>heiderelicten </al></entry><entry><al>Erven liggen als blokken </al><al>aan de weg geschakeld </al><al>Wegen zijn lanen met </al><al>lange rechtstanden </al><al>Kleine erven met carré </al><al>erfbeplanting </al></entry></row></tbody></tgroup></table><table><title>Kernkwaliteit natuur</title><tgroup cols="3"><colspec colname="C3" colnum="3"/><colspec colname="C2" colnum="2"/><colspec colname="C1" colnum="1"/><colspec colname="C0" colnum="0"/><thead><row><entry><al><vet>Deelgebied</vet></al></entry><entry><al><vet>Hoofdkenmerken</vet></al></entry><entry><al><vet>Waardevolle leefgebieden</vet></al></entry></row></thead><tbody><row><entry><al>Bronnen</al><al>Beken</al><al>Niet gemaaide beekdalen</al><al>Houtwallen</al><al>Kleinschalig cultuurlanschap</al><al>Poelen</al><al>Oude landgoedbossen </al><al>Heide, zandvlakte </al><al>Bergvennen </al></entry><entry><al/></entry><entry><al>7 Natura 2000 gebieden in NL NOT Springendal en dal van
                                            de Mosbeek, </al><al>Achter de Voort, Agelerbroek en Voltherbroek,
                                            Bergvennen, Lemselermaten, </al><al>Beuninger Achterveld, Landgoederen Oldenzaal.</al><al>Met bijzondere planten en dieren als: </al><al>• beekoeverlibel</al><al>• grote gele kwikstaart ,goudveil,slanke
                                            sleutelbloem,beekprik</al><al>• zompsprinkhaan, kwartelkoning</al><al>• zomertortel, vliegend hert</al><al>• patrijs, steenuil, kerkuil, gorene specht </al><al>• boomkikker</al><al>• kenmerkende plantensoorten als slanke sleutelbloem,
                                            gele dovennetel, boswederik, </al><al>bosanemoon, muskuskruid, witte rapunzel en de
                                            schedegeelster en diersoorten zoals </al><al>de middelste bonte specht</al><al>• hazelworm, zandhagedis, nachtzwaluw </al><al>• dodaars </al><al>• 8 soorten (Hrl) zoogdieren </al><al>• Heidekikker (Rls) </al><al>• Grote en kleine modderkruiper en bittervoorn
                                            (Hrl-vissen in sloten) </al></entry></row></tbody></tgroup></table></artikel></bijlage><bijlage><kop><titel>Bijlage 8 Overzicht kaarten verordening </titel></kop><al>Kaart nr. 09295055 Ontwikkelingsperspectieven </al><al>Kaart nr. 09295046 Gebiedskenmerkenkaart, Natuurlijke laag </al><al>Kaart nr. 09295047 Gebiedskenmerkenkaart, Laag van het agrarisch
                    cultuurlandschap </al><al>Kaart nr. 09295048 Gebiedskenmerkenkaart, Stedelijke laag </al><al>Kaart nr. 09295049 Gebiedskenmerkenkaart, Lust- en leisurelaag </al><al>Kaart nr. 09295050 EHS, overige natuur en nationale landschappen </al><al>Kaart nr. 09295051 Recreatie </al><al>Kaart nr. 09295052 Externe Veiligheid </al><al>Kaart nr. 09295053 Drinkwatervoorziening </al><al>Kaart nr. 140305 Waterveiligheid </al><al>Kaart nr. 09295056 Regionale waterkeringen en peilbesluiten </al><al>Kaart nr. 10395119 Geluidscontouren gebiedsontwikkeling Luchthaven Twente
                    e.o.</al><al>Kaart nr. 12330419 Globale verdringingsreeks gebieden</al><al>Kaart nr. 12460426 Deelgebieden herijkte EHS</al></bijlage><bijlage><kop><titel>Bijlage 9 Kaarten luchthavenregelingen uit titel 5.2
                        Omgevingsverordening</titel></kop><al>Kaarten behorend bij de luchthavenregelingen uit Titel 5.2 van de
                    Omgevingsverordening staan als download in de rechterkolom van de
                    internetpagina.</al></bijlage><bijlage><kop><titel>Bijlage 10 Wezenlijke kenmerken en waarden van de Ecologische
                        Hoofdstructuur</titel></kop><al>Op basis van artikel 2.7.1 lid d van de Omgevingsverordening worden de
                    wezenlijke kenmerken en waarden beschreven. Deze bijlage voorziet hierin.</al><al>Wezenlijke kenmerken en waarden zijn de actuele en potentiele waarden, gebaseerd
                    op de natuurdoelen van het gebied. Gedacht kan worden aan de natuurdoelen en
                    -kwaliteit, geomorforlogische en aardkundige waarden en processen, de
                    waterhuishouding, de kwaliteit van de bodem, water en lucht, rust, stilte,
                    donkerte en openheid, de landschapsstructuur en de belevingswaarde. </al><al>Informatie hierover is te vinden in dit doucment, op de website van de Provincie
                    Overijssel en in het veld. De informatie is als volgt te vinden: </al><al>- De actuele natuurwaarden. Deze zijn per deelgebied weergegeven in de paragraaf
                    "gebiedsbeschrijving" van dit document. Deze beschrijving is een globale
                    beschrijving. Naast deze beschrijving is gedetailleerde informatie uit het veld
                    noodzakelijk om de actulele situatie te beoordelen. </al><al>- De beoogde natuurdoelen inclusief de daarvoor benodigde omgevingscondities.
                    Deze zijn per deelgebied in hoofdlijnen aangegeven in dit document in de
                    paragraaf "streefbeeld" . </al><al>- Naast de informatie beschikbaar in deze bijlage, zijn gebiedskenmerken te
                    vinden in de Catalogus Gebiedskenmerken. </al><al>- Voor de Natura 2000 gebieden is gedetaileerde informatie over deze gebieden te
                    vinden op de website van de Provincie Overijssel. </al><al>De deelgebieden van de EHS zijn opgenomen op de kaart deelgebieden EHS behorend
                    bij de Omgevingsverordening, nr. 12460426.</al><al><vet>1. De Woldberg/De Eese</vet></al><al><vet>Gebiedsbeschrijving</vet></al><al>In het uiterste noordoosten van Overijssel ligt op een uitloper van het Drentse
                    keileemplateau het bosgebied van De Woldberg en het landgoed De Eese. . De
                    Woldberg grenst aan het kleinschalige, eeuwenoude landschap van Paasloo -
                    Steenwijkerwold. De Woldberg bestaat vooral uit bos en een kleinschalig
                    cultuurlandschap. Hier komen houtwallen voor met Bosanemoon, Schedegeelster,
                    Muskuskruid en eeuwenoude essenstoven. De graslanden behoren tot het kruidenrijk
                    grasland (N12.02) en worden afgewisseld met poelen die van belang zijn voor o.a.
                    de Kamsalamander. </al><al>De kern van het landgoed de Eese bestond eeuwenlang uit graslanden, houtwallen
                    en bos. Het geheel was aan alle zijden omgeven door heide. Deze heide is in de
                    19e eeuw en begin 20e eeuw bebost met naald- en loofhout of omgezet in akkers en
                    graslanden.. Bijzondere soorten van het gebied zijn o.a. Ruige veldbies en
                    Stippelvaren.</al><al>Zowel de Woldberg als de Eese zijn belangrijk als leefgebied voor reptielen
                    zoals Adder, Ringslang en Hazelworm. </al><al><vet>Streefbeeld</vet></al><al>In dit gebied wordt geen uitbreiding van de EHS voorzien. De kwaliteit van de
                    bestaande EHS kan versterkt worden door vergroten van de oppervlakte natuurlijk
                    bos en vooral op het landgoed De Eese door versterking van de heiderestanten
                    door het omvormen van productiebos of grasland naar heide (N7.01 en N6.04) zodat
                    er in het bestaande bos corridors ontstaan en hierdoor uitwisseling van voor de
                    heide kenmerkende dieren mogelijk wordt</al><al><vet>2. Wieden-Weerribben</vet></al><al><vet>Gebiedsbeschrijving</vet></al><al>Het deelgebied Wieden - Weerribben bestaat uit de Natura 2000 gebieden De Wieden
                    en de Weerribben en een aantal aangrenzende gebieden. Het Natura 2000 gebied
                    Wieden - Weerribben is ca. 7000 ha groot en vormt samen met de Natura
                    2000-gebieden Zwarte meer en Olde Maten één van de grootste moerasgebieden van
                    Noordwest-Europa. Het gebied was in de Middeleeuwen grotendeels een
                    hoogveengebied. Door veenwinning vanaf de gouden eeuw (Blokzijl als uitvoer
                    haven van turf naar Holland) zijn in het gebied smalle, lange wateren ontstaan,
                    de petgaten, die begrensd zijn met smalle stroken niet vergraven grond, de
                    legakkers of ribben. Door successie van open water via drijftillen,
                    Krabbenscheervegetaties of Pluimzegge-moeras ontstond een landschap met
                    rietlanden en trilvenen, die jaarlijks door boeren werden gemaaid. In de 20e
                    eeuw nam op veel grond het beheer af, waardoor zich uit rietland en moeras
                    elzenbroek-, berkenbroek- en wilgenbroekbossen, konden ontwikkelen. In de Wieden
                    ontstonden in dit laagveengebied als gevolg van stormen grote meren. </al><al>De Wieden en Weerribben vormen zowel provinciaal als landelijk een belangrijk
                    leefgebied voor bedreigde plant- en diersoorten. Belangrijk zijn de oppervlakten
                    veenmosrietland, trilveen en blauwgrasland. De Weerribben is het belangrijkste
                    leefgebied in ons land voor de Grote Vuurvlinder en van de Zilveren Maan. De
                    Speerwaterjuffer (libel) komt alleen maar in dit gebied voor. Met succes is in
                    het gebied de Otter opnieuw geïntroduceerd. Belangrijke plantensoorten in het
                    laagveengebied zijn: Groenknolorchis, Slank Wollegras, Stijf Struisriet
                    (Wieden), Schorpioenmos en Moerashoningzwam. Belangrijke broedvogels zijn de
                    Purperreiger, Aalscholver, Porseleinhoen, Rietzanger en Krakeend. Ringslangen
                    leven vooral in de Weerribben.</al><al>De ontwikkeling van de hoogwaterzone bij Giethoorn heeft laten zien dat uit
                    voormalig landbouwgrond zich, onder natte, voedselrijke omstandigheden een nieuw
                    broedbiotoop voor water- en moerasvogels kan ontwikkelen met o.a. vestigingen
                    van Grote Zilverreiger en Purperreiger </al><al>Aan de noord- en westzijde van de Weerribben en langs de west-, zuid-, en
                    oostzijde van de Wieden liggen veenweidegebieden, waarvan de actuele waarde
                    sterk varieert. Het ontginningsgebied rondom Scheerwolde is ten opzichte van het
                    westelijke gebied grootschaliger en wordt intensiever gebruikt door de landbouw.
                    De actuele natuurwaarde van dit gebied is laag en zal met natuurontwikkeling
                    sterk worden vergroot. </al><al>In de zuidwesthoek van het gebied ligt het keileemplateau van het Hoge Land van
                    Vollenhove. Dit gebied wordt gekenmerkt door een netwerk van houtwallen en
                    eikenhakhoutbosjes met daarin veel kenmerkende bossoorten zoals de Grote Muur,
                    terwijl in de wallen Braamsluiper en Grasmus als broedvogel voorkomen. De
                    Oldenhof betreft een landgoedbos met grote populaties van Bosgierstgras. In
                    holle bomen komen kolonies van vleermuizen voor, waaronder de Rosse Vleermuis. </al><al>De Barsbekerbinnenpolder is een open, vrijwel onbebouwde polder met middeleeuws
                    slotenpatroon. Het gebied is een van de belangrijke weidevogelgebieden in
                    Overijssel. In sloten komen diverse bijzondere waterplanten voor. De slootkanten
                    hebben een deel van hun soortenrijkdom verloren als gevolg van de bemesting. </al><al>Op de grens met de Noordoostpolder ligt het Vollenhovermeer, dit is ook
                    aangewezen als vogelrichtlijngebied, de oevers van dit meer zijn begroeid met
                    rietland en moerasvegetaties en er broeden diverse bijzondere rietvogels (o.a.
                    Roerdomp) </al><al><vet>Streefbeeld</vet></al><al><cursief>Bestaande natuur</cursief></al><al>Noordwest Overijssel is een zeer gevarieerd en complex natuurgebied met een
                    grote variatie aan beheertypen. Deze complexiteit is goed te zien op de
                    beheertypenkaart van het natuurbeheerplan. In dit gebied vindt naast beheer van
                    de bestaande natuurtypen zgn. cyclisch beheer plaats; Om de verschillende
                    verlandingsstadia duurzaam te kunnen laten voortbestaan, worden regelmatig
                    dichtgegroeide trekgaten opengetrokken, zodat de verlanding weer van voren af
                    aan kan beginnen. Andere maatregelen zijn het ontbossen van half verlande
                    petgaten met als doel het areaal aan trilveen uit te breiden, ondiep begreppelen
                    van percelen om in verzuurde percelen het contact met het oppervlaktewater te
                    herstellen, het schrapen van veenmosrietland waarbij de bovenste veenmoslaag
                    wordt verwijderd, het instellen van een flexibel peilbeheer en verbeteren van de
                    waterkwaliteit. </al><al><cursief>Nieuwe natuur</cursief></al><al>De te ontwikkelen nieuwe natuur heeft in de meeste gevallen een nauwe samenhang
                    met de inrichting en het beheer van de bestaande natuur. De nieuw te ontwikkelen
                    natuur is onderverdeeld in de hierna volgende grote deelgebieden met een
                    overwegend vergelijkbaar streefbeeld. </al><al><cursief>Wieden Weerribben, Moeras en schraalland</cursief></al><al>Inrichting en beheer van de nieuw te ontwikkelen natuur hangt hier nauw samen
                    met dat van de aangrenzende en inliggende bestaande natuurgebieden. In deze
                    gebieden liggen de meest kwetsbare beheertypen met de hoogste botanische
                    waarden. Een afwisseling van Gemaaid rietland (N05.02), Trilveen (N06.02),
                    Veenmosrietland (N06.01) en Hoog- en laagveenbos (N14.02) Moeras (N05.01), Nat
                    schraalland (N10.01). Een groot verschil met het volgende deelgebied is dat in
                    dit deelgebied naar verhouding meer trilveen, veenmosrietland en nat schraalland
                    voorkomt. </al><al>In de ook in dit deelgebied gelegen graslanden in en om de Weerribben en langs
                    de Lage Weg is de doelstelling botanisch beheer gericht op Vochtig Hooiland
                    (N10.02) en Nat schraalland (N10.01) en op de ontwikkeling van bloemrijke sloten
                    en slootkanten met bijzondere water- en oeverplanten (fonteinkruiden, Bronmos,
                    Waterscheerling).</al><al>In de overgangszone aan de oostkant van het Hoge Land naar de Wieden wordt
                    Vochtig hooiland (N10.02), Nat schraalland (N10.01) en kruiden en faunarijk
                    grasland (N12.02) ontwikkeld.</al><al><cursief>Wieden Weerribben, dynamische moerasnatuur</cursief></al><al>In de polders Wetering oost en west en polder Giethoorn wordt dynamische
                    moerasnatuur (Moeras N05.01) nagestreefd in combinatie met waterberging. In de
                    Beulakerpolder is dit inmiddels uitgevoerd, waar op korte termijn al heel
                    interessante resultaten zijn bereikt (vestiging van o.a. Dodaars, Rietzanger).
                    Door de waterberging ontstaat meer dynamiek in de waterstanden. Dynamische
                    moerasnatuur (Moeras N05.01) kenmerkt zich door in tijd en ruimte wisselende
                    habitats variërend van open zoetwaterplassen en - via processen van verlanding
                    ontstane - beheertypen. Langs de bebouwing van de polder Wetering Oost wordt een
                    strook opgehoogd. Langs deze strook wordt aan de kant van de nieuwe
                    natuurgebieden relatief diep water (circa 0,8 m) aangelegd. Samen vormt het een
                    overgangszone van circa 150 m tussen de nieuwe natuur en de bebouwing. Polder
                    Wetering oost wordt - in samenhang met het naastgelegen Woldlakebos - een
                    belangrijk rustgebied voor riet-, water- en moerasvogels, reigerachtigen en de
                    Otter. In de verbindingen naar de Rottige Meente en het Vollenhovermeer worden
                    ook moerasgebieden ontwikkeld. </al><al><cursief>Wieden - Weerribben, vochtig weidevogelgrasland</cursief></al><al>De Barsbekerbinnenpolder en het Leeuwterveld zijn open gebieden met het doel
                    Vochtig weidevogelgrasland (N13.01) gericht op weidevogelbeheer m.n. voor de
                    (zeer) ‘kritische' weidevogelsoorten als Watersnip, Slobeend, Zomertaling,
                    Kemphaan, Grutto en Tureluur. Hierbij hoort een waterpeil van ca. 5-25 cm
                    beneden maaiveld met plaatselijk plas- dras situaties. Voor het behoud en
                    versterking als broedgebied voor Grutto en Tureluur is een regelmatige bemesting
                    met organische mest (bij voorkeur ruige stalmest) noodzakelijk. De ontwikkeling
                    van plekken die in het voorjaar plas-dras staan komt de weidevogelstand direct
                    ten goede. In Vochtig weidevogelgrasland (N13.01) worden op kleine schaal ook
                    botanische waardevolle graslanden en bloemrijke sloten en slootkanten ontwikkeld
                    evenals geleidelijke overgangen naar moeras (N05.01). Inrichting van
                    weidevogelgebied dient zodanig plaats te vinden dat het open karakter behouden
                    blijft.</al><al>De als nieuwe natuur begrensde weidevogelgebieden in Noordwest-Overijssel zijn
                    vrijwel allemaal ook belangrijke gebieden voor overwinterende ganzen. </al><al><vet>3. Reestdal</vet></al><al><vet>Gebiedsbeschrijving</vet></al><al>Het betreft het Reestdal, de Vledder- en Leijer hooilanden, de oeverlanden langs
                    het Meppelerdiep en de aansluitende verbindingszones naar het Vechtdal. </al><al>De Reest was een van de weinige echte hoogveenbeken in Nederland. In de
                    oorspronkelijke situatie werd de Reest gevoed door het hoogveen¬gebied oostelijk
                    van Dedemsvaart. Van dit hoogveengebied is niets overgebleven. De sponswerking
                    van het uitgestrekte veengebied is met de ontginning in de loop van de 19e eeuw
                    verdwenen waardoor de beek meer water is gaan vervoeren (hogere piekbelasting)
                    en om deze reden is aan Drentse zijde een omleidingskanaal gegraven. Het
                    Reestdal heeft een landschap dat sinds haar ontstaan in de Middeleeuwen maar
                    weinig is veranderd. Haar behoud heeft direct te maken met haar ligging op de
                    grens van de provincies Drenthe en Overijssel.</al><al>Binnen het beekdal kan een bovenloop, middenloop en benedenloop worden
                    onderscheiden. De bovenloop (oostelijk van Dedemsvaart) is bochtig, de
                    hoogteverschillen in het landschap zijn klein en de omgeving betreft
                    landbouwgebied dat ontstaan is na de ontginning van het hoogveen. In de midden-
                    en benedenloop (Meppel - Dedemsvaart) liggen hooilanden in het beekdal, terwijl
                    de randen gekenmerkt worden door essen en hakhoutbosjes. De hooilanden worden
                    deels gevoed met locale kwel. Waar deze kalkrijk is vinden we
                    Dotterbloemhooilanden met Dotterbloem, Echte koekoeksbloem en Grote ratelaar en
                    waar langduriger overstromingen optreden ook zeggemoeras, met o.a. Scherpe zegge
                    en Noordse zegge. Binnen Overijssel wordt het grootste en meest uitgestrekte
                    complex aan Dotterbloemhooiland aangetroffen in het Reestdal. Uit onderzoek door
                    het OBN team beekdallandschappen is gebleken dat in het Reestdal minimaal vier
                    habitattypen voorkomen met een internationale betekenis voor bescherming. Op
                    akkers wordt Rogge (Triticale) verbouwd met in zomer de blauwkleurende
                    Korenbloem. </al><al>De Vledders- en Leijerhooilanden vormen een komvormige laagte bij IJhorst die
                    aansluit bij het Reestdal, waar sprake is van locale kwel. In het gebied komen
                    moerassige laagten voor met Kleine zegge-vegetaties (o.a. Draadzegge). </al><al>Het Meppelerdiep is in wezen de gekanaliseerde benedenloop van de Reest. Het
                    landschap is hier open. Hier liggen een aantal waardevolle reservaten met
                    vegetaties die behoren tot het Blauwgrasland, Dotterbloemhooiland, Grote
                    zeggen-, Kleine zegge-vegetaties en met op de hogere koppen heischraal grasland
                    met o.a. Borstelgras. De Meppelerdieplanden vormen in ons land het belangrijkste
                    leefgebied van het Geel Schorpioenmos. </al><al>Door de grote afwisseling in landschapstypen heeft het Reestgebied een
                    bijzondere fauna. Van de Das komt een belangrijke populatie in de middenloop
                    voor. Weidebeekjuffers vliegen met grote aantallen in de zomer boven de beek. </al><al>Het aangrenzende Staphorsterbos en de bossen in de verbindingzone naar het
                    Vechtdal, worden gekenmerkt door de aanwezigheid van droge productiebossen,
                    droge en natte heide en een aantal zwakgebufferde en zure vennen. De Adder is
                    een kenmerkende soort voor dit bos en heide gebied. Voor deze soort is in het
                    Staphorsterbos een corridor van Droge en Natte heide aangelegd in het kader van
                    het project "Vipera verbindt".</al><al><vet>Streefbeeld</vet></al><al>De Reest wordt ontwikkeld als een natuurlijk laaglandbeekdal met een afwisselend
                    kleinschalig landschap van Vochtig hooiland (N10.02), Nat schraalgrasland
                    (N10.01), Kruiden en faunarijk grasland (N12.02) en op de esgronden Kruiden- en
                    faunarijke akkers (N12.05). Om de kwaliteit hier te verhogen is vooral een
                    verhoging van het waterpeil in de Reest en herstel van de vroeger vaak
                    voorkomende inundaties nodig. De Vledder- en Leijer hooilanden zijn een
                    belangrijk kwelgebied met het doel de ontwikkeling van Vochtig hooiland (N10.02)
                    en Nat schraalgrasland (N10.01), ook hier is een verhoging van de
                    grondwaterstand nodig voor het bereiken van de beoogde natuurkwaliteit. </al><al>In de bosgebieden is op lokale schaal omvorming van bos naar heide gewenst
                    vanwege de versterking van de adderpopulatie. </al><al><vet>4. Oeverlanden Zwarte Water</vet></al><al><vet>Gebiedsbeschrijving</vet></al><al>Dit deelgebied omvat het Natura 2000 gebied Oeverlanden Zwarte water en enkele
                    direct aangrenzende natuurgebieden. Deze uiterwaarden aan weerszijden van het
                    Zwarte Water vormen het belangrijkste leefgebied van de Wilde kievitsbloem in
                    Noordwest-Europa. In de hier aanwezige Kievitsbloemhooilanden komen naast de
                    Wilde kievitsbloem kenmerkende soorten als Gulden boterbloem, Echte
                    koekoeksbloem, Grote pimpernel en Kale vrouwenmantel voor. Belangrijk is dat
                    regelmatig overstromingen plaatsvinden waardoor de Wilde kievitsbloem zich kan
                    verjongen. Op de dijken komen schrale vegetaties voor met relatief veel
                    Knolboterbloem. Delen van het gebied zijn nog van belang als weidevogelgebied
                    maar het areaal is wel sterk afgenomen in de afgelopen 20 jaar. Op sommige
                    locaties komen bijv. Slobeend, Zomertaling en Kwartelkoning voor. Ook broeden
                    nog kleine aantallen Zwarte Sterns op de plaatselijk voorkomende
                    Krabbenscheervegetaties. In de winter is het buitendijkse gebied belangrijk voor
                    doortrekkende eenden, ganzen en zwanen. In het voorjaar worden onder water
                    staande graslanden door grote groepen Grutto`s gebruikt als tussenstop naar de
                    binnendijkse percelen waar gebroed wordt. </al><al>Aan de oostkant van het Zwarte water komt bij het Kievitsnest een kleine
                    oppervlakte Blauwgrasland voor. Verder zijn de dotterbloemgraslanden kenmerkend
                    voor dit gebied. </al><al><vet>Streefbeeld</vet></al><al>Op de oeverlanden Zwarte Water-Vecht wordt gestreefd naar halfnatuurlijke
                    graslandvegetaties die primair van grote betekenis zijn voor de Wilde
                    kievitsbloem. Daarnaast is er een belangrijke nevenfunctie de betekenis voor
                    weidevogels en wintergasten. De beheertypen zijn Vochtig hooiland (N10.02),
                    Overstromingsgrasland (N12.04), Vochtig weidevogelgrasland (N13.01), Moeras
                    (N05.01) en Zoete Plas (N04.02).</al><al>De botanische doelen vergen een hooilandbeheer met nabeweiding; het
                    weidevogelbeheer vereist een hoog waterpeil en in de natte perioden plas-dras
                    situaties. Zowel voor de Kievitsbloemgraslanden als de weidevogeldoelstelling is
                    het nodig dat zomerkades worden doorgestoken of verwijderd zodat een meer
                    natuurlijk waterpeil mogelijk is. In de weidevogelgebieden is enige bemesting
                    met organische mest (bij voorkeur ruige stalmest) noodzakelijk voor een goed
                    bodemleven. Aanleg van natte laagtes die in de loop van het broedseizoen
                    droogvallen en toename van de invloeden van de rivier (via vergraving van oude
                    geulen) is wenselijk. Bij het Kievitsnest wordt het beheer van het in 2012
                    ingerichte natuurontwikkelingsproject mede gericht op de ontwikkeling van Nat
                    schraalgrasland en Blauwgrasland. </al><al><vet>5. Zwarte Meer/Vossemeer</vet></al><al><vet>Gebiedsbeschrijving</vet></al><al>Deze meren met oeverzones en een aantal eilanden in de IJsselmonding vormen een
                    onderdeel van de N2000 gebieden Zwarte meer en Ketelmeer en Vossemeer. </al><al>Het Zwarte Meer is ontstaan door afscheiding van een deel van het IJsselmeer
                    na</al><al>inpoldering van de Noordoostpolder. Aan de oostkant wordt het meer gevoed door
                    het Zwarte</al><al>Water dat water afvoert van de Overijsselse Vecht en het Meppelerdiep. Het is </al><al>een relatief beschut vrij ondiep zoet meer (1 tot 2 meter) met rietlanden,
                    ruigtes en open water. Alleen de vaargeul is dieper dan 2 meter.</al><al>Het nu onnatuurlijke peilbeheer van het IJsselmeer bepaald in grote mate de
                    kwaliteit van de moerasvegetaties. Streefpeilen in het IJsselmeer zijn voor het
                    zomerpeil 0,20 m -NAP en voor het</al><al>winterpeil 0,40 m -NAP. Bij hoge standen bij Ramspol door windwerking op het
                    IJsselmeer kan sinds 2002 deverbinding tussen Ketelmeer en Zwarte Meer met de
                    balgstuw worden</al><al>afgesloten. Het doorzicht bepaald in sterke mate de aanwezigheid van
                    waterplantenvegetaties. Vanaf de jaren '90 is het doorzicht verbeterd.
                    Ondergedoken waterplantbegroeiingen van vooral Fonteinkruiden komen vooral voor
                    ten westen van het Ganzendiep, ten noordwesten van het Vogeleiland. Langs de
                    oevers zijn brede rietkragen en moerasvegetaties aanwezig. Rietvegetaties</al><al>domineren (van belang voor avifauna) met daarnaast Mattenbies en Kleine
                    lisdodde</al><al>als dominante soorten. Plaatselijk komen grote zeggenmoerassen van
                    voedselrijke</al><al>milieus voor, zoals die van Oeverzegge, Scherpe zegge of Liesgras. De riet
                    vegetaties zijn door het onnatuurlijke peilbeheer weinig vitaal. Hierdoor is de
                    sterk bedreigde Grote Karekiet sterk in aantal afgenomen. </al><al>Aan de oostzijde van het Zwarte meer zijn in de oeverlanden
                    Kievitsbloemhooilanden aanwezig, die zich in positieve ontwikkelen, </al><al>In de IJsselmonding liggen een aantal eilanden. Het Keteleiland ontstond in 1940
                    door het graven van het Kattendiep waardoor het werd afgescheiden van het
                    Kampereiland. Het bestaat uit kruidenrijke graslanden en rietvelden. Daarnaast
                    zijn er een aantal nieuwe eilanden in de IJsselmonding opgespoten. Deze zijn
                    begroeid zijn met moerasbos en moerasvegetaties. Kenmerkend voor de
                    IJsselmonding zijn de rivierfonteinkruidvegetaties die zich sterk
                    uitbreiden.</al><al><vet>Streefbeeld</vet></al><al>Voor de kievitsbloem graslanden in de oeverlanden aan de oostkant van het meer
                    is het nodig om het waterpeil te optimaliseren door het weghalen van hier
                    aanwezige zomerkade</al><al>In de oeverzones met riet en moerasvegetaties is verjonging van het riet
                    gewenst, dit is nodig voor de instandhouding van o.a. de Grote Karekiet.
                    Hiervoor kunnen interne peilmaatregelen genomen worden en maatregelen als het
                    schrapen van rietlanden zodat verjonging kan optreden. Ook het vergroten van de
                    oppervlakte zeer ondiep water kan leiden tot nieuwe vestiging van
                    waterplantenvegetaties en jong rietland. </al><al><vet>6. Uiterwaarden IJssel </vet></al><al><vet>Gebiedsbeschrijving</vet></al><al><cursief>IJsseluiterwaarden</cursief></al><al>Dit gebied bestaat uit het Natura 2000 gebied IJsseluiterwaarden, de nog aan te
                    leggen Hoogwatergeul bij Kampen en enkele direct aan de IJssel grenzende
                    natuurgebiedjes. </al><al>De IJsseluiterwaarden kennen belangrijke natuurwaarden die te maken hebben met
                    de grote variatie in reliëf, bodemsamenstelling (zand, zavel, klei) en de rol
                    die de jaarlijkse overstromingen spelen op vegetatie en vogelleven. Door deze
                    overstromingen is in het voorjaar over groot oppervlak sprake van plas-dras
                    situaties, wat grote aantallen watervogels en steltlopers trekt. Het gebied
                    heeft dan ook een internationale betekenis voor doortrekkende en overwinterende
                    vogelsoorten, zoals Kleine zwaan, Tafeleend en Kolgans.</al><al>Wat broedvogels betreft was het gebied één van de bolwerken voor weidevogels.
                    Nog steeds komen of kwamen recent belangrijke concentraties voor in de Harculose
                    buitenwaarden, Herxerwaarden, Oldenelerwaard en Koppelerwaard. Het gaat om
                    Grutto, Tureluur en eendensoorten, terwijl in laat gemaaide hooilanden de
                    Kwartelkoning met succes tot broeden komt. Diverse bijzondere soorten komen in
                    het IJsseldal tot broeden zoals de Brilduiker en Lepelaar. De wilgenvloedbossen
                    die o.a. in de Duurse waarden voorkomen, vormen potentieel broedgebied voor
                    Visarend en Zeearend. De aanleg van de meestromende nevengeul in de
                    Vreugdenrijkerwaard met sterk glooiende oevers heeft aangetoond dat zich
                    belangrijk leefgebied laat ontwikkelen met een grote betekenis voor pleisterende
                    en broedende vogelsoorten, zoals Kluut en Visdief.</al><al>Het IJsseldal wordt gekenmerkt door een zogenaamde stroomdalflora van soorten
                    die groeien op zandige en/of licht zavelige, kalkrijke, droge standplaatsen met
                    reliëf. Dit biotoop komt voor op oeverwallen en rivierduinen in de uiterwaarden
                    en op de winterdijken. Het mooiste voorbeeld is het soortenrijke rivierduin van
                    de Vreugdenrijkwaard met belangrijke populaties van Liggend ereprijs,
                    Walstrobremraap, Moeslook, Veldsalie en Kleine ruit. Belangrijke dijkvegetaties
                    met o.a. Grote wilde thijm, Tripmadam, Duifkruid en Trilgras komen voor bij
                    Zalk, Welsum, Wijhe en Olst. Waar in de uiterwaarden in de loop van de zomer
                    slikkige grond komt droog te liggen met massale vestiging van Slijkgroen en Echt
                    vlooienkruid voor. Rode ogentroost profiteert ook van de ontwikkelingen. Al deze
                    soorten hebben baat bij de natuurontwikkeling. In de Scherenwelle bij Wilsum is
                    het enige goed ontwikkelde kievitsbloemhooiland langs de Ijssel te vinden. Ook
                    komt hier het zeldzame Veenreukgras voor. </al><al><vet>De Enk</vet></al><al>De Enk is een restant van één van de rivierarmen van de IJsseldelta. Het is een
                    gevarieerd gebied met restanten van de IJssel, enkele kolken, rietlanden en
                    natte graslanden. Hierin komen soorten voor als Waterviolier en Moeraswede¬rik.
                    De Enk vormt één van de weinige leefgebieden van de Waterspitsmuis in de
                    IJsseldelta. Dit gebied wordt onderdeel van de nieuwe hoogwatergeul bij
                    Kampen.</al><al><vet>Streefbeeld</vet></al><al>IJsseluiterwaarden</al><al>Binnen de te ontwikkelen natuurgebieden in het stroomgebied van de IJssel worden
                    beheertypen nagestreefd van het rivierengebied.</al><al>De provincies Gelderland en Overijssel hanteren voor de IJsseluiterwaarden de
                    volgende uitgangspunten voor het streefbeeld:</al><al>- Bevorderen van de hydrologische en morfologische dynamiek waar dat mogelijk
                    is. De mate van dynamiek hangt af van de kansen ter plekke.</al><al>- De IJssel krijgt een belangrijke functie als verbindingszone tussen de grote
                    moerassen van de IJsseldelta en die van de Gelderse Poort. Dit betekent dat er
                    op regelmatige afstand het beheertype Moeras (N05.01) behouden, dan wel
                    ontwikkeld moet worden, ongeveer iedere 10 km een oppervlakte van 25 ha (model
                    Rietzanger). </al><al>- Op een aantal plaatsen snijdt de IJssel het Veluwemassief aan. In deze
                    uiterwaarden (bijv. Hoenwaard bij Hattem) is sprake van een sterke kweldruk.
                    Hier zijn bijzonder kansrijke situaties voor de ontwikkeling van
                    kwelafhankelijke beheertypen.</al><al>- In de IJssel monden een groot aantal beken en weteringen uit. Er is nog zelden
                    sprake van een natuurlijke aansluiting. Meestal eindigen deze wateren bij een
                    gemaal op de winterdijk. Deze natte kruispunten verdienen een
                    kwaliteitsverbetering, mede uit het oogpunt van vismigratie. </al><al>- De IJssel wordt gekruist door diverse ecologische verbindingszones (EVZ's).
                    Deze kunnen betrekking hebben op wateren (zie vorig uitgangspunt) of op bossen
                    (model Das) en kleinschalig landschap met poelen (model Kamsalamander). De EVZ's
                    krijgen bijzondere aandacht.</al><al>- Bijzondere aandacht voor grootschalige dynamische natuur (N01.03).</al><al>Daarbij wordt rekening gehouden met de volgende randvoorwaarden:</al><al>- Nieuwe natuur wordt ontworpen rekening houdend met de uitgangspunten van
                    "Ruimte voor de Rivier". </al><al>- Bijzondere natuurwaarden (bijv. stroomdalgraslanden) en geomorfologische
                    waarden (bv. kronkelwaarden en rivierduinen) worden gespaard.</al><al>- (Delen van) de IJsseluiterwaarden vallen onder de Vogelrichtlijn,
                    Wetlandsconventie en Natuurbeschermingswet. Hier moet rekening worden gehouden
                    met de kwalificerende soorten. Zie daarvoor het (concept) Natura 2000 beheerplan
                    Rijntakken.</al><al>1 De volgende uiterwaarden hebben als doelstelling de ontwikkeling van
                    grootschalige natuur met begrazing: Het Engelse Werk, Harculose buitenwaard,
                    Buitenwaarden Wijhe, Duursche waarden, Fontmonderwaarden, Roetwaard,
                    Welsumerwaarden, Bolwerksweiden, Yperenbergplas, Ossenwaard, Keizers- en
                    Stobbenwaarden, Onderdijkse waard, Vreugdenrijkerwaard.</al><al>Wat de grootschalige natuur in de Keizers- en Stobbenwaarden betreft. Hier wordt
                    een meestromende geul ontwikkeld en op het hogere deel van de uiterwaard een
                    Natuurderij voorzien. </al><al>Voor de omgeving van het Zalkerbos wordt gestreefd naar langdurige
                    plas-drassituaties in winter en voorjaar, voor o.a. het Porseleinhoen. Voor de
                    overige graslanden is het streefbeeld Droog soortenrijk grasland. Op één perceel
                    wordt gestreefd naar herstel van de hier van oorsprong voorkomende soortenrijke
                    akkers. Dit gebied is vanouds bekend om zijn zeldzame akkerflora. Uit ervaringen
                    elders blijkt dat bij een goed beheer deze soorten zich weer uit de zaadbank
                    kunnen hervestigen.</al><al><cursief>Bypass Kampen</cursief></al><al>In de bypass Kampen wordt langs de oevers voornamelijk Moeras en plaatselijk
                    Vochtig hooiland en Kruiden- en faunarijk grasland ontwikkeld.. </al><al><vet>7. Olde Maten/Veerslootslanden</vet></al><al><vet>Gebiedsbeschrijving</vet></al><al>De Olde Maten en Veerslootslanden zijn onderdelen van het gelijknamige Natrura
                    2000 gebied en liggen in het Staphorsterveld. Het Staphorsterveld is in de
                    Middeleeuwen ontgonnen via een opstrekkende smalle verkaveling waarbij sloten de
                    perceelsgrenzen vormen. Dit landschap is nog steeds goed herkenbaar, hoewel door
                    verkavelingen vanaf de jaren dertig van de vorige eeuw een netwerk van wegen is
                    aangelegd en boerderij bouw in het veld heeft plaatsgevonden. Het
                    Staphorsterveld is een overgangsgebied waar van oost naar west het veenpakket
                    steeds dikker wordt en aan de westzijde ook klei op het veen is afgezet. Tot
                    1932 kwamen grootschalige overstromingen voor door stagnatie van de waterafvoer.
                    Het gebied kent relatief hoge slootpeilen, maar van overstromingen is geen
                    sprake meer. Het grootste deel van het veld is een regionaal kwelgebied, waar
                    ijzer- en calciumrijk grondwater in de sloten uittreedt. </al><al>Het open polder gebied is van grote betekenis vanwege haar soortenrijke sloot-
                    en slootkantvegetaties met o.a. Krabbenscheer en diverse soorten fonteinkruiden.
                    De rijkste slootvegetaties komen binnen Overijssel hier over een grote lengte
                    voor. De waarden nemen nog steeds af als gevolg van landbouwintensivering en
                    veranderingen in het slootbeheer, waardoor slootkanten meer eutrofer worden en
                    de waterkwaltiteit onder druk staat. Het Staphorsterveld is hèt leefgebied
                    binnen Overijssel van de Grote pimpernel, Waterviolier en Grote boterbloem. Wat
                    weidevogels betreft is het hèt bolwerk van de Wulp. De stand van de Grutto is de
                    afgelopen 20 jaar sterk achteruit gegaan. </al><al>In het Staphorsterveld hebben vroeger grote oppervlakten Dotterbloemhooiland
                    (N10.02) en Blauwgrasland (N10.01) gelegen. Een ook landelijk gezien belangrijk
                    restant van het blauwgrasland komt voor in de Veerslootslanden. Hier komen
                    belangrijke populaties voor van Knotszegge, Blonde zegge, Gewoon
                    vleugeltjesbloem, Spaanse ruiter, Aardbeivlinder en Moerassprinkhaan. Op
                    afgeplagd boerenland heeft zich binnen 10 jaar zowel veenmosrietland als
                    blauwgrasland ontwikkeld met vestigingen van kenmerkende soorten uit het
                    aangrenzend reservaat.</al><al>De Olde Maten betreft het meest westelijke deel van het Staphorsterveld. Door
                    veenwinning zijn de sloten hier breder en worden boksloten genoemd. In de 20e
                    eeuw zijn deze sloten geleidelijk verland tot (veenmos) rietlanden en
                    plaatselijk ook trilvenen. Door het niet meer maaien van de rietlanden zijn de
                    meeste verbost tot wilgen- en/of elzenbroekbos. Hierdoor is het karakter van het
                    gebied sterk veranderd van open naar gesloten, met een gebied waar vroeger veel
                    moerasvogels voorkwamen (o.a. Rietgors, Kleine karekiet, Rietzanger) naar gebied
                    met vooral bosvogels (o.a. Fitis, Tuinfluiter, Buizerd). </al><al><vet>Streefbeeld</vet></al><al>Het inrichtingsplan Olde Maten/Veerslootslanden wordt in 2012/2013 uitgevoerd.
                    De beoogde beheertypen zijn verwerkt op de beheertypenkaart. </al><al>Via dit plan wordt het veenlandschap met soortenrijke schraallandvegetaties en
                    verlandingsvegetaties in de boksloten versterkt . De doelen zijn de ontwikkeling
                    van Vochtig Hooiland (N10.02) en Nat schraalland (N10.01) (blauwgrasland),
                    inclusief de ontwikkeling van bloemrijke sloten en slootkanten en een
                    afwisseling van Zoete Plas (N04.02), Moeras (N05.01) en veenmosrietland
                    (N06.01). De ontwikkeling van Nat schraalland (N10.01) (blauwgrasland) is met
                    name voorzien rondom de Veerslootslanden waar het veenpakket minder dan een
                    meter dik is, de kweldruk hoger dan 1 mm per etmaal en waar met geschikte
                    maatregelen (afgraven bovengrond, verondiepen sloten die zandondergrond
                    aansnijden, peilverhoging in Olde Maten) het kwelwater weer in de percelen
                    `gedrukt` kan worden. De component open water (beheertype Zoete Plas, N04.02)
                    wordt versterkt door het openmaken van de verlande boksloten. Tussen
                    Meppelerdiep en het natuurgebied Olde Maten en tussen de Wieden en het
                    Meppelerdiep wordt verbindende natte natuurstroken aangelegd, die bestaan uit
                    Zoete Plas (N04.02) en Moeras (N05.01). </al><al>In het zuidelijk deel van de Olde Maten en aangrenzend deel van de
                    Veerslootslanden wordt gestreefd naar herstel van de weidevogelpopulaties,
                    vooral die van de Wulp en Grutto.</al><al><vet>8. Stadsgaten/De Ruiten</vet></al><al><vet>Gebiedsbeschrijving</vet></al><al>De Stadsgaten is een natuurgebied met als belangrijkste natuurwaarden Nat
                    schraalgrasland, Blauwgrasland en Hoog- en laagveen bos. </al><al>Het gebied de Ruiten is een gebied waar een dun pakket veen op zand is gelegen.
                    In de sloten komt treedt grondwater uit (kwel). In de sloten komen dan ook
                    plantensoorten voor die op kwel reageren (o.a. Waterviolier, Holpijp) en soorten
                    voor die kenmerkend zijn voor het Dotterbloemgrasland (o.a. Kruipend Zenegroen,
                    Dotterbloem). Daarnaast komen hier nog soorten voor die kenmerkend zijn voor
                    blauwgraslanden met o.a. nog relatief grote populatie van de Blauwe Knoop. </al><al>Uit de aanwezigheid van o.a. Wateraardbei, Draadzegge en Stijf Struisriet in en
                    langs de sloten blijkt de potentie van het gebied voor de ontwikkeling van
                    kleine zegge-vegetaties (trilveen). De overwegend vochtige percelen hebben een
                    geringe actuele waarde. </al><al><vet>Streefbeeld</vet></al><al>De Ruiten heeft een directe samenhang met de noordelijk gelegen Stadsgaten. Het
                    wordt ontwikkeld als een open veenweide gebied met zeer soortenrijke natte
                    schraalgraslanden met bloemrijke graslanden (beheertypen Vochtig Hooiland
                    (N10.02) en Nat schraalland en Blauwgrasland (N10.01) en Kruiden en faunarijk
                    grasland (N12.02) inclusief de ontwikkeling van bloemrijke sloten en
                    slootkanten. Op recent afgeplagd cultuurgrasland ontwikkelt zich momenteel zowel
                    Vochtige hooiland als Nat schraalland.</al><al><vet>9. Lierder en Molenbroek</vet></al><al><vet>Gebiedsbeschrijving</vet></al><al>Het Lierder- en Molenbroek is een tegen de IJssel gelegen komkleigebied. Tegen
                    de IJssel ligt het landgoed Windesheim met een afwisseling van kleibossen en
                    graslanden. Het eind 18e eeuw geplante bos is het enige kleibos van formaat in
                    Noord- en Oost-Nederland. Het gebied heeft een karakteristieke paddenstoelflora,
                    met o.a. Zonnerussula, Prachtamaniet en Narcisamaniet. Sneeuwklokjes komen veel
                    voor en in het oudste deel groeit Bosgierstgras. Het oostelijk deel van de
                    polder is een belangrijk weidevogelgebied. De afgelopen jaren is de
                    weidevogelstand hier door gerichte inrichtingsmaatregelen en inzet van de
                    agrarische natuurvereniging "Lierder en Molenbroek bv" en natuurorganisaties
                    gegroeid. Langs de Soestwetering komen ook een aantal percelen
                    Kievitsbloemhooiland voor. </al><al><vet>Streefbeeld</vet></al><al>In dit gebied is geen verdere uitbreiding van de EHS voorzien. </al><al><vet>10. Landgoederen Salland </vet></al><al><vet>Gebiedsbeschrijving</vet></al><al>Salland wordt globaal begrensd door de IJssel, de Vecht, de Sallandse Heuvelrug
                    en de Schipbeek. In Salland zijn van oost naar west te onderscheiden de
                    zandlandschappen (jonge ontginningen en kampen) en de rivierlandschappen
                    (mengelgronden, kommen en oeverwallen). Vooral op de overgang van het
                    zandlandschap naar het rivierenlandschap lag een groot aantal landgoederen en
                    buitenplaatsen, deze zijn grotendeels onderdeel van de EHS.. Dwars door de
                    dekzanden heen snijden de beekdalen. Hierin worden beek- en broekeerdgronden
                    aangetroffen. Van oudsher is Salland hydrologisch een afwisselend gebied. Naast
                    de droge dekzanden bestonden er nattere zones met kwelwater of stagnerend
                    regenwater. </al><al>Van oudsher was de kwel het sterkst in een zone waar het grondwater afkomstig
                    van de Veluwe en die van de Sallandse Heuvelrug gezamenlijk uittrad. Hier
                    bevindt zich nu nog een aantal kwelgebieden (o.a. Lutttenbergerven,
                    Pleegsterweiden/Schoonheten, Gooiermars en Wolbroeken). Honderdvijftig jaar
                    geleden was een groot gedeelte van het gebied nog een afwisseling van Heide,
                    Schraalland, Akkers en Kamgrasweiden. De stuwwal was grotendeels bedekt met
                    Droge heide, de zone aan de voet en de aangrenzende dekzandvlakte bestond
                    grotendeels uit een nat gebied met hoogveentjes, Vochtige heides, Natte
                    schraallanden en Berkenbroekbos. Voor het overige bepaalde de mens het
                    landschap. Het kleinschalige kampen-essenlandschap bestond uit akkers met
                    houtwallen. De beekdalen werden gebruikt als weide- en hooiland. De meeste
                    bossen vormden een onderdeel van de landgoederen en zijn jonger dan 250 jaar. </al><al>De hoogste natuurwaarden zijn te vinden in de hierboven genoemde kwelgebieden
                    zoals het Luttenbergerven. Dit is een voor Sallandse begrippen groot complex nat
                    schraalland met o.a. Vochtige schraalgraslanden, waaronder Blauwgrasland,
                    Bloemrijke graslanden en zure broekbossen. Hier komen soorten voor als Blauwe
                    knoop, Spaanse ruiter en Klokjesgentiaan en bijzondere paddenstoelflora van
                    schraalland (wasplaten, blauwstaaltjes). Nieuw ingerichte natuur aan de oostkant
                    ontwikkelt zich richting vochtig hooiland met o.a. Klokjesgentiaan als gevolg
                    van het uitleggen van maaisel.</al><al>De Gooiermars betreft een gebied oostelijk van Deventer. Hier zijn
                    waterschapsleidingen verbreed en schraallanden hersteld. Heel bijzonder is het
                    veel voorkomen van Kruipend moerasscherm, een soort die buiten Zeeland vooral
                    bij Deventer voorkomt. Sierlijke vetmuur en diverse soorten orchideeën zijn hier
                    eveneens verschenen. </al><al><vet>Streefbeeld</vet></al><al>In dit gebied wordt komende jaren het gebied Gooiermars fors uitgebreid, door
                    omvorming van landbouwgronden naar natuur. De grondwaterstand wordt hier
                    verhoogd en er wordt een mozaïek van bloemrijke graslanden en natte
                    schraalgraslanden ontwikkeld. In de rest van het gebied zijn geen
                    uitbreidingsdoelstellingen voor de EHS. In dit gebied is alleen beheer van de
                    bestaande natuur aan de orde. Kwaliteitsverbetering van de graslanden in de
                    bestaande natuur is mogelijk door het strikt toepassen van een beheer gericht op
                    verschraling.</al><al><vet>11. Boetelerveld </vet></al><al><vet>Gebiedsbeschrijving</vet></al><al>Het Natura 2000 gebied Boetelerveld wordt gekenmerkd door het voorkomen van het
                    habitattype vochtige heide en op kleine oppervlakte ook aan grondwater gebonden
                    zwak gebufferde wateren en, blauwgraslanden, heischrale graslanden,
                    jeneverbesstruwelen en pioniergemeenschappen van snavelbiezen. In de
                    blauwgraslanden komen nog soorten als Blauwe zegge, Melkviooltje, Welriekende
                    nachtorchis en Moeraswespenorchis voor. Daarnaast komt hier een redelijke
                    oppervlakte loof- en naaldbos van arme zandgrond voor. </al><al>Een groot deel van deze habitattypen is afhankelijk van langdurig natte
                    omstandigheden en voor een deel ook afhankelijk van de toestroming van (matig)
                    basenrijk grondwater. Momenteel zijn de grondwaterstanden te laag waardoor de
                    heide sterk is verdroogd en vergrast met Pijpestrootje. </al><al><vet>Streefbeeld</vet></al><al>Herstel van de waterhuishouding van het Boetelerveld is nodig om de van
                    grondwater afhankelijke habitattypen duurzaam te kunnen behouden. Hiervoor moet
                    om het natuurgebied een hydrologische bufferzone gerealiseerd worden waarin de
                    grondwaterstand wordt verhoogd. Een deel van deze zone zal ingericht worden als
                    natuurgebied. Een deel van de bufferzone kan mogelijk binnen het landbouwgebied
                    gerealiseerd worden via een vergoeding voor natschade. Bij de verdere uitwerking
                    zal dit nader geconcretiseerd worden. </al><al>Naast deze aanpassing van de waterhuishouding van de omgeving is er ook een
                    noodzaak om in het Boetelerveld de waterhuishouding aan te passen, door de
                    aanwezige greppels te dempen en naaldbos, vanwege te veel verdamping, te
                    kappen.</al><al><vet>12.Vechtdal</vet></al><al><vet>Gebiedsbeschrijving</vet></al><al>Dit deelgebied omvat het Vechtdal zelf en een aangrenzende hoger gelegen bos- en
                    natuurgebieden. Dit deelgebied is samen met het Reggedal en de Sallandse
                    Heuvelrug het hart van de Ecologische hoofdstructuur in Overijssel. Een deel van
                    het Vechtdal valt binnen het N2000 gebied Vecht en Beneden-Reggegebied.</al><al>De Vecht betreft een vrijwel geheel door regen gevoede rivier. Dat betekende tot
                    het eind van de 19e eeuw dat het water in winter en voorjaar hoog kon staan,
                    maar dat in droge zomers de rivier een heel laag peil had, waardoor het op
                    allerlei plekken doorwaadbaar was. Bij lage peilen kon zand vanuit de bedding
                    gaan stuiven en in de aangrenzende grasland worden afgezet. Voor het eind van de
                    19e eeuw was de Vecht een zeer sterk meanderende rivier met gering verval van
                    1,5 m per 10 km, met veel overgangen van de rivier naar aangrenzende koelanden.
                    Bij de kanalisatie in de periode 1896 - 1907 werden 69 rivierarmen afgesneden en
                    7 stuwen gerealiseerd. </al><al>Eén van de belangrijkste biotopen van het Vechtdal vormen de koelanden. Deze
                    eeuwenlang, extensief beweide, niet gescheurde of kunstmatig bemeste graslanden
                    hebben een zeer grote waarde. De mooiste voorbeelden hiervan worden gekenmerkt
                    door een fijnschalig reliëf met mierenhopen waar soorten als Zwolse anjer, Grote
                    wilde tijm, voorjaarszegge en Geel walstro voorkomen. Dit biotoop is ook erg
                    rijk aan grasland paddenstoelen, met o.a. koraalzwammen, aardtongen,
                    satijnzwammen tien soorten wasplaten (Arriër Koeland, Junner Koeland). Van grote
                    waarde zijn ook de rivierduinen met struwelen met Jeneverbes en Sleedoorn. Zij
                    komen elders in ons land niet voor. </al><al>In de afgesneden meanders (o.a. in Rheeze) hebben zich moerasvegetaties
                    ontwikkeld en alle stadia van verlanding kunnen nog worden gevonden (van open
                    water, drijftilgemeenschap naar broekbos op verland veen)</al><al>Door de afsluiting van de Zuiderzee en later aanleg van de Noordoostpolder en
                    stormvloedkering bij Ramspol speelt opwaaiing amper een rol meer bij de dynamiek
                    van het gebied. Dynamiek is nu geheel afhankelijk van extremen in neerslag
                    binnen het stroomgebied, wat in beneden- en middenloop kan leiden tot
                    kortstondige overstromingen. Deze overstromingen blijven van belang voor het
                    opladen van zandbodems met calcium en ijzer waardoor de verzuring wordt
                    gecompenseerd. Dotterbloem- en Veldrushooilanden komen verspreid in het gebied
                    voor op plaatsen waar grondwater in het rivierdal uittreedt. Het mooiste
                    voorbeeld hiervan betreft de Rheezermaten en Leusenermaten met o.a. belangrijke
                    populaties van Brede orchis, Dradrus, Lange ereprijs en Stijf struisriet. In het
                    Arrierkoeland komt nog een bijzondere populatie van de Bergnachtorchis voor. </al><al>Door grote variatie en de samenhang met grote natuurgebieden in de omgeving van
                    het dal zijn de faunawaarden in het Vechtgebied hoog. Het Vechtgebied is
                    kansrijk als leef- en migratiegebied van de Otter. In het Vechtdal waar veel
                    rivierduinen met struwelen en kleinschalig cultuurland voorkomt zijn
                    vogelsoorten zoals Grasmus, Geelgors en plaatselijk Veldleeuwerik nog veel
                    aangetroffen. De Grauwe Klauwier broedt met enkele paren in het Vechtdal. Met
                    een aantal soorten gaat het niet zo goed zoals Patrijs en Grutto. Het gebied
                    heeft grotendeels haar betekenis voor weidevogels verloren. De IJsvogel broedt,
                    afhankelijk van de strenge winters in wisselende aantallen. De Roodborsttapuit
                    is niet schaars meer.</al><al>Door ontstenen van de riviersoevers neemt het aantal broedende Oeverzwaluwen
                    toe. Het Vechtdal heeft, mede door de uitgevoerde natuurherstelprojecten een
                    belangrijke betekenis als rust- en fourageergebied voor trek- en wintervogels. </al><al>De rivierdalen zijn door hun variatie en geleidende beplantingen geschikt voor
                    vleermuizen en kleine zoogdieren. De vele oude meanders en poelen spelen een
                    belangrijke rol in het voorkomen van amfibieën waaronder de zeldzame
                    Knoflookpad. Voor veel diersoorten is de combinatie van bosrijk gebied en
                    gevarieerd dal belangrijk; er zijn veel ecologische relaties.</al><al>De Vecht heeft een bijzondere betekenis voor de visfauna. Er zijn ongeveer 30
                    soorten bekend, waaronder diverse beschermde soorten. In de gehele Vecht zijn
                    vistrappen aanwezig bij de stuwen. Van de 65 dagvlinders van Nederland, is
                    ongeveer de helft in het Vechtgebied aangetroffen, waaronder de Kommavlinder,
                    Sleedoornpage en Weerschijnvlinder, maar diverse soorten zijn helaas verdwenen
                    dan wel op hun retour (o.a. Zilveren maan, Spiegeldikkopje, Bruine vuurvlinder). </al><al>De hogere gronden langs de Vecht liggen drogere bossen, landgoederen en een
                    aantal heidegebieden waaronder het Varsenerveld; een zeer rijk nat heidegebied.
                    In dit gebied door de inzet van een natuurgroep uit Ommen heide en heischraal
                    grasland hersteld, waardoor een groot aantal bedreigde plant- en diersoorten
                    hier zijn teruggekeerd. Te noemen zijn o.a. diverse soorten libellen, Dodaars, ,
                    Vetblad, Witbloemige waterranonkel, Heidekartelblad en Welriekende nachtorchis.
                    Ook het Beerzerveld , onderdeel van het N2000 gebied Vecht- Benedenregge ligt in
                    dit deelgebied. Het Beerzerveld is een complex van zandverstuiving, natte heide
                    en veenputten. Het gebied is belangrijk als leefgebeid van de Adder. </al><al><vet>Streefbeeld</vet></al><al>Het streefbeeld voor de Vecht wordt vooral uitgevoerd via het programma "Ruimte
                    voor de Vecht". De belangrijkste doelen voor natuur en landschap in het totale
                    Vechtgebied zijn:</al><al>- Het ontwikkelen van een halfnatuurlijke laaglandrivier. Daarbij horen
                    natuurlijker rivierprofielen, nevengeulen, erosie en sedimentatie, overstroming
                    en zandafzetting in de uiterwaarden en rivierduinvorming. Hiervoor worden de
                    stenen zoveel mogelijk uit de oevers gehaald. </al><al>Referentiebeelden zijn te vinden in het riviersysteem van de Hase, de Lippe en
                    Ems (Duitsland) en enigszins in het systeem van de Allier (Frankrijk).</al><al>- Ontwikkelen van rust en fourageerplaatsen voor winter- en trekvogels. </al><al>- Het ontwikkelen van de riviergebonden grazige vegetaties (of anders gezegd het
                    weer in ere herstellen van de "koeweiden en marsen"; beheertypen
                    overstromings¬grasland (N12.04) of Vochtig hooiland (N10.02). Op de droge
                    rivierduinen wordt gestreefd naar droge schraalgraslanden (N11.01), belangrijk
                    hierbij is dat de inspoeling van meststoffen wordt verminderd.</al><al>- Vergroten van de variatie en structuur in de rivierdalen door ontwikkelen van
                    struwelen, herstellen van oude meanders (natuurtype N0.02 Rivier), ontwikkelen
                    van ooibos (N14.01 Rivier- en beekbegeleidend bos) en aanleg van Poelen (L01.01)
                    voor amfibieën.</al><al>- Het ontwikkelen van Nat schraalland (N10.01) en andere natte graslanden zoals
                    Dotterbloem- en Kievitsbloemgraslanden (beheertype Vochtig hooiland N10.02) in
                    afwisseling met rietland en Moeras (N05.01). </al><al>- De samenhang tussen de bestaande natuur/bosgebieden versterken door
                    natuurontwikkeling in vooral het winterbed en zorgen voor voldoende
                    rustgebieden.</al><al>Voor het Beerzerveld is herstel van de waterhuishouding nodig om de van
                    grondwater afhankelijke habitattypen duurzaam te kunnen behouden. Hiervoor moet
                    om het natuurgebied een hydrologische bufferzone gerealiseerd worden waarin de
                    grondwaterstand wordt verhoogd. Een deel van deze zone zal ingericht worden als
                    natuurgebied. Een deel van de bufferzone kan mogelijk binnen het landbouwgebied
                    gerealiseerd worden via een vergoeding voor natschade. Bij de verdere uitwerking
                    zal dit nader geconcretiseerd worden. </al><al><vet>13. Sallandse Heuvelrug</vet></al><al><vet>Gebiedsbeschrijving</vet></al><al>De Sallandse Heuvelrug is een stuwwal van 14 km. lang, met hoogten van 45 tot 70
                    meter +NAP. Het centrale deel van de Sallandse Heuvelrug is aangewezen als
                    nationaal park en Natura 2000 gebied. Op de toppen van de heuvelrug bevinden
                    zich grote aaneengesloten open, glooiende gebieden met struikheide,
                    vossenbesvegetatie, jeneverbesstruwelen en enkele zure vennen. </al><al>Buiten de heiden komen bossen voor. Het betreft gemengde loof-naaldbossen,
                    (oudere) loofbossen, alsook eenvormige naaldbossen op droge zandgronden. </al><al>De heuvelflanken en lager gelegen delen zijn minder droog, hier komt op enkele
                    plekken vochtige heide voor. Op de westflank (Sprengenberg) is een
                    hellingveentje aanwezig.</al><al>De Sallandse Heuvelrug is als Natura 2000 gebied aangewezen vanwege zijn unieke
                    droge heidesysteem. Op de heuvelrug zijn verschillende reptielen, zoals de
                    zandhagedis en hazelworm talrijk aanwezig. De meest karakteristieke- en deels
                    zeldzame vogels in het gebied zijn: Korhoen, Nachtzwaluw, Roodborsttapuit,
                    Boomleeuwerik, Veldleeuwerik, Zwarte specht en Raaf. Zoogdieren zijn o.a. Das,
                    diverse marterachtigen, Eekhoorn en Ree. </al><al>Aan oostkant van de Heuvelrug liggen bij de Zunasche heide en Eelen belangrijke
                    kwelgebieden. Deze kwelgebieden werden grotendeels gevoed met grondwater vanuit
                    de Sallandse heuvelrug. Dit water is van nature tamelijk zuur, ondanks de soms
                    langer afgelegde weg. In de flanken van de heuvelrug zorgde dit water voor natte
                    vegetaties die gedomineerd werden door kleine zeggen, zoals Zwarte zegge,
                    Sterzegge en Blauwe zegge. Restanten van deze gemeenschappen zijn nog langs
                    slootkanten te vinden, o.a. in de Zunasche heide. In de sloten groeit het
                    Duizendknoopfonteinkruid, die in de Zunasche heide een van haar belangrijkste
                    leefgebieden binnen Overijssel heeft.</al><al>Ook aan de westzijde is kwel aanwezig. Deze wordt via de ontwatering van de
                    landbouwgebieden afgevoerd. </al><al><vet>Streefbeeld</vet></al><al>Om de instandhoudingdoelen Natura 2000 van de Sallandse Heuvelrug te realiseren,
                    zijn diverse maatregelen opgenomen in het concept beheerplan Natura 2000. Ze
                    hebben betrekking op verminderen van effecten van verzuring van heide, vennen,
                    jeneverbestruweel en hellinghoogveen.</al><al>Verdere vergroting van het areaal droge heide en uitbreiden van het oppervlak
                    vochtige heide wordt nagestreefd voor ontwikkelen van deze beide heidetypen met
                    bijbehorende soorten en als maatregel om de sterk bedreigde Korhoen voor de
                    Sallandse heuvelrug te behouden. Omvorming van bos naar open- en halfopen
                    heidegebied is ook van belang voor het ontwikkelen van beleefbare overgangen van
                    het nationaal park naar het aangrenzende cultuurland. </al><al>Op verschillende plekken nabij de centrale heide en aan de westflank zijn
                    locaties aangegeven, die aanmerking komen voor omvorming van bos naar
                    heideachtig gebied. Het kappen van bomen aan de westflank nabij het
                    hellinghoogveen zal ook bijdragen aan vermindering van de verdroging van dit
                    veentje en aan de terugkeer van grazige heiden met plaatselijk Dopheide. </al><al>In 2012 zijn populatie ondersteunende maatregelen gestart om uitsterven van het
                    Korhoen te voorkomen (bijplaatsen van Scandinavische korhoenders) </al><al>Het in Natura 2000 opgenomen doel is 40 korhanen op de Sallandse Heuvelrug
                    leven. </al><al>Behalve het uitbreiden van het habitat heide worden tevens diverse kleinschalige
                    maatregelen opgenomen die helpen bij de kwaliteit van de droge heide en daardoor
                    verbeteren van het leefgebied van de korhoen en de groei van de populaties van
                    Nachtzwaluw en Roodborsttapuit. </al><al>De nieuw te ontwikkelen natuur ligt aan de oostkant van de heuvelrug in de
                    overgang naar de Zunasche heide. </al><al>Hier is herstel van de kwelsituatie nodig zodat de ontwikkeling van Vochtig
                    hooiland (N10.02), Nat schraalland (N10.01), droge en natte heide (N07.01,
                    N06.04) mogelijk wordt. Behalve deze grondwatergebonden systemen is het gebied
                    ook van belang als uitbreidingsgebied voor het korhoen. Ten behoeve van de
                    korhoen is op de overgang van de Zunasche heide naar de Sallandse heuvelrug de
                    ontwikkeling van een kleinschalig gebied met graanakkers en droog en kruiden en
                    faunarijk grasland gewenst. </al><al>Voor de bos- en natuurgebieden buiten het Natura 2000 gebied is het streefbeeld
                    het instandhouding en ontwikkelen van gevarieerde bossen welke plaats bieden aan
                    tal van bossoorten maar ook aan recreatief medegebruik (genieten van de
                    natuur).</al><al>In dat streefbeeld past het ontwikkelen van ouder bossen op wat rijkere
                    bodemtypen (o.a. Eelerberg) en streven naar gevarieerde loof-naaldbossen
                    afgewisseld met open en halfopen heideachtige terreinen (droge heide,
                    jeneverbes) op de droge kammen van de heuvelrug.</al><al>Op een aantal plekken zijn de overgangen naar het Reggedal van grote betekenis
                    als ecologische zones waar uitwisseling tussen Reggesysteem en heuvelrug kan
                    plaats vinden.</al><al><vet>14. Reggedal </vet></al><al><vet>Gebiedsbeschrijving</vet></al><al>Het westelijke deel van dit gebied ligt binnen het Natura 2000 gebied Vecht en
                    Beneden-Reggegebied.</al><al>Het rivierdal van de Regge kent veel verschillende biotopen in zowel natte als
                    droge milieus. Warmte- en droogteminnende soorten komen voor op dijken,
                    rivierduinen en oeverwallen. Veel meanders langs de Regge zijn eind 19e eeuw en
                    begin 20e eeuw geheel of deels dichtgeschoven. Zeer dynamische natuur, welke
                    kenmerkend is voor een levend rivier-systeem ontbreekt op landschapsschaal en
                    slechts plaatselijk komt in het rivierdal bos voor.</al><al>Het rivierdal is door de variatie aan biotopen en geleidende beplantingen
                    geschikt of geschikt te maken als leef- en migratiegebied voor vogels
                    (IJsvogel), vleermuizen, insecten (libellen en vlinders), vissen en kleine
                    zoogdieren (o.a. Otter). De vele oude meanders en poelen spelen een belangrijke
                    rol in het voorkomen van amfibieën, waaronder Knoflookpad en Kamsalamander. </al><al>De begrenzing ten noorden van Hellendoorn betreft gevarieerde gebieden die in de
                    Landinrichting Den Ham-Lemele al ingericht zijn voor natuur. In de andere
                    gebiedsdelen in Hellendoorn zijn Reggemeanders, gevarieerde graslanden en bos-
                    en landschapselementen aanwezig. </al><al>Een aantal van de oude meanders is inmiddels weer aangesloten op de rivier,
                    waardoor er een herstel van de rivierdynamiek is opgetreden. </al><al>Het gebied van de Faanke ligt in een geologisch en landschappelijk zeer
                    bijzonder deel. De Regge is hier ter hoogte van de Steile Oever door de stuwwal
                    gebroken. Aan de zuidzijde van de Regge ligt een cultuurlandschap. Het gebied
                    bij de kruising Regge-Overijssels kanaal zijn tamelijk laag gelegen graslanden.
                    Er ligt een oude arm van de Regge.</al><al>De benedenloop van het Reggedal is een relatief laag gelegen gebied met enkele
                    Reggemeanders met veel planten die op kwel wijzen aan de dalrand.
                    Natuurontwikkeling heeft hier laten zien dat herstel van Dotterbloemhooiland
                    mogelijk is. Via de Besthmenerleiding komt water van het zuidelijk deel van
                    Ommen in het gebied. Het gebied is door een kade gescheiden van de Regge. Via
                    een gemaal wordt het water van het Ommense achterland op de Regge gebracht. </al><al>De Doorbraak is een nieuw gegraven beek die aansluit op de Regge en een
                    verbinding vormt tussen de natuurgebieden in Zuid Twente en Noordoost Twente met
                    die in West-Overijssel. De beek volgt niet de loop van vroegere beken. Het
                    geheel kunstmatig gecreëerde beekdal doorsnijdt van oudsher verschillende
                    biotopen, zoals heidevelden en hooilanden. De totale lengte van de nieuwe beek
                    betreft 15 km, waarvan t/m 2011 ca. driekwart is gerealiseerd. Op ingerichte
                    gedeelten verschenen pioniersoorten van vochtig, voedselarme bodems. In de
                    omgeving van het Mokkelengoor verscheen het Melkviooltje, Draadgentiaan en
                    Kruipend moerasscherm, een soort waarvoor ons land een internationale
                    verantwoordelijkheid draagt. Waterpunge verscheen op groot aantal plekken. Langs
                    de beek ontwikkelen zich vegetaties die behoren tot het Overstromingsgrasland
                    (N12.04), Vochtig hooiland (N10.02) en Nat schraalland (N10.01). Bij niets doen
                    ontstaat Wilgenbroekbos (N14.01, Rivier en beekbegeleidend bos). </al><al><vet>Streefbeeld</vet></al><al>De belangrijkste doelen voor natuur en landschap in het Reggegebied zijn:</al><al>- Ontwikkeling van een zoveel mogelijk ongestuwde zo natuurlijk mogelijke rivier
                    met daarlangs een afwisseling van kruiden en faunarijk grasland (N12.02),
                    Vochtige schraalgraslanden (N10), Droog schraalgrasland (N11.01) en Rivier- en
                    beekbegeleidend bos (N14.01). Deze ontwikkeling wordt gecombineerd met
                    waterberging en realisering van de KRW doelen voor deze rivier. Een belangrijk
                    onderdeel hiervan is verondieping van de rivier zodat hij niet meer drainerend
                    werkt op de omgeving. Dit herstel van het natuurlijke riviersysteem mag ten
                    koste gaan van actuele natuurwaarden in bosjes of kaden die zich na de
                    kanalisatie eind 19e eeuw hebben ontwikkeld. </al><al>- Vergroten van de variatie en structuur in de rivierdalen door ontwikkelen van
                    struwelen, herstellen van oude meanders, ontwikkelen van Rivier- en
                    beekbegeleidend bos (N14.01) en aanleg van Poelen (L01.01) voor amfibieën.</al><al>- Het ontwikkelen van natte aan grondwater gebonden schrale en andere natte
                    graslandvegetaties (Vochtige grasland 10.02), zoals Dotterbloemgrasland in
                    afwisseling met rietland en Moeras (N05.01). </al><al>- Ontwikkelen van de Doorbraak als verbinding tussen de natuurgebieden in
                    Noordoost- en Zuid Twente met die in West-Overijssel in samenhang met het
                    realiseren van KRW doelen. Een deel van deze verbinding ligt in de zone
                    Ondernemen met Natuur en Water.</al><al><vet>15. Wierdense veld/Notterveld </vet></al><al><vet>Gebiedsbeschrijving </vet></al><al>Het Natura 2000 gebied Wierdense veld was vroeger onderdeel van een uitgestrekt
                    heide- en hoogveengebied. Hiervan is het grootste deel in de eerste helft van de
                    20e eeuw ontgonnen tot landbouwgrond. Door deze verveningsgeschiedenis liggen de
                    omringende landbouwgronden veelal lager dan de gronden binnen het
                    natuurreservaat. Ook het Wierdense veld zelf is in het verleden voor een groot
                    deel afgegraven voor de turf. Het is begroeid met vochtige heide en enkele
                    berkenbosjes. Binnen het hoogveen is het dekzandreliëf plaatselijk zo sterk en
                    uitgesproken dat op dekzandruggen droge heide voorkomt. Op de lage delen komen
                    veenputten voor met een hoogveenvegetatie. Het gebied heeft de mogelijkheden
                    voor herstel van een actieve hoogveenkern. </al><al>In veenputten komen begroeiingen voor van vooral Veenpluis en Waterveenmos.
                    Vegetatie van hoogveenbulten komt spaarzaam voor met soorten als Wrattig
                    veenmos, Lavendelheide, Kleine veenbes en af en toe Hoogveenmos. </al><al>De Natte heidevegetaties worden voor een groot deel gedomineerd door
                    Pijpenstrootje. Hierin breidt Veenpluis en Waterveenmos zich uit. </al><al>Droge heide met Struikheide komt veel voor in de hogere delen zonder veen of met
                    zeer dun veen. Korstmossen die hier in 1990 nog veel in voorkwamen, zijn in 2003
                    vrijwel verdwenen. Heide met Borstelgras is in oppervlak afgenomen, vermoedelijk
                    door het stoppen van brandbeheer </al><al>Het gebied wordt aan de zuidzijde via het Notterveld, het Reggedal en de
                    Zunasche heide verbonden met de Sallandse heuvelrug. Een groot deel van het
                    gebied heeft last van verdroging. De afgelopen jaren zijn interne maatregelen
                    genomen waardoor de waterhuishouding al voor een deel verbeterd is. Dit is
                    echter onvoldoende voor een duurzame instandhouding en herstel van het hoogveen
                    in het gebied. Een aantal waterschapsleidingen aan de west-, noordwest- en
                    oostkant van het gebied zorgen voor de verdroging. Aan de oostkant heeft vooral
                    de Hoogelaarsleiding een negatief effect op de grondwaterstand. Ook zorgt de
                    grondwateronttrekking voor drinkwater voor een verlaging van de grondwaterstand. </al><al><vet>Streefbeeld </vet></al><al>Herstel van de waterhuishouding van het Wierdenseveld is nodig om de van
                    grondwater afhankelijke habitattypen duurzaam te kunnen behouden en actief
                    hoogveen te kunnen ontwikkelen. Hiervoor moet om het natuurgebied een
                    hydrologische bufferzone gerealiseerd worden waarin de grondwaterstand wordt
                    verhoogd. Een deel van deze zone zal ingericht worden als natuurgebied. Een deel
                    van de bufferzone kan mogelijk binnen het landbouwgebied gerealiseerd worden via
                    een vergoeding voor natschade. Bij de verdere uitwerking zal dit nader
                    geconcretiseerd worden. </al><al><vet>16. Borkeld en Entervenen</vet></al><al><vet>Gebiedsbeschrijving</vet></al><al>Dit gebied bestaat uit het Natura 2000 gebied De Borkeld en enkele omliggende
                    natuurgebieden. De Borkeld maakt onderdeel uit van het stuwwallencomplex dat
                    zich, zuidoostelijk van de Sallandse Heuvelrug, uitstrekt tussen Rijssen en
                    Lochem. Het gebied is gevarieerd door gradiënten in hoogte en tussen zandige,
                    ijzerhoudende lemige en venige bodem en heeft hoge cultuurhistorische en
                    archeologische waarden. Het gebied is aangewezen voor de habitattypen Droge
                    heide, Vochtige heide, Zure vennen, Jeneverbesstruwelen en Heischrale
                    graslanden. </al><al>De vegetatie in het gebied bestaat aan de randen uit heide, uitgebreide
                    Jeneverbesstruwelen en bos. In het centrale deel van het gebied ligt een
                    voormalig hoogveen dat nu verpitrust en enigszins verbost is. Ten westen hiervan
                    komt een strook met vergraste vochtige heide voor, die over gaat in een groter
                    droog heidegebied. Het leemkuilengebied is deels vergraven en deels onvergraven.
                    Als gevolg hiervan bestaat het uit een kleinschalig patroon van heischrale
                    graslanden en vochtige heiden, omgeven door bos.</al><al>Het gebied herbergt tal van kenmerkende soorten voor deze habitattypen zoals de </al><al>Heivlinder, Kommavlinder, Open rendiermos, Glanzend tandmos,
                    Blauwvleugelsprinkhaan, Klein warkruid, Kruipbrem, Stekelbrem, Boomleeuwerik en
                    Roodborsttapuit.</al><al>De kwaliteit van de aan hoge grondwaterstanden gebonden habitattypen wordt
                    negatief beïnvloed door de ontwaterende werking van de sloten en
                    waterschapsleidingen in de omgeving en met name die in het noordelijk van de A1
                    gelegen gebied Middelveen/Overtoom. Dit is een kwelgebied met hoge potenties
                    voor de ontwikkeling van natte schraalgraslanden. </al><al>De Entervenen worden gekenmerkt door schraalgraslanden met o.a. een rijke flora
                    aan orchideeën en andere planten van natte (kwel)situaties. De waterhuishouding
                    is een punt van zorg. De kwel is afgenomen en er vindt verdroging plaats vanwege
                    nabijgelegen waterlopen.</al><al><vet>Streefbeeld</vet></al><al>In de directe omgeving van de Borkeld is geen uitbreiding van het EHS gebied
                    gepland. Door verhoging van het waterpeil in het noordelijk van de A1 gelegen
                    kwelgebied "Middelveen/ Overtoom" zal naar verwachting ook de grondwaterstand in
                    het Natura 2000 gebied verhoogd worden. In het gebied Middelveen/Overtoom worden
                    natte schraalgraslanden ontwikkeld. De uitvoering van deze maatregel is gepland
                    in 2013. Binnen het Natura 2000 gebied zijn maatregelen nodig zoals kleinschalig
                    plaggen van vergraste heide. </al><al><vet>17. Diepenheim</vet></al><al><vet>Gebiedsbeschrijving</vet></al><al>Dit gebied bestaat uit een aantal landgoederen (o.a. Weldam, Nijenhuis,
                    Westerflier, Diepenheim) en het bosgebied bij de Herikerberg. De landgoederen
                    worden vooral gekenmerkt door bos. In het gebied komen naast naaldbos diverse
                    bosgemeenschappen voor, zoals Elzenbroekbos, Wintereiken-Beukenbos,
                    Vogelkers-essenbos en in beperkte mate Eiken-Haagbeukenbos. Heel bijzondere
                    soorten van de vochtige bossen zijn de Paardehaarzegge en Rood peperboompje.
                    Door de intensieve bemesting komen er amper graslandpercelen voor die botanisch
                    van waarde zijn. Van de heide, die vroeger hier algemeen voorkwam is niets meer
                    over. Verspreid liggen nog enkele vennen en poelen waar soorten van zwak
                    gebufferd water voorkomen. Houtwallen komen verspreid in het gebied voor. Hier
                    groeien o.a. Mispel, Wegedoorn en Heggedoornzaad. De natuurkwaliteit van het
                    gebied staat onder druk door de verdroging. De grondwaterstanden zijn te laag
                    voor optimale ontwikkeling van de natuurwaarden. Belangrijk is het herstel van
                    de Boven-Regge. </al><al><vet>Streefbeeld</vet></al><al>Er is geen uitbreiding van de EHS gepland in dit gebied. De verdroging zal
                    hierdoor niet geheel opgelost kunnen worden. Mogelijk dat door interne
                    maatregelen in het natuurgebied de verdroging lokaal nog kan worden aangepakt. </al><al><vet>18. Engbertsdijkvenen/Veenschap</vet></al><al><vet>Gebiedsbeschrijving</vet></al><al>Het Natura 2000 gebied de Engbertsdijkvenen betreft een restant van een zeer
                    groot hoogveengebied. Vanaf 1953 zijn delen aangekocht en de vervening ging door
                    tot 1984. Circa 12 ha, de hoogveenkern, is in oorspronkelijke staat gebleven en
                    de rest min of meer vergraven. </al><al>Het gebied is aangewezen voor de habitattypen Droge heide, Actief hoogveen en
                    Herstellend hoogveen en voor Geoorde Fuut, Toendrarietgans en Kraanvogel. </al><al>Het gebied bestaat uit open water, hoogveenmoeras, heide, Pijpestro-velden en
                    berkenbos.'s Winters is het gebied van belang als pleister- en slaapplaats voor
                    Toendrarietganzen, Kraanvogels en de Blauwe kiekendief. In het gebied broeden
                    ca. 100 vogelsoorten, met belangrijke populaties van Geoorde fuut, Dodaars,
                    Wintertaling, Waterral, Blauwborst en Roodborsttapuit. De Engbertsdijkvenen
                    behoren tot één van de rijkste libellengebieden in Overijssel. In 2003 werden 39
                    soorten waargenomen waaronder de Noordse glazenmaker, Venwitsnuitlibel en
                    Gevlekte witsnuitlibel Wat dagvlinders betreft is de grote populatie van het
                    Heideblauwtje van grote betekenis. Het gebied is belangrijk voor reptielen. Vijf
                    soorten komen voor waaronder de Adder, Gladde slang en Levendbarende hagedis.
                    Van het gebied zijn 16 soorten sprinkhanen bekend en één soort krekel. Relatief
                    belangrijk is het voorkomen van Veenmol, Moerassprinkhaan, Zompsprinkhaan en
                    Negertje.</al><al>Het Veenschap is het enige voorbeeld bovenveengraslanden in Overijssel. Hier
                    komt een afwisseling voor van vochtige heide op verdroogd hoogveen, Berkenbos en
                    witbolgraslanden. Enkele voor hoogveen karakteristieke soorten als Lavendelheide
                    en Veenbes komen nog spaarzaam voor. Het gebied is aan alle kanten omgeven door
                    cultuurgebied met een laag waterpeil, wat een verdrogend effect heeft op dit
                    gebied. Het gebied heeft een relatief hoge dichtheid van de Gekraagde
                    roodstaart. </al><al><vet>Streefbeeld</vet></al><al>Voor de Engbertsdijkvenen is het streefbeeld te komen tot een actief Hoogveen
                    (N06.03) met daaromheen overgangszones van actief hoogveen met daarin lagg zones
                    met o.a. hoogveenbossen en zure vennen. Hierin ontstaat ook geschikt biotoop
                    voor de N2000 broedvogelsoorten porseleinhoen, paapje en watersnip</al><al>Om dit te kunnen realiseren moet er vooral aan de oostkant een hydrologische
                    bufferzone gerealiseerd worden waarin de grondwaterstand wordt verhoogd. Een
                    deel van deze zone zal ingericht worden als natuurgebied. Een deel van de
                    bufferzone kan mogelijk binnen het landbouwgebied gerealiseerd worden via een
                    vergoeding voor natschade. Bij de verdere uitwerking zal dit nader
                    geconcretiseerd worden. </al><al><vet>19. Mander/ Reutum </vet></al><al><vet>Gebiedsbeschrijving </vet></al><al>Dit deelgebied ligt op de stuwwal van Ootmarsum en directe omgeving. Een groot
                    deel van het gebied valt onder het N2000 gebied Springendal/Dal van de Mosbeek. </al><al>De belangrijkste natuurwaarden liggen hier langs de Mosbeek, Springendalse beek,
                    Hazelbeek, Onzoel, de Poelbeek en langs de beken die aan de rand van de bebouwde
                    kom van Ootmarsum ontspringen. Hier komen mooi ontwikkelde Dotterbloemhooilanden
                    voor (met Dotterbloem, Kruipend zenegroen, Grote ratelaar, Brede orchis),
                    Veldrushooilanden (o.a. in het Springendal met Draadrus) terwijl het brongebied
                    van de Mosbeek in ons land het best ontwikkelde voorbeeld betreft van de
                    gemeenschap van Vetblad en Vlozegge. In het gebied ligt ook een groot oppervlak
                    Elzenbronbos (op 18 locaties), met een groot oppervlak langs de Hazelbeek. Hier
                    komen belangrijke populaties voor van Bittere veldkers, Paarbladig goudveil en
                    de Dotterbloem. Bijzondere soorten zijn het Alpenheksenkruid en Carex x
                    boenninghausiana (IJle zegge x Pluimzegge). In het gebied liggen ook diverse
                    droge en vochtige heidevelden, zoals het Vasser grafveld en de Paardenslenkte.
                    Veel bos behoort tot het Zomereiken-Berkenbos of betreft dennenbossen op
                    voormalige heidevelden. Met succes is natuur hersteld in het dal van de
                    Brunninkhuizerbeek met o.a. Veldrushooiland. Hier vestigde zich binnen 10 jaar
                    na inrichting o.a. Gevlekte orchis en Sterzegge. Bij herstel van cultuurgrasland
                    naar heide blijken bedreigde soorten als o.a. Moeraswolfsklauw, Stekelbrem en
                    Dwergviltkruid succesvol. </al><al>Het kwelgebied van Reutum ligt ten oosten van Tubbergen aan de westkant van de
                    Ootmarsumse stuwwal. Er treedt hier grondwater vanuit de stuwwal aan de
                    oppervlakte. Hier liggen bestaande natuurgebieden van Staatsbosbeheer
                    (Reutumerweuste, Veenmaten en Weustematen). Deze natuurgebieden bestaan uit
                    natte elzen-, berken- en elzen-berkenbroekbossen en niet bemeste natte
                    graslanden met veel soorten die kenmerkend zijn voor kleine zeggemoerassen en
                    vochtige schraalgraslanden (o.a. Gevlekte orchis, Draadrus, Sterzegge). Ook
                    liggen hier de landgoederen Baasdam en Herinckhave. Deze bosrijke landgoederen
                    liggen langs beken met natte, beekbegeleidende graslanden. De cultuurgronden
                    bestaan voor een deel uit extensieve natte graslanden met veel Geknikte
                    vosse¬nstaart en maïsland. In het kader van het Raamplan Tubbergen is rond 1980
                    de water¬huishouding van het gebied gewijzigd en verder afgestemd op de
                    landbouwkundige functie van de cultuurgronden. Hierdoor is de verdroging van de
                    natuur sterker toegenomen.</al><al>Ten westen van Tubbergen ligt het Hondeven. Het Hondeven is een pingorelict uit
                    de laatste ijstijd en ligt hoger dan de direct eromheen gelegen gronden. Om het
                    ven liggen lager gelegen vochtige heidevegetaties en een zwak gebufferd ven met
                    vegetaties van o.a. Moerasgentiaan, Pilvaren en Draadzegge. Door ontwatering aan
                    de noordzijde treedt hier verdroging op. </al><al><vet>Streefbeeld </vet></al><al>In de beekdalen en brongebieden van de Hazelbeek, Springendalse beek, Mosbeek,
                    Poelbeek en Onzoelbeek en in de verbinding tussen Stuwwal en Dinkel is het doel
                    de ontwikkeling van het natuurlijke karakter van de beken (N03.01 Beek en bron),
                    met natte beekbegeleidende schraalgraslanden (Vochtige schraalgraslanden N10),
                    hoger overgaand in vochtige en droge heide (beheertypen N06.04 resp. N07.01). </al><al>Bij het Hondeven wordt gestreefd naar herstel van de hydrologie en ontwikkeling
                    van nat schraalland.</al><al>In het kwelgebied bij Reutum is de doelstelling aaneensluiting en hydrologische
                    buffering van de bestaande natuurgebieden in combinatie met retentie,
                    ontwikkeling van Nat schraalland (N10.01), Vochtig hooiland (N10.02) en
                    natuurbos (natuurtype Vochtige bossen N14). </al><al><vet>20. Dinkeldal boven- en middenloop</vet></al><al><vet>Gebiedsbeschrijving</vet></al><al>De bovenloop van de Dinkel ligt binnen het N2000 gebied Dinkelland en is te
                    karakteriseren als een laaglandbeek en heeft een nog nagenoeg natuurlijk
                    karakter met afkalvende oevers, overstromingsvlakten, oeverwallen en plaatselijk
                    nog een natuurlijke begroeiing. Op veel plaatsen is dit natuurlijke karakter
                    echter aangetast door het vastleggen van de oevers met puin en het intensieve
                    agrarische gebruik van de cultuurgronden. Kenmerkend voor het Dinkeldal waren de
                    stroomdalgraslanden op de periodiek overspoelde, zandige oeverwallen met onder
                    andere Grote wilde tijm, Steenanjer, Groot geel walstro en Kleine bevernel.
                    Hiervan is nog maar een klein deel aanwezig. Door te intensief landbouwkundig
                    gebruik (bemesting en egaliseren rivierduinen) is het grootste deel verdwenen. </al><al>Op diverse laag gelegen plaatsen langs de Dinkel komen karakteristieke
                    beekbegeleidende bossen voor. Op de droge, soms overstroomde oevers komt op
                    zandgrond het Essen-iepenbos voor met o.a. Bosgeelster, Dolle kervel en
                    Robertskruid. De Dinkel wordt gekenmerkt door beeksoorten zoals de Oeverzwaluw,
                    IJsvogel, Grote gele kwikstaart, Bosbeekjuffer en Weidebeekjuffer. De beek
                    macrofauna is relatief soortenarm. In de Dinkel worden verschillende soorten
                    vis, welke deel uitmaken van het streefbeeld, nog niet waargenomen.</al><al>De middenloop van de Dinkel ligt tussen het Omleidingskanaal en het kanaal
                    Almelo-Nordhorn en valt gedeeltelijk binnen de begrenzing van het N2000 gebied
                    Dinkelland. Dit gedeelte van de Dinkel heeft een nog vrij natuurlijk karakter.
                    De piekafvoeren worden omgeleid door het Omleidingskanaal. De oevers zijn op de
                    meeste plaatsen versterkt met puin. De Dinkel kronkelt hier door boscomplexen
                    behorend tot het Wintereiken-Beukenbos, Essen-Iepenbos en nattere Wilgen- en
                    Ezenbroekbossen. De meeste cultuurgronden langs dit deel van de Dinkel zijn in
                    intensief agrarisch gebruik. Langs de Dinkel liggen nog kleine oppervlakten goed
                    ontwikkeld rivierduingrasland met o.a. Steenanjer. Op het landgoed Singraven
                    komen nog enkele weinig of niet bemeste schrale graslanden voor.</al><al>De waterkwaliteit van de Dinkel voldoet niet aan alle gestelde normen. Dit wordt
                    voor een belangrijk deel veroorzaakt door de tien
                    rioolwaterzuiveringsinstallaties die rechtstreeks, of via een kleinere
                    watergang, effluent op de Dinkel lozen. De matige waterkwaliteit en het
                    vastleggen van de oevers heeft tot gevolg dat het zomerbed van de Dinkel
                    gedomineerd wordt door een zeer soorten- en individuenarme levensgemeenschap,
                    die typisch is voor een dynamische zandbodem.</al><al><vet>Streefbeeld</vet></al><al>Het streefbeeld voor zowel bovenloop als middenloop van het Dinkeldal is het
                    herstel van de natuurlijkheid van de oevers van de Dinkel, waardoor natuurlijke
                    processen van meandering en rivierduinvorming weer op gang komen. Hierdoor kan
                    vooral de oppervlakte stroomdalgrasland (Droog schraalland N11.01) groeien.
                    Verder is het realiseren van een betere waterkwaliteit een belangrijk doel,
                    onder andere om de karakteristieke beekfauna te kunnen ontwikkelen.</al><al>De belangrijkste inrichtingsmaatregel om het streefbeeld te realiseren heeft
                    betrekking op het verwijderen van de kunstmatige oeververdediging. Deze
                    maatregel is een verplicht onderdeel van het sluiten van een overeenkomst voor
                    particulier natuurbeheer voor gronden die grenzen aan de Dinkel. Dit geldt niet
                    voor plaatsen waar bruggen, bebouwing of cultuurhistorisch waardevolle elementen
                    liggen. </al><al><vet>21. Dinkeldal benedenloop/Ottershagen</vet></al><al><vet>Gebiedsbeschrijving </vet></al><al>De benedenloop loopt vanaf het Omleidingskanaal tot aan de Duitse grens. In dit
                    deel van het riviertje worden de afvoerpieken nu afgevangen door het
                    omleidingskanaal. </al><al>Tegen de Duitse grens ligt het gebied Ottershagen, het vlakke voormalige
                    inundatiegebied van de Benedendinkel en de Hollandergraven. Dit gebied is deels
                    nog in intensief agrarisch gebruik. Een groot deel is inmiddels ingericht als
                    weidevogelgebied. Hier broedt nog een vrij grote populatie Grutto's. De
                    Benedendinkel zelf is over een grote afstand bekaad en heeft weinig actuele
                    natuurwaarden. Het gebied is belangrijk voor de Boomkikker. In de IJsbaan bij
                    Tilligte komt hier een belangrijke populatie voor. </al><al><vet>Streefbeeld</vet></al><al>Ontwikkeling van een natuurlijker beek (natuurtype N03.01) en nat open
                    inundatie- en retentiegebied langs de Hollandergraven, met afwisseling van
                    Vochtig weidevogelgrasland (N13.01), overstromingsgrasland (N12.04), Vochtig
                    hooiland (N10.02), Nat schraalland (N10.01) en water met moerasontwikkeling
                    (Moeras N05.01). </al><al>In het gebied tussen het omleidingskanaal en de Duitste grens, is het streven
                    naar herstel van de natuurlijke rivierprocessen. Aanwezige kades en puin in de
                    oevers hiervoor verwijderen zodat naast aangroei en afslag ook inundatie weer
                    tot de mogelijkheden behoort. De aanwezige stuwen bij voorbaat verwijderen of
                    vervangen door vispassages. </al><al><vet>22. Volther, Agelerbroek en Achter de Voort</vet></al><al><vet>Gebiedsbeschrijving </vet></al><al>Van het N2000 gebied Achter de Voort, Agelerbroek &amp; Voltherbroek ligt het
                    Agelerbroek tussen de stuwwal en het kanaal Almelo-Nordhorn en is samen met het
                    aansluitende Voltherbroek een van de grootste broekboscomplexen op de hogere
                    zandgronden in Nederland. Ten westen van het Agelerbroek ligt het soortenrijke
                    boscomplex Achter de Voort (Asbroek). Hier groeien tal van zeldzame bossoorten
                    zoals Schedegeelster, Gulden boterbloem, Slanke sleutelbloem en Eenbes die alle
                    gebonden zijn aan eeuwenoude boslocaties</al><al>De ingesloten cultuurgronden van het Voltherbroek bevatten nog belangrijke
                    restanten van de vroeger veel voorkomende, zeer soortenrijke onbemeste
                    hooilanden (blauwgraslanden). De actuele natuurwaarden van deze restanten zijn
                    zeer hoog. De grondwater gebonden levensgemeenschappen binnen het broekbos
                    herbergen grote populaties van de Elzenzegge. Het gebied herbergt een vrijwel
                    intact gebleven houtwallen landschap dat door bosontwikkeling niet opvalt. Op de
                    houtwallen komen soorten voor als Muskuskruid en Ruwe smele. Op open plekken in
                    het bos vliegt in het voorjaar het Bont dikkopje. In de broekbossen speelt al
                    lange tijd verdroging. Dit geldt vooral voor het Agelerbroek met de sterk water
                    onttrekkende Tilligterbeek, waardoor vochtminnende soorten vervangen zijn door
                    Framboos en Braam. Juist in het Voltherbroek is door maatregelen in het kader
                    van de landinrichting een groot oppervlak broekbos vernat en hersteld. De
                    Elzenzegge doet het hier goed. Ten oosten van het Voltherbroek ligt de
                    Vogelpoel. Dit is een natuurgebied in het heideontginningslandschap met zowel
                    bos, natte graslanden en amfibieënpoelen. Het gebied is van groot belang voor de
                    zeldzame Boomkikker. </al><al><vet>Streefbeeld</vet></al><al>Om de verdroging van het N2000 gebied te kunnen oplossen is het nodig om een
                    hydrologische bufferzone te realiseren waarin de grondwaterstand wordt verhoogd.
                    Een deel van deze zone zal ingericht worden als natuurgebied. Een deel van de
                    bufferzone kan mogelijk binnen het landbouwgebied gerealiseerd worden via een
                    vergoeding voor natschade. Bij de verdere uitwerking zal dit nader
                    geconcretiseerd worden.</al><al><vet>23. Beekdalen Weerselo</vet></al><al><vet>Gebiedsbeschrijving</vet></al><al>In het bekengebied van de Noorddijkermors en de Saasvelderbeek, met het
                    daarbinnen gelegen N2000 gebied Lemselermaten, komen restanten voor van
                    beekbegeleidend elzenbroekbos en elzenbronbos met overgangen naar drogere
                    bostypen op relicten heide (Berken-Zomereikenbos). De tussenliggende gronden
                    zijn deels cultuurgraslanden met plaatselijk een meer extensieve inslag
                    (Witbolgrasland). Van oorsprong is het een landschap met hoge dichtheid van
                    houtwallen (Zomereik, Zwarte els) en vochtige hooilanden (Dotterbloemhooiland)
                    langs de beken (o.a. Weerselerbeek, Lemselerbeek en Saasvelderbeek). In
                    overschaduwde en meer natuurlijke delen van beeklopen groeit Slanke
                    sleutelbloem. Heiderestanten zijn aanwezig in de Lemselermaten en Handijksmeden
                    (vochtige, deels vergraste dopheivegetatie met o.a. Klokjesgentiaan en
                    Gagel).</al><al>De Deurningerbeek is genormaliseerd en doorsnijdt ter plekke van de Withagsmeden
                    een landschap van intensief gebruikte cultuurgraslanden en akkers. Enkele
                    verdroogde Elzenbroek- en Vogelkers-essenbossen begeleiden de beek.</al><al>De Lemselermaten en Rossumermeden betreft een tweetal natuurgebieden van
                    Staatsbosbeheer. De Lemselermaten is aangewezen als Natura 2000 gebied. Het is
                    een complex van natte bossen en schraalgraslanden . De Rossummermeden bestaan
                    voornamelijk uit Vogelkers-essenbos (langs beek, in houtwallen), wilgenbroekbos,
                    droog en vochtig Dotterbloem¬hooiland met fragmentarisch resten van
                    blauwgrasland en Liesgras-moeras. Verder komen hier het Berken-Zomereikenbos
                    voor en een stukje Dopheidevegetatie.</al><al>De Lemselermaten bestaat uit beekdalblauwgrasland, vochtige heide,
                    Elzen-vogelkersbos, Elzenbroekbos en droog loofbos. Tot in de jaren zestig
                    kwamen o.a. Grote muggenorchis, Groenknolorchis, Moeraswespenorchis en Parnassia
                    voor. Nu nog groeien er o.a Vetblad, Blonde zegge, Vlozegge, Trilgras en Breed
                    wollegras. Door kleinschalige natuurontwikkeling is Vetblad toegenomenen heeft
                    Breed wollegras op haar enige Nederlandse groeiplaats zich sterk verjongd.
                    Binnen het gebied heeft zich op een afgegraven landbouwperceel heischraal
                    grasland en Veldrushooiland ontwikkeld met o.a. Gevlekte orchis en Stekelbrem.
                    De Lemselermaten behoort tot de botanisch meest waardevolle terreinen in
                    Twente.</al><al><vet>Streefbeeld</vet></al><al>Langs de Noorddijkermors en de Saasvelderbeek geldt het versterken en vergroten
                    van de bestaande broekbossen, deels door combinatie met retentie van water,
                    deels door het aanpassen van de waterhuishouding. Ontwikkeling van Vochtig
                    hooiland (N10.02), geleidelijke overgangssituaties naar hogere terreindelen,
                    herstellen en vergroten van de oppervlakte Droge heide (N07.01) en vegetaties
                    van voedselarme en schrale omstandigheden.</al><al>Het streefbeeld voor de Deurningerbeek en de Withagsmeden is uitbreiding van de
                    bestaande broekbossen, herstel van beekbegeleidende vochtige graslanden (N10.01
                    en/of N10.02, NM12.02) en herstel van een natuurlijke beekloop (Beek en bron
                    N03.01).</al><al>Voor de Lemselermaten is het streefbeeld hydrologische buffering van het
                    bestaande natuurgebied, herstel van de oorspronkelijke loop van de Weerselerbeek
                    in samenhang met uitbreiding van de bijzondere natte schraallandvegetaties.</al><al><vet>24. Bergvennen</vet></al><al><vet>Gebiedsbeschrijving</vet></al><al>Dit Natura 2000 gebied omvat enkele niet ontgonnen heiderestanten (Bergvennen,
                    Breklenkampse veld en Vetpot) die eigendom zijn van
                    natuurbeschermingsorganisaties. Deze terreinen zijn zowel provinciaal als
                    nationaal van grote betekenis, omdat hier nog zeer goed ontwikkelde natte heide
                    en schraallandvegetaties voorkomen met tal van zeer zeldzame soorten.</al><al>De Bergvennen vormen een belangrijk complex van zwak gebufferde vennen met de in
                    ons land belangrijkste groeiplaatsen van Waterlobelia. Om verzuring van de
                    vennen te voorkomen worden de vennen gevoed met grondwater vanuit de ondergrond.
                    De vennen worden omgeven door Vochtige heide en Droge heide. Dit is het
                    leefgebied van de Levendbarende hagedis, Aardbeivlinder en Heideblauwtje.
                    Zilveren maan, Gentiaanblauwtje en Bruine vuurvlinder zijn sinds de jaren
                    tachtig niet meer waargenomen. Dodaars, Wintertaling en Bergeend behoren tot de
                    broedvogels van de Bergvennen. </al><al><vet>Streefbeeld</vet></al><al>Om de verdroging van het N2000 gebied te kunnen oplossen is het nodig om een
                    hydrologische bufferzone te realiseren waarin de grondwaterstand wordt verhoogd.
                    Een deel van deze zone zal ingericht worden als natuurgebied (er zijn hier goede
                    kansen voor ontwikkeling van natte heide, zwak gebufferde vennen en nat
                    schraalland). Een deel van de bufferzone kan mogelijk binnen het landbouwgebied
                    gerealiseerd worden via een vergoeding voor natschade. Bij de verdere uitwerking
                    zal dit nader geconcretiseerd worden. </al><al><vet>25. Punthuizen</vet></al><al><vet>Gebiedsbeschrijving</vet></al><al>Punthuizen betreft een gebied met droge heide, vochtige heide, blauwgrasland,
                    heischraal grasland en snavelbiesvegetaties en is onderdeel van het Natura 2000
                    gebied Dinkelland. Het blauwgrasland behoort tot enerzijds tot het meest
                    algemene type met een grote populatie van de Spaanse ruiter, anderzijds uit de
                    in ons land zeer zeldzame orchideeën rijke vorm met Moeraswespenorchis, Alpenrus
                    en Parnassia (kalkmoeras). Het type komt hier in een laagte voor waar sprake is
                    van locale kwel met aanvoer van basen in winter en voorjaarssituatie Het
                    vochtige, heischrale grasland wordt hier getypeerd door o.a. Tandjesgras en
                    Heidekartelblad. In het gebied leven ook een aantal bijzondere dagvlindersoorten
                    waaronder de Aardbeivlinder. </al><al>Tot dit deelgebied behoort ook het bosgebied van landgoed Meuleman. Dit bestaat
                    uit droge bossen en Jeneverbesrijke heidevelden en ligt tussen het Dinkeldal en
                    Punthuizen in. </al><al><vet>Streefbeeld</vet></al><al>Om de verdroging van het N2000 gebied te kunnen oplossen is het nodig om een
                    hydrologische bufferzone te realiseren waarin de grondwaterstand wordt verhoogd.
                    Een deel van deze zone zal ingericht worden als natuurgebied. Een deel van de
                    bufferzone kan mogelijk binnen het landbouwgebied gerealiseerd worden via een
                    vergoeding voor natschade. Bij de verdere uitwerking zal dit nader
                    geconcretiseerd worden. </al><al><vet>26. Landgoederen en beekdalen Enschede/Hengelo</vet></al><al><vet>Gebiedsbeschrijving</vet></al><al>Dit omvat een zone landgoederen rond Enschede. Hiervan is het Lonnekermeer
                    aangewezen als N2000 gebied. </al><al>De meeste landgoederen zijn eind 19e eeuw gesticht door rijke industriëlen uit
                    Enschede, Hengelo en Oldenzaal.</al><al>In dit landgoederengebied ligt een relatief groot oppervlak
                    Wintereiken-Beukenbos met Hulst, Adelaarsvaren en Dalkruid. Langs beken komen
                    mooi ontwikkelde voorbeelden voor van het Vogelkers-essenbos met Gele dovenetel,
                    Muskuskruid en soms Zwarte rapunzel. Op slecht doorlatend grond komt verspreid
                    het Eiken-Haagbeukenbos met o.a. Bosanemoon, Grote muur en Slanke sleutelbloem.
                    Verspreid komen geïsoleerd liggende heidevelden voor, zowel vochtige heide als
                    droge heide. In het boerenland komt het Witbolgrasland verspreid voor, wat wijst
                    op iets minder intensief grondgebruik. Langs de meest natuurlijke beken broeden
                    de Grote gele kwikstaart en IJsvogel. In de bosranden kan de Kleine
                    ijsvogelvlinder vliegen. </al><al>Herstel van natuur op het landgoed Strootman laat zien dat ook bij particulieren
                    hoogwaardige natuur te herstellen is (met o.a. kleine zeggen vegetaties met
                    Moerassmele, blauwgrasland met Draadgentiaan en venachtige laagten met
                    Ongelijkbladig fonteinkruid). Vochtige heide komt voor op het Usselerveld en
                    Sluitersveld met o.a. Veenbies en Klokjesgentiaan. </al><al>Het N2000 gebied Lonnekermeer wordt gekenmerkt door een afwisseling van
                    zwakgebufferde en zure vennen, vochtige heide, droge heide en blauwgraslanden.
                    Een kenmerkende soort voor dit gebied is de Gevlekte witsnuitlibel. </al><al>Het gebied ligt vlak bij de voormalige vliegbasis Twente. Een deel van het
                    terrein van de voormalige vliegbasis wordt omgevormd tot natuurgebied. Dit
                    gebied bestaat nu uit uitgestrekte bloemrijke droge graslanden rond de
                    startbanen en herbergt nu o.a. de grootste populatie van de Veldleeuwerik van
                    Overijssel. </al><al><vet>Streefbeeld</vet></al><al>In dit gebied wordt de kwaliteit van de bestaande natuurgebieden versterkt
                    door:</al><al>- natuurlijke inrichting van de vele beken die hier lopen (N03.01) in combinatie
                    met ontwikkeling van nat schraalgrasland (N10.01) en vochtig hooiland (N10.02),
                    kruiden en faunarijk grasland (N12.02). </al><al>- versterking van de kleinschalige landschapsstructuur door de aanleg van
                    houtwallen en poelen en basisbiotopen voor o.a. de Boomkikker. </al><al>- versterking en uitbreiding van vochtige heide op plekken die hiervoor kansrijk
                    zijn. (N06.04) </al><al>- uitbreiding van de oppervlakte beekbegeleidend bos (N14.01).</al><al>- herstel van de grondwaterstand en bovenlopen van de Jufferbeek en
                    Blankenbellingsbeek op het als natuur te ontwikkelen deel van de luchthaven
                    Twente.</al><al>- Oplossen van de verdroging van de grondwaterafhankelijke habitattypen in het
                    Natura 2000 gebied Lonnekermeer. Dit kan door aankoop en inrichting van enkele
                    percelen aan de oostkant van dit gebied. </al><al>Deze maatregelen worden gerealiseerd in het kader van de uitvoering van de
                    landinrichtingsprojecten Enschede-noord en Enschede-zuid, de uitvoering van het
                    beheerplan N2000 Lonnekermeer en en de uitvoering van de project herontwikkeling
                    luchthaven Twente. </al><al>Na afloop van deze projecten is er hier geen uitbreidingsdoeltelling meer voor
                    de EHS in dit gebied. </al><al><vet>27. Heide- en veengebieden zuid Twente </vet></al><al><vet>Gebiedsbeschrijving</vet></al><al>In Zuid Twente liggen enkele zeer waardevolle heide- en hoogveengebieden. Het
                    gaat om een drietal hoogveengebieden, nl. het Aamsveen, Haaksbergerveen en Witte
                    veen, alle drie aangewezen als Natura 2000 gebied. Het betreft alle drie
                    hoogvenen waarvan een belangrijk deel verdroogd is. Op het verdroogde hoogveen
                    komen uitgestrekte vegetaties voor met Dopheide, Pijpestrootje, Adelaarsvaren of
                    er heeft zich bos ontwikkeld. In al de drie hoogveengebieden zijn al maatregelen
                    genomen om tot vernatting te komen en effecten hiervan zijn te zien met o.a.
                    veenputten waar de hoogveenvorming weer op gang komt. Het hoogveen is belangrijk
                    als leefgebied voor diverse plant- en diersoorten als Lavendelheide, Veenbes,
                    Eenarig wollegras, Adder, Veenhooibeestje en Witsnuitlibellen. Op de flanken van
                    het Aamsveen komt vochtig heischraal grasland voor. Het Buurserzand is één van
                    de belangrijkste heidegebieden met vennen van Overijssel met verspreid struwelen
                    van de Jeneverbes. </al><al>Herstel van landbouwgrond naar heide/vennen aan de rand het Buurserzand heeft
                    tot nu toe al verrassende resultaten opgeleverd. In het overgangsgebied bij het
                    Aamsveen komt een belangrijke populatie van de Boomkikker voor. </al><al>De Buurserbeek heeft van de Duitse grens tot en met de landgoederen bij
                    Diepenheim een grote ecologische betekenis. De beek verbindt gebieden uit de
                    ecologische hoofdstructuur in Overijssel en Gelderland. </al><al>Het ten westen van het Haaksbergerveen gelegen Lankheet bestaat uit een
                    combinatie van droge bossen en geïsoleerd liggende heidevelden met enkele
                    vennen.</al><al><vet>Streefbeeld</vet></al><al>Om de verdroging van het N2000 gebied te kunnen oplossen is het nodig om een
                    hydrologische bufferzone te realiseren waarin de grondwaterstand wordt verhoogd.
                    Een deel van deze zone zal ingericht worden als natuurgebied. Een deel van de
                    bufferzone kan mogelijk binnen het landbouwgebied gerealiseerd worden via een
                    vergoeding voor natschade. Bij de verdere uitwerking zal dit nader
                    geconcretiseerd worden. </al><al><vet>28. Stuwwal Oldenzaal</vet></al><al><vet>Gebiedsbeschrijving</vet></al><al><cursief>Oldenzaalse stuwwal</cursief></al><al>Een deel van dit gebied is aangewezen als het Natura 2000 gebied Stuwwal
                    Oldenzaal. </al><al>Verschillen in reliëf, geologische opbouw, hydrologische omstandigheden en de
                    hieraan gekoppelde wijze van ontginnen maken dat het gebied van de Oldenzaalse
                    stuwwal een rijk geschakeerd landschap heeft met een veelzijdige flora en fauna.
                    Met name bovenop de stuwwal liggen belangrijke natuurwaarden. Dit is het
                    brongebied van de hier ontspringende beken zoals de Hakenbergerbeek, Linderbeek,
                    Roelinksbeek en Snoeyinksbeek. De bossen in deze brongebieden zijn bijzonder
                    soortenrijk, doordat tertiaire klei en keileem vaak dicht aan de oppervlakte
                    liggen. In de brongebieden komt het Elzenbronbos voor met o.a. twee soorten
                    Goudveil en een unieke in het zuurstofrijke water levende macrofauna. Langs de
                    beken komt het Vogelkers-essenbos vorm met Gele dovenetel, Bosandoorn,
                    Bosanemoon en Muskuskruid. Waar het grondwater `s winters hoog is en zomers laag
                    (stagnerende bodemlagen) komt het Eiken-haagbeukenbos voor met Bosgierstgras,
                    Ruwe smele, Bosanemoon, Boswederik en Gele dovenetel. In de struiklaag valt het
                    hoge aandeel van de Hazelaar op. Veel bossen de stuwwal behoren tot het
                    Wintereiken-Beukenbos met o.a. Hulst, Ruige veldbies en Dalkruid. Hier kwamen
                    Grote bonte specht, Kleine specht en Zwarte specht voor en heeft zich de
                    afgelopen vijftien jaar de Middelste bonte specht gevestigd. Het wijst er op dat
                    ook hier het aandeel dood hout in het bos aan het toenemen is.</al><al>Buiten de reservaten is het grondgebruik intensief en komen amper meer
                    natuurwaarden in de graslanden voor. Herstel is hier wel mogelijk. In de
                    reservaten komen mooi ontwikkelde voorbeelden van het Dotterbloemhooiland voor.
                    De in het gebied gelegen poelen zijn van belang voor de Kamsalamander. De
                    houtwallen, meestal met een vegetatie met Zomereik en Zwarte els hebben een
                    grote waarde met soorten als Grote muur, Eenstijlige meidoorn, Schaduwgras, en
                    soms Kleine maagdenpalm en Gele dovenetel. De houtwallen herbergen vaak nog veel
                    zeldzame inheemse boom- en struiksoorten, zoals de Winterlinde. Veel dieren
                    (o.a. marterachtigen, vleermuizen) gebruiken de houtwallen als
                    verbindingsroutes. Daarnaast vormen deze elementen een geschikte broedplaats
                    voor Geelgors, Heggemus, Nachtegaal en Gekraagde roodstaart. Veel houtwallen
                    komen nog voor op de overgang van Dinkeldal naar Molterheurne en Roorderheurne,
                    in het "stroomgebied" van Snoeyinks- en Bethlehemsebeek en zuidwestelijk van
                    Losser. De essen en kampen kennen een eigen rijkdom aan akkerkruiden. Door
                    intensief agrarisch gebruik (maïsteelt) is veel van de vroegere kruidenrijkdom
                    verdwenen. Extensief akkerbeheer biedt mogelijkheden voor herstel van de
                    akkerflora met o.a. Korenbloem, Bleekgele hennepnetel, Korensla, Gele ganzebloem
                    en Klaproos. Verder betekent graanverbouw een biotoopverbetering voor Rode
                    Lijstsoorten als Geelgors en Patrijs. </al><al><cursief>Roderveld</cursief></al><al>Het Roderveld bestaat uit een vochtig heideterrein op de flank van de stuwwal
                    Oldenzaal met naaldbossen, en plaatselijk Elzenbroekbos en Elzen-Essenbos met
                    populieren. In het gebied liggen cultuurgronden die overwegend in intensief
                    gebruik zijn als maisakker of grasland. De vochtige heideterreinen zijn
                    verdroogd, omdat de natuurlijke waterhuishouding van het Roderveld gewijzigd is.
                    De oorspronkelijke Roelinksbeek gaat nu vergezeld van een parallelle waterloop,
                    die veel oude beeklopen afgesneden heeft. Deze nieuwe waterloop zorgt voor een
                    diepe ontwatering en een snelle afvoer van het water en daarmee een verdroging
                    van het natuurgebied</al><al><vet>Streefbeeld</vet></al><al>Het doel is de ontwikkeling van aaneengesloten natuurgebieden op de de stuwwal
                    en langs de beken met een afwisseling van Vochtige hooiland (N10.02), Kruiden en
                    faunarijk grasland (N12.02) en herstel van de natuurlijke beken en bronnen (N
                    03.01 Beek en bron) en uitbreiding van de oppervlakte vochtige bossen (N14.01 en
                    N1403). Het gaat hier om de bovenlopen van de Voltherbeek, Rossumerbeek,
                    Weerselerbeek, Hakenbeek, Bloemenbeek, Luttenmolenbeek, Snoeijinksbeek,
                    Bethlehemsebeek en Elsbeek. </al><al><vet>29. Twickel</vet></al><al><vet>Gebiedsbeschrijving</vet></al><al>Het landgoed Twickel omvat oude boskernen (bijv. Elbertsbosch, Groot Avest),
                    jonger spontaan dan wel aangeplant bos op voormalige heide, diverse beekdalen
                    zoals dat van de Azelerbeek en Oelerbeek, een groot aantal in oppervlak sterk
                    variërende heidevelden en schraallanden. </al><al>De oude boskernen behoren tot het Wintereiken-Beukenbos en zijn vaak rijk aan
                    Hulst. In de beekdalen komt het Vogelkers-essenbos voor met Wilde
                    kardinaalsmuts, Boskortsteel en IJle zegge. Verspreid in het hele gebied komen
                    afhankelijk van waterhuishouding en beschikbaarheid van nutrienten verschillende
                    typen broekbos voor (Elzenbroekbos, Elzen-berkenbroek en Berkenbroek). In het
                    gebied komen meerdere typen houtwallen voor, vaak met soorten uit bossen en
                    bosranden (Dolle kervel, Hengel). Op de heide is vaak naaldhout (Grove den)
                    aangeplant. Negentig procent van het nog bestaande oppervlak heide is vochtige
                    heide, die vaak behoort tot het natte, veenmosrijke type. Op het landgoed is de
                    afgelopen 20 jaar veel heide geplagd wat geleid heeft toch ontstaan van een
                    grote oppervlakte Snavelbies-Kleine zonnedauw vegetaties. In de heide liggen
                    verspreid zowel zure als ook zwakgebufferde vennen met een eigen unieke flora en
                    fauna. Het mooiste voorbeeld hiervan met een overgang naar kalkmoeras wordt
                    gevonden in het Boddenbroek, dat als Natura 2000 gebied is aangewezen. Rondom de
                    Deldener Esch vinden we Veldrushooiland met Kruipend zenegroen en Sterzegge. In
                    het Völgerveld is met succes broekbos omgezet in soortenrijk blauwgrasland met
                    Blonde zegge, Bleke zegge en Armbloemige waterbies. </al><al>Het landgoed Twickel is een belangrijke leefgebied voor bosvogels, waaronder
                    Middelste bonte specht, Kleine bonte specht en Zwarte specht. Diverse bijzondere
                    vlindersoorten komen voor zoals het Bont dikkopje, Heideblauwtje, Kleine
                    ijsvogelvlinder en Grote weerschijnvlinder.</al><al><cursief>Deldenerbroek</cursief></al><al>Het Deldenerbroek is een voormalig heideontginningslandschap met veel variatie
                    in terreintypen. Op de hoge delen een karakteristiek, kleinschalig agrarisch
                    cultuurlandschap, met houtwallen en bosjes aanwezig. Het centrale deel van het
                    gebied (Demmersblok) is van oudsher omgeven door een houtwal. De lagere
                    terreindelen zijn rijk aan kalkrijke kwel uit de diepe ondergrond. Het
                    Hagmolenbeekdal begrensd het gebied aan de noordoostzijde.</al><al><vet>Streefbeeld</vet></al><al><cursief>Twickel</cursief></al><al>Op het landgoed Twickel wordt in 2013 een groot deel van het dal van de
                    Hagmolenbeek en een deel van de Azelerbeek hersteld. In de beekdalen worden
                    afwisselend Nat schraalland (N10.01), kruiden en faunarijk grasland (N12.02),
                    Rivier- en beekbegeleidend bos (N14.01) ontwikkeld. Na afronding hiervan is er
                    geen uitbreidingsdoelstelling voor de EHS meer in dit gebied. </al><al><cursief>Deldenerbroek</cursief></al><al>In het Deldenerbroek wordt in samenhang met de Hagmolenbeek een groot
                    natuurgebied ontwikkeld met een afwisseling van vochtige heide (N06.04), Nat
                    schraalland (N10.01), kruiden en faunarijk grasland (N12.02) en Rivier- en
                    beekbegeleidend bos (N14.01). </al></bijlage><bijlage><al><extref doc="/cvdr/images/Overijssel/i260736.pdf">kaarten luchthavenregelingen.pdf (1158 Kb)</extref></al></bijlage><bijlage><al><extref doc="/cvdr/images/Overijssel/i260737.pdf">kaart bij luchthavenregeling helihaven daklocatie isala klinieken.pdf (118 Kb)</extref></al></bijlage></regeling></body></cvdr>