<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR374272_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verzamelverordening P-wet, IOAW IOAZ en Bbz gemeente Dongen</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Dongen</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-09-12</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Dongen</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Gemeenteblad, 2015, 72431</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verzamelverordening 2015</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Gemeentewet, art. 108</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Gemeentewet, art. 147</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Participatiewet, art. 8</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Participatiewet, art. 8a</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Participatiewet, art. 8b</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers, art. 35</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen, art. 35</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2014-12-18</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2015-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2016-04-02</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verzamelverordening P-wet, IOAW IOAZ en Bbz gemeente Dongen</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente Dongen: </al><lijst><li nr="·"><al>gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders;
                            </al></li><li nr="·"><al>gelet op artikel 108 en 147 van de Gemeentewet </al></li><li nr="·"><al>gelet op de artikelen 8 , 8a en 8b Participatiewet;</al></li><li nr="·"><al>gelet op artikel 35 Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                                arbeidsongeschikte werkloze werknemers </al></li><li nr="·"><al>gelet op artikel 35 wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                                arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen </al></li><li nr="·"><al>gelet op het Besluit bijstandsverlening zelfstandigen 2004 </al></li><li nr="·"><al>gelet op de wet aanscherping handhaving en sanctiebeleid
                                SZW-wetgeving; </al></li></lijst><al>BESLUIT</al><al>Vast te stellen:</al><al>De Verzamelverordening P-wet, IOAW, IOAZ en Bbz gemeente Dongen</al><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><paragraaf><kop><label>§</label><nr>1</nr><titel>Algemeen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Definities</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al><cursief>P-wet:</cursief> Participatiewet</al></li><li nr="b."><al><cursief>Bbz</cursief>: het Besluit bijstandverlening
                                        zelfstandigen 2004;</al></li><li nr="c."><al><cursief>IOAW</cursief> : Wet inkomensvoorziening oudere en
                                        gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers ;</al></li><li nr="d."><al><cursief>IOAZ</cursief>: Wet inkomensvoorziening oudere en
                                        gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen;</al></li><li nr="e."><al><cursief>De wet: </cursief>de P-wet, IOAW, IOAZ en Bbz te
                                        samen;</al></li><li nr="f."><al><cursief>Algemene bijstand</cursief>: de bijstand bedoeld in
                                        artikel 5, onderdeel b, van de P-wet;</al></li><li nr="g."><al><cursief>Bijstandsnorm</cursief>: 1° toepasselijke norm als
                                        bedoeld in artikel 5, onderdeel c, van de P-wet, of 2°
                                        grondslag van de uitkering als bedoeld in artikel 5 van de
                                        IOAW of artikel 5 van de IOAZ voor zover sprake is van een
                                        uitkering op grond van de IOAW of IOAZ;</al></li><li nr="h."><al><cursief>Grondslag</cursief>: de uitkeringsnorm zoals
                                        bedoeld in artikel 5 IOAW en artikel 5 IOAZ;</al></li><li nr="i."><al><cursief>Bijzondere bijstand:</cursief> de bijstand bedoeld
                                        in artikel 5, onderdeel d, van de P-wet;</al></li><li nr="j."><al><cursief>Belanghebbende</cursief>: de alleenstaande,
                                        alleenstaande ouder of het gezin dat recht heeft op een
                                        uitkering dan wel een voorziening in het kader van de
                                        wet;</al></li><li nr="k."><al><cursief>Uitkering: </cursief>in de context van deze
                                        verordening wordt onder uitkering verstaan de
                                        bijstandsuitkering of de grondslag IOAW / IOAZ;</al></li><li nr="l."><al><cursief>Uitkeringsgerechtigde</cursief>: een persoon die
                                        een uitkering ontvangt ingevolgde de P-wet, IOAW of
                                        IOAZ;</al></li><li nr="m."><al><cursief>Re-integratieverplichting</cursief>: de
                                        verplichting om gebruik te maken van een voorziening gericht
                                        op inschakeling in of het verkleinen van de afstand tot de
                                        arbeid waaronder begrepen begeleiding naar maatschappelijke
                                        participatie en het meewerken aan een onderzoek naar de
                                        mogelijkheden tot arbeidsinschakeling en/ of de geschiktheid
                                        voor scholing/ opleiding;</al></li><li nr="n."><al><cursief>Inlichtingenplicht: </cursief>de verplichtingom op
                                        verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling te doen
                                        van alle feiten en omstandigheden waarvan redelijkerwijs
                                        duidelijk is dat deze van invloed kunnen zijn op de
                                        arbeidsinschakeling of het recht op bijstand; </al></li><li nr="o."><al><cursief>Medewerkingsverplichting: </cursief>de verplichting
                                        ommee te werken aan de noodzakelijk geachte voorziening, aan
                                        een onderzoek naar het recht op uitkering, eventueel via een
                                        huisbezoek als ook naar de voortgang van het
                                        re-integratietraject;</al></li><li nr="p."><al><cursief>Benadelingsbedrag</cursief>: het bedrag dat ten
                                        onrechte of teveel is of wordt verleend als uitkering;</al></li><li nr="q."><al><cursief>Recidive:</cursief> hiervan is sprake wanneer een
                                        belanghebbende zich binnen 12 maanden na de vorige als
                                        verwijtbaar aangemerkte gedraging opnieuw schuldig maakt aan
                                        een verwijtbare gedraging zoals die genoemd wordt in deze
                                        verordening dan wel de wet. Alleen bij de boete is de
                                        recidiveperiode vastgesteld op 5 jaar.</al></li><li nr="r."><al><cursief>Verlaging/maatregel:</cursief> het verlagen van de
                                        bijstand of grondslag op grond van artikel 18 tweede lid van
                                        de P-wet resp. 20 lid 2 IOAW/ IOAZ;</al></li><li nr="s."><al><cursief>Waarschuwing</cursief>: het besluit waarin afgezien
                                        wordt van het opleggen van een maatregel of boete, maar
                                        waarin wel wordt bevestigd dat er sprake is van het
                                        verwijtbaar niet nakomen van verplichtingen;</al></li><li nr="t."><al><cursief>Voorziening</cursief>: een door het college
                                        noodzakelijk geachte voorziening gericht op inschakeling in
                                        de arbeid of zelfstandige maatschappelijke participatie
                                        waaronder begrepen een onderzoek naar de belastbaarheid en
                                        de noodzaak tot inzet van loonkostensubsidie;</al></li><li nr="u."><al><cursief>Doelgroep re-integratie</cursief>: personen aan wie
                                        op grond van artikel 7 eerste lid onder a van de P-wet of op
                                        grond van artikel 34 van de IOAW, of op grond van artikel 34
                                        van de IOAZ door de gemeente ondersteuning bij re-integratie
                                        kan worden geboden;</al></li><li nr="v."><al><cursief>Participatie</cursief>: het naar vermogen meedoen
                                        in de samenleving door o.a. het verrichten van betaald
                                        regulier of gesubsidieerd werk, het volgen van scholing, het
                                        verrichten van maatschappelijk nuttige activiteiten of een
                                        tegenprestatie;</al></li><li nr="w."><al><cursief>Loonkostensubsidie</cursief>: de subsidie op de
                                        loonsom die het college kan verstrekken aan een werkgever om
                                        een werknemer met een verminderde loonwaarde vanwege een
                                        beperking al dan niet tijdelijk in dienst te nemen;</al></li><li nr="x."><al><cursief>Verminderde loonwaarde</cursief>: hiervan is sprake
                                        wanneer een persoon vanwege een beperking niet in staat is
                                        het wettelijk minimum uurloon te verdienen;</al></li><li nr="y."><al><cursief>Plan van aanpak</cursief>: een plan van aanpak
                                        zoals bedoeld in artikel 44a van de P-wet; </al></li><li nr="z."><al><cursief>Tegenprestatie</cursief>: onbeloonde
                                        maatschappelijk nuttige activiteiten die worden verricht,
                                        eventueel naast of in aanvulling op beloonde arbeid en die
                                        niet leiden tot verdringing op de arbeidsmarkt. De
                                        werkzaamheden hoeven niet te leiden tot het versterken van
                                        het arbeidsperspectief en dienen als tegenprestatie voor de
                                        ontvangen uitkering;</al></li><li nr="aa."><al><cursief>Wachttijd (27-) </cursief>wettelijk bepaalde
                                        periode van vier weken waarin de belanghebbende verplicht is
                                        zelf op zoek te gaan naar werk en om de mogelijkheden van
                                        regulier onderwijs te onderzoeken. Pas hierna wordt de
                                        aanvraag ingediend en het recht op inkomensondersteuning en
                                        ondersteuning naar participatie onderzocht;</al></li><li nr="bb."><al><cursief>Duurzame arbeidsinschakeling:</cursief> algemeen
                                        geaccepteerde arbeid die over een periode van ten minste zes
                                        maanden wordt verricht en waar geen voorziening aan
                                        verbonden is in de vorm van loonkostensubsidie;</al></li><li nr="cc."><al><cursief>Bestuurlijke boete</cursief>: een boete die door
                                        een daartoe bevoegde overheidsdienst zonder tussenkomst van
                                        het Openbaar Ministerie of een rechter kan worden opgelegd.
                                        Deze boete heeft een straffend karakter;</al></li><li nr="dd."><al><cursief>Beslagvrije voet</cursief>: beslagvrije voet als
                                        bedoeld in de artikelen 475c tot en met 475e van het Wetboek
                                        van Burgerlijke Rechtsvordering, deel van het inkomen waarop
                                        geen beslag mag worden gelegd;</al></li><li nr="ee."><al><cursief>Recidiveboete</cursief>: bestuurlijke boete als
                                        bedoeld in artikel 18a, vijfde lid, van de P-wet; </al></li><li nr="ff."><al><cursief>Bezit: </cursief>waarde van de bezittingen waarover
                                        belanghebbende of diens gezin beschikt of redelijkerwijs kan
                                        beschikken, met uitzondering van het in de bewoonde woning
                                        met bijbehorend erf gebonden vermogen, bedoeld in artikel
                                        50, eerste lid, van de P-wet; </al></li><li nr="gg."><al><cursief>Verrekenen: </cursief>de verrekening als bedoeld in
                                        artikel 60, vierde lid, van P-wet.</al></li><li nr="hh."><al><cursief>Mantelzorg</cursief>: langdurige zorg, gedurende 10
                                        uur of meer per week, die niet in het kader van een
                                        hulpverlenend beroep wordt geboden aan een hulpbehoevende
                                        door personen uit diens directe omgeving, waarbij de
                                        zorgverlening rechtstreeks voortvloeit uit de sociale
                                        relatie en de gebruikelijke zorg van huisgenoten voor elkaar
                                        overstijgt; </al></li><li nr="ii."><al><cursief>Flankerende voorziening</cursief>: de inzet van
                                        deze voorziening is een randvoorwaarde voor de
                                        belanghebbende voor deelname aan re-integratievoorzieningen
                                        en nakoming van arbeidsverplichtingen (waaronder
                                        schuldhulpverlening en kinderopvang);</al></li><li nr="jj."><al><cursief>No-risk polis</cursief>: een verzekering die de
                                        financiële gevolgen van ziekte van de in dienst genomen
                                        uitkeringsgerechtigde voor een werkgever afdekt;</al></li><li nr="kk."><al><cursief>Screening</cursief>: een onderzoek naar de
                                        mogelijkheden op de arbeidsmarkt van een uitkeringsaanvrager
                                        of uitkeringsgerechtigde dat wordt verwerkt in een plan van
                                        aanpak;</al></li><li nr="ll."><al><cursief>Diagnose</cursief>: wanneer de screening duidt op
                                        het mogelijk bestaan van een arbeidsbeperking of een andere
                                        belemmering richting arbeidsmarkt, wordt een
                                        vervolgonderzoek ingesteld teneinde een plan van aanpak vast
                                        te stellen;</al></li><li nr="mm."><al><cursief>Verdiepende diagnose</cursief>: een nader onderzoek
                                        naar de arbeidsmogelijkheden en beperkingen uitgevoerd door
                                        een externe deskundige teneinde een plan van aanpak vast te
                                        stellen;</al></li><li nr="nn."><al><cursief>Participatiepartner:</cursief>
                                        re-integratiebedrijf, werkgever of maatschappelijke partner,
                                        waarmee de gemeente samenwerkt in het kader van de
                                        P-wet.</al></li></lijst></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>§</label><nr>2</nr><titel>Re-integratie en Tegenprestatie</titel></kop><structuurtekst><al/></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><label>§</label><nr>2.1</nr><titel>algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Opdracht en taak van het college</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college biedt ondersteuning krachtens deze verordening ten
                                behoeve van de persoon die behoort tot de doelgroep re-integratie en
                                die dit naar het oordeel van het college nodig heeft bij de
                                arbeidsinschakeling of zelfstandige maatschappelijke participatie.
                            </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college draagt zorg voor voldoende diversiteit in het aanbod aan
                                ondersteuning en voorzieningen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college houdt bij het aanbieden van een voorziening of
                                ondersteuning rekening met de mogelijkheden en omstandigheden van de
                                belanghebbende. Deze omstandigheden hebben in ieder geval betrekking
                                op zorgtaken van die persoon zoals beschreven in de beleidsregels,
                                eventuele structurele beperkingen, de mogelijkheid dat hij behoort
                                tot de doelgroep loonkostensubsidie of gebruik maakt van de
                                voorziening beschut werk. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college bevordert de beschikbaarheid en de inzet van flankerende
                                voorzieningen die belemmeringen voor re-integratie en
                                arbeidsinschakeling kunnen opheffen.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het college kan bij het bepalen van het aanbieden van voorzieningen
                                prioriteren naar gelang de financiële mogelijkheden en rekening
                                houden met maatschappelijke, economische en conjuncturele
                                ontwikkelingen.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Het college kan budgetplafonds vaststellen voor de verschillende
                                voorzieningen of doelgroepen en draagt daarbij zorg voor een
                                evenwichtige verdeling. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Aanspraak</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Voorzieningen kunnen worden verstrekt aan een belanghebbende dan wel
                                aan de werkgever van de belanghebbende. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Op basis van een screening en eventueel een (verdiepende)
                                diagnosestemt het college de ondersteuning en voorzieningen af op
                                het vergroten van de zelfredzaamheid van de belanghebbende via de
                                kortste weg naar duurzame arbeidsinschakeling dan wel een zo hoog
                                mogelijke arbeidsproductiviteit. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college legt het individuele aanbod van een voorziening aan een
                                persoon vast in een plan van aanpak en/of een beschikking.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Er bestaat geen aanspraak op ondersteuning voor zover er een beroep
                                kan worden gedaan op een voorliggende voorziening die voldoende
                                bijdraagt aan de arbeidsinschakeling of maatschappelijke
                                participatie.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Een persoon die behoort tot de doelgroep re-integratie maar geen
                                bijstandsuitkering ontvangt, heeft <onderstreept>geen</onderstreept>
                                aanspraak op ondersteuning krachtens deze verordening indien:</al><lijst><li nr="a."><al>het gezinsinkomen hoger is dan 110% van het wettelijk
                                        minimumloon en/of het vermogen hoger is dan het maximaal
                                        vrij te laten vermogen conform de P-wet;</al></li><li nr="b."><al>deze persoon betaalde arbeid verricht gedurende meer dan 12
                                        uur per week;</al></li><li nr="c."><al>niet redelijkerwijs kan worden aangenomen dat deze persoon
                                        bereid dan wel in staat is om tenminste 12 uur per week
                                        algemeen geaccepteerde arbeid te verrichten. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Het college kan in de beleidsregels voorzieningen aanwijzen,
                                waarvoor de bepalingen zoals opgenomen in lid 6 niet van toepassing
                                zijn. </al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>Het college kan besluiten enige tijd geen voorziening aan te bieden
                                als een eerdere voorziening voortijdig is beëindigd vanwege een
                                reden, zoals opgenomen in artikel 5 sub a en e. </al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>§</label><nr>2.2</nr><titel>voorzieningen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Voorzieningen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan een persoon behorende tot de doelgroep
                                re-integratie:</al><lijst><li nr="a."><al>(laten) bemiddelen naar algemeen geaccepteerde arbeid;</al></li><li nr="b."><al>begeleiden bij het zoeken naar en verkrijgen van arbeid;
                                    </al></li><li nr="c."><al>ondersteunen bij het zoveel mogelijk wegnemen van
                                        belemmeringen voor de arbeidsinschakeling, waaronder
                                        begeleiding op en aanpassingen van de werkplek en
                                        scholing;</al></li><li nr="d."><al>verwijzen naar en ondersteunen bij deelname aan
                                        maatschappelijke participatie;</al></li><li nr="e."><al>Anderszins een voorziening verstrekken in verband met
                                        bepaalde specifieke re-integratie activiteiten, nader te
                                        bepalen in de beleidsregels zoals vermeld in lid 3 van dit
                                        artikel.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan aan een werkgever (financiële) ondersteuning bieden
                                ten behoeve van een belanghebbende die behoort tot de doelgroep
                                re-integratie, anders dan de loonkostensubsidie, zoals opgenomen in
                                §2.3 van deze verordening.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college stelt ter nadere uitvoering van deze verordening
                                beleidsregels vast, waarin de voorzieningen en de bijbehorende
                                voorwaarden zijn opgenomen, voor zover daarover in deze verordening
                                geen nadere bepalingen zijn opgenomen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Beëindigen van een voorziening</titel></kop><al>Het college kan een voorziening beëindigen als: </al><lijst><li nr="a."><al>de persoon die aan de voorziening deelneemt zijn verplichting
                                    als bedoeld in de artikelen 9 en 17 van de P-wet of de artikelen
                                    13 en 37 van de IOAZ of IOAW niet (langer) nakomt; </al></li><li nr="b."><al>de persoon die aan de voorziening deelneemt niet meer behoort
                                    tot de doelgroep re-integratie; </al></li><li nr="c."><al>de persoon die aan de voorziening deelneemt algemeen
                                    geaccepteerde arbeid aanvaardt waarbij geen gebruik wordt
                                    gemaakt van een in deze verordening genoemde voorzieningen,
                                    tenzij het betreft een persoon als bedoeld in artikel 7, eerste
                                    lid, onderdeel a, van de P-wet; </al></li><li nr="d."><al>naar het oordeel van het college de voorziening onvoldoende
                                    bijdraagt aan een snelle arbeidsinschakeling of niet meer
                                    geschikt is voor de persoon die gebruik maakt van de
                                    voorziening; </al></li><li nr="e."><al>de persoon die aan de voorziening deelneemt niet naar behoren
                                    gebruik maakt van de aangeboden voorziening; </al></li><li nr="f."><al>de persoon die aan de voorziening deelneemt niet meer voldoet
                                    aan de voorwaarden die in deze verordening en de beleidsregels
                                    worden gesteld om in aanmerking te komen voor die
                                    voorziening.</al></li><li nr="g."><al>door het college wordt vastgesteld dat voortzetting van de
                                    voorziening niet wenselijk is omdat de participatiepartner, niet
                                    of in onvoldoende mate aan de op hem rustende verplichtingen
                                    krachtens het Burgerlijk Wetboek en/of de geldende voorwaarden
                                    voldoet.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Participatie(plaats) voor personen ouder dan 27 jaar</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan ter uitvoering van artikel 7, eerste lid, onderdeel
                                a, van de P-wet een uitkeringsgerechtigde voor wie de kans op
                                inschakeling in het arbeidsproces gering is en die daardoor
                                vooralsnog niet bemiddelbaar is op de arbeidsmarkt, onbeloonde
                                additionele werkzaamheden laten verrichten zoals bedoeld in artikel
                                10a van de P-wet.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een uitkeringsgerechtigde die onbeloonde additionele werkzaamheden
                                zoals bedoeld in artikel 10a P-wet verricht, ontvangt conform lid 6
                                van dat artikel ieder half jaar een premie mits naar vermogen is
                                meegewerkt aan het vergroten van de kans op arbeidsinschakeling.
                            </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college kan op basis van artikel 10a van de P-wet of artikel 38a
                                IOAW/IOAZ aan uitkeringsgerechtigden van 27 jaar of ouder en die
                                niet beschikt over een startkwalificatie scholing aanbieden met als
                                doel de afstand tot de arbeidsmarkt te verkleinen.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De premie bedraagt per jaar 25% van het bedrag genoemd in artikel
                                31, tweede lid, onder j van de P-wet. </al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het college stelt nadere regels ten aanzien van de
                                participatieplaats, voor wat betreft de premie zoals bedoeld in lid
                                2, de scholing zoals bedoeld in lid 3 en de voorwaarden en
                                verplichtingen die daaraan verbonden zijn.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>§</label><nr>2.3</nr><titel>voorzieningen voor mensen met verminderde loonwaarde of beperkingen
                            richting werk</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Participatievoorziening beschut werk</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan de voorziening beschut werk aanbieden aan een
                                persoon uit de doelgroep re-integratie die uitsluitend in een
                                beschutte omgeving onder aangepaste omstandigheden mogelijkheden
                                heeft tot arbeidsparticipatie. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan uit de personen uit de doelgroep re-integratie een
                                voorselectie maken en kan bij het Uitvoeringsinstituut
                                werknemersverzekeringen advies inwinnen voor de beoordeling of zij
                                uitsluitend in een beschutte omgeving onder aangepaste
                                omstandigheden mogelijkheden tot arbeidsparticipatie hebben. Het
                                college selecteert voor deze beoordeling uitsluitend personen met
                                beperkingen richting werk. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Om de in artikel 10b, eerste lid, van de P-wet, bedoelde
                                werkzaamheden mogelijk te maken zet het college verschillende
                                ondersteunende voorzieningen in, welke zijn opgenomen in de
                                beleidsregels. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college bepaalt de omvang van het aanbod beschut werk en legt
                                vast hoeveel plekken voor beschut werk de gemeente beschikbaar
                                stelt. In verband hiermee overlegt het college met het
                                Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen, aan de gemeente
                                gelieerde bedrijven en andere reguliere werkgevers.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het college kan ervoor kiezen om een alternatieve passende
                                voorziening aan te bieden, anders dan beschut werk, aan de persoon
                                zoals bedoeld in lid 1 en neemt deze op in de beleidsregels.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>No-risk polis</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een werkgever kan in aanmerking komen voor een no-riskpolis als: </al><lijst><li nr="a."><al>de werkgever een arbeidsovereenkomst aangaat met een
                                        werknemer, dan wel de arbeidsovereenkomst verlengt en; </al></li><li nr="b."><al>de werknemer voorafgaande aan de aanvang van de arbeid
                                        behoort tot de doelgroep re-integratie van de gemeente
                                        Dongen en; </al></li><li nr="c."><al>de werknemer een structurele functionele of andere
                                        belemmering heeft richting werk of de werkgever ten behoeve
                                        van de werknemer een loonkostensubsidie als bedoeld in
                                        artikel 10d van de wet ontvangt en; </al></li><li nr="d."><al>artikel 29b van de Ziektewet niet van toepassing is.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Om de werkgever een no-riskpolis te kunnen verstrekken, sluit de
                                gemeente een verzekering af en treedt op als verzekeringnemer. De
                                begunstigde is de werkgever. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De vergoeding, de looptijd van de verzekering en overige voorwaarden
                                zijn gespecificeerd in de polisvoorwaarden van de no-risk polis,
                                zoals overeengekomen met de verzekeraar.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college stelt nadere regels ten aanzien van de no-risk polis.
                            </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Vaststelling doelgroep loonkostensubsidie en loonwaarde</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college stelt vast of een persoon behoort tot de doelgroep
                                loonkostensubsidie.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Hierbij neemt het college de volgende criteria in acht:</al><lijst><li nr="a."><al>een persoon moet behoren tot de doelgroep zoals omschreven
                                        in artikel 7, eerste lid, onderdeel a, van de P-wet en;</al></li><li nr="b."><al>die persoon is niet in staat met voltijdse arbeid het
                                        wettelijk minimumloon te verdienen, en</al></li><li nr="c."><al>die persoon heeft mogelijkheden tot
                                        arbeidsparticipatie.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De loonwaarde wordt bepaald aan de hand van een regionaal
                                overeengekomen methodiek.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De in lid 3 bedoelde methodiek wordt als bijlage dan wel als
                                addendum toegevoegd aan deze verordening.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Indien de regionale methodiek zoals bedoeld in lid 3 ten tijde van
                                de inwerkingtreding van deze verordening nog niet vastgesteld is,
                                dan wordt de loonwaarde, tot het moment dat dit wel het geval is,
                                bepaald aan de hand van een methodiek die voldoet aan de eisen die
                                worden gesteld in de algemene maatregel van bestuur alsook aan de
                                eisen van de ministeriële regeling.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>§</label><nr>2.4</nr><titel>studietoeslag</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Indienen verzoek</titel></kop><al>Een verzoek voor studietoeslag als bedoeld in artikel 36b, eerste lid,
                            van de P-wet, wordt ingediend middels een door het college vastgesteld
                            formulier. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>mogelijkheid tot verdienen wettelijk minimumloon</titel></kop><al>Het college controleert of de aanvrager voldoet aan de vereisten van
                            artikel 36b en stelt vast of de belanghebbende niet in staat is tot het
                            verdienen van het wettelijk minimumloon, maar wel mogelijkheden heeft
                            tot arbeidsparticipatie. Bij twijfel vraagt het college een externe
                            organisatie om advies.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Eenmaal per periode individuele studietoeslag verlenen</titel></kop><al>Een persoon kan slechts eenmaal per studiejaar in aanmerking komen voor
                            een individuele studietoeslag. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>Hoogte individuele studietoeslag</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een individuele studietoeslag bedraagt € 100 per maand. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indexering van het onder lid 1 genoemde bedrag vindt per nieuw
                                studiejaar plaats op basis van het consumentenprijsindexcijfer, af
                                te ronden op hele euro's. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>Betaling individuele studietoeslag</titel></kop><al>Een individuele studietoeslag wordt per studiejaar eenmalig als één
                            bedrag uitbetaald.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>§</label><nr>2.5</nr><titel>Tegenprestatie</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15</nr><titel>Doelgroep en doel tegenprestatie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Tot de doelgroep van de tegenprestatie behoren alle belanghebbenden
                                van 18 jaar of ouder, die de pensioengerechtigde leeftijd nog niet
                                hebben bereikt en die een uitkering ontvangen op grond van de
                                wet.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het doel van het verrichten van een tegenprestatie is om
                                belanghebbenden maatschappelijk nuttige werkzaamheden te laten
                                verrichten.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16</nr><titel>Inhoud van een tegenprestatie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden,
                                die additioneel van aard zijn, inzetten als tegenprestatie voor
                                zover die werkzaamheden: </al><lijst><li nr="a."><al>naar zijn aard niet zijn gericht op toeleiding tot de
                                        arbeidsmarkt en;</al></li><li nr="b."><al>niet zijn bedoeld als re-integratie instrument en; </al></li><li nr="c."><al>in de organisatie waarin ze worden verricht, worden verricht
                                        naast of in aanvulling op reguliere arbeid en;</al></li><li nr="d."><al>niet leiden tot verdringing op de arbeidsmarkt.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college stelt ter nadere uitvoering van de tegenprestatie
                                beleidsregels vast waarin wordt vastgelegd welke aanvullende
                                werkzaamheden het college in ieder geval kan aanbieden en de
                                voorwaarden die daarbij gelden voor zover daarover in deze
                                verordening geen nadere bepalingen zijn opgenomen. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17</nr><titel>Het opdragen van een tegenprestatie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan een belanghebbende een tegenprestatie opdragen.
                            </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Bij het opdragen van een tegenprestatie houdt het college rekening
                                met de volgende factoren: </al><lijst><li nr="a."><al>de belanghebbende moet de tegenprestatie naar vermogen
                                        kunnen verrichten; </al></li><li nr="b."><al>de persoonlijke situatie en individuele omstandigheden van
                                        een belanghebbende worden in aanmerking genomen; </al></li><li nr="c."><al>de wensen van de belanghebbende ten aanzien van de inhoud
                                        van de tegenprestatie, waaronder begrepen een eventueel
                                        voorstel voor wat betreft de inhoud van de tegenprestatie
                                        van de belanghebbende zelf.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18</nr><titel>Duur en omvang van een tegenprestatie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De uitvoering van de tegenprestatie wordt opgedragen voor een
                                maximale duur van drie maanden. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De tegenprestatie wordt opgedragen voor maximaal acht uur per week.
                            </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De tegenprestatie kan binnen een periode van 12 maanden slechts
                                eenmaal worden opgedragen. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19</nr><titel>Afzien van het opleggen van een tegenprestatie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college draagt geen tegenprestatie op indien een belanghebbende
                                mantelzorg verricht. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college draagt geen tegenprestatie op indien de belanghebbende
                                naar het oordeel van het college reeds voldoende maatschappelijk
                                nuttige activiteiten verricht. </al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>§</label><nr>3</nr><titel>Afstemming en bestuurlijke boete</titel></kop><structuurtekst><al/></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><label>§</label><nr>3.1</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>20</nr><titel>Het opleggen van een verlaging van de uitkering</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Als de belanghebbende naar het oordeel van het college
                                tekortschietend besef van verantwoordelijkheid betoont voor de
                                voorziening in het bestaan zoals bedoeld in de P-wet dan wel de
                                verplichtingen genoemd in deze verordening en/of de wet, met
                                uitzondering van artikel 17, eerste lid, P-wet en artikel 13 IOAW en
                                IOAZ, niet of onvoldoende nakomt, waaronder begrepen het zich zeer
                                ernstig misdragen zoals omschreven in artikel 34 van deze
                                verordening, wordt overeenkomstig deze verordening een verlaging van
                                de uitkering opgelegd.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een verlaging van de uitkering wordt afgestemd op de ernst van de
                                gedraging, de mate waarin de belanghebbende de gedraging kan worden
                                verweten en de omstandigheden waarin hij of zijn gezin
                                verkeert.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>21</nr><titel>Besluit</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In het besluit tot het opleggen van de verlaging of waarschuwing van
                                de uitkering wordt in ieder geval vermeld: de reden van de
                                verlaging/waarschuwing, de eventuele duur en hoogte van de verlaging
                                als ook de afweging van de individuele belangen zoals bedoeld in
                                deze verordening. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Met een besluit waarmee een verlaging is opgelegd, wordt
                                gelijkgesteld het besluit om daarvan af te zien op grond van
                                dringende redenen dan wel het geven van een waarschuwing op grond
                                van deze verordening. Daarom tellen ook deze besluiten mee voor
                                recidive.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>22</nr><titel>Afzien van het opleggen van een verlaging</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college ziet af van het opleggen van een verlaging indien:</al><lijst><li nr="a."><al>elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt; of</al></li><li nr="b."><al>de gedraging meer dan 2 jaar voor constatering daarvan door
                                        het college heeft plaatsgevonden en het is niet de gedraging
                                        zoals bedoeld in de geüniformeerde maatregelen, zoals
                                        opgenomen in artikel 18 lid 4 P-wet.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan afzien van het opleggen van een verlaging indien het
                                daarvoor dringende redenen aanwezig acht.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien het college afziet van het opleggen van een verlaging op
                                grond van dringende redenen, wordt aan de belanghebbende daarvan
                                schriftelijk mededeling gedaan. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>23</nr><titel>Ingangsdatum en tijdvak</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Tenzij in deze verordening anders is bepaald, gaat de verlaging in
                                op de eerste dag van de kalendermaand die volgt op de datum waarop
                                het besluit tot het opleggen van de verlaging van de uitkering aan
                                de belanghebbende is bekendgemaakt. Daarbij wordt uitgegaan van de
                                voor die maand geldende toepasselijke bijstandsnorm.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In afwijking van het eerste lid kan de verlaging met terugwerkende
                                kracht worden opgelegd als er sprake is van een besluit op aanvraag,
                                voor zover de uitkering nog niet is uitbetaald. In deze situatie
                                werkt het verlagen van de uitkering terug tot de ingangsdatumdatum
                                van de uitkering dan wel de datum waarop het verzuim betrekking
                                heeft.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In afwijking van het eerste lid kan, voor zover het zelfstandigen
                                betreft die een uitkering voor levensonderhoud hebben ontvangen in
                                de vorm van een geldlening op grond van het Bbz, de verlaging met
                                terugwerkende kracht worden betrokken bij de definitieve
                                vaststelling van die bijstand.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Bij samenloop van verschillende gedragingen die het niet nakomen van
                                verplichtingen inhouden, wordt de hoogte en duur van de verlaging
                                vastgesteld op de gedraging met de hoogste verlaging.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De uitkering wordt verlaagd voor de duur van één maand, tenzij
                                sprake is van: </al><lijst><li nr="a."><al>recidive, dan wordt de duur van de verlaging verdubbeld
                                        tenzij in deze verordening anders is bepaald;</al></li><li nr="b."><al>verwijtbaar gedrag waarvoor in deze verordening een
                                        afwijkende duur is vastgesteld.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Indien door beëindiging van de uitkering de verlaging niet of niet
                                volledig kan worden toegepast, kan bij een eventuele nieuwe aanvraag
                                binnen de termijn van 1 jaar de verlaging of het deel dat nog niet
                                is uitgevoerd alsnog worden geëffectueerd.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>24</nr><titel>De berekeningsgrondslag van de verlaging</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De verlaging wordt toegepast op de toepasselijke bijstandsnorm.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Deze verlaging bestaat uit een percentage van de toepasselijke
                                bijstandsnorm, dan wel uit een percentage van het benadelingsbedrag,
                                zoals opgenomen in deze verordening.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In afwijking van het eerste lid kan de verlaging ook worden
                                toegepast op de bijzondere bijstand indien: </al><lijst><li nr="a."><al>aan belanghebbende bijzondere bijstand wordt verleend met
                                        toepassing van artikel 12 (onderhoudsplicht ouders) P-wet;
                                    </al></li><li nr="b."><al>de verwijtbare gedraging van belanghebbende, in relatie tot
                                        het recht op bijzondere bijstand, daartoe aanleiding geeft;
                                    </al></li><li nr="c."><al>het bijzondere bijstand betreft voor woonkosten en premie
                                        voor arbeidsongeschiktheidsverzekering aan zelfstandigen die
                                        een uitkering voor levensonderhoud (hebben) ontvangen
                                        krachtens het Bbz of IOAZ.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Onverminderd het bepaalde in de vorige leden kan bijzondere bijstand
                                worden afgestemd op de wijze zoals beschreven in artikel 32 lid 5
                                van deze verordening wanneer sprake is van tekortschietend besef van
                                verantwoordelijkheid. </al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Onverminderd het bepaalde in de vorige leden kan afstemming
                                plaatsvinden door de bijstand bij een tekortschietend besef van
                                verantwoordelijkheid voor de voorziening in de kosten van het
                                bestaan te verstrekken als geldlening op basis van artikel 48,
                                tweede lid, onder b, P-wet.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>25</nr><titel>Waarschuwing</titel></kop><al>Het college kan bij gedragingen uit de tweede categorie zoals bedoeld in
                            27 sub b en 29 sub b van deze verordening, in plaats van een verlaging,
                            een waarschuwing opleggen indien, ter beoordeling van het college, de
                            ernst van de gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de omstandigheden
                            waarin belanghebbende verkeert daartoe aanleiding geven.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>26</nr><titel>Horen van belanghebbende(n)</titel></kop><al>Voordat de uitkering wordt verlaagd, wordt de belanghebbende in de
                            gelegenheid gesteld zijn zienswijze naar</al><al>voren te brengen. Hiervan kan afgezien worden als:</al><lijst><li nr="a."><al>de belanghebbende zijn zienswijze al eerder kenbaar heeft
                                    gemaakt en er geen sprake is van nieuwe feiten of
                                    omstandigheden; of</al></li><li nr="b."><al>binnen de gestelde termijn niet is voldaan aan de
                                    inlichtingenplicht; of</al></li><li nr="c."><al>het horen niet nodig is voor het vaststellen van de ernst van de
                                    gedraging of de mate van verwijtbaarheid.</al></li></lijst></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>§</label><nr>3.2</nr><titel>Gedragingen en bijbehorende maatregelen</titel></kop><structuurtekst><al/></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><label>§</label><nr>3.2.1</nr><titel>Niet nakomen van de niet geüniformeerde verplichtingen met betrekking
                            tot de arbeidsinschakeling</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>27</nr><titel>Gedragingen P-wet</titel></kop><al>Gedragingen van een belanghebbende waardoor algemeen geaccepteerde
                            arbeid niet wordt verkregen of een verplichting op grond van de
                            artikelen 9 en 9a van de P-wet niet of onvoldoende wordt nagekomen,
                            worden onderscheiden in de volgende categorieën:</al><lijst><li nr="a."><al>eerste categorie:</al><lijst><li nr="1."><al>het door een persoon niet of onvoldoende meewerken aan
                                            het opstellen, uitvoeren of evalueren van een plan van
                                            aanpak;</al></li><li nr="2."><al>het onvoldoende aantoonbaar trachten arbeid of passende
                                            scholing te verkrijgen, te aanvaarden en te behouden
                                            gedurende de wachttijd van 4 weken na melding voor
                                            jongeren tot 27 jaar;</al></li><li nr="3."><al>het niet of onvoldoende verrichten van een door het
                                            college opgedragen tegenprestatie naar vermogen als
                                            bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel c,
                                            P-wet.</al></li><li nr="4."><al>het niet naar vermogen meewerken aan de verplichtingen,
                                            verbonden aan de aanvraag voor personen van 27 jaar en
                                            ouder;</al></li><li nr="5."><al>het niet of in onvoldoende mate meewerken aan een
                                            onderzoek naar de mogelijkheden tot arbeidsinschakeling
                                            of re-integratie.</al></li></lijst></li><li nr="b."><al>tweede categorie:</al><lijst><li nr="1."><al>het niet naar vermogen proberen algemeen geaccepteerde
                                            arbeid te verkrijgen voor zover dit niet voortvloeit uit
                                            een gedraging als bedoeld in artikel 18, vierde lid, van
                                            de P-wet;</al></li><li nr="2."><al>het door een alleenstaande ouder niet voldoen aan de
                                            re-integratieverplichtingen verbonden aan de in artikel
                                            9a, eerste lid, P-wet bedoelde ontheffing, wat heeft
                                            geleid tot het intrekken van de ontheffing van de
                                            arbeidsplicht;</al></li><li nr="3."><al>het zich niet (tijdig) laten registeren als werkzoekende
                                            bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen of
                                            het niet (tijdig) laten verlengen van de
                                            registratie;</al></li><li nr="4."><al>andere gedragingen die de inschakeling in arbeid
                                            belemmeren, niet zijnde gedragingen genoemd in artikel
                                            18, vierde lid, P-wet.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>28</nr><titel>Niet nakomen overige verplichtingen P-wet</titel></kop><al>Indien een belanghebbende nadere verplichtingen als bedoeld in artikel
                            55 P-wet die strekken tot arbeidsinschakeling niet nakomt, wordt een
                            verlaging van de uitkering van 50% gedurende 1 maand toegepast. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>29</nr><titel>Gedragingen IOAW en IOAZ</titel></kop><al>Gedragingen van een belanghebbende waardoor algemeen geaccepteerde
                            arbeid niet wordt verkregen of een verplichting op grond van de
                            artikelen 37 en 38 van de IOAW/IOAZ niet of onvoldoende wordt nagekomen,
                            worden onderscheiden in de volgende categorieën:</al><lijst><li nr="a."><al>eerste categorie:</al><lijst><li nr="1."><al>het niet aanvaarden van algemeen geaccepteerde
                                            arbeid;</al></li><li nr="2."><al>het door eigen toedoen niet behouden van algemeen
                                            geaccepteerde arbeid;</al></li><li nr="3."><al>het weigeren van een passend re-integratie aanbod;</al></li><li nr="4."><al>het niet of onvoldoende verrichten van een door het
                                            college opgedragen tegenprestatie naar vermogen als
                                            bedoeld in artikel 37, eerste lid, onderdeel f,
                                            IOAW/IOAZ. </al></li><li nr="5."><al>het niet naar vermogen meewerken aan de verplichtingen,
                                            verbonden aan de inspanningsperiode van vier weken na
                                            aanvraag voor personen van 27 jaar en ouder.</al></li><li nr="6."><al>het niet of in onvoldoende mate meewerken aan een
                                            onderzoek naar de mogelijkheden tot arbeidsinschakeling
                                            of re-integratie;</al></li></lijst></li><li nr="b."><al>tweede categorie:</al><lijst><li nr="1."><al>het niet naar vermogen proberen algemeen geaccepteerde
                                            arbeid te verkrijgen;</al></li><li nr="2."><al>het niet naar vermogen meewerken aan een door het
                                            college aangeboden voorziening als bedoeld in de
                                            artikelen 36, eerste lid, en 37, eerste lid, onderdeel
                                            e, IOAW/IOAZ, waaronder begrepen het niet naar vermogen
                                            deelnemen aan taalwervingslessen voor mensen die
                                            onvoldoende de Nederlandse taal beheersen; </al></li><li nr="3."><al>het door een alleenstaande ouder niet voldoen aan de
                                            re-integratieverplichtingen verbonden aan de in artikel
                                            38, eerste lid, IOAW/IOAZ bedoelde ontheffing, wat heeft
                                            geleid tot het intrekken van de ontheffing van de
                                            arbeidsplicht;</al></li><li nr="4."><al>het zich niet (tijdig) laten registeren als werkzoekende
                                            bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen of
                                            het niet (tijdig) laten verlengen van de
                                            registratie;</al></li><li nr="5."><al>andere gedragingen die de inschakeling in arbeid
                                            belemmeren.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>30</nr><titel>Hoogte en duur van de verlaging</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De verlaging, bij gedragingen als bedoeld in de artikelen 27 en 29
                                van deze verordening, wordt vastgesteld op:</al><lijst><li nr="a."><al>100% van de bijstandsnorm grondslag gedurende 1 maand bij
                                        gedragingen van de eerste categorie;</al></li><li nr="b."><al>50% van de bijstandsnorm grondslag gedurende 1 maand bij
                                        gedragingen van de tweede categorie;</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan op basis van individuele omstandigheden besluiten om
                                in afwijking van lid 1, onderdeel a, van dit artikel de maatregel te
                                effectueren door gedurende 2 maanden de uitkering grondslag met 50%
                                te verlagen.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>§</label><nr>3.2.2</nr><titel>Niet nakomen van de geüniformeerde verplichtingen met betrekking tot
                            de arbeidsinschakeling</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>31</nr><titel>Duur verlaging bij schending geüniformeerde
                                arbeidsverplichtingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Als een belanghebbende een verplichting als bedoeld in artikel 18,
                                vierde lid, van de P-wet niet of onvoldoende nakomt, bedraagt de
                                verlaging 100 % van de bijstandsnorm gedurende 1 maand. </al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>§</label><nr>3.2.3</nr><titel>Overige gedragingen die leiden tot een verlaging</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>32</nr><titel>tekortschietend besef van verantwoordelijkheid</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien een belanghebbende een tekortschietend besef van
                                verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan heeft
                                betoond, niet zijnde de gedragingen zoals genoemd in lid 4 van dit
                                artikel en artikel 33 van deze verordening, dan wordt een verlaging
                                van de uitkering opgelegd die wordt afgestemd op de hoogte van het
                                benadelingsbedrag.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De verlaging als bedoeld in lid 1 wordt op de volgende wijze
                                vastgesteld:</al><lijst><li nr="a."><al>10% van het benadelingsbedrag als dit gelijk of lager is dan
                                        € 4.000;</al></li><li nr="b."><al>20% van het benadelingsbedrag als dit hoger is dan €
                                        4.000.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien geen benadelingsbedrag kan worden vastgesteld bedraagt de
                                verlaging 20% van de uitkering gedurende één maand.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Bij het versneld interen van vermogen of het hebben gedaan van een
                                schenking waarmee rekening zou zijn gehouden bij het verlenen van de
                                bijstand, kan voor de duur van het eerder dan wel langer
                                bijstandsafhankelijk zijn een verlaging worden opgelegd van 100%.
                                Deze bepaling geldt alleen voor de P-wet.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Wanneer een belanghebbende bij aanvragen voor bijzondere bijstand
                                geen gebruik maakt van een voorliggende voorziening, die gezien haar
                                aard passend en toereikend is voor de soort kosten waarvoor
                                bijzondere bijstand is aangevraagd, wordt de bijzondere bijstand
                                verlaagd met het bedrag waarin de voorliggende voorziening zou
                                hebben voorzien. </al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Als toepassing van lid 4 leidt tot onbillijkheden wordt toepassing
                                gegeven aan het bepaalde in artikel 48, tweede lid, onder b, P-wet
                                en wordt de uitkering verstrekt in de vorm van een geldlening voor
                                de duur van het eerder dan wel langer bijstandsafhankelijk
                                zijn.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>33</nr><titel>Verlies van een passende en toereikende voorliggende voorziening
                                wegens recidiveboete</titel></kop><al>In afwijking van het bepaalde in artikel 32 van deze verordening wordt
                            een verlaging van de uitkering opgelegd van 100% gedurende één maand,
                            indien belanghebbende geen beroep meer kan doen op een passende en
                            toereikende voorliggende voorziening, omdat deze volledig wordt
                            verrekend met een bestuurlijke boete, gerekend vanaf de start van de
                            verrekening. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>34</nr><titel>Zeer ernstig misdragen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Als de belanghebbende zich ernstig misdraagt tegenover personen en
                                instanties, die zijn belast met de uitvoering van de P-wet, als
                                bedoeld in artikel 9, zesde lid van de P-wet, kan de uitkering
                                worden verlaagd.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Als de belanghebbende zich ernstig misdraagt tegenover het college
                                of zijn ambtenaren, onder omstandigheden die rechtstreeks verband
                                houden met de uitvoering van de IOAW, IOAZ of Bbz, kan de uitkering
                                worden verlaagd.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het agressieprotocol treedt in ieder geval in werking in geval van
                                een zeer ernstige misdraging. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college legt een maatregel op van 100% gedurende één maand.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Bij recidive legt het college een maatregel op van 100% gedurende 3
                                maanden.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>35</nr><titel>Niet nakomen van overige verplichtingen</titel></kop><al>Indien een belanghebbende een of meerdere door het college opgelegde
                            verplichtingen als bedoeld in artikel 55 P-wet, niet zijnde de
                            gedragingen als bedoeld in artikel28 of 32 van deze verordening, niet of
                            onvoldoende nakomt, wordt een verlaging toegepast. De verlaging wordt
                            vastgesteld op:</al><lijst><li nr="a."><al>20% gedurende 1 maand bij het niet of onvoldoende nakomen van
                                    nadere verplichtingen die verband houden met de aard en het doel
                                    van een bepaalde vorm van bijstand;</al></li><li nr="b."><al>40% gedurende 1 maand bij het niet of onvoldoende nakomen van
                                    nadere verplichtingen die strekken tot vermindering van de
                                    bijstand;</al></li><li nr="c."><al>100% gedurende 1 maand bij het niet of onvoldoende nakomen van
                                    nadere verplichtingen die strekken tot beëindiging van de
                                    bijstand.</al></li></lijst></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>§</label><nr>3.3</nr><titel>Bestuurlijke boete</titel></kop><structuurtekst><al/></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><label>§</label><nr>3.3.1</nr><titel>Schending inlichtingenplicht</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>36</nr><titel>Niet nakomen van de inlichtingenverplichting en bestuurlijke
                                boete</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Bij het niet, niet tijdig of niet volledig voldoen aan de
                                inlichtingenverplichting op grond van de wet, waardoor ten onrechte
                                of tot een te hoog bedrag uitkering is verleend, wordt er een
                                bestuurlijke boete opgelegd ter hoogte van het
                                benadelingsbedrag.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien het benadelingsbedrag lager is dan de minimale boete zoals
                                opgenomen in het Boetebesluit, wordt deze minimale boete
                                opgelegd.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien het niet, niet tijdig, of niet behoorlijk nakomen van de
                                inlichtingenplicht op grond van de wet niet heeft geleid tot een
                                benadelingsbedrag, dan wordt de minimale boete opgelegd zoals
                                opgenomen in het Boetebesluit.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Als er sprake is van een situatie zoals genoemd in lid 3, en er geen
                                sprake is van recidive, kan het college besluiten tot het geven van
                                een waarschuwing in plaats van het opleggen van een bestuurlijke
                                boete.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De boete wegens schending van de inlichtingenplicht wordt niet
                                opgelegd zolang de gedraging wordt onderzocht door het Openbaar
                                Ministerie en blijft definitief achterwege indien ter zake
                                strafvervolging is ingesteld en het onderzoek ter terechtzitting een
                                aanvang heeft genomen, of het recht tot strafvervolging is vervallen
                                ingevolge artikel 74 van het Wetboek van Strafrecht.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>37</nr><titel>Matigen en afzien van opleggen bestuurlijke boete</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college kan de bestuurlijke boete matigen als er sprake is
                                    van verminderde verwijtbaarheid.</al></li><li nr="2."><al>Het college kan afzien van het opleggen van een boete als er
                                    sprake is van zeer dringende redenen.</al></li></lijst><al>Het college stelt hiertoe nadere regels op.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>§</label><nr>3.3.2</nr><titel>Bescherming beslagvrije voet bij verrekening wegens recidive (alleen
                            P-wet)</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>38</nr><titel>Verrekenen zonder beslagvrije voet bij voldoende bezit</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien het bezit van een belanghebbende ten minste driemaal de
                                toepasselijke bijstandsnorm bedraagt, verrekent het college de
                                recidiveboete de eerste drie maanden zonder inachtneming van de
                                beslagvrije voet.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De verrekening, bedoeld in het eerste lid, geschiedt gedurende een
                                tijdvak van drie maanden vanaf de eerste van de maand volgend op de
                                dagtekening waarop de bestuurlijke boete is opgelegd.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>39</nr><titel>Verrekenen bij geen of onvoldoende bezit</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien het bezit van een belanghebbende niet ten minste driemaal de
                                toepasselijke bijstandsnorm bedraagt, verrekent het college de
                                recidiveboete gedurende één maand zonder inachtneming van de
                                beslagvrije voet. De verrekening geschiedt vanaf de eerste van de
                                maand volgend op de dagtekening waarop de bestuurlijke boete is
                                opgelegd.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Aansluitend op verrekening als bedoeld in het eerste lid, verrekent
                                het college de recidiveboete in de daarop volgende twee maanden op
                                een dusdanige wijze dat belanghebbende blijft beschikken over een
                                inkomen ter hoogte van 80% van de toepasselijke bijstandsnorm.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Tot het inkomen, bedoeld in het tweede lid, worden ook middelen
                                gerekend als bedoeld in artikel 31, tweede lid, onderdelen n en r,
                                P-wet.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>40</nr><titel>Verrekenen met inachtneming beslagvrije voet</titel></kop><al>In afwijking van de artikelen 38 en 39 van deze verordening kan het
                            college de recidiveboete met inachtneming van de beslagvrije voet
                            verrekenen indien:</al><lijst><li nr="a."><al>aannemelijk is dat verrekening op de wijze, bedoeld in de
                                    artikelen 38 en 39 zou leiden tot huisuitzetting van
                                    belanghebbende (en eventueel diens gezin); of</al></li><li nr="b."><al>anderszins sprake is van dringende redenen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>41</nr><titel>Eerder opgelegde bestuurlijke boete</titel></kop><al>De artikelen in deze paragraaf zijn van overeenkomstige toepassing op de
                            verrekening vande bestuurlijke boete, bedoeld in artikel 18a, eerste
                            lid, P-wet, indien en voor zover deze boete nog niet is betaald op het
                            moment van verrekening.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>§</label><nr>4</nr><titel>Handhaving: Bestrijden misbruik en oneigenlijk gebruik</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>42</nr><titel>Hoogwaardig handhaven</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het voorkomen en bestrijden van uitkeringsfraude dan wel van
                                misbruik en oneigenlijk gebruik van de wet is ingericht naar het
                                landelijk model voor hoogwaardig handhaven.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college stelt regels met betrekking tot hoogwaardig handhaven
                                waarbij tenminste wordt aangegeven hoe wordt geregeld:</al><lijst><li nr="a."><al>de voorlichting over de regelgeving alsmede de daaraan
                                        verbonden gevolgen bij misbruik en oneigenlijk gebruik;</al></li><li nr="b."><al>de wijze van verificatie van gegevens en van informatie
                                        uitwisseling met derden;</al></li><li nr="c."><al>de wijze waarop controles worden uitgevoerd;</al></li><li nr="d."><al>de wijze waarop fraude wordt opgespoord en afgehandeld.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>43</nr><titel>Controle</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college doet onderzoek naar de rechtmatigheid van de uitkering
                                en kan daarbij gebruikmaken van controlemiddelen zoals een
                                heronderzoeksplan, huisbezoeken, risicoprofielen,
                                bestandsvergelijkingen en de samenloopsignalen die daaruit
                                voortkomen. Het college onderzoekt daarnaast overige signalen en
                                tips die relevant zijn voor het recht op bijstand.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college doet onderzoek naar de reden van de beëindiging van de
                                uitkering en neemt op basis daarvan besluiten met betrekking tot de
                                rechtmatigheid van de uitkering en de wederzijds tussen het college
                                en de belanghebbende resterende verplichtingen en de afhandeling
                                daarvan. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>44</nr><titel>Aangifte bij het Openbaar Ministerie</titel></kop><al>Indien een schending van de inlichtingenplicht leidt tot benadeling van
                            de gemeenten, doet het college aangifte bij het Openbaar Ministerie, in
                            overeenstemming met de door het Openbaar Ministerie op dit punt
                            gehanteerde uitgangspunten in de Aanwijzing Sociale
                            Zekerheidsfraude.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>45</nr><titel>Terugvorderen opgespoorde fraudebedragen</titel></kop><al>Het college stelt regels met betrekking tot herziening, terug- en
                            invordering waarbij tenminste wordt geregeld:</al><lijst><li nr="a."><al>op welke wijze gebruik wordt gemaakt van de wettelijke
                                    bevoegdheid tot herziening, terugvordering en invordering van
                                    een verstrekte voorziening;</al></li><li nr="b."><al>op welke wijze er geheel of gedeeltelijk van terugvordering dan
                                    wel van invordering kan worden afgezien;</al></li><li nr="c."><al>met welke frequentie heronderzoeken plaats moeten vinden.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>46</nr><titel>Verhaal</titel></kop><al>Het college stelt regels op met betrekking tot verhaal op de
                            onderhoudsplicht waarin tenminste wordt geregeld:</al><lijst><li nr="a."><al>op welke wijze gebruik wordt gemaakt van de wettelijke
                                    bevoegdheid tot verhaal;</al></li><li nr="b."><al>wanneer en op welke wijze er wordt afgezien van het nemen van
                                    een verhaalsbesluit en het invorderen van de te verhalen
                                    voorziening;</al></li><li nr="c."><al>met welke frequentie heronderzoeken plaats moeten vinden.</al></li></lijst></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>§</label><nr>5</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>47</nr><titel>Hardheidsclausule</titel></kop><al>Het college kan in bijzondere gevallen afwijken van de bepalingen in
                            deze verordening, als toepassing daarvan </al><al>tot onbillijkheden van overwegende aard leidt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>48</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening kan worden aangehaald als: “Verzamelverordening 2015”.
                        </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>49</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>De verordening treedt in werking op 1 januari 2015. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>50</nr><titel>Intrekking oude verordeningen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De “Verzamelverordening WWB, IOAW, IOAZ, Bbz 2013/2” wordt op dat
                                moment ingetrokken. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voor wat betreft de re-integratieparagraaf geldt het volgende:</al><lijst><li nr="a."><al>een persoon die gebruik maakt van een toegekende voorziening
                                        op grond van de Verzamelverordening 2013, die moet worden
                                        beëindigd op grond van deze verordening, behoudt deze
                                        voorziening voor zover wordt voldaan aan de voorwaarden voor
                                        de duur dat deze is verstrekt.</al></li><li nr="b."><al>De toeslagenparagraaf van de Verzamelverordening 2013/2
                                        blijft gelden voor alle belanghebbenden, die op 31 december
                                        2014 een uitkering krachtens de WWB ontvingen, bij
                                        ongewijzigde omstandigheden tot 1 juli 2015. </al></li></lijst></lid></artikel></paragraaf></regeling-tekst><nota-toelichting><kop><titel>Toelichting Verzamelverordening Participatiewet, IOAW, IOAZ en Bbz
                        2015</titel></kop><al><cursief>Inleiding</cursief></al><al>Per 1 januari 2015 wordt de Participatiewet (P-wet) ingevoerd. De Wet werk en
                    bijstand (WWB) gaat hierin op. De P-wet maakt onderdeel uit van de 3 grote
                    transities op het sociale domein, waarmee centrale overheidstaken naar gemeenten
                    komen. De overheveling in de P-wet betreft de afschaffing van nieuwe instroom
                    Sociale Werkvoorziening en jonggehandicapten met arbeidspotentieel. Het zittende
                    bestand SW en Wajong blijft bij resp. Diamantgroep en UWV. Ook mensen die
                    duurzaam en volledig arbeidsongeschikt zijn houden recht op een Wajong uitkering
                    vanuit het UWV. </al><al>Naast de invoering van de P-wet zijn er ook WWB maatregelen 2015 doorgevoerd.
                    Deze gaan o.a. over de kostendelersnorm, waardoor het gemeentelijk beleid op
                    toeslagen en verlagingen geschrapt is. Deze verordeningsplicht vervalt dan ook.
                    Ook is er een aantal gedragingen expliciet in de wet opgenomen, waaraan een
                    wettelijke maatregel is gekoppeld. Deze maatregelen zijn ook als zodanig in deze
                    verzamelverordening opgenomen.</al><al/><al>De P-wet kent een aantal nieuwe, verplichte verordeningen. Dit zijn:
                    tegenprestatie, loonkostensubsidie, beschut werk. Deze verordeningen zijn in
                    deze verzamelverordening gerangschikt onder de paragraaf re-integratie en
                    tegenprestatie. Verder komen de afstemmings- (incl. bestuurlijke boete) en
                    handhavingsverordening terug. Ook nu is een groot deel van de verplichte
                    verordeningen samengevoegd tot één verzamelverordening. Dit omdat deze
                    onderwerpen zeer nauw samenhangen en vanwege de regionale wens om de uitvoering
                    te vereenvoudigen en regels terug te dringen. Er is nog een aantal aparte
                    verordeningen: individuele inkomenstoeslag en inspraak (deze laatste is
                    samengevoegd met jeugd en WMO vanwege de invoering van één Sociale Raad voor het
                    sociale domein). </al><al/><al>Ook nu zijn er duidelijk weer aanscherpingen te zien op het afstemmings- en
                    handhavingsbeleid. Met name de uniforme maatregelen in de wet geven dit aan.
                    Hier staat een minimale maatregel van 100% gedurende 1 maand voor. Ook is heel
                    duidelijk te zien dat er sprake is van een kanteling in denken: minder inzet van
                    voorzieningen, vooral begeleiding naar de reguliere arbeidsmarkt en wie
                    begeleiding nodig heeft krijgt deze kortdurend en heel gericht. </al><al/><al>Het kabinet beschrijft deze ontwikkelingen als volgt:</al><al><vet><cursief>Individueel, maatschappelijk én financieel belang nieuwe aanpak
                        </cursief></vet></al><al><cursief>“Ieder mens heeft recht op zelfbeschikking, verdient de kans het beste
                        uit zichzelf te halen en zich te ontplooien. We schrijven niemand af, maar
                        spreken iedereen aan. Een baan is immers de beste sociale zekerheid.
                        Natuurlijk zorgen we samen voor wie echt niet kan meedoen.” Zo beschrijft
                        het regeerakkoord van dit kabinet het individuele belang dat iedereen die
                        dat kan, ook naar vermogen meedoet. Meedoen naar vermogen dient daarnaast
                        ook een maatschappelijk en economisch belang. De arbeidsmarkt staat voor
                        grote veranderingen. Voor het eerst sinds decennia neemt het aantal
                        werkenden af. Als er niets gebeurt, komt de samenleving straks mensen tekort
                        om het werk te doen. Terwijl er intussen om uiteenlopende redenen nog veel
                        mensen langs de kant staan die (gedeeltelijk) wel kunnen werken. Dat is
                        sociaal en economisch ongewenst.</cursief><sup/></al><al><extref doc="#_ftnref1">[1]</extref> Citaat uit de hoofdlijnen notitie Werken
                    naar vermogen</al><al><extref doc="#_ftn1"><sup>[1]</sup></extref><sup/></al><al-groep><al/><al>Voor mensen met een arbeidsbeperking die hierdoor niet in staat zijn om het
                        wettelijk minimum uurloon te verdienen zijn specifieke voorzieningen
                        voorgeschreven welke op maat (voor Dongen) in deze verordening terug te zien
                        zijn. Het college zal deze algemeen geformuleerde regels nog nader uitwerken
                        in beleidsregels.</al><al/><al><cursief>Aanpassingen vanwege de invoering P-wet</cursief></al><al>In de verordening zijn bepalingen opgenomen met betrekking tot
                        voorzieningen, specifiek voor mensen met verminderd arbeidsvermogen (o.a. in
                        §2.3). Hieronder valt ook de studietoeslag, die verstrekt wordt aan
                        niet-uitkeringsgerechtigden ter ondersteuning bij hun studie.</al><al>Deze bepalingen worden veelal nog nader uitgewerkt in beleidsregels om te
                        komen tot maatwerk en toch zo veel als mogelijk uniformiteit. </al><al/><al><cursief>Aanpassing WWB maatregelen 2015</cursief></al><al>De uniforme maatregelen zijn verwerkt. Hierop is de maatregel "niet
                        ingeschreven staan UWV" verhoogd zodat deze aansluit op de uniforme
                        maatregelen. Vanwege de invoering van de kostendelersnorm is de
                        toeslagenparagraaf vervallen. Er worden nog wel beleidsregels opgesteld om
                        de commerciële huurdeling te regelen. Verder staat de tegenprestatie in de
                        paragraaf re-integratie en tegenprestatie opgenomen.</al><al/><al>De Verzamelverordening 2015 is als volgt opgebouwd:</al><lijst><li nr="1."><al>algemene bepalingen</al></li><li nr="2."><al>re-integratie en tegenprestatie</al></li><li nr="3."><al>maatregelen (afstemming) incl. bestuurlijke boete</al></li><li nr="4."><al>handhaving</al></li><li nr="5."><al>slotbepalingen</al></li></lijst><al/><al><vet>§1 Algemene bepalingen </vet></al><al><vet>Artikel 1. Definities </vet></al><al>De centrale rol van participatie in de bijstandsverlening (werk boven
                        inkomen en iedereen doet mee) raakt in het bijzonder de doelgroep, het
                        karakter en de reikwijdte van begrippen als participatie en voorzieningen.
                        De in de verzamelverordening gebruikte begrippen sluiten zoveel als mogelijk
                        aan bij die van de wetgeving. Dit uit het oogpunt van helderheid en
                        structuur. Hiermee wordt het voor de burger makkelijker om de samenhang te
                        doorzien tussen het doel van de wetgeving en de in de verordening
                        uitgewerkte beleidskaders. Voor zover er definities niet in de Verordening
                        zijn opgenomen, gelden deze zoals in de wet bedoeld.</al><al/><al>De definities in deze paragraaf gelden voor de gehele Verzamelverordening,
                        tenzij hierop in de paragrafen een uitzondering voor wordt gegeven.</al><al/><al><vet>§2 Re-integratie</vet></al><al>Dit hoofdstuk regelt het ondersteunen en het aanbieden van voorzieningen aan
                        werkzoekenden die behoren tot de doelgroep. De opdracht hiertoe is geregeld
                        in artikel 7 van de P-wet en 34 IOAW. Voor de IOAZ en Bbz gelden deze regels
                        niet vanwege de specifieke doelgroep en bepalingen.</al><al/><al><vet>Artikel 2 Opdracht en taak van het college </vet></al><al>Het college biedt voorzieningen en ondersteuning zoals bedoeld in deze
                        verordening aan personen aan die behoren tot de doelgroep re-integratie.
                        Door het college wordt een afweging gemaakt, waarbij gekeken wordt of een
                        voorziening gelet op de mogelijkheden en capaciteiten van de belanghebbende
                        (het meest) doelmatig is met het oog op arbeidsinschakeling. Het is aan het
                        college om te zorgen voor voldoende aanbod van voorzieningen gericht op
                        arbeidsinschakeling en re-integratie. Het college zorgt voor een gevarieerd
                        aanbod aan voorzieningen en legt deze vast in de beleidsregels.</al><al/><al>Bij het aanbieden van een voorziening of ondersteuning houdt het college
                        rekening met de mogelijkheden en omstandigheden van de belanghebbende, zoals
                        bedoeld in artikel 8a, tweede lid, onderdeel a, van de P-wet. </al><al>Hierin ligt besloten dat de gemeenteraad ook rekening houdt met de
                        omstandigheden en functionele beperkingen van personen met een handicap. Dit
                        is in overeenstemming met het VN-verdrag inzake de rechten van personen met
                        een handicap. De doelstelling van dit verdrag is<cursief> het bevorderen,
                            beschermen en waarborgen van het volledige genot door alle personen met
                            een handicap van alle mensenrechten en fundamentele vrijheden op voet
                            van gelijkheid en het bevorderen van de eerbiediging van hun inherente
                            waardigheid.</cursief></al><al/><al>Daarnaast dient het college bij het aanbieden van ondersteuning of een
                        voorziening rekening te houden met de zorgtaken van de belanghebbende. Onder
                        deze zorgtaken worden ten minste verstaan de opvang van ten laste komende
                        kinderen en het verrichten van mantelzorg. Door het college worden nadere
                        regels gesteld over inhoud van deze zorgtaken en de manier waarop daarmee
                        rekening wordt gehouden. </al><al/><al>Soms hebben personen hulp of ondersteuning nodig, anders dan direct gericht
                        op arbeid, om de stap richting de arbeidsmarkt te kunnen maken. Dit kan
                        bijvoorbeeld het geval zijn wanneer er sprake is van een ernstige
                        schuldenproblematiek. In lid vier is opgenomen dat het college de inzet van
                        flankerende voorzieningen bevordert. Bij deze voorzieningen kan dus gedacht
                        worden aan een traject in het kader van schuldhulpverlening maar
                        bijvoorbeeld ook kinderopvang. De inzet van een dergelijke voorziening kan
                        (in het individuele geval) een randvoorwaarde zijn voor wat betreft deelname
                        aan re-integratievoorzieningen en nakoming van arbeidsverplichtingen. Let
                        wel: de gemeente hoeft niet perse zelf alle voorzieningen te organiseren,
                        maar houdt wel rekening met het beschikbaar zijn hiervan.</al><al/><al>De gemeente kan, om de financiële risico’s te beheersen, een verdeling maken
                        van de middelen over de verschillende voorzieningen. Het college zal naar
                        aanleiding van een aanspraak op ondersteuning altijd een individuele
                        afweging maken of zij die aanspraak wil en kan honoreren. Het ontbreken van
                        financiële middelen kan echter niet de reden zijn om aanvragen op
                        ondersteuning af te wijzen. Wel kan per voorziening een plafond worden
                        ingebouwd. Het college dient in zo'n geval na te gaan welke andere,
                        goedkopere alternatieven er beschikbaar zijn. In het individuele geval is
                        het altijd aan de gemeente om te beoordelen of er überhaupt ondersteuning
                        noodzakelijk is en welke vorm die moet krijgen, gelet op het te bereiken
                        doel van arbeidsinschakeling, al dan niet op langere termijn. Hierbij kan de
                        afweging gemaakt worden voor het goedkoopste adequate alternatief.</al><al/><al><vet>Artikel 3 Aanspraak</vet></al><al>Met de wijziging van de WWB per 1 januari 2012, heeft de Regering de
                        verplichtingen voor jongeren tot 27 jaar aangescherpt. Onder meer is toen
                        voor de jongere tot 27 jaar een zoektermijn van 4 weken ingevoerd (vanaf de
                        datum van melding). In deze periode dient de jongere aantoonbare
                        inspanningen te verrichten om algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen en
                        zijn mogelijkheden voor de terugkeer naar regulier onderwijs te onderzoeken.
                        Dit betreffen niet de jonggehandicapten die zich melden voor een uitkering,
                        aangezien de wachttijd voor deze groep wettelijk bepaald is.</al><al/><al>Steeds meer gemeenten hebben in de praktijk de zoektermijn uitgebreid en ook
                        toepassing op personen van 27 jaar en ouder. Hoewel er zeker scherpe randjes
                        aan de toepassing hiervan zaten, werd vooruit gelopen op de verwachting dat
                        de zoektermijn als algehele maatregel in de P-wet zou worden opgenomen. Dat
                        is niet gebeurd. Het invoeren van de zoektermijn (ook wel inspanningsperiode
                        genoemd) voor personen van 27 jaar en ouder is onder de P-wet daarmee een
                        beleidskeuze geworden. Dongen heeft ervoor gekozen de wachttijd voor
                        personen van 27 jaar en ouder niet in te zetten.</al><al/><al>Het college betrekt bij het afwegen van de belangen bij het aanbieden van
                        voorzieningen onder meer de situatie op de arbeidsmarkt, de mate van
                        investering in een belanghebbende (eerder aangeboden voorzieningen), het
                        vooruitzicht op inkomen uit betaalde arbeid als ook de mogelijkheid van een
                        voorliggende voorziening waaronder voor jongeren de terugkeer naar het
                        reguliere onderwijs.</al><al/><al>De aanspraak voor mensen zonder uitkering, die wel tot de doelgroep behoren,
                        wordt beperkt naar inkomen en vermogen. Ook dit past in de nieuwe visie op
                        re-integratie waarbij de steeds schaarsere middelen worden ingezet voor de
                        doelgroepen die dit het hardste nodig hebben. In verband met de invoering
                        van de kostendelersnorm wordt de inkomensgrens gesteld op 110% van het
                        Wettelijk minimum loon (WML) en niet de van toepassing zijnde bijstandsnorm.
                        Toepassing van de (kostendelers)norm zou te snel tot uitsluiting van
                        voorzieningen leiden. Maar het hanteren van het 110% WML heeft ook
                        consequenties. Dit betekent bijvoorbeeld dat arbeidsbeperkten met
                        arbeidsvermogen en een verdienende partner bij overschrijding van de
                        inkomens-/vermogensgrens geen beroep op re-integratieondersteuning kunnen
                        doen, terwijl dat onder de Wajong wel kon. De toegang tot de Wajong beperkt
                        zich - met de invoering van de P-wet - tot personen die volledig, blijvend
                        geen arbeidsvermogen hebben. Personen met arbeidsvermogen zijn aangewezen op
                        de P-wet.</al><al/><al>In lid 7 is opgenomen dat de bepalingen die zijn opgenomen in lid 6 niet van
                        toepassing zijn op voorzieningen die daartoe worden aangewezen in de
                        beleidsregels. Het betreffen de voorwaarden waaronder niet
                        uitkeringsgerechtigden aanspraak kunnen maken op voorzieningen. Voor
                        bepaalde voorzieningen zijn dergelijke voorwaarden niet wenselijk. Dit lid
                        geeft de ruimte om bepaalde voorzieningen, indien gewenst, voor een bredere
                        doelgroep in te zetten.</al><al/><al><vet>Artikel 4 Voorzieningen</vet></al><al>De P-wet schrijft niet uitputtend voor welke voorzieningen het college aan
                        moet bieden. Het criterium is dat de voorziening gericht moet zijn op de
                        arbeidsinschakeling en moet bijdragen aan het (op termijn) mogelijk maken
                        van reguliere arbeid door een persoon. Al naar gelang de afstand van een
                        persoon tot de arbeidsmarkt kan een voorziening gericht zijn op
                        bijvoorbeeld:</al><lijst><li nr="-"><al>activering en het voorkomen van een isolement (zoals het doen van
                                vrijwilligerswerk met behoud van uitkering);</al></li><li nr="-"><al>het leren van vaardigheden of kennis; </al></li><li nr="-"><al>het opdoen van werkervaring (bijvoorbeeld via gesubsidieerd
                                werk);</al></li><li nr="-"><al>het verstrekken van een premie in het kader van de
                                arbeidsinschakeling;</al></li><li nr="-"><al>Etcetera.</al></li></lijst><al/><al>De voorzieningen voor werkgevers zou je ook in verschillende categorieën
                        kunnen opdelen. Zo kan de werkgever gestimuleerd worden om een persoon uit
                        de doelgroep werkervaring op te laten doen in zijn bedrijf dan wel de
                        persoon in dienst te nemen. De gemeente zou bijvoorbeeld een deel van de
                        opleidingskosten voor haar rekening kunnen nemen. Ook kan er door middel van
                        een voorziening worden gecompenseerd voor een verminderde loonwaarde of
                        productiviteit van een belanghebbende. Dit betreft bijvoorbeeld
                        loonkostensubsidie, zoals opgenomen in artikel 9. Verder kan het college een
                        voorziening verstrekken die het risico van een werkgever wegneemt voor wat
                        betreft ziekte van de werknemer. Dit wordt in deze verordening vertaald in
                        de no-risk polis zoals opgenomen in artikel 8.</al><al/><al>In dit artikel zijn de verschillende categorieën voorzieningen opgenomen die
                        het college tot haar beschikking heeft bij het ondersteunen van
                        belanghebbenden richting de arbeidsmarkt. Onder deze categorieën vallen meer
                        specifieke instrumenten zoals bijvoorbeeld bemiddeling van de werkzoekende,
                        scholing, proefplaatsen etc. Deze individuele voorzieningen zullen door het
                        college uitgewerkt worden in nadere regels. </al><al/><al><vet>Artikel 5 Beëindigen van een voorziening </vet></al><al>In artikel vijf zijn de beëindigingsgronden opgenomen die gelden voor
                        voorzieningen die zijn toegekend. Er staat beschreven dat het college een
                        voorziening kan beëindigen en in welke gevallen dit kan. Het college kan een
                        voorziening beëindigen in de gevallen zoals opgenomen in artikel vijf van
                        deze verordening. Een voorziening kan bijvoorbeeld worden beëindigd als een
                        persoon niet in voldoende mate meewerkt aan de betreffende voorziening. In
                        een dergelijk geval zal overigens ook een afstemming van uitkering worden
                        bezien. </al><al/><al>Onderdeel g is, anders dan in onderdeel a. tot en met f., gericht op de
                        werkgever en niet op de persoon die gebruik maakt van de voorziening. Indien
                        een participatiepartner niet voldoet aan de verplichtingen die zijn
                        verbonden aan de voorziening, bijvoorbeeld het bieden van bepaalde
                        ondersteuning op de werkvloer, dan kan de voorziening ook worden beëindigd.
                        Het is wel van belang dat er door de werkgever of uitvoeringsorganisatie een
                        overeenkomst is ondertekend waarin de verwachtingen ten opzichten van de
                        werkgever en de voorwaarden in verband met de voorziening staan beschreven. </al><al>Er moet worden opgelet met de reikwijdte van deze bepaling, aangezien die
                        beperkt is. Dit lid kan niet worden toegepast wanneer er reeds in wettelijke
                        bepalingen is vastgelegd wanneer aan de voorwaarden is voldaan. Dat is het
                        geval bij de voorzieningen beschut werk en loonkostensubsidie. Wanneer er
                        een arbeidsovereenkomst is gesloten tussen werkgever en werknemer geldt het
                        burgerlijk recht en heeft de werkgever enkel verplichtingen richting de
                        werknemer (en niet jegens de gemeente). </al><al/><al>De P-wet voorziet niet in een wettelijke bepaling tot terugvordering van
                        re-integratiekosten die onnodig zijn gemaakt. Noch van een
                        bijstandsgerechtigde, noch van een niet-bijstandsgerechtigde dan wel de
                        werkgever kunnen de kosten worden teruggevorderd. Terugvordering dient te
                        geschieden op grond van het Burgerlijk Wetboek.</al><al/><al><vet>Artikel 6 Participatie(plaats) voor personen ouder dan 27 jaar
                        </vet></al><al>Een participatieplaats is bedoeld voor personen met een grotere afstand tot
                        de arbeidsmarkt. Voor personen jonger dan 27 jaar is ondersteuning in de
                        vorm van een participatieplaats niet mogelijk (artikel 7, achtste lid, van
                        de P-wet). Het college kan dan ook enkel aan personen van 27 jaar of ouder
                        met recht op algemene bijstand een participatieplaats aanbieden.</al><al/><al><cursief>Additionele werkzaamheden</cursief></al><al>Op een participatieplaats worden additionele werkzaamheden verricht. Niet de
                        te verrichten werkzaamheden staan centraal maar het leren werken of het
                        (opnieuw) wennen aan werken. Aspecten als omgaan met gezag, op tijd komen,
                        werkritme en samenwerking met collega’s zijn allemaal zaken waaraan in een
                        participatieplaats gewerkt kan worden. Ook kan hiermee worden beoordeeld of
                        het werkterrein past bij de capaciteiten van de uitkeringsgerechtigde, zodat
                        een persoon bijvoorbeeld een opleiding op het betreffende terrein kan gaan
                        volgen en daarmee voor zichzelf een duurzaam perspectief op arbeid kan
                        realiseren. De duur van de participatieplaats is wettelijk beperkt tot
                        maximaal vier jaar (artikel 10a van de P-wet). Na negen maanden wordt
                        beoordeeld door het college of de participatieplaats de kans op
                        arbeidsinschakeling heeft vergroot (artikel 10a, achtste lid, van de P-wet).
                        Zo niet dan wordt de participatieplaats beëindigd. Uiterlijk 24 maanden na
                        aanvang van de participatieplaats wordt opnieuw beoordeeld of de
                        participatieplaats wordt voorgezet. Als de gemeente concludeert dat
                        voortzetting van de participatieplaats met het oog op in de persoon gelegen
                        factoren aanmerkelijk bijdraagt tot de arbeidsinschakeling, dan kan de
                        participatieplaats nog één jaar verlengd worden. Echter in dat geval dient
                        een andere werkomgeving geboden te worden (artikel 10a, negende lid, van de
                        P-wet). Na 36 maanden vindt opnieuw een dergelijke beoordeling plaats
                        (artikel 10a, tiende lid, van de P-wet).</al><al/><al><cursief>Premie</cursief></al><al>De persoon die werkzaamheden verricht op een participatieplaats heeft recht
                        op een premie voor het eerst na zes maanden en vervolgens iedere zes maanden
                        na aanvang van de additionele werkzaamheden (artikel 10a, zesde lid, van de
                        P-wet). Voorwaarde is dat de persoon naar het oordeel van het college
                        voldoende heeft meegewerkt aan het vergroten van zijn kansen op de
                        arbeidsmarkt. De hoogte van de premie moet in de verordening vastgelegd
                        worden (artikel 8a, eerste lid, onderdeel d, van de P-wet). De premie wordt
                        vrijgelaten op grond van artikel 31, tweede lid, onderdeel j, van de P-wet.
                        In verband hiermee is de hoogte van de premie begrensd door het in de
                        vrijlatingsbepaling genoemde bedrag. Bij het bepalen van de hoogte van de
                        premie zijn de risico's van de armoedeval betrokken.<extref doc="#_ftn1"><sup>[1]</sup><sup/></extref></al><al/><al>De premie wordt per zes maanden verstrekt. Aangezien in artikel 6 wordt
                        verwezen naar de premie zoals genoemd in artikel 31, lid 2, onderdeel j, is
                        ook bij de hoogte van de premie aansluiting gezocht bij voornoemd artikel.
                        De hoogte van de premie is per jaar bepaald op 25% van het in artikel 6, lid
                        2, onderdeel j. genoemde bedrag, thans € 2.312<extref doc="#_ftn2"><sup>[2]</sup><sup/></extref>. Het bedrag per periode van 6 maanden
                        zoals genoemd in artikel 10a, lid 6 is derhalve thans telkens € 289.</al><al/><al><vet>Artikel 7 Participatievoorziening beschut werk</vet></al><al>Het college kan de voorziening beschut werk aanbieden aan een persoon uit de
                        doelgroep die door een lichamelijke, verstandelijke of psychische beperking
                        een zodanige mate van begeleiding op en aanpassingen van de werkplek nodig
                        heeft, dat van een reguliere werkgever redelijkerwijs niet kan worden
                        verwacht dat hij deze in dienst neemt (eerste lid).</al><al/><al><cursief>Stap 1: voorselectie</cursief></al><al>Ten behoeve van de participatievoorziening beschut werk kan de gemeente een
                        voorselectie uitvoeren. Als de voorselectie wordt uitgevoerd, dan wordt door
                        het college bepaald welke mensen in aanmerking kunnen komen voor beschut
                        werk, en op welk moment. In de verordening moet vastgelegd worden hoe zij
                        deze voorselectie uitvoeren.<extref doc="#_ftn3"><sup>[3]</sup><sup/></extref> Daarom is in het tweede lid bepaald dat
                        het college uitsluitend personen met beperkingen richting werk selecteert.
                        Bij deze personen wordt onderzocht of zij uitsluitend in een beschutte
                        omgeving mogelijkheden tot arbeidsparticipatie hebben. Personen met een
                        korte afstand tot de arbeidsmarkt zijn veelal niet uitsluitend aangewezen op
                        een beschutte omgeving voor arbeidsparticipatie. Onder de personen met
                        beperkingen richting werk, is het aannemelijk dat daartoe personen behoren
                        die uitsluitend in een beschutte omgeving kunnen werken. </al><al/><al>Het college kan ambtshalve vaststellen of een persoon uitsluitend in een
                        beschutte omgeving onder aangepaste omstandigheden mogelijkheden tot
                        arbeidsparticipatie heeft (artikel 10b, eerste lid, van de P-wet). Het is
                        niet mogelijk om hiervoor een aanvraag in te dienen. </al><al/><al><cursief>Stap 2: advies Uitvoeringsinstituut
                            werknemersverzekeringen</cursief></al><al>Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen adviseert het college met
                        betrekking tot het oordeel of een voorgedragen persoon tot de doelgroep
                        beschut werk behoort. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen voert
                        op basis van landelijke criteria een beoordeling uit (artikel 10b, tweede
                        lid, van de P-wet). </al><al/><al><cursief>Stap 3: besluit gemeente</cursief></al><al>Op basis van het advies van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
                        beslist de gemeente of iemand tot de doelgroep 'beschut werk' behoort.
                        Alleen als sprake is van een onzorgvuldige totstandkoming van het advies van
                        het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, kan de gemeente besluiten
                        het advies niet te volgen.<extref doc="#_ftn4"><sup>[4]</sup><sup/></extref></al><al/><al><cursief>Stap 4: dienstbetrekking 'beschut werk'</cursief></al><al>Indien is vastgesteld dat iemand tot de doelgroep 'beschut werk' behoort,
                        zorgt de gemeente ervoor dat deze persoon in een dienstbetrekking onder
                        beschutte omstandigheden aan de slag gaat (artikel 10b, derde lid, van de
                        P-wet). Het kan dan gaan om een privaatrechtelijke of een publiekrechtelijke
                        dienstbetrekking (artikel 6, eerste lid, onderdeel f, van de P-wet). Hoe de
                        dienstbetrekking wordt georganiseerd, behoort tot de beleidsvrijheid van
                        gemeenten. Een dienstbetrekking kan bijvoorbeeld worden georganiseerd via
                        een gemeentelijke dienst, NV, BV of stichting. Ook kunnen personen (via
                        detachering) in een beschutte omgeving bij reguliere werkgevers
                            werken.<extref doc="#_ftn5"><sup>[5]</sup><sup/></extref></al><al/><al>Om een dienstbetrekking beschut te laten slagen is het veelal nodig om
                        aanvullende voorzieningen in te zetten. Denk hierbij aan een jobcoach of
                        fysieke aanpassingen op de werkplek of in de werkomgeving. Deze
                        voorzieningen en de bijbehorende voorwaarden worden vastgelegd in de
                        beleidsregels, tezamen met de andere voorzieningen. </al><al/><al><cursief>Omvang beschut werk</cursief></al><al>Het college bepaalt de omvang van het aanbod beschut werk en legt vast
                        hoeveel plekken voor beschut werk de gemeente beschikbaar stelt. Het aanbod
                        is mede afhankelijk van het aantal geschikte en beschikbare plaatsen bij
                        werkgevers. </al><al/><al><vet>Artikel 8 No-risk polis</vet></al><al>De no-riskpolis is een belangrijk instrument om aarzelingen bij werkgevers
                        weg te nemen om mensen uit de doelgroep in dienst te nemen. De gemeente kan
                        de verzekering aanbieden aan een werkgever die een persoon uit de doelgroep
                        re-integratie in dienst neemt. De polis zorgt ervoor dat de werkgever
                        schadeloos wordt gesteld wanneer de betrokken werknemer ziek wordt. </al><al/><al><onderstreept>Voorwaarden</onderstreept></al><al>De no-riskpolis kan worden ingezet als ondersteuning bij de
                        arbeidsinschakeling. In het eerste lid is beschreven welke criteria gelden
                        voor een werkgever om in aanmerking te komen voor een polis. De no-risk
                        polis kan worden ingezet wanneer een werkgever een arbeidsovereenkomst
                        aangaat met een werknemer, dan wel het arbeidscontract van de werknemer
                        verlengt. </al><al/><al>Voorts is voor inzet van de no-risk polis vereist dat de werknemer behoort
                        tot de doelgroep re-integratie en hij een structurele functionele of andere
                        beperking heeft of ten behoeve van hem de werkgever een loonkostensubsidie
                        als bedoeld in artikel 10d van de P-wet ontvangt. De no-risk polis is dus
                        breder inzetbaar dan enkel voor werknemers die behoren tot de doelgroep
                        loonkostensubsidie. Maar het is beslist niet de bedoeling om voor iedere
                        uitkeringsgerechtigde die gaat werken het risico van ziekte af te dekken.
                        Alleen wanneer er sprake is van een goede reden om de polis in te zetten
                        (aanwezige ziekte of beperking of een psychosociaal probleem) dan zal
                        hiervoor gekozen worden. Dit wordt in nadere regels uitgewerkt.</al><al/><al>Verder dient de werknemer, en dus niet de werkgever, ten tijde van het
                        afsluiten van de polis, zijn woonplaats te hebben binnen de gemeente.</al><al/><al>Hoogte en duur vergoeding no-riskpolis</al><al>De gemeente bepaalt bij welke verzekeraar zij de verzekering afsluit en wat
                        de dekking is. </al><al>De duur en hoogte van de dekking worden nader vastgelegd in de
                        beleidsregels, deze zullen corresponderen met de polisvoorwaarden zoals deze
                        zijn overeengekomen tussen de gemeente en de verzekeraar. </al><al/><al>Na twee jaar is het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
                        verantwoordelijk. De no-riskpolis kan derhalve maximaal voor de duur van
                        twee jaar worden ingezet. Nadat betrokkene twee jaar zelfstandig het
                        minimumloon heeft verdiend, dus zonder loonkostensubsidie, gaat de
                        verantwoordelijkheid voor de no-riskpolis over naar Uitvoeringsinstituut
                        werknemersverzekeringen en kan artikel 29b van de Ziektewet van toepassing
                        zijn.</al><al/><al>Het is van belang dat een werkgever bij het verstrekken van de polis goed
                        geïnformeerd wordt over de voorwaarden van de polis, zoals: welke kosten
                        zijn gedekt, wat is het eigen risico etcetera. </al><al/><al><vet>Artikel 9 Vaststelling doelgroep loonkostensubsidie en loonwaarde
                        </vet></al><al>De loonkostensubsidie zoals beschreven in dit artikel kan uitsluitend worden
                        ingezet als de persoon in kwestie behoort tot de doelgroep
                        loonkostensubsidie, als bedoeld in artikel 6, eerste lid, onderdeel e, van
                        de P-wet: personen met een arbeidsbeperking. Deze nieuwe vorm van
                        loonkostensubsidie is niet per definitie tijdelijk, maar kan indien nodig
                        voor een langere periode worden ingezet. Met dit instrument compenseert de
                        gemeente werkgevers voor de verminderde productiviteit van de werknemer. </al><al/><al>In artikel 10c van de P-wet is bepaald dat het aan college is om vast te
                        stellen of een persoon tot de doelgroep loonkostensubsidie behoort. Binnen
                        de kaders van de P-wet is het aan de gemeente om vast te stellen op welke
                        wijze zij bepalen of mensen tot de doelgroep loonkostensubsidie behoren en
                        of loonkostensubsidie voor hen wordt ingezet. In artikel 9, tweede lid, is
                        vastgelegd welke criteria daarbij in acht genomen worden. Deze cumulatieve
                        criteria zijn ontleend aan artikel 6, eerste lid, onderdeel e, van de P-wet.
                        Daarin is immers wettelijk de doelgroep loonkostensubsidie vastgelegd. </al><al/><al><onderstreept>Loonwaardebepaling</onderstreept></al><al>In de P-wet en in de concept lagere regelgeving zijn de wettelijke eisen
                        neergelegd waaraan de loonwaarde methodiek moet voldoen. Daarbinnen wordt
                        aan gemeenten en regio’s beleidsvrijheid gegeven. De P-wet bepaalt dat de
                        methode van loonwaardebepaling waarvoor wordt gekozen in de gemeentelijke
                        verordening wordt vastgelegd. </al><al/><al>Gemeenten dienen over de loonwaardebepaling regionale afspraken te maken in
                        het Werkbedrijf. Het opstellen van een methodiek voor loonwaardebepaling
                        hangt dus samen met de vorming van Werkbedrijven. Hoewel er in alle regio's
                        hard wordt gewerkt aan de vorming van Werkbedrijven, zal niet in iedere
                        regio voor 1 januari een Werkbedrijf van start is gegaan. Dat betekent ook
                        dat gemeenten in deze regio niet in de gelegenheid zijn de
                        loonwaardemethodiek tijdig vast te leggen in een verordening.</al><al/><al>Zoals vermeld in de nota van toelichting op het Ontwerpbesluit
                        loonkostensubsidie Participatiewet is er een ministeriële regeling ontworpen
                        voor het geval Werkbedrijven voor 1 januari 2015 niet operationeel zijn. Als
                        er over de loonwaardebepaling nog geen regionale afspraken in het
                        Werkbedrijf zijn gemaakt, kiezen de gemeenten zelf voor een
                        loonwaardemethodiek.</al><al/><al>Die methodiek moet dan, naast de voorwaarden die in het Ontwerpbesluit zijn
                        opgenomen, voldoen aan de in de ministeriële regeling opgenomen eisen. De
                        eisen die in het Ontwerpbesluit zijn opgenomen zijn:</al><lijst><li nr="-"><al> de loonwaardebepaling wordt uitgevoerd door of onder
                                verantwoordelijkheid van een deskundige;</al></li><li nr="-"><al> de loonwaardebepaling vindt plaats op de werkplek met inbreng van
                                de werkgever;</al></li><li nr="-"><al> de loonwaardebepaling wordt uitgevoerd op basis van een beschreven
                                objectieve methode. </al></li></lijst><al/><al>In de ministeriële regeling staat welke bestanddelen (kwaliteit, tempo,
                        inzetbaarheid) bij de vaststelling van de loonwaarde moeten worden
                        betrokken, de functie waartegen de prestaties van de betrokken (potentiële)
                        werknemer moeten worden afgezet en de wijze waarop de loonwaarde wordt
                        berekend. Tot aan het moment dat in een regionaal Werkbedrijf afspraken over
                        een loonwaardemethodiek zijn gemaakt en die methode voldoet aan de
                        voorwaarden van het Ontwerpbesluit, gelden de in de ministeriële regeling
                        opgenomen eisen. </al><al/><al>De loonwaarde methodiek zal -indien deze niet tijdig beschikbaar is-
                        separaat van deze Verzamelverordening als addendum worden aangeboden. Dit
                        gebeurt op het moment dat er in de arbeidsmarktregio afspraken over
                        minimumeisen tot stand zijn gekomen en deze bovendien akkoord zijn bevonden
                        door SZW. De regionale afspraken treden na vaststelling in de plaats van de
                        bij ministeriële regeling gestelde aanvullende eisen.</al><al/><al><vet>§ 2.4 Studietoeslag</vet></al><al/><al><cursief>Voorwaarden individuele studietoeslag </cursief></al><al>Artikel 36b, eerste lid, van de P-wet spreekt zowel over verzoek als
                        aanvraag. Het college kan op een dergelijk verzoek – gelet op de individuele
                        omstandigheden van een persoon - een individuele studietoeslag verlenen.
                        Hiervoor is vereist dat deze persoon op de datum van de aanvraag: </al><lijst><li nr="-"><al>18 jaar of ouder is; </al></li><li nr="-"><al>recht heeft op studiefinanciering op grond van de Wet
                                studiefinanciering 2000 of recht heeft op een tegemoetkoming op
                                grond van hoofdstuk 4 van de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en
                                schoolkosten; </al></li><li nr="-"><al>geen in aanmerking te nemen vermogen als bedoeld in artikel 34 van
                                de P-wet heeft; en </al></li><li nr="-"><al>een persoon is van wie is vastgesteld dat hij niet in staat is tot
                                het verdienen van het wettelijk minimumloon, doch wel mogelijkheden
                                tot arbeidsparticipatie heeft. </al></li></lijst><al/><al>Dat een persoon recht moet hebben op studiefinanciering of een
                        WTOS-tegemoetkoming, betekent niet dat deze persoon ook daadwerkelijk
                        studiefinanciering of een tegemoetkoming moet ontvangen. Het recht op
                        studiefinanciering bestaat, afhankelijk van iemands gekozen opleiding,
                        leeftijd en inkomen. Of van dit recht gebruik gemaakt wordt is niet in de
                        P-wet geregeld en is geen vereiste voor het ontvangen van een individuele
                        studietoeslag op grond van de P-wet. Voor het recht op een individuele
                        studietoeslag is het dan ook voldoende dat een persoon recht heeft op
                        studiefinanciering of een tegemoetkoming. De persoon zal - als aanvrager van
                        de toeslag - aannemelijk moeten maken dat hij recht op studiefinanciering of
                        een tegemoetkoming heeft, bijvoorbeeld door een beschikking van DUO of door
                        een bewijs van inschrijving bij een bepaalde opleiding te overleggen. </al><al>De artikelen 12, 43, 49 en 52 van de P-wet zijn niet van toepassing bij
                        verlening van de individuele studietoeslag (artikel 36b, tweede lid, van de
                        P-wet). De aanvraag moet worden ingediend bij het college en er wordt geen
                        rekening gehouden met een eventuele draagkracht van de ouders (artikel 12).
                        Een individuele studietoeslag kan niet als lening worden verstrekt als een
                        persoon met de studietoeslag schulden wil aflossen. Artikel 49 van de P-wet
                        is namelijk niet van toepassing op de individuele studietoeslag (artikel
                        36b, tweede lid, van de P-wet). Ook artikel 52 van de P-wet is niet van
                        toepassing op de individuele studietoeslag (artikel 36b, tweede lid, van de
                        P-wet). Dit maakt dat de individuele studietoeslag niet kan worden verstrekt
                        in de vorm van een voorschot. </al><al/><al><vet>Artikel 10 indienen verzoek</vet></al><al>De persoon dient op datum van de aanvraag aan de voorwaarden te voldoen
                        zoals genoemd in artikel 36b, eerste lid, van de P-wet. Onder aanvraag wordt
                        verstaan: een verzoek van een persoon, een besluit te nemen (artikel 1:3,
                        derde lid, van de Awb). Een aanvraag dient in beginsel schriftelijk te
                        worden ingediend (artikel 4:1 van de Awb). </al><al>Om onduidelijkheid te voorkomen omtrent de wijze waarop het verzoek als
                        bedoeld in artikel 36b, eerste lid, van de P-wet moet worden ingediend,
                        staat in deze verordening dat het verzoek moet worden gedaan middels een
                        door het college vastgesteld formulier. Een verzoek wordt dan gezien als een
                        aanvraag zoals bedoeld in afdeling 4.1.1 van de Awb. Het gaat dan om een
                        schriftelijke aanvraag (artikel 4:1 van de Awb) die wordt ondertekend door
                        de aanvrager en ten minste de naam en het adres van de aanvrager bevat, de
                        dagtekening en een aanduiding van de beschikking die wordt gevraagd (artikel
                        4:2, eerste lid, van de Awb). De aanvrager verschaft ook de gegevens en
                        bescheiden die voor de beslissing op de aanvraag nodig zijn en waarover hij
                        redelijkerwijs de beschikking kan krijgen (artikel 4:2, tweede lid, van de
                        Awb). Een mondeling verzoek kan hiermee dus niet worden aangemerkt als een
                        verzoek om individuele studietoeslag zoals bedoeld in artikel 36b van de
                        P-wet. </al><al/><al><vet>Artikel 11 Advies over oordeel verdienen wettelijk
                        minimumloon</vet></al><al>In eerste instantie onderzoekt het college zelf of er sprake is van
                        verminderd arbeidsvermogen, dus of de aanvrager niet in staat is om het
                        wettelijk minimum uurloon te verdienen. Wanneer het college hieraan twijfelt
                        en de eigen onderzoeksmogelijkheden deze twijfel niet weg kunnen nemen, zal
                        er extern advies worden aangevraagd.</al><al/><al><vet>Artikel 12 Eenmaal per periode individuele studietoeslag
                        verlenen</vet></al><al>Een persoon kan slechts eenmaal per studiejaar in aanmerking komen voor een
                        individuele studietoeslag. </al><al>We kiezen voor deze periode omdat we dan de bijstand onbelast kunnen
                        verstrekken. Voordeel van eenmalige verstrekking is dat er alleen bij de
                        aanvraag hoeft te worden gekeken of belanghebbende voldoet aan alle
                        voorwaarden. We hoeven niet later ook nog te onderzoeken of iemand is
                        blijven studeren, omdat we volgens de wet niet mogen terugvorderen of
                        stopzetten. Wel zal bij een nieuwe aanvraag voor een volgende periode weer
                        op dat moment onderzocht moeten worden of iemand voldoet aan de
                        criteria.</al><al>Een studiejaar start op 1 september en eindigt op 31 augustus van het
                        daaropvolgende jaar.</al><al/><al><vet>Artikel 13 Hoogte individuele studietoeslag </vet></al><al>De studietoeslag wordt per persoon die voldoet aan de voorwaarden toegekend.
                        Een individuele studietoeslag bedraagt € 100 per maand.</al><al>Is sprake van gehuwden die allebei afzonderlijk voldoen aan de voorwaarden
                        voor een individuele studietoeslag, dan komen zij afzonderlijk in aanmerking
                        voor een individuele studietoeslag. </al><al>In het tweede lid is het indexeringspercentage opgenomen. Deze bepaling
                        voorkomt dat de verordening telkens opnieuw moet worden vastgesteld, enkel
                        voor indexatie van de bedragen. Het is van belang de nieuwe bedragen (na
                        indexering) intern duidelijk te communiceren. </al><al/><al>In artikel 13 is opgenomen dat de toeslag na indexering steeds wordt
                        afgerond op een rond bedrag van hele euro's. Bij een van 0,5 of hoger wordt
                        naar boven afgerond. Voor wat betreft het indexeren, wordt het maandelijkse
                        (geïndexeerde) bedrag eerst met twaalf vermenigvuldigd voor het jaarbedrag.
                        Het jaarbedrag wordt vervolgens afgerond, dus niet het maandbedrag. </al><al/><al><vet>Artikel 14 Betaling individuele studietoeslag</vet></al><al>In dit artikel wordt de frequentie van de betaling van de individuele
                        studietoeslag geregeld. </al><al/><al><cursief>Eenmalige uitbetaling </cursief></al><al>Een individuele studietoeslag wordt eenmalig per studiejaar in één bedrag
                        uitbetaald. Dit is het bedrag zoals neergelegd in artikel 13 van deze
                        verordening x 12 maanden. Na 12 maanden kan een persoon opnieuw in
                        aanmerking komen voor een individuele studietoeslag. Hiertoe dient een
                        nieuwe aanvraag worden ingediend.</al><al/><al><vet>§2.5 Tegenprestatie </vet></al><al/><al>Het college is bevoegd een belanghebbende te verplichten naar vermogen een
                        tegenprestatie te verrichten, ook als die tegenprestatie niet direct
                        samenhangt met arbeidsinschakeling. Dit is vastgelegd in artikel 9, eerste
                        lid, onderdeel c, van de P-wet. Deze mogelijkheid staat al langere tijd in
                        de wet, maar met de invoering van de WWB maatregelen 2015 is de verplichting
                        tot het opstellen van een verordening opgenomen. Opvallend hierbij is dat de
                        wet nog steeds een discretionaire bevoegdheid aan het college geeft om de
                        tegenprestatie op te dragen en niet spreekt van een wettelijke verplichting.
                        Maar de verplichte verordening geeft een ander signaal aan gemeenten: ze
                        worden geacht de tegenprestatie te regelen, maar hebben de vrijheid om deze
                        naar vermogen op te leggen.</al><al/><al>De mogelijkheid tot het opleggen van een tegenprestatie is beperkt door
                        hetgeen is opgenomen in artikel 4 EVRM rondom gedwongen arbeid. De arbeid
                        moet van korte duur, incidenteel en onbeloond zijn en het mag beslist geen
                        verdringing opleveren op de arbeidsmarkt. </al><al/><al><vet>Artikel 15 Doelgroep en doel</vet></al><al>De verplichting tot het verrichten van een tegenprestatie geldt in beginsel
                        voor iedereen die een uitkering ontvangt. Dit geldt niet alleen voor
                        belanghebbenden met een uitkering op grond van de P-wet, maar ook voor
                        belanghebbenden met een uitkering op grond van de IOAW of IOAZ. </al><al>Het opleggen van een tegenprestatie naar vermogen is geen middel, maar een
                        doel. Doel is om uitkeringsgerechtigden, die tot dusver aan de zijlijn
                        stonden, te prikkelen om zich in te zetten voor de samenleving als
                        tegenprestatie voor de ontvangen uitkering.</al><al/><al><vet>Artikel 16 Inhoud van een tegenprestatie </vet></al><al>Het college bepaalt aan de hand van de individuele omstandigheden en de
                        voorhanden zijnde onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden, de aard,
                        de duur en de omvang van de aan een persoon op te leggen tegenprestatie.
                        Hierbij moet het college de in deze verordening neergelegde criteria in acht
                        nemen. Het college dient hierbij maatwerk toe te passen. </al><al/><al>Als het college een tegenprestatie vraagt van belanghebbende, moet het een
                        duidelijke omschrijving geven van de te verrichten werkzaamheden. Het moet
                        voor een belanghebbende immers duidelijk zijn welke tegenprestatie het
                        college van hem verwacht. </al><al/><al><cursief>Additionele onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden
                        </cursief></al><al>In de wet is bepaald dat de tegenprestatie onbeloonde maatschappelijk
                        nuttige werkzaamheden betreffen die additioneel van aard zijn. De
                        maatschappelijk nuttige werkzaamheden in het kader van de tegenprestatie
                        dienen zich te onderscheiden van de reguliere betaalde werkzaamheden: het
                        moet om iets extra’s gaan waar normaal gesproken geen banen voor zijn. </al><al/><al>De in dit artikel gestelde voorwaarden zijn gebaseerd op de belangrijkste
                        kenmerken van de tegenprestatie die volgen uit de parlementaire geschiedenis
                        (zie TK 2010-2011, 32 815, nr. 3, p. 14) en op de eisen van het EVRM.</al><al/><al>In de beleidsregels kan het college vastleggen welke werkzaamheden zij in
                        ieder geval als tegenprestatie kunnen inzetten (artikel 16, tweede lid, van
                        deze verordening). Deze werkzaamheden kunnen gezien worden als een
                        uitwerking van artikel 16 van deze Verordening. </al><al/><al><cursief>Samenwerking met maatschappelijke organisaties: </cursief></al><al>De gemeente kan voor het werven van maatschappelijk nuttige werkzaamheden
                        samenwerken met maatschappelijke organisaties zoals: welzijnsinstellingen,
                        vrijwilligerswerkorganisaties, buurthuizen en/of sportvoorzieningen. Een
                        vrijwilligersvacaturebank bij een vrijwilligerscentrale kan een belangrijk
                        hulpmiddel zijn om het aanbod van maatschappelijk nuttige werkzaamheden te
                        bepalen. </al><al/><al>De tegenprestatie is in beginsel niet bedoeld voor de re-integratie en is
                        ook niet direct gericht op toeleiding naar de arbeidsmarkt. De
                        tegenprestatie mag het accepteren van passende arbeid of van re-integratie
                        inspanningen niet belemmeren. Het uitgangspunt werk boven uitkering staat
                        voorop. Dit volgt uit artikel 9, eerste lid, onderdeel c, van de P-wet en de
                        parlementaire geschiedenis (zie TK 2010-2011, 32 815, nr. 3, p. 14). </al><al/><al><vet>Artikel 17 Het opdragen van een tegenprestatie </vet></al><al>Het college heeft beleidsvrijheid om een tegenprestatie op te dragen. Het
                        college bepaalt uiteindelijk of, en zo ja, welke tegenprestatie zij aan de
                        belanghebbende opdraagt. Tegen een besluit tot het opdragen van een
                        tegenprestatie kan een belanghebbende bezwaar en beroep aantekenen (TK
                        2013-2014, 33 801, nr. 7, p. 49). </al><al>Het college moet rekening houden met de individuele omstandigheden van
                        belanghebbende, waaronder leeftijd, opleiding, werkervaring en andere
                        relevante persoonlijke omstandigheden zoals zorgtaken. Het college draagt de
                        werkzaamheden immers op ‘naar vermogen’. Het is dus van belang dat
                        belanghebbende ook in staat is de werkzaamheden te verrichten</al><al/><al><vet>Geen tegenprestatie </vet></al><al>Indien daarvoor dringende redenen - zoals zorgtaken - aanwezig zijn, kan het
                        college in individuele gevallen tijdelijk ontheffing verlenen van de plicht
                        tot het verrichten van een tegenprestatie (artikel 9, tweede lid, van de
                        P-wet). De verplichting tot het verrichten van een tegenprestatie is niet
                        van toepassing op een belanghebbende die volledig en duurzaam
                        arbeidsongeschikt is, als bedoeld in artikel 4 van de Wet werk en inkomen
                        naar arbeidsvermogen (artikel 9, vijfde lid, van de
                            P-wet).</al><al>De verplichting tot tegenprestatie is bovendien niet van toepassing op een
                        alleenstaande ouder die in het bezit is van een ontheffing als bedoeld in
                        artikel 9a, eerste lid, van de P-wet (artikel 9, zevende lid, van de P-wet). </al><al/><al>Voorts houden we bij het opdragen van een tegenprestatie rekening met
                        praktische omstandigheden zoals reistijd, beschikbaarheid van kinderopvang
                        en de vergoeding hiervan. </al><al/><al><vet>Artikel 18 Duur en omvang van een tegenprestatie</vet></al><al><cursief>Maximale duur tegenprestatie in dagen </cursief></al><al>De uitvoering van de tegenprestatie kunnen we opdragen voor de maximale duur
                        van drie maanden. Let wel: het gaat hier om de termijn waarop de
                        belanghebbende daadwerkelijk werkzaam is op de tegenprestatie, niet de
                        termijn waarop deze is opgelegd zonder dat hiervoor ook gewerkt wordt.</al><al/><al><cursief>Maximale duur tegenprestatie in uren </cursief></al><al>Er moet sprake zijn van een korte duur: daarom is er voor gekozen om
                        maximaal 8 uur per week een tegenprestatie op te dragen. Daarnaast kan de
                        rest van de week nog steeds voldaan worden aan een eventuele re-integratie –
                        of arbeidsverplichting. </al><al/><al>We leggen binnen een periode van twaalf maanden een tegenprestatie slechts
                        eenmaal op. Het gaat hierbij om een aaneengesloten periode van twaalf
                        maanden. De tegenprestatie dient immers niet in de weg te staan aan de
                        re-integratie van een belanghebbende. </al><al/><al><vet>Artikel 19 afzien van het opleggen van een tegenprestatie </vet></al><al>Er is een aantal redenen waarom geen tegenprestatie wordt opgelegd. De
                        regering heeft deze mogelijkheid uitdrukkelijk benoemd voor mantelzorg in de
                        nota van wijziging met betrekking tot de Wet maatregelen WWB (TK 2013-2014,
                        33 801, nr. 24, p. 6). Verricht een belanghebbende mantelzorg in de zin van
                        deze verordening en is het verrichten van mantelzorg volgens het college
                        redelijkerwijs noodzakelijk, dan draagt het college een belanghebbende geen
                        tegenprestatie op.</al><al>Daarnaast leggen we geen aanvullende tegenprestatie op als iemand al
                        voldoende maatschappelijk actief is en op deze wijze een tegenprestatie
                        levert aan de maatschappij. </al><al>Daarnaast kan het college nog bepaalde groepen mensen uitzonderen, in
                        beleidsregels. </al><al/><al><vet>§ 3 Afstemming en bestuurlijke boete </vet></al><al>Op 1 januari 2013 is de Wet aanscherping handhaving en sanctiebeleid
                        SZW-wetgeving in werking getreden. Sinds die datum is het college verplicht
                        een bestuurlijke boete op te leggen als sprake is van schending van de
                        inlichtingenplicht. De eerdere bevoegdheid van het college om bij schending
                        van de inlichtingenplicht een maatregel op te leggen is verdwenen.</al><al>Gaat het om schending van een andere verplichting dan de inlichtingenplicht,
                        dan is een maatregel nog wel aan de orde. Denk bijvoorbeeld aan schending
                        van de medewerkingsplicht, arbeid- en re-integratieverplichting, aan
                        tekortschietend besef van verantwoordelijkheid, het zich zeer ernstig
                        misdragen of het niet nakomen van nadere verplichtingen die strekken tot
                        vermindering of beëindiging van de bijstand. </al><al/><al>In paragraaf 3.1 en 3.2 is de verplichting als bedoeld in artikel 18 van de
                        P-wet uitgewerkt om vorm en inhoud te geven aan een sanctiebeleid
                        (vaststellen afstemmingsverordening). Het verlagen van de uitkering is
                        voorgeschreven als de belanghebbende naar het oordeel van het college:</al><lijst><li nr="-"><al>tekortschietend besef van verantwoordelijkheid betoont voor de
                                voorziening in het bestaan;</al></li><li nr="-"><al>de uit de wet voortvloeiende verplichtingen, anders dan benoemd in
                                artikel 17, eerste lid, P-wet niet of onvoldoende nakomt.</al></li></lijst><al/><al>Het sanctiebeleid is uitgewerkt vanuit de visie, dat een uitkering als een
                        tijdelijke overbrugging moet worden gezien naar participatie met betaald
                        (gesubsidieerd) werk. Op grond van de eigen verantwoordelijkheid zijn
                        uitkeringsgerechtigden wettelijk verplicht al datgene te doen (en na te
                        laten) wat nodig en mogelijk is om in het eigen bestaan te voorzien. Zij
                        worden hierin ondersteund en aangemoedigd via eventuele voorzieningen. De
                        tegenhanger hiervan is het sanctiebeleid. Als een noodzakelijk traject naar
                        participatie wordt gefrustreerd, wordt metterdaad en streng gehandeld (lik
                        op stuk beleid). </al><al>Ook waar het agressie/geweld tegen die dienstverleners die de wetten
                        uitvoeren betreft.</al><al/><al><vet>§ 3.1 Algemene bepalingen</vet></al><al/><al><vet>Maatwerk uitgewerkt in de artikelen 20 t/m 22</vet></al><al>Het sanctiebeleid moet voldoen aan de vereisten van de P-wet en de Algemene
                        wet bestuursrecht. Deze bepalingen komen tegemoet aan de beginselen van
                        zorgvuldigheid, rechtszekerheid en motivering bij het opleggen van een
                        sanctie. De gestelde waarborgen verduidelijken de rechtspositie van de klant
                        in relatie tot de P-wet-inkomensgarantie op minimumniveau.</al><al/><al><vet>Artikel 20 </vet></al><al>De regels, zoals deze voortkomen uit constante jurisprudentie worden hierbij
                        aangehaald: Een maatregel wordt beoordeeld op:</al><al>De ernst van de gedraging -&gt; welke verplichting is niet of niet correct
                        nagekomen;</al><al>De mate van verwijtbaarheid -&gt; was het niet nakomen aan de belanghebbende
                        toe te rekenen;</al><al>De individuele omstandigheden -&gt; soms zijn de omstandigheden zodanig dat
                        de gedraging niet aan te rekenen valt en soms kunnen de omstandigheden ook
                        een reden zijn om geen maatregel op te leggen. </al><al>Met name deze laatste overweging is maatwerk, nu hier uitgegaan wordt van de
                        individuele situatie van de belanghebbende.</al><al/><al><vet>Artikel 22 </vet></al><al>Nieuw is hier dat er een termijn is gesteld waar binnen het college een
                        maatregel kan opleggen. Deze termijn geldt alleen voor de
                        niet-geüniformeerde maatregelen van artikel 18 lid 4 P-wet. Concreet
                        betekent dit dat als de gedraging meer dan 2 jaar voordat het college deze
                        constateert heeft plaatsgevonden, er wordt afgezien van het opleggen van een
                        maatregel. Let wel: dit geldt dus niet voor de schending van de
                        inlichtingenplicht!</al><al>Het college kan afzien van het opleggen van een maatregel als hier dringende
                        redenen voor zijn: dit zal niet vaak het geval zijn. Gedacht moet worden aan
                        de zeer dringende reden zoals bedoeld in artikel 16 P-wet. </al><al/><al><vet>Artikel 23 Ingangsdatum en tijdvak</vet></al><al>Lid 1: de verlaging kan pas ingaan op het moment dat iemand hiervan op de
                        hoogte is gesteld, dus als hij of zij de beschikking heeft ontvangen. Daarom
                        gaat de verlaging in de maand volgend op de maand waarin de beschikking
                        wordt verstuurd in. Meestal wijzigt de toepasselijke norm niet. Voor de
                        effectuering van de verlaging geldt de norm in de maand waarin deze wordt
                        geëffectueerd om te voorkomen dat iemand financieel onevenredig wordt
                        benadeeld. Een voorbeeld hierbij is dat iemand de norm alleenstaande heeft
                        op het moment dat de maatregelwaardige gedraging wordt geconstateerd en
                        leeft als gehuwde (met de norm tweepersoonshuishouden) op het moment dat de
                        verlaging wordt geëffectueerd. Als er 10% gedurende 1 maand wordt opgelegd,
                        zal deze geëffectueerd worden op de norm behorend bij een
                        tweepersoonshuishouden. In dit geval is de verlaging hoger, maar het kan
                        andersom ook zo zijn dat de verlaging lager wordt als de situatie omgekeerd
                        is (tweepersoonshuishouden wordt alleenstaande).</al><al/><al>Lid 2: De verlaging kent geen terugwerkende kracht en gaat in per de eerste
                        van de maand volgend op de beschikkingsdatum. Uitzondering hierop is bij de
                        aanvraag. Als er dan sprake is van een maatregelwaardige gedraging gaat deze
                        in per ingangsdatum van de uitkering of datum gedraging, als deze hierna
                        ligt, mits de uitkering niet al is uitbetaald. Is de uitkering al wel
                        uitbetaald, dan geldt de hoofdregel van de eerste van de maand volgend op de
                        beschikking.</al><al/><al>Lid 4: Als er sprake is van meerdere maatregelwaardige gedragingen, dan zal
                        altijd de maatregel met de hoogste sanctie worden opgelegd. De sancties
                        worden dus niet bij elkaar opgeteld en opgelegd.</al><al/><al>Lid 6: als de uitkering is beëindigd kan er geen verlaging van de uitkering
                        meer worden geëffectueerd. Wanneer de klant binnen een jaar een nieuwe
                        uitkering aanvraagt en deze wordt toegekend, dan kan de verlaging of het
                        deel dat nog niet is geëffectueerd alsnog worden geëffectueerd op de nieuwe
                        uitkering vanaf de ingangsdatum. </al><al/><al><vet>Artikel 24 De berekeningsgrondslag van de maatregel</vet></al><al>De verlaging is een percentage van de maanduitkering dan wel van het
                        benadelingsbedrag. In principe wordt de verlaging toegepast op de bijstand
                        voor levensonderhoud. Er zijn uitzonderingen hierop:</al><al>Wanneer bijzondere bijstand betaald wordt voor levensonderhoud of wanneer er
                        sprake is van ongenoegzaam besef van verantwoordelijkheid door het laten
                        liggen van een voorliggende voorziening (artikel 32 lid 5 verordening).</al><al/><al><vet>Artikel 25 Waarschuwing </vet></al><al>In plaats van het opleggen van een verlaging kan bij gedragingen van de
                        2<sup>e</sup> categorie zoals bedoeld in artikel 27 sub b en artikel 29 sub
                        b van deze verordening worden volstaan met het geven van een schriftelijke
                        waarschuwing. Dit kan alleen in de situaties waarin de verordening dit
                        toestaat.</al><al>De waarschuwing telt mee voor de recidive en moet hiertoe dan ook beschikt
                        en geregistreerd worden.</al><al/><al><vet>Artikel 26 Horen van de belanghebbende(n) </vet></al><al>De belanghebbende moet worden gehoord en het besluit moet altijd
                        schriftelijk worden genomen. Vanzelfsprekend zijn de bepalingen van de
                        Algemene wet bestuursrecht hierop ook van toepassing. In dit artikel staan
                        alleen de bijzondere bepalingen voor de uitvoering van de P-wet.</al><al/><al>De sanctie gaat pas in als de belanghebbende hier van op de hoogte is
                        gesteld. Het college kan slechts in bepaalde situaties gemotiveerd afzien
                        van het horen. Het betreffen de volgende situaties:</al><lijst><li nr="a."><al>de klant heeft zijn of haar zienswijze al eerder kenbaar gemaakt en
                                er is geen sprake van nieuwe feiten of omstandigheden; of</al></li><li nr="b."><al>binnen de gestelde termijn is niet voldaan aan de
                                inlichtingenverplichting; of</al></li><li nr="c."><al>het horen is niet nodig voor het vaststellen van de ernst van de
                                gedraging of de mate van verwijtbaarheid.</al></li></lijst><al/><al><vet>§ 3.2 Gedragingen en bijbehorende maatregelen </vet></al><al/><al><vet>§ 3.2.1 Niet nakomen van de <onderstreept>niet
                                geüniformeerde</onderstreept> verplichtingen met betrekking tot de
                            arbeidsinschakeling </vet></al><al/><al><vet>Artikel 27 Gedragingen P-wet</vet></al><al>De artikelen 27 en 30 moeten in onderlinge samenhang worden gelezen. In
                        artikel 27 worden schendingen van verplichtingen uit de P-wet geformuleerd.
                        De verwijtbare gedragingen die hierin worden genoemd zijn ondergebracht in
                        categorieën. Aan die categorieën wordt in artikel 30 een gewicht toegekend
                        in de vorm van een verlagingspercentage. De categorieën zijn gerangschikt
                        naar toenemende zwaarte. </al><al/><al>Gedragingen in de eerste categorie:</al><al>De gedragingen die hier genoemd worden wegen allemaal zeer zwaar gelet op de
                        eigen verantwoordelijkheid van de uitkeringsgerechtigde om al datgene te
                        doen wat nodig en mogelijk is om in het eigen bestaan te voorzien. Een
                        tekortkoming van deze aard druist zo in tegen het uitgangspunt van
                        participatie naar vermogen, dat een verlaging van de uitkering van 100% voor
                        de duur van één maand proportioneel wordt geacht. Deze verlaging wordt
                        bovendien redelijk en billijk geacht, omdat de belanghebbende door diens
                        opstelling, houding of gedrag niet zelf in het bestaan kan voorzien.
                        Daarnaast wordt hiermee aangesloten bij de in de wet genoemde (wel
                        geüniformeerde) maatregelen.</al><al/><al>Gedragingen in de tweede categorie:</al><al>De gedragingen die hier genoemd wegen minder zwaar dan de gedragingen in de
                        eerste categorie. Gelet op de aard van de gedragingen in relatie tot het
                        teruglopende participatiebudget, wordt een verlaging van 50% gedurende 1
                        maand niet disproportioneel geacht. </al><al/><al><vet>Artikel 28 Niet nakomen overige verplichtingen P-wet</vet></al><al>Artikel 55 van de P-wet geeft het college de bevoegdheid om personen
                        verplichtingen op te leggen die afgestemd zijn op de individuele situatie
                        van de klant. Deze verplichtingen worden beperkt tot een viertal
                        categorieën, te weten:</al><lijst><li nr="-"><al>verplichtingen die strekken tot arbeidsinschakeling;</al></li><li nr="-"><al>verplichtingen die verband houden met de aard en het doel van een
                                bepaalde vorm van bijstand;</al></li><li nr="-"><al>verplichtingen die strekken tot vermindering van de bijstand,
                                en</al></li><li nr="-"><al>verplichtingen die strekken tot beëindiging van de bijstand.</al></li></lijst><al/><al>Dit artikel ziet op de verplichtingen die strekken tot arbeidsinschakeling.
                        De overige verplichtingen komen terug in artikel 35.</al><al/><al>Voorbeeld van verplichtingen die strekken tot arbeidsinschakeling:</al><lijst><li nr="-"><al>het zich onderwerpen, op advies van een arts, aan een noodzakelijke
                                behandeling van medische aard, omdat de beperkingen
                                arbeidsinschakeling in de weg staan. </al></li></lijst><al/><al>Bij het niet nakomen van deze verplichtingen wordt een verlaging van de
                        uitkering van 50% gedurende 1 maand opgelegd. </al><al/><al><vet>Artikel 29 Gedragingen IOAW en IOAZ </vet></al><al>De artikelen 29 en 30 moeten in onderlinge samenhang worden gelezen. In
                        artikel 29 worden schendingen van verplichtingen uit de IOAW en IOAZ
                        geformuleerd. De verwijtbare gedragingen die hierin worden genoemd zijn
                        ondergebracht in categorieën. Aan die categorieën wordt in artikel 30 een
                        gewicht toegekend in de vorm van een verlagingspercentage. De categorieën
                        zijn gerangschikt naar toenemende zwaarte. </al><al>Een gedraging wordt ernstiger geacht naarmate de gedraging meer concrete
                        gevolgen heeft voor het niet aanvaarden, verkrijgen of behouden van betaalde
                        arbeid. </al><al/><al><vet>Artikel 30 Hoogte en duur van de verlaging</vet></al><al>In lid 1 staan de verlagingspercentages behorende bij de verlagingswaardige
                        gedragingen als bedoeld in de artikelen 27 en 29.</al><al>Met de Wet Maatregelen WWB 2015 zijn geüniformeerde arbeidsverplichtingen en
                        bijbehorende maatregelen geïntroduceerd (artikel 18, vierde en vijfde lid,
                        van de P-wet). Er is voor gekozen bij de zwaarte van de afstemming van de
                        gedragingen in de eerste categorie als bedoeld in de artikelen 27 en 29 aan
                        te sluiten bij de maatregelen voor het schenden van de geüniformeerde
                        arbeidsverplichtingen. Dit omwille van duidelijkheid. Bovendien zijn diverse
                        geüniformeerde arbeidsverplichtingen verwant aan de gedragingen in de eerste
                        categorie. </al><al/><al>In lid 2 is bepaald dat het college op basis van individuele omstandigheden
                        kan besluiten de verlaging van 100% gedurende een maand op te delen in 2
                        maanden verlaging van 50%. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn bij gezinnen
                        met kleine kinderen die door de verlaging van 100% in dusdanige problemen
                        komen dat de huisvesting in het geding komt. Hierbij moet opgemerkt worden
                        dat het hebben van kinderen op zich niet de reden is voor deze spreiding,
                        het moet gaan om de gehele situatie.</al><al/><al>In het geval een verlaging van 100% gedurende een maand wordt opgelegd,
                        wordt bij recidive de duur van de verlaging verdubbeld.</al><al>In het geval een verlaging van 50% gedurende een maand wordt opgelegd, wordt
                        bij recidive de hoogte van de verlaging verdubbeld. </al><al/><al><vet>§ 3.2.2 Niet nakomen van de geüniformeerde verplichtingen met
                            betrekking tot de arbeidsinschakeling </vet></al><al/><al><vet>Artikel 31 Duur verlaging bij schending geüniformeerde
                            arbeidsverplichting </vet></al><al>In lid 1 is bepaald dat bij het verwijtbaar niet naleven van een
                        geüniformeerde arbeidsverplichting, de verlaging van de uitkering 100%
                        gedurende een maand bedraagt. Dit is volgens de p-wet de minimale
                        verlaging.</al><al>In lid 2 is bepaald dat als sprake is van recidive (het niet of onvoldoende
                        nakomen van een geüniformeerde arbeidsverplichting binnen twaalf maanden
                        nadat aan een belanghebbende een eerste verlaging is opgelegd wegens
                        schending van een geüniformeerde arbeidsverplichting), de verlaging 100%
                        gedurende 2 maanden bedraagt. </al><al/><al>Bij een derde, vierde en volgende schending van een geüniformeerde
                        arbeidsverplichting, telkens binnen twaalf maanden na oplegging van de
                        vorige verlaging, bedraagt de verlaging honderd procent gedurende drie
                        maanden (artikel 18, zevende en achtste lid, van de P-wet).</al><al/><al>Wettelijk heeft de belanghebbende de mogelijkheid om zich te herstellen. Hij
                        kan hiervoor een verzoek doen en moet aantonen nu wel te voldoen aan de
                        verplichtingen. Deze mogelijkheid wordt verder uitgewerkt in de
                        beleidsregels.</al><al/><al><vet>§ 3.2.3 overige gedragingen die leiden tot een verlaging</vet></al><al/><al>Artikel 32 tekortschietend besef van verantwoordelijkheid </al><al>Een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid kan uit allerlei
                        gedragingen blijken zoals:</al><lijst><li nr="-"><al>een onverantwoorde besteding van vermogen;</al></li><li nr="-"><al>geen of te late aanvraag doen voor een voorliggende
                                voorziening;</al></li><li nr="-"><al>het niet nakomen van de verplichting tot het instellen van een
                                alimentatievordering.</al></li></lijst><al/><al>De sanctie wordt afgestemd op het benadelingsbedrag. Wanneer er geen
                        benadelingsbedrag kan worden vastgesteld (maar er is wel benadeling), dan
                        wordt een verlaging van 20% van de uitkering gedurende 1 maand
                        opgelegd.</al><al/><al>Bij het onverantwoord interen van vermogen of het weggeven (schenken) van
                        vermogen is de hoogte van de sanctie gekoppeld aan de duur van de schadelast
                        voor de gemeente. Deze maatregel geldt niet voor de IOAW nu deze regeling
                        geen vermogensbepaling kent.</al><al>Wanneer er sprake is van versneld interen of wegschenken van vermogen wordt
                        de uitkering gedurende het eerder bijstandsafhankelijk zijn met 100%
                        verlaagd. Als dit tot problemen leidt kan bijstand in de vorm van een lening
                        worden verstrekt conform artikel 48 van de wet. </al><al>Versneld interen van vermogen wordt berekend naar de systematiek van 1,5 x
                        de norm per maand. </al><al/><al><vet>Artikel 33 Verlies van een passende en toereikende voorliggende
                            voorziening wegens recidiveboete</vet></al><al>Iemand die vanwege recidive wel recht heeft op een voorliggende voorziening
                        die niet tot uitbetaling komt, kan vanaf dat moment aanspraak maken op
                        bijstand. De voorliggende voorziening is namelijk niet meer passend en
                        toereikend. Er bestaat wel formeel recht, maar het komt niet meer tot
                        uitbetaling. Als iemand een beroep doet op bijstand vanwege verrekening van
                        de bestuurlijke boete, wordt een maatregel opgelegd van 100% gedurende de
                        eerste maand gerekend vanaf de start van de verrekening van de voorliggende
                        voorziening. </al><al/><al>Als dan de beslagvrije voet bij een voorliggende voorziening op nihil wordt
                        gesteld, dan wordt een – bij ministeriële regeling bepaald – deel van de
                        zorgkosten, woonkosten en de kosten van kinderen vrijgesteld. Het vrij te
                        laten deel van de uitkering kan afhankelijk worden gesteld van de
                        leefsituatie. Wordt de beslagvrije voet op nihil gesteld en krijgt iemand
                        als gevolg daarvan bijstand, dan ontstaat de situatie dat iemand op papier
                        twee (volledige) uitkeringen ontvangt. Dit heeft gevolgen voor de toeslagen,
                        nu het jaarinkomen op papier hoog is. Er zal dus geen recht meer zijn op
                        huur- en zorgtoeslag en kindgebonden budget waardoor de kosten van bestaan
                        niet meer betaald kunnen worden uit de bijstandsuitkering. Om dit op te
                        lossen is in de P-wet geregeld dat dit vrijgelaten bedrag voor de bijstand
                        niet als middel wordt aangemerkt (artikel 31 lid 2 sub x P-wet). </al><al/><al><vet>Artikel 34 Zeer ernstig misdragen </vet></al><al>Met ingang van 1 januari 2015 is de verplichting om zich te onthouden van
                        zeer ernstige misdragingen een zelfstandige verplichting die is opgenomen in
                        artikel 9, zesde lid, van de P-wet.</al><al>Onder de term ‘zeer ernstig misdragen’ dient in elk geval te worden
                        verstaan: elke vorm van ongewenst en agressief (fysiek) contact met een
                        persoon of het ondernemen van pogingen daartoe. Hieronder valt bijvoorbeeld
                        schoppen, slaan of het (dreigen met) gooien van voorwerpen naar een
                        persoon.</al><al>Ook het toebrengen van schade aan een gebouw of inventarisonderdeel, evenals
                        het ondernemen van pogingen daartoe in enige vorm wordt als zeer ernstige
                        misdraging gezien. Handelingen die door hun grote en mogelijk blijvende
                        impact op de desbetreffende persoon of personen grote invloed hebben zoals
                        het opzetten van gerichte lastercampagnes, seksuele intimidatie, het tonen
                        van steek en/of vuurwapens evenals (pogingen tot) opsluiting in een ruimte
                        zijn eveneens als zeer ernstige misdraging te beschouwen. </al><al>Ook verbaal geweld valt onder de noemer 'zeer ernstige misdraging'.</al><al/><al>Het gaat dus om alle vormen van zeer ernstige misdragingen tegenover de met
                        de uitvoering van de P-wet belaste personen en instanties tijdens het
                        verrichten van hun werkzaamheden.</al><al>Met de zinsnede 'tijdens het verrichten van de werkzaamheden' wordt
                        aangegeven dat de verlaging van de uitkering alleen opgelegd kan worden bij
                        misdragingen in het kader van de uitvoering van de P-wet.</al><al>Als er sprake is van misdragingen jegens de met de uitvoering van de P-wet
                        belaste personen en instanties zonder dat deze bezig zijn met de uitvoering
                        van de P-wet (dus evt. in hun privésituatie) , wordt altijd aangifte gedaan
                        en kan een gebouwverbod worden opgelegd. </al><al/><al>Bij zeer ernstige misdragingen treedt het agressieprotocol in werking. Dit
                        protocol voorziet in onder meer een ordegesprek, het doen van justitiële
                        aangifte (altijd bij fysiek geweld), een gebouwverbod en dergelijke.
                        Daarnaast wordt een verlaging van de uitkering van 100% gedurende een maand
                        opgelegd.</al><al>Bij recidive wordt de uitkering gedurende 3 maanden met 100% verlaagd. Dit
                        omdat de impact van zeer ernstig misdragen op de personen maar ook op de
                        organisatie dermate groot zijn dat dit zoveel mogelijk moet worden
                        voorkomen. Deze hoogte heeft naast een repressief ook een preventief
                        aspect.</al><al/><al><vet>Artikel 35 Niet nakomen overige verplichtingen </vet></al><al>Artikel 55 van de P-wet geeft het college de bevoegdheid om personen
                        verplichtingen op te leggen die afgestemd zijn op de individuele situatie
                        van de klant. Deze verplichtingen worden beperkt tot een viertal
                        categorieën, te weten:</al><lijst><li nr="-"><al>verplichtingen die strekken tot arbeidsinschakeling (geregeld in
                                artikel 28 van deze verordening);</al></li><li nr="-"><al>verplichtingen die verband houden met de aard en het doel van een
                                bepaalde vorm van bijstand;</al></li><li nr="-"><al>verplichtingen die strekken tot vermindering van de bijstand,
                                en</al></li><li nr="-"><al>verplichtingen die strekken tot beëindiging van de bijstand.</al></li></lijst><al/><al>De sanctie wordt afgestemd op het soort verplichting dat niet wordt
                        nagekomen en de impact hiervan op de bijstandsverlening.</al><al/><al><vet>§ 3.3 Bestuurlijke boete </vet></al><al/><al><vet>§3.3.1 Schending inlichtingenplicht</vet></al><al>In de P-wet (artikel 18a) is bepaald, dat het college een bestuurlijke boete
                        oplegt als de inlichtingenplicht wordt geschonden. Het college is verplicht
                        de bestuurlijke boete met de lopende uitkering te verrekenen. In beginsel
                        moet bij deze verrekening de bescherming van de beslagvrije voet in acht
                        genomen worden. Is echter sprake van een recidiveboete (binnen 5 jaar), dan
                        kan het college besluiten gedurende maximaal drie maanden zonder beslagvrije
                        voet te verrekenen.</al><al>De P-wet verplicht de gemeenteraad in een verordening nadere regels te
                        stellen over de bevoegdheid de beslagvrije voet tijdelijk buiten werking te
                        stellen bij verrekening van de recidiveboete. Gemeenten krijgen daarmee de
                        ruimte een afweging te maken van situaties of omstandigheden waarin het
                        buiten werking stellen van de beslagvrije voet niet proportioneel wordt
                        geacht. </al><al>Deze bevoegdheid van de gemeenteraad kan op veel verschillende manieren
                        worden ingevuld, echter strekt deze zich slechts uit over het al dan niet in
                        acht nemen van de beslagvrije voet bij verrekening van de recidiveboete. De
                        wetgever geeft gemeenten verder heel weinig beleidsruimte waar het gaat om
                        terugvorderen (verplicht) en het opleggen van een boete (ook
                        verplicht).</al><al/><al><vet>Artikel 36 Niet nakomen van de inlichtingenverplichting en bestuurlijke
                            boete </vet></al><al>Bij het niet nakomen van deze verplichting wordt, met opschorting van het
                        recht op uitkering, een hersteltermijn geboden. Het gaat hier veelal om de
                        plicht tot het verstrekken of aanvullen van informatie (aanvraagformulier,
                        inkomstenverklaring en nader onderzoek rechtmatigheid). De
                        inlichtingenverplichting heeft mede betrekking op het nakomen van de
                        verplichting bedoeld in artikel 30c van de Wet structuur
                        uitvoeringsorganisatie Werk en Inkomen.</al><al/><al>Als een aanvraag of lopende uitkering formeel correct is af te doen via het
                        buiten behandeling laten van de aanvraag of het tijdig stopzetten van een
                        lopende uitkering en er géén sprake is van financiële benadeling wordt geen
                        sanctie toegepast. Dus alleen bij verwijtbare nalatigheid van de
                        inlichtingenverplichting met gevolgen voor de uitkering wordt een boete
                        opgelegd.</al><al/><al>De hoogte van de boete wordt afgestemd op de hoogte van het
                        benadelingbedrag. Dit</al><al>bedrag is netto voor de P-wet, tenzij het kalenderjaar wordt overschreden en
                        bruto voor de IOAW en IOAZ. Wanneer er sprake is van een benadelingbedrag
                        van € 50.000 of meer wordt er in beginsel aangifte gedaan bij het OM en
                        blijft sanctionering achterwege (ne bis in idem) tenzij het OM besluit te
                        seponeren om een andere reden dan dat er geen sprake is van fraude of
                        benadeling van de gemeente. Dan zal er wel gesanctioneerd worden, vandaar
                        dat er geen restrictie is in dit artikel tot € 50.000.</al><al/><al>Dit onderdeel van het sanctiebeleid steunt mede op het
                        kosten-/baten-principe. Is ten onrechte of tot een te hoog bedrag uitkering
                        verleend, dan wordt het benadelingsbedrag in beginsel volledig
                        teruggevorderd. Dit onder handhaving van het recht tot het opleggen van een
                        boete.</al><al/><al><vet>Artikel 37 Matigen en afzien van opleggen bestuurlijke boete
                        </vet></al><al>Als alle verwijtbaarheid ontbreekt mag de gemeente volgens de wet geen boete
                        opleggen. Let wel: het gaat hier om objectiveerbare niet-verwijtbaarheid. Of
                        er sprake is van opzet is niet relevant, hoewel het woord fraude wel enige
                        opzettelijkheid in zich heeft. Het college kan wel de boete matigen als er
                        sprake is van verminderde verwijtbaarheid. Ook weer objectiveerbaar
                        natuurlijk.</al><al/><al>Bij de beoordeling van de mate waarin de gedraging aan de betrokkene kan
                        worden verweten, leiden in ieder geval de volgende criteria tot verminderde
                        verwijtbaarheid:</al><lijst><li nr="a."><al>de betrokkene verkeerde in onvoorziene en ongewenste omstandigheden,
                                die niet tot het normale levenspatroon behoren en die hem weliswaar
                                niet in de feitelijke onmogelijkheid brachten om aan de
                                inlichtingenverplichting te voldoen, maar die emotioneel zo
                                ontwrichtend waren dat hem niet volledig valt toe te rekenen dat de
                                inlichtingen niet tijdig of volledig zijn verstrekt;</al></li><li nr="b."><al>de betrokkene verkeerde in een zodanige geestelijke toestand dat hem
                                de overtreding niet volledig valt aan te rekenen, of</al></li><li nr="c."><al>de betrokkene heeft wel inlichtingen verstrekt, die echter onjuist
                                of onvolledig waren, of heeft anderszins een wijziging van
                                omstandigheden niet onverwijld gemeld, maar uit eigen beweging
                                alsnog de juiste inlichtingen verstrekt voordat de overtreding is
                                geconstateerd, tenzij de betrokkene deze inlichtingen heeft
                                verstrekt in het kader van toezicht op de naleving van een
                                inlichtingenverplichting.</al></li></lijst><al/><al>Het college kan in andere, zeer dringende situaties ook besluiten tot
                        matiging van de boete. Dit is altijd maatwerk en zal individueel goed
                        gemotiveerd worden.</al><al/><al><vet>§ 3.3.2 Bescherming beslagvrije voet bij verrekening wegens recidive
                            (alleen P-wet) </vet></al><al/><al><vet>Artikel 38 Verrekenen zonder beslagvrije voet bij voldoende
                        bezit</vet></al><al>Bij het begrip bezit zoals dat in deze verordening wordt gebruikt, gaat het
                        nadrukkelijk niet om vermogen als bedoeld in artikel 34 van de P-wet.
                        Eventueel aanwezige schulden spelen immers geen rol en worden dus ook niet
                        op het bezit in mindering gebracht. Ook de vrijlatingen van artikel 34,
                        tweede lid, van de P-wet zijn hier niet van toepassing. Een belanghebbende
                        die vanwege de volledige verrekening met de beslagvrije voet zonder
                        inkomsten komt te zitten, zal de bezittingen waarover hij beschikt of
                        redelijkerwijs kan beschikken, volledig moeten aanwenden om in de
                        noodzakelijke kosten van het bestaan te kunnen voorzien. Een uitzondering is
                        gemaakt voor de door belanghebbende en zijn gezin bewoonde (eigen)
                        woning.</al><al/><al>Uitgangspunt van deze verordening is dat volledige verrekening met de
                        beslagvrije voet plaatsvindt voor de maximale termijn van drie maanden als
                        een belanghebbende over voldoende bezittingen beschikt om dit op te kunnen
                        vangen. Dat uitgangspunt is vastgelegd in artikel 38 van deze verordening.
                        Van voldoende bezit is sprake als de waarde van de bezittingen waarover
                        belanghebbende beschikt (of redelijkerwijs kan beschikken), ten minste
                        driemaal de toepasselijke bijstandsnorm bedraagt. Immers, bij aanwending of
                        tegeldemaking van deze bezittingen, zou een periode van drie maanden
                        overbrugd moeten kunnen worden.</al><al/><al><vet>Artikel 39 Verrekenen bij geen of onvoldoende bezit</vet></al><al>Heeft een belanghebbende onvoldoende bezittingen om een periode van drie
                        maanden volledige verrekening met de beslagvrije voet te kunnen overbruggen,
                        dan verrekent het college slechts één maand zonder inachtneming van de
                        beslagvrije voet (dus 100% van de uitkering). Voor de overige twee maanden
                        vindt weliswaar verrekening met in achtneming van de beslagvrije voet
                        plaats, maar niet volledig. Belanghebbende blijft beschikken over een
                        inkomen ter hoogte van 80% van de toepasselijke bijstandsnorm.</al><al>Voor het percentage van 80% is aansluiting gezocht bij de
                        invorderingsmogelijkheden die de Belastingdienst heeft bij notoire
                        wanbetalers. Onder omstandigheden kan deze de beslagvrije voet (90% van de
                        toepasselijke bijstandsnorm) verlagen met 10% op grond van artikel 19,
                        eerste lid, van de Invorderingswet 1990.</al><al>Met de gekozen opzet wordt enerzijds uiting gegeven aan het principe dat
                        fraude niet mag lonen. Het gaat hier immers om belanghebbenden die
                        herhaaldelijk hun inlichtingenplicht hebben geschonden. Daar mag een
                        duidelijk signaal tegenover staan. Anderzijds wordt rekening gehouden met de
                        zorgplicht van gemeenten en de vangnetfunctie van de bijstand. Het volledig
                        buiten werking stellen van de beslagvrije voet gedurende drie maanden kan
                        kwalijke maatschappelijke consequenties hebben. Dat moet voorkomen worden,
                        nu de regeling daarmee zijn doel voorbij zou schieten.</al><al>Een belanghebbende kan inkomsten uit arbeid hebben die op grond van artikel
                        31, tweede lid, onderdelen n of r, van de P-wet worden vrijgelaten voor de
                        algemene bijstand. Bij verrekening van een recidiveboete tot 80% van de
                        bijstandsnorm, tellen deze inkomsten echter gewoon mee. Het college laat
                        deze inkomsten dus niet buiten beschouwing bij de beoordeling van de vraag
                        of een belanghebbende nog over voldoende inkomen beschikt. Dat is geregeld
                        in lid 3.</al><al/><al><vet>Artikel 40 Verrekenen met inachtneming beslagvrije voet </vet></al><al>Hoewel het hier gaat om een herhaaldelijke schending van de
                        inlichtingenplicht, zijn situaties denkbaar waarin volledige verrekening met
                        de beslagvrije voet niet aanvaardbaar wordt geacht. Het gaat daarbij altijd
                        om individuele omstandigheden waaraan het college zal moeten toetsen.</al><al/><al>In onderdeel a is geregeld dat het college kan besluiten in afwijking van de
                        artikelen 38 en 39 toch de beslagvrije voet te respecteren wanneer volledige
                        verrekening waarschijnlijk leidt tot huisuitzetting van belanghebbende en
                        diens gezin. Voorkomen moet worden dat een belanghebbende door de volledige
                        verrekening op straat komt te staan, nu dit de problematiek alleen maar
                        verergert, met alle maatschappelijke kosten van dien.</al><al/><al>Een dreigende huisuitzetting wordt in deze verordening gezien als een
                        dringende reden om van verrekening met de beslagvrije voet af te zien. Dat
                        volgt uit het woord 'anderszins' in onderdeel b. Ook bij aanwezigheid van
                        andere dringende redenen dan een dreigende huisuitzetting, kan het college
                        rekening houden met de bescherming van de beslagvrije voet.</al><al>Van dringende redenen is niet snel sprake. Het gaat slechts om incidentele
                        gevallen, waarbij de behoeftige omstandigheden waarin de belanghebbende en
                        diens gezinsleden verkeren op geen enkele andere wijze te verhelpen zijn.
                        Het enkele feit dat de belanghebbende door de verrekening aan middelen
                        ontbreekt om in het bestaan te voorzien, is op zich geen voldoende
                        voorwaarde om te kunnen spreken van dringende redenen.</al><al/><al>In het kader van pseudoverrekening kunnen gemeenten te maken krijgen met
                        verzoeken van andere gemeenten om een door hen opgelegde recidiveboete te
                        verrekenen. Het college dat de boete heeft opgelegd zal in dat geval
                        aangeven in hoeverre het de beslagvrije voet in acht wil nemen (volgens de
                        regels van zijn gemeentelijke verordening). De gemeente die de uitkering
                        verstrekt, moet in beginsel gehoor geven aan dit verzoek. Mocht de
                        beslagvrije voet niet gerespecteerd worden, dan kan de belanghebbende het
                        college waarvan hij uitkering ontvangt, verzoeken de beslagvrije voet toch
                        in acht te nemen. In artikel 60b, tweede lid, van de P-wet is geregeld dat
                        het college die de uitkering verstrekt, de bevoegdheid heeft aan dit verzoek
                        van belanghebbende tegemoet te komen. Het ligt voor de hand dat het college
                        bij de beslissing op dat verzoek handelt analoog aan de regels die in de
                        eigen gemeentelijke verordening zijn vastgelegd.</al><al/><al><vet>Artikel 41 Eerder opgelegde bestuurlijke boete </vet></al><al>In artikel 60b, derde lid, van de P-wet is bepaald dat de bevoegdheid om te
                        verrekenen met de beslagvrije voet ook van toepassing is op eerder opgelegde
                        bestuurlijke boetes voor zover op het moment van verrekening van de
                        recidiveboete, die eerdere boetes nog niet zijn betaald. Mocht het college
                        die eerdere, nog openstaande boetes gaan verrekenen, dan regelt dit artikel
                        dat de bepalingen in deze verordening van overeenkomstige toepassing
                        zijn.</al><al/><al><vet>§ 4 Bestrijden misbruik en oneigenlijk gebruik </vet></al><al/><al>In deze paragraaf is de verplichting uitgewerkt als bedoeld in artikel 8b
                        van de P-wet: in het kader van goed financieel beheer regels opstellen voor
                        de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van bijstand alsmede van
                        misbruik en oneigenlijk gebruik van de wet. Deze regels moeten waarborgen
                        dat aan de eisen van rechtmatigheid wordt voldaan. Gelet op de financiële
                        verantwoordelijk van de gemeente is naast controle van de rechtmatigheid van
                        de bijstand ook het beheersen van het volume in de bijstand belangrijk. Een
                        effectieve handhaving vertaalt zich immers in een besparing op het
                        inkomensdeel.</al><al>Het beleid voor handhaving is reeds lang ingericht naar het model van
                        hoogwaardig handhaven.</al><al/><al>Dit model voor integraal en hoogwaardig handhaven is opgebouwd uit vier
                        pijlers, waarvan twee preventief en twee repressief van aard zijn:</al><lijst><li nr="1."><al>goede en tijdige voorlichting over rechten en verplichtingen;</al></li><li nr="2."><al>het optimaliseren van de dienstverlening (creëren draagvlak voor
                                spontane naleving P-wet);</al></li></lijst><lijst><li nr="3."><al>het vroegtijdig achterhalen (detecteren) van oneigenlijk gebruik en
                                misbruik en</al></li><li nr="4."><al>het metterdaad straffen van oneigenlijk gebruik en misbruik.</al></li></lijst><al/><al>Het college werkt de pijlers van hoogwaardig handhaven verder uit in
                        beleidsregels en richtlijnen voor de uitvoering.</al><al/><al>Het rechtmatig verstrekken van uitkeringen, het voorkomen en het bestrijden
                        van oneigenlijk gebruik en misbruik van de P-wet, IOAW, IOAZ en Bbz 2004 is
                        gewaarborgd door te werken naar de uitgangspunten van het landelijke model
                        voor programmatisch en hoogwaardig handhaven. De vier visievelden van dat
                        model worden in samenhang uitgevoerd. De nadruk ligt op preventie en
                        gedragsverandering (spontaan naleven verplichtingen). Voorkomen is beter dan
                        genezen.</al><al/><al><vet>Artikel 44 Aangifte bij het Openbaar Ministerie </vet></al><al>Er wordt geen bestuurlijke boete opgelegd als er aangifte wordt gedaan bij
                        het OM, vanwege het beginsel “ne bis in idem” (niet 2x straffen voor
                        hetzelfde feit). Als het OM echter besluit niet tot vervolging over te gaan,
                        dan kan er wel worden gesanctioneerd. Dit kan wel enige tijd later zijn,
                        omdat het OM de aangifte zal moeten beoordelen en dat kost tijd.</al><al/><al><vet>Artikel 45 terugvorderen opgespoorde fraudebedragen </vet></al><al>Ten onrechte of tot een te hoog bedrag verleende bruto uitkering door
                        oneigenlijk gebruik of misbruik van de P-wet, IOAW, IOAZ of Bbz 2004 wordt
                        in beginsel volledig teruggevorderd volgens de door het college vastgestelde
                        nadere regels in het beleidskader terug- en invordering van kosten van
                        bijstand. Deze regels voorzien mede in het afzien van het terugvorderen van
                        (marginale) kosten van bijstand, de termijn waarover naar draagkracht moet
                        worden terugbetaald en het matigen dan wel afboeken (kwijtschelden) van
                        terug te vorderen kosten van bijstand.</al><al/><al><extref doc="#_ftnref1">[1]</extref> Kamerstukken II 2007/08 31 577, nr. 3,
                        blz. 12.</al><al><extref doc="#_ftnref2">[2]</extref> Dit is het bedrag per 1-7-2014.</al><al><extref doc="#_ftnref3">[3]</extref> Kamerstukken II 2013/14, 33 161, nr.
                        113, blz. 3.</al><al><extref doc="#_ftnref4">[4]</extref> Kamerstukken II 2013/14, 33 161, nr.
                        113.</al><al><extref doc="#_ftnref5">[5]</extref> Kamerstukken II 2013/14, 33 161, nr.
                        107, blz. 66.</al></al-groep></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>