<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.92--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR374583_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening re-integratie Participatiewet (inclusief Tegenprestatie naar vermogen) 2015 gemeente Baarn</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Baarn</dcterms:creator><dcterms:modified>2015-07-01</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Baarn</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2015-58650.html">Gemeenteblad, jaargang 2015, nr. 58650</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening re-integratie Participatiewet 2015 gemeente Baarn</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0015703&amp;artikel=6, 7, 8a, 9 10, 10b">Participatiewet, artikelen 6, lid 2, 7, 8a, 9, eerste lid onder c, 10, eerste lid, 10b, lid 4</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0005416&amp;artikel=147">Gemeentewet, artikel 147 </dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2015-06-24</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2015-07-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2024-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>15RV000031</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening re-integratie Participatiewet (inclusief Tegenprestatie naar vermogen) 2015 gemeente Baarn</intitule><regeling><aanhef><preambule><al><vet><cursief>Raadsbesluit</cursief></vet></al><al>Openbaar</al><al/><al>Voorstelnummer: 15RV000031 </al><al/><al>Onderwerp: Verordening re-integratie Participatiewet (inclusief
                        Tegenprestatie naar vermogen) 2015 gemeente Baarn.</al><al/><al>De raad van de gemeente Baarn </al><lijst><li nr="-"><al>gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders d.d. 12 mei
                                2015;</al></li><li nr="-"><al>gehoord het debat in de raad d.d. 10 juni 2015;</al></li><li nr="-"><al>overwegende dat;</al></li></lijst><al>Het voor gemeenten wettelijk verplicht is om het ondersteunen bij
                        arbeidsinschakeling en het aanbieden van voorzieningen gericht op
                        arbeidsinschakeling, als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a, en
                        artikel 10, eerste lid en het opdragen van een tegenprestatie als bedoeld in
                        artikel 9, eerste lid, onderdeel c van de Participatiewet, bij verordening
                        te regelen;</al><al>-gelet op;</al><al>De Participatiewet, in het bijzonder de artikelen 6 lid 2, 7, 8a, 9 eerste
                        lid onder c, 10 eerste lid, 10b lid 4 en artikel 147 van de Gemeentewet</al><al/><al><vet>Besluit:</vet></al><al>1.De verordening re-integratie Participatiewet (inclusief Tegenprestatie
                        naar vermogen) 2015 gemeente Baarn vast te stellen. </al><al/><al><vet>De verordening re-integratie Participatiewet (inclusief Tegenprestatie
                            naar vermogen)2015 gemeente Baarn </vet></al><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>1.</nr><titel>ALGEMENE BEPALINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsomschrijving</titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><al>de wet: Participatiewet;</al><al>doelgroep: personen als bedoeld in artikel 7, lid 1 onder a, van de
                            wet;</al><al>Voor zover niet anders is bepaald, worden begrippen in deze verordening
                            gebruikt in dezelfde betekenis als in de wet.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>2</nr><titel>BELEID EN FINANCIEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Opdracht aan het college</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan een voorziening aanbieden aan personen die behoren
                                tot de doelgroep.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college houdt bij het aanbieden van de in deze verordening
                                genoemde voorzieningen rekening met de omstandigheden en functionele
                                beperkingen van een persoon.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Voor de uitvoering van deze verordening kan het college nadere
                                regels vaststellen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Budget- en subsidieplafond</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan bij uitvoeringsbesluit één of meerdere subsidie- en
                                budgetplafonds vaststellen voor de verschillende voorzieningen. Een
                                door het college ingesteld subsidie- of budgetplafond vormt een
                                weigeringsgrond bij de aanspraak op een specifieke voorziening.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan bij uitvoeringsbesluit een plafond instellen voor
                                het aantal personen dat in aanmerking komt voor een specifieke
                                voorziening.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>3</nr><titel>VOORZIENINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Algemene bepalingen over voorzieningen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan een voorziening beëindigen als: </al><lijst><li nr="a."><al>de persoon die aan de voorziening deelneemt zijn
                                        verplichting als bedoeld in de artikelen 9 en 17 van de wet,
                                        de artikelen 13 en 37 van de Wet inkomensvoorziening oudere
                                        en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers of de
                                        artikelen 13 en 37 van de Wet inkomensvoorziening oudere en
                                        gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen niet
                                        nakomt; </al></li><li nr="b."><al>de persoon die aan de voorziening deelneemt niet meer
                                        behoort tot de doelgroep;</al></li><li nr="c."><al>de persoon die aan de voorziening deelneemt algemeen
                                        geaccepteerde arbeid aanvaardt waarbij geen gebruik wordt
                                        gemaakt van een in deze verordening genoemde voorzieningen,
                                        tenzij het betreft een persoon als bedoeld in artikel 7,
                                        eerste lid, onderdeel a, onder 2 van de wet;</al></li><li nr="d."><al>naar het oordeel van het college de voorziening onvoldoende
                                        bijdraagt aan een snelle arbeidsinschakeling;</al></li><li nr="e."><al>de voorziening naar het oordeel van het college niet meer
                                        geschikt is voor de persoon die gebruik maakt van de
                                        voorziening;</al></li><li nr="f."><al>de persoon die aan de voorziening deelneemt niet naar
                                        behoren gebruik maakt van de aangeboden voorziening;</al></li><li nr="g."><al>de persoon die aan de voorziening deelneemt niet meer
                                        voldoet aan de voorwaarden die in de wet en in deze
                                        verordening worden gesteld om in aanmerking te komen voor
                                        die voorziening.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college houdt bij het aanbieden van de in deze verordening
                                opgenomen voorzieningen rekening met de omstandigheden en
                                functionele beperkingen van een persoon. De omstandigheden hebben in
                                ieder geval betrekking op zorgtaken van die persoon en de
                                mogelijkheid dat hij behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie of
                                gebruik maakt van de voorziening beschut werk. Onder zorgtaken wordt
                                in ieder geval verstaan:</al><lijst><li nr="a."><al>de opvang van ten laste komende kinderen tot vijf jaar,
                                        en</al></li><li nr="b."><al>de noodzakelijkheid van het verrichten van mantelzorg </al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Ondersteuning en soorten voorzieningen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Ondersteuning bij de arbeidsinschakeling en/of maatschappelijke
                                participatie kan bestaan uit praktische hulp, advies, doorverwijzing
                                naar andere organisaties of uit het aanbieden van één of meerdere
                                voorzieningen die gelijktijdig of achtereenvolgend ingezet kunnen
                                worden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college van burgemeester en wethouders kan aan de belanghebbende
                                voorzieningen aanbieden in de vorm van:</al><lijst><li nr="a."><al>begeleiding;</al></li><li nr="b."><al>een proefplaatsing gericht op arbeidsinschakeling;</al></li><li nr="c."><al>ondersteuning bij een beroep op maatschappelijke opvang of
                                        medische zorg;</al></li><li nr="d."><al>ondersteuning bij maatschappelijke participatie;</al></li><li nr="e."><al>diagnose-instrumenten;</al></li><li nr="f."><al>ondersteunende instrumenten, waaronder kinderopvang,
                                        schuldhulpverlening, onderzoeken door deskundigen en taal-
                                        en beroepsgerichte scholing;</al><al>3.Het college kan nadere regels vaststellen over de vorm van
                                        de in het tweede lid genoemde voorzieningen en de wijze
                                        waarop deze voorzieningen worden verstrekt. </al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6 Sociale activering</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college kan een persoon die behoort tot de doelgroep
                                    activiteiten aanbieden in het kader van sociale activering ter
                                    bevordering van zijn maatschappelijke participatie en/of ten
                                    behoeve van zijn re-integratie op de arbeidsmarkt.</al></li><li nr="2."><al>Het college stemt de duur van de in het eerste lid bedoelde
                                    activiteiten af op de mogelijkheden en capaciteiten van die
                                    persoon.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7 Scholing</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college kan een persoon die behoort tot de doelgroep een
                                    scholingstraject aanbieden.</al></li><li nr="2."><al>Een scholingstraject voldoet in ieder geval aan de volgende
                                    eisen:</al></li><li nr="a."><al>het scholingstraject is noodzakelijk voor de toeleiding naar de
                                    arbeidsmarkt, en;</al></li><li nr="b."><al>duurt maximaal één jaar;</al></li><li nr="3."><al>Het eerste lid is niet van toepassing op personen als bedoeld in
                                    artikel 7, derde lid, onderdeel a, van de wet.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 8 Aansluiting onderwijs – arbeidsmarkt</titel></kop><al>Het college kan ondersteuning aanbieden aan jongeren van 16 of 17 jaar
                            die vanwege beperkingen niet in staat zijn een startkwalificatie te
                            behalen, zoals bedoeld in artikel 10f, onder a, van de Participatiewet
                            ten aanzien van wie het college van oordeel is dat dit nodig is in het
                            kader van de aansluiting onderwijs – arbeidsmarkt. </al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9 Participatievoorziening beschut werk</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college kan de voorziening beschut werk aanbieden aan een
                                    persoon uit de doelgroep die door een lichamelijke,
                                    verstandelijke of psychische beperking een zodanige mate van
                                    begeleiding op en aanpassingen van de werkplek nodig heeft dat
                                    van een reguliere werkgever redelijkerwijs niet kan worden
                                    verwacht dat hij deze persoon in dienst neemt. </al></li><li nr="2."><al>Indien uitzicht bestaat op een dienstbetrekking in het kader van
                                    beschut werk, vraagt het college op grond van artikel 10b tweede
                                    lid van de wet, bij het Uitvoeringsinstituut
                                    werknemersverzekeringen om een advies of de belanghebbende
                                    uitsluitend in een beschutte omgeving onder aangepaste
                                    omstandigheden mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft. Het
                                    college neemt bij de voorselectie in aanmerking of sprake is van
                                    beperkingen van lichamelijke, verstandelijke, psychische of
                                    andere aard, die naar verwachting leiden tot een indicatie
                                    beschut werk.</al></li><li nr="3."><al>Het college bepaalt jaarlijks de omvang van het aanbod beschut
                                    werk en legt vast hoeveel plekken voor beschut werk de gemeente
                                    beschikbaar stelt.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10 Persoonlijke ondersteuning </titel></kop><al>Aan personen zoals bedoeld in artikel 10, tweede lid, van de wet, kan
                            het college persoonlijke ondersteuning bij het verrichten van de aan die
                            persoon opgedragen taken aanbieden in de vorm van tijdelijke of
                            structurele begeleiding als hij zonder persoonlijke ondersteuning niet
                            in staat is de aan hem opgedragen taken te verrichten.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 11 No-riskpolis </titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college kan een werkgever in aanmerking laten komen voor een
                                    verzekeringspolis voor dekking van loonkosten over een periode
                                    waarin de werknemer uit de doelgroep arbeidsongeschikt is. </al></li><li nr="a."><al>De no-riskpolis is bedoeld voor de werkgever die een werknemer
                                    in dienst neemt die behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie,
                                    of die een verhoogd risico heeft op verzuim, voor zover er geen
                                    beroep kan worden gedaan op de no-riskpolis van het
                                    Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen. </al></li><li nr="b."><al>De no-riskpolis is mogelijk bij een arbeidsovereenkomst van
                                    tenminste zes maanden. </al></li><li nr="c."><al>De no-riskpolis heeft een werkingsduur van 12 maanden na
                                    indiensttreding van de werknemer bij de werkgever. </al></li><li nr="d."><al>de werknemer heeft zijn woonplaats binnen de gemeente Baarn.
                                </al></li><li nr="2."><al>Het college kan nadere regels stellen waaraan de werkgever moet
                                    voldoen om voor een no-riskpolis in aanmerking te komen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 12 Werkgeverssubsidie </titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college kan, anders dan de loonkostensubsidie als bedoeld in
                                    artikel 10d van de wet een incidentele subsidie verstrekken aan
                                    werkgevers die met iemand uit de doelgroep als bedoeld in deze
                                    verordening, een arbeidsovereenkomst sluiten gericht op
                                    arbeidsinschakeling dan wel participatie en activering. </al></li><li nr="2."><al>Het college kan nadere regels stellen ten aanzien van de
                                    voorziening als bedoeld in het eerste lid. Deze hebben in ieder
                                    geval betrekking op: </al></li><li nr="a."><al>De specifieke doelgroepen waarvoor subsidie kan worden verleend;
                                </al></li><li nr="b."><al>De hoogte en duur van de subsidie; </al></li><li nr="c."><al>Het recht op de subsidie gerelateerd aan de omvang van de
                                    dienstbetrekking; </al></li><li nr="d."><al>Wijze van betaalbaar stellen; </al></li><li nr="e."><al>Het maximaal aantal/maximale bedrag aan te verstrekken subsidies
                                    per werkgever. </al></li><li nr="3."><al>De subsidie wordt uitsluitend verstrekt als hierdoor de
                                    concurrentieverhoudingen niet onverantwoord worden beïnvloed en
                                    er geen verdringing plaatsvindt. </al></li><li nr="4."><al>De subsidie wordt niet verstrekt als er voor dezelfde werknemer
                                    een loonkostensubsidie wordt verstrekt. </al></li><li nr="5."><al>Een werkgeverssubsidie zoals bedoeld in het eerste lid wordt
                                    niet verstrekt als de werkgever op grond van een andere regeling
                                    aanspraak maakt op financiële tegemoetkomingen in verband met de
                                    indiensttreding van de werknemer. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 13 Loonkostensubsidie en loonwaarde </titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college stelt vast of een belanghebbende die
                                    arbeidsmogelijkheden heeft, niet in staat is het wettelijk
                                    minimumloon te verdienen en daarmee behoort tot de doelgroep
                                    loonkostensubsidie, als bedoeld in artikel 6, eerste lid, sub e
                                    van de wet. </al></li><li nr="2."><al>Het college stelt de loonwaarde van een belanghebbende vast,
                                    indien een werkgever voornemens is met deze persoon een
                                    dienstbetrekking aan te gaan. </al></li><li nr="3."><al>Het college gebruikt de in de toelichting bij deze verordening
                                    omschreven wijze om de loonwaarde van een persoon vast te
                                    stellen. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 14 Werkvoorzieningen </titel></kop><al>Het college kan aan de belanghebbende, die arbeid verricht, of gaat
                            verrichten werkvoorzieningen toekennen die strekken tot behoud, herstel
                            of bevordering van de mogelijkheid tot het verrichten van arbeid.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>HOOFDSTUK 4 TEGENPRESTATIE</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 15 Tegenprestatie naar vermogen </titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college kan aan de persoon uit de doelgroep met een
                                    Participatiewet-, IOAW- of IOAZ-uitkering en met de leeftijd van
                                    18 jaar tot de AOW-gerechtigde leeftijd vragen om onbeloonde
                                    maatschappelijk nuttige activiteiten te verrichten als
                                    tegenprestatie voor de uitkering.</al></li><li nr="2."><al>De in het eerste lid genoemde onbeloonde maatschappelijk nuttige
                                    activiteiten moeten passen binnen een op basis van maatwerk
                                    opgesteld plan van aanpak dat gericht is op zelfredzaamheid en
                                    maatschappelijke participatie, zolang een traject gericht op
                                    re-integratie naar betaald werk (nog) niet aan de orde is.</al></li><li nr="3."><al>Bij het opstellen en uitvoeren van het in het tweede lid
                                    genoemde plan van aanpak worden de persoonlijke situatie en
                                    individuele omstandigheden en het vermogen van de belanghebbende
                                    om een tegenprestatie te kunnen verrichten in aanmerking
                                    genomen.</al></li><li nr="4."><al>Vrijwilligerswerk en mantelzorg merkt het college aan als vormen
                                    van tegenprestatie.</al></li><li nr="5."><al>Het naleven van de in het eerste lid genoemde tegenprestatie zal
                                    gebeuren conform het handhavingsbeleid zoals daarover is
                                    vastgelegd in de Baarnse Maatregelenverordening. </al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>HOOFDSTUK 5 RECHTEN EN PLICHTEN</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 16 Aanspraak op ondersteuning </titel></kop><al>Personen die behoren tot de doelgroep van de wet hebben recht op
                            ondersteuning bij arbeidsinschakeling of participatie anderszins en op
                            een naar het oordeel van het college noodzakelijk geachte voorziening
                            gericht op arbeidsinschakeling of participatie anderszins, indien zij er
                            niet in slagen op eigen kracht algemeen geaccepteerde arbeid te
                            verkrijgen, dan wel een beroep kunnen doen op een andere wettelijke
                            voorziening gericht op arbeidsinschakeling of sociale activering. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17</nr><titel>Verplichtingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een persoon die behoort tot de doelgroep, als bedoeld in de wet, die
                                deelneemt aan een voorziening is gehouden te voldoen aan de
                                verplichtingen die voortvloeien uit de wet en deze verordening,
                                alsmede aan de verplichtingen die het college van burgemeester en
                                wethouders aan de aangeboden voorziening heeft verbonden. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien een persoon als bedoeld in het eerste lid, die deelneemt aan
                                een voorziening, niet voldoet aan de in het eerste lid genoemde
                                verplichtingen, dan kan het college diens uitkering of
                                inkomensvoorziening verlagen conform hetgeen hierover is bepaald in
                                de Maatregelenverordening.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien een niet-uitkeringsgerechtigde of een Anw-er, die gebruik
                                maakt van een voorziening, niet voldoet aan de in het eerste lid
                                genoemde verplichtingen, dan kan het college van burgemeester en
                                wethouders de kosten van de voorziening geheel of gedeeltelijk
                                verhalen op deze cliënt.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>6</nr><titel>SLOTBEPALINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18</nr><titel>Hardheidsclausule</titel></kop><al>Het college kan in bijzondere gevallen van de bepalingen in deze
                            verordening afwijken, indien toepassing van de verordening tot
                            onbillijkheden van overwegende aard leidt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening heet de Verordening re-integratie Participatiewet 2015
                            gemeente Baarn.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>20</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening treedt in werking op 1 juli 2015.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>21</nr><titel>Intrekken vorige verordening</titel></kop><al>De Reintegratieverordening Wet werk en bijstand vastgesteld op 30 juni
                            2004, gewijzigd op 29 februari 2012, wordt gelijktijdig met de
                            inwerkingtreding van deze verordening ingetrokken.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>22</nr><titel>Overgangsrecht</titel></kop><al>Een persoon die gebruik maakt van een toegekende voorziening op grond
                            van de Reintegratieverordening Wet werk en bijstand behoudt deze
                            voorziening voor zover wordt voldaan aan de daartoe gestelde voorwaarden
                            en voor de duur die is afgesproken of die door het college noodzakelijk
                            wordt geacht. </al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Vastgesteld in de openbare vergadering, </ondertekening><ondertekening>op 24 juni 2015.</ondertekening><ondertekening>griffier voorzitter</ondertekening><ondertekening/></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>ALGEMENE TOELICHTING </titel></kop><al>Er is gekozen voor een algemene, globale verordening. Dit heeft te maken met de
                    aard van de opdracht die de raad heeft gekregen, te weten het bij verordening
                    regels stellen waarin het beleid van de gemeente ten aanzien van haar
                    re-integratietaak wordt neergelegd. Hieruit moet onder andere aandacht blijken
                    voor de in de Participatiewet onderscheiden doelgroepen en de daarbinnen te
                    onderscheiden subgroepen. Dit leent zich niet voor het formuleren van
                    gedetailleerde regels die op iedere situatie van toepassing zijn. Immers,
                    re-integratie is maatwerk. Het is helemaal afhankelijk van iemands mogelijkheden
                    en beperkingen wat in het concrete geval een passend re-integratietraject is.
                    Daarom wordt aan het college de bevoegdheid gegeven om op een aantal punten
                    eigen afwegingen te maken. Artikel 10 van de Participatiewet bepaalt dat
                    personen uit de doelgroep aanspraak hebben op ondersteuning bij de
                    arbeidsinschakeling en de door het college noodzakelijk geachte voorziening
                    binnen de kaders van de re-integratieverordening. Daarom is ervoor gekozen in de
                    verordening de voorzieningen vast te leggen die het college kán aanbieden.</al><al><vet>Tegenprestatie naar vermogen </vet></al><al><onderstreept>Wettelijk kader</onderstreept></al><al>Artikel 8a lid 1, sub b Participatiewet regelt de verordeningsplicht van de
                    gemeenteraad. Artikel 9 lid 1, sub c Participatiewet betreft de plicht tot
                    arbeidsinschakeling en tegenprestatie en geeft als definitie: “Naar vermogen
                    door het college opgedragen onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden te
                    verrichten die worden verricht naast of in aanvulling op reguliere arbeid en die
                    niet leiden tot verdringing op de arbeidsmarkt”.</al><al>Wat wel: </al><lijst><li nr="-"><al>Maatschappelijk nuttige werkzaamheden</al></li><li nr="-"><al>Beperkt in omvang en tijdsduur</al></li><li nr="-"><al>Additioneel en niet verdringen.</al></li><li nr="-"><al>Naar vermogen</al></li></lijst><al>Wat niet:</al><lijst><li nr="-"><al>Tegenprestatie mag geen bestaande leer- of werkstageplek betreffen.</al></li><li nr="-"><al>Mag primair geen arbeidsinschakeling beogen want dan betreft het een
                            regulier re-integratietraject, maar secundair wel. Dit betekent:
                            ervaring opdoen met op tijd komen, gedrag op werkvloer enz. </al></li><li nr="-"><al>Uitvoeringskosten mogen om deze reden niet gedekt worden uit de
                            rijksgelden voor re-integratie (Participatiebudget)</al></li><li nr="-"><al>Geen ‘dwangarbeid’ (dus bijvoorbeeld geen sneeuwschuiven, want dat valt
                            onder de normale burgerplicht op grond van artikel 4, lid 3, Europees
                            Verdrag Rechten van de Mens)</al></li></lijst><al>Voor wie:</al><lijst><li nr="-"><al>Het gaat om de “niet-kunners” en dus niet over de “niet-willers”. Dit
                            betekent niet dat van de niet-willers geen inzet verwacht wordt.
                            Afhankelijk van het vermogen tot arbeidsinschakeling heeft deze laatste
                            groep een re-integratietraject dat leidt naar werk of anderszins, en bij
                            het niet nakomen van de verplichtingen is op deze groep het handhavings-
                            en maatregelenbeleid van toepassing.</al></li><li nr="-"><al>Toelichting op bovenstaande: omdat de tegenprestatie geen
                            re-integratietraject mag zijn, en geen verdringing op de arbeidsmarkt
                            mag veroorzaken, is de groep in een re-integratietraject uitgesloten van
                            de tegenprestatie. Deze groep moet begeleid worden naar werk en wordt
                            verondersteld hier fulltime mee bezig te zijn. </al></li><li nr="-"><al>In de verordening wordt dus iedereen geduid met een bijstandsuitkering:
                            afhankelijk van de persoonlijke omstandigheden, heeft dus iedereen een
                            traject: hetzij naar werk, hetzij naar maatschappelijk onbeloonde
                            activiteiten.</al><al/></li></lijst></nota-toelichting><nota-toelichting><kop><titel>ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING</titel></kop><al>Alleen die bepalingen die verdere toelichting behoeven worden hieronder
                    behandeld.</al><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Begrippen</titel></kop><al>Begrippen die al zijn omschreven in de Participatiewet, Algemene wet
                        bestuursrecht of de Gemeentewet worden niet afzonderlijk gedefinieerd in
                        deze verordening. Deze zijn vanzelfsprekend van toepassing op deze
                        verordening. </al><al><cursief>Doelgroep</cursief>De doelgroep wordt gevormd door personen zoals
                        bedoeld in artikel 7, eerste lid, onder a, van de Participatiewet. Het
                        betreft:</al><lijst><li nr="·"><al>personen die algemene bijstand ontvangen;</al></li><li nr="·"><al>personen als bedoeld in artikel 34a, vijfde lid onderdelen b en c,
                                van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (hierna: WIA),
                                artikel 35, vierde lid, onderdelen b en c, van de WIA en artikel 36,
                                derde lid, onderdelen b en c, van de WIA tot het moment dat het
                                inkomen uit arbeid in dienstbetrekking gedurende twee aaneengesloten
                                jaren ten minste het minimumloon bedraagt en ten behoeve van die
                                persoon in die twee jaren geen loonkostensubsidie als bedoeld in
                                artikel 10d van de Participatiewet is verleend;</al></li><li nr="·"><al>personen als bedoeld in artikel 10, tweede lid, van de
                                Participatiewet;</al></li><li nr="·"><al>personen met een nabestaanden- of wezenuitkering op grond van de
                                Algemene nabestaandenwet (hierna: ANW); </al></li><li nr="·"><al>personen met een uitkering ingevolge de Wet inkomensvoorziening
                                oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers
                                (hierna: IOAW); </al></li><li nr="·"><al>personen met een uitkering ingevolge de Wet inkomensvoorziening
                                oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen
                                (hierna: IOAZ); </al></li><li nr="·"><al>personen zonder uitkering; en, die voor de arbeidsinschakeling zijn
                                aangewezen op een door het college aangeboden voorziening.</al></li></lijst></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Algemene bepalingen over voorzieningen</titel></kop><al>De Participatiewet schrijft niet uitputtend voor welke voorzieningen het
                        college aan moet bieden. Het enige criterium is dat de voorziening gericht
                        moet zijn op de arbeidsinschakeling en moet bijdragen aan het (op termijn)
                        mogelijk maken van reguliere arbeid door een persoon. Al naar gelang de
                        afstand van een persoon tot de arbeidsmarkt kan een voorziening gericht zijn
                        op bijvoorbeeld sociale activering en het voorkomen van een isolement (zoals
                        het doen van vrijwilligerswerk met behoud van uitkering), het leren van
                        vaardigheden, het vergaren van kennis, of het opdoen van werkervaring
                        (bijvoorbeeld door stage). </al><al><cursief>Beëindigingsgronden</cursief></al><al>Het college kan een voorziening beëindigen in de gevallen zoals opgenomen in
                        artikel 4 van deze verordening. Een voorziening wordt bijvoorbeeld beëindigd
                        als een persoon algemeen geaccepteerde arbeid aanvaardt. Voor de persoon
                        zoals bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a onder 2, van de
                        Participatiewet wordt op dit punt een uitzondering gemaakt. Het gaat om de
                        persoon zoals bedoeld in artikel 34a, vijfde lid, onderdelen b en c, 35,
                        vierde lid, onderdelen b en c en 36, derde lid, onderdelen b en c, van de
                        WIA. Voor deze doelgroep geldt dat het college ondersteuning bij de
                        arbeidsinschakeling moet bieden gedurende twee aaneengesloten jaren ten
                        minste het minimumloon bedraagt en ten behoeve van die persoon in die twee
                        jaren geen loonkostensubsidie is verstrekt. </al><al>Onder beëindigen wordt ook verstaan het stopzetten van de
                        (loonkosten)subsidie aan een werkgever. </al><al>De Participatiewet voorziet niet in een terugvorderingsgrond van
                        re-integratiekosten die onnodig zijn gemaakt. Noch van een
                        bijstandsgerechtigde, noch van een niet-bijstandsgerechtigde kunnen die
                        kosten worden teruggevorderd. Terugvordering dient te geschieden op grond
                        van het Burgerlijk Wetboek.</al><al><cursief>Rekening houden met omstandigheden en beperkingen</cursief></al><al>Op grond van artikel 8a, tweede lid, onderdeel a, van de Participatiewet
                        moet de gemeenteraad in de verordening de verdeling van de voorzieningen
                        over personen regelen, waarbij rekening wordt gehouden met de omstandigheden
                        en de functionele beperkingen van die personen. Hierin ligt besloten dat de
                        gemeenteraad ook rekening houdt met de omstandigheden en functionele
                        beperkingen van personen met een handicap. Dit is in overeenstemming met het
                        VN-verdrag inzake de rechten van personen met een handicap. De doelstelling
                        van dit verdrag is het bevorderen, beschermen en waarborgen van het
                        volledige genot door alle personen met een handicap van alle mensenrechten
                        en fundamentele vrijheden op voet van gelijkheid en het bevorderen van de
                        eerbiediging van hun inherente waardigheid. In dit artikel is aan het
                        voorgaande uitvoering gegeven.</al><al>Het college moet bij de inzet van de voorzieningen rekening houden met de
                        omstandigheden en functionele beperkingen van een persoon. In artikel 2,
                        eerste lid, is opgenomen waarmee het college in ieder geval rekening moet
                        houden:</al><al><cursief>Zorgtaken</cursief></al><al>Bij alleenstaande ouders met ten laste komende kinderen tot vijf jaar moet
                        rekening gehouden worden met de zorgtaken die ze hebben. Betrokkenen kunnen
                        op eigen verzoek tijdelijk ontheven worden van de arbeidsplicht, maar ze
                        moeten wel meewerken aan op hun situatie afgestemde
                        re-integratie-activiteiten.</al><al>Mantelzorg is op zich geen reden voor ontheffing van de arbeids- en
                        re-integratieverplichtingen. Wel moeten we rekening houden met de
                        omstandigheden als betrokkene noodzakelijke mantelzorg moet verrichten ten
                        behoeve van eigen kind(eren) of partner. Mantelzorg is in dit kader
                        noodzakelijk als er geen andere, op de specifieke situatie gerichte,
                        adequate oplossingen zijn. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Ondersteuning en soorten voorzieningen</titel></kop><al>Met het eerste lid wordt benadrukt dat ondersteuning ook eenvoudigweg kan
                        bestaan uit praktische hulp, advies of doorverwijzing naar andere
                        organisaties. Er hoeft niet per definitie sprake te zijn van de inzet van
                        een instrument of voorziening.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Sociale activering</titel></kop><al>Volgens de Participatiewet moet ook sociale activering uiteindelijk gericht
                        zijn op arbeidsinschakeling. Voor bepaalde doelgroepen is
                        arbeidsinschakeling echter een te hoog gegrepen doel. Voor deze personen
                        staat dan ook niet re-integratie, maar participatie voorop. <cursief>Begrip
                            sociale activering</cursief> Onder 'sociale activering' wordt verstaan:
                        het verrichten van onbeloonde maatschappelijk zinvolle activiteiten gericht
                        op arbeidsinschakeling of, als arbeidsinschakeling (nog) niet mogelijk is,
                        op zelfstandige maatschappelijke participatie (artikel 6, eerste lid,
                        onderdeel c, Participatiewet). Bij activiteiten in het kader van sociale
                        activering kan bijvoorbeeld worden gedacht aan het verrichten van
                        vrijwilligerswerk met of zonder begeleiding.</al><al><cursief>College stemt duur activiteiten af op de persoon</cursief></al><al>Het tweede lid geeft het college de mogelijkheid om de duur van activiteiten
                        in het kader van sociale activering nader te bepalen. Het college moet de
                        duur afstemmen op de mogelijkheden en capaciteiten van een persoon. Gezien
                        de mogelijk sterk verschillende behoeften op dit gebied, zal een al te
                        rigide termijn moeilijk zijn.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>8.</nr><titel>Aansluiting onderwijs – arbeidsmarkt</titel></kop><al>Door het wegvallen van de zogenaamde pre-Wajong en de verantwoordelijkheid
                        van het UWV in dat kader, ontstaat er voor jongeren van 16 en 17 jaar die
                        vanwege beperkingen niet in staat zijn een startkwalificatie te halen of
                        praktijkonderwijs volgen een risico bij de aansluiting op de arbeidsmarkt.
                        Voor deze doelgroep zijn, in het kader van de Participatiewet, gemeenten
                        verantwoordelijk. In zoverre dat, als het college ondersteuning voor een
                        persoon uit genoemde doelgroep nodig acht, zij deze kan bieden. Dit past ook
                        in de sluitende aanpak kwetsbare jongeren en de aanpak van
                        jeugdwerkloosheid.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>9.</nr><titel>Participatievoorziening beschut werk</titel></kop><al>Het college kan de voorziening beschut werk aanbieden aan een persoon uit de
                        doelgroep die door een lichamelijke, verstandelijke of psychische beperking
                        een zodanige mate van begeleiding op en aanpassingen van de werkplek nodig
                        heeft dat van een reguliere werkgever redelijkerwijs niet kan worden
                        verwacht dat hij deze in dienst neemt (eerste lid).</al><al>Beschut werk is een nieuwe voorziening, bedoeld voor personen met een
                        beperkt arbeidsvermogen, die alleen in een beschutte omgeving, met
                        structurele begeleiding en/of een grote mate van werkplekaanpassing,
                        werkzaamheden kunnen verrichten. </al><al>Het UWV adviseert het college met betrekking tot het oordeel of een persoon
                        tot de doelgroep beschut werk behoort. Het advies van het UWV is nagenoeg
                        bindend: alleen als sprake is van een onzorgvuldige totstandkoming van het
                        advies, kan de gemeente besluiten het advies niet te volgen.</al><al>Het college voert eerst een voorselectie uit waarmee zij bepaalt welke
                        personen in aanmerking kunnen komen voor een indicatie beschut werk. Bij de
                        voorselectie zal het college prioriteit geven aan personen die op 31
                        december 2014 op de Wsw-wachtlijst stonden. Het gaat om de groep met zeer
                        beperkt arbeidsvermogen. Bij een groter arbeidsvermogen bestaan in het
                        algemeen arbeidsmogelijkheden en begeleidingsmogelijkheden in een meer
                        reguliere werkomgeving. </al><al>Wanneer het college – op basis van het UWV-advies - heeft vastgesteld dat
                        iemand behoort tot de doelgroep beschut werk, moet het college ervoor zorgen
                        dat hij of zij ook daadwerkelijk een dienstbetrekking krijgt, waar in een
                        beschutte werkomgeving en onder aangepaste omstandigheden wordt gewerkt. Dit
                        heeft tot gevolg dat alleen een indicatie bij het UWV wordt aangevraagd als
                        er beschutte werkplekken beschikbaar zijn en de persoon daadwerkelijk
                        plaatsbaar is. </al><al>Het college stelt jaarlijks de omvang van het aanbod beschut werk en de
                        benodigde financiering vast. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>10.</nr><titel>Persoonlijke ondersteuning</titel></kop><al>Werknemers die behoren tot de doelgroep loonkostensubsidie hebben wettelijk
                        aanspraak op begeleiding op de werkplek. Gemeenten mogen zelf invulling
                        geven aan de vorm en inhoud van deze begeleiding. In overleg met de
                        werkgever zal naar de juiste inhoud en vorm gezocht worden. De gemeentelijke
                        ondersteuning kan gaan om een financiële compensatie, maar ook om
                        begeleiding in natura met bijvoorbeeld de inzet van een werkbegeleider. </al><al>De ondersteuning moet noodzakelijk zijn in die zin, dat de werknemer zonder
                        die ondersteuning in redelijkheid niet zijn werkzaamheden zou kunnen
                        verrichten. Persoonlijke ondersteuning heeft tot doel dat een werknemer
                        wordt begeleid naar een situatie dat hij uiteindelijk zonder begeleiding via
                        een dergelijke voorziening bij een reguliere werkgever werkzaam kan
                        zijn.</al><al>Bij de invulling van de jobcoachvoorziening wordt in afwachting van
                        landelijke regelgeving, binnen de financiële kaders, zoveel mogelijk
                        aangesloten bij die van het UWV. Het uitgangspunt is dat de
                        jobcoachvoorziening doelgericht en efficiënt wordt ingezet en dat de
                        begeleiding van de werknemer zo snel mogelijk door de werkgever wordt
                        overgenomen. Ook krijgen werkgevers de mogelijkheid om zelf de
                        jobcoachvoorziening te regelen, tegen een vergoeding van de gemeente.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>11.</nr><titel>No-riskpolis</titel></kop><al>Ten behoeve van belanghebbenden die als gevolg van een arbeidsbeperking een
                        lagere loonwaarde hebben dan het wettelijk minimumloonniveau of waarbij
                        sprake is van situationeel en verwacht hoog ziekteverzuim, kan een
                        no-riskpolis worden ingezet om het loonrisico voor de werkgever bij uitval
                        door ziekte van de werknemer te beperken. De no-riskpolis is een belangrijk
                        instrument om aarzelingen bij werkgevers weg te nemen, om personen met een
                        arbeidsbeperking in dienst te nemen. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>12.</nr><titel>Werkgeverssubsidie</titel></kop><al>Het college kan een werkgever die een persoon uit de doelgroep in dienst
                        neemt een incidentele of in tijd gelimiteerde financiële tegemoetkoming
                        verstrekken, anders dan de loonkostensubsidie op grond van artikel 10d van
                        de wet. De werkgeverssubsidie wordt niet verstrekt als een beroep gedaan
                        wordt of kan worden op financiële tegemoetkomingen op grond van andere
                        regelingen.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>13.</nr><titel>Loonkostensubsidie</titel></kop><al>Het college kan aan de werkgever loonkostensubsidie, als bedoeld in artikel
                        10d van de wet, verstrekken om in geval van een lagere arbeidsproductiviteit
                        van de werknemer (tijdelijk) het verschil te compenseren. Loonkostensubsidie
                        kan worden ingezet in geval van matching met een baan uit de banenafspraak,
                        beschut werk en bij plaatsing op een reguliere baan. </al><al>Loonkostensubsidie is gebaseerd op de loonwaarde die de werknemer heeft.
                        Deze loonwaarde is samen met de overeengekomen arbeidsduur rechtstreeks
                        bepalend voor de hoogte van de loonkostensubsidie voor de werkgever. Als de
                        loonwaarde bijvoorbeeld wordt vastgesteld op 70 procent, dat wil zeggen dat
                        deze persoon een productiviteit heeft van 70 procent in vergelijking met
                        andere (nieuwe) werknemers in dezelfde functie, dan heeft de werkgever recht
                        op een loonkostensubsidie van 30 procent van het wettelijk minimumloon (de
                        subsidie vult de vastgestelde loonwaarde aan tot 100 procent WML). </al><al>Gemeenten bepalen de manier waarop de loonwaarde wordt vastgesteld wanneer
                        een werkgever voornemens is een dienstbetrekking aan te gaan met een persoon
                        die tot de doelgroep behoort. Bij de vaststelling van de loonwaarde betrekt
                        het college opgaven en inlichtingen van de belanghebbende en de werkgever
                        over de praktijkervaringen van de belanghebbende, bijvoorbeeld tijdens een
                        leerwerkplek of proefplaatsing indien deze vooraf zijn gegaan aan de
                        arbeidsovereenkomst bij dezelfde werkgever.</al><al>Binnen de arbeidsmarktregio moeten gemeenten met eenzelfde methodiek voor de
                        loonwaardebepaling werken. De arbeidsmarktregio Amersfoort heeft gekozen
                        voor de methodiek van Dariuz. Aan het einde van deze toelichting staat de
                        methode beschreven. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>14.</nr><titel>Werkvoorzieningen</titel></kop><al>Werkvoorzieningen zijn bedoeld voor personen met een arbeidshandicap.
                        Tijdens de Algemene Ledenvergadering van de VNG is besloten om de
                        tolkvoorziening landelijk uit te laten voeren. Voor de meeneembare
                        voorzieningen, waarbij het gaat om een klein aantal gebruikers en veelal
                        zeer specifieke voorzieningen, is besloten deze landelijk te coördineren.
                        Voor de organisatie van andere hulpmiddelen (bijvoorbeeld voor personen die
                        moeilijk kunnen zien of kunnen bewegen) bestaan geen landelijke afspraken.
                        Daarvoor zijn gemeenten vooralsnog verantwoordelijk.</al><al>De overige artikelen behoeven geen artikelsgewijze toelichting.</al></divisie></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>