<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR374359_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Maatregelen- en handhavingsverordening Participatiewet, IOAW en IOAZ 2015 gemeente Etten-Leur</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Etten-Leur</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-12-11</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Etten-Leur</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2014-81793.html">Gemeenteblad 2014, Nr. 81793</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Maatregelen- en handhavingsverordening Participatiewet, IOAW en IOAZ 2015 gemeente Etten-Leur</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0015703">Participatiewet</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0004044">IOAW</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0004163">IOAZ</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2014-12-15</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2015-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>SL</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Maatregelen- en handhavingsverordening Partici-patiewet, IOAW en IOAZ 2015
            gemeente Etten-Leur</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente Etten-Leur, </al><al/><al>Gezien het voorstel van burgemeester en wethouders van 4 november 2014 met
                        overneming van de daarin vermelde motieven;</al><al/><al>Gelet op artikel 8, eerste lid, artikel 8b, artikel 9a, twaalfde lid,
                        artikel 18 en artikel 55 van de Participatiewet (Pw), artikel 20, artikel
                        35, eerste lid, aanhef en onderdelen b, c en d, en artikel 38, twaalfde lid,
                        van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsonge-schikte
                        werkloze werknemers (IOAW) en artikel 20, artikel 35, eerste lid, aanhef en
                        onderdelen b, c en d en artikel 38, twaalfde lid, van de Wet
                        inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen
                        zelfstandigen (IOAZ);</al><al/><al>Overwegende dat het noodzakelijk is om het verlagen van de bijstand en het
                        weigeren en verlagen van een uitkering op grond van de IOAW en IOAZ bij
                        verordening te regelen; </al><al/><al>B E S L U I T</al><al/><al>Vast te stellen : <vet>de Maatregelen- en handhavingsverordening
                            Participatiewet, IOAW en IOAZ 2015 gemeente Etten-Leur. </vet></al><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1.</nr><titel>Algemene Bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Begrippen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en die niet
                                nader worden omschreven in het tweede lid, hebben dezelfde betekenis
                                als in de Participatiewet (Pw), de Wet inkomensvoorziening oudere en
                                gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (IOAW), de Wet
                                inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsonge-schikte
                                gewezen zelfstandigen (IOAZ), de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en
                                de Gemeentewet. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al> In deze verordening wordt verstaan onder:</al><al><cursief>a. Pw:</cursief> de Participatiewet.</al><al><cursief>b. IOAW:</cursief> de Wet inkomensvoorziening oudere en
                                gedeeltelijk arbeidsongeschikte werk-loze werknemers.</al><al><cursief>c. IOAZ:</cursief> de Wet inkomensvoorziening oudere en
                                gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewe-zen zelfstandigen.</al><al><cursief>d. wet:</cursief>de Pw, IOAW en IOAZ.</al><al><cursief>e. college:</cursief> het college van burgemeester en
                                wethouders van de gemeente Etten-Leur. </al><al><cursief>f. benadelingsbedrag:</cursief> de netto bijstand waarop
                                eerder, langer of tot een hoger bedrag een beroep wordt of is gedaan
                                ten gevolge van tekortschietend besef van verant-woordelijkheid voor
                                de voorziening in het bestaan.</al><al><cursief>g. maatregel:</cursief> de in artikel 8, eerste lid,
                                artikel 9a, twaalfde lid, en artikel 18 van de Pw bedoelde verlaging
                                van de bijstand dan wel de in artikel 20, artikel 35, eerste lid,
                                onderdelen b en d en artikel 38, twaalfde lid, van de IOAW en
                                artikel 20, artikel 35, onderdelen b en d, en artikel 38, twaalfde
                                lid, van de IOAZ bedoelde verlaging van de uitkering.</al><al><cursief>h. bijstandsnorm:</cursief></al><al>1° toepasselijke bijstandsnorm als bedoeld in artikel 5, onderdeel
                                c, van de Pw; of </al><al>2° bijzondere bijstand als bedoeld in artikel 5, onderdeel d, van de
                                Pw; of</al><al>3° grondslag van de uitkering als bedoeld in artikel 5 van de IOAW
                                en IOAZ voor zover sprake is van een uitkering op grond van de IOAW
                                of IOAZ.</al><al><cursief>i. uitkering:</cursief> algemene bijstand op grond van de
                                Pw of een uitkering op grond van de IOAW of IOAZ.</al><al><cursief>j. beslagvrije voet:</cursief> beslagvrije voet als bedoeld
                                in artikel 475d en volgende van het Wetboek van Burgerlijke
                                Rechtsvordering.</al><al><cursief>k. recidiveboete:</cursief> bestuurlijke boete als bedoeld
                                in artikel 18a, vijfde lid, van de Pw.</al><al><cursief>l. verrekenen</cursief><cursief>: </cursief>verrekenen als
                                bedoeld in artikel 60, vierde lid, van de Pw.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Het opleggen van een maatregel</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college legt overeenkomstig deze verordening een maatregel op
                                indien de belang-hebbende naar het oordeel van het college niet of
                                onvoldoende de verplichtingen voortvloeiend uit de wet nakomt, met
                                inbegrip van de verplichtingen die in de beschikking tot toekenning
                                of voortzetting van de bijstand zijn opgenomen, en waaronder
                                begrepen het zich jegens het college zeer ernstig misdragen, dan wel
                                indien de belanghebbende naar het oordeel van het college
                                tekortschietend besef van verantwoordelijkheid betoont voor de
                                voorziening in het bestaan als bedoeld in artikel 18, tweede lid,
                                van de Pw.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onder de uit de wet voortvloeiende verplichtingen als bedoeld in het
                                eerste lid wordt niet verstaan de inlichtingenplicht als bedoeld in
                                artikel 17, eerste lid van de Pw, artikel 13, eerste lid, van de
                                IOAW en IOAZ en artikel 30c, tweede en derde lid, van de Wet
                                structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>Het besluit tot opleggen van een maatregel</titel></kop><al>In het besluit tot het opleggen van een maatregel worden in ieder geval
                            vermeld: </al><al>a. de reden van de maatregel;</al><al>b. indien van toepassing, de duur van de maatregel;</al><al>c. het bedrag of percentage waarmee de uitkering wordt verlaagd; en</al><al>d. indien van toepassing, de reden om af te wijken van de
                            standaardmaatregel.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Horen van belanghebbende</titel></kop><al>Indien het college voornemens is een maatregel van 100% van de
                            bijstandsnorm op te leggen, wordt de belanghebbende in de gelegenheid
                            gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen met toepassing van artikel
                            4:8 van de Awb, voordat daadwerkelijk een besluit wordt genomen. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Berekeningsgrondslag</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De maatregel vindt plaats door verlaging van de uitkering.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In afwijking van het eerste lid kan de maatregel ook worden
                                toegepast op de bijzondere bijstand indien:</al><al>a. aan belanghebbende bijzondere bijstand wordt verleend met
                                toepassing van artikel 12 van de Pw;</al><al>b. de verwijtbare gedraging van belanghebbende, in relatie met zijn
                                recht op bijzondere bijstand ingevolge het bepaalde in artikel 35
                                van de Pw, daartoe aanleiding geeft.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Afzien van het opleggen van een maatregel</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college ziet af van het opleggen van een maatregel indien meer
                                dan een jaar is verstreken nadat de constatering van de gedraging
                                door het college heeft plaatsge-vonden, en het college geen besluit
                                heeft genomen over het al dan niet opleggen van een maatregel.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan geheel of gedeeltelijk afzien van het opleggen van
                                een maatregel indien het daarvoor dringende redenen aanwezig acht
                                die zijn gelegen in de omstandigheden van de belanghebbende.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien het college afziet van het opleggen van een maatregel op
                                grond van dringende redenen als bedoeld in het tweede lid, wordt
                                belanghebbende hiervan schriftelijk op de hoogte gesteld.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel>Ingangsdatum en tijdvak van een maatregel</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een maatregel wordt opgelegd – en ook toegepast op de uitkering of
                                bijzondere bijstand - met ingang van de eerste dag van de
                                kalendermaand volgend op de datum waarop het besluit tot het
                                opleggen van de maatregel aan de belanghebbende is bekendgemaakt.
                                Daarbij wordt uitgegaan van de op dat tijdstip voor die
                                belanghebbende geldende bijstandsnorm.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In afwijking van het eerste lid kan de maatregel met terugwerkende
                                kracht worden toegepast als de bijstandsnorm of grondslag over een
                                periode in het verleden nog niet is uitbetaald, dan wel het opleggen
                                van een maatregel in de toekomst niet of niet geheel mogelijk is
                                wegens beëindiging van de bijstand of de uitkering.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien uitvoering van de op te leggen maatregel niet mogelijk is
                                vanaf de eerste dag van de kalendermaand volgend op de datum waarop
                                het besluit tot het opleggen van de maatregel is bekendgemaakt,
                                omdat over die periode een al eerder opgelegde maatregel wordt
                                uitgevoerd en/of toegepast, wordt de maatregel in afwijking van het
                                eerste lid aansluitend op deze periode opgelegd en toegepast.
                                Daarbij wordt uitgegaan van de op dat tijdstip voor die
                                belanghebbende geldende bijstandsnorm.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>In afwijking van het eerste lid wordt de maatregel opgelegd met
                                ingang van de ingangs-datum van de uitkering indien het besluit tot
                                het opleggen van de maatregel samenvalt met het besluit tot
                                toekenning van uitkering. Daarbij wordt uitgegaan van de op dat
                                tijdstip voor die belanghebbende geldende bijstandsnorm.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Een opgelegde maatregel die niet of niet geheel kan worden
                                uitgevoerd omdat de uitke-ring van belanghebbende is beëindigd of
                                ingetrokken, herleeft indien de belanghebben-de binnen een jaar, te
                                rekenen vanaf de datum met ingang van welke de uitkering is
                                be-eindigd of ingetrokken, opnieuw een aanvraag indient om
                                toekenning van een uitkering. Bij hervatting van de uitkering binnen
                                de in dit artikellid genoemde periode besluit het college of de
                                (restant)maatregel alsnog wordt geëffectueerd. Van een
                                (gedeeltelijk) afzien wordt mededeling gedaan onder vermelding van
                                de reden.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2.</nr><titel>Niet nakomen van de geüniformeerde verplichtingen met betrekking tot
                            de arbeidsinschakeling</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.</nr><titel>Duur maatregel bij schending geüniformeerde
                                arbeidsverplichting</titel></kop><al>Als een belanghebbende een verplichting als bedoeld in artikel 18,
                            vierde lid, van de Pw niet of onvoldoende nakomt, bedraagt de maatregel
                            100% van de bijstandsnorm gedurende:</al><al>a. één maand bij gedragingen als bedoeld in artikel 18, vierde lid,
                            onderdelen b tot en met h, van de Pw;</al><al>b. twee maanden bij gedragingen als bedoeld in artikel 18, vierde lid,
                            onderdeel a, van de Pw.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3.</nr><titel>Niet nakomen van deniet geüniformeerde verplichtingen met betrekking
                            tot de arbeidsinschakeling</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Gedragingen artikel 9 en artikel 9a Pw</titel></kop><lid><lidnr/><al>Gedragingen van een belanghebbende waardoor een verplichting met
                                betrekking tot de arbeidsinschakeling op grond van artikel 9 of
                                artikel 9a van de Pw niet of onvoldoende wordt nagekomen, worden
                                onderscheiden in de volgende categorieën:</al></lid><lid><lidnr>1.</lidnr><al>eerste categorie:</al><al>het zich niet tijdig laten registreren als werkzoekende bij het
                                Uitvoeringsinstituut werkne-mersverzekeringen, of het niet tijdig
                                laten verlengen van die registratie;</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>tweede categorie:</al><al>a. het niet of onvoldoende meewerken aan het opstellen, uitvoeren en
                                evalueren van een plan van aanpak als bedoeld in artikel 44a van de
                                Pw door belanghebbenden tot 27 jaar;</al><al>b. het onvoldoende nakomen van de verplichtingen zoals bedoeld in
                                artikel 9, eerste lid, van de Pw, voor zover het gaat om een
                                belanghebbende jonger dan 27 jaar, gedu-rende vier weken na de
                                melding zoals bedoeld in artikel 43, vierde en vijfde lid, van de
                                Pw, voor zover deze verplichtingen niet worden genoemd in artikel
                                18, vierde lid, van de Pw;</al><al>c. de alleenstaande ouder die uit houding en gedrag ondubbelzinnig
                                laat blijken de verplichtingen als bedoeld in artikel 9, eerste lid,
                                onderdeel b, van de Pw niet te willen nakomen, als gevolg waarvan de
                                op grond van artikel 9a, eerste lid, van de Pw verleende ontheffing
                                van de arbeidsplicht is ingetrokken;</al><al>d. het niet of onvoldoende verrichten van een door het college
                                opgedragen tegenpres-tatie naar vermogen als bedoeld in artikel 9,
                                eerste lid, onderdeel c, van de Pw.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>derde categorie:</al><al>het niet naar vermogen verkrijgen van algemeen geaccepteerde arbeid
                                in de gemeente van inwoning, voor zover dit niet voortvloeit uit een
                                gedraging als bedoeld in artikel 18, vierde lid, van de Pw.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.</nr><titel>Gedragingen IOAW en IOAZ</titel></kop><lid><lidnr/><al>Gedragingen van een belanghebbende waardoor een verplichting op
                                grond van de artikelen 20, 37 of 38 van de IOAW of IOAZ niet of
                                onvoldoende wordt nagekomen, worden onder-scheiden in de volgende
                                categorieën:</al></lid><lid><lidnr>1.</lidnr><al>eerste categorie:</al><al> het zich niet tijdig laten registreren als werkzoekende bij het
                                Uitvoeringsinstituut werkne-mersverzekeringen, of het niet tijdig
                                laten verlengen van die registratie;</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>tweede categorie:</al><al>a.de alleenstaande ouder die uit houding en gedrag ondubbelzinnig
                                laat blijken de verplichtingen als bedoeld in artikel 37, eerste
                                lid, onderdeel e, van de IOAW of IOAZ niet te willen nakomen, als
                                gevolg waarvan de op grond van artikel 38, eerste lid, van de IOAW
                                of IOAZ verleende ontheffing van de arbeidsplicht is
                                ingetrokken;</al><al>b. het niet of onvoldoende verrichten van een door het college
                                opgedragen tegenprestatie naar vermogen als bedoeld in artikel 37,
                                eerste lid, onderdeel f, van de IOAW, of IOAZ.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>derde categorie:</al><al>a. het niet of onvoldoende gebruik maken van een door het college
                                aangeboden voorzie-ning gericht op arbeidsinschakeling als bedoeld
                                in de artikelen 36, eerste lid, en 37, eerste lid, onderdeel e, van
                                de IOAW en IOAZ;</al><al>b.het niet of in onvoldoende mate meewerken aan een onderzoek naar
                                de mogelijkheden tot arbeidsinschakeling, waaronder begrepen het
                                niet daartoe verschijnen op een aangegeven tijd en plaats zonder
                                bericht van verhindering. Onder een onderzoek naar de mogelijkheden
                                tot arbeidsinschakeling wordt ook verstaan een onderzoek naar de
                                mogelijkheden tot verkrijging van gesubsidieerd werk of sociale
                                activering als (eerste) opstap naar arbeidsinschakeling;</al><al>c. gedragingen die de inschakeling in de arbeid belemmeren;</al><al>d. het niet naar vermogen trachten algemeen geaccepteerde arbeid te
                                verkrijgen.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>vierde categorie:</al><al>a. beëindiging van een dienstbetrekking waaraan een dringende reden
                                ten grondslag ligt in de zin van artikel 678 van Boek 7 van het
                                Burgerlijk Wetboek en belanghebbende ter zake een verwijt kan worden
                                gemaakt;</al><al>b. beëindiging van de dienstbetrekking door of op verzoek van
                                belanghebbende zonder dat aan de voortzetting ervan zodanige
                                bezwaren waren verbonden, dat deze voortzet-ting redelijkerwijs niet
                                van hem zou kunnen worden gevergd;</al><al>c. het door eigen toedoen niet verkrijgen of niet aanvaarden van
                                algemeen geaccep- teerde arbeid, waaronder begrepen gesubsidieerde
                                arbeid.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11.</nr><titel>Hoogte en duur van een maatregel</titel></kop><al>De maatregel, bij gedragingen als bedoeld in de artikelen 9 en 10, wordt
                            vastgesteld op:</al><al>a. € 100,00 bij gedragingen van de eerste categorie;</al><al>b. € 200,00 bij gedragingen van de tweede categorie;</al><al>c. 100% van de bijstandsnorm gedurende een maand bij gedragingen van de
                            derde catego-rie.</al><al>d. 100% van de bijstandsnorm gedurende twee maanden bij gedragingen van
                            de vierde ca-tegorie.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4</nr><titel>Niet nakomen van overige verplichtingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.</nr><titel>Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een maatregel wegens tekortschietend besef van verantwoordelijkheid
                                voor de voorzie-ning in het bestaan zoals bedoeld in artikel 18,
                                tweede lid, van de Pw, anders dan het niet behouden van algemeen
                                geaccepteerde arbeid, wordt afgestemd op het
                                benade-lingsbedrag.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De maatregel wordt vastgesteld op:</al><al>a. € 100,00 bij een benadelingsbedrag tot € 1000,00;</al><al>b. € 200,00 bij een benadelingsbedrag van € 1000,00 tot €
                                3500,00;</al><al>c. 100% van de bijstandsnorm gedurende een maand bij een
                                benadelingsbedrag van € 3.500 tot € 7.500;</al><al>d. 100% van de bijstandsnorm gedurende drie maanden bij een
                                benadelingsbedrag van € 7.500 tot € 15.000;</al><al>e. 100% van de bijstandsnorm gedurende zes maanden bij een
                                benadelingsbedrag van € 15.000 of hoger.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien belanghebbende geen beroep (meer) kan doen op een passende en
                                toereikende voorliggende voorziening, omdat deze volledig wordt
                                verrekend met een bestuurlijke boete in het kader van het bij
                                herhaling schenden van de inlichtingenplicht wordt een maatregel
                                opgelegd van 100 % van de bijstandsnorm gedurende drie maanden
                                gerekend vanaf de ingangsdatum van de algemene bijstand op grond van
                                de Wwb.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13.</nr><titel>Zeer ernstige misdragingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Als een belanghebbende zich zeer ernstig misdraagt tegenover
                                personen en instanties die zijn belast met de uitvoering van de Pw
                                als bedoeld in artikel 9, zesde lid, van de Pw, wordt een maatregel
                                opgelegd van 100% van de bijstandsnorm gedurende een maand.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Als een belanghebbende zich zeer ernstig misdraagt tegenover
                                personen en instanties die zijn belast met de uitvoering van de IOAW
                                of IOAZ, als bedoeld in artikel 37, eerste lid, van de Ioaw of Ioaz,
                                wordt een maatregel opgelegd van 100% van de bijstandsnorm gedurende
                                een maand.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14.</nr><titel>Niet nakomen van nadere verplichtingen</titel></kop><al>Indien aan belanghebbende een of meerdere verplichtingen als bedoeld in
                            artikel 55 van de Pw zijn opgelegd en deze niet of in onvoldoende mate
                            worden nagekomen, wordt een maat-regel opgelegd van € 200,00, tenzij
                            wordt besloten de kosten van bijstand terug te vorderen.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>5</nr><titel>Samenloopen recidive</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15.</nr><titel>Samenloop van gedragingen</titel></kop><al>Als een belanghebbende zich gelijktijdig schuldig maakt aan een of meer
                            gedragingen die het niet nakomen van meerdere verplichtingen als genoemd
                            in artikel 2, eerste lid, van deze verordening inhouden, wordt voor het
                            bepalen van de hoogte en duur van de maatregel uitgegaan van de
                            gedraging waarop de hoogste maatregel is gesteld.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16.</nr><titel>Recidive verplichtingen op grond van artikel 18, vierde lid, van
                                de Pw</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Als een belanghebbende zich binnen twaalf maanden na bekendmaking
                                van een besluit waarbij een maatregel is opgelegd vanwege een
                                gedraging als bedoeld in artikel 18, vierde lid, van de Pw, opnieuw
                                schuldig maakt aan eenzelfde verwijtbare gedraging als bedoeld in
                                artikel 18, vierde lid, van de Pw, wordt de duur van de
                                oorspronkelijke maatregel als bedoeld in artikel 8 van deze
                                verordening verdubbeld met een maximum van ten hoogste drie
                                maanden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien een maatregel wegens dringende redenen niet is opgelegd,
                                wordt zo’n besluit voor de toepassing van recidive gelijkgesteld met
                                een besluit waarmee een maatregel is opge-legd. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17.</nr><titel>Recidive en herhaalde recidive verplichtingen op grond van
                                hoofdstuk 3 en 4 van deze verordening</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien de belanghebbende zich binnen twaalf maanden na bekendmaking
                                van een besluit waarbij met toepassing van hoofdstuk 3 van deze
                                verordening een maatregel is opgelegd, opnieuw schuldig maakt aan
                                een verwijtbare gedraging van dezelfde of hogere categorie als
                                bedoeld in hoofdstuk 3 van deze verordening, wordt de maatregel, die
                                op grond van hoofdstuk 3 van deze verordening moet worden opgelegd
                                voor de nieuwe verwijtbare gedraging verdubbeld.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien de belanghebbende zich binnen twaalf maanden na bekendmaking
                                van een besluit waarbij met toepassing van artikel 12 van deze
                                verordening een maatregel is opgelegd, opnieuw schuldig maakt aan
                                dezelfde gedraging, wordt de maatregel, die op grond van artikel 12
                                van deze verordening moet worden opgelegd voor de nieuwe verwijtbare
                                gedraging verdubbeld.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien de belanghebbende zich binnen twaalf maanden na bekendmaking
                                van een besluit waarbij met toepassing van artikel 13 van deze
                                verordening een maatregel is opgelegd, opnieuw schuldig maakt aan
                                dezelfde gedraging, wordt de maatregel, die op grond van artikel 13
                                van deze verordening moet worden opgelegd voor de nieuwe verwijtbare
                                gedraging verdubbeld.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Indien de belanghebbende zich binnen twaalf maanden na bekendmaking
                                van een besluit waarbij met toepassing van artikel 14 van deze
                                verordening een maatregel is opgelegd, opnieuw schuldig maakt aan
                                dezelfde gedraging, wordt de maatregel, die op grond van artikel 14
                                van deze verordening moet worden opgelegd voor de nieuwe verwijtbare
                                gedraging verdubbeld.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Indien de belanghebbende zich binnen twaalf maanden na bekendmaking
                                van een besluit waarbij met toepassing van een van de voorgaande
                                vier leden van dit artikel een maatregel is opgelegd, opnieuw
                                schuldig maakt aan een volgende verwijtbare gedraging, wordt de
                                maatregel afgestemd op de ernst van de gedraging en de
                                omstandigheden waarin de belanghebbende verkeert.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Met een gedraging als bedoeld in de voorafgaande leden van dit
                                artikel wordt gelijkge-steld eenzelfde gedraging die heeft geleid
                                tot een besluit tot opleggen van een maatregel op grond van de vóór
                                1 januari 2015 met betrekking tot maatregelen en/of verlagingen
                                geldende verordening.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>6</nr><titel>Blijvende of tijdelijkeweigering IOAW/IOAZ</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18.</nr><titel>Samenloop bij weigeren uitkering IOAW/IOAZ</titel></kop><al>Als het college de uitkering op grond van artikel 20, eerste lid, van de
                            IOAW of artikel 20, tweede lid, van de IOAZ blijvend of tijdelijk
                            weigert en de gedraging die tot deze weigering heeft geleid tevens op
                            grond van deze verordening tot een maatregel zou kunnen leiden, blijft
                            een maatregel ter zake van die gedraging achterwege.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>7</nr><titel>Bijzondere bijstand</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19.</nr><titel>Bijzondere bijstand</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan de aanvraag om bijzondere bijstand als bedoeld in
                                artikel 35 van de Pw afwijzen indien belanghebbende binnen twaalf
                                maanden voorafgaand aan de datum van aanvraag: </al><al>a. verwijtbaar gedrag heeft betoond als bedoeld in artikel 18 lid 4
                                onder a van de Pw, of; </al><al>b. een verzoek indient als gevolg van tekortschietend besef van
                                verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan:</al><al>i. door een onverantwoorde besteding van middelen of;</al><al>ii. indien sprake is van het bewust lopen van risico’s.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het bepaalde in het eerste lid is slechts van toepassing indien
                                belanghebbende een aanvraag bijzondere bijstand voor verhuis- en/of
                                inrichtingskosten of maatschappelijke participatie indient.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In afwijking van het bepaalde in het eerste lid kan het college in
                                bijzondere individuele omstandigheden besluiten om bijzondere
                                bijstand in de vorm van leenbijstand toe te kennen voor de hoogst
                                noodzakelijke kosten.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>8</nr><titel>Regels bestrijding misbruik en oneigenlijk gebruik van de wet</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>20</nr><titel>Handhavingsbeleid</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college voert een actief handhavingsbeleid. De vier pijlers van
                                dit beleid zijn:</al><al>a. fraudepreventie;</al><al>b. controle;</al><al>c. het opleggen van een maatregel;</al><al>d. informatieverstrekking door andere (overheids)instellingen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college informeert belanghebbende:</al><al>a. over de rechten en plichten die aan het ontvangen van een
                                uitkering, waaronder begrepen bijzondere bijstand, of een
                                re-integratievoorziening zijn verbonden;</al><al>b. over de consequenties van misbruik en oneigenlijk gebruik.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Ter controle van het recht op een uitkering, waaronder begrepen
                                bijzondere bijstand, wordt onder meer gebruik gemaakt van
                                bestandsvergelijkingen met actuele gegevens en van de
                                samenloopsignalen die daaruit voortkomen. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>21</nr><titel>Controle</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college doet onderzoek naar de rechtmatigheid van de uitkering,
                                waaronder begrepen bijzondere bijstand, en kan daarbij gebruik maken
                                van huisbezoeken, risico-profielen en bestandsvergelijkingen en de
                                samenloopsignalen die daaruit voortkomen. Het college onderzoekt
                                daarnaast overige signalen en tips die relevant zijn voor het recht
                                op en de hoogte van de uitkering, waaronder begrepen bijzondere
                                bijstand.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college doet onderzoek naar de reden van de beëindiging van de
                                uitkering, waaronder begrepen bijzondere bijstand, en neemt op basis
                                daarvan besluiten met betrekking tot de rechtmatigheid van de
                                uitkering, waaronder begrepen bijzondere bijstand, en de wederzijds
                                tussen het college en de belanghebbende resterende verplichtingen en
                                de afhandeling daarvan. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De onderzoeken bedoeld in het eerste en tweede lid kunnen ook
                                uitgevoerd worden met betrekking tot het gebruik van een
                                re-integratievoorziening. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>22</nr><titel>Terugvordering, invordering, kwijtschelding en verhaal</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college draagt zorg voor de terugvordering, de invordering, de
                                kwijtschelding en het verhaal van de kosten van de uitkering,
                                waaronder begrepen bijzondere bijstand.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college geeft in beleidsregels invulling aan het eerste
                                lid.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>9</nr><titel>Verrekening van boete bij recidive </titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>23.</nr><titel>Verrekening zonder inachtneming van de beslagvrije voet</titel></kop><al>Het college verrekent het openstaande boetebedrag met de algemene
                            bijstand gedurende de eerste drie maanden na dagtekening van het besluit
                            tot oplegging van de recidiveboete zonder inachtneming van de
                            beslagvrije voet.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>24.</nr><titel>Verrekening als is aangetoond dat het saldo van alle
                                bankrekeningen minder is dan drie maal de toepasselijke
                                bijstandsnorm.</titel></kop><al>In afwijking van het bepaalde in artikel 23 van deze verordening kan het
                            college, op schriftelijk verzoek van de belanghebbende, besluiten de
                            recidiveboete te verrekenen met inachtneming van de beslagvrije voet.
                            Bij het schriftelijk verzoek dient de belanghebbende met bewijsstukken
                            aan te tonen dat het saldo van alle bankrekeningen van belanghebbende op
                            de eerste dag van de maand waarin het boetebesluit is bekendgemaakt,
                            minder bedraagt dan drie maal de toepasselijke bijstandsnorm als bedoeld
                            in artikel 5, onderdeel c, van de Pw. Indien dit verzoek wordt toegekend
                            wordt de verrekening daarop aangepast gedurende een periode van drie
                            maanden.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>25.</nr><titel>Verrekening bij huisuitzetting of dringende redenen</titel></kop><al>In afwijking van het bepaalde in artikel 23 van deze verordening kan het
                            college, op schriftelijk verzoek van de belanghebbende, besluiten de
                            recidiveboete te verrekenen met inachtneming van de beslagvrije voet.
                            Bij het schriftelijk verzoek dient de belanghebbende:</al><al>a. aannemelijk te maken dat verrekening op de wijze, bedoeld in artikel
                            23, zou leiden tot huisuitzetting van belanghebbende en diens gezin;
                            of</al><al>b. aannemelijk te maken dat anderszins sprake is van dringende
                            redenen.</al><al>Indien dit verzoek wordt toegekend wordt de verrekening daarop aangepast
                            gedurende een periode van drie maanden.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>26.</nr><titel>Eerder opgelegde bestuurlijke boetes.</titel></kop><al>De artikelen 23, 24 en 25 zijn van overeenkomstige toepassing op de
                            verrekening van de bestuurlijke boete, bedoeld in artikel 18a, eerste
                            lid, van de Pw, indien en voor zover deze boete nog niet is betaald op
                            het moment van verrekening van de recidiveboete.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>10</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>27.</nr><titel>Inwerkingtreding en intrekken oude verordening</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2015 en is
                                uitsluitend van toepassing op gedragingen die plaatsvinden vanaf 1
                                januari 2015.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De Maatregelen- en handhavingsverordening Inkomensvoorzieningen 2013
                                gemeente Etten-Leur wordt ingetrokken met ingang van 1 januari 2015
                                maar blijft van toepassing op gedragingen die hebben plaatsgevonden
                                vóór 1 januari 2015.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>28.</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Maatregelen- en
                            handhavingsverordening Participatiewet, IOAW en IOAZ 2015 gemeente
                            Etten-Leur.</al><al/><al/></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus besloten in de openbare raadsvergadering</ondertekening><ondertekening>Van 15 december 2014</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>De raad voornoemd.</ondertekening><ondertekening>De griffier, De voorzitter,</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>drs. W.C.M. Voeten MBA Mw. H. van Rijnbach-de Groot.</ondertekening><ondertekening/></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>Algemene toelichting Maatregelen- en handhavingsverordening
                        Participatiewet, IOAW en IOAZ 2015 gemeente Etten-Leur.</titel></kop><al><vet>Rechten en plichten in de Participatiewet</vet></al><al/><al>De gemeente heeft een verantwoordelijkheid met betrekking tot de invulling van
                    de rechten en plichten van bijstandsgerechtigden. Mede gelet op de
                    rechtszekerheid van een bijstands-gerechtigde moet het gemeentelijk beleid
                    vastgelegd worden in een verordening. Rechten en plichten zijn echter twee
                    kanten van één medaille. Het recht op algemene bijstand is altijd verbonden aan
                    de plicht zich in te zetten om weer onafhankelijk te worden van de
                    uitkering.</al><al/><al>Artikel 18, eerste lid, van de Participatiewet spreekt over het afstemmen van de
                    bijstand en de daaraan verbonden verplichtingen op de omstandigheden,
                    mogelijkheden en middelen van een belanghebbende. In deze bepaling wordt
                    benadrukt dat het vaststellen van de hoogte van de uitkering en de daaraan
                    verbonden verplichtingen voor bijstandsgerechtigden maatwerk is. Daarbij moet
                    recht worden gedaan aan de individuele situatie en de persoon-lijke
                    omstandigheden van bijstandsgerechtigden. Artikel 18, tweede lid, van de
                    Participa-tiewet legt een directe koppeling tussen de rechten en plichten van
                    uitkeringsgerechtigden: het recht op een uitkering is altijd verbonden aan de
                    plicht zich in te zetten om weer onafhankelijk te worden van de uitkering. Dit
                    betekent dat de vaststelling van de hoogte van de uitkering niet alleen afhangt
                    van de toepasselijke uitkeringsnorm en de beschikbare middelen van de
                    bijstandsgerechtigde, maar ook van de mate waarin de verplichtingen worden
                    nagekomen. De inspanningen die van de bijstandsgerechtigde naar vermogen kunnen
                    worden verwacht, spelen ook een rol.</al><al/><al>Wanneer het college tot het oordeel komt dat een bijstandsgerechtigde zijn
                    verplichtingen niet of in onvoldoende mate nakomt, verlaagt het de uitkering.
                    Dat verlagen heet het opleggen van een "maatregel". Er is dus geen sprake van
                    een bevoegdheid, maar van een verplichting. Alleen wanneer iedere vorm van
                    verwijtbaarheid ontbreekt, ziet het college af van het opleggen van een
                    maatregel. Het college moet niettemin bij de vaststelling van de maatregel
                    rekening houden met de persoonlijke omstandigheden en de individueel
                    vastgestelde verplichtingen. Het college kan dan ook van een maatregel afzien
                    als het college daartoe dringende reden aanwezig acht.</al><al/><al>In de Memorie van Toelichting bij de Participatiewet (Tweede Kamer, vergaderjaar
                    2013–2014, 33 801, nr. 3, p. 27) stelt de regering, dat de regering streeft naar
                    economische en financiële onafhankelijkheid van zoveel mogelijk mensen. Dat zo
                    veel mogelijk mensen die nu een uitkering hebben aan het werk gaan, is ook
                    noodzakelijk voor het draagvlak en de betaalbaarheid van onze sociale
                    voorzieningen, nu en in de toekomst. Degenen die uit solidariteit de kosten van
                    die voorzieningen dragen, moeten er op kunnen rekenen dat een uitkering alleen
                    verstrekt wordt in die gevallen waarin dat echt nodig is. </al><al>Verplichtingen, naleving en handhaving zijn drie pijlers onder het
                    socialezekerheidsstelsel die nodig zijn voor de houdbaarheid en voor het behoud
                    van de solidariteit van de mensen die voor het stelsel betalen (Tweede Kamer,
                    vergaderjaar 2013-2014, 33 801,nr. 3, p. 31).</al><al/><al>Voorts stelt de regering vast dat er bij de naleving en de handhaving van de
                    arbeidsverplich-tingen punten zijn die voor verbetering vatbaar zijn (33 801,
                    nr. 3, p. 31). Klantmanagers hebben in de uitvoering een (te) grote
                    beoordelingsvrijheid; zij leggen naar eigen inzicht wel of geen maatregel op.
                    Dat leidt tot ongerechtvaardigde rechtsverschillen, zowel binnen een gemeente
                    als tussen gemeenten onderling. </al><al/><al>Het onderzoek van de Inspectie SZW «Iedereen aan de slag» (december 2011)
                    constateert daarnaast dat gemeenten onvoldoende dwang en drang uitoefenen, opdat
                    mensen met een uitkering actief op zoek gaan naar werk.</al><al/><al>Gelet op het voorgaande, komt de regering met een uniformering van diverse
                    arbeidsver-plichtingen. In het aanvankelijke wetsvoorstel gold voor schending
                    van de geüniformeerde arbeidsverplichtingen, dat zowel de duur als de hoogte van
                    de maatregel bij het niet nako-men van deze verplichtingen, wettelijk was
                    geregeld, en wel 100% gedurende drie maanden. In de loop van de parlementaire
                    behandeling (zie de brief van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en
                    Werkgelegenheid d.d. 3 februari 2013 aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der
                    Staten-Generaal, 33801, nr. 23, p. 3 en 4) is dit zodanig gewijzigd, dat voor
                    schending van een geüniformeerde arbeidsverplichting als bedoeld in artikel 18,
                    vierde lid, Pw geldt dat in beginsel een maatregel moet worden opgelegd van
                    honderd procent gedurende één tot drie maanden, en de gemeenteraad in de
                    verordening de duur van de maatregel moet vastleggen (artikel 18, vijfde lid,
                    van de Participatiewet).</al><al/><al>Wel kan van het opleggen van een maatregel worden afgezien in de bij de wet
                    geregelde gevallen, zoals het ontbreken van elke vorm van verwijtbaarheid.
                    Indien wegens het ontbreken van elke vorm van verwijtbaarheid is afgezien van
                    het opleggen van een maatregel, dan is het niet mogelijk om bij toepassing van
                    bepalingen ten aanzien van recidive deze gedraging mee te tellen. Is vanwege de
                    afstemming op grond van artikel 18, eerste lid, van de Participatiewet of
                    vanwege dringende redenen afgezien van het opleggen van een maatregel, dan is
                    daarin geen reden gelegen om de betreffende gedraging buiten beschouwing te
                    laten in geval van recidive.</al><al/><al>Het college beoordeelt uiterlijk drie maanden na de datum van de beschikking of
                    de omstandigheden en het gedrag van belanghebbende aanleiding geven de
                    beslissing te herzien (artikel 18, derde lid, van de Participatiewet). Bij een
                    dergelijke herbeoordeling hoeft niet opnieuw een besluit te worden genomen,
                    waarbij alle feiten en omstandigheden opnieuw tegen het licht worden gehouden.
                    Het heeft slechts als doel vast te stellen of belangheb-bende tussentijds
                    (binnen de periode waarover de maatregel zich uitstrekt) blijk heeft gegeven van
                    een zodanige gedragsverandering of dat sprake is van een zodanige wijziging van
                    omstandigheden, dat aanleiding bestaat de eerder opgelegde maatregel in zwaarte
                    of duur bij te stellen. Artikel 18, derde lid, van de Participatiewet is naar
                    oordeel van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid niet van
                    toepassing als sprake is van schending van een van de geüniformeerde
                    arbeidsverplichtingen (artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet). Ten
                    aanzien van geüniformeerde arbeidsverplichtingen is artikel 18, elfde lid, van
                    de Participatiewet van toepassing. Verschil tussen artikel 18, derde lid, en
                    artikel 18, elfde lid, van de Participatiewet is dat artikel 18, elfde lid, pas
                    wordt toegepast als belanghebbende daarom vraagt.</al><al/><al>Een maatregel krachtens de maatregelenverordening is een punitieve sanctie voor
                    zover de maatregel wordt opgelegd omdat belanghebbende zich zeer ernstig heeft
                    misdragen. Als een betreffende gedraging ook een strafbaar feit oplevert, kan
                    belanghebbende hier strafrechtelijk voor worden vervolgd. Deze maatregel en de
                    strafvervolging kunnen alleen naast elkaar bestaan als sprake is van juridisch
                    te onderscheiden feiten. Bijvoorbeeld: belanghebbende beledigt opzettelijk een
                    ambtenaar. Strafrechtelijk bezien kan een geld-boete worden opgelegd of een
                    gevangenisstraf van ten hoogste drie maanden. Daarnaast is sprake van zich zeer
                    ernstig misdragen zoals bedoeld in artikel 9, zesde lid, van de Participatiewet
                    op grond waarvan een maatregel kan worden opgelegd.</al><al/><al>In andere gevallen waarin een maatregel wordt opgelegd krachtens de
                    maatregelenver-ordening is sprake van een reparatoire sanctie (bijvoorbeeld bij
                    schending van een arbeidsverplichting). Als een betreffende gedraging ook een
                    strafbaar feit oplevert, kan belanghebbende hier strafrechtelijk voor worden
                    vervolgd. </al><al>De maatregel en de strafvervolging kunnen naast elkaar bestaan omdat het hier
                    gaat om een reparatoire maatregel en een punitieve sanctie.</al><al/><al><vet>Afstemmen in de IOAW en de IOAZ</vet></al><al/><al>Het college heeft de mogelijkheid een uitkering op grond van de Wet
                    inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze
                    werknemers (hierna: IOAW) of Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                    arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (hierna: IOAZ) te verlagen of te
                    weigeren als een belanghebbende de aan het recht op uitkering verbonden
                    verplichtingen niet of onvoldoende nakomt (artikel 20, 37 en 38 van de IOAW en
                    artikel van de 20, 37 en 38 van de IOAZ). Het gemeentelijk beleid moet
                    vastgelegd worden in een verordening (artikel van de 35 IOAW en artikel 35 van
                    de IOAZ).</al><al/><al><cursief><onderstreept>Verschillen tussen Pw enerzijds en Ioaw en Ioaz
                            anderzijds</onderstreept></cursief></al><al/><al>Artikel 20, eerste en tweede lid, van de IOAZ en IOAZ noemt de volgende
                    verplichtingen:</al><al>“1. Het college kan de uitkering blijvend of tijdelijk weigeren naar de mate
                    waarin de belanghebbende inkomen als bedoeld in of op grond van artikel 8 zou
                    hebben kunnen verwerven, indien:</al><al>a. aan de beëindiging van zijn dienstbetrekking een dringende reden ten
                    grondslag ligt in de zin van artikel 678 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek
                    en de belanghebbende ter zake een verwijt kan worden gemaakt; </al><al>b. de dienstbetrekking is beëindigd door of op verzoek van de belanghebbende
                    zonder dat aan de voortzetting ervan zodanige bezwaren waren verbonden, dat deze
                    voortzetting redelijkerwijs niet van hem zou kunnen worden gevergd; </al><al>c. de belanghebbende nalaat algemeen geaccepteerde arbeid te aanvaarden; of </al><al>d. de belanghebbende door eigen toedoen geen algemeen geaccepteerde arbeid
                    verkrijgt. </al><al> 2. Het college verlaagt de uitkering overeenkomstig de verordening, bedoeld in
                    artikel 35, eerste lid, onderdeel b, ter zake van het niet of onvoldoende
                    nakomen door de belanghebbende die voor de zelfstandige voorziening in het
                    bestaan is aangewezen op arbeid in dienstbetrekking, van een verplichting als
                    bedoeld in artikel 13, tweede en vierde lid, of een op grond van hoofdstuk III
                    aan de uitkering verbonden verplichting, anders dan de verplichting, bedoeld in
                    artikel 37, eerste lid, onderdelen a en c, waaronder begrepen het zich jegens
                    het college zeer ernstig misdragen.”</al><al/><al>Artikel 37 van de IOAW en IOAZ noemt de volgende verplichtingen:</al><al>“1. De belanghebbende die voor de zelfstandige voorziening in het bestaan is
                    aangewezen op arbeid in dienstbe-trekking is vanaf de dag van melding, bedoeld
                    in artikel 16a, tweede lid, verplicht: </al><al>a. naar vermogen te trachten algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen; </al><al>b. ervoor te zorgen dat hij als werkzoekende geregistreerd is bij het
                    Uitvoeringsinstituut werknemersverzeke-ringen en geregistreerd blijft, indien
                    hem daartoe het recht toekomt op grond van artikel 30b, eerste lid, van de Wet
                    structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen; </al><al>c. algemeen geaccepteerde arbeid te aanvaarden; </al><al>d. na te laten hetgeen inschakeling in de arbeid belemmert; </al><al>e. gebruik te maken van een door het college aangeboden voorziening, waaronder
                    begrepen sociale activering, gericht op arbeidsinschakeling, alsmede mee te
                    werken aan een onderzoek naar zijn mogelijkheden tot arbeidsin-schakeling; </al><al>f. naar vermogen door het college opgedragen onbeloonde maatschappelijk nuttige
                    werkzaamheden te verrichten die worden verricht naast of in aanvulling op
                    reguliere arbeid en die niet leiden tot verdringing op de arbeids-markt.”</al><al/><al>De Ioaw en Ioaz kennen dus de volgende maatregelwaardige gedragingen die de Pw
                    niet kent, of in andere vorm, namelijk in de vorm van geüniformeerde
                    arbeidsverplichtingen:</al><al>1 aan de beëindiging van zijn dienstbetrekking ligt een dringende reden ten
                    grondslag in de zin van artikel 678 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek en de
                    belanghebbende kan ter zake een verwijt worden gemaakt; </al><al>2 de dienstbetrekking is beëindigd door of op verzoek van de belanghebbende
                    zonder dat aan de voortzetting ervan zodanige bezwaren waren verbonden, dat deze
                    voortzetting redelijkerwijs niet van hem zou kunnen worden gevergd; </al><al>3 naar vermogen te trachten algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen;</al><al>4 na te laten hetgeen inschakeling in de arbeid belemmert;</al><al>5 de belanghebbende door eigen toedoen geen algemeen geaccepteerde arbeid
                    verkrijgt.</al><al/><al>Daarnaast kennen de Ioaw en Ioaz de volgende maatregelwaardige gedragingen die
                    de Pw ook kent:</al><al>1 ervoor te zorgen dat hij als werkzoekende geregistreerd is bij het
                    Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen en geregistreerd blijft, indien hem
                    daartoe het recht toekomt op grond van artikel 30b, eerste lid, van de Wet
                    structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen; </al><al>2 algemeen geaccepteerde arbeid te aanvaarden;</al><al>3 gebruik te maken van een door het college aangeboden voorziening, waaronder
                    begrepen sociale activering, gericht op arbeidsinschakeling, alsmede mee te
                    werken aan een onder- zoek naar zijn mogelijkheden tot arbeidsinschakeling; </al><al>4 naar vermogen door het college opgedragen onbeloonde maatschappelijk nuttige
                    werk- zaamheden te verrichten die worden verricht naast of in aanvulling op
                    reguliere arbeid en die niet leiden tot verdringing op de arbeidsmarkt. </al><al>5 de belanghebbende nalaat algemeen geaccepteerde arbeid te aanvaarden; of </al><al>6 het zich jegens het college zeer ernstig misdragen.</al><al/><al>Er zijn voor wat betreft het <vet><onderstreept>niet naar vermogen
                            verkrijgen</onderstreept></vet> van algemeen geaccepteerde arbeid, het
                            <vet><onderstreept>door eigen toedoen niet
                        verkrijgen</onderstreept></vet> van algemeen geaccepteerde arbeid en het
                            <vet><onderstreept>niet naar vermogen trachten te
                            verkrijgen</onderstreept></vet> van algemeen geaccepteerde arbeid
                    duidelijke verschillen tussen de Pw enerzijds en de Ioaw en Ioaz anderzijds. Zo
                    kent de Pw niet de gedraging het naar vermogen trachten algemeen geaccepteerde
                    arbeid te verkrijgen, en ook niet de gedraging het door eigen toedoen niet
                    verkrijgen van algemeen geaccepteerde arbeid, maar wel het niet naar vermogen
                    verkrijgen van algemeen geaccepteerde arbeid. De IOAW en IOAZ daarentegen kennen
                    wél de gedraging om niet naar vermogen trachten algemeen geaccepteerde arbeid te
                    verkrijgen en ook de gedraging om door eigen toedoen geen algemeen geaccepteerde
                    arbeid te verkrijgen, maar niet de gedraging het niet naar vermogen verkrijgen
                    van algemeen geaccepteerde arbeid.</al><al/><al>In deze verordening is beoogd om de gevolgen van een bepaalde gedraging die
                    aanleiding geeft voor een maatregel op grond van de Pw, zoveel mogelijk gelijk
                    te stellen aan de gevolgen van diezelfde gedraging voor de IOAW en IOAZ.
                    Duidelijk moge zijn dat waar de Pw een bepaalde gedraging niet kent en de IOAW
                    en IOAZ die gedraging wel kennen, of andersom, van deze beoogde gelijkstelling
                    geen sprake kan zijn.</al><al/><al><vet>Niet verlenen van medewerking</vet></al><al/><al>In artikel 17, tweede lid, van de Pw is bepaald dat de belanghebbende het
                    college desgevraagd de medewerking moet verlenen die redelijkerwijs nodig is
                    voor de uitvoering van deze wet, waaronder in ieder geval wordt verstaan het
                    verlenen van medewerking aan een oproep om op een bepaalde plaats en tijd te
                    verschijnen in verband met zijn arbeidsinschakeling. Als de belanghebbende de
                    gevraagde medewerking niet verleent, kan het college volgens het bepaalde in
                    artikel 54 van de Pw eerst het recht op bijstand opschorten (en belanghebbende
                    uitnodigen het verzuim te herstellen) en daarna het besluit tot toekenning van
                    bijstand intrekken met ingang van de eerste dag waarover het recht op bijstand
                    is opgeschort.</al><al/><al>Gelet op het bovenstaande rijst de vraag wat nu de aangewezen juridische
                    procedure is als de belanghebbende niet komt op een oproep om op een bepaalde
                    tijd en plaats te verschijnen in verband met zijn arbeidsinschakeling. Anders
                    gezegd, of een maatregel moet worden opgelegd, of de juridische procedure van
                    opschorting en intrekking als hiervoor genoemd moet worden gevolgd. In deze
                    verordening wordt ervan uitgegaan dat voor de toepassing van de Participatiewet
                    moet worden aangenomen dat een maatregel moet worden opgelegd, en dat de
                    juridische procedure van opschorting en intrekking niet kan en ook niet mag
                    worden gevolgd, dit op grond van de volgende motivering. </al><al/><al>Artikel 18, vierde lid, aanhef en onder h van de Pw luidt als volgt:'</al><al><cursief>"Het college verlaagt in ieder geval de bijstand overeenkomstig het
                        vijfde, zesde, zevende of achtste lid terzake van het niet nakomen door de
                        belanghebbende van de volgende verplichtingen:</cursief></al><al><cursief>h. het gebruik maken van door het college aangeboden voorzieningen,
                        waaronder begrepen sociale activering, gericht op arbeidsinschakeling en mee
                        te werken aan een onderzoek naar zijn of haar mogelijkheden tot
                        arbeidsinschakeling."</cursief></al><al/><al>De woorden "verlaagt in ieder geval" wijzen op een nadrukkelijke verplichting
                    voor het college. Hier is duidelijk geen sprake van een (discretionaire)
                    bevoegdheid. Voorts kan het niet komen op een oproep om op een bepaalde tijd en
                    plaats te verschijnen in verband met de arbeidsinschakeling niet los worden
                    gezien van het meewerken aan een onderzoek naar de mogelijkheden tot
                    arbeidsinschakeling. Immers, wanneer een belanghebbende wordt opgeroepen voor
                    een gesprek op een bepaalde plaats en tijd in verband met de
                    arbeidsin-schakeling, zal inzet van dat gesprek altijd zijn de mogelijkheden tot
                    arbeidsinschakeling te bezien en/of te onderzoeken. </al><al/><al>Voor de Pw is het niet komen op een oproep om op een bepaalde tijd en plaats te
                    verschijnen in verband met de arbeidsinschakeling dan ook een geüniformeerde
                    arbeidsverplichting, die is neergelegd in artikel 18, vierde lid, aanhef en
                    onder h. van de Pw. Dat betekent dat het college in dat geval verplicht is een
                    maatregel op te leggen van 100% van de bijstandsnorm, waarbij de duur van de
                    maatregel in artikel 8 van deze verordening is bepaald op 1 maand. Bovendien
                    betekent dat dat bij het niet komen op een oproep om op een bepaalde tijd en
                    plaats te verschijnen in verband met de arbeidinschakeling de juridische
                    procedure van opschorting en intrekking niet kan en ook niet mag worden
                    gevolgd.</al><al/><al>Hierbij is mede van belang dat in het geval dat wél de juridische procedure van
                    opschorting en intrekking zou moeten worden gevolgd (en niet de juridische
                    procedure van opleggen van een maatregel), de mogelijkheid bestaat dat de
                    belanghebbende kort na ontvangst van het intrekkingsbesluit een nieuwe aanvraag
                    om toekenning van algemene bijstand indient. Als de belanghebbende dan aan de
                    gestelde voorwaarden voldoet heeft belanghebbende recht op een ongesanctioneerde
                    uitkering, dat wil zeggen een uitkering waarbij geen maatregel wordt toegepast.
                    Dat wordt niet gewenst geacht. </al><al/><al>Voor de IOAW en IOAZ is in de verordening een regeling opgenomen die
                    vergelijkbaar is met het bepaalde in artikel 18, vierde lid, onder h, van de Pw.
                    De IOAW en de IOAZ kennen namelijk geen geüniformeerde verplichtingen.</al><al/><al><vet>Schenden van de inlichtingenplicht</vet></al><al/><al>De bestuurlijke boete is per 1 januari 2013 opnieuw ingevoerd in de Wet werk en
                    bijstand (hierna: WWB) (thans: Participatiewet), IOAW en IOAZ. Deze moet worden
                    opgelegd bij een schending van de inlichtingenplicht en komt in de plaats van
                    het opleggen van een maatregel.</al><al/><al><vet>Handhaving</vet></al><al/><al>Met hoofdstuk 8 wordt invulling gegeven aan de in artikel 8b van de
                    Participatiewet en artikel 35, eerste lid, onderdeel c, van de Ioaw en Ioaz
                    gegeven opdracht om bij verordening regels te stellen met betrekking tot het
                    bestrijden van misbruik en oneigenlijk gebruik van die drie wetten. Het behoort
                    tot de gemeentelijke beleidsvrijheid om daarin eigen beleidskeuzes te maken. </al><al/><al>In deze verordening worden in feite twee verordeningen samengevoegd: de
                    Maatregelenver-ordening en de Handhavingsverordening. Daarnaast wordt de
                    verordening, naar aanleiding van de Wet aanscherping handhaving en sanctiebeleid
                    SZW-wetgeving, uitgebreid met een aantal artikelen dat ziet op de invulling van
                    de bevoegdheid omtrent het verrekenen van de uitkering met de bestuurlijke
                    recidiveboete bij fraude.</al><al/><al><vet>Geen nadere regels door college</vet></al><al/><al>Er is bewust voor gekozen om geen bepaling op te nemen, die inhoudt dat het
                    college bevoegd is om nadere regels te stellen met betrekking tot de uitvoering
                    van deze verorde-ning. De reden daarvoor is de volgende.</al><al/><al>De gemeenteraad moet in een verordening regels stellen met betrekking tot de
                    verlaging van bijstand, zo zegt artikel 8 van de Pw. Daaronder valt ook het
                    vaststellen van de hoogte en/of duur van de maatregel. De vraag rijst vervolgens
                    of het college wel iets mag doen wat afwijkt van de verordening. Anders gezegd
                    rijst de vraag of de aard van de verordenende bevoegdheid zich ertegen verzet
                    dat het college nadere regels stelt. </al><al/><al>De Centrale Raad van Beroep heeft zich over dit onderwerp uitgesproken in de
                    uitspraak ECLI:NL:CRVB:2008:BD6943. In Rechtsoverweging 3:14 overweegt de Raad
                    als volgt:</al><al><cursief>"3.14. Met de rechtbank en anders dan appellant is de Raad van oordeel
                        dat uit de tekst van artikel 8 van de WWB en de toelichting op dat artikel
                        kan worden afgeleid dat het de bedoeling van de wetgever is geweest, de
                        gemeenteraad een exclusieve bevoegdheid toe te kennen voor het vaststellen
                        van regels met betrekking tot het verlagen van de bijstand wegens niet
                        nakoming van de daaraan verbonden verplichtingen."</cursief></al><al>De Raad oordeelde vervolgens dat door het college vastgestelde regels omtrent de
                    hoogte van de maatregel onverbindend waren. Ook de Rechtbank Arnhem heeft zo
                    geoordeeld in Rechtbank Arnhem 06-09-2011, nr. 11/791,
                    ECLI:NL:RBARN:2011:BT1838. Zo ook CRvB 25-02-2014, nrs. 12/2758 WWB e.a.,
                    ECLI:NL::CRVB:2014:608 en CRvB 15-04-2014, nrs. 12/5707 WWB e.a.,
                    ECLI:NL:CRVB:2014:1252.</al><al/><al><vet>Geen hardheidsclausule</vet></al><al/><al>In deze verordening is er bewust voor gekozen om geen hardheidsclausule op te
                    nemen op grond van de volgende motivering. In de eerste plaats is de regering
                    van oordeel dat de huidige uitvoeringspraktijk met betrekking tot naleving van
                    verplichtingen verbetering behoeft. De regering komt mede tot die conclusie op
                    grond van Het onderzoek van de Inspectie SZW «Iedereen aan de slag» (december
                    2011), dat constateert dat gemeenten onvoldoende dwang en drang uitoefenen,
                    opdat mensen met een uitkering actief op zoek gaan naar werk (Tweede Kamer,
                    vergaderjaar 2013–2014, 33 801, nr. 3, p. 32). Ten behoeve van die door de
                    regering noodzakelijk geachte verbetering van de uitvoeringsprak-tijk wil de
                    regering een robuust maatregelenstelsel. Op schending van een geüniformeerde
                    verplichting ten behoeve van de arbeidsinschakeling was in het aanvankelijke
                    wetsvoorstel zelfs een standaardmaatregel van 100% gedurende drie maanden
                    gesteld. </al><al>Bij het door de regering voorgestane robuuste maatregelenstelsel past niet dat
                    in deze verordening een hardheidsclausule wordt opgenomen.</al><al/><al>In de tweede plaats is het ook niet nodig om een hardheidsclausule in deze
                    verordening op te nemen. In verordeningen wordt alleen een hardheidsclausule
                    opgenomen als er aanlei-ding is om te verwachten dat de toepassing van de
                    regeling kan leiden tot onbillijkheden van overwegende aard in niet precies te
                    voorziene gevallen. Dat laatste is ten aanzien van het opleggen van maatregelen
                    niet te verwachten. Het college is namelijk op grond van de algemene beginselen
                    van behoorlijk bestuur (bijvoorbeeld het beginsel van een evenredige
                    belangenafweging en het zorgvuldigheidsbeginsel) gehouden om in individuele
                    gevallen een zorgvuldige belangenafweging te maken. </al><al>Bovendien biedt de wet zelf voldoende mogelijkheden om in individuele gevallen
                    af te zien van het opleggen van een maatregel of een maatregel te matigen, en
                    wel de volgende:</al><al/><al>- bij een aantal verplichtingen is de term “naar vermogen” aan de orde.
                    Bijvoorbeeld het “naar vermogen” verkrijgen, aanvaarden en behouden van algemeen
                    geaccepteerde arbeid (artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, Pw). Het is dan
                    aan het college om te beoordelen waartoe diens vermogen – de krachten en
                    bekwaamheden – de bijstandsge-rechtigde in staat stelt en of hij dat vermogen
                    benut heeft ter voldoening aan de desbe-treffende verplichting.</al><al/><al/><al>- op grond van het bepaalde in artikel 18, eerste lid, van de Pw is het college
                    verplicht om de bijstand en de daaraan verbonden verplichtingen af te stemmen op
                    de omstandighe-den, mogelijkheden en middelen van de belanghebbende.</al><al>- op grond van het bepaalde in artikel 18, negende lid, van de Pw en artikel 20,
                    derde lid, van de IOAW en IOAZ is het college verplicht om af te zien van het
                    opleggen van een maatregel, indien elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt. </al><al/><al>- op grond van het bepaalde in artikel 18, tiende lid, van de Pw is het college
                    verplicht om een op te leggen maatregel of een opgelegde maatregel af te stemmen
                    op de omstan-digheden van de belanghebbende en diens mogelijkheden om middelen
                    te verwerven, indien naar het oordeel van het college dringende redenen daartoe
                    noodzaken. </al><al/><al>En specifiek voor een maatregel die is opgelegd wegens schending van een
                    geüniformeerde verplichting met betrekking tot de arbeidsinschakeling heeft de
                    Pw een “inkeerregeling”. Op grond van het bepaalde in artikel 18, elfde lid, van
                    de Pw kan het college namelijk een maat-regel, die is opgelegd wegens schending
                    van een geüniformeerde verplichting met betrek-king tot de arbeidsinschakeling,
                    op verzoek van de belanghebbende herzien, zodra uit de houding en gedragingen
                    van de belanghebbende ondubbelzinnig is gebleken dat hij de geüniformeerde
                    verplichting met betrekking tot de arbeidsinschakeling nakomt.</al><al/><al>In zijn algemeenheid wordt een hardheidsclausule ook meer opgenomen in
                    verordeningen en beleidsregels waarin het gaat om de beoordeling van aanspraken
                    op een voorziening of uitkering, waarvan hier in het geheel geen sprake is,
                    omdat het in deze verordening gaat om het opleggen van een maatregel, een
                    (straf)korting op de uitkering.</al><al/><al>Tenslotte is het niet verplicht om een hardheidsclausule in deze verordening op
                    te nemen. </al><al/><al><vet>Geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid tot verrekenen van de
                        maatregel</vet></al><al/><al>Het college heeft de mogelijkheid bij het opleggen van een maatregel wegens
                    schending van een uniforme arbeidsverplichting, de maatregel te verrekenen,
                    waarmee in feite verdelen over maximaal drie maanden is bedoeld. Dit over de
                    maand van oplegging van de maatregel en ten hoogste over de twee volgende
                    maanden. </al><al>Over de eerste maand moet minimaal een derde van het bedrag van de maatregel
                    worden verrekend (artikel 18, vijfde lid, tweede volzin, van de
                    Participatiewet). Het gaat hier om een facultatieve bepaling. In deze
                    verordening is ervoor gekozen, om geen gebruik te maken van deze bevoegdheid, op
                    grond van dezelfde redenen die ten grondslag liggen aan het niet opnemen van een
                    hardheidsclausule in deze verordening. In verband daarmee wordt het niet zinvol
                    geacht om gebruik te maken van de hier bedoelde mogelijkheid tot verdelen van
                    een maatregel over ten hoogste drie maanden.</al><al/><al><vet><onderstreept>Artikelsgewijze toelichting Maatregelen-
                        en</onderstreept></vet></al><al><vet><onderstreept>handhavingsverordening Participatiewet, IOAW en IOAZ 2015
                            gemeente Etten-Leur.</onderstreept></vet></al><al/><al><vet>Artikel 1. Begrippen</vet></al><al/><al>Er is voor gekozen om begrippen die al zijn omschreven in de Pw, de IOAW, de
                    IOAZ, de Awb en de Gemeentewet niet afzonderlijk te definiëren in deze
                    verordening. Dit voorkomt dat in geval van wijziging van betreffende definities
                    in de betreffende wetten ook de verordening moet worden gewijzigd.</al><al/><al>In het tweede lid, onder f., is het begrip benadelingsbedrag omschreven voor de
                    toepassing van artikel 12 van deze verordening (tekortschietend besef van
                    verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan). Het benadelingsbedrag
                    is hier omschreven als “de netto bijstand waarop eerder, langer of tot een hoger
                    bedrag een beroep wordt of is gedaan als gevolg van tekortschietend besef van
                    verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan”. In aansluiting op de
                    Wet aanscherping handhaving en sanctiebeleid SZW-wetgeving is hier gekozen voor
                    een netto bedrag. Ook in de voornoemde wet is namelijk het begrip
                    “benadelingsbedrag” omschreven, zij het in een ander kader, te weten de
                    verplichte oplegging van de boete, en in de Memorie van toelichting bij die wet
                    is vermeld dat het begrip benadelingsbedrag een netto bedrag is. Daarbij wordt
                    hier aangesloten.</al><al/><al><vet>Artikel 2. Het opleggen van een maatregel</vet></al><al/><al><cursief><onderstreept>Artikel 2, algemeen</onderstreept></cursief></al><al/><al>In deze verordening is niet (meer) opgenomen, dat een maatregel kan worden
                    gematigd wegens verminderde verwijtbaarheid op grond van de volgende motivering.
                    Dit is in de Participatiewet niet meer mogelijk. Alleen als elke vorm van
                    verwijtbaarheid ontbreekt, ziet het college af van het opleggen van een
                    maatregel (artikel 18, negende lid). Blijkens de parlementaire geschiedenis van
                    totstandkoming is matigen van een maatregel bij verminderde verwijtbaarheid niet
                    meer mogelijk. In TK 2013-2014, 33 801, nr. 19, is op pagina 73 het volgende
                    vermeld:</al><al>" In antwoord op de vraag van de leden van de PvdA- fractie of het college van
                    het opleggen van een maatregel kan afzien in geval sprake is van verminderde
                    verwijtbaarheid, deelt de regering het volgende mee. De regering ziet geen
                    aanleiding om rekening te houden met een verminderde verwijtbaarheid. Ook het
                    huidige artikel 18 van de WWB kent deze mogelijkheid niet. Iets is verwijtbaar
                    en dus een reden voor een maatregel, of het is niet verwijtbaar en dan is er
                    geen reden voor een maatregel."</al><al/><al>De reden om niet (meer) op te nemen dat wordt afgezien van het opleggen van een
                    maatregel indien elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt, is het streven om in
                    de verorde-ning niet te herhalen wat al in de wet is geregeld. </al><al>En in de wet (artikel 18, negende lid, Pw) is al vermeld dat wordt afgezien van
                    het opleggen van een maatregel, indien elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt.
                    En in artikel 18, tiende lid, van de Pw is bepaald dat het college een opgelegde
                    of op te leggen maatregel moet afstemmen op de omstandigheden van de
                    belanghebbende en diens mogelijkheden om middelen te verwerven, indien naar zijn
                    oordeel, gelet op bijzondere omstandigheden, dringende redenen daartoe
                    noodzaken. </al><al/><al/><al/><al><cursief><onderstreept>Eerste lid </onderstreept></cursief></al><al>In het eerste lid wordt gesproken over de uit de wet, waarmee zijn bedoeld de
                    Pw, IOAW en IOAZ voortvloeiende verplichtingen. In de Pw worden de
                    geüniformeerde arbeidsver-plichtingen geïntroduceerd. Bij niet nakomen van die
                    verplichtingen regelt de wet wél de hoogte van de maatregel (100% van de
                    bijstandsnorm) maar niet de duur van de maatregel. Omdat in artikel 8 van deze
                    verordening de duur van de maatregel bij niet nakoming van een geüniformeerde
                    arbeidsverplichting wordt geregeld, hoeven de geüniformeerde
                    arbeidsver-plichtingen in de tekst van dit artikel niet te worden
                    uitgezonderd.</al><al/><al>Met de “uit de wet voortvloeiende verplichtingen” worden dus bedoeld:</al><al/><al>1. Het betonen van voldoende besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening
                    in het bestaan (artikel 18, tweede lid, van de Wwb).</al><al>2. De plicht tot arbeidsinschakeling (artikel 9 van de Wwb). Deze plicht bestaat
                    uit drie soorten verplichtingen:</al><al> - de arbeidsplicht, dat wil zeggen de plicht om naar vermogen algemeen
                    geaccep-teerde arbeid te verkrijgen en deze te aanvaarden; en </al><al> - de re-integratieplicht, dat wil zeggen de plicht om gebruik te maken van een
                    door het college aangeboden voorziening gericht op ondersteuning bij
                    arbeidsinschakeling, alsmede de plicht om mee te werken aan een onderzoek naar
                    de mogelijkheden tot arbeidsinschakeling. Specifiek voor personen jonger dan 27
                    jaar bestaat de re-integratieplicht ook uit het mee opstellen, uitvoeren en
                    evalueren van een plan van aanpak; en</al><al> - de tegenprestatie naar vermogen: dat wil zeggen de plicht om naar vermogen
                    opge-dragen onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden te verrichten,
                    naast of in aanvulling op reguliere arbeid en die niet leiden tot verdringen op
                    de arbeidsmarkt.</al><al>3. De medewerkingsplicht. Dit is de plicht van uitkeringsgerechtigden om
                    desgevraagd het college de medewerking te verlenen die redelijkerwijs nodig is
                    voor de uitvoering van de wet.</al><al>4. Het zich niet ernstig misdragen jegens het college.</al><al/><al>Met de toevoeging van de zinsnede “dan wel indien de belanghebbende naar het
                    oordeel van het college tekortschietend besef van verantwoordelijkheid betoont
                    als bedoeld in artikel 18, tweede lid van de Pw” wordt duidelijker tot
                    uitdrukking gebracht dat “tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de
                    voorziening in het bestaan” niet kan leiden tot verlaging of weigering van een
                    IOAW- of IOAZ-uitkering. De IOAW en IOAZ kennen namelijk geen “tekortschietend
                    besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan”.</al><al/><al>De toevoeging: “met inbegrip van de verplichtingen die in de beschikking tot
                    toekenning of voortzetting van de bijstand zijn opgenomen” is opgenomen op grond
                    van de volgende motivering. Met toepassing van artikel 55 van de Pw kunnen bij
                    beschikking nadere verplichtingen worden opgelegd. Die verplichtingen vloeien
                    dan niet voort uit de wet (en zijn dus geen “uit de wet voortvloeiende
                    verplichtingen”) maar vloeien voort uit de beschikking, waarbij die bijzondere
                    verplichtingen zijn opgelegd.</al><al/><al><cursief><onderstreept>Tweede lid </onderstreept></cursief></al><al>In dit lid wordt de inlichtingenplicht uitgezonderd van deze verordening. De
                    reden hiervoor is dat hiervoor een in de afzonderlijke wetten vastgelegd
                    boetesysteem van toepassing is.</al><al/><al><vet><onderstreept>Artikel 3. Het besluit tot opleggen van een
                            maatregel</onderstreept></vet></al><al/><al/><al>Het opleggen van een maatregel op grond van deze verordening vindt plaats door
                    middel van een besluit. Tegen dit besluit kan een belanghebbende bezwaar en
                    beroep indienen. </al><al>In artikel 3 van deze verordening is aangegeven wat in het besluit in ieder
                    geval moet worden vermeld. Deze eisen vloeien rechtstreeks voort uit de Awb en
                    dan met name uit het motiveringsvereiste. Het motiveringsvereiste houdt onder
                    andere in dat een besluit kenbaar is en van een deugdelijke motivering is
                    voorzien.</al><al/><al>Bijzondere aandacht verdient nog de term “indien van toepassing” bij categorie
                    b. Die term is toegevoegd omdat in het geval dat een vast bedrag is opgelegd als
                    maatregel, daar geen duur van de maatregel aan is gekoppeld.</al><al/><al><vet><onderstreept>Artikel 4. Horen van belanghebbende</onderstreept></vet></al><al/><al>Horen van belanghebbende is niet verplicht bij het opleggen van een maatregel.
                    Artikel 4:8 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna te noemen: “Awb”) heeft
                    een hoorplicht als het bestuursorgaan voornemens is een belastende beschikking
                    te nemen. Op de hoorplicht van artikel 4:8 Awb worden uitzonderingen gemaakt in
                    artikel 4:11 en artikel 4:12. Met name is artikel 4:12, eerste lid, van de Awb
                    van belang. Daarin is vermeld dat toepassing van artikel 4:8 van de Awb
                    achterwege kan blijven bij een beschikking die strekt tot het vaststellen van
                    een financiële verplichting, indien tegen die beschikking bezwaar kan worden
                    gemaakt en de nadelige gevolgen na bezwaar volledig ongedaan kunnen worden
                    gemaakt. Dat laatste is volledig van toepassing bij een besluit tot het opleggen
                    van een maatregel. Vanwege het ingrijpende karakter van een maatregel van 100%
                    van de bijstandsnorm is er in deze verordening voor gekozen om uitsluitend in
                    die gevallen de belanghebbende toch te horen.</al><al/><al>In dit artikel van de verordening zijn geen uitzonderingen opgenomen op de
                    hoofdregel dat de belanghebbende in de gelegenheid wordt gesteld zijn zienswijze
                    naar voren te brengen, indien het college voornemens is een maatregel van 100%
                    van de bijstandsnorm op te leggen. De redenen daarvoor zijn de volgende. </al><al>In de eerste plaats zijn in artikel 4:11 van de Awb al twee uitzonderingen
                    opgenomen, inhoudende dat het horen van belanghebbende achterwege kan worden
                    gelaten, indien:</al><al>a. de vereiste spoed zich daartegen verzet; </al><al>b. de belanghebbende reeds in de gelegenheid is gesteld zijn zienswijze naar
                    voren te brengen en zich sindsdien geen nieuwe feiten of omstandigheden hebben
                    voorgedaan.</al><al>In de tweede plaats is overbodig om de (niet in de Awb opgenomen) uitzondering
                    op te nemen dat belanghebbende aangeeft geen gebruik te willen maken van de
                    gelegenheid om zijn of haar zienswijze naar voren te brengen. Als een
                    belanghebbende in de gelegenheid wordt gesteld zijn zienswijze naar voren te
                    brengen, maar van belanghebbende in het geheel geen reactie wordt ontvangen,
                    vloeit daar namelijk al uit voort dat belanghebbende geen gebruik wil maken van
                    de hem geboden gelegenheid.</al><al/><al>Zowel in de rapportage als in het besluit dient aandacht te worden besteed aan
                    het feit op welke wijze belanghebbende in de gelegenheid is gesteld zijn
                    zienswijze kenbaar te maken, (telefonisch, schriftelijk of uitgenodigd voor
                    gesprek), of belanghebbende inderdaad van de geboden gelegenheid gebruik heeft
                    gemaakt, en zo ja, op welke wijze diens zienswijze in de besluitvorming is
                    betrokken.</al><al/><al><vet><onderstreept>Artikel 5. Berekeningsgrondslag</onderstreept></vet></al><al/><al><cursief><onderstreept>Eerste lid</onderstreept></cursief></al><al>In dit lid is het uitgangspunt vastgelegd dat een maatregel plaatsvindt door
                    verlaging van de uitkering, dat is dus de algemene bijstand of de grondslag. </al><al/><al>Onderscheid dient te worden gemaakt tussen de vraag waarop de maatregel wordt
                    toegepast (wát wordt er verlaagd) en hoe de maatregel is berekend (wat de hoogte
                    van de maatregel is). </al><al>In dit artikel wordt de eerstgenoemde vraag beantwoord: de maatregel wordt
                    toegepast op de uitkering, die wordt verlaagd. En met uitkering wordt op grond
                    van de begripsbepalingen de algemene bijstand op grond van de Pw bedoeld en de
                    uitkering op grond van de IOAW en IOAZ. De reden hiervoor is dat artikel 8 van
                    de Pw spreekt van "verlagen van de bijstand". Daarmee ziet de wet op
                    eerstgenoemde vraag. De wet kiest er nadrukkelijk niet voor om de
                    maatregel/verlaging toe te passen op de bijstandsnorm. Voor de beantwoording van
                    de vraag wat de hoogte van de maatregel is, zijn elders in deze verordening
                    regels opgenomen.</al><al/><al><cursief><onderstreept>Tweede lid</onderstreept></cursief></al><al>In artikel 5, tweede lid, onderdeel a van deze verordening is bepaald dat een
                    maatregel ook kan plaatsvinden door verlaging van de bijzondere bijstand indien
                    aan een belanghebbende bijzondere bijstand wordt verleend met toepassing van
                    artikel 12 Pw. Personen tussen de 18 en 21 jaar ontvangen een lage jongerennorm,
                    die op grond van artikel 12 van de Pw indien noodzakelijk wordt aangevuld door
                    middel van aanvullende bijzondere bijstand in de kosten van levensonderhoud. Als
                    een maatregel uitsluitend op de algemene bijstand, te weten de lage jongerennorm
                    wordt opgelegd, zou dit leiden tot rechtsongelijkheid ten opzichte van de
                    21-jarigen. Daarom is in het tweede lid, onderdeel a, geregeld dat de maatregel
                    ook kan plaatsvinden door verlaging van de bijzondere bijstand op grond van
                    artikel 12.</al><al/><al>Artikel 5, tweede lid, onderdeel b van deze verordening maakt het mogelijk dat
                    het college in incidentele gevallen een maatregel oplegt over de bijzondere
                    bijstand als bedoeld in artikel 35 van de Pw. Er moet dan wel een verband
                    bestaan tussen de gedraging van een belanghebbende en zijn recht op bijzondere
                    bijstand. </al><al/><al/><al><vet><onderstreept>Artikel 6. Afzien van het opleggen van een
                            maatregel</onderstreept></vet></al><al/><al/><al><cursief><onderstreept>Ontbreken van elke
                        verwijtbaarheid</onderstreept></cursief></al><al>Het afzien van het opleggen van een maatregel “indien elke vorm van
                    verwijtbaarheid” ontbreekt, is niet in de verordening opgenomen omdat dat al in
                    de wet staat (artikel 18, negende lid, van de Pw en artikel 20, derde lid, van
                    de IOAW en IOAZ). Aangenomen moet worden dat van het ontbreken van elke vorm van
                    verwijtbaarheid uitsluitend sprake is bij evidente afwezigheid van
                    verwijtbaarheid (zie CRvB 24-07-2001, nr. 99/1857 NABW, LJN AD4887). Het is aan
                    het college te beoordelen of elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt aan het
                    betreffende gedrag.</al><al/><al>Is vanwege de afwezigheid van elke vorm van verwijtbaarheid afgezien van het
                    opleggen van een maatregel, dan is het niet mogelijk om bij toepassing van
                    recidive deze gedraging mee te tellen. Is vanwege de afstemming op grond van
                    artikel 18, eerste lid, van de Participatiewet van een maatregel afgezien dan is
                    daarin geen reden gelegen om de betreffende gedraging buiten beschouwing te
                    laten in geval van recidive.</al><al/><al/><al><cursief><onderstreept>Afzien maatregel ook mogelijk bij geüniformeerde
                            arbeidsverplichtingen</onderstreept></cursief></al><al>De wet schrijft bij overtreding van een geüniformeerde arbeidsverplichting een
                    verlaging voor van honderd procent van de bijstand gedurende één tot drie
                    maanden. Op grond van artikel 18, tiende lid, van de Participatiewet moet het
                    college een op te leggen maatregel of een opgelegde maatregel afstemmen op de
                    omstandigheden van een belanghebbende en diens mogelijkheden om middelen te
                    verwerven. Dit als - volgens het college – dringende redenen daartoe noodzaken,
                    gelet op bijzondere omstandigheden. Op grond van bijzondere omstandigheden kan
                    het college besluiten de maatregel op een lager niveau, voor een kortere duur of
                    op nul vast te stellen, ook bij geüniformeerde arbeidsverplichtingen.</al><al/><al/><al><cursief><onderstreept>Eerste lid</onderstreept></cursief></al><al>Wel is in de verordening een andere reden om af te zien van het opleggen van een
                    maatregel opgenomen, namelijk dat na de constatering van de gedraging niet
                    voortvarend is besloten door het college. Met “niet voortvarend” wordt in dit
                    artikellid bedoeld dat meer dan een jaar is verstreken na de constatering van de
                    gedraging, en het college nog geen besluit heeft genomen over het al dan niet
                    opleggen van een maatregel.</al><al>Hiermee wordt in feite geregeld dat wordt afgezien van het opleggen van een
                    maatregel wegens verjaring. Omwille van de effectiviteit van de maatregel is het
                    nodig dat deze niet al te lang nadat de gedraging is geconstateerd, wordt
                    opgelegd. Dit in verband met het lik-op-stuk-beleid. Deze bepaling heeft tevens
                    als voordeel dat een uitkeringsgerechtigde niet te lang in onzekerheid wordt
                    gehouden over de vraag of het college overgaat tot het opleggen van een
                    maatregel.</al><al/><al><cursief><onderstreept>Tweede lid</onderstreept></cursief></al><al>In artikel 6, tweede lid, van deze verordening is geregeld dat kan worden
                    afgezien van het opleggen van een maatregel indien daarvoor dringende redenen
                    aanwezig zijn. De verordening stelt een algemene verplichting tot het opleggen
                    van een maatregel voorop. Uitzonderingen moeten echter mogelijk zijn indien voor
                    de belanghebbende onaanvaardbare consequenties zouden optreden. Uit het woord
                    "dringend" blijkt dat er wel iets heel bijzonders en uitzonderlijks aan de hand
                    moet zijn, wil een afwijking van het algemene principe gerechtvaardigd zijn. Wat
                    dringende redenen zijn, is afhankelijk van de concrete situatie en kan dus niet
                    op voorhand worden vastgelegd. Soms kunnen er zwaarwegende argumenten zijn om
                    van de tenuitvoerlegging van een overigens gerechtvaardigde maatregel af te
                    zien. Het betreft dan argumenten die met de reden van de maatregel niets van
                    doen hebben. Deze zijn immers al bij de vaststelling van de hoogte en de duur
                    van de maatregel meegenomen. Men kan hierbij denken aan situaties waarin sprake
                    is van een zodanige samenloop van omstandigheden dat deze, als de maatregel wel
                    zou worden uitgevoerd, tot gevolg hebben dat de belanghebbende als gevolg van de
                    maatregel in een acute noodsituatie terecht komt. Het ontstaan van een
                    betalings- of huurachterstand of een tijdelijke opschorting van een
                    schuldsanering zijn op zichzelf geen redenen om van een maatregel af te zien.
                    Evenmin kan het enkele feit dat de belanghebbende als gevolg van de maatregel
                    tijdelijk een inkomen onder de beslagvrije voet ontvangt voldoende reden zijn om
                    van de tenuitvoerlegging van een maatregel af te zien. </al><al/><al><cursief><onderstreept>Derde lid</onderstreept></cursief></al><al>In het derde lid van deze verordening is vermeld dat de belanghebbende
                    schriftelijk op de hoogte wordt gesteld, als het college wegens dringende reden
                    afziet van het opleggen van een maatregel. In de beschikking worden hoogte en
                    duur van de maatregel vastgesteld en wordt medegedeeld om welke dringende
                    redenen van tenuitvoerlegging wordt afgezien. Dit is van belang in verband met
                    eventuele recidive. De maatregel telt namelijk mee bij de vaststelling van
                    eventuele recidive en herhaalde recidive. </al><al/><al><vet><onderstreept>Artikel 7. Ingangsdatum en tijdvak</onderstreept></vet></al><al><vet><onderstreept>van de maatregel</onderstreept></vet></al><al/><al>Het eerste, tweede, derde en vierde lid van dit artikel zien op het opleggen en
                    tegelijkertijd uitvoeren/toepassen van een maatregel en het vijfde lid ziet op
                    de situatie dat een al opgelegde maatregel niet kan worden uitgevoerd/toegepast.
                    De in het eerste lid van dit artikel genoemde wijze van opleggen van de
                    maatregel is de hoofdregel.</al><al/><al><cursief><onderstreept>Eerste lid </onderstreept></cursief></al><al>In het eerste lid is de gemakkelijkste methode van het opleggen van een
                    maatregel geregeld, namelijk het opleggen van een maatregel naar de toekomst. </al><al>In dat geval hoeft de gemeente niet over te gaan tot herziening van bijstand en
                    het teveel betaalde bedrag aan bijstand terug te vorderen. Omwille van redenen
                    van bedrijfsvoering is in dit eerste lid vastgelegd dat een maatregel wordt
                    opgelegd met ingang van de eerste dag van de kalendermaand volgend op de datum
                    waarop het besluit tot opleggen van de maatregel is bekendgemaakt, waarbij wordt
                    uitgegaan van de voor die maand geldende bijstandsnorm of grondslag.
                    Nadrukkelijk is wat betreft de ingangsdatum niet gekozen voor de eerste dag
                    volgend op de datum waarop het besluit tot opleggen van de maatregel aan de
                    belanghebbende is bekendgemaakt. Dat zou namelijk in de eerste plaats betekenen
                    dat een maatregelbeschikking altijd met grote spoed moet worden verzonden,
                    hetgeen praktisch gezien niet altijd mogelijk is, zeker niet in een grotere
                    organisatie. In de tweede plaats zou dat betekenen dat dan de maatregel wordt
                    toegepast/uitgevoerd over twee verschillende gedeelten van verschillende
                    maanden, hetgeen uit administratief oogpunt niet gewenst wordt geacht.</al><al/><al><cursief><onderstreept>Tweede lid</onderstreept></cursief></al><al>In het tweede lid is geregeld dat verlaging van de uitkering ook met
                    terugwerkende kracht kan plaatsvinden als de bijstandsnorm over een periode in
                    het verleden nog niet is uitbe-taald, dan wel het opleggen van een maatregel in
                    de toekomst niet of niet geheel mogelijk is wegens beëindiging van de bijstand. </al><al/><al><cursief><onderstreept>Derde lid</onderstreept></cursief></al><al>Dit artikellid behoeft geen toelichting.</al><al/><al><cursief><onderstreept>Vierde lid</onderstreept></cursief></al><al>In het vierde lid is geregeld dat de maatregel ook met terugwerkende kracht kan
                    plaatsvinden als de ingangsdatum van de maatregel samenvalt met het besluit tot
                    toekennen van de uitkering. Een voorbeeld is de volgende situatie. Op 1 februari
                    2015 heeft de belanghebbende een aanvraag om algemene bijstand ingediend. Op 5
                    maart 2015 wordt besloten de gevraagde algemene bijstand toe te kennen met
                    ingang van 1 februari 2015, en wordt tevens besloten een maatregel op te leggen
                    ingaande 1 februari 2015 omdat belanghebbende verwijtbaar is ontslagen.</al><al>Als het vierde lid niet zou bestaan zou de maatregel - met toepassing van het
                    eerste lid - pas kunnen ingaan op 1 april 2015 (aannemende dat de
                    toekenningbeschikking wordt verzonden op de dag van het besluit, te weten 5
                    maart 2015). Met toepassing van het derde lid kan de maatregel in de voornoemde
                    situatie ingaan op 1 februari 2015.</al><al/><al><cursief><onderstreept>Vijfde lid </onderstreept></cursief></al><al>Terwijl het eerste, tweede, derde en vierde lid zien op een situatie dat nog
                    geen maatregel is opgelegd, maar daartoe nog moet worden besloten, ziet het
                    vijfde lid op de situatie dat met toepassing van het eerste lid reeds een
                    maatregel is opgelegd naar de toekomst, maar effectuering daarvan niet mogelijk
                    is omdat de bijstand is beëindigd nadat de maatregel is opgelegd. Met dit vijfde
                    lid wordt voorkomen dat een belanghebbende een maatregel ontloopt door
                    bijvoorbeeld korte tijd te gaan werken. </al><al>Het college heeft de bevoegdheid om bij een eventuele nieuwe aanvraag om
                    bijstand of uitkering alsnog rekening te houden met een eerder opgelegde
                    maatregel (zie TK 2002-2003, 28 870, nr. 3, p. 25). Een dergelijke maatregel kan
                    vanwege de samenhang met het recht op bijstand niet bij voorbaat worden
                    opgelegd. </al><al>Het college moet bij het opnieuw toekennen van het recht op bijstand een besluit
                    nemen of en zo ja in hoeverre er aanleiding bestaat om de reeds eerder opgelegde
                    maatregel alsnog te effectueren. Pas dan is er sprake van een maatregelbesluit
                    en staat de mogelijkheid van bezwaar tegen de maatregel open (zie Centrale Raad
                    van Beroep – hierna te noemen: “CRvB”- 08-09-2009, nrs. 07/6337 WWB e.a. en CRvB
                    07-12-2010, nr. 09/1094 WWB). </al><al/><al/><al>Ook de jurisprudentie staat toe dat het college bij het opnieuw toekennen van
                    (algemene) bijstand beoordeelt of en zo ja in hoeverre er aanleiding is een
                    eerder opgelegde maatregel te effectueren. Daar moet dan wel een besluit over
                    worden genomen, hetgeen uitdrukkelijk in deze bepaling in de verordening is
                    opgenomen (CrvB 08-09-2009, 07/6337 WWB, BJ7732, CRvB 07-12-2010, 09 / 1094 WWB,
                    BO6721).</al><al/><al>Het college moet wel rekening houden met de termijn voor het opleggen van een
                    maatregel zoals bedoeld in artikel 6, eerste lid. </al><al/><al><vet>Artikel 8. De geüniformeerde arbeidsverplichtingen</vet></al><al/><al>De geüniformeerde arbeidsverplichtingen zijn vermeld in artikel 18, vierde lid,
                    van de Pw. De Ioaw en Ioaz kennen geen geüniformeerde arbeidsverplichtingen. Met
                    “geüniformeerd” is bedoeld dat wettelijk gezien de hoogte van de maatregel al is
                    vastgesteld, te weten op 100%, maar de gemeenteraad bij verordening de duur van
                    de maatregel mag vaststellen op 1, 2 of 3 maanden. In deze verordening is ervoor
                    gekozen om voor alle geüniformeerde gedragingen die zijn genoemd onder de
                    letters b tot en met h van artikel 18, vierde lid, van de Pw, de duur van de
                    maatregel te bepalen op één maand, en uitsluitend met betrekking tot de
                    gedragingen als bedoeld in artikel 18, vierde lid, onder a, van de Pw de duur
                    van de maatregel te bepalen op 2 maanden. De reden daarvoor is de volgende.
                    Artikel 18, vierde lid, onder a, Pw bevat de gedragingen het niet aanvaarden of
                    niet behouden van algemeen geaccepteerde arbeid. Deze beide gedragingen
                    veronderstellen – in tegenstelling tot de gedragingen onder de letters b tot en
                    met h - dat een concrete baan aan de orde is, die ofwel niet wordt aanvaard
                    ofwel niet wordt behouden. Bij de gedragingen in artikel 18, vierde lid, aanhef
                    en onder a, van de Pw is meer en ook sterker dan bij de overige gedragingen in
                    dat artikellid sprake van een onnodig beroep op een uitkering en daarmee een
                    onnodig beroep op de publieke middelen. Daarom wordt voor wat betreft deze
                    gedragingen een zwaardere maatregel gerechtvaardigd geacht. </al><al/><al/><al><vet>Artikel 9. De niet-geüniformeerde arbeidsverplichtingen</vet></al><al/><al/><al>In artikel 9 van de verordening worden schendingen van verplichtingen uit de
                    Participatiewet geformuleerd. De verwijtbare gedragingen die zijn genoemd in
                    artikel 9 en 9a van de Participatiewet zijn ondergebracht in categorieën. Aan
                    die categorieën wordt in artikel 11 een gewicht toegekend in de vorm van een
                    maatregelbedrag of maatregelpercentage en een periode. De categorieën zijn
                    gerangschikt naar toenemende zwaarte. Een gedraging wordt ernstiger geacht
                    naarmate de gedraging meer concrete gevolgen heeft voor het niet verkrijgen of
                    behouden van betaalde arbeid. In vergelijking met de Maatregelen- en
                    handhavingsverordening van vóór 2015 is het aantal gedragingen dat leidt tot een
                    maatregel verminderd, omdat daar in de wet al (dwingende) regels voor zijn
                    gesteld. In deze verordening zijn de volgende gedragingen niet (meer) opgenomen
                    die nog wél zijn vermeld in de Maatregelen- en handhavingsverordening van vóór
                    2015.</al><al/><al>1 <cursief><onderstreept>Het indienen van een aanvraag voor algemene bijstand
                            gedurende de termijn, genoemd in artikel 41, vierde lid, van de Wwb door
                            jongeren</onderstreept></cursief></al><al>De reden om deze gedraging niet meer op te nemen is de volgende. Tot op heden is
                    voor deze gedraging geen maatregel opgelegd, en naar alle waarschijnlijkheid is
                    in de toekomst niet te verwachten dat een maatregel zal worden opgelegd voor
                    deze gedraging.</al><al/><al/><al>2 <cursief><onderstreept>Het niet naar vermogen trachten algemeen geaccepteerde
                            arbeid te verkrijgen</onderstreept></cursief></al><al>In de Maatregelen- en handhavingsverordening van vóór 2015 is onder de tweede
                    categorie als maatregelwaardige gedraging vermeld het niet naar vermogen
                    trachten algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen. Deze gedraging is in feite
                    ten onrechte opgenomen, omdat het niet naar vermogen <vet>trachten</vet>
                    algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen, niet is vermeld in de Wwb. Wel is
                    in de Wwb als maatregelwaardige gedraging opgenomen het niet naar vermogen<vet>
                        verkrijgen</vet> van algemeen geaccepteerde arbeid. Ook in de
                    Participatiewet is het niet naar vermogen <vet>trachten</vet> te verkrijgen van
                    algemeen geaccepteerde arbeid niet als maatregelwaardige gedraging opgenomen.
                    Bovendien is het niet naar vermogen verkrijgen van algemeen geaccepteerde arbeid
                    in de gemeente van inwoning, voor zover dit niet voorvloeit uit een gedraging
                    als bedoeld in artikel 18, vierde lid, van de Pw, gerangschikt in de derde
                    categorie van dit artikel.</al><al>En het niet naar vermogen verkrijgen van algemeen geaccepteerde arbeid in een
                    andere dan de gemeente van inwoning, alvorens naar die gemeente te verhuizen, is
                    een geüniformeerde gedraging als bedoeld in artikel 18, vierde lid, aanhef en
                    onder c. van de Pw, waarop een maatregel staat van 100%, waarbij de duur van de
                    maatregel in de verordening is vastgesteld op 100%. Daarom is deze gedraging
                    niet opgenomen in deze verordening (dit in tegenstelling tot de Ioaw en Ioaz,
                    zie hierna). </al><al/><al>3 <cursief><onderstreept>Het niet of niet tijdig voldoen aan een oproep om in
                            verband met de arbeidsinschakeling op een aangegeven tijd of plaats te
                            verschijnen</onderstreept></cursief></al><al>Voor de reden om deze gedraging niet meer als maatregelwaardige gedraging op te
                    nemen in deze verordening wordt hier kortheidshalve verwezen naar het hoofdstuk
                    "Niet verlenen van medewerking" in het algemeen gedeelte van de toelichting bij
                    deze veror-dening.</al><al/><al>4 <cursief><onderstreept>Het niet of in onvoldoende mate meewerken aan
                            een onderzoek naar de mogelijkheden tot
                            arbeidsinschakeling</onderstreept></cursief></al><al>De reden om deze gedraging niet meer op te nemen is de volgende. Ook deze
                    gedraging is voor wat betreft de Pw een geüniformeerde arbeidsverplichting, die
                    is neergelegd in artikel 18, vierde lid, aanhef en onder h van de Pw die dus
                    leidt tot een maatregel van 100%, waarbij de duur van de maatregel in artikel 8
                    van de verordening is bepaald op één maand. Voor de Ioaw en Ioaz (zie hierna) is
                    in de verordening een vergelijkbare regeling opgenomen.</al><al/><al><cursief><onderstreept>5 Gedragingen die de inschakeling in de arbeid
                            belemmeren</onderstreept></cursief></al><al>De reden om deze gedraging niet meer op te nemen is de volgende. Ook deze
                    gedraging is voor wat betreft de Pw een geüniformeerde arbeidsverplichting, die
                    is neergelegd in artikel 18, vierde lid, aanhef en onder g van de Pw die dus
                    leidt tot een maatregel van 100%, waarbij de duur van de maatregel in artikel 8
                    van de verordening is bepaald op één maand. Voor de Ioaw en Ioaz (zie hierna) is
                    in de verordening een vergelijkbare regeling opgenomen.</al><al/><al>6 <cursief><onderstreept>Het niet of onvoldoende gebruik maken van een door het
                            college aangeboden voorzie-ning gericht op arbeidsinschakeling zoals
                            bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel b, van de Wwb en artikel 10,
                            eerste lid, van de Wwb</onderstreept></cursief></al><al>De reden om deze gedraging niet meer op te nemen is de volgende. Ook deze
                    gedraging is voor wat betreft de Pw een geüniformeerde arbeidsverplichting, die
                    is neergelegd in artikel 18, vierde lid, aanhef en onder h van de Pw die dus
                    leidt tot een maatregel van 100%, waarbij de duur van de maatregel in artikel 8
                    van de verordening is bepaald op één maand. Voor de Ioaw en Ioaz (zie hierna) is
                    in de verordening een vergelijkbare regeling opgenomen. Het in de verordening
                    van vóór 2015 nog gehanteerde onderscheid tussen het onvoldoende gebruik maken
                    van de hier bedoelde voorziening en het niet gebruik maken van de hier bedoelde
                    voorziening is hiermee komen te vervallen.</al><al/><al>7 <cursief><onderstreept>Naar vermogen trachten om gedurende de termijn, genoemd
                            in artikel 41, vierde lid, van de Wwb, de mogelijkheden te onderzoek
                            naar uit ’s Rijks kas bekostigd onderwijs, voor zover het gaat om een
                            persoon jonger dan 27 jaar</onderstreept></cursief></al><al>De reden om deze gedraging niet op te nemen is dat deze gedraging blijkens
                    ervaring uit de praktijk niet of zelden voorkomt.</al><al/><al>8 <cursief><onderstreept>Niet aanvaarden van algemeen geaccepteerde arbeid,
                            waaronder tevens wordt begrepen het niet meewerken aan bemiddeling naar
                            een concrete dienstbetrekking</onderstreept></cursief></al><al> De reden om deze gedraging niet op te nemen is de volgende. Ook deze gedraging
                    is voor wat betreft de Pw een geüniformeerde arbeidsverplichting, die is
                    neergelegd in artikel 18, vierde lid, aanhef en onder a. van de Pw die dus leidt
                    tot een maatregel van 100%, waarbij de duur van de maatregel in artikel 8 van
                    deze verordening is bepaald op twee maanden. Voor de Ioaw en Ioaz (zie hierna)
                    is in de verordening een vergelijkbare regeling opgenomen.</al><al/><al>9 <cursief><onderstreept>Het door eigen toedoen niet behouden van algemeen
                            geaccepteerde arbeid</onderstreept></cursief></al><al>In de Maatregelen- en handhavingsverordening van vóór 2015 is als
                    maatregelwaardige gedraging vermeld het door eigen toedoen niet behouden van
                    algemeen geaccepteerde arbeid. Deze gedraging is in feite ten onrechte
                    opgenomen, omdat het <vet>door eigen toedoen</vet> niet behouden van algemeen
                    geaccepteerde arbeid te verkrijgen, niet is vermeld in de Wwb, en ook niet het
                        <vet>niet behouden van</vet> algemeen geaccepteerde arbeid (in het
                    algemeen). Wel is in de Wwb als maatregelwaardige gedraging opgenomen het niet
                    naar vermogen<vet> verkrijgen of aanvaarden</vet> van algemeen geaccepteerde
                    arbeid. In de Participatiewet is het niet <vet>behouden van </vet>algemeen
                    geaccepteerde arbeid een geüniformeerde gedraging, waar een maatregel op staat
                    van 100%, waarbij in deze verordening de duur van de maatregel is vastgesteld op
                    twee maanden. Daarom is deze gedraging niet als maatregelwaardige gedraging
                    opgenomen. </al><al/><al/><al><cursief><onderstreept>Niet of onvoldoende nakomen van
                            verplichtingen</onderstreept></cursief></al><al>De verwijtbare gedragingen omvatten zowel het niet als het onvoldoende nakomen
                    van diverse verplichtingen. Artikel 18, tweede lid, van de WWB zoals dat luidde
                    vóór 1 januari 2015 bepaalt dat het college moest afstemmen als een
                    belanghebbende de verplichtingen "niet of onvoldoende nakomt". Met het huidige
                    artikel 18, tweede lid, van de Participatiewet wordt dit gewijzigd in "het niet
                    nakomen van de verplichtingen". Het woord "onvoldoende" valt hiermee weg.
                    Gemeend wordt dat de wetgever hiermee echter geen inhoudelijke wijziging heeft
                    beoogd en dat dit moet worden gelezen als het niet of onvoldoende nakomen van
                    verplichtingen. Om onduidelijkheid hierover te voorkomen is daarom in artikel 9
                    neergelegd dat sprake is van een verwijtbare gedraging bij het niet of
                    onvoldoende nakomen van de verplichtingen.</al><al/><al><cursief><onderstreept>Derde categorie</onderstreept></cursief></al><al>Deze categorie betreft het niet naar vermogen verkrijgen van algemeen
                    geaccepteerde arbeid in de gemeente van inwoning, voor zover dit niet
                    voortvloeit uit een gedraging als bedoeld in artikel 18, vierde lid, van de Pw.
                    Nadrukkelijk is hier niet gekozen voor de formulering: "het niet naar vermogen
                        <onderstreept>proberen</onderstreept> algemeen geaccepteerde arbeid in de
                    gemeente van inwoning te verkrijgen...". De reden daarvoor is dat nergens in de
                    wet het woord "proberen" en het woord "trachten" is vermeld. </al><al>Het niet nakomen van deze verplichting (die is genoemd in artikel 9 van de Pw)
                    leidt tot een maatregel van 100% gedurende 1 maand.</al><al/><al>De verwijtbare gedragingen opgenomen in het derde lid zijn niet aan de orde voor
                    zover het gaat om het niet naar vermogen verkrijgen van algemeen geaccepteerde
                    arbeid als dit het gevolg is van een gedraging zoals bedoeld in artikel 18,
                    vierde lid, van de Participatiewet. In artikel 18, vierde lid, van de
                    Participatiewet staan de geüniformeerde arbeidsverplichtingen, en daarvoor geldt
                    een apart afstemmingsregime: het opleggen van een maatregel van 100% gedurende
                    een in de verordening vastgelegde duur van ten minste een maand en ten hoogste
                    drie maanden (artikel 18, vijfde lid, van de Participatiewet). In deze
                    verordening is de duur vastgelegd in artikel 8.</al><al/><al>Een volledig schema met een vergelijking van de gevolgen voor de Wwb tot 2015 en
                    de gevolgen voor de Pw vanaf 2015 is bij deze toelichting gevoegd. Uit dat
                    schema blijkt duidelijk, dat op bepaalde gedragingen in 2015 een zwaardere
                    maatregel staat dan vóór 2015, maar dat is grotendeels een bewuste keuze van de
                    wetgever.</al><al/><al/><al><vet>Artikel 10. Gedragingen IOAW en IOAZ</vet></al><al/><al/><al><cursief><onderstreept>Gelijkstelling gevolgen voor Pw en voor IOAW en
                            IOAZ</onderstreept></cursief></al><al>Zoals in de algemene toelichting bij deze verordening al is aangeven, zijn er
                    duidelijke verschillen tussen de Pw enerzijds en de IOAW en IOAZ anderzijds, en
                    is ervoor gekozen om de gevolgen voor enerzijds de Pw en anderzijds de IOAW en
                    IOAZ zoveel mogelijk identiek te regelen. Dat heeft wel tot gevolg dat een
                    aantal gedragingen in 2015 een zwaardere maatregel tot gevolg heeft dan vóór
                    2015. Daarmee wordt dan weer wel aangesloten bij de Pw, want een aantal
                    gedragingen in de Pw in 2015 heeft een zwaardere maatregel tot gevolg dan
                    diezelfde gedragingen voor de Wwb vóór 2015. Dat laatste is zoals gezegd een
                    bewuste en ook nadrukkelijk keuze van de wetgever. </al><al/><al>Waarom de wetgever niet ook voor de IOAW en IOAZ een soortgelijke bewuste en
                    nadrukkelijke keuze heeft gemaakt, blijkt niet uit de parlementaire geschiedenis
                    van totstandkoming van de Participatiewet. Niet ondenkbaar is dat dit is
                    vergeten. Anderzijds zou een mogelijke verklaring kunnen zijn dat de IOAW en de
                    IOAZ aflopende wetten zijn, gezien de Wet werk en zekerheid, en de wetgever geen
                    energie (meer) heeft willen steken in de IOAW en IOAZ. Op grond van de Wet werk
                    en zekerheid wordt de IOAW vanaf januari 2015 alleen toegankelijk voor
                    werknemers geboren vóór 1 januari 1965.</al><al/><al>Niettemin kan worden gesteld dat het gerechtvaardigd is dat schending van een
                    aantal verplichtingen van de IOAW en IOAZ in 2015 een zwaardere maatregel tot
                    gevolg heeft dan schending van diezelfde verplichting vóór 2015. Ook in de Pw
                    heeft schending van een aantal verplichtingen in 2015 een zwaardere maatregel
                    tot gevolg dan schending van diezelfde verplichting vóór 2015. Een van de
                    redenen daarvoor is, zoals in de algemene toelichting bij deze verordening al is
                    aangegeven, dat degenen die uit solidariteit de kosten van de sociale
                    voorzieningen betalen, erop moeten kunnen rekenen dat alleen een uitkering wordt
                    verstrekt aan degenen die dat echt nodig hebben. Alleen dan is er een draagvlak
                    voor de betaalbaarheid van onze sociale voorzieningen, nu en in de toekomst.
                    Anders gezegd: aan handhaving moet een zeer groot belang worden gehecht. </al><al>In verband daarmee is in de Pw de handhaving aangescherpt. De hiervoor genoemde
                    reden voor deze aanscherping (aanvankelijk was het gevolg van schending van een
                    geüniformeerde arbeidsverplichting zelfs een maatregel van 100% gedurende drie
                    maanden) is evenzeer van toepassing op de IOAW en IOAZ. Ook bij de uitvoering
                    van die wetten moeten degenen die de kosten daarvan betalen, erop kunnen
                    vertrouwen dat alleen een uitkering wordt verstrekt aan degenen die dat echt
                    nodig hebben.</al><al/><al>Als er geen vierde categorie zou bestaan, maar categorie 3 de hoogste categorie
                    zou zijn, en iemand die een IOAW- of IOAZ-uitkering ontvangt, een aangeboden
                    baan verwijtbaar weigert, krijgt hij of zij dan één maand geen uitkering. Bij de
                    Pw is er in deze verordening voor gekozen om bij bepaalde gedragingen als
                    bedoeld in artikel 18, vierde lid, aanhef en onder a, te weten het niet
                    aanvaarden of behouden van algemeen geaccepteerde arbeid, meteen een maatregel
                    op te leggen van twee maanden. Om te voorkomen dat er een groot verschil
                    ontstaat tussen voor Pw- en IOAW/IOAZ-uitkeringsgerechtigden, is een vierde
                    categorie in het leven geroepen, uitsluitend voor de IOAW en IOAZ, waarbij
                    evenals bij de Pw gedurende twee maanden een maatregel van 100% wordt
                    opgelegd.</al><al/><al>Een overzicht met een vergelijking van de gevolgen voor de IOAW en IOAZ van vóór
                    en na 2015 is bij deze toelichting gevoegd.</al><al/><al><vet>Artikel 11. Hoogte en duur maatregel</vet></al><al/><al>Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.</al><al/><al><vet>Artikel 12. Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid </vet></al><al><vet>voor de voorziening in het bestaan</vet></al><al/><al>Aan de Participatiewet ligt het beginsel ten grondslag dat iedereen in eerste
                    instantie in zijn eigen bestaan(skosten) dient te voorzien. Pas wanneer dat niet
                    mogelijk is, kan men een beroep doen op bijstand. Hoofdregel is dus dat iedereen
                    alles zal moeten doen en nalaten om een beroep op bijstand te voorkomen. Leidt
                    een gedraging ertoe dat belanghebbende eerder, langer of voor een hoger bedrag
                    is aangewezen op bijstand, dan is veelal sprake van een tekortschietend besef
                    van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan. Hiervan is in ieder
                    geval sprake bij de volgende gedragingen (als die er toe leiden dat
                    belanghebbende eerder, langer of voor een hoger bedrag is aangewezen op
                    bijstand):</al><al>1. een onverantwoorde besteding en het snel interen van vermogen;</al><al>2. geen of te late aanvraag doen voor een voorliggende voorziening (uitkering of
                    toeslagen zoals huur- of zorgtoeslag);</al><al>3. het door eigen schuld verliezen van een voorliggende voorziening;</al><al>4. geen recht op huurtoeslag door het in huis nemen van illegalen;</al><al>5. verwijtbaar onvoldoende verzekerd zijn of met een hoog eigen risico. Deze
                    kosten zijn dan voorzienbaar, waardoor er geen bijzondere omstandigheden
                    aanwezig worden geacht.</al><al/><al>Het niet behouden van algemeen geaccepteerde arbeid moet worden aangemerkt als
                    een uniforme arbeidsverplichting (zie de artikelen 9, eerste lid, onderdeel a,
                    en 18, vierde lid, onderdeel g, van de Participatiewet). Is sprake van het niet
                    behouden van algemeen geaccepteerde arbeid, dan moet afstemming plaatsvinden
                    volgens de regels van artikel 18 van de Participatiewet en artikel 8 van deze
                    verordening.</al><al/><al><cursief><onderstreept>Eerste lid</onderstreept></cursief></al><al>Op grond van artikel 12 van deze verordening kan een maatregel worden opgelegd
                    wegens het betonen van tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de
                    voorziening in het bestaan. De ernst van de gedraging komt tot uitdrukking in de
                    hoogte van het benadelings-bedrag. Dat is in dit geval het gedeelte van de
                    uitkering waarop eerder, langer, of tot een hoger bedrag een beroep wordt
                    gedaan.</al><al/><al>De verplichting om voldoende besef van verantwoordelijkheid te (be)tonen voor de
                    voorzie-ning in het bestaan, geldt al voordat een bijstandsuitkering wordt
                    aangevraagd. Dit betekent dat wanneer iemand in de periode voorafgaand aan de
                    bijstandsaanvraag een tekort-schietend besef van verantwoordelijkheid heeft
                    getoond, waardoor hij niet langer beschikt over de middelen om in de kosten van
                    het bestaan te voorzien en als gevolg daarvan een bijstandsuitkering aanvraagt,
                    de gemeente bij de toekenning van de bijstand hiermee reke-ning kan houden door
                    het opleggen van een maatregel. </al><al/><al><cursief><onderstreept>Tweede lid</onderstreept></cursief></al><al>In het tweede lid wordt een relatie gelegd tussen de hoogte van de maatregel en
                    het benadelingsbedrag. Het benadelingsbedrag is in dit geval de omvang van het
                    vermogen of de voorziening waarmee de betrokkene gedurende kortere of langere
                    tijd buiten de bijstand zou zijn gebleven. Vanwege een eenvoudige uitvoering in
                    de praktijk vindt de berekening van de op te leggen maatregel niet plaats op
                    grond van het feitelijke benadelingsbedrag, maar op basis van een vast bedrag
                    per categorie en wel als volgt:</al><al>a. bij een benadelingsbedrag tot € 1.000,00: een maatregel van € 100,00;</al><al>b. bij een benadelingsbedrag van € 1.000,00 tot € 3.500,00: een maatregel van €
                    200,00;</al><al>c. bij een benadelingsbedrag van € 3.500,00 tot € 7.500,00: een maatregel van
                    100% van de bijstandsnorm gedurende één maand;</al><al>d. bij een benadelingsbedrag van € 7.500,00 tot € 15.000,00: een maatregel van
                    100% van de bijstandsnorm gedurende drie maanden;</al><al>e. bij een benadelingsbedrag van € 15.000,00 of hoger: een maatregel van 100%
                    gedurende zes maanden.</al><al/><al><cursief><onderstreept>Derde lid </onderstreept></cursief></al><al>Met de inwerkintreding van de Wet aanscherping handhaving en sanctiebeleid
                    SZW-wetgeving is niet alleen het sanctieregime in de Wwb, Ioaw en Ioaz
                    aangescherpt, maar ook het sanctieregime in diverse andere sociale
                    zekerheidswetten. In de diverse andere sociale zekerheidswetten is een
                    vergelijkbaar regime ingevoerd (boete ter hoogte van de ten onrechte ontvangen
                    uitkering en bij recidive boete ter hoogte van 150% van de ten onrechte
                    ontvangen uitkering). Een belangrijk verschil met de Wwb is dat in de overige
                    sociale zekerheidswetten, waaronder ook de Ioaw en Ioaz, het boetebedrag bij
                    recidive in beginsel voor een termijn van vijf jaar moet worden verrekend zonder
                    inachtneming van de beslagvrije voet. Dit kan ertoe leiden dat een bepaalde
                    uitkering van een voorliggende voorziening ten opzichte van de Wwb feitelijk
                    niet tot uitbetaling komt, doordat de recidive-boete wordt verrekend met de
                    volledige uitkering. In dat geval kan de belanghebbende, die feitelijk geen
                    middelen heeft, een beroep doen op algemene bijstand. Het verlies van de
                    voorliggende voorziening is in dat geval tekortschietend besef van
                    verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan, waardoor er sprake is
                    van maatregelwaardig gedrag. </al><al/><al>Dit artikellid komt er in feite op neer dat de belanghebbende in een identieke
                    situatie terechtkomt als de recidiverende bijstandsgerechtigde. Dat houdt in dat
                    gedurende drie maanden ook geen algemene bijstand wordt uitbetaald. Nadrukkelijk
                    is voor de ingangsdatum van de maatregel niet gekozen voor de effectuering van
                    de verrekening, maar de ingangsdatum van de algemene bijstand. Een voorbeeld
                    moge dit verduidelijken. </al><al/><al>Als een WW-uitkering feitelijk niet tot uitbetaling komt wegens verrekening van
                    een recidiveboete, en de verrekening is gestart op 1 maart 2015, maar de
                    belanghebbende pas op 1 juni 2015 een aanvraag indient om algemene bijstand, zou
                    de maatregel niet kunnen worden geëffectueerd als die zou ingaan op het moment
                    van de verrekening, dat is in het voorbeeld 1 maart 2015, want toen had de
                    belanghebbende helemaal geen recht op bijstand. Daarom is bewust gekozen om de
                    maatregel te doen ingaan op de ingangsdatum van de algemene bijstand, die wel
                    wordt toegekend maar feitelijk gezien drie maanden niet tot uitbetaling
                    komt.</al><al/><al>Een maatregel laat onverlet de mogelijkheid van toekenning van bijstand in de
                    vorm van een lening onder toepassing van artikel 48 lid 2 onder b van de wet
                    (noodzaak tot bijstands-verlening is het gevolg van tekortschietend besef van
                    verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan). Het gevolg van
                    bijstandsverlening in de vorm van een lening is echter de op voorhand
                    vastgestelde terugbetaling ervan. Als het college besluit beide instrumenten te
                    gebruiken (leenbijstand en maatregel) moet het wel voldoende acht slaan op het
                    totale effect hiervan voor de bijstandsgerechtigde. CRvB 20-03-2007, nrs. 06/515
                    NABW e.a., ECLI:NL:CRVB:2007:BA2344.</al><al/><al/><al/><al><vet>Artikel 13. Zeer ernstige misdragingen o.g.v. de Pw, Ioaw en
                    Ioaz</vet></al><al/><al>Onder de term 'zeer ernstige misdraging' dient in elk geval te worden verstaan:
                    elke vorm van ongewenst en agressief fysiek contact met een persoon of het
                    ondernemen van pogingen daartoe. Hieronder valt bijvoorbeeld schoppen, slaan of
                    het (dreigen met) gooien van voorwerpen naar een persoon. Ook het toebrengen van
                    schade aan een gebouw of inventarisonderdeel, evenals het ondernemen van
                    pogingen daartoe in enige vorm wordt als zeer ernstige misdraging gezien. </al><al/><al>Handelingen die door hun grote en mogelijk blijvende impact op de desbetreffende
                    persoon of personen grote invloed hebben zoals het opzetten van gerichte
                    lastercampagnes, seksuele intimidatie, het tonen van steek en/of vuurwapens
                    evenals (pogingen tot) opsluiting in een ruimte zijn eveneens als zeer ernstige
                    misdraging te beschouwen. Ook verbaal geweld valt onder de noemer 'zeer ernstige
                    misdraging'. Als er sprake is van agressief gedrag, moet uitvoerig worden
                    gerapporteerd over de exacte aard van het gedrag en de omstandigheden waarin het
                    zich heeft voorgedaan.</al><al/><al>Zeer ernstige misdragingen als bedoeld in dit artikel zijn volstrekt
                    onacceptabel en aan dergelijke gedragingen dient een zwaar gewicht toegekend te
                    worden. Op grond hiervan is een maatregel van 100% van de bijstandsnorm (of
                    grondslag bij de IOAW en IOAZ) gerechtvaardigd.</al><al/><al>Het toepassen van een maatregel staat overigens geheel los van het doen van
                    aangifte bij de politie. Het college legt een maatregel op, terwijl de
                    functionaris tegen wie de agressie zich richtte aangifte kan doen bij de
                    politie. Het opleggen van een maatregel wegens zich zeer ernstig misdragen staat
                    ook los van de bevoegdheid om de dader gedurende een periode de toegang tot de
                    gemeentelijke gebouwen te ontzeggen. Wat dat betreft kan aansluiting worden
                    gezocht met hetgeen hierover is gesteld in het agressieprotocol.</al><al/><al>Met ingang van 1 januari 2015 is de verplichting om zich te onthouden van zeer
                    ernstige misdragingen een zelfstandige verplichting die is opgenomen in artikel
                    9, zesde lid, van de Participatiewet. Deze verplichting staat dus op zichzelf.
                    Vóór 1 januari 2015 was dit een onzelfstandige verplichting. </al><al>Om een belanghebbende te sanctioneren wegens zeer ernstige misdragingen, moest
                    vóór 1 januari 2015 sprake zijn van een samenhang tussen de zeer ernstige
                    misdragingen met het niet nakomen van een of meer verplichtingen die
                    voortvloeien uit de toenmalige WWB, IOAW of IOAZ. </al><al/><al>Het gaat dus om alle vormen van zeer ernstige misdragingen tegenover de met de
                    uitvoering van de Participatiewet belaste personen en instanties (college, SVB
                    en reïntegratiebedrijven) tijdens het verrichten van hun werkzaamheden. Met de
                    zinsnede 'tijdens het verrichten van de werkzaamheden' wordt aangegeven dat de
                    misdraging dient plaats te vinden in het kader van de uitvoering van de
                    Participatiewet. Dat is anders als betrokkenen elkaar buiten werktijd tegen
                    komen: dan is alleen het strafrecht van toepassing. </al><al>De voorgestelde wijziging voorziet er in dat deze verplichting mutatis mutandis
                    alsnog ook wordt opgenomen in de IOAW en in de IOAZ. Er is immers geen reden om
                    uitkeringsgerechtigden op grond van deze wetten op dit punt anders te behandelen
                    dan andere uitkeringsgerechtigde gerechtigden. Met de voorgestelde wijziging
                    wordt met andere woorden een omissie gerepareerd.</al><al/><al/><al/><al><vet>Artikel 14. Nadere verplichtingen</vet></al><al/><al>In artikel 55 van de Pw wordt de mogelijkheid geboden om naast de in Hoofdstuk 2
                    van de wet opgenomen verplichtingen aan belanghebbende de volgende nadere
                    verplichtingen op te leggen:</al><al>1. verplichtingen die strekken tot arbeidsinschakeling;</al><al>2. verplichtingen die verband houden met de aard en het doel van een bepaalde
                    vorm van bijstand, en </al><al>3. verplichtingen die strekken tot vermindering of beëindiging van de bijstand. </al><al>De verplichting om zich op advies van een arts onder medische behandeling te
                    stellen, is expliciet (en ook afzonderlijk) opgenomen in dit artikel. </al><al/><al>Onder de onder 1. genoemde verplichtingen valt bijvoorbeeld het meewerken aan
                    een medisch onderzoek om te komen tot een zorgvuldige beoordeling van de
                    arbeidsmogelijk-heden. Onder de onder 2. genoemde verplichtingen valt de
                    verplichting dat de bijstand moet worden aangewend voor het doel waarvoor zij
                    wordt verstrekt. De bestedingsverplichting is vooral van belang wanneer
                    bijzondere bijstand wordt verstrekt voor specifieke kosten en er niet
                    rechtstreeks aan een leverancier of instelling wordt uitbetaald. Onder de onder
                    3. genoemde verplichtingen valt bijvoorbeeld de verplichting om alimentatie te
                    vorderen van de (ex-)echtgenoot, en de verplichting om rechtsmiddelen aan te
                    wenden tegen de afwijzing van een beroep op een voorliggende voorziening. </al><al>Het gaat hier dus om zeer uiteenlopende verplichtingen.</al><al/><al>In deze verordening is er nadrukkelijk niet voor gekozen de verschillende
                    verplichtingen als bedoeld in artikel 55, afzonderlijk te benoemen. De redenen
                    daarvoor zijn de volgende.</al><al/><al>Bij niet of onvoldoende nakomen van verplichtingen die zien op
                    arbeidsinschakeling is hierboven als voorbeeld genoemd het meewerken aan een
                    medisch onderzoek. Dit kan wellicht worden gezien als meewerken aan een
                    onderzoek in verband met de arbeidinscha-keling, wat elders in deze verordening
                    al is geregeld. </al><al/><al>Als voorbeeld van een verplichting die verband houdt met de aard en het doel van
                    een bepaalde vorm van bijstand is hierboven genoemd het niet aanwenden van
                    bijzondere bijstand voor het doel waarvoor die bijstand is bestemd. Maar in dat
                    geval, en ook alleen bij deze van de drie in artikel 55 genoemde soorten
                    verplichtingen, wordt de volledige bijstand al teruggevorderd. In dat geval kan
                    het voorkomen dat er geen bijstand meer over is om te verlagen door middel van
                    het opleggen van een maatregel (omdat er bijvoorbeeld geen algemene bijstand
                    wordt verstrekt en de bijzondere bijstand zoals gezegd al is teruggevorderd). In
                    verband daarmee is in dit artikel de zinsnede toegevoegd: "tenzij wordt besloten
                    de kosten van bijstand terug te vorderen". Als dat laatste het geval is, wordt
                    er geen maatregel opgelegd. De voornoemde toevoeging heeft in de praktijk alleen
                    betekenis bij het niet nakomen van de hierboven genoemde
                    bestedingsverplichting.</al><al/><al>En wat betreft de verplichtingen die strekken tot vermindering of beëindiging
                    van de bijstand is de scheidslijn lang niet altijd even helder. Uitgaande van
                    het standaardvoorbeeld dat de bijstandsgerechtigde alimentatie eist, is niet
                    altijd meteen duidelijk of dat strekt tot verminde-ring of tot beëindiging van
                    de bijstand. De wet noemt de vermindering en beëindiging van de bijstand ook in
                    één bepaling. Daar komt nog bij dat het niet eisen van alimentatie kan worden
                    gezien als tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in
                    het bestaan, wat elders in deze verordening al is geregeld. </al><al/><al>Gelet op het bovenstaande is in deze verordening gekozen voor een korte bepaling
                    om een maatregel op te leggen als niet aan een nadere verplichting als bedoeld
                    in artikel 55 van de Pw is voldaan, waarbij geen onderscheid wordt gemaakt
                    tussen de verschillende verplich-tingen die in artikel 55 worden genoemd.</al><al/><al><vet>Artikel 15. Samenloop van gedragingen</vet></al><al/><al>Het begrip samenloop is afkomstig uit het strafrecht. In het strafrecht is
                    samenloop aanleiding tot strafverzwaring. Van samenloop is sprake indien een
                    belanghebbende (min of meer) gelijktijdig meerdere (verschillende)
                    maatregelwaardige gedragingen doet, die ieder voor zich het niet nakomen van een
                    verplichting met zich meebrengen. </al><al/><al><cursief><onderstreept>Verschil tussen samenloop en
                        recidive</onderstreept></cursief></al><al>Het verschil tussen samenloop en recidive, ook een begrip dat afkomstig is uit
                    het strafrecht, is dat pas sprake is van recidive als na een eerder genomen
                    maatregelbesluit een gedraging plaatsvindt die aanleiding is tot een maatregel
                    van dezelfde of een hogere categorie. </al><al>Een ander verschil tussen recidive en samenloop is dat bij recidive sprake moet
                    zijn van schending van dezelfde wettelijke verplichting.</al><al/><al>Gemeenten kunnen ervoor kiezen geen regeling voor de samenloop van gedragingen
                    in de maatregelenverordening op te nemen. In dat geval zal het college in ieder
                    individueel geval een verlaging moeten vaststellen. Omwille van de duidelijkheid
                    is in dit artikel een regeling in de verordening opgenomen voor de
                    samenloop.</al><al/><al><cursief><onderstreept>De twee varianten voor een
                            samenloopregeling</onderstreept></cursief></al><al>Inhoudelijk gezien zijn er voor de regeling van de samenloop twee mogelijkheden.
                    Ofwel wordt ervoor gekozen dat de samenloopregeling inhoudt dat de afzonderlijke
                    maatregelen, die in verband met de samenloop zijn aangewezen, bij elkaar worden
                    opgeteld (de zogenaamde "cumulatieregeling"). Ofwel wordt ervoor gekozen dat de
                    samenloopregeling inhoudt dat van de afzonderlijke maatregelen, die in verband
                    met de samenloop zijn aangewezen, alleen de zwaarste aangewezen maatregel wordt
                    opgelegd.</al><al/><al>Een voorbeeld moge dit verduidelijken. De belanghebbende, die jonger dan 27 jaar
                    is, neemt deel aan een gesprek met zijn klantmanager, en dat gesprek heeft tot
                    doel dat voor de belanghebbende een plan van aanpak wordt opgesteld. De
                    belanghebbende wordt tijdens het gesprek ontzettend boos, bedreigt en slaat de
                    klantmanager en loopt weg. Dan is sprake van het in onvoldoende mate meewerken
                    aan het opstellen van een plan van aanpak, zijnde een gedraging van categorie 2,
                    die leidt tot een maatregel van € 200,00. Tegelijkertijd is sprake van het zich
                    ernstig misdragen, wat leidt tot een maatregel van de gehele van toepassing
                    zijnde bijstandsnorm gedurende een maand. Volgens de cumulatieregeling worden
                    beide maatregelen in dit geval bij elkaar opgeteld, wat dus betekent dat de
                    belanghebbende één maand geen uitkering krijgt en bovendien nog een maatregel
                    van € 200,00 wordt opgelegd. In feite worden dan twee maatregelen opgelegd.
                    Volgens de andere variant wordt alleen de zwaarste maatregel opgelegd, wat
                    betekent dat belanghebbende één maand geen uitkering krijgt.</al><al/><al>In deze verordening is niet gekozen voor de cumulatieregeling maar voor het
                    andere systeem, namelijk dat voor het bepalen van de hoogte en duur van de
                    maatregel wordt uitgegaan van de gedraging waarop de hoogste maatregel is
                    gesteld. De reden hiervoor is de volgende. </al><al/><al>Met ingang van 1 januari 2015 is het wettelijk maatregelenregime aanzienlijk
                    verscherpt. In verband daarmee zou een samenloopregeling waarbij wordt uitgegaan
                    van cumulatie, kunnen betekenen dat een belanghebbende langere tijd (meerdere
                    maanden) zonder inkomen komt te zitten, wat weer andere problemen met zich
                    meebrengt. Daarom is voor een ander regime gekozen. Voor het bovenstaande
                    voorbeeld betekent dit dus dat de maatregelen niet bij elkaar worden opgeteld,
                    maar de zwaarste maatregel wordt opgelegd, dat wil zeggen één maatregel wordt
                    opgelegd van de gehele van toepassing zijnde bijstandsnorm gedurende één
                    maand.</al><al/><al><vet>Artikel 16. Recidive en herhaalde recidive bij niet nakomen van
                        geüniformeerde arbeidsverplichtingen </vet></al><al/><al>De wettelijke regeling met betrekking tot recidive van een geüniformeerde
                    arbeidsverplichting houdt in dat de hoogte van de maatregel 100% is en de
                    periode van de verlaging in ieder geval langer moet zijn dan de periode van de
                    eerste maatregel wegens een geüniformeerde arbeidsverplichting, en ten hoogste
                    drie maanden mag bedragen (artikel 18, zesde lid, Pw).</al><al/><al>In deze verordening is ervoor gekozen dat de duur van de oorspronkelijke
                    maatregel wordt verdubbeld met een maximum van ten hoogste drie maanden. In
                    concreto betekent dat het volgende. </al><al>Als met toepassing van het bepaalde in artikel 8 van deze verordening een
                    maatregel van 100% van de bijstandsnorm gedurende twee maanden is opgelegd
                    wegens het niet behouden van arbeid, en belanghebbende behoudt nogmaals zijn
                    arbeid niet (of aanvaardt geen arbeid), dan wordt een maatregel opgelegd van
                    100% van de bijstandsnorm gedurende drie maanden (de maximale periode). </al><al>Als een maatregel van 100% van de bijstandsnorm gedurende één maand is opgelegd
                    voor één van de geüniformeerde arbeidsverplichtingen in artikel 18, vierde lid,
                    onder b tot en met h van de Pw, bijvoorbeeld het belemmeren van het verkrijgen,
                    aanvaarden of behouden van algemeen geaccepteerde arbeid door kleding, gebrek
                    aan persoonlijke verzorging of gedrag, en belanghebbende schendt nogmaals één
                    van die verplichtingen, dan wordt een maatregel opgelegd van 100% van de
                    bijstandsnorm gedurende twee maanden (dan wordt de duur van de maatregel
                    verdubbeld).</al><al/><al>Bij een derde, vierde en volgende schending van een geüniformeerde
                    arbeidsverplichting, telkens binnen twaalf maanden na oplegging van de vorige
                    maatregel, bedraagt de verlaging honderd procent gedurende drie maanden (artikel
                    18, zevende en achtste lid, van de Pw). Dit is wettelijk bepaald; hierin heeft
                    het gemeentebestuur geen keuzevrijheid.</al><al/><al/><al><vet>Artikel 17. Recidive en herhaalde recidive bij niet nakomen van
                        niet-geüniformeerde arbeidsverplichtingen en overige
                    verplichtingen</vet></al><al/><al/><al><cursief><onderstreept>Dezelfde gedraging vereist voor recidive (eerste tot en
                            met vierde lid)</onderstreept></cursief></al><al>Voor recidive als bedoeld in het eerste en tweede lid is vereist dat sprake moet
                    zijn van "eenzelfde verwijtbare gedraging" als de gedraging waarvoor de eerste
                    verlaging is opgelegd. Voorwaarde is dus dat dezelfde verplichting wordt
                    geschonden. Is dit niet het geval, dan moet de verwijtbare gedraging worden
                    aangemerkt als een eerste schending van een verplichting. </al><al>Heeft een persoon zich zeer ernstig misdragen binnen twaalf maanden nadat een
                    verlaging is opgelegd wegens het zich niet tijdig laten registreren als
                    werkzoekende bij Uitvoeringsin-stituut werknemersverzekeringen, dan is geen
                    sprake van recidive aangezien het niet "eenzelfde gedraging" betreft. Evenmin is
                    sprake van recidive als een belanghebbende niet meewerkt aan het opstellen van
                    een plan van aanpak en vervolgens een opgedragen tegenprestatie niet verricht.
                    Ook dan is geen sprake van eenzelfde gedraging aangezien twee verschillende
                    verplichtingen zijn geschonden.</al><al>In verband met het vereiste van “eenzelfde verwijtbare gedraging” is in dit
                    artikel voor elke categorie verplichtingen een aparte bepaling met betrekking
                    tot recidive opgenomen. De gekozen recidiveregeling houdt in dat de maatregel
                    die moet worden opgelegd voor de nieuwe verwijtbare gedraging, wordt
                    verdubbeld.</al><al/><al><cursief><onderstreept>Herhaalde en voortdurende recidive (vijfde
                            lid)</onderstreept></cursief></al><al>In het vijfde lid is een regeling neergelegd met betrekking tot de herhaalde en
                    ook met betrekking tot de voortdurende recidive, dat wil zeggen dat een
                    belanghebbende voor de derde of volgende keer binnen een periode van 12 maanden
                    een verplichting niet nakomt. Bij de recidiveregelingen in het eerste tot en met
                    het vierde lid is ervoor gekozen om de maatregel, die moet worden opgelegd voor
                    de nieuwe verwijtbare gedraging, te verdubbelen. In verband daarmee is niet
                    ondenkbaar dat ervoor wordt gekozen om bij
                        <vet><cursief>herhaalde</cursief></vet> recidive de maatregel die moet
                    worden opgelegd voor de nieuwe verwijtbare gedraging te verdrievoudigen of
                    verviervoudigen. Hier is echter nadrukkelijk niet voor gekozen op grond van de
                    twee volgende redenen.</al><al/><al>In de eerste plaats kan die keuze ertoe leiden dat een onevenredig zware
                    maatregel aan de belanghebbende wordt opgelegd. Een voorbeeld moge dit
                    verduidelijken. Stel dat een belanghebbende niet is ingeschreven als
                    werkzoekende. Dan wordt een maatregel opgelegd van € 100,00. Als vier maanden
                    later blijkt dat de belanghebbende nog steeds niet is ingeschreven als
                    werkzoekende, wordt een maatregel opgelegd van 2 x € 100,00 = € 200,00. Als de
                    belanghebbende naar aanleiding daarvan naar het gemeentehuis/werkplein komt en
                    zich daar ernstig misdraagt, is een maatregel aangewezen van 100% van de
                    bijstandsnorm gedurende één maand, die dan zou worden verdrievoudigd (dan zou
                    belanghebbende drie maanden geen uitkering krijgen) of verviervoudigd (dan zou
                    belanghebbende vier maanden geen uitkering krijgen). </al><al>Een ander voorbeeld. Wegens recidive is een maatregel van € 400 opgelegd omdat
                    een belanghebbende die jonger is dan 27 jaar voor de tweede maal niet meewerkt
                    aan het opstellen van een plan van aanpak. Dan komt de belanghebbende naar het
                    gemeentehuis/werkplein en misdraagt zich daar ernstig. Voor de nieuwe gedraging
                    is een maatregel aangewezen van 100% van de bijstandsnorm gedurende één maand,
                    en bij verdrievoudigen van die maatregel zou de belanghebbende dan drie maanden
                    geen uitkering krijgen.</al><al>Uit de beide hiervoor genoemde voorbeelden blijkt, dat het verdrievoudigen (of
                    verviervou-digen) van de maatregel die is aangewezen voor de nieuwe verwijtbare
                    gedraging, zou leiden tot een onevenredig zware maatregel voor de
                    belanghebbende. Een dergelijke maatregel zal naar alle waarschijnlijkheid een
                    rechterlijke toets ook niet doorstaan. </al><al>Omwille van de duidelijkheid zij hierbij nog aangetekend dat het hier
                    uitsluitend gaat om de (niet geüniformeerde) verplichtingen van hoofdstuk 3 en 4
                    van deze verordening. De herhaalde recidive van de geüniformeerde
                    arbeidsverplichtingen is al geregeld in de Pw zelf.</al><al/><al>De tweede reden om niet te kiezen voor verdrievoudiging (of verviervoudiging)
                    van de aangewezen maatregel, indien sprake is van herhaalde recidive, is de
                    volgende. Bij herhaalde recidive is de belanghebbende voor de derde maal binnen
                    12 maanden een verplichting niet nagekomen. Bij voortdurende recidive is de
                    belanghebbende zelfs voor een vierde of volgende keer een verplichting binnen
                    twaalf maanden niet nagekomen. Bij voortdurende recidive is het vrijwel
                    onmogelijk een regeling voor het opleggen van een maatregel in de verordening op
                    te nemen, omdat die maatregel in dat geval in zeer hoge mate afhangt van de
                    omstandigheden van het concrete geval. Het in dat geval bijvoorbeeld
                    vervijfvoudigen of verzesvoudigen van de maatregel, die is aangewezen voor de
                    nieuwe verwijtbare gedraging, leidt dan veelal (ook) tot een onevenredig zware
                    maatregel voor de belanghebbende. Omdat echter niet alleen bij voortdurende
                    recidive maar ook bij herhaalde recidive de maatregel in zeer hoge mate afhangt
                    van de omstandigheden van het concrete geval, is er in deze verordening voor
                    gekozen om zowel voor de herhaalde recidive als voor de voortdurende recidive
                    (slechts) te bepalen dat in die gevallen de maatregel wordt afgestemd op de
                    ernst van de gedraging en de omstandigheden waarin de belanghebbende verkeert,
                    en niet exact te bepalen wat in dat geval de hoogte en de duur van de maatregel
                    is. Niet is te verwachten dat dit in de uitvoering onoverkomelijke problemen zal
                    opleveren, mede gelet op het feit dat de herhaalde en voortdurende recidive zich
                    in de praktijk niet zo vaak voordoen. </al><al/><al><cursief><onderstreept>Meetellen maatregelen op grond van de tot 1 januari 2015
                            geldende verordening (zesde lid)</onderstreept></cursief></al><al>In het zesde lid is een regeling opgenomen waarbij voor alle vormen van recidive
                    en herhaalde recidive maatregelen meetellen, die zijn opgelegd op grond van de
                    tot 1 januari 2015 geldende verordening. Niet gewenst wordt namelijk geacht dat
                    alle gedragingen vóór 1 januari 2015, die hebben geleid tot het opleggen van een
                    maatregel, worden kwijtgescholden in die zin dat die niet meetellen voor
                    recidive en herhaalde recidive op grond van de met ingang van 1 januari 2015
                    geldende verordening.</al><al/><al/><al><vet>Artikel 18. Samenloop bij blijvende of tijdelijke weigering
                    IOAW/IOAZ</vet></al><al/><al>Het college is op grond van artikel 20 van de IOAW en artikel 20 van de IOAZ
                    bevoegd de uitkering blijvend of tijdelijk te weigeren als een belanghebbende,
                    kort gezegd, inkomen uit arbeid had kunnen verwerven, maar dit nalaat. Dit is
                    een discretionaire bevoegdheid van het college. De vraag of een verlaging moet
                    worden toegepast, zal pas aan de orde komen als het college zich een oordeel
                    heeft gevormd over de eventuele weigering van de uitkering. Deze beoordeling
                    gaat in beginsel voor. Pas als het college concludeert dat van een weige-ring
                    geen sprake is, kan op grond van deze verordening een verlaging worden
                    toegepast. Artikel 18 van deze verordening is derhalve bedoeld om samenloop te
                    voorkomen.</al><al/><al><vet>Artikel 19. Bijzondere bijstand</vet></al><al/><al><cursief><onderstreept>Artikel 19, algemeen</onderstreept></cursief></al><al>Aan de bijstand ligt het beginsel ten grondslag, dat een ieder primair zelf
                    verantwoordelijk is om in de eigen bestaanskosten te voorzien. Artikel 18,
                    tweede lid, van de Pw maakt het mogelijk dat de bijstand wordt verlaagd, indien
                    de belanghebbende naar het oordeel van het college tekortschietend besef betoont
                    van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan. Enige tijd is
                    omstreden geweest of dit in het algemeen ook gold voor bijzondere bijstand. De
                    Centrale Raad van Beroep heeft daaraan een einde gemaakt in de uitspraak d.d. 2
                    maart 2010, LJN BL7308, zaak nr. 08/3397 WWB, RSV 2010,123, waarin de Centrale
                    Raad van Beroep hieromtrent het volgende overweegt:</al><al><cursief>“Die beoordeling (of een belanghebbende zich verwijtbaar heeft gedragen
                        en of dit verwijtbaar gedrag ertoe heeft geleid dat hij een beroep op de
                        bijzondere bijstand moet doen) dient plaats te vinden in het kader van de
                        toepassing van artikel 18, tweede lid, van de WWB en de in artikel 8, eerste
                        lid, onderdeel b, van de WWB bedoelde verordening (...).”</cursief></al><al>Ook in de uitspraak d.d. 18-12-2012, zaaknummer 11/2483 WWB-T, BZ3638, en in de
                    uitspraak d.d. 08-11-2011, zaaknummer 09-3765 WWB, ECLI:NL:CRVB:2011:BU4465 zijn
                    soortgelijke overwegingen van de Centrale Raad van Beroep vermeld. De conclusie
                    is dus dat voor geheel of gedeeltelijke weigering van bijzondere bijstand wegens
                    tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het
                    bestaan een rechtsgrond moet zijn neergelegd in de Maatregelenverordening. Dat
                    is geschied met dit artikel 19.</al><al/><al>Voor wat betreft de relatie met het bepaalde in artikel 5, tweede lid, van deze
                    verordening, waarin is vermeld dat verlaging ook kan worden toegepast op de
                    bijzondere bijstand, wordt nog opgemerkt dat die bepaling uitsluitend ziet op de
                    situatie waarin daadwerkelijk bijzondere bijstand is verstrekt. Als dat niet het
                    geval is, kan er immers ook geen verlaging plaatsvinden. Artikel 19 voorziet
                    juist in de mogelijkheid om bijzondere bijstand af te wijzen.</al><al/><al>Een belanghebbende die ofwel verwijtbaar gedrag heeft vertoond als bedoeld in
                    artikel 18, vierde lid, onder a van de Pw (d.w.z. algemeen geaccepteerde arbeid
                    niet heeft aanvaard of behouden) ofwel tekortschietend besef betoont van
                    verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan, kan zowel algemene als
                    bijzondere bijstand aanvragen. </al><al>In dat geval ontvangt belanghebbende niet alleen tijdelijk geen algemene
                    bijstand (op grond van het bepaalde in artikel 8 dan wel artikel 12 van deze
                    verordening), maar ontvangt daarnaast geen bijzondere bijstand (op grond van het
                    bepaalde in artikel 19 van deze verordening). Hiermee wordt die belanghebbende
                    dan niet dubbel gestraft, omdat het in het ene geval algemene bijstand betreft
                    en in het andere geval bijzondere bijstand en die beide soorten bijstand los van
                    elkaar staan. Bovendien zijn er belanghebbenden die geen algemene bijstand
                    ontvangen of aanvragen maar uitsluitend bijzondere bijstand aanvragen. Ook op
                    hen is het bepaalde in artikel 19 van deze verordening onverkort van
                    toepassing.</al><al/><al>Volledigheidshalve wordt nog opgemerkt dat de IOAW en IOAZ geen tekortschietend
                    besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan kennen.</al><al/><al><cursief><onderstreept>Artikel 19, eerste lid, aanhef en onderdeel
                            a</onderstreept></cursief></al><al>Dit artikelonderdeel voorziet in de eerste plaats in de mogelijkheid om een
                    aanvraag om bijzondere bijstand af te wijzen indien de belanghebbende binnen 12
                    maande voorafgaand aan de aanvraag verwijtbaar gedrag heeft betoond als bedoeld
                    in artikel 18, vierde lid, onder a van de Pw. Dat artikelonderdeel ziet op het
                    niet aanvaarden of behouden van algemeen geaccepteerde arbeid. Hiermee brengt de
                    belanghebbende zichzelf willens en wetens in een situatie waarin hij of zij voor
                    de voorziening in het bestaan (dat wil zeggen zowel voor algemene bestaanskosten
                    als bijzondere bestaanskosten) blijvend aangewezen is en blijft op
                    bijstandsverlening. Wanneer de belanghebbende dan wordt geconfronteerd met
                    bijzondere kosten, is het niet aan de gemeente om voor die kosten bijzondere
                    bijstand te verlenen. Immers, als de belanghebbende algemeen geaccepteerde
                    arbeid had aanvaard of behouden, had de belanghebbende zelf in die kosten kunnen
                    voorzien. Bovendien zou toekenning van bijzondere bijstand aan een
                    belanghebbende die verwijtbaar gedrag vertoont ten aanzien van het aanvaarden of
                    behouden van arbeid, tot gevolg hebben dat die belanghebbende daarmee in een
                    betere en meer bevoorrechte positie zou worden gebracht dan een belanghebbende
                    die geen verwijtbaar gedrag vertoont ten opzichte van het aanvaarden en behouden
                    van algemeen geaccepteerde arbeid. Dat wordt niet gewenst geacht.</al><al/><al><cursief><onderstreept>Artikel 19, eerste lid, aanhef en onderdeel
                            b</onderstreept></cursief></al><al>Dit artikelonderdeel voorziet in de mogelijkheid om een aanvraag om bijzondere
                    bijstand af te wijzen indien de belanghebbende binnen 12 maanden voorafgaand aan
                    de aanvraag een verzoek indient als gevolg van tekortschietend besef van
                    verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan, door hetzij een
                    verantwoorde besteding van middelen, hetzij het bewust lopen van risico’s. Onder
                    een onverantwoorde besteding van middelen wordt bijvoorbeeld verstaan besteding
                    van middelen aan niet noodzakelijke bestaanskosten. Onder het bewust lopen van
                    risico’s wordt bijvoorbeeld verstaan het verzuim om normaal te achten
                    verzekeringen af te sluiten. Onder normaal te achten verzekeringen worden
                    tenminste verstaan:</al><al>- zorgverzekering;</al><al>- wettelijke aansprakelijkheidsverzekering;</al><al>- opstalverzekeringen (alleen ingeval van bezit dan wel eigendom van een eigen
                    woning);</al><al>- brand- en inboedelverzekering;</al><al>- begrafeniskostenverzekering;</al><al>- reisverzekering ingeval van buitenlandse reizen.</al><al/><al>De term “indien sprake is van het bewust lopen van risico’s” houdt in dat onder
                    dit artikelonderdeel mede is begrepen het door eigen toedoen geen gebruik kunnen
                    (gaan) maken van een voorliggende voorziening én het door eigen toedoen
                    verliezen van aanspraken op grond van een voorliggende voorziening.</al><al/><al><cursief><onderstreept>Artikel 19, tweede lid</onderstreept></cursief></al><al>In dit artikellid is bepaald dat dit artikel uitsluitend betrekking heeft op
                    bijzondere bijstand die is gevraagd voor verhuis- en/of inrichtingskosten en/of
                    voor maatschappelijke participatie. De reden hiervoor is dat die beide
                    kostensoorten naar hun aard veel meer algemeen noodzakelijke kosten van bestaan
                    zijn, die eenieder in beginsel zelf dient te betalen uit het reguliere inkomen
                    ook al bevindt zich dat op minimumniveau, dan bijzondere noodzakelijke kosten
                    van het bestaan. Volledigheidshalve zij hier nog opgemerkt dat dit artikel
                    derhalve bijvoorbeeld geen betrekking heeft op bijzondere bijstand die wordt
                    gevraagd voor medische kosten.</al><al/><al><cursief><onderstreept>Artikel 19, derde lid</onderstreept></cursief></al><al>In dit artikellid is bepaald dat het college, in afwijking van het bepaalde in
                    het eerste lid, in bijzondere omstandigheden toch kan besluiten om bijzondere
                    bijstand in de vorm van leenbijstand toe te kennen voor de hoogst noodzakelijke
                    kosten. De term “voor de hoogst noodzakelijke kosten” ziet op de situatie waarin
                    een belanghebbende bijzondere bijstand vraagt voor meerdere verhuis- en/of
                    inrichtingskosten, bijvoorbeeld voor een koelkast, een bankstel, een tafel en
                    stoelen. Toepassing van dit derde lid kan er dan toe leiden dat slechts voor
                    bepaalde kosten, die als hoogst noodzakelijke kosten worden beschouwd,
                    bijzondere bijstand als leenbijstand wordt verleend, en dat de gevraagde
                    bijzondere bijstand voor de andere kosten wordt afgewezen. </al><al/><al><vet>Artikel 20 tot en met 22. Handhavingsbeleid</vet></al><al/><al>Artikel 8b van de Pw luidt als volgt:</al><al><cursief>“De gemeenteraad stelt in het kader van het financiële beheer bij
                        verordening regels voor de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van
                        bijstand alsmede van misbruik en oneigenlijk gebruik van de
                    wet”.</cursief></al><al>Artikel 35, eerste lid, aanhef en onderdeel c van de IOAW luidt als volgt:</al><al>“De gemeenteraad stelt bij verordening regels met betrekking tot de bestrijding
                    van het ten onrechte ontvangen van een uitkering alsmede van misbruik en
                    oneigenlijk gebruik van de wet in het kader van het financiële beheer”.</al><al>Artikel 35, eerste lid, aanhef en onderdeel c van de IOAZ luidt als volgt:</al><al><cursief>“De gemeenteraad stelt bij verordening regels met betrekking tot de
                        bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een uitkering alsmede van
                        misbruik en oneigenlijk gebruik van de wet in het kader van het financiële
                        beheer”.</cursief></al><al/><al>Afgezien van deze korte bepalingen in de Pw, de IOAW en de IOAZ is er geen
                    nadere aanduiding met betrekking tot wat er precies in deze op genoemde
                    artikelen gebaseerde verordening moet worden geregeld. De gemeente heeft op dit
                    punt beleidsvrijheid. In de artikelen 20, 21 en 22 van deze verordening stelt de
                    raad de regels voor het gemeentelijk handhavingsbeleid op hoofdlijnen vast en
                    wordt daarmee voorzien in de hiervoor genoemde wettelijke opdrachten. </al><al/><al>Van belang is wel dat gemeenten 100% financieel verantwoordelijk zijn voor de
                    bijstand of de uitkering die op grond van de IOAW en IOAZ wordt verstrekt, wat
                    als prikkel ervaren zal worden om meer aandacht te besteden aan handhaving. Aan
                    de andere kant is adequaat handhaven zeer tijdrovend. Het zoeken naar methoden
                    om zo effectief en efficiënt als mogelijk te handhaven ligt voor de hand.</al><al/><al><vet>Artikel 23. Verrekening zonder inachtneming van de beslagvrije
                    voet</vet></al><al>In dit artikel is de hoofdregel neergelegd dat gedurende de eerste drie maanden
                    verrekening van de recidiveboete plaatsvindt zonder dat rekening wordt gehouden
                    met de beslagvrije voet. Dat betekent in feite dat de bijstandsuitkering
                    gedurende drie maanden niet wordt uitbetaald.</al><al>In de Memorie van Toelichting bij de Wet aanscherping handhaving en
                    sanctiebeleid SZW-wetgeving (kamerstuk 33207, nr. 3, p. 8) is vermeld dat de
                    regering het heel legitiem vindt om alleen voor deze groep en alleen voor deze
                    situatie de bescherming van de beslagvrije voet tijdelijk buiten werking te
                    stellen. </al><al>Het betreft hier immers uitsluitend een recidiveboete, wat erop duidt dat de
                    belanghebbende bij herhaling onwillig is om zich aan de inlichtingenplicht te
                    houden die nodig is voor de vaststelling van het uitkeringsrecht. De regering is
                    van oordeel dat de belanghebbende in dat geval door zijn gedrag het draagvlak
                    ondermijnt voor de sociale minimumbescherming die is beoogd met de uitkering en
                    de beslagvrije voet. Hiermee wordt in feite bedoeld dat een belanghebbende die
                    zich bij herhaling niet houdt aan de inlichtingenplicht, tijdelijk niet de
                    bescherming van de beslagvrije voet verdient.</al><al/><al>Bovendien is het buiten werking stellen van de beslagvrije voet al mogelijk in
                    alle sociale verzekeringswetten als cliënten niet de inlichtingen willen
                    verstrekken die van belang zijn voor terugvordering van ten onrechte betaalde
                    uitkeringen en de betaling van de bestuurlijke boete. Omdat het uitkeringsorgaan
                    in dat geval niet kan beoordelen tot welk bedrag de terugvordering en de boete
                    verrekend kunnen worden met de uitkering, kunnen zij de beslagvrije voet buiten
                    beschouwing laten.</al><al/><al>Anderzijds wordt rekening gehouden met de zorgplicht van gemeenten. Het zonder
                    uitzondering volledig buiten werking stellen van de beslagvrije voet gedurende
                    drie maanden kan negatieve maatschappelijke consequenties hebben. Dat moet
                    voorkomen worden, nu de regeling daarmee zijn doel voorbij zou schieten. Daarom
                    zijn uitzonderingen op de in dit artikel neergelegde hoofdregel geregeld in de
                    artikelen 24 en 25. </al><al/><al><vet>Artikel 24. Verrekening als is aangetoond dat het saldo van alle
                        bankrekeningen minder is dan drie maal de toepasselijke
                    bijstandsnorm</vet></al><al>In het belang van een eenvoudige bedrijfsvoering is er nadrukkelijk niet voor
                    gekozen dat het college in alle gevallen gaat beoordelen of er aanleiding is om
                    een uitzondering op de in artikel 23 neergelegde hoofdregel te maken, en is
                    ervoor gekozen om het initiatief om de beslagvrije voet toe te passen
                    nadrukkelijk bij de belanghebbende zelf te leggen.</al><al/><al>In de tweede plaats is nadrukkelijk niet gekozen voor de term “vermogen” of
                    “bezittingen”, maar voor het saldo op alle bankrekeningen. Ook deze keuze is
                    ingegeven door het streven naar een eenvoudige bedrijfsvoering. Keuze voor de
                    term “vermogen”of “bezittingen” kan tot discussies leiden wat wel of niet tot
                    het vermogen of de bezittingen behoort, en bovendien kan het voor het
                    vaststellen van het vermogen of de bezittingen noodzakelijk zijn dat een
                    huisbezoek plaatsvindt om te beoordelen of belanghebbende wellicht waardevolle
                    vermogensbestanddelen of bezittingen heeft. De keuze voor de term “vermogen” of
                    “bezittingen” zal er waarschijnlijk toe leiden dat de vaststelling van het
                    vermogen of de bezittingen enerzijds ingewikkelder is dan het thans gekozen
                    systeem en anderzijds meer tijd en inspanningen kost. Dat wordt niet gewenst
                    geacht. Het vaststellen van het saldo op de bankrekeningen is relatief eenvoudig
                    en weinig tijdrovend.</al><al>Met de hier neergelegde keuze wordt ook recht gedaan aan de praktijk, in die
                    zin, dat vele bijstandsgerechtigden geen vermogen hebben dat meer bedraagt dan
                    drie maal de toepasselijke bijstandsnorm en een simpel verzoek van de
                    bijstandsgerechtigde zal leiden tot toepassing van de beslagvrije voet in de
                    hier bedoelde situaties. Dan dient de belanghebbende uiteraard wel alle
                    bankrekeningen te overleggen, en moet daaruit blijken dat de belanghebbende geen
                    vermogen heeft dat meer bedraagt dan driemaal de toepasselijke bijstandsnorm. Is
                    het vermogen wél meer dan driemaal de toepasselijke bijstandsnorm, dan wordt de
                    belanghebbende geacht om het feitelijk niet betalen van de uitkering gedurende
                    drie maanden te kunnen opvangen. </al><al>Daarbij mag niet uit het oog worden verloren dat, zoals al is vermeld bij de
                    toelichting op artikel 23, het hier een belanghebbende betreft die bij herhaling
                    onwillig is om zich te houden aan de wettelijke inlichtingenplicht. Daar mag een
                    duidelijk signaal tegenover staan.</al><al/><al>Om discussies te voorkomen en ook uit een oogpunt van eenvoudige bewijsvoering
                    is er ook voor gekozen dat belanghebbende het hier bedoelde verzoek schriftelijk
                    moet doen.</al><al/><al>Met de toevoeging “de toepasselijke bijstandsnorm <vet>als bedoeld in artikel 5,
                        onderdeel c, van de Pw</vet>” is duidelijk tot uitdrukking gebracht dat de
                    bepalingen in hoofdstuk 9 van deze verordening uitsluitend zien op verrekening
                    van een recidiveboete met algemene bijstand, en niet op verrekening van een
                    recidiveboete met een IOAW- of IOAZ-uitkering.</al><al/><al><vet>Artikel 25. Verrekening bij huisuitzetting of dringende redenen</vet></al><al/><al>Er zijn naast de situatie als bedoeld in artikel 24 nog situaties denkbaar
                    waarin volledige verrekening met de beslagvrije voet ook niet aanvaardbaar wordt
                    geacht, zoals bij dreigende huisuitzetting en dringende redenen. </al><al/><al>Een dreigende huisuitzetting kan worden gezien als een dringende reden om van
                    verrekening zonder de beslagvrije voet, al dan niet gedeeltelijk, af te zien.
                    Dat volgt uit het woord “anderszins” in onderdeel b. Voorkomen moet worden dat
                    een belanghebbende met zijn gezin door de volledige verrekening op straat komt
                    te staan, waarmee de problematiek alleen maar verergert met alle
                    maatschappelijke kosten van dien. </al><al/><al>Ook bij aanwezigheid van andere dringende redenen dan een dreigende
                    huisuitzetting, kan rekening worden gehouden met de bescherming van de
                    beslagvrije voet. Van dringende redenen is niet snel sprake. Het gaat slechts om
                    incidentele gevallen, waarbij de behoeftige omstandigheden waarin de
                    belanghebbende en diens gezinsleden verkeren op geen enkele andere wijze te
                    verhelpen zijn. Het enkele feit dat het belanghebbende door de verrekening aan
                    middelen ontbreekt om in het bestaan te voorzien, is op zich geen voldoende
                    voorwaarde om te kunnen spreken van dringende redenen.</al><al/><al><vet>Artikel 26. Eerder opgelegde bestuurlijke boetes </vet></al><al>Op grond van de artikelen 60b, derde lid, en 60, vierde lid, van de Pw is de
                    volledige verrekening gedurende maximaal drie maanden zonder toepassing van de
                    beslagvrije voet niet alleen van toepassing op de recidiveboete maar ook op de
                    boete die was opgelegd bij de eerste gedraging als die nog niet volledig is
                    afbetaald. Daarom is in dit artikel geregeld dat de artikelen 23, 24 en 25 in
                    dat geval van overeenkomstige toepassing zijn.</al><al/><al><vet>Artikel 27. Inwerkingtreding</vet></al><al/><al>Dit artikel behoeft geen toelichting.</al><al/><al><vet>Artikel 28. Citeertitel</vet></al><al/><al>Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.</al><al/><al/><al/></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>