<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.92--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--
      meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR373474_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Uitvoeringsregeling Stichting Certificering Subsidieverordening Natuur- en Landschapsbeheer Gelderland</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Provincie">Gelderland</dcterms:creator><dcterms:modified>2015-06-25</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Provincie">Gelderland</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Provinciaal Blad 2015 nr. 3556</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Uitvoeringsregeling Stichting Certificering Subsidieverordening Natuur- en Landschapsbeheer Gelderland</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Provinciewet, art. 158, lid 1 en Algemene wet bestuursrecht, afdeling 10.1.1.</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Subsidieverordening Natuur- en Landschapsbeheer Gelderland 2016, art. 1.11</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanProvincie">gedeputeerde staten</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>milieu</dcterms:subject><dcterms:issued>2015-06-16</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2015-06-25</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2022-10-27</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>zaaknummer 2015-005265</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>subsidies, natuur en landschap, flora en fauna</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Uitvoeringsregeling Stichting Certificering Subsidieverordening Natuur- en Landschapsbeheer Gelderland</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>GEDEPUTEERDE STATEN VAN GELDERLAND</al><al>Overwegende dat certificaten zoals bedoeld in artikel 1, onder e, van de
                        Subsidieverordening Natuur- en Landschapsbeheer Gelderland 2016 op grond van
                        het mandaatbesluit d.d. 16 juni nr 2015-005265 worden afgegeven door de
                        Stichting Certificering Subsidiestelsel Natuur- en Landschapsbeheer
                        (hiernate noemen: de Stichting Certificering SNL);</al><al>Overwegende dat zij voorwaarden hebben vastgesteld waaronder de Stichting
                        Certificering Subsidiestelsel Natuur- en Landschapsbeheer certificaten
                        afgeeft zoals bedoeld in de Subsidieverordening Natuur- en Landschapsbeheer
                        Gelderland 2016;</al><al>Gelet op de artikelen 2.4 en 3.4 van de Subsidieverordening Natuur- en
                        Landschapsbeheer Gelderland2016;</al><al>BESLUITEN</al><al>Vast te stellen de Uitvoeringsregeling Stichting Certificering
                        Subsidieverordening Natuur- en Landschapsbeheer Gelderland</al></preambule></aanhef><regeling-tekst><paragraaf><kop><titel>Paragraaf 1. Primaire besluiten</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 1 </titel></kop><al>Een aanvraag om afgifte van een certificaat wordt ingediend bij de
                            Stichting Certificering SNL, met dien verstande dat een dergelijke
                            aanvraag niet vóór 10 juni 2015 ingediend kan worden.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2</titel></kop><al>Een aanvraag tot afgifte van een certificaat gaat in elk geval vergezeld
                            van:</al><lijst><li nr="a."><al> naam en adresgegevens van de aanvrager;</al></li><li nr="b."><al> een kwaliteitshandboek van de aanvrager, met daarin een
                                    beschrijving van de elementen uit de bedrijfsvoering zoals
                                    beschreven in het Programma van Eisen;</al></li><li nr="c."><al> vermelding van het certificaat waarop de aanvraag betrekking
                                    heeft.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Het bestuur van de Stichting Certificering SNL kan namens
                                Gedeputeerde Staten een certificaat collectief agrarisch
                                natuurbeheer afgeven als de aanvrager voldoet aan de
                                certificeringsvoorwaarden die zijn opgenomen in het corresponderende
                                onderdeel van het Programma van Eisen, zoals dat in de bijlage bij
                                dit besluit is vastgesteld.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Het bestuur van de Stichting Certificering SNL kan namens
                                Gedeputeerde Staten een certificaat natuurbeheer of een certificaat
                                samenwerkingsverband natuurbeheer afgeven als de aanvrager voldoet
                                aan de certificeringsvoorwaarden die zijn opgenomen in het
                                corresponderende onderdeel van het Programma van Eisen, zoals dat in
                                de bijlage bij dit besluit is vastgesteld.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Paragraaf 2. Schorsing en intrekking</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 4</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Het bestuur van de Stichting Certificering SNL kan namens
                                Gedeputeerde Staten een certificaat voor een door hem te bepalen
                                termijn schorsen als de houder van het certificaat niet voldoet aan
                                één of meerdere certificeringsvoorwaarden.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Het bestuur van de Stichting Certificering SNL kan namens
                                Gedeputeerde Staten een certificaatintrekken als: </al><lijst><li nr="a."><al> na afloop van de schorsingstermijn, bedoeld in het eerste
                                        lid, blijkt dat de houder van hetcertificaat nog steeds niet
                                        voldoet aan de betreffende certificeringsvoorwaarde;</al></li><li nr="b."><al> blijkt dat binnen een periode van 52 weken na afloop van de
                                        schorsingstermijn, bedoeld in het eerste lid, de houder van
                                        het certificaat opnieuw niet voldoet aan de betreffende
                                        certificeringsvoorwaarde;</al></li><li nr="c."><al> de houder van het certificaat opzettelijk een onjuiste
                                        aanvraag heeft ingediend ter verkrijging van een subsidie,
                                        bedoeld in de artikelen 2.2 of 3.2 van de
                                        Subsidieverordening Natuur- en Landschapsbeheer 2016.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Het bestuur van de Stichting Certificering SNL maakt geen gebruik
                                van de bevoegdheid om namens Gedeputeerde Staten een certificaat te
                                schorsen of in te trekken als het niet voldoen aan de betreffende
                                certificeringsvoorwaarde het gevolg is van overmacht of
                                uitzonderlijke omstandigheden.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Paragraaf 3. Overige bepalingen</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 5</titel></kop><al>Certificaten natuurbeheer en certificaten samenwerkingsverband
                            natuurbeheer die zijn afgegeven onder de Subsidieverordening Natuur- en
                            Landschapsbeheer 2009 worden gelijkgesteld met certificaten afgegeven
                            onder de Subsidieverordening Natuur- en Landschapsbeheer Gelderland
                            2016.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6</titel></kop><al>De ondertekening van besluiten op grond van artikel 2 luidt:</al><al>‘GEDEPUTEERDE STATEN VAN GELDERLAND,</al><al>gevolgd door</al><al>‘DE VOORZITTER VAN DE STICHTING CERTIFICERING SNL’</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7</titel></kop><al>Dit besluit wordt aangehaald als de Uitvoeringsregeling Stichting
                            Certificering SNL.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 8</titel></kop><al>Dit besluit treedt in werking op de dag na publicatie in het Provinciaal
                            Blad.</al></artikel></paragraaf></regeling-tekst><regeling-sluiting><slotformulering><al> Gedeputeerde Staten van Gelderland</al></slotformulering></regeling-sluiting><bijlage><kop><titel>Bijlage: Programma van Eisen</titel></kop><al>PROGRAMMA VAN EISEN VOOR AGRARISCH NATUURBEHEER EN VOOR NATUURBEHEER</al><al> In dit document zijn de twee Programma’s van Eisen (PVE) beschreven die gelden
                    voor respectievelijk de certificering van de natuurbeheerders (paragraaf a) en
                    de certificering van de agrarische collectieven die aan agrarisch natuur beheer
                    doen (paragraaf b).</al><al>Tot nu toe is er gewerkt met één PVE voor beide categorieën beheerders. In het
                    kader van de beleidsbepaling met betrekking tot het Agrarisch natuur- en
                    landschapsbeheer (ANLB) 2016 is evenwel besloten om te komen tot een specifiek
                    PVE voor de nieuwe agrarische collectieven. Paragraaf a bestaat aldus uit het
                    PVE voor de certificering van de natuurbeheerders. Deze paragraaf bestaat uit
                    het oorspronkelijke PVE minus het deel dat betrekking had op de
                    gebiedscoördinatoren ANLB. Paragraaf b bevat het PVE voor de collectieven die
                    aan het ANLB 2016 gaan deelnemen.</al><al><vet>(A) PROGRAMMA VAN EISEN NATUURBEHEER </vet></al><al>In dit PVE geeft de subsidiegever (in dit geval de provincie) aan, aan welke
                    eisen een natuurbeheerder moet voldoen om voor certificering in aanmerking te
                    komen. De beheerder legt in een kwaliteitshandboek vast hoe hij invulling geeft
                    aan deze eisen. De certificerende organisatie hanteert, in opdracht van de
                    provincies, het PVE als toetsingskader bij de certificering van een beheerder.
                    Als bepaalde aspecten al zijn geborgd via een andere certificaatvorm
                    (bijvoorbeeld FSC of CBF) dan gelden die certificaten en kan in het
                    kwaliteitshandboek daar naar worden verwezen. Zo wordt dubbele certificering
                    voorkomen.</al><al>Het PVE dient de subsidiegever voldoende handvatten te geven dat de
                    subsidiegever het vertrouwen heeft dat de natuurbeheerder het natuurbeheer op
                    een goede manier uitvoert. Tegelijkertijd wordt er naar gestreefd het aantal
                    eisen zo beperkt mogelijk te houden, om te voorkomen dat de lastendruk voor
                    beheerder en overheid toenemen en om de beheerder voldoende de mogelijkheid te
                    bieden zelf te bepalen op welke wijze hij het beheer gaat uitvoeren. Er wordt
                    dus gezocht naar een goed evenwicht van waarborgen richting de subsidiegever en
                    ruimte voor de beheerder.</al><al>Om te voorkomen dat certificering te complex wordt en extra eisen oplevert,
                    wordt zoveel mogelijk aangesloten op de eigen organisatie van de beheerder. De
                    inhoud van het kwaliteitshandboek is afhankelijk van de werkwijze en de
                    organisatie van de beheerder zelf. Wel zal de opzet van het kwaliteitshandboek
                    zo veel mogelijk verlopen via de volgorde van de onderdelen uit het PVE. Op die
                    manier is sprake van een bij alle beheerders herkenbare en vergelijkbare
                    inhoudsopgave. Zo wordt voorkomen dat de certificeringscommissie (het bestuur
                    Stichting Certificering SNL) steeds verschillend opgezette handboeken moet
                    beoordelen. Dit beperkt ook de uitvoeringskosten van de certificeringscommissie.
                    Een en ander laat onverlet dat binnen die identieke inhoudsopgave elke beheerder
                    zijn eigen werkprocessen dient te beschrijven.</al><al>Kortom: in het PVE wordt het “wat” beschreven en de beschrijving van het “hoe”
                    wordt overgelaten aan de beheerder. Zo is bijvoorbeeld het bepalen van de
                    beheermaatregelen een eigen keuze van de beheerder. Uitgangspunt daarbij is wel
                    dat de kwaliteit moet zijn geborgd.</al><al>Om de doelen die verband houden met certificering te realiseren zijn in het
                    Programma eisen benoemd voor zeven elementen:</al><al>1. De wijze waarop de beheerder vastlegt dat hij aansluit bij de beheerdoelen
                    die zijn vastgelegd in het natuurbeheerplan 2. De handelingen waarmee de
                    beheerder de doelen via beheer behaalt 3. De basismonitoring 4. De evaluatie van
                    het beheer op basis van de basismonitoring en eventuele bijstelling van doelen
                    en beheermaatregelen 5. De eigen controle van het beheersysteem 6. Aanvullende
                    eisen voor groepscertificaathouders 7. De wijze waarop de beheerder projecten
                    opstelt en uitvoert in een projectenprogramma</al><al>Punt 7 is optioneel. Om het certificaat ook van toepassing te laten zijn op
                    projecten, moeten beheerders punt 7 invullen. Overigens zal punt 7 alleen
                    onderwerp van audit zijn wanneer de beheerder werkt met projectenprogramma’s,
                    zoals overeengekomen met één of meer provincies. Indien de beheerder dit niet
                    doet, dan geldt de certificering alleen voor de beheersubsidie en de
                    recreatiesubsidie. Punt 6 geldt alleen voor houders van een
                    groepscertificaat.</al><al>Hieronder wordt per element aangegeven wat in het kwaliteitshandboek moet worden
                    uitgewerkt.</al><al><vet>0.Verantwoording aanvraagtitel</vet></al><al>• De beheerder geeft aan op welke wijze hij kan aantonen dat hij de
                    aanvraagtitel bezit voor de gronden waarvoor hij subsidieaanvragen doet. Dat kan
                    door te omschrijven hoe de eigendomsadministratie wordt bijgehouden of via een
                    accountantscontrole.</al><al><vet>1.Bepaling beheerdoelen </vet></al><al>• De beheerder gaat uit van de beheertypen die zijn aangegeven in de
                    SNL-subsidiebeschikking; • De beheerder maakt inzichtelijk op welke wijze hij
                    tot een tabel van beheertypen komt.</al><al><vet>2.Behalen doelen door middel van beheer </vet></al><al>• De beheerder legt de koppeling tussen het beheer en de doelstelling vast,
                    bijvoorbeeld in een beheerplan, een beheerrichtlijn of een beheersvisie; • De
                    beheerder geeft aan hoe ecologische kennis die intern en extern beschikbaar is,
                    benut wordt bij het beheer; • De beheerder geeft aan welk aanbestedingsbeleid
                    wordt gehanteerd en kan dit desgewenst staven met voorbeelden; • De beheerder
                    geeft de wijze aan waarop bij het beheer samenwerking met andere beheerders
                    wordt gezocht.</al><al><vet>3.Monitoring </vet></al><al>• De beheerder beschrijft de werkwijze met betrekking tot de monitoring.
                    Hierover worden separaat afspraken gemaakt met de overheid.</al><al><vet>4.Evaluatie beheer </vet></al><al>• De beheerder draagt zorg voor een evaluatie van het beheer en maakt daarbij
                    gebruik van resultaten van de monitoring; • De beheerder brengt in beeld op
                    welke wijze de resultaten van de evaluatie worden benut.</al><al><vet>5.Eigen controle van het proces</vet></al><al>• De beheerder is zelf verantwoordelijk voor controle op het in het
                    kwaliteitshandboek beschreven proces en geeft aan de subsidiegever aan hoe dit
                    plaatsvindt (administratief en fysiek). De onderdelen die daarbij aan de orde
                    komen zijn:</al><al>1. vastleggen van gebruikstitels en oppervlakten; 2. (tijdelijke)
                    pachtovereenkomsten; 3. terreinen die worden afgesloten of waar om bepaalde
                    redenen het beheer niet kan worden uitgevoerd; 4. wordt het beheer uitgevoerd op
                    de wijze die binnen de organisatie is afgesproken 5. hoe wordt geborgd dat met
                    het beheer de doelen gerealiseerd worden. 6. Certificaat samenwerkingsverband
                    natuurbeheer</al><al>De voorgaande punten uit dit PVE zijn ook van toepassing op de certificaathouder
                    samenwerkingsverband natuurbeheer. Daarnaast gelden nog de volgende punten: • De
                    houder van een groepscertificaat maakt inzichtelijk op welke wijze hij afspraken
                    met deelnemers maakt over de instandhouding van de beheertypen en de controle
                    daarop; • De houder van een groepscertificaat geeft inzicht hoe hij borgt dat
                    deelnemers de beheertypen in stand houden (inzicht in veldcontrole en
                    administratieve controle) en hoe bij het niet nakomen sanctionering
                    plaatsvindt.</al><al>7.De wijze waarop de beheerder projecten voor kwaliteitsimpulsen opstelt en
                    uitvoert</al><al>De beheerder kan aanvragen op projectniveau indienen of, wanneer de provincie
                    die mogelijkheid biedt, op programmaniveau. Indien de gecertificeerde beheerder
                    van deze mogelijkheid gebruik wenst te maken, dienen de onderstaande punten in
                    het kwaliteitshandboek te worden uitgewerkt. Indien de gecertificeerde beheerder
                    op andere wijze met de provincie afspraken maakt over projecten, bijvoorbeeldin
                    de vorm van een meerjarenovereenkomst of op projectniveau, gelden ten aanzien
                    van deze projectende bepalingen in de overeenkomst of subsidieverordening en is
                    uitwerking in het kwaliteitshandboekniet nodig.</al><al>a. De beheerder gaat bij projecten kwaliteitsimpuls uit van de beheertypen die
                    zijn aangegeven in het provinciale natuurbeheerplan; b. De beheerder geeft aan
                    hoe bij projecten kwaliteitsimpuls een koppeling met provinciale doelen gelegd
                    wordt; c. De beheerder geeft aan op welke wijze binnen zijn organisatie bij
                    formulering, uitvoering en oplevering van projecten kwaliteitsimpuls
                    kwaliteitsborging plaatsvindt; d. De beheerder geeft aan hoe hij garandeert dat
                    de projecten tegen marktconforme prijs worden uitgevoerd; e. De beheerder geeft
                    aan hoe de financiële verantwoording over projecten kwaliteitsimpuls
                    plaatsvindt; f. De beheerder geeft aan hoe hij projecten kwaliteitsimpuls
                    evalueert en hoe wordt omgegaan met de conclusies van evaluaties.</al><al>Toelichting bij het PVE natuurbeheer</al><al>Inleiding</al><al>Het subsidiestelsel voor Natuur- en Landschapsbeheer gaat uit van meer
                    vertrouwen in de beheerderen een vermindering van uitvoeringslasten. De
                    kwaliteit van het beheer van natuur en landschap is bovenal afhankelijk van de
                    deskundigheid, professionaliteit, toewijding en inzet van de beheerders. De
                    provincies willen de borging van de kwaliteit van het beheer dan ook allereerst
                    vormgeven door gebruik te maken van deze kwaliteiten van de beheerders. Daarom
                    hebben de provincies samen met de beheerders een kwaliteitsborgingsysteem
                    ontwikkeld, dat wordt aangeduid met de term „certificering.. Deze certificering
                    geeft de overheid de zekerheid dat de kwaliteit van het natuurbeheer voldoende
                    geborgd is bij een beheerder. De bedoeling van de provincies is uitdrukkelijk om
                    tot een simpele eigen vorm van certificering te komen, die nauw aansluit bij de
                    huidige werkwijze en systemen van de beheerders en niet bureaucratisch is. Het
                    gaat in feite om een „erkenningseis" van professioneel handelen voor
                    natuurbeheer.</al><al>De beheerder legt in een kwaliteitshandboek vast hoe hij invulling geeft aan de
                    eisen uit het PVE. De certificerende organisatie hanteert, in opdracht van de
                    provincies, het PVE als toetsingskader bij de certificering van een
                    beheerder.</al><al>Het aantal eisen is zo beperkt mogelijk gehouden, om te voorkomen dat de
                    lastendruk voor beheerder en overheid te hoog wordt. De beheerder heeft de
                    ruimte om vorm en inhoud van het kwaliteitshandboek aan te laten sluiten op de
                    eigen werkwijze. Het PVE is de leidraad voor de beheerder voor het opzetten en
                    uitwerken van zijn kwaliteitshandboek. Binnen de identieke inhoudsopgave bestaat
                    ruimte voor elke beheerder om zijn eigen werkprocessen te beschrijven. De wijze
                    waarop de certificeringscommissie het kwaliteitshandboek toetst, zal verder
                    worden uitgewerkt in een toetsingsprotocol.</al><al>Niet alle onderdelen uit het PVE zijn voor alle beheerders even relevant. Alle
                    te certificeren beheerders en samenwerkingsverbanden van beheerders dienen
                    onderdeel 1, 2, 4 en 5 uit te werken in het kwaliteitshandboek. Aanvullend wordt
                    onderdeel 3 uitgewerkt door beheerders die zelf basismonitoring wensen uit te
                    voeren. Onderdeel 6 is alleen relevant voor beoogde houders van een certificaat
                    samenwerkingsverband natuurbeheer. Om het certificaat ook van toepassing te
                    laten zijn op projecten, dienen beheerders onderdeel 7 invullen.</al><al>Aansluiting op eigen werkwijze</al><al>Bij de certificering in het Subsidiestelsel Natuur en Landschap wordt zoveel
                    mogelijk aangesloten op de werkwijze en bedrijfsvoering van de
                    natuurbeheerder/organisatie op het terrein van de kwaliteitsborging. Het eigen
                    werkproces van de beheerder is de maat voor de kwaliteitsborging, waarbinnen de
                    beheerder de ruimte krijgt om zelf de eisen uit het programma te implementeren
                    in zijn bedrijfsvoering op die wijze die daarin het beste past. De beheerder is
                    er daarbij wel verantwoordelijk voor dat hij voldoet aan de eisen zoals
                    opgesteld in het programma, maar de manier van invullen is vrij. Om een voor
                    alle beheerders vergelijkbare inhoudsopgave te realiseren, volgt de beheerder
                    daarbij de volgorde van het PVE.</al><al>Voor de kwaliteitseisen uit dit programma die al via andere certificaten zoals
                    FSC, CBF of Milieukeur zijn geborgd, hoeft de beheerder binnen deze
                    certificering geen aanvullende maatregelen te nemen. De kwaliteitseisen van het
                    andere certificaat kunnen dan worden overgenomen met een verwijzing en uitleg in
                    het kwaliteitshandboek.</al><al>(B) PROGRAMMA VAN EISEN AGRARISCH NATUURBEHEER</al><al>Dit PVE is beperkt tot een aantal essentiële eisen rond het uitvoeringsproces.
                    Hiermee wordt voorkomen dat de lastendruk voor collectief en overheden toeneemt.
                    Ook biedt dit het collectief de ruimte om zelf te bepalen op welke wijze de
                    kwaliteit van het beheer wordt geborgd. Hierbij gaat het om een goed evenwicht
                    tussen risico-waarborging richting subsidiegever en uitvoeringsruimte voor het
                    collectief.</al><al>Het collectief dient de hieronder opgenomen onderdelen in het kwaliteitssysteem
                    uit te werken en in het kwaliteitshandboek te beschrijven. En vervolgens conform
                    die beschrijving de werkzaamheden in de praktijk uit te voeren.</al><al>Onderdelen PVE en de uitwerking ervan</al><al>1. De wijze waarop het collectief is ingericht en werkt a. Beschrijving van de
                    samenstelling van het collectief, de relatie met de deelnemende beheerders en de
                    Agrarische Natuurverenigingen in het gebied; b. Beschrijving van het gebied
                    (oppervlakte/ begrenzing) waarop het collectief zich richt; c. Beschrijving van
                    de volledig rechtsbevoegde rechtspersoon; d. Beschrijving van de wijze waarop
                    het risico van financiële aansprakelijkheid van bestuurders van het collectief
                    is gedekt; e. Beschrijving van de wijze waarop het kwaliteitssysteem, zoals in
                    het kwaliteitshandboek is vastgelegd, intern wordt bewaakt om voortdurend aan de
                    certificeringeisen te blijven voldoen (bv. interne audit); f. Beschrijving van
                    de datum van afgifte van het certificaat; g. Beschrijving van de functionarissen
                    die verantwoordelijk zijn voor de werkprocessen binnen het collectief, die
                    fungeren als vaste aanspreekpunten voor respectievelijk het Betaalorgaan en de
                    deelnemende beheerders; h. Beschrijving van de wijze van contracteren van derden
                    (zijnde niet beheerders) voor het uitvoeren van beheerwerkzaamheden; i.
                    Beschrijving van de wijze waarop de resultaten van door of namens de provincie
                    uitgevoerde controles aan de betreffende beheerder wordt teruggekoppeld; j.
                    Beschrijving van de klachtenregeling inclusief de wijze waarop de objectiviteit
                    en onafhankelijkheid van een klachtencommissie gewaarborgd is.</al><al>2. De wijze waarop het collectief de administratie heeft georganiseerd a.
                    Beschrijving van het administratieve systeem met de opzet van administreren, de
                    momenten van vastlegging, de vast te leggen gegevens en de toegankelijkheid van
                    de administratie voor audits van de certificeringscommissie. De administratieve
                    beheer- en controlestructuur moet de naleving van de subsidievoorwaarden borgen.
                    Zaken die worden vastgelegd in de administratie zijn: - de lijst met alle
                    deelnemers; - de contracten met de deelnemers; - de GIS-gegevens voor het
                    geografisch vastleggen van overeengekomen/verrichte prestaties per perceel; -
                    Als de uitvoering in de beheerpraktijk wordt aangepast t.o.v. van de vastgelegde
                    uitvoering in de gebiedsaanvraag, dan dient dit vooraf als mutatie te worden
                    doorgevoerd in het administratiesysteem; - de gegevens vastgelegd bij interne
                    audits; - de betalingsopdrachten en accountantscontrole. b. Beschrijving van de
                    wijze waarop wordt geregeld dat alle stukken die betrekking hebben op de
                    gebiedsaanvraag en het betaalverzoek tenminste tot 5 jaar na de laatste betaling
                    bewaard blijven. Het origineel van de getekende contracten dient bewaard te
                    blijven. Digitale stukken kunnen digitaal worden bewaard, maar moeten eenduidig
                    opvraagbaar en beschikbaar zijn. Deze bewaarplicht geldt ook voor alle mutaties
                    die in de looptijd hebben plaats gevondenen herleidbaar moeten zijn voor uit te
                    voeren EU audits (zogenaamde audit trail).</al><al>3. De wijze waarop het collectief contracten afsluit met deelnemende beheerders
                    Beschrijving van de wijze waarop met deelnemende beheerders afspraken voor het
                    leveren van prestaties uit de gebiedsaanvraag/beschikking worden gemaakt. Het
                    ondertekende contract maakt deel uitvan de administratie.</al><al>4. De wijze waarop het collectief de interne controle in het veld (schouw) heeft
                    georganiseerd op de naleving van de afspraken/prestaties a. Beschrijving van het
                    controleprotocol en de wijze van vastleggen van de bevindingen van de schouw
                    (controle in het veld) in het administratiesysteem. De interne controle staat
                    los van de controles die door of namens de provincie uitgevoerd worden.
                    Gestreefd wordt door het collectief en de overheden naar een meervoudig gebruik
                    van de verzamelde gegevens. De verzamelmethodieken zullen dan wel op elkaar
                    worden afgestemd zodat de verzamelde data ook voor monitoring en controle door
                    overheden kunnen worden gebruikt; b. Beschrijving van de wijze waarop het
                    collectief het objectief en onafhankelijk beoordelen via de interne veldcontrole
                    heeft geregeld.</al><al>5. De wijze waarop het collectief sancties oplegt aan gecontracteerde beheerders
                    a. Beschrijving van de wijze waarop wordt gehandeld bij het niet naleven van
                    contractuele afspraken door beheerders (in gebreke blijven of onrechtmatigheden)
                    en hoe intern sancties worden opgelegd. b. Beschrijving van de wijze waarop het
                    collectief kortingen, die het Betaalorgaan op basis van Europese en nationale
                    regelgeving oplegt, verwerkt in zijn administratie in afstemming met zijn
                    gecontracteerde beheerders. c. Beschrijving van de wijze waarop het collectief
                    een sanctie voor cross compliance van een deelnemende agrariër int, naar rato
                    van de betaling van het collectief aan de agrariër van een door de Europese Unie
                    meegefinancierde activiteit binnen het agrarisch natuur- en
                    landschapsbeheer.</al><al>6. De wijze waarop het collectief betalingen verricht aan gecontracteerde
                    beheerders a. Beschrijving van de wijze waarop betalingen worden uitgevoerd aan
                    gecontracteerde beheerders. Het gaat daarbij om de opdracht tot betaling,
                    gegeven door een gemachtigde in het collectief, waarop is aangegeven: - Naam,
                    adres, en KVK of BIN/BSN nummer en IBAN-rekeningnummer van de begunstigde; - Het
                    bedrag dat overgemaakt dient te worden inclusief de termijnen van de betalingen;
                    - De prestaties waarvoor de betalingen worden verricht; - Naam en handtekening
                    gemachtigde die handelt namens bestuur. b. Beschrijving van de wijze waarop
                    jaarlijks een totaal overzicht wordt gemaakt over de betalingen per
                    gecontracteerde beheerder.</al><al>7. De wijze waarop het collectief de realisatie van prestaties verantwoordt (als
                    onderbouwing van het betaalverzoek) a. Beschrijving van de wijze waarop wordt
                    bepaald hoe op gebiedsniveau de samenhang in maatregelen ten behoeve van de
                    soorten in de leefgebieden is bereikt. b. Beschrijving van de wijze waarop
                    verbeteringen in de toepassing van maatregelen worden doorgevoerd op basis van
                    veldwaarnemingen en controleresultaten in relatie tot de beoordelingscriteria
                    van de gebiedsaanvraag.</al><al>8. De wijze waarop het collectief borgt dat medewerkers en beheerders voor hun
                    taken bekwaam worden, zijn en blijven (kennis en vaardigheden borgen d.m.v. een
                    kennisinfrastructuur) a. Beschrijving van de wijze waarop het collectief zorgt
                    dat de taken en rollen binnen het collectief (medewerkers en beheerders) op
                    bekwame wijze worden uitgevoerd en dat deze bekwaamheid op niveau wordt
                    gehouden. Het gaat daarbij o.a. om kennis en vaardigheden op gebied van
                    organiseren, administratie, (EU-)regelingen, controle, ecologie/hydrologie en
                    uitvoering van het beheer. b. Beschrijving van de wijze waarop het collectief de
                    inzichten die ontstaan bij het beheer op gebiedsniveau benut om de beheerders te
                    ondersteunen bij het uitvoeren van het beheer op bedrijfsniveau.</al><al>Toelichting bij het PVE agrarisch natuurbeheer 2016</al><al>Inleiding</al><al>Vanaf 1 januari 2016 is een agrarisch collectief eindbegunstigde voor de
                    subsidieregeling natuur- en landschapsbeheer, en niet meer de individuele
                    agrariër. Een collectief is een samenwerkingsverband in een begrensd gebied dat
                    bestaat uit agrariërs en andere gebruikers van landbouwgrond. Om voor subsidie
                    in aanmerking te komen, moet het agrarisch collectief zijn gecertificeerd. Voor
                    de certificering is het nodig dat de overheid (IPO/EZ) een PVE opstelt, waaraan
                    een collectief moet voldoen. Dat zijn vooral eisen die te maken hebben met de
                    EU-conformiteit van de vernieuwde regeling. Op basis van het PVE heeftde SCAN
                    (Stichting Collectief Agrarisch Natuurbeheer) een model-kwaliteitshandboek
                    opgesteld. Vervolgens kan elk collectief op basis van dat model een -op de eigen
                    organisatie en werkwijze toegesneden- kwaliteitshandboek maken. Dat handboek
                    wordt vervolgens aan de certificeringscommissie voorgelegd en die verleent, na
                    een positieve beoordeling, het collectief een certificaat.</al><al>Algemene eisen aan een doeltreffend en doelmatig collectief</al><al>Er zit een groot verschil in taak en rol van de huidige agrarische
                    natuurverenigingen in vergelijking met die van het agrarisch collectief per 1
                    januari 2016 op grond van het Vernieuwde stelsel Agrarisch Natuur- en
                    Landschapsbeheer 2016. Daarom hebben de twaalf provincies, de koepels van
                    agrarische natuurverenigingen en IPO/EZ in september 2013 gezamenlijk
                    uitgangspunten vastgesteld voor de vorming van collectieven in de
                    provincies.</al><al>De kern van het vernieuwde stelsel is een collectieve benadering voor een
                    ecologisch meer effectief agrarisch natuur- en landschapsbeheer in die gebieden
                    waar dit het meest kansrijk is qua verbetermogelijkheden van de habitat van de
                    doelsoorten. Daarbij spelen ook de intensiteit van de landbouw in het landschap
                    waarin de maatregelen worden uitgevoerd en de structuur en diversiteit van
                    datzelfde landschap een rol. Waar beheer niet effectief kan zijn, is in het
                    kader van dit stelsel geen collectief nodig. In potentieel kansrijke gebieden
                    zijn vervolgens het aantal participerende boeren c.q. het aantal hectares onder
                    beheer en de ruimtelijke verspreiding daarvan belangrijke factoren waar een
                    collectief op in zet om een positief effect op de biodiversiteit ook
                    daadwerkelijk te bereiken. Het beheer, gericht op groepen van soorten in hun
                    leefgebieden, wordt zo uitgevoerd dat de maatregelen die voor één belangrijke
                    doelsoort worden genomen, ook ten goede komen aan de andere soorten. Om de
                    maatregelen op leefgebiedenniveau effectief uit te kunnen voeren, is een zekere
                    gebiedsomvang nodig. Die gebiedsomvang wordt bepaald door de eisen die de
                    doelsoorten aan hun leefgebied stellen en waarvoor leefgebieden optimaal worden
                    ingericht en beheerd.</al><al>Verder moeten de uitvoeringskosten en de administratieve lasten drastisch worden
                    beperkt door een efficiënte inzet van de beperkte middelen. Binnen het
                    beschikbare budget wordt gestreefd naar relatief lage kosten en meer geld voor
                    beheer door de deelnemende boeren. Het collectief hanteert als richtlijn een
                    omvang van 15% van de subsidie als dekking voor de transactiekosten.</al><al>Eisen, gesteld voor doeltreffendheid en doelmatigheid, leiden tot een structuur
                    met een beperkt aantal robuuste collectieven per provincie, die voldoende
                    schaalgrootte voor kritieke massa aan deskundigheid, routine en “omzet” hebben
                    (bijvoorbeeld 1,5 tot 2 miljoen euro per jaar) voor een efficiënte organisatie
                    met beperkte overhead om een kwalitatief goede uitvoering te organiseren van het
                    agrarisch natuur- en landschapsbeheer in het gebied.</al><al>Eisen vanuit nieuwe taken als collectief</al><al>De nieuwe taken van een agrarisch collectief (in vergelijking met de
                    werkzaamheden bij een huidige agrarische natuurvereniging) stellen hoge eisen
                    aan de organisatie en werkwijze van het collectief, maar ook aan de kwaliteit en
                    competenties van bestuursleden en medewerkers van het collectief en de
                    deelnemende boeren.</al><al>Het gaat hierbij om de volgende nieuwe taken: • Sturen op aansluiting van
                    maatregelen bij doelen, op samenhang en flexibiliteit in maatregel en enlocaties
                    in de tijd, en op continuïteit van maatregelen in de jaren; • Sturen op het
                    daadwerkelijk leveren van de afgesproken prestaties door het mobiliseren en
                    ondersteunen van deelnemende boeren en andere grondgebruikers; • Professioneel
                    gesprekspartner zijn voor andere beheerders en overheden in gebiedsprocessen
                    onder regie van de provincie; • Effectief relatiebeheer; • Een kwalitatief goede
                    gebiedsaanvraag opstellen, die is afgestemd met gebiedspartijen en heldere na te
                    streven doelen bevat; • Als eindbegunstigde voldoen aan de hoge (Europese) eisen
                    van accountability; dit is het verantwoorden van de wijze van handelen bij de
                    uitvoering van het agrarisch natuur- en landschapsbeheer; • Contractpartner zijn
                    van provincie/Rijksdienst Voor Ondernemend Nederland (RVO.nl) aan de voordeur
                    met verantwoordelijkheid voor de zakelijke verplichtingen en de reputatie en
                    legitimatie als gebiedsverantwoordelijke; • Contractpartner van deelnemende
                    agrariërs zijn aan de achterdeur met verantwoordelijkheid voor de betreffende
                    zakelijke verplichtingen; • Beschikken over administratieve en financiële
                    systemen die effectief corresponderen met die van de RVO.nl; • Uitvoeren van
                    veldcontroles en daarbij -zo nodig- optreden tegen in gebreke blijvende
                    deelnemende boeren/ grondgebruikers; • Organiseren van kwaliteitsborging via
                    certificering en voortgaande kwaliteitsverbetering door te leren van
                    experimenteren en van andere collectieven en kennispartners door het uitwisselen
                    van kennis.</al><al>Certificeren: vertrouwen in de beheerder</al><al>Het vernieuwde stelsel gaat uit van vertrouwen in het collectief als natuur- en
                    landschapsbeheerder in een agrarisch cultuurgebied. Dat vertrouwen is gericht op
                    het vergroten van de effectiviteit én van de efficiency in transactie- en
                    uitvoeringskosten. De kwaliteit van het beheer van natuur en landschap is in
                    sterke mate afhankelijk van de deskundigheid van alle betrokkenen bij een
                    collectief. De kwaliteit van het beheer wordt zodanig geborgd, dat rijk en
                    provincies daaraan het vertrouwen ontlenen dat de risico’s die bij het beheer
                    via de subsidieregeling spelen, beheerst worden. Belangrijk is ook de
                    efficiëntie in kosten binnen het collectief die bereikt wordt door het zo
                    efficiënt mogelijk organiseren van de werkzaamheden, waardoor er zo veel
                    mogelijk geld beschikbaar is voor de uitvoering.</al><al>De kwaliteitsborging vindt plaats via certificering. In het PVE geeft de
                    subsidiegever (de provincie) aan, aan welke eisen een collectief moet voldoen om
                    voor certificering in aanmerking te komen. De stichting Certificering SNL
                    hanteert, conform de provinciale Uitvoeringsregeling Stichting Certificering
                    SNL, het PVE als toetsingskader bij de certificering van het collectief.</al><al>Het collectief werkt in een eigen kwaliteitssysteem uit hoe zij deze eisen
                    invult en legt dit vervolgens vast in een kwaliteitshandboek. De met de EU
                    conformiteit gerelateerde financiële risico’s worden zo via het
                    kwaliteitssysteem beheerst. Het kwaliteitsysteem in het handboek wordt
                    beoordeeld door de Certificeringscommissie SNL. Bij een positief oordeel wordt
                    het certificaat verleend. Het certificaat is het bewijs dat het collectief haar
                    eigen werkwijze heeft geprofessionaliseerd en de kwaliteit ervan borgt. Zo geeft
                    het certificaat de overheid het vertrouwen dat de kwaliteit van het agrarisch
                    natuur- en landschapsbeheer procedureel voldoende geborgd is bij het collectief.
                    En met het verlenen van het certificaat erkent de provincie ook het agrarische
                    collectief als uitvoerende beheerorganisatie.</al><al>Bij een audit van de Certificeringscommissie SNL, na het verstrekken van het
                    certificaat, wordt de naleving van werkwijze en afspraken conform het
                    kwaliteitshandboek van het collectief in de werkpraktijk beoordeeld.</al><al>Aansluiting op eigen werkwijze</al><al>Een collectief kiest haar eigen wijze van werken en de organisatie die bij het
                    collectief past. Wel dient de kwaliteit van de eigen werkwijze geborgd te
                    worden. Dit is vooral ook bedoeld om de wijze van werken waar nodig te kunnen
                    verbeteren. Het collectief heeft de ruimte om zelf de eisen uit het PVE in te
                    vullen op de wijze die het best binnen de bedrijfsvoering past. Het collectief
                    is dus verantwoordelijk voor het voldoen aan de eisen zoals opgesteld in dit
                    PVE, maar de manier van invullen is vrij.</al><al>Bij de kwaliteitsborging staan de werkprocessen, de systemen, protocollen en
                    werkwijzen van de organisatie van het collectief centraal. En dit geldt ook voor
                    de competenties (kennis en vaardigheden) van de medewerkers en agrarische
                    beheerders die deze werkprocessen uitvoeren c.q. daar verantwoordelijk voor
                    zijn. De inhoud van het kwaliteitsysteem, beschreven in het kwaliteitshandboek,
                    is afhankelijk van de werkwijze en de organisatie van het collectief. De
                    ervaring vanuit de GLB pilots leert dat het eigen kwaliteitssysteem vaak verder
                    is uitgewerkt dan dit PVE vraagt.</al><al>De Certificeringcommissie SNL wil graag het kwaliteitssysteem van een collectief
                    op uniforme wijze toetsen. Daarom is het nodig dat alle collectieven een
                    vergelijkbare volgorde hanteren in hun kwaliteitshandboek in lijn met de
                    volgorde van de eisen in dit Programma. Het model-kwaliteitshandboek, dat is
                    ontwikkeld door de SCAN, kan daarbij helpen. De vergelijkbare opzet is ook
                    handig voor informatieuitwisseling tussen collectieven en beperkt bovendien de
                    uitvoeringskosten van de commissie. Dit laat onverlet dat binnen die
                    vergelijkbare volgorde elk collectief zijn eigen werkprocessen beschrijft en hoe
                    daarin de eisen zijn verwerkt. Uitgangspunt is steeds dat de kwaliteit van de
                    eigen wijze van werken van alle uitvoerenden in het collectief wordt
                    geborgd.</al><al>De vernieuwde Subsidieverdeling Natuur- en Landschapsbeheer 2016</al><al>De Subsidieverordening Natuur- en Landschapsbeheer 2016 wordt per provincie
                    vastgelegd op basis van een modelverordening voor alle provincies. In de
                    verordening worden onder meer de eisen beschreven waaraan een gebiedsaanvraag en
                    een verantwoording en/of betalingsverzoek moeten voldoen om de
                    beoordelingsprocedure en de uitbetaling bij provincie c.q. de RVO.nl zo
                    effectief en efficiënt mogelijk te laten verlopen. Bij de eisen aan de
                    gebiedsaanvraag gaat het over de wijze van samenwerking en afstemming van het
                    collectief binnen haar werkgebied met gebiedspartners (waaronder natuur- en
                    landschapsorganisaties, waterschap en gemeenten) en de samenwerking en
                    afstemming met aangrenzende collectieven ten behoeve van gebiedsgrenzen
                    overschrijdende optimale uitvoering van het beheer.</al><al>Dit PVE benoemt de eisen waaraan een collectief moet voldoen om voor
                    certificering in aanmerking te komen. Als onderdelen van het kwaliteitsysteem al
                    worden geborgd via een andere door de subsidiegever erkende certificaatvorm
                    (bijv. CBF of Milieukeur), dan gelden deze certificaten en kan daar in het
                    kwaliteitshandboek naar worden verwezen.</al></bijlage><nota-toelichting><al><vet>Toelichting Uitvoeringsregeling Stichting Certificering Natuurbeheer
                    </vet></al><al>Artikel 2</al><al>Op de website van het portaal Natuur en Landschap (<extref doc="http://www.portaalnatuurenlandschap.nl/themas/subsidiestelsel-natuur-en-landschapsbeheer/certificering-natuur-en-landschap/organisatie/" struct="INTERNET">http://www.portaalnatuurenlandschap.nl/themas/subsidiestelsel-natuur-en-landschapsbeheer/certificering-natuur-en-landschap/organisatie/</extref>)
                    staan de gegevens opgesomd die een aanvrager van een certificaat aanlevert aan
                    de Stichting Certificering SNL.</al><al>Artikel 3</al><al>Voor de certificering hebben Gedeputeerde Staten twee aparte Programma’s van
                    Eisen opgesteld (PVE). Het ene PVE heeft betrekking op certificaten agrarisch
                    natuurbeheer. Het andere PVE betreft certificaten natuurbeheer en certificaten
                    samenwerkingsverband natuurbeheer. Vanwege deze aparte PVE’s bevat dit artikel
                    twee leden.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>