<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR373462_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Algemene plaatselijke verordening Vlissingen 2013</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Vlissingen</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-05-29</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Vlissingen</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="http://www.officielebekendmakingen.nl">Elektronische gemeenteblad gemeente Vlissingen.</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Algemene plaatselijke verordening Vlissingen 2013</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Gemeentewet, art. 149</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>openbare orde en veiligheid</dcterms:subject><dcterms:issued>2014-06-19</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2015-07-29</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:terugwerkendekrachtDatum>2014-06-19</overheidrg:terugwerkendekrachtDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2016-05-25</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Artikel 5:26, eerste lid wordt gewijzigd en artikel 5:26, derde en vierde lid worden toegevoegd. Artikel 5:26a wordt toegevoegd.</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>onbekend</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Algemeen Aanwijzingsbesluit 2005</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>onbekend</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>De raad van de gemeente Vlissingen;</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>gezien het voorstel van het college van 25 juni 2013</al><al/><al>gelet op artikel 149 van de Gemeentewet;</al><al/><al>b e s l u i t :</al><al/><al>vast te stellen de volgende verordening "Algemene plaatselijke verordening
                        Vlissingen 2013".</al><al/><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1.</nr><titel>ALGEMENE BEPALINGEN</titel></kop><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>1.</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><structuurtekst><al><onderstreept>Artikel 1:1 Algemene
                                begripsbepalingen</onderstreept></al><al>In deze verordening wordt verstaan onder: </al><al>a. openbare plaats: Hetgeen in artikel 1 van de Wet openbare
                                manifestaties daaronder wordt verstaan; </al><al>b. weg: weg, als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b, van de
                                Wegenverkeerswet 1994; </al><al>c. openbaar water: wateren die voor het publiek bevaarbaar of op
                                andere wijze toegankelijk zijn; </al><al> d. bebouwde kom: het gebied binnen de grenzen die zijn vastgesteld
                                op grond van artikel 20a van de Wegenverkeerswet 1994; </al><al> e. rechthebbende: degene die over een zaak zeggenschap heeft
                                krachtens een zakelijk of persoonlijk recht; </al><al> f. bouwwerk: bouwwerk als bedoeld in artikel 1 van de
                                Bouwverordening gemeente Vlissingen; </al><al>g. gebouw: gebouw als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder c, van
                                de Woningwet; </al><al> h. handelsreclame: iedere openbare aanprijzing van goederen of
                                diensten, waarmee kennelijk beoogd wordt een commercieel belang te
                                dienen; </al><al> i. college: het college van burgemeester en wethouders van
                                Vlissingen; </al><al>j. bevoegd gezag: bestuursorgaan als bedoeld in artikel 1.1, eerste
                                lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.
                                </al><al/><al><onderstreept>Artikel 1:2
                                Beslistermijn</onderstreept></al><al>1. Het bevoegde bestuursorgaan beslist op een aanvraag voor een
                                vergunning of ontheffing binnen acht weken na de datum van ontvangst
                                van de aanvraag.</al><al>2. Het bevoegde bestuursorgaan kan zijn beslissing voor ten hoogste
                                acht weken verdagen.</al><al>3. Het verdagingsbesluit voldoet aan artikel 31 van de
                                Dienstenwet.</al><al>4. De ontvangstbevestiging voldoet aan artikel 29 van de
                                Dienstenwet.</al><al>5. In afwijking van het tweede lid is artikel 3.9 van de Wet
                                algemene bepalingen omgevingsrecht van toepassing indien beslist
                                wordt op een aanvraag om een ontheffing als bedoeld in artikel 2:5,
                                derde lid, of een vergunning als bedoeld in artikel 2:6, eerste lid
                                of artikel 4:11.</al><al>6. Het bepaalde in het eerste en het tweede lid geldt niet voor de
                                beslissing op een aanvraag om vergunning als bedoeld in artikel 3:4,
                                eerste lid. </al><al/><al><onderstreept>Artikel 1:3 Te late indiening
                                aanvraag</onderstreept></al><al>1. Indien een aanvraag voor een vergunning of ontheffing wordt
                                ingediend minder dan drie weken vóór het tijdstip waarop de
                                aanvrager de vergunning of ontheffing nodig heeft, kan het
                                bestuursorgaan besluiten de aanvraag niet te behandelen.</al><al>2. Voor bepaalde, door het bevoegde bestuursorgaan aan te wijzen,
                                vergunningen of ontheffingen kan de in het eerste lid genoemde
                                termijn worden verlengd tot ten hoogste acht weken.
                                </al><al/><al><onderstreept>Artikel 1:4 Voorschriften en
                                    beperkingen</onderstreept></al><al>1. Aan een vergunning of ontheffing kunnen voorschriften en
                                beperkingen worden verbonden. Deze voorschriften en beperkingen
                                strekken slechts tot bescherming van het belang of de belangen in
                                verband waarmee de vergunning of ontheffing is vereist.</al><al>2. Degene aan wie een vergunning of ontheffing is verleend, is
                                verplicht de daaraan verbonden voorschriften en beperkingen na te
                                komen. </al><al/><al><onderstreept>Artikel 1:5 Persoonlijk karakter van vergunning of
                                    ontheffing</onderstreept></al><al>De vergunning of ontheffing is persoonsgebonden tenzij bij of
                                krachtens deze verordening anders is bepaald. </al><al/><al><onderstreept>Artikel 1:6 Intrekking of wijziging van vergunning of
                                    ontheffing</onderstreept></al><al>De vergunning of ontheffing kan worden ingetrokken of
                                gewijzigd:</al><al>a. indien ter verkrijging daarvan onjuiste of onvolledige gegevens
                                zijn verstrekt</al><al>b. indien op grond van een verandering van de omstandigheden of
                                inzichten opgetreden na het verlenen van de ontheffing of
                                vergunning, intrekking of wijziging noodzakelijk is vanwege het
                                belang of de belangen ter bescherming waarvan de vergunning of
                                ontheffing is vereist;</al><al>c. indien de aan de vergunning of ontheffing verbonden voorschriften
                                en beperkingen niet zijn of worden nagekomen;</al><al>d. indien van de vergunning of ontheffing geen gebruik wordt gemaakt
                                binnen een daarin gestelde termijn dan wel, bij het ontbreken van
                                een gestelde termijn, binnen een redelijke termijn;</al><al>e. indien de houder of zijn rechtverkrijgende dit verzoekt.
                                </al><al/><al><onderstreept>Artikel 1:6a Vervallen van vergunning of
                                    ontheffing</onderstreept></al><al>Een vergunning of ontheffing vervalt wanneer: </al><al>a. sedert haar verlening onherroepelijk is geworden, zes maanden
                                zijn verlopen, zonder dat handelingen zijn verricht met
                                gebruikmaking van de vergunning of ontheffing;</al><al>b. gedurende een jaar anders dan wegens overmacht geen handelingen
                                zijn verricht met gebruikmaking van de vergunning of
                                ontheffing;</al><al>c. de verlening van een vergunning of ontheffing, strekkende tot
                                vervanging van eerstbedoelde vergunning of ontheffing, van kracht is
                                geworden. </al><al/><al><onderstreept>Artikel 1:7
                                    </onderstreept><onderstreept>Vergunningsduur</onderstreept></al><al>De vergunning of ontheffing geldt voor onbepaalde tijd, tenzij bij
                                de vergunning of ontheffing anders is bepaald of de aard van de
                                vergunning of ontheffing zich daartegen verzet. </al><al/><al><onderstreept>Artikel 1:7a Meldingen</onderstreept></al><al>Indien op grond van deze verordening een melding is vereist maakt
                                het bevoegde bestuursorgaan bekend op welk tijdstip en in welke vorm
                                een dergelijke melding moet plaatsvinden. </al><al/><al><onderstreept>Artikel 1:8 Weigeringsgronden</onderstreept></al><al>De vergunning of ontheffing kan door het bevoegd gezag of het
                                bevoegde bestuursorgaan worden geweigerd in het belang van: </al><al>a. de openbare orde;</al><al>b. de openbare veiligheid;</al><al>c. de volksgezondheid;</al><al>d. de bescherming van het milieu. </al><al/><al><onderstreept>Artikel 1:9</onderstreept></al><al><cursief>Gereserveerd.</cursief></al><al/><al><onderstreept>Artikel 1:10</onderstreept></al><al><cursief>Gereserveerd</cursief></al><al/><al><onderstreept><vet>Afdeling 2.
                                        Coördinatiebepalingen</vet></onderstreept></al><al/><al><onderstreept>Artikel 1:11 Gecoördineerde behandeling van
                                    aanvragen</onderstreept></al><al>1. Het bevoegde bestuursorgaan kan ambtshalve of op verzoek van de
                                aanvrager besluiten tot een gecoördineerde behandeling van aanvragen
                                van alle door hem of door een ander gemeentelijk bestuursorgaan te
                                nemen besluiten waarvan het bestuursorgaan redelijkerwijs kan
                                aannemen dat deze nodig zijn voor de door de aanvrager te verrichten
                                activiteit.</al><al>2. Ambtshalve gecoördineerde behandeling blijft achterwege in het
                                geval dat de aanvrager een dergelijke behandeling niet wenst.
                                </al><al/><al><onderstreept>Artikel 1:12 De aanvraag</onderstreept></al><al>1. Bij een gecoördineerde behandeling van aanvragen worden de
                                aanvragen zoveel mogelijk gelijktijdig ingediend, met dien verstande
                                dat de laatste aanvraag niet later wordt ingediend dan vier weken na
                                de ontvangst van de eerste aanvraag.</al><al>2. Bij gecoördineerde behandeling wordt gebruik gemaakt van het
                                aanvraagformulier gecoördineerde ebhandeling.</al><al>3. Indien de ontbrekende aanvraag niet binnen de in het eerste lid
                                genoemde termijn is ingediend, kan het bestuursorgaan de aanvrager
                                in de gelegenheid stellen de ontbrekende aanvraag alsnog binnen een
                                door hem et bepalen termijn in te dienen.</al><al>4. De in deze afdeling geregelde procedure wordt buiten toepassing
                                gelaten, indien de ontbrekende aanvraag niet tijdig is gedaan. In
                                dat geval wordt voor de toepassing van krachtens wettelijk
                                voorschrift geregelde termijnen het tijdstip waarop tot het buiten
                                toepassing laten wordt beslist, gelijkgesteld met het tijdstip van
                                ontvangst van alle betrokken aanvragen. </al><al>5. Onverminderd het eerste, tweede en derde lid, begint bij de
                                toepassing van deze afdeling de termijn voor het nemen van besluiten
                                met ingang van de dag waarop de laatste aanvraag is ontvangen.
                                </al><al/><al><onderstreept>Artikel 1:13 Beslistermijn bij
                                    coördinatie</onderstreept></al><al>Bij de toepassing van deze afdeling geldt in afwijking van artikel
                                1:2 als termijn binnen welke de besluiten worden genomen, de termijn
                                voor het besluit met de langste beslistermijn. </al><al/><al><onderstreept>Artikel 1:14 Gelijktijdige verzending
                                    beslissing</onderstreept></al><al>1. Bij gecoördineerde behandeling zendt het bevoegde bestuursorgaan
                                de beslissing op de aanvragen gelijktijdig aan de aanvrager.</al><al>2. Indien sprake is van besluiten van zowel college als
                                burgemeester, draagt het laatst beslissende bestuursorgaan zorg voor
                                de verzending en bekendmaking. </al></structuurtekst></afdeling></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2. </nr><titel>OPENBARE ORDE</titel></kop><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>1.</nr><titel>Bestrijding van ongeregeldheden</titel></kop><structuurtekst><al><onderstreept>Artikel 2:1 Samenscholing en
                                    ongeregeldheden</onderstreept></al><al>1. Het is verboden op een openbare plaats deel te nemen aan een
                                samenscholing, onnodig op te dringen of door uitdagend gedrag
                                aanleiding te geven tot ongeregeldheden.</al><al>2. Hij die op een openbare plaats aanwezig is bij een voorval
                                waardoor ongeregeldheden ontstaan of dreigen te ontstaan, of bij een
                                tot toeloop van publiek aanleiding gevende gebeurtenis waardoor
                                ongeregeldheden ontstaan of dreigen te ontstaan, dan wel zich
                                bevindt in of aanwezig is bij een samenscholing, is verplicht op
                                bevel van een ambtenaar van politie zijn weg te vervolgen of zich in
                                de door hem aangewezen richting te verwijderen.</al><al>3. Het is verboden zich te begeven of te bevinden op openbare
                                plaatsen die door of vanwege het bevoegde bestuursorgaan in het
                                belang van de openbare veiligheid of ter voorkoming van
                                ongeregeldheden zijn afgezet.</al><al>4. De burgemeester kan ontheffing verlenen van het in het derde lid
                                gestelde verbod.</al><al>5. Het bepaalde in het eerste, tweede en derde lid geldt niet voor
                                betogingen, vergaderingen en godsdienstige en levensbeschouwelijke
                                samenkomsten als bedoeld in de Wet openbare manifestaties.</al><al>6. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet
                                bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig
                                beslissen) niet van toepassing. </al><al/><al><onderstreept>Artikel 2:2 </onderstreept><onderstreept>
                                    Verzamelingsverbod en gebiedsontzegging </onderstreept></al><al>1. Onverminderd het bepaalde in artikel 2:1 kan de burgemeester
                                wegen aanwijzen waar het verboden is deel te nemen aan een
                                verzameling van drie of meer personen, waarvan redelijkerwijs kan
                                worden aangenomen dat die verzameling verband houdt met heling of
                                het gebruik van of handel in middelen als bedoeld in de artikelen 2
                                en 3 van de Opium­wet, of daarop gelijkende waar. </al><al>2. De aanwijzing van wegen wordt gegeven voor ten hoogste zes
                                maanden, welke termijn iedere keer kan worden verlengd voor een
                                periode van zes maanden. </al><al>3. Degene die zich bevindt in een verzameling is verplicht op een
                                daartoe door of namens de burgemeester gegeven bevel direct zijn weg
                                te vervolgen of zich in de door of namens de burgemeester aangewezen
                                richting te verwijderen. </al><al>4. Een ieder is verplicht op een daartoe door of namens de
                                burgemeester gegeven bevel in het belang van de openbare orde, zich
                                te verwijderen en zich verwijderd te houden uit een door hem
                                aangewezen gebied, gedurende de tijd in het bevel genoemd. </al><al/><al>Afdeling 2. Betoging </al><al/><al><onderstreept>Artikel 2:3 Melding betogingen op openbare
                                    plaatsen</onderstreept></al><al>1. Hij die het voornemen heeft op een openbare plaats een betoging
                                te houden, meldt dat schriftelijk voor de openbare aankondiging en
                                ten minste 48 uur voordat de betoging wordt gehouden aan de
                                burgemeester.</al><al>2. De melding bevat:</al><al>a. naam en adres van degene die de betoging houdt;</al><al>b. het doel van de betoging;</al><al>c. de datum waarop de betoging wordt gehouden en het tijdstip van
                                aanvang en van beëindiging;</al><al>d. de plaats en, voor zover van toepassing, de route en de plaats
                                van beëindiging;</al><al>e. voor zover van toepassing, de wijze van samenstelling;</al><al>f. maatregelen die degene die de betoging houdt zal treffen om een
                                regelmatig verloop te bevorderen.</al><al>3. Hij die de melding doet, ontvangt daarvan een bewijs waarin het
                                tijdstip van de melding is vermeld.</al><al>4. Indien het tijdstip van de schriftelijke melding valt op een
                                vrijdag na 12.00 uur, een zaterdag, een zondag of een algemeen
                                erkende feestdag, wordt de melding gedaan uiterlijk 12.00 uur op de
                                aan de dag van dat tijdstip voorafgaande werkdag.</al><al>5. De burgemeester kan in bijzondere omstandigheden de in het eerste
                                lid genoemde termijn verkorten en een mondelinge melding in
                                behandeling nemen. </al><al/><al>Afdeling 3. Vertoning e.d. op de weg </al><al/><al><onderstreept>Artikel 2:4 Straatartiest</onderstreept><onderstreept>
                                    e.d.</onderstreept></al><al>1. Het is verboden ten behoeve van publiek als straatartiest,
                                straatfotograaf, tekenaar, filmoperateur, muzikant of gids op te
                                treden op de volgende door de burgemeester in het belang van de
                                openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid en het
                                milieu aangewezen openbare plaatsen: Aagje Deken­straat zuidzijde
                                vanaf de ingang van de parkeerga­rage (hoek Scheldestraat) tot het
                                Scheldeplein, Hellingbaan, Betje Wolfplein, Scheldeplein, passage
                                door het ABC-winkelcomplex, Coosje Bus­kenstraat zuidzijde tussen
                                Scheldeplein en Spuistraat, Spuistraat, Wal­straat,
                                Scherminkelstraat, Bussestraat, Lange Zelke, Korte Zelke,
                                Schutterijstraat, Sint Jacobss­traat, Branderijstraat, Lepel­straat,
                                de Oude Markt, Kleine Markt, Vrouwestraat, Groenewoud, Plein
                                Vierwinden, Kerkstraat, Nieuwstraat, Bellamypark, Nieuwendijk,
                                Zeemanserve, Beursplein, Smallekade, Beursstraat, Brugstraat, Sint
                                Sebastiaanstraat, Nieuwendijk en Zeilmarkt.</al><al>2. De burgemeester kan nadere regels stellen inzake het in het
                                eerste lid gestelde verbod.</al><al>3. De burgemeester kan ontheffing verlenen van het verbod.</al><al>4. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet
                                bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig
                                beslissen) van toepassing.</al><al/><al>Afdeling 4. Bruikbaarheid en aanzien van een openbare plaats
                                    </al><al/><al><onderstreept>Artikel 2:5 Het plaatsen van voorwerpen op, aan of
                                    boven een openbare plaats in strijd met de publieke functie
                                    ervan</onderstreept></al><al>1. Het is verboden een openbare plaats anders te gebruiken dan
                                overeenkomstig de publieke functie daarvan als:</al><al>a. het beoogde gebruik schade toebrengt aan de weg, gevaar oplevert
                                voor de bruikbaarheid van de weg of voor doelmatig en veilig gebruik
                                daarvan, dan wel een belemmering kan vormen voor het doelmatig
                                beheer en onderhoud van de weg;</al><al>b. het beoogde gebruik hetzij op zichzelf, hetzij in verband met de
                                omgeving niet voldoet aan redelijke eisen van welstand;</al><al>c. in het belang van de voorkoming of beperking van overlast voor
                                gebruikers van een in de nabijheid gelegen onroerende zaak;</al><al>d. indien het beoogd gebruik afbreuk doet aan het doelmatig gebruik
                                van de groenstrook als geheel.</al><al>e. Het bevoegde bestuursorgaan kan in het belang van de openbare
                                orde of de woon- en leefomgeving nadere regels stellen ten aanzien
                                van. </al><al>2. Het verbod geldt niet voor:</al><al>a. vlaggen, wimpels of vlaggenstokken indien deze geen gevaar of
                                hinder kunnen opleveren voor personen of goederen en niet voor
                                commerciële doeleinden worden gebruikt;</al><al>b. zonneschermen, mits ze zijn aangebracht boven het voor
                                voetgangers bestemde gedeelten van de weg en mits; - geen onderdeel
                                zich minder dan 2,2 meter boven dat gedeelte bevindt; en – geen
                                onderdeel van het scherm, in welke stand dat ook staat, zich op
                                minder dan 0,5 meter van het voor het rijverkeer bestemde gedeelte
                                van de weg bevindt; - geen onderdeel verder dan 1,5 meter buiten de
                                opgaande gevel reikt;</al><al>c. de voorwerpen of stoffen, die noodzakelijkerwijze kortstondig op
                                de openbare plaats gebracht worden in verband met laden en lossen
                                ervan, mits degene die de werkzaamheden verricht of doet verrichten
                                ervoor zorgt, dat onmiddellijk na het beëindigen daarvan, in elk
                                geval voor zonsondergang, de voorwerpen of stoffen van de openbare
                                plaats verwijderd zijn en de openbare plaats daarvan gereinigd
                                is;</al><al>d. voertuigen, met uitzondering van bouwkranen, mobiele bouwliften
                                en kraanwagens;</al><al>e. voorwerpen of stoffen waarop gedachten en gevoelens als bedoeld
                                in artikel 7 van de Grondwet worden geopenbaard;</al><al>f. evenementen als bedoeld in artikel 2:16 van deze
                                verordening;</al><al>g. terrassen als bedoeld in artikel 2:23 van deze verordening;</al><al>h. standplaatsen als bedoeld in artikel 5:16 van deze
                                verordening.</al><al>3. Het is verboden op, over of boven een openbare plaats voorwerpen
                                of stoffen waarop gedachten of gevoelens worden geopenbaard te
                                plaatsen, aan te brengen of te hebben, indien deze door hun omvang
                                of vormgeving, constructie of plaats van bevestiging schade
                                toebrengen aan de openbare plaats of voor het doelmatig gebruik
                                daarvan, dan wel een belemmering vormen voor het doelmatig beheer en
                                onderhoud van de openbare plaats.</al><al>4. Het bevoegd bestuursorgaan kan ontheffing verlenen van het in het
                                eerste en tweede lid gestelde verbod. Aan de ontheffing kan het
                                bevoegd bestuursorgaan voorschriften verbinden, die betrekking
                                hebben op: de oppervlakte en de omvang, de constructie en de
                                situering. </al><al>5. </al><al>a. Het verbod in het eerste lid van dit artikel geldt niet voor
                                zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet
                                beheer rijkswaterstaatswerken, artikel 5 van de Wegenverkeerswet
                                1994 of de Wegenverordening Zeeland 2010; </al><al>b. de weigeringsgrond van het eerste lid, onder b, geldt niet voor
                                bouwwerken;</al><al>c.de weigeringsgrond van het eerste lid, onder c geldt niet voor
                                zover in het geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet
                                milieubeheer.</al><al>6. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet
                                bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig
                                beslissen) niet van toepassing. </al><al/><al><onderstreept>Artikel 2:6
                                    </onderstreept><onderstreept>(Omgevings)vergunning voor het
                                    aanleggen, beschadigen en veranderen van een
                                weg.</onderstreept></al><al>1. Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning van het
                                bevoegde gezag een weg aan te leggen, de verharding daarvan op te
                                breken, in een weg te graven of te spitten, aard of breedte van de
                                wegverharding te veranderen of anderszins verandering te brengen in
                                de wijze van aanleg van een weg. </al><al>2. De vergunning wordt verleend: </al><al>a. als omgevingsvergunning door het bevoegd gezag, indien de
                                activiteiten zijn verboden bij een bestemmingsplan,
                                beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit; </al><al> b. door het college in de overige gevallen. </al><al>3. Het verbod geldt voorts niet voor zover in het daarin geregelde
                                onderwerp wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, de Wet
                                beheer rijkswaterstaatswerken, de Wegenverordening Zeeland 2010, de
                                Keur waterschap Scheldestromen 2009, de Telecommunicatiewet of de
                                Telecommunicatieverordening gemeente Vlissingen 2008.</al><al>4. Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet
                                bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig
                                beslissen) van toepassing. </al><al/><al><onderstreept>Artikel 2:7 Maken en veranderen van een
                                    uitweg</onderstreept></al><al>1. Het is verboden een uitweg te maken naar de weg of
                                verandering te brengen in een bestaande uitweg naar de weg:</al><al>a. indien degene die voornemens is een uitweg te maken naar de weg
                                of verandering te brengen in een bestaande uitweg naar de weg
                                daarvan niet van tevoren melding heeft gedaan aan het college, onder
                                indiening van een situatieschets van de gewenste uitweg en een foto
                                van de bestaande situatie;</al><al>b. indien het college het maken of veranderen van de uitweg heeft
                                verboden.</al><al>2. Het college verbiedt het maken of veranderen van de uitweg:</al><al>a. indien daardoor het verkeer op de weg in gevaar wordt
                                gebracht;</al><al>b. indien dat zonder noodzaak ten koste gaat van een openbare
                                parkeerplaats;</al><al>c. indien het openbaar groen daardoor op onaanvaardbare wijze wordt
                                aangetast;</al><al>d. indien er sprake is van een uitweg van een perceel dat al door
                                een andere uitweg wordt ontsloten, en de aanleg van deze tweede
                                uitweg ten koste gaat van een openbare parkeerplaats of het openbaar
                                groen.</al><al>3. De uitweg kan worden aangelegd indien het college niet binnen
                                vier weken na ontvangst van de melding heeft beslist dat de gewenste
                                uitweg wordt verboden.</al><al>4. Het verbod in het eerste lid geldt niet voor zover in het daarin
                                geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet beheer
                                rijkswaterstaatswerken, de Keur waterschap Scheldestromen 2009 of de
                                Wegenverordening Zeeland 2010. </al><al/><al>Afdeling 5. Veiligheid op de weg </al><al/><al><onderstreept>Artikel 2:8</onderstreept><onderstreept> Voorwerpen
                                    die als wapen kunnen worden
                                gebruikt</onderstreept></al><al>1. Het is verboden op door het college aangewezen wegen en daaraan
                                gelegen voor het publiek toegankelijke gebouwen en terreinen messen,
                                knuppels, slagwapens of andere voorwerpen die als wapen kunnen
                                worden gebruikt, openlijk bij zich te dragen.</al><al>2. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor wapens die
                                behorend tot categorie I, II, III en IV van de Wet wapens en munitie
                                en voor zover door het bij zich dragen van de voorwerpen, bedoeld in
                                het eerste lid, de openbare orde of veiligheid niet in gevaar komt
                                of kan komen. </al><al/><al><onderstreept>Artikel 2:9
                                Winkelwagentjes</onderstreept></al><al>1. De rechthebbende op een bedrijf die winkelwagentjes ter
                                beschikking stelt, mede ten behoeve van het vervoer van winkelwaren
                                over de weg, is verplicht ze te voorzien van de naam van het bedrijf
                                of een ander herkenningsteken en de in de omgeving van dat bedrijf
                                door het publiek op een openbare plaats achtergelaten
                                winkelwagentjes terstond te verwijderen of te doen verwijderen.</al><al>2. Het is verboden zich met een winkelwagentje op de weg te bevinden
                                buiten de onmiddellijke omgeving van het bedrijf als bedoeld in het
                                eerste lid of, indien het bedrijf gelegen is in een winkelcentrum,
                                buiten de onmiddellijke omgeving van dat winkelcentrum. Als
                                onmiddellijke omgeving van het bedrijf of winkelcentrum wordt
                                aangemerkt de weg of het weggedeelte, grenzende aan dat bedrijf of
                                dat winkelcomplex en tevens een aan die weg of dat weggedeelte
                                aansluitende parkeerplaats.</al><al>3. Het is verboden een winkelwagentje dat is gebruikt op de weg,
                                onbeheerd daarop achter te laten anders dan op een daartoe
                                aangewezen plaats. </al><al>4. Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover in het
                                daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet milieubeheer. </al><al/><al><onderstreept>Artikel 2:10 Verbod rijden met skateboards e.d.
                                </onderstreept></al><al>1. Het is verboden te rijden met skateboards, skeelers,
                                rollerskates, in-lineskates en dergelijke:</al><al>a. in de volgende straten en de daarbij behorende passages: Aagje
                                Deken­straat zuidzijde vanaf de ingang van de parkeerga­rage (hoek
                                Scheldestraat) tot het Scheldeplein, Scheldeplein, passage door het
                                ABC-winkelcomplex, Coosje Bus­kenstraat zuidzijde tussen
                                Scheldeplein en Spuistraat, Wal­straat, Lange Zelke, Sint
                                Jacobss­traat, Lepel­straat voor zover het voetgangersge­bied
                                betreft, voetgangersge­deelten van de Oude Markt, Kleine Markt en
                                Sint Seb­astiaanstraat;</al><al>b. in de volgende straten voor zover het voetgangersgedeelten
                                betreft: Nieuwendijk, De Ruijterplein, Beursplein, oostzijde
                                Koopmanshaven, oprit Boulevard de Ruijter, Keizers­bolwerk,
                                middengedeelte Bellamypark gele­gen zuidelijk van de
                                Brug­straat;</al><al>c. op de trottoirs aan de zeezijde van de Boulevard de Ruijter, in
                                de periode van 15 april tot en met 15 september;</al><al>d. op andere door het college aan te geven plaat­sen.</al><al>2. Voor de toepassing van het eerste lid wordt verstaan onder: </al><al> a. skateboard: schaats­plank op twee paar achter elkaar staande
                                wiel­tjes. </al><al> b. in-lineskate: rolschaats met vier wieltjes achter elkaar; </al><al> c. skeeler: rolschaats met drie of vijf wieltjes achter elkaar;
                                </al><al/><al><onderstreept>Artikel 2:11 Openen straatkolken, rioolputten,
                                    brandkranen e.d.</onderstreept> Het is aan degene
                                die daartoe niet bevoegd is verboden een straatkolk, rioolput,
                                brandkraan of een andere afsluiting die behoort tot een openbare
                                nutsvoorziening, te openen, onzichtbaar te maken of af te dekken.
                                </al><al/><al><onderstreept>Artikel 2:12 Rookverbod in bossen en
                                    natuurterreinen</onderstreept></al><al>1. Het is verboden te roken in bossen en duingebieden of binnen een
                                afstand van dertig meter daarvan gedurende een door het college
                                aangewezen periode.</al><al>2. Het is verboden in bossen en in duingebieden of binnen een
                                afstand van honderd meter daarvan, voor zover het de open lucht
                                betreft, brandende of smeulende voorwerpen te laten vallen, weg te
                                werpen of te laten liggen.</al><al>3. Het in het eerste en tweede lid gestelde verbod geldt niet voor
                                zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel
                                429, aanhef en onder 3, van het Wetboek van Strafrecht of de
                                Tabakswet.</al><al>4. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt voorts niet voor
                                zover het roken plaatsvindt in gebouwen en aangrenzende erven.
                                </al><al/><al><onderstreept>Artikel 2:13 </onderstreept><onderstreept>
                                    Verontreiniging door
                                trekdieren</onderstreept></al><al>1. De eigenaar of houder van een aangespannen trekdier is verplicht
                                ervoor te zorgen dat dit dier geen uitwerpselen achterlaat: </al><al>a. op de weg binnen de bebouwde kom; </al><al>b. buiten de bebouwde kom op een gedeelte van de weg dat is bestemd
                                of mede is bestemd voor het verkeer van voetgangers en/of fietsers; </al><al>c. op toegangswegen naar het strand en andere niet onder a en b
                                genoemde wegen of gedeelten daarvan. </al><al>2. Ter voorkoming van vervuiling van de weg door uitwerpselen moeten
                                mestzakken worden bevestigd, op zodanige wijze dat geen uitwerpselen
                                op de weg vallen. </al><al/><al><onderstreept>Artikel 2:14 Verontreiniging door rijdieren
                                </onderstreept></al><al>1. De eigenaar of houder van een rijdier is verplicht ervoor te
                                zorgen dat dit dier geen uitwerpselen achterlaat: </al><al>a. op de weg binnen de bebouwde kom; </al><al>b. buiten de bebouwde kom op een gedeelte van de weg dat is bestemd
                                of mede is bestemd voor het verkeer van voetgangers en/of fietsers; </al><al>c. op toegangswegen naar het strand en andere niet onder a en b
                                genoemde wegen of gedeelten daarvan; </al><al>2. De strafbaarheid wegens overtreding van het in het eerste lid
                                gestelde gebod wordt opgeheven, indien de eigenaar of houder van het
                                rijdier er zorg voor draagt dat de uitwerpselen onmiddellijk worden
                                verwijderd. </al><al/><al><onderstreept>Artikel 2:15 Voorzieningen voor verkeer en
                                    verlichting</onderstreept></al><al>1. De rechthebbende op een bouwwerk is verplicht toe te laten dat op
                                of aan dat bouwwerk voorwerpen, borden of voorzieningen ten behoeve
                                van het verkeer of de openbare verlichting worden aangebracht,
                                onderhouden, gewijzigd of verwijderd.</al><al>2. Het bepaalde geldt niet voor zover in het daarin geregelde
                                onderwerp wordt voorzien door de Waterstaatswet 1900, de
                                Onteigeningswet of de Belemmeringenwet
                                    Privaatrecht.</al><al/><al><onderstreept>Artikel 2:15a Overhangend groen</onderstreept></al><al>Het is verboden beplanting of een voorwerp aan te
                                brengen of te hebben op een zodanig wijze dat aan het wegverkeer het
                                vrije uitzicht wordt belemmerd of daarvoor op andere wijze hinder of
                                gevaar oplevert. </al><al/><al><vet>Afdeling 6. Evenementen</vet></al><al/><al><onderstreept>Artikel 2:16
                                    </onderstreept><onderstreept>Evenementenvergunning</onderstreept></al><al>1. In dit artikel wordt verstaan onder: </al><al>a. Evenement: het geheel van activiteiten dat plaatsvindt bij een
                                voor het publiek toegankelijke gebeurtenis op of aan de weg of het
                                openbaar water, met uitzondering van:</al><al> - een manifestatie in de zin van de Wet openbare
                                manifestaties;</al><al>- markten als bedoeld in artikel 160 van de Gemeentewet;</al><al>- betogingen, vergaderingen en samenkomsten als bedoeld in de Wet
                                openbare manifestaties en</al><al>- activiteiten in gebouwen. </al><al>b. Evenemententerrein: de ruimte die in de vergunning als bedoeld in
                                het tweede lid is aangegeven om de activiteiten te laten
                                plaatsvinden en het publiek in staat te stellen daar naar te kijken
                                of eraan deel te nemen. </al><al>2. Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een
                                evenement te houden of te doen houden. </al><al>3. De burgemeester beoordeelt een aanvraag om vergunning op grond
                                van de openbare orde en veiligheid, voorkomen of beperken van
                                overlast, verkeersveiligheid van personen en zedelijkheid en
                                gezondheid. </al><al>4. De burgemeester kan bij de beoordeling van een aanvraag om
                                vergunning de volgende belangen in aanmerking nemen: </al><al>a. de mate waarin door het evenement beslag wordt gelegd op de
                                ruimte, de tijd en de hulpdiensten; </al><al>b. het aantal bezoekers dat wordt verwacht; </al><al>c. het, in het Evenementenuitvoeringsbeleid, vastgestelde maximale
                                aantal evenementen per categorie en per locatie; </al><al>d. of de aard van het evenement zich verdraagt met het karakter of
                                de bestemming van de gevraagde locatie; </al><al>e. of gevaar bestaat voor de openbare orde, gezondheid of
                                veiligheid, waaronder de brandveiligheid en het belang van het
                                voorkomen van wanordelijkheden; </al><al>f. of gevaar bestaat voor belemmeringen van het verkeer; </al><al>g. of gevaar bestaat voor een onevenredige belasting van het woon-
                                of leefklimaat in de omgeving van het evenement;</al><al>h. of gevaar bestaat voor verontreiniging, aantasting van het
                                uiterlijk aanzien van de stad, beschadiging van de openbare
                                groenvoorzieningen of van voorzieningen voor het openbaar nut;</al><al> i. of de organisator voldoende waarborgen biedt of kan bieden voor
                                een goed en ordelijk verloop van het evenement, gelet op de eerder
                                vermelde belangen; </al><al>j. of de organisator voldoende waarborgen biedt om de schade aan het
                                milieu te voorkomen dan wel zoveel mogelijk te beperken. </al><al>k. of de organisator voldoende waarborgen biedt inzake de
                                verzekering van verkeersregelaars. </al><al>5. De burgemeester kan aan de vergunning voorschriften en
                                beperkingen verbinden met het oog op de in het vierde lid bedoelde
                                belangen en hij kan ter verzekering van de nakoming van deze
                                voorschriften in de vergunning bepalen dat een borgsom moet worden
                                verstrekt voordat het evenement wordt gehouden. </al><al> 6. De burgemeester kan vrijstelling verlenen voor de door hem aan
                                te wijzen categorieën evenementen. </al><al>7. Voor het op het evenemententerrein verrichten van activiteiten,
                                die op grond van deze of een andere gemeentelijke verordening
                                vergunningplichtig zijn, heeft de houder van de vergunning voor het
                                evenement geen afzonderlijke vergunning nodig, mits die activiteiten
                                zijn vermeld in de vergunning als bedoeld in het tweede lid. </al><al>8. Het is aan anderen dan de vergunninghouder verboden op het
                                evenemententerrein activiteiten te verrichten, waarvoor bij of
                                krachtens enige gemeentelijke verordening vergunning is vereist en
                                welke activiteiten zijn vermeld in de vergunning als bedoeld in het
                                tweede lid, tenzij die anderen met de houder van de vergunning een
                                overeenkomst hebben gesloten en zij zich jegens de vergunninghouder
                                hebben verbonden de voorschriften en beperkingen, die aan de
                                vergunning zijn verbonden, in acht te nemen. </al><al>9. Indien derden met de vergunninghouder een overeenkomst hebben
                                gesloten als bedoeld in het zesde lid, is het bepaalde in het vijfde
                                lid op hen van overeenkomstige toepassing. </al><al>10. Het bepaalde in het zesde lid geldt niet voor activiteiten die
                                reeds krachtens een voor onbepaalde tijd dan wel voor een periode
                                langer dan drie maanden verleende vergunning voor aan een specifieke
                                plaats gebonden handelingen op het evenemententerrein plaatsvinden. </al><al>11. </al><al>a. Het bepaalde in dit artikel staat er niet aan in de weg dat, wat
                                het evenemententerrein betreft, voor het in gebruik nemen van
                                openbare gemeentegrond of openbaar gemeentewater met de gemeente
                                Vlissingen een overeenkomst kan worden gesloten die bedingen bevat
                                die mede de belangen betreffen als bedoeld in het derde lid. </al><al>b. Voor de onder a bedoelde de privaatrechtelijke weg kan alleen
                                worden gekozen indien deze niet de publiekrechtelijke regeling op
                                onaanvaardbare wijze doorkruist. </al><al>12. De vergunninghouder die een evenement organiseert of degene die
                                er de feitelijke leiding bij heeft is, indien de burgemeester een
                                bevel geeft met het oog op het waarborgen van de in het derde lid
                                bedoelde belangen, verplicht daaraan direct gevolg te geven en,
                                indien nodig, het evenement onmiddellijk te beëindigen, waarbij hij
                                verplicht is ervoor zorg te dragen dat geen publiek meer wordt
                                toegelaten. </al><al> 13. Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet
                                bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig
                                beslissen) niet van toepassing. </al><al/><al><onderstreept>Artikel 2:17 Evenementen in
                                gebouwen</onderstreept></al><al>1. Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester in of in
                                een gedeelte van een gebouw of van een vaartuig een voor het publiek
                                toegankelijke gebeurtenis te houden of te doen houden, of voor dat
                                doel een gebouw of vaartuig of gedeelte daarvan te gebruiken. </al><al>2. Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op: </al><al> a. manifestaties in de zin van de Wet openbare manifestaties; </al><al> b. markten als bedoeld in artikel 160 van de Gemeentewet; </al><al> c. evenementen in gebouwen waarvoor een gebruiksvergunning als
                                bedoeld in de Bouwverordening van kracht is en sprake is van
                                reguliere activiteiten die volledig binnen de begrenzing van één
                                inrichting in de zin van de Wet milieubeheer vallen. </al><al>d. De burgemeester kan categorieën van voor het publiek
                                toegankelijke gebeurtenissen aanwijzen, waarop het in het eerste lid
                                bedoelde verbod niet van toepassing is. De burgemeester kan bij deze
                                aanwijzing nadere eisen stellen. </al><al>3. De burgemeester kan de in het eerste lid bedoeld vergunning
                                weigeren op grond van een belang als bedoeld in artikel 2:16, derde
                                en vierde lid. </al><al>4. Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet
                                bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig
                                beslissen) niet van toepassing. </al><al/><al><onderstreept>Artikel 2:18
                                    Ordeverstoring</onderstreept><onderstreept> bij
                                    evenementen</onderstreept></al><al>1. Het is verboden bij evenementen onnodig op te dringen, door
                                uitdagend gedrag aanleiding te geven tot wanordelijkheden of
                                wanordelijkheden te veroorzaken.</al><al>2. Het is verboden bij evenementen messen, knuppels, slagwapens of
                                andere voorwerpen die als wapen kunnen worden gebruikt, op een
                                zodanige wijze mee te voeren dat de openbare orde of veiligheid in
                                gevaar komt of kan komen.</al><al>3. Het is verboden bij door de burgemeester aangewezen evenementen
                                blikjes, glaswerk, glazen flessen en hardplastic flessen aanwezig te
                                hebben, te verkopen, te verstrekken of te
                                vervoeren.</al><al>4. Een ieder is verplicht, bij evenementen, alle aanwijzingen van
                                een toezichthouder in het belang van openbare orde of veiligheid
                                terstond en stipt op te volgen.</al><al/><al><vet>Afdeling 7. Kermissen</vet></al><al/><al><onderstreept>Artikel 2:19 Kermissen, aantal, locaties en periodes
                                </onderstreept></al><al>In de gemeente Vlissingen bestaan drie kermissen:</al><al>1. De kermis die jaarlijks wordt gehouden in binnenstad van
                                Vlissin­gen, vanaf de vrijdag vooraf­gaande aan de derde maan­dag in
                                juli, tot en met de zondag daar­aanvolgend. </al><al>2. De Pinksterkermis die jaarlijks wordt gehouden in Oost-Souburg,
                                vanaf de vrijdag voor Pink­steren tot en met derde Pink­sterdag, op
                                een door het college te bepalen plaats. </al><al>3. De overdekte kermis in het gebouw De Carrousel van het
                                ver­maakscen­trum Het Arsenaal. De duur van deze kermis is het
                                gehele jaar door. </al><al/><al><onderstreept>Artikel 2:20 Kermis binnenstad
                                    Vlissingen</onderstreept></al><al>1. De in artikel 2:19, eerste lid, genoemde kermis is een algemene
                                ker­mis.</al><al>2. Het college stelt voorschriften vast omtrent de tij­den dat de
                                kermis voor het publiek is geopend en ter voorko­ming van
                                geluids­overlast. Het college bepaalt het aantal, de locatie en het
                                soort at­tracties.</al><al>3. Het openingstijdstip van deze kermis is op vrijdag om 18.00
                                uur.</al><al>4. Deze kermis wordt geëxploiteerd door de
                                gemeente.</al><al/><al><onderstreept>Artikel 2:21 Kermis
                                Oost-Souburg</onderstreept></al><al>1. De in artikel 2:19, tweede lid, genoemde kermis is een algemene
                                ker­mis.</al><al>2. Het college stelt voorschriften vast om­trent de tijden dat de
                                kermis voor het pu­bliek geopend is en ter voorko­ming van
                                geluids­overlast. Het college bepaalt het aantal en het soort van de
                                te plaatsen attracties.</al><al>3. Het college is bevoegd de organisatie van deze ker­mis te verpachten.</al><al/><al><onderstreept>Artikel 2:22 Kermis Arsenaal</onderstreept></al><al>1. De in artikel 2:19, derde lid, bedoelde kermis betreft de
                                expo­si­tie van kermiscuriosa, automaten en andere voorwerpen,
                                uit­slui­tend ter bezichti­ging en de exploitatie van
                                kermis­auto­maten die vallen onder de speelau­to­matenrege­ling. De
                                exploitatie van een horeca­bedrijf ter plaat­se is, met inachtneming
                                van de desbe­treffende voorschriften,
                                toegelaten.</al><al>2. Deze kermis wordt geëxploiteerd door een
                                particulier.</al><al>3. De burgemeester is belast met het verlenen van een vergunning aan
                                de exploitant ingevolge deze verordening tot exploitatie van deze
                                kermis. In de vergunning worden nadere voorwaar­den gesteld omtrent
                                de openings­tijden van deze kermis, aantal van de op te stellen
                                automa­ten en voor­schriften over de toelating van publiek tot
                                gebruik van deze automaten.</al><al>4.Op deze vergunning is paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet
                                bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig
                                beslissen) niet van toepassing.</al><al/><al><vet>Afdeling 8. Toezicht op horecabedrijven</vet></al><al/><al><onderstreept>Artikel 2:23 Begripsomschrijvingen</onderstreept></al><al>De afdeling verstaat onder:</al><al> 1. Openbare inrichting: </al><al> de voor het publiek toegankelijke besloten ruimte waarin
                                bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was logies
                                wordt verstrekt of dranken worden geschonken of rookwaren of spijzen
                                voor directe consumptieve ter plaatse worden bereid of verstrekt.
                                Onder een openbare inrichting worden in ieder geval verstaan: een
                                hotel, restaurant, pension, café, cafetaria, snackbar, discotheek,
                                buurthuis of clubhuis alsmede een bij dit bedrijf behorend terras en
                                de andere aanhorigheden; </al><al> 2. Terras: </al><al> een buiten de besloten ruimte van de openbare inrichting liggend
                                deel daarvan waar zitgelegenheid kan worden geboden en waar tegen
                                vergoeding dranken kunnen worden geschonken of spijzen voor directe
                                consumptie kunnen worden bereid of verstrekt, met daarin het
                                onderscheid tussen een: </al><al>a. gevelterras: terassen grenzend aan de gevel van een openbare
                                inrichting waarin een horeca-bedrijf geëxploiteerd wordt. </al><al>b. overige terassen: alle terrassen niet grenzend aan de gevel van
                                een openbare inrichting. </al><al> 3. Personen die geen bezoeker zijn van een openbare inrichting: </al><al> a. de directe gezinsleden van de houder; </al><al> b. de personen die voorkomen in het register als bedoeld in artikel
                                438 van het Wetboek van Strafrecht; </al><al>c. de personen wier aanwezigheid in de inrichting wegens dringende
                                redenen noodzakelijk is; </al><al> 4. Leidinggevende: </al><al>a. de natuurlijke persoon of de bestuurders van een rechtspersoon of
                                hun gevolmachtigden, voor wiens rekening en risico wordt
                                uitgeoefend: </al><al>- het horecabedrijf, met uitzondering van bestuurders van een
                                rechtspersoon als bedoeld in artikel 4 van de Drank- en Horecawet </al><al>- een openbare inrichting waarin geen alcoholhoudende dranken worden
                                verkocht; </al><al> b. de natuurlijke persoon, die algemene leiding geeft aan een
                                openbare inrichting, waarin wordt uitgeoefend het horecabedrijf of
                                het bedrijf waarin geen alcoholhoudende drank wordt verkocht in een
                                of meer openbare inrichtingen; </al><al>c. de natuurlijke persoon, die onmiddellijke leiding geeft aan de
                                uitoefening van het horecabedrijf of het bedrijf waarin geen
                                alcoholhoudende drank wordt verkocht in een openbare inrichting; 5.
                                Houder: degene die een openbare inrichting exploiteert op grond van
                                het bepaalde in artikel 2:24 of artikel 2:26. </al><al/><al><onderstreept>Artikel 2:24 Exploitatie openbare
                                    inrichting</onderstreept></al><al>1. Het is verboden een openbare inrichting te exploiteren zonder
                                vergunning van de burgemeester. </al><al>2. De burgemeester weigert de vergunning als bedoeld in het eerste
                                lid, indien: </al><al>a. De vestiging of de exploitatie van de openbare inrichting in
                                strijd is met een geldend bestemmingsplan; </al><al>b. de aanvrager, voor zover het een natuurlijke persoon betreft, of
                                in het geval de aanvraag wordt gedaan door een rechtspersoon de
                                bestuurder dan wel zijn gevolmachtigde daarvan, of de
                                leidinggevende: </al><al>- geen verklaring omtrent gedrag overlegt die ten hoogste drie
                                maanden voor de datum waarop de vergunningaanvraag is ingediend, is
                                afgegeven;</al><al>- onder curatele staat dan wel uit het ouderlijk gezag of voogdij
                                ontzet is;in enig opzicht van slecht levensgedrag is;</al><al>- de leeftijd van 21 jaren nog niet heeft bereikt indien het een
                                openbare inrichting betreft waarin alcoholhoudende dranken worden
                                verkocht;</al><al>-de leeftijd van 18 jaren nog niet heeft bereikt indien het een
                                openbare inrichting betreft waarin geen alcoholhoudende dranken
                                worden verkocht; </al><al>c. redelijkerwijs moet worden aangenomen, dat de feitelijke toestand
                                niet met het in de aanvrage vermelde in overeenstemming zal zijn. </al><al>3. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de burgemeester de
                                vergunning geheel of gedeeltelijk weigeren, indien naar zijn oordeel
                                moet worden aangenomen dat de woon- en leefsituatie in de omgeving
                                van de openbare inrichting op ontoelaatbare wijze nadelig wordt
                                beïnvloed. De burgemeester houdt daarbij rekening met het karakter
                                van de straat en de wijk, waarin de openbare inrichting is of zal
                                zijn gelegen, de aard van de openbare inrichting en de spanning,
                                waaraan het woonmilieu ter plaatse reeds blootstaat of bloot zal
                                komen te staan door de exploitatie. </al><al>4. De burgemeester weigert de vergunning als bedoeld in het eerste
                                lid of trekt deze geheel of gedeeltelijk in wanneer feiten en
                                omstandigheden erop wijzen of redelijkerwijs doen vermoeden dat ter
                                verkrijging van de vergunning een strafbaar feit is gepleegd of
                                wanneer sprake is van: het benutten van voordelen uit strafbare
                                feiten en het plegen van strafbare feiten. </al><al>5. De burgemeester weigert een vergunning voor het exploiteren van
                                een openbare inrichting, waarin alcoholhoudende dranken worden
                                verkocht, indien de houder van de openbare inrichting niet in het
                                bezit is van een vergunning als bedoeld in artikel 3 van de Drank-
                                en Horecawet. </al><al>6. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:6 wordt de vergunning door
                                het bevoegde bestuursorgaan ingetrokken op grond van de in het
                                tweede lid genoemde weigeringsgronden, met uitzondering van het
                                bepaalde in het tweede lid onder b1. </al><al>7. In afwijking van het bepaalde in artikel 2:5 beslist de
                                burgemeester in geval van een vergunningenaanvraag die ook
                                betrekking heeft op een of meer bij de openbare inrichting behorende
                                terrassen voor zover deze zich op de weg bevinden over de
                                ingebruikneming van die weg voor het terras. </al><al>8. Het bepaalde in het zevende lid geldt niet, voor zover in het
                                daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Woningwet, de Wet
                                beheer rijkswaterstaatswerken of de Wegenverordening Zeeland 1994. </al><al>9. Het eerste lid geldt niet voor een openbare inrichting in een
                                winkel als bedoeld in artikel 1 van de Winkeltijdenwet voor zover de
                                horeca een nevenactiviteit is van de winkelactiviteit en waarbij de
                                openbare inrichting maximaal twintig vierkante meter mag bedragen en
                                niet meer dan twintig procent van het vloeroppervlak van het voor
                                publiek toegankelijke winkelgedeelte. </al><al>10. Voor de openbare inrichting als bedoeld in het negende lid
                                gelden dezelfde sluitingstijden als voor een winkel.</al><al>11. Voorts geldt het eerste lid niet voor een openbare inrichting in
                                een zorginstelling, museum, een bedrijfskantine of
                                bedrijfsrestaurant.</al><al>12. Paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht (positieve
                                fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) is niet van
                                toepassing op de vergunning bedoeld in het eerste lid.</al><al/><al><onderstreept>Artikel 2:25 Terrassen</onderstreept></al><al>1. Het is de exploitant van een openbare inrichting, waarvoor een
                                vergunning als bedoeld in artikel 2:24 juncto artikel 2:26 niet is
                                vereist, verboden zonder vergunning van de burgemeester een terras
                                in gebruik te nemen. </al><al>2. De burgemeester weigert een vergunning voor de ingebruikneming
                                van een terras indien de exploitant van de openbare inrichting niet
                                in het bezit is van een vergunning als bedoeld in artikel 2:24,
                                tenzij deze ingevolge artikel 2:26 niet is vereist. </al><al>3. Een vergunning voor een gevel terras geldt voor het hele jaar.
                                Een vergunning voor de overige terrassen geldt alleen voor de
                                periode 1 maart tot 31 oktober. Het is verboden de overige terrassen
                                (niet zijnde gevelterrassen) tijdens de sluitingsperiode
                                (winterstop) voor bezoekers geopend te hebben dan wel ter plaatse
                                aanwezig te hebben. </al><al>4. Onverminderd het gestelde in het tweede lid, kan de burgemeester
                                de ingebruikneming van de weg ten behoeve van een of meer bij een
                                openbare inrichting horende terrassen weigeren indien: </al><al>a. het beoogde gebruik schade toebrengt aan de weg dan wel gevaar
                                oplevert voor de bruikbaarheid van de weg of voor het doelmatig en
                                veilig gebruik daarvan; </al><al>b. dat gebruik een belemmering kan worden voor het doelmatig beheer
                                en onderhoud van de weg; </al><al>c. het beoogde gebruik hetzij op zichzelf, hetzij in verband met de
                                omgeving niet voldoet aan redelijke eisen van welstand; </al><al>d. deze liggen onder het beluifelde gedeelte van de Walstraat,
                                Kleine Markt of Oude Markt. </al><al>5. Dit artikel geldt niet voor zover in het daarin geregelde
                                onderwerp wordt voorzien door de Woningwet, de Wet beheer
                                rijkswaterstaatswerken of de Wegenverordening Zeeland 1994. </al><al>6. Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet
                                bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig
                                beslissen) niet van toepassing. </al><al/><al><onderstreept>Artikel 2:26 Vrijstelling
                                    vergunningsplicht</onderstreept></al><al>1. De burgemeester kan besluiten onder door hem te stellen
                                voorschriften dat het gestelde in artikel 2:24 niet geldt voor een
                                of meer in dat besluit aangeduide soorten horecabedrijven in de
                                gehele gemeente dan wel in een of meer daarin aangewezen gedeelten
                                van de gemeente. </al><al>2. De exploitatie van een openbare inrichting, en de exploitatie van
                                bij een openbare inrichting behorende terras(sen) waarop een besluit
                                als bedoeld in het eerste lid van toepassing is, geschiedt zodanig
                                dat daardoor de openbare orde, de openbare veiligheid, de
                                volksgezondheid en het milieu niet op ontoelaatbare wijze nadelig
                                worden beïnvloed. </al><al/><al><onderstreept>Artikel 2:27 Sluitingsuur</onderstreept></al><al>1. Openbare inrichtingen, inclusief daartoe behorende terrassen,
                                zijn gesloten tussen 02.00 en 06.00 uur (sluitingstijd).</al><al>2. Het is verboden een openbare inrichting voor bezoekers geopend te
                                hebben of bezoekers in de inrichting of het bijbehorende terras te
                                laten verblijven tijdens sluitingstijd.</al><al>3. De burgemeester kan ontheffing verlenen van de
                                sluitingstijd:</al><al>a. om tussen 02.00 uur en 03.00 uur bezoekers in de openbare
                                inrichting aanwezig te hebben, mits geen nieuwe bezoekers worden
                                toegelaten;</al><al>b. op grond van bijzondere omstandigheden, te zijner
                                beoordeling;</al><al>c. aan maximaal vier openbare inrichtingen waar alcoholhoudende
                                drank mag worden verstrekt om tot 05.00 uur bezoekers in de openbare
                                inrichting aanwezig te hebben, onder het voorbehoud dat deze
                                openbare inrichtingen in elk geval gesloten zijn tussen 05.00 uur en
                                09.00 uur en tussen 04.00 uur en 05.00 uur geen nieuwe bezoekers
                                worden toegelaten;</al><al>d. aan maximaal vier openbare inrichtingen die zich in hoofdzaak
                                richten op het verstrekken van geringe etenswaren om tot 04.00 uur
                                bezoekers in de openbare inrichting aanwezig te hebben. </al><al>4. Het eerste en het derde lid zijn niet van toepassing voor zover
                                in het daar geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet
                                milieubeheer.</al><al>5. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet
                                bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig
                                beslissen) niet van toepassing..</al><al/><al><onderstreept>Artikel 2:28 Afwijking sluitingsuur; tijdelijke
                                    sluiting.</onderstreept></al><al>1. De burgemeester kan in het belang van de openbare orde,
                                veiligheid, zedelijkheid of gezondheid, of in geval van bijzondere
                                omstandigheden, te zijner beoordeling, voor één of meer
                                horecabedrijven tijdelijk andere dan de krachtens artikel 2:27
                                geldende sluitingsuren vaststellen of tijdelijke sluiting
                                bevelen.</al><al>2. Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover in het
                                daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 13b van de
                                Opiumwet </al><al/><al><onderstreept>Artikel 2:29 Aanwezigheid in gesloten openbare
                                    inrichting.</onderstreept></al><al>Het is bezoekers van een openbare inrichting verboden gedurende de
                                tijd dat dit bedrijf krachtens artikel 2:27 of ingevolge een op
                                grond van artikel 2:28 genomen besluit gesloten dient te zijn, zich
                                daarin of aldaar te bevinden.</al><al/><al><onderstreept>Artikel 2:30 Ordeverstoring</onderstreept></al><al>Het is verboden in een openbare inrichting gedrag ten toon te
                                spreiden dat aanleiding is tot ordeverstoring dan wel in strijd is
                                met de goede zeden. </al><al/><al><onderstreept>Artikel 2:31 Het college als bevoegd
                                    bestuursorgaan</onderstreept></al><al>Indien een openbare inrichting als bedoeld in artikel 2:23 geen
                                inrichting is in de zin van artikel 174 van de Gemeentewet treedt
                                niet de burgemeester maar het college op als bevoegd bestuursorgaan
                                voor de artikelen 2:24 tot en met 2:28. </al><al/><al><onderstreept>Artikel 2:32 Beslistermijn</onderstreept></al><al>1. Het bevoegd bestuursorgaan neemt het besluit op de aanvraag om
                                vergunning als bedoeld in artikel 2:24, eerste lid, binnen twaalf
                                weken na de dag waarop de aanvraag ontvangen is. </al><al>2. Het bevoegd bestuursorgaan kan zijn besluit voor ten hoogste
                                twaalf weken verdagen. </al><al/><al/><al><onderstreept>Artikel 2:33 Aanwezigheid van een
                                    leidinggevende</onderstreept></al><al>Het is verboden een openbare inrichting waarin geen alcoholhoudende
                                dranken worden verkocht voor het publiek geopend te houden, indien
                                in de inrichting geen leidinggevende aanwezig is die vermeld staat
                                op een vergunning als bedoeld in artikel 2:24 met betrekking tot die
                                inrichting. </al><al/><al><onderstreept>Artikel 2:34 Inrichtingseisen </onderstreept></al><al>1. Een openbare inrichting, waarin geen alcoholhoudende drank wordt
                                verkocht, dient ten minste te voldoen aan de eisen zoals vermeld in
                                het Besluit eisen inrichtingen Drank- en Horecawet.</al><al>2. Een openbare inrichting, waar tegen vergoeding voor gebruik
                                elders dan ter plaatse uitsluitend of in hoofdzaak geringe
                                etenswaren worden verstrekt die in dezelfde inrichting worden
                                bereid, dient te beschikken over een voor het publiek toegankelijke
                                ruimte met een nuttige vloeroppervlakte van ten minste 15m². </al><al>3. De burgemeester kan ontheffing verlenen van het bepaalde in het
                                eerste en tweede lid van dit artikel. </al><al/><al/><al>Afdeling 8a. Bijzondere bepalingen over horecabedrijven als bedoeld
                                in de drank- en horecawet. </al><al/><al>Artikel 2:35 Begripsbepalingen </al><al>De begripsbepalingen uit artikel 1 van de Drank- en Horecawet zijn
                                op deze afdeling van toepassing. </al><al/><al><vet>Artikel 2:36 Regulering paracommerciële rechtspersonen
                                </vet></al><al>1. Een paracommercieel rechtspersoon die zich voornamelijk richt op
                                het organiseren van activiteiten van sportieve aard mag
                                zwak-alcoholhoudende drank uitsluitend verstrekken: (koppeling aan
                                activiteit) </al><al>a. vanaf 2 uren (twee uren) voor de aanvang tot 2 uren (twee uren)
                                na afloop van een activiteit die wordt uitgeoefend in verband met de
                                statutaire doelen van de rechtspersoon; </al><al>en </al><al>(koppeling aan dagen / tijden) </al><al>b. op maandag tot en met vrijdag niet eerder dan 17:00 uur tot
                                uiterlijk 24:00 uur; </al><al>c. zaterdag, zon- en feestdagen niet eerder dan 12:00 uur tot
                                uiterlijk 24:00 uur.</al><al>2. Een paracommercieel rechtspersoon die zich voornamelijk richt op
                                het organiseren van activiteiten van sociaal-culturele aard in de
                                vorm van een poppodium (podium voor een breed aanbod van
                                bijvoorbeeld muziek, theater en dans) kan alcoholhoudende drank
                                uitsluitend verstrekken vanaf 2 uur (twee uur) voor de aanvang tot
                                uiterlijk 2 uur na afloop van een activiteit die wordt uitgeoefend
                                in verband met de statutaire doelen van de rechtspersoon, op maandag
                                tot en met woensdag tot uiterlijk 24.00 uur, en op donderdag tot en
                                met zondag tot uiterlijk 02.00 uur van de daaropvolgende dag.</al><al>3. Overige paracommerciële rechtspersonen mogen alcoholhoudende
                                drank uitsluitend verstrekken vanaf 2 uren (twee uren) voor de
                                aanvang tot uiterlijk 2 uren (twee uren) na afloop van een
                                activiteit die wordt uitgeoefend in verband met de statutaire doelen
                                van de rechtspersoon en tot uiterlijk 24:00 uur.</al><al>4. Een paracommercieel rechtspersoon verstrekt geen alcoholhoudende
                                drank tijdens bijeenkomsten van persoonlijke aard en bijeenkomsten
                                die gericht zijn op personen welke niet, of niet rechtstreeks bij de
                                activiteiten van de desbetreffende rechtspersoon betrokken zijn.
                                </al><al/><al><onderstreept>Artikel 2:37 Verbod verstrekken sterke
                                    drank in bepaalde inrichtingen</onderstreept></al><al>1. In dit artikel wordt verstaan onder:</al><al>a. inrichting: een inrichting als bedoeld in artikel 1, eerste lid,
                                van de Drank- en Horecawet;sterke drank: </al><al>b. sterke drank als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Drank-
                                en Horecawet. </al><al>2. Het is verboden tegen vergoeding sterke drank voor gebruik ter
                                plaatse te verstrekken in een inrichting. </al><al>a. waarin of in een onderdeel waarvan uit­slui­tend of in hoofd­zaak
                                geringe eetwa­ren, zoals beleg­de broodjes, patates frites en
                                kroket­ten worden ver­kocht; </al><al>b. die uitsluitend of in hoofdzaak in gebruik is voor het geven van
                                onderwijs; </al><al>c. die of waarvan een onderdeel uitsluitend of in hoofd­zaak in
                                gebruik is bij jeugdor­gani­saties of -instellin­gen;</al><al>d. die of waarvan een onderdeel uitsluitend of in hoofd­zaak in
                                gebruik is bij sportorganisaties of -instellin­gen;</al><al>e. die of waarvan een onderdeel in gebruik is als wacht­ruimte voor
                                pas­sagiers van een openbaar vervoerbedrijf; </al><al>f. die gelegen is op een kampeer- of caravan­ter­rein;</al><al>g. die in gebruik is bij en/of geëxploiteerd wordt door een
                                paracommerciële rechtspersoon.</al><al/><al><vet>Artikel 2:38 Beperkingen voor horecabedrijven en
                                    slijtersbedrijven </vet></al><al>De burgemeester kan in het belang van de handhaving van de openbare
                                orde, de veiligheid, de zedelijkheid of de volksgezondheid aan een
                                vergunning als bedoeld in artikel 3 van de Drank- en Horecawet
                                voorschriften verbinden en de vergunning beperken tot het
                                verstrekken van zwak-alcoholhoudende drank een en ander in
                                aanvulling op artikel 2:37.</al><al/><al><vet>Artikel 2:39 Verbod 'happy hours' en ‘stuntprijzen' </vet></al><al>Het is verboden in een horecalokaliteit of op een terras
                                bedrijfsmatig of anders dan om niet alcoholhoudende drank te
                                verstrekken voor gebruik ter plaatse tegen een prijs die voor een
                                periode van 24 uur of korter lager is dan 60% van de prijs die daar
                                gewoonlijk wordt gevraagd. </al><al/><al><vet>Artikel 2:39A Ontheffingen </vet></al><al>1. De burgemeester kan ontheffing verlenen van het in artikel 2:37
                                gestelde verbod en de in artikel 2:36, leden 1, 2 en 3 genoemde
                                dagen en tijden. </al><al>2. De burgemeester stelt beleidsregels op ten aanzien van de
                                beoordeling van verzoeken om ontheffing. </al><al>3. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet
                                bestuursrecht (positieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet
                                van toepassing.</al><al/><al/><al>Afdeling 9. Toezicht op inrichtingen tot het verschaffen van
                                nachtverblijf </al><al/><al><onderstreept>Artikel 2:40
                                Begripsbepaling</onderstreept></al><al>In deze afdeling wordt verstaan onder inrichting: elke al dan niet
                                besloten ruimte waarin, in de uitoefening van beroep of bedrijf, aan
                                personen de mogelijkheid van nachtverblijf of gelegenheid tot
                                kamperen wordt verschaft. </al><al/><al><onderstreept>Artikel 2:41 Melding
                                exploitatie</onderstreept> Degene die een inrichting
                                opricht, overneemt, verplaatst of de exploitatie of feitelijke
                                leiding van een inrichting staakt, is verplicht binnen drie dagen
                                daarna daarvan schriftelijk melding te doen bij de burgemeester. </al><al/><al>Afdeling 10. Toezicht op speelgelegenheden </al><al/><al><onderstreept>Artikel 2:42
                                Speelgelegenheden</onderstreept></al><al>1. Dit artikel verstaat onder speelgelegenheid: een voor het publiek
                                toegankelijke gelegenheid waar bedrijfsmatig of in een omvang alsof
                                deze bedrijfsmatig is de mogelijkheid wordt geboden enig spel te
                                beoefenen, waarbij geld of in geld inwisselbare voorwerpen kunnen
                                worden gewonnen of verloren.</al><al>2. Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een
                                speelgelegenheid te exploiteren of te doen exploiteren. Het verbod
                                is niet van toepassing op:</al><al>a. speelautomatenhallen waarvoor op grond van artikel 30c, eerste
                                lid, onder b, van de Wet op de kansspelen vergunning is
                                verleend;</al><al>b. speelgelegenheden waarvoor de minister van Justitie of de Kamer
                                van Koophandel bevoegd is vergunning te verlenen;</al><al>c. speelgelegenheden waar de mogelijkheid wordt geboden om het
                                kleine kansspel als bedoeld in artikel 7c van de Wet op de
                                kansspelen te beoefenen, of te spelen op speelautomaten als bedoeld
                                in artikel 30 van de Wet op de kansspelen, of de handeling als
                                bedoeld in artikel 1, onder a, van de Wet op de kansspelen te
                                verrichten.</al><al>3. De burgemeester weigert de vergunning:</al><al>a. indien naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat de woon- en
                                leefsituatie in de omgeving van de speelgelegenheid of de openbare
                                orde op ontoelaatbare wijze nadelig worden beïnvloed door de
                                exploitatie van de speelgelegenheid;</al><al>b. indien de exploitatie van de speelgelegenheid in strijd is met
                                een geldend bestemmingsplan.</al><al>4. Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet
                                bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig
                                beslissen) niet van toepassing. </al><al/><al><onderstreept>Artikel 2:43
                                Speelautomaten</onderstreept></al><al>1. In dit artikel wordt verstaan onder:</al><al>a. wet: de Wet op de kansspelen;</al><al>b. speelautomaat: automaat als bedoeld in artikel 30, onder a, van
                                de wet;</al><al>c. kansspelautomaat: automaat als bedoeld in artikel 30, onder c,
                                van de wet;</al><al>d. hoogdrempelige inrichting: inrichting als bedoeld in artikel 30,
                                onder d, van de wet;</al><al>e. laagdrempelige inrichting: inrichting als bedoeld in artikel 30,
                                onder e, van de wet.</al><al>2. In hoogdrempelige inrichtingen zijn drie speelautomaten
                                toegestaan, waarvan maximaal twee kansspelautomaten.</al><al>3. In laagdrempelige inrichtingen zijn drie speelautomaten
                                toegestaan, met dien verstande dat kansspelautomaten in het geheel
                                niet zijn toegestaan. </al><al/><al>Afdeling 11. Maatregelen tegen overlast en baldadigheid
                                </al><al/><al><onderstreept>Artikel 2:44 Betreden gesloten woning of
                                    lokaal</onderstreept></al><al>1. Het is verboden een krachtens artikel 174a van de Gemeentewet
                                gesloten woning, een niet voor publiek toegankelijk lokaal of een
                                bij die woning of dat lokaal behorend erf te betreden.</al><al>2. Het is verboden een krachtens artikel 13b van de Opiumwet
                                gesloten woning, een niet voor het publiek toegankelijk lokaal, een
                                bij die woning of dat lokaal behorend erf, een voor het publiek
                                toegankelijk lokaal of bij dat lokaal behorend erf te betreden.</al><al>3. Deze verboden gelden niet voor personen wier aanwezigheid in de
                                woning of het lokaal wegens dringende reden noodzakelijk is.
                                </al><al/><al><onderstreept>Artikel 2:45 Plakken en kladden</onderstreept></al><al>1. Het is verboden een openbare plaats of dat gedeelte van een
                                onroerende zaak dat vanaf die plaats zichtbaar is te bekrassen of te
                                bekladden. </al><al>2. Het is verboden zonder schriftelijke toestemming van de
                                rechthebbende op een andere openbare plaats of dat gedeelte van een
                                onroerende zaak dat vanaf die plaats zichtbaar is:</al><al>a. een aanplakbiljet of ander geschrift, afbeelding of aanduiding
                                aan te plakken, te doen aanplakken, op andere wijze aan te brengen
                                of te doen aanbrengen;</al><al>b. met kalk, krijt, teer, inkt of een kleur- of verfstof een
                                afbeelding, letter, cijfer of graffiti aan te brengen of te doen
                                aanbrengen.</al><al>3. Het in het tweede lid gestelde verbod is niet van toepassing
                                indien gehandeld wordt krachtens wettelijk voorschrift.</al><al>4. Het college kan aanplakborden aanwijzen voor het aanbrengen van
                                meningsuitingen en bekendmakingen.</al><al>5. Het is verboden de in het vierde lid bedoelde aanplakborden te
                                gebruiken voor het aanbrengen van handelsreclame.</al><al>6. Het college kan nadere regels stellen voor het aanbrengen van
                                meningsuitingen en bekendmakingen, die geen betrekking mogen hebben
                                op de inhoud van de meningsuitingen en bekendmakingen.</al><al>7. De houder van de in het tweede lid bedoelde schriftelijke
                                toestemming is verplicht die aan een opsporingsambtenaar op diens
                                eerste vordering terstond ter inzage af te geven. </al><al/><al><onderstreept>Artikel 2:46 Vervoer plakgereedschap
                                    e.d.</onderstreept></al><al>1. Het is verboden op een openbare plaats enig aanplakbiljet,
                                aanplakdoek, kalk, teer, inkt, kleur- of verfstof, verfgereedschap,
                                plaksel of lijm te vervoeren of bij zich te hebben.</al><al>2. Dit verbod is niet van toepassing, indien de genoemde materialen
                                of gereedschappen niet zijn gebruikt of niet zijn bestemd voor
                                handelingen als verboden in artikel 2:45.</al><al/><al><onderstreept>Artikel 2:47 Vervoer
                                    inbrekerswerktuigen</onderstreept></al><al>1. Het is verboden op een openbare plaats inbrekerswerktuigen te
                                vervoeren of bij zich te hebben.</al><al>2. Dit verbod is niet van toepassing, indien de bedoelde werktuigen
                                niet zijn gebruikt of niet zijn bestemd om zich onrechtmatig de
                                toegang tot een gebouw of erf te verschaffen, onrechtmatig
                                sluitingen te openen of te verbreken, diefstal door middel van braak
                                te vergemakkelijken of het maken van sporen te voorkomen.
                                </al><al/><al><onderstreept>Artikel 2:48 </onderstreept><onderstreept>Varen in
                                    openbaar water</onderstreept></al><al>In dit artikel wordt verstaan onder:</al><al>a. taluds: de hellende oppervlakten van de zijdelingse begrenzingen
                                van oppervlaktewater en waterlopen;</al><al>b. oppervlaktewater het water met inbegrip van de waterbodem en de
                                taluds die een functie hebben voor de af- en aanvoer en/of berging
                                van het op de bodem vrij aanwezige water;</al><al>c. waterlopen het water met inbegrip van de waterbodem en de taluds
                                die een functie hebben voor de af- en aanvoer en/of de berging van
                                het op de bodem vrij aanwezige water, en die als zodanig in de
                                legger zijn aangegeven;</al><al>d. legger de legger als bedoeld in de Waterverordening Zeeland</al><al>2. Het is verboden te varen in openbaar oppervlaktewater en openbare
                                waterlopen.</al><al>3. Het college kan ontheffing verlenen van het in het tweede lid
                                gestelde verbod.</al><al>4. Het in het tweede lid gesteld verbod geldt niet voor zover in het
                                daarin geregelde on derwerp wordt voorzien door de Waterverordening
                                Zeeland of de Keur waterbeheer waterschap Scheldestromen 2007.
                                </al><al/><al><onderstreept>Artikel 2:49 Slapen op of aan openbare
                                    plaatsen</onderstreept></al><al>1. Onverminderd het bepaalde in artikel 4:20 is het verboden tussen
                                zonsondergang en zonsopgang: </al><al>a. op of aan openbare plaatsen te liggen of te slapen, dan wel
                                daartoe gelegenheid te bieden; </al><al>b. op of aan openbare plaatsen te liggen of te slapen in een
                                voertuig, woonwagen, tent of een soortgelijk onderkomen dan wel
                                daartoe gelegenheid te bieden. </al><al>2. Het college kan van het in het eerste lid gestelde verbod
                                ontheffing verlenen. </al><al>3. Het college kan plaatsen aanwijzen waar het in het eerste lid
                                gestelde verbod niet geldt. </al><al>4. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor zover in
                                het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Verordening
                                kleinschalig kamperen Vlissingen. </al><al/><al><onderstreept>Artikel 2:50 Hinderlijk gedrag op openbare
                                    plaatsen</onderstreept></al><al>1. Het is verboden:</al><al>a. op een openbare plaats te klimmen of zich te bevinden op een
                                beeld, monument, overkapping, constructie, openbare
                                toiletgelegenheid, voertuig, hekheining of andere afsluiting,
                                verkeersmeubilair en daarvoor niet bestemd straatmeubilair;</al><al>b. zich op een openbare plaats zodanig op te houden dat aan
                                gebruikers of bewoners van nabij die openbare plaats gelegen
                                woningen onnodig overlast of hinder wordt veroorzaakt;</al><al>2. Het verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde
                                onderwerp wordt voorzien door artikel 424, 426bis of 431 van het
                                Wetboek van Strafrecht of artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.
                                </al><al/><al><onderstreept>Artikel 2:51 Verboden drankgebruik</onderstreept></al><al>1. Het is verboden op een openbare plaats, die deel uitmaakt van een
                                door het college aangewezen gebied:</al><al>a. alco­holhoudende drank te nuttigen of aangebroken flessen,
                                blikjes en dergelijke met alcoholhoudende drank bij zich te
                                hebben;</al><al>b. drank in glazen met zich te voeren of bij zich te hebben;</al><al>c. anderszins dan verpakt, glazen bij zich te hebben, tenzij met het
                                kennelijk en uitsluitend oogmerk van vervoer.</al><al>2. Het bepaalde in het eerste lid geldt niet voor:</al><al>a. een terras dat behoort bij een horecabedrijf als bedoeld in
                                artikel 2:23, eerste lid, onder c;</al><al>b. de plaats, niet zijnde een horecabedrijf als bedoeld onder a,
                                waar­voor een ontheffing geldt krachtens artikel 35, tweede lid, van
                                de Drank- en Horecawet.</al><al>3. Het bevoegde bestuursorgaan kan van het verbod, bedoeld in het
                                eerste lid onder a, ontheffing verlenen. </al><al/><al><onderstreept>Artikel 2:52 Verboden gedrag bij of in
                                    gebouwen</onderstreept></al><al>1. Het is verboden:</al><al>a. zich zonder redelijk doel in een portiek of poort op te
                                houden;</al><al>b. zonder redelijk doel in, op of tegen een raamkozijn of een
                                drempel van een gebouw te zitten of te liggen.</al><al>2. Het is aan anderen dan bewoners of gebruikers van flatgebouwen,
                                appartementsgebouwen en soortgelijke meergezinshuizen en van
                                gebouwen die voor publiek toegankelijk zijn, verboden zich zonder
                                redelijk doel te bevinden in een voor gemeenschappelijk gebruik
                                bestemde ruimte van een dergelijk gebouw. </al><al/><al><onderstreept>Artikel 2:53 Hinderlijk gedrag in voor het publiek
                                    toegankelijke ruimten</onderstreept></al><al>Het is verboden zich zonder redelijk doel op een voor anderen
                                hinderlijke wijze op te houden in of op een voor het publiek
                                toegankelijk portaal, telefooncel, wachtlokaal voor een openbaar
                                vervoermiddel, parkeergarage, rijwielstalling of een andere
                                soortgelijke, voor het publiek toegankelijke ruimte dan wel deze te
                                verontreinigen of te bezigen voor een ander doel dan waarvoor de
                                desbetreffende ruimte is bestemd. </al><al/><al><onderstreept>Artikel 2:54 Neerzetten van fietsen
                                    e.d.</onderstreept></al><al>Het is verboden op een openbare plaats een fiets of een bromfiets te
                                plaatsen of te laten staan tegen een raam, een raamkozijn, een deur,
                                de gevel van een gebouw dan wel in de ingang van een portiek
                                indien:</al><al>a. dit in strijd is met de uitdrukkelijke wil van de gebruiker van
                                dat gebouw of dat portiek;</al><al>b. daardoor de ingang versperd wordt. </al><al/><al><onderstreept>Artikel 2:55 Overlast van fiets of bromfiets op markt
                                    en kermisterrein e.d.</onderstreept></al><al>Het is verboden op de door het college of de burgemeester aangewezen
                                uren en plaatsen zich met een fiets of bromfiets te bevinden op een
                                door het college of de burgemeester aangewezen terrein waar een
                                markt, kermis, uitvoering, bijeenkomst of plechtigheid gehouden
                                wordt die publiek trekt, mits dit verbod kenbaar is aan de bezoekers
                                van het terrein. </al><al/><al><onderstreept>Artikel 2:56 Loslopende
                                honden</onderstreept></al><al>1. Het is de eigenaar of houder van een hond verboden die hond te
                                laten verblijven:</al><al>a. van 15 april tot en met 15 september op de stranden gelegen voor
                                de Boulevards Evert­sen, Bankert en de Ruijter, op het Nollestrand,
                                op het strand Westduin of in de daarbij behorende
                                kleed­ruimtes;</al><al>b. op een voor publiek toegankelijke en kennelijk als zodanig
                                ingerichte kinderspeelplaats, zandbak of speelweide;</al><al>c. op andere door het college aangewezen plaat­sen;</al><al>d. onverminderd het bepaalde onder a tot en met c, anders dan kort
                                aan­ge­lijnd:</al><al>- binnen de bebouwde kom op de weg;</al><al>- op andere door het college aange­wezen plaat­sen;</al><al>e. buiten de bebouwde kom op de weg zonder voldoende toezicht;</al><al>f. op de weg zonder dat die hond voorzien is van aan een hals­band
                                of op andere wijze, aange­brachte identifi­catiegege­vens die de
                                eigenaar of houder duidelijk doen kennen.</al><al>2. Het college kan van de in het eerste lid genoem­de verboden
                                ontheffing verlenen.</al><al>3. De verboden genoemd in het eerste lid onder a en c gelden niet
                                voor zover de eigenaar of houder van een hond zich vanwege zijn
                                handicap door een geleide- of hulphond laat begeleiden. .</al><al/><al><onderstreept>Artikel 2:57 Verontreiniging door
                                    honden</onderstreept></al><al>1. De eigenaar of houder van een hond is verplicht ervoor te zorgen
                                dat die hond zich niet van uitwerpselen ontdoet:</al><al>a. binnen de bebouwde kom in de openbare ruimte;</al><al>b. buiten de bebouwde kom in de openbare ruimte: op een gedeelte van
                                de weg dat is bestemd of mede is bestemd voor het verkeer van
                                voetgangers. </al><al>2. De strafbaarheid wegens overtreding van het in het eerste lid
                                gestelde gebod wordt opgeheven, indien de eigenaar of houder van de
                                hond er zorg voor draagt, dat: </al><al>a. de uitwerpselen onmiddellijk worden verwijderd.</al><al>b. de hond gebruik maakt van door het college aangewezen
                                plaatsen.</al><al>3. Onverminderd het bepaalde in het eerste en tweede lid is een
                                ieder die een hond bij zich heeft binnen de bebouwde kom verplicht
                                tenminste één deugdelijk hulpmiddel ter onmiddellijke verwijdering
                                van hondenuitwerpselen op wegen en/of andere voor publiek
                                toegankelijke plaatsen bij zich te hebben en dit hulpmiddel op
                                eerste aanvraag van een daartoe bevoegde ambtenaar te tonen.</al><al>4. Het college kan van de in het eerste lid genoem­de verboden
                                ontheffing verlenen.</al><al>5. De verboden genoemd in het eerste lid, onder a en b gelden niet
                                voor zover de eigenaar of houder van een hond zich vanwege zijn
                                handicap door een geleide- of hulphond laat begeleiden. </al><al/><al><onderstreept>Artikel 2:58 Gevaarlijke
                                honden</onderstreept></al><al>1. In dit artikel wordt verstaan onder:</al><al>a. muilkorf: muilkorf ingericht naar een model dat beantwoordt aan
                                de volgende beschrijving: een muilkorf vervaardigd van stevige
                                kunststof, of van stevig leer of van beide stoffen, die door middel
                                van een stevige leren riem rond de hals zodanig is aangebracht dat
                                verwijdering zonder toedoen van de mens niet mogelijk is en die
                                zodanig is ingericht dat de drager geen mens of dier kan bijten, dat
                                de afgesloten ruimte binnen de ruimte een geringe opening van de bek
                                toelaat en dat geen scherpe delen binnen de korf aanwezig zijn;</al><al>b. kort aanlijnen: aanlijnen van een hond met een lijn met een
                                lengte, gemeten van hand tot halsband, die niet langer is dan 1,50
                                meter.</al><al>2. Het is de eigenaar of houder van een hond verboden die hond te
                                laten verblijven of te laten lopen op een openbare plaats of op het
                                terrein van een ander:</al><al>a. anders dan kort aangelijnd nadat het college aan de eigenaar of
                                de houder heeft bekendgemaakt dat het die hond gevaarlijk of
                                hinderlijk acht en een aanlijngebod in verband met het gedrag van
                                die hond noodzakelijk vindt;</al><al>b. anders dan kort aangelijnd en voorzien van een muilkorf nadat het
                                college aan de eigenaar of de houder heeft bekendgemaakt dat het die
                                hond gevaarlijk of hinderlijk acht en een aanlijn en muilkorfgebod
                                in verband met het gedrag van die hond noodzakelijk vindt.</al><al>3. In afwijking van artikel 2:56, eerste lid onder f, geldt voor het
                                bepaalde in het eerste lid bovendien dat de hond voorzien moet zijn
                                van een optisch leesbaar, niet-verwijderbaar identificatiekenmerk in
                                het oor of de buikwand. </al><al/><al><onderstreept>Artikel 2:59 Houden van hinderlijke of schadelijke
                                    dieren</onderstreept></al><al>1. Het is verboden op door het college ter voorkoming of opheffing
                                van overlast of schade aan de openbare gezondheid aangewezen
                                plaatsen, buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer,
                                bij dat aanwijzingsbesluit aangeduide dieren:</al><al>a. aanwezig te hebben, of</al><al>b. aanwezig te hebben anders dan met inachtneming van de door het
                                college in het aanwijzingsbesluit gestelde regels, of</al><al>c. aanwezig te hebben tot een groter aantal dan in die aanwijzing is
                                aangegeven, of</al><al>d. te voeren.</al><al>2. Het college kan de rechthebbende op een onroerende zaak gelegen
                                binnen een krachtens het eerste lid aangewezen gedeelte van de
                                gemeente ontheffing verlenen van het in het eerste lid gestelde
                                verbod.</al><al>3. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet
                                bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig
                                beslissen) niet van toepassing. </al><al/><al><onderstreept>Artikel 2:60 Loslopend
                                vee</onderstreept></al><al>De rechthebbende op vee dat zich bevindt in een aan een weg liggend
                                weiland of terrein dat niet van die weg is afgescheiden door een
                                deugdelijke veekering, is verplicht ervoor te zorgen dat zodanige
                                maatregelen getroffen worden dat dit vee die weg niet kan bereiken.
                                </al><al/><al><onderstreept>Artikel 2:61 Bedelarij</onderstreept></al><al>Het is verboden in door het college aangewezen
                                gebieden op of aan de weg of in een voor het publiek toegankelijk
                                gebouw te bedelen om geld of andere zaken. </al><al/><al><onderstreept>Artikel 2:61a Mosquito</onderstreept></al><al>1. In dit artikel wordt onder een mosquito verstaan: een apparaat
                                dat een slechts voor jongeren hoorbare, hinderlijke hoge pieptoon
                                produceert, met als doel groepen jongeren weg te houden van plaatsen
                                waar zij overlast veroorzaken. </al><al>2. In afwijking van het bepaalde in artikel 4:5 kan de burgemeester
                                in het belang van de openbare orde besluiten op een openbare plaats
                                een mosquito aan te brengen bij gebleken ernstige overlast door
                                jongeren op die plaats. </al><al>3. De aanwezigheid van een mosquito wordt kenbaar gemaakt op de
                                plaats waar deze is aangebracht. </al><al>4. Een mosquito is alleen in werking op die tijdstippen dat overlast
                                redelijkerwijs valt te verwachten. </al><al>5. Een mosquito wordt aangebracht voor een periode van ten hoogste
                                zes maanden. De burgemeester kan die periode telkens met een periode
                                van ten hoogste zes maanden verlengen. </al><al/><al>Afdeling 12. Vuurwerk </al><al/><al><onderstreept>Artikel 2:62 Begripsbepalingen </onderstreept></al><al>In deze afdeling wordt verstaan onder consumentenvuurwerk:
                                Consumentenvuurwerk waarop het Besluit van 22 januari 2002, houdende
                                nieuwe regels met betrekking tot consumenten- en professioneel
                                vuurwerk (Vuurwerkbesluit) van toepassing is. </al><al/><al><onderstreept>Artikel 2:63 Ter beschikking stellen van
                                    consumentenvuurwerk tijdens de
                                verkoopdagen</onderstreept></al><al>1. Het is verboden in de uitoefening van een bedrijf of nevenbedrijf
                                consumentenvuurwerk ter beschikking te stellen dan wel voor het ter
                                beschikking stellen aanwezig te houden, zonder een vergunning van
                                het college.</al><al>2. Op deze vergunning is paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet
                                bestuursrecht (positieve fictieve beschikking) niet van
                                    toepassing.</al><al/><al><onderstreept>Artikel 2:64 Gebruiken van consumentenvuurwerk tijdens
                                    de jaarwisseling</onderstreept></al><al>1. Het is verboden consumentenvuurwerk te gebruiken op een door het
                                college in het belang van de voorkoming van gevaar, schade of
                                overlast aangewezen plaats.</al><al>2. Het is verboden consumentenvuurwerk op een openbare plaats te
                                bezigen als dat gevaar, schade of overlast kan veroorzaken.</al><al>3. De in het eerste en tweede lid gestelde verboden gelden niet voor
                                zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel
                                429, aanhef en onder 1, van het Wetboek van Strafrecht. </al><al/><al><vet>Afdeling 13. Drugsoverlast</vet></al><al/><al><onderstreept>Artikel 2:65 Drugshandel op
                                straat</onderstreept></al><al>Onverminderd het bepaalde in de Opiumwet is het verboden op of aan
                                de weg post te vatten of zich daar heen en weer te bewegen en zich
                                op of aan wegen in of op een voertuig te bevinden of daarmee heen en
                                weer of rond te rijden, met het kennelijke doel om middelen als
                                bedoeld in artikel 2 en 3 van de Opiumwet, of daarop gelijkende
                                waar, al dan niet tegen betaling af te leveren, aan te bieden of te
                                verwerven, daarbij behulpzaam te zijn of daarin te bemiddelen.
                                </al><al/><al><vet>Afdeling 14. Bestuurlijke ophouding, veiligheidsrisicogebieden
                                    en cameratoezicht op openbare plaatsen</vet></al><al/><al><onderstreept>Artikel 2:66 Bestuurlijke
                                ophouding</onderstreept></al><al>De burgemeester kan overeenkomstig artikel 154a van de Gemeentewet
                                besluiten tot het tijdelijk doen ophouden van door hem aangewezen
                                groepen van personen op een door hem aangewezen plaats indien deze
                                personen het bepaalde in artikel 2:1, 2:2, 2:5, 2:6, 2:8, 2:11,
                                2:50, 2:51, 2:52 of 2:64 groepsgewijs niet naleven.
                                </al><al/><al><onderstreept>Artikel 2:67
                                Veiligheidsrisicogebieden</onderstreept></al><al>De burgemeester kan overeenkomstig artikel 151b van de Gemeentewet
                                bij verstoring van de openbare orde door de aanwezigheid van wapens,
                                dan wel bij ernstige vrees voor het ontstaan daarvan, een gebied,
                                met inbegrip van de daarin gelegen voor het publiek openstaande
                                gebouwen en daarbij behorende erven, aanwijzen als
                                veiligheidsrisicogebied. </al><al/><al><onderstreept>Artikel 2:68 Cameratoezicht op openbare
                                    plaatsen</onderstreept></al><al>1. De burgemeester kan overeenkomstig artikel 151c van de
                                Gemeentewet besluiten tot plaatsing van vaste camera’s voor een
                                bepaalde duur ten behoeve van het toezicht op een openbare
                                plaats.</al><al>2. De burgemeester heeft de bevoegdheid als bedoeld in het eerste
                                lid eveneens ten aanzien van andere openbare plaatsen te weten:</al><al>a. parkeergarage Aagje Dekenstraat en </al><al>b. parkeergarage Spuistraat (De Fonteyne).</al><al/><al><vet><cursief><vet>Afdeling 15.
                                            <cursief>Gereserveerd</cursief></vet></cursief></vet></al><al/><al><onderstreept>Artikel 2:69
                                    <cursief>Gereserveerd</cursief></onderstreept></al><al/><al><onderstreept>Artikel 2:70
                                    <cursief>Gereserveerd</cursief></onderstreept></al><al/><al><onderstreept>Artikel 2:71
                                    <cursief>Gereserveerd</cursief></onderstreept></al><al/><al><onderstreept>Artikel 2:72
                                    <cursief>Gereserveerd</cursief></onderstreept></al><al/><al><vet>Afdeling 16 Carbidschieten</vet></al><al/><al><onderstreept>Artikel 2:73 Begripsomschrijvingen</onderstreept></al><al>In deze afdeling wordt verstaan onder:</al><al> a. bevoegd bestuursorgaan: het college of, voor zover het betreft
                                openbare samenkomsten en vermakelijkheden als bedoeld in artikel 174
                                van de Gemeentewet, de burgemeester; </al><al>b. bus: een al dan niet originele melkbus, of een andere bus van
                                staal of ijzer, een container, een opslagvat, een buis of een ander
                                daarmee gelijk te stellen voorwerp; </al><al> c. carbidschieten: het in een bus op explosieve wijze verbranden
                                van acetyleengas afkomstig van een reactie tussen carbid
                                (calciumacetylide) en water of van een gasmengsel met vergelijkbare
                                eigenschappen. </al><al/><al><onderstreept>Artikel 2:74 Verbod carbidschieten</onderstreept></al><al>Carbidschieten in de openlucht is verboden. </al><al/><al><onderstreept>Artikel 2:75 Vrijstelling verbod</onderstreept></al><al>1. Het verbod gesteld in artikel 2:74 geldt niet indien
                                carbidschieten plaatsvindt op 31 december tussen 10.00 en 24.00 uur
                                en op 1 januari tussen 00.00 en 02.00 uur, mits:</al><al>a. daarbij gebruik wordt gemaakt van een bus met een inhoud van ten
                                hoogste één liter;</al><al>b. daarbij geen handelingen worden verricht of nagelaten waarvan
                                degene die het carbidschieten verricht weet of redelijkerwijs moet
                                vermoeden dat daardoor gevaar, schade of hinder kan optreden voor
                                personen of voor de omgeving.</al><al>2. Onverminderd het bepaalde in het eerste lid, geldt het verbod
                                gesteld in artikel 2:74 eveneens niet indien carbidschieten
                                plaatsvindt op 31 december tussen 10.00 en 24.00 uur en op 1 januari
                                tussen 00.00 en 02.00 uur buiten de bebouwde kom, mits:</al><al>a. daarbij gebruik wordt gemaakt van een bus met een inhoud van ten
                                hoogste 50 liter;</al><al>b. daarbij geen handelingen worden verricht of nagelaten waarvan
                                degene die het carbidschieten verricht weet of redelijkerwijs moet
                                vermoeden dat daardoor gevaar, schade of hinder kan optreden voor
                                personen of voor de omgeving;</al><al>c. degene die het carbidschieten verricht, een schriftelijke
                                toestemming daartoe kan overleggen van de eigenaar van het terrein
                                van waaraf wordt geschoten;</al><al>d. de plaats op het terrein van waaraf wordt geschoten is
                                gelegen:</al><al>i. op een afstand van ten minste 75 meter van woonbebouwing;</al><al>ii. op een afstand van ten minste 300 meter van inrichtingen voor de
                                intramurale zorg;</al><al>iii. op een afstand van ten minste 300 meter van in gebruik zijnde
                                voorzieningen voor het houden van dieren;</al><al>iv. op een afstand van ten minste 500 meter van een
                                vogelbeschermingsgebied.</al><al>e. wordt geschoten in een richting welke tegengesteld is aan de
                                richting waarin de dichtstbijzijnde bebouwing is gelegen;</al><al>f. het vrije schootsveld ten minste 75 meter is en hierin geen
                                verharde openbare wegen of paden liggen;</al><al>g. er geen busdeksel of andere gevaarzettende voorwerpen worden
                                weggeschoten;</al><al>h. het gebruik van (voet)ballen of andere afsluitingen zodanig is
                                dat daardoor geen schade aan mens, dier of goed kan worden
                                veroorzaakt;</al><al>i. het terrein van waaraf wordt geschoten is afgezet met linten of
                                ander vergelijkbaar materiaal;</al><al>j. binnen een cirkel met een straal van 100 meter rond de plaats
                                waar het car bidschieten plaatsvindt, in totaal niet meer dan tien
                                bussen voor het carbid schieten worden gebruikt dan wel
                                gebruiksklaar voor carbidschieten aanwezig worden gehouden;</al><al>k. de bussen zodanig stevig in de bodem, in een frame of op andere
                                wijze zijn verankerd, dat terugslag wordt voorkomen;</al><al>l. het carbidschieten plaatsvindt door een persoon van ten minste 18
                                jaar oud die niet verkeert onder invloed van alcohol of andere
                                psychotrope stoffen;</al><al>m. teneinde de veiligheid van het publiek en de eigen veiligheid te
                                waarborgen, toezicht op het carbidschieten wordt gehouden door ten
                                minste één persoon van ten minste 18 jaar oud die niet verkeert
                                onder invloed van alcohol of andere psychotrope stoffen;</al><al>n. het terrein van waaraf wordt geschoten goed is verlicht indien
                                het carbidschieten plaatsvindt na zonsondergang.
                                    </al><al/><al><onderstreept>Artikel 2:76 Bij zich hebben van
                                carbid</onderstreept></al><al>1. Het is verboden op of aan de weg carbid bij zich te hebben op
                                andere dagen dan op 31 december tussen 10.00 en 24.00 uur en op 1
                                januari tussen 00.00 en 02.00 uur.</al><al>2. Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op degenen
                                aan wie carbid is afgeleverd, gedurende de tijd die nodig is om
                                thuis te komen, noch op degene die aannemelijk maakt dat hij het
                                carbid nodig heeft in de uitoefening van beroep of bedrijf. </al><al>Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op de houder
                                van een ontheffing als bedoeld in artikel 2:78.</al><al/><al><onderstreept>Artikel 2:77 Aanwijzing gebieden zonder
                                    vrijstelling</onderstreept></al><al>Het bevoegd bestuursorgaan kan ter voorkoming van gevaar, schade of
                                overlast of in het belang van de natuurbescherming, een of meer
                                gedeelten van de gemeente of een of meer bepaalde plaatsen aanwijzen
                                waar het gestelde in artikel 2:75 niet van toepassing is.</al><al/><al><onderstreept>Artikel 2:78 Ontheffing</onderstreept></al><al>Het bevoegde bestuursorgaan kan ontheffing verlenen van het in
                                artikel 2:74 gestelde verbod.Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3.
                                van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking
                                bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing. </al><al/><al><onderstreept>Artikel 2:79 Toepasselijkheid</onderstreept></al><al>Deze afdeling is niet van toepassing voor zover de Wet milieubeheer,
                                de Wet wapens en munitie, de Wet milieugevaarlijke stoffen, de Wet
                                vervoer gevaarlijke stoffen of het Wetboek van Strafrecht van
                                toepassing is.</al><al/><al><vet>Afdeling 17 Toezicht op growshops, smartshops, belwinkels en
                                    internetcafés</vet></al><al/><al><onderstreept>Artikel 2:80 Begripsomschrijvingen</onderstreept></al><al>In deze afdeling wordt verstaan onder: </al><al> a. inrichting: </al><al> een voor het publiek toegankelijke ruimte waarin bedrijfsmatig, in
                                een omvang alsof zij bedrijfsmatig was of anders dan om niet,
                                handelingen en werkzaamheden worden verricht die verband houden met
                                dan wel inherent zijn aan het exploiteren van hetgeen in het
                                maatschappelijk verkeer wordt aangeduid als een growshop, smartshop,
                                belwinkel of internetcafé; het gaat hier zowel om groothandels als
                                om detailhandelszaken; </al><al> b. exploitant: </al><al> de natuurlijke persoon of personen of de rechtspersoon of personen,
                                voor wiens rekening en risico de inrichting wordt geëxploiteerd en
                                de tot vertegenwoordiging van die rechtspersoon of personen bevoegde
                                natuurlijke personen; </al><al> c. leidinggevende: </al><al> de exploitant alsmede andere natuurlijke personen, die algemene of
                                onmiddellijke leiding geven aan een inrichting. </al><al> 2. In deze paragraaf wordt onder bezoeker niet verstaan: </al><al>a. de gezinsleden van de exploitant alsmede diens elders wonende
                                bloed- en aanverwanten, in de rechte lijn onbeperkt, in de zijlijn
                                tot en met de derde graad;</al><al>b. de personen die voorkomen in het register als bedoeld in artikel
                                438 van het Wetboek van Strafrecht; </al><al>c. de personen wier aanwezigheid in de inrichting wegens dringende
                                redenen noodzakelijk is; </al><al>d. het dienstdoend personeel. </al><al/><al><onderstreept>Artikel 2:81 Vergunningplicht</onderstreept></al><al>1. Het is verboden een inrichting te exploiteren zonder vergunning
                                van de burgemeester.</al><al>2. De vergunning wordt uitsluitend verleend aan de exploitant en kan
                                niet worden overgedragen. </al><al>3. De burgemeester weigert de vergunning als bedoelt in het eerste
                                lid of trekt deze geheel of gedeeltelijk in wanneer feiten en
                                omstandigheden erop wijzen of redelijkerwijs doen vermoeden dat ter
                                verkrijging van de vergunning een strafbaar feit is gepleegd of
                                wanneer sprake is van:</al><al>a. Het benutten van voordelen uit strafbare feiten en</al><al>b. Het plegen van strafbare feiten.</al><al>4. Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet
                                bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig
                                beslissen) niet van toepassing. </al><al/><al><onderstreept>Artikel 2:82 Gedragseisen</onderstreept></al><al>1. Voor het verkrijgen van een vergunning moeten de leidinggevenden
                                de leeftijd van 18 jaar hebben bereikt en voldoen aan de bij of
                                krachtens artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a en b, en derde
                                lid, van de Drank- en Horecawet aan leidinggevenden gestelde eisen. </al><al>2. Het is verboden een inrichting te exploiteren indien door de
                                leidinggevenden niet of niet langer wordt voldaan aan de bij of
                                krachtens artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a en b, en derde
                                lid, van de Drank- en Horecawet aan leidinggevenden gestelde eisen. </al><al/><al><onderstreept>Artikel 2:83 Aanwezigheid
                                    leidinggevende</onderstreept></al><al>Het is verboden de inrichting geopend te hebben zonder dat een op de
                                vergunning vermelde leidinggevende aanwezig is.</al><al/><al><onderstreept>Artikel 2:84 Weigeringsgronden</onderstreept></al><al>De vergunning wordt geweigerd indien:</al><al>a. de vestiging of exploitatie strijd oplevert met het geldende
                                bestemmingsplan;</al><al>b. de leidinggevenden binnen drie jaar voor de aanvraag een
                                inrichting heeft geëxploiteerd of daar leiding aan heeft gegeven,
                                die wegens het aantasten van de openbare orde, de aantasting van het
                                woon- en leefklimaat daaronder begrepen, dan wel op basis van
                                artikel 13b Opiumwet gesloten is geweest dan wel waarvoor de
                                vergunning om die reden is ingetrokken;</al><al>c. de leidinggevenden de leeftijd van 18 jaar nog niet hebben
                                bereikt; </al><al>d. de leidinggevenden niet voldoen aan de bij of krachtens artikel
                                8, tweede lid, aanhef en onder a en b, en derde lid, van de Drank-
                                en Horecawet aan leidinggevenden gestelde eisen; </al><al>e. naar het oordeel van de burgemeester moet worden aangenomen dat
                                de woon- en leefsituatie in de omgeving van de inrichting en/of de
                                openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed door de
                                aanwezigheid van de inrichting;</al><al>f. er sprake is van een concentratie van inrichtingen in een bepaald
                                gebied, waardoor het gevaar voor aantasting van de openbare orde of
                                het woon- en leefklimaat cumulatief toeneemt; </al><al>g. de inrichting gevestigd is in de onmiddellijke nabijheid van
                                horecabedrijven of winkels met een dusdanig andere bezoekersgroep,
                                dat de ontmoeting tussen de verschillende bezoekersgroepen openbare
                                ordeproblemen tot gevolg heeft of tot gevolg dreigt te hebben;</al><al>h. de inrichting gevestigd is in de directe nabijheid van een
                                terrein waarop een school of jongerencentrum is gehuisvest; </al><al>i. redelijkerwijze moet worden aangenomen, dat de feitelijke
                                toestand niet met het in de aanvraag vermelde in overeenstemming zal
                                zijn. </al><al>j. Feiten en omstandigheden erop wijzen of redelijkerwijs doen
                                vermoeden dat ter verkrijging van de vergunning een strafbaar feit
                                is gepleegd of wanneer sprake is van:</al><al>1. het benutten van voordelen uit strafbare feiten en</al><al>2. het plegen van strafbare feiten.</al><al/><al><onderstreept>Artikel 2:85
                                    Sluitingsuur</onderstreept></al><al>1. Op de openingstijden van de inrichting is het bij of krachtens de
                                Winkeltijdenwet bepaalde van toepassing.</al><al>2. Het is de leidinggevenden van een inrichting verboden deze voor
                                bezoekers geopend te hebben of daarin of aldaar één of meer
                                bezoekers toe te laten of te laten verblijven gedurende de tijden
                                dat de inrichting op grond van de in het eerste lid bedoelde
                                regelgeving voor het publiek gesloten dient te zijn. </al><al/><al><onderstreept>Artikel 2:86 Afwijking sluitingsuur;
                                    tijdelijke sluiting</onderstreept></al><al>1. De burgemeester kan in het belang van de openbare orde,
                                veiligheid, zedelijkheid of gezondheid, of in geval van bijzondere
                                omstandigheden, te zijner beoordeling, voor één of meer
                                inrichtingen, tijdelijk andere dan de krachtens in artikel
                                2:85.,eerste lid, bedoelde regelgeving geldende sluitingsuren
                                vaststellen of tijdelijk sluiting bevelen. </al><al>2. Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover artikel 13b
                                van de Opiumwet van toepassing is. </al><al/><al><onderstreept>Artikel 2:87 Sluiting</onderstreept></al><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 2:86 kan de burgemeester een
                                inrichting, al dan niet voor een bepaalde termijn gesloten verklaren
                                indien:</al><al>a. gehandeld wordt in strijd met het bepaalde in de artikelen 2:81,
                                eerste lid, 2:82., tweede lid, of 2:91, eerste lid;</al><al>b. gehandeld wordt in strijd met de aan de vergunning verbonden
                                voorschriften.</al><al/><al><onderstreept>Artikel 2:88 Aanwezigheid in gesloten
                                    inrichting.</onderstreept></al><al>1. Het is verboden gedurende de tijd dat een inrichting ingevolge de
                                in artikel 2:85, eerste lid, bedoelde regelgeving of krachtens een
                                op grond van artikel 2:86 dan wel artikel 2:87 genomen besluit voor
                                bezoekers gesloten dient te zijn, zich als bezoeker daarin of aldaar
                                te bevinden;</al><al>2. Het is de leidinggevenden van een inrichting verboden gedurende
                                de tijd dat een inrichting ingevolge een op grond van artikel 2:86
                                dan wel artikel 2:87 genomen besluit voor bezoekers gesloten dient
                                te zijn, deze inrichting voor bezoekers geopend te hebben of daarin
                                of aldaar een of meer bezoekers toe te laten of te laten verblijven.
                                </al><al/><al><onderstreept>Artikel 2:89 Intrekking vergunning</onderstreept></al><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 1.6 wordt de vergunning
                                ingetrokken indien:</al><al>a. de exploitatie van de inrichting door een andere dan de in de
                                vergunning genoemde exploitant is of wordt overgenomen e vestiging
                                of exploitatie strijd oplevert met het geldende
                                bestemmingsplan;</al><al>b. de leidinggevenden niet of niet langer voldoen aan de bij of
                                krachtens artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a en b, en derde
                                lid, van de Drank- en Horecawet aan leidinggevenden gestelde
                                eisen;</al><al>c. aannemelijk is dat de leidinggevenden betrokken zijn bij of
                                ernstige nalatigheid kan worden verweten bij activiteiten als
                                bedoeld in artikel 3 Opiumwet;</al><al>d. dit anderszins noodzakelijk is in het belang van de openbare
                                orde, de aantasting van het woon- en leefklimaat daaronder begrepen.
                                </al><al/><al><onderstreept>Artikel 2:90 Wijziging vergunning</onderstreept>.</al><al>1. Wanneer er een verandering van omstandigheden optreedt, waardoor
                                er een wijziging in de vergunning dient te komen, dient de
                                exploitant onverwijld een wijzigingsaanvraag in te dienen. </al><al>2. Indien de aanvraag niet is ingediend binnen een maand na de
                                verandering van omstandigheden, kan de burgemeester de verleende
                                vergunning intrekken. </al><al/><al><onderstreept>Artikel 2:91 Verplaatsing
                                inrichting</onderstreept></al><al>1. Het is verboden een inrichting te verplaatsen zonder vergunning
                                van de burgemeester.</al><al>2. De burgemeester verleent deze vergunning alleen, indien het
                                algemeen belang dat naar zijn oordeel vordert en zich overigens geen
                                van de in artikel 2:84 genoemde weigeringsgronden voordoet.
                                </al><al/><al><onderstreept>Artikel 2:92 Overgangsbepaling</onderstreept></al><al>Verbodsbepalingen ten aanzien van inrichtingen waarvoor een
                                vergunning vereist is krachtens deze paragraaf, zijn niet van
                                toepassing:</al><al>a. gedurende zes maanden na het in werking treden van deze
                                paragraaf;</al><al>b. ook na de onder a bepaalde termijn, voorzover degenen die de
                                vergunning nodig hebben, binnen deze termijn een aanvraag hebben
                                ingediend, totdat onherroepelijk op deze aanvraag is beslist.</al><al/><al/></structuurtekst></afdeling></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3.</nr><titel>SEKSINRICHTINGEN, SEKSWINKELS, STRAATPROSTITUTIE E.D.</titel></kop><structuurtekst><al>Afdeling 1. Begripsbepalingen </al><al/><al><onderstreept>Artikel 3:1 </onderstreept><onderstreept>
                                Begripsbepalingen</onderstreept></al><al>In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:</al><al>a. prostitutie: het zich beschikbaar stellen tot het verrichten van
                            seksuele handelingen met een ander tegen vergoeding;</al><al>b. prostituee: degene die zich beschikbaar stelt tot het verrichten van
                            seksuele handelingen met een ander tegen vergoeding;</al><al>c. seksinrichting: de voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte
                            waarin bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was
                            seksuele handelingen worden verricht, of vertoningen van
                            erotisch-pornografische aard plaatsvinden. Onder een seksinrichting
                            worden in elk geval verstaan: een seksbioscoop, seksautomatenhal,
                            sekstheater, een parenclub of een prostitutiebedrijf waaronder tevens
                            begrepen een erotische-massagesalon, al dan niet in combinatie met
                            elkaar;</al><al>d. escortbedrijf: de natuurlijke persoon, groep van personen of
                            rechtspersoon die bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig
                            was prostitutie aanbiedt die op een andere plaats dan in de
                            bedrijfsruimte wordt uitgeoefend;</al><al>e. sekswinkel: de voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin
                            hoofdzakelijk goederen van erotisch-pornografische aard aan
                            particulieren plegen te worden verkocht of verhuurd; </al><al> f. exploitant: de natuurlijke persoon of personen of rechtspersoon of
                            rechtspersonen die een seksinrichting of escortbedrijf exploiteert, dan
                            wel exploiteren en de tot vertegenwoordiging van die rechtspersoon of
                            rechtspersonen bevoegde natuurlijke persoon of personen;</al><al>g. beheerder: de natuurlijke persoon of personen die de onmiddellijke
                            feitelijke leiding uitoefent, dan wel uitoefenen in een seksinrichting
                            of escortbedrijf;</al><al>h. bezoeker: degene die aanwezig is in een seksinrichting, met
                            uitzondering van:</al><al>1. de exploitant; </al><al>2. de beheerder;</al><al>3. de prostituee;</al><al>4. het personeel dat in de seksinrichting werkzaam is;</al><al>5. toezichthouders die zijn aangewezen op grond van artikel 6.2 van deze
                            verordening;</al><al>6. andere personen wier aanwezigheid in de seksinrichting wegens
                            dringende redenen noodzakelijk is. </al><al/><al><onderstreept>Artikel 3:2 Bevoegd
                            bestuursorgaan</onderstreept></al><al>In dit hoofdstuk wordt verstaan onder bevoegd bestuursorgaan: het
                            college of, voor zover het betreft voor het publiek openstaande gebouwen
                            en daarbij behorende erven als bedoeld in artikel 174 van de
                            Gemeentewet, de burgemeester. </al><al/><al><onderstreept>Artikel 3:3 Nadere
                            regels</onderstreept></al><al>Met het oog op de in artikel 3:13 genoemde belangen, kan het college
                            over de uitoefening van de bevoegdheden zoals genoemd in dit hoofdstuk
                            nadere regels vaststellen.</al><al/><al>Afdeling 2. Seksinrichtingen, straatprostitutie, sekswinkels en
                            dergelijke .</al><al/><al><onderstreept>Artikel 3:4
                            Seksinrichtingen</onderstreept></al><al>1. Het is verboden een seksinrichting of escortbedrijf te exploiteren of
                            te wijzigen zonder vergunning van het bevoegd bestuursorgaan.</al><al>2. In de aanvraag om vergunning en in de vergunning wordt in ieder geval
                            vermeld:</al><al>a. de persoonsgegevens van de exploitant;</al><al>b. de persoonsgegevens van de beheerder; en</al><al>c. de aard van de seksinrichting of het escortbedrijf.</al><al>3. Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet
                            bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen)
                            niet van toepassing. </al><al/><al><onderstreept>Artikel 3:5 Gedragseisen exploitant en
                                beheerder</onderstreept></al><al>1. De exploitant en de beheerder:</al><al>a. staat niet onder curatele en is niet ontzet uit de ouderlijke macht
                            of de voogdij;</al><al>b. is niet in enig opzicht van slecht levensgedrag; en</al><al>c. heeft de leeftijd van eenentwintig jaar bereikt.</al><al>2. Naast de gestelde eisen in het eerste lid, is de exploitant en de
                            beheerder niet:</al><al>a. met toepassing van artikel 37 van het Wetboek van Strafrecht in een
                            psychiatrisch ziekenhuis geplaatst of met toepassing van artikel 37a van
                            het Wetboek van Strafrecht ter beschikking gesteld;</al><al>b. binnen de laatste vijf jaar onherroepelijk veroordeeld tot een
                            onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van zes maanden of meer door de rechter
                            in Nederland, inclusief de drie openbare lichamen Bonaire, Saba en
                            Sint-Eustatius, dan wel door een andere rechter wegens een misdrijf
                            waarvoor naar Nederlands recht een bevel tot voorlopige hechtenis
                            ingevolge artikel 67, eerste lid van het Wetboek van Strafvordering is
                            toegelaten;</al><al>c. binnen de laatste vijf jaar bij tenminste twee rechterlijke
                            uitspraken onherroepelijk veroordeeld tot een onvoorwaardelijke
                            geldboete van 500 euro of meer of tot een andere hoofdstraf als bedoeld
                            in artikel 9, eerste lid, onder a van het Wetboek van Strafrecht, wegens
                            dan wel mede wegens overtreding van:</al><al>I. bepalingen gesteld bij of krachtens de Drank- en Horecawet, de
                            Opiumwet, de Vreemdelingenwet en de Wet arbeid vreemdelingen;</al><al>II. de artikelen 137c tot en met 137g, 140, 240b, 242 tot en met 249,
                            252, 250a (oud), 273a, 300 tot en met 303, 416, 417, 417bis, 426,
                            429quater en 453 van het Wetboek van Strafrecht;</al><al>III. de artikelen 8 en 162, derde lid, alsmede artikel 6 juncto artikel
                            8 of juncto artikel 163 van de Wegenverkeerswet 1994;</al><al>IV. de artikelen 1, onder a, b en d, 13, 14, 27 en 30b van de Wet op de
                            kansspelen;</al><al>V. de artikelen 2 en 3 van de Wet op de weerkorpsen;</al><al>VI.de artikelen 54 en 55 van de Wet wapens en munitie.</al><al>3. Met een veroordeling als bedoeld in het tweede lid wordt gelijk
                            gesteld:</al><al>a. vrijwillige betaling van een geldsom als bedoeld in artikel 74,
                            tweede lid onder a van het Wetboek van Strafrecht of artikel 76, derde
                            lid onder a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, tenzij de
                            geldsom minder dan 375 euro bedraagt;</al><al>b. een bevel tot tenuitvoerlegging van een voorwaardelijke straf.</al><al>4. De periode van vijf jaar, genoemd in het tweede lid, wordt:</al><al>a. bij de weigering van een vergunning teruggerekend vanaf de datum van
                            beslissing op de aanvraag van de vergunning;</al><al>b. bij de intrekking van een vergunning teruggerekend vanaf de datum van
                            de intrekking van deze vergunning.</al><al>5. De exploitant of de beheerder is binnen de laatste vijf jaar geen
                            exploitant of beheerder geweest van een seksinrichting of escortbedrijf
                            die voor ten minste een maand door het bevoegde bestuursorgaan is
                            gesloten, of waarvan de vergunning bedoeld in artikel 3:4, eerste lid,
                            is ingetrokken, tenzij aannemelijk is dat hem terzake geen verwijt
                            treft. </al><al/><al><onderstreept>Artikel 3:6
                            Sluitingstijden</onderstreept></al><al>1. Het is verboden een seksinrichting voor bezoekers geopend te hebben
                            en daarin bezoekers toe te laten of te laten verblijven tussen 02.00 en
                            06.00 uur.</al><al>2. Het bevoegd bestuursorgaan kan door middel van een voorschrift als
                            bedoeld in artikel 1:4 voor een afzonderlijke seksinrichting andere
                            sluitingstijden vaststellen.</al><al>3. Het is bezoekers van een seksinrichting verboden zich daarin te
                            bevinden gedurende de tijd dat die seksinrichting krachtens het eerste
                            lid of tweede lid, dan wel krachtens artikel 3.7, eerste lid, gesloten
                            dient te zijn.</al><al>4. Het in het eerste tot en met derde lid bepaalde geldt niet voor zover
                            in de daarin geregelde onderwerpen wordt voorzien door de op de Wet
                            milieubeheer gebaseerde voorschriften.</al><al/><al><onderstreept>Artikel 3:7 Tijdelijke afwijking sluitingstijden;
                                (tijdelijke) sluiting</onderstreept> 1. Met het oog
                            op de in artikel 3:13, tweede lid, genoemde belangen of in geval van
                            strijdigheid met de bepalingen in dit hoofdstuk kan het bevoegd
                            bestuursorgaan:</al><al>a. tijdelijk andere dan de krachtens artikel 3:6, eerste of tweede lid,
                            geldende sluitingsuren vaststellen;</al><al>b. van een afzonderlijke seksinrichting al dan niet tijdelijk de
                            gedeeltelijke of algehele sluiting bevelen.</al><al>2. Onverminderd het bepaalde in artikel 3:41 van de Algemene wet
                            bestuursrecht, maakt het bevoegd bestuursorgaan het in het eerste lid
                            bedoelde besluit openbaar bekend overeenkomstig artikel 3:42 Algemene
                            wet bestuursrecht. </al><al/><al><onderstreept>Artikel 3:8 Aanwezigheid van en toezicht door exploitant
                                en beheerder</onderstreept></al><al>1. Het is verboden een seksinrichting voor bezoekers geopend te hebben,
                            zonder dat de ingevolge artikel 3:4 op de vergunning vermelde exploitant
                            of beheerder in de seksinrichting aanwezig is.</al><al>2. De exploitant en de beheerder zien er voortdurend op toe dat in de
                            seksinrichting:</al><al>a. geen strafbare feiten plaatsvinden, waaronder in ieder geval de
                            feiten genoemd in de titels XIV (misdrijven tegen de zeden), XVIII
                            (misdrijven tegen de persoonlijke vrijheid), XX (mishandeling), XXII
                            (diefstal) en XXX (heling) van het Tweede Boek van het Wetboek van
                            Strafrecht, in de Opiumwet en in de Wet wapens en munitie; en</al><al>b. geen prostitutie wordt uitgeoefend door personen in strijd met het
                            bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of de Vreemdelingenwet
                            bepaalde. </al><al/><al><onderstreept>Artikel 3:9
                            Straatprostitutie</onderstreept></al><al>1. Het is verboden, door handelingen, houding, woord, gebaar of op
                            andere wijze, passanten tot prostitutie te bewegen, uit te nodigen dan
                            wel aan te lokken:</al><al>a. op of aan andere dan door het college aangewezen wegen of
                            gebieden;</al><al>b. gedurende andere dan door het college vastgestelde tijden.</al><al>2. Met het oog op de naleving van het in het eerste lid gestelde verbod,
                            kan door politieambtenaren het bevel worden gegeven zich onmiddellijk in
                            een bepaalde richting te verwijderen.</al><al>3. Met het oog op de in artikel 3:13, tweede lid, genoemde belangen kan
                            door politieambtenaren aan personen die zich bevinden op de wegen en
                            gedurende de tijden bedoeld in het eerste lid, het bevel worden gegeven
                            zich onmiddellijk in een bepaalde richting te verwijderen.</al><al>4. De burgemeester kan met het oog op de in artikel 3:13, tweede lid,
                            genoemde belangen personen aan wie ten minste eenmaal een bevel is
                            gegeven als bedoeld in het derde lid bij besluit verbieden zich
                            gedurende bepaalde termijn, anders dan in een openbaar middel van
                            vervoer, te bevinden op of aan de wegen en op de tijden bedoeld in het
                            eerste lid.</al><al>5. De burgemeester beperkt het in het vierde lid genoemde verbod indien
                            dat in verband met de persoonlijke omstandigheden van betrokkene
                            noodzakelijk is.</al><al>6. Het is verboden zich te gedragen in strijd met een door de
                            burgemeester opgelegd verbod als bedoeld in het vierde
                            lid.</al><al/><al><onderstreept>Artikel 3:10
                            Sekswinkels</onderstreept></al><al>Het is de rechthebbende op een onroerende zaak verboden daarin een
                            sekswinkel te exploiteren in door het college in het belang van de
                            openbare orde of de woon- en leefomgeving aangewezen gebieden of delen
                            van de gemeente. </al><al/><al><onderstreept>Artikel 3:11 Tentoonstellen, aanbieden en aanbrengen van
                                erotisch-pornografische goederen, afbeeldingen en
                                dergelijke</onderstreept></al><al>1. Het is de rechthebbende op een onroerende zaak verboden daarin of
                            daarop goederen, opschriften, aankondigingen, gedrukte of geschreven
                            stukken dan wel afbeeldingen van erotisch-pornografische aard openlijk
                            ten toon te stellen, aan te bieden of aan te brengen:</al><al>a. indien het bevoegd bestuursorgaan aan de rechthebbende heeft
                            bekendgemaakt dat de wijze van tentoonstellen, aanbieden of aanbrengen
                            daarvan, de openbare orde of de woon- en leefomgeving in gevaar
                            brengt;</al><al>b. anders dan overeenkomstig de door het bevoegd bestuursorgaan in het
                            belang van de openbare orde of de woon- en leefomgeving gestelde
                            regels.</al><al>2. Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing op het
                            tentoonstellen, aanbieden of aanbrengen van goederen, opschriften,
                            aankondigingen, gedrukte of geschreven stukken dan wel afbeeldingen, die
                            dienen tot het openbaren van gedachten en gevoelens als bedoeld in
                            artikel 7, eerste lid, van de Grondwet.</al><al/><al>Afdeling 3. Beslissingstermijn en weigingsgronden</al><al/><al><onderstreept>Artikel 3:12 Beslissingstermijn </onderstreept></al><al> 1. In afwijking van het bepaalde in artikel 1:2 neemt het bevoegd
                            bestuursorgaan een besluit op de aanvraag om vergunning bedoeld in
                            artikel 3.4, eerste lid, binnen twaalf weken na de dag waarop de
                            aanvraag ontvangen is.</al><al>2. Het bevoegd bestuursorgaan kan zijn besluit voor ten hoogste twaalf
                            weken verdagen. </al><al/><al><onderstreept>Artikel 3:13
                            Weigeringsgronden</onderstreept></al><al>1. De vergunning bedoeld in artikel 3:4, eerste lid, wordt geweigerd
                            indien:</al><al>a. de exploitant of de beheerder niet voldoet aan de in artikel 3:5
                            gestelde eisen;</al><al>b. de vestiging of de exploitatie van de seksinrichting of het
                            escortbedrijf in strijd is met een geldend bestemmingsplan,
                            stadsvernieuwingsplan of leefmilieuverordening;</al><al>c. er aanwijzingen zijn dat in de seksinrichting of het escortbedrijf
                            personen werkzaam zijn of zullen zijn in strijd met artikel 273f van het
                            Wetboek van Strafrecht of met het bij of krachtens de Wet arbeid
                            vreemdelingen of de Vreemdelingenwet bepaalde.</al><al>2. Voor seksinrichtingen en in Nederland gevestigde escortbedrijven kan
                            onverminderd het bepaalde in artikel 1:8, de vergunning bedoeld in
                            artikel 3:4, eerste lid, dan wel de aanwijzing of vaststelling bedoeld
                            in artikel 3:9, eerste lid, worden geweigerd in het belang van:</al><al>a. het voorkomen of beperken van overlast;</al><al>b. het voorkomen of beperken van aantasting van het woon- en
                            leefklimaat;</al><al>c. de veiligheid van personen of goederen;</al><al>d. de verkeersvrijheid of – veiligheid;</al><al>e. de gezondheid of zedelijkheid;</al><al>f. de arbeidsomstandigheden van de prostituee. </al><al/><al>Afdeling 4. Beëindiging exploitatie en wijziging beheer
                            </al><al/><al><onderstreept>Artikel 3:14 Beëindiging
                            exploitatie</onderstreept></al><al>1. De vergunning vervalt zodra de ingevolge artikel 3:4 op de vergunning
                            vermelde exploitant, de exploitatie van de seksinrichting of het
                            escortbedrijf feitelijk heeft beëindigd.</al><al>2. Binnen een week na de feitelijke beëindiging van de exploitatie, doet
                            de exploitant daarvan schriftelijk melding bij het bevoegd
                            bestuursorgaan. </al><al/><al><onderstreept>Artikel 3:15 Wijziging
                            beheer</onderstreept></al><al>1. Indien een beheerder als bedoeld in artikel 3:1, onder g, het beheer
                            in de seksinrichting of het escortbedrijf feitelijk heeft beëindigd,
                            doet de exploitant daarvan binnen een week na de feitelijke beëindiging
                            van het beheer schriftelijk melding bij het bevoegd bestuursorgaan.</al><al>2. Het beheer kan worden uitgeoefend door een nieuwe beheerder, indien
                            het bevoegd bestuursorgaan op aanvraag van de exploitant heeft besloten
                            de verleende vergunning overeenkomstig de wijziging in het beheer te
                            wijzigen. Het bepaalde in artikel 3:13, eerste lid, aanhef en onder a,
                            is van overeenkomstige toepassing.</al><al>3. In afwachting van het besluit bedoeld in het tweede lid, kan het
                            beheer worden uitgeoefend door een nieuwe beheerder zodra de exploitant
                            een aanvraag als bedoeld in het tweede lid heeft ingediend, totdat over
                            de aanvraag is besloten. </al><al/></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4.</nr><titel>BESCHERMING VAN HET MILIEU EN HET NATUURSCHOON EN ZORG VOOR HET
                            UITERLIJK AANZIEN VAN DE GEMEENTE</titel></kop><structuurtekst><al><vet>Afdeling 1. Geluid- en lichthinder</vet></al><al/><al/><al><onderstreept>Artikel 4:1 Begripsomschrijvingen</onderstreept></al><al>Deze afdeling verstaat onder:</al><al> a. besluit: het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer; </al><al> b. inrichting: een inrichting type A of B als bedoeld in het besluit; </al><al>c. houder van een inrichting: degene die als eigenaar, leidinggevende of
                            anderszins een inrichting drijft; </al><al> d. openbare inrichting: een openbare inrichting als bedoeld in artikel
                            2:23; </al><al> e. sportinrichting: inrichting waarbij uitsluitend of in hoofdzaak
                            sprake is van een of meer voorzieningen of installaties voor het in de
                            open lucht of in een besloten ruimte beoefenen van sport in
                            wedstrijdverband, ter voorbereiding van wedstrijden of voor recreatieve
                            doeleinden;</al><al> f. recreatie-inrichting: inrichting waarbij uitsluitend of in hoofdzaak
                            sprake is van: </al><al>- een gelegenheid tot zwemmen of baden, </al><al>- een of meer voorzieningen voor het in een besloten ruimte dansen of
                            geven van dansonderricht, </al><al>- het in een besloten ruimte onderrichten van muziek of toneel, het
                            oefenen of houden van muziek-, toneel- of daarmee verwante uitvoeringen, </al><al>- het in een besloten ruimte vertonen van films, houden van
                            presentaties, vergaderingen of congressen, </al><al>- het tentoonstellen van gebruiksvoorwerpen of voortbrengsels van kunst,
                            cultuur of wetenschap, </al><al>- het in de open lucht vertonen van films, houden van muziek-, toneel of
                            daarmee verwante uitvoeringen, </al><al>- het bieden van gelegenheid tot het deelnemen aan kansspelen of om mee
                            te dingen naar prijzen of premies door enige kansbepaling; het gebruiken
                            van speelautomaten; </al><al>- het bieden van recreatief dagverblijf of het aanwezig zijn van een of
                            meer voorzieningen voor recreatieve doeleinden, </al><al>- het bieden van recreatief nachtverblijf in vakantiewoningen,
                            trekkershutten of op kampeerterreinen. </al><al> g. collectieve festiviteit: festiviteit die niet specifiek aan één of
                            een klein aantal inrichtingen is verbonden; </al><al> h. incidentele festiviteit: festiviteit of activiteit die gebonden is
                            aan één of een klein aantal inrichtingen, </al><al/><al><onderstreept>Artikel 4:2 Aanwijzing collectieve
                                festiviteiten</onderstreept></al><al>1. De geluidsnormen als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.19 en 2.20 van
                            het Besluit en artikel 4:6 van deze verordening gelden niet voor door
                            het college per kalenderjaar aan te wijzen collectieve festiviteiten
                            gedurende de daarbij aan te wijzen dagen of dagdelen ten aanzien van
                            inrichtingen waarop het oude Besluit horeca-, sport- en
                            recreatie-inrichtingen milieubeheer van toepassing was.</al><al>2. De voorwaarden met betrekking tot de verlichting ten behoeve van
                            sportbeoefening in de buitenlucht als bedoeld in artikel 4.113, eerste
                            lid, van het Besluit gelden niet voor door het college per kalenderjaar
                            aan te wijzen collectieve festiviteiten gedurende de daarbij aan te
                            wijzen dagen of dagdelen.</al><al>3. In een aanwijzing als bedoeld in het eerste en tweede lid, kan het
                            college bepalen dat de aanwijzing slechts geldt in een of meer delen van
                            de gemeente.</al><al>4. Het college maakt de aanwijzing ten minste vier weken voor het begin
                            van een nieuw kalenderjaar bekend.</al><al>5. Het college kan, wanneer een collectieve festiviteit redelijkerwijs
                            niet te voorzien was, een festiviteit terstond als collectieve
                            festiviteit als bedoeld in het eerste lid aanwijzen. In dit geval is het
                            bepaalde in het vierde lid niet van toepassing. </al><al/><al><onderstreept>Artikel 4:3 Melding incidentele
                                festiviteiten</onderstreept></al><al>1. Het is een inrichting toegestaan maximaal acht incidentele
                            festiviteiten per kalenderjaar te houden waarbij de geluidsnormen als
                            bedoeld in de artikelen 2.17, 2.19 en 2.20 van het Besluit en artikel
                            4:6 van deze verordening niet van toepassing zijn, mits de houder van de
                            inrichting ten minste twee weken voor de aanvang van de festiviteit dit
                            schriftelijk heeft gemeld bij het college.</al><al>2. Het is een inrichting die niet valt onder een inrichting als bedoeld
                            in het eerste lid toegestaan gedurende één dag per kalenderjaar
                            incidentele festiviteiten te houden waarbij de geluidsnormen als bedoeld
                            in de artikelen 2.17, 2.19 en 2.20 van het Besluit niet van toepassing
                            zijn, mits de houder van de inrichting ten minste twee weken voor de
                            aanvang van de festiviteit schriftelijk bij het college heeft
                            gemeld.</al><al>3. Het is een inrichting als bedoeld in het eerste lid toegestaan om
                            tijdens maximaal acht incidentele festiviteiten per kalenderjaar de
                            verlichting langer aan te houden ten behoeve van sportactiviteiten
                            waarbij artikel 4.113 , eerste lid, van het Besluit niet van toepassing
                            is, mits de houder van de inrichting dit ten minste twee weken voor de
                            aanvang van de festiviteit schriftelijk bij het college heeft
                            gemeld.</al><al>4. Het college stelt een formulier vast voor het doen van een
                            melding.</al><al>5. De melding wordt geacht te zijn gedaan wanneer het formulier,
                            volledig en naar waarheid ingevuld, tijdig is ingeleverd op de plaats op
                            dat formulier vermeld.</al><al>6. De melding wordt tevens geacht te zijn gedaan wanneer het college op
                            verzoek van de houder van een inrichting een incidentele festiviteit,
                            die redelijkerwijs niet te voorzien was, terstond toestaat.
                            </al><al/><al><onderstreept>Artikel 4:4 Verboden incidentele
                                festiviteiten</onderstreept></al><al>Het is verboden een incidentele festiviteit te organiseren, toe te
                            laten, feitelijk te leiden of daaraan deel te nemen indien:</al><al>a. de melding daarvan niet overeenkomstig het bepaalde in artikel 4:3 is
                            gedaan;</al><al>b. gehandeld wordt in afwijking van de gegevens die bij de melding als
                            bedoeld in artikel 4:3 zijn verstrekt;</al><al>c. de houder van de inrichting verzuimt te doen of na te laten hetgeen
                            redelijkerwijs gevergd kan worden om overmatige hinder te
                            voorkomen;</al><al>d. de burgemeester het organiseren van een incidentele festiviteit
                            verboden heeft wanneer naar zijn oordeel de woon- en leefsituatie in de
                            omgeving van de inrichting en/of de openbare orde op ontoelaatbare wijze
                            worden beïnvloed. </al><al/><al><onderstreept>Artikel 4:5 Geluidsplafond</onderstreept></al><al>Het college kan nadere regels stellen ter voorkoming of
                            beperking van geluidhinder bij collectieve of incidentele festiviteiten. </al><al/><al><onderstreept>Artikel 4:6 Aanwijzen
                                horecaconcentratiegebied</onderstreept></al><al>Het college kan een gebied aanwijzen als horecaconcentratiegebied als
                            bedoeld in artikel 6.16 van het Besluit. </al><al/><al><onderstreept>Artikel 4:7 Geluid- en trillingshinder door bouw-, sloop-
                                en onderhoudswerkzaamheden</onderstreept></al><al>1. Het is verboden toestellen, installaties of apparaten voor bouw-,
                            sloop- en onderhoudswerkzaamheden in werking te hebben of handelingen te
                            verrichten op een zodanige wijze dat voor een omwonende of voor de
                            omgeving ernstige hinder door geluid of trillingen wordt
                            veroorzaakt.</al><al>2. Het college kan van het verbod bedoeld in het eerste lid ontheffing
                            verlenen. Het college kan in dat geval degene die de activiteiten
                            verricht de verplichting opleggen tot storting van een financiële
                            bijdrage in een fonds waarvan de middelen worden aangewend indien
                            nadeelcompensatie vanwege bouwhinder aan de orde is. </al><al>3. </al><al>a. Het eerste lid is niet van toepassing op door het college aan te
                            wijzen activiteiten. Het college stelt beleidsregels met algemene
                            voorschriften op waaraan bij die activiteiten wordt voldaan.</al><al>b. Het eerste lid is evenmin van toepassing op door het college aan te
                            wijzen activiteiten die tussen 19.00 en 07.00 uur of op zaterdagen,
                            zondagen en algemeen erkende feestdagen plaatsvinden. Het college stelt
                            beleidsregels op met algemene voorschriften waaraan bij die activiteiten
                            wordt voldaan. Een tijdige melding van deze activiteiten bij het college
                            is vereist.</al><al>c. De onder a en b bedoelde voorschriften kunnen onder meer
                            betreffen:</al><al>I. het maximale geluid- en trillingsniveau;</al><al>II. de situering van geluid- en trillingsbronnen;</al><al>III. de frequentie en tijden van gebruik;</al><al>IV. communicatie.</al><al>4. Het in het eerste lid bedoelde verbod geldt niet voor zover in het
                            daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet milieubeheer, de
                            Wet geluidhinder, de Zondagswet, de Wet openbare manifestaties, het
                            Vuurwerkbesluit, het Wetboek van Strafrecht, de Luchtvaartwet, het
                            Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens 1990, de Wegenverkeerswet
                            1994 of de Provinciale milieuverordening Zeeland. </al><al/><al><onderstreept>Artikel 4:7a Overige geluidhinder</onderstreept></al><al>1. Het is verboden toestellen of geluidsapparaten in werking te hebben
                            of handelingen te verrichten op een zodanig wijze dat voor een omwonende
                            of voor de omgeving geluidhinder optreedt.</al><al>2. Het college kan van het verbod bedoeld in het eerste lid ontheffing
                            verlenen.</al><al>3. Het college kan activiteiten aanwijzen waarop het in het eerste lid
                            bedoeld verbod niet van toepassing is wanneer wordt voldaan aan de door
                            het college vast te stellen voorschriften, waaronder het bepaalde in
                            artikel 2:75.</al><al>4. De in het derde lid bedoeld voorschriften kunnen onder meer
                            betreffen:</al><al>a. het maximale geluidsniveau;</al><al>b. de situering van geluidsbronnen;</al><al>c. de frequentie en tijden van gebruik;</al><al>d. communicatie.</al><al>5. Het in het eerste lid bedoelde verbod geldt niet voor zover artikel
                            4:7 van toepassing is.</al><al>6. Het in het eerste lid bedoelde verbod geldt niet voor zover in het
                            daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet milieubeheer, de
                            Wet geluidhinder, de Zondagswet, de Wet openbare manifestaties, het
                            Vuurwerkbesluit, het Wetboek van Strafrecht, de Luchtvaartwet, het
                            Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens 1990, de Wegenverkeerswet
                            1994 of de Provinciale milieuverordening Zeeland.</al><al>7. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet
                            bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen)
                            niet van toepassing.</al><al/><al><onderstreept>Artikel 4:7b Indienen ontheffing of
                            melding</onderstreept></al><al>1. Het college besluit binnen zes maanden op een aanvraag om ontheffing
                            van het verbod bedoeld in artikel 4:7, tweede lid. Het college kan dit
                            besluit met twee maanden verdagen.</al><al>2. Een melding als bedoeld in artikel 4:7, derde lid, onder b wordt
                            ingediend bij het college uiterlijk vier weken voor de datum van het
                            begin van de bouw-, sloop of onderhoudsactiviteiten.</al><al>3. Het college besluit binnen drie maanden op een aanvraag om een
                            ontheffing als bedoeld in artikel 4:7a, tweede lid. Het college kan dit
                            besluit met een maand verdagen. </al><al/><al>Afdeling 2. Bodem-, weg- en milieuverontreiniging </al><al/><al><onderstreept>Artikel 4:8 Straatvegen</onderstreept></al><al>Het is verboden op een door het college ten behoeve van de werkzaamheden
                            van de gemeentelijke reinigingsdienst aangewezen weggedeelte, een
                            voertuig te parkeren of enig ander voorwerp te laten staan gedurende een
                            daarbij aangeduide tijdsperiode.</al><al/><al><onderstreept>Artikel 4:9 Natuurlijke behoefte
                            doen</onderstreept></al><al>Het is verboden binnen de bebouwde kom op een openbare plaats zijn
                            natuurlijke behoefte te doen buiten daarvoor bestemde plaatsen.
                            </al><al/><al><onderstreept>Artikel 4:10 Toestand van sloten en andere wateren en niet
                                openbare riolen en putten buiten
                            gebouwen</onderstreept></al><al>Sloten en andere wateren en niet openbare riolen en putten buiten
                            gebouwen mogen zich niet bevinden in een toestand die gevaar oplevert
                            voor de veiligheid, nadeel voor de gezondheid of hinder voor de
                            gebruikers van de gebouwen of voor anderen. Afdeling 3. Het bewaren van
                            houtopstanden .</al><al/><al><onderstreept>Artikel 4:11 Begripsbepalingen</onderstreept></al><al>1. In deze afdeling wordt verstaan onder:</al><al>a. houtopstand: </al><al> hakhout, een houtwal of een of meer bomen</al><al>b. hakhout: </al><al> een of meer bomen die na te zijn geveld, op nieuw op de stronk
                            uitlopen;</al><al>c. bomenlijst :</al><al> de lijst met waardevolle bomen die een voor ieder goed herkenbare
                            omschrijving van de stand plaats omvat alsmede het kadastrale perceels
                            nummer, de eigenaar of zakelijk gerechtigde en de reden van registratie
                            van iedere houtopstand;</al><al>d. groene kaart: </al><al> de overzichtskaart waarop de openbare ruimte is aangegeven waar het
                            verbod als bedoeld in artikel 4:12, eerste lid, van kracht is.</al><al>2. In deze afdeling wordt onder vellen mede verstaan: rooien, met
                            inbegrip van verplanten, alsmede het verrichten van handelingen die de
                            dood of ernstige beschadiging of ontsiering van houtopstand ten gevolge
                            kunnen hebben. </al><al/><al><onderstreept>Artikel 4:12 Omgevingsvergunning voor het vellen van
                                houtopstande</onderstreept><onderstreept>n</onderstreept></al><al>1. Het is verboden zonder vergunning van het college een hout­opstand te
                            vellen of te laten vellen:</al><al>a. in het gebied dat is aangegeven op de groene kaart; </al><al>b. die is opgenomen in de door het college vastgestelde bomenlijst;</al><al>2. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor:</al><al>a. wegbeplantingen en eenrijige beplantingen op of langs
                            landbouw­gron­den, beide voor zover bestaande uit populieren of wilgen,
                            tenzij deze zijn geknot;</al><al>b. vruchtbomen en windschermen om boomgaarden;</al><al>c. fijnsparren, niet ouder dan twaalf jaar, bestemd om te dienen als
                            kerst­bomen en geteeld op daarvoor in het bijzonder bestemde
                            terrei­nen;</al><al>d. kweekgoed;</al><al>e. houtopstand die bij wijze van dunning moet worden geveld;</al><al>f. houtopstand die deel uitmaakt van als zodanig bij het Bosschap
                            gere­gistreerde bosbouw­ondernemingen en gelegen buiten een be­bouwde
                            kom, tenzij de houtopstand een zelfstan­dige eenheid vormt die:</al><al>I. ofwel geen grotere oppervlakte beslaat dan tien are, </al><al>II. ofwel bestaat uit rijbe­planting van niet meer dan twintig bo­men,
                            gerekend over het totale aan­tal rijen; </al><al>g. houtopstand die moet worden geveld krachtens de Plantenziektewet of
                            krachtens een aanschrijving of last van het college, zulks onverminderd
                            het bepaalde in artikel 4:16a.</al><al>h. houtopstand, waarvan de gemeente de eigenaresse of de rechtheb­bende
                            is, wanneer het vellen tot doel heeft een houtopstand te ver­vangen door
                            nieuwe aanplant; </al><al>i. Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet
                            bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen)
                            van toepassing. </al><al/><al><onderstreept>Artikel 4:13 Weigering en
                            herplantplicht</onderstreept></al><al>1. De vergunning kan worden geweigerd op grond van:</al><al>a. de natuurwaarde van de houtopstand;</al><al>b. de landschappelijke waarde van de houtopstand;</al><al>c. de waarde van de houtopstand voor stads- en dorpsschoon;</al><al>d. de beeldbepalende waarde van de houtopstand;</al><al>e. de cultuurhistorische waarde van de houtopstand;</al><al>f. de waarde voor de leefbaarheid van de houtopstand;</al><al>g. de dendrologische waarde van de houtopstand.</al><al>2. Het college kan de vergunninghouder een herplantplicht opleggen onder
                            nader te stellen voorschriften.</al><al>3. Indien niet ter plaatse of elders kan worden voldaan aan de in het
                            tweede lid bedoelde herplantplicht dient de vergunninghouder een door
                            het college vast te stellen financiële bijdrage te storten in het
                            gemeentelijke herplantfonds. </al><al/><al><onderstreept>Artikel 4:14</onderstreept></al><al><cursief>Gereserveerd</cursief></al><al/><al><onderstreept>Artikel 4:15 Waardevolle bomenlijst</onderstreept></al><al>1. Het college beheert en actualiseert de bomenlijst. </al><al>2. De eigenaar of zakelijk gerechtigde van een houtopstand die op de
                            bomenlijst staat is verplicht schriftelijk aan het college melding te
                            doen van:</al><al>a. het geheel of gedeeltelijk teniet gaan van de houtopstand anders dan
                            door velling op grond van een kapvergunning. De melding dient te
                            geschieden binnen vier weken na het geheel of gedeeltelijk teniet
                            gaan.</al><al>b. de dreiging dat de houtopstand geheel of gedeeltelijk teniet kan gaan
                            als gevolg van voorgenomen werkzaamheden van welke aard dan ook. De
                            melding dient te geschieden onmiddellijk indien sprake is van dreiging
                            dat de houtopstand geheel of gedeeltelijk teniet kan gaan.</al><al>3. Indien werkzaamheden gepland staan binnen de kroonprojectie van een
                            houtopstand die op de bomenlijst voorkomt dient ten minste acht weken
                            voor het begin van de beoogde werkzaamheden een aanvraag om een
                            kapvergunning te worden ingediend overeenkomstig het bepaalde in artikel
                            4:12, eerste lid. </al><al/><al><onderstreept>Artikel 4:16 Bestrijding iepziekte</onderstreept></al><al>1. Indien zich op een terrein een of meer iepen bevinden die naar het
                            oordeel van het college gevaar opleveren voor verspreiding van de
                            iepziekte of voor vermeerdering van iepenspintkevers, is de
                            rechthebbende, indien hij daartoe door het college is aangeschreven,
                            verplicht binnen de bij de aanschrijving vast te stellen termijn:</al><al>a. indien de iepen in de grond staan, deze te vellen, bij voorkeur door
                            een erkend boomverzorgingsbedrijf;</al><al>b. de iepen te ontschorsen en de schors te vernietigen, bij voorkeur
                            door een erkend boomverzorgingsbedrijf;</al><al>c. de niet-ontschorste iepen of delen daarvan te vernietigen door een
                            erkend gecertificeerd recyclingbedrijf of zodanig te laten behandelen
                            door een erkend gecertificeerd recyclingbedrijf dat verspreiding van de
                            iepziekte wordt voorkomen.</al><al>2. Het is verboden gevelde iepen of delen daarvan, met uitzondering van
                            geheel ontschorst iepenhout en iepenhout met een doorsnede kleiner dan
                            vier centimeter voorhanden of in voorraad te hebben, te houden of te
                            vervoeren.</al><al>3. Het college kan ontheffing verlenen van het in het tweede lid bedoeld
                            verbod. </al><al/><al><onderstreept>Artikel 4:16a Verbod bevestigen voorwerpen in of aan bomen
                            </onderstreept></al><al>1. Het is verboden om voorwerpen aan te brengen of te houden in of aan
                            een houtopstand, die staat in een openbare plaats.</al><al>2. Het college kan ontheffing verlenen van het bepaalde in het eerste
                            lid. </al><al>3. Het college stelt een formulier vast voor het aanvragen van de in het
                            tweede lid bedoelde ontheffing.</al><al/><al><onderstreept>Artikel 4:17 Opslag voertuigen, vaartuigen, mest,
                                afvalstoffen enz.</onderstreept> 1. Het is verboden op een door het
                            college aangewezen plaats buiten een inrichting in de zin van de Wet
                            milieubeheer, in de openlucht en buiten de weg gelegen in het belang van
                            het uiterlijk aanzien van de gemeente, ter voorkoming of opheffing van
                            overlast dan wel voorkoming van schade aan de openbare gezondheid, de
                            volgende voorwerpen of stoffen op te slaan, te plaatsen of aanwezig te
                            hebben:</al><al>a. onbruikbare of aan hun oorspronkelijke bestemming onttrokken voer- of
                            vaartuigen of onderdelen daarvan;</al><al>b. bromfietsen en motorvoertuigen of onderdelen daarvan;</al><al>c. kampeermiddelen als bedoeld in artikel 4:19 of onderdelen daarvan,
                            indien het plaatsen of aanwezig hebben daarvan geschiedt voor verkoop of
                            verhuur of anderszins voor een commercieel doel;</al><al>d. mestopslag, gierkelder of andere verzamelplaatsen van vuil, een
                            verzameling ingekuild gras, loof of pulp of ingekuilde
                            landbouwproducten, afbraakmaterialen en oude metalen.</al><al>2. Het is verboden op een door het college aangewezen plaats een bepaald
                            voorwerp of bepaalde stof op te slaan, te plaatsen of aanwezig te
                            hebben.</al><al>3. Het college kan bij de aanwijzing als bedoeld in het eerste en tweede
                            lid nadere regels stellen.</al><al>4. Het in dit artikel bepaalde geldt niet voor zover in het daarin
                            geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet ruimtelijke ordening of
                            de Landschapsverordening Zeeland 2001. </al><al/><al><onderstreept>Artikel 4:18 Verbod hinderlijke of gevaarlijke
                                reclame</onderstreept> Het is verboden op of aan een
                            onroerende zaak handelsreclame te maken of te voeren door middel van een
                            opschrift, aankondiging of afbeelding waardoor het verkeer in gevaar
                            wordt gebracht of ernstige hinder ontstaat voor de omgeving.
                            </al><al/><al><onderstreept>Artikel 4:18a Vergunningsplicht
                                handelsreclame</onderstreept></al><al>1. Het is verboden zonder vergunning van het college op of aan een
                            onroerende zaak handelsreclame te maken of te voeren met behulp van een
                            opschrift, aankondiging of afbeelding in welke vorm dan ook, die vanaf
                            de weg zichtbaar is.</al><al>2. Het verbod geldt niet voor onverlichte:</al><al>a. opschriften, aankondigingen en afbeeldingen in het inwendig gedeelte
                            van een onroerende zaak, die niet kennelijk gericht zijn op
                            zichtbaarheid vanaf de weg;</al><al>b. opschriften of aankondigingen op of aan onroerende zaken, daartoe
                            aangewezen door de overheid;</al><al>c. opschriften of aankondigingen kleiner dan 0,50 m² en de langste zijde
                            korter dan één meter die betrekking hebben op:</al><al>I. een openbare verkoping of een aanbieding ter verkoop, verhuur of
                            verpachting van een onroerende zaak, zulks voor zolang zij feitelijke
                            betekenis hebben;</al><al>II. het beroep, de dienst of het bedrijf dat in of op de onroerende zaak
                            wordt uitgeoefend of waarvoor die zaak is bestemd;</al><al>d. opschriften die betrekking hebben op de naam of aard van in
                            uitvoering zijnde bouwwerken of op de namen van degenen die bij het
                            ontwerp of de uitvoering van het bouwwerk betrokken zijn, mits deze
                            opschriften zijn aangebracht op borden bij of op de in uitvoering zijnde
                            bouwwerken zelf, zulks voor zolang zij feitelijke betekenis hebben; </al><al>e. opschriften of aankondigingen op of aan onroerende zaken dienstbaar
                            aan het openbaar vervoer, indien deze zijn aangebracht ten dienste van
                            dat vervoer.</al><al>3. Het verbod geldt niet voor opschriften of aankondigingen van
                            kennelijk tijdelijke aard, voor zolang zij feitelijke betekenis hebben,
                            mits:</al><al>a. van het aanbrengen ervan tevoren schriftelijk is gemeld bij het
                            college;</al><al>b. het college niet binnen twee weken na ontvangst van die melding van
                            enig bezwaar heeft doen blijken;</al><al>c. deze opschriften of aankondigingen niet langer dan negen weken op de
                            onroerende zaak aanwezig zijn.</al><al>4. Het verbod als bedoeld in het eerste lid geldt niet voor bouwwerken
                            en niet op of aan wegen voor zover de Landschapsverordening Zeeland 2001
                            van toepassing is.</al><al>5. Een vergunning als bedoeld in het eerste lid kan worden
                            geweigerd:</al><al>a. indien de handelsreclame, hetzij op zichzelf, hetzij in verband met
                            de omgeving niet voldoet aan redelijke eisen van welstand;</al><al>b. in het belang van de verkeersveiligheid;</al><al>c. in het belang van de voorkoming of beperking van overlast voor
                            gebruikers van een in de nabijheid gelegen onroerende zaak. </al><al/><al>Afdeling 5. Kamperen buiten kampeerterreinen </al><al/><al><onderstreept>Artikel 4:19
                            Begripsbepaling</onderstreept></al><al>In deze afdeling wordt onder kampeermiddel verstaan: een onderkomen of
                            voertuig waarvoor geen omgevingsvergunning voor het bouwen in de zin van
                            artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Wet algemene bepalingen
                            omgevingsrecht is vereist, dat bestemd of opgericht is dan wel gebruikt
                            wordt of kan worden gebruikt voor recreatief nachtverblijf.
                            </al><al/><al><onderstreept>Artikel 4:20 Recreatief nachtverblijf buiten
                                kampeerterreinen</onderstreept></al><al>1. Het is verboden ten behoeve van recreatief nachtverblijf
                            kampeermiddelen te plaatsen of geplaatst te houden buiten een
                            kampeerterrein dat als zodanig in het bestemmingsplan is bestemd of mede
                            bestemd.</al><al>2. Het verbod geldt niet voor het plaatsen van kampeermiddelen voor
                            eigen gebruik door de rechthebbende op een terrein.</al><al>3. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod als bedoeld in het
                            eerste lid.</al><al>4. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de ontheffing worden
                            geweigerd in het belang van:</al><al>a. de bescherming van natuur en landschap;</al><al>b. de bescherming van een stadsgezicht.</al><al>5. Op de ontheffing is is paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet
                            bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen)
                            niet van toepassing. </al><al/><al><onderstreept>Artikel 4:21 Aanwijzing
                            kampeerplaatsen</onderstreept></al><al>1. Het verbod van artikel 4:20, eerste lid is niet van toepassing op de
                            door het college aangewezen plaatsen.</al><al>2. Het college kan daarbij nadere regels stellen in het belang van de
                            gronden, genoemd in artikel 4:20, vierde lid. </al><al/></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>5.</nr><titel>ANDERE ONDERWERPEN BETREFFENDE DE HUISHOUDING DER GEMEENTE</titel></kop><structuurtekst><al><onderstreept>Artikel 5:1 Begripsbepalingen</onderstreept></al><al>In deze afdeling wordt verstaan onder: </al><al>a. voertuigen: </al><al> voertuigen als bedoeld in artikel 1, onder al, van het Reglement
                            verkeersregels en verkeerstekens, met uitzondering van kleine wagens
                            zoals: kruiwagens, kinderwagens en rolstoelen; </al><al> b. parkeren: </al><al> parkeren als bedoeld in artikel 1, onder ac, van het Reglement
                            verkeersregels en verkeerstekens. </al><al/><al><onderstreept>Artikel 5:2 Parkeren van voertuigen van autobedrijf
                                e.d.</onderstreept></al><al>1. Onder verhuren als bedoeld in dit artikel wordt mede verstaan:</al><al>a. het gebruiken van een voertuig voor het geven van lessen;</al><al>b. het gebruiken van een voertuig voor het vervoeren van personen tegen
                            betaling.</al><al>2. Tot de voertuigen als bedoeld in dit artikel worden niet
                            gerekend:</al><al>a. voertuigen waaraan herstel- of onderhoudswerkzaamheden worden
                            verricht die in totaal niet meer dan een uur vergen, en dit gedurende de
                            tijd die nodig is en gebruikt wordt voor deze werkzaamheden;</al><al>b. voertuigen voor persoonlijk gebruik van de in het derde lid bedoelde
                            persoon.</al><al>3. Het is degene die er zijn bedrijf, nevenbedrijf dan wel een gewoonte
                            van maakt voertuigen te stallen, te herstellen, te slopen, te verhuren
                            of te verhandelen, verboden:</al><al>a. drie of meer voertuigen die hem toebehoren of zijn toevertrouwd, op
                            de weg te parkeren binnen een cirkel met een straal van 25 meter met als
                            middelpunt een van deze voertuigen;</al><al>b. de weg als werkplaats voor voertuigen te gebruiken.</al><al>4. Het college kan ontheffing van het verbod verlenen. </al><al/><al><onderstreept>Artikel 5:3 Te koop aanbieden van
                                voertuigen</onderstreept></al><al>1. Het is verboden op een door het college aangewezen weg een voertuig
                            te parkeren met het kennelijke doel het te koop aan te bieden of te
                            verhandelen.</al><al>2. Het college kan ontheffing van het verbod verlenen.</al><al>3. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet
                            bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen)
                            niet van toepassing. </al><al/><al><onderstreept>Artikel 5:4 Defecte
                            voertuigen</onderstreept></al><al>Het is verboden een voertuig waarmee als gevolg van andere dan eenvoudig
                            te verhelpen gebreken niet kan of mag worden gereden, langer dan op drie
                            achtereenvolgende dagen op de weg te parkeren.</al><al/><al><onderstreept>Artikel 5:5
                            Voertuigwrakken</onderstreept></al><al>1. Het is verboden een voertuig dat rijtechnisch in onvoldoende staat
                            van onderhoud en tevens in een kennelijk verwaarloosde toestand verkeert
                            op de weg te parkeren.</al><al>2. Het verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp
                            wordt voorzien door de Wet milieubeheer. </al><al/><al><onderstreept>Artikel 5:6 Kampeermiddelen
                            e.a.</onderstreept></al><al>1. Het is verboden een voertuig dat voor recreatie of anderszins voor
                            andere dan verkeersdoeleinden wordt gebruikt:</al><al>a. langer dan gedurende drie achtereenvolgende dagen binnen de bebouwde
                            kom op de weg te plaatsen of te hebben;</al><al>b. op een door het college aangewezen plaats te parkeren, waar dit naar
                            zijn oordeel schadelijk is voor het uiterlijk aanzien van de
                            gemeente.</al><al>2. Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid, aanhef
                            en onder a, gestelde verbod.</al><al>3. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor zover in het
                            daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Landschapsverordening
                            Zeeland 2001.</al><al>4. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet
                            bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen)
                            niet van toepassing. </al><al/><al><onderstreept>Artikel 5:7 Parkeren van
                            reclamevoertuigen</onderstreept></al><al>1. Het is verboden een voertuig dat is voorzien van een aanduiding van
                            handelsreclame, op de weg te parkeren met het kennelijk doel om daarmee
                            handelsreclame te maken.</al><al>2. Het college kan van het verbod ontheffing verlenen.</al><al>3. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet
                            bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen)
                            van toepassing. </al><al/><al><onderstreept>Artikel 5:8 Parkeren van grote
                            voertuigen</onderstreept></al><al>1. Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van de lading, een
                            lengte heeft van meer dan 6 meter of een hoogte van meer dan 2,4 meter
                            te parkeren op een door het college aangewezen plaats, waar dit naar
                            zijn oordeel schadelijk is voor het uiterlijk aanzien van de
                            gemeente.</al><al>2. Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van de lading, een
                            lengte heeft van meer dan 6 meter te parkeren op een door het college
                            aangewezen weg, waar dit parkeren naar zijn oordeel buitensporig is met
                            het oog op de verdeling van beschikbare parkeerruimte.</al><al>3. Het in het tweede lid gestelde verbod geldt niet op werkdagen van
                            maandag tot en met vrijdag, dagelijks van 08.00 tot 18.00 uur.</al><al>4. Het verbod in het tweede lid is voorts niet van toepassing op
                            campers, kampeerauto’s,,caravans en kampeerwagens, voor zover deze
                            voertuigen niet langer dan drie achtereenvolgende dagen op de weg worden
                            geplaatst of gehouden.</al><al>5. Het college kan van de in het eerste en tweede lid gestelde verboden
                            ontheffing verlenen.</al><al>6. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet
                            bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen)
                            van toepassing. </al><al/><al><onderstreept>Artikel 5:9 Parkeren van uitzichtbelemmerende
                                voertuigen</onderstreept></al><al>1. Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van lading, een lengte
                            heeft van meer dan 6 meter of een hoogte van meer dan 2,4 meter, op de
                            weg te parkeren bij een voor bewoning of ander dagelijks gebruik bestemd
                            gebouw op zodanige wijze dat daardoor het uitzicht van bewoners of
                            gebruikers vanuit dat gebouw op hinderlijke wijze wordt belemmerd of hun
                            anderszins hinder of overlast wordt aangedaan.</al><al>2. Het verbod geldt niet gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt
                            wordt voor het uitvoeren van werkzaamheden waarvoor de aanwezigheid van
                            het voertuig ter plaatse noodzakelijk is. </al><al/><al><onderstreept>Artikel 5:10 Aantasting groenvoorzieningen door
                                voertuigen</onderstreept></al><al>1. Het is verboden met een voertuig te rijden door of deze te doen of te
                            laten staan in een park of plantsoen of een van gemeentewege aangelegde
                            beplanting of groenstrook.</al><al>2. Dit verbod is niet van toepassing:</al><al>a. op de weg;</al><al>b. op voertuigen die worden gebruikt voor werkzaamheden door of vanwege
                            de overheid;</al><al>c. op voertuigen, waarmee standplaats wordt of is ingenomen op terreinen
                            die voor dit doel zijn bestemd.</al><al>3. Het college kan van het verbod ontheffing verlenen.</al><al>4. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet
                            bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen)
                            niet van toepassing. </al><al/><al><onderstreept>Artikel 5:11 Overlast van fiets of
                                bromfiets</onderstreept></al><al>1. Het is verboden fietsen of bromfietsen, die rijtechnisch in
                            onvoldoende staat van onderhoud en in verwaarloosde toestand verkeren,
                            op de weg te laten staan.</al><al>2. Het is verboden op door het college in het belang van het beheer van
                            de openbare ruimte aangewezen plaatsen, fietsen of bromfietsen langer
                            dan een door het college te bepalen periode onafgebroken te laten
                            staan.</al><al/><al>Afdeling 2. Collecteren </al><al/><al><onderstreept>Artikel 5:12 Inzameling van geld of
                                goederen</onderstreept></al><al>1. Het is verboden zonder vergunning van het college een openbare
                            inzameling van geld of goederen te houden of daartoe een intekenlijst
                            aan te bieden.</al><al>2. Onder een inzameling van geld of goederen wordt mede verstaan: het
                            bij het aanbieden van goederen, waartoe ook worden gerekend geschreven
                            of gedrukte stukken, dan wel bij het aanbieden van diensten aanvaarden
                            van geld of goederen, indien daarbij te kennen wordt gegeven of de
                            indruk wordt gewekt dat de opbrengst geheel of ten dele voor een
                            liefdadig of ideëel doel is bestemd.</al><al>3. Het verbod geldt niet voor een inzameling die in besloten kring
                            gehouden wordt.</al><al>4. Het college kan onder door hem te stellen voorschriften vrijstelling
                            verlenen van het verbod voor inzamelingen die gehouden worden door
                            daarbij aangewezen instellingen.</al><al>5. Het verbod als bedoeld in het eerste lid geldt niet voor instellingen
                            die zijn ingeroosterd op het landelijke collecterooster van het Centraal
                            Bureau Fondsenverwerving.</al><al>6. Het college kan inzake het in het eerste lid gestelde verbod nadere
                            regels stellen.</al><al>7. Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet
                            bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen)
                            van toepassing.</al><al/><al>Afdeling 3. Venten </al><al/><al><onderstreept>Artikel 5:13
                            Begripsbepaling</onderstreept></al><al>1. In deze afdeling wordt onder venten verstaan: het in de uitoefening
                            van de ambulante handel te koop aanbieden, verkopen of afleveren van
                            goederen dan wel diensten aan te bieden op een openbare en in de open
                            lucht gelegen plaats of aan huis;</al><al>2. Onder venten wordt niet verstaan:</al><al>a. het aan huis afleveren van goederen door of vanwege degene die dit
                            doet ter exploitatie van zijn winkel als bedoeld in artikel 1 van de
                            Winkeltijdenwet;</al><al>b. het te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel het
                            aanbieden van diensten op jaarmarkten en markten als bedoeld in artikel
                            160, eerste lid, onder h, van de Gemeentewet;</al><al>het te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel het
                            aanbieden van diensten op een standplaats als bedoeld in artikel 5:16.
                            </al><al/><al><onderstreept>Artikel 5:14 Ventverbod</onderstreept></al><al>1. Het is verboden te venten indien daardoor de openbare orde, de
                            openbare veiligheid,de volksgezondheid of het milieu in gevaar
                            komt.</al><al>2. Het is verboden te venten op zondagen en maandag t/m zaterdag tussen
                            18.00 en 08.00 uur.</al><al>3. Het verbod als bedoeld in het eerste lid geldt niet voor zover in het
                            daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 5 van de
                            Wegenverkeerswet. </al><al/><al><onderstreept>Artikel 5:15 Vrijheid van
                            meningsuiting</onderstreept></al><al>1. Het verbod als bedoeld in artikel 5:14, eerste lid geldt niet voor
                            venten met gedrukte of geschreven stukken waarin gedachten en gevoelens
                            worden geopenbaard als bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de
                            Grondwet.</al><al>2. Het college kan de vrijheid van meningsuiting als bedoeld in het
                            eerste lid beperken door een verbod in te stellen:</al><al>a. op door het college aangewezen openbare plaatsen, of</al><al>b. voor bepaalde dagen en uren.</al><al>3. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod als bedoeld in het
                            tweede lid.</al><al>4. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet
                            bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen)
                            van toepassing. </al><al/><al>Afdeling 4. Standplaatsen </al><al/><al><onderstreept>Artikel 5:16
                            Begripsbepaling</onderstreept></al><al>1. In deze afdeling wordt verstaan onder standplaats: het vanaf een
                            vaste plaats op een openbare en in de openlucht gelegen plaats te koop
                            aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel diensten aan te
                            bieden, gebruikmakend van fysieke middelen, zoals een kraam, een wagen
                            of een tafel.</al><al>2. Onder standplaats wordt niet verstaan:</al><al>a. een vaste plaats op een jaarmarkt of markt als bedoeld in artikel
                            160, eerste lid, aanhef en onder h, van de Gemeentewet;</al><al>b. een vaste plaats op een evenement als bedoeld in artikel 2:16.
                            </al><al/><al><onderstreept>Artikel 5:17 Standplaatsvergunning en
                                weigeringsgronden</onderstreept></al><al>1. Het is verboden zonder vergunning van het college een standplaats in
                            te nemen of te hebben.</al><al>2. Het college weigert de vergunning wegens strijd met een geldend
                            bestemmingsplan.</al><al>3. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de vergunning worden
                            geweigerd:</al><al>a. indien de standplaats hetzij op zichzelf hetzij in verband met de
                            omgeving niet voldoet aan eisen van redelijke welstand;</al><al>b. indien als gevolg van bijzondere omstandigheden in de gemeente of in
                            een deel van de gemeente redelijkerwijs te verwachten is dat door het
                            verlenen van de vergunning voor een standplaats voor het verkopen van
                            goederen een redelijk verzorgingsniveau voor de consument ter plaatse in
                            gevaar komt.</al><al>4. Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet
                            bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen
                            niet van toepassing. </al><al/><al><onderstreept>Artikel 5:18 Toestemming
                            rechthebbende</onderstreept></al><al>Het is de rechthebbende op een perceel verboden toe te staan dat daarop
                            zonder vergunning van het college standplaats wordt of is ingenomen.
                            </al><al/><al><onderstreept>Artikel 5:19
                            Afbakeningsbepalingen</onderstreept></al><al>1. Het verbod van artikel 5:18, eerste lid geldt niet voor zover in het
                            daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet beheer
                            rijkswaterstaatswerken of de Wegenverordening Zeeland 2010.</al><al>2. De weigeringsgrond van artikel 5:17, derde lid, onder a, geldt niet
                            voor bouwwerken. </al><al/><al>Afdeling 5. Openbaar water </al><al/><al><onderstreept>Artikel 5:20 Voorwerpen op, in of boven openbaar
                                water</onderstreept></al><al>1. Het is in verband met de veiligheid op het openbaar water verboden
                            een voorwerp, niet zijnde een vaartuig, op, in of boven openbaar water
                            te plaatsen, aan te brengen of te hebben, indien dit door zijn omvang of
                            vormgeving, constructie of plaats van bevestiging gevaar oplevert voor
                            de bruikbaarheid van het openbaar water of voor het doelmatig en veilig
                            gebruik daarvan, dan wel een belemmering vormt voor het doelmatig beheer
                            en onderhoud van het openbaar water.</al><al>2. Degene die voornemens is een steiger, een meerpaal of een ander
                            voorwerp met een permanent karakter op, in of boven openbaar water te
                            plaatsen, doet daarvan uiterlijk twee weken tevoren een melding aan het
                            college.</al><al>3. De melding bevat in ieder geval naam, adres en contactgegevens van de
                            melder, en een beschrijving van de aard en omvang van het voorwerp.</al><al>4. Het verbod in het eerste lid geldt niet voor zover in de daarin
                            geregelde onderwerpen wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, de
                            Scheepvaartverkeerswet, het Binnenvaartpolitiereglement, de Wet beheer
                            rijkswaterstaatswerken, het Scheepvaartreglement Westerschelde, de
                            Telecommunicatiewet of de Telecommunicatieverordening gemeente
                            Vlissingen 2008. </al><al/><al><onderstreept>Artikel 5:21 Ligplaats woonschepen en overige
                                vaartuigen</onderstreept></al><al>1. Het is verboden met een vaartuig een ligplaats in te nemen of te
                            hebben dan wel een ligplaats voor een vaartuig beschikbaar te stellen op
                            door het college aangewezen gedeelten van openbaar water.</al><al>2. Het college kan aan het innemen, hebben of beschikbaar stellen van
                            een ligplaats met dan wel voor een vaartuig op niet krachtens het eerste
                            lid aangewezen gedeelten van openbaar water:</al><al>a. nadere regels stellen in het belang van de openbare orde,
                            volksgezondheid, veiligheid, milieuhygiëne en het aanzien van de
                            gemeente;</al><al>b. beperkingen stellen naar soort en aantal vaartuigen.</al><al>3. Het verbod in het eerste lid geldt niet voor zover in het daarin
                            geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet milieubeheer, het
                            Binnenvaartpolitiereglement, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, de
                            Vaarwegenverordening Kanaal door Walcheren of de Landschapsverordening
                            Zeeland 2001. </al><al/><al><onderstreept>Artikel 5:22 Aanwijzingen
                            ligplaats</onderstreept></al><al>1. Onverminderd het krachtens het tweede lid van artikel 5:21 bepaalde
                            kan het college aan de rechthebbende op een vaartuig aanwijzingen geven
                            met betrekking tot het innemen, veranderen of gebruik van een ligplaats
                            in het belang van de openbare orde, volksgezondheid, veiligheid, de
                            milieuhygiëne en het aanzien van de gemeente.</al><al>2. De rechthebbende op een vaartuig is verplicht alle door of vanwege
                            het college gegeven aanwijzingen met betrekking tot het innemen,
                            veranderen of gebruik van een ligplaats op te volgen.</al><al>3. Het in het eerste en tweede lid bepaalde geldt niet voor zover in de
                            daarin geregelde onderwerpen wordt voorzien door het
                            Binnenvaartpolitiereglement, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, de
                            Waterverordening Zeeland of de Landschapsverordening Zeeland 2001.
                            </al><al/><al><onderstreept>Artikel 5:23 Verbod innemen
                            ligplaats</onderstreept></al><al>Het is verboden een ligplaats in te nemen, te hebben of beschikbaar te
                            stellen in strijd met het krachtens artikel 5:22, tweede lid bepaalde.
                            </al><al/><al><onderstreept>Artikel 5:24 Beschadigen van
                                waterstaatswerken</onderstreept></al><al>1. Het is verboden schade toe te brengen aan of veranderingen aan te
                            brengen in de toestand van bij de gemeente in beheer zijnde openbare
                            wateren, havens, dijken, wallen, kaden, trekpaden, beschoeiingen,
                            oeverbegroeiing, bruggen, zetten, duikers, pompen, waterleidingen,
                            gordingen, aanlegpalen, stootpalen, bakens of sluizen.</al><al>2. Het verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp
                            wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, het
                            Binnenvaartpolitiereglement, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken of de
                            Waterverordening Zeeland.</al><al/><al><onderstreept>Artikel 5:25
                            Reddingsmiddelen</onderstreept></al><al>Het is verboden een voor het redden van drenkelingen bestemd en daartoe
                            bij het water aangebracht voorwerp te gebruiken voor een ander doel dan
                            wel voor dadelijk gebruik ongeschikt te maken. </al><al/><al><onderstreept>Artikel 5:26 Veiligheid op het
                            water</onderstreept></al><al>1. Het is aan een ieder die zich als bader of zwemmer in het openbaar
                            water ophoudt, verboden zich zodanig te gedragen dat gevaar voor hemzelf
                            of anderen kan ontstaan.</al><al>2. Het verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp
                            wordt voorzien door het Binnenvaartpolitiereglement, de Wet beheer
                            rijkswaterstaatswerken of de Waterverordening Zeeland.
                            </al><al>3. Onder zodanig gedragen dat gevaar voor hemzelf of anderen kan
                            ontstaan wordt in ieder geval verstaan het zwemmen voorbij de met rode
                            boeitjes gemarkeerde zwemmerszone vóór het Bad- en Nollestrand, het
                            zwemmen nabij de vaargeul en het zwemmen rond het Nollehoofd vanaf het
                            Nollestrand naar het badstrand of andersom.</al><al>4. De burgemeester kan ten behoeve van een evenement of een
                            georganiseerde groep zwemmers ontheffing verlenen van het in het eerste
                            lid gestelde verbod.</al><al/><al><onderstreept>Artikel 5:26a Aanwijzingen door (politie)ambtenaar of
                                medewerkers van de strandwacht of
                                </onderstreept><onderstreept>Koninklijke Nederlandse Redding
                                Maatschappij</onderstreept></al><al>1. Op en in de gedeelten van respectievelijk het strand en de zee waar
                            baden, zwemmen of sport en spel is toegestaan, zijn baders, zwemmers en
                            beoefenaren van sport en spel verplicht aan de aanwijzingen, gegeven
                            door een (politie)ambtenaar of een medewerker van de strandwacht of
                            Koninklijke Nederlandse Redding Maatschappij in het belang van hun en
                            andermans veiligheid onmiddellijk gevolg te geven.</al><al>2. Op de gedeelten van het Nollehoofd die voor het publiek toegankelijk
                            zijn, zijn daar aanwezige personen verplicht aan de aanwijzingen,
                            gegeven door een (politie)ambtenaar of een medewerker van de strandwacht
                            in het belang van de veiligheid, onmiddellijk gevolg te geven.</al><al>3. Het is verboden het Nollehoofd te betreden, indien de burgemeester of
                            een medewerker van de strandwacht dit in verband met de
                            weersomstandigheden als gevaarlijk voor de</al><al>veiligheid van personen heeft geoordeeld en kenbaar gemaakt.</al><al/><al><onderstreept>Artikel 5:27 Overlast aan
                            vaartuigen</onderstreept></al><al>1. Het is verboden zonder redelijk doel zich vast te houden aan een
                            vaartuig in openbaar water, daarop te klimmen of zich daarop of daarin
                            te begeven of te bevinden.</al><al>2. Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden een vaartuig,
                            liggend in of aan een openbaar water, los te maken. </al><al/><al><onderstreept>Artikel 5:28 Op afstand bestuurbare voorwerpen in openbare
                                wateren </onderstreept></al><al>1. Het is verboden in openbare wateren een radiografisch of anders­zins
                            op afstand bestuurbaar voorwerp van welke aard ook aanwezig te
                            hebben.</al><al>2. Het college kan openbare wateren aanwijzen waar het in het eerste lid
                            gestelde verbod niet geldt.</al><al>3. Het college kan van het in het eerste lid ge­stelde verbod ontheffing
                            verlenen. </al><al/><al><onderstreept>Artikel 5:29 Verbod op strand bevinden met voertuig
                                enz.</onderstreept></al><al>1. Het is verboden zich op het strand te begeven of te bevinden met een
                            voertuig.</al><al>2. Het is verboden zich op het strand te begeven of te bevinden met een
                            rij- of trekdier van 15 april tot en met 15 september.</al><al>3. Het college kan van het in het eerste en tweede lid om­schre­ven
                            verbod ontheffing verlenen. </al><al/><al><onderstreept>Artikel 5:30 Op afstand bestuurbare voorwerpen op of boven
                                het strand</onderstreept></al><al>1. Het is verboden op of boven het strand een
                            radiografisch of anderszins op afstand bestuurbaar voorwerp van welke
                            aard ook aanwezig te hebben.</al><al>2. Het college kan van het in het eerste lid gestelde verbod ontheffing
                            verlenen. </al><al/><al><onderstreept>Artikel 5:31 Verbod luchtbedden enz.</onderstreept></al><al>Het is verboden bij aflandige wind zich met een luchtbed, een zwemband
                            of dergelijke tot drijven geschikte voorwer­pen in zee te begeven of te
                            bevinden.</al><al/><al><onderstreept>Artikel 5:32 Verbod surfen, kite-surfen en
                                kiten</onderstreept></al><al>1. Het is verboden zich op de door het college ter voorko­ming van
                            gevaar voor baders of zwemmers aangewezen gedeelten van de zee te
                            bevinden met een voor de plankzeil­sport bestemd vaartuig. 2. Het is het
                            gehele jaar verboden te kite-surfen en te kiten bij of op de stranden
                            behorende tot het grondgebied van de gemeente Vlissingen.</al><al>3. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod als bedoeld in het
                            tweede lid.</al><al>4. Het in het eerste en tweede lid bepaalde geldt niet voor zover in het
                            daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door het Scheepvaartreglement
                            Westerschelde 1990. </al><al/><al><onderstreept>Artikel 5:33 Verbod gevaarlijk varen langs het strand
                                enz.</onderstreept></al><al>1. Het is verboden in het onmiddellijk langs het strand gelegen gedeelte
                            van de zee op zodanige wijze te varen of zich door een vaartuig te laten
                            voorttrekken dat hierdoor gevaar of hinder voor baders of zwemmers kan
                            ontstaan.</al><al>2. Het is verboden te varen of zich door een vaartuig te laten
                            voorttrekken in door het college aangewezen gebieden.</al><al>3. Het in het tweede lid gestelde verbod geldt niet voor hulpdiensten
                            tijdens de voorbereiding op en uitoefening van hun taken.</al><al>4. Het in het eerste en tweede lid bepaalde geldt niet voor zover in het
                            daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door het Scheepvaartreglement
                            Westerschelde 1990.</al><al/><al><onderstreept>Artikel 5:34 Verbod gevaarlijk vliegeren op / aan het
                                strand</onderstreept></al><al>1. Het is verboden op of aan het strand in de periode van 15 april tot
                            en met 15 september van 09.00 uur tot 19.00 uur een vlieger zodanig te
                            bezigen dat hierdoor gevaar voor zich op of aan het strand bevindende
                            personen kan ontstaan. </al><al>2. Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder vlieger ver­staan
                            een als speelgoed of als sportartikel gebruikt voorwerp, bestaande uit
                            een houten, kunststof- of andere constructie, bespannen met papier,
                            kunst­stof of doek, welke aan één of meer­dere touwen of draden in de
                            lucht opgelaten kan worden. </al><al/><al><onderstreept>Artikel 5:35 Duikverbod</onderstreept></al><al>1. Het college kan strandvakken aanwijzen waarvan en zeevakken waarin
                            het verboden is te duiken.</al><al>2. Onder duiken, als bedoeld in het eerste lid, wordt verstaan het onder
                            water blijven met gebruikmaking van hulpmiddelen, zoals een
                            persluchtfles, trimvest en loodgordel.</al><al>3. Het verbod in het eerste lid geldt niet voor hulpdiensten en de
                            Koninklijke marine tijdens de voorbereiding op en uitoefening van hun
                            taken.</al><al>4. Het college kan van het in het eerste lid gesteld verbod ontheffing
                            verlenen. </al><al/><al><onderstreept>Artikel 5:35a Verbod staand want
                            vissen</onderstreept></al><al>1. Het is verboden op de stranden behorende tot het grondgebied van de
                            gemeente Vlissingen gebruik te maken voor de recreatieve visserij van
                            vistuig van het type staand want, indien degene die voornemens is deze
                            activiteit te verrichten niet ten minste vier weken van tevoren een
                            melding heeft gedaan aan het college.</al><al>2. Het is verboden op de stranden behorende tot het grondgebied van de
                            gemeente Vlissingen gebruik te maken voor de recreatieve visserij van
                            vistuig van het type staand want:</al><al>a. op het Nollestrand;</al><al>b. In de periode van 15 april tot en met 15 september van 09.00 uur tot
                            19.00 uur op de stranden behorende bij het grondgebied van de gemeente
                            Vlissingen;</al><al>c. indien het gebruik van het vistuig van het type staand want hinder of
                            overlast veroorzaakt;</al><al>d. indien het vistuig van het type staand want langer dan één etmaal
                            wordt geplaatst. </al><al>3. Onverminderd het gestelde in het eerste lid kan het college de
                            melding verbieden, indien het beoogde gebruik schade toebrengt aan de
                            stranden en de weg dan wel gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van de
                            stranden en de weg en veilig gebruik daarvan.</al><al>4. Ter bescherming van het gestelde in het derde lid wordt in ieder
                            geval een maximum gesteld aan het aantal meldingen van: 15.</al><al>5. Het college stelt een formulier vast voor het doen van een melding.
                            Indien niet aan de voorschriften zoals vermeldt in het meldingsformulier
                            wordt voldaan komt de melding te vervallen en geldt het verbosd zoals
                            vermeldt in het eerste lid.</al><al>6. De melding wordt geacht te zijn gedaan wanneer het formulier,
                            volledig en naar waarheid ingevuld, tijdig is ingeleverd op de plaats op
                            dat formulier vermeld. </al><al/><al>Afdeling 6. Crossterreinen, gemotoriseerd verkeer, ruiterverkeer in
                            natuurgebieden </al><al/><al><onderstreept>Artikel 5:36 Crossterreinen</onderstreept></al><al>1. Het is verboden op enig terrein, geen weg zijnde, met een
                            motorvoertuig als bedoeld in artikel 1, onderdeel z, en een bromfiets
                            als bedoeld in artikel 1, onderdeel i van het Reglement verkeersregels
                            en verkeerstekens 1990 een wedstrijd dan wel, ter voorbereiding van een
                            wedstrijd, een trainings- of proefrit te houden of te doen houden dan
                            wel daaraan deel te nemen, dan wel een motorvoertuig of een bromfiets
                            met het kennelijke doel daartoe aanwezig te hebben.</al><al>2. Het verbod van het eerste lid is niet van toepassing op door het
                            college aangewezen terreinen. Het college kan daarbij regels stellen
                            voor het gebruik van deze terreinen:</al><al>a. in het belang van het voorkomen of beperken van overlast;</al><al>b. in het belang van de bescherming van het uiterlijk aanzien van de
                            omgeving en ter bescherming van andere milieuwaarden;</al><al>c. in het belang van de veiligheid van de deelnemers van de in het
                            eerste lid bedoelde wedstrijden en ritten of van het publiek.</al><al>3. Voor de toepassing van het eerste lid wordt dat onder weg verstaan
                            wat artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994 daaronder verstaat.</al><al>4. Het verbod in het eerste lid geldt niet voor zover in het daarin
                            geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet milieubeheer of het
                            Besluit geluidproductie sportmotoren. </al><al/><al><onderstreept>Artikel 5:37 Beperking verkeer in
                                natuurgebieden</onderstreept></al><al>1. Het is verboden binnen voor publiek toegankelijke natuurgebieden,
                            parken, plantsoenen of voor recreatief gebruik beschikbare terreinen te
                            rijden of zich te bevinden met een motorvoertuig als bedoeld in artikel
                            1, onder z, Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, een
                            bromfiets als bedoeld in artikel 1, onder i, Reglement verkeersregels en
                            verkeerstekens 1990 of met een fiets of een paard.</al><al>2. Het verbod van het eerste lid is niet van toepassing op door het
                            college aangewezen terreinen.Het college kan daarbij regels stellen ten
                            aanzien van het gebruik van deze terreinen:</al><al>a. in het belang van het voorkomen van overlast;</al><al>b. in het belang van de bescherming van natuur- of milieuwaarden;</al><al>c. in het belang van de veiligheid van het publiek.</al><al>3. Het verbod in het eerste lid geldt niet voor bestuurders van
                            motorvoertuigen en bromfietsen en voor fietsers of berijders van
                            paarden:</al><al>a. ten dienste van politie, brandweer en geneeskundige hulpverlening en
                            van andere krachtens artikel 29, eerste lid, Reglement verkeersregels en
                            verkeerstekens 1990 door de minister van Verkeer en Waterstaat
                            aangewezen hulpverleningsdiensten;</al><al>b. die worden gebruikt in verband met beheer, onderhoud of exploitatie
                            van de terreinen als in het eerste lid bedoeld;</al><al>c. die worden gebruikt in verband met werken die krachtens wettelijk
                            voorschrift moeten worden uitgevoerd;</al><al>d. van de zakelijk gerechtigden, huurders en pachters van percelen die
                            gelegen zijn binnen de terreinen als in het eerste lid bedoeld;</al><al>e. voor het verkeer ten behoeve van bezoek en van de verzorging van de
                            onder d bedoelde personen.</al><al>4. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt voorts niet:</al><al>a. op wegen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b, van de
                            Wegenverkeerswet 1994;</al><al>b. binnen de bij of krachtens de provinciale verordening
                            'Stiltegebieden' aangewezen stiltegebieden, ten aanzien van
                            motorrijtuigen die bij of krachtens die verordening zijn aangewezen als
                            'toestel'.</al><al>5. Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid
                            gestelde verbod.</al><al>6. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet
                            bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen)
                            niet van toepassing. </al><al/><al>Afdeling 7. Verbod vuur te stoken </al><al/><al><onderstreept>Artikel 5:38 Verbod afvalstoffen te verbranden buiten
                                inrichtingen of anderszins vuur te
                            stoken</onderstreept></al><al>1. Het is verboden in de openlucht afvalstoffen te verbranden buiten
                            inrichtingen in de zin van de Wet milieubeheer of anderszins vuur aan te
                            leggen, te stoken of te hebben.</al><al>2. Het verbod geldt niet voor zover het betreft:</al><al>a. verlichting door middel van kaarsen, fakkels en dergelijke;</al><al>b. sfeervuren zoals terrashaarden en vuurkorven, indien geen
                            afvalstoffen worden verbrand;</al><al>c. vuur voor koken, bakken en braden, voor zover dat geen gevaar,
                            overlast of hinder voor de omgeving oplevert.</al><al>3. Het college kan van dit verbod ontheffing verlenen.</al><al>4. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de ontheffing worden
                            geweigerd ter bescherming van de flora en fauna.</al><al>5. Het verbod geldt niet voor zover in het geregelde onderwerp wordt
                            voorzien door artikel 429, aanhef en onder 1 of 3, van het Wetboek van
                            Strafrecht of de Provinciale Milieuverordening
                                Zeeland.</al><al/><al>Afdeling 8. Verstrooiing van as </al><al/><al><onderstreept>Artikel 5:39
                            Begripsbepaling</onderstreept></al><al>In deze afdeling wordt verstaan onder incidentele asverstrooiing: het
                            verstrooien van as als bedoeld in de Wet op de lijkbezorging op een door
                            de overledene of nabestaande(n) gewenste plek buiten een permanent
                            daartoe bestemd terrein. </al><al/><al><onderstreept>Artikel 5:40 Verboden
                            plaatsen</onderstreept></al><al>1. Incidentele asverstrooiing is verboden op:</al><al>a. verharde delen van de weg;</al><al>b. gemeentelijke begraafplaatsen en</al><al>c. boven de hoogwaterlijn op het strand.</al><al>2. Het college kan een besluit nemen waarin voor een bepaalde termijn
                            wordt verboden dat op andere plaatsen dan genoemd in het eerste lid
                            asverstrooiing plaatsvindt.</al><al>3. Het college kan op verzoek van de nabestaande die zorgdraagt voor de
                            asbus op grond van bijzondere omstandigheden ontheffing verlenen van het
                            verbod uit het eerste lid, behoudens de gemeentelijke begraafplaatsen en
                            crematoriumterreinen.</al><al>4. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet
                            bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen)
                            van toepassing. </al><al/><al><onderstreept>Artikel 5:41 Hinder of
                            overlast</onderstreept></al><al>Incidentele asverstrooiing is verboden indien daardoor hinder of
                            overlast wordt veroorzaakt voor derden. </al><al/></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>6. </nr><titel>STRAF-, OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN</titel></kop><structuurtekst><al><onderstreept>Artikel 6:1
                            Strafbepaling</onderstreept></al><al>1. Overtreding van het bij of krachtens de volgende artikelen bepaalde
                            en de op grond van artikel 1:4 daarbij gegeven voorschriften en
                            beperkingen wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste drie maanden of
                            geldboete van de tweede categorie: 2:1; 2:2; 2:5; 2:8; 2:11; 2:12; 2:16;
                            2:17; 2:18; 2:24; 2:25; 2:27; 2:29; 2:30; 2:33; 2:34; 2:42; 2:44; 2:63;
                            2:64; 2:65; 2:70; 2:74; 2:76; 2:81; 2:82; 2:83; 2:85; 2:88; 2:91; 3.4;
                            3:6; 3:8; 3:9; 3:10; 3:11; 4:4; 4:7; 4:7a; 5:2; 5:3; 5:12; 5:14; 5:17;
                            5:18; 5:35; 5:35a</al><al>2. Overtreding van het bij of krachtens de volgende artikelen bepaalde
                            en de op grond van artikel 1:4 daarbij gegeven voorschriften en
                            beperkingen wordt gestraft met een geldboete van de eerste categorie:
                            2:4; 2:7; 2:9; 2:10; 2:13; 2:14; 2:15a; 2:45; 2:46; 2:47; 2:48; 2:49;
                            2:50; 2:51; 2:52; 2:53; 2:54; 2:55; 2:56; 2:57; 2:58; 2:59; 2:60; 2:61;
                            2:72; 4:8; 4:9; 4:12; 4:16; 4:16a; 4:17; 4:18; 4:18a; 4:20; 5:4; 5:5;
                            5:6; 5:7; 5:8; 5:9; 5:10; 5:20; 5.21; 5:23; 5:24; 5:25; 5:26; 5:27;
                            5:28; 5:29; 5:30; 5:31; 5:32; 5:33; 5:34; 5:35a, 5:36; 5:37; 5:38; 5:40
                            en 5:41. </al><al/><al><onderstreept>Artikel 6:2
                            Toezichthouders</onderstreept></al><al>1. Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens
                            deze verordening zijn belast:</al><al>a. de ambtenaren bouw- en woningtoezicht;</al><al>b.de inspecteurs handhaving milieu;</al><al>c. de toezichthouder gebruik openbare ruimte en sportaccommodaties;</al><al>d. de evenementencoördinator;</al><al>e. de technisch beleidsmedewerker milieu;</al><al>f. de coördinator beheer badstrand;</al><al>g. de havenmeester;</al><al>h. de buitengewoon opsporingsambtenaren van het handhavingsteam;</al><al>i. artsen en SOA-verpleegkundigen voor zover het toezicht betreft op
                            (volks)gezondheid en hygiëne als bedoeld in hoofdstuk 3.</al><al>2. Voorts zijn met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of
                            krachtens deze verordening belast de bij besluit van het college dan wel
                            de burgemeester aan te wijzen personen.</al><al/><al><onderstreept>Artikel 6:3 Binnentreden
                            woningen</onderstreept></al><al>Zij die belast zijn met het toezicht op de naleving of de opsporing van
                            een overtreding van de bij of krachtens deze verordening gegeven
                            voorschriften welke strekken tot handhaving van de openbare orde of
                            veiligheid of bescherming van het leven of de gezondheid van personen,
                            zijn bevoegd tot het binnentreden in een woning zonder toestemming van
                            de bewoner. </al><al/><al><onderstreept>Artikel 6:4 Inwerkingtreding nieuwe
                                verordening</onderstreept><onderstreept> en intrekking oude
                                verordening</onderstreept></al><al>1. De Algemene plaatselijke verordening Vlissingen 2009 wordt
                            ingetrokken.</al><al>2. Deze verordening treedt in werking op 1 oktober 2013.
                            </al><al/><al><onderstreept>Artikel 6:5
                            Overgangsbepaling</onderstreept></al><al>Besluiten, genomen krachtens de Algemene plaatselijke verordening
                            Vlissingen 2009, die golden op het moment van de inwerkingtreding van
                            deze verordening en waarvoor deze verordening overeenkomstige besluiten
                            kent, gelden als besluiten genomen krachtens deze verordening.</al><al/><al><onderstreept>Artikel 6:6 Citeertitel</onderstreept></al><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Algemene plaatselijke verordening
                            Vlissingen 2013.</al></structuurtekst></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van Vlissingen op 5
                        september 2013.</ondertekening><ondertekening/></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel> TOELICHTING OP DE ALGEMENE PLAATSELIJKE VERORDENING VOOR VLISSINGEN
                        2013</titel></kop><al/><al><vet><cursief>Lijst van gebruikte afkortingen in de APV</cursief></vet></al><al/><al>AA = Ars Aequi</al><al>AB = Administratiefrechtelijke Beslissingen</al><al>Adr = Aanwijzingen voor de decentrale regelgeving</al><al>ABRS = Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State</al><al>ARRS = Afdeling rechtspraak van de Raad van State</al><al>Afd. = Afdeling</al><al>Awb = Algemene wet bestuursrecht</al><al>Awbi = Algemene wet op het binnentreden</al><al>BABW = Besluit algemene bepalingen inzake het wegverkeer</al><al>BR = Bouwrecht</al><al>BW = Burgerlijk Wetboek</al><al>CBB = College van Beroep voor het bedrijfsleven</al><al>CRvB = Centrale Raad van Beroep</al><al>DHW = Drank- en Horecawet</al><al>Gst. = Gemeentestem</al><al>HR = Hoge Raad</al><al>Ivb = Inrichtingen- en vergunningenbesluit Wm</al><al>JB = Jurisprudentie bestuursrecht</al><al>JG = Jurisprudentie voor Gemeenten</al><al>KB = Koninklijk Besluit</al><al>KG = Kort Geding</al><al>Lbr. = Ledenbrief van de VNG</al><al>LJN-nr. = nummer Landelijk jurisprudentie netwerk, www.rechtspraak.nl</al><al>m.nt. = met noot</al><al>MenR = Tijdschrift voor Milieu en Recht</al><al>Model-APV = Model Algemene plaatselijke verordening van de VNG</al><al>NJ = Nederlandse Jurisprudentie</al><al>OB = Openbaar Bestuur</al><al>PG = Parlementaire Geschiedenis</al><al>Pres. = President</al><al>Rb. = Rechtbank (sector bestuursrecht)</al><al>Rdbs. = Raadsbesluit</al><al>RVV 1990 = Reglement verkeersregels en verkeerstekens</al><al>Stb. = Staatsblad</al><al>VNG = Vereniging van Nederlandse Gemeenten</al><al>VR = Verkeersrecht</al><al>Vz. = Voorzitter</al><al>W. = Weekblad voor het recht</al><al>Wm = Wet milieubeheer</al><al>wnd. = Waarnemend (voorzitter)</al><al>Wok = Wet op de kansspelen</al><al>WOM = Wet openbare manifestaties</al><al>WvSr = Wetboek van Strafrecht</al><al>WvSv = Wetboek van Strafvordering</al><al>WVW 1994 = Wegenverkeerswet 1994</al><al/><al/><al/><divisie><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1.</nr><titel>ALGEMENE BEPALINGEN</titel></kop><al><onderstreept>Algemene toelichting Hoofdstuk 1.</onderstreept></al><al/><al>Hoofdstuk 1 van de APV bevat een aantal procedurevoorschriften en een aantal
                        algemene</al><al>bepalingen. Het aantal procedurevoorschriften is beperkt. De reden hiervoor
                        is dat de Algemene wet bestuursrecht algemene regels geeft betreffende de
                        aanvraag, de behandeling en de verlening van een vergunning of ontheffing.
                        In deze toelichting wordt summier ingegaan op de regeling in de Algemene wet
                        bestuursrecht en op de mogelijkheden voor aanvulling of afwijking in de APV.
                        Daarnaast worden de algemene bepalingen van hoofdstuk 1 toegelicht.</al><al/><al><cursief>Algemene wet bestuursrecht</cursief></al><al>De Algemene wet bestuursrecht (Awb) bevat onder meer bepalingen, waarin
                        algemene regels zijn geformuleerd omtrent de totstandkoming, vorm en inhoud
                        van bestuurlijke beslissingen. De Awb regelt bijvoorbeeld hoe het bevoegde
                        bestuursorgaan besluiten omtrent vergunningen of ontheffingen
                        (beschikkingen) moet nemen en welke eisen aan deze beschikkingen moeten
                        worden gesteld. De bepalingen in de Awb hebben deels een dwingend karakter,
                        zodat een regeling in de APV in dat geval niet meer nodig is. Soms geeft de
                        Awb de mogelijkheid om af te wijken van de Awbregels of om deze regels nader
                        aan te vullen. In de toelichting bij deze APV wordt telkens vermeld, wanneer
                        en waarom van deze mogelijkheid gebruik is gemaakt.</al><al/><al><onderstreept>Artikel 1:1 Begripsomschrijvingen</onderstreept></al><al>In dit artikel wordt een aantal begrippen dat in de verordening wordt
                        gehanteerd, gedefinieerd. Van een aantal specifieke begrippen, dat wil
                        zeggen begrippen die op een bepaald onderdeel van deze verordening
                        betrekking hebben, zijn in de desbetreffende afdeling definities opgenomen.
                        Over de in artikel 1:1 opgenomen definities kan het volgende worden
                        opgemerkt. </al><al> a. een openbare plaats: </al><al> Hiervoor is aangehaakt bij de Wet openbare manifestaties (Wom). Artikel 1,
                        eerste lid, WOM bepaalt wat een openbare plaats is, namelijk een plaats die
                        krachtens bestemming of vast gebruik open staat voor het publiek. Deze
                        definitie kent dus twee criteria. Ten eerste moet de plaats open staan voor
                        het publiek. Dat wil volgens de memorie van toelichting zeggen “dat in
                        beginsel eenieder vrij is om er te komen, te vertoeven en te gaan; dit houdt
                        in dat het verblijf op die plaats niet door de gerechtigde aan een bepaald
                        doel gebonden mag zijn (...). Dat de plaats "open staat" betekent verder dat
                        geen sprake is van een meldingsplicht, de eis van voorafgaand verlof, of de
                        heffing van een toegangsprijs voor het betreden van de plaats”. Op grond
                        hiervan zijn bijvoorbeeld stadions, postkantoren, warenhuizen, restaurants,
                        musea, ziekenhuizen en kerken geen “openbare plaatsen”. Ook de hal van het
                        gemeentehuis valt buiten het begrip “openbare plaats”. Het tweede criterium
                        is dat het open staan van de plaats moet zijn gebaseerd op bestemming of
                        vast gebruik. “De bestemming ziet op het karakter dat door de gerechtigde
                        aan de plaats is gegeven blijkens een besluit of blijkens de uit de
                        inrichting van de plaats sprekende bedoeling. Een openbare plaats krachtens
                        vast gebruik ontstaat wanneer de plaats gedurende zekere tijd wordt gebruikt
                        als had deze die bestemming, en de rechthebbende deze feitelijke toestand
                        gedoogt”, aldus de memorie van toelichting (TK 1985-1986, 19 427, nr. 3, p.
                        16). Voorbeelden van openbare plaatsen in de zin van artikel 1, eerste lid,
                        WOM zijn: openbare wegen, plantsoenen, speelweiden en parken en vrij
                        toegankelijke gedeelten van overdekte passages, van winkelgalerijen, van
                        stationshallen en van vliegvelden, openbare waterwegen en recreatieplassen.
                        Omdat de definitie van het begrip “openbare plaats” ook een aantal “besloten
                        plaatsen” als bedoeld in artikel 6, tweede lid, Grondwet kan omvatten, is in
                        artikel 1, tweede lid, WOM expliciet aangegeven dat onder een openbare
                        plaats niet wordt begrepen een gebouw of besloten plaats als bedoeld in
                        artikel 6, tweede lid, van de Grondwet (TK 1986-1987, 19 427, nr. 5, p.
                        11-13, en nr. 6). </al><al> b. <vet>weg:</vet></al><al> In de wetgeving bestaan verschillende definities van het begrip “weg”: de
                        “(Openbare) weg” in de zin van de Wegenwet: een begrip dat de wetgever heeft
                        gecreëerd in verband met de verkeersbehoefte. Een van de grondbeginselen van
                        de Wegenwet is dat het verkeer op wegen die openbaar zijn in de zin van deze
                        wet, het onbetwistbaar recht van vrij gebruik heeft (behoudens bepaalde
                        beperkingen; zie hierna);de “weg” in de zin van de Wegenverkeerswet 1994
                        (WVW 1994), te weten de voor het openbaar verkeer openstaande weg: een
                        begrip ontstaan als gevolg van de noodzaak om met betrekking tot de
                        verkeersveiligheid en het in stand houden van de weg in te grijpen. </al><al><vet>op of aan de weg:</vet></al><al> Verschillende bepalingen in deze verordening hebben betrekking op
                        (verboden) gedragingen “op of aan de weg”. De term “aan de weg” duidt
                        begripsmatig op een zekere nabijheid ten opzichte van de weg. Daaronder
                        vallen bijvoorbeeld voortuinen van huizen en andere open ruimtes die aan de
                        weg zijn gelegen. Daaronder valt echter niet wat zich binnenshuis bevindt of
                        afspeelt. Ook treinstations vallen buiten het bereik van de APV. Artikel 27
                        van de Spoorwegwet en de daarop gebaseerde Algemeen Reglement Vervoer
                        regelen het bevoegd gezag inzake veiligheid, orde en rust op en om stations. </al><al> c. <vet>openbaar water:</vet> Een “openbaar water” in de zin van Boek 5 van
                        het Burgerlijk Wetboek is ieder water, dat open staat voor het publiek.
                        “Openbaar” is hier dus synoniem aan “feitelijk voor het publiek
                        toegankelijk”. </al><al> d. <vet>bebouwde kom:</vet> De reikwijdte van een aantal artikelen in deze
                        verordening is (of kan) beperkt (zijn) tot de bebouwde kom. Voor het begrip
                        “bebouwde kom” kan aangesloten worden bij de aanwijzing van gedeputeerde
                        staten van Zeeland van de bebouwde kom krachtens artikel 27, tweede lid, van
                        de Wegenwet. Nadeel is dat een dergelijke aanwijzing niet altijd actueel is.
                        Het is daarom praktischer de bebouwde kom aan te geven op een kaart die bij
                        de verordening is gevoegd. Deze kaart maakt deel uit van de verordening en
                        moet dus mee gepubliceerd worden. Een alternatief is om als de definitie te
                        hanteren: het gebied binnen de grenzen van de bebouwde kom die zijn
                        vastgesteld op grond van artikel 20a van de Wegenverkeerswet 1994. </al><al>e. rechthebbende: Hieronder wordt verstaan de rechthebbende naar burgerlijk
                        recht. </al><al> f. bouwwerk: Deze omschrijving verwijst naar artikel 1 van de
                        Bouwverordening gemeente Vlissingen: “elke constructie van enige omvang van
                        hout, steen, metaal of ander materiaal, die op de plaats van bestemming
                        hetzij direct hetzij indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of
                        indirect steun vindt in of op de grond, bedoeld om ter plaatse te
                        functioneren”. </al><al> g. gebouw: Deze omschrijving verwijst naar artikel 1, onder c, van de
                        Woningwet: “elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke overdekte geheel
                        of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt”. </al><al> h. handelsreclame: In het vierde lid van artikel 7 van de Grondwet,
                        betreffende de vrijheid van meningsuiting, wordt handelsreclame (commerciële
                        reclame) met zoveel woorden buiten de werking van dit artikel geplaatst. Dit
                        is vooral van belang in verband met het bepaalde in het eerste lid van
                        artikel 7, dat zich volgens vaste jurisprudentie verzet tegen een
                        vergunningsstelsel voor de verspreiding van gedrukte stukken e.d. </al><al> Aan een vergunningsstelsel voor handelsreclame staat het grondwetsartikel
                        niet in de weg. Onder het begrip “reclame” dient te worden verstaan: iedere
                        vorm van openbare aanprijzing van goederen en diensten. Door dit te beperken
                        tot “handelsreclame” heeft de in het vierde lid geformuleerde uitzondering
                        slechts betrekking op reclame voor commerciële doeleinden in de ruime zin
                        des woords en omvat zij elk aanbod van goederen en diensten, maar is zij
                        niet van toepassing op reclame voor ideële doeleinden. Dit betekent niet dat
                        handelsreclame helemaal niet beschermd wordt. Voorschriften voor
                        handelsreclame zullen de toets aan artikel 10 EVRM en artikel 19 IV moeten
                        kunnen doorstaan. Deze verdragsbepalingen verzetten zich echter niet tegen
                        een vergunningsstelsel. </al><al> j. bevoegd gezag In dit artikel is met de term “bevoegd gezag” aangehaakt
                        bij de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Die is van toepassing
                        op de vergunning voor aanleg, beschadigen en veranderen van een weg (artikel
                        2:6) en het vellen van houtopstanden (artikel 4:11). De vergunning voor het
                        aanleggen of veranderen van een weg is aangewezen in artikel 2.2, eerste lid
                        onder d. van de Wabo, en de vergunning voor het vellen van houtopstanden in
                        artikel 2.2, eerste lid onder g. De Wabo kan ook van toepassing zijn op het
                        gebruik van de weg anders dan overeenkomstig de publieke functie daarvan,
                        namelijk als het gaat om het opslaan van roerende zaken (artikel 2:5). De
                        ontheffing voor het opslaan van roerende zaken is aangewezen in artikel 2.2,
                        eerste lid, onder j en k van de Wabo. </al><al> De omgevingsvergunning wordt door één bevoegd gezag beoordeeld en doorloopt
                        één procedure. De beslissing op de aanvraag kent ook één procedure van
                        rechtsbescherming. Het bevoegd gezag is in de meeste gevallen het college
                        van burgemeester en wethouders van de gemeente waar het project in hoofdzaak
                        zal worden verricht. In een beperkt aantal gevallen berust de bevoegdheid
                        tot toestemmingsverlening niet bij het College van burgemeester en
                        wethouders, maar bij het College van gedeputeerde staten en in enkele
                        gevallen bij een Minister. Het bevoegd gezag is integraal verantwoordelijk
                        voor het te nemen besluit en is tevens belast met de bestuursrechtelijke
                        handhaving. Daarnaast komt in de APV op verschillende plaatsen de term
                        “bevoegd bestuursorgaan” voor. Daarmee wordt dan gedoeld op ofwel het
                        college van burgemeester en wethouders, ofwel de burgemeester. De Wabo
                        brengt hierin geen verandering. </al><al/><al><cursief>Jurisprudentie</cursief></al><al>Weg: Strandovergang is openbare weg in de zin van artikel 4, eerste lid,
                        onder II, Wegenwet. ABRS 16-03-1999, Gst. 1999, 7100, 3 m.nt. HH. Nu in dit
                        geval onvoldoende vaststaat dat de strook grond een weg in de zin van
                        artikel 1 APV was, staat evenmin vast dat het verbod van artikel 9.1 APV is
                        overtreden. ABRS 29-08-2001, LJN-nr. AD3795.</al><al>Weg: Door particulier niet overeenkomstig publieke functie en zonder
                        vergunning gebruikt deel van gemeentegrond (groenstrook) is aan te merken
                        als weg in de zin van artikel 1.1, aanhef en sub a de APV (Alkmaar), nu
                        gemeente publieke toegankelijkheid van groenstrook heeft beoogd en deze ook
                        feitelijk heeft gerealiseerd. Niet is gebleken van concreet zicht op
                        legalisatie. Beroep op gelijkheidsbeginsel verworpen. ABRS 30-07-2008,
                        LJN-nr. BD8901.</al><al>Weg: betekenis van het begrip ‘weg’ in de zin van de Wegenwet. Het doel van
                        de Wegenwet is het treffen van een regeling ten behoeve van het openbaar
                        verkeer. Blijkens de geschiedenis van de totstandkoming van de Wegenwet
                        (Kamerstukken II 1929/30, nr. 99a, p. 1) werd een afzonderlijke bepaling,
                        waarbij tot uitdrukking komt wat tot de wegen geacht wordt te behoren, niet
                        nodig en niet gewenst geacht omdat voornamelijk door de praktijk zelf wordt
                        aangegeven wat tot de weg gerekend moet worden te behoren. De Wegenwet heeft
                        naar het oordeel van de Afdeling betrekking op verkeersbanen die een functie
                        vervullen ten behoeve van het afwikkelen van het openbar verkeer en die
                        derhalve maar hun aard of functie een grote, onbepaalde publieksgroep
                        dienen. ABRS 05-03-2008, AB 2009, 250, LJN-nr. BC6035</al><al>Handelsreclame: Onder een “commercieel belang te dienen” moet mede worden
                        begrepen: dienstig te zijn tot koop en verkoop. HR 11-05-1982, NJ 1983,
                        68.</al><al>Openbaar water: De jachthaven is openbaar water, ook al is voor het innemen
                        van een ligplaats een vergunning van de eigenaar nodig. De boot is een
                        woonboot, ook al heeft die de uiterlijke kenmerken van een pleziervaartuig
                        (ABRS 17 december 2009 LJN BK7441, JG10.0014). De uitspraak maakt duidelijk
                        hoe het begrip ‘openbaar water’ moet worden uitgelegd: het water moet voor
                        het publiek toegankelijk zijn. Het is hierbij niet relevant of de gemeente
                        eigenaar is van het water of een andere partij of dat er een bordje met de
                        tekst ‘verboden toegang voor onbevoegden’’ is geplaatst. Slechts wanneer de
                        toegankelijkheid feitelijk wordt beperkt, bijv. door een balk of een ketting
                        die vlak boven het water is aangebracht, is er geen sprake van openbaar
                        water. Bebouwde kom: Vaststelling grens bebouwde kom is een besluit
                        inhoudende een beleidsregel. Een besluit gericht op rechtsgevolg, maar niet
                        vatbaar voor bezwaar en beroep. Dit geldt ook voor de weigering op de
                        vaststelling terug te komen. (Rb Groningen; zaaknummer: AWB 09/716; datum
                        uitspraak: 15-02-2010 LJN: BL4224). </al><al/><al><onderstreept>Lex Silencio Positivo (LSP)</onderstreept></al><al/><al>De opzet is gewijzigd voor wat betreft de regeling van de LSP (positieve
                        beschikking bij niet tijdig beslissen). De LSP houdt kort gezegd in dat
                        wanneer het college niet binnen de wettelijke termijn op een aanvraag
                        beslist, de vergunning of ontheffing van rechtswege (automatisch) wordt
                        verleend. de LSP is geregeld in paragraaf 4.1.3.3. (artikel 4:20 at/m f van
                        de Algemene wet bestuursrecht). Artikel 4:20a van de Algemene wet
                        bestuursrecht stelt dat paragraaf 4.1.3.3. van toepassing is, indien dit bij
                        verordening is bepaald. Met andere woorden, in de Apv kan per vergunning of
                        ontheffing worden bepaald of de LSP wel of niet van toepassing wordt
                        verklaard.</al><al/><al>Voor vergunningen en ontheffingen die vallen onder de reikwijdte van de
                        Europese dienstenrichtlijn is deze afweging reeds bij het opstellen van de
                        Apv in 2009 gemaakt. Alleen het lid waarin de LSP al dan niet van toepassing
                        is verklaard staat omwille van de duidelijkheid niet langer in de artikelen
                        1:9 en 1:10, maar in het artikel zelf. </al><al>Nieuw bij de huidige wijziging is dat bij alle vergunningen en ontheffingen
                        een keuze is gemaakt over het al dan niet toepassen van de LSP, ook daar
                        waar het niet vanwege de toepasselijkheid van de Europese Dienstenrichtlijn
                        verplicht is.</al><al/><al>Bij de vrijwillige toepassing van de LSP is vrijwel altijd sprake van een
                        afweging tussen twee aspecten. Enerzijds is er niet voor niets een verbod in
                        de Apv opgenomen, waarvan in een gemotiveerde beslissing kan worden
                        afgeweken. Anderzijds dient het college tijdig te beslissen en is het geen
                        onlogische gedachte dat de burger niet langer hoeft te wachten als dit niet
                        gebeurt. Dit zeker als de ernst van de gevolgen niet bijzonder groot zijn.
                        In het bijgevoegde wijzigingsoverzicht is per artikel aangegeven op welke
                        wijze de belangenafweging tot stand is gekomen.</al><al/><al>Een vergunning of ontheffing die automatisch is verstekt op grond van de LSP
                        levert niet per definitie een regelvrije vergunning of ontheffing op.
                        Artikel 4:20f van de Algemene wet bestuursrecht maakt het mogelijk dat het
                        college, nadat een vergunning van rechtswege is verleend, alsnog voorwaarden
                        stelt aan de vergunning of de vergunning van rechtswege intrekt. Het college
                        zal in die gevallen wel de eventuele schade die de betrokkene lijdt moeten
                        vergoeden.</al><al/><al><onderstreept>Artikel 1:2 Beslistermijn</onderstreept></al><al>Het uitgangspunt van artikel 4:13 van de Awb is dat in het wettelijk
                        voorschrift de termijn aangegeven wordt waarbinnen de beschikking gegeven
                        dient te worden. Zo kan worden nagegaan wat voor iedere situatie een goede
                        beslistermijn is. In de APV is de beslistermijn vastgesteld op acht weken
                        (eerste lid). Dit is gelijk aan de maximumtermijn die in artikel 4:13,
                        tweede lid, van de Awb, wordt gesteld. Tijdig beslissen is een rechtsplicht
                        voor elk bestuursorgaan. Het merendeel van de aanvragen zal binnen acht
                        weken kunnen worden afgehandeld. Meer ingewikkelde aanvragen, zeker die
                        waarvoor meerdere adviezen moeten worden ingewonnen, vergen soms meer tijd.
                        De verlenging van de beslistermijn biedt dan uitkomst. Ook deze termijn is
                        op acht weken gesteld (tweede lid). Uitgangspunt blijft altijd dat die
                        termijn redelijk moet zijn. Artikel 4:14 Awb verplicht tot kennisgeving aan
                        de aanvrager van dit verlengingsbesluit. Indien de aanvrager meent dat de
                        verlenging niet redelijk is, kan hij daartegen in bezwaar en beroep gaan.
                            </al><al><cursief><onderstreept>Dienstenrichtlijn.</onderstreept></cursief></al><al>Op vergunningprocedures voor wat betreft
                        diensten is artikel 13 van de Dienstenrichtlijn van toepassing. Het derde
                        lid bepaalt dat de aanvraag binnen een redelijke, vooraf vastgestelde
                        termijn wordt behandeld. De achtweken-termijn van artikel 1:2 voldoet
                        daaraan. Artikel 13, derde lid, van de Dienstenrichtlijn bepaalt voorts dat
                        de beslistermijn eenmaal door de bevoegde instantie mag worden verlengd,
                        indien dit gerechtvaardigd wordt door de complexiteit van het onderwerp. Dit
                        houdt in dat voor verlenging een stevige motivering is vereist met
                        gebruikmaking van dit criterium. De verlenging en duur ervan worden met
                        redenen omkleed vóór het verstrijken van de oorspronkelijke termijn ter
                        kennis van de aanvrager gebracht worden. Het derde lid is een implementatie
                        van deze verplichting. </al><al><cursief><onderstreept>Ontvangstbevestiging</onderstreept></cursief>. </al><al>Indien de Dienstenrichtlijn van toepassing is, wordt op grond van artikel
                        13, vijfde lid de ontvangst van elke vergunningaanvraag zo snel mogelijk
                        bevestigd. De ontvangstbevestiging moet de volgende informatie bevatten: de
                        beslistermijn, de beschikbare rechtsmiddelen en indien van toepassing de
                        vermelding dat bij het uitblijven van een antwoord binnen de gespecificeerde
                        termijn de vergunning geacht wordt te zijn verleend. Het gaat hier om
                        toepassing van de lex silencio. Een bevoegde instantie bevestigt eveneens de
                        ontvangst van een melding die een dienstverrichter krachtens wettelijk
                        voorschrift bij een bevoegde instantie dient te verrichten, indien door het
                        doen van die melding en een bij wettelijk voorschrift bepaald tijdsverloop
                        een voorwaarde wordt vervuld voor toegang tot of de uitoefening van een
                        dienst. </al><al><cursief><onderstreept>Opschorting van de termijn.
                        </onderstreept></cursief></al><al>Op grond van de Dienstenrichtlijn gaat de termijn pas in op het tijdstip
                        waarop alle documenten zijn ingediend. Artikel 13, zesde lid bepaalt dat
                        wanneer een aanvraag onvolledig is, de aanvrager zo snel mogelijk wordt
                        meegedeeld dat hij aanvullende documenten moet verstrekken, en, in
                        voorkomend geval, welke gevolgen dit heeft voor de in artikel 13, derde lid,
                        bedoelde termijn. Hiermee wordt bedoeld dat moet worden meegedeeld dat de
                        termijn pas aanvangt als de gevraagde documenten zijn ontvangen.Deze
                        regeling wijkt af van die van artikel 4:15 Awb: de termijn voor het geven
                        van een beschikking wordt opgeschort met ingang van de dag waarop het
                        bestuursorgaan krachtens artikel 4:5 de aanvrager uitnodigt de aanvraag aan
                        te vullen, tot de dag waarop de aanvraag is aangevuld of de daarvoor
                        gestelde termijn ongebruikt is verstreken.Als de aanvraag is aangevuld,
                        loopt de termijn weer verder door.</al><al><onderstreept>Wabo</onderstreept>. </al><al>De tekst van het eerste lid is in overeenstemming gebracht met die van
                        artikel 3.9, eerste lid van de Wabo. Inhoudelijk is er niets veranderd. Het
                        derde lid is toegevoegd omdat artikel 3.9, tweede lid van de Wabo bepaalt
                        dat de beslistermijn niet met acht, maar slechts met zes weken kan worden
                        verlengd. De wegaanlegvergunning (art 2:6) en de kapvergunning (art 4:11)
                        vallen onder de Wabo. De vergunning voor het aanleggen of veranderen van een
                        weg is aangewezen in artikel 2.2, eerste lid onder d. van de Wabo, en de
                        vergunning voor het vellen van houtopstanden in artikel 2.2, eerste lid
                        onder g. De Wabo kan ook van toepassing zijn op het gebruik van de weg
                        anders dan overeenkomstig de publieke functie daarvan, namelijk als het gaat
                        om het opslaan van roerende zaken (artikel 2:5). De ontheffing voor het
                        opslaan van roerende zaken is aangewezen in artikel 2.2, eerste lid, onder j
                        en k van de Wabo. </al><al/><al>De indieningsvereisten voor een aanvraag om een vergunning of ontheffing die
                        onder de Wabo valt, staan in de Ministeriële regeling omgevingsrecht (Mor,
                        Staatscourant 2010-5162). De algemene indieningsvereisten staan in artikel
                        1.3 Mor, dat luidt als volgt:</al><al>Artikel 1.3 Indieningsvereisten bij iedere aanvraag</al><al>1. In de aanvraag vermeldt de aanvrager:</al><al>a. de naam, het adres en de woonplaats van de aanvrager, alsmede het
                        elektronisch adres van de aanvrager, indien de aanvraag met een elektronisch
                        formulier wordt ingediend;</al><al>b. het adres, de kadastrale aanduiding dan wel de ligging van het
                        project;</al><al>c. een omschrijving van de aard en omvang van het project;</al><al>d. indien de aanvraag wordt ingediend door een gemachtigde: zijn naam, adres
                        en woonplaats, alsmede het elektronisch adres van de gemachtigde, indien de
                        aanvraag met een elektronisch formulier wordt ingediend; </al><al>e. indien het project wordt uitgevoerd door een ander dan de aanvrager: zijn
                        naam, adres en woonplaats.</al><al>2. De aanvrager voorziet de aanvraag van een aanduiding van de locatie van
                        de aangevraagde activiteit of activiteiten. Deze aanduiding geschiedt met
                        behulp van een situatietekening, kaart, foto’s of andere geschikte
                        middelen.</al><al>3. De aanvrager doet bij de aanvraag een opgave van de kosten van de te
                        verrichten werkzaamheden. In Hoofdstuk 7 van de Mor staan nog bijzondere
                        indieningsvereisten. Daarvan zijn in het kader van de APV alleen die voor
                        het vellen van houtopstanden van belang. Zie daarvoor de toelichting bij
                        artikel 4:11. </al><al/><al><onderstreept>Artikel 1:3 Indiening aanvraag</onderstreept></al><al>In de praktijk gebeurt het nog wel eens dat burgers met de aanvraag om een
                        vergunning tot het laatste moment wachten. Als algemene richtlijn wordt
                        daarom een termijn van drie weken aangehouden. De bewoordingen van het
                        onderhavige artikel (“kan”) laten uitkomen, dat niet elke te laat ingediende
                        aanvraag buiten behandeling hoeft te worden gelaten. Voor vergunningen die
                        niet binnen drie weken kunnen worden behandeld, is in het tweede lid de
                        mogelijkheid geschapen om de termijn van drie weken te verlengen tot
                        maximaal acht weken. </al><al>Vanzelfsprekend kan ook een langere of kortere termijn worden vastgelegd.
                        Als wordt overwogen voor verschillende APV-vergunningen of -ontheffingen
                        verschillende termijnen vast te leggen, dan dient iedere afwijking van de
                        algemene regel in het betreffende onderdeel van de APV te worden vastgelegd.
                        Gemeenten die met een systematiek werken die inhoudt dat een vergunning voor
                        een bepaald jaar vóór 1 december van het daaraan voorafgaande jaar moet
                        worden aangevraagd, kunnen dit expliciet bepalen en bekendmaken. Als een
                        aanvraag echt veel te vroeg wordt gedaan en dan nog niet kan worden
                        beoordeeld, volstaat een gemotiveerde mededeling daarvan aan de aanvrager. </al><al/><al><cursief><onderstreept>Herhaalde aanvraag (artikel 4:6
                            Awb)</onderstreept></cursief></al><al>Als er lange tijd is verstreken tussen beide aanvragen kan het praktischer
                        zijn om de aanvraag opnieuw inhoudelijk te behandelen in plaats van een
                        discussie te voeren over de vraag of het wel of niet om een herhaalde
                        aanvraag gaat. </al><al/><al><cursief>Jurisprudentie</cursief></al><al>Zie ABRvS 3 mei 2006, JB 2006/186. Daar was meer dan tien jaar verlopen
                        tussen beide aanvragen, en de Afdeling oordeelde dat er geen sprake was van
                        een herhaalde aanvraag, omdat één aanvraag was gebaseerd op de Wet
                        openbaarheid van bestuur en de andere op de Archiefwet<vet>.</vet></al><al/><al><onderstreept>Artikel 1:4 Voorschriften en beperkingen</onderstreept></al><al>In literatuur en jurisprudentie is men het erover eens dat de bevoegdheid
                        tot het verbinden van voorschriften in beginsel aanwezig is in die gevallen
                        waarin het al dan niet verlenen van die vergunning of ontheffing ter vrije
                        beslissing staat van het beschikkende orgaan. Toch verdient het uit een
                        oogpunt van duidelijkheid aanbeveling deze bevoegdheid uitdrukkelijk vast te
                        leggen. Daarbij moet ook - ten overvloede - worden aangegeven dat die
                        voorschriften uitsluitend mogen strekken ter bescherming van de belangen in
                        verband waarmee het vereiste van vergunning of ontheffing is gesteld.
                        Niet-nakoming van voorschriften die aan een vergunning of ontheffing
                        verbonden zijn, kan grond opleveren voor intrekking van de vergunning of
                        ontheffing dan wel voor toepassing van andere administratieve sancties. In
                        artikel 1:6 is deze intrekkingsbevoegdheid vastgelegd. De vraag of bij
                        niet-nakoming van vergunningsvoorschriften bestuursdwang kan worden
                        toegepast, wordt in het algemeen bevestigend beantwoord. Doordat in het
                        tweede lid van artikel 1:4 naleving van deze voorschriften wordt omschreven
                        als verplichting, wordt hierover alle onzekerheid weggenomen. Uiteraard is
                        bestuursdwang niet mogelijk, wanneer alleen voorschriften zijn overtreden,
                        die slechts beogen het toezicht op de naleving van de vergunning of
                        ontheffing te vergemakkelijken, maar geen verband houden met de bescherming
                        van het belang of de belangen met het oog waarop de vergunning of ontheffing
                        is vereist. </al><al/><al><cursief><onderstreept>Dienstenrichtlijn</onderstreept></cursief></al><al>Artikel 10 van de Dienstenrichtlijn bepaalt dat vergunningstelsels gebaseerd
                        moeten zijn op criteria die ervoor zorgen dat de bevoegde instanties hun
                        beoordelingsbevoegdheid niet op willekeurige wijze uitoefenen. Die criteria
                        zijn: niet-discriminatoir, gerechtvaardigd om een dwingende reden van
                        algemeen belang; evenredig met die reden van algemeen belang; duidelijk en
                        ondubbelzinnig; objectief; vooraf openbaar bekendgemaakt; transparant en
                        toegankelijk. Ook de voorschriften en beperkingen die aan de vergunning
                        worden verbonden, dienen hieraan te voldoen. Zie voor wat onder dwingende
                        reden van algemeen belang en evenredigheid wordt verstaan: de algemene
                        toelichting en het commentaar onder artikel 1:8. Op grond van het vijfde lid
                        van artikel 10 wordt de vergunning pas verleend nadat na een passend
                        onderzoek is vastgesteld dat aan de vergunningvoorwaarden is voldaan. Het
                        derde lid zegt, dat de vergunningvoorwaarden voor een nieuwe vestiging
                        gelijkwaardige, of gezien hun doel in wezen vergelijkbare, eisen en
                        controles waaraan de dienstverrichter al in een andere of dezelfde lidstaat
                        onderworpen is, niet mogen overlappen. </al><al/><al>In de algemene strafbepaling (artikel 6:1) wordt overtreding van het bij of
                        krachtens deze verordening bepaalde met straf bedreigd. Daardoor staat ook
                        straf op het overtreden van aan een vergunning of ontheffing verbonden
                        voorschriften.</al><al/><al><onderstreept>Artikel 1:5 Persoonlijk karakter van vergunning of
                            ontheffing</onderstreept></al><al>Een vergunning wordt persoonlijk genoemd, als die alleen of vooral is
                        verleend vanwege de persoon van de vergunningaanvrager (diens persoonlijke
                        kwaliteiten, zoals het bezit van een diploma of een bewijs van onbesproken
                        levensgedrag). De persoonlijke vergunning is in beginsel niet overdraagbaar,
                        tenzij de regeling dat uitdrukkelijk bepaalt of dit uit de aard van de
                        vergunning voortvloeit. Een voorbeeld van een persoonsgebonden vergunning is
                        de vergunning als bedoeld in artikel 3 van de Drank- en Horecawet. Deze wet
                        bepaalt dat voor het verkrijgen van een vergunning de nodige diploma’s
                        moeten zijn gehaald. Een persoonlijke vergunning is ook de
                        standplaatsvergunning. Dit vanwege het persoonlijke karakter van de
                        ambulante handel en omdat het aantal aanvragen om vergunning het aantal te
                        verlenen vergunningen meestal verre overtreft. Het zou onredelijk zijn als
                        een standplaatsvergunning zonder meer kan worden overgedragen aan een andere
                        terwijl een groot aantal aanvragers op de wachtlijst staat. </al><al/><al>Als een vergunning of ontheffing zowel voor de aanvrager als voor zijn
                        rechtsopvolger geldt, is het verstandig een voorschrift op te nemen dat de
                        houder van de vergunning of ontheffing verplicht binnen twee weken
                        schriftelijk te melden dat hij zijn vergunning heeft overgedragen, met
                        vermelding van de naam en het adres van de nieuwe houder van de vergunning
                        of ontheffing. </al><al/><al><cursief><onderstreept>Literatuur</onderstreept></cursief></al><al>Voor de overdraagbaarheid van APV-vergunningen, zie: C.L. Knijff,
                        Rechtsopvolging bij vergunningen in de gemeentepraktijk, GS 2004, 7205,
                        onder 3.4 Overgang uitgesloten: APV-vergunningen. </al><al/><al><cursief>Jurisprudentie</cursief></al><al>Volgens art. 1:10 APV is de vergunning of ontheffing persoonsgebonden tenzij
                        bij of krachtens deze verordening anders is bepaald. Ingevolge art. 1:11,
                        aanhef en onder e APV kan de vergunning of ontheffing worden gewijzigd
                        indien de houder of zijn rechtverkrijgende dit verzoekt. De Afdeling is van
                        oordeel dat art. 1:11 aanhef en onder e APV niet afdoet aan het
                        persoonsgebonden karakter van de vergunning. Van een zelfstandige bepaling
                        die het persoonsgebonden karakter van de exploitatievergunning voor een
                        coffeeshop kan opheffen is geen sprake, gelet op de aard van de vergunning
                        en op de strekking van het in de APV neergelegde vergunningstelsel. De
                        burgemeester was daarom niet zonder meer gehouden zijn medewerking te
                        verlenen aan een verzoek tot overdracht van een vergunning aan een derde.
                        ABRS 23-11-1999, LJN-nr. AA5058, GS 2000, 7112, 6. </al><al/><al><onderstreept>Artikel 1:6 Intrekking of wijziging van vergunning of
                            ontheffing</onderstreept></al><al>De in het eerste lid genoemde intrekkings- en wijzigingsgronden hebben een
                        facultatief karakter (“kan”). Het hangt van de omstandigheden af of tot
                        intrekking of wijziging wordt overgegaan. Zo zal niet iedere niet-nakoming
                        van vergunningsvoorschriften leiden tot intrekking van de vergunning. Vooral
                        het rechtzekerheids- en het vertrouwensbeginsel beperken nogal eens de
                        bevoegdheid tot wijziging en intrekking.Als het bestuursorgaan overweegt om
                        de vergunning of ontheffing in te trekken of te wijzigen, dient het de
                        belanghebbenden in de gelegenheid te stellen hun bedenkingen in te dienen
                        (artikel 4:8 Awb). </al><al/><al><cursief>Jurisprudentie</cursief></al><al>Gelet op art. 1:6 van de APV in samenhang gelezen met art. 2.1.4.1, tweede
                        lid (oud), APV was de burgemeester in het onderhavige geval bevoegd de
                        vergunning in te trekken. Intrekking van een vergunning vereist een
                        zorgvuldige voorbereiding. Als specifieke kennis bij het bestuursorgaan
                        ontbreekt, moet advies worden ingewonnen. Zes werkdagen zijn daarvoor
                        voldoende. ABRS 11-06-2003, 200205273/1, JG 03.0125, met noot M. Geertsema.
                        </al><al/><al><onderstreept>Artikel 1:6a Vervallen van vergunning of
                            ontheffing</onderstreept></al><al>Dit artikel voorziet in het van rechtswege vervallen van vergunningen of
                        ontheffingen. Het rechtsgevolg van het vervallen van een vergunning of
                        ontheffing treedt in als gevolg van twee typen situaties. De eerste is, dat
                        binnen de gestelde termijn of bij gebreke daarvan binnen zes maanden na het
                        onherroepelijk worden van de vergunning of ontheffing daarvan geen gebruik
                        is gemaakt. De tweede is, dat gedurende één jaar na het onherroepelijk
                        worden geen gebruik is gemaakt van de vergunning of ontheffing. </al><al/><al>Voor het van rechtswege vervallen van vergunningen en ontheffingen in
                        genoemde situaties is gekozen om APV-vergunningen en ontheffingen actueel te
                        houden. De vorige APV trof – met uitzondering van enkele vergunningen - geen
                        regeling voor het geval, dat houders niet tijdig of in het geheel geen
                        gebruik maken van hun vergunningen of ontheffingen of jarenlang daar geen
                        gebruik van maakten. Een voorbeeld van het van rechtswege vervallen van een
                        vergunning uit de vorige APV is de kapvergunning, die automatisch verviel
                        als houders daar niet op tijd - de bekende termijn van één jaar - gebruik
                        van maakten. De oude regeling liet in het overgrote deel van de gevallen het
                        opnieuw gebruiken van vergunningen, die jarenlang niet meer gebruikt zijn,
                        toe terwijl de gemeente in een aantal gevallen die vergunningen onder de
                        latere omstandigheden niet meer verleende. Het vergunningbestand verloor
                        daardoor actualiteit. </al><al/><al><onderstreept>Artikel 1:7 Termijnen</onderstreept></al><al>Het streven naar lastenvermindering voor burger en overheid en toetsing aan
                        de Europese Dienstenrichtlijn hebben ertoe geleid in artikel 1:7 te bepalen
                        dat de vergunning of ontheffing in beginsel voor onbepaalde tijd geldt.
                        Artikel 11 van de Dienstenrichtlijn stelt dat vergunningen geen beperkte
                        geldingsduur mogen hebben, tenzij: </al><al>a. de vergunning automatisch wordt verlengd of alleen afhankelijk is van de
                        voortdurende vervulling van de voorwaarden;</al><al>b. het aantal beschikbare vergunningen beperkt is door een dwingende reden
                        van algemeen belang;</al><al>c. een beperkte duur gerechtvaardigd is om een dwingende reden van algemeen
                        belang. </al><al/><al>Over punt b. dat onder meer op wachtlijsten ziet, schrijft de
                        Dienstenrichtlijn: “Wanneer het aantal beschikbare vergunningen voor een
                        activiteit beperkt is wegens een schaarste aan natuurlijke hulpbronnen of
                        technische mogelijkheden, moet een selectieprocedure worden vastgesteld om
                        uit verscheidene gegadigden te kiezen, teneinde via de werking van de vrije
                        markt de kwaliteit en voorwaarden van het dienstenaanbod voor de gebruikers
                        te verbeteren. Deze procedure moet transparant en onpartijdig zijn en de
                        verleende vergunning mag niet buitensporig lang geldig zijn, automatisch
                        worden verlengd of enig voordeel toekennen aan de dienstverrichter wiens
                        vergunning net is komen te vervallen. In het bijzonder moet de
                        geldigheidsduur zodanig worden vastgesteld dat de vrije mededinging niet in
                        grote mate wordt belemmerd of beperkt dan nodig is met het oog op de
                        afschrijvingen van de investeringen en een billijke vergoeding van het
                        geïnvesteerde kapitaal.” (PB L 376/36, nr. 62) Als gemeenten een vergunning
                        voor bepaalde tijd verlenen, moeten zij beargumenteren waarom deze beperking
                        nodig is en de evenredigheidstoets kan doorstaan. </al><al/><al>Sommige vergunningen lenen zich uit de aard alleen voor verlening voor
                        bepaalde tijd. Dit is bijvoorbeeld het geval bij een evenementenvergunning
                        of een standplaatsvergunning voor een oliebollenkraam rond de jaarwisseling.
                        Zie voor de betekenis van “een dwingende reden van algemeen belang” bij de
                        toelichting onder artikel 1:8. </al><al/><al/><al>Artikel 1:6 bepaalt dat bij gewijzigde omstandigheden de vergunning kan
                        worden gewijzigd of ingetrokken. Het ligt ook daarom in de rede dat een
                        vergunning voor onbepaalde duur blijft gelden indien de omstandigheden niet
                        wijzigen. Pas bij gewijzigde omstandigheden dient de vergunning opnieuw te
                        worden bezien. Ook daarbij wordt rekening gehouden met de noodzaak- en
                        proportionaliteitseis. Bij geringe wijziging van omstandigheden die geen
                        gevolgen hebben voor het algemeen belang, kan de vergunning niet worden
                        gewijzigd of ingetrokken. De noodzaak daarvoor ontbreekt.</al><al/><al><onderstreept>Artikel 1:7a Meldingen</onderstreept></al><al>Het begrip vergunningstelsel in de zin van de Dienstenrichtlijn is breder
                        dan wij dit kennen.</al><al>Daaronder vallen ook meldingsplichten. Onder vergunning verstaat de
                        Dienstenrichtlijn immers: elke procedure die voor een dienstverrichter of
                        afnemer de verplichting inhoudt bij een bevoegde instantie stappen te
                        ondernemen ter verkrijging van een formele of stilzwijgende beslissing over
                        de toegang tot of de uitoefening van een dienstenactiviteit (artikel 4,
                        zesde lid). Hieruit volgt dat een melding wordt aangemerkt als een
                        vergunning. Andere voorbeelden van een ‘vergunning’ zijn: verklaringen van
                        geen bezwaar; verplichting zich in te schrijven in een register etc. Een
                        voorbeeld van een meldingsplicht binnen deze verordening is een eendaags
                        klein evenement. </al><al/><al>De algemene bij het college en de raad levende wens om te streven naar
                        vermindering van administratieve lasten is aangegrepen om in het bijzonder
                        de uitvoering van de Algemene plaatselijke verordening Vlissingen 2009 te
                        vereenvoudigen door de vergunningplicht op veel plaatsen te vervangen door
                        een meldingsplicht, bijv. bij het aanleggen van een uitweg, geluid- en
                        trillinghinder bouwwerkzaamheden, vellen van houtopstanden en voorwerpen in,
                        op of boven openbaar water. Daarbij moet de vraag worden gesteld met welke
                        juridische eisen rekening moet worden gehouden bij het invoeren van een
                        meldingsplicht zowel op het wetstechnische vlak als in de
                        uitvoeringspraktijk: </al><al>een meldingsplicht als onderdeel van een voorwaardelijk verbod, een
                        meldingsgebod en een meldingsverplichting als uitzondering op een
                        voorwaardelijk verbod, waarin een vergunningenstelsel is opgenomen.Zie
                        verder ook de nota Handleiding meldingsplicht 2011.</al><al/><al><onderstreept>Artikel 1:8 Weigeringsgronden</onderstreept></al><al>Vergunningstelsels zijn in de APV als volgt geformuleerd: een
                        verbodsbepaling om een bepaalde activiteit te verrichten behoudens
                        vergunning. Vergunningstelsels kenden vervolgens een artikellid of –leden
                        met weigeringsgronden. Deze werden op verschillende manier omschreven wat
                        suggereerde dat in verschillende bepalingen materieel andere
                        weigeringsgronden golden. Dit was meestal niet het geval. In het kader van
                        deregulering en vermindering van administratieve lasten is kritisch naar de
                        weigeringsgronden gekeken. We hebben ter bevordering van de systematiek en
                        duidelijkheid binnen de APV ervoor gekozen om in Hoofdstuk I algemene
                        weigeringsgronden te benoemen. In de afzonderlijke vergunningstelsels zijn
                        de betreffende artikel(led)en vervallen. Alleen als er voor een vergunning
                        andere weigeringsgronden gelden dan de in artikel 1:8 genoemde, worden die
                        in het betreffende artikel genoemd. In een enkel geval
                        (horecaexploitatievergunningstelsel en vergunning voor seksinrichting) is
                        van artikel 1:8 afgeweken. </al><al/><al><cursief><onderstreept>Europese Dienstenrichtlijn
                        </onderstreept></cursief></al><al/><al><cursief>Vergunningen</cursief></al><al>Tegelijkertijd met de deregulering van de vergunningstelsels van de APV zijn
                        deze gescreend aan de Europese Dienstenrichtlijn. Het gaat daarbij om de
                        volgende stelsels: gebiedsaanwijzing in geval van straatartiesten, de
                        evenementenvergunning, horecaexploitatievergunning, vergunning voor een
                        seksinrichting, standplaatsvergunning en de vergunning voor een
                        snuffelmarkt. Gokactiviteiten zijn van de werking van de Europese Richtlijn
                        uitgezonderd, zodat de speelautomatenvergunning niet onder het regime valt.
                        Zie voor meldingen ook artikel 1:7a.</al><al/><al><cursief>Vestiging of tijdelijke overschrijding</cursief></al><al>Bij het screenen van de APV aan de Dienstenrichtlijn is het volgende in
                        ogenschouw genomen. In theorie bestaan er drie verschillende regimes: voor
                        de ‘vestiger’, de ‘tijdelijke grensoverschrijder’ en de Nederlandse
                        dienstverrichter. In het licht van deze regimes moet worden bekeken of en in
                        hoeverre vergunningstelsels zijn toegestaan. Artikel 9 van de
                        Dienstenrichtlijn (vrij verkeer van vestiging) ziet op de zogenaamde
                        ‘vestiger’. Er is overeenkomstig de rechtspraak van het HvJ sprake van
                        vestiging, als er een daadwerkelijke uitoefening van een economische
                        activiteit voor onbepaalde tijd vanuit een duurzame vestiging wordt
                        verricht. Aan die eis kan ook zijn voldaan als een onderneming voor een
                        bepaalde tijd wordt opgericht of als er een gebouw wordt gehuurd van waaruit
                        de ondernemer zijn activiteiten onderneemt. (overweging 37 bij de
                        richtlijn). In het licht van beide regimes moet worden bekeken of een
                        vergunningstelsel is toegestaan. </al><al/><al>Artikel 9 van de Dienstenrichtlijn (vrij verkeer van vestiging) ziet op de
                        zogenaamde ‘vestiger’. Het artikel staat vergunningstelsels toe, mits aan de
                        volgende vereisten is voldaan: </al><al>- zij zijn niet discriminatoir ten opzichte van degene die de vergunning
                        aanvraagt; </al><al>- de behoefte aan een vergunningstelsel is gerechtvaardigd om een dwingende
                        reden van algemeen belang (noodzakelijkheid). Het begrip dwingende redenen
                        van algemeen belang zoals bedoeld in artikel 9 is door het Hof van Justitie
                        ontwikkeld en kan zich nog verder ontwikkelen. Het betreft hier de
                        zogenaamde ‘rule of reason’. Dit begrip omvat de volgende gronden: openbare
                        orde, openbare veiligheid en volksgezondheid, als bedoeld in de artikelen 46
                        en 55 van het Verdrag, en andere dwingende redenen waaronder milieu
                        (overweging 40 bij de richtlijn); </al><al>- het nagestreefde doel kan niet door een minder beperkende maatregel worden
                        bereikt (evenredigheid). </al><al/><al>De tijdelijke dienstverrichter overschrijdt de grens om in Nederland zijn
                        dienst te verrichten, maar vestigt zich hier niet. Hierop ziet artikel 16
                        van de Dienstenrichtlijn (vrij verkeer van diensten). Hier gelden veel
                        strengere criteria om een (vergunnings)eis te stellen:</al><al>- zij zijn niet discriminatoir ten opzichte van de dienstverlener; </al><al>- er zijn gerechtvaardigde redenen van openbare orde, openbare veiligheid,
                        de volksgezondheid of de bescherming van het milieu (noodzakelijkheid). Voor
                        wat betreft de noodzakelijkheidseis stelt artikel 16 dan ook een strengere
                        eis dan artikel 9;</al><al>- het nagestreefde doel kan niet door een minder beperkende maatregel worden
                        bereikt (evenredigheid). </al><al/><al>Tenslotte zijn er de Nederlandse dienstverleners. In theorie staat de
                        richtlijn toe dat de overheid aan een Nederlandse dienstverlener zwaardere
                        eisen stelt dan aan een buitenlandse partij, maar dit is in de praktijk en
                        vanuit het oogpunt van rechtsgelijkheid niet wenselijk. </al><al/><al>Wij achten het op dezelfde gronden evenmin gewenst een onderscheid aan te
                        brengen tussen verschillende soorten van dienstverleners (tijdelijke
                        grensoverschrijders, vestigers en dus ook Nederlandse dienstverleners).
                        Anders zou de dienstverlener die zich vanuit een andere lidstaat hier
                        vestigt een bevoorrechte positie hebben ten opzichte van degene die de grens
                        overschrijdt om zijn diensten aan te bieden of beide dienstverleners ten
                        opzichte van de eigen onderdanen. Niet alleen de eis van het hebben van een
                        vergunning geldt voor hen gelijkelijk, maar ook de gronden om een vergunning
                        te weigeren zijn voor de drie categorieën aanvragers dezelfde. Daarom zijn
                        de weigeringsgronden algemeen geformuleerd zodat ze gelden voor interne én
                        internationale verhoudingen. Er is aangesloten bij het lichtste regime van
                        de richtlijn (artikel 16): de openbare orde, de openbare veiligheid, de
                        volksgezondheid en het milieu. </al><al/><al>De richtlijn geldt niet voor het verkopen van goederen. Dit is immers geen
                        dienst. Bij standplaatsvergunningen kan er echter zowel sprake zijn van een
                        vergunning voor een standplaats voor het verkopen van goederen en/of voor
                        het verlenen van diensten. Ook in dit geval zou rechtsongelijkheid kunnen
                        ontstaan doordat de verkoper niet, maar de dienstverlener wel onder de
                        richtlijn valt. Daarom is in de APV geen onderscheid gemaakt tussen verkoop
                        en dienstverlening voor wat betreft de weigeringsgronden.Enkele
                        voorheen gehanteerde weigeringsgronden komen niet meer als zodanig voor in
                        de richtlijn. De vraag waar deze dan wel onder vallen kan als volgt worden
                        beantwoord: </al><al/><al><cursief>Overlast </cursief></al><al>Vanouds is de APV een openbare orde en overlastverordening. Het begrip
                        ‘overlast’ komt in het EG-recht bij de toetsing van uitzonderingen op het
                        vrij verkeer niet voor. Ook de Dienstenrichtlijn spreekt niet over overlast.
                        Het milieubegrip omvat echter alle soorten van overlast die gerelateerd zijn
                        aan de omgeving/het milieu. Te denken valt aan geluidsoverlast, geurhinder,
                        overlast veroorzaakt door stof, afval e.d. Overlast, veroorzaakt door
                        vuurwerk, valt eveneens onder bescherming van het milieu of zelfs
                        gezondheid. </al><al/><al><cursief>Verkeersveiligheid</cursief></al><al>De verkeersveiligheid valt aan te merken als een dwingende reden van
                        algemeen belang als bedoeld in artikel 9 (rule of reason). Maar ook is er
                        sprake van een belang dat te scharen valt onder de volksgezondheid, als het
                        voorkomen van verkeersslachtoffers het te beschermen belang betreft. </al><al/><al><cursief>Veiligheid van personen en gezondheid</cursief></al><al>Deze gronden op grond waarvan voorheen een evenementenvergunning kon worden
                        geweigerd, bijvoorbeeld bij het uitbreken van mond- en klauwzeer
                        (gezondheid) kunnen als een belang van volksgezondheid worden aangemerkt.
                        </al><al/><al><cursief>Zedelijkheid</cursief> Het begrip zedelijkheid valt onder het
                        begrip openbare orde, zoals dit wordt uitgelegd in overweging 41. Te denken
                        valt aan de bescherming van de menselijke waardigheid of in het geval van
                        dierenmishandeling (bijvoorbeeld gansslaan, palingtrekken of zwijntjetik)
                        betreft onder het belang van dierenwelzijn. Ook andere dwingende redenen dan
                        de openbare orde kunnen een ‘zedelijkheidsaspect’ hebben. Bij
                        seksinrichtingen is zedelijkheid nog als een zelfstandige weigeringsgrond
                        opgenomen, omdat het om ‘vestiging’ gaat. </al><al/><al><cursief>Voorzieningenniveau bij standplaatsen</cursief> In het verleden is
                        het beschermen van een redelijk voorzieningenniveau in de gemeente ten
                        behoeve van de consument als een openbare orde-belang aangemerkt. De
                        gedachte was dat gevestigde winkeliers geconfronteerd worden met hoge
                        exploitatiekosten die niet in verhouding staan tot de vrij lage
                        exploitatiekosten van de straathandelaren. Uit jurisprudentie van de
                        Afdeling bestuursrecht van de Raad van State blijkt dat het reguleren van de
                        concurrentieverhoudingen niet als een huishoudelijk belang van de gemeente
                        wordt aangemerkt. Hierop wordt door de Afdeling slechts één uitzondering
                        toegestaan, namelijk wanneer het voorzieningenniveau voor de consument in
                        een deel van de gemeente in gevaar komt. Wil een gemeente op basis hiervan
                        een vergunning weigeren dan moet worden aangetoond, mede aan de hand van de
                        boekhouding van de plaatselijke winkelier, dat het voortbestaan van de
                        winkel in gevaar komt als vanaf een standplaats dezelfde goederen aangeboden
                        worden. </al><al/><al>De Dienstenrichtlijn staat deze weigeringsgrond voor standplaatsvergunningen
                        waar (mede) diensten worden verleend niet toe, omdat dit wordt beschouwd als
                        een economische, niet toegestane, belemmering voor het vrij verkeer van
                        diensten. Het blijft echter nog wel mogelijk om deze weigeringsgrond te
                        hanteren bij een standplaats voor het verkopen van goederen (zie artikel
                        5:18, derde lid, onder b, APV). Daarop is de richtlijn immers niet van
                        toepassing. </al><al/><al><cursief>Détournement de pouvoir</cursief></al><al>Gemeenten dienen zich er van bewust te zijn dat zij een vergunningaanvraag
                        niet kunnen weigeren op een andere grond dan de grondslag van het
                        vergunningstelsel. Dit zou immers in strijd zijn met de algemene beginselen
                        van behoorlijk bestuur. </al><al/><al><cursief>Motivering</cursief></al><al>Een weigering dient vanzelfsprekend voldoende gemotiveerd te zijn.
                        Gemotiveerd moet worden welke weigeringsgrond van toepassing is en waarom. </al><al/><al><onderstreept>Artikel 1:11 tot en met 1:14
                            Coördinatiebepalingen</onderstreept></al><al>Deze bepalingen zijn opgenomen ten behoeve van de lastenverlichting van
                        ondernemers.</al><al>De ondernemer hoeft maar één keer gegevens te verstrekken. De coördinatie
                        levert ook meer duidelijkheid over het proces. De aanvraag kan digitaal
                        worden ingediend en de</al><al>stand van zaken met betrekking tot de aanvraag wordt inzichtelijker voor de
                        aanvrager.</al><al>Voor de gemeente is belangrijk dat alle procedures door deze coördinatie
                        optimaler op elkaar kunnen worden afgestemd. Alle benodigde vergunningen,
                        meldingen en ontheffingen</al><al>kunnen zodoende optimaal worden gecoördineerd. Daarbij valt te denken aan:
                        de Drank- en horecawetvergunning, de exploitatievergunning (al dan niet met
                        terras), de aanwezigheidsvergunning speelautomaten, de gebruiksvergunning
                        (-melding) Brandweer, de milieumelding en waarnodig de Bibob-toets.</al><al/></divisie><divisie><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2.</nr><titel>Openbare orde</titel></kop><al>Algemene toelichting afdeling 1 Bestrijding van ongeregeldheden</al><al/><al>In deze afdeling zijn bepalingen opgenomen die bedoeld zijn om zowel het
                        gebruik als de bruikbaarheid van de weg in goede banen te kunnen leiden en
                        de openbare orde op andere openbare plaatsen te waarborgen. De diverse
                        functies van de openbare ruimte, onder andere voor demonstraties, optochten
                        en feesten, vraagt om een scheiding dan wel regulering van het gebruik.</al><al/><al><onderstreept>Artikel 2:1 Samenscholing en
                        ongeregeldheden</onderstreept></al><al><cursief>Eerste lid</cursief></al><al>Het begrip “samenscholing” is ontleend aan artikel 186 WvSr: “Hij die
                        opzettelijk bij gelegenheid van een volksoploop zich niet onmiddellijk
                        verwijdert na het derde door of vanwege het bevoegd gezag gegeven bevel,
                        wordt, als schuldig aan deelneming aan samenscholing, gestraft met
                        gevangenisstraf van ten hoogste drie maanden of geldboete van de tweede
                        categorie.” Zie hierover de in het commentaar bij het tweede lid genoemde
                        jurisprudentie. Onder omstandigheden is het denkbaar dat een samenscholing
                        het karakter heeft van bijvoorbeeld een betoging. Gelet op de Wet openbare
                        manifestaties moeten dit soort samenscholingen van de werking van dit
                        artikel uitgezonderd worden. In het vijfde lid is dit dan ook gebeurd.</al><al/><al><cursief>Tweede lid</cursief></al><al>Aan de politieambtenaar mag slechts een begrensde “bevoegdheid” (tot het
                        geven van aanwijzingen e.d.) worden gegeven, namelijk om in die gevallen dat
                        iets voor regeling in bijzonderheden niet vatbaar is, naar gelang van de
                        omstandigheden ter plaatse te beoordelen of de in de desbetreffende APV
                        bepaling verboden toestand feitelijk aanwezig is. De aanwijzing, last e.d.
                        vormt een voorwaarde voor de toepasselijkheid van de strafbepaling; zij is
                        bestanddeel van het strafbare feit.</al><al/><al>De rechter blijft volkomen vrij in de beoordeling van de feiten. Als de
                        rechter meent dat de politieambtenaar in zijn waardering van de gedraging
                        heeft misgetast, laat hij de strafbepaling buiten toepassing. Het gaat hier
                        om bestaande politiebevoegdheden. Deze bevoegdheid berust op de artikelen 2
                        en 12 Politiewet. Artikel 2 draagt aan de politie de daadwerkelijke
                        handhaving van de rechtsorde op, waaronder blijkens artikel 12 de handhaving
                        van de openbare orde. Deze bevoegdheid wordt in feite herhaald als van een
                        gemeentelijke strafbepaling een aanwijzing, last, bevel of oordeel van een
                        politieambtenaar een element vormt.</al><al/><al>De aanvullende bevoegdheid van de gemeentelijke wetgever op de artikelen 184
                        en 186 Wetboek van Strafrecht (WvSr) is meermalen door de Hoge Raad erkend.
                        De sanctionering van het niet opvolgen van een krachtens een APV bepaling
                        gegeven politiebevel gebeurt op grond van de artikelen 184 of 186 WvSr of op
                        grond van artikel 154 Gemeentewet. Het opzettelijk niet voldoen aan een
                        dergelijk bevel levert het strafbare feit van artikel 184 WvSr op en bij
                        samenscholingen van artikel 186 WvSr.</al><al/><al><cursief>Jurisprudentie</cursief></al><al>- Relatie tussen APV bepaling en artikel 184 en 186 WvSr. Aanvulling van de
                        gemeentelijke wetgever erkend. HR 02 06 1903, W. 7938 (APV Amsterdam) en HR
                        25 06 1963, NJ 1964, 239 m.nt. B.V.A. Röling (samenscholingsarrest).</al><al>- Oordeel van de politie is element van gemeentelijke strafbepaling. HR 12
                        02 1940, NJ 140, 622, AB 1940, p. 744, Gst. 1940, p. 125 (Haags
                        tippelverbod). Zie ook: HR 02 06 1903, W. 7938, Gst., 2715 (APV Amsterdam);
                        HR 20 01 1936, NJ 1936, 343, Gst. 1936, p. 90, AB 1936, p. 558 (APV
                        Amsterdam); HR 03 06 1969, NJ 1969, 411, AB 1970, p. 17, OB 1971, XIV.3, nr.
                        30391, NG 1970, p. 616 m.nt. H.R.G. Veldkamp (APV Amsterdam) en HR 17 03
                        1970, NJ 1970, 331, OB 1971, X.4, nr. 31108, NG 1971, p. 292 (APV
                        Arnhem).</al><al>- Van een volksoploop ex artikel 186 WvSr is sprake als een menigte zich
                        verzamelt. De openbare orde hoeft niet te worden verstoord. HR 26-02-1991,
                        NJ 1991, 512 en HR 14-01-1992, NJ 1992, 380.</al><al>- Samenscholingsverbod Kanaleneiland Utrecht; uitleg begrip samenscholing:
                        context is mede bepalend. Mag een burgemeester handhavingsbeleid vaststellen
                        zonder wettelijke grondslag? En mag hij op basis daarvan besluiten nemen?
                        Gerechtshof Arnhem, nr. 21-001061-08 (JG 09.0016). </al><al>- Bevelsbevoegdheid politie op grond van artikel 2:1 APV Hof van Twente (Hof
                        Arnhem 25 maart 2010, nr. 21-003896-09; LJN: BM1084; AB 2010/187):
                        niet-opvolging van een vordering op grond van een APV-bepaling die op
                        artikel 2 van de Politiewet 1993 is gebaseerd, kan niet leiden tot
                        overtreding van artikel 184, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht. Het
                        bewezenverklaarde levert geen strafbaar feit op. Het hof ontslaat verdachte
                        van alle rechtsvervolging.</al><al>- Bevelsbevoegdheid politie op grond van de APV Almere (Hof Arnhem 1 april
                        2010, nr. 24-001185-08; LJN: BM1865; AB 2010/188 m.nt. J.G. Brouwer en A.E.
                        Schilder): Het hof acht bewezen dat betrokkene opzettelijk niet heeft
                        voldaan aan een politiebevel, nadat deze ambtenaren hem hadden bevolen de
                        Grote Markt te Almere te verlaten. Het bewezen verklaarde levert op het
                        misdrijf: opzettelijk niet voldoen aan een bevel, krachtens wettelijk
                        voorschrift gedaan door een ambtenaar met de uitoefening van enig toezicht
                        belast.</al><al/><al><onderstreept>Artikel 2:2 Verzamelingsverbod en gebiedsontzegging
                            </onderstreept><cursief>Verzamelingsverbod</cursief></al><al>De bepaling inzake het verzamelingverbod is toegespitst op het bekende
                        fenomeen van het samengroeperen van gebruikers en handelaren in (hard)drugs
                        of daarop gelijkende waar. Groepsvorming van gebruikers en handelaren is in
                        Vlissingen geen onbekend verschijnsel en varieert in frequentie, ernst en
                        omvang. Deze verzamelingen van personen hebben negatieve effecten op het
                        ordelijk verloop van het dagelijks leven in de publieke ruimte. Van een
                        onmiddellijk dreigende houding of van een concreet lastig vallen van
                        voorbijgangers behoeft nog niet eens sprake te zijn om het normale leven op
                        straat te verstoren of te belemmeren. Deze groepen roepen vaak sterke
                        gevoelens van onbehagen en onveiligheid op. Ook vanwege de ordeverstorende
                        strafbare gedragingen die zich telkens in en vanuit die verzamelingen van
                        personen voordoen, zijn deze groepsvormingen ongewenst. </al><al/><al>Wij achten het gewenst het verzamelingverbod tevens te richten op heling,
                        met als doel op bepaalde plaatsen samenkomsten van groeiende aantallen
                        aanbieders – vaak drugsverslaafden – en kopers te kunnen opbreken.
                        Dergelijke trefpunten vormen immers vaak een belangrijke schakel in
                        bestaande patronen van verslaving-diefstal-afzet en dragen bij aan de
                        instandhouding van problemen van orde en veiligheid. De burgemeester kan in
                        dit geval gebieden aanwijzen waarbinnen het niet is toegestaan zich in een
                        verzameling van een aantal personen op te houden. Dit aantal hebben wij in
                        het besluit bepaald op drie of meer personen. </al><al/><al><cursief>Gebieds(verblijfs)ontzeggingen</cursief></al><al>Uit de jurisprudentie blijkt dat de rechtszekerheid vereist dat structurele
                        problemen via een regeling, dat wil zeggen via de APV, worden aangepakt. De
                        algemene wettelijke grondslag voor de bevoegdheid van de burgemeester tot
                        handhaving van de openbare orde, zoals die is opgenomen in artikel 172
                        Gemeentewet, is daarvoor niet het aangewezen bestuurlijk instrument. Daarom
                        is thans een bepaling ontworpen die de burgemeester de bevoegdheid geeft om
                        iemand in het belang van de openbare orde te (laten) verwijderen uit een
                        (tevoren) aangewezen gebied. Er kunnen uitzonderingen gemaakt worden voor
                        bepaalde groep personen, die in het gebied werkzaam zijn of wonen. Tevens
                        kan een periode worden vastgesteld waarvoor het bevel van kracht is. Deze
                        periode kan variëren van acht uur tot vier weken. De burgemeester moet het
                        bevel wel zelf uitvaardigen en voor de hantering ervan ondubbelzinnige
                        instructies vaststellen. Als de burgemeester aan een persoon een
                        verwijderingbevel oplegt, dan levert opzettelijke overtreding van dat bevel
                        een misdrijf op in de zin van artikel 184 van Wetboek voor Strafrecht. Dit
                        is een misdrijf waarop een gevangenisstraf is gesteld, zodat de verdachte in
                        voorlopige hechtenis kan worden genomen, mits hij geen vaste woon- of
                        verblijfplaats heeft en aan één van de voorwaarden uit artikel 67a
                        Strafvordering is voldaan. </al><al/><al><cursief>Jurisprudentie:</cursief></al><al>- ABRS 7 juli 2004, nr. 200400582/1 (Gemeentestem 7233, nr. 117).
                        Gebiedsontzegging op grond van APV Heerlen; herstel mandaatgebrek in
                        bezwaar; geen strijd met EVRM en IVBPR (Heerlen). De rechtbank heeft terecht
                        geoordeeld dat de inspecteur van politie onbevoegd was de besluiten tot
                        gebiedsontzegging van 6 juni 2002 en 8 juni 2002 namens de burgemeester te
                        nemen. De reden is dat het ondermandaatsbesluit niet was gepubliceerd, zodat
                        dit besluit nog niet in werking was getreden. Desondanks kan dit
                        mandaatgebrek in evengenoemde primaire besluiten met de door het bevoegde
                        bestuursorgaan genomen beslissingen op bezwaar geacht worden te zijn
                        hersteld. In deze gevallen was geen sprake van strijd met artikel 2 Protocol
                        EVRM en 12, eerste lid, IVBPR, (bewegingsvrijheid) aangezien de
                        gebiedsontzeggingen berusten op de APV en gebruiksinstructies, welke
                        wettelijk zijn verankerd, zijn gepubliceerd en voldoende duidelijk en
                        concreet zijn omschreven. Voorts worden de beperkingen, gelet op het feit
                        dat het gebied waarvoor de ontzeggingen zijn opgelegd in toenemende mate
                        wordt geconfronteerd met overlast welke voortvloeit uit of samenhangt met de
                        handel in en het gebruik van verdovende middelen, gerechtvaardigd door het
                        algemeen belang in een democratische samenleving. De rechtbank heeft voorts
                        terecht geoordeeld dat de wijze waarop de burgemeester in dit geval van zijn
                        bevoegdheid gebruik heeft gemaakt in overeenstemming is met de eisen van
                        proportionaliteit. Ook ten aanzien van de duur van de opgelegde
                        gebiedsontzeggingen heeft de rechtbank met juistheid geoordeeld dat deze
                        niet onaanvaardbaar is. Met de rechtbank moet tenslotte worden geoordeeld
                        dat van schending van artikel 5 EVRM (vrijheidsontneming) geen sprake is,
                        aangezien de gebiedsontzeggingen niet inhielden dat (appellant sub 2) zijn
                        vrijheid werd ontnomen als gevolg van detentie of arrestatie.</al><al>- Rechtbank Roermond 29 juni 2005 (voorlopige voorziening + bodemzaak). LJN
                        AT8549 (zie ook LJN AU035). Aan verzoeker is een verblijfsontzegging
                        opgelegd over de periode van 18 september 2004 tot 16 oktober 2004 wegens
                        overtreding van artikel 3:6 APV Venlo (drugshandel) voor een aangeduid
                        gebied in de binnenstad van Venlo. Meerdere verblijfsontzeggingen op grond
                        van artikel 2:75 APV. Mandaatgebrek. Artikel 177, tweede lid Gemeentewet
                        verzet zich uitdrukkelijk en ondubbelzinnig tegen mandatering door de
                        burgemeester van zijn besluiten op grond van de APV aan ambtenaren van
                        politie. Verblijfsontzeggingen op basis van APV-bepalingen zijn niet te
                        beschouwen als besluiten ingevolge artikel 172 Gemeentewet. Het tweede lid
                        van artikel 177 Gemeentewet sluit ook mandaat aan politieambtenaren uit wat
                        betreft de uitvoering van beslissingen van de raad. Naar het oordeel van de
                        voorzieningenrechter is de onderhavige mandaatverlening door de burgemeester
                        van Venlo daarmee in strijd. Onder het (ruime) begrip ‘beslissingen van de
                        raad’ moeten immers mede worden verstaan verordeningen van de raad. En het
                        opleggen van een verblijfsontzegging ingevolge de APV is te beschouwen als
                        uitvoering van zodanige beslissing. De rechter acht die duidelijke tekst
                        niet voor een andere uitleg vatbaar. De rechter acht het in casu aan de
                        betrokken politieambtenaren verleende mandaat ongeldig wegens strijd met de
                        wet. Zie voorts arrest Hoge Raad van 24 september 2002 (NJ 2003, 80).</al><al>- De bevoegdheid tot het opleggen van gebiedsontzeggingen ingevolge de APV
                        berust bij de burgemeester. Deze bevoegdheid mag ingevolge artikel 177,
                        tweede lid, Gemeentewet niet worden gemandateerd aan politieambtenaren. In
                        ABRS 7 juli 2004 (Gst. 2005, 66 en Gst. 2005, 117) bepaalde de Afdeling dat,
                        indien de gebiedsontzegging in mandaat door een politieambtenaar is
                        opgelegd, dit gebrek wordt gerepareerd door een bevoegdelijk genomen besluit
                        op bezwaar.</al><al>- Gerechtshof 's-Gravenhage 21 maart 2006, nr. 2200138705 (Gem.stem 7255,
                        102; AB 2006, 396): gebiedsontzegging van twaalf weken. Hof is anders dan de
                        rechtbank van oordeel dat het bevel van de burgemeester voldoet aan de eisen
                        van proportionaliteit en subsidiariteit (Rotterdam). Artikel 172, derde lid,
                        Gemeentewet.</al><al>- Verblijfsontzegging op grond van artikel 172, derde lid, Gemeentewet met
                        langere duur dan regeling in APV toestaat. Verhouding tussen artikel 172,
                        derde lid, Gemeentewet en regeling verblijfsontzeggingen in de APV van
                        Rotterdam. Indien het concrete geval binnen de regeling van de APV valt,
                        biedt artikel 172, derde lid, Gemeentewet geen grondslag voor een
                        verblijfsontzegging. (HR {strafkamer} 11 maart 2008, nr. 02379/06; LJN
                        BB4096, Gemeentestem 7302, nr. 103).</al><al>- FF Kappe bevel gebaseerd op artikel 172, derde lid, Gemeentewet is
                        rechtsgeldig. Artikel 184 Sr en artikel 2.4.6 APV van Rotterdam (Rb
                        Rotterdam 21 december 2007, nr. 10/637732-07; LJN BC0822, Gemeentestem 7302,
                        nr. 104).</al><al>- Hoge Raad 22 december 2009, 08/02631, LJN BK3254; JB 2010/41:
                        Burgemeesterlijk verwijderingsbevel ex APV, “Criminal charge” in de zin van
                        art. 6 EVRM? Taakverdeling strafrechter-bestuursrechter: Het cassatieberoep
                        richt zich tegen het arrest van het Hof Amsterdam van 2 januari 2008,
                        waarbij dit hof heeft bewezenverklaard dat verdachte op 19 maart 2005
                        opzettelijk niet heeft voldaan aan een krachtens art. 2.6A lid 2 APV-94
                        Amsterdam gegeven bevel zich te verwijderen uit het door de burgemeester
                        aangewezen drugsoverlastgebied. Het hof heeft overwogen dat dit
                        veertien-dagen-verwijderingsbevel niet kan worden aangemerkt als “criminal
                        charge” in de zin van art. 6 EVRM en dat, indien en voor zover dit bevel wél
                        als criminal charge zou moeten worden aangemerkt, het niet onverenigbaar is
                        met het EVRM om bestuursrechtelijke autoriteiten te belasten met de
                        vervolging en bestraffing van bepaalde overtredingen, zolang de verdachte in
                        de gelegenheid is om de jegens hem genomen beslissingen door een aan de
                        waarborgen van art. 6 EVRM beantwoordend gerecht voor te leggen. Het
                        cassatiemiddel, dat klaagt dat het hof dit verwijderingsbevel ten onrechte
                        niet heeft aangemerkt als een “criminal charge” in de zin van art. 6 EVRM,
                        faalt. Het bezwaarschrift tegen het verwijderingsbevel is ongegrond
                        verklaard. Het daartegen ingestelde beroep is ongegrond verklaard. Op 24
                        oktober 2007 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State het
                        tegen die uitspraak ingestelde hoger beroep ongegrond verklaard en daarbij
                        het oordeel bevestigd, dat het verwijderingsbevel niet kan worden aangemerkt
                        als een “criminal charge” in de zin van art. 6 EVRM. In een dergelijk geval,
                        waarin de verdachte de bestuursrechtelijke rechtsgang heeft gevolgd, geldt
                        in verband met een behoorlijke taakverdeling tussen de strafrechter en de
                        bestuursrechter en met het oog op het voorkomen van tegenstrijdige
                        uitspraken, dat indien het desbetreffende bevel door de bestuursrechter bij
                        onherroepelijke uitspraak in stand is gelaten, zulks er in beginsel aan in
                        de weg staat dat de strafrechter het verweer dat het wettelijk voorschrift
                        niet verbindend is of het bevel anderszins onrechtmatig is, zelfstandig
                        onderzoekt en daarop beslist. Onder bijzondere omstandigheden kan aanleiding
                        bestaan hierop een uitzondering te maken (vgl. HR 24 september 2002, LJN
                        AE2126, NJ 2003, 80). Gelet op dit uitgangspunt en in aanmerking genomen dat
                        uit het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep niet blijkt dat door
                        of namens de verdachte een beroep is gedaan op bijzondere omstandigheden die
                        aanleiding geven hierop een uitzondering aan te nemen, faalt het middel. Het
                        tweede cassatiemiddel, dat klaagt dat het hof ten onrechte stelt “dat het
                        niet onverenigbaar is met het EVRM om bestuursrechtelijke autoriteiten te
                        belasten met de vervolging en bestraffing van bepaalde overtredingen, zolang
                        de verdachte in de gelegenheid is om de jegens hem genomen beslissing door
                        een aan de waarborgen van art. 6 EVRM beantwoordend gerecht voor te leggen”,
                        kan niet tot cassatie leiden, reeds omdat het zich keert tegen een
                        overweging ten overvloede. </al><al> Gebiedsontzegging, Verzoek om voorlopige voorziening, Verzoek van de
                        burgemeester om bij wijze van voorlopige voorziening te bepalen dat de
                        burgemeester in afwachting van de uitspraak op het door hem ingestelde hoger
                        beroep geen gevolg hoeft te geven aan de in hoger beroep bestreden
                        uitspraak. In hetgeen door de burgemeester naar voren is gebracht ziet de
                        voorzitter op voorhand geen reden om aan te nemen dat de uitspraak van de
                        rechtbank in hoger beroep niet in stand zal blijven, gelet op de door de
                        rechtbank aangehaalde jurisprudentie van de Afdeling. Niet in geschil is dat
                        aan de vereisten die art. 6:5 Awb aan het indienen van een bezwaarschrift
                        stelt is voldaan. Ook overigens is het niet op voorhand onaannemelijk dat de
                        door wederpartij in deze procedure naar voren gebrachte feiten voldoende
                        grondslag bieden voor het oordeel dat hij belang heeft bij het verkrijgen
                        van een inhoudelijk oordeel op zijn bezwaar. Het is bovendien in het belang
                        van een efficiënte en finale geschillenbeslechting dat de aangevallen
                        uitspraak en het ter uitvoering daarvan te nemen nieuwe besluit op bezwaar
                        met toepassing van de art. 6:18 en 6:19 Awb beide in de bodemprocedure
                        kunnen worden beoordeeld. Gelet op een en ander bestaat geen aanleiding voor
                        het treffen van een voorlopige voorziening (ABRS 17 februari 2010,
                        zaaknummer 201000291/2/H3 JB 2010/87, JB 2010/87)Afwijzing immateriële
                        schadevergoeding wegens ten onrechte opgelegde gebiedsontzeggingen. Hoewel
                        aannemelijk is dat appellant als gevolg van de gebiedsontzeggingen een zeker
                        mate van ongerief heeft moeten ondergaan, heeft hij met zijn betoog niet
                        aannemelijk gemaakt dat hij als gevolg van die besluiten zodanig heeft
                        geleden, dat sprake is van een aantasting in evenbedoelde zin. De Rb. heeft
                        terecht geoordeeld dat de burgemeester het verzoek om vergoeding van
                        immateriële schade terecht heeft afgewezen. Het hoger beroep is ongegrond.
                        (ABRS 25 augustus 2010 zaaknummer 200908965/1/H2, LJN: BN4952).</al><al>- Verblijfsontzegging geldig van 18.00 uur tot 08.00 uur voor de duur van
                        twee weken. Door de verblijfsontzegging wordt het aan wederpartij toekomende
                        recht zich vrijelijk te verplaatsen als bedoeld in art. 2 lid 1 Vierde
                        Protocol bij het EVRM en in art. 12 eerste lid IVBPR, beperkt. Dit recht kan
                        echter aan beperkingen worden onderworpen. Een beperking van dit recht moet
                        bij “wet” zijn voorzien. Dit betekent dat de beperking een basis moet hebben
                        in het nationale recht, dat de wettelijke bepaling kenbaar moet zijn voor de
                        belanghebbende en dat de bepaling voorzienbaar moet zijn wat haar gevolgen
                        betreft. De verblijfsontzegging heeft haar grondslag in art. 2.4.1 van de
                        APV van Nijmegen en heeft daardoor een basis in het nationale recht. De APV
                        is gepubliceerd, zodat wederpartij er kennis van heeft kunnen nemen. Wat de
                        voorzienbaarheid betreft overweegt de Afdeling als volgt. De gevolgen van
                        een bepaling zijn voorzienbaar indien deze met voldoende nauwkeurigheid is
                        geformuleerd om een belanghebbende in staat te stellen, zo nodig met behulp
                        van deskundig advies, zijn gedrag hierop af te stemmen. Art. 2.4.1 APV, dat
                        aan de burgemeester de bevoegdheid geeft een verblijfsontzegging op te
                        leggen in het belang van de openbare orde, bevat een open norm en is niet
                        voldoende nauwkeurig geformuleerd om wederpartij in staat te stellen alleen
                        aan de hand daarvan zijn gedrag aan te passen. Dit had bijvoorbeeld
                        ondervangen kunnen worden door het geven van een waarschuwing, wat niet is
                        gebeurd. De Afdeling is echter van oordeel dat de burgemeester zich op het
                        standpunt heeft mogen stellen dat het geven van een waarschuwing, alvorens
                        de verblijfsontzegging op te leggen, in dit geval niet kon worden verlangd,
                        gelet op de periode van onrust in de wijk Meijhorst in de zomer van 2008 en
                        de ernst van de situatie na het weekeinde van 20 en 21 september 2008, zoals
                        blijkt uit het rapport van de politie van 16 april 2010. De combinatie van
                        de evident ernstige situatie en de bepaling van art. 2.4.1 van de APV maken
                        dat in dit geval is voldaan aan het vereiste dat de verblijfsontzegging
                        voorzienbaar moet zijn. Met de burgemeester is de Afdeling van oordeel dat
                        de over wederpartij bekende, van de politie afkomstige informatie voldoende
                        grondslag bood om hem op 23 september 2008 een verblijfsontzegging op te
                        leggen. Hoewel de burgemeester kan worden gevolgd in zijn stelling dat in de
                        periode na het weekeinde van 20 en 21 september de tijd ontbrak om per
                        individu dat op de lijst van 56 voorkwam vast te stellen wat zijn of haar
                        betrokkenheid was, leidt dit niet zonder meer tot de conclusie dat een
                        verblijfsontzegging voor twee weken niet onevenredig was. De burgemeester
                        had immers de mogelijkheid om direct na het opleggen van de
                        verblijfsontzegging alsnog per individu de mate van betrokkenheid te
                        beoordelen en had vervolgens, indien daartoe aanleiding bestond, de duur van
                        de verblijfsontzegging kunnen aanpassen. Dat voor een dergelijke beoordeling
                        een termijn van twee weken noodzakelijk was, valt niet in te zien, gelet ook
                        op de ingrijpendheid van de maatregel ten opzichte van belanghebbenden. Dat
                        art. 2.4.1 van de APV een verblijfsontzegging voor de duur van 12 weken
                        toestaat, dat de verblijfsontzegging slechts gold tussen 18.00 uur en 08.00
                        uur en slechts in het gebied omgeving winkelcentrum Meijhorst, waar geen
                        woningen aanwezig zijn, leidt niet tot een ander oordeel. De burgemeester
                        had in het geval van wederpartij naar het oordeel van de Afdeling tot het
                        nadere oordeel moeten komen dat een langere verblijfsontzegging dan nodig om
                        de mate van zijn betrokkenheid te beoordelen, niet gerechtvaardigd was. De
                        over hem bekende informatie bood daar onvoldoende grondslag voor (ABRS, 15
                        december 2010, 201000291/1/H3, LJN BO7345, JB 2011/29).</al><al>- Criminal charge. Preventieve maatregel. Verwijderingsbevel.[EVRM art. 6; Awb art. 4:8] Bij besluit van 17 februari 2009 heeft
                        de burgemeester van Amsterdam ter handhaving van de openbare orde
                        appellantebevolen zich uit het zogenoemde overlastgebied 3 Zuidoost te
                        verwijderen en zich met ingang van 21 februari 2009 om 00.01 uur gedurende
                        drie maanden tot en met 20 mei 2009 om 23.59 uur niet in dit gebied op te
                        houden. Ingevolge art. 4:8, eerste lid, van de Awb stelt een bestuursorgaan,
                        voordat het een beschikking geeft waartegen een belanghebbende die de
                        beschikking niet heeft aangevraagd naar verwachting bedenkingen zal hebben,
                        die belanghebbende in de gelegenheid zijn zienswijze naar voren te brengen
                        indien de beschikking zou steunen op gegevens over feiten en belangen die de
                        belanghebbende betreffen, en die gegevens niet door de belanghebbende zelf
                        ter zake zijn verstrekt. Niet in geschil is dat appellante voorafgaand aan
                        het verwijderingsbevel niet in de gelegenheid is gesteld haar zienswijze
                        kenbaar te maken. Verder staat vast dat de gemachtigde van appellante in het
                        bezwaarschrift haar standpunt kenbaar heeft gemaakt. Ook staat vast dat
                        appellante en haar gemachtigde in de gelegenheid zijn gesteld op de
                        hoorzitting van 7 mei 2009 de bezwaren nader toe te lichten, zonder dat zij
                        hiervan gebruik hebben gemaakt. Onder deze omstandigheden is de Afdeling met
                        de rechtbank van oordeel dat appellante in de bezwaarfase alsnog afdoende in
                        de gelegenheid is gesteld haar zienswijze naar voren te brengen en dat aldus
                        het gebrek dat kleefde aan het besluit van 17 februari 2009 in bezwaar is
                        hersteld. Anders dan appellante stelt, vervult de mogelijkheid om een
                        zienswijze naar voren te brengen geen waarschuwingsfunctie. Zoals mede
                        blijkt uit haar verwijzing naar het Salduzarrest gaat appellante er ten
                        onrechte van uit dat het verwijderingsbevel dient te worden aangemerkt als
                        een criminal charge in de zin van art. 6 van het EVRM. In beginsel is een
                        verwijderingsbevel te beschouwen als een preventieve maatregel om een
                        verdergaande verstoring van de openbare orde in het overlastgebied tegen te
                        gaan. Niet gebleken is dat het verwijderingsbevel in dit geval toch dient te
                        worden aangemerkt als een criminal charge, omdat het niet het tegengaan van
                        verdergaande verstoring van de openbare orde in het overlastgebied tot
                        oogmerk heeft, maar de bestraffing van appellante. Gelet op het
                        bestuursrechtelijke karakter van het verwijderingsbevel kan het Salduzarrest
                        geen rol spelen in deze zaak en hoeft voor een oordeel van de Afdeling over
                        de rechtmatigheid van het bevel de uitkomst van de strafrechtelijke
                        procedure niet te worden afgewacht. (ABRS 4 mei 2011, nr. 01008519/1/H3, LJN
                        BQ3446 ; JB 2011, 150).</al><al/></divisie><divisie><kop><label>Afdeling</label><nr>2</nr><titel>Betoging</titel></kop><al><onderstreept>Artikel 2:3 Melding betogingen op openbare
                            plaatsen</onderstreept></al><al>Dit artikel is een uitwerking van enkele artikelen uit de Wet openbare
                        manifestaties (WOM).In artikel 1 van de Wet openbare manifestaties wordt in
                        het eerste lid “openbare plaats” gedefinieerd als: een plaats die krachtens
                        bestemming of vast gebruik openstaat voor het publiek. In het tweede lid is
                        bepaald dat daaronder niet is begrepen: een gebouw of besloten plaats als
                        bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de Grondwet (een kerk, moskee,
                        synagoge of een ander gebouw dat met name wordt gebruikt voor godsdienstige
                        of levensbeschouwelijke doelen). </al><al/><al>Uit de artikelen 3 en 4 WOM volgt dat de gemeenteraad moet bepalen of, en zo
                        ja, voor welke activiteiten een melding is vereist en daarbij enkele
                        procedurebepalingen moet vaststellen. Artikel 5 WOM kent de burgemeester de
                        bevoegdheid toe om naar aanleiding van een melding voorschriften en
                        beperkingen te stellen of een verbod te geven; artikel 6 WOM kent hem een
                        aanwijzingsbevoegdheid toe, terwijl artikel 7 WOM bepaalt dat hij bevoegd is
                        aan de organisatoren van de desbetreffende activiteit de opdracht te geven
                        deze te beëindigen en uiteen te gaan. Ten aanzien van vergaderingen en
                        betogingen op andere dan openbare plaatsen kent artikel 8 WOM de
                        burgemeester o.a. de bevoegdheid toe opdracht te geven deze te beëindigen. </al><al/><al>De APV kent alleen een meldingeis voor betogingen. De overige activiteiten
                        zijn ongereguleerd gebleven. In verband hiermee heeft artikel 2:3 APV alleen
                        betrekking op betogingen. Het artikel kan zonodig worden uitgebreid tot
                        samenkomsten tot het belijden van godsdienst of levensovertuiging, tot
                        vergaderingen en tot “processies”. </al><al/><al><cursief>Uitgangspunten Wet openbare manifestaties</cursief>De WOM beoogt
                        een eenvormige regeling te geven voor de activiteiten die onder de
                        bescherming van de artikelen 6 en 9 Grondwet vallen. Het gaat daarbij om
                        betogingen, vergaderingen en samenkomsten tot het belijden van godsdienst of
                        levensovertuiging voor zover die op openbare plaatsen gehouden worden. De
                        WOM heeft betrekking op collectieve uitingen. Van een collectieve uiting kan
                        volgens de regering al sprake zijn wanneer daaraan meer dan twee personen
                        deelnemen (TK 1986-1987, 19 427, nr. 5, p. 8). Individuele uitingsvormen
                        zijn buiten de regeling gebleven. Zowel artikel 6 als artikel 9 Grondwet
                        maakt het mogelijk ook deze onder de WOM te brengen, maar de wetgever acht
                        dat niet nodig.</al><al/><al>Overigens vallen individuele uitingen wel onder de bescherming van artikel 7
                        Grondwet. Het eerste lid van artikel 7 verbiedt expliciet een voorafgaand
                        verlof ten aanzien van schriftelijke uitingen, ook als die uitingen
                        godsdienstig of levensbeschouwelijk van aard zijn. Niet-schriftelijke
                        uitingen van gedachten of gevoelens worden beschermd krachtens het derde lid
                        van artikel 7 Grondwet. De inhoud mag niet aan voorafgaand verlof
                        onderworpen zijn, maar de vorm waarin zij geopenbaard worden wel. De
                        wetgever heeft de bevoegdheid tot beperking van de onderhavige grondrechten
                        aan de gemeenten opgedragen. Argumenten hiervoor zijn: de regeling van onder
                        andere de betoging houdt nauw verband met de plaatselijke openbare orde. De
                        gemeenten hebben hiermee in de loop der jaren waardevolle ervaringen
                        opgedaan.</al><al/><al>De memorie van toelichting geeft een opsomming van de bevoegdheden die de
                        WOM aan gemeenteraden en burgemeesters toekent (TK 1985-1986, 19 427, nr. 3,
                        p. 5/6):</al><al>- de bevoegdheid tot het creëren van een meldingsstelsel voor betogingen,
                        vergaderingen en samenkomsten tot het belijden van godsdienst of
                        levensovertuiging op openbare plaatsen. De wet laat een zekere variatie toe
                        ten aanzien van kwesties als: voor welke activiteiten is een melding
                        vereist; aan welke vereisten moet een melding voldoen; welke voorschriften
                        en beperkingen kunnen opgelegd worden;</al><al>- de bevoegdheid tot het geven van aanwijzingen;</al><al>- de bevoegdheid in het uiterste geval de betreffende activiteit te doen
                        beëindigen.</al><al>Een aantal onderwerpen is daarentegen geheel of gedeeltelijk aan de
                        plaatselijke regelgeving onttrokken. De reden is dat enerzijds de Grondwet
                        zich tegen een dergelijke regeling verzet en dat anderzijds de
                        rechtsgelijkheid een uniforme regeling van de centrale wetgever
                        rechtvaardigt. Het gaat met name om de volgende onderwerpen (TK 1985-1986,
                        19 427, nr. 3, p. 6):</al><al>- het aanwijzen van de gronden waarop beperking van de onderhavige
                        grondrechten door gemeentelijke organen is toegestaan (artikelen 2 en 8
                        WOM);</al><al>- een verbod van voorafgaand toezicht op de inhoud van uitingen die tijdens
                        eerder genoemde activiteiten zullen worden gedaan (artikelen 3, vierde lid,
                        4, derde lid, en 5, derde lid);</al><al>- de bescherming van het functioneren van buitenlandse vertegenwoordigingen
                        en bepaalde andere instellingen die een bijzondere volkenrechtelijke
                        bescherming genieten, voor zover deze bescherming verder dient te reiken dan
                        “de bestrijding of voorkoming van wanordelijkheden” (artikel 9 WOM);</al><al>- de strafbaarstelling van overtreding van een aantal bij de WOM gegeven
                        normen (artikel 11 WOM) en de strafbaarstelling van verhindering en
                        verstoring van geoorloofde openbare manifestaties (wijziging van de
                        artikelen 143-146 Wetboek van Strafrecht, onder artikel 11 WOM);</al><al>- de bescherming van de zondagsrust, voor zover deze bescherming verder
                        dient te reiken dan “de bestrijding of voorkoming van wanordelijkheden”
                        (wijziging van de artikelen 3, 5 en 5a en 8 Zondagswet, onder artikel III
                        WOM).</al><al/><al>Voor op vaste tijdstippen regelmatig terugkerende godsdienstige of
                        levensbeschouwelijke bijeenkomsten op openbare plaatsen, uitgaande van een
                        kerkgenootschap en zelfstandig onderdeel daarvan of een genootschap op
                        geestelijke grondslag is, gelet op artikel 3, derde lid, WOM een eenmalige
                        melding voldoende. De gemeenteraad heeft twee mogelijkheden; of deze
                        bijeenkomsten ongeregeld laten of een eenmalige melding voorschrijven.</al><al/><al>Ten aanzien van vergaderingen en betogingen op andere dan openbare plaatsen
                        kent de WOM uitsluitend repressieve bevoegdheden toe aan de burgemeester
                        (artikel 8 WOM). Voor deze activiteiten is geen voorafgaande melding
                        vereist.</al><al/><al><cursief>Meldingsplicht</cursief></al><al>Het betogingsartikel in art. 2:3 van de APV kent al langer een
                        meldingsplicht voor het houden van betogingen. Het recht op betogen kan
                        immers alleen krachtens een wet in formele zin worden beperkt. Tenminste
                        wanneer het een bijzondere beperking betreft. Voor het onderscheid tussen
                        bijzondere en algemene beperkingen van grondrechten wordt verwezen naar
                        Akkermans e.a., <cursief>Grondrechten en grondrechtenbescherming in
                            Nederland, </cursief>Deventer: Kluwer 2005 (vierde druk). De Wet
                        openbare manifestaties, vermeldt in art. 4 dat de raad bij verordening voor
                        het houden van een betoging op openbare plaatsen een voorafgaande
                        kennisgeving aan de burgemeester kan instellen. Of het betogingsartikel in
                        de APV daarmee een bepaling is die door de raad krachtens medebewind is
                        vastgesteld dan wel nog steeds een autonome grondslag heeft is een andere
                        vraag. Verwezen wordt naar de bijdrage van H.Ph.l.A.M. Hennekens
                        getiteld:'Kennis van het decentralisatierecht: onder nul?', <cursief>Gst.
                        </cursief>2008, 106. In de APV is dat uitgewerkt. De APV bevat regels over
                        het tijdstip van de melding voorafgaande aan de betoging en de onderdelen
                        waaruit een ontvankelijke melding dient te bestaan. De bestuurlijke reactie
                        die moet volgen op een ingediende melding is dat diegene die de kennisgeving
                        van de betoging heeft gedaan daarvan een bewijs ontvangt. In dat bewijs is
                        het tijdstip van de kennisgeving vermeld. De APV spreekt van een 'bewijs'.
                        Het 'bewijs' is hier niet expliciet als een bevoegdheid toegekend. Dit
                        bewijs is dan ook niet op rechtsgevolg gericht en is geen besluit. Het is
                        dus een verklaring dat de melding is gedaan. De afgifte van het bewijs
                        betekent dat de organisator van de betoging tegenover derden zoals in
                        voorkomend geval toezichthoudende of opsporingsautoriteiten kan aantonen dat
                        de kennisgeving is gedaan. Het al dan niet afgeven van het bewijs dat de
                        kennisgeving is ontvangen heeft op zichzelf geen enkel rechtsgevolg. Wanneer
                        de organisator geen bewijs ontvangt kan dat tweeërlei oorzaak hebben. Op de
                        eerste plaats kan de melding niet ontvankelijk zijn omdat de vereiste
                        bescheiden waarvan de melding vergezeld moet gaan niet zijn ingediend. In
                        dat geval geldt de melding als niet gedaan. Op de tweede plaats kan de
                        burgemeester niet akkoord gaan met het tijdstip waarop de demonstratie
                        plaatsvindt. In het laatste geval zal deze constatering dienen te worden
                        gevolgd door een nadrukkelijk verbod of een voorwaarde met betrekking tot
                        tijd en/of plaats. De burgemeester kan in voorkomend geval uit een oogpunt
                        van handhaving van de openbare orde beperkingen te stellen. Zie ook: mr. dr.
                        P. Loof, 'De burgemeester en demonstratievrijheid',
                        <cursief>Gst.</cursief>2007, 104 en het rapport demonstreren staat vrij van
                        de Nationale Ombudsman van december 2007.</al><al/><al>De Hoge Raad onderschreef in een arrest het oordeel van het gerechtshof dat
                        een demonstratie kan worden beëindigd doordat het meldingsgebod niet is
                        nageleefd. HR 17 oktober 2006, <cursief>NI </cursief>2007, 207, <cursief>AB
                        </cursief>2007,23]. De Hoge Raad vernietigde de uitspraak van het
                        gerechtshof, omdat het hof ten onrechte had geoordeeld dat de politie op
                        eigen gezag de demonstratie kon beëindigen. Die bevoegdheid ligt
                        uitdrukkelijk bij de burgemeester, en die zal dan ook het besluit moeten
                        nemen. Het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) is van oordeel
                        dat in bijzondere omstandigheden, waarin een demonstratie een onmiddellijke
                        reactie is op politieke gebeurtenissen, het enkel en alleen ontbreken van
                        een melding onvoldoende is om de demonstratie te beëindigen. [32 EHRM 17
                        juli 2007, <cursief>NIB </cursief>2007, 1839]. Als er verder niets illegaals
                        aan de hand is en de demonstratie geen bedreiging vormt voor de openbare
                        orde, zou het beëindigen van de demonstratie alleen omdat de melding
                        ontbreekt, een disproportionele beperking van het grondrecht om te
                        demonstreren zijn.</al><al/><al><cursief>Openbare en andere dan openbare plaatsen</cursief></al><al>De reden dat in de WOM voor openbare en andere dan openbare plaatsen
                        verschillende regimes zijn opgenomen is dat, volgens de wetgever, regulering
                        van manifestaties op andere dan openbare plaatsen niet zozeer nodig is. Een
                        terughoudende opstelling van de overheid is op zijn plaats. Daarnaast maakt
                        de redactie van artikel 6 Grondwet dit onderscheid noodzakelijk. Delegatie
                        van de beperkingsbevoegdheid heeft de grondwetgever uitsluitend mogelijk
                        gemaakt ten aanzien van belijdenis van godsdienst of levensovertuiging
                        “buiten gebouwen en besloten plaatsen”. De regering geeft de voorkeur aan
                        een functionele omschrijving bij de afbakening van het begrip openbare
                        plaats, niet- openbare plaats of besloten plaats, waarin de bestemming of de
                        wijze van gebruik van een plaats bepalend is, en niet een enkel uiterlijk
                        kenteken, zoals het al dan niet afgescheiden zijn van de plaats (TK
                        1985-1986, 19 427, nr.3, p. 16).</al><al/><al>Wat is nu de betekenis van de begrippen “openbare en andere dan openbare
                        plaatsen”?</al><al>Artikel 1, eerste lid, WOM bepaalt wat een openbare plaats is, namelijk een
                        plaats die krachtens bestemming of vast gebruik open staat voor het publiek.
                        Deze definitie kent dus twee criteria.</al><al/><al>Ten eerste moet de plaats open staan voor het publiek. Dat wil volgens de
                        memorie van toelichting zeggen “dat in beginsel eenieder vrij is om er te
                        komen, te vertoeven en te gaan; dit houdt in dat het verblijf op die plaats
                        niet door de gerechtigde aan een bepaald doel gebonden mag zijn (...). Dat
                        de plaats "open staat" betekent verder dat geen sprake is van een
                        meldingsplicht, de eis van voorafgaand verlof, of de heffing van een
                        toegangsprijs voor het betreden van de plaats”. Op grond hiervan zijn
                        bijvoorbeeld stadions, postkantoren, warenhuizen, restaurants, musea,
                        ziekenhuizen en kerken geen “openbare plaatsen”. Ook de hal van het
                        gemeentehuis valt buiten het begrip “openbare plaats”.</al><al/><al>Het tweede criterium is dat het open staan van de plaats moet zijn gebaseerd
                        op bestemming of vast gebruik. “De bestemming ziet op het karakter dat door
                        de gerechtigde aan de plaats is gegeven blijkens een besluit of blijkens de
                        uit de inrichting van de plaats sprekende bedoeling. Een openbare plaats
                        krachtens vast gebruik ontstaat wanneer de plaats gedurende zekere tijd
                        wordt gebruikt als had deze die bestemming, en de rechthebbende deze
                        feitelijke toestand gedoogt”, aldus de memorie van toelichting (TK
                        1985-1986, 19 427, nr. 3, p. 16). Voorbeelden van openbare plaatsen in de
                        zin van artikel 1, eerste lid, WOM zijn: openbare wegen, plantsoenen,
                        speelweiden en parken en vrij toegankelijke gedeelten van overdekte
                        passages, van winkelgalerijen, van stationshallen en van vliegvelden,
                        openbare waterwegen en recreatieplassen.</al><al/><al>Omdat de definitie van het begrip “openbare plaats” ook een aantal “besloten
                        plaatsen” als bedoeld in artikel 6, tweede lid, Grondwet kan omvatten, is in
                        artikel 1, tweede lid, WOM expliciet aangegeven dat onder een openbare
                        plaats niet wordt begrepen een gebouw of besloten plaats als bedoeld in
                        artikel 6, tweede lid, van de Grondwet (TK 1986-1987, 19 427, nr. 5, p.
                        11-13, en nr. 6).</al><al/><al><cursief><onderstreept>Betoging</onderstreept></cursief></al><al>Wanneer kan van een betoging worden gesproken? Blijkens de jurisprudentie
                        van de Hoge Raad kan sprake zijn van een betoging als:</al><al>- een aantal personen openlijk en in groepsverband optreedt, al dan niet in
                        beweging, en</al><al>- de groep er op uit is een mening uit te dragen.De memorie van toelichting
                        bij de WOM geeft aan dat het bij de betoging gaat om het uitdragen van
                        gemeenschappelijk beleefde gedachten of wensen op politiek of
                        maatschappelijk gebied (TK 1986-1987, 19 427, nr. 3, p. 8). Er worden dus
                        drie eisen gesteld: meningsuiting (openbaren van gedachten en gevoelens),
                        openheid en groepsverband. Het gezamenlijk optreden moet ook gericht zijn op
                        het uitdragen van een mening. Een betoging is niet noodzakelijkerwijs een
                        optocht en een optocht is niet per se een betoging. Een betoging kan een
                        optocht zijn (HR 30-05-1967, NJ 1968, 5). De Hoge Raad acht voor het
                        aanwezig zijn van een betoging geen “menigte” nodig. Acht personen worden al
                        voldoende geacht om van een betoging te kunnen spreken (HR 11-05- 1976, NJ
                        1976, 540).</al><al/><al>Bij de parlementaire behandeling van artikel 9 Grondwet is “betoging”
                        omschreven als “het middel om, het liefst met zoveel mogelijk mensen, in het
                        openbaar uiting te geven aan gevoelens en wensen op maatschappelijk en
                        politiek gebied”.</al><al/><al>Alleen een vreedzame betoging kan aanspraak maken op grondwettelijke
                        bescherming. Het aspect van de meningsuiting moet voorop staan. Als onder
                        het mom van een betoging activiteiten worden ontplooid die strijdig zijn met
                        onze rechtsorde, zal de vraag moeten worden beoordeeld of er nog wel sprake
                        is van een betoging in de zin van het grondwettelijk erkende recht (TK
                        1975-1976, 13872, nr. 4, p. 95-96). Bij de parlementaire behandeling van
                        artikel 9 heeft de regering er op gewezen dat de door haar gegeven
                        karakterisering van het begrip “betoging” meebrengt dat acties, waarvan de
                        hoedanigheid van gemeenschappelijke meningsuiting op de achtergrond is
                        geraakt en die het karakter hebben van dwangmaatregelen jegens de overheid
                        of jegens derden, geen betogingen in de zin van het voorgestelde artikel 9
                        zijn. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn bij blokkades van wegen en
                        waterwegen (TK 1976-1977, 13872, nr. 7, p. 33).</al><al/><al>Een optocht die niet primair het karakter heeft van een gemeenschappelijke
                        meningsuiting, zoals Sinterklaas- en carnavalsoptochten en bloemencorso’s,
                        is geen manifestatie in de zin van artikel 1, eerste lid, onder a WOM (TK
                        1985-1986, 19 427, nr. 3, p. 8). Zo’n optocht kan, als die opiniërende
                        elementen bevat, wel onder de bescherming van artikel 7, derde lid, Grondwet
                        vallen.</al><al/><al><cursief>Onwettig en intolerant gedrag tegenover een betoging</cursief></al><al>Het recht van betoging kan niet zonder meer beperkt worden. In de
                        jurisprudentie over het onwettig of intolerant gedrag van derden tegenover
                        de deelnemers aan een betoging, is uitgemaakt dat een beperking van het
                        recht tot betoging moet zijn gelegen in zwaarwegende omstandigheden.</al><al/><al><cursief>Klokgelui en oproepen tot gebed</cursief></al><al>Artikel 10 WOM stelt dat de gemeenteraad bevoegd is terzake regels te
                        stellen met betrekking tot duur en geluidsniveau. De strekking van artikel
                        10 WOM is niet om een beperkingsbevoegdheid op het grondrecht vrijheid van
                        godsdienst of levensovertuiging te creëren, maar om het recht tot klokluiden
                        en oproepen tot gebed buiten twijfel te stellen en daarnaast de autonome
                        bevoegdheid van gemeentebesturen om in het kader van de beperking van
                        geluidsoverlast regelend op te treden onverlet te laten. Gemeentelijke
                        regels die klokgelui en oproepen tot gebed in het kader van geluidsoverlast
                        beperken zijn dus geen medebewind, maar autonome bepalingen. Artikel 10 WOM
                        vertoont een zekere overlap met artikel 4:6 APV (overige geluidhinder). Zie
                        de toelichting bij dat artikel.</al><al/><al><cursief>Gemeentelijke bevoegdheden</cursief></al><al>Los van zijn bevoegdheden krachtens de WOM, blijft de burgemeester bevoegd
                        tot optreden krachtens de artikelen 175 en 176 van de Gemeentewet. De
                        memorie van toelichting bij de WOM geeft dit aan en ook de minister belicht
                        tijdens de Kamerbehandeling deze bevoegdheid nadrukkelijk. Deze twee
                        artikelen zijn echter slechts beperkt toepasbaar. Er mag namelijk pas
                        gebruik van gemaakt worden wanneer er sprake is van ernstige vrees voor
                        verstoring van de openbare orde of als er daadwerkelijk sprake is van
                        ernstige verstoring van de openbare orde. In die gevallen kan de
                        burgemeester krachtens artikel 175 de nodige bevelen of krachtens artikel
                        176 van de Gemeentewet een noodverordening uitvaardigen. De vraag rijst of
                        de burgemeester met behulp van deze noodbevoegdheden grondrechten, zoals in
                        dit geval het betogingsrecht, mag beperken.</al><al/><al>De regering heeft tijdens de behandeling van de herziene Grondwet namelijk
                        gesteld dat de clausule “behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de
                        wet” inhoudt dat alleen de formele wetgever zonder delegatiemogelijkheid
                        bevoegd is tot het beperken van grondrechten en dat de formele wet zelf de
                        omvang van de grondrechtbepaling moet aangeven. In artikel 175 van de
                        Gemeentewet is thans expliciet opgenomen dat de burgemeester bij het geven
                        van noodbevelen kan afwijken van andere dan bij de Grondwet gestelde
                        voorschriften.</al><al/><al>Het verbod van delegatie zou een obstakel kunnen zijn voor de burgemeester
                        om krachtens artikel 176 van de Gemeentewet een grondrecht te beperken door
                        middel van een noodverordening. Volgens de Hoge Raad voegt het voorschrift
                        op grond van artikel 176 Gemeentewet zich in als bestanddeel in de
                        omschrijving van de overtreding tegen het openbaar gezag van artikel 443 Sr.
                        en het is “dus de wet (in formele zin), die in die noodtoestand de zeer
                        tijdelijke onderbreking van de uitoefening van het grondrecht gedoogt”, HR
                        28-11-1950, NJ 1951, 137 (Tilburgse APV).</al><al/><al>Bij betogingen waarbij ernstige vrees voor verstoring van de openbare orde
                        bestaat of de verstoring daadwerkelijk plaatsvindt, kan de burgemeester
                        derhalve bevelen, zoals bedoeld in artikel 175 of de noodverordening zoals
                        bedoeld in artikel 176 Gemeentewet uitvaardigen. Dit zou in het uiterste
                        geval zelfs een verbod tot het houden van een betoging kunnen inhouden. Op
                        de strekking en reikwijdte van artikel 175 en 176 Gemeentewet is tijdens de
                        parlementaire behandeling en in de literatuur uitgebreid ingegaan. Door de
                        staatssecretaris is tijdens de mondelinge behandeling van dit wetsontwerp in
                        de Eerste Kamer opgemerkt: “De gevallen waarin de noodbevoegdheden van de
                        burgemeester kunnen worden toegepast, staan in een logisch verband met de
                        gronden krachtens welke grondrechten als hier aan de orde mogen worden
                        beperkt. De burgemeester heeft dus in de noodsituaties, bedoeld in de
                        artikelen 175 en 176, grondwettelijk de bevoegdheid om grondrechtbeperkende
                        bevelen te geven ter bescherming van de gezondheid, in het belang van het
                        verkeer of ter bestrijding of voorkoming van wanordelijkheden.”</al><al/><al>Verder wordt aangegeven dat ook uit de toepassingshistorie van de artikelen
                        219 en 220 van de oude gemeentewet volgt dat de noodbevoegdheden passen in
                        het kader van de beperkingsregelingen van grondrechten.</al><al/><al><cursief>Wabo</cursief></al><al>Het verspreiden van gedrukte stukken valt niet onder de Wabo, ook niet als
                        daar een element van handelsreclame in zit.</al><al/><al><cursief>Vierde lid</cursief></al><al>Artikel 145 van de Gemeentewet bepaalt dat de Algemene Termijnenwet van
                        overeenkomstige toepassing is op termijnen in gemeentelijke verordeningen,
                        tenzij in de verordening anders is bepaald. Het vierde lid bevat zo’n
                        afwijkende bepaling, die voorkomt dat afhandeling op zaterdag of zondag of
                        op een algemeen erkende feestdag of op een werkdag na 12.00 uur moet
                        plaatsvinden. Dat laatste is gedaan om toch nog over enige uren voor
                        beoordeling en besluitvorming te beschikken.</al><al/><al><cursief>Jurisprudentie</cursief></al><al>- De door verzoekers verwachte ordeverstoringen, het wellicht voorvallen van
                        strafbare feiten en de omstandigheid dat de demonstratieve optocht van het
                        COC ook de bisschop als stuitend zou voorkomen, bieden geen grond tot
                        beperking van de vrijheid van meningsuiting. Vz.ARRS 11-04-1979, Arob editie
                        1986, nr. 122 m.nt. De M.</al><al>- Het doel van de optocht kan de burgemeester geen grond opleveren voor
                        weigering van de vergunning. Wnd. Vz.ARRS, 23-11-1979, NG 1980, p. S 59, OB
                        1980, III.2.2.7, nr. 41197 en Gst. 1980, 6602 m.nt. J.M. Kan (demonstratie
                        Den Haag).</al><al>- Onwettig gedrag van derden tegenover de deelnemers, zware belasting van
                        het politiekorps en ernstige hindering van het verkeer zijn onvoldoende
                        zwaarwegende omstandigheden om het betogingrecht te beperken. Vz.ARRS
                        27-05-1982, AB 1983, 62, m.nt. JHvV, tB/S XI, nr. 55, m. nt. tB/S, (Idem
                        demonstratieverbod Afcent, Wnd.Vz.ARRS, 30-05-1983, AB 1984, 85, P.J. Boon,
                        Arob editie 1986, 78, m. nt. MCB.)</al><al>- De omstandigheid dat een bepaalde demonstratie bij het publiek irritaties
                        opwekt of tegendemonstraties uitlokt, is onvoldoende basis om de
                        demonstratie op grond van de WOM te verbieden. Slechts wanneer er gegronde
                        vrees bestaat voor ernstige ongeregeldheden die niet kunnen worden voorkomen
                        of bestreden door middel van door de overheid te treffen maatregelen, kan er
                        grond bestaan een demonstratie te verbieden. Wnd.Vz.ARRS 21-03-1989, KG
                        1989, 158</al><al>Een betoging mag slechts in dwingende situaties preventief worden verboden.
                        Zo’n beperking van het recht van demonstratie kan in beginsel niet gelegen
                        zijn in de overweging dat onwettige gedragingen van derden tegenover
                        deelnemers aan een betoging de verstoring van de openbare orde tot gevolg
                        zullen hebben. Pres. Rb Maastricht 22 maart 2001, JG 01.0198. In gelijke
                        zin: Voorzieningenrechter Rb.Rotterdam 24-01-2002, JG 02.0040<extref doc="http://modelverordeningen.sdu.nl/modelverordeningen/jurisprudentie/JG_02.0040.jsp"/>,en: de uitoefening van een grondrecht mag aanleiding zijn tot
                        een grotere inspanning dan bij evenementen als een risicowedstrijd van een
                        voetbalclub. Het gaat hier om de waarborging van de uitoefening van een
                        grondrecht. De WOM is niet van toepassing op een persconferentie in een
                        woonhuis. ARRS 30-12-1993, JG 94.0160, Gst. 1994, 6983, 4 m.nt. HH, AB1994,
                        242 m.nt. RMvM.</al><al>De actie ter blokkering van het vliegverkeer d.m.v. het oplaten van ballonen
                        door de Vereniging Milieudefensie is een betoging wegens de
                        gemeenschappelijke meningsuiting. Pres. Rb Haarlem 25-10-1996, Gst. 1996,
                        7044, 4 m.nt. EB, JB 1996, 266 m.nt. REdW.</al><al>- Bestuurlijke overmacht kent een zware onderbouwingsplicht. De door
                        verzoeker aangekondigde demonstratie is als een betoging in de zin van
                        artikel 9, eerste lid, van de Grondwet aan te merken. Dat brengt met zich
                        mee dat een betoging slechts in uitzonderlijke situaties preventief mag
                        worden verboden. Verweerder behoort de nodige politiebescherming te bieden
                        teneinde de demonstratie doorgang te kunnen doen vinden. Dit leidt eerst dan
                        uitzondering indien er een situatie van bestuurlijke overmacht dreigt te
                        ontstaan. Daarvan is sprake als een betoging naar redelijke verwachting
                        gepaard zal gaan met wanordelijkheden op zodanige schaal dat er niet
                        voldoende politie ingezet kan worden om daaraan het hoofd te bieden. Van
                        belang is of verweerder zich voldoende heeft ingespannen om een vreedzaam
                        verloop van de demonstratie mogelijk te maken. Nu het hier gaat om de
                        uitoefening van een grondrecht mag daarbij een grotere inspanning van
                        verweerder worden verwacht. De voorzieningenrechter is van oordeel dat
                        verweerder onvoldoende concreet heeft aangetoond dat de verwachte
                        wanordelijkheden vanwege het niet kunnen leveren van voldoende
                        politiecapaciteit zullen leiden tot een situatie van bestuurlijke overmacht.
                        Dit leidt er toe dat het verbod geen stand kan houden. Nu binnen de
                        aangekondigde route een straatfeest plaatsvindt, bepaalt de
                        voorzieningenrechter dat de demonstratie plaatsvindt op een alternatieve
                        route (Voorzieningenrechter Roermond, 10 juni 2010, AWB 10/715; LJN: BM7394;
                        JG 10.0055). </al><al/><al><cursief>Kan een vreedzame demonstratie worden beëindigd, enkel en alleen
                            omdat die niet is aangemeld?</cursief> De Nationale Ombudsman heeft in
                        zijn rapport van december 2007, “Demonstreren staat vrij” (<extref doc="http://www.nationaleombudsman.nl/rapporten/grote_onderzoeken/2007demonstreren/index.asp">http://www.nationaleombudsman.nl/rapporten/grote_onderzoeken/2007demonstreren/index.asp</extref>),
                        de juridische grenzen nog eens helder op een rij gezet .</al><al>- De Hoge Raad onderschreef in zijn arrest van 17 oktober 2006 (NJ 2007,
                        207, AB 2007, 23) het oordeel van het gerechtshof dat een demonstratie kan
                        worden beëindigd, alleen omdat die niet is gemeld. De Hoge Raad vernietigde
                        de uitspraak van het gerechtshof, omdat het hof ten onrechte had geoordeeld
                        dat de politie op eigen gezag de demonstratie kon beëindigen. Die
                        bevoegdheid ligt uitdrukkelijk bij de burgemeester, en die zal dan ook de
                        feitelijke beslissing moeten nemen.</al><al>- Het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) oordeelde in haar
                        arrest van 17 juli 2007 (NJB 2007, 1839) anders. In bijzondere
                        omstandigheden, waarin een demonstratie een onmiddellijke reactie is op
                        politieke gebeurtenissen, is het enkel en alleen ontbreken van een melding
                        onvoldoende om de demonstratie te beëindigen. Als er verder niets illegaals
                        aan de hand is en de demonstratie geen bedreiging vormt voor de openbare
                        orde, zou het beëindigen van de demonstratie alleen omdat de melding
                        ontbreekt, een disproportionele beperking van het grondrecht om te
                        demonstreren zijn.</al><al/><al>De Ombudsman sluit zich daarbij aan: bij het beëindigen van een demonstratie
                        moet in zijn visie altijd worden afgewogen of dat in het belang van
                        volksgezondheid, het verkeersbelang, of ter voorkoming van wanordelijkheden
                        noodzakelijk is. Dat is overigens, zo blijkt uit het rapport, ook het beleid
                        van de burgemeester van Den Haag.</al><al>Of de Hoge Raad in een nieuw arrest aansluiting zou zoeken het EHRM valt
                        uiteraard niet te voorspellen, maar er is alle reden om de lijn van het EHRM
                        en de Ombudsman aan te houden: het grondrecht van demonstratie moet niet
                        lichtvaardig worden beperkt, en niets is logischer dan om ook bij het
                        beëindigen van een demonstratie vanwege het ontbreken van een melding af te
                        wegen of het belang van volksgezondheid, het verkeersbelang, of de
                        voorkoming van wanordelijkheden dat noodzakelijk maken. Niet voor niets
                        schept het artikel in de APV de mogelijkheid om in bijzondere omstandigheden
                        een kort voor de demonstratie gedane melding te accepteren.</al><al/><al/></divisie><divisie><kop><label>Afdeling</label><nr>3.</nr><titel>Vertoning e.d. op de weg</titel></kop><al><onderstreept>Artikel 2:4 Straatartiest</onderstreept></al><al>Feesten en wedstrijden zijn ondergebracht bij de evenementen. Muziek maken
                        kan ook een evenement zijn, zie onder artikel 2:16. Echter het optreden van
                        een straatmuzikant, bijvoorbeeld een harmonicaspeler, is geen evenement.
                        Daarom is de straatmuzikant onder artikel 2:4 gebracht. Hetzelfde geldt voor
                        straatfotografen en de andere categorieën genoemd in artikel 2:4. De
                        motieven om openbare plaatsen aan te wijzen zijn: dwingende redenen van
                        algemeen belang, hetgeen omvat: openbare orde, openbare veiligheid,
                        volksgezondheid en milieu. Zie voor de betekenis van deze begrippen het
                        commentaar onder artikel 1.8. </al><al/><al>De activiteiten van de straatartiest, straatfotograaf, tekenaar,
                        filmoperateur en gids vallen onder de werking van artikel 7, derde lid,
                        Grondwet. Het begrip “openbaren van gedachten of gevoelens” moet volgens de
                        jurisprudentie en de toelichting op artikel 7 Grondwet haast grammaticaal
                        worden uitgelegd. Elke uiting van een gedachte of een gevoelen, ongeacht de
                        intenties of motieven van degene die zich uit, wordt door artikel 7 Grondwet
                        beschermd. (KB 5 juni 1986, Stb. 337 t/m 342, KB 29 mei 1987, Stb. 365, AB
                        1988, 15 m.nt. PJS.) Artikel 7, derde lid, Grondwet laat door zijn
                        formulering (niemand heeft voorafgaand verlof nodig wegens de inhoud) een
                        verbod toe voor andere aspecten van de uiting dan de inhoud, zoals
                        bijvoorbeeld de verspreiding. Het is bij de genoemde activiteiten echter
                        moeilijk te scheiden tussen inhoud en verspreiding. Immers, het verbieden
                        van een optreden van een straatartiest op een bepaalde plaats houdt in veel
                        gevallen ook in dat de inhoud van het optreden niet kan worden geuit. Dat
                        betekent dat voor de beperkingsgronden van het in artikel 7, derde lid,
                        opgenomen grondrecht, het best kan worden gekozen voor de beperkingsgronden
                        die bij artikel 7, eerste lid, Grondwet zijn toegelaten. In artikel 2:4 is
                        dezelfde redactie gevolgd. De bevoegdheid van de burgemeester berust op
                        artikel 174 van de Gemeentewet. </al><al/><al>Lex silencio positivo: Het aanwijzen van een gebied waar het verboden is als
                        straatartiest op te treden zal doorgaans op initiatief van het college zelf
                        gebeuren, en niet op aanvraag. Mocht er wel een aanvraag aan de orde zijn,
                        dan bestaan er geen duidelijke bezwaren tegen een lex silencio positivo. Een
                        ontheffing van het verbod zal vaker op aanvraag gebeuren, maar ook een
                        ambtshalve ontheffing zal voorkomen, bijvoorbeeld bij bepaalde
                        festiviteiten. Ook bij een ontheffing op aanvraag is geen reden om van een
                        lex silencio af te zien. Paragraaf 4.1.3.3. van de Awb wordt op het gehele
                        artikel van toepassing verklaard. </al><al/><al><cursief>Jurisprudentie</cursief></al><al>- De weigering van een ontheffing in verband met de verstoring van de
                        openbare orde moet reëel zijn en voldoende onderbouwd zijn. Vz.ARRS 01 10
                        1993, JG 94.0046, Gst. 1994, 6979, 3 m.nt. EB, AB 1994, 207 m.nt. RMvM, ABRS
                        15 07 1994, JG 95.0208.</al><al>- Terechte weigering ontheffing voor optreden als straatfotograaf. Optreden
                        als straatfotograaf is niet gericht op het openbaren van gedachten of
                        gevoelens als bedoeld in artikel 7, derde lid, Grondwet. Openbare orde
                        verzet zich tegen het optreden van meer dan twee straatfotografen. ABRS 03
                        09 1997, Gst. 1997, 7064, 3 m.nt. EB.</al><al/><al><onderstreept>Artikel 2:5 </onderstreept><onderstreept>Het plaatsen van
                            voorwerpen op of aan de weg of op andere openbare plaatsen in strijd met
                            de publieke functie van die weg of plaats</onderstreept></al><al>Dit artikel geeft het college de mogelijkheid greep te houden op situaties
                        die hinder of gevaar kunnen opleveren of ontsierend kunnen zijn. Voor de
                        toepassing kan worden gedacht aan het plaatsen van reclameborden of
                        containers. Ook is dit artikel van toepassing op situaties waarin sprake is
                        van zogenaamd creatief tuinieren: gebruik van gemeentegrond in strijd met de
                        publieke functie ervan (gebruik van stukjes plantsoen/openbaar groen).
                        </al><al/><al><cursief>Deregulering</cursief>In het kader van de deregulering en de
                        vermindering van administratieve lasten is bekeken of de vergunningplicht in
                        dit artikel kan vervallen. Dat is een discussie met vele kanten, en voor
                        diverse oplossingen valt iets te zeggen. De gemeente kiest ervoor om als
                        model een breed gestelde algemene regel op te nemen in plaats van het
                        voorheen bestaande vergunningsstelsel. De gemeenteraad maakt een
                        nadrukkelijke keuze voor het bieden van meer ruimte aan burger en
                        bedrijfsleven. De gedachte is dat voor een groot aantal voorwerpen die in de
                        openbare ruimte worden geplaatst een vergunning overbodig is, omdat deze
                        voorwerpen volstrekt geen overlast veroorzaken of zelfs bijdragen aan de
                        leefbaarheid. </al><al/><al><cursief><onderstreept>Het plaatsen van voorwerpen op de
                            weg</onderstreept></cursief></al><al><cursief>Inboedels</cursief></al><al>Het plaatsen van inboedels op de weg gebeurt dikwijls in het kader
                        van de ontruiming van woningen. Het is echter in strijd met artikel 2:5. In
                        de VNG ledenbrief, kenmerk 97/39, wordt ingegaan op het toepassen van
                        bestuurswang ten aanzien van op de weg geplaatste zaken. Ook het preventief
                        optreden tegen dergelijke overtredingen wordt in deze ledenbrief behandeld.
                        Bij Nieuwsbrief 1360 van 12 november 2001 concludeerde de VNG naar
                        aanleiding van de hoger beroepuitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak
                        van 7 november 2001 (zie ook onder jurisprudentie), dat met deze uitspraak
                        het advies van de ledenbrief van 20 maart 1997 wordt gehandhaafd om met
                        preventieve bestuursdwang op te treden tegen de in strijd met artikel
                        2.1.5.1. (oud) van de APV op de weg geplaatste zaken. De verhuurder kan
                        daartoe worden aangeschreven en op hem kunnen de kosten van de toepassing
                        van bestuursdwang worden verhaald. </al><al/><al><cursief>Containers</cursief></al><al>Over het plaatsen van containers kan nog opgemerkt worden dat het Centrum
                        voor Regelgeving en Onderzoek in de Grond, Water en Wegenbouw en de
                        Verkeerstechniek (CROW) in 1998 richtlijnen heeft uitgebracht, getiteld
                        Markering onverlichte obstakels. Deze richtlijnen gaan in op het uniform
                        plaatsen en markeren van verplaatsbare onverlichte obstakels (waaronder
                        vuil- en opslagcontainers), inclusief mogelijke regelgeving met bijbehorende
                        handhavings- en controlemogelijkheden.</al><al/><al><cursief>Wabo</cursief></al><al>Het gebruik van de weg anders dan overeenkomstig de publieke functie, als
                        bedoeld in dit artikel, kan onder de Wabo vallen, namelijk wanneer dit
                        gebruik bestaat uit de opslag van roerende zaken. Dat zal bijvoorbeeld het
                        geval zijn als op of aan de weg een container wordt geplaatst voor de
                        tijdelijke opslag van puin of bouwmaterialen tijdens een verbouwing. In
                        andere gevallen zal het niet altijd op het eerste gezicht duidelijk zijn of
                        het gaat om opslag van roerende zaken als bedoeld in de Wabo. Het
                        onderscheidend criterium is dat het plaatsen van zaken op de weg bij opslag
                        een tijdelijk karakter heeft: het is de bedoeling dat de opgeslagen zaken
                        ooit ergens anders een al dan niet definitieve bestemming krijgen en aldaar
                        een functie gaan vervullen. Als dat aan de orde is valt die activiteit onder
                        artikel 2.2, eerste lid onder j of onder k van de Wabo. Een ontheffing wordt
                        op grond van artikel 2.2, eerste lid, laatste zinsdeel, van de Wabo
                        aangemerkt als een omgevingsgvergunning. Daarom is een nieuw vierde lid
                        ingevoegd, waarin staat dat het bevoegd gezag (ingevolge de definitie in
                        artikel 1 is dat dus het bestuursorgaan als bedoeld in de Wabo) in een
                        dergelijk geval een omgevingsvergunning verleent. </al><al/><al>Daarnaast blijft het derde lid gehandhaafd, waarin staat dat het bevoegde
                        bestuursorgaan (i.c. het college of de burgemeester) ontheffing kan verlenen
                        voor gebruik van de weg dat niet valt onder de Wabo, namelijk wanneer het
                        gaat om objecten die bedoeld zijn om ter plaatse blijvend te functioneren.
                        Dat zijn bijvoorbeeld bloembakken, straatmeubilair, terrassen en dergelijke. </al><al/><al>Het is niet ondenkbaar dat bij een en hetzelfde project – bijvoorbeeld een
                        grootscheepse restauratie van monumentale panden – zowel de ontheffing van
                        het bevoegd bestuursorgaan (derde lid) als de onmgevingsvergunning (vierde
                        lid) nodig is, waarbij dan de situatie kan ontstaan dat er twee bevoegde
                        gezagen zijn. Met het oog op die gevallen kan overwogen worden om met
                        toepassing van artikel 2.2, tweede lid van de Wabo alle activiteiten waarbij
                        voorwerpen op of aan de weg worden geplaatst, onder de Wabo te brengen. Dat
                        heeft als nadeel dat de zwaardere procedure van de Wabo in alle gevallen
                        gevolgd moet worden. Wij verwachten dat deze situatie maar heel zelden zal
                        voorkomen en hebben 2.2, tweede lid van de Wabo in de model-APV dan ook niet
                        toegepast. </al><al/><al><cursief>Jurisprudentie uitstallingen</cursief></al><al>- Weigering van een uitstalvergunning voor handelswaar is niet alleen
                        gehandhaafd op de onder b genoemde weigeringsgrond (welstand), maar ook op
                        de onder a opgenomen weigeringsgrond (de uitstallingen staan ook in de weg).
                        De Afdeling ziet voorts geen grond voor het oordeel dat de plaatsing van dit
                        artikel in het hoofdstuk dat betrekking heeft op openbare orde, in de weg
                        staat aan het opnemen van de onder b genoemde weigeringsgrond. Niet valt in
                        te zien dat een zekere beoordeling van het uiterlijk aanzien van een
                        uitstalling niet in het belang van de bescherming van de openbare orde kan
                        worden geacht. ARRS 07-10-1996, Gst. 1997, 7050, 5 m.nt. HH.</al><al>- Beleid dat inhoudt dat vergunningen voor uitstallingen in het
                        kernwinkelgebied worden geweigerd is redelijk, mede gelet op de hoge
                        voetgangersstroom en een onder consumenten gehouden enquête. ABRS
                        11-05-1998, JU 982110 (VNG-databank).</al><al>- Hetzelfde geldt voor een beleid dat inhoudt dat objecten niet meer dan 40
                        cm uit de voorgevel mogen worden geplaatst, welk beleid wordt ondersteund
                        met een welstandsadvies. ABRS 01-10-1998, JU 981188 (VNG-databank).</al><al>- In de notitie Uitstallingenbeleid Binnenstad heeft het college vermeld:
                        alleen de uitstalling van bloemen, planten, groenten en fruit wordt
                        toegestaan. Daarmee is bij nadere invulling van het begrip openbare orde een
                        onderscheid gemaakt naar de soort van de uitgestalde waren. De Rechtbank is
                        van oordeel dat hiermee een wezenlijk ander onderscheid wordt gehanteerd dan
                        welke volgt uit een zekere beoordeling van het uiterlijk aanzien van de
                        uitstalling. Dit onderscheid is niet in het belang van de bescherming van de
                        openbare orde in de zin van artikel 2.1.5.1. Voor zover de uitstallingen van
                        eisers niet aan de nieuwe maatvoering voldoen, gelet op de straten/plaatsen
                        waar de winkels van eisers gevestigd zijn een wijziging (in plaats van een
                        intrekking) van de verleende vergunning in de rede had gelegen, met name wat
                        betreft de maatvoering en de plaats van de uitstalling, waarbij voorts de
                        uitkomst van een individuele toetsing vanuit een oogpunt van welstand
                        mogelijk tot nadere voorwaarden aanleiding had kunnen geven. </al><al/><al><cursief>Jurisprudentie evenementen</cursief></al><al>- Vergunning voor luchtkussenpark onder de voorwaarden dat het mag bestaan
                        uit drie luchtkussens, een ballenbak, een aantal bankjes, een verkooppunt
                        voor frisdranken en een deugdelijke omheining. Geen bouwwerken, Woningwet
                        niet van toepassing. Indien er een meldingsplicht bestaat op grond van de
                        Wet milieubeheer, is de APV niet van toepassing. Ingeval de APV wel van
                        toepassing is, heeft het college in redelijkheid tot het verlenen van de
                        vergunning kunnen komen. Nu het seizoen al is begonnen, is er groot belang
                        bij continuering. ABRS 23-06-2000, JU 001042 (VNG-databank).</al><al>- Organisatie van circus op plein met parkeerbestemming. Pres. Rb Leeuwarden
                        06-09-2001, LJN-nr. AD3917: er doen zich geen weigeringsgronden voor op
                        grond van artikel 2.1.5.1 en 2.2.2 APV. Ook strijdigheid met het
                        bestemmingsplan biedt geen grondslag voor weigering vergunning.</al><al/><al><cursief>Jurisprudentie terrassen</cursief></al><al> - Het gebruik van een terras bij een horecabedrijf is blijkbaar een dermate
                        lucratieve onderneming dat alles op alles wordt gezet om vergunning te
                        verkrijgen voor een groter terras. De aangevoerde argumenten (toezeggingen,
                        schending van een overeenkomst) speelden terecht geen rol bij de overweging
                        dat een terras op zichzelf en het bedienen ervan de verkeersveiligheid
                        negatief kan beïnvloeden. Op grond van artikel 2.3.1.2, vijfde lid, en in
                        afwijking van artikel 2.1.5.1, van de model-APV beslist de burgemeester (en
                        niet het college) over het gebruik van het weggedeelte waarop het terras
                        door de horeca-ondernemer was gewenst in relatie tot de naastgelegen
                        (verkeers)weg. (zie over de bevoegdheid van de burgemeester i.p.v. het
                        college ook JG 03.0022. Een terras is een bij een voor het publiek
                        openstaand gebouw behorend erf in de zin van artikel 174 van de Gemeentewet.
                        Ingevolge het eerste lid van dit artikel is de burgemeester onder meer
                        belast met het toezicht op de voor het publiek openstaande gebouwen en
                        daarbij behorende erven. Ingevolge het derde lid van dit artikel is de
                        burgemeester belast met de uitvoering van de verordeningen voor zover deze
                        betrekking hebben op dat toezicht. De burgemeester – en niet het college –
                        is dus bevoegd om terrasvergunningen te verlenen. ABRS 05-06-2002, JG
                        02.0128 m.nt. M. Geertsema. In dezelfde zin: ABRS 13-11-2002 (Nijmegen), nr.
                        200202419, LJN-nr. AF0269. </al><al/><al><cursief>Jurisprudentie reclame</cursief></al><al>- De Reclameverordening bevatte het verbod om zonder vergunning van het
                        college reclameborden te plaatsen, die vanaf de weg of een andere voor het
                        publiek toegankelijke plaats zichtbaar zijn. De vergunning kon worden
                        geweigerd in het belang van welstand of verkeersveiligheid. Het college
                        heeft een maximum van 123 locaties voor driehoeksborden aangewezen. Het
                        stellen van beleidsregels was op grond van de Reclameverordening verplicht,
                        maar het college had nagelaten deze op te stellen, zodat niet duidelijk was
                        welke procedure werd gevolgd bij de verdeling van de schaarse locaties. De
                        Afdeling oordeelt allereerst: Anders dan artikel 7, eerste lid, Gw beschermt
                        art. 10 EVRM ook uitingen met een commercieel karakter. De inmenging in het
                        recht van vrije meningsuiting is echter voorzien bij de wet conform het
                        tweede lid van art. 10. Aangezien het stelsel in de Reclameverordening er
                        voorts toe strekt reclame-uitingen te reguleren in het belang van de
                        openbare veiligheid, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten,
                        alsmede de bescherming van de rechten van anderen, is er van strijd met art.
                        10 EVRM geen sprake.</al><al>- Aan het college kan niet de bevoegdheid worden ontzegd om een maximum te
                        stellen aan het aantal locaties waar driehoeksborden kunnen worden
                        geplaatst. Dit maximum zal moeten worden gerechtvaardigd uit hoofde van
                        bescherming van de in de Reclameverordening genoemde belangen. Het college
                        heeft dit nagelaten. Nu het maximum aantal aangewezen locaties het
                        uitgangspunt vormde voor de bij de beslissing op bezwaar gehandhaafde
                        afwijzing van het verzoek van appellante en niet kan worden nagegaan of dit
                        uitgangspunt rechtens houdbaar is, moet worden geoordeeld dat de beslissing
                        op bezwaar niet kan worden gedragen door de daaraan ten grondslag gelegde
                        motivering, zodat deze voor vernietiging in aanmerking komt. ABRS
                        20-04-2005, nr. 200407498, AB 2005, 180 m.nt. A. Tollenaar; GS 2005, 7236,
                        140 m.nt. D.E. Bunschoten.</al><al>- Aangenomen mag worden dat een te beperkend beleid met betrekking tot
                        reclameconstructies op grond van artikel 2.1.5.1 niet als redelijk kan
                        worden gekwalificeerd, nog daargelaten of dit in overeenstemming is met
                        artikel 10 EVRM (Pres. Rb Zwolle 29-10-1997, KG 1997, 389). Immers, dit kan
                        betekenen dat er in feite geen mogelijkheid van enige betekenis tot gebruik
                        van het middel van verspreiding en bekendmaking zou overblijven Volgens de
                        President kunnen wel beleidscriteria in de vorm van restricties voor wat
                        betreft het aantal vergunningen (al dan niet per aanvrager per jaar), en de
                        locatie en duur van elke vergunning worden gesteld (Pres. Rb Zwolle
                        26-9-1997, KG 1997, 338). Dit beleid kan worden onderbouwd met behulp van
                        een politierapport of welstandsadvies.</al><al>- Over driehoeksreclameborden ten behoeve van een Rasti Rostelli-show,
                        oordeelde de Pres. Rb ’s-Hertogenbosch 23-09-1999, KG 1999, 299 dat bij elke
                        aanvraag om vergunningverlening een individuele en concrete beoordeling
                        nodig is, ongeacht het gevoerde beleid. Geen acht is geslagen op de borden
                        als zodanig en de plaats van opstelling. Geen strijd met redelijke eisen van
                        welstand. Aanvrager dient te worden behandeld als ware hij in het bezit van
                        een vergunning.</al><al>- Driehoeksreclameborden. Het standpunt van het college dat artikel 2.1.5.1.
                        alleen van toepassing is als ook de Woningwet van toepassing is, wordt niet
                        gehonoreerd. Pres. Rb Haarlem 27-10-1997, Gst. 1998, 7069, 3 m.nt. EB, KG
                        1997, 388.</al><al>- Weigering van vergunning voor het maken van reclame voor een
                        voetbalwedstrijd, aangezien deze reclame-uiting ontsierend is voor de
                        omgeving. Het betreft commerciële reclame; artikel 7 Grondwet, artikel 10
                        EVRM en artikel 19 IVBPR niet van toepassing. Artikel 10 EVRM en 19 IVBPR
                        zijn alleen in het geding als de verspreiding van reclame (en uiteraard
                        andere meningsuitingen) zo zeer aan banden zou worden gelegd dat de vrijheid
                        reclame te maken zelf zou worden aangetast. ABRS 23-12-1994, JG 09.0207, AB
                        1995, 163.</al><al>- APV-bepaling biedt geen ruimte voor de weigering van een vergunning voor
                        reclameborden op basis van beleid volgens welk toestemming voor
                        reclameborden uitsluitend wordt verleend voor plaatselijke, niet-commerciële
                        evenementen. Artikel 2.1.5.1. kent een aantal limitatieve weigeringsgronden.
                        De aard van de reclame, commercieel of niet-commercieel, valt daar niet
                        onder. Pres. Rb Breda 9-11-1994, JG 95.0137, KG 1995, 20. Zie ook Pres. Rb
                        Zwolle 26-9-1997 en 29-10-1997, resp. KG 1997, 338 en 389. Een soortgelijke
                        uitspraak betreft Pres. Rb ‘s Hertogenbosch 12-11-1998, KG 1999, 23.
                        Weigering van vergunning voor reclameborden, aangezien het geen reclame voor
                        een zeer bijzonder evenement betreft. Aard van een evenement is geen
                        weigeringsgrond in de zin van artikel 2.1.5.1.</al><al>- Vz.ARRS 27-08-1993, JG 94.0054. Door het verlenen van ontheffingen voor de
                        duur van een jaar heeft het college duidelijk gemaakt dat het beleid ten
                        aanzien van reclameborden en verkooprekken gewijzigd kan worden. Het in het
                        geheel niet bieden van ruimte voor het verlenen van een ontheffing verdraagt
                        zich niet met de APV. Vz.ABRS 03-01-1994, JG 94.0212. </al><al/><al><cursief>Jurisprudentie afvalcontainers</cursief></al><al>Plaatsing van een bedrijfsafvalcontainer op de openbare weg is in strijd met
                        de bestemming. Bovendien komt het doelmatig en veilig gebruik van de weg in
                        het geding. ARRS 30-12-1993, JG 94.0213, Gst. 1994, 6995, 5 m.nt. HH.
                        Afvalcontainers kunnen echter bouwwerken in de zin van de Woningwet zijn
                        waarvoor een bouwvergunning is vereist. Dit hangt af van de constructie,
                        omvang van de constructie en de plaatsgebondenheid. Artikel 8.2 APV, welk
                        artikel vergelijkbaar is met 2.1.5.1, blijft buiten toepassing. ABRS
                        29-01-1998, Gst. 1998, 7054, 5 m.nt. JT en MenR 1998, 54 m.nt. H.A.M.G.</al><al/><al><cursief>Jurisprudentie handhaving</cursief></al><al>- Naar aanleiding van de vraag of de gemeente veroordeeld kan worden om bij
                        een gerechtelijke ontruiming van een woning aanwezig te zijn om de op de weg
                        geplaatste inboedel terstond af te voeren en op te slaan, overweegt de Pres.
                        Rb Amsterdam 19-08-1999, KG 1999, 242, dat de executerende deurwaarder
                        gerechtigd is de inboedel aan de weg te plaatsen zonder dat hem een
                        overtreding op grond van de APV verweten kan worden. De publieke taak van de
                        gemeente om de openbare weg vrij te houden van obstakels houdt echter nog
                        niet in dat de deurwaarder een rechtens afdwingbare vordering tegen de
                        gemeente heeft om bij gerechtelijke ontruimingen de inboedel af te voeren en
                        op te slaan. Deurwaarder kan wel maatregelen nemen zoals de geëxecuteerde
                        van tevoren waarschuwen of zelf maatregelen nemen voor afvoer en
                        opslag.</al><al>- Ten onrechte merkte de opzichter bij een woningontruiming de inboedel als
                        afval aan en liet de afgevoerde inboedel als afval verbranden. Gemeente
                        aansprakelijk voor de schade. Pres. Rb Amsterdam 15-02-2001, JG 01.0138
                        m.nt. E.H.J. de Bruin, KG 2001, 87.</al><al>- Het op straat plaatsen en daar laten staan van inboedel is geen gebruik
                        van de weg overeenkomstig de bestemming, zodat zo’n handeling onder het
                        verbod van artikel 2.1.5.1 (oud), eerste lid, van de APV valt. Hoewel
                        artikel 5:21 van de Awb niet met zoveel woorden voorziet in de mogelijkheid
                        van een preventieve bestuursdwangaanschrijving, kan een dergelijk besluit
                        volgens vaste jurisprudentie worden genomen indien er sprake is van
                        klaarblijkelijk gevaar van een op zeer korte termijn te verwachten
                        overtreding van een concreet bij of krachtens de wet gesteld voorschrift. De
                        Afdeling overweegt nog expliciet dat niet van belang is er of sprake is van
                        dreigende ernstige schade. Het enige criterium voor preventieve
                        bestuursdwang is dus “klaarblijkelijk gevaar van overtreding”. Verder
                        oordeelt de Afdeling dat de aanschrijving terecht aan de woningstichting is
                        gericht. Als opdrachtgeefster tot ontruiming, waarbij de inboedel op straat
                        komt te staan, is ze overtreedster van artikel 2.1.5.1 (oud) van de APV. Als
                        overtreedster is de woningstichting op grond van artikel 5:25 van de Awb ook
                        de kosten verbonden aan de toepassing van bestuursdwang verschuldigd. ABRS
                        07-11-2001, JG 02.0006, LJN-nr. AD5810 (Brunssum) m.nt. M. Geertsema, Gst.
                        2002, 7157, 6 m.nt. R. Boesveld.</al><al>- Spoedeisende bestuursdwang met toepassing van artikel 5:24, zesde lid, van
                        de Awb ten aanzien van op de weg geplaatste zaken na ontruiming. Het op
                        straat plaatsen en daar laten staan van een veelal uit losse voorwerpen van
                        niet geringe omvang bestaande inboedel kan niet als gebruik van de weg
                        overeenkomstig haar bestemming worden aangemerkt, zodat een dergelijke
                        handeling onder het verbod van artikel 2.1.5.1, eerste lid, van de APV valt.
                        Deurwaarder is een instrumenterend openbaar ambtenaar. Woningstichting is
                        als opdrachtgeefster tot ontruiming overtreedster van artikel 2.1.5.1 APV en
                        dient de kosten van bestuursdwang te betalen. ABRS 17-07-2002, JG 02.0151 m.
                        nt. van M. Geertsema.</al><al>- Ook een preventieve last onder dwangsom kan worden opgelegd aan de
                        ontruimer. Vzr. Zutphen 25-08-2004, 04/1199 GEMWT, LJN-nr. AQ8910.</al><al>- Door particulier niet overeenkomstig publieke functie en zonder vergunning
                        gebruikt deel van gemeentegrond (groenstrook) is aan te merken als weg in de
                        zin van artikel 2.1.5.1, eerste lid, van de APV (Alkmaar), nu gemeente
                        publieke toegankelijkheid van groenstrook heeft beoogd en deze ook feitelijk
                        heeft gerealiseerd. Niet is gebleken van concreet zicht op legalisatie.
                        Beroep op gelijkheidsbeginsel verworpen. ABRS 30-07-2008, LJN: BD8901.</al><al>- Bestuursdwangaanschrijving ter verwijdering van op pad aangebrachte
                        afsluiting. Doorkruising Wegenwet. Op grond van APV-verbod om ‘weg’ anders
                        dan overeenkomstig de bestemming te gebruiken mag rechthebbende niet worden
                        gedwongen verkeer toe te laten dat valt buiten de reikwijdte van zijn
                        duldplicht ingevolge de Wegenwet (ABRS 01-07-2009, 200806520/1H3, gemeente
                        Ubbergen, LJN: BJ1110, GemSt 7322, 86)</al><al/><al><onderstreept>Artikel 2:6 Aanleggen, beschadigen en veranderen van een
                            weg</onderstreept><cursief>Algemeen</cursief>In het kader van
                        deregulering en vermindering van administratieve lasten is bekeken of de
                        vergunningplicht in deze bepaling zou kunnen worden opgeheven. Wij hebben
                        ervoor gekozen de vergunningplicht te laten bestaan, omdat het in verband
                        met de verkeersveiligheid en de bruikbaarheid van wegen niet gewenst is dat
                        niet-overheden zomaar wegen aanleggen, beschadigen of veranderen. Het
                        stellen van algemene regels in plaats van een vergunningvereiste hebben wij
                        wel overwogen, maar dat is niet goed mogelijk, omdat het hierbij veelal om
                        specifiek maatwerk gaat. </al><al>Voor de aanleg van wegen en het daarvoor eisen van een vergunning van het
                        college is de relatie met de Wet op de ruimtelijke ordening (Wro) van
                        belang. Op grond van de Wro mag een aanlegvergunning voor de uitvoering van
                        bepaalde werken of werkzaamheden bij een bestemmingsplan alleen verplicht
                        worden gesteld om te voorkomen dat een terrein minder geschikt wordt voor de
                        verwerkelijking van de daaraan bij het plan gegeven bestemming of ter
                        handhaving van een verwerkelijkte bestemming. Ingevolge artikel 14 Wro mag
                        een vergunning alleen en moet zij worden geweigerd, indien het werk of de
                        werkzaamheid in strijd zou zijn met een bestemmingsplan of de krachtens
                        zodanig plan gestelde eisen.</al><al/><al><cursief>Wabo</cursief></al><al>Op het aanleggen of veranderen van een weg is artikel 2.2, eerste lid onder
                        d. van de Wabo van toepassing als de activiteit verboden is in een
                        bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of
                        voorbereidingsbesluit. Dat betekent dat de termijnen genoemd in artikel 3.9
                        van de Wabo van toepassing zijn op deze vergunning. De beslistermijn is acht
                        weken, de verdagingstermijn zes weken. Let wel: indien er meerdere
                        activiteiten worden aangevraagd en er één onder artikel 3.10 van de Wabo
                        valt, dan is de uitgebreide procedure van toepassing (beslistermijn van zes
                        maanden met een mogelijkheid tot verdagen van zes weken).</al><al>De indieningsvereisten voor een aanvraag om een vergunning die onder de Wabo
                        valt, staan in de Ministeriele regeling omgevingsrecht (Mor). Het gaat dan
                        om de algemene indieningsvereisten uit artikel 1.3 van de Mor. Zie daarvoor
                        de toelichting bij artikel 1.2 APV. Voor het aanleggen of veranderen van een
                        weg zijn in de Mor geen aanvullende indieningsvereisten opgenomen.</al><al/><al>In artikel 2:18 van de Wabo is bepaald dat de vergunning alleen kan worden
                        verleend of geweigerd op de gronden vermeld in deze verordening. De
                        weigeringsgronden staan in artikel 1.8 van deze verordening. </al><al/><al>Indien de activiteit niet is verboden in een bestemmingsplan,
                        beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit is de Wabo niet
                        van toepassing en is het college bevoegd. Wanneer het gaat om normaal
                        onderhoud van de weg is er ingevolge het derde lid geen vergunning nodig:
                        het college hoeft zichzelf geen vergunning te verlenen. Zie verder de
                        toelichting aldaar.</al><al/><al><cursief>Eerste lid</cursief></al><al>Aan artikel 2:6 ligt als motief ten grondslag de behoefteom de
                        aanleg, beschadiging en verandering van wegen te binden aan voorschriften
                        met het oog op de bruikbaarheid van die weg. Naast het opleggen van min of
                        meer technische voorschriften kan het ook gewenst zijn het tempo van
                        wegenaanleg in de hand te houden. Het is natuurlijk hoogst onwenselijk dat
                        wegen voortijdig aangelegd worden waardoor - door de latere aanleg van
                        zogenaamde complementaire openbare voorzieningen, zoals riolering, water en
                        gasvoorziening en verlichting - de bruikbaarheid van die weg gedurende lange
                        tijd sterk verminderd zal zijn, nog daargelaten dat het veel extra kosten
                        meebrengt. Als de gemeente tevens eigenaar van de weg is, moet uiteraard ook
                        privaatrechtelijke toestemming worden gegeven. Een afgegeven vergunning mag
                        niet worden gefrustreerd door privaatrechtelijke weigering van de gemeente.
                        Als een derde eigenaar van de grond is, ligt dat anders. Het college kan in
                        dat geval de aanvrager om vergunning erop wijzen dat hij ook
                        privaatrechtelijke toestemming behoeft.</al><al/><al><cursief>Tweede lid</cursief></al><al>Omdat voor de toepassing van dit artikel o.a. het begrip “weg” uit de
                        Wegenverkeerswet 1994 gebruikt wordt, is een vergunning vereist voor de
                        aanleg, verandering enz. van wegen die feitelijk voor het openbare verkeer
                        openstaan. Dit betekent dat in beginsel de vergunningsplicht ook geldt voor
                        de zogenaamde “eigen wegen” die feitelijk voor het openbare verkeer
                        openstaan. Ook voor deze wegen is het namelijk wenselijk dat ten behoeve van
                        de bruikbaarheid daarvan voor brandweer, ambulance e.d. voorschriften
                        gesteld kunnen worden over de wijze van verharding, breedte e.d. Die
                        wenselijkheid is ook aanwezig voor wegen die bijvoorbeeld aangelegd worden
                        op grote bedrijfsterreinen. Daarvoor is in het tweede lid dan ook de
                        toevoeging “alsmede alle niet openbare ontsluitingswegen van gebouwen”
                        opgenomen. De plicht om gebouwen door middel van een verbindingsweg op het
                        openbaar wegennet aan te sluiten staat in artikel 37 Bouwverordening
                        gemeente Vlissingen.</al><al/><al><cursief>Derde lid</cursief></al><al>Van de vergunningplicht zijn uitgezonderd de overheden die in de uitvoering
                        van hun publiekrechtelijke taak wegen aanleggen of veranderen. Er mag van
                        uitgegaan worden dat zij hun werkzaamheden afstemmen op de bruikbaarheid van
                        de weg. Desgewenst kunnen in het derde lid ook nog andere publiekrechtelijke
                        lichamen, bijvoorbeeld de op de Wet gemeenschappelijke regelingen gebaseerde
                        samenwerkingsverbanden, genoemd worden. Ook is het mogelijk om voor de
                        landinrichtingscommissie, als bedoeld in artikel 27, jo 124, tweede lid,
                        Landinrichtingswet, een uitzondering te maken. De plicht om gebouwen door
                        middel van een verbindingsweg op het openbaar wegennet aan te sluiten staat
                        in artikel 37 Bouwverordening gemeente Vlissingen.</al><al/><al><cursief>Vierde lid</cursief></al><al>Voor wat betreft de afbakening met hogere regelgeving geldt op grond van
                        artikel 122 van de Gemeentewet dat de bepalingen van de APV van rechtswege
                        vervallen als in het onderwerp door een wet, amvb of een provinciale
                        verordening wordt voorzien. De term “onderwerp” in artikel 122 betekent dat
                        het om dezelfde materie moet gaan en dat hetzelfde motief ten grondslag moet
                        liggen aan zowel de lagere als de hogere regeling. De formulering van de
                        afbakeningsbepaling in het vierde lid sluit daarom aan bij de Gemeentewet.
                        Zie uitgebreid daarover onder het kopje Afbakeningsbepalingen in de Algemene
                        Toelichting.</al><al>Het nutsbedrijf zal op grond van artikel 2:6 een vergunning nodig hebben
                        voor het leggen van leidingen e.d. in een weg. Dat is niet zo voor
                        telecommunicatiebedrijven en kabeltelevisiebedrijven en de door hen beheerde
                        telecommunicatiekabels met een openbare status (telecommunicatie- en
                        omroepnetwerken). Voor deze werken wordt een regeling getroffen in de
                        Telecommunicatiewet en de daarop gebaseerde Telecommunicatieverordening
                        gemeente Vlissingen 2008.</al><al/><al><cursief>Jurisprudentie</cursief></al><al>- De voorschriften mogen slechts slaan op datgene wat op de weg zelf
                        betrekking heeft - zoals de grenzen, de afmetingen, het profiel, de hoogte,
                        de wijze van verharding - of wat met die weg ten nauwste verband houdt zoals
                        beplanting en verlichting langs en van de weg, alsmede de (situering van de)
                        langs of in de weg liggende riolering, Vz.ARRS 10 01 1986, BR 1986, 426,
                        Arob editie 1986, 86, 7 (Wegaanleg Gennep).</al><al>- Relatie van artikel 2.1.5.2 (thans 2:11) met artikel 350 van het Wetboek
                        van Strafrecht. APV bepaling als vorenbedoeld verbiedt het feitelijk
                        beschadigen, zonder op die beschadiging gerichte opzet, onverschillig wie de
                        eigenaar is. Artikel 350 Sr. stelt daarentegen straf op opzettelijke en
                        wederrechtelijke beschadiging van enig goed, geheel of ten dele aan een
                        ander toebehorende, en derhalve op onrechtmatige beschadiging van eens
                        anders eigendom, gepleegd met het doel en de wil om te beschadigen. HR 07 01
                        1907, W. 8485 (APV Tiel)</al><al>- Anti-rampalen (voor juwelierswinkel) in het voetgangersgebied van een druk
                        winkelcentrum leveren gevaar op voor de bruikbaarheid van de weg en voor het
                        doelmatig gebruik daarvan in de zin van artikel 2.1.5.2, derde lid, van de
                        APV Zutphen. Legalisering van de palen is niet aan de orde. Objecten die in
                        dezelfde winkelstraat staan, zoals fietsen, terrasstoelen en bloempotten,
                        zijn anders dan de twee betonnen palen. Deze kunnen ’s nachts van de
                        openbare weg worden verwijderd. Er is bovendien een aanvaardbaar
                        alternatief. De palen kunnen achter de gevellijn worden gerealiseerd. ABRS
                        04-02-2004, 200302804/1, LJN AO2900. </al><al/><al><onderstreept>Artikel 2:7 Maken, veranderen van een
                        uitweg</onderstreept></al><al><cursief>Algemeen</cursief></al><al>In het kader van deregulering en vermindering van administratieve lasten is
                        bezien of de vergunningplicht in deze bepaling zou kunnen worden opgeheven.
                        In veel gevallen kan de aanleg of verandering van een uitweg zonder meer
                        gebeuren zonder dat dit problemen oplevert. Overheidsbemoeienis is dan niet
                        nodig. In andere gevallen is overheidsbemoeienis wel noodzakelijk ter
                        bescherming van het algemeen belang. Er is daarom voor gekozen de
                        vergunningplicht te wijzigen in een meldingsplicht. Het stellen van algemene
                        regels in plaats van een meldingsplicht is wel overwogen, maar is niet goed
                        mogelijk, omdat het hierbij veelal om specifiek maatwerk gaat. De tekst is
                        aangepast en gewijzigd in een meer zuiver vergunningsstelsel, waarbij het
                        college slechts de keus heeft tussen toestaan en verbieden. </al><al>De belangen die het college hierbij kan afwegen zijn vooral en in de eerste
                        plaats gevaar of hinder voor het wegverkeer ter plaatse. Daarnaast kan
                        worden gedacht aan het verlies van een bestaande openbare parkeerplaats of
                        de bescherming van openbare groenvoorzieningen. Uit de jurisprudentie over
                        artikel 14 Wegenwet blijkt dat de eigenaar van een weg het uitwegen daarop
                        moet gedogen. Voorts blijkt uit de jurisprudentie dat regels in een
                        verordening mogen worden gesteld, bijvoorbeeld in het kader van de vrijheid
                        van het verkeer, veiligheid op de weg of de instandhouding van de
                        bruikbaarheid van de weg. </al><al/><al>Artikel 2:7 beoogt de aanleg van uitwegen zoveel mogelijk vrij te laten,
                        maar te voorkomen dat er gevaarlijke of hinderlijke situaties voor het
                        verkeer ontstaan, dat een uitrit op onaanvaardbare manier ten koste gaat van
                        openbaar groen, en desgewenst ook dat een uitweg feitelijk opheffing
                        betekent van soms (zeer) schaarse parkeerruimte. Als de gemeente tevens
                        eigenaar van de weg is, moet ook privaatrechtelijke toestemming worden
                        gegeven. Een publiekrechtelijk toelaatbare uitweg mag niet worden
                        gefrustreerd door privaatrechtelijke weigering van de gemeente. Als een
                        derde eigenaar van de grond is, ligt dat anders. Het college kan in dat
                        geval de aanvrager om vergunning erop wijzen dat hij ook privaatrechtelijke
                        toestemming behoeft. </al><al/><al>De indiener van de melding moet bij zijn melding een situatieschets van de
                        gewenste uitweg en een foto van de bestaande situatie ter plaatse voegen.
                        Daarbij moet worden opgemerkt dat met name bij elektronische formulieren het
                        bijvoegen van een foto voor burger en gemeente extra lasten betekent. Het
                        valt te overwegen om deze eis niet op te nemen. Aan de hand van deze
                        gegevens kan het college sneller de afweging maken of de gewenste uitweg al
                        of niet kan worden toegestaan en eventueel onder oplegging van welke
                        voorschriften. </al><al/><al>Een verbod dat in het belang van de verkeersveiligheid wordt gesteld,
                        strijdt evenmin met artikel 14 Wegenwet. De grond bescherming van
                        groenvoorzieningen in de gemeente kan bijvoorbeeld gebruikt worden om het
                        maken van een uitweg te verbieden als dat op een onaanvaardbare manier ten
                        koste gaat van het openbaar groen. </al><al/><al><cursief>De Melding</cursief>De melding van een uitweg valt niet onder de
                        Wabo. Er is immers geen sprake van een vergunning of ontheffing. Het betreft
                        hier een voorbeeld van een meldingsverplichting als onderdeel van een
                        voorwaardelijk verbod. Het is opvallend dat deze bepaling geen termijn kent
                        waarbinnen de gemelde werkzaamheden inzake de aanleg van de uitweg moeten
                        worden uitgevoerd.</al><al/><al>Het gaat bij de aanleg van uitwegen om een handeling die niet afhankelijk is
                        van een bepaalde datum waarop de werkzaamheden plaatsvinden. In dit geval
                        kan het moment van aanleg of wijziging van de uitweg zelf worden gekozen.
                        Toen er nog sprake was van een vergunningplicht kon op basis van een
                        algemene bepaling in art. 1:6 van de APV de vergunning worden ingetrokken
                        wanneer niet binnen een redelijke termijn van de vergunning gebruik was
                        gemaakt. Nu ontstaat de situatie dat wanneer de melding is gedaan en er geen
                        nadere voorschriften zijn gesteld of een verbod is uitgevaardigd tot in
                        lengte van dagen de werkzaamheden kunnen worden uitgevoerd. Het leed wordt
                        enigszins verzacht doordat de meldingsplicht is gekoppeld 'aan diegene die
                        voornemens is een uitweg te maken naar de weg of verandering te brengen in
                        een bestaande uitweg naar de weg'. Het melden is dan ook een persoonlijke
                        verplichting en heeft geen zakelijke werking. Een rechtsopvolger onder
                        bijzondere of algemene titel van de oorspronkelijke melder zal een nieuwe
                        melding moeten doen wanneer de inrit daadwerkelijk wordt aangelegd. Als de
                        gemeente tevens eigenaar of beheerder is van de aansluitende weg, moet de
                        gemeente ook privaatrechtelijke toestemming gegeven tot het maken van de
                        daadwerkelijke aansluiting op de weg. Dit is een bevoegdheid van het
                        college. Een publiekrechtelijk toelaatbare uitweg mag niet worden
                        gefrustreerd door privaatrechtelijke weigering van de gemeente. </al><al/><al>Als een melding is gedaan heeft het college nog de mogelijkheid tot sturing
                        namelijk door het verbod van de aanleg van de uitweg. Dit verbod is een
                        besluit in de zin van de van de Awb. Een melding doet het verbod buiten
                        werking stellen en de melder kan met de feitelijke aanleg beginnen. In
                        bovenstaande bepaling is dan ook een mijns inziens de niet overbodige
                        bepaling opgenomen dat met de feitelijke werkzaamheden moet worden gewacht
                        totdat vier weken na ontvangst van de melding zijn verstreken. Door de
                        verbodsbevoegdheid is er namelijk eerst na ommekomst van deze termijn
                        duidelijkheid over de rechtspositie van de melder en wordt voorkomen dat na
                        de melding uitgevoerde werkzaamheden ongedaan moeten worden gemaakt omdat
                        deze alsnog getroffen worden door een verbod. In sommige APV's treffen we
                        nog de mogelijkheid aan dat het college de bevoegdheid heeft tot het stellen
                        van nadere voorschriften aan de feitelijke aanleg. Dit gaat minder ver dan
                        een verbod. In dat geval heeft het college de mogelijkheid om binnen een
                        bepaalde periode na ontvangst van de melding nog nadere voorschriften aan de
                        feitelijke uitweg te stellen en hoeft niet onmiddellijk een verbod te worden
                        uitgevaardigd. Sommige nadere voorschriften die in alle situaties waarin
                        uitwegen worden aangelegd van toepassing zijn worden vaak bij een gemeente
                        dan op het meldingsformulier geplaatst. De werking van deze voorschriften is
                        dan echter discutabel zoals in bovenstaande is opgemerkt. Deze voorschriften
                        kunnen worden vastgesteld in de vorm van nadere regels op grond van art. 156
                        lid 3 van de Gemw. Daartoe dient het bovenstaande artikel bijvoorbeeld de
                        volgende bepaling te bevatten: <cursief>'Het college kan nadere regels
                            vaststellen ten aanzien van de situering, de breedte en het te gebruiken
                            materiaal bij het aanleggen of veranderen van uitwegen. '</cursief></al><al/><al>Probleem met de bevoegdheid tot het instellen van een verbod inzake de
                        feitelijke aanleg van de uitweg en ook de bevoegdheid tot het stellen van
                        nadere voorschriften is dat een belanghebbende een verzoek kan indienen tot
                        het uitvaardigen van een verbod dan wel het stellen van nadere
                        voorschriften. Niet zelden ontvangt het college een brief, waarin expliciet
                        wordt vermeld dat een belanghebbende bezwaar maakt tegen de aanleg van een
                        uitweg waarvan het voornemen is gemeld. Zoals in het voorgaande is
                        geschetst, zal het college dan moeten beoordelen of er aanleiding is om een
                        verbod uit te vaardigen dan wel, indien deze mogelijkheid in de verordening
                        is opgenomen, nadere voorschriften aan de feitelijke aanleg moeten worden
                        gesteld. Het college kan voor deze bevoegdheden beleidsregels vaststellen. </al><al/><al>Deze beleidsregels kunnen bijvoorbeeld de situaties aangeven voor het
                        uitvaardigen van een verbod. Daarnaast kan een beleidsregel de noodzaak
                        aangeven omtrent het geven van toestemming tot het maken van een
                        daadwerkelijke aansluiting op de weg. Aspecten van wegbeheer dienen dan ook
                        in de beleidsregels te worden betrokken. In deze beleidsregels kan
                        bijvoorbeeld worden aangegeven dat de toestemming als wegbeheerder wordt
                        geacht te zijn verleend wanneer het college geen verbod uitvaardigt, dan wel
                        geen nadere voorschriften aan de feitelijke aanleg van de uitweg stelt,
                        indien daartoe de bevoegdheid in de verordening is opgenomen. Rekening
                        houdend met de bevoegdheden tot het stellen van nadere voorschriften aan de
                        feitelijke aanleg van een uitweg dan wel het verbieden van de feitelijke
                        aanleg dient het college nog een 'interne' procedure vast te stellen. Deze
                        procedure kan dan als volgt luiden:</al><al>- er wordt een melding ingediend aan de hand van een vastgesteld formulier;
                        op het meldingsformulier wordt gewezen op het feit dat het college nadere
                        voorschriften kan stellenaan de feitelijke aanleg van de uitweg;</al><al>- van deze melding wordt een publicatie opgesteld bestemd voor de
                        gemeentepagina in een periodiek plaatselijk verschijnend huis-aanhuis-blad
                        (i.c. De Faam);</al><al>- er wordt de mogelijkheid van het stellen van nadere voorschriften dan wel
                        een verbod genoemd en dat binnen een bepaalde termijn of voor een bepaalde
                        datum schriftelijke aanvragen tot het stellen van nadere eisen dan wel het
                        uitvaardigen van een verbod aan de feitelijke uitweg kunnen worden ingediend
                        bij het college.Is de melding in overeenstemming met de beleidsregels en
                        zijn er geen verzoeken ingediend dan kan het college volstaan met een
                        ontvangstbevestiging van de melding. </al><al/><al/><al><cursief>Jurisprudentie</cursief></al><al>- Eigenaar dient uitwegen op de weg te gedogen. ARRS 01 09 1977, AB 1977,
                        366 m.nt. JHvdV, Gst. 1977, 6472 m.nt. Kan, BR 1977, p. 914 m.nt. Crince le
                        Roy (Maastricht I); ARRS 08 06 1978, AA p. 574 m.nt. Wessel, Gst. 1977, 6514
                        (De Bilt); ARRS 08 05 1981, AB 1981, nr. 391 m.nt. Borman (uitwegvergunning
                        Nuth I).</al><al>-Ontheffing verleend voor de verbreding in het belang van de veiligheid en
                        bruikbaarheid van de weg onder de voorwaarde dat moet worden bijgedragen in
                        de kosten. Kosten van de wegverbreding konden in redelijkheid niet geheel
                        ten laste van appellante komen. ARRS 20-06-1983, AB 1984, 75 m.nt. JHvdV.
                        (Wegverbreding).</al><al>- Weigering uitwegvergunning op basis van de verordeningsbepaling, die in
                        het belang van de verkeersveiligheid is gesteld, strijdt niet met artikel 14
                        van de Wegenwet. HR 30 09 1987, BR 1988, 212 m.nt. P.C.F. van Wijmen.</al><al>- Weigering uitwegvergunning op grond van het belang van de bescherming van
                        het uiterlijk aanzien van de gemeente is in beginsel mogelijk. ARRS
                        22-12-1989, Bouw en uitvoering 1991, nr. 5. Zie ook ABRS 13-07-1999,
                        H01.98.1206 (VNG-databank).</al><al>- Het schrijven van het college dat grond niet in gebruik wordt gegeven, is
                        mede aan te merken als een weigering om een uitwegvergunning te verlenen.
                        Noch het eigendomsrecht, noch de handhaving van het bestemmingsplan kan een
                        rol spelen bij de beslissing gelet op het opschrift van het hoofdstuk waarin
                        het artikel is geplaatst. Rubrica est lex. ARRS 11 01 1991, Gst. 6929, nr.
                        6. m.nt. HH.</al><al>- Via voorschriften aan de vergunning te verbinden kan de wijze waarop wordt
                        uitgeweegd worden geregeld. ARRS 28 10 1983, Gst. 6774, nr. 12 (APV
                        Vlijmen); ARRS 01 04 1980, tB/S V, p. 662 (APV Dongen). Als voorschrift aan
                        de vergunning kan o.a. een onderhoudsplicht opgelegd worden, ARRS 12 07
                        1982, tB/S III, nr. 356.</al><al>- De Wegenwet houdt een regeling in van de onderhoudsplicht van wegen en
                        ziet niet toe op de bescherming van de bruikbaarheid ervan. ARRS 09 02 1987,
                        WO RvS 1987, R.J. 127/87, nr. 3.71.</al><al>- Ter bescherming van de veiligheid op de weg en mits opgelegd naar
                        evenredigheid kan een financiële voorwaarde worden verbonden aan een
                        uitwegvergunning. ARRS, 20 06 1983, AB 1984, 75 m.nt.JHvdV. Zie ook ABRS 16
                        06 1995, Gst. 1996, 7035, 2 m.nt. EB.</al><al>- Indien de uitweg gedeeltelijk is aangelegd op gemeentegrond, is
                        uitwegvergunning nodig. Nader onderzocht moet worden of er een
                        privaatrechtelijke eigendomsverhouding ten grondslag ligt aan de eis dat de
                        uitrit moet voldoen aan het bestratingsplan. Vz.ABRS 20 01 1994, JG 94.0176,
                        Gst. 1995, 7005, 4 m.nt. HH.</al><al> - Intrekken van een uitwegvergunning kan slechts plaatsvinden op grond van
                        de gronden, genoemd in artikel 1.11, lid 1, (thans: artikel 1.6 model) APV.
                        De voorwaarde tot betaling van een recognitie maakt geen deel uit van de
                        vergunning, zij is gebaseerd op het eigendomsrecht van de gemeente. ABRS 05
                        12 1996, Gst. 1997, 7061, 3 m.nt. HH.</al><al>- Besluit inhoudende dat privaatrechtelijke toestemming voor gebruik van de
                        uitweg is geweigerd, is geen beschikking. De vraag of een vergunning kan
                        worden verleend staat immers los van de vraag of van die vergunning ook
                        gebruik kan worden gemaakt. Appellant niet ontvankelijk. ABRS 14 07 1997, AB
                        1997, 369 m.nt. FM.</al><al>- Titel openbare orde staat weigeringsgrond bescherming uiterlijk aanzien
                        wel toe. ABRS 13-07-1999, JB 1999, 224. Zie ook: Weigeringsgrond bescherming
                        uiterlijk aanzien van de omgeving mag. Titel hoofdstuk (openbare orde) kan
                        niet leiden tot oordeel dat deze weigeringsgrond geen onderdeel van artikel
                        is. Expliciete verwijzing naar uitspraak 7 oktober 1996, Gst. 1997, 7050, 4
                        (zie onder jurisprudentie artikel 2.1.5.1). In dezelfde zin: ABRS
                        14-08-2002, 200201413, LJN-nr. AE6496, JG 2002, 170 m.nt. M. Geertsema.</al><al>- ABRS 28-01-2000, Gst. 2000, 7123, 3 m.nt. HH: Inrit is zonder
                        uitwegvergunning aangelegd, nu de brief dat de inrit in het trottoir zal
                        worden gemaakt, zodra de kosten daarvan aan de gemeente zijn betaald, geen
                        besluit behelst in de zin van artikel 1:3, eerste lid, Awb, maar slechts een
                        mededeling van feitelijke aard is.</al><al>- Weigering van toestemming voor gebruik van bij gemeente in eigendom zijnde
                        groenstrook naast woning ten behoeve van het maken van een uitweg is geen
                        besluit in de zin van artikel 1:3 Awb, maar een rechtshandeling naar
                        burgerlijk recht. ZBRS 04-07-2000, JB 2000, 225, Gst. 2000, 7128, 4 m.nt.
                        HH.</al><al>- De in artikel 2.1.5.3 (oud), derde lid, van de APV omschreven algemene
                        belangen verzetten zich niet tegen vergunningverlening. Vergunning moest van
                        rechtswege worden verleend. Vergunning werd niet verleend ter behartiging
                        van enig openbaar belang. Beginsel van “égalité devant les charges
                        publiques” dan ook niet van toepassing. Afwijzing nadeelcompensatie. ABRS
                        10-07-2000, Gst. 2000, 9.</al><al>- Aanvragen bouwvergunning en uitwegvergunning moeten naar verschillende
                        maatstaven worden beoordeeld. Vergunningaanvrager heeft bijzonder belang bij
                        uitwegvergunning, nu het college een bouwvergunning heeft verleend voor een
                        garage, namelijk het belang deze ook daadwerkelijk te kunnen gebruiken voor
                        zijn auto. Slechts zeer bijzondere belangen aan de kant van de gemeente
                        zouden de weigering kunnen dragen. Weigering op grond van te verwachten
                        parkeerdruk ten gevolge van uitwegvergunning in de toekomst is niet nader
                        onderbouwd. ABRS 19-01-2001, Gst. 2001, 7139, 2 m.nt. HH.</al><al>- Het college had een onderzoek moeten instellen naar de consequenties van
                        de aanleg van de inrit voor de verkeersveiligheid en voor de resterende
                        parkeerruimte ter plaatse. ABRS 29-05-2001, JB 2001, 180.</al><al>- Marginale toetsing rechter. De rechtbank heeft de uitwegvergunning ten
                        onrechte vernietigd op basis van een eigen oordeel over veilig en doelmatig
                        gebruik van de weg. De rechter moet zich beperken tot de vraag of de
                        voorgedragen beroepsgronden tot het oordeel leiden dat het college het
                        genomen besluit onvoldoende zorgvuldig heeft voorbereid, dan wel bij
                        beoordeling van de daarvoor in aanmerking komende belangen in redelijkheid
                        niet tot weigering van de gevraagde vergunning heeft kunnen besluiten. ABRS
                        27-06-2001, JB 2001, 207.</al><al>- Weigering uitwegvergunning voor een supermarkt; beoordelingsvrijheid en
                        beleidsvrijheid; terughoudende toetsing door de rechter (Venlo) ABRS
                        11-04-2007, nr. 200606674/1. </al><al>- Weigering uitwegvergunning. Verhouding APVcriteria en interpretatieve
                        gedragslijn .ABRS Zaaknummer: 200805488/1 datum uitspraak: 15 april 2009
                        LJN: BI1100 </al></divisie><divisie><kop><label>Afdeling</label><nr>5.</nr><titel>Veiligheid op de weg</titel></kop><al><onderstreept>Algemeen</onderstreept></al><al>Artikel 2a van de Wegenverkeerswet 1994 geeft uitdrukkelijk de bevoegdheid
                        tot het maken van aanvullende gemeentelijke verordeningen ten aanzien van
                        het onderwerp waarin deze wet voorziet, voor zover deze verordeningen niet
                        in strijd zijn met het bepaalde in deze wet (of krachtens de op dit punt
                        vergelijkbare oude Wegenverkeerswet, zoals bij het RVV; aldus HR 16-12-1975,
                        NJ 1976, 204 m.nt. W.F. Prins). Volgens de wegenverkeerswetgeving kan tot
                        vaststelling van verkeersmaatregelen worden overgegaan in het belang van de
                        vrijheid van het verkeer of de veiligheid op de weg, of in het belang van de
                        instandhouding en de bruikbaarheid van de weg. Voor het maken van
                        aanvullende regels bij gemeentelijke verordening geldt steeds de beperking
                        dat de hogere wetgever de desbetreffende aangelegenheid niet uitputtend
                        heeft willen regelen. De vraag wanneer dat het geval is, is niet altijd
                        gemakkelijk te beantwoorden. Daarnaast is er de bevoegdheid van de
                        gemeentelijke wetgever om met geheel andere motieven dan de hogere wetgever
                        voor ogen stonden een plaatselijke regeling te treffen. Zonder problemen is
                        het werken op grond van een ander motief ook weer niet, met name niet
                        wanneer de hogere wetgever in zijn regeling uitdrukkelijk bepaalde situaties
                        buiten schot heeft willen laten. Verder geldt hier - evenals bij de
                        eigenlijke aanvulling - dat toepassing van de gemeentelijke verordening
                        toepassing van de hogere regeling niet onmogelijk mag maken. In deze
                        afdeling zijn bepalingen opgenomen die ieder op zich de veiligheid van het
                        verkeer betreffen en als eigenlijke aanvulling op de wegenverkeerswetgeving
                        aangemerkt kunnen worden.</al><al/><al><cursief>Jurisprudentie</cursief></al><al>- De gemeenteraad is niet bevoegd tot het treffen van regelen inzake het
                        verkeer op wegen - ook al beogen deze regelen andere belangen te beschermen
                        dan verkeersbelangen - indien deze regels zo diep en zo algemeen ingrijpen
                        in het normale verkeer op wegen, dat het stelsel van de
                        wegenverkeerswetgeving wordt doorkruist. HR 21-06-1966, NJ 1966, 417 m.nt.
                        W.F. Prins, OB 1967, XIV.3, nr. 26667, AB 1967, p. 186, NG 1966, p. 432, VR
                        1966, p. 227 m.nt. R.J. Polak (bromfietsverbod Sneek); HR 23-12-1980, NJ
                        1981, 171 m.nt. T.W. van Veen, AB 1981, 237, NG 1981, p. S 63, VR 1981, p.
                        58 m.nt. J.J. Bredius (rijverbod Schiermonnikoog) en AR 5-3-1981, Gst. 1981,
                        6678 m.nt. EB (rijverbod Vlieland). </al><al>- ABRS 24 oktober 2007, JB 2008, 6: Bestuursdwang, aanzegging.
                        Bestuursdwang, spoedeisende situatie (gemeente Amersfoort). Verwijdering van
                        fiets die onbeheerd buiten de daarvoor bestemde ruimten of plaatsen is
                        geplaatst. De rechtbank heeft terecht overwogen dat ter beoordeling staat of
                        in dit geval optreden zo spoedeisend was dat toepassing mocht worden gegeven
                        aan artikel 5:24, zesde lid, Awb. Zij is terecht en op goede gronden tot het
                        oordeel gekomen dat de vereiste spoed zich er tegen verzette de beslissing
                        tot bestuursdwang tevoren op schrift te stellen en appellant een termijn te
                        gunnen om zelf zijn fiets te verwijderen. De Afdeling kan zich vinden in wat
                        de rechtbank hieromtrent heeft overwogen, namelijk dat dagelijks door
                        fietsers en voetgangers intensief gebruik wordt gemaakt van het
                        stationsgebied en dat het plaatsen van fietsen buiten de daartoe aangewezen
                        plaatsen de vrije doorgang kan belemmeren, hetgeen tot overlast en
                        gevaarlijke situaties kan leiden en het onjuist plaatsen van andere fietsen
                        kan uitlokken. </al><al/><al><onderstreept>Artikel 2:8 Voorwerpen die als
                            wapen kunnen worden gebruikt</onderstreept></al><al>In de gemeente worden jaarlijks grootschalige evenementen georganiseerd,
                        waarbij duizenden bezoekers aanwezig zijn. Met het oog op het ordelijk
                        verloop daarvan en het uitvoeren van adequaat toezicht is het gewenst
                        risico's te voorkomen of beperken. Met het oog daarop is verboden dat het
                        publiek voorwerpen bij zich heeft die als wapen kunnen worden gebruikt.
                        Daarnaast moet worden voorkomen dat bezoekers voorwerpen meenemen die als
                        projectiel kunnen worden gebruikt. Daarom is het verboden naast messen,
                        knuppels en slagwapens ook blikjes, glaswerk, glazen en hardplastic flessen
                        bij zich te hebben. Het is daarbij niet relevant of in de blikjes e.d.
                        alcoholhoudende drank of alcoholvrije drank zit. Het effect van het gooien
                        van een gevuld blikje of een gevulde fles, los van de inhoud, is hetzelfde,
                        namelijk dat daardoor reële schade kan ontstaan aan personen en zaken.
                        </al><al/><al><onderstreept>Artikel 2:9 Winkelwagentjes</onderstreept></al><al>Deze bepaling bestrijdt het “zwerfkarrenprobleem” door winkelbedrijven te
                        verplichten achtergelaten winkelwagentjes terstond te verwijderen en op deze
                        winkelwagentjes een herkenningsteken aan te brengen. Een andere aanpak van
                        het probleem is via een statiegeldsysteem op het gebruik van
                        winkelwagentjes. De consument kan een wagentje pas gebruiken met
                        bijvoorbeeld een munt van 50 eurocent. Dit leidt niet altijd tot het
                        gewenste resultaat. Om die reden is in de APV in artikel 2:9, tweede lid,
                        een verbod jegens de burger opgenomen. </al><al/><al><cursief>Jurisprudentie</cursief></al><al>- Is een winkelbedrijf vergunningplichtig op basis van de milieuregelgeving,
                        dan kunnen voorschriften met betrekking tot winkelwagentjes worden verbonden
                        aan de milieuvergunning. KB 12 6 1985, WO RvS 1985, nr. V 60 en Gst. 6802,
                        10 (Haarlem).</al><al>- De algemene voorwaarden die aan de ontheffing inzake gebruik van
                        winkelwagentjes worden verbonden, bevatten o.a. een verplichting de
                        wagentjes uit te rusten met een muntmechanisme. Dit beleid is niet op zich
                        zelf zodanig onjuist of onredelijk te achten dat reeds daarom een
                        onevenredig nadeel voor verzoekster aanwezig moet worden geacht. De bedoelde
                        voorwaarde strekt er onmiskenbaar toe de van rondslingerende winkelwagentjes
                        ondervonden overlast te beperken. Wnd Vz.ARRS, 01 12 1981, OB 44127,
                        III.2.2.7, nr. 49; NG 1982, nr. 7, p. 103 e.v., ARRS 17 06 1983, AB 1983,
                        511 m.nt. JHvdV (APV Weert). </al><al/><al><onderstreept>Artikel 2:10 Verbod rijden met skateboards e.d.</onderstreept>
                        Het artikel beoogt hinder en overlast te voorkomen voor het winkelend en
                        wandelend publiek in het aangegeven (winkel-)gebied. De veiligheid van de
                        weg kan eveneens worden aantast door met skateboards vergelijkbare objecten
                        zoals skeelers, rollerskates en in-lineskates. De praktijk wijst uit dat
                        gebruikers ervan een flinke snelheid weten te ontwikkelen, maar slechts
                        zelden adequaat kunnen afremmen ter voorkoming van gevaar voor
                        mede-weggebruikers. Op plekken waar zich veel voetgangers bevinden, zoals
                        het kernwinkelgebied of de boulevards, is dit onwenselijk. De beoefenaars
                        van deze sporten kunnen buiten de aangewezen gebieden naar onze mening
                        voldoende aan hun trekken komen. </al><al/><al><onderstreept>Artikel 2:11 Openen straatkolken e.d.</onderstreept> Deze
                        bepaling spreekt voor zich. </al><al/><al><onderstreept>Artikel 2:12 Rookverbod in bossen en
                            natuurterreinen</onderstreept></al><al>Het verbod heeft tot doel bosbranden te voorkomen en beschadiging van
                        eigendommen tegen te gaan. Het verbod kan niet zover strekken dat het roken
                        in de gebouwen en in de bijbehorende tuinen die in een bos of natuurgebied
                        liggen, niet meer mogelijk is. <cursief>Afbakening</cursief>: In artikel
                        429, aanhef en onder 3, van het Wetboek van Strafrecht is bepaald: Met
                        hechtenis van ten hoogste veertien dagen of geldboete van de tweede
                        categorie wordt gestraft: hij die door gebrek aan de nodige omzichtigheid of
                        voorzorg gevaar voor bos-, heide-, helm-, gras- of veenbrand doet ontstaan. </al><al/><al><onderstreept>Artikelen 2:13 en 2:14 Verontreiniging door rij- en
                            trekdieren</onderstreept></al><al>De veiligheid van de weg kan in gevaar worden gebracht door uitwerpselen van
                        rij- en trekdieren. In de praktijk blijkt, en dat zal niemand verbazen, dat
                        vooral weggebruikers in de omgeving van een manege daar hinder van
                        ondervinden. In de praktijk blijkt bijvoorbeeld dat de route van een manege
                        of stal naar een nabij gelegen ruiterpad of in de periode van 15 september
                        tot 15 april de route naar het strand aanzienlijk wordt bevuild. Dit kan tot
                        gevaarlijke situaties leiden wanneer weggebruikers deze uitwerpselen
                        trachten te ontwijken. De motivering om dit gebod op te nemen betreft de
                        veiligheid van het verkeer en kan worden aangemerkt als een aanvulling op de
                        wegenverkeerswetgeving. Maar ook ruiters met privé stallen, schuren of
                        weilanden binnen of buiten het grondgebied van de gemeente Vlissingen rijden
                        hier. Het verbod om zich met een rij- of trekdier op het strand te begeven
                        of te bevinden is opgenomen in artikel 5:30, tweede lid, APV
                        </al><al/><al><onderstreept>Artikel 2:15 Voorzieningen voor verkeer en
                            verlichting</onderstreept> De in het derde lid genoemde uitzonderingen
                        hebben betrekking op situaties waarbij het desbetreffende specifieke belang,
                        waterstaatswerken, verkeerslichtinstallatie, trafohuisjes en dergelijke,
                        zich verzetten tegen het aanbrengen van allerlei voorzieningen daarop. In
                        beginsel biedt de Belemmeringenwet privaatrecht het kader om op het
                        eigendomsrecht van anderen inbreuk te maken. De Belemmeringenwet is echter
                        in haar toepassing bedoeld voor zodanige inbreuken op dat eigendomsrecht
                        waardoor het gebruik van de desbetreffende onroerend zaak al dan niet
                        tijdelijk beperkt wordt. Wanneer daarvan sprake is kan niet een gedoogplicht
                        op grond van het onderhavige artikel geconstrueerd worden. Deze gedoogplicht
                        is alleen dan aanwezig wanneer de voorwerpen, borden of voorzieningen ten
                        behoeve van het openbaar verkeer of de openbare verlichting het
                        gebruiksrecht van de eigenaar niet aantasten. </al><al/><al><onderstreept>Artikel 2:15a Overhangend groen</onderstreept></al><al>De gemeente krijgt veel meldingen over planten, struiken en bomen in
                        particuliere tuinen die over de erfgrens groeien en dus boven de openbare
                        weg hangen. Vooral de wat oudere voetgangers en mensen in invalidenwagens
                        ondervinden hinder van overhangend groen omdat bijv. het troittoir daardoor
                        smaller wordt. Ook voor andere weggebruikers kunnen gevaarlijke situaties
                        ontstaan wanneer overhangende takken en struiken het vrije uitzicht
                        belemmeren, bijv. bij splitsingen en kruisingen van wegen. Vanwege de hinder
                        en het gevaar dat overhangend groen veroorzaakt en vanwege de
                        verkeersveiligheid die in het geding is is artikel 2:15a in de APV
                        opgenomen. </al><al/><al/></divisie><divisie><kop><label>Afdeling</label><nr>6.</nr><titel>Evenementen</titel></kop><al><onderstreept>Artikel 2:16 Evenementenvergunning</onderstreept></al><al>Evenementen vervullen een belangrijke functie in de gemeenten. Er worden
                        verschillende evenementen georganiseerd, grootschalig, met uitstraling voor
                        bijv. de hele stad, middelgroot of kleinschalig, bijvoorbeeld beperkt tot de
                        eigen straat. Voor een goed verloop van een evenement moeten verschillende
                        belangen worden afgewogen en duidelijke afspraken met de organisator worden
                        gemaakt. Volgens de Europese Dienstenrichtlijn is in beginsel een
                        vergunningstelsel geoorloofd. De lidstaten mogen de toegang tot de
                        uitoefening van een dienstenactiviteit niet afhankelijk stellen van een
                        vergunning tenzij: </al><al>1. de vergunning niet discriminatoir is, </al><al>2. het vergunningstelsel gerechtvaardigd is om een dwingende reden van
                        algemeen belang (noodzaakvereiste), en </al><al>3. het nagestreefde doel niet door een minder beperkende maatregel kan
                        worden bereikt, met name omdat controle achteraf te laat zou komen om
                        werkelijk doeltreffend te zijn (proportionaliteitsvereiste). </al><al/><al>Bij het beoordelen van een aanvraag wordt gekeken of de vergunning al dan
                        niet geweigerd wordt aan de hand van de in artikel 1:8 genoemde criteria.
                        Het aantal personen dat aanwezig is, moet lokaal worden vastgesteld. Dit kan
                        gebeuren in samenspraak met politie en/of hulpdiensten zoals de brandweer en
                        de ambulancedienst. Eveneens wordt de tijd gedurende welke het evenement
                        plaats vindt lokaal vastgesteld. Voor het houden van een straatfeest of
                        barbecue is impliciet lawaai toegestaan. De gemeenteraad dient wel de
                        afweging te maken tussen de sociale cohesie van de buurt en de overlast die
                        het geluid kan hebben voor de overige buurtbewoners. Tussen 23.00 uur en
                        07.00 uur moet het stil zijn. Muziek omvat zowel onversterkte als versterkte
                        muziek omdat beide vormen van geluid onaanvaardbare hinder kunnen
                        veroorzaken voor buurtbewoners.</al><al/><al>Zodra een rijbaan, fiets/bromfietspad of parkeergelegenheid wordt afgezet
                        voor een evenement is tenminste een tijdelijke verkeersmaatregel nodig,
                        genomen door het college. Deze bevoegdheid kan overigens krachtens artikel
                        168 van de Gemeentewet gemandateerd worden aan de burgemeester. Als het
                        evenement plaats vindt op het trottoir dan wordt rekening gehouden met
                        voldoende doorloopruimte voor passanten. Als richtlijn wordt hierbij 1.50 cm
                        aangehouden. Het gaat vooral om het ongehinderd kunnen passeren van
                        invaliden, kinderwagens etc. Met betrekking tot de hoofdroute van de
                        brandweer is het belangrijk dat er een lijst wordt opgesteld met: doorgaande
                        wegen, wegen en terreinen met een bijzondere bestemming (markt),
                        evenemententerreinen en routes van de operationele diensten (brandweer,
                        ambulance etc.) Locaties waar barbecues/straatfeesten kunnen worden
                        gehouden, zijn: parken, plantsoenen, pleintjes, grasveldjes, sportveldjes,
                        e.d. </al><al/><al>Het is de verantwoordelijkheid van de organisator om zich tijdig over de
                        regels te informeren zodat hij niet met termijnen in problemen komt. De
                        organisator kan een natuurlijk persoon of rechtspersoon zijn. </al><al/><al>De Drank- en Horecawet bepaalt dat er geen vergunning of ontheffing nodig is
                        als: a. er een besloten feest wordt gehouden, waar b. geen entree wordt
                        gevraagd en waar c. gratis alcohol wordt geschonken. Er moet dan wel voldaan
                        worden alle drie vereisten. Wanneer sprake is van het vragen en betalen van
                        een vaste bijdrage impliceert dit dat er sprake is van het anders dan om
                        niet verstrekken van alcoholische drank (artikel 1 jo. 3 Drank en Horecawet, </al><al/><al>Uitspraak Hoge Raad van 10 februari 1987, N.J. 1987, nr. 836). In
                        laatstgenoemde geval kan de burgemeester op grond van artikel 35 van de
                        Drank- en Horecawet voor het eendaagse evenement een ontheffing verlenen. </al><al/><al>Bij toepasselijkheid van de Dienstenrichtlijn is het een vereiste om de
                        meldingplichtige een ontvangstbevestiging te sturen. Daarin wordt vermeld
                        dat het evenement mag plaats vinden, indien de burgemeester niet binnen een
                        bepaalde termijn reageert. Er kan aanleiding zijn om het organiseren van een
                        klein evenement te verbieden. Dit is alleen mogelijk, als de openbare orde,
                        de openbare veiligheid, de volksgezondheid of het milieu in gevaar komt. De
                        criteria van de Dienstenrichtlijn zijn namelijk van toepassing op een
                        melding, omdat de Dienstenrichtlijn een melding beschouwt als een
                        vergunning. </al><al/><al><cursief>Lex silencio positivo: </cursief>Deze vergunning ziet op
                        evenementen op of aan de weg of het openbaar water [artikel 2:16] Daarbij is
                        een lex silencio positivo niet wenselijk, gezien de impact die een groot
                        evenement kan hebben, met name op de openbare orde. Ook vragen vele aspecten
                        van een groot evenement, zoals brandveiligheid, geluid, aanvoer, afvoer en
                        parkeren van bezoekers, om maatwerk dat alleen een inhoudelijke
                        vergunningsbeschikking kan bieden. Er zijn derhalve verschillende dwingende
                        redenen van algemeen belang, met name de openbare orde, openbare veiligheid
                        en milieu om van een Lex silencio positivo af te zien. Paragraaf 4.1.3.3.
                        Awb wordt niet van toepassing verklaard. </al><al/><al><cursief>Niet onder de werking van artikel 2:16 vallen de volgende
                            zaken.</cursief></al><al>a. Bioscoopvoorstellingen: deze voorstellingen worden niet als evenement
                        aangemerkt.</al><al>b. Waren- en snuffelmarkten: het college heeft op grond van artikel 160,
                        eerste lid, aanhef en onder h, van de Gemeentewet een weekmarkt ingesteld en
                        de gemeenteraad heeft hiervoor regels vastgesteld in de Marktverordening.
                        Uitgebreide informatie over markten is te vinden in de Marktverordening . De
                        Wet op de kansspelen kent een eigen toezichtregime.</al><al>c. Dansen in een horeca-inrichting is uitgezonderd van het evenementenbegrip
                        omdat dit in het algemeen niet als een evenement kan worden gezien. Een
                        andere, meer incidenteel plaatsvindende activiteit dan het gelegenheid geven
                        tot dansen (bijv. het optreden van een band, een houseparty, of een
                        kooigevecht) kan wel als evenement worden aangemerkt. Zie Lbr 92/78. Zie
                        verder hieronder onder feest.</al><al>d. Betogingen, samenkomsten en vergaderingen zijn al geregeld in de Wom. Zie
                        voor een toelichting op de Wom onder artikel 2:3.</al><al>e. Van de evenementenbepaling zijn uitgezonderd straatartiest (artikel 2:4)
                        en speelgelegenheden (artikel 2:43). Dit gebeurt uiteraard om dubbele
                        regelgeving te voorkomen.</al><al/><al><cursief>Rol van de burgemeester en de raad</cursief></al><al>De bevoegdheid van de burgemeester in het kader van het toezicht op
                        evenementen stoelt op artikel 174 Gemeentewet. In het derde lid van dit
                        artikel is aangegeven dat de burgemeester belast is met de uitvoering van
                        verordeningen voor zover deze betrekking hebben op het toezicht op de
                        openbare samenkomsten en vermakelijkheden alsmede op de voor het publiek
                        openstaande gebouwen en daarbij behorende erven. Het begrip “toezicht” is
                        ruimer dan alleen de handhaving van de openbare orde. Het gaat hier ook om
                        de bescherming van de gezondheid en de veiligheid van de burger in
                        incidentele gevallen en op bepaalde plaatsen. Indien de burgemeester de
                        uitvoering van zijn toezichthoudende taak wil overlaten aan ambtenaren dan
                        kunnen deze bevoegdheden worden gemandateerd overeenkomstig afdeling 10.1.1.
                        Awb. </al><al/><al>Het is ook de bevoegdheid van de burgemeester het beleid ten aanzien van
                        voorschriften met betrekking tot de evenementenvergunning vast te stellen.
                        Wanneer de burgemeester voornemens is een evenement te verbieden, is het
                        zaak dat dit van een goede motivering is voorzien. De raad is sinds de
                        dualisering niet langer bevoegd om beleidsregels vast te stellen. Dit neemt
                        niet weg dat de raad de burgemeester kan aanspreken op zijn beleid bij de
                        uitoefening van zijn bestuursbevoegdheden (artikelen 169 en 180
                        Gemeentewet).Bovendien kan de raad op grond van haar kaderstellende
                        bevoegdheid (artikel 147 Gemeentewet) aangeven dat het wenselijk is dat de
                        gemeente actief is met het aantrekken van evenementen in de gemeente,
                        bijvoorbeeld het binnenhalen van minimaal één groot landelijk evenement per
                        jaar. </al><al/><al><cursief>Verificatieplicht Vreemdelingenwet 2000</cursief></al><al>In het kader van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) dient bij de aanvraag om
                        een vergunning een verblijfsrechtelijke toets plaats te vinden alvorens tot
                        vergunningverlening wordt overgegaan. Artikel 9, tweede lid, van de Vw 2000
                        schept een verplichting om desgevraagd bij een aanvraag voor een beschikking
                        anders dan op grond van de Vw 2000, een document te overleggen waaruit het
                        rechtmatige verblijf blijkt. Zie voor overige informatie over dit onderwerp
                        onder het kopje Vreemdelingen onder de Algemene toelichting. </al><al/><al><cursief>Aansprakelijkheid</cursief></al><al>Vergunninghouder/organisator. Voorop staat dat de vergunninghouder of de
                        organisator zelf, of degene die bijvoorbeeld tijdens een evenement een
                        gevaar in het leven roept dat zich vervolgens verwezenlijkt, primair
                        aansprakelijk kan worden gesteld voor daardoor veroorzaakte schade. Het
                        arrest Vermeulen/Lekkerkerker (HR 10 maart 1972, NJ 1972, 278) is van
                        overeenkomstige toepassing op de houder van de evenementenvergunning. De
                        Hoge Raad oordeelt in dat arrest dat het feit dat een Hinderwetvergunning
                        (nu: Wet milieubeheer) is verleend, nog niet betekent dat eigenaren van
                        naburige erven schade en hinder, welke zij in het algemeen niet behoeven te
                        dulden, wel zouden moeten verdragen van een vergunninghouder. Een dergelijke
                        vergunning vrijwaart de vergunninghouder volgens de Hoge Raad dan ook niet
                        voor zijn aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad, ook niet als door de
                        desbetreffende eigenaar tegen verlening van de vergunning tevoren bezwaren
                        zijn ingebracht, maar deze bezwaren zijn verworpen. </al><al/><al><cursief>Toezicht houden</cursief></al><al>Mr. V.H. Affourtit gaat in het tijdschrift “Risicobewust” onder andere in op
                        de aansprakelijkheid voor toezichtsfalen (Aansprakelijkheid van gemeenten
                        bij evenementen, Tijdschrift Risicobewust, nr. 4, november 2003). Kort
                        samengevat komt zijn artikel op het volgende neer.Voor het houden van
                        toezicht op evenementen bestaan op zichzelf geen heldere regels bij
                        overtreding waarvan de aansprakelijkheid eenvoudig kan worden vastgesteld.
                        De grondslag voor aansprakelijkheid moet dan ook worden gezocht in artikel
                        6:162 BW en de door het zogenaamde Kelderluikarrest (HR 5 november 1965, NJ
                        1966, 136) ingevulde ongeschreven zorgvuldigheidsnorm. Op basis daarvan is
                        een afweging nodig van de mate van waarschijnlijkheid waarmee
                        niet-inachtneming van de vereiste oplettendheid en voorzichtigheid kan
                        worden verwacht, de hoegrootheid van de kans dat daaruit ongevallen
                        ontstaan, de ernst die de gevolgen daarvan kunnen hebben, en de mate van
                        bezwaarlijkheid van te nemen veiligheidsmaatregelen. Door dit laatste
                        criterium komt de toezichthouder een zekere “beleidsvrijheid” toe. Dit
                        betekent dat niet van hem gevergd kan worden dat hij op alles waarop hij
                        toezicht uitoefent ook daadwerkelijk steeds toeziet, omdat zijn middelen
                        beperkt zijn. Het gaat er om dat de door de toezichthouder gemaakte keuzes
                        redelijk zijn.</al><al/><al>Affourtit trekt de volgende conclusies:</al><al>- Als een op deugdelijke wijze totstandgekomen vergunning eenmaal is
                        verleend, bestaat geen verplichting tot het houden van algemeen toezicht (HR
                        22 juni 2001, Gst. 2001, 7146, 2, Boeddha). Het nalaten om een dergelijk
                        toezicht te houden, zal dan ook niet snel tot aansprakelijkheid leiden.
                        Indien echter een geringe overtreding van een vergunningvoorschrift zeer
                        ernstige schade zou kunnen veroorzaken, ligt een algemene controleplicht
                        voor de hand.</al><al>- Als er concrete aanwijzingen bestaan van een op handen zijnde
                        wetschending, zoals het handelen zonder vergunning of het handelen in
                        afwijking van de vergunningvoorschriften, heeft het bestuursorgaan een
                        verplichting tot ingrijpen. Indien er sterke aanwijzingen zijn die bij het
                        bestuursorgaan het vermoeden van niet naleving (moeten) doen rijzen, is
                        actief toezicht en eventueel ingrijpen met gebruikmaking van bestaande
                        bevoegdheden vereist. Niets doen is dan spoedig een onrechtmatig nalaten. </al><al/><al>Als een overheidslichaam concreet wordt gewaarschuwd voor (dreigende)
                        schade, is het in ieder geval gehouden hiernaar een onderzoek in te stellen
                        (HR 8 januari 1999, NJ 1999, 319, Waterschap West-Friesland/Kaagman). </al><al/><al>Indien de gemeente aansprakelijk wordt gehouden in verband met het niet
                        voldoende houden van toezicht, zal vaak tevens de vergunninghouder of de
                        derde-schadeveroorzaker kunnen worden aangesproken. De in rechte
                        aangesproken gemeente kan een van beide of allebei in vrijwaring oproepen of
                        de schade in een aparte procedure (afhankelijk van de omstandigheden geheel
                        of gedeeltelijk) op hem/hen verhalen. </al><al/><al><cursief>Belastingheffing</cursief></al><al>Voor het behandelen van een aanvraag voor een vergunning voor het houden van
                        een evenement kunnen leges worden geheven. In de gemeentelijke
                        legesverordening kan hiervoor een tariefbepaling worden opgenomen. De
                        Legesverordening gemeente Vlissingen is gebaseerd op artikel 229, eerste
                        lid, aanhef en onder b, van de Gemeentewet. De tarieven in die verordening
                        worden zodanig vastgesteld dat de geraamde baten niet uitgaan boven de
                        geraamde lasten. De Dienstenrichtlijn bepaalt in artikel 13, tweede lid, dat
                        de kosten redelijk en evenredig met de kosten van de vergunningsprocedures
                        in kwestie moeten zijn; ze mogen de kosten van de procedures niet
                        overschrijden. Binnen deze grens van kostendekkendheid op
                        verordeningenniveau is het mogelijk tarieven te differentiëren als zich dat
                        beter verstaat met het gemeentelijke (evenementen)beleid. Zo zal de
                        behandeling van een vergunning voor een groot evenement meer werk en dus
                        kosten met zich brengen dan een kleinschalig evenement zoals een
                        straatfeest. Naast dit kostenaspect zal ook het profijt dat een organisator
                        van een groot evenement heeft van de evenementenvergunning groter zijn dan
                        het profijt van de organisator van een straatfeest. Veelal zal een groot
                        evenement ook door een professionele organisatie worden georganiseerd,
                        terwijl bijvoorbeeld een straatfeest door vrijwilligers wordt georganiseerd. </al><al/><al>Een en ander kan voor de gemeente aanleiding zijn tot beleidsuitgangspunt te
                        nemen dat de leges voor een vergunning voor een groot evenement hoger moet
                        zijn dan die voor een kleinschalig evenement. Of dat voor het kleinschalig
                        evenement helemaal geen leges worden geheven. Opmerking verdient dat de
                        tarieven niet naar het inkomen, de winst of het vermogen mogen worden
                        gedifferentieerd. </al><al/><al>Artikel 229, eerste lid, aanhef en onder c, van de Gemeentewet maakt het
                        mogelijk dat een vermakelijkheidsretributie geheven wordt voor evenementen.
                        Vereiste daarvoor is dat gebruik moet worden gemaakt van door of met
                        medewerking van de gemeente tot stand gebrachte of in stand gehouden
                        voorzieningen. Hieronder valt ook een bijzondere voorziening in de vorm van
                        toezicht. De gemeente moet derhalve (extra) kosten maken in verband met het
                        evenement. De gemeente hoeft de hoogte van de kosten niet aan te tonen. Het
                        is dus niet zonder meer mogelijk om de vermakelijkheidsretributie in het
                        leven te roepen op grond van het feit dat een organisator een gemeentelijke
                        weg gebruikt voor een evenement. Het gebruik van de weg moet zodanig zijn
                        dat de gemeente hierdoor extra onderhoudskosten heeft. </al><al/><al>Opmerking verdient dat de vermakelijkheidsretributie in een
                        belastingverordening moet worden geregeld. De reikwijdte van een dergelijke
                        verordening zal zich veelal ook uitstrekken tot andere “vermakelijkheden” in
                        de gemeente. De vermakelijkheidsretributie wordt geheven van degene die het
                        evenement organiseert. Vaak wordt de vermakelijkheidsretributie geheven als
                        een toegangsprijs voor een evenement moet worden betaald. Op die manier kan
                        de vermakelijkheidsretributie door de organisator in de toegangsprijs worden
                        opgenomen, zodat deze vrij eenvoudig aan de bezoekers doorberekend kan
                        worden. </al><al/><al>De burgemeester is bevoegd voorschriften te verbinden aan het houden van een
                        evenement. Voor de toelaatbaarheid van de voorschriften geldt een aantal
                        voorwaarden:</al><al>a. De voorschriften mogen niet in strijd zijn met enige wettelijke
                        regeling.</al><al>b. De voorschriften moeten redelijkerwijs nodig zijn in verband met het
                        voorkomen van aantasting van de openbare orde, openbare veiligheid en
                        volksgezondheid, zie de artikelen 1:4 en 1:8.</al><al>c. De voorschriften mogen niet in strijd komen met enig beginsel van
                        behoorlijk bestuur. </al><al/><al>Het is volgens de Afdeling bestuursrechtspraak aanvaardbaar dat de
                        burgemeester aan een evenementenvergunning alsnog nadere voorschriften stelt
                        en zich niet hoeft te beperken tot de voorschriften die voortvloeien uit de
                        aanvraag, of de voorschriften waarmee de aanvrager instemt. ABRS 28-04-2004,
                        inzake Rockbitch, LJN-nr AO8495. Niet nakoming van voorschriften die aan de
                        vergunning verbonden zijn kan grond opleveren voor intrekking van de
                        vergunning dan wel voor toepassing van andere administratieve sancties. In
                        artikel 1:6 is de intrekkingsbevoegdheid vastgelegd. Een doorlopende
                        vergunning is voor de evenementenvergunning niet aangewezen. Immers het
                        evenement loopt per definitie af. Hier verzet de aard van de vergunning zich
                        tegen een vergunning met onbeperkte duur. </al><al/><al><cursief>Privaatrechtelijke voorschriften</cursief></al><al>Het opnemen van privaatrechtelijke voorschriften in een vergunning is niet
                        mogelijk omdat een vergunning eenzijdig van karakter is. Dergelijke
                        voorschiften zouden niet kunnen worden afdwongen. Bovendien kan een
                        vergunning niet worden geweigerd indien de aanvrager niet voldoet aan de
                        privaatrechtelijke vereisten. </al><al/><al><cursief>Entreeheffing</cursief></al><al>Hennekes gaat in zijn opstel (Gst. 1998, 7076, p. 281-288) in op
                        de vraag of het heffen van entreegeld voor het bezoeken van een evenement al
                        dan niet geoorloofd is. Hij concludeert dat voor entree de organisator met
                        de bezoeker overeenkomt om tegen betaling van een bepaald bedrag het door de
                        organisator geboden evenement te mogen bezoeken. Het is dus de organisator
                        die bepaalt of er entree geheven wordt en zo ja, hoe hoog dat entreegeld zal
                        zijn. </al><al/><al><cursief>Evenementen en bestemmingsplan</cursief></al><al>Een vergunning voor een evenement kan niet geweigerd worden omdat het in
                        strijd is met een bestemmingsplan. Een aanvraag voor een
                        evenementenvergunning moet worden beoordeeld aan de hand van de belangen die
                        zijn opgenomen in de weigeringsgronden. Andersoortige belangen kunnen geen
                        zelfstandige weigeringsgrond opleveren, ABRS 29-03-2003, LJN-nr. AF8028. Dus
                        is strijd met het bestemmingsplan geen weigeringsgrond in de zin van de APV.
                        De Afdeling bestuursrechtspraak heeft echter met betrekking tot het houden
                        van terugkerende, meerdaagse evenementen geoordeeld dat bij evenementen die
                        naar omvang, duur en uitstraling een planologische relevantie hebben die in
                        strijd is met het bestemmingsplan, handhavend moet worden opgetreden. </al><al/><al>Een uitzondering vormen evenementen die eenmalig plaatsvinden of in elk
                        geval niet regelmatig worden herhaald. Artikel 17 Wro, bedoeld als
                        planologische vrijstelling voor tijdelijke activiteiten, kan hierop worden
                        toegepast. Evenementen die geen of slechts geringe planologische relevantie
                        hebben, kunnen eveneens gewoon plaatsvinden. Daarvoor is geen planologische
                        vrijstelling vereist. Voor deze evenementen is wel een evenementenvergunning
                        vereist op grond van de APV en eventuele andere toestemmingen of
                        ontheffingen voor muziek/geluidhinder, brandveiligheid enz. Het is daarom
                        van belang dat gemeenten naast de vergunningverlening erop toezien dat de
                        bestemmingsplannen voorzien in de te houden evenementen. ABRS 13-04-2005,
                        LJN-nr. AT3708 (Schuttersfeest Diepenheim, Hof van Twente), Gst. 2005, 7229,
                        m.nt. Teunissen; Rb Leeuwarden 27-07-2005, LJN-nr. AU0442 (Veenhoopfestival
                        Smallingerland).</al><al/><al><cursief>Evenementen op de openbare weg</cursief>Hennekens heeft in Gst,
                        1998, 7076, p. 281-288 een opstel geschreven met als titel Evenementen op de
                        openbare weg. Hij gaat uitgebreid in op de verhouding tussen het normale
                        gebruik van een openbare weg en het gebruik daarvan voor het houden van een
                        evenement. Eerst worden enkele opmerkingen gemaakt over de
                        evenementenvergunning als grondslag voor het besluit om een (gemeentelijke)
                        openbare weg af te sluiten voor het houden van een evenement. Hierna wordt
                        de vraag beantwoord wie bevoegd is om tot een dergelijke wegafsluiting te
                        besluiten en wat de gevolgen daarvan zijn. Daarbij wordt o.a. aandacht
                        besteed aan de openbaarheid van de weg en de regeling van wegafsluitingen in
                        en krachtens de Wegenverkeerswet 1994. </al><al/><al><cursief>Evenementen op het water</cursief></al><al>Indien bij een evenement onderdelen van de activiteiten op het water
                        plaatsvinden of indien de uitstraling van de activiteiten op het water voor
                        de openbare weg groot zijn moet de vergunningverlener bij de waterbeheerder
                        advies inwinnen over de voorwaarden waaronder een evenement nautisch gezien
                        verantwoord doorgang kan vinden. Er dient bijvoorbeeld nagegaan te worden of
                        afsluiting van waterwegen nodig zijn of dat er borden geplaatst moeten
                        worden. Het is ook verstandig om bij het waterschap na te gaan of er in de
                        Waterschapswet bepalingen zijn opgenomen inzake het houden van evenementen
                        op het water. De vergunningverlener vraagt daarnaast advies aan de
                        waterpolitie over de openbare orde en veiligheid. Voor partyboten moet de
                        organisator in ieder geval een evenementenvergunning aanvragen bij de
                        gemeente waar het schip aanlegt om de passagiers aan boord te laten gaan en
                        tevens een vergunning bij de gemeente waar het schip eindigt om de
                        passagiers van boord te laten. Voorts ook overal waar het schip tussentijds
                        aanlegt. </al><al/><al><cursief>Handhaving op het water</cursief></al><al>Voor de handhaving wordt onderscheid gemaakt tussen orde op het water en de
                        openbare orde. In beide gevallen kan de politie handhavend optreden,
                        bijvoorbeeld bij geluidsoverlast of openbare dronkenschap. De regels over de
                        orde op het water en de openbare orde worden vastgelegd in de APV, het
                        Binnenvaartpolitiereglement, een provinciale waterverordening, en de
                        Scheepvaartverkeerswet. </al><al/><al><cursief>Evenementen met dieren</cursief></al><al>In opdracht van de dierenbescherming heeft SGBO, het onderzoeks- en
                        adviesbureau van de VNG, een rapport opgesteld waarin een overzicht wordt
                        gegeven van de wet- en regelgeving op het gebied van dierenwelzijn en de
                        daaruit voortvloeiende verplichtingen en bevoegdheden voor provincies en
                        gemeenten (SGBO, “Dierwelzijn in provincie en gemeente, het juridisch
                        kader”, 2003). Het volgende is aan dit rapport ontleend. </al><al/><al>De discussie over de aanvaarbaarheid van evenementen met dieren splitst zich
                        toe op twee soorten evenementen:</al><al>- circussen waar dieren optreden;</al><al>- folkloristische evenementen en wedstrijden met dieren, zoals zwijntje
                        tikken of gansslaan.</al><al>Gemeenten zijn bij de besluitvorming over het toelaten van evenementen met
                        dieren gebonden aan een juridisch kader dat wordt gevormd door de
                        evenementenregeling in de APV en de voorschriften in de Gezondheids- en
                        welzijnswet voor dieren (GWWD).Hoewel dierwelzijn in de APV geen aparte
                        weigeringsgrond is, kan uit diverse rechterlijke uitspraken worden afgeleid
                        dat gemeenten de mogelijkheid hebben om evenementen met dieren (mede) te
                        beoordelen op dierwelzijnsaspecten. Gemeenten kunnen in de volgende twee
                        situaties een vergunning voor het organiseren van evenementen met dieren
                        weigeren:</al><al>1. als er sprake is van dierenmishandeling (in dat geval kan er een beroep
                        worden gedaan op het openbare-ordemotief);</al><al>2. als de dieren op een weinig respectvolle wijze worden behandeld (in die
                        situatie vormt het zedelijkheidsmotief de weigeringsgrond).Een uittreksel
                        waarin de belangrijkste juridische instrumenten en mogelijkheden worden
                        besproken vindt u terug op het VNG-net (www.vng.nl/juridsche
                        zaken/APV/publicaties). </al><al/><al><cursief>Evenementen en Vuurwerk</cursief>Bij evenementen wordt regelmatig
                        (professioneel) vuurwerk afgestoken. Het bedrijf dat de ontbranding verzorgt
                        moet bij de provincie Zeeland een vergunning aanvragen. Op grond van het
                        Vuurwerkbesluit stelt de provincie onder meer regels over de opslag van het
                        vuurwerk en de afstand bij het afsteken tot het publiek. De politie stemt
                        met de ontbrander de vervoersroute af. De provincie neemt contact op met de
                        gemeente voor de door de gemeente af te geven verklaring van geen bezwaar.
                        De gemeente kan hier aanvullende regels stellen in het kader van de openbare
                        orde en veiligheid. Voor het afsteken van maximaal 10 kg theatervuurwerk of
                        100 kg. Van consumentenvuurwerk moet het ontbrandingsbedrijf ten minste tien
                        werkdagen vóór het evenement plaatsvindt melding doen bij gedeputeerde
                        staten van Zeeland. Dit geldt zowel voor het afsteken in de open lucht als
                        in een gebouw. Als het ontbrandingsbedrijf tijdens het evenement grotere
                        hoeveelheden theater en/of consumentenvuurwerk of ander professioneel
                        vuurwerk wil ontsteken, dan dient het bedrijf hiervoor 14 weken van tevoren
                        een vergunning aan te vragen bij de provincie. </al><al/><al><cursief>Lasershows</cursief></al><al>Steeds vaker worden grote buitenluchtevenementen omlijst door spectaculaire
                        lasershows al dan niet begeleid door muziek. Krachtige lasers produceren
                        teksten of figuren in de lucht of op wolken. Deze lasershows zijn
                        spectaculair om te zien maar kunnen ook tot op grote afstand invloed hebben
                        op vliegtuigoperaties. Dit laatste is niet zonder risico’s. Voor het geven
                        van een vergunning voor een lasershow moet daarom goedkeuring van de
                        Inspectie Verkeer en Waterstaat, divisie Luchtvaart worden verkregen. </al><al/><al><cursief>Inspectie Verkeer en Waterstaat</cursief></al><al>Gemeenten die toestemming geven voor lasershows dienen vooraf aan het
                        afgeven van de vergunning contact op te nemen met de Inspectie Verkeer en
                        Waterstaat, divisie Luchtvaart (de Inspectie). Zij beoordeelt of een
                        lasershow kan worden toegestaan en onder welke voorwaarden. Bij de
                        beoordeling kijkt de Inspectie naar de voorgestelde locatie van een show,
                        het type gebruikte laser en een aantal andere gegevens. Dit zijn de
                        parameters die dienen als invoergegevens voor een computerprogramma waarmee
                        wordt bepaald of de ligging van de showlocatie ten opzichte van een
                        luchthaven zodanig is dat de veiligheid gewaarborgd kan worden. Rondom ieder
                        luchthaven bevinden zich een drietal concentrisch gelegen gebieden waarbij
                        op grotere afstand van een luchthaven de energiebundels van een lasershow
                        steeds krachtiger mogen zijn. Soms kan het nodig zijn om voorwaarden te
                        stellen in andere gevallen hoeven geen beperkingen opgelegd te worden.
                        Indien nodig worden luchtvarenden en andere organisaties zoals de
                        luchtverkeersleiding speciaal door de Inspectie geïnformeerd.</al><al/><al>Gemeenten die het verzoek krijgen een vergunning af te geven voor een
                        laserevenement kunnen contact op nemen met de divisie Luchtvaart. De unit
                        Infrastructuur en de unit Handhaving van de divisie zijn verantwoordelijk
                        voor de vergunningverlening en het toezicht met betrekking tot luchthavens
                        en het luchtruim en zijn het aanspreekpunt. Informatie vindt u op het
                        VNG-net (www.vng.nl/juridische zaken/APV/publicaties). Meer informatie 023 -
                        566 31 88 ( Divisie luchtvaart unit infrastructuur).</al><al/><al><cursief>Toezicht en handhaven van de openbare orde</cursief></al><al>Bij verstoring van de openbare orde of bij ernstige vrees daarvan is de
                        burgemeester op grond van artikel 172, derde lid, van de Gemeentewet bevoegd
                        bevelen te geven die hij noodzakelijk acht voor de handhaving van de
                        openbare orde. Om de veiligheid te garanderen van bezoekers neemt de
                        burgemeester voorschriften op in de evenementenvergunning waaraan de
                        organisator zich moet houden. De politie is in beginsel terughoudend in haar
                        optreden bij evenementen. De driehoek, bestaande uit de burgemeester, de
                        hoofdofficier van Justitie en de korpschef van politie, bepaalt welke
                        beleids- en tolerantiegrenzen tijdens een (risico) evenement wordt
                        gehanteerd. Deze grenzen geven aan of en hoe de politie namens het bevoegde
                        gezag in algemene en specifieke situaties zal optreden, zoals in het geval
                        van drugsbezit, zwarte kaartverkoop en dreigende openbare
                        ordeverstoringen.</al><al/><al><cursief>Beveiliging</cursief></al><al>De vergunninghouder is primair verantwoordelijk voor de orde en de
                        veiligheid van de bezoekers op het evenemententerrein. Hij moet daarom
                        zorgen dat er voldoende toezicht is. Afhankelijk van de aard van het
                        evenement kunnen vrijwilligers dit toezicht uitoefenen, of huurt de
                        organisator een (door het ministerie van justitie erkend) professioneel
                        beveiligingsbedrijf in. De burgemeester kan bepalen dat het
                        beveiligingsbedrijf in samenspraak met de politie een beveiligingsplan
                        opstelt. Bij grote evenementen wordt- naast het bevoegde
                        beveiligingspersoneel van de evenementenorganisatie- doorgaans ook (extra)
                        politie ingezet om de orde op en rond het evenemententerrein te bewaken en
                        hulp te verlenen aan het festivalpubliek.</al><al/><al>Over het opnemen van voorschriften in de evenementenvergunning met
                        betrekking tot professionele beveiligingsbeambten, oordeelt de Afdeling
                        bestuursrechtspraak dat de burgemeester van Tubbergen voldoende had
                        gemotiveerd waarom hij professionele begeleiding van het Pinksterfeest nodig
                        achtte. ABRS 07-04-2004, LJN-nr. AO7140.</al><al/><al><cursief>Vierde lid, onder k:</cursief></al><al>Met ingang van 1 januari 2006 zijn de wettelijke bepalingen met betrekking
                        tot de verzekering van verkeersregelaars vervallen (artikelen 7 en 7a
                        Regeling verkeersregelaars en Regeling verkeersbrigadiers). De verzekering
                        voor personen- of zaakschade diende te worden afgesloten bij 3VO. De
                        gemeente acht het noodzakelijk dat verkeersregelaars toch adequaat verzekerd
                        zijn bij het uitoefenen van hun werkzaamheden tijdens een evenement, te
                        denken valt o.m. aan wandeltochten en fietswedstrijden. De verkeersregelaar
                        voert zijn taak uit in opdracht van een natuurlijke of rechtspersoon
                        (organisator van het evenement). </al><al>Ingevolge het Burgerlijk Wetboek is de opdrachtgever aansprakelijk voor de
                        schade die de verkeersregelaar tijdens de uitoefening van zijn werkzaamheden
                        aan derden veroorzaakt of door derden aan hem worden toegebracht. Tegen die
                        risico's kan de opdrachtgever zich verzekeren. De gemeente acht het van
                        groot belang dat opdrachtgevers zich vergewissen van een adequate
                        verzekeringsdekking op het gebied van aansprakelijkheid in het algemeen en
                        van het dekkingsonderdeel van de werkgeversaansprakelijkheid in het
                        bijzonder. Wij achten het van belang bij het verlenen van een
                        evenementenvergunning de plicht tot verzekeren te kunnen opleggen danwel van
                        de aanvrager te verlangen dat hij aantoont adequaat te zijn verzekerd.</al><al/><al><cursief>Zesde lid</cursief></al><al>In het zesde lid is bepaald dat de burgemeester vrijstelling kan verlenen
                        voor door hem aan te wijzen categorieën evenementen. Dit kunnen evenementen
                        zijn waarbij geen gevaar is voor overlast of verstoring van de openbare
                        orde. Het gaat bijv. om barbecues, straatfeesten en wielerconcours.
                        Vrijstelling leidt tot minder lasten voor burgers en bedrijven. De gemeente
                        zal daarover beleid formuleren. Er is niet gekozen voor een meldingstelsel,
                        omdat dit geen juridisch kader biedt voor gedragsnormen en daarmee tevens de
                        rechtsbescherming van zowel aanvrager als van derden niet zouden worden
                        gewaarborgd. Immers, dat Awb kent geen regeling voor meldingsstelsels. </al><al/><al><cursief>Herdenkingsplechtigheid</cursief></al><al>Omdat een herdenkingsplechtigheid doorgaans wel voor publiek toegankelijk
                        is, maar uiteraard niet als een verrichting van vermaak kan worden
                        aangemerkt, wordt ze als evenement genoemd.</al><al/><al><cursief>Braderie</cursief></al><al>Omdat een braderie van korte duur is en niet met een bepaalde regelmaat
                        terugkeert, kan deze activiteit niet als jaarmarkt of gewone markt worden
                        aangemerkt in de zin van artikel 160 Gemeentewet (Vz. ARRS 27-05-1992, JG
                        93.0002). Tevens valt deze activiteit niet aan te merken als een
                        snuffelmarkt. Omdat een braderie een voor publiek toegankelijke verrichting
                        van vermaak is, is het een evenement.</al><al/><al><cursief>Optochten</cursief></al><al>Het houden van optochten, zoals carnavals- en Sinterklaasoptochten,
                        bloemencorso’s enz, die niet opgevat kunnen worden als een middel tot het
                        uiten van een mening of gedachten of gevoelens, valt niet onder de
                        bescherming van de Grondwet, het Europees verdrag tot bescherming van de
                        rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) of andere
                        internationale verdragen die de vrijheid van meningsuiting waarborgen.
                        Evenmin is hierop de Wet openbare manifestaties (Wom) van toepassing.</al><al/><al><cursief>Feest, muziek</cursief></al><al>Wanneer een feest voor publiek toegankelijk is, is er sprake van een
                        vergunningplichtige activiteit omdat het valt onder de reikwijdte van de
                        begripsomschrijving van artikel 2:16, eerste lid. Het feest kan als een voor
                        publiek toegankelijke verrichting van vermaak worden aangemerkt. Besloten
                        feesten daarentegen vallen niet onder de reikwijdte van de
                        evenementenbepaling omdat deze activiteit niet een voor het publiek
                        toegankelijke verrichting van vermaak is. Bijvoorbeeld bij het houden van
                        een bedrijfsfeest waar aan de hand van uitnodigingslijsten publiek aanwezig
                        is, is er geen sprake van een voor het publiek toegankelijke verrichting van
                        vermaak. Maar wanneer een feest een “besloten” karakter heeft en er
                        publiekelijk kaarten worden verkocht en/of reclame wordt gemaakt, is er
                        sprake van een evenement. De gemeente kan bij feesten waarvoor geen
                        vergunning nodig is, optreden wanneer deze bijvoorbeeld worden georganiseerd
                        in ruimten strijdig met het bestemmingsplan. Zie de uitspraak met betrekking
                        tot het verplicht handhavend optreden bij schuurfeesten. ABRS 02-04-1999,
                        Gst. 1999, 7103 m.nt. P.J.H.) Ook in het kader van de Wegenverkeerswet 1994
                        kan worden opgetreden in geval van parkeer- en verkeersoverlast.</al><al/><al>Feesten die gehouden worden in horecagelegenheden en niet behoren tot de
                        normale bedrijfsvoering (bijvoorbeeld een optreden van een bekende
                        diskjockey of een optreden van een bekende band) zijn op grond van artikel
                        2.2.2 (oud) vergunningplichtig. ABRS 11-01-2006, LJN-nr. AU9388
                        (Ghostship/Ghosthouse).</al><al/><al>Wanneer een feest al dan niet besloten “op of aan de weg” plaats vindt, is
                        dit een vergunningplichtige activiteit omdat het plaats vindt op doorgaans
                        voor publiek toegankelijk gebied. Het feit dat het feest besloten is, dus
                        niet voor publiek toegankelijk, doet daar niets aan af. Optreden van
                        muziekkorpsen, muziekbandjes, etc. die voor iedereen toegankelijk zijn
                        (zowel in een inrichting als in de buitenlucht) vallen onder de
                        vergunningplicht van artikel 2:16.</al><al/><al>Voorschriften met betrekking tot geluid in een inrichting zijn opgenomen in
                        het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer . De artikelen
                        4:2 en 4:3 van de APV geven het college de bevoegdheid om ontheffing te
                        verlenen voor geluidshinder in een inrichting.Voorschriften met betrekking tot geluid buiten een
                        inrichting kunnen op grond van artikel 4:6 van de APV in de vergunning
                        worden opgenomen.</al><al/><al><cursief>Wedstrijd op of aan de weg</cursief></al><al>Voor wedstrijden op of aan de weg is een vergunning van de burgemeester
                        vereist. </al><al/><al>Wedstrijden met voertuigen op wegen als bedoeld in artikel 1, eerste lid,
                        aanhef en onder b, van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW 1994) zijn op grond van
                        artikel 10, eerste lid, WVW 1994 verboden. Het eerste lid van artikel 148
                        WVW 1994 bepaalt echter dat van dat verbod ontheffing kan worden verleend.
                        Het verlenen van die ontheffing geschiedt:</al><al>a. voor wegen onder beheer van het Rijk, door de minister van Verkeer en
                        Waterstaat;</al><al>b. voor andere wegen, door gedeputeerde staten; in afwijking hiervan wordt
                        de ontheffing verleend door het college, indien de wegen waarvoor de
                        ontheffing wordt gevraagd, alle gelegen zijn binnen een gemeente.</al><al/><al>Artikel 1, onder a, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990
                        geeft aan wat onder voertuigen moet worden verstaan: fietsen, bromfietsen,
                        invalidenvoertuigen, motorvoertuigen, trams en wagens. Aan de ontheffing kan
                        het college voorschriften verbinden om binnen redelijke grenzen een veilig
                        verloop van de wedstrijd te waarborgen. Op basis van de WVW 1994 mogen ook
                        milieumotieven een rol spelen bij het reguleren van het verkeer. In artikel
                        2, tweede en derde lid, WVW 1994 worden onder meer de volgende motieven
                        worden genoemd:</al><al>- het voorkomen of beperken van door het verkeer veroorzaakte overlast,
                        hinder of schade;</al><al>- het voorkomen of beperken van door het verkeer veroorzaakte aantasting van
                        het karakter of van de functie van objecten of gebieden;</al><al>- het bevorderen van een doelmatig of zuinig energiegebruik. </al><al/><al>Wanneer een wedstrijd onder auspiciën van een sportbond plaatsvindt, zal
                        deze sportbond in veel gevallen zelf reglementen hebben opgesteld die de
                        organisator van de wedstrijd moet naleven. Het niet naleven kan
                        tuchtrechtelijke gevolgen voor de organisator hebben, bijvoorbeeld uit de
                        bond gezet worden. De veiligheidseisen die de sportbonden stellen, zijn
                        veelal voldoende om een veilig verloop van de wedstrijd mogelijk te maken.
                        Het college kan deze voorschriften van de sportbonden ook een
                        publiekrechtelijk karakter geven door ze als voorschriften in de vergunning
                        op te nemen. Als de organisator deze voorschriften vervolgens niet naleeft
                        en de sportbond zelf ook niet ingrijpt, kan uiteindelijk via een
                        administratiefrechtelijke sanctie het houden van die wedstrijd alsnog
                        verboden worden. </al><al/><al>Indien een wedstrijd wordt gehouden met voertuigen op wegen als bedoeld in
                        de Wegenverkeerswet 1994 dan is - naast artikel 10 juncto artikel 148
                        Wegenverkeerswet 1994 - artikel 2:16 van toepassing. De evenementenbepaling
                        is namelijk van een geheel andere orde dan de wedstrijdbepalingen uit de
                        Wegenverkeerswetgeving. De burgemeester kan op grond van andere motieven,
                        zoals openbare orde, veiligheid in het algemeen en zedelijkheid en
                        gezondheid, weigeren medewerking te verlenen aan het evenement, in casu de
                        wedstrijd op de openbare weg. In die zin is de evenementenbepaling
                        aanvullend op de westrijdbepalingen uit de Wegenverkeerswetgeving. Vindt
                        echter een wedstrijd met een motorvoertuig of bromfiets plaats op een
                        terrein dat niet behoort tot een weg als hier bedoeld, dan moet daarvoor een
                        vergunning verkregen zijn van de burgemeester op grond van artikel 2:16. Op
                        grond van artikel 2:16 geldt voor andere wedstrijden op of aan de weg
                        eveneens een vergunningplicht. Hierbij moet gedacht worden aan bijvoorbeeld
                        “vossenjachten”, droppings e.d. </al><al/><al><cursief>Klein evenement</cursief></al><al>Voor het organiseren van kleine evenementen zoals de barbecue en/of
                        straatfeest is in het kader van de vermindering van administratieve lasten
                        voor de burger gekozen voor een meldingsplicht. Een klein evenement valt
                        onder het begrip evenement, maar onder voorwaarden is er geen vergunning
                        vereist. In het derde lid is een klein evenement daarom gedefinieerd. Het
                        moet gaan om kleinschalige activiteiten die niet langer duren dan één dag en
                        die zich in de openbare ruimte afspelen met als doel vermaak en ontspanning
                        te bieden.</al><al/><al><cursief>Jurisprudentie</cursief></al><al>- Een limitatieve omschrijving van het begrip 'evenement' kan in de praktijk
                        tot problemen aanleiding geven. ARRS 12-08-1985, GS, 1986, 6805, 4</al><al>- Motorcrosswedstrijden op zondag. Trainingswedstrijden voor 13.00 uur.
                        Schending van de zondagsrust? Pres. Rb Utrecht 06-06-1995, JG 95.0316 m.nt.
                        A.B. Engberts, KG, 1995, 292.</al><al>- Vergunning voor houden van festivals. Ruime uitleg begrip ‘openbare orde’.
                        Pres. Rb Groningen 11-08-1995, GS, 1996, 7030,3 m.nt H.Ph.J.A.M.
                        Hennekens.</al><al>- Kooigevecht is niet een sportwedstrijd maar een evenement. Weigering
                        vergunning op grond van veiligheid van personen en de goede zeden. Pres. Rb
                        ‘s Hertogenbosch 14-02-1997, KG 1997, 106. In hoger beroep: Het is primair
                        aan de burgemeester om invulling te geven aan het begrip zedelijkheid als
                        bedoeld in de APV. Weigering op grond van zedelijkheid is toegestaan. Geen
                        sprake van gevaar voor veiligheid van personen. ABRS 25-08-2000, AB 2001,
                        337, JG 00.0205 m.nt. G.H.M. van der Horst, Gst. 2000, 7131, 3 m.nt. HH, JB
                        2000, 273.</al><al>- Houseparty in discotheek is vergunningsplichtig evenement, ABRS
                        11-01-2006, AB 2006, 53 . De burgemeester van Mill en Sint Hubert heeft een
                        last onder dwangsom aan een discotheek opgelegd ter voorkoming van een feest
                        dat de burgemeester kwalificeert als evenement als bedoeld in de APV. De
                        Afdeling overweegt dat het feest inderdaad is aan te merken als een
                        evenement. Samenhang van grootschaligheid, muziekstijl, het soort publiek en
                        de sluitingstijd (drie uur na de toegestane sluitingstijd) maken dat het
                        evenement niet tot de normale bedrijfsvoering van de inrichting behoort.
                        Feest niet door exploitant discotheek georganiseerd, maar door een derde.
                        Ervaring leert dat houseparty's vaak gepaard gaan met grootschalig
                        drugsgebruik en dat extra politie-inzet nodig is om de orde te handhaven,
                        terwijl niet het geval is op een reguliere avond in de discotheek.</al><al>- Het in het vooruitzicht stellen van een beloning in de vorm van prijzen
                        e.d. maakt de activiteit tot een wedstrijd. Rb Maastricht 15-02-1977, VR
                        1977, 91.</al><al>- Een limitatieve omschrijving van het begrip “evenement” kan in de praktijk
                        tot problemen aanleiding geven. ARRS 12-08-1985, Gst. 1986, 6805, 4.</al><al>- Het door geblinddoekte personen proberen om in aanwezigheid van publiek
                        met een sabel de hals van een van tevoren gedode gans af te slaan (zgn.
                        gansslaan) is een vertoning in de zin van artikel 39, lid 1 APV Eijsden. Dit
                        artikel is opgenomen in hoofdstuk III betreffende de openbare orde. Bij de
                        afweging van belangen met betrekking tot de vergunningverlening moet
                        derhalve in ieder geval het belang van de openbare orde worden betrokken. In
                        casu gegronde reden voor vrees voor verstoring van de openbare orde, in
                        aanmerking genomen de emoties rond het evenement en de escalatie daarvan.
                        ABRS 26-08-1987, AB 1988, 263. </al><al>- Het weigeren van een vergunning ten behoeve van het houden van
                        evangelisatie activiteiten op het Museumplein in Ede is toegestaan wegens
                        verstoring van de openbare orde en veiligheid. Vz.ARRS 06-08-1991, AB 1992,
                        53 m.nt. PJB, AA 1992, 10 m.nt. P.W.C. Akkermans, JG 92.0003 m.nt. L.J.J.
                        Rogier.</al><al>- Braderie is geen jaarmarkt of gewone markt. Vz. ARRS 27-05-1992, JG
                        93.0002.</al><al>- Motorcrosswedstrijden op zondag. Trainingswedstrijden voor 13.00 uur.
                        Schending van de zondagsrust? Pres. Rb Utrecht 06-06-1995, JG 95.0316 m.nt.
                        A.B. Engberts, KG 1995, 292.</al><al>- Vergunning voor houden van festivals. Ruime uitleg begrip “openbare orde”.
                        Pres. Rb Groningen 11-08-1995, Gst. 1996, 7030, 3 m.nt HH.</al><al>- Het toekennen van de bevoegdheid tot het verlenen van een
                        evenementenvergunning aan de burgemeester is niet in strijd met artikel 162
                        van de Gemeentewet. De Afdeling oordeelt dat een dergelijke
                        bevoegdheidstoekenning in lijn is met het bepaalde in artikel 174
                        Gemeentewet. Een stelsel waarbij voor een evenement een naar tijd en plaats
                        bepaalde algemene evenementenvergunning wordt afgegeven aan een organisator,
                        die binnen de in de vergunning aangegeven grenzen en voor de in de
                        vergunning al opgenomen activiteiten op privaatrechtelijke grondslag zonder
                        bemoeienis van de burgemeester overeenkomsten sluit, waarmee verder
                        invulling wordt gegeven aan het evenement, is toegestaan. “Koninginnenacht
                        Den Haag” ABRS 11-03-1999, H01.98.1109, JG 99.0129 m.nt. M. Geertsema.</al><al>- Gebruik perceel voor evenementen, o.a. schuurfeesten in strijd met de
                        bestemming. Dat evenementen elk slechts een of een enkele maal per jaar
                        worden georganiseerd, doet daar niet aan af. Slechts in bijzondere
                        omstandigheden afzien van handhavend optreden (op verzoek van
                        belanghebbende). ABRS 02-04-1999, Gst. 1999, 7103, 4 m.nt. P.J.H.</al><al>- Ingevolge artikel 174 van de Gemeentewet is de burgemeester - en niet het
                        college - bevoegd om geluidsvoorschriften op te nemen in de
                        evenementenvergunning. ABRS 13-12-1999, JG 00.0055 m.nt. M. Geertsema, Gst.
                        2000, 7116, 3 m.nt. HH.</al><al>- Met het oog op de bescherming van het belang van de openbare orde en
                        veiligheid kan de evenementenvergunning worden ingetrokken, omdat de
                        organisatie van het evenement onjuiste dan wel onvoldoende gegevens heeft
                        verstrekt ter verkrijging van de vergunning en omdat het evenement niet zal
                        worden georganiseerd volgens oorspronkelijke plannen. Rb. Groningen
                        21-01-2001, LJN-nr. AB1828.</al><al>- Burgemeester heeft in redelijkheid kunnen weigeren om permanente
                        verklaring van geen bezwaar te verlenen voor ballonopstijging van ander
                        terrein dan gemeentelijk evenemententerrein, nu het andere terrein niet
                        voldoet aan minimale afstandseisen in Besluit inrichting en gebruik niet
                        aangewezen luchtvaartterreinen. ABRS 11-07-2001, rolnr. 200003393/1.</al><al>- Organisatie van circus op plein met parkeerbestemming. er doen zich geen
                        weigeringsgronden voor op grond van artikel 2.1.5.1 (oud) en 2.2.2 (oud)APV.
                        Ook strijdigheid met het bestemmingsplan biedt geen grondslag voor weigering
                        vergunning. Pres. Rb Leeuwarden 06-09-2001, LJN-nr. AD3917.</al><al>- Terechte intrekking van een evenementenvergunning voor houden van
                        dansfestival wegens gevaar voor openbare orde en/of veiligheid. Ontbreken
                        van deskundigheid op het gebied van organiseren van evenement doet niet af
                        aan verwijtbaarheid van organisator. Kosten behoren tot normaal te achten
                        risicosfeer van organisator van evenement. ABRS 16-01-2002, rolnr.
                        200101384/1.</al><al>- Burgemeester heeft terecht vergunning geweigerd voor vechtsportevenement
                        wegens strijd met de zedelijkheid. Hij heeft zijn beoordelingsvrijheid niet
                        overschreden. In casu is er geen sprake van een regulier maatschappelijk
                        aanvaarde vechtsport. Rb Amsterdam 21-02-2003, AWB 03/1235/VEROR
                        031008.</al><al>- Vechtsportevenement is een evenement in de zin van de APV en vormt niet
                        zonder meer een inbreuk op de openbare orde en zedelijkheid. Rb Amsterdam
                        13-3-2003, LJN-nr. AF6101.</al><al>- Aanvraag om evenementenvergunning moet worden beoordeeld aan de hand van
                        de belangen die zijn opgenomen in de weigeringsgronden van de APV-bepaling.
                        Andersoortige belangen kunnen geen zelfstandige weigeringsgrond opleveren,
                        ABRS 29-04-2003, LJN-nr. AF8028.</al><al>- Intrekken van een vergunning vereist een zorgvuldige voorbereiding, Als
                        specifieke kennis bij het bestuursorgaan ontbreekt, moet advies worden
                        ingewonnen met betrekking tot MKZ-besmetting. Zes werkdagen zijn daarvoor
                        voldoende. ABRS 11-6-2003, LJN-nr. AF9809.</al><al>- Voor wat betreft het opnemen van voorschriften in de evenementenvergunning
                        met betrekking tot professionele beveiligingsbeambten, oordeelde de Afdeling
                        dat de burgemeester van Tubbergen voldoende had gemotiveerd waarom hij
                        professionele begeleiding van het Pinksterfeest nodig achtte. ABRS
                        07-04-2004, LJN-nr. AO7140.</al><al>- De burgemeester kon nadere voorschriften aan de door hem alsnog verleende
                        vergunning verbinden. ABRS 28-04-2004, LJN-nr. AO8495.</al><al>- Burgemeester heeft terecht evenementenvergunning voor meerdaags festival
                        geweigerd wegens ontbreken van politiecapaciteit voor een extra dag. Hij
                        heeft in dit kader grote beleidsvrijheid. Rb Haarlem 06-05-2004, LJN-nr.
                        AO9076.</al><al>- Het gebruik van de grond voor het houden van het schuttersfeest houdt
                        strijdigheid met het bestemmingsplan in die niet is toegestaan, althans niet
                        zonder een passende planologische vrijstelling. Het feest heeft naar omvang,
                        duur en uitstraling een planologische relevantie. ABRS 13-04-2005, LJN-nr.
                        AT3708, Gst. 2005, 7229, m.nt. Teunissen. (Schuttersfeest Diepenheim, Hof
                        van Twente). Zie ook: Rb. Leeuwarden 27-07-2005, LJN-nr. AU0442
                        (Veenhoopfestival Smallingerland).</al><al>- Aanwezigheid van hoger aantal bezoekers dan 25.000 bij evenement zal
                        leiden tot concrete, zich direct aandienende, de veiligheid of gezondheid
                        bedreigende situatie. Burgemeester was derhalve bevoegd verbod uit te
                        vaardigen. ABRS 04-05-2005, LJN-nr. AT5100.</al><al>- De burgemeester heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat het dat het feest
                        vanwege de grootschaligheid, de muziekstijl, het soort publiek dat er komt,
                        en de sluitingstijd - drie uur na de toegestane sluitingstijd - niet tot de
                        normale bedrijfsvoering van de inrichting behoort. Daarbij is in aanmerking
                        genomen dat het feest niet door de exploitanten van de inrichting, maar door
                        een derde is georganiseerd en de exploitanten er geen blijk van hebben
                        gegeven dat zij op de hoogte waren van hetgeen precies zou plaatsvinden in
                        hun inrichting. Voorts is daarbij in aanmerking genomen dat volgens de
                        burgemeester de ervaring heeft geleerd dat dit soort houseparty’s vaak
                        gepaard gaat met grootschalig drugsgebruik, met alle risico’s van dien, en
                        dat extra politie-inzet nodig is om de openbare orde te handhaven, terwijl
                        dit niet het geval is bij een reguliere avond in “The Royce”. Onder deze
                        omstandigheden heeft de burgemeester zich niet ten onrechte op het standpunt
                        gesteld dat “Ghosthouse” een evenement in de zin van artikel 2.2.1 (oud) van
                        de Apv is, waarvoor ingevolge artikel 2.2.2 (oud), eerste lid, van de Apv
                        een vergunning nodig is.</al><al>- Er zijn voldoende aanknopingspunten voor het oordeel dat het gevaar
                        bestond dat het feest “Ghosthouse” zou worden gehouden zonder de daarvoor
                        benodigde vergunning en dat met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid
                        overtreding van artikel 2.2.2 (oud), eerste lid, van de Apv zou
                        plaatsvinden. De burgemeester was dan ook bevoegd de last onder dwangsom op
                        te leggen.</al><al>- Gelet op de omstandigheden van dit geval, waaronder het korte tijdsbestek
                        waarbinnen de burgemeester moest handelen aangezien tevoren met het
                        gemeentebestuur geen enkel overleg was gevoerd en de burgemeester pas op de
                        dag waarop het feest was gepland vernam dat het in “The Royce” zou worden
                        gehouden, alsmede de ervaring dat een feest als dit een grote inzet van de
                        politie vergt, welke inzet binnen het korte tijdsbestek moeilijk zo niet
                        onmogelijk te realiseren was, heeft de burgemeester in redelijkheid kunnen
                        oordelen dat het opleggen van de last onder dwangsom hier aangewezen was.
                        ABRS 11-01-2006, LJN-nr. AU9388.</al><al/><al><onderstreept>Artikel 2:17 Evenementen in gebouwen</onderstreept></al><al>Het hier gestelde betekent dat voor een incidentele activiteit, die mogelijk
                        inrichting overstijgend is, wel een evenementenvergunning nodig is. Voor
                        activiteiten die vallen onder artikel 2:17, tweede lid, onder c, kan worden
                        volstaan met een melding. </al><al/><al><cursief>Lex silencio positivo: </cursief>Deze vergunning ziet op
                        evenementen in een (gedeelte van een) gebouw. Daarbij is een lex silencio
                        positivo niet wenselijk, gezien de impact die een groot evenement kan
                        hebben, met name op de openbare orde. Ook vragen vele aspecten van een groot
                        evenement, zoals brandveiligheid, geluid, aanvoer, afvoer en parkeren van
                        bezoekers, om maatwerk dat alleen een inhoudelijke vergunningsbeschikking
                        kan bieden. Er zijn derhalve verschillende dwingende redenen van algemeen
                        belang, met name de openbare orde, openbare veiligheid en milieu om van een
                        Lex silencio positivo af te zien. Paragraaf 4.1.3.3. Awb wordt niet van
                        toepassing verklaard. </al><al/><al><onderstreept>Artikel 2:18 Ordeverstoring</onderstreept></al><al>Deze bepaling geeft een verbod om de orde bij evenementen te verstoren, dat
                        zich in zijn algemeenheid tot bezoekers richt. </al><al/><al/></divisie><divisie><kop><label>Afdeling</label><nr>7.</nr><titel>Kermissen.</titel></kop><al><onderstreept>Artikel 2:19 tot en met 2:21</onderstreept></al><al>De beoordeling van de veiligheid van installaties, die vallen onder het
                        Besluit veiligheid attractie- en speeltoestellen, behoort op grond van dat
                        besluit tot de verantwoordelijkheid van de regionale Inspectie
                        Gezondheidsbescherming van het Staatstoezicht op de Volksgezondheid van het
                        ministerie van VWS. De toetsing van de “veiligheid van personen of goederen”
                        door de burgemeester zal zich daarom meer richten op de veiligheid van
                        personen of goederen op en rond het evenemententerrein, de plaats van de
                        attracties ten opzichte van elkaar, etc. Voor vragen over kermissen kunnen
                        gemeenten terecht bij de Vereniging van gemeentelijke Kermisbeheerders
                        (VGKS).</al><al/><al><cursief>Begrip kermis</cursief></al><al>Het is ter beoordeling van de plaatselijke overheid om te bepalen wanneer er
                        sprake is van een kermis. Dit wil zeggen dat de gemeente bepaalt in hoeverre
                        de duur en de aard van een bepaalde activiteit van belang zijn om die
                        activiteit als kermis te kwalificeren. Onder het begrip kermis kunnen
                        derhalve zowel een tijdelijke gelegenheid van openbaar vermaak als ook een
                        toeristisch vermaak- of amusementscentrum met een meer permanent karakter
                        vallen. </al><al/><al><onderstreept>Artikel 2:22 Kermis Arsenaal</onderstreept></al><al>In verband met de aard van de attracties die in het vermaakscentrum "Het
                        Arsenaal" worden opgesteld is "De Carrousel" (het door een derde
                        geëxploiteerde deel van dit complex waarin automaten worden opgesteld),
                        aangewezen als kermis. De reden hiervan is de volgende: In de Carrousel
                        worden twee onder verschillende regimes vallende automaten opgesteld, te
                        weten kansspelautomaten en behendigheidsautomaten, die beiden vallen onder
                        het Speelautomatenbesluit en daarnaast automaten die vallen onder de werking
                        van de Speelautomatenregeling. Laatstgenoemde categorie betreft de zogeheten
                        'kermisautomaten'. Deze automaten worden met een soort en typegoedkeuring
                        toegelaten voor plaatsing op kermissen. Te denken valt aan balco's,
                        grijpkranen, schuifspelen, skee-ball, ticketmachines en wat dies meer zij.
                        De correcte wijze om plaatsing van de automaten mogelijk te maken is dat de
                        raad besluit deze locatie (i.c. de Carrousel) aan te wijzen als een kermis
                        voor het hele jaar. Artikel 2:22 voorziet daarin. </al><al/><al><cursief>Lex silencio positivo: </cursief></al><al>Deze vergunning richt zich met name op de openbare orde. Een lex silencio
                        positivo is dan ook niet wenselijk om deze dwingende reden van algemeen
                        belang. Paragraaf 4.1.3.3. Awb wordt niet van toepassing verklaard. </al><al/><al><cursief>Jurisprudentie</cursief></al><al> De gemeenteraad van Vlissingen heeft in zijn vergadering van 24 juni 1993
                        regels vastgesteld voor het houden van kermissen, waaronder in het Arsenaal.
                        De vereniging Nationale Bond van Kermisbedrijfhouders Bovak maakt daartegen
                        bezwaar, welk bezwaarschrift bij raadsbesluit van 31 januari 1994 ongegrond
                        wordt verklaard. De Bovak komt daartegen in beroep. De rechtbank Middelburg
                        verklaart het beroep gegrond, vernietigt dit raadsbesluit en bepaalt alsnog
                        dat de Bovak niet-ontvankelijk is in haar bezwaarschrift tegen het
                        raadsbesluit van 24 juni 1993 tot wijziging van de APV (Rb Middelburg 13
                        april 2000, Awb 94/317 en 94/318). De rechtbank overweegt dat de principiële
                        grieven van de Bovak te ver verwijderd zijn van haar statutaire doel om als
                        belanghebbende in de zin van de Awb te kunnen worden aangemerkt. De ABRS
                        bevestigt de aangevallen uitspraak met verbetering van de gronden. Het
                        raadsbesluit is een besluit van algemene strekking waartegen geen bezwaar en
                        beroep openstond. (ABRS 26 februari 2001, nr. 20002566/1).</al><al/><al/></divisie><divisie><kop><label>Afdeling</label><nr>8.</nr><titel>Toezicht op horecabedrijven.</titel></kop><al><vet>Algemene toelichting </vet></al><al/><al><cursief>Exploitatie horeca-inrichtingen</cursief></al><al>In het kader van deregulering en vermindering van administratieve lasten is
                        bekeken of het horeca-exploitatievergunningenstelsel in de APV gehandhaafd
                        of geschrapt moet worden. De gemeente heeft gekozen voor het handhaven van
                        de horecaexploitatievergunning. Deze vergunning is noodzakelijk voor het
                        handhaven van de openbare orde. </al><al/><al><cursief>Europese Dienstenrichtlijn</cursief></al><al>De Europese Dienstenrichtlijn is van toepassing op de horeca. Het drijven
                        van een horecaonderneming is immers het verrichten van een dienst aan de
                        klant. De Dienstenrichtlijn eist dat een vergunningstelsel niet
                        discriminatoir, noodzakelijk en proportioneel is. In bijna alle gevallen
                        gaat het bij horeca om <cursief>vestiging</cursief> van een horecabedrijf
                        waarvoor artikel 9 van de richtlijn de bovenstaande criteria geeft. Onder
                        noodzakelijkheid wordt in artikel 9 verstaan een dwingende reden van
                        algemeen belang. Dit begrip omvat onder meer de volgende gronden: openbare
                        orde, openbare veiligheid en volksgezondheid, als bedoeld in de artikelen 46
                        en 55 van het Verdrag; handhaving van de maatschappelijke orde; bescherming
                        van het milieu en het stedelijk milieu, met inbegrip van de stedelijke en
                        rurale ruimtelijke ordening; Zie verder overweging 40 van de richtlijn. Het
                        gaat hier om de zogenaamde ‘rule of reason’. Mocht het in een enkel geval
                        niet gaan om een vestiging, maar om een horecaondernemer die de grens
                        overschrijdt om zijn diensten te verrichten, dan is niet artikel 9, maar
                        artikel 16 van toepassing dat uitsluitend de criteria openbare orde,
                        openbare veiligheid, volksgezondheid en milieu als grondslag voor een
                        vergunningstelsel kent. Zie verder het commentaar bij artikel 1:8. </al><al/><al>Proportionaliteit: voor de beantwoording van de vraag of een algemene regel
                        niet volstaat voor de regeling van de horeca zijn wij van mening dat een
                        algemene regel hier niet aan de orde is vanwege het persoonsgebonden aspect
                        van de vergunning. Alleen door middel van vergunningvoorwaarden te stellen
                        aan de ondernemer kan men ‘het maatpak’ leveren. Dit geldt ook voor de
                        Bibob-toets. Het confectiepak voldoet hier niet.</al><al/><al>Vestiging: Op grond van overweging 37 is er overeenkomstig de rechtspraak
                        van het HvJ sprake van vestiging, als er een daadwerkelijke uitoefening van
                        een economische activiteit voor onbepaalde tijd vanuit een duurzame
                        vestiging wordt verricht. Aan die eis kan ook zijn voldaan als een
                        onderneming voor een bepaalde tijd wordt opgericht of als er een gebouw
                        wordt gehuurd van waaruit de ondernemer zijn activiteiten onderneemt. </al><al/><al><cursief>Motieven Drank- en Horecawet en APV</cursief></al><al>De regelingen van de Drank- en Horecawet (DHW) en de APV hebben ieder hun
                        eigen bestaansrecht vanwege de verschillende motieven die eraan ten
                        grondslag liggen. Het motief van het horeca-exploitatievergunningstelsel is
                        het het beschermen van de openbare orde. Dit kan niet bereikt worden met
                        behulp van de Drank- en Horecawet. Aan de Drank- en Horecawet liggen immers
                        primair sociaal-hygiënische en sociaal-economische motieven ten
                        grondslag.</al><al/><al><cursief>Bestemmingsplan</cursief></al><al>Een regeling via het bestemmingsplan achten wij minder adequaat. Een
                        bestemmingsplan ordent immers de ruimte en is niet bedoeld voor het
                        handhaven van de openbare orde. Er mogen alleen ruimtelijk relevante
                        factoren worden meegewogen. Het is natuurlijk mogelijk om in een
                        bestemmingsplan een horecafunctie positief te bestemmen of juist uit te
                        sluiten of per plangebied een maximumstelsel in het leven roepen. En dat
                        gebeurt ook. Maar de burgemeester kan op grond van de huidige regelgeving
                        niet overgaan tot tijdelijke of algehele sluiting van de horecaonderneming
                        in geval van (gevaar voor) verstoring van de openbare orde. Bovendien is de
                        gemeente “binnen de bebouwde kom” (nog) niet verplicht om een
                        bestemmingsplan vast te stellen. En juist in die gebieden wordt de meeste
                        horeca geëxploiteerd. Vooral in oude binnensteden heerst in veel gemeenten
                        nog een ratjetoe van oude, onvolledige en ontoereikende bestemmingsplannen
                        of zelfs “witte vlekken” met een bestemmingsplanloos gebied.</al><al/><al><cursief>Droge horeca</cursief></al><al>De reikwijdte van de Drank- en Horecawet wordt bepaald door het begrip
                        “horecabedrijf” zoals gedefinieerd in artikel 1, eerste lid, van de Drank-
                        en Horecawet. Het toepassingsgebied van de wet is daardoor beperkt tot
                        bedrijven waarin alcoholhoudende dranken worden verstrekt, de zogenaamde
                        natte horeca. Daarentegen wordt onder een horecabedrijf in artikel 2:23,
                        eerste lid, ook verstaan het schenken van niet-alcoholhoudende dranken en
                        het verstrekken van rookwaar. Dit laatste is opgenomen om ook coffeeshops
                        onder de APV te laten vallen. In deze paragraaf worden coffeeshops dan ook
                        als gewone horecabedrijven behandeld en zijn geen bijzondere bepalingen over
                        coffeeshops opgenomen.</al><al>Dat roept de vraag naar de verhouding met de Opiumwet op. De Opiumwet
                        verbiedt immers de handel in drugs. Uitgangspunt is dat de
                        vergunningverlening op grond van de APV daar geen betrekking op heeft, maar
                        wel op de exploitatie van een alcoholvrije inrichting. Dat laat overigens
                        onverlet dat ten aanzien van coffeeshops - vanwege de effecten die met name
                        deze inrichtingen kunnen hebben op de openbare orde - wel degelijk een
                        specifiek beleid kan worden vastgesteld. Meer informatie hierover is te
                        vinden in de publicatie 'De Wet 'Damocles', bestuursdwangbevoegdheid in
                        artikel 13b Opiumwet' van het Steun- en informatiepunt drugs en veiligheid
                        (VNG-uitgeverij, Den Haag 1999)</al><al/><al><cursief>Bibob-toets</cursief></al><al>Als het gaat om ondernemingen waar alcoholhoudende drank wordt geschonken,
                        is een integriteittoets mogelijk op grond van artikel 27, tweede lid, van de
                        Drank- en Horecawet (DHW) jo. artikel 3, van de Wet bevordering
                        integriteitsbeoordelingen (Wet Bibob). De DHW geldt, zoals hierboven
                        vermeld, niet voor bedrijven waar geen alcohol wordt geschonken waaronder
                        coffeeshops. Op grond van de vergunningsplicht op grond van de APV is het
                        voor gemeenten mogelijk om ook voor leidinggevenden van deze bedrijven een
                        verklaring omtrent het gedrag te vragen en een Bibob-onderzoek te doen. Dit
                        is van belang omdat de horeca-exploitatievergunning een persoonsgebonden is.
                        Wie de leidinggevende is, is een belang van openbare orde. Immers deze
                        leidinggevende dient ervoor te zorgen dat overlast wordt voorkomen. Artikel
                        4, van het Besluit Bibob bepaalt in overeenstemming met de model- APV dat
                        als inrichtingen, waarvoor de Wet Bibob geldt, onder andere aangewezen
                        worden: “inrichtingen waarin bedrijfsmatig, in een omvang alsof zij
                        bedrijfsmatig was of anders dan om niet, logies wordt verstrekt, dranken
                        worden geschonken, of rookwaren of spijzen voor directe consumptie worden
                        verstrekt”.Dit zijn dus horecabedrijven zoals gedefinieerd in artikel 2:23,
                        van de APV. Dit betekent dat voor horecabedrijven in de zin van de APV een
                        Bibob-onderzoek mag worden gedaan. Zonder de APV is hier geen wettelijke
                        grondslag voor. De Dienstenrichtlijn verzet zich niet tegen een
                        Bibob-onderzoek.</al><al/><al><cursief>Onbepaaldheid van de duur</cursief></al><al>Op grond van artikel 1:7 gelden vergunningen voor onbepaalde tijd. Dit geldt
                        ook voor de horeca-exploitatievergunning. Indien de gemeente niettemin een
                        tijdsduur wil verbinden aan de vergunning van bijvoorbeeld vijf of tien
                        jaar, dan mag dit slechts op gronden ontleend aan dwingende redenen van
                        algemeen belang. Zie ook onder de toelichting bij artikel 1:7.</al><al/><al><cursief>Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer (het
                            Activiteitenbesluit) </cursief></al><al>Op horecabedrijven zijn de regels van de Wet milieubeheer (Wm) van
                        toepassing.</al><al>Meer in het bijzonder geldt het Besluit algemene regels voor inrichtingen
                        milieubeheer (het Activiteitenbesluit). Dit besluit vervangt het Besluit
                        horeca-, sport- en recreatie-inrichtingen milieubheer. Bij dit besluit is
                        een aantal regels met betrekking tot geluid, vetlozingen, geur, opslag van
                        koolzuur en afvalstoffen opgenomen. De tekst van het besluit is te vinden
                        op: <extref doc="http://www.overheid.nl/">www.overheid.nl</extref>. Nadere
                        informatie is te vinden op: <extref doc="http://www.vrom.nl/">www.rijksoverheid.nl</extref></al><al/><al><cursief>Geluidsnormen</cursief></al><al>Het Activiteitenbesluit geeft standaard geluidsnormen voor zowel bestaande
                        als nieuwe horeca-inrichtingen. Bovendien kan de gemeente technische
                        voorschriften stellen aan een inrichting om aan de geldende geluidsnorm te
                        voldoen .Bovendien kan de gemeente afwijkende geluidsnormen voorschrijven
                        voor de gehele activiteit of voor specifieke activiteiten, anders dan
                        feestjes. Hierbij kunnen aanvullende eisen worden gesteld, bijvoorbeeld aan
                        de duur van de activiteit.</al><al/><al>In paragraaf 6.5 van het Activiteitenbesluit zijn overgangsbepalingen
                        opgenomen.</al><al>Stemgeluid van een terras (er zijn uitzonderingen!) en onversterkte muziek
                        zijn vrijgesteld van de geluidsnormen. Voor onversterkte muziek geldt dat de
                        gemeente bij verordening afwijkende regels kan stellen. Voor
                        horecaconcentratiegebieden blijft dezelfde mogelijkheid als gold onder het
                        oude Besluit geldig, namelijk dat er meer geluid mag worden
                        geproduceerd.</al><al/><al><cursief>Jurisprudentie APV</cursief></al><al>- Een gemeentelijke verordening waarin een vergunningstelsel is opgenomen
                        dat specifiek regels stelt ten behoeve van coffeeshops is in strijd met de
                        Opiumwet. Rb Amsterdam 16 januari 1998 en 19 januari 1998, AB 1998, 222 en
                        223 m.nt. FM; Rb Dordrecht 3 juli 1998, JG 98.0202; Pres. Rb Rotterdam 16
                        juli 1998, JG 98.0203 en Pres. Rb Zutphen 14 september 1998, JG 98.0204
                        m.nt. W.A.G. Hillenaar.</al><al>- Burgemeester is bevoegd tot bestuursdwang, dit vergt wel zorgvuldigheid
                        bewijsvoering. Afvoeren van gedooglijst is geen gedoogbesluit. LJN-nr.
                        AO7469, JG 04.0105 m. nt. A.L. Esveld.</al><al>- Weigering om af te wijken van beleidsregels om een nog niet gevestigde
                        coffeeshops te gedogen is een Awb-besluit. Rechtbank Assen, 03/527BESLU, JG
                        04.0104 m. nt. A.L. Esveld.</al><al> Intrekken gedoogverklaring brengt niet-ontvankelijk verklaring met zich
                        mee, zolang niet feitelijk handhavend is opgetreden. LJN-nr. AO6089, JG
                        04.0079 m. nt. A.L. Esveld.</al><al>- Uitoefening bestuursdwangbevoegdheid is mogelijk, het ontbreken van
                        vastgesteld en gepubliceerd coffeeshopbeleid doet daar niet aan af. LJN-nr.
                        AO2883, <extref doc="http://modelverordeningen.sdu.nl/modelverordeningen/jurisprudentie/JG_04.0110.jsp">JG 04.0110</extref>, m. nt. A.L. Esveld. </al><al>- Exploitant horeca-inrichting verantwoordelijk voor handelingen in zijn
                        inrichting met betrekking tot handel in softdrugs. Inrichting gesloten.
                        LJN-nr. AI0787, JG 03.0168 m. nt. T. van der Reijt.</al><al>- Sluiting woning op grond van art. 174a Gemeentewet om andere reden dan
                        drugsoverlast toegestaan. LJN-nr. AF5325, JG. 03.0126, m. nt. T. van der
                        Reijt.</al><al>- Verspreiding via internet van cannabismenulijsten is volgens de Opiumwet
                        openbaarmaking . LJN-nr. AO6423, JG 04.0130 m. nt. A.L. Esveld.</al><al>- Persoonlijke verwijtbaarheid speelt geen rol bij de vraag of zich een
                        situatie voordoet die tot sluiting van de inrichting noopt. LJN-nr. AP0405,
                        JG 04. september, m. nt. A.L. Esveld.</al><al>- Een hennepkwekerij van 89 planten in een woning leidt niet tot ontbinding
                        van het huurcontract. LJN-nrs. AQ9905 en AQ9850, JG 04.0131, m. nt. A.L.
                        Esveld.</al><al>- Gebiedsontzegging i.v.m. met overlast, die te maken heeft met de handel in
                        en het gebruik van verdovende middelen, zijn gerechtvaardigd door het
                        algemeen belang in een democratische samenleving. LJN-nr. AP8138, JG 04.0132
                        m. nt. A.L. Esveld.</al><al>- Het onderverhuren van een kamer in een woning t.b.v. een hennepkwekerij
                        leidt tot ontbinding huurcontract. Gerechtshof ’s-Hertogenbosch, rolnr.
                        C0201144/HE, JG 04.0151, m. nt. A.L. Esveld.</al><al>- Aankondiging bevel tot sluiting op grond van artikel 13b Opiumwet is geen
                        besluit in de zin van de Awb. Rechtbank Groningen, AWB 03/90 GEMWT VEN, JG.
                        03.0064 m.nt. T. van der Reijt.</al><al>- Ook een gedoogbeschikking i.p.v. een gedoogverklaring is geen besluit in
                        de zin van de Awb. LJN-nr. AR2178, JG 04.0162 m.nt. A.L. Esveld.</al><al>- Aan het ongegrond verklaren van een bezwaar tegen het schrappen van de
                        lijst met gedoogde coffeeshop komt een gemeente niet toe, de bezwaarmaker is
                        immers volgens vaste jurisprudentie van de Raad van State niet-ontvankelijk.
                        LJN-nr. AR7067, JG 05.0034 m.nt. A.L. Esveld. Een APV-vergunning voor de
                        exploitatie van een horecabedrijf is persoonsgebonden. Dat tevens een
                        gedoogverklaring voor de exploitatie van een coffeeshop is verstrekt dot
                        hier niet aan af. Na overlijden vervalt de vergunning en gedoogverklaring.
                        LJN-nr. AS5523, JG 05.0050 m.nt. A.L. Esveld. </al><al/><al><cursief>Jurisprudentie Drank- en Horecawet</cursief></al><al>- BEM! niet ontvankelijk. Sommige horecaondernemers ondervinden economische
                        last van de horeca-activiteiten van verenigingen, buurthuizen e.d.
                        (zogenoemde paracommerciële inrichtingen). Gemeenten moeten op grond van de
                        Drank- en Horecawet (DHW) voorwaarden stellen om e.e.a. in goede banen te
                        leiden. Op 1 januari 2000 is de Stichting Bevordering Eerlijke Mededinging
                        horeca-activiteiten (afgekort: BEM!) gestart met het beteugelen van
                        oneerlijke mededinging vanwege paracommerciële inrichtingen door gemeenten
                        en paracommerciële inrichtingen er op te wijzen dat gemeenten voorwaarden
                        moeten stellen en dat de inrichtingen deze moeten naleven. De
                        horecaondernemers deden dat liever niet zelf omdat zij repercussies
                        vreesden. De BEM! was speciaal voor (het uitdelen van waarschuwingen en) het
                        voeren van processen opgericht omdat de ABRS bepaalde (onder meer in de
                        uitspraak van 19 februari 1996, R03.93.2171, AB 1996, 241) dat de landelijke
                        vereniging Koninklijk Verbond van Ondernemers in het Horeca- en Aanverwante
                        Bedrijf “Horeca Nederland” te Woerden niet ontvankelijk was. De Afdeling
                        oordeelde toen dat met artikel 3a (thans artikel 4) van de (DHW) is beoogd
                        het zogenoemd paracommercialisme te beteugelen ten faveure van reguliere
                        horecaondernemers - een belang dat zich naar zijn aard in beginsel leent
                        voor een collectieve behartiging ervan op plaatselijk of regionaal niveau.
                        De Afdeling achtte dit belang niet zodanig van aard dat Horeca Nederland
                        zich dit als landelijk opererende vereniging - binnen het kader van haar
                        zeer algemene doel - kan aantrekken. De Afdeling constateert nu dat het doel
                        van de BEM! op zichzelf voldoende specifiek is maar dat de belangen die de
                        BEM! wil behartigen toch plaatselijke of hooguit regionale kwesties
                        betreffen. Dat kunnen de horecaondernemers volgens de Afdeling zelf wel
                        doen, ook al vrezen zij eventuele repercussies. De BEM! is volgens de
                        Afdeling daarom terecht niet-ontvankelijk verklaard.</al><al>- Terzijde wordt vermeld dat de minister van VWS in de Alcoholnota (TK
                        2000-2001, 27565, nr. 2) aangeeft voornemens te zijn de bepalingen over het
                        paracommercialisme te schrappen vanwege het feit dat bepalingen die zijn
                        ingegeven uit economische overwegingen niet in een volksgezondheidwet als de
                        DHW thuis horen. ABRS 22-05-2002, 200103867/1, LJN-nr. AE2813, <extref doc="http://modelverordeningen.sdu.nl/modelverordeningen/jurisprudentie/JG_02.0129.jsp"> JG 02.0129 </extref>m.nt. A.L. Esveld.</al><al>- Gevolmachtigde als leidinggevende horecabedrijf geaccepteerd, in
                        tegenstelling tot huidige praktijk. LJN-nr. AG1744, JG 04.0078 m.nt. A.L.
                        Esveld.24 Internetcomputers trekken een zelfstandige stroom bezoekers,
                        strijd met de Drank- en Horecawet. LJN-nr.AO 8501, JG 04.0103 m.nt. A.L.
                        Esveld: Gst 2004, 188 m. nt. J.L.A. Kessen.</al><al/><al><onderstreept>Artikel 2:23 Begripsomschrijvingen</onderstreept></al><al>De omschrijving van het begrip 'openbare inrichting' sluit zoveel mogelijk
                        aan bij de Drank- en Horecawet. In de praktijk is gebleken dat in
                        coffeeshops soms uitsluitend cannabisproducten tegen vergoeding worden
                        verstrekt (en genuttigde dranken om niet). Om te voorkomen dat een
                        coffeeshop in dat geval niet zou worden bestreken door de
                        begripsomschrijving 'openbare inrichting', is in het eerste lid de
                        aanduiding 'rookwaren' opgenomen.</al><al/><al>De sluitingsbepalingen van deze paragraaf betreffen de gedeelten van de
                        inrichting, waarin de eigenlijke horecawerkzaamheden worden uitgeoefend: een
                        op het trottoir gesitueerd terras behoort wel tot de inrichting, de zich
                        boven de inrichting bevindende woning van de houder niet. Ook sportkantines,
                        sociëteiten, clublokalen, verenigingsgebouwen e.d. zijn als inrichting aan
                        te merken. Het besloten karakter van een horecabedrijf kan de
                        veronderstelling wekken dat de in de APV opgenomen sluitingstijden niet van
                        toepassing zijn op dat bedrijf: immers, volgens de jurisprudentie kan een
                        gemeentelijke verordening geen activiteiten betreffen die elk karakter van
                        openbaarheid missen. Dit laatste kan niet worden gezegd van activiteiten die
                        een weerslag hebben op een openbaar belang, waarvan ook sprake is bij
                        besloten horecabedrijven. De sluitingsuurbepaling ziet niet op activiteiten
                        binnen het bedrijf, maar op de (nadelige) invloed die daarvan uitgaat op de
                        omgeving: bijvoorbeeld in de vorm van overlast van komende en gaande
                        bezoekers (het aan en afrijden van auto's, het slaan met portieren,
                        claxonneren, menselijk stemgeluid e.d.).</al><al/><al>Het behoeft geen betoog dat, naast de houder van het horecabedrijf, een
                        aantal categorieën van personen moet worden uitgezonderd van het begrip
                        bezoekers. Dit is mede het gevolg van de gewijzigde begripsbepaling ten
                        aanzien van (de begrenzing) van) de inrichting. Met het oog op de
                        handhaafbaarheid is deze bepaling aangepast. Alleen uitgezonderd zijn de
                        leidinggevende(n) en het personeel dat noodzakelijkerwijs aanwezig moet zijn
                        voor het uitvoeren van dringende werkzaamheden. Verder de personen die in de
                        inrichting nachtverblijf houden en als zodanig zijn vermeld in het daartoe
                        bestemde register (zie hiervoor de toelichting bij artikel 2:40 e.v.) en de
                        personen die wegens dringende redenen in de inrichting aanwezig moeten zijn
                        (zoals personeel van derden die de tapinstallatie onderhouden of
                        herstellen).</al><al/><al><cursief>Jurisprudentie</cursief></al><al> Een café is geen discotheek! LJN-nr. AO9751, JG 04.0133 m.nt. A.L. Esveld.
                        </al><al/><al><onderstreept>Artikel 2:24 Exploitatievergunning openbare
                            inrichting</onderstreept></al><al>De exploitatievergunning richt zich met name op de openbare orde. Een lex
                        silencio positivo is dan ook om dwingende redenen van algemeen belang niet
                        wenselijk. Paragraaf 4.1.3.3. Awb wordt niet van toepassing verklaard.
                        </al><al/><al><cursief>Verificatieplicht Vreemdelingenwet 2000</cursief>In het kader van
                        de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) dient bij de aanvraag om een vergunning
                        een verblijfsrechtelijke toets plaats te vinden alvorens tot
                        vergunningverlening wordt overgegaan. Artikel 9, tweede lid, van de Vw 2000
                        schept een verplichting om desgevraagd bij een aanvraag voor een beschikking
                        anders dan op grond van de Vw 2000, een document te overleggen waaruit het
                        rechtmatig verblijf blijkt. Zie voor overige informatie over dit onderwerp
                        onder het kopje Vreemdelingen onder de Algemene toelichting. </al><al/><al><cursief>Eerste lid</cursief>Artikel 174 van de Gemeentewet bepaalt dat de
                        burgemeester is belast met de uitvoering van verordeningen voor zover deze
                        betrekking hebben op het toezicht op de voor het publiek openstaande
                        gebouwen. Deze vergunning wordt daarom door de burgemeester verleend. In het
                        kader van deregulering en vermindering van administratieve lasten is bekeken
                        of het horeca-exploitatievergunningenstelsel in de APV gehandhaafd of
                        geschrapt moet worden. De gemeente heeft gekozen voor het handhaven van de
                        horecaexploitatievergunning. Deze vergunning is noodzakelijk voor het
                        handhaven van de openbare orde. De Europese Dienstenrichtlijn eist dat een
                        vergunningstelsel niet discriminatoir, noodzakelijk en proportioneel is. De
                        richtlijn is van toepassing op horeca. Het drijven van een horecaonderneming
                        is immers het verrichten van een dienst aan de klant. Voor wat betreft de
                        noodzakelijkheid moet de gemeente afwegen of er dwingende redenen van
                        algemeen belang zijn die een vergunningstelsel rechtvaardigen. Het gaat hier
                        om de ‘rule of reason’, omdat er bijna altijd sprake is van vestiging van
                        een horecaondernemer. Op vestiging van buitenlandse dienstverleners is
                        artikel 9 van toepassing. Zie voor nadere uitleg hiervan en van het begrip
                        proportionaliteit onder het algemeen deel van deze afdeling. </al><al/><al><cursief>Vergunning voor onbepaalde tijd</cursief></al><al>Op grond van het nieuwe artikel 1:7 gelden vergunningen voor onbepaalde
                        tijd. Dit geldt ook voor de horeca-exploitatievergunning. Indien de gemeente
                        niettemin een tijdsduur wil verbinden aan de vergunning van bijvoorbeeld
                        vijf of tien jaar, dan is het alleen op gronden ontleend aan dwingende reden
                        van algemeen belang geoorloofd een termijn te stellen. Zie verder onder het
                        algemeen deel bij deze afdeling. </al><al/><al><cursief>Vergunningvoorschriften</cursief></al><al>Krachtens artikel 1:4 van de APV kunnen voorschriften worden verbonden aan
                        de exploitatievergunning. Voorwaarden moeten vallen onder randvoorwaarden
                        van artikel 10 van de Dienstenrichtlijn. </al><al/><al><cursief>Tweede lid</cursief></al><al>Als het bestemmingsplan vestiging van een horecabedrijf ter
                        plaatse niet toelaat, is het moeilijk uit te leggen dat de
                        exploitatievergunning moet worden verleend, maar dat daarvan geen gebruik
                        gemaakt kan worden wegens strijd met het bestemmingsplan. Strijd met het
                        bestemmingsplan is daarom als imperatieve weigeringsgrond opgenomen.
                        Blijkens jurisprudentie is dit aanvaardbaar omdat een dergelijke bepaling
                        geen zelfstandige planologische regeling bevat. Weliswaar brengt dit mee dat
                        de burgemeester treedt in een beoordeling van het geldende bestemmingsplan,
                        maar dit laat de bevoegdheid van het college bij de toepassing van het
                        geldende bestemmingsplan onverlet. Van een doorkruising van de Woningwet of
                        de Wet op de ruimtelijke ordening is geen sprake. </al><al/><al><cursief>Verplichte verklaring omtrent gedrag</cursief></al><al>De exploitatievergunning is persoonsgebonden. De persoon van de exploitant
                        speelt immers een belangrijke rol in de wijze van exploitatie en dus ook in
                        de wijze waarop deze exploitatie het woon- en leefklimaat en de openbare
                        orde beïnvloedt. Om die reden is de verplichting opgenomen voor de
                        vergunningaanvrager om een recente verklaring omtrent gedrag over te leggen.
                        Een verklaring omtrent het gedrag (VOG) wordt aangevraagd bij de gemeente
                        waar men staat ingeschreven in de Gemeentelijke Basisadministratie. Het
                        Centraal Orgaan VOG geeft de verklaring namens de Minister van Justitie af.
                        In het kader van de Wet BIBOB, (Bevordering integriteitsbeoordelingen
                        openbaar bestuur) is dit artikellid expliciet opgenomen. Indien toepassing
                        wordt gegeven aan de mogelijkheden van de Wet BIBOB, zal de gemeente eerst
                        zelf al het mogelijke moeten doen om de integriteit en achtergrond van de
                        vergunningaanvrager te onderzoeken. Een belangrijk hulpmiddel kan daarbij de
                        verklaring omtrent het gedrag zijn.</al><al/><al><cursief>Derde lid</cursief></al><al>Omdat de weigeringsgronden zoals genoemd in artikel 1:8 voor de
                        horeca te ruim zijn geformuleerd (met name de volksgezondheid is hier niet
                        aan de orde), is bepaald dat het hier om de openbare orde gaat en om het
                        woon- en leefklimaat. Het begrip openbare orde moet wel binnen de kaders van
                        de Europese Dienstenrichtlijn worden geïnterpreteerd. Met andere woorden :
                        de interpretatie mag het kader van de ‘rule of reason’ niet te buiten gaan.
                        De exploitatievergunning is primair een overlastvergunning: zij biedt de
                        mogelijkheid preventief te toetsen, of de exploitatie van een horecabedrijf
                        zich verdraagt met het woon- en leefmilieu ter plaatse. Daarbij is van
                        belang in welke mate van het bedrijf zelf overlast is te duchten, maar ook
                        in welke mate de komst van het bedrijf de leefbaarheid en het karakter van
                        de buurt zullen aantasten. De weigeringsgrond woon- en leefmilieu valt onder
                        de ‘rule of reason’ en mag daarom (bij een horecaondernemer die zich hier
                        vestigt) ook op grond van de Dienstenrichtlijn als weigeringsgrond worden
                        gehanteerd. </al><al/><al>De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft bepaald, dat het
                        in het belang van de openbare orde kan zijn om het aantal te verlenen
                        vergunningen aan een maximum te binden. Het aantal te verlenen vergunningen
                        kan worden beperkt tot een van tevoren vastgesteld maximum als door een
                        veelheid van horecabedrijven in de straat of de wijk de openbare orde of het
                        woon- en leefmilieu in gevaar wordt gebracht. Wel dient te worden aangetoond
                        of aannemelijk gemaakt dat van zo'n gevaar in concreto daadwerkelijk sprake
                        is. </al><al/><al>De Europese Dienstenrichtlijn komt wat dit betreft overeen met de bestaande
                        lijn in de Nederlandse rechtspraak: een maximumstelsel mag. Wel geldt op
                        grond van artikel 9 jo artikel 10 dat er een transparante en
                        non-discriminatoire op objectieve gronden gebaseerde verdeling/toekenning
                        van vergunningen moet zijn. Het beleid kan worden neergelegd in een
                        horecanota of een vergelijkbaar beleidsstuk, waarin gemotiveerd het
                        maximumaantal te verlenen vergunningen is vermeld of horecaconcentratie of
                        horecastiltegebieden zijn aangewezen. Uiteraard zal dat beleid moeten
                        overeenstemmen met het voor het gebied van kracht of in voorbereiding zijnde
                        bestemmingsplan. Een maximumstelsel kan ook in het bestemmingsplan zelf
                        worden neergelegd. In het algemeen mag de burgemeester afwijzend beslissen
                        op een aanvraag om een vergunning, als daarmee het maximum wordt
                        overschreden. Daarbij zal de burgemeester steeds moeten nagaan, of
                        bijzondere omstandigheden nopen tot het maken van een uitzondering op het
                        beleid: iedere vergunningaanvraag moet immers zelfstandig en met
                        inachtneming van de betrokken belangen worden beoordeeld. </al><al/><al><cursief>Vierde lid</cursief></al><al>Het vierde lid is gebaseerd op artikel 3, eerste lid van de Wet BIBOB. Het
                        BIBOB instrumentarium is preventief van karakter. Beoogd wordt te voorkomen
                        dat door het verlenen van vergunningen, de gemeente onbedoeld criminele
                        activiteiten faciliteert. Het is dus noodzakelijk dat het bestuur de
                        beschikking krijgt over de juiste informatie om te beoordelen of er sprake
                        is van een ernstig gevaar voor een dergelijke situatie. Hiertoe is het LBB
                        opgericht dat bestuursorganen desgevraagd adviseert over de mate van gevaar
                        dat met behulp van overheidsmiddelen criminele activiteiten worden
                        gefaciliteerd (BIBOB-advies). Het LBB kan de gegevens die nodig zijn voor
                        het onderzoek putten uit openbare en limitatief opgesomde gesloten bronnen.
                        De wet voorziet in de rechtsgrond om een aanvraag van een subsidie of een
                        vergunning te weigeren op grond van de aanwezigheid van ernstig gevaar. Voor
                        de aanbestedingen zijn de uitsluitingsgronden neergelegd in de Europese
                        aanbestedingsrichtlijnen. Met behulp van het BIBOB instrumentarium kunnen
                        deze uitsluitingsgronden effectief worden toegepast. In 2009 heeft het
                        college de Beleidslijn BIBOB vastgesteld.</al><al/><al><cursief>Vijfde lid</cursief></al><al>Artikel 3 van de Drank- en Horecawet bepaalt dat het is verboden zonder
                        daartoe strekkende vergunning van burgemeester en wethouders het
                        horecabedrijf (of slijtersbedrijf) uit te oefenen. Een vergunning is vereist
                        voor iedere inrichting. Wanneer een dergelijke vergunning niet kan worden
                        verleend heeft het verlenen van een exploitatievergunning ook weinig zin,
                        omdat de aanvrager daar verder niets mee kan beginnen.</al><al/><al><cursief>Zesde lid</cursief></al><al>Deze bepaling behoeft geen nadere toelichting.</al><al/><al><cursief>Zevende lid</cursief></al><al>Artikel 2:5 van de APV heeft betrekking op het plaatsen van voorwerpen op of
                        aan de weg in strijd met de publieke functie ervan. Het tweede lid bepaalt
                        dat het bevoegd bestuursorgaan in het belang van de openbare orde of de
                        woon- en leefomgeving nadere regels kan stellen ten aanzien van terrassen.
                        Het bevoegde bestuursorgaan is in dit geval de burgemeester.</al><al/><al><cursief>Achtste lid</cursief></al><al>Deze bepaling behoeft geen nadere toelichting.</al><al><cursief>Negende lid</cursief></al><al>Een aantal categorieën van kleinschalige horecagelegenheden, waar de
                        openbare orde evident niet in het geding is, is in de visie van de gemeente
                        geen vergunning nodig. Te denken valt aan tearooms, een ontbijthoekje bij de
                        bakker, ijssalons etc. Vooralsnog is gekozen om winkels in de zin van de
                        Winkeltijdenwet, die als nevenactiviteit een horecagedeelte hebben, uit te
                        sluiten. De gemeente kan – indien gewenst - het toepassingsgebied verder
                        beperken door in het artikel eisen te stellen aan de afmetingen van de
                        ruimte. </al><al/><al><cursief>Tiende lid</cursief></al><al>Voor het horecagedeelte geldt dezelfde sluitingstijd als voor de winkel om
                        te voorkomen dat de horeca-activiteiten na sluitingstijd worden voortgezet. </al><al/><al><cursief>Elfde lid</cursief></al><al>In het elfde lid zijn categorieën van horecabedrijven opgenomen waarvoor de
                        vergunningplicht niet geldt. Uitgezonderd van de vergunningplicht zijn
                        zorginstellingen waar een voor het publiek toegankelijke eettafel is en
                        restaurants in musea. De gemeente kan deze aanvullen met andere categorieën
                        van horecabedrijven waarvan lokaal geen overlast te verwachten is. Indien
                        alcoholische dranken worden geschonken, moet wel een vergunning op grond van
                        de Drank- en Horecawet worden aangevraagd!</al><al/><al><cursief>Jurisprudentie</cursief></al><al>- Strijd met het bestemmingsplan is als weigeringsgrond aanvaardbaar. ABRS
                        24 03 1997, AB 1997, 201 m.nt. FM, Gst. 1997, 7058, 4 m.nt. HH, JG 97.0165
                        m.nt. E.M.H. Franssen.</al><al>- Aannemelijk is dat de aantasting van de woon en leefsituatie wordt
                        veroorzaakt door de cumulatieve effecten van het totale aantal inrichtingen.
                        ARRS 22-05-1987, AB 1988, 240; ARRS 08 01 1988, AB 1988, 417; ABRS 24 01
                        1995, Gst. 1995, 7011, 3, JG 95.0200.</al><al>- Aannemelijk is dat woon- en leefklimaat nadelig wordt beïnvloed door de
                        uitbreiding van een horeca-inrichting waardoor de bezoekerscapaciteit wordt
                        vergroot. ABRS 20-05-1997, R03.93.1560, JU 982016 (VNG-databank).</al><al>- Weigering van vergunning voor coffeeshop die niet voldoet aan de in het
                        beleid gestelde afstandsnorm van 200 (respectievelijk 250) meter van scholen
                        of jongerencentra is terecht. Vz.ABRS 10-06-1997, H01.97.0530, JU 981013
                        (VNG-databank) en Vz.ABRS 20-02-1998, H01.97.1514, JU 981015
                        (VNG-databank).</al><al>- Voorschrift in terrasvergunning, waarbij op dagen dat er evenementen zijn
                        aan het gebruik van de weg voor dat doel prioriteit wordt gegeven, dient
                        doelmatig gebruik en beheer van de weg. ABRS 17 06 1997, JG 98.0027 98.0027,
                        Gst. 1998, 7067, 2 met noot van HH.</al><al>- Een terras is een bij een voor het publiek openstaand gebouw behorend erf
                        in de zin van artikel 174 van de Gemeentewet. Ingevolge het eerste lid van
                        dit artikel is de burgemeester onder meer belast met het toezicht op de voor
                        het publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende erven. Ingevolge het
                        derde lid van dit artikel is de burgemeester belast met de uitvoering van de
                        verordeningen voor zover deze betrekking hebben op dat toezicht. De
                        burgemeester – en niet het college – is dus bevoegd om terrasvergunningen te
                        verlenen. ABRS 05-06-2002,<extref doc="http://modelverordeningen.sdu.nl/modelverordeningen/jurisprudentie/JG_02.0128.jsp"> JG 02.0128 </extref>m.nt. M. Geertsema. In dezelfde zin: ABRS
                        13-11-2002 (Nijmegen), nr. 200202419, LJN-nr. AF0269.</al><al>- De burgemeester heeft terecht vergunning verleend voor de exploitatie van
                        een terras van bepaalde afmetingen en aan deze vergunning in verband met het
                        belang van de verkeersveiligheid een voorwaarde inzake wijze van bediening
                        verbonden. LJN-nr. AF0274, JG 03.0023 m.nt. A.L. Esveld.</al><al>- Het college is niet bevoegd tot het nemen van besluiten op aanvragen om
                        terrasvergunningen. LJN-nr. AF0261, JG 03.0022 m.nt. A.L. Esveld.</al><al>- Internetdiensten trekken een zelfstandige stroom bezoekers; internetcafé
                        komt niet in aanmerking voor vergunning op grond van de DHW. JG 04.0193, m.
                        nt. A.L. Esveld, LJN-nr. A08501. Gst. 2004, 188 m.nt. J.L.A. Kessen.</al><al>- De vrees voor het niet naleven van vergunningsvoorschriften is geen reden
                        om een vergunning te weigeren. ABRS 24-11-2004, LJN-nr. AR6286, JG 05.0047
                        m.nt. A.L. Esveld.</al><al>- Weigering van een vergunning voor een horeca-inrichting op grond van het
                        feit dat het bestemmingsplan een seksinrichting niet toestaat? ABRS
                        03-11-2004, LJN-nr. AR5047, JG 05.0006, m.nt. A.L. Esveld.</al><al>- Weigering op grond van gemeentelijk onderzoek als gevolg van de Wet Bibob.
                        Rb Roermond 30-12-2004, JG 05.0035 m.nt. A.L. Esveld.</al><al>- Aan het jarenlang niet optreden van het college tegen het verboden gebruik
                        kan niet het gerechtvaardigd vertrouwen worden ontleend dat het college niet
                        meer tot handhaving zou overgaan. Het accepteren van verplichte meldingen op
                        grond van de algemeen plaatselijke verordening voor incidentele feesten is
                        daartoe onvoldoende. ABRS 28-10-2004, LJN-nr. AR5063, JG 05.0008 m.nt. A.L.
                        Esveld.</al><al>- Een APV vergunning voor de exploitatie van een horecabedrijf is
                        persoonsgebonden. Dat tevens een gedoogverklaring voor de exploitatie van
                        een coffeeshop is verstrekt doet hier niets aan af. Na overlijden vervalt
                        vergunning en gedoogverklaring. LJN-nr. AS5523, JG 05.0050 m.nt. A.L.
                        Esveld.</al><al>- Houseparty in horecagelegenheid behoort vanwege de grootschaligheid, de
                        muziekstijl, het publiek dat er komt en de toegestane sluitingstijd niet tot
                        de normale bedrijfsvoering. In aanmerking wordt genomen dat de organisator
                        van het feest een derde. Voorts is in aanmerking genomen dat dit soort
                        feesten vaak gepaard gaat met grootschalig drugsgebruik en dat extra
                        politie-inzet nodig is om de openbare orde te handhaven. Het is een
                        evenement in de zin van art. 2.2.2, van de APV. Het preventief opleggen van
                        een dwangsom is geoorloofd. ABRS 11-01-2006, LJN-nr. AU9388.</al><al>- Onder verwijzing naar AB 2003, 302 overweegt de Afdeling dat slechts het
                        belang van de aanvrager rechtstreeks betrokken is bij een besluit tot
                        weigering van de horeca-exploitatievergunning. De eigenaar van het
                        betreffende pand en de exploitant van de in dat pand geplaatste
                        speelautomaten zijn geen belanghebbende. ABRS 07-12-2005, AB Kort 2006,
                        42.</al><al>- Intrekking exploitatievergunning door burgemeester van Rotterdam; APV
                        Rotterdam; sluiting horeca-inrichting voor zes maanden; discretionaire
                        bevoegdheid en marginale toetsing. ABRS 15-10-2008, nr. 200800533/1, LJN
                        BF8984, JB 2008, nr. 259.</al><al>- Weigering exploitatievergunning vanwege gedrag exploitant door
                        burgemeester Amsterdam. Exploitant ongeschikt voor een
                        exploitatievergunning. Illegale gokactiviteiten hebben negatieve invloed op
                        woon- en leefsituatie omgeving café en de openbare orde (ABRS 20-08-2008,
                        nr. 200800626/1, LJN: BE8861, Gem.St 7322, 87)</al><al>- Intrekken exploitatievergunning coffeeshop Maastricht. Voor de toepassing
                        van art. 13b Opiumwet is vereist dat aannemelijk is dat in strijd met de
                        Opiumwet drugs worden verhandeld of daartoe aanwezig zijn. Voor het
                        instellen van een eigen onderzoek naar het bestaan van ernstig gevaar in de
                        zin van art. 3.1 Wet Bibob kan evenwel worden volstaan met feiten of
                        omstandigheden die een dergelijk gevaar doen vermoeden. (ABRS 30-09-2009,
                        nr. 200900735/1/H3, LJN: BJ8931)</al><al>- Weigering gedoogverklaring is geen besluit, maar kan wel worden beoordeeld
                        in het kader van de intrekking van een horeca-exploitatievergunning
                        (Voorzieningenrechter Rb Utrecht 5-11-2009, LJN BK8027, JG10.0091).</al><al>- Beoordeling levensgedrag is niet ingekaderd door uitgewerkte
                        begripsomschrijving of ingeperkt door een termijn van vijf jaar. Advies
                        Bureau BIBOB geen grondslag besluiten tot weigering exploitatievergunning en
                        vergunning artikel 3 Drank- en Horecawet; gegevens uit dit advies zijn
                        evenmin gebruikt - Den Helder. Zoals de rechtbank, onder verwijzing naar de
                        uitspraak van de Afdeling van 26 juni 2002 in zaaknr. <extref doc="http://www.raadvanstate.nl/uitspraken/zoeken_in_uitspraken/zoekresultaat/?verdict_id=1068">200106008/1</extref>, terecht heeft overwogen, gelden er geen
                        beperkingen ten aanzien van de feiten of omstandigheden die bij de
                        beoordeling van het levensgedrag mogen worden betrokken, nu in het Besluit
                        geen nadere omschrijving is gegeven van de eis dat de leidinggevenden niet
                        in enig opzicht van slecht levensgedrag zijn en ook gelet op het feit dat de
                        tekst van artikel 8 van de DHW noch de geschiedenis van de totstandkoming
                        van die bepaling tot een andere opvatting dwingt. Anders dan [appellant]
                        betoogt, kan uit de in het tweede lid van artikel 3.2.2 van de APV genoemde
                        termijn van vijf jaar niet worden afgeleid dat deze termijn ook op het
                        eerste lid van die bepaling van toepassing is. Gelet op het gebruik van de
                        term 'naast' in de tekst van het tweede lid, zijn in de eerste twee leden
                        van artikel 3.2.2 van de APV cumulatieve eisen gesteld, hetgeen ook blijkt
                        uit de toelichting op deze bepaling, waarin is gesteld dat de aanduiding 'in
                        enig opzicht van slecht levensgedrag' in het eerste lid, onder b, meer omvat
                        dan hetgeen is gesteld in de navolgende leden (ABRS 23-09-2009, LJN: BJ8293
                        en Gem.St 7339, 78).Voorzieningenrechter Rb. ’s-Hertogenbosch, 26-08-2011,
                        AWB 11/2464 burgemeester van de gemeente Eindhoven, verweerder. Gemeentewet
                        125, 151c, 174 APV gemeente Eindhoven 2010. Sluiting horecagelegenheid.
                        Overtredingen APV. Verweerder was bevoegd om handhavend op te treden.
                        Cameratoezicht niet onrechtmatig; beelden mogen worden gebruikt als bewijs
                        (vergelijk bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 18 juni 2003, LJN
                        AG1738). LJN: BR5900 </al><al/><al><onderstreept>Artikel 2:25 Terrassen</onderstreept></al><al><cursief>Jurisprudentie</cursief></al><al> Een terras is een bij een voor het publiek openstaand gebouw behorend erf
                        in de zin van artikel 174 van de Gemeentewet. Ingevolge het eerste lid van
                        dit artikel is de burgemeester onder meer belast met het toezicht op de voor
                        het publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende erven. Ingevolge het
                        derde lid van dit artikel is de burgemeester belast met de uitvoering van de
                        verordeningen voor zover deze betrekking hebben op dat toezicht. De
                        burgemeester – en niet het college – is dus bevoegd om terrasvergunningen te
                        verlenen. ABRS 05-06-2002, JG 02.0128 m.nt. M. Geertsema. In dezelfde zin:
                        ABRS 13-11-2002 (Nijmegen), nr. 200202419, LJN-nr. AF0269. De burgemeester
                        heeft terecht vergunning verleend voor de exploitatie van een terras van
                        bepaalde afmetingen en aan deze vergunning in verband met het belang van de
                        verkeersveiligheid een voorwaarde inzake wijze van bediening verbonden.
                        LJN-nr. AF0274, JG 03.0023 m.nt. A.L. Esveld. Het college is niet bevoegd
                        tot het nemen van besluiten op aanvragen om terrasvergunningen. LJN-nr.
                        AF0261, JG 03.0022 m.nt. A.L. Esveld. Voorschrift in terrasvergunning,
                        waarbij op dagen dat er evenementen zijn aan het gebruik van de weg voor dat
                        doel prioriteit wordt gegeven, dient doelmatig gebruik en beheer van de weg.
                        ABRS 17 06 1997, JG 98.0027 98.0027, Gst. 1998, 7067, 2 met noot van HH.
                        </al><al/><al><onderstreept>Artikel 2:26 Vrijstelling
                        vergunningsplicht</onderstreept></al><al>Door vrijstelling van de vergunningplicht, kunnen in de
                        gemeente gebieden worden aangewezen waar zonder voorafgaande toestemming een
                        horecabedrijf kan worden geëxploiteerd. Bij wijze van 'ondergrens' geeft het
                        tweede lid als rechtstreekse norm dat de exploitatie van het horecabedrijf
                        echter ook dan de woon- en leefsituatie in de omgeving of de openbare orde
                        niet op ontoelaatbare wijze nadelig mag beïnvloeden. Indien nodig met het
                        oog op de naleving van de in het tweede lid opgenomen norm, kan
                        bestuursdwang worden aangezegd of een dwangsom worden opgelegd.
                            <cursief>Jurisprudentie</cursief>Het gevaar van "verboden delegatie" aan
                        de burgemeester bestaat hier niet. De Afdeling bestuursrechtspraak ziet in
                        een besluit gebaseerd op dit artikel geen algemeen verbindend voorschrift
                        ABRS 23-11-1999, JB 2000, 23 m.nt. J.M.E. Derks, Gst. 2000, 7112, 6 m.nt.
                        HH. </al><al/><al><onderstreept>Artikel 2:27 Sluitingsuur</onderstreept></al><al><cursief>Eerste lid</cursief></al><al>Grondslag voor de in de APV opgenomen sluitingsbepalingen is artikel 149 van
                        de Gemeentewet. De gemeenteraad kan verplichte sluitingstijden voor
                        horecabedrijven vaststellen in het belang van de openbare orde, het
                        voorkomen of beperken van overlast, het beschermen van het woon- en
                        leefklimaat e.d.</al><al/><al><cursief>Tweede en derde lid</cursief></al><al>In afwijking van de in het eerste lid genoemde sluitingstijden, kan de
                        burgemeester andere sluitingstijden vaststellen voor een afzonderlijk
                        horecabedrijf. Dat kan zowel neerkomen op een verruiming van de
                        openingstijden, als op een beperking. Het tweede lid geeft de burgemeester
                        de bevoegdheid daartoe een voorschrift te verbinden aan de vergunning die
                        aan de exploitant van de desbetreffende inrichting zal worden verleend. Het
                        gaat hier om een vergunningvoorschrift als bedoeld in artikel 1:4 van de
                        APV, dat dus moet strekken ter bescherming van het belang of de belangen in
                        verband waarmee de vergunning vereist is. Een voorbeeld van zo'n voorschrift
                        is de verplichting een bepaald veiligheidsniveau voor de bezoekers te
                        garanderen of het rustiger laten verlopen van het sluitingsuur. Een portier
                        of een detectiepoort bij nachtbedrijven kan in zo'n eis voorzien. De wijze
                        waarop aan de eis wordt voldaan, is een keuze van de exploitant. De
                        burgemeester geeft daarna aan of met een bepaalde keuze van de exploitant
                        aan zijn eis wordt voldaan. De eventuele aanwezigheid van een portier moet
                        voldoen aan de Wet beveiligingsorganisaties en recherchebureaus.</al><al/><al>Over de uitoefening van deze bevoegdheid, kan de burgemeester desgewenst
                        beleidsregels vaststellen als bedoeld in artikel 4:81, eerste lid, van de
                        Algemene wet bestuursrecht. Als beleidsregel kan de burgemeester bepalen dat
                        hij, bij het beantwoorden van de vraag of voor een afzonderlijk
                        horecabedrijf bij vergunningvoorschrift afwijkende sluitingstijden zullen
                        worden vastgesteld, per categorie horecabedrijven een bepaald beleid
                        hanteert.</al><al/><al>Dat beleid kan bijvoorbeeld inhouden dat het sluitingsuur voor cafetaria's,
                        broodjeszaken e.d. als regel op een ander tijdstip (bijvoorbeeld een uur
                        later) wordt vastgesteld dan voor andere horecabedrijven, om cafébezoekers
                        de mogelijkheid te bieden iets te eten na de sluiting van hun café. Nu het
                        hier een beleidsregel betreft, kan de burgemeester daarvan in een concreet
                        geval - gemotiveerd - afwijken (een cafetaria niet toestaan een uur later te
                        sluiten dan cafés) indien dat volgens hem noodzakelijk is in het belang van
                        de openbare orde of de woon en leefomgeving.</al><al/><al>Een horecabedrijf als bedoeld in artikel 2:23 APV kan vergunningplichtig
                        zijn ingevolge de Wet milieubeheer (Wm) of onder de werking van het
                        Activiteitenbesluit vallen. Aan een krachtens de wet te verlenen vergunning
                        kunnen eveneens voorschriften worden verbonden dan wel nadere eisen worden
                        gesteld ter voorkoming van de indirecte gevolgen van de inrichting. De
                        sluitingsbepalingen van de APV gelden derhalve niet voor zover de op de Wm
                        gebaseerde voorschriften van toepassing zijn. Wat betekent dit voor de
                        reikwijdte van de APV bepalingen? De Wm beoogt een uitputtende regeling te
                        geven ter voorkoming of beperking van alle nadelige gevolgen van het milieu
                        door het in werking zijn van krachtens die wet aangewezen inrichtingen. De
                        gemeenteraad is niet bevoegd die regeling bij verordening aan te vullen,
                        indien daarmee wordt beoogd dezelfde belangen te beschermen. De raad kan dus
                        niet aanvullend via de APV gevaar, schade of hinder of andere belangen die
                        onder het begrip 'bescherming van het milieu' vallen, tegengaan die wordt
                        veroorzaakt door een inrichting die vergunningplichtig is ingevolge de Wm.
                        Zie hiervoor ook de algemene toelichting bij deze paragraaf.</al><al/><al><cursief>Jurisprudentie</cursief></al><al>- Een in naam besloten club die wel in hoge mate voor het publiek
                        toegankelijk is, moet voldoen aan de sluitingstijden van de APV. Vz.ARRS,
                        21-12-1992, Gst. 1993, 6073, 4 m.nt. HH, JG 93.0260.</al><al>- Beleid op basis waarvan coffeeshops, in tegenstelling tot andere
                        horecabedrijven, vanaf 20.00 uur gesloten moeten zijn is noch in strijd met
                        de Winkeltijdenwet noch anderszins onredelijk. Een coffeeshop is geen
                        winkel. Hij is immers in hoofdzaak ingericht als een bedrijf waar gekochte
                        waren ter plaatse worden genuttigd. Rb Breda, 03-12-1997, JG 98.0025, AB
                        1998, 76 m.nt. FM.</al><al>- Terughoudend beleid ten aanzien van nachtvergunningen voor
                        horecabedrijven. ABRS 08-02-1994, JG 94.0252 , Gst. 1994, 6999, 4 m.nt.
                        HH.</al><al>- Verhouding tussen sluitingstijden zoals vastgesteld door de raad op grond
                        van de verordening en door de burgemeester voor het concrete geval. Vz.ARRS
                        30-03-1993, JG 94.0094 m.nt. A.B. Engberts.</al><al>- Sluitingstijden in de APV stellen geen grenzen aan de bevoegdheid van de
                        burgemeester om ontheffing te verlenen. ARRS 02-09-1983, AB 1984, 245 m.nt.
                        JHvdV. De ontheffing van de burgemeester mag geen permanent karakter hebben
                        en niet alle in de gemeente aanwezige inrichtingen betreffen. ARRS
                        19-01-1984, AB 1984, 491 m.nt. JHvdV.</al><al>- De in exploitatievergunningen voor een niet-alcoholverstrekkend)
                        horecabedrijf opgenomen mededeling omtrent de openingstijden van het
                        horecabedrijf is geen besluit in de zin van art. 1:3, lid 1, van de Awb.
                        Openingstijden vloeien namelijk rechtstreeks voort uit de APV. LJN-nr.
                        AE8980, JG 03.0024 m.nt. A.L. Esveld.</al><al>- De burgemeester stelde terecht eis aan garderobefunctie café bij
                        ontheffing sluitingstijd. LJN-nr. AF2496, JG 03.0063 m.nt. A.L.
                        Esveld.</al><al>- Herhaalde overtreding van sluitingtijd leidt tot onmiddellijke sluiting
                        horecabedrijf. LJN-nr. AM5381, JG 04.0102 m.nt. A.L. Esveld. (ABRS
                        29-10-2003, nr. 200206697/1).</al><al>- Beleid niet op papier; geen bijzonder geval; toetsing in bezwaar ex nunc;
                        motivering uitspraak. Horecabedrijf van appellant is gelegen buiten de
                        binnenstad. Ingevolge de APV van Deventer kan ontheffing van het
                        sluitingsuur slechts worden verleend indien naar het oordeel van de
                        burgemeester het woon- en leefklimaat in de naaste omgeving niet op
                        ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed. In dit verband voert de
                        burgemeester het beleid dat buiten de binnenstad geen ontheffingen worden
                        verleend. De rechtbank heeft dit beleid, mede de wens de horeca in de
                        binnenstad te concentreren, terecht niet onredelijk geacht [ABRS 29-04-2008,
                        nr. 200707367/1, AB 2008, 264].</al><al/><al>Voor 02.00 uur gaat een loop ontstaan van bezoekers die op tijd in hun
                        favoriete café willen zijn. Tussen 02.00 en 03.00 uur is het vrij rustig
                        geworden op straat. Na 03.00 uur ontstaat de meeste drukte. De cafés die
                        gebruik maken van het éénrichtingsverkeer moeten dan gaan sluiten. Bij een
                        aantal cafés is van gespreid vertrek van bezoekers geen sprake. Het grootste
                        aantal bezoekers vertrekt om klokslag 03.00 uur. Dit heeft tot gevolg dat er
                        grote groepen jongeren tegelijk op straat komen. Na 03.00 uur zoekt een
                        aanzienlijk deel van de bezoekers zijn vertier nog in de nachtcafés of de
                        cafetaria’s. Dan ontstaat ook de meeste overlast door schreeuwende
                        onverlaten. Het éénrichtingsverkeer wordt goed toegepast wanneer er
                        zichtbaar wordt gecontroleerd door de politie of gemeente. </al><al/><al><cursief>Toegangssluis:</cursief></al><al>Vlissingen heeft een aantal cafés dat niet is voorzien van een geluidsluis.
                        Een aantal van de cafés produceert een zodanig laag geluidsniveau dat een
                        geluidsluis niet noodzakelijk is. De sluis is één van de voorwaarden om aan
                        het éénrichtingsverkeer te mogen deelnemen. Een geluidsluis is een maatregel
                        om geluidsoverlast buiten de inrichting te voorkomen. De geluidsnormen
                        worden voorgeschreven in het Activiteitenbesluit. Een vergunning voor
                        éénrichtingverkeer wordt door de burgemeester afgegeven. Het is aan hem om
                        te bepalen of aan een café ontheffing kan worden verleend om geen
                        geluidsluis als voorziening te hebben. Wanneer in een later stadium blijkt
                        dat een inrichting met ontheffing toch geluidsoverlast veroorzaakt is er
                        altijd de mogelijkheid het éénrichtingsverkeer weer in te trekken of alsnog
                        een geluidsluis te eisen. </al><al/><al><cursief>Nachtcafés:</cursief></al><al>In Vlissingen kunnen momenteel vier horeca-inrichtingen een nachtvergunning
                        krijgen. Deze inrichtingen mogen van 12.00 tot 05.00 uur geopend zijn. Van
                        04.00 tot 05.00 uur geldt voor hen het eenrichtingsverkeer. Drie van de vier
                        inrichtingen liggen in het centrum. Eén nachtcafé ligt aan de Prins
                        Hendrikweg. De nachtcafés in de binnenstad krijgen hun grootste toeloop van
                        bezoekers na 03.00 uur. De openingstijd voor nachtcafés is 12.00 uur.
                        Hierdoor kunnen deze cafés ook meedoen aan activiteiten die overdag worden
                        gehouden tijdens festivals, Bevrijdingsdag en Koninginnedag.
                        </al><al/><al><onderstreept>Artikel 2:28 Afwijking sluitingstijden; tijdelijke
                            sluiting</onderstreept></al><al><cursief>Eerste lid</cursief>Artikel 174 van de Gemeentewet vormt de
                        grondslag voor de bevoegdheid om een of meer horecabedrijven tijdelijk
                        afwijkende sluitingsuren op te leggen of tijdelijk te sluiten. Aanleiding
                        voor tijdelijke afwijking of sluiting, moet zijn gelegen in het belang van
                        de openbare orde, veiligheid, zedelijkheid of gezondheid, of in bijzondere
                        omstandigheden (zoals, al dan niet lokale, feestdagen). Het betreft een
                        algemene bevoegdheid die een individueel karakter heeft zich niet alleen kan
                        uitstrekken tot een maar ook tot meer of zelfs tot alle in de gemeente
                        aanwezige horecabedrijven. Wel beperkt de bevoegdheid zich tot het tijdelijk
                        vaststellen van afwijkende sluitingstijden of tot tijdelijke
                        sluiting.</al><al/><al><cursief>Tweede lid</cursief></al><al>Hoewel de wetgever er bij de invoering van de Wet 'Damocles' (artikel 13b
                        van de Opiumwet dat op 21 april 1999 in werking is getreden) vanuit is
                        gegaan dat gemeentelijke regelingen (overlast- of exploitatieverordeningen)
                        hun geldigheid behouden omdat het onderwerp van de gemeentelijke regeling
                        een ander is, lijkt het raadzaam door middel van het bepaalde in het tweede
                        lid buiten twijfel te stellen dat niet in dezelfde situaties kan worden
                        opgetreden als waarvoor artikel 13b Opiumwet is bedoeld. Het Damoclesbeleid
                        van de gemeente Vlissingen is vastgesteld door de burgemeester op 14
                        februari 2000 met instemming van de gemeenteraad op 30 maart 2000 en bekend
                        gemaakt op 5 april 2000. </al><al/><al>Op 13 juli 2002 is de Wet Victor in werking getreden (Staatsblad 2002, 348).
                        Deze wet houdt in dat het college de bevoegdheid krijgt om de eigenaar van
                        een pand dat is gesloten op grond van de APV, artikel 13b Opiumwet of
                        artikel 174a Gemeentewet aan te schrijven om het pand in gebruik te geven
                        aan een andere persoon of instelling, dan wel om verbeteringen aan te
                        brengen. Als de verstoring van de openbare orde of de verkoop van drugs niet
                        langdurig achterwege blijft, kan in het uiterste geval zelfs overgegaan
                        worden tot onteigening. In de Wet Victor is ook bepaald dat sluitingen op
                        grond van artikel 13b Opiumwet en artikel 174a Gemeentewet moeten worden
                        ingeschreven in de openbare registers conform artikel 3:16 Burgerlijk
                        Wetboek. Merkwaardig genoeg geldt deze inschrijvingsplicht niet voor de
                        sluitingen op grond van de APV. Het Victoriabeleid van de gemeente
                        Vlissingen is vastgesteld door de burgemeester op 14 februari 2000 met
                        instemming van de gemeenteraad op 30 maart 2000 en bekend gemaakt op 5 april
                        2000.</al><al/><al><cursief>Jurisprudentie</cursief></al><al>- Artikel 174 van de Gemeentewet geeft aan de burgemeester reeds een
                        sluitingsbevoegdheid. Wenselijk om ook in de APV een sluitingsbepaling op te
                        nemen. ARRS 15 06 1984, AB 1985, 96 m.nt. JHvdV. </al><al>- Sluitingsmaatregel heeft geen punitief karakter en is niet onevenredig
                        zwaar. ABRS 23 05 1995, AB 1995, 475 m.nt. LJJR. </al><al>- Sluitingsbevel zonder tijdsbepaling voldoet niet aan artikel 221
                        gemeentewet (oud). Vz.ARRS 26-08-1992, AB 1993, 104, JG 93.0116, en ABRS
                        05-07-1996, JG 96.0266. </al><al>- Terechte sluiting voor onbepaalde tijd van coffeeshop die het
                        nuloptiebeleid overtreedt. Vz.ABRS 05-091997, Gst. 1998, 7069, 4 m.nt. HH. </al><al>- Terechte sluiting van horecagelegenheid voor de duur van een jaar wegens
                        handel in harddrugs. Vz.ABRS 22-04-1998, K01.97.0213 (ongepubliceerd).
                        Persoonlijke verwijtbaarheid van de exploitant daarbij (bij handel in
                        harddrugs) is niet van belang. ABRS 29-04-1997, R03.93.4839, JU 982015
                        (VNG-databank), ABRS 27-06-1997, R03.93.5408, JU 98201 (VNG-databank), en
                        ABRS 04-07-2001, AB 2001, 6 m.nt. JGB/AES. Terechte sluiting van twee
                        horeca-inrichtingen en intrekking van de exploitatievergunningen wegens
                        smokkel van illegalen. Aantasting van de openbare orde. Pres. Rb Rotterdam 5
                        september 1997, JG 97.0209. </al><al>- Bij uitoefening sluitingsbevoegdheid hoeft burgemeester geen strikte
                        strafrechtelijke bewijsregels in acht te nemen. ABRS 6 februari 1997, JG
                        97.0075. Sluiting is geen 'criminal charge' als bedoeld in artikel 6 EVRM.
                        Inzage in geanonimiseerde getuigenverklaringen en politierapporten is dan
                        ook niet strijdig met het 'fair trial'-beginsel. ABRS 11 juni 1998, AB 1998,
                        297 m.nt. FM. In bestuursrechtelijk geding moeten wel de juistheid van de
                        feiten en zorgvuldigheid van het besluit kunnen worden getoetst. Pres. Rb
                        Breda, 27 januari 1998, JG 98.0096. </al><al>- Terechte sluiting van een discotheek op grond van artikel 2.3.1.5 van de
                        APV van Zaanstad, nu is gebleken dat de situatie rond het gebruik van
                        partydrugs uit een oogpunt van te beschermen gezondheidsbelangen
                        onbeheersbaar is. Pres. Rb Haarlem 16 november 2001, LJN-nr. AD5792. </al><al>- Bevel in het belang van de openbare orde tot sluiting horecabedrijf geen
                        besluit tot toepassing van bestuursdwang; bestuurlijke waarschuwing;
                        punitieve sanctie; wijziging in omstandigheden ten tijde van bezwaarfase
                        niet relevant voor feitelijke grondslag sluitingsbevel; afgeleid belang;
                        verhouding artikel 174, tweede lid Gemeentewet en artikel 2.3.1.6 APV. ABRS
                        3 mei 2006, nr. 200508353/1; AB 2006, 392. </al><al/><al><onderstreept>Artikel 2:29 Aanwezigheid in gesloten
                            horecabedrijf</onderstreept>De in de vorengenoemde artikelen opgenomen
                        sluitingsbepalingen richten zich tot de leidinggevende van de inrichting:
                        hij dient zijn bedrijf gesloten te houden gedurende de tijden, die hem bij
                        of krachtens die bepalingen zijn opgelegd. Artikel 2:29 richt zich
                        daarentegen tot de (potentiële) bezoeker van de inrichting. Indien deze zich
                        met goedvinden van de leidinggevende in de inrichting bevindt gedurende de
                        tijd dat de inrichting gesloten dient te zijn, overtreedt hij artikel 2:29.
                        Indien echter daarvoor de toestemming van de leidinggevende ontbreekt en de
                        bezoeker zich niet op diens eerste vordering verwijdert, overtreedt hij
                        artikel 138 van het Wetboek van Strafrecht (lokaalvredebreuk). Beide
                        artikelen zijn naast elkaar bestaanbaar: artikel 2:29 strekt tot handhaving
                        van een publiekrechtelijke regeling, terwijl artikel 138 Wetboek van
                        Strafrecht ziet op de bescherming van de rechten die aan de eigendom
                        verbonden zijn. </al><al/><al><onderstreept>Artikel 2:30 Ordeverstoring</onderstreept></al><al>Deze bepaling geeft een verbod om de orde in horecabedrijven te verstoren,
                        dat zich in zijn algemeenheid tot bezoekers richt.</al><al/><al><cursief>Jurisprudentie</cursief></al><al> Instrument van de zwarte lijst wordt toelaatbaar geacht. Wnd. Vz.ARRS 16 09
                        1982, AB 1983, 38, en Wnd. Vz.ARRS 30 03 1983, KG 1983, 195. </al><al/><al><onderstreept>Artikel 2:31 </onderstreept></al><al><onderstreept> Het college als bevoegd bestuursorgaan</onderstreept></al><al>Het begrip 'horecabedrijf' als omschreven in artikel 2:23, eerste lid, ziet
                        ook op inrichtingen die niet voor het publiek toegankelijk zijn, zoals
                        besloten sociëteiten en gezelligheidsverenigingen (zie ook onder artikel
                        2:23). Gelet op artikel 174 van de Gemeentewet is in dat geval niet de
                        burgemeester maar het college het bevoegde bestuursorgaan.
                        </al><al/><al><onderstreept>Artikel 2:32 Beslistermijn</onderstreept></al><al>Artikel 2:32 bevat een beslistermijn die afwijkt van de algemene bepaling in
                        artikel 1:2. Voordat op de aanvraag om een exploitatievergunning een
                        beslissing kan worden genomen dient een zorgvuldige voorbereiding daarvan
                        plaats te vinden als bedoeld in artikel 3:2 van de Awb. Voor het inwinnen
                        van externe adviezen is daarom meer tijd nodig dan de termijn van acht weken
                        die in artikel 1:2 wordt genoemd. </al><al/><al><onderstreept>Artikel 2:33 Verbod verstrekking
                            sterke drank in bepaalde drank- en
                        horeca-inrichtingen</onderstreept></al><al>In artikel 23 van de Drank- en Horecawet wordt de mogelijkheid geboden om
                        bij gemeentelijke verordening de verstrekking van alcoholhoudende drank te
                        verbieden. Dit verbod kan gelden voor inrichtingen van een bij de
                        verordening aangewezen aard, in bij de verordening aangewezen delen van de
                        gemeente of voor een bij of krachtens de verordening aangewezen tijdsruimte.
                        In artikel 2:39 worden de inrichtingen en de plaats opgesomd waar dit
                        gewenst is. Daarbij is niet gekozen voor een verbod van alle alcoholhoudende
                        drank, maar alleen voor sterke drank. Sterke drank is datgene wat daaronder
                        wordt verstaan in artikel 1, eerste lid, van de Drank- en Horecawet. Met de
                        redactie van artikel 2:39 wordt tot uitdrukking gebracht dat het verbod tot
                        het anders dan om niet verstrekken van sterke drank voor gebruik ter plaatse
                        ook geldt wanneer die verstrekking slechts in een onderdeel van die
                        inrichting plaatsvindt. Het gevolg van die redactie is dat de gehele
                        inrichting, dus ook de onderdelen die men niet wil treffen, onder het verbod
                        valt. Op grond van de ontheffingsbepaling in het derde lid kan dit worden
                        gecorrigeerd. </al><al/><al><onderstreept>Artikel 2:34 Aanwezigheid van een
                            leidinggevende</onderstreept></al><al>In dit artikel wordt de verplichte aanwezigheid van een leidinggevende
                        geregeld in een openbare inrichting, waarin geen alcoholhoudende drank wordt
                        verstrekt. Het gaat daarbij om de aanwezigheid van een leidinggevende die
                        staat vermeld op de exploitatievergunning. Er is sprake van schijnbeheer als
                        degene die zich voordoet als beheerder c.q. exploitant c.q. leidinggevende
                        van een horeca-inrichting niet de feitelijke beheerder c.q. exploitant c.q.
                        leidinggevende is. Schijnbeheer komt in verschillende vormen voor. Er kan
                        sprake zijn van een situatie waarbij een persoon niet als beheerder of
                        exploitant op de exploitatievergunning staat vermeld, maar wel in de functie
                        van werknemer als exploitant of leidinggevende optreedt. </al><al/><al>Het op naam van een andere persoon laten exploiteren van een
                        horeca-inrichting omdat men zelf - vanwege antecedenten of het ontbreken van
                        de vereiste diploma’s - niet in aanmerking komt voor een
                        exploitatievergunning, is een andere variant. Hiervoor ontvangt diegene dan
                        vaak een financiële vergoeding. In deze gevallen wordt niet voldaan aan de
                        vergunningvoorschriften en/of is de exploitatievergunning tengevolge van
                        onjuiste gegevens en bescheiden verleend en kan de burgemeester besluiten de
                        vergunning in te trekken.Het niet naleven van de voorwaarden van de
                        horeca-exploitatievergunning in de zin van schijnbeheer is een ernstige
                        overtreding. Bij het aanvragen van een vergunning moet worden aangetoond dat
                        de leidinggevende in het bezit is van diverse vaardigheden c.q. aan horeca
                        gerelateerde diploma’s. Op deze vaardigheden wordt uiteindelijk de
                        vergunning afgegeven. Deze persoon moet daadwerkelijk in de zaak aanwezig
                        zijn en meewerken. Indien andere personen dan deze persoon in werkelijkheid
                        de zaak exploiteert, is het voor de burgemeester niet te controleren wie
                        uiteindelijk achter de opgegeven naam bij inschrijving schuilgaat. Hierdoor
                        kan de openbare orde en het woon- en leefklimaat in de omgeving van het
                        horecapand ernstig worden aangetast. </al><al/><al><onderstreept>Artikel 2:35 Inrichtingseisen</onderstreept></al><al>Dit artikel behoeft geen nadere toelichting. </al><al/><al/></divisie><divisie><kop><label>Afdeling</label><nr>8a.</nr><titel>Bijzondere bepalingen over horecabedrijven als bedoeld in de drank-
                            en horecawet.</titel></kop><al/><al><vet><cursief>Toelichting </cursief></vet></al><al/><al><vet><cursief>Algemeen</cursief></vet></al><al><cursief><onderstreept>Inleiding</onderstreept></cursief></al><al>Deze APV-wijziging is een gevolg van een afwegingsproces en het resultaat
                        van een keuze en selectie uit allerlei mogelijkheden die er zijn.</al><al/><al>Er zijn allerlei modellen aangereikt door diverse organisaties,
                        die elk hun eigen achtergrond hebben. De achtergronden en doelstellingen van
                        die organisaties hadden en hebben invloed gehad op de inhoud van het
                        betreffende model (Stap model, BEM-model, model van Koninklijke Horeca
                        Nederland Sportorganisatie en VNG). De belangen van die organisaties zijn
                        vaak tegenstrijdig. </al><al/><al>Uitgangspunt is om zo spaarzaam mogelijk te zijn in gemeentelijke
                        regelgeving, waar dat nodig en verplicht is wel duidelijk regels te stellen
                        en waar mogelijk regels af te schaffen (deregulering: verzoek
                        bedrijfsleven/ministerie van Economische zaken).</al><al/><al><onderstreept>Oneerlijke mededinging </onderstreept></al><al>De op basis van artikel 4 van de DHW door gemeenten te stellen regels met
                        betrekking tot de paracommerciële horecabedrijven dienen ter voorkoming van
                        oneerlijke mededinging. Uit de memorie van toelichting (Kamerstukken II
                        2008/09, 32 022, nr. 3, blz. 10) blijkt dat de regering ervan uitgaat dat de
                        gemeenten de belangrijke maatschappelijke functie van de verschillende
                        paracommerciële instellingen in acht zullen nemen en <onderstreept>geen
                            onnodige beperkingen</onderstreept> zullen opleggen daar waar de
                        mededinging niet in het geding is en er geen sprake is van onverantwoorde
                        verstrekking van alcohol, met name aan jongeren. </al><al>Concreet komt het er op neer dat de gemeentelijke uitwerking moet leiden tot
                        regels die op z'n minst in enige mate bijdragen aan het voorkomen van
                        oneerlijke mededinging. Of in bepaalde gevallen sprake zal zijn van
                        oneerlijke mededinging is sterk afhankelijk van de lokale situatie. Bij de
                        aanzienlijke ruimte die dit uitgangspunt biedt zal de gemeentelijke
                        uitwerking verder overeenkomstig de algemene beginselen van behoorlijk
                        bestuur plaats moeten vinden. Er is dus aanzienlijke ruimte voor een
                        afweging van belangen, die enerzijds niet tot het volledig uitbannen van
                        oneerlijke mededinging hoeft te leiden en anderzijds niet tot het volledig
                        ongemoeid laten van oneerlijke mededinging mag leiden. </al><al/><al>In het Zeeuwse voorstel wordt onderscheid gemaakt in “schenkdagen”. In
                        Vlissingen is dit nieuw.</al><al>Om invulling te geven aan de verplichting tot het regelen van het onderwerp
                        van artikel 4 leden 1 tot en met 3 van de DHW is artikel 2:36 opgenomen. In
                        nadere afstemming en overleg met de burgemeesters van Middelburg, Veere en
                        Schouwen-Duiveland is het onderscheid in dagen en schenktijden
                            opgenomen<cursief>. </cursief></al><al/><al>In het verleden mocht er gekozen worden om de “paracommercie” te regelen met
                        individuele voorschriften in vergunningen van organisaties die het aanging
                        of met een verordening. Met de wetswijziging is die keuzemogelijkheid
                        vervallen. Dwingend is bepaald dat de “paracommercie” en de daar toegelaten
                        schenktijden moet worden geregeld met verordeningsbepalingen.</al><al/><al>De verordeningsbepalingen zijn medebewindbepalingen die zijn gebaseerd op de
                        artikelen 4, 25a, 25b, 25c en 25d van de Drank- en Horecawet (DHW). Door
                        middel van een wijziging van Algemene plaatselijke verordening 2013 (hierna
                        APV) worden de bepalingen als afdeling 8A ingevoegd. Hoewel de APV voor het
                        overgrote deel uit autonome bepalingen bestaat, is er voor gekozen om deze
                        medebewindbepalingen daarin op te nemen. Dit is vanuit praktisch oogpunt een
                        logische stap. Daarnaast is er in het verleden het standpunt ingenomen om
                        waar mogelijk verordeningsbepalingen op de nemen in deze
                        “verzamelverordening”. De APV regelt ook aanverwante zaken zoals de
                        exploitatievergunning voor openbare inrichtingen (w.o. horecabedrijven),
                        sluitingstijden en dergelijke en een verbod tot het verstrekken van sterke
                        drank in bepaalde inrichtingen. </al><al/><al><onderstreept>Verplichte en niet verplichte bepalingen </onderstreept></al><al>Een regeling op grond van artikel 4 van de DHW, in deze verordening
                        uitgewerkt in artikel 2:36, is verplicht. Dat geldt niet voor de artikelen
                        2:37, 2:38 en 2:39, die gebaseerd zijn op de artikelen 25a, 25c en 25d van
                        de DHW. Daarnaast hebben deze bepalingen niet als doel het tegengaan van
                        oneerlijke mededinging, maar het tegengaan van onverantwoorde verstrekking
                        van alcohol, met name aan jongeren. In dat licht moet ook de mogelijkheid
                        van de ontheffing worden bezien zoals deze is opgenomen in artikel 2:39A.
                        Een beperkte ontheffingsmogelijkheid van artikel 2:36 is nader geregeld in
                        de Drank- en Horecawet (artikel 4, lid 4). </al><al/><al>Paracommerciële instellingen hebben via zelfregulering, via hun
                        bestuursregle­ment/­barinstructie, invulling gegeven aan schenkbeperkingen
                        van alcoholhoudende dranken. Daarom is in de gemeente Vlissingen tot nu toe
                        geen andere verplichtende bepaling opgenomen in paracommerciëlevergunningen
                        dan een verbod op bijeenkomsten van persoonlijke aard. De commerciële horeca
                        pleit voor aanvullende tijdsbeperkingen en van de paracommerciële
                        instellingen kunnen daartegen bezwaren worden verwacht. </al><al/><al>Als voortzetting van het huidige beleid is gekozen voor het volgen van het
                        Zeeuwse model met enkele aanpassingen. Gekozen is om het schenken van
                        alcohol alleen te koppelen aan activiteiten ontleend aan de eigen
                        instellingsactiviteiten/ doelstellingen van de paracommerciële instelling
                        met een aanloop- en een afhandelingstijd. Daarbij kan een duidelijk
                        onderscheid gemaakt worden tussen sportinstellingen en overige instellingen.
                        Sportinstellingen hebben vaak al “eigen” verplichtingen wegens aansluiting
                        bij koepelorganisaties en de daarmee afgesproken beperkingen voor het
                        verstrekken van alcoholhoudende drank. Overige organisaties en accomodaties
                        die door de gemeente zelf worden geëxploiteerd, kunnen daarvan onderscheiden
                        worden. Vandaar ook het onderscheid dat in de bepalingen is gemaakt
                        overeenkomstig het onderscheid in het Zeeuwse model.</al><al>Op Walcheren ( en Schouwen-Duiveland) wordt samenwerking gezocht en
                        onderzocht en daarom is over deze bepalingen overleg gevoerd met de
                        betreffende burgemeesters die ook belast zijn met de handhaving en
                        uitvoering. De bepalingen (uren, dagen, tijden) zijn daarop afgestemd.</al><al>Met het oog op het maatschappelijk draagvlak, voorkomen van te grote
                        diversiteit en de optie van eventueel nog te maken gezamenlijke afspraken
                        over handhaving zijn (inhoudelijk belangrijke) onderlinge afwijkingen
                        ongewenst. Daarbij realiserend dat bij de gemaakte keuzes altijd
                        kantekeningen zijn te plaatsen, afhankelijk van de achtergronden van degene
                        die deze kanttekening plaatst.</al><al>Het algehele verbod tot schenken van <onderstreept>sterke</onderstreept>
                        drank in paracommerciële instellingen (alle!) en een totaal schenkverbod van
                        alcoholhoudende drank tijdens bijeenkomsten in de persoonlijke sfeer – wat
                        al in de huidige vergunningen staat vermeld – is met artikel 2:37 onder g,
                        respectievelijk 2:36 onder 3 omgezet naar verordeningsbepalingen.</al><al/><al>Bij de bepalingen is uitdrukkelijk gekeken naar de praktijk in de gemeenten
                        Middelburg, Veere en Schouwen-Duiveland. Die praktijk is niet gelijk aan de
                        Vlissingse praktijk tot nu. De landelijke regelgeving laat expliciet
                        mogelijk dat lokaal eigen keuzes worden gemaakt. Tot nu toe is in Vlissingen
                        volledig aansluiting gezocht bij de “zelfregulering” via bestuursreglementen
                        en zijn er geen beperkingen schenktijden/-dagen tot nu toe opgelegd anders
                        dan in de eigen bestuursreglementen is opgenomen.</al><al/><al><onderstreept>Strafbaarstelling en bestuursdwang
                        </onderstreept>Overtredingen van de op basis van deze aan de APV toegevoegde
                        bepalingen zijn strafbaar als overtredingen op grond van artikel 2, vierde
                        lid, juncto artikel 1, onder 4°. van de WED. De desbetreffende artikelen
                        zijn daarom niet in de opsomming van overtredingen in hoofdstuk 6 van de
                        model-APV opgenomen. De vermelding van artikel 2:34 APV in artikel 6.1 lid 1
                        kan met deze wijziging vervallen.In artikel 44 van de DHW is voorts bepaald
                        dat de Minister en de burgemeester bestuursdwang kunnen toepassen ter
                        handhaving van de verplichting om een toezichthouder alle medewerking te
                        verlenen bij het uitoefenen van zijn bevoegdheden (artikel 5:20, eerste lid,
                        van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)). <onderstreept>Toezichthouders
                        </onderstreept>De toezichthouders worden benoemd door de burgemeester.
                        Momenteel zijn in de gemeente drie gemeentelijke toezichthouders bevoegd. Op
                        grond van artikel 42 van de DHW hebben zij de bevoegdheid om woningen binnen
                        te treden zonder toestemming van de bewoners, als de toezichthouder vermoedt
                        dat daar bedrijfsmatig of anders dan om niet alcoholhoudende drank aan
                        particulieren wordt verstrekt of als dat daadwerkelijk gebeurt.
                            Tot 1 januari 2014 kan de burgemeester ook
                        ambtenaren van de NVWA inzetten, naast de eigen gemeentelijke
                        toezichthouders, voor het toezicht op de naleving van de artikelen 20 en 45
                        van de DHW. Zie artikel V van de wijzigingswet (Stb. 2012, 237). </al><al/><al><vet>Artikelsgewijze toelichting</vet></al><al>NB In deze artikelsgewijze toelichting worden enkel die delen die
                        (inhoudelijke) toelichting behoeven nader toegelicht. </al><al/><al><vet>Artikel 2:35 Begripsbepalingen </vet></al><al><cursief>Op de </cursief>nieuwe afdeling zijn alle begripsbepalingen van de
                        Drank en Horecawet van toepassing. Daarmee wordt volledig aansluiting
                        gezocht en gevonden bij de begrippen uit de Drank- en Horecawet en wordt
                        onduidelijkheid voorkomen bij het gebruik van bewoordigingen die in de
                        begrippen nader worden uitgewerkt en omschreven. De begripsbepalingen uit
                        het bestaande artikel 2:33 kunnen vervallen omdat in het begin van de nieuwe
                        afdeling – in artikel 2:35 – staat vermeld dat op de hele afdeling de
                        begripsbepalingen uit de Drank- en Horecawet van toepassing zijn. De
                        mogelijkheid daarvan een ontheffing te verlenen is gehandhaafd en
                        overgebracht naar artikel 2:39A. Hierdoor hoeft er in het nieuw geredigeerde
                        artikel geen onderscheid meer gemaakt te worden in verschillende onderdelen
                        (leden). Aan dit artikel wordt een nieuw lid (g.) toegevoegd om
                        onduidelijkheid te voorkomen ten aanzien van
                            <onderstreept>sterke</onderstreept> drankvertrekking in alle
                        paracommerciële inrichtingen.Voor sommige paracommerciële inrichtingen kan
                        dit verbod als onnodig beperkend worden gezien en daarom is de mogelijkheid
                        van een ontheffing gehandhaafd. Dit is ook mogelijk omdat het verbod niet
                        gebaseerd is op artikel 4<cursief>, </cursief>leden 1 tot en met 3, maar op
                        arikel 25a. De begripsbepalingen uit de DHW werken door in de op de DHW
                        gebaseerde regelgeving. Ter verduidelijking is een uitdrukkelijke verwijzing
                        opgenomen, waaruit tevens blijkt dat deze begripsomschrijvingen enkel voor
                        afdeling 8A gelden. </al><al>Het gaat om de volgende begripsomschrijvingen. </al><al>alcoholhoudende drank: de drank die bij een temperatuur van twintig graden
                        Celsius voor meer dan een half volumeprocent uit alcohol bestaat. </al><al>horecalokaliteit: een van een afsluitbare toegang voorziene lokaliteit,
                        onderdeel uitmakend van een inrichting waarin het horecabedrijf wordt
                        uitgeoefend, in ieder geval bestemd voor het verstrekken van alcoholhoudende
                        drank voor gebruik ter plaatse. paracommerciële rechtspersoon: een
                        rechtspersoon niet zijnde een naamloze vennootschap of besloten vennootschap
                        met beperkte aansprakelijkheid, die zich naast activiteiten van recreatieve,
                        sportieve, sociaal-culturele, educatieve, levensbeschouwelijke of
                        godsdienstige aard richt op de exploitatie in eigen beheer van een
                        horecabedrijf. </al><al>sterke drank: de drank, die bij een temperatuur van twintig graden Celsius
                        voor vijftien of meer volumenprocenten uit alcohol bestaat, met uitzondering
                        van wijn. </al><al>zwak-alcoholhoudende drank: alcoholhoudende drank, met uitzondering van
                        sterke drank. </al><al/><al><vet>Artikel 2:36 Regulering paracommerciële rechtspersonen </vet></al><al>In de toelichting onder algemeen is al aangegeven dat dit een verplicht
                        artikel is. Op grond van artikel 4. eerste lid en derde lid, onder a, van de
                        DHW moet geregeld worden gedurende welke tijden in de betrokken inrichting
                        alcoholhoudende drank mag worden verstrekt. Op grond van artikel 4, eerste
                        lid en derde lid, onder b en c, van de DHW moeten regels gesteld worden met
                        betrekking tot door paracommerciële rechtspersonen in de inrichting te
                        houden bijeenkomsten van persoonlijke aard en bijeenkomsten die gericht zijn
                        op personen welke niet of niet rechtstreeks bij de activiteiten van de
                        desbetreffende rechtspersoon betrokken zijn. Uiteraard alleen voor zover er
                        tijdens deze bijeenkomsten alcoholhoudende drank wordt verstrekt door de
                        paracommerciële rechtspersoon. Zoals in het algemeen deel van deze
                        toelichting reeds is aangegeven betekent dit dat de gemeentelijke uitwerking
                        moet leiden tot regels die op z'n minst in enige mate bijdragen aan het
                        voorkomen van oneerlijke mededinging. Het is toegestaan om onderscheid te
                        maken naar de aard van de rechtspersoon (artikel 4, lid 3 DHW). In de
                        verordening is gekozen voor een onderscheid tussen paracommerciële
                        rechtspersonen die zich richten op activiteiten van sportieve aard,
                        paracommerciele rechtspersonen die zich voornamelijk richt op het
                        organiseren van activiteiten van sociaal-culturele aard in de vorm van een
                        poppodium (podium voor een breed aanbod van bijvoorbeeld muziek, theater en
                        dans) en overige paracommerciële rechtspersonen. Deze keuze is ingegeven
                        door het specifieke karakter van sportverenigingen en het specifieke
                        karakter van een poppodium. Voor sportverenigingen zijn ook
                        schenkdagen/-tijden opgenomen. Of paracommerciéle verstrekkers zich zelf
                        verdere beperkingen, al dan niet via afspraken en deelname aan de
                        sportkoepels opleggen, wordt aan het maatschappelijk krachtenveld zelf
                        overgelaten (terugtredende overheid). Op grond van artikel 4, vierde lid,
                        van de DHW heeft de burgemeester de bevoegdheid om voor ten hoogste twaalf
                        aaneengesloten dagen ontheffing te verlenen van de hier door de raad
                        gestelde regels voor schenktijden en voor de verschillende soorten
                        bijeenkomsten. Het gaat om bijzondere gelegenheden van zeer tijdelijke aard.
                        Uit deze bewoordingen van de wet blijkt dat hier zeer terughoudend mee moet
                        worden omgegaan. Te denken valt aan kampioenschappen en dergelijke
                        grotendeels onvoorziene gebeurtenissen, maar het kan ook gaan om
                        feestelijkheden die wel te voorzien zijn, zoals carnaval en Koningsdag. Met
                        bijeenkomsten van persoonlijke aard wordt gedoeld op bijeenkomsten die geen
                        direct verband houden met de activiteiten van de desbetreffende
                        paracommerciële instelling, zoals bruiloften, feesten, partijen, recepties,
                        jubilea, verjaardagen, bedrijfsfeesten, koffietafels,
                        condoleancebijeenkomsten en dergelijke. Het organiseren van
                        privébijeenkomsten door paracommerciële rechtspersonen is, vanwege
                        oneerlijke concurrentie, ongewenst. Voor zover die bijeenkomsten ook een
                        zakelijk karakter hebben dat direct verband houdt met de activiteiten van de
                        rechtspersoon, zoals het afscheid van de voorzitter van de vereniging,
                        vallen deze niet onder het bereik van de bepaling. Bij bijeenkomsten die
                        gericht zijn op personen die niet of niet rechtstreeks bij de activiteiten
                        van de desbetreffende rechtspersoon betrokken zijn, kan worden gedacht aan
                        activiteiten die niet verenigingsgebonden zijn. Dit doet zich voor als een
                        paracommerciële rechtspersoon zijn kantine of een andere ruimte verhuurt aan
                        derden om bijvoorbeeld een feest te geven (voor niet-leden van de vereniging
                        of niet-betrokkenen bij de stichting). Ook komt het nogal eens voor dat
                        theaters en schouwburgen hun accommodatie verhuren voor congressen. Als het
                        een theater of schouwburg betreft met een paracommerciële status, dan gelden
                        de beperkingen ook in deze gevallen.Omdat de burgemeester deze bevoegdheid
                        rechtstreeks aan de wet ontleent, kan de raad hier verder geen beperkingen
                        aan stellen. De burgemeester kan hiervoor zelf uiteraard wel beleidsregels
                        opstellen (artikel 4:81 van de Awb). De DHW valt onder de Dienstenwet en
                        ingevolge artikel 28, eerste lid, van die wet is de lex silencio positivo
                        (LSP) van toepassing op vergunningen (daar zijn ontheffingen ook onder
                        begrepen), tenzij bij wettelijk voorschrift anders is bepaald. Op het moment
                        van schrijven (maart 2013) is de LSP wel van toepassing op ontheffingen op
                        grond van artikel 4, vierde lid, van de DHW. Op het moment van schrijven is
                        echter ook een wetsvoorstel (Veegwet SZW 2012. Kamerstukken II, 2012-23, 33
                        507) bij de Tweede Kamer aanhangig dat hier verandering in zal brengen.
                        Wanneer het wetsvoorstel in werking zal treden is nog onduidelijk.
                            </al><al/><al><vet>Artikel 2:37 Verbod verstrekken sterke drank in bepaalde
                            inrichtingen</vet></al><al>Dit artikel was al een bestaand artikel (artikel 2:33 oud) met als oogmerk
                        alcoholmatiging en voorkomen dat jeugd met sterke drank in aanraking komt.
                        Dit artikel is vernummerd en aangevuld met een nieuw lid g. Lid g verbiedt
                        het schenken van sterke drank in paracommerciële inrichtingen en enkele
                        andere met name genoemde laagdrempelige bedrijven die ook door veel jongeren
                        worden bezocht. Feitelijk is er ook een (gedeeltelijke) overlap met
                        voorgaande leden van dit artikel. Het is wenselijk een duidelijk onderscheid
                        te maken tussen genoemde laagdrempelige inrichtingen en niet genoemde
                        commerciële inrichtingen.Het 'nee, tenzij' principe geniet uit preventief
                        oogpunt de voorkeur. </al><al/><al><vet>Artikel 2:38 Beperkingen voor horecabedrijven en slijtersbedrijven
                        </vet></al><al>Overeenkomstig artikel 25a, tweede lid, aanhef en onderdeel b, van de DHW de
                        burgemeester de bevoegdheid verleend om voorschriften aan de vergunning te
                        verbinden of deze te beperken tot zwak-alcoholhoudende drank, als dit
                        vanwege de handhaving van de openbare orde, de veiligheid, de zedelijkheid
                        en de volksgezondheid nodig is. Artikel 25a van de Drank- en Horecawet biedt
                        gemeenten de mogelijkheid in een verordening op te nemen dat de
                        burgemeester, volgens bij die verordening te stellen regels, vooraf - dat
                        wil zeggen bij de afgifte van de vergunning - voorschriften aan een
                        vergunning kan verbinden of de vergunning kan beperken tot het verstrekken
                        van zwak-alcoholhoudende drank. Dit kan worden bepaald voor
                        horecavergunningen en voor slijterijvergunningen. Deze gemeentelijke
                        bevoegdheid was voorheen opgenomen in artikel 23 van de Drank- en Horecawet,
                        zij het dat toen aan het College van Burgemeester en Wethouders dat mandaat
                        gegeven kon worden. Voorbeelden van voorschriften die de burgemeester kan
                        verbinden aan de vergunning voor een horecabedrijf zijn: Ter bescherming van
                        de volksgezondheid: Een gevarieerde drankenkaart verplicht stellen. Dit
                        houdt in dat er - naast alcoholhoudende dranken - voldoende betaalbare
                        nietalcoholhoudende alternatieven moeten worden aangeboden (fris, water,
                        thee, koffie). In het belang van de openbare orde: Eisen stellen ten aanzien
                        van het maximaal aantal bezoekers. Voor de veiligheid kan het aantal
                        bezoekers dat tegelijkertijd in de inrichting aanwezig mag zijn worden
                        gemaximeerd. Het aantal bezoekers maximeren is bovendien ter bescherming van
                        de volksgezondheid. Uit onderzoek blijkt dat hoe meer mensen er in een zaak
                        zijn en hoe minder makkelijk men even kan zitten, des te meer er wordt
                        gedronken (Hughes, 2009). Ter bevordering van de naleving van artikel 20 van
                        de Drank- en Horecawet: Verlangen dat polsbandjes-systemen worden toegepast.
                        Eisen stellen aan het aantal entrees en het aantal portiers. </al><al/><al><vet>Artikel 2:39 Verbod 'happy hours' en 'stunt prijzen' </vet></al><al>Artikel 25d lid 1 van de Drank- en Horecawet biedt gemeenten de mogelijkheid
                        prijsacties, zoals happy hours, gedeeltelijk te beperken. Happy hours zijn
                        doorgaans afgebakende tijden (enkele uren, één dag in de week) waarop
                        alcohol tegen een gereduceerd tarief wordt aangeboden. In veel gemeenten
                        zijn er uitgaansgelegenheden waar happy hours worden georganiseerd. De
                        maatregel kan - zo bepaalt de Drank- en Horecawet - alleen betrekking hebben
                        op het bedrijfsmatig of anders dan om niet verstrekken van alcoholhoudende
                        dranken voor gebruik ter plaatse tegen een prijs die voor een periode van 24
                        uur of korter lager is dan 60% van de prijs die in de betreffende
                        horecalokaliteit of op het betreffende terras gewoonlijk wordt gevraagd. Met
                        dit artikel kan de gemeente bijvoorbeeld ook prijsacties als '2 drankjes
                        voorde prijs van 1' verbieden. Ook kan men er bepaalde
                        arrangementen mee tegengaan, zoals één avond onbeperkt drinken voor € 15,
                        althans als het onbeperkt drinken gedurende één avond normaal gesproken voor
                        meer dan € 25 wordt aangeboden en er in het kader van een actie tijdelijk
                        een prijs van € 15 wordt gevraagd. De zogenaamde ladies nights (avonden
                        waarop vrouwen gratis mogen drinken) worden met dit artikel ook verboden.
                        Het in artikel 2:39 van deze verordening opgenomen verbod heeft uitsluitend
                        betrekking op prijsacties in horecalokaliteiten en op terrassen en geldt dus
                        niet voor goedkoop schenken op andere plaatsen, bijvoorbeeld met een artikel
                        35-ontheffing tijdens bijzondere gelegenheden van zeer tijdelijke aard
                        (evenementen). Het gaat bij dit verbod ook uitdrukkelijk om de korting op de
                        prijs die normaal daar in die horecalokaliteit of op dat terras wordt
                        gevraagd. Dat is in de horeca na te gaan door de actieprijs te vergelijken
                        met de prijs die wordt vermeld op de (op grond van het Besluit
                        prijsaanduiding producten) verplichte prijslijst. Gemeenten kunnen deze
                        bepaling alleen inzetten ter bescherming van de volksgezondheid of in het
                        belang van de openbare orde. Met de nieuwe verordenende bevoegdheid krijgen
                        gemeenten voor het eerst de mogelijkheid om invloed uit te oefenen op
                        prijsacties in de horeca. Prijs en betaalbaarheid zijn belangrijke factoren
                        voor alcoholconsumptie (Meijer, e.a., 2008). De conclusie uit verschillende
                        onderzoeken naar het effect van prijs op consumptie is helder: hoe lager de
                        prijs hoe hoger de consumptie. Happy hours zijn een bekend voorbeeld van een
                        tijdelijke prijsverlaging van alcoholhoudende drank. Tijdens happy hours
                        wordt de consumptie van drank direct en actief gestimuleerd. Uit
                        veldonderzoek is gebleken dat prijsacties voorkomen in 26% van de
                        Nederlandse cafés (STAP 2009) Het grote voordeel van de inzet van dit
                        artikel is dat gemeenten een effectieve alcoholpreventiemaatregel in handen
                        krijgen. De Wereldgezondheidsorganisatie geeft al jaren aan dat het
                        beïnvloeden van de prijs het meest effectief is in het terugdringen van
                        (schadelijk) alcoholgebruik. Prijsbeleid zou daarom een kerndoel moeten zijn
                        van elk effectief alcoholbeleid. Het Zeeuwse voorstel om extreme prijsacties
                        die van korte duur zijn <onderstreept>in de detailhandel</onderstreept> te
                        verbieden wordt niet overgenomen. Naast kritiek hierop van de detailhandel
                        (schriftelijk en mondeling) en wegens het feit dat reclame-acties veelal
                        landelijk van opzet zijn, achten wij dit niet gewenst.Overigens vinden
                        producenten en importeurs een maximale korting van 50% verantwoord (STIVA
                        Reclamecode voor alcoholhoudende dranken, januari 2012). </al><al/><al><vet>Artikel 2:39A Ontheffingen </vet></al><al>In bijzondere gevallen is de mogelijkheid van een ontheffing van artikel
                        2:36, leden 1 tot en met 3 en een deel van artikel 2:37 gewenst. Ten behoeve
                        van de beoordeling van verzoeken om ontheffing worden door de burgemeester
                        beleidsregels vastgesteld. Er zal in ieder geval ontheffing verleend kunnen
                        worden en aanzien van de aanvangstijden die op grond van artikel 2:36,
                        eerste lid, van maandag tot en met vrijdag van toepassing zijn op
                        paracommerciële rechtspersonen die zich voornamelijk richten op het
                        organiseren van activiteiten van sportieve aard, als die aanvangstijden de
                        paracommerciële rechtspersoon onevenredig zouden treffen omdat de
                        activiteiten van die rechtspersoon in hoofdzaak op die dagen en overdag
                        plaatsvinden en er bij die activiteiten nauwelijks tot geen minderjarigen
                        aanwezig zijn. Verder zal in ieder geval van deze aanvangstijden ontheffing
                        verleend kunnen worden voor bijzondere gelegenheden van tijdelijke aard, te
                        denken valt aan jubilea<cursief>. </cursief>Ten aanzien
                        van het bepaalde in artikel 2:37 zal in ieder geval ontheffing verleend
                        kunnen worden aan paracommerciële rechtspersonen waarbij de leden 'op
                        leeftijd zijn' en die graag een borreltje nuttigen. Te denken valt aan een
                        biljartvereniging. In Vlissingen is d<cursief>e</cursief> mogelijkheid van
                        een ontheffing van artikel 2:37 niet nieuw. In artikel 2:33 (oud) was al een
                        ontheffingsmogelijkheid opgenomen. </al><al/></divisie><divisie><kop><label>Afdeling</label><nr>9.</nr><titel>Toezicht op inrichtingen tot het verschaffen van
                            nachtverblijf.</titel></kop><al><onderstreept>Artikel 2:40 Begripsbepalingen</onderstreept></al><al>Het begrip “inrichting” als hier omschreven sluit aan bij artikel 438
                        Wetboek van Strafrecht, dat ziet op het als beroep verschaffen van
                        nachtverblijf aan personen (eerste lid) en op het als beroep of gewoonte
                        beschikbaar stellen van een terrein voor het houden van nachtverblijf of het
                        plaatsen van kampeermiddelen e.d. (tweede lid). </al><al>De definitie van “houder” zoals deze werd gegeven in artikel 2.3.2.1, tweede
                        lid (oud) is geschrapt. Het begrip “houder” is een ouderwets begrip. Op die
                        plaatsen is “houder” vervangen door “exploitant of feitelijk
                        leidinggevende”. Er is geen inhoudelijke wijziging beoogd. Houder (dus
                        exploitant of leidinggevende) kan ook een rechtspersoon zijn, in welk geval
                        moet worden aangenomen dat de registratieplicht de directeur betreft: HR
                        14-06-1955, NJ 1956, 38. </al><al/><al><onderstreept>Artikel 2:41 Melding exploitatie </onderstreept></al><al> Artikel 2:41 strekt ertoe, dat de burgemeester een zo volledig mogelijk
                        overzicht heeft van de in de gemeente aanwezig nachtverblijf en
                        kampeerinrichtingen.</al></divisie><divisie><kop><label>Afdeling</label><nr>10.</nr><titel>Toezicht op speelgelegenheden.</titel></kop><al><onderstreept>Artikel 2:42 Speelgelegenheden</onderstreept></al><al>L<cursief>ex silencio positivo</cursief></al><al>Deze vergunning beoogt de bescherming van met name de openbare orde.
                        Daarnaast speelt het bestrijden van gokverslaving een rol. Het is hoogst
                        onwenselijk zijn als deze vergunning van rechtswege wordt verleend voordat
                        er een inhoudelijke toets van de aanvraag heeft plaatsgevonden en is
                        voltooid. Een lex silencio positivo is hier dan ook niet wenselijk om
                        dwingende redenen van algemeen belang, zoals de openbare orde en
                        volksgezondheid. Paragraaf 4.1.3.3. Awb wordt niet van toepassing
                            verklaard.</al><al/><al><cursief>Eerste lid</cursief></al><al>Het begrip “speelgelegenheid” als omschreven in het eerste lid,
                        betreft iedere openbare gelegenheid waarin de mogelijkheid wordt geboden
                        enig spel te beoefenen waarbij geld of in geld inwisselbare voorwerpen
                        kunnen worden gewonnen of verloren. In de Wet op de Kansspelen is een
                        uitputtende regeling neergelegd ten aanzien van de kansspelen als bedoeld in
                        artikel 1 van die wet, zoals speelcasino’s en speelautomaten. De wet is niet
                        van toepassing op spelen, met uitzondering van behendigheidsautomaten,
                        waarbij de spelers door hun behendigheid de kans om te winnen kunnen
                        vergroten. Voor deze categorie speelgelegenheden is dit artikel bedoeld. Het
                        gaat dus om speelgelegenheden, waar de Wet op de Kansspelen geen betrekking
                        op heeft. </al><al/><al>Het gaat om gelegenheden waar bedrijfsmatig of in een omvang alsof deze
                        bedrijfsmatig is de mogelijkheid wordt geboden enig spel te beoefenen als
                        bedoeld in het eerste lid . De houder van een café waarin bezoekers het
                        kaartspel kunnen beoefenen, hoeft niet zonder meer over vergunning te
                        beschikken maar slechts indien de mogelijkheid daartoe bedrijfsmatig of in
                        een omvang alsof deze bedrijfsmatig is wordt aangeboden. Bepaalde
                        kaartspelen , zoals poker, worden beschouwd als kansspelen. Als die
                        kaartspelen worden gespeeld met de bedoeling om prijzen te winnen zonder dat
                        de organisator over een vergunning beschikt, is dat op grond van de Wet op
                        de kansspelen verboden.</al><al/><al><cursief>Tweede en derde lid</cursief></al><al>De vergunningsplicht geldt het (doen) exploiteren van een speelgelegenheid.
                        Artikel 2:42 heeft het beschermen van de openbare orde en het woon en
                        leefklimaat als doel en heeft daarmee een ander motief dan de Wet op de
                        kansspelen. Oogmerk van de Wet op de Kansspelen is het in goede banen leiden
                        van kansspelen, waarbij de consument beschermd dient te worden tegen
                        gokverslaving en criminaliteit moet worden tegengegaan. </al><al/><al>De Wet op de kansspelen geeft de burgemeester noch het college de
                        bevoegdheid om een illegale speelgelegenheid te sluiten. In de praktijk is
                        dit echter vanwege de negatieve uitstraling en het illegale karakter van de
                        speelgelegenheid vaak wel wenselijk. Daarom is in dit artikel een
                        vergunningsplicht opgenomen, met in het derde lid de mogelijkheid om de
                        vergunning te weigeren als naar het oordeel van de burgemeester moet worden
                        aangenomen dat de woon- en leefsituatie in de omgeving van de
                        speelgelegenheid of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig wordt
                        beïnvloed door de exploitatie van de speelgelegenheid, dan wel er strijd
                        bestaat met een geldend bestemmingsplan. Als een speelgelegenheid geen
                        vergunning heeft, heeft de burgemeester volgens artikel 125 van de
                        Gemeentewet de bevoegdheid bestuursdwang toe te passen. In artikel 1:6 van
                        de APV zijn voorwaarden opgenomen waaronder de vergunning kan worden
                        ingetrokken of gewijzigd. </al><al/><al>Op 7 januari 2003 heeft de rechtbank Maastricht bepaald dat de burgemeester
                        bevoegd is tot toepassing van bestuursdwang in geval van een casino zonder
                        vergunning ex artikel 2:39 APV, een illegaal casino dus. Er was een
                        vergunning, maar vast staat dat deze was ingetrokken onder meer vanwege een
                        geconstateerde overtreding van de Wet op de Kansspelen en daarmee van
                        overtreding van artikel 2:39 van de APV. Daarna is geconstateerd dat in het
                        pand een illegaal casino werd geëxploiteerd. Daarmee stond dus vast dat
                        zonder vergunning een speelgelegenheid werd geëxploiteerd, zodat
                        bestuursdwang kon worden toegepast. Ook werd bepaald dat er geen sprake was
                        van een besloten bijeenkomst in verenigingsverband, omdat een ieder tegen
                        betaling van een betrekkelijk gering bedrag lid kon worden en mee kon
                        spelen. Rb Maastricht 07-01-2003, NR 01/1750 en 01/1751 GEMWT I, LJN-nr.
                        AF2782 </al><al/><al>Op 17 juli 2002 heeft de president van de rechtbank Arnhem in voorlopige
                        voorziening een uitspraak gedaan over de sluiting van een illegale
                        speelgelegenheid op basis van de APV van de gemeente Groesbeek. De gemeente
                        Groesbeek heeft een uitgebreide paragraaf opgenomen in de APV over
                        speelgelegenheden, waarin het vergunningensysteem veel verder is uitgewerkt
                        dan in de model APV. Er worden onder meer eisen aan de exploitant gesteld en
                        er zijn meer weigeringsgronden opgenomen. Er was tot nu toe nog geen
                        rechterlijke uitspraak over de verbindendheid van deze bepalingen. In deze
                        uitspraak kwam uitsluitend de vraag aan de orde of er sprake was van een
                        speelgelegenheid met een besloten karakter. Dat er sprake was van een
                        speelgelegenheid was niet in discussie. De voorzieningenrechter oordeelde
                        dat er wel sprake was van een voor het publiek toegankelijke inrichting en
                        dat de burgemeester van de gemeente Groesbeek de bevoegdheid had
                        bestuursdwang toe te passen. Deze voorzieningenrechter is dus kennelijk van
                        mening dat de APV Groesbeek verbindend moet worden geacht, hoewel er niet
                        expliciet aandacht aan wordt besteed in de uitspraak. Pres. Rb. Arnhem
                        17-07-2002, 02/1400, LJN-nr. AE5840. </al><al/><al><cursief>Internetgokzuilen</cursief></al><al>Inmiddels is er ook een uitspraak van de Raad van State op 29 januari 2003
                        over een gelegenheid waarin een internetgokzuil is geplaatst. De Raad van
                        State gaat ervan uit, en dit was ook niet in geschil, dat er dan sprake is
                        van een speelgelegenheid in de zin van dit artikel. Appellant exploiteerde
                        zonder dat zij over de vereiste vergunning beschikte, en de burgemeester is
                        op grond van artikel 125, derde lid, Gemeentewet bevoegd tot het toepassen
                        van bestuursdwang. ABRS 29-01-2003, 200202981/1, LJN-nr. AF 3507. Zie ook Rb
                        Arnhem, 11-03-2002, <extref doc="http://modelverordeningen.sdu.nl/modelverordeningen/jurisprudentie/JG_02.0152.jsp"> JG 02.0152 </extref>m.nt. T.J. van der Reijt.</al><al>Er zijn ook enkele uitspraken van de strafrechter geweest waarin de
                        exploitant van een internetgokzuil en een exploitant van een inrichting
                        waarin een internetgokzuil is geplaatst zijn veroordeeld tot een boete.
                        </al><al/><al><cursief>Speelautomatenhallen</cursief></al><al>Speelautomatenhallen vallen niet onder de bepaling. In de Verordening
                        speelautomatenhallen Vlissingen (raadsbesluit van 26 november 1987) is
                        bepaald dat bij de beoordeling van een aanvraag om vergunning voor het
                        exploiteren van een speelautomatenhal rekening wordt gehouden met de woon en
                        leefsituatie. </al><al/><al><cursief>Verificatieplicht Vreemdelingenwet 2000</cursief></al><al>In het kader van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) dient bij de aanvraag om
                        een vergunning een verblijfsrechtelijke toets plaats te vinden alvorens tot
                        vergunningverlening wordt overgegaan. Artikel 9, tweede lid, van de Vw 2000
                        schept een verplichting om desgevraagd bij een aanvraag voor een beschikking
                        anders dan op grond van de Vw 2000, een document te overleggen waaruit het
                        rechtmatig verblijf blijkt. Zie voor overige informatie over dit onderwerp
                        onder het kopje <cursief>Vreemdelingen</cursief> onder de Algemene
                            toelichting.</al><al/><al><cursief>Jurisprudentie</cursief></al><al>- Internetgokzuil in inrichting maakt dat er sprake is van speelgelegenheid,
                        burgemeester kan handhavend optreden. ABRS 29-01-2003, 200203981/1, LJN-nr
                        AF3507, Rb Almelo11-03-2002, <extref doc="http://modelverordeningen.sdu.nl/modelverordeningen/jurisprudentie/JG_02.0152.jsp"> JG 02.0152 </extref>m.nt. T.J. van der Reijt.</al><al>- Burgemeester kan bestuursdwang toepassen in geval er sprake is van een
                        speelgelegenheid, in dit geval een illegaal casino, zonder vergunning. Rb
                        Maastricht 07-01-2003, 01/17050 en 01/1751 GMWT I, LJN-nr. AF2782.</al><al>- Speelgelegenheid door een vereniging waarvan tegen betaling van een gering
                        bedrag een ieder lid kan worden, heeft geen besloten karakter, burgemeester
                        kan optreden indien er geen vergunning is. Rb Arnhem 17-07-2002, 00/3094 en
                        00/3095 AW, LJN-nr. AF5840.- Speelgelegenheid wordt in casu niet als
                        besloten aangemerkt, dus kan bestuursdwang worden toegepast ogv APV
                        Groesbeek. Rb Arnhem 17-07-2002, 02/1400, LJN-nr. AE5840.</al><al>- Speelgelegenheid wordt in casu niet als besloten aangemerkt, dus kan
                        bestuursdwang worden toegepast ogv APV Groesbeek. Rechtbank Arnhem
                        17-07-2002, 02/1400, LJN-nr. AE5840.</al><al>- Gelegenheid bieden tot winnen van prijzen en premies middels
                        internetgokzuilen is strafbaar feit, Ec.politierechter Zutphen, 17-05-2002,
                        06/035799-01, LJN-nr. AE4680 en Rb. Arnhem, ec. kamer, 20-12-2001,
                        05/087842-00, LJN-nr. AD8104. </al><al/><al><onderstreept>Artikel 2:43 Speelautomaten</onderstreept></al><al>Begin 2002 heeft het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBB) een
                        aantal uitspraken gedaan, waarin ten aanzien van hoog- en laagdrempelige
                        inrichtingen een interpretatie wordt gegeven over de wijziging van de Wet op
                        de kansspelen d.d. 1 november 2000 ten gevolge van de ingrijpende wijziging
                        van de Drank- en Horecawet. Het gaat hierbij vooral over de begrippen
                        “inrichting” en “horecalokaliteit” en de gevolgen voor hoog- en
                        laagdrempelige inrichtingen. Het CBB overweegt - in tegenstelling tot wat
                        uit de wetsgeschiedenis blijkt en tot nu toe uit de jurisprudentie is
                        gebleken – “dat er wel sprake is van een materiële wijziging van de Wet” en
                        niet slechts van een technische. Dit kan verstrekkende consequenties hebben
                        voor de gemeentelijke praktijk, vooral voor de wijze van formulering van
                        besluiten. Het CBB toetst de vraag of er sprake is van een hoogdrempelige
                        inrichting op een wetstechnische manier. Er dient slechts beoordeeld te
                        worden of er sprake is van een horecalokaliteit in de zin van de Drank- en
                        Horecawet en of er zich in deze horecalokaliteit zelf geen andere
                        activiteiten afspelen waaraan een zelfstandige betekenis kan worden
                        toegekend. (Een horecalokaliteit in de zin van de Drank- en Horecawet is een
                        van een afsluitbare toegang voorziene lokaliteit, onderdeel uitmakend van
                        een inrichting waarin het horecabedrijf wordt uitgeoefend, in ieder geval
                        bestemd voor het verstrekken van alcoholhoudende drank voor gebruik ter
                        plaatse.) Moeilijk is te bepalen wat een andere zelfstandige activiteit is.
                        Hierover is veel jurisprudentie, zie hieronder onder het kopje
                        jurisprudentie. Er moet in ieder geval gedacht worden aan het afhalen van
                        etenswaren, dansen, zaalverhuur, bowlen of kegelen en het serveren van
                        kleine etenswaren. Waar precies de grens ligt tussen ondersteunende
                        activiteiten en zelfstandige activiteiten is een sterk feitelijk oordeel en
                        zal van geval tot geval moeten worden bekeken, gerelateerd aan de
                        jurisprudentie. In welke omgeving de horecalokaliteit ligt, is, in
                        tegenstelling tot de oude jurisprudentie, niet meer van belang. Ook een
                        horecalokaliteit op een camping of in een sporthal of dorpshuis kan
                        hoogdrempelig zijn. Deze benadering leidt tot de vreemde consequentie dat
                        bijvoorbeeld een seksinrichting als laagdrempelig wordt aangemerkt en een
                        sportkantine (soms) als hoogdrempelig. </al><al/><al>Op 17 juli 2002 heeft het CBB geoordeeld dat een horecalokaliteit, gelegen
                        in een sportcomplex, niet per definitie laagdrempelig is. De sporthal zelf
                        maakt geen onderdeel uit van de inrichting. Er dient beoordeeld te worden of
                        de horeca-inrichting zelf hoogdrempelig is. Het feit dat het café
                        voornamelijk gericht is op bezoekers van het sportcomplex, staat daar, aldus
                        het CBB, los van. Ook het feit dat het café in belangrijke mate bezocht
                        wordt door bezoekers beneden de 18 jaar staat er volgens het CBB niet aan in
                        de weg dat de lokaliteit niet tevens in belangrijke mate gericht kan zijn op
                        bezoekers van boven de 18 jaar en dat is het wettelijk criterium. (CBB
                        17-07-2002, <extref doc="http://modelverordeningen.sdu.nl/modelverordeningen/jurisprudentie/JG_02.0153.jsp"> JG 02.0153 </extref>, m.nt. T.J. van der Reijt) </al><al/><al><cursief>Samengestelde inrichtingen</cursief>Indien er sprake is van een
                        laagdrempelige horeca-inrichting, waarbinnen zich een horecalokaliteit als
                        bedoeld in artikel 1 eerste lid van de Drank- en Horecawet bevindt, dient te
                        worden onderzocht of de laagdrempelige gedeelten vanaf de openbare weg
                        bereikt kunnen worden via deze horecalokaliteit. Als dit het geval is, dan
                        is (op grond van artikel 30c vierde lid van de Wet op de kansspelen) de
                        horecalokaliteit alsnog laagdrempelig en is het niet toegestaan
                        kansspelautomaten te plaatsen. </al><al/><al>Het CBB heeft in enkele uitspraken begin 2002 opnieuw een lijn uitgezet over
                        wanneer er sprake is van hoog- of laagdrempelige inrichtingen en van
                        samengestelde inrichtingen. Uit deze uitspraken van het CBB is een
                        stappenplan af te leiden, dat dient te worden doorlopen bij de beantwoording
                        van de vraag of er sprake is van een hoogdrempelige inrichting.</al><al>a. Bij één afgesloten ruimte.</al><al>1. is er een vergunning volgens de Drank- en Horecawet?</al><al>2. staat het café- en restaurantbezoek op zichzelf?</al><al>3. zijn de activiteiten in belangrijke mate gericht op personen ouder dan
                        18?Is aan alle vereisten voldaan dan is er sprake van een hoogdrempelige
                        inrichting, waarin twee kansspelautomaten zijn toegestaan. Is aan een van de
                        eisen niet voldaan, dan is er sprake van een laagdrempelige inrichting.</al><al>b. Bij meerdere ruimten in een gebouw.</al><al>1. is er sprake van een afzonderlijke horecalokaliteit in het gebouw, dan
                        wel van meerdere lokaliteiten waarin het horecabedrijf wordt uitgeoefend,
                        die te zamen een besloten ruimte vormen binnen het gebouw?</al><al>2. wordt voor de afzonderlijke horecalokaliteit, dan wel voor het geheel van
                        de lokaliteiten die te zamen de horeca-inrichting vormen, voldaan aan de
                        stappen onder A?Is aan alle eisen voldaan, dan is er sprake van een
                        hoogdrempelige inrichting.</al><al>c. Bij een horecalokaliteit in de zin van artikel 1 eerste lid van de Drank-
                        en Horecawet binnen een laagdrempelige horeca-inrichting.</al><al>1. worden de stappen genoemd onder A. bevestigend beantwoord?</al><al>2. zo nee: er is geen sprake van een hoogdrempelige inrichting.</al><al>3. zo ja: zijn de overige ruimten van de laagdrempelige inrichting mogelijk
                        door het publiek te bereiken via deze horecalokaliteit? (artikel 30c vierde
                        lid Wet op de kansspelen).</al><al>4. zo ja: er is géén sprake van een hoogdrempelige inrichting in de zin van
                        de Wet op de Kansspelen, kansspelautomaten zijn niet toegestaan.</al><al>5. zo nee: er is sprake van een hoogdrempelige inrichting in de zin van de
                        Wet op de Kansspelen. </al><al/><al><cursief>Jurisprudentie</cursief></al><al>- Het verstrekken van lunches tussen 12.00 uur en 15.30 uur, dat speciaal op
                        een reclamebord wordt aangekondigd en waarvoor een aparte lunchkaart is,
                        vormt een laagdrempelige activiteit. CBB 11-04-2003, AWB 02/1474, LJN-nr.
                        AF7697.</al><al>- Een deur die slechts niet op slot mag vanwege
                        brandveiligheidsvoorschriften, maakt dat het mogelijk is via het eetcafé de
                        snackbar te betreden. Geen kansspelautomaten toegestaan. CBB 29-01-2003, AWB
                        02/697, LJN-nr. AF3782.</al><al>- De beslissing in een zogenaamd “feestcafé”-vergunning voor twee
                        kansspelautomaten onvoldoende gemotiveerd, omdat geen aandacht is besteed
                        aan de stelling dat er geen sprake meer was van exploitatie van een disco.
                        De motivering had betrekking dienen te hebben op de feitelijke gang van
                        zaken in de inrichting. Gemeente moet opnieuw besluiten. CBB 29-01-2003, AWB
                        02/969, LJN-nr. AF3780.</al><al>- Een inrichting die zich als lunchcafé afficheert, gelegen is bij een markt
                        en een sterk accent legt op kleine etenswaren, hetgeen ook uit de
                        omzetcijfers blijkt, is laagdrempelig. CBB 22-01-2003, AWB 02/1277, LJN-nr.
                        AF 4096.</al><al>- Hotellobby, waarin zich bar, eetgelegenheid en hotelreceptie bevindt, is
                        laagdrempelig, want de hotelreceptie trekt zelfstandige stroom bezoekers.
                        Ook het feit dat hotelgasten door een verbindingsdeur met een pasje naar de
                        kamers kunnen, maakt de ruimte laagdrempelig. Vz. CBB 31-12-2002, AWB
                        02/1501, 02/1702, LJN-nr AF3234.</al><al>- Bar/foyer in multifunctioneel vergadercentrum laagdrempelig, omdat het
                        publiek van buitenaf de zalen kan bereiken. Geen samengestelde inrichting.
                        CBB 23-12-2002, AWB 02/838, LJN-nr. AF3251.</al><al>- Inrichting met restaurant met snackbar laagdrempelig, en
                        restaurantgedeelte niet als hoogdrempelig aan te merken, omdat er één Drank-
                        en Horecavergunning is, het personeel vanuit dezelfde ruimte beide gedeelten
                        bedient en de toiletten (die ook bestemd zijn voor bezoekers van de snackbar
                        met bijbehorend terras) slechts te bereiken zijn via het restaurantgedeelte.
                        CBB 20-12-2002, AWB 02/1523, LJN-nr. AF3248.</al><al>- Eetcafé dat zich hoofdzakelijk richt op het winkelend publiek en
                        openingstijden die gelijklopen met winkelcentrum en waar overdag
                        voornamelijk koffie, thee, fris, kleine gerechten en lunches worden
                        geserveerd is laagdrempelig. CBB 20-12-2002, AWB 02/1493, LJN-nr.
                        AF3245.</al><al>- Eetcafé met kleine kaart naast driecomponentenmaaltijden tot 17.00 uur
                        laagdrempelig in zin van de Wet op de Kansspelen, Vz.CBB 23-10-2002,
                        AWB02/1647, LJN-nr. AF1167.</al><al>- Een vergunning tot het aanwezig hebben van speelautomaten kan slechts
                        worden verleend aan de natuurlijke of rechtspersoon, die houder is van een
                        vergunning ingevolge artikel 3 van de Drank- en Horecawet, dan wel
                        inschrijfplichtig en ingeschreven is bij het bedrijfsschap Horeca en
                        Catering. CBB 9 oktober 2002 AWB 01/963, 01/964, 01/ 965. LJN-nr.
                        AF0354.</al><al>- Gebiedsaanwijzing in speelautomatenhallenverordening toegestaan, ook als
                        eigenlijk al bekend was aan wie de vergunning zou worden verleend. CBB
                        04-10-2002, AWB 02/414, LJN-nr. AF0388.</al><al>- Inrichting waar floorshows en stripteaseshows worden gegeven laagdrempelig
                        en seksinrichting laagdrempelig. CBB 18-09-2002, AWB 02/559, LJN-nr. AF1844
                        en CBB 19-06-2002, AWB02/25, LJN-nr. AE6041.</al><al>- Omzetpercentage van kleine etenswaren in een eetcafé op zichzelf niet
                        bepalend voor de vraag of er sprake is van een zelfstandige stroom
                        bezoekers. Meer van belang is de combinatie van het aanbod en de ligging,
                        namelijk in een winkelcentrum. CBB 21-08-2002, AWB02/84, LJN-nr.
                        AE7051.</al><al>- Weigering van aanwezigheidsvergunning voor twee kansspelautomaten in café
                        is in strijd met motiveringsbeginsel. CBB 26-07-2002, AWB01/536, LJN-nr.
                        AE7541.</al><al>- Sportkantine niet per definitie laagdrempelig. CBB 17-07-2002, AWB01/822,
                        JG 02.0153 m.nt. T.J. van der Reijt, LJN-nr. AE 7540.</al><al>- Bowlingbaan niet gescheiden van bargedeelte. Hoewel de bowlingactiviteiten
                        slechts 20% van de omzet genereert, is er toch sprake van een zelfstandige
                        stroom van bezoekers. CBB 10-07-2002, AWB 02/300, LJN-nr. AE6038.</al><al>- Café bij supermarkt niet per definitie laagdrempelig. Voor beantwoording
                        van de vraag of van hoog- dan wel laagdrempelige inrichting sprake is, is
                        beslissend de wijze waarop de inrichting feitelijk op basis van de verleende
                        vergunningen functioneert en geëxploiteerd wordt. CBB 19-06- 2002,
                        AWB02/236, LJN-nr. AE6040.</al><al>- Deur die fungeert als nooduitgang voor het publiek tussen hoogdrempelig
                        (café) en laagdrempelig (kegelbaan) gedeelte van dezelfde inrichting, met
                        ieder hun eigen ingang, maakt dat de kegelbaan door het publiek kán worden
                        bereikt via de ingang van het café. Daarom geen kansspelautomaten
                        toegestaan. CBB 01-03-2002, AWB01/399 29010, <extref doc="http://modelverordeningen.sdu.nl/modelverordeningen/jurisprudentie/JG_02.0070.jsp"> JG 02.0070 </extref>m.nt. T.J. van der Reijt, LJN-nr. AE0468.</al><al>- Geen sprake van afzonderlijke horecalokaliteit in een inrichting met een
                        afhaalgedeelte en een café verbonden via een gemeenschappelijke bar
                        waarachter het personeel beide gedeelten van de inrichting kan bedienen. Eén
                        horecalokaliteit met meerdere activiteiten, kansspelautomaten niet
                        toegestaan. CBB 22-02-2002, AWB01/903 29011, <extref doc="http://modelverordeningen.sdu.nl/modelverordeningen/jurisprudentie/JG_02.0068.jsp"> JG 02.0068 </extref>, m.nt. T.J. van der Reijt, LJN-nr. AD9635.</al><al>- Steeds geheel of gedeeltelijk geopende harmonicawand tussen café en
                        zaalgedeelte is niet voldoende om te spreken van twee afzonderlijke
                        horecalokaliteiten. In café geen kansspelautomaten toegestaan. CBB
                        15-02-2002, AWB01/482 29010, <extref doc="http://modelverordeningen.sdu.nl/modelverordeningen/jurisprudentie/JG_02.0069.jsp"> JG 02.0069 </extref>m.nt. T.J. van der Reijt, LJN-nr. AD9977.</al><al>- Dorpshuis is niet in zijn geheel aan te merken als - laagdrempelige -
                        inrichting in de zin van de Wet op de kansspelen. In ieder geval behoren de
                        was- en kleedruimten, gezien de definitie conform de Drank- en Horecawet per
                        1 november 2000, niet tot de inrichting. CBB 13-02-2002, AWB01/616, <extref doc="http://modelverordeningen.sdu.nl/modelverordeningen/jurisprudentie/JG_02.0065.jsp"> JG 02.0065 </extref>m.nt. T.J. van der Reijt, LJN-nr. AD9636.</al><al>- Samengestelde inrichting in de zin van de Wet op de kansspelen.
                        Aanwezigheid van een voor het publiek toegankelijke deur tussen snackbar en
                        café. In het geval er slechts één deur is vanaf de openbare weg naar de
                        snackbar, waarna kan worden doorgelopen naar het café, is dat niet voldoende
                        motivering om een vergunning kansspelautomaten te weigeren. CBB 13-02-2002,
                        AWB01/668, <extref doc="http://modelverordeningen.sdu.nl/modelverordeningen/jurisprudentie/JG_02.0066.jsp"> JG 02.0066 </extref>m.nt. T.J. van der Reijt, LJN-nr. AD9630.</al><al>- Samengestelde inrichting in de zin van de Wet op de kansspelen. Van belang
                        is of het publiek gebruik kán maken van de deur aan de openbare weg van het
                        café/restaurant om de overige - laagdrempelige - ruimten in de inrichting te
                        bezoeken. Nabijheid camping niet van doorslaggevende betekenis bij vraag of
                        kansspelautomaten zijn toegestaan. CBB13-02-2002, AWB01/582 29010, <extref doc="http://modelverordeningen.sdu.nl/modelverordeningen/jurisprudentie/JG_02.0067.jsp"> JG 02.0067 </extref>m.nt. T.J. van der Reijt, LJN-nr. AD9589.</al><al>- Nachtbar/dancing is laagdrempelig. CBB 13-08-2001, AWB 01/537 29010, JG
                        01.0180 , m.nt. A.L. Esveld.</al><al>- Seksclub niet hoogdrempelig. CBB 16-07-2001, AWB 01/347 29010, JG 01.0156
                        , m.nt. A.L. Esveld.</al><al>- Salsaclub is laagdrempelig. CBB 16-07-2001, AWB 01/378 29010, JG 01.0181 ,
                        m.nt. A.L. Esveld.</al><al>- Het bieden van de mogelijkheid tot het afhalen van eten vormt
                        laagdrempelige activiteiten die een zelfstandige betekenis hebben. Broodjes,
                        broodjes shoarma en soepen zijn niet als volledige maaltijd aan te merken.
                        CBB 15-11-2000, AWB 00/73 29010, JG 01.0125 , m.nt. A. L. Esveld.- Het niet
                        tijdens de gehele openingstijd serveren van maaltijden die voldoen aan de
                        definitie van het begrip maaltijd, maakt een inrichting laagdrempelig. CBB
                        08-03-2000, AWB 99/715 29010, JG 00.0083 , m.nt. A.L. Esveld.</al><al>- Exploitant speelautomaten is geen, exploitant horeca-inrichting is wel
                        belanghebbende ex artikel 1:2 Awb. CBB 09-02-2000, AWB 99/550 29010, JG
                        00.0158 , m.nt. A. L. Esveld.</al><al>- Het koppelen van de openingstijden van een inrichting aan die van een
                        supermarkt is mede een reden om die inrichting als laagdrempelig te
                        beschouwen. CBB 13-01-2000, AWB 99/43 29010, JG 00.0104, m.nt. A.L.
                        Esveld.</al><al>- De omstandigheid dat coffeeshophouders personen onder de 18 jaar niet tot
                        hun inrichting mogen toelaten maakt de kwalificatie van een coffeeshop als
                        laagdrempelig niet zinledig. CBB 13-01-2000, AWB 98/1162 29010, JG 00.0132 ,
                        m.nt. A.L. Esveld.</al><al>- Niet ingeschreven bij het Bedrijfschap Horeca, derhalve ontbreekt
                        wettelijke grondslag voor vergunning voor de aanwezigheid van
                        kansspelautomaten. CBB 11-03-99, AWB 98/732 29000, JG 00.0045 , m.nt. A.L.
                        Esveld. </al></divisie><divisie><kop><label>Afdeling</label><nr>11.</nr><titel>Betreden gesloten woning of lokaal</titel></kop><al><onderstreept>Artikel 2:44 Betreden gesloten woning of
                        lokaal</onderstreept></al><al><cursief>Eerste lid</cursief></al><al>De burgemeester is op grond van artikel 174a van de Gemeentewet bevoegd tot
                        sluiting van woningen van waaruit (drugs)overlast wordt veroorzaakt.
                        Aangezien dit artikel in de Gemeentewet niet de rechtsgevolgen van de
                        sluiting regelt, verdient het aanbeveling dit in de APV te regelen. Het is
                        aan te raden om voor de gevallen waarin de woning niet is verzegeld of de
                        verzegeling reeds verbroken een strafbepaling zoals in het eerste lid van
                        artikel 2:44 op te nemen, waarin een sanctie wordt gesteld op overtreding
                        van het verbod. </al><al/><al><cursief>Tweede lid</cursief></al><al>Het tweede lid van artikel 2:44 is gebaseerd op de bevoegdheid van de
                        burgemeester ex artikel 13b van de Opiumwet tot toepassing van bestuursdwang
                        als in voor het publiek toegankelijke lokalen en daarbij behorende erven
                        drugs als bedoeld in artikel 2 of 3 van de Opiumwet worden verkocht,
                        afgeleverd, verstrekt, of daarvoor aanwezig zijn. Zie verder onder
                        toelichting eerste lid. Met de laatste wijziging van de Opiumwet is het ook
                        mogelijk om op te treden tegen drugshandel vanuit woningen en niet voor het
                        publiek toegankelijke lokalen. </al><al/><al><cursief>Derde lid</cursief></al><al>Aangezien de situatie kan ontstaan dat personen de woning of het lokaal
                        moeten betreden wegens dringende redenen, is het derde lid aan artikel 2:44
                        toegevoegd. Anders zou het verbod uit het eerste lid wel erg absoluut
                                zijn.</al><al/><al><cursief>Jurisprudentie</cursief></al><al><cursief>- </cursief>Veel jurisprudentie over sluiting van drugspanden of
                        voor publiek toegankelijke lokalen staat op de website van het Steun- en
                        Informatiepunt Drugs en Veiligheid (SIDV): <extref doc="http://www.sidv.nl">
                            www.sidv.nl </extref>. </al><al/><al><onderstreept>Artikel 2:45 Plakken en kladden</onderstreept></al><al/><al><cursief>Eerste lid</cursief>In het eerste lid is sprake van een absoluut
                        verbod. In de term “bekladden” ligt reeds besloten dat het daarbij niet gaat
                        om meningsuitingen als bedoeld in artikel 7 van de Grondwet, artikel 10 EVRM
                        en artikel 19 IVBPR. </al><al/><al><cursief>Tweede lid</cursief></al><al>Het aanbrengen van aanplakbiljetten op een onroerende zaak kan worden
                        aangemerkt als een middel tot bekendmaking van gedachten en gevoelens dat
                        naast andere middelen zelfstandige betekenis heeft en met het oog op die
                        bekendmaking in een bepaalde behoefte kan voorzien. </al><al/><al><cursief>Vrijheid van meningsuiting</cursief></al><al>Op het in artikel 7 van de Grondwet gewaarborgde grondrecht zou
                        inbreuk worden gemaakt als die bekendmaking in het algemeen zou worden
                        verboden of van een voorafgaand overheidsverlof afhankelijk zou worden
                        gesteld. Artikel 2:46 maakt op dit grondrecht geen inbreuk, aangezien het
                        hierin neergelegde verbod krachtens het tweede lid uitsluitend een beperking
                        van het gebruik van dit middel van bekendmaking meebrengt, voor zover door
                        dat gebruik een anders recht wordt geschonden. De eis dat “plakken” slechts
                        is toegestaan indien dit geschiedt met toestemming van de rechthebbende,
                        komt in het geval dat de gemeente die rechthebbende is, niet neer op het
                        afhankelijk stellen van dat aanplakken van een voorafgaand verlof van de
                        overheid als bedoeld in artikel 7 van de Grondwet. De gemeente die als
                        eigenares van een onroerende zaak toestemming verleent of weigert, handelt
                        namelijk in haar privaatrechtelijke hoedanigheid. </al><al/><al>Artikel 2:45 verdraagt zich ook met artikel 10 EVRM en artikel 19 IVBPR,
                        aangezien de beperking in de uitoefening van het recht op vrije
                        meningsuiting dat uit de toepassing van artikel 2:45 kan voortvloeien, kan
                        worden aangemerkt als nodig in een democratische samenleving ter bescherming
                        van de openbare orde. </al><al/><al>Een voorwaarde is echter wel dat de gemeente moet zorgen voor voldoende
                        plakplaatsen. Volgens het vierde lid kan het college aanplakborden aanwijzen
                        en daarvoor nadere regels stellen. Doet de gemeente dit niet, dan is er
                        volgens jurisprudentie wel sprake van strijd met artikel 7, van de Grondwet
                        en artikel 10 EVRM. Men volgt in het algemeen de norm van 1 plakbord of
                        –zuil op de 10.000 inwoners. Zie daarover: M. Geertsema in de noot onder
                        ABRS 05-06-2002 in JG 02.0221. </al><al/><al>D<cursief>oen plakken of doen aanbrengen</cursief></al><al>Bij de herziening van 2004 is het verbod van het tweede lid, onder a, in die
                        zin uitgebreid dat nu ook het “doen” plakken of het op andere wijze “doen”
                        aanbrengen van aanplakbiljetten onder de verbodsbepaling valt. Dit vanwege
                        de jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak Raad van State. Onder
                        “doen” aanplakken verstaat de Afdeling het geven van opdracht om te plakken
                        of een actieve bemoeienis daarmee hebben. In die gevallen kan de gemeente
                        dus met succes handhaven. Onder actieve bemoeienis wordt door de Afdeling
                        niet verstaan: door het enkele verstrekken van aanplakbiljetten anderen in
                        de gelegenheid stellen om deze aan te brengen; het alleen maar niet
                        tegengaan van het aanplakken; het op internet plaatsen van posters die men
                        voor eigen gebruik kan uitprinten, terwijl onder dat eigen gebruik mede
                        wordt verstaan het hangen van posters in de stad. Men moet bij de handhaving
                        de opdrachtgever wel een redelijke termijn gunnen om bij de door haar
                        ingeschakelde plakbedrijven te achterhalen waar de betreffende posters
                        geplakt waren en de verwijdering van die posters te bewerkstelligen. Naast
                        de bestuurlijke mogelijkheden tot handhaving en kostenverhaal, kan de
                        rechthebbende zijn kosten op de opdrachtgever ook verhalen met inschakeling
                        van de burgerlijke rechter. </al><al/><al><cursief>Graffiti</cursief></al><al>Graffiti is het op straat of op een andere min of meer openbare plaats met
                            <extref doc="http://nl.wikipedia.org/wiki/Verf">verf</extref> of <extref doc="http://nl.wikipedia.org/w/index.php?title=Verfstift&amp;action=edit&amp;redlink=1">verfstift</extref> (ook wel paintmarker genoemd) aanbrengen van
                        mededelingen of afbeeldingen.Graffiti op straat wordt meestal gemaakt met
                        behulp van spuitbussen met verschillende <extref doc="http://nl.wikipedia.org/wiki/Kleur">kleuren</extref><extref doc="http://nl.wikipedia.org/wiki/Verf">verf</extref>. Het zijn vaak
                        korte teksten en afbeeldingen, variërend van tags (korte parafen waaraan de
                        maker door zijn collega's wordt herkend) tot pieces (grotere, met kunstzin
                        uitgevoerde afbeeldingen). Vaak ziet men tientallen tags die dicht bij
                        elkaar zijn neergezet. Er zijn duidelijke stijlen te herkennen. Er is zeker
                        sprake van een ondergrondse graffiti-subcultuur. Tegenwoordig is in
                        Nederland vrijwel overal graffiti aan te treffen. In de loop der jaren is
                        graffiti deels vanuit het illegale circuit als geaccepteerd verschijnsel in
                        de maatschappij terechtgekomen. Zo bevinden zich in Vlissingen
                        graffiti-uitingen bij wijze van kunstuiting op het voormalige hotel
                        Britannia. Naast uiting als kunst uit graffiti zich vaak als <extref doc="http://nl.wikipedia.org/wiki/Vandalisme">vandalisme</extref>,
                        waarbij sprake is van bekladden van de openbare ruimte. Graffitispuiters
                        beschadigen publieke en particuliere eigendommen en jagen de eigenaren
                        daarmee op kosten om de graffiti te verwijderen. </al><al/><al><cursief>Jurisprudentie</cursief></al><al>- Uit het arrest van de Hoge Raad van 17 oktober 1989, NJ 1990, 222, blijkt
                        dat pas wanneer op grond van de algemene ervaringsregelen aannemelijk is
                        geworden dat rechthebbenden op zodanige schaal zouden weigeren in te stemmen
                        met aanplakking dat in feite geen mogelijkheid tot gebruik van enige
                        betekenis van dit middel tot verspreiding aanwezig is, van de gemeenten een
                        min of meer voorwaardenscheppend beleid gevraagd wordt zodat aan het
                        criterium “dat gebruik van enige betekenis moet overblijven”, ook feitelijk
                        inhoud kan worden gegeven. Het hangt af van “bijzondere plaatselijke
                        omstandigheden” of er nog gesproken kan worden van gebruik van enige
                        betekenis. Deze zullen dan ook onderzocht moeten worden, aldus de Hoge Raad
                        in een uitspraak van 26 januari 1993, NJ 1993, 534.</al><al>- Verzoek om vergunning voor het aanbrengen van borden aan lantaarnpalen ten
                        behoeve van het plakken van affiches is terecht opgevat als verzoek om
                        toestemming van de gemeente als eigenares van de lantaarnpalen. Betreft een
                        privaatrechtelijke aangelegenheid. ARRS 30 12 1993, JG 94.0194 m.nt. J.M.
                        van den Bosch van Os, AB 1994, 578 m.nt RMvM.</al><al>- Een projectie van een lichtreclame is te beschouwen als een andere wijze
                        van aanbrengen dan aanplakken van een afbeelding of aanduiding als bedoeld
                        in de APV. Vz.ARRS 13 12 1992, JG 93.0261 , Gst. 1993, 6965, 3 m.nt EB.
                        </al><al/><al><cursief>Jurisprudentie: Vrijheid van meningsuiting</cursief></al><al>- In APV opgenomen plakverbod is onverbindend wegens strijd met artikel 7,
                        lid 1, Grondwet (vrijheid van meningsuiting). Derhalve is geen vervolging
                        mogelijk ter zake van “wild plakken”. Er waren geen voldoende vrije
                        plakplaatsen in de stadsdelen. Gemeente is verplicht deze te scheppen. Rb.
                        Amsterdam 07-10-1993.</al><al>- Over een bepaling in de APV Amsterdam met ongeveer gelijkluidende inhoud
                        als artikel 2:42 oordeelde de Hoge Raad dat “niet aannemelijk is geworden
                        dat ten gevolge van het (...) verbod geen mogelijkheid van enige betekenis
                        tot gebruik van het onderhavige middel van verspreiding en bekendmaking zou
                        overblijven”. De bepaling is niet in strijd met artikel 10, tweede lid,
                        EVRM, aangezien deze “prescribed by law” is en “necessary in a democratic
                        society (...) for the prevention of disorder” en “protection of the (...)
                        rights of others”. HR 01-4-1997, NJ 1997, 457.</al><al>- Plakverbod van artikel 2.4.2 APV is niet in strijd met artikel 7 Grondwet
                        noch met artikel 10 EVRM. ABRS 05-06-2002, LJN-nr. AE3657, JG 02.0169 m.nt.
                        M. Geertsema, JB 2002, 221 m.nt. J. van der Velde, AB 2002, 361 m.nt. J.G.
                        Brouwer en A.E. Schilder. </al><al/><al><cursief>Jurisprudentie: Doen plakken of doen aanbrengen</cursief></al><al>- Betreft artikel 122 van de APV Utrecht, waarin ook het “doen” plakken was
                        opgenomen. Het college heeft ten onrechte een last onder dwangsom opgelegd
                        tot voorkoming van herhaling van illegaal plakken van reclamemateriaal en
                        tot het verwijderd houden van illegaal plakken. Het is een te ruime uitleg
                        om “doen” aanbrengen zo uit te leggen dat dit mede inhoudt het niet
                        tegengaan dat van Radio 538 afkomstig reclamemateriaal wordt aangeplakt. Er
                        is geen sprake van opdracht of een actieve bemoeienis van Radio 538. ABRS
                        18-09-2002, LJN-nr. AE7789, JB 2002, 329, Gst. 7181, 42 m.nt. M.M. Dolman en
                        Kistenkas.</al><al>- Last onder dwangsom om herhaling van (illegaal) plakken te voorkomen en
                        illegaal plakwerk verwijderd te houden. Uitleg van het begrip “doen
                        aanbrengen” als bedoeld in artikel 122, van de APV Utrecht. Als betrokkene
                        een derde of derden opdracht heeft gegeven tot het aanbrengen van
                        aanplakbiljetten of anderszins actieve bemoeienis heeft gehad met het
                        aanplakken, is deze verantwoordelijk voor het aanbrengen van
                        aanplakbiljetten. Het door het enkele verstrekken van aanplakbiljetten
                        anderen in de gelegenheid stellen om deze aan te brengen, is onvoldoende.
                        ABRS 15-01-2003, 200203589/1, LJN-nr. AF2902.</al><al>- Aanschrijving bestuursdwang om binnen 24 uur aanplakbiljetten te
                        verwijderen. De vraag is of Loesje als “doen”-plakker” in de zin van de APV
                        verantwoordelijk kan worden gehouden. Dit is niet het geval nu Loesje geen
                        actieve bemoeienis heeft gehad met het aanbrengen van de posters. Loesje
                        heeft de Loesje-posters slechts op internet geplaatst, waarbij is aangegeven
                        dat een ieder de posters voor eigen gebruik vrij kan uitprinten en dat onder
                        eigen gebruik onder meer wordt verstaan het hangen van posters in de stad.
                        Bovendien bevat de internetsite een disclaimer waarin erop wordt gewezen dat
                        posters alleen mogen worden geplakt op plaatsen waar dit is toegestaan en
                        verwezen is naar de toepasselijke APV. Rb. Den Haag 08-07-2004, LJN-nr.
                        AQ5977.</al><al>- Aanschrijving bestuursdwang om binnen 24 uur na de telefonische
                        inkennisstelling al het aangeplakte te verwijderen. Exacte locaties waren
                        ten tijde van de bestuursdwang niet bekend. Opplakken van de posters waren
                        aan een plakbedrijf uitbesteed. De Afdeling acht de termijn, waarbinnen
                        appellante bij de door haar ingeschakelde plakbedrijven moest zien te
                        achterhalen waar de betreffende posters geplakt waren en de verwijdering van
                        die posters moest bewerkstelligen te kort. ABRS 11-08-2004, 200400185/1,
                        LJN-nr. AQ6624.</al><al>- Podium had de verspreiding van affiches uit handen gegeven aan een derde
                        met uitdrukkelijke opdracht dat op legale wijze te doen. Toepasselijkheid
                        van artikel 6:171 BW dat voor Podium een risico-aansprakelijkheid vestigt
                        voor onrechtmatig handelen door derden, met wie geen dienstverband bestaat
                        maar die ingeschakeld worden voor werkzaamheden ter uitoefening van haar
                        bedrijf, zonder dat het voor de gemeente duidelijk gescheiden activiteiten
                        waren. In casu achtte de Kantonrechter het illegaal plakken aan een
                        activiteit van Podium te wijten. De kosten die de gemeente heeft gemaakt
                        voor de verwijdering van illegaal geplakte posters op gemeente-eigendommen
                        kan zij verhalen op Podium. Rb. Zwolle, sector kanton 16-12-2003, LJN-nr.
                        AF6147, JG 04.0025 m.nt. E.H.J. de Bruin.</al><al>- Appellant heeft posters doen plakken. Hij is verantwoordelijk voor het
                        gedrag van het bedrijf waaraan hij opdracht heeft gegeven posters te
                        plakken, ook als dat bedrijf tegen zijn instructies in zou hebben gehandeld
                        (door op niet toegestane plaatsen te plakken). Dat appellant het bedrijf
                        heeft opgedragen uitsluitend op toegestane locaties te plakken disculpeert
                        hem niet. Gesteld is immers niet dat hij goede grond had om te mogen
                        vertrouwen dat dit bedrijf zich zou houden aan die opdracht. Hof Amsterdam
                        23-12-2004, 1774/03, LJN-nr. AS5302. </al><al/><al><onderstreept>Artikel 2:46 Vervoer plakgereedschap e.d.</onderstreept></al><al>Door deze bepaling wordt de effectiviteit van het in het vorige artikel
                        opgenomen aanplakverbod vergroot. Het tweede lid regelt een
                        rechtvaardigingsgrond voor die gevallen dat de in het eerste lid genoemde
                        stoffen en voorwerpen niet waren bestemd om te plakken of te kladden. Het
                        bepaalde in het tweede lid strijdt niet met het in artikel 6, tweede lid,
                        EVRM neergelegde beginsel, dat een verdachte tegen wie een strafvervolging
                        aanhangig is, niet is gehouden zijn onschuld te bewijzen en dat, voordat
                        zijn schuld op wettige wijze is vastgesteld, waarbij hem de gelegenheid is
                        geboden zich te verdedigen, de rechter hem niet als schuldig mag aanmerken.
                        Deze bepaling maakt geen inbreuk op enige bepaling van het Wetboek van
                        Strafvordering en is evenmin in strijd met enige andere wetsbepaling noch
                        met enig tot de algemene rechtsbeginselen te rekenen beginsel van
                        strafprocesrecht. Bij de voorgestelde redactie is het de opsporingsambtenaar
                        en het OM mogelijk gemaakt aan de hand van de omstandigheden of verkregen
                        indrukken na te gaan of er al dan niet sprake is van een overtreding als
                        bedoeld in het eerste lid. </al><al/><al><onderstreept>Artikel 2:47 Vervoer inbrekerswerktuigen</onderstreept></al><al>Deze verbodsbepaling beoogt het plegen van misdrijven zoals diefstal met
                        braak te bemoeilijken. Te denken valt aan lopers, valse sleutels,
                        touwladders, lantaarns, breekijzers, koevoeten, slijptollen,
                        schroevendraaiers, tangen, dop-, ring-, pijp-, moer-, ketting-, steek- en
                        inbussleutels, hamers, bijlen, beitels, vijlen, enz. Het gaat hierbij om
                        (poging tot) diefstal als bedoeld in artikel 310 Wetboek van Strafrecht, al
                        dan niet in vereniging:</al><al>1. uit een woning door middel van braak, verbreking en/of inklimming, één en
                        ander in de ruimste zin van het woord, waarbij het essentiële onderscheid
                        met de andere onder deze richtlijn vallende basisdelicten is het begrip
                        "woning", waarin de aantasting van de persoonlijke levenssfeer als
                        strafvorderlijk zeer relevant wordt gezien;</al><al>2. uit een bedrijf door middel van braak, verbreking en/of inklimming, één
                        en ander in de ruimste zin van het woord, waarbij onder bedrijven tevens
                        gerangschikt worden: winkels, kerken, scholen, sportkantines/accommodaties,
                        zwembaden en dergelijke;</al><al>3. uit een auto door middel van braak, verbreking en/of inklimming, één en
                        ander in de ruimste zin van het woord. </al><al>4. waarbij de verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft
                        verschaft door middel van braak, verbreking en/of inklimming, welke niet
                        geclassificeerd wordt onder de eerder genoemde inbraak woning, inbraak
                        bedrijf en inbraak auto. Hierbij valt te denken aan diefstallen uit
                        tuinhuisjes, vakantieverblijven, caravans, plezierjachten, bouwketen, boxen,
                        schuurtjes. </al><al/><al><cursief>Jurisprudentie</cursief></al><al>- Een verbodsbepaling inzake het vervoer van inbrekerswerktuigen kan
                        strekken tot bescherming van de openbare orde als bedoeld in artikel 149
                        Gemeentewet. HR 07-06-1977, NJ 1978, 483 (APV Wassenaar). HR 28-02-1989, NJ
                        1989. 687 (APV Nijmegen) </al><al/><al><onderstreept>Artikel 2:48 Varen in openbaar water</onderstreept></al><al>Vlissingen heeft zowel buitendijks als daarbinnen veel water. Het gaat
                        binnendijks zowel om oppervlaktewateren als waterlopen. Onder het begrip
                        oppervlaktewater(en) vallen alle wateren die een functie hebben voor de af-
                        en/of aanvoer en/of de berging van het op de bodem vrij aanwezige water.
                        Veel, maar niet alle, van deze wateren zijn in onderhoud bij het waterschap
                        Scheldestromen. Een bergingsvijver in bijvoorbeeld een woongebied is van
                        belang voor de berging van water. Dergelijke bergingsvijvers worden door de
                        gemeente onderhouden. De omschrijving van het begrip 'waterloop’ verschil in
                        die zin met de omschrijving van het begrip oppervlaktewater dat
                        onderwaterlopen niet vallen de oppervlaktewateren die uitsluitend een
                        functie hebben voor de berging van water. Dit zal in de legger tot
                        uitdrukking komen. Hieruit volgt dat iedere waterloop tevens moet worden
                        aangemerkt als oppervlaktewater, doch niet ieder oppervlaktewater als
                        waterloop. Wonen aan of bij het water heeft een positieve invloed op het
                        woonklimaat. Het rustig woon- en leefklimaat kan echter worden verstoord
                        door activiteiten op het oppervlaktewater of op waterlopen waarvoor zij niet
                        zijn bedoeld. Te denken valt aan toeristisch-recreatief gebruik met
                        vaartuigen dat aanleiding geeft tot overlast of baldadigheid. Dit artikel
                        biedt een handvat daartegen handhavend op te treden. In die gevallen waarin
                        deze vrees niet bestaat kan ontheffing onder het stellen van voorwaarden
                        worden verleend. </al><al/><al><onderstreept>Artikel 2:49 Slapen op of aan openbare
                        plaatsen</onderstreept></al><al>In het eerste lid onder a en b is verwoord dat op geen enkele wijze – in de
                        openlucht, in een onderkomen als een voertuig, kampeerwagen, vrachtwagen,
                        bus, woonwagen, caravan, vouwwagen, tent of ander onderkomen - op of aan de
                        openbare weg mag worden overnacht. Tevens is het verboden gelegenheid te
                        bieden voor dergelijke overnachting. Het verbod als genoemd in het eerste
                        lid is gesteld in het belang van de openbare orde, veiligheid, zedelijkheid
                        en volksgezondheid. In het tweede lid is de mogelijkheid van ontheffing
                        opgenomen. Op grond van artikel 1:4 kunnen - indien een ontheffing wordt
                        verleend - voorschriften worden verbonden aan de ontheffing ter voorkoming
                        en beperking van onder andere hinder, geluidsoverlast, verontreiniging,
                        brandgevaar alsmede ter bescherming van de volksgezondheid het aanzien van
                        de woon- en leefomgeving. </al><al/><al><onderstreept>Artikel 2:50 Hinderlijk gedrag in de publieke
                            ruimte</onderstreept></al><al>Op basis van artikel 2:50 (en artikel 2:52 - Verboden gedrag bij of in
                        gebouwen) kan tegen vormen van onnodige hinder of overlast worden
                        opgetreden. </al><al><cursief>Afbakening</cursief>Artikel 424 van het Wetboek van Strafrecht
                        stelt “straatschenderij” strafbaar, terwijl artikel 426bis het belemmeren
                        van anderen op de openbare weg met straf bedreigt. Artikel 431 stelt
                        nachtelijk burengerucht strafbaar. Deze handelingen zou men kunnen
                        omschrijven als baldadigheid. De omschrijving is echter strakker dan wat men
                        in het taalgebruik meestal als baldadigheid ervaart. </al><al/><al>Artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994 bepaalt dat het voor eenieder
                        verboden is zich zodanig te gedragen dat gevaar op de weg wordt veroorzaakt
                        of kan worden veroorzaakt dan wel dat het verkeer op de weg wordt gehinderd
                        of kan worden gehinderd. De strekking van het begrip publieke ruimte in
                        artikel 2:50 gaat verder dan het begrip weg als bedoeld in de
                        Wegenverkeerswet 1994, (zie daarvoor de toelichting op artikel 1:1). Voor
                        zover een hinderlijke gedraging plaatsvindt op de weg, als omschreven in
                        artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994, is artikel 2:50 niet van toepassing.
                        Werd dit niet uitgesloten, dan zou een met een hogere regelgeving strijdige
                        situatie kunnen ontstaan. </al><al/><al><cursief>Jurisprudentie</cursief>De gemeentelijke wetgever is bevoegd tot
                        aanvulling van de artikelen 424 en 426bis WvSr. HR 26 02 1957, NJ 1957, 253
                        (APV Eindhoven)</al><al/><al><onderstreept>Artikel 2:51 Verboden
                        drankgebruik</onderstreept></al><al><cursief>1. Hinderlijk drankgebruik</cursief></al><al>In artikel 2:51, eerste lid, is een verbod opgenomen om in een bepaald door
                        het college aan te wijzen gebied alcoholhoudende drank te nuttigen of
                        aangebroken flesjes en blikjes met dergelijke drank bij zich te hebben. Dit
                        verbod geldt uiteraard niet voor terrassen die deel uitmaken van een
                        horecabedrijf, of voor een evenement waarbij van gemeentewege op grond van
                        artikel 35, tweede lid, Drank- en Horecawet toestemming is verleend om op de
                        plaats waar dat evenement zich afspeelt alcoholhoudende drank te
                        verstrekken. Het is mogelijk dat een verschuiving in het gedrag van jongeren
                        in de richting van buiten het aangewezen gebied gelegen delen van de
                        gemeente zal plaatsvinden. In de meeste gevallen zal dit echter niet erg
                        waarschijnlijk zijn, omdat mag worden aangenomen dat de aangewezen plaatsen
                        door hun aantrekkelijke karakter mede bepalend voor het verschijnsel zijn.
                        Wanneer echter toch andere plaatsen als pleisterplaatsen worden uitverkoren
                        dan kan het college alsnog ook voor die nieuwe pleisterplaatsen een
                        aanwijzingsbesluit nemen. </al><al/><al>Bij daadwerkelijke verstoring van de openbare orde, kunnen op grond van de
                        artikelen 2 en 12 Politiewet bevelen tot verwijdering worden gegeven.
                        Niet-naleving daarvan is strafbaar op grond van artikel 184 Wetboek van
                        Strafrecht. Voorts zal in een aantal gevallen (als bij voorbeeld wordt
                        geconstateerd dat flesjes worden stuk gegooid) optreden mogelijk zijn aan de
                        hand van artikel 424 van het Wetboek van Strafrecht (baldadigheid). De
                        hantering van deze wetsbepalingen is in de praktijk echter niet eenvoudig.
                        Er bestaat daarom behoefte aan een rechtsgrond zoals genoemd dit artikel,
                        waardoor optreden in wat men zou kunnen noemen de 'voorfase' – dus het bier
                        drinken op bepaalde plaatsen – mogelijk wordt. Ter uitvoering van artikel
                        2:51, eerste lid, heeft het college de bebouwde kommen van de gemeente
                        hebben aangewezen - met uitzondering van de stranden – als gebieden waarvoor
                        het verbod geldt. Bij het verlenen van een ontheffing als bedoeld in het
                        derde lid valt te denken aan een buurtbarbecue, de sponsorruimte bij
                        evenementen enz. </al><al/><al><cursief>Jurisprudentie:</cursief></al><al>Blowverbod: artikel 2.17, vijfde lid, van de APV Amsterdam 2008 dat de
                        burgemeester de bevoegdheid geeft een gebied aan te wijzen waarin het
                        verboden is, en op grond van art. 6.1 APV strafbaar is gesteld, om softdrugs
                        te gebruiken of openlijk voorhanden te hebben is in strijd met artikel 3,
                        aanhef en onder C, Opiumwet en mist verbindende kracht (ABRS 13 juli 2011,
                        201009884/1/H3 - LJN: BR1425 ) </al><al/><al><onderstreept>Artikel 2:52 Hinderlijk gedrag bij of in
                            gebouwen</onderstreept> Voor een toelichting wordt verwezen naar de
                        toelichting bij artikel 2:50 (Hinderlijk gedrag op of aan de weg).
                        </al><al/><al><onderstreept>Artikel 2:53 Hinderlijk gedrag in voor publiek toegankelijke
                            ruimten</onderstreept> Deze bepaling is opgesteld om het misbruik van
                        bepaalde, voor het publiek toegankelijke ruimten zoals parkeergarages,
                        telefooncellen en wachtlokalen voor een openbaar vervoermiddel tegen te
                        gaan. In deze bepaling wordt het woord “ruimte” gebruikt ter onderscheiding
                        van het in de APV voorkomende begrip “weg”. Om een indicatie te geven bij
                        het beantwoorden van de vraag op welke voor het publiek toegankelijke
                        ruimten de bepaling het oog heeft, is bij wijze van voorbeeld een aantal
                        ruimten concreet genoemd. </al><al/><al>Desgewenst kan deze reeks van voorbeelden met andere worden uitgebreid. Het
                        ordeverstorende element ten slotte wordt door de zinsnede “zonder redelijk
                        doel of op voor anderen hinderlijke wijze” in de bepaling tot uitdrukking
                        gebracht. </al><al/><al>Aan deze bepaling bestaat behoefte omdat op basis van artikel 138 van het
                        Wetboek van Strafrecht, betreffende het wederrechtelijk vertoeven (in een
                        woning, besloten lokaal of erf, bij een ander in gebruik), slechts kan
                        worden opgetreden indien er sprake is van een handelen van de rechthebbende.
                        De politie kan niet zonder tussenkomst van de rechthebbende optreden. In het
                        belang van de handhaving van de openbare orde is het wenselijk dat de
                        politie bij baldadig of ordeverstorend gedrag in zelfbedieningsruimten in
                        postkantoren, en in andere soortgelijke voor het publiek toegankelijke
                        ruimten, onmiddellijk kan ingrijpen, mede om de eigendommen van derden te
                        beschermen. In de circulaire van de VNG van 4 april 1977, OB 1977, IX.0, nr.
                        38112, wordt ingegaan op deze bepaling. </al><al/><al><cursief>Jurisprudentie</cursief></al><al>- Artikel 138 Sr. vereist een handeling van een rechthebbende, HR 12 06
                        1951, NJ 1951, 618</al><al>- Reglement NS, inhoudende een verbod om zich op enig gedeelte van het
                        station onbehoorlijk te gedragen, is noch in strijd met artikel 1 Wetboek
                        van Strafrecht noch met artikel 7 van de Europese conventie voor de rechten
                        van de mens (ECRM), HR 02 04 1985, NJ 1985, 796 (Algemeen reglement vervoer
                        NS). De (min of meer gelijkluidende) bepaling in de APV Amsterdam is
                        verbindend, omdat de norm voldoende is geconcretiseerd, HR 01-09-1998 NJ
                        1999, 61 (APV Amsterdam). </al><al/><al><onderstreept>Artikel 2:54 Neerzetten van fietsen e.d.</onderstreept> Het
                        plaatsen van voertuigen is op verschillende plaatsen geregeld, steeds met
                        een wisselende bedoeling: de instandhouding van het plantsoen, het tegengaan
                        van diefstal of verkeersbelangen. In dit artikel gaat het om de voorkoming
                        van overlast. Het neerzetten van fietsen en bromfietsen tegen panden die
                        niet door de eigenaren van de voertuigen worden bezocht of op plaatsen waar
                        deze voertuigen hinder of schade kunnen veroorzaken, geeft vaak aanleiding
                        tot klachten. Artikel 2:54 geeft de mogelijkheid hiertegen op te treden. </al><al/><al><onderstreept>Artikel 2:55 Overlast van fiets of bromfiets op markt en
                            kermisterrein e.d.</onderstreept></al><al>Op grond van het RVV 1990 kunnen bepaalde categorieën weggebruikers van
                        bepaalde wegen worden geweerd. De achtergrond daarvan is het verkeersbelang,
                        hetzij de verkeersveiligheid of de vrijheid van het (andere) verkeer. Dat
                        moet op de in het reglement voorgeschreven wijze ter kennis van de
                        weggebruiker worden gebracht. </al><al/><al>Er kunnen echter andere motieven zijn om bepaalde categorieën weggebruikers
                        te weren. Hier is een verbod opgenomen om de fiets of de bromfiets mee te
                        voeren op terreinen, waar onder meer markt wordt gehouden, als dat
                        marktterrein door het college is aangewezen als een voor fietsen en
                        bromfietsen verboden terrein gedurende die tijd. In de mensenmenigte is een
                        fiets hinderlijk. Kleding wordt vuil gemaakt of gaat kapot. Het verbod moet
                        wel aan de bezoekers van het terrein worden kenbaar gemaakt.
                        </al><al/><al><onderstreept>Artikel 2:56 Loslopende honden</onderstreept></al><al>Artikel 2:56 beperkt het loslopen van honden op de weg, zonder dat de hond
                        aangelijnd is, en op kinderspeelplaatsen e.d. Aan dit artikel ligt in zijn
                        algemeenheid het motief van de voorkoming en bestrijding van overlast ten
                        grondslag. In het bijzonder heeft dit artikel de volgende bedoelingen:</al><al>- de bescherming van de verkeersveiligheid, die door loslopende honden in
                        gevaar kan worden gebracht;</al><al>- het voorkomen van beschadiging aan eigendommen van derden;</al><al>- het voorkomen van hinder voor voetgangers;</al><al>- het bestrijden van verontreiniging (bijvoorbeeld van speelweiden,
                        zandbakken, e.d.);</al><al>- het voorkomen van schade en dierenleed, die worden veroorzaakt doordat
                        loslopende honden andere dieren en wel met name schapen en kippen naar het
                        leven staan. </al><al/><al>De glooiing is geen strand. Voor de uitleg van het begrip ‘strand’ wordt
                        aansluiting gezocht bij wat daaronder wordt verstaan in het dagelijkse
                        spraakgebruik en de definitie van Van Dale Groot woordenboek van de
                        Nederlandse taal (14): ‘langs de zee gelegen land dat aan de oppervlakte uit
                        zand bestaat, buiten de duinvoet of dijksteen’. </al><al/><al>Er kunnen zich situaties voordoen waarin de belangen van de hondenbezitter
                        zich tegen een strikte toepassing van het aanlijngebod verzetten. Het
                        betreft hier onder andere de eigenaren van blindengeleidehonden en andere
                        sociale hulphonden. Voor deze categorie in het derde lid een voorziening
                        getroffen. Als in strijd met het in dit artikel neergelegde verbod honden
                        loslopend worden aangetroffen, kan op basis van artikel 125 van de
                        Gemeentewet (bestuursdwang) de honden gevangen worden genomen en
                        overgedragen aan een door het college aangewezen asiel. Dit vindt uiteraard
                        niet plaats wanneer de eigenaar direct te achterhalen is. </al><al/><al>Ook artikel 4 van de Wet op de dierenbescherming kan worden toegepast. Het
                        eerste lid van dit artikel geeft ambtenaren van de politie de bevoegdheid
                        honden en katten op te vangen die ‘s nachts elders dan op het erf van de
                        eigenaar of houder zonder toezicht worden aangetroffen. Het tweede lid van
                        artikel 4 bepaalt dat het hoofd van politie de eigenaar of houder moet
                        berichten van een en ander en hem gelegenheid moet geven om het dier
                        gedurende veertien dagen na de datum van het bericht op te halen. Het ter
                        plaatse doden van loslopende honden en katten is geregeld in artikel 4,
                        eerste lid, onder b, van de Wet op de dierenbescherming. </al><al>De mogelijkheid van het ter plaatse doden van loslopende honden en katten
                        wordt in twee opzichten beperkt:</al><al>1. De hond of de kat moet een onmiddellijk gevaar vormen voor zich op erven
                        of in het veld bevindende dieren, waarvan de instandhouding gewenst is.</al><al>2. Geen ander middel ter afwering van het gevaar mag ten dienste staan.</al><al>3. De bevoegdheid komt slechts toe aan de bezoldigde ambtenaren van politie
                        en de door de minister van justitie aangewezen onbezoldigde ambtenaren van
                        politie.Het Burgerlijk Wetboek geeft in boek 5 een regeling voor gevonden
                        dieren. De vinder van een hond kan het dier bij de gemeente in bewaring
                        geven. De gemeente moet op basis van artikel 5:8 BW vervolgens ten minste
                        twee weken de verzorging van het dier op zich te nemen. In de praktijk wordt
                        hieraan meestal vorm gegeven door het dier onder te brengen bij een
                        dierenasiel, waarbij de gemeente de kosten voor het verblijf, de voeding en
                        de verzorging betaalt. Na twee weken is de burgemeester bevoegd het dier te
                        verkopen of weg te geven. Als deze mogelijkheden zijn uitgesloten dan kan de
                        burgemeester het dier laten afmaken. De termijn van twee weken kan worden
                        bekort als de kosten voor de verzorging onevenredig hoog zullen zijn of als
                        het afmaken van het dier om geneeskundige redenen is vereist. </al><al/><al>Deze regeling geldt alleen voor gevonden dieren. Wanneer de eigenaar het
                        dier niet is verloren, bijvoorbeeld omdat duidelijk is dat het dier slechts
                        even verwijderd is van eigenaar of erf, is er geen sprake van een “gevonden
                        dier”. Beide genoemde regelingen over het doden van dieren zijn uitputtend
                        bedoeld. De gemeentelijke wetgever mag derhalve het doden van loslopende
                        honden in het geheel niet regelen. </al><al/><al><cursief>Jurisprudentie</cursief></al><al>- Aanwijzing hondenuitlaatzone. Betrokkenen zijn belanghebbenden, gelet op
                        de geringe afstand tussen de woningen en de uitlaatzone. Vz. ABRS
                        13-12-1996, JG 97.0050.</al><al>- Het college dient het onaangelijnd zijn van de hond te gedogen in verband
                        met de functie van de hond als signaal- of dovengeleidehond. Vz. ARRS
                        20-07-1993, JG 94.0055 , AB 1994, 454. </al><al/><al><onderstreept>Artikel 2:57 Verontreiniging door honden</onderstreept>
                        Straatverontreiniging kan grote gevaren opleveren voor de volksgezondheid.
                        Ook wordt via hondenuitwerpselen die op straat, in parken en plantsoenen
                        blijven liggen, het voor honden dodelijke canine parvo virus verspreid. De
                        strafbaarheid wordt opgeheven als de uitwerpselen direct worden verwijderd.
                        Degene die één of meerdere honden tegelijk uitlaat dient per hond één
                        hondenpoepzak bij zich te hebben en in voorkomende gevallen te gebruiken. Er
                        zijn verschillende manieren om de overlast van hondenuitwerpselen aan te
                        pakken. Al zal de handhaving (betrapping op heterdaad) niet meevallen, op
                        den duur zal een preventieve invloed van deze bepaling uitgaan. Overtreding
                        van het verontreinigingsverbod door hondenuitwerpselen behoort tot de
                        zogeheten verontreinigingsdelicten, die vatbaar zijn voor transactie door de
                        politie. </al><al/><al><cursief>Jurisprudentie</cursief>Aanwijzing hondenuitlaatzone. Betrokkenen
                        zijn belanghebbenden, gelet op de geringe afstand tussen de woningen en de
                        uitlaatzone. Vz.ABRS 13 12 1996, JG 97.0050 . </al><al/><al><onderstreept>Artikel 2:58 Gevaarlijke honden</onderstreept></al><al>De Regeling Agressieve Dieren (RAD) is per 1 januari 2009 ingetrokken, omdat
                        uit een evaluatie bleek dat de regeling niet effectief was. Het aantal
                        bijtincidenten was in 15 jaar tijd niet afgenomen en er was, ondanks het
                        fokverbod, geen vermindering van het aantal pitbull-achtige honden. De
                        Gemeentewet (artikel 172, derde lid) en het Wetboek van Strafrecht
                        (artikelen 300, 350 en 425, eerste lid) bieden voldoende mogelijkheden om
                        agressieve honden aan te pakken. Daarom komt er geen nieuwe landelijke
                        regeling voor de aanpak van agressieve honden van het Ministerie van
                        Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit. De intrekking van de RAD is alleen van
                        betekenis voor pitbullterriërs. Aan de regelgeving voor alle andere honden
                        is niets veranderd. De gemeente maakt onderscheid tussen drie categorieën
                        van gevaarlijke honden:1. Groepen honden met morfologisch overeenkomstige
                        karakteristieken (gelijke lichaamsbouw), waarmee wordt gefokt op agressief
                        gedrag. Aan de eigenaar of de houder van een hond uit categorie 1 moet die
                        hond op of aan de weg of op het terrein van een ander kort aanlijnen en
                        voorzien van een muilkorf. Bij openbare melding zal het college bepalen welk
                        ras of type hond dan wel wat voor door kruising daarmee verkregen verwanten
                        onder deze eerste categorie gevaarlijke honden er dus onder de strafbepaling
                        moeten vallen. Te denken valt aan de Pitbullterriër, Rottweiler, American
                        staffordshire terriër, Dogo Argentino, Fila Brasileiro en de Mastino
                        Napoletana. 2. Gebruikshonden, dat wil zeggen: honden die geheel of
                        gedeeltelijk zijn opgeleid voor bewakings- , opsporings- of
                        verdedigingswerk. Ten aanzien van een hond uit categorie 2 geldt een
                        aanlijngebod. Invoering van een verplichting tot muilkorven van een
                        gebruikshond stuit op het bezwaar dat hierdoor de uitvoering van de taak
                        waarvoor zo’n hond is opgeleid, bijzonder wordt bemoeilijkt. Gelet op het
                        gebruik van de hond voor bewakings-, opsporings- en verdedigingswerk is het
                        aanlijngebod beperkt tot de weg: op het terrein van een ander kan de hond
                        zijn functie blijven vervullen. Op het aanlijngebod maakt de gemeente onder
                        twee voorwaarden een uitzondering: de hond moet met goed gevolg een
                        opleiding tot gebruikshond bij een erkende instantie of een zogenaamde
                        gedrags- en gehoorzaamheidscursus 1 hebben doorlopen en hij moet vergezeld
                        gaan van de eigenaar of de houder, die hem heeft opgeleid. Erkende
                        instanties zijn volgens de commissie de onderafdelingen van rasverenigingen
                        van werkhondenrassen, de Nederlandse bond voor
                        gebruikshondensportverenigingen, de Koninklijke Nederlandse
                        politiehondvereniging en de Nederlandse bond voor de diensthond. Informatie
                        over een gedrags- of gehoorzaamheidscursus is verkrijgbaar bij een
                        kynologenclub. 3. Individuele honden die niet vallen onder de vorige twee
                        categorieën en waarvan in de praktijk - door het toebrengen van letsel of
                        het uiten van een dreiging daartoe - is gebleken dat zij gevaarlijk zijn
                        voor mens of dier. Ter ondersteuning van de beschreven aanlijn- en
                        muilkorfgeboden is identificatie en registratie van de honden uit de drie
                        categorieën wenselijk. Dat moet worden gerealiseerd door het aanbrengen van
                        een optisch leesbaar, niet verwijderbaar identificatiemerk in het oor of in
                        de buikwand van de hond en voorts door gegevensverstrekking door de
                        eigenaren aan de Stichting registratie gezelschapsdieren Nederland en in
                        geval van rashonden de Raad van beheer op kynologisch gebied in Nederland
                        (hogere regeling). De identificatie en registratie zijn van belang voor de
                        controle op de naleving van de aanlijn- en muilkorfgeboden en voor de
                        opsporing van een overtreder. Via de tatoeage moet nagegaan kunnen worden of
                        een hond behoort tot een gevaarlijke categorie en wie de eigenaar of houder
                        is. Voor zover het gevaar van een hond voortvloeit uit een besmettelijke
                        dierziekte zoals hondsdolheid, dient de burgemeester op grond van artikel 21
                        Gezondheids- en welzijnswet voor dieren de maatregelen te nemen die hem door
                        of vanwege het ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij worden
                        opgedragen ter voorkoming van - verdere - besmetting. Welke maatregelen dit
                        zijn is te vinden in artikel 22 van genoemde wet. Onder meer kan worden
                        bevolen dat honden moeten worden voorzien van een muilkorf. De voorschriften
                        met betrekking tot muilkorven zijn geregeld in de Regeling betreffende
                        maatregelen ter voorkoming van overbrenging besmetting (Stcrt. 1996, 61).
                        Overigens dient de burgemeester zodra hij in kennis is gesteld van een
                        verdenking van een besmettelijke dierziekte hiervan terstond de
                        inspecteur-districtshoofd Veterinaire dienst en de Veterinaire
                        Hoofdinspecteur van de Volksgezondheid op de hoogte te stellen. Artikel 27
                        Gezondheids- en welzijnswet voor dieren geeft de burgemeester de bevoegdheid
                        om een bevel uit te vaardigen dat de door hem aangewezen dieren moeten
                        worden vastgelegd of opgesloten ter bestrijding van besmettelijke
                        dierziekten. Dieren die ondanks het bevel niet zijn vastgelegd of opgesloten
                        mogen op last van de burgemeester worden gedood. </al><al/><al><cursief>Jurisprudentie</cursief></al><al><cursief>- </cursief>Aanschrijving tot muilkorving van gevaarlijke honden.
                        Politierapport en vonnis kantonrechter voldoende aanleiding voor standpunt
                        dat honden gevaarlijk zijn en de te treffen maatregelen. ARRS 05 02 1991,
                        Gst. 1991, 6932, 13 m.nt. CG.</al><al>- Gevecht tussen niet-gemuilkorfde pitbullterriërs en een andere hond,
                        waarbij een hond is overleden en een omwonende is aangevallen. De
                        burgemeester heeft in redelijkheid het zwaarste gewicht kunnen toekennen aan
                        de bescherming van de veiligheid van mens en dier in de gemeente en besloten
                        tot het doden van de pitbulls op grond van artikel 74 Gezondheids- en
                        welzijnswet. Vz.CBB 24-5-1993, AB 1993, 460.</al><al>- Een soortgelijke casus is te vinden in Pres. Rb Zwolle 3-3-1995, JG
                        95.0307, Gst. 1996, 7028 m.nt. HH. Artikel 74 Gezondheids- en welzijnswet
                        voor dieren is een speciale bevoegdheid ten opzichte van artikel 172
                        Gemeentewet.Muilkorfgebod op grond van de APV voor Argentijnse Dog na
                        bijtincident met dodelijke afloop voor andere hond. Het college heeft bij
                        het opleggen van een dergelijke maatregel een ruime mate van
                        beoordelingsvrijheid. Niet onevenredig. Vz.ABRS 22-05-2001, KG 2001,179, JG
                        01.0139 m.nt. M. Geertsema. </al><al/><al><onderstreept>Artikel 2:59 Houden van hinderlijke of schadelijke
                            dieren</onderstreept></al><al>Door in het eerste lid de zinsnede “buiten een inrichting in de zin van de
                        Wet milieubeheer op ten nemen wordt de afbakening met de Wet milieubeheer
                        direct vastgelegd. Het kan voor de omgeving hinderlijk zijn, als iemand
                        dieren houdt. Er moet kunnen worden ingegrepen als overlast of schade voor
                        de openbare gezondheid dreigt. Dan moeten belangen worden afgewogen. Daarom
                        is gekozen voor de constructie dat het college bevoegd wordt verklaard om de
                        plaatsen aan te wijzen waar naar zijn oordeel het houden van bepaalde dieren
                        overlast of schade voor de volksgezondheid veroorzaakt. Voor zover het
                        college bij een aanwijzing die betrekking heeft op gedeelten van de gemeente
                        bevoegd is verklaard daarbij nadere regels te geven inzake het houden van
                        dieren, is er sprake van delegatie van verordenende bevoegdheid als bedoeld
                        in artikel 156 Gemeentewet. Tevens wordt in dit verband nog gewezen worden
                        op de Flora- en Faunawet, waarin regels worden gegevens ter bescherming van
                        dieren. </al><al/><al><cursief>Jurisprudentie</cursief></al><al><cursief>- </cursief>Houden van duiven hinderlijk binnen de bebouwde kom.
                        Beroep op het gelijkheidsbeginsel faalt. ARRS 28 02 1990, JG 91.0031.</al><al>- Aanschrijving tot verplaatsing van een hok van een haan die
                        geluidsoverlast veroorzaakt. Nader onderzoek van het college verlangd. ARRS
                        26 02-1991, Gst. 1991, 6962, 3 m.nt. JMK, JG 91.0382 m.nt. L.J.J.
                        Rogier.</al><al>- Aanschrijving verwijdering pluimvee in verband met overlast omwonenden.
                        Vz.ARRS 02 06 1991, JG 92.0007 , AB 1991, 686 m.nt. JHvdV.</al><al>- Aanschrijving tot verwijdering van kraaiende haan terecht. De door het
                        college gehanteerde methode van geluidmeting is niet onredelijk. ARRS 09 04
                        1992, JG 92.0401 , GO 1992, 3, GO 1994, 2 m.nt. L.F.D, AB 1992, 583 m.nt
                        RMvM, TMR 1994, 9 m.nt. RJdH.</al><al>- Overlast van een papegaai. Onvoldoende onderzoek naar de klacht. ARRS 22
                        12 1993, JG 93.0137 m.nt. A.B. Engberts.</al><al>- Aanschrijving tot verwijdering overlastgevende hanen en kippen. Relatie
                        Hinderwet en Hinderbesluit. ABRS 31 08 1995, JG 96.0005, MenR 1996, 60.</al><al>- Aanschrijving tot verwijdering paard in verband met overlast omwonenden
                        terecht. Klachten van omwonenden, onderzoek van bouw- en woningtoezicht en
                        proces-verbaal van politie geeft voldoende feitelijke onderbouwing. ABRS
                        03-07-1999, JG 99.0003 m.nt. W.A.G. Hillenaar.</al><al>- Artikel 2.4.20 (oud, nu 2:60) en 2.4.24 (oud, nu 2:64, bijen) kunnen in
                        sommige situaties beide worden toegepast. Artikel 2.4.24 (oud) fungeert niet
                        als lex specialis ten opzichte van artikel 2.4.20 (oud). ABRS 02-06-1997, JG
                        99.0005 m.nt. W.A.G. Hillenaar.</al><al>- Zonder aanwijzing van het college kan artikel 2.4.20 geen grondslag bieden
                        voor de toepassing van bestuursdwang. ABRS 17-10-2001, <extref doc="http://modelverordeningen.sdu.nl/modelverordeningen/jurisprudentie/JG_02.0025.jsp"> JG 02.0025, art. 2-4-20-, art. 4-1-7b- </extref>m.nt. M.
                        Geertsema.</al><al>- Het houden van hinderlijke of schadelijke dieren (artikel 2.4.20 oud).
                        Geluidhinder door dieren (zie voorbeeldbepaling 4:5b APV). Ernstige
                        geluidsoverlast door kikkers in een poel. Het schoonhouden en wellicht
                        bijvullen van een kikkerpoel zal de aanwezigheid van kikkers mogelijk
                        bevorderen, maar dit is onvoldoende om te concluderen dat de buurman kikkers
                        houdt (op grond van artikel 2.4.20 oud) en er de zorg voor heeft. Bij de
                        besluitvorming is terecht rekening gehouden met het feit dat de eiser in het
                        buitengebied woont en het gekwaak van kikkers tot gebiedseigen geluiden moet
                        worden gerekend. Rb. ´s-Hertogenbosch, nr.AWB 99/6873 GEMWT, LJN-nr. AD4783. </al><al>- Besluit van het college van Tiel waarbij een verzoek om op grond van de
                        APV handhavend op te treden, is afgewezen. Beginselplicht tot handhaving.
                        Ingeval een derde verzoekt om tegen een beweerdelijke overtreding op te
                        treden, dient het bestuursorgaan te onderzoeken of zij daartoe bevoegd is.
                        De omstandigheid dat verweerder over beperkte middelen beschikt om toezicht
                        te houden en om tegen overtredingen op te treden, kan aanleiding zijn tot
                        een prioritering in de afhandeling van de verzoeken. Dit is echter geen
                        bijzondere omstandigheid om geheel van handhavend optreden af te zien
                        ingeval een derde daarom om heeft verzocht, laat staan dat deze
                        omstandigheid het achterwege laten van een feitelijk onderzoek naar de vraag
                        of sprake is van een overtreding zou kunnen rechtvaardigen. De Rb. Overweegt
                        dat zoals ook in het verweerschrift naar voren is gebracht, in dit geval,
                        waarin hanen in een intensief bebouwde omgeving worden gehouden, niet op
                        voorhand kan worden uitgesloten dat sprake is van hinder als bedoeld in art.
                        4.1.6.c van de APV 2009. (Rb Arnhem, zaaknummer: AWB 10/801; datum
                        uitspraak: 03-08-2010 LJN: BN4417). </al><al/><al><onderstreept>Artikel 2:60 Loslopend vee</onderstreept></al><al>Dit verbod dient mede de verkeersveiligheid. Herhaaldelijk gebeuren er
                        verkeersongelukken doordat een paard, een koe of een ander dier uit het
                        weiland is gebroken en zich op de weg bevindt. De verplichting om dit zoveel
                        mogelijk te voorkomen is daarom op haar plaats. Een verbod tot het los laten
                        lopen van honden, dat mede de verkeersveiligheid dient, is opgenomen in
                        artikel 2:56. Ten slotte wordt nog gewezen op artikel 458 Wetboek van
                        Strafrecht. Daarin wordt het, zonder daartoe gerechtigd te zijn, laten lopen
                        van niet uitvliegend pluimgedierte (o.a. kippen en kalkoenen) in tuinen of
                        op enige grond die bezaaid, bepoot of beplant is, met straf bedreigd.
                        </al><al/><al><onderstreept>Artikel 2:61 Bedelarij</onderstreept></al><al>Met name in het stadscentrum en bij winkels wordt soms overlast ondervonden
                        van bedelaars. Deze gedragen zich soms agressief en hinderlijk door
                        passanten aan te klampen, te intimideren, de weg te versperren of te volgen.
                        Hierdoor komt de openbare orde in het geding. Omdat in 2000 de
                        strafbaarstelling van bedelarij uit het Wetboek van Strafrecht (voormalig
                        artikel 432) is verdwenen, kan de politie hiertegen niet of nauwelijks meer
                        optreden. Bij de opheffing van de strafbaarstelling heeft de wetgever echter
                        expliciet de mogelijkheid opengehouden om op basis van de gemeentelijke
                        autonomie zo nodig een regeling terzake van bedelarij in het leven te
                        roepen, indien dit gedrag de openbare orde verstoort of dreigt te verstoren.
                        Op grond van dit artikel kan het college gebieden aanwijzen waar een
                        bedelverbod geldt. Wanneer er naar het oordeel van het college een
                        overlastgevende situatie in een bepaald gebied ontstaat, kan het dus een
                        verbod instellen. Overigens valt het spelen van straatmuziek en vervolgens
                        vragen om een geldelijke bijdrage aan toehoorders en passanten niet onder
                        dit bedelverbod, maar onder de regeling van artikel 2:4. [straatartiest].
                        Ook de verkoop van daklozenkranten valt niet onder dit verbod. Deze kan
                        immers niet verbonden worden aan een vergunning vanwege strijd met de
                        vrijheid van meningsuiting als bedoeld in artikel 7 van de Grondwet.
                        </al><al/><al><onderstreept>Artikel 2:61a Mosquito</onderstreept></al><al>Voor het gebruik van de mosquito bestaat geen grondslag in de formele wet.
                        Daarom bevat artikel 2:61a een wettelijke grondslag voor de inzet van de
                        mosquito. Sinds 2008 wordt in Vlissingen gebruik gemaakt van de inzet van
                        dit apparaat. Een mosquito veroorzaakt een hoge pieptoon die alleen
                        hinderlijk voor jongeren tot een leeftijd van ongeveer 25 jaar hoorbaar is.
                        Dit apparaat wordt gebruikt ter bestrijding van overlast door hangjongeren.
                        Het gebruik van de mosquito is effectief, maar niet onomstreden. Hoewel uit
                        onderzoek van onder meer TNO blijkt dat de mosquito bij normaal gebruik geen
                        gezondheidsschade oplevert, wordt met het aanbrengen ervan in ieder geval de
                        bewegingsvrijheid van jongeren beperkt, die wordt beschermd door artikel 2,
                        vierde protocol Europees Verdrag voor de rechten van de Mens (EVRM). De
                        mosquito wordt ingezet als middel bij de feitelijke handhaving van de
                        openbare orde. Dat wil zeggen dat het apparaatje wordt opgehangen op
                        plaatsen waar hangjongeren overlast veroorzaken. Door het hinderlijke geluid
                        zullen jongeren zich doorgaans binnen enkele minuten verwijderen.
                            </al><al/><al><cursief>Zorgvuldige voorbereiding essentieel</cursief></al><al>De mosquito is een ultimum remedium dat alleen wordt gebruikt als andere
                        manieren om de overlast te bestrijden zijn geprobeerd, maar geen resultaat
                        hebben gehad. In artikel 2:61a zijn de volgende waarborgen opgenomen:</al><al>1. Bekendmaken aanwezigheid: met borden kan worden bekendgemaakt dat ergens
                        een mosquito is aangebracht. Zo worden toevallige passanten op de hoogte
                        gebracht en mogelijk wordt een preventief effect bereikt.</al><al>2. Niet vaker geluid dan nodig: met de huidige techniek hoeft een mosquito
                        niet 24 uur per dag aan te staan. Dat kan worden beperkt tot die momenten
                        dat gezien de ervaring van het verleden overlast kan worden verwacht.</al><al>3. Beperkte periode: een mosquito wordt niet voor altijd aangebracht maar
                        per definitie voor een beperkte periode. Gedacht kan worden aan zes maanden.
                        Iedere verlenging is een bewust besluit op basis van een evaluatie van de
                        overlast. </al><al/><al>Het college heeft op 8 juli 2008 uitvoeringsregels vastgesteld voor de inzet
                        van mosquito’s.Ook moet bij de voorbereiding van een besluit om een mosquito
                        aan te brengen met een aantal zaken rekening worden gehouden. Een mosquito
                        moet bijvoorbeeld niet wordt aangebracht op plaatsen waar hinder kan
                        ontstaan voor mensen die daar langere tijd noodgedwongen verblijven, zoals
                        bij woningen, kantoren, scholen of wachtruimten. Ook moet rekening worden
                        gehouden met de Wet openbare manifestaties (WOM): een mosquito mag geen
                        hinder opleveren voor openbare bijeenkomsten als bedoeld in de WOM. Ook de
                        Zondagswet is van belang: een mosquito mag geen hinder opleveren voor een
                        godsdienstoefening. </al></divisie><divisie><kop><label>Afdeling</label><nr>12.</nr><titel>Vuurwerk</titel></kop><al><onderstreept>Artikel 2:62 Begripsomschrijvingen</onderstreept></al><al>Deze afdeling geeft regels omtrent de verkoop en bezigen van
                        consumentenvuurwerk rond en tijdens de jaarwisseling, in aanvulling op het
                        Besluit van 22 januari 2002, houdende nieuwe regels met betrekking tot
                        consumenten- en professioneel vuurwerk (verder te noemen Vuurwerkbesluit).
                        Het Vuurwerkbesluit strekt tot integrale herziening van het Vuurwerkbesluit
                        Wet milieugevaarlijke stoffen waarbij zowel de regelgeving voor
                        consumentenvuurwerk als die voor professioneel vuurwerk in één nieuwe
                        algemene maatregel van bestuur wordt geïntegreerd. Het Vuurwerkbesluit
                        beoogt de gehele keten van het invoeren dan wel vervaardigen of assembleren,
                        verhandelen, uitvoeren, opslaan, bewerken en afsteken van vuurwerk te
                        reguleren, met inbegrip van bepaalde vervoershandelingen met vuurwerk. De
                        regels ten aanzien van het vervoer van vuurwerk zijn gesteld ter uitwerking
                        van artikel 3 van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen (Wvgs). Het
                        Vuurwerkbesluit kent dus regels voor zowel consumentenvuurwerk als
                        professioneel vuurwerk. De regels inzake professioneel vuurwerk zijn voor
                        deze afdeling niet relevant. </al><al/><al><cursief>Definitie consumentenvuurwerk</cursief></al><al>Voor de omschrijving van het begrip “consumentenvuurwerk” is aansluiting
                        gezocht bij de omschrijving daarvan in het Vuurwerkbesluit.
                        Consumentenvuurwerk wordt in het Vuurwerkbesluit als volgt gedefinieerd:
                        “vuurwerk dat is bestemd voor particulier gebruik” (artikel 1.1.1. eerste
                        lid). Consumentenvuurwerk dient te voldoen aan welomschreven
                        productveiligheidseisen, zoals uitgewerkt in de Regeling Nadere eisen aan
                        vuurwerk (Stcrt. 243, 1997). </al><al/><al>Als consumentenvuurwerk wordt in ieder geval aangemerkt vuurwerk dat bestemd
                        is voor particulier gebruik - aldus artikel 1.1.2 van het Vuurwerkbesluit -
                        indien:</al><al>a. het tot ontbranding wordt gebracht door een particulier;</al><al>b. het te koop wordt aangeboden of ter beschikking wordt gesteld aan,
                        gekocht of besteld door een particulier;</al><al>c. het aangetroffen wordt bij een particulier;</al><al>d. het binnen het grondgebied van Nederland wordt gebracht of voorhanden
                        wordt gehouden met het oogmerk het aan particulieren ter beschikking te
                        stellen of</al><al>e. het is voorzien van de aanduiding: Geschikt voor particulier gebruik. </al><al/><al>Het Vuurwerkbesluit is ingevolge artikel 1.1.3 niet van toepassing op:</al><al>- vuurwerk waarvoor regels zijn gesteld bij het Warenwetbesluit Speelgoed,
                        zoals klappertjes voor speelgoedpistolen;</al><al>- vuurwerk dat bij de Nederlandse krijgsmacht, bij de krijgsmacht van een
                        bondgenootschappelijke mogendheid of bij de politie in gebruik of beheer
                        is;</al><al>- vuurwerk dat in het kader van internationaal vervoer per zeeschip of
                        vliegtuig binnen het grondgebied van Nederland wordt gebracht en niet in
                        Nederland wordt gelost of rechtstreeks wordt overgeladen naar een ander
                        zeeschip onderscheidenlijk vliegtuig. </al><al/><al><cursief>Fop- en schertsvuurwerk</cursief>Fop- en schertsvuurwerk is een
                        aparte groep consumentenvuurwerk, genoemd in bijlage 1 van de Regeling
                        Nadere eisen aan vuurwerk. Het gaat hierbij onder meer om boobytraps,
                        sterretjes, knalbonbons, confettibommen, trektouwtjes, Bengaalse lucifers en
                        Bengaalse handfakkels. Aan al deze voorwerpen worden eisen gesteld aan de
                        lading. De lading van fop- en schertsvuurwerk is (veel) kleiner dan de
                        lading van overig consumentenvuurwerk. De voorschriften opgenomen in bijlage
                        1 van het Vuurwerkbesluit zijn niet van toepassing, indien er binnen de
                        inrichting niet meer dan 200 kg fop- en schertsvuurwerk aanwezig is. Op
                        grond van artikel 2.3.7 van het Vuurwerkbesluit is fop- en schertsvuurwerk
                        het hele jaar door verkrijgbaar en kan het ook gedurende het hele jaar
                        worden afgestoken. </al><al/><al><cursief>Uniforme regels verkoop en afsteken consumentenvuurwerk tijdens de
                            jaarwisseling</cursief>Het Vuurwerkbesluit kent voor de verkoop en
                        afsteken van consumentenvuurwerk tijdens de jaarwisseling een aantal
                        uniforme regels:</al><al>- een verbod om consumentenvuurwerk ter beschikking te stellen aan een
                        particulier (artikel 2.3.2 eerste lid);</al><al>- dit verbod geldt niet op 29, 30 en 31 december met dien verstande dat als
                        een van deze dagen een zondag is het verbod eveneens op die zondag geldt, in
                        welk geval het verbod om vuurwerk ter beschikking te stellen dan niet geldt
                        op 28 december (artikel 2.3.2, tweede lid);</al><al>- een verbod per levering meer dan tien kilogram consumentenvuurwerk aan een
                        particulier ter beschikking te stellen (artikel 2.3.3);</al><al>- een verbod om consumentenvuurwerk aan een particulier bedrijfsmatig ter
                        beschikking te stellen op een andere plaats dan een verkoopruimte die
                        voldoet aan de in bijlage 1 gestelde voorschriften en de door het bevoegd
                        gezag overeenkomstig artikel 2.2.3 gestelde nadere eisen (artikel
                        2.3.4);</al><al>- een verbod om consumentenvuurwerk bedrijfsmatig ter beschikking te stellen
                        aan personen die jonger zijn dan zestien jaar (artikel 2.3.5);</al><al>- een verbod vuurwerk tot ontbranding te brengen op een ander tijdstip dan
                        tussen 31 december 10.00 uur en 1 januari 2.00 uur van het daarop volgende
                        jaar (artikel 2.3.6). </al><al/><al>De vuurwerkbepalingen van de APV zijn gebaseerd op artikel 149 Gemeentewet
                        en zijn een aanvulling op de uniforme regels voor de verkoop en afsteken van
                        consumentenvuurwerk tijdens de jaarwisseling, zoals gesteld in het
                        Vuurwerkbesluit. </al><al/><al><onderstreept>Artikel 2:63 Ter beschikking stellen van consumentenvuurwerk
                            tijdens de verkoopdagen </onderstreept></al><al><cursief>Lex silencio positivo: </cursief>Deze vergunning
                        richt zich met name op de openbare orde. Een lex silencio positivo is dan
                        ook niet wenselijk om deze dwingende reden van algemeen belang. Paragraaf
                        4.1.3.3. Awb wordt niet van toepassing verklaard. </al><al/><al><cursief>Verkoopvergunning consumentenvuurwerk</cursief></al><al>Op basis van artikel 2:63 van de APV kan het college aan een bedrijf of
                        nevenbedrijf een vergunning verlenen voor het verkopen van
                        consumentenvuurwerk tijdens de door het Vuurwerkbesluit aangewezen
                        verkoopdagen. Ter bevordering van de deregulering en het aanbrengen van meer
                        systematiek in de APV zijn twee artikelen in Hoofdstuk 1 opgenomen. Artikel
                        1:7 bepaalt dat de vergunning voor onbepaalde tijd geldt en artikel 1:8
                        bevat de algemene weigeringsgronden die bij elke vergunning kunnen worden
                        gehanteerd. Zie voor meer informatie de toelichting bij de betreffende
                        artikelen. </al><al/><al>Algemene weigeringsgronden zijn bijvoorbeeld het belang van de handhaving
                        van de openbare orde waaronder overlast kan worden begrepen, als het om de
                        bescherming van de kwetsbare medemens gaat of het belang van de
                        volksgezondheid die door overlast dreigt te worden aangetast. De vergunning
                        kan daarom worden geweigerd als het verkooppunt zich bevindt in de nabijheid
                        van ziekenhuizen, bejaardentehuizen en dierenasiels. In het laatste geval is
                        er sprake van handhaving van de openbare orde, waaronder de bescherming van
                        dieren valt. Aan de verkoopvergunning kunnen voorschriften worden verbonden,
                        indien dit nodig is wegens dwingende redenen van algemeen belang. Dit zijn
                        de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid en het milieu.
                        Zie daarvoor artikel 1:4 en het commentaar daarbij. </al><al/><al>De verkoopvergunning wordt gebruikt om, naast het uitsluiten via het
                        bestemmingsplan of algemene beleidsregels, een spreidingsbeleid van
                        verkooppunten te voeren en om het aantal verkooppunten en bijbehorende
                        opslag te reguleren. Ondanks het feit dat aan een dergelijke opslag de
                        nodige voorschriften zijn verbonden zal het toestaan van dergelijke
                        opslagplaatsen in bijvoorbeeld woonwijken voor de nodige maatschappelijke
                        onrust zorgen, is bereikbaarheid bij calamiteiten een belangrijk aspect en
                        dient tevens gelet te worden op de verkeersaantrekkende werking. Het
                        Vuurwerkbesluit regelt enkel milieutechnische eisen waar een opslag aan moet
                        voldoen en laat de mogelijkheid open een milieuvergunning aan te vragen bij
                        de provincie voor 10.000 kilo en meer opslagen. Hierbij kan voorbij gegaan
                        worden aan de gemeente. </al><al/><al>Het verdient de aanbeveling om voor de verkoop van consumentenvuurwerk
                        beleidsregels vast te stellen. De beleidsregels moeten gebaseerd zijn op
                        dwingende redenen van algemeen belang, waartoe behoren de openbare orde, de
                        openbare veiligheid, de volksgezondheid en het milieu. Afhankelijk van de
                        lokale situatie kunnen bijvoorbeeld de volgende beleidsuitgangspunten worden
                        opgenomen:</al><al>- het vaststellen van een maximum aantal verkooppunten in de gemeente,
                        bijvoorbeeld gerelateerd aan inwoneraantal of spreiding over kernen;</al><al>- het vaststellen van een maximaal aantal verkooppunten in het
                        centrum(gebied);</al><al>- de onderlinge afstand tussen verkooppunten;het uitsluiten van
                        verkooppunten die gelegen zijn in de nabijheid van bijvoorbeeld
                        ziekenhuizen, bejaardentehuizen, dierenasiels, tankstations, (afsluitbare)
                        winkelcentra enz.</al><al>In de beleidsregels zou kunnen worden vastgesteld dat bij de beoordeling van
                        een vergunningaanvraag rekening wordt gehouden met eerdere resultaten van
                        controles door politie, brandweer, afdeling milieu van de desbetreffende
                        gemeente of milieudienst. </al><al/><al><cursief>Koopzondag</cursief></al><al>In de Nota van toelichting bij het Vuurwerkbesluit wordt bij de toelichting
                        op artikel 2.3.2 de koopzondag uitdrukkelijk uitgesloten als verkoopdag.
                        Consumentenvuurwerk mag niet op zondag worden verkocht. Het verbod geldt ook
                        in die gevallen waarin de binnen de wettelijke termijn vallende zondag door
                        de gemeente is aangewezen als zondag waarop winkels open mogen zijn.
                        </al><al/><al><cursief>Jurisprudentie</cursief></al><al>- Geen beleid voor het toewijzen van de vergunning voor verkoop van vuurwerk
                        bij een gelimiteerd aantal verkoopplaatsen. Vz. ARRvS 17-12-1993, JG 94.0330
                        m.nt. A.B. Engberts, AB 1994, 599. - Intrekking vergunning in verband met
                        verkoop aan personen onder de zestien jaar. Onzorgvuldige besluitvorming
                        want betrokkene is niet gehoord. Pres. Rb. Den Haag 30-12-1994, KG 1995,
                        119. </al><al>- Het beleid om het aantal verkooppunten te relateren aan het aantal
                        inwoners is niet onredelijk. ABRS 28-11-1996, JG 97.0082 - Voorlopige
                        voorziening. Op grond van de desbetreffende APV-bepaling kan de vergunning
                        worden geweigerd indien een persoon verbonden aan de inrichting binnen de
                        laatste drieënhalf jaar een overtreding heeft begaan van hetgeen bij of
                        krachtens de wet is geregeld omtrent het vervoer, opslag en/of verkoop van
                        vuurwerk. Overtreding van het (oude) Besluit opslag vuurwerk milieubeheer is
                        een weigeringsgrond voor de verlening van de verkoopvergunning. Geen grond
                        voor het oordeel dat de gemeente niet in redelijkheid tot het bestreden
                        besluit heeft kunnen komen. Afwijzing verzoek om voorlopige voorziening. Rb.
                        Den Haag 19-12-2001, AWB 01/4183 BESLU. Voorlopige voorziening. Weigering
                        van de verkoopvergunning is geen onevenredig zware maatregel. Aantreffen van
                        illegaal vuurwerk bij eerdere controle en schending van daarover gemaakte
                        afspraken door de vergunningaanvrager. Op advies van de politie weigering
                        van de verkoopvergunning in het belang van de openbare orde. Rb. Leeuwarden
                        09-12-2002, 02/1252 BESLU, LJN-nr. AF2139. - Voorlopige voorziening.
                        Weigering van de verkoopvergunning. Gemeente had de verkoopvergunning in
                        redelijkheid niet mogen weigeren. De persoonlijke omstandigheden van een
                        derde, die een deel van zijn boerderij heeft verhuurd aan de aanvrager van
                        een verkoopvergunning, zijn niet zodanig dat van de verkoop van
                        consumentenvuurwerk door aanvrager (en huurder) een gevaar voor de openbare
                        orde dan wel overlast valt te verwachten. Derde (verhuurder) verkocht
                        voorheen zelf vuurwerk vanuit het pand, maar speelt nu geen enkele rol bij
                        de feitelijke verkoop van vuurwerk, heeft geen zeggenschap over het
                        verhuurde deel gedurende de verkoopdagen, buiten de verkooptijden bevindt
                        zich geen vuurwerk in het pand en verhuurde deel is afsluitbaar van het
                        woongedeelte. Rb. Leeuwarden 24-12-2002, 02/1382 BESLU &amp; 02/1383 BESLU,
                        24-12-2002, LJN-nr. AF2563. </al><al/><al><onderstreept>Artikel 2:64 Bezigen van consumentenvuurwerk tijdens de
                            jaarwisseling</onderstreept></al><al>In het Vuurwerkbesluit is bepaald dat het verboden is om consumentenvuurwerk
                        af te steken op een ander tijdstip dan tussen 31 december 10.00 uur en 1
                        januari 02.00 uur van het daarop volgende jaar. Het afsteken van
                        consumentenvuurwerk wordt op dit tijdstip toelaatbaar geacht vanwege de
                        koppeling van het vuurwerkgebruik aan de feestelijkheden rond de
                        jaarwisseling en de inbedding daarvan in de Nederlandse volkscultuur. Toch
                        kunnen er, ondanks dat dit alleen op oudejaarsdag is toegelaten, plaatsen
                        zijn waar het afsteken van consumentenvuurwerk te allen tijde niet
                        toelaatbaar moet worden geacht (bijvoorbeeld bij ziekenhuizen,
                        bejaardentehuizen, huizen met rieten daken, in winkelstraten, bij
                        dierenasiels enz.). Dit artikel geeft het college de bevoegdheid om plaatsen
                        aan te wijzen waar het afsteken van consumentenvuurwerk altijd verboden is. </al><al/><al>Het tweede lid maakt het mogelijk om op te treden tegen het bezigen van
                        consumentenvuurwerk in bijvoorbeeld een promenade, een passage, een portiek
                        of een volksverzameling. </al><al/><al><cursief>Jurisprudentie</cursief></al><al>- Voorlopige voorziening. Verbod om vuurwerk op oudejaarsdag tussen 10.00 en
                        22.00 uur af te steken in de directe nabijheid van een verkooppunt op een
                        bedrijventerrein. Publiek aangekondigde sierdemonstraties, aanzuigende
                        werking van de voorgenomen demonstraties op het daarin geïnteresseerde
                        publiek, directe nabijheid van een grootschalige vuurwerkopslagplaats,
                        gespannen sfeer tussen verzoekers en van omliggende bedrijven, waaronder een
                        verkooppunt van brandstoffen, feit van algemene bekendheid dat verkoop van
                        vuurwerk leidt tot het afsteken van een deel daarvan in de nabijheid van dat
                        verkooppunt. Afsteekverbod kan in rechte stand houden. Rb. Leeuwarden
                        27-12-2001, 01/1133 GEMWT, LJN-nr. AD7648. </al></divisie><divisie><kop><label>Afdeling</label><nr>13.</nr><titel>Drugsoverlast</titel></kop><al><onderstreept>Artikel 2:65 Drugshandel op
                        straat</onderstreept></al><al><cursief>Afbakening met de Opiumwet</cursief></al><al>Om niet in de sfeer van de Opiumwet te treden is de passage
                        “onverminderd het bepaalde in de Opiumwet” opgenomen. De Opiumwet is een
                        strafrechtelijk instrument waarin onder meer de verbodsbepalingen staan van
                        middelen die worden genoemd op lijst I (“harddrugs”) en II (“softdrugs”) die
                        behoren bij deze wet. Zo wordt verboden deze middelen te bereiden, te
                        bewerken, te verwerken, te verkopen, af te leveren, te verstrekken, te
                        vervoeren en aanwezig te hebben. In de Opiumwet wordt geen aandacht besteed
                        aan overlast ten gevolge van drugshandel op straat. Om hiertegen te kunnen
                        optreden is het noodzakelijk in de APV een artikel op te nemen dat het
                        voorkomen van de aantasting van de openbare orde en van strafbare feiten tot
                        doel heeft. </al><al/><al><cursief>Drugshandel op straat en coffeeshopbeleid</cursief></al><al>Artikel 2:65 is opgenomen om de overlast op straat tegen te gaan. De
                        straathandel in drugs kan leiden tot een verstoring van de openbare orde. Om
                        daartegen op te treden is het noodzakelijk in de APV een bepaling op te
                        nemen, die tot doel heeft het voorkomen van de aantasting van de openbare
                        orde en van strafbare feiten. In praktijk gaat het met name om harddrugs. In
                        dit artikel zijn zowel de aanbieders als ontvangers en bemiddelaars
                        (“drugsrunners”) strafbaar gesteld. Het “kennelijk doel” kan blijken uit
                        ervaringsfeiten en concrete omstandigheden zoals het aanspreken van
                        voorbijgangers, het waarnemen van transacties enz. </al><al/><al>De gemeente Vlissingen heeft (in stadsgewestelijk verband samen met
                        Middelburg) een coffeeshopbeleid (inzake de verkoop van softdrugs)
                        vastgesteld. Onderdeel van een coffeeshopbeleid - ongeacht de vraag of er in
                        een gemeente al dan niet coffeeshops worden toegestaan - moet zijn dat de
                        handel op straat wordt bestreden. Dergelijke handel is immers een gevaar
                        voor de beoogde scheiding van de hard- en softdrugmarkten. </al><al/><al><cursief>Jurisprudentie</cursief></al><al>- Doel van het Amsterdamse verbod op drugshandel op of aan de openbare weg
                        in de APV is het voorkomen van een aantasting van de openbare orde en
                        strafbare feiten. De bepaling heeft derhalve betrekking op andere
                        gedragingen dan strafbaar gesteld in de Opiumwet. HR 17-11-1992, NJ 1993,
                        409, JG 94.0005 m.nt. A.B. Engberts. </al><al/></divisie><divisie><kop><label>Afdeling</label><nr>14</nr><titel>Bestuurlijke ophouding, vieligheidsrisicogebieden en cameratoezicht
                            op openbare plaatsen</titel></kop><al><onderstreept>Artikel 2:66 Bestuurlijke ophouding</onderstreept></al><al>Artikel 2:66 is gebaseerd op - een uitwerking van - artikel 154a Van de
                        Gemeentewet Dit artikel voorziet in de bevoegdheid van de burgemeester om
                        bij grootschalige ordeverstoringen groepen ordeverstoorders maximaal twaalf
                        uur op te houden op een door de burgemeester aangewezen plaats. Het vervoer
                        naar de plaats van ophouding is hieronder begrepen. Bij grootschalige
                        ordeverstoringen moet gedacht worden aan situaties als risicowedstrijden in
                        het betaald voetbal, uit de hand lopende demonstraties en krakersrellen. De
                        toepassing van het bestuursrechtelijke instrument bestuurlijke ophouding
                        vereist (een bepaling in) een verordening waarin de raad de burgemeester de
                        bevoegdheid geeft om bij groepsgewijze niet-naleving van specifieke
                        voorschriften bestuurlijk op te houden. Artikel 2:66 voorziet hierin. </al><al/><al>De voorwaarden waaronder bestuurlijke ophouding kan worden toegepast, zijn
                        vastgelegd in artikel 154a van de Gemeentewet. De zinsnede “overeenkomstig
                        154a van de Gemeentewet” impliceert dan ook dat aan alle voorwaarden moet
                        worden voldaan voordat een besluit tot bestuurlijke ophouding kan worden
                        genomen. Deze voorwaarden zijn hiervoor beschreven. </al><al/><al>De bepaling spreekt overeenkomstig de wet van “door hem [= de burgemeester]
                        aangewezen groepen”. Dit verplicht de burgemeester concreet de groep te
                        benoemen waarop bestuurlijke ophouding wordt toegepast. Dit kan bijvoorbeeld
                        gebeuren door de formulering “degenen die zich door kleding, uitrusting of
                        gedraging manifesteren als supporter van .../deelnemer aan de actie tegen
                        ...”. Verder kan de groep nader worden aangeduid door de plaats aan te geven
                        waar de groep zich bevond op het moment dat het besluit tot ophouding werd
                        genomen, de handelingen die de leden van de groep op dat moment verrichtten
                        de grootte van de groep of door vermelding van de taal, herkomst of
                        nationaliteit van de leden van de groep. </al><al/><al>De bepaling vereist een nadere invulling van specifieke voorschriften die
                        zich bij groepsgewijze niet-naleving voor het overgaan tot bestuurlijke
                        ophouding lenen. De APV biedt hiervoor een aantal mogelijkheden. Het is
                        echter niet noodzakelijk om alle bepalingen uit de APV die in aanmerking
                        komen, aan te wijzen als voorschrift waarvan de groepsgewijze niet-naleving
                        de mogelijkheid van bestuurlijke ophouding biedt. Welke bepalingen
                        aangewezen zullen moeten worden in artikel 2:66, zal afhangen van de lokale
                        situatie waarbij eerdere ervaringen met grootschalige
                        openbare-ordeverstoringen als leidraad kunnen dienen. </al><al/><al>De volgende bepalingen kunnen relevant zijn:</al><al>- artikel 2:1 (samenscholingsverbod);</al><al>- artikel 2:2 (verzamelingsverbod en gebiedsontzegging)</al><al>- artikel 2:5 (voorwerpen of stoffen op, aan of boven de weg);</al><al>- artikel 2:6 (aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg);</al><al>- artikel 2:8 (voorwerpen die als wapen kunnen worden gebruikt) artikel 2:11
                        (openen straatkolken en dergelijke);</al><al>- artikel 2:50 (hinderlijk gedrag op openbare plaatsen);</al><al>- artikel 2:51 (verboden drank- en softdrugsgebruik);</al><al>- artikel 2:52 (verboden gedrag in of bij gebouwen);</al><al>- artikel 2:53 (hinderlijk gedrag in voor publiek toegankelijke
                        ruimten)</al><al>- artikel 2:64 (bezigen van vuurwerk) énartikel 5:39 (verbod om afvalstoffen
                        te verbranden).</al><al>Verondersteld mag worden dat bepalingen als artikel 2:18 (ordeverstoring bij
                        evenementen) en 2:30 (ordeverstoring in een horecabedrijf) onvoldoende
                        specifiek zijn om te worden aangewezen. Deze bepalingen zouden hiertoe
                        aangepast moeten worden. Uiteraard kunnen ook andere - nieuw op te nemen -
                        bepalingen worden aangewezen. Uit ervaringsgegevens kan blijken dat
                        hiernaast behoefte bestaat aan andere specifieke voorschriften in de APV of
                        een specifieke verordening. </al><al/><al><onderstreept>Artikel 2:67 Veiligheidsrisicogebieden</onderstreept></al><al>Op grond van artikel 151b Gemeentewet kan de raad aan de burgemeester bij
                        verordening de bevoegdheid verlenen om gebieden aan te wijzen, waarin de
                        officier van justitie de controlebevoegdheden die genoemd worden in artikel
                        50, 51 en 52 Wet wapens en munitie, kan uitoefenen. Het gaat om de
                        controlebevoegdheden om binnen het aangewezen gebied:</al><al>- vervoermiddelen te onderzoeken;</al><al>- een ieders kleding te onderzoeken;</al><al>- te vorderen dat verpakkingen die men bij zich draagt, worden geopend.</al><al>De burgemeester kan een gebied aanwijzen als uit feiten of omstandigheden
                        blijkt dat er sprake is van verstoring van de openbare orde door de
                        aanwezigheid van wapens of ernstige vrees voor het ontstaan daarvan. De
                        aanwijzing als veiligheidsrisicogebied wordt gegeven voor een bepaalde duur
                        die niet langer is en voor een gebied dat niet groter is dan strikt
                        noodzakelijk voor de handhaving van de openbare orde. Voordat de
                        burgemeester een gebied aanwijst, overlegt hij hierover in de lokale
                        gezagsdriehoek met de officier van justitie en de korpschef. Daarbij komen
                        de volgende onderwerpen aan de orde:</al><al>- feiten of omstandigheden waaruit blijkt dat er sprake is van verstoring
                        van de openbare orde door de aanwezigheid van wapens of ernstige vrees voor
                        het ontstaan daarvan;</al><al>- zorgvuldige afweging van het objectieve en subjectieve veiligheidsbelang
                        en het individuele belang van de burgers (privacy);</al><al>- subsidiariteit en proportionaliteit;</al><al>- breder handhavingsbeleid in het beoogd gebied ter vergroting van
                        leefbaarheid en veiligheid. </al><al/><al><cursief>Jurisprudentie</cursief></al><al>- ABRvS 09-11-2005, 200503854/1, LJN-nr. AU5839. De direct betrokkene
                        (regelmatige bezoekster van het veiligheidsrisicogebied) is belanghebbende
                        bij het besluit van de burgemeester tot het aanwijzen van een
                        veiligheidsrisicogebied op grond van artikel 151b Gemeentewet. Rechtbank
                        Alkmaar heeft op 28 juni 2004, LJN-nr. AP5618, onterecht geconcludeerd dat
                        er geen rechtstreeks belang is bij het aanwijzingsbesluit (het aanwijzen van
                        een veiligheidsrisicogebied). De aanwijzing van de burgemeester markeert de
                        ruimte waarbinnen van de bevoegdheden gebruik mag worden gemaakt. Dat tot
                        daadwerkelijk uitoefening van de bevoegdheden pas kan worden overgegaan
                        nadat de officier van justitie daartoe een bevel heeft gegeven, doet er niet
                        aan af dat de betrokkene door het aanwijzingsbesluit rechtstreeks in zijn
                        belang is getroffen.</al><al>- Belanghebbende bij aanwijzingsbesluit veiligheidsrisicogebied: Het
                        aanwijzingsbesluit, dat van kracht was in de periode van 10 januari 2003 tot
                        30 juni 2003 op de vrijdag- en zaterdagavonden van 23.00 tot 06.00 uur, ziet
                        op het centrumgebied van Den Helder. Ingevolge dit besluit is de officier
                        van justitie – binnen de aangegeven werkingssfeer van de aanwijzing –
                        bevoegd om in dat gebied preventieve fouillering te gelasten. Appellante
                        woont of werkt niet in het aangewezen gebied, noch exploiteert zij daar een
                        bedrijf. Ook anderszins is zij niet genoopt daar duurzaam op gezette tijden
                        te verblijven. Evenmin is zij gerechtigde ten aanzien van onroerend goed in
                        het gebied. Derhalve is de Afdeling van oordeel dat appellante geen
                        bijzonder individueel belang heeft bij het aanwijzingsbesluit. Dat zij,
                        zoals zij stelt, al jarenlang in Den Helder woont en gewend was in het
                        aangewezen gebied uit te gaan en vrienden en familie te bezoeken, is
                        ontoereikend voor het oordeel dat zij zich in voldoende mate van anderen
                        onderscheidt, gelet ook op de dagen en tijdstippen waarop de aanwijzing van
                        kracht was. Appellante heeft dan ook geen persoonlijk, van andere net
                        onderscheiden belang bij het aanwijzingsbesluit. Mitsdien moet met de
                        rechtbank worden geoordeeld dat appellante niet kan worden aangemerkt als
                        belanghebbende in de zin van artikel 1:2, eerste lid, Awb. (ABRS 9 maart
                        2005, AB 2005, 251).</al><al>- Mede in aanmerking genomen de ingrijpendheid van een fouillering als
                        waarvan hier sprake is en de inbreuk die deze maakt op het recht op vrijheid
                        van een ieder en op het recht op eerbiediging van ieders persoonlijke
                        levenssfeer, gezien voorts de bewoordingen alsmede zin en strekking van
                        artikel 151b, eerste lid, Gemeentewet en in aanmerking genomen dat vanwege
                        de inbreuk die een fouillering als de onderhavige maakt op bedoelde rechten
                        restrictieve uitleg van het bepaalde in dat artikel geboden is, moet er van
                        worden uitgegaan dat de in artikel 151b, eerste lid, Gemeentewet neergelegde
                        bevoegdheid slechts binnen strikte grenzen op grond van een deugdelijke
                        motivering kan worden uitgeoefend. Blijkens de voormelde feiten voldoen de
                        besluiten van de burgemeester van Amsterdam en ook dat van 26 juni 2003
                        daaraan niet. Vastgesteld moet worden dat sprake is van een zowel naar de
                        tijd als naar gebied genomen zeer ruime aanwijzing. Mede gezoen de daartoe
                        in ernstige mate tekortschietende motivering, voldoen die besluiten
                        geenszins aan de in lid 3 van artikel 151b Gemeentewet gestelde eisen,
                        onderscheidenlijk is daarop het bepaalde in lid 6 van artikel 151b
                        Gemeentewet ten onrechte niet toegepast. De conclusie daarvan is dat die
                        besluiten en derhalve ook, althans in ieder geval dat van 26 juni 2003
                        onbevoegd is genomen en dus rechtskracht ontbeert. Gevolg daarvan is dat
                        reeds daarom het genoemde bevel van de officier van justitie van 18 februari
                        2004 rechtskracht ontbeert. (Hof Amsterdam, enkelvoudige strafkamer, 23
                        september 2005, nr. 23.645.05 - AB 2006, 30).</al><al>- Een inwoner van een gebied dat door de burgemeester (van Utrecht) is
                        aangewezen als veiligheidsrisicogebied, waar preventief kan worden
                        gefouilleerd, is aan te merken als belanghebbende. De burgemeester komt bij
                        het uitvaardigen van een aanwijzingsbesluit een ruime beoordelingsmarge toe.
                        Het besluit moet volgens de Afdeling marginaal worden getoetst. (ABRS 9
                        november 2005, nr. 200503854/1, Gemeentestem 7244, 15 en AB 2006, nr.
                        90).</al><al>- HR (Strafkamer) 20 februari 2007, nr. 00225/06: aanwijzing
                        veiligheidsrisicogebied, preventief fouilleren: bij een strafrechtelijke
                        vervolging ter zake van artikel 184 Sr dient de rechter te onderzoeken of
                        het in de tenlastelegging genoemde wettelijke voorschrift verbindend is en
                        of het daarop gegronde bevel rechtmatig is gegeven. Het gaat immers om
                        bestanddelen van het in artikel 184 Sr opgenomen misdrijf. Tot het geheel
                        van wettelijke voorschriften dat op het onderhavige bevel van toepassing is,
                        dient niet alleen artikel 52, derde lid WWM, maar ook artikel 151b
                        Gemeentewet en de op die bepaling gebaseerde verordening van de raad van de
                        gemeente te worden gerekend. (AB 2007, 259)</al><al>- De burgemeester komt, zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in haar
                        uitspraak van 9 november 2005 in zaak nr. <extref doc="http://www.raadvanstate.nl/uitspraken/zoeken_in_uitspraken/zoekresultaat/?verdict_id=12033">200503854/1</extref>, bij het nemen van een aanwijzingsbesluit een
                        ruime beoordelingsmarge toe. Het is aan hem om, na overleg met de officier
                        van justitie in het zogenoemde driehoeksoverleg als bedoeld in artikel 14
                        van de Politiewet 1993, te beoordelen of verstoring van de openbare orde
                        door de aanwezigheid van wapens, dan wel ernstige vrees voor het ontstaan
                        daarvan, aanwijzing van een veiligheidsrisicogebied rechtvaardigt, en om
                        daarbij alle verschillende bij het nemen van een dergelijk besluit betrokken
                        belangen tegen elkaar af te wegen, waaronder enerzijds het belang van
                        handhaving van de openbare orde en anderzijds het recht van een ieder op
                        eerbiediging van zijn privé leven. De duur van de aanwijzing dient niet
                        langer, en de omvang van het gebied niet groter te zijn dan noodzakelijk
                        voor de handhaving van de openbare orde. De door de burgemeester gemaakte
                        keuzen dienen deugdelijk te zijn gemotiveerd en proportioneel te zijn met de
                        dreigende schending van het privé leven van een ieder in het aangewezen
                        gebied. Voorts zal de rechter, zoals de Afdeling in dezelfde uitspraak heeft
                        overwogen, zich bij de beoordeling van een aanwijzingsbesluit terughoudend
                        moeten opstellen en zal hij slechts kunnen toetsen of het besluit strijdig
                        is met wettelijke voorschriften, of de burgemeester in redelijkheid heeft
                        kunnen besluiten dat gebiedsaanwijzing in verband met (ernstige vrees voor)
                        verstoring van de openbare orde noodzakelijk was, en of de burgemeester bij
                        afweging van de betrokken belangen in redelijkheid tot de aanwijzing heeft
                        kunnen komen. De bevoegdheid van de burgemeester in artikel 151b van de Gw
                        om een veiligheidsrisicogebied aan te wijzen is onderscheiden van de
                        bevoegdheid van de officier van justitie om in dat gebied een preventief
                        onderzoek op wapens te gelasten. Deze bevelsbevoegdheid van de officier van
                        justitie is bepaald in het derde lid van de artikelen 50, 51 en 52 van de
                        Wwm. Aangezien het begrip wapens in deze artikelen van de Wwm overeenkomstig
                        de in artikel 2 van de Wwm opgenomen definitiebepaling dient te worden
                        geïnterpreteerd en de artikelen 50, derde lid, 51, derde lid, en 52, derde
                        lid, van de Wwm naar artikel151b, eerste lid, van de Gw verwijzen, heeft de
                        rechtbank terecht geoordeeld dat een redelijke wetstoepassing met zich
                        brengt dat de wapens waarop artikel 151b van de Gw ziet, de wapens zijn
                        zoals genoemd in artikel 2 van de Wwm en dat de kring van wapens in de zin
                        van deze bepaling niet uitsluitend vuurwapens omvat, maar ook veel andere
                        voorwerpen. Niet kan worden uitgesloten dat de door het aanwijzingsbesluit
                        geschapen mogelijkheid om een ieder te fouilleren heeft bijgedragen aan een
                        vermindering van het verboden wapenbezit. De rechtbank heeft daarom terecht
                        overwogen dat uit de omstandigheid dat bij fouilleeracties geen aanzienlijke
                        hoeveelheid verboden wapens is aangetroffen niet zonder meer kan worden
                        opgemaakt dat het aanwijzingsbesluit niet leidt tot het daarmee beoogde
                        resultaat. Voorts heeft de burgemeester in het aanwijzingsbesluit
                        cijfermatig gemotiveerd dat in het betrokken gebied een groot aantal
                        wapenincidenten heeft plaatsgevonden. Daarom heeft de rechtbank terecht
                        geoordeeld dat de burgemeester op grond van deze gegevens zich in
                        redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat nog altijd sprake is
                        van een dreigende verstoring van de openbare orde door de aanwezigheid van
                        wapens. Het betoog van [appellant] dat de rechtbank eraan voorbij is gegaan
                        dat de burgemeester ten onrechte in de cijfermatige toelichting geen
                        onderscheid heeft gemaakt tussen wapens met en wapens zonder munitie faalt,
                        omdat een dergelijk onderscheid in het licht van de reikwijdte van de term
                        wapens in artikel 151b van de Gw niet van belang is. De grond dat is
                        gehandeld in strijd met artikel 8 van het EVRM heeft [appellant] in de
                        procedure bij de rechtbank niet naar voren gebracht. Ook in zijn
                        hogerberoepschrift noch tot tien dagen voor de zitting, de termijn
                        waarbinnen nog nadere stukken kunnen worden ingediend, heeft [appellant]
                        deze grond aangevoerd. Vervolgens heeft hij zich ter zitting in hoger beroep
                        op het standpunt gesteld dat is gehandeld in strijd met artikel 8 van het
                        EVRM. Nu niet valt in te zien waarom [appellant] deze grond niet al eerder
                        in de rechterlijke procedure naar voren had kunnen brengen, zal de Afdeling
                        deze wegens strijd met de goede procesorde niet in haar oordeel betrekken.
                        ABRS, 27-10-2010, 201003290/1/H3; LJN: BO1869 </al><al/><al><onderstreept>Artikel 2:68 Cameratoezicht op openbare
                            plaatsen</onderstreept></al><al><cursief>Eerste lid</cursief></al><al>Op grond van artikel 151c van de Gemeentewet kan de gemeenteraad aan de
                        burgemeester bij verordening de bevoegdheid verlenen tot het uitvoeren van
                        cameratoezicht op openbare plaatsen in het belang van de handhaving van de
                        openbare orde. De gemeenteraad kan daarbij bepalen tot welke openbare
                        plaatsen de bevoegdheid zich uitstrekt en voor welke duur de plaatsing van
                        camera’s ten hoogste mag geschieden. Volgens de wetgever is hierdoor de
                        toekenning van de bevoegdheid tot het plaatsen van camera’s met
                        democratische waarborgen omkleed. </al><al/><al>De gemeenteraad kan de bevoegdheid van de burgemeester inperken. De volgende
                        varianten zijn bijvoorbeeld denkbaar:De gemeenteraad besluit
                        expliciet/impliciet om binnen de gemeente geen cameratoezicht toe te
                        passen.</al><al/><al>De gemeenteraad bepaalt bij verordening dat de burgemeester mag besluiten
                        tot het toepassen van cameratoezicht op specifieke plaatsen, bijvoorbeeld in
                        de binnenstad, en geeft daarbij aan voor welke duur de plaatsing van
                        camera’s ten hoogste mag geschieden.</al><al/><al>De gemeenteraad verleent bij verordening zonder beperkingen de bevoegdheid
                        aan de burgemeester tot plaatsing van camera’s ten behoeve van de handhaving
                        van de openbare orde op openbare plaatsen. </al><al/><al>Het besluit van de burgemeester tot plaatsing van camera’s op een openbare
                        plaats is een besluit van algemene strekking waartegen op grond van de
                        Algemene wet bestuursrecht (Awb) voor belanghebbenden bezwaar en beroep
                        openstaat. Het kan voorkomen dat beelden worden gemaakt van personen die een
                        pand binnengaan of verlaten. De eigenaren van dergelijke panden zijn aan te
                        merken als belanghebbenden in de zin van de Awb, evenals bijvoorbeeld
                        degenen die in zo’n pand werken of wonen (huurders) of anderszins
                        regelmatige bezoekers van zo’n pand zijn. </al><al/><al><cursief>Doel van het cameratoezicht</cursief>Gemeentelijk cameratoezicht op
                        grond van artikel 151c Gemeentewet mag uitsluitend plaatsvinden voor het
                        handhaven van de openbare orde. Dit begrip omvat ook de algemene
                        bestuurlijke voorkoming van strafbare feiten die invloed hebben op de orde
                        en rust in de gemeentelijke samenleving. Dit hoofddoel laat onverlet dat
                        deze vorm van cameratoezicht ook subdoelen mag dienen. Zo biedt artikel
                        151c, zevende lid, van de Gemeentewet de mogelijkheid om de opgenomen
                        beelden te gebruiken voor de opsporing en vervolging van strafbare feiten.
                        Daarnaast mogen camera’s worden gebruikt om de politie en andere
                        hulpdiensten efficiënter en effectiever in te zetten. De preventieve werking
                        van cameratoezicht vergroot bovendien hun veiligheid. </al><al/><al><cursief>Openbare plaats</cursief>De invulling van het begrip openbare
                        plaats uit artikel 151c Gemeentewet is ontleend aan de wetsgeschiedenis van
                        de Wet openbare manifestaties (Wom). Op grond van die wet omvat het begrip
                        openbare plaats, zeer in het algemeen, de plaatsen “waar men komt en gaat”.
                        In eerste instantie gaat het hierbij om “de straat” of “de weg” in de ruime
                        zin des woords, ofwel de wegen die voor eenieder vrij toegankelijk zijn.
                        Maar het begrip omvat nog een aantal andere plaatsen die een met de weg
                        vergelijkbare functie vervullen en daarom als het “verlengde” van de weg
                        kunnen worden aangemerkt. In de wetsgeschiedenis staan als voorbeelden
                        vermeld: openbare plantsoenen, speelweiden, parken en de voor eenieder vrij
                        toegankelijke gedeelten van overdekte passages, winkelgalerijen,
                        stationshallen en vliegvelden. </al><al/><al>Artikel 2 Wom bevat twee criteria om vast te stellen of er sprake is van een
                        openbare plaats:</al><al>1. Vereist is dat de plaats “openstaat voor het publiek”. Dat wil zeggen
                        volgens de memorie van toelichting (TK 1985-1986, 19 427, nr. 3, p. 16)
                        zeggen dat eenieder vrij is om er te komen, te vertoeven en te gaan; dit
                        houdt in dat het verblijf op die plaats niet door de gerechtigde aan een
                        bepaald doel gebonden mag zijn (…). Dat de plaats “openstaat” betekent
                        voorts dat geen beletselen in de vorm van een meldingsplicht, de eis van een
                        voorafgaand verlof of de heffing van een toegangsprijs gelden voor het
                        betreden van de plaats. Op grond van het vorenstaande kunnen bijvoorbeeld
                        stadions, postkantoren, gemeentehuizen, parkeerterreinen, musea,
                        warenhuizen, ziekenhuizen en kerken niet als “openbare plaatsen” worden
                        aangemerkt.</al><al>2. Het open staan van de plaats dient te zijn gebaseerd op bestemming of op
                        vast gebruik. Deze bestemming kan blijken uit een besluit van de gerechtigde
                        of uit de bedoeling die spreekt uit de inrichting van de plaats. Een
                        openbare plaats krachtens vast gebruik ontstaat wanneer de plaats gedurende
                        zekere tijd wordt gebruikt als had deze die bestemming, en de rechthebbende
                        deze feitelijke toestand gedoogt, aldus de memorie van toelichting (TK
                        1985-1986, 19 427, nr. 3, p. 16). Een incidentele openstelling van een
                        plaats door de rechthebbende maakt de plaats nog niet tot een openbare
                        plaats in de zin van de Wom. </al><al/><al>In de Wom zijn kerken en andere gebouwen, die door de rechthebbende zijn
                        bestemd voor de belijdenis van een geloofsovertuiging, uitgesloten van het
                        begrip openbare plaats. Dit betekent dat het ook krachtens artikel 151c
                        Gemeentewet niet is toegestaan toezichtcamera’s te plaatsen in kerken,
                        moskeeën en dergelijke. Evenmin is het toegestaan om, in het kader van dit
                        artikel, toezichtcamera’s te richten op de ingang van dergelijke gebouwen.
                        Indien echter beelden worden gemaakt van een openbare plaats (een straat of
                        plein) waaraan bijvoorbeeld een kerk is gelegen, is het wel toegestaan dat
                        het exterieur van die kerk in beeld komt.</al><al/><al><cursief>Particulier eigendom</cursief></al><al>Bepaalde openbare plaatsen zijn in particulier eigendom. Voorbeelden hiervan
                        zijn de vrijelijk voor publiek toegankelijke gedeelten van
                        stationsterreinen, stationshallen en sommige winkelpassages. De onderhavige
                        regeling geldt indien gemeenten in het desbetreffende gebied cameratoezicht
                        willen toepassen in het belang van de handhaving van de openbare orde.</al><al>Gemeenten kunnen bij openbare plaatsen die in particulier eigendom zijn,
                        zoals bedrijfsterreinen, voor de handhaving van de openbare orde gebruik
                        maken van particuliere camera’s en/of het cameratoezicht samen met
                        particulieren uitvoeren. Deze samenwerking moet dan wel voldoen aan de
                        voorwaarden uit artikel 151c Gemeentewet.</al><al/><al><cursief>Vaste camera’s</cursief></al><al>Artikel 151c, eerste lid, Gemeentewet heeft betrekking op het langdurig
                        plaatsen van vaste camera’s op openbare plaatsen voor de handhaving van de
                        openbare orde. Met het begrip vast (statisch) wordt bedoeld dat de camera’s
                        nagelvast zijn bevestigd. Dit bevestigen gebeurt veelal door montage aan de
                        gevels of dakranden van gebouwen of op daarvoor geplaatste palen. Met het
                        begrip vast (statisch) wordt niet bedoeld dat camera’s een vast ingekaderd
                        beeld weergegeven. Het gebruik van de camera’s kan dynamisch zijn, dat wil
                        zeggen dat de observatiehoek en de grote van de observatiehoek op afstand
                        kan worden ingesteld (pendelen/in- en uitzoomen). Evenmin is er een
                        beperking voor interactieve toepassingen, zoals het gebruik van noodknoppen
                        en de mogelijkheid om vanuit de centrale burgers op hun gedrag toe te
                        spreken.</al><al/><al>De wetgever heeft dit onderwerp uitputtend bij formele wet geregeld.
                        Uitsluitend op de wijze omschreven in artikel 151c Gemeentewet kan worden
                        besloten tot langdurige plaatsing van vaste camera’s ten behoeve van de
                        handhaving van de openbare orde. Ander gebruik van camera’s ten behoeve van
                        de openbare orde en veiligheid dan het hiervoor bedoelde statische en
                        langdurige gebruik, wordt door de regeling onverlet gelaten. Hierbij moet
                        men met name denken aan kortstondig en/of mobiel cameragebruik bij
                        evenementen, rellen en grootschalige ordeverstoringen. In die gevallen,
                        waarbij steeds een concrete aanleiding bestaat, kan de bevoegdheid tot
                        cameragebruik worden ontleend aan artikel 2 van de Politiewet 1993.</al><al/><al><cursief>Proportionaliteit en subsidiariteit</cursief></al><al>Het uitvoeren van cameratoezicht op openbare plaatsen moet noodzakelijk zijn
                        voor de handhaving van de openbare orde. Het cameratoezicht moet evenredig
                        zijn in relatie tot het doel (proportionaliteit) en er moet worden bezien of
                        dit doel, i.c. de handhaving van de openbare orde, niet op een minder
                        ingrijpende wijze kan worden geëffectueerd (subsidiariteit).</al><al/><al>De eisen van proportionaliteit en subsidiariteit verlangen dat periodiek
                        moet worden beoordeeld of de doelstelling(en), die aan het plaatsen van de
                        camera’s ten grondslag hebben gelegen, zijn gerealiseerd en of er nog langer
                        een noodzaak bestaat voor cameratoezicht. Daarom geldt op grond van artikel
                        151c, eerste lid, Gemeentewet dat de plaatsing van camera’s geschiedt voor
                        een bepaalde duur. Na het verstrijken van deze termijn kan het
                        cameratoezicht, bij gebleken noodzaak, worden verlengd. Het ligt daarom voor
                        de hand om de duur van plaatsing te koppelen aan een evaluatie.</al><al/><al><cursief>Kenbaarheid</cursief></al><al>In artikel 151c, vierde lid, Gemeentewet is vastgelegd dat het gebruik van
                        camera’s kenbaar moet zijn. Burgers moeten in elk geval in kennis worden
                        gesteld van de mogelijkheid dat zij op beelden kunnen voorkomen zodra zij
                        het gebied betreden dat valt binnen het bereik van de camera’s. Aan het
                        kenbaarheidsvereiste moet niet alleen worden voldaan als er beelden worden
                        vastgelegd, maar ook als sprake is van monitoring en er dus geen opnames
                        worden gemaakt. Door het goed zichtbaar plaatsen van borden, waarop wordt
                        aangeven dat in het betrokken gebied met camera’s wordt gewerkt, kan het
                        publiek op deze mogelijkheid worden geattendeerd. Overigens houdt het
                        kenbaarheidsvereiste niet in dat camera’s altijd zichtbaar moeten zijn of
                        dat de burgers op de hoogte moeten worden gesteld van de precieze
                        opnametijden.</al><al/><al>In artikel 441b van het Wetboek van Strafrecht is de niet-kenbare toepassing
                        van cameratoezicht op voor het publiek toegankelijke plaatsen strafbaar
                        gesteld. De straf kan een hechtenis van ten hoogste twee maanden inhouden of
                        een geldboete van € 4.500.</al><al/><al><cursief>Overgangstermijn</cursief></al><al>Lopende cameraprojecten moeten worden aangepast aan het nieuwe wettelijke
                        kader. De wetgever heeft voor bestaande projecten een overgangstermijn
                        vastgesteld van één jaar. Deze overgangstermijn gaat lopen op het tijdstip
                        van inwerkingtreding van de wet. Om onder de werking van de overgangstermijn
                        te vallen, dienen de camera’s op het moment van inwerkingtreding van artikel
                        151c Gemeentewet reeds geplaatst te zijn. Dat heeft consequenties voor:</al><al>de uitvoering conform de regeling;het formaliseren van de wettelijke
                        grondslag voor cameratoezicht. </al><al/><al><cursief>Besluit cameratoezicht op openbare plaatsen</cursief></al><al>Op grond van artikel 151c, achtste lid, Gemeentewet worden nadere regels
                        gesteld om de goede uitvoering van het cameratoezicht te waarborgen. Deze
                        regels hebben betrekking op:de vaste camera’s en andere technische
                        hulpmiddelen benodigd voor het toezicht, bedoeld in het eerste lid, en de
                        wijze waarop deze hulpmiddelen worden aangebracht;de personen belast met of
                        anderszins direct betrokken bij de uitvoering van het toezicht;de ruimten
                        waarin de waarneming of verwerking van door het toezicht vastgelegde beelden
                        plaatsvindt.In het Ontwerpbesluit cameratoezicht op openbare plaatsen wordt
                        een certificatieregeling in het leven geroepen. Het toetsingskader zijn de
                        beoordelingsrichtlijnen van het Centrum voor Criminaliteitspreventie en
                        Veiligheid (CCV). Er bestaat een richtlijn voor het ontwerp van het
                        camerasysteem en een richtlijn voor de toezichtcentrale. Door certificering
                        wordt de kwaliteit, en daarmee de betrouwbaarheid van het cameratoezicht
                        gewaarborgd. De beoordelingsrichtlijnen zijn verkrijgbaar op:
                        www.hetccv.nl.Voor nadere informatie over de invoering van cameratoezicht in
                        de zin van artikel 151c Gemeentewet wordt verwezen naar de handreiking
                        cameratoezicht van het CCV. Deze bevat naast een uiteenzetting van het
                        wettelijk kader ook meer praktische informatie om op een zorgvuldige,
                        weloverwogen wijze (al dan niet) over te gaan tot cameratoezicht. De
                        handreiking is eveneens te vinden op www.hetccv.nl </al><al/><al><cursief>Tweede lid</cursief></al><al>De gemeenteraad heeft op grond van artikel 151c, eerste lid, Gemeentewet de
                        bevoegdheid om ook andere plaatsen, die zonder enige vorm van beperking
                        publiek toegankelijk zijn, aan te wijzen als openbare plaats en zo onder de
                        reikwijdte van de wet te brengen. Het gaat dan om plaatsen, zoals
                        parkeerterreinen, die vanwege het doelgebonden verblijf niet onder de
                        definitie van openbare plaats uit de Wom vallen. De wetgever heeft hiermee
                        beoogd dat gemeenten snel kunnen inspelen op gebleken lokale behoeften. Het
                        uitgangspunt blijft te allen tijde dat het cameratoezicht noodzakelijk moet
                        zijn met het oog op de handhaving van de openbare orde. </al><al/><al><cursief>Jurisprudentie:</cursief></al><al>- Rb. Zwolle, 15-08-2011, Awb 11/453 burgemeester van Almere, verweerder.
                        Awb 1:2 Gemeentewet 151c eerste lid; belanghebbende. Aanwijzing van gebied
                        waar vaste camera’s worden geplaatst. Wil men als belanghebbende worden
                        aangemerkt, dan moet het bij het besluit betrokken belang iets zijn waardoor
                        men zich onderscheidt van willekeurige anderen. Dit kunnen zijn de eigenaren
                        van panden gelegen in het gebied waar de camera’s worden geplaatst en
                        degenen die in zo’n pand wonen of werken of anderszins regelmatige bezoekers
                        van zo’n pand zijn. In de uitspraak van de ABRS van 9 maart 2005 inzake no.
                        200406652/1 (LJN: AS9248) wordt nog toegevoegd zij, die genoopt zijn
                        duurzaam op gezette tijden te verblijven. Nu gesteld noch gebleken is dat
                        eiser woont of werkt of anderszins duurzaam dient te verblijven in het
                        gebied waar het plaatsingsbesluit op ziet, is eiser geen belanghebbende.
                        </al><al/><al/></divisie><divisie><kop><label>Afdeling</label><nr>15</nr><titel>Gereserveerd</titel></kop><al><onderstreept>Artikel 2:69
                        <cursief>Gereserveerd</cursief></onderstreept></al><al/><al><onderstreept>Artikel 2:70
                        <cursief>Gereserveerd</cursief></onderstreept></al><al>. </al><al/><al><onderstreept>Artikel 2:71
                        <cursief>Gereserveerd</cursief></onderstreept></al><al/><al><onderstreept>Artikel 2:72
                        <cursief>Gereserveerd</cursief></onderstreept></al><al/></divisie><divisie><kop><label>Afdeling</label><nr>16</nr><titel>Carbidschieten</titel></kop><al>In het noorden en oosten van het land is carbidschieten met melkbussen een
                        jarenlage traditie. Deze traditie dreigt echter uit de hand te lopen nu op
                        diverse plaatsen wordt gesignaleerd dat de traditionele melkbus wordt
                        vervangen door steeds grotere bussen en tanks. De filmpjes daarvan staan op
                        youtube. Carbidschieten is op zichzelf al niet zonder risico’s, maar bij de
                        genoemde ontwikkelingen dreigen risico’s en overlast een onaanvaardbare
                        omvang te krijgen. Er is een handhavingsprobleem omdat er geen landelijk
                        verbod c.q. een landelijke regeling is voor carbidschieten. Het
                        carbidschieten valt namelijk niet onder het Vuurwerkbesluit, waardoor de
                        bepalingen daarvan niet van toepassing zijn. Handhaving van carbidschieten
                        is op dit moment lastig omdat moet worden teruggevallen op de artikelen 157
                        of 158 van het Wetboek van Strafrecht, die niet echt zijn toegesneden op de
                        problematiek van het carbidschieten. De artikelen 2:73 tot en met 2:78
                        voorzien daarin. </al><al/><al/></divisie><divisie><kop><label>Afdeling</label><nr>17</nr><titel>Toezicht op grow- en smartshops.</titel></kop><al><onderstreept>Artikel 2:80 Begripsomschrijvingen</onderstreept></al><al>De omschrijving van het begrip "inrichting" is zo ruim mogelijk gehouden. </al><al>Growshops zijn detailhandels- of groothandelsbedrijven die zich kenmerken
                        doordat zij benodigdheden verkopen voor de thuiskweek van cannabis. Telkens
                        als daarvan in mindere of meerdere mate sprake is valt de inrichting onder
                        het begrip growshop; dus ook als de verkoop van dit soort artikelen niet de
                        hoofdzaak is of als het bedrijf zichzelf niet als growshop afficheert. </al><al>Een smartshop zijn winkels en groothandelsbedrijven die zich kenmerken
                        doordat zij ecodrugs (paddos ofwel paddenstoelen, cactussoorten etc.) en/ of
                        smartproducts (smartdrinks, voedingssupplementen, energydranken,
                        extacy-vervangers, euforiserende en ontspannende middelen etc). verkopen.
                        Telkens als daarvan in mindere of meerdere mate sprake is valt de inrichting
                        onder het begrip smartshop; dus ook als de verkoop van dit soort artikelen
                        niet de hoofdzaak is of als het bedrijf zichzelf niet als smartshop
                        afficheert. </al><al>Het betreft legale drugs die niet voorkomen op lijst I (harddrugs) of lijst
                        II (softdrugs) van de Opiumwet, in een smartshop mag geen hasj of wiet
                        worden verkocht. Het gaat hierbij om een voor het publiek toegankelijke
                        ruimte waarin bedrijfsmatig, in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was of
                        anders dan om niet handelingen en werkzaam-heden worden verricht, die
                        verband houden met dan wel inherent zijn aan het exploiteren van hetgeen in
                        het maatschappelijk verkeer wordt aangeduid als een grow- of smartshop. </al><al>Verder zijn de begrippen “exploitant” en “leidinggevende” nader omschreven.
                        De te verlenen vergunning wordt op de naam van de exploitant (natuurlijke of
                        rechtspersoon) verleend, doch de leidinggevenden (waartoe ook de exploitant
                        behoort) moeten allen op de vergunning vermeld staan en ook aan de
                        verschillende gedragseisen voldoen. </al><al>Internetcafés en belwinkels die uitsluitend internet-/telefoonverbindingen
                        beschikbaar stellen zijn geen winkels. Artikel 1 van de Winkeltijdenwet
                        verstaat onder winkel: 'een voor het publiek toegankelijke ruimte, waarin
                        goederen aan particulieren plegen te worden verkocht'. Ook al bedraagt de
                        verkoop slechts 1% van de omzet van het bedrijf, dan is sprake van een
                        winkel. Bij 'plegen te worden verkocht' gaat het om feitelijk handelen. Bij
                        de vaststelling of er sprake is van een winkel is dus van belang wat de
                        feitelijke activiteiten zijn. Met 'goederen' worden overigens alleen
                        roerende stoffelijke zaken bedoeld. De aanwezigheid van een koffie-, fris-
                        of snoepautomaat maakt dit niet anders omdat een automaat geen winkel is.
                        Vermogensrechten en diensten vallen daar niet onder. Bij verkoop van
                        goederen, zoals bijv. mobiele telefoons, telefoonkaarten e.d. valt een
                        belhuis wel onder de Winkeltijdenwet. </al><al>Bij belhuizen valt te denken aan Phone Home (Scheldestraat 14). Bij de
                        laatste kan ook worden geïnternet. Van winkels waar ook goedkope
                        telefoonkaarten worden verkocht zoals bij groentenhandel Mevlana Market
                        (Scheldestraat 41b) is dit minder duidelijk. Maar ook is er een internetcafé
                        in bibliotheek 't Spui. </al><al/><al>Een belwinkel is, in essentie, een zaak waar een aantal telefoonlijnen
                        beschikbaar is voor gebruik door het publiek en waar meestal ook
                        telefoonkaarten met beltegoed worden verkocht. Vaak zijn de telefoons
                        geplaatst in cabines waar men ongestoord kan bellen. Soms gaat het om één of
                        tweelijnen in een buurtwinkel die voor klanten ter beschikking worden
                        gesteld. Belhuizen worden meestal gekenmerkt door een sterk etnische
                        oriëntatie, aldus het onderzoek van Van Traa in Amsterdam. Hoe werkt het? </al><al>a. Groothandelaren in telefoonkaarten kopen belminuten in bij een
                        leverancier van belminuten, een zogeheten carrier, bijv. KPN, Essent of
                        Worldcom. De groothandelaar maakt belkaarten met een bepaald beltegoed -
                        zogeheten prepaid-telefoonkaarten, ook wel scratchkaarten genoemd, vanwege
                        de methode om de toegangscode te voorschijn te krabben (scratchen) - en
                        brengt deze op de markt. </al><al>b. Belhuizen kopen de kaarten met beltegoed in bij de groothandel (soms via
                        een tussenhandelaar) en verkopen deze door aan hun klanten. </al><al/><al>Omdat belwinkels niet onder toezicht van de gemeente staan is er geen
                        overzicht van alle belhuizen in Vlissingen waar zo gebruik van kan worden
                        gemaakt. Hoeveel belwinkels er precies zijn is dan ook niet met zekerheid te
                        zeggen. Sommige belwinkels zijn als zodanig niet bekend bij het
                        handelsregister van de Kamer van Koophandel, bijvoorbeeld omdat de
                        belactiviteiten onderdeel zijn van een bredere bedrijfsvoering, zoals een
                        wasserij, kruideniersbedrijf of slagerij. Ook zijn gemengde bedrijven vaak
                        van buiten moeilijk of niet als belhuis herkenbaar. Er treden bovendien veel
                        mutaties op de branche. Belwinkels komen en gaan. De conclusie uit het
                        onderzoek van Van Traa is dat de belhuisbranche gevoelig is voor
                        (verwevenheid met of infiltratie door) criminaliteit. Te denken valt aan
                        belastingontduiking, illegaal personeel, telecomfraude en hawala (informele
                        moneytransfers). </al><al/><al>De laagdrempeligheid van belhuizen draagt er aan bij dat het woon- en
                        leefklimaat in de betreffende straten achteruit gaat. Dat komt enerzijds
                        door de uitstraling van het belhuis zelf, anderzijds door het publiek dat er
                        op af komt. Dikwijls jongeren die zich in groepen in de directe omgeving van
                        een dergelijke vestiging ophouden en te vaak door buurtbewoners en publiek
                        als bedreigend worden ervaren. </al><al/><al><onderstreept>Artikel 2:81 Vergunningplicht</onderstreept></al><al>De burgemeester is het vergunning verlenende orgaan, omdat de
                        vergunningplicht betrekking heeft op voor het publiek openstaande
                        inrichtingen en artikel 174 Gemeentewet de burgemeester met het toezicht
                        daarop belast. Tot de toetsing van een aanvraag behoort een
                        BIBOB-onderzoek.</al><al/><al>In het tweede lid wordt uitdrukkelijk vastgelegd dat de vergunning
                        uitsluitend verleend wordt aan de exploitant en niet kan worden
                        overgedragen. Bij wisseling van exploitant zal een nieuwe vergunning
                        aangevraagd worden met daaraan verbonden opnieuw een BIBOB-onderzoek. </al><al/><al>De vergunning wordt verleend aan de exploitant, doch de andere
                        leidinggevenden worden eveneens vermeld op de vergunning.</al><al/><al><onderstreept>Artikel 2:82 Gedragseisen</onderstreept></al><al>Met het stellen van deze eisen wordt beoogd te verzekeren dat de
                        leidinggevenden (waaronder volgens de begripsomschrijving in artikel 2:80
                        ook de exploitant valt) van voldoende "kaliber" zijn om de inrichting op een
                        goede wijze te leiden. </al><al/><al><onderstreept>Artikel 2:83 Aanwezigheid leidinggevende</onderstreept></al><al>In dit artikel wordt de aanwezigheid van een leidinggevende geregeld
                        gedurende de openingstijden van de inrichting. Bij andere
                        inrichtingen/bedrijven waarvoor eenzelfde exploitatievergunning wordt geëist
                        wordt eenzelfde eis gesteld. </al><al/><al><onderstreept>Artikel 2:84 Weigeringsgronden</onderstreept></al><al>De weigeringsgronden behoeven geen nadere toelichting. Naast deze
                        weigeringsgronden geldt uiteraard dat de vergunning geweigerd kan worden op
                        basis van de wet BIBOB. </al><al/><al><onderstreept>Artikel 2:85 Sluitingsuur</onderstreept></al><al><vet>en</vet></al><al><onderstreept>Artikel 2:86 Afwijking sluitingsuur; tijdelijke
                            sluiting</onderstreept></al><al>De grow- en smartshops vallen in beginsel onder detailhandelsactiviteiten.
                        Ook de panden waarin deze activiteiten worden uitgeoefend zijn
                        bestemmingsplanmatig als “detailhandel” aangewezen. Wat de sluitingstijden
                        betreft wordt dan ook aansluiting gezocht bij de openingstijden ingevolge de
                        Winkeltijdenwet. De mogelijkheid is wel opgenomen dat de burgemeester
                        tijdelijk andere sluitingstijden kan vaststellen of zelfs tijdelijk kan
                        sluiten. </al><al/><al><onderstreept>Artikel 2:87 Sluiting</onderstreept></al><al>Dit artikel regelt de tijdelijke sluitingsbevoegheid van een inrichting. </al><al/><al><onderstreept>Artikel 2:88 Aanwezigheid in gesloten
                            inrichting</onderstreept></al><al>Dit artikel geeft een verbod voor bezoekers om in een gesloten inrichting
                        aanwezig te zijn (eerste lid) en een verbod voor de leidinggevenden (incl.
                        de exploitant) om bezoekers tot te laten. In artikel 2:80 is aangegeven wat
                        niet onder een bezoeker wordt verstaan.</al><al/><al><onderstreept>Artikel 2:89 Intrekking vergunning</onderstreept></al><al>Naast de genoemde intrekkingsgronden geldt uiteraard dat de vergunning
                        ingetrokken kan worden op basis van de wet BIBOB. </al><al/><al><onderstreept>Artikel 2:90 Wijziging vergunning</onderstreept></al><al>Bij een verandering van omstandigheden moet een wijzigingsaanvraag te worden
                        ingediend. Hierbij valt te denken aan met name een wisseling van
                        leidinggevenden. </al><al/><al><onderstreept>Artikel 2:91 Verplaatsing inrichting</onderstreept></al><al>Bij het verplaatsen van een inrichting is een nieuwe vergunning vereist. </al><al/><al/></divisie><divisie><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3.</nr><titel>SEKSINRICHTINGEN, SEKSWINKELS, STRAATPROSTITUTIE E.D.</titel></kop><al><cursief><onderstreept>Algemene toelichting</onderstreept></cursief></al><al/><al><cursief>1. Verordenende bevoegdheid van gemeenten</cursief></al><al>Volgens artikel 273f van het Wetboek van Strafrecht is het exploiteren van
                        prostitutie niet langer in algemene zin, maar nog slechts in bepaalde
                        omstandigheden strafbaar. Over de vormen van exploitatie van prostitutie die
                        niet langer strafbaar zijn, is geen nadere formele wetgeving vastgesteld. De
                        enige manier om de exploitatie van prostitutie te reguleren is dus via de
                        APV. De gemeentelijke bevoegdheid om bij verordening regels te stellen,
                        heeft daardoor een autonoom karakter: bij gebrek aan nadere formele
                        regelgeving, zijn gemeenten immers niet verplicht om ter uitvoering daarvan
                        bij (medebewinds-)verordening regels vast te stellen. Hoewel autonoom, de
                        verordenende bevoegdheid mag uitsluitend worden aangewend “ter regeling en
                        bestuur inzake de huishouding van de gemeente”: blijkens artikel 108, eerste
                        lid, van de Gemeentewet moeten gemeenten zich daarbij namelijk beperken tot
                        de behartiging van belangen die zijn aan te merken als gemeentelijke
                        belangen.</al><al/><al>Dit hoofdstuk van de APV is niet uitsluitend gebaseerd op artikel 149
                        Gemeentewet, maar – voor zover het betrekking heeft op prostitutie - tevens
                        op artikel 151a Gemeentewet.</al><al/><al>Bij artikel 19, derde lid, van de Grondwet kan de vrije keuze van arbeid
                        worden onderscheiden van de uitoefening daarvan. Ter waarborging van een
                        maatschappelijk verantwoorde arbeidsuitoefening leggen tal van
                        vergunningsvoorschriften daaraan beperkingen op (in het belang van
                        kwaliteitsbewaking, de bescherming van de cliënt, de bescherming van de
                        werknemer tegen gevaar en exploitatie, de bescherming van de omgeving tegen
                        gevaar en overlast en dergelijke). Deze vergunningsvoorschriften hebben niet
                        als motief het beperken van de vrijheid van arbeidskeuze en dienen dan ook
                        niet te worden beschouwd als beperking daarvan. Toch mogen deze
                        vergunningsvoorschriften - ook al liggen daaraan andere motieven ten
                        grondslag - niet zo ver strekken dat de vrije arbeidskeuze daardoor
                        impliciet illusoir wordt. De conclusie is dan ook gerechtvaardigd dat
                        gemeenten, bijvoorbeeld aan het beroep van bordeelhoud(st)er of van
                        prostituee, beperkingen mogen opleggen ter “regeling en bestuur van de
                        gemeentelijke huishouding”: in het belang van de openbare orde, de openbare
                        veiligheid, de volksgezondheid of het milieu.</al><al/><al><cursief>Gebod of verbod; vergunning of ontheffing</cursief></al><al>Gemeenten die (exploitatie van) prostitutie willen reguleren en daartoe bij
                        verordening vergunningsvoorschriften willen vaststellen, kunnen dat doen in
                        de vorm van geboden of verboden. De keuze voor gebodsbepalingen ligt in de
                        rede, indien de gemeente wenst te volstaan met repressief toezicht en niet
                        de behoefte heeft op (exploitatie van) prostitutie preventief toezicht uit
                        te oefenen. In dat geval moeten bij (exploitatie van) prostitutie de
                        vergunningsvoorschriften in acht worden genomen die de gemeente daarover
                        heeft vastgesteld, maar is daarvoor geen nadere voorafgaande toestemming van
                        gemeentewege vereist. Gebodsbepalingen hebben onder meer als voordeel dat de
                        bestuurslasten relatief beperkt zijn: nadat de gemeente de regels “eenmalig”
                        heeft vastgesteld, beperkt zij zich tot het uitoefenen van toezicht op de
                        naleving daarvan.</al><al/><al>De keuze voor verbodsbepalingen ligt in de rede, indien de gemeente wel de
                        behoefte voelt om niet alleen repressief maar ook preventief toezicht uit te
                        oefenen. In dat geval moeten vanzelfsprekend eveneens de
                        vergunningsvoorschriften worden nageleefd die de gemeente over (exploitatie
                        van) prostitutie heeft vastgesteld, maar is daarvoor bovendien de
                        voorafgaande toestemming van de gemeente vereist.</al><al>Dit toestemmingsvereiste kan gestalte worden gegeven door (in de
                        verbodsbepaling) een vergunning- of een ontheffingplicht op te nemen. Een
                        vergunningplicht is op zijn plaats, indien de te reguleren activiteit op
                        zichzelf niet als ontoelaatbaar wordt beschouwd maar het wenselijk wordt
                        geacht dat daarop voorafgaand toezicht kan worden uitgeoefend. Verboden is
                        in dat geval niet de activiteit zelf, maar het verrichten daarvan zonder
                        toestemming (vergunning). Een ontheffingsplicht is op zijn plaats, indien de
                        te reguleren activiteit op zichzelf als ontoelaatbaar wordt beschouwd maar
                        het wenselijk wordt geacht de mogelijkheid te behouden om die, indien
                        bijzondere omstandigheden dat rechtvaardigen, toch te laten plaatsvinden.
                        Verboden is in dat geval de activiteit zelf, zij het dat daarvoor bij wijze
                        van uitzondering toestemming (ontheffing) kan worden verleend.</al><al>Aan de opheffing van het algemeen bordeelverbod ligt de gedachte ten
                        grondslag, dat (exploitatie van) prostitutie voortaan op zichzelf als een
                        toelaatbare activiteit moet worden beschouwd en slechts strafbaar is indien
                        er sprake is van onvrijwilligheid of van betrokkenheid van minderjarige dan
                        wel illegale prostituees. Omdat de bepalingen van hoofdstuk 3 zich richten
                        op het reguleren van eerstgenoemde, niet langer strafbare vormen van
                        (exploitatie van) prostitutie, is daarin gekozen voor de
                        vergunningfiguur.</al><al/><al><cursief>2. Vormen van (exploitatie van) prostitutie</cursief></al><al>Prostitutie wordt in tal van vormen uitgeoefend en geëxploiteerd. Een aantal
                        van die vormen kan worden onderscheiden, naar gelang de mate waarin de
                        prostituee daarbij zelfstandig werkzaam is. Bij prostitutie die wordt
                        uitgeoefend in een daarvoor ingerichte ruimte en in dienstverband
                        (seksclubs, bordelen, privéhuizen en dergelijke), is de invloed van de
                        exploitant naar verhouding het grootst. In de inrichting bepalen zij de
                        “huisregels” voor de prostituee, die bijvoorbeeld kunnen uiteenlopen van
                        verplicht condoomgebruik tot de onmogelijkheid voor de prostituee om
                        onveilig seksueel contact te weigeren. Bij deze vorm van prostitutie wordt
                        de hoogte van de inkomsten van de exploitant rechtstreeks beïnvloed door het
                        aantal klanten.</al><al/><al>Bij prostitutie die wordt uitgeoefend in een daarvoor ingerichte ruimte maar
                        niet in dienstverband (kamerverhuurbedrijven, raamprostitutiebedrijven,
                        prostitutiehotels en dergelijke), is sprake van een geringere invloed van de
                        exploitant en van een minder direct verband tussen het aantal klanten en de
                        inkomsten van de exploitant. Meestal beperkt de rol van de exploitant zich
                        tot het verhuren van “ramen”, en bestaat tussen exploitant en prostituee
                        alleen een huurovereenkomst. De prostituee werkt in hoge mate zelfstandig
                        (en voor zichzelf), al kan die zelfstandigheid worden beperkt door andere
                        omstandigheden zoals een afhankelijkheid van de exploitant of een (slechte)
                        eigen financiële situatie.</al><al/><al>Bij prostitutie die wordt uitgeoefend buiten een daarvoor ingerichte ruimte
                        maar wel in dienstverband (escortbedrijven en dergelijke), geldt weer wel
                        dat het aantal klanten rechtstreeks van invloed is op de inkomsten van de
                        exploitant. De prostituee werkt daarbij echter niet in het bedrijf van de
                        exploitant, maar in een hotel of bij klanten thuis. De bemoeienis van de
                        exploitant met de werkwijze van de prostituee is daardoor relatief
                        gering.</al><al>Bij prostitutie die wordt uitgeoefend buiten een daarvoor ingerichte ruimte
                        en niet in dienstverband (straatprostitutie, thuiswerk en dergelijke) is de
                        zelfstandigheid van de prostituee doorgaans het grootst. Straatprostituees
                        werven hun klanten op de openbare weg. Thuiswerk(st)ers adverteren soms in
                        bladen, maar beschikken vaak ook over een vaste klantenkring die zich
                        uitbreidt langs informele weg. Op zichzelf zijn zij in staat zelf “de regels
                        te bepalen”. Maar doordat de onderhandelingen tussen klant en prostituee in
                        korte tijd moeten worden afgerond en de werksituatie vaak onveilig is, is de
                        machtspositie van klanten relatief sterk. Die wordt nog versterkt doordat
                        straatprostituees veelal drugs gebruiken; de noodzaak om hun verslaving te
                        bekostigen, kan verder afbreuk doen aan hun onderhandelingspositie.</al><al>Genoemde vormen van (exploitatie van) prostitutie onderscheiden zich niet
                        alleen voor wat betreft de zelfstandigheid van de prostituee, maar ook voor
                        wat betreft de invloed op de openbare ruimte van elk van die vormen. Zo
                        behoeft bijvoorbeeld geen betoog, dat van “zichtbare” vormen (straat- en
                        raamprostitutie) een veel sterkere uitstraling op de woon- en leefomgeving
                        uitgaat dan van club- of escortprostitutie. Wel kan worden opgemerkt dat
                        omdat raamprostitutie meer zichtbaar is, wel betere controlemogelijkheden
                        voorhanden zijn. Het ligt dan ook in de rede dat dit onderscheid in het
                        gemeentelijk prostitutiebeleid tot uitdrukking zal komen.</al><al/><al><cursief>Bevoegdheden opsporingsambtenaren en toezichthouders</cursief></al><al>Dit hoofdstuk bevat geen bepalingen over opsporingsambtenaren en
                        toezichthouders. Hun bevoegdheden zijn geregeld in hoofdstuk 6 van deze APV
                        en in de artikelen 5:11 tot en met 5:20 van de Algemene wet bestuursrecht
                        (Awb).</al><al>Gemeenten die in de vergunning nadere vergunningsvoorschriften opnemen met
                        daarin eisen ten aanzien van (volks)gezondheid en hygiëne waarvan de
                        controle het best kan geschieden door GGD-artsen, kunnen desgewenst deze
                        functionarissen als toezichthouder aanwijzen. Hierbij kan wel worden
                        opgemerkt dat er spanning kan ontstaan tussen de functie van
                        vertrouwenspersoon en de taak als toezichthouder. Op die manier kunnen zij
                        de bevoegdheden verkrijgen die voor adequate controle noodzakelijk
                        zijn.</al><al/><al><cursief>Jurisprudentie</cursief></al><al>- Nulbeleid. “Bescherming openbare zeden” in bestemmingsplan is geen
                        motief.LJN-nr. AE2838, JG 02.0108 m.nt. A.L. Esveld.</al><al>- Planologische voorwaarden voor de vestiging van bordelen toegestaan, ook
                        al zouden deze de vestiging van een prostitutiebedrijf op een bepaalde
                        plaats feitelijk onmogelijk maken. LJN-nr. AN9215, JG 04.0077 m.nt. A.L.
                        Esveld.</al><al>- De omstandigheid dat de prostituees in afwachting van een beslissing op de
                        aanvraag rechtmatig in Nederland verblijven maakt niet dat zij in dat
                        stadium aan de zogenoemde Associatieovereenkomsten aanspraak kunnen ontlenen
                        om arbeid als zelfstandige te mogen verrichten. LJN-nr. AO3839, JG 04.0112
                        m.nt. A.L. Esveld.</al><al>- In een nota opgenomen ruimtelijke relevante criteria zijn voldoende voor
                        de onderbouwing van gebruiksbepalingen behorend bij een bestemmingsplan die
                        het gebruik als bordeel beperken. Een erotische massagesalon is een
                        seksinrichting en kan worden aangemerkt als een prostitutiebedrijf. LJN-nr.
                        AQ8750, JG 04.0150 m.nt. A.L. Esveld.</al><al>- Voor betaalde tantramassage is vergunning op grond van de APV nodig,
                        onverlet de planologische vrijstelling voor een schoonheidsinstituut.
                        LJN-nr. AT4882, JG 05.0079 m.nt. A.L. Esveld. </al><al/><al><onderstreept>Artikel 3:1
                        Begripsomschrijvingen</onderstreept></al><al><cursief>Prostitutie en prostituee - (onder a en b)</cursief></al><al>Deze omschrijving van het begrip “prostitutie” is afgeleid van de definitie
                        in artikel 273f, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht. Om onder andere
                        taalkundige redenen zijn de termen “derde” en “betaling” uit de definitie in
                        het Wetboek van Strafrecht in deze definitie vervangen door respectievelijk
                        “ander” en “vergoeding”. </al><al/><al><cursief>Seksinrichting (onder c)</cursief>Het begrip seksinrichting is het
                        centrale begrip voor deze verordening. Seksinrichtingen zijn er in
                        verschillende varianten. Daarom is in deze definitie bewust gekozen voor een
                        algemene omschrijving. Die omschrijving sluit aan bij het spraakgebruik en
                        in diverse rechterlijke uitspraken gehanteerde definities (zie onder andere:
                        Pres. Rb Amsterdam 24 januari 1997; Awb 96/12338 GEMWT; niet gepubliceerd).
                        “Seksinrichting” als hier omschreven zijn inrichtingen waarin op
                        bedrijfsmatige wijze seksuele diensten worden verleend, dan wel waarin deze
                        diensten in een zodanige omvang en met een zodanige frequentie worden
                        aangeboden dat die als bedrijfsmatig kunnen worden aangemerkt. Deze
                        constructie (alsof het bedrijfsmatig was) komt ook voor in de Wet
                        milieubeheer. </al><al/><al>In de definitie is gekozen voor de term “besloten ruimte”, omdat dit meer
                        omvat dan het begrip “gebouw”. Onder besloten ruimte worden ook begrepen een
                        vaar- of een voertuig. Het bijvoeglijk naamwoord “besloten” duidt erop dat
                        de ruimte zich niet in de open lucht bevindt. Het moet dus gaan om een
                        overdekt en geheel of gedeeltelijk door wanden omsloten ruimte, die al dan
                        niet met enige beperking voor het publiek toegankelijk is. </al><al/><al>Veel voorkomende vormen van seksinrichtingen zijn in deze omschrijving
                        uitdrukkelijk genoemd. Dit om iedere discussie over de vraag of dit type
                        inrichting als seksinrichting dient te worden aangemerkt, te voorkomen. Dit
                        zijn: (raam)prostitutiebedrijven, erotische-massagesalons, seksbioscopen,
                        seksautomatenhallen, sekstheaters of parenclubs. Sommige van deze begrippen
                        behoeven wellicht nadere toelichting. Onder een prostitutiebedrijf worden
                        niet alleen bordelen en clubs begrepen, maar ook andere ruimten waarin
                        prostitutie plaatsvindt, zoals zogenaamde prostitutiehotels die speciaal aan
                        prostituees voor korte tijd kamers verhuren. Onder raamprostitutiebedrijf
                        dient te worden verstaan een inrichting met een of meer ramen van waarachter
                        de prostituee tracht de aandacht van passanten op zich te vestigen. Een
                        seksbioscoop is een inrichting waarin hoofdzakelijk vertoningen van
                        erotisch-pornografische aard worden gegeven door middel van audiovisuele
                        apparatuur. Dit is in afwijking van een seksautomatenhal, waarin dergelijke
                        vertoningen van erotisch-pornografische aard worden gegeven door middel van
                        automaten en van een sekstheater, waarin deze vertoningen anders dan door
                        middel van audiovisuele apparatuur of automaten - met andere woorden “live”
                        - worden gepresenteerd. Voor zowel de seksbioscoop, de seksautomatenhal als
                        het sekstheater geldt dat daarin hoofdzakelijk voorstellingen van
                        erotisch-pornografische aard worden gegeven. Een café bijvoorbeeld, waarin
                        incidenteel een striptease-optreden plaatsvindt, dient derhalve niet als
                        “sekstheater” te worden aangemerkt. Zo’n optreden moet echter worden
                        beschouwd als een evenement (een “voor publiek toegankelijke verrichting van
                        vermaak”), waarvoor volgens artikel 2:25 vergunning van de burgemeester
                        vereist is. </al><al/><al><cursief>Escortbedrijf (onder d)</cursief>Een escortbedrijf is een bedrijf
                        dat - meestal telefonisch - bemiddelt tussen klanten en prostituees. De
                        prostituee bezoekt de klant, of gaat met de klant naar een andere plaats.
                        Een escortbedrijf is geen inrichting. Het kan een kantoortje zijn, maar ook
                        een telefooncentrale, een mobiele telefoon of een website op Internet. De
                        plaats van de bedrijfsruimte is bepalend voor de vergunningplicht. Een
                        escortbedrijf biedt de services actief aan door middel van advertenties en
                        andere reclame-uitingen. Uiteraard kan er ook sprake zijn van een combinatie
                        van een seksinrichting en een escortservice. </al><al/><al><cursief>Sekswinkel (onder e)</cursief>De omschrijving van het begrip
                        “sekswinkel” is ontleend aan de Winkeltijdenwet. Ook in deze
                        begripsomschrijving is bepaald dat hoofdzakelijk van verkoop van goederen in
                        casu van erotisch-pornografische aard sprake moet zijn. Zonder die
                        aanduiding zouden immers vele tijdschriftenwinkels als sekswinkel moeten
                        worden aangemerkt.Op de openingstijden van sekswinkels is het regime van de
                        Winkeltijdenwet van toepassing. Een sekswinkel is geen “seksinrichting” als
                        hierboven omschreven; de exploitatie ervan is niet onderworpen aan de
                        vergunningplicht van artikel 3:4, eerste lid. De vestiging van sekswinkels
                        zal doorgaans afdoende kunnen worden gereguleerd langs de weg van het
                        bestemmingsplan. Indien dat in aanvulling daarop (in het belang van de
                        openbare orde of de woon- en leefomgeving) raadzaam wordt geacht, kan worden
                        overwogen de exploitatie van sekswinkels te verbieden in aangewezen gebieden
                        of delen van de gemeente en daartoe artikel 3:10 op te nemen. Indien wordt
                        afgezien van het opnemen van artikel 3:10 kan onderdeel e in artikel 3:1
                        achterwege worden gelaten en komt de titel van afdeling 2 “Seksinrichtingen,
                        straatprostitutie en dergelijke” te luiden. </al><al/><al><cursief>Bezoeker (onder h)</cursief>Het behoeft geen betoog dat, tegen de
                        achtergrond van de bij of krachtens de artikelen 3:6 of 3:7 vastgestelde
                        sluitingsuren, niet alle in de inrichting aanwezige personen als “bezoeker”
                        moeten worden aangemerkt.Van het begrip “bezoeker” zijn behalve de
                        exploitant(en), de beheerder(s), de prostituees en de personeelsleden van de
                        exploitant, tevens toezichthouders en opsporingsambtenaren uitgezonderd,
                        alsmede andere personen wier aanwezigheid in de inrichting wegens dringende
                        redenen noodzakelijk is (hierbij valt te denken aan personen die de
                        inrichting moeten kunnen betreden voor het leveren van goederen, of voor het
                        uitvoeren van reparatie- of onderhoudswerkzaamheden). </al><al/><al><cursief>Jurisprudentie</cursief></al><al>- Prostitutiebedrijf is een voor publiek openstaand gebouw. Strijd met het
                        bestemmingsplan als weigeringgrond aanvaard. Exploitatie van het
                        prostitutiebedrijf past niet in het bestaand woonklimaat. LJN-nr. AH9858, JG
                        03.0194 m. nt. A.L. Esveld.</al><al>- Parenclub in woning niet toegestaan wegens strijd met bestemmingsplan.
                        LJN-nr. AE6669, JG 03.0024 m. nt. A.L. Esveld.</al><al>- Een parenclub met erotisch café levert niet meer overlast op dan een
                        relaxbedrijf met horeca. Bestemmingsplan als weigeringgrond in de APV
                        aanvaard. LJN-nr.AF9857, JG 04.0111 , m.nt. A.L. Esveld. - In een nota
                        opgenomen ruimtelijke relevante criteria zijn voldoende voor de onderbouwing
                        van gebruiksbepalingen behorend bij een bestemmingsplan die het gebruik als
                        bordeel beperken. Een erotische massagesalon is een seksinrichting en kan
                        worden aangemerkt als een prostitutiebedrijf. LJN-nr. AQ8750, JG 04.0150,
                        m.nt. A.L. Esveld.Een bordeel is een voor publiek openstaand gebouw als
                        bedoeld in artikel 174, eerste lid, van de Gemeentewet. </al><al>- Een bordeel past niet in de functie woonbebouwing. LJN-nr. AE5853, JG.
                        03.0062, m. nt. A.L. Esveld.</al><al>- Voor betaalde tantramassage is vergunning op grond van de APV nodig,
                        onverlet de planologische vrijstelling voor een schoonheidsinstituut.
                        LJN-nr. AT4882, JG 05.0079 m.nt. A.L. Esveld.</al><al>- Prostitutie-inrichting, exploitatievergunning, toetsingsmaatstaf,
                        beoordelingsruimte, betekenis Bibob-advies – APV 1994 Amsterdam (ABRS
                        18-11-2009, JB 2010/11, LJN BK3632). </al><al/><al><onderstreept>Artikel 3:2 Bevoegd bestuursorgaan</onderstreept></al><al>De artikelen 160 en 174 van de Gemeentewet maken deze bevoegdheidsafbakening
                        noodzakelijk. Volgens artikel 160 is het college belast met de uitvoering
                        van raadsbesluiten (waaronder autonome verordeningen als deze) tenzij bij of
                        krachtens de wet de burgemeester daarmee is belast. Dit laatste doet zich
                        hier voor: artikel 174 belast de burgemeester namelijk met “het toezicht op
                        de openbare samenkomsten en vermakelijkheden, alsmede op de voor het publiek
                        openstaande gebouwen en daarbij behorende erven” (eerste lid) en met “de
                        uitvoering van verordeningen voor zover deze betrekking hebben op het in het
                        eerste lid bedoelde toezicht” (derde lid).In veruit de meeste gevallen dient
                        de burgemeester derhalve te worden aangemerkt als het bevoegde
                        bestuursorgaan. Zijn bevoegdheid betreft namelijk de voor het publiek
                        openstaande gebouwen en de openbare samenkomsten en vermakelijkheden. In de
                        definitie van seksinrichtingen is echter het ruimere begrip “ruimte”
                        opgenomen. Dat betekent dat het college bevoegd is als het gaat om met name
                        de vaar- en voertuigen. Ook is het college bevoegd als het gaat om
                        escortbedrijven. Het gebruik van de openbare weg, waarbij in dit verband met
                        name gedacht moet worden aan de aanwijzing van tippelzones, is een
                        bevoegdheid van het college. Om deze afbakening - waar aan de orde - niet
                        steeds opnieuw volledig te moeten weergeven, is in hoofdstuk 3 het begrip
                        “bevoegd bestuursorgaan” gehanteerd en is dat in artikel 3:2 eenmalig
                        gedefinieerd. </al><al/><al>Van de specifieke aard van de seksinrichting is afhankelijk wie in een
                        concreet geval bevoegd is: het college of de burgemeester. Aangezien van
                        onbevoegd genomen besluiten vernietiging in de rede ligt, moet deze vraag
                        met zorgvuldigheid worden beantwoord.</al><al/><al>Op grond van artikel 168, eerste lid, van de Gemeentewet kan het college een
                        of meer van zijn bevoegdheden opdragen aan een of meer van zijn leden. Het
                        gaat hierbij om mandaat: de opgedragen bevoegdheid wordt uitgeoefend uit
                        naam en onder verantwoordelijkheid van het college (tweede lid), dat
                        daarover bovendien aanwijzingen kan geven (derde lid). Om de uitvoering van
                        het gemeentelijk prostitutiebeleid zoveel mogelijk te stroomlijnen, zou het
                        college zijn bevoegdheid terzake kunnen mandateren aan de burgemeester. Dit
                        doet er niet aan af dat goed moet worden bezien, of een concreet te nemen
                        besluit een besluit van de burgemeester zelf of van het college is.
                        </al><al/><al><cursief>Jurisprudentie</cursief></al><al>- Blijkens ARRS 27 augustus 1993 moet een raamprostitutiebedrijf worden
                        beschouwd als een voor publiek openstaand gebouw als bedoeld in artikel 174,
                        eerste lid, van de Gemeentewet, ten aanzien waarvan mitsdien de burgemeester
                        exclusief bevoegd is, JG 94.0053.</al><al>- Een bordeel is een voor publiek openstaand gebouw als bedoeld in artikel
                        174 lid 1, van de Gemeentewet. Een bordeel past niet in de functie
                        woonbebouwing. LJN-nr. AE5853, JG. 03.0062, m. nt. A.L. Esveld.</al><al>Ook (reguliere) bestuursrechtelijke bevoegdheden ter handhaving van de
                        openbare orde behoren exclusief toe aan de burgemeester. LJ-nr. AR3854, JG
                        05.0004 m.nt. A.L. Esveld. </al><al/><al><onderstreept>Artikel 3:3 Nadere regels</onderstreept></al><al>Vergunningsvoorschriften die voor de exploitatie van alle (of bepaalde
                        categorieën van) seksinrichtingen zouden moeten gelden, kunnen krachtens dit
                        artikel door het college worden vastgesteld als algemeen verbindende
                        voorschriften. Artikel 3:3 ziet dus op delegatie van regelgevende
                        bevoegdheid als bedoeld in artikel 156, eerste lid, van de Gemeentewet.
                        Vanzelfsprekend zijn de regels over de bekendmaking van algemeen verbindende
                        voorschriften hierbij van overeenkomstige toepassing.Ook kan het bevoegde
                        bestuursorgaan zelf (nogmaals: meestal de burgemeester) over zijn
                        bevoegdheid beleidsregels vaststellen als bedoeld in artikel 4:81 van de
                        Awb. Evenals algemeen verbindende voorschriften nopen beleidsregels het
                        bevoegd bestuursorgaan eveneens tot het volgen van een vaste gedragslijn bij
                        het toepassen van de desbetreffende bevoegdheid, zij het niet onder alle
                        omstandigheden: gelet op artikel 4:84 van de Awb moet het bevoegd
                        bestuursorgaan namelijk handelen overeenkomstig de beleidsregel “tenzij dat
                        voor een of meer belanghebbenden gevolgen zou hebben die wegens bijzondere
                        omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregel te
                        dienen doelen”. Indien het wenselijk wordt geacht om een bevoegdheid als
                        regel op een bepaalde wijze toe te passen, maar in bijzondere gevallen
                        anders te kunnen besluiten, ligt het dus in de rede daarover geen “nadere
                        regel” maar een beleidsregel vast te stellen. </al><al/><al><onderstreept>Artikel 3:4 Seksinrichtingen</onderstreept></al><al><cursief>Lex silencio positivo: </cursief></al><al>Deze vergunning beschermt wezenlijke belangen, met name de openbare orde en
                        volksgezondheid. Het is hoogst onwenselijk zijn als deze vergunning van
                        rechtswege wordt verleend voordat er een inhoudelijke toets van de aanvraag
                        heeft plaatsgevonden en is voltooid. Een lex silencio positivo is hier dan
                        ook niet wenselijk om dwingende redenen van algemeen belang, zoals de
                        openbare orde en volksgezondheid. Paragraaf 4.1.3.3. Awb wordt niet van
                        toepassing verklaard.</al><al/><al><cursief>Eerste lid</cursief></al><al>Zoals uiteengezet in de Algemene toelichting hoofdstuk 3 onder 2, is er hier
                        voor gekozen de exploitatie van seksinrichtingen en escortbedrijven te
                        reguleren door middel van de vergunningfiguur. Uit het eerste lid vloeit een
                        voor de hele gemeente geldende vergunningplicht voort. Het wijzigen van de
                        seksinrichting valt eveneens onder de vergunningplicht. Met het wijzigen
                        wordt bedoeld een wijziging van welke aard dan ook. Hierbij kan bijvoorbeeld
                        worden gedacht aan verandering van bouwkundige aard, het aantal
                        exploitanten, de wijze van exploitatie en de naam van een of meerdere
                        exploitanten. Dit is om te voorkomen dat de vergunning uit de pas loopt met
                        de feitelijke situatie. </al><al/><al>Het is ook mogelijk om een gedifferentieerd vergunningstelsel vast te
                        stellen, indien de lokale omstandigheden het wenselijk maken dat
                        seksinrichtingen (alle, of bepaalde soorten) geografisch worden
                        geconcentreerd. De mogelijkheid om - met vergunning - een seksinrichting te
                        exploiteren, bestaat dan uitsluitend in daartoe aangewezen gebieden of delen
                        van de gemeente en is voor het overige verboden. Zo’n beleid wordt veelal
                        ingegeven door het belang van de openbare orde, de openbare veiligheid of de
                        volksgezondheid of de bescherming van het milieu (Europese
                        Dienstenrichtlijn) : het concentreren van seksinrichtingen in bepaalde
                        gebieden kan bijvoorbeeld gewenst zijn, om daarop met voldoende intensiteit
                        toezicht te kunnen uitoefenen. Behalve ten aanzien van seksinrichtingen in
                        het algemeen, kan een dergelijk beleid vanzelfsprekend ook worden gevoerd
                        ten aanzien van een of meer vormen daarvan.</al><al/><al>Ook kan, om de exploitatie van seksinrichtingen te reguleren vanuit het
                        belang van openbare orde enz. ervoor worden gekozen het aantal vergunningen
                        dat kan worden verleend aan een maximum te binden. Zo’n maximumbeleid kan
                        ook neergelegd worden in een bestemmingsplan. Het kan “zelfstandig” worden
                        toegepast, maar kan ook worden gehanteerd ter ondersteuning van genoemd
                        concentratiebeleid: denkbaar is immers dat een maximumbeleid een waardevolle
                        bijdrage kan leveren bij de bescherming van de openbare orde, enz. in
                        gebieden die zijn aangewezen voor het exploiteren van seksinrichtingen.
                        Indien de plaatselijke omstandigheden daartoe aanleiding geven, kan een
                        maximumbeleid worden toegesneden op de uiteenlopende vormen van
                        seksinrichtingen. Zo kan in een gemeente met het oog op de bescherming van
                        de openbare orde e.a. beleid worden gevoerd waarin de vestiging van
                        raamprostitutiebedrijven slechts in zeer beperkte mate, of zelfs in het
                        geheel niet wordt toegestaan. </al><al/><al>In een vergunningvoorschrift ten behoeve van een prostitutiebedrijf kan
                        uiteraard ook het aantal werkzame prostituees worden gemaximeerd, waardoor
                        de splitsing van ramen of werkruimten - in het verleden kwam dit met name
                        voor bij raamprostitutie - kan worden voorkomen (ARRS 29-08-1989; Gst. 6901,
                        6 en JG 90.0003 . Zie verder de toelichting bij artikel 3:13, tweede lid,
                        onder a. </al><al/><al>Het is mogelijk exploitatievergunningen te verlenen voor een bepaalde duur,
                        bijvoorbeeld 2 jaar, zodat periodiek het functioneren van inrichting(en) of
                        het gemeentelijk beleid terzake kan worden geëvalueerd. Zie bij de
                        toelichting op artikel 1:7. </al><al/><al>In deze bepaling is ervoor gekozen om escortbedrijven aan dezelfde
                        vergunningplicht als seksinrichtingen te onderwerpen. Hierdoor wordt een
                        eenduidige systematiek gehanteerd. De vergunning zal echter veel minder
                        omvattend (kunnen) zijn, omdat de activiteiten van een escortbedrijf nu
                        eenmaal niet in een inrichting plaatsvinden. De toetsing van de
                        vergunningaanvraag zal zich derhalve veelal beperken tot de toetsing van de
                        antecedenten van de exploitant en beheerder. Tegen die achtergrond is het
                        denkbaar dat gemeenten voor escortbedrijven geen vergunningplicht, maar een
                        meldingsplicht instellen. </al><al/><al><cursief>Verificatieplicht Vreemdelingenwet 2000</cursief>In het kader van
                        de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) dient bij de aanvraag om een vergunning
                        een verblijfsrechtelijke toets plaats te vinden alvorens tot
                        vergunningverlening wordt overgegaan. Artikel 9, tweede lid, van de Vw 2000
                        schept een verplichting om desgevraagd bij een aanvraag voor een beschikking
                        anders dan op grond van de Vw 2000, een document te overleggen waaruit het
                        rechtmatig verblijf blijkt. Zie voor overige informatie over dit onderwerp
                        onder het kopje </al><al/><al><cursief>Vreemdelingen</cursief> onder de Algemene toelichting.
                        </al><al><cursief>Tweede lid</cursief></al><al>De ruime strekking van de in het eerste lid genoemde vergunningplicht laat
                        vanzelfsprekend onverlet, dat het bevoegd bestuursorgaan zich aan de hand
                        van een ingediende vergunningaanvraag een oordeel moet (kunnen) vormen over
                        alle rechtstreeks bij het te nemen besluit betrokken belangen (artikel 3:4
                        van de Awb). Indiening en inontvangstneming van een aanvraag staan dus
                        nadrukkelijk in het teken van het vergaren van alle kennis over relevante
                        feiten en betrokken belangen, die nodig is om tot een zorgvuldige afweging
                        te kunnen komen. </al><al/><al>In het tweede lid is bepaald dat in de aanvraag ten minste moet zijn vermeld
                        wat de aard van de seksinrichting of het escortbedrijf is en wie de
                        exploitant en de beheerder zijn. Voor de beoordeling van de
                        vergunningaanvraag en voor de ingevolge artikel 1:4 op te leggen
                        vergunningsvoorschriften of beperkingen is de aard van de seksinrichting
                        relevant. Het is van belang te weten of het om bijvoorbeeld een
                        prostitutiebedrijf of een sekstheater gaat, of een combinatie. De vraag of
                        vergunning kan worden verleend voor raamprostitutiebedrijven, wordt in de
                        meeste gevallen strenger beoordeeld dan een andere seksinrichting.
                        Raamprostitutiebedrijven hebben doorgaans een beduidend sterkere (nadelige)
                        invloed op de openbare ruimte dan bijvoorbeeld clubs. </al><al/><al>Denkbaar is dat het bevoegd bestuursorgaan op een bepaalde locatie een
                        prostitutiebedrijf toelaatbaar acht maar ter voorkoming van
                        verkeersoverlast, een raamprostitutiebedrijf niet of slechts in beperkte
                        mate. In dat geval moet het bevoegd bestuursorgaan zich er bij beoordeling
                        van de aanvraag van bewust (kunnen) zijn dat aan een te verlenen vergunning
                        het voorschrift dient te worden verbonden dat het ter plaatse te exploiteren
                        prostitutiebedrijf niet van zogenaamde vitrines of ramen respectievelijk
                        slechts van een bepaald aantal vitrines mag zijn voorzien. Door wie de
                        inrichting zal worden geëxploiteerd en beheerd is relevant, omdat deze
                        personen niet van slecht levensgedrag mogen zijn en dienen te voldoen aan de
                        eisen van zedelijk gedrag, zoals gesteld in artikel 3:5. De
                        vergunningverlening is bovendien persoonsgebonden en niet overdraagbaar. Dit
                        blijkt uit artikel 1:5. </al><al/><al>Blijkens artikel 4:5, eerste lid, van de Awb kan het niet-overleggen van de
                        in het tweede lid genoemde gegevens voor het bevoegd bestuursorgaan
                        aanleiding zijn om - mits gelegenheid tot aanvulling is geboden - de
                        aanvraag niet te behandelen. </al><al/><al><cursief>Jurisprudentie</cursief></al><al>- Parenclub in woning niet toegestaan wegens strijd met bestemmingsplan.
                        LJN-nr. AE6669, JG 03.0024 ,m. nt. A.L. Esveld.</al><al>- Bouwvergunning mag op grond van planologische uitstraling niet worden
                        geweigerd (bestemming prostitutie), de exploitatie van raambordelen is
                        daartegen uit een oogpunt van verkeersveiligheid niet toegestaan. LJN-nr.
                        AK4053, JG 03.0195 m. nt. A.L. Esveld.</al><al>- Planologische voorwaarden voor de vestiging van bordelen toegestaan, ook
                        al zouden deze de vestiging van een prostitutiebedrijf op een bepaalde
                        plaats feitelijk onmogelijk maken. LJN-nr. AN9215, JG 04.0077 m. nt. A.L.
                        Esveld.</al><al>- Prostitutiebedrijf is een voor publiek openstaand gebouw. Strijd met het
                        bestemmingsplan als weigeringsgrond aanvaard. Exploitatie van het
                        prostitutiebedrijf past niet in het bestaand woonklimaat. ABRS, 200204131/1,
                        16-07-2003, LJN-nr. AH9858.</al><al>- Toezicht seksinrichting niet onevenredig; door toezichthouder aangewezen
                        vergezellende personen; controle vertraagd en deels onmogelijk gemaakt;
                        tijdsverloop tussen primair besluit en besluit op bezwaar. ABRS,
                        200900935/1/H3, 16-09-2009, LJN BJ7784, AB 2010, 7. </al><al/><al><onderstreept>Artikel 3:5 Gedragseisen exploitant en
                            beheerder</onderstreept></al><al>De opheffing van het algemeen bordeelverbod is onder meer gericht op het
                        “decriminaliseren” van de niet langer strafbare vormen van (exploitatie van)
                        prostitutie. Daarom is het, ook volgens de wetgever, van belang dat bij de
                        besluitvorming over een aanvraag om vergunning voor het exploiteren van een
                        seksinrichting rekening gehouden kan worden met de antecedenten van de
                        daarbij betrokken personen: de exploitant en de beheerder(s). </al><al/><al>Aan het orgaan dat bevoegd is (meestal de burgemeester) vergunningen als
                        bedoeld in dit hoofdstuk af te geven, kunnen gegevens uit de justitiële
                        documentatieregisters worden verstrekt over personen die als exploitant of
                        beheerder zijn vermeld in een aanvraag . (artikel 13 van het Besluit
                        justitiële gegevens) </al><al/><al>In artikel 3:5. wordt zo veel mogelijk dezelfde terminologie gehanteerd en
                        worden nagenoeg dezelfde eisen gesteld als in artikel 5 van de Drank- en
                        Horecawet en het daarop gebaseerde Besluit eisen zedelijk gedrag Drank- en
                        Horecawet. Dit heeft als voordeel dat voor seksinrichtingen waarvoor tevens
                        een vergunning krachtens de Drank- en Horecawet is vereist een
                        antecedentenonderzoek kan worden verricht. Belangrijker nog dan dit
                        procedurele argument is het feit dat inhoudelijk min of meer dezelfde
                        belangen wegen bij de antecedentenbeoordeling. In aanvulling op het Besluit
                        eisen zedelijk gedrag Drank- en Horeca zijn in deze bepaling zedendelicten
                        en mishandeling uit het Wetboek van Strafrecht en overtredingen van de
                        Vreemdelingenwet en de Wav opgenomen. De toevoeging van bepalingen over
                        misdrijven tegen de zeden en mishandeling dienen ter bescherming van de
                        prostituees. De relevantie van de opname van de Vreemdelingenwet en de Wav
                        is gelegen in de bestrijding van de mensenhandel. </al><al/><al>Net als in de Drank- en Horecawet kan de aanduiding “in enig opzicht slecht
                        levensgedrag” in het eerste lid onder b. méér omvatten dan wat gesteld is in
                        de navolgende leden. Anders gezegd: lid 2 tot en met 5 geven aan wanneer in
                        elk geval sprake is van “in enig opzicht slecht levensgedrag”. Dat het niet
                        als een limitatieve opsomming dient te worden opgevat blijkt uit het gebruik
                        van het woord “naast” aan het begin van het tweede lid. Bij de beoordeling
                        van deze zedelijkheidseisen, de verkregen gegevens uit de justitiële
                        documentatie en de toetsing ervan aan het besluit, kan worden aangesloten
                        bij de daarover reeds bestaande jurisprudentie. </al><al/><al><cursief>Jurisprudentie</cursief></al><al>- “In enig opzicht van slecht levensgedrag” ex artikel 3:5, eerste lid,
                        onder b omvat meer dan de “onherroepelijke veroordeling” ex tweede lid,
                        onder b van de APV. LJN-nr. AO6071 JG 04.0076 m.nt. A.L. Esveld.</al><al>- De algemene norm, neergelegd in artikel 3:5, eerste lid, aanhef en onder
                        b, van de APV, dat de exploitant en de beheerder niet in enig opzicht van
                        slecht levensgedrag zijn, houdt als zodanig geen beperking in van de
                        vrijheid van arbeidskeuze als bedoeld in artikel 19, derde lid, van de
                        Grondwet, aangezien niet gebleken is dat de beperking verder strekt dan
                        noodzakelijk kan worden geacht voor het met de norm beoogde doel, te weten
                        een maatschappelijk verantwoorde beroepsuitoefening. Wel dient er bij de
                        uitleg van de bepaling van de APV van uit te worden gegaan dat geen sprake
                        is van slecht levensgedrag indien het tegenwerpen van de bepaling in het
                        concrete geval leidt tot een onevenredig zware beperking van de vrijheid van
                        arbeidskeuze. ABRS 28-02-2007 (Uden), 200603367/1, LJN-nr. AZ9519 </al><al/><al><onderstreept>Artikel 3:6 Sluitingstijden</onderstreept></al><al><cursief>Eerste lid</cursief></al><al>De in het eerste lid opgenomen sluitingsbepaling is gegrond op artikel 149
                        van de Gemeentewet. De raad kan verplichte sluitingstijden voor openbare
                        (waaronder seks)inrichtingen vaststellen ter bescherming van de openbare
                        orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid of de bescherming van het
                        milieu. Deze bevoegdheid houdt evenzeer in dat een afwijkende
                        sluitingsplicht kan worden vastgesteld voor de zondag. Sommigen concluderen
                        uit artikel 7 van de Zondagswet dat de gemeenteraad niet bevoegd is een
                        speciaal voor de zondag geldende sluitingsregeling vast te stellen. Volgens
                        HR 22-07-1960, AB 1961, p. 15, belet dit artikel de raad echter niet om voor
                        de zondag een afwijkende regeling te treffen voor het sluitingsuur van
                        openbare inrichtingen als deze, mits de grond voor de afwijking van de voor
                        de andere dagen geldende regeling niet is gelegen in het bijzondere karakter
                        van de zondag. Volgens de Hoge Raad beoogt de Zondagswet naar haar strekking
                        niet de gemeentelijke wetgever te beperken in zijn bevoegdheid om ter
                        afwering van verstoring van de openbare orde voorzieningen te treffen. </al><al/><al>De in het eerste lid opgenomen sluitingsbepaling maakt onderscheid tussen
                        werkdagen en het weekeinde. Uiteraard kan worden gekozen voor een ander (of
                        geen) onderscheid, zoals ook - door aanpassing van het eerste lid, of in de
                        vorm van een nadere regel als bedoeld in artikel 3:3 - voor verschillende
                        typen seksinrichtingen een verschillend sluitingstijdenregime kan worden
                        vastgesteld. De hier opgenomen sluitingsurenregeling (want van toepassing op
                        het begrip “seksinrichting”) heeft geen betrekking op sekswinkels. Zoals
                        vermeld in de toelichting bij artikel 3:1, onder e, is op sekswinkels het
                        regime van de Winkeltijdenwet van toepassing. </al><al/><al><cursief>Tweede lid</cursief></al><al>Het bevoegd orgaan kan door middel van een voorschrift als bedoeld in
                        artikel 1:4 voor een of meer afzonderlijke seksinrichtingen andere
                        sluitingstijden vaststellen. Volgens het tweede lid kan daartoe een
                        voorschrift worden verbonden aan de vergunning die aan de exploitant van de
                        betrokken inrichting(en) zal worden verleend. Zo’n vergunningvoorschrift is
                        er een als bedoeld in artikel 1:4 en moet mitsdien strekken ter bescherming
                        van het belang of de belangen in verband waarmee de vergunning vereist is.
                        Over de uitoefening van deze bevoegdheid kan het bevoegd bestuursorgaan
                        desgewenst beleidsregels vaststellen als bedoeld in artikel 4:81, eerste
                        lid, van de Awb. Daarin kan bijvoorbeeld worden vastgelegd dat, bij het
                        beantwoorden van de vraag of voor een afzonderlijke inrichting bij
                        vergunningvoorschrift afwijkende sluitingstijden zullen worden vastgesteld,
                        per categorie seksinrichting als regel een bepaald beleid wordt gehanteerd.
                        Van het voor die categorie geldende beleid kan het bevoegd bestuursorgaan in
                        een concreet geval (gemotiveerd) afwijken, indien het dat noodzakelijk acht
                        in het belang van bijvoorbeeld de openbare orde, de woon- en leefomgeving en
                        dergelijke. </al><al/><al><cursief>Derde lid</cursief></al><al>Anders dan de sluitingsbepalingen van het eerste en tweede lid, richt het
                        derde lid zich tot de bezoeker van een seksinrichting. Indien een bezoeker
                        met toestemming van de exploitant of beheerder in de inrichting aanwezig is
                        gedurende de tijd dat deze gesloten dient te zijn, handelt hij in strijd met
                        het derde lid. Indien een bezoeker echter zonder toestemming van de
                        exploitant of beheerder in de inrichting aanwezig is en zich niet op diens
                        eerste vordering verwijdert, handelt hij in strijd met artikel 138 van het
                        Wetboek van Strafrecht (lokaalvredebreuk). Laatstgenoemde bepaling staat aan
                        het opnemen van het derde lid niet in de weg: artikel 138 ziet toe op de
                        bescherming van de aan de eigendom verbonden rechten; het derde lid van
                        artikel 3:6 strekt tot handhaving van een publiekrechtelijke regeling.
                        </al><al/><al><cursief>Jurisprudentie</cursief></al><al><cursief>- </cursief>Blijkens Vz.AGRS 24-01-1985, WO RvS 1985, G9, kan aan
                        de Hinderwetvergunning een sluitingsuur worden verbonden ter voorkoming van
                        hinder voor de omgeving, bijvoorbeeld door komende en gaande bezoekers.
                        Hierop is nader ingegaan in AGRS 0802-1991, ABkort 1991, 281, waarin is
                        vermeld dat bij verlening van een hinderwetvergunning aan een inrichting
                        waarbij van de bezoekers hinder te duchten is, een voorschrift betreffende
                        het sluitingsuur ter voorkoming of beperking van die (geluid)hinder niet kan
                        worden gemist, en dat een hinderwetvergunning waarin zo’n voorschrift
                        ontbreekt zich niet verdraagt met artikel 17 van de Hinderwet.</al><al>- Blijkens de Kroonjurisprudentie mag daarbij slechts rekening worden
                        gehouden met “normale” hinder in de nabije omgeving van de inrichting.
                        Alleen die overlast is volgens de Kroon te beschouwen als hinder in de zin
                        van de Hinderwet (thans: de Wet milieubeheer), een van de belangen die deze
                        wet beoogt te beschermen. Excessieve hinder door gedrag van bezoekers en
                        overlast die zich afspeelt een of meer straten van de inrichting vandaan,
                        vallen volgens de Kroon niet onder de wetsterm “hinder”. Aan een
                        gemeentelijke verordening die een algemene sluitingsuurregeling bevat ter
                        voorkoming of beperking van excessieve en verder verwijderde overlast, ligt
                        dan een ander motief ten grondslag dan aan de Wet milieubeheer. Dit gaat op
                        voor artikel 3.2.3 (oud), dat niet is toegespitst op de specifieke situatie
                        in en rond seksinrichtingen, maar dat zich richt op de nadelige invloed van
                        de aanwezigheid van zulke inrichtingen als zodanig op de openbare orde en de
                        woon- en leefomgeving ter plaatse (daartoe ARRS 31-12-1986, AB 1987, 326). </al><al/><al><onderstreept>Artikel 3:7 Tijdelijke afwijking sluitingstijden; (tijdelijke)
                            sluiting</onderstreept><cursief>Eerste lid</cursief></al><al>Ten opzichte van artikel 3:6 (bij of krachtens welke bepaling kan worden
                        voorgeschreven wat voor seksinrichtingen het “reguliere”
                        sluitingstijdenregime is) biedt artikel 3:7 de mogelijkheid om daarvan al
                        dan niet tijdelijk af te wijken. Volgens het eerste lid kan die afwijking
                        inhouden dat:</al><al>- voor (een of meer) inrichtingen al dan niet tijdelijk andere
                        sluitingstijden worden vastgesteld dan de bij of krachtens artikel 3:6
                        gestelde; of</al><al>- van (een of meer) inrichtingen al dan niet tijdelijk de - algehele of
                        gedeeltelijke - sluiting wordt bevolen. </al><al/><al>Aan zo’n tijdelijke afwijking moeten een of meer van de in artikel 3:13,
                        tweede lid, genoemde belangen ten grondslag liggen, of er moet sprake zijn
                        van strijdigheid met het bepaalde in dit hoofdstuk. Het bevoegd
                        bestuursorgaan kan daartoe overgaan indien het dat noodzakelijk acht in het
                        belang van de openbare orde, de woon- en leefomgeving, de voorkoming of
                        beperking van overlast en dergelijke. </al><al/><al>De bevoegdheid tot het tijdelijk vaststellen van andere sluitingsuren (als
                        bedoeld in het eerste lid, onder a) kan zich uitstrekken tot alle in de
                        gemeente gevestigde seksinrichtingen en onderscheidt zich daarin van de
                        bevoegdheid genoemd in artikel 3:6, tweede lid, die individueel gericht is.
                        Tijdelijke sluiting (als bedoeld in het eerste lid, onder b) kan daarentegen
                        slechts van afzonderlijke inrichtingen worden bevolen. </al><al/><al>In het eerste lid, aanhef en onder b, is het bevoegd bestuursorgaan een
                        expliciete sluitingsbevoegdheid gegeven. Deze bevoegdheid is te
                        onderscheiden van de bevoegdheid tot aanzegging van bestuursdwang als
                        bedoeld in artikel 5:21 van de Awb die door artikel 3:7 onverlet wordt
                        gelaten. Met toepassing van bestuursdwang wordt kort gezegd beoogd een
                        onrechtmatige situatie weer in overeenstemming te (doen) brengen met het
                        recht. De in het eerste lid, onder b, opgenomen sluitingsbevoegdheid moet
                        daarentegen veel meer worden gezien als een (bestuursrechtelijke) sanctie op
                        inbreuken op het in dit hoofdstuk bepaalde. </al><al/><al>Indien nodig kan de naleving van een krachtens het eerste lid, onder b,
                        gegeven sluitingsbevel worden afgedwongen door toepassing van bestuursdwang.
                        Om een opeenstapeling van bestuursrechtelijke procedures te voorkomen,
                        verdient het aanbeveling te bezien of met het sluitingsbevel tevens
                        (preventief) bestuursdwang kan worden aangezegd. Daarvoor is wel vereist dat
                        er een klaarblijkelijke dreiging bestaat dat de desbetreffende overtreding
                        daadwerkelijk zal plaatsvinden en dat er schade dreigt. </al><al/><al>De sluitingsbevoegdheid is in de praktijk meermalen toegepast in gevallen
                        waarin openbare inrichtingen het decor vormden voor allerlei vormen van
                        criminaliteit. Ook prostitutiebedrijven zijn daarvoor in het verleden een
                        aantrekkelijke plaats gebleken. Het betrof daarbij doorgaans delicten als
                        het bezitten of verhandelen van verdovende middelen of vuurwapens, het
                        tewerkstellen van jongeren of van illegalen, heling en dergelijke. Feiten
                        als deze zijn strafbaar gesteld in het Wetboek van Strafrecht, de Opiumwet
                        en de Wet wapens en munitie. Het naar aanleiding daarvan toepassen van de
                        sluitingsbevoegdheid als hier bedoeld, is niet in strijd met deze
                        formeel-wettelijke regelingen omdat daaraan een afwijkend oogmerk ten
                        grondslag ligt. Veel van de gedragingen als hier bedoeld spelen zich
                        weliswaar af in de inrichting, maar hebben tevens een uitstraling op de
                        openbare orde en de woon- en leefomgeving buiten de inrichting. Voor
                        toepassing van de sluitingsbevoegdheid is wel vereist, dat de hier bedoelde
                        overtredingen een meer dan incidenteel karakter hebben. </al><al/><al><cursief>Tweede lid</cursief></al><al>Een besluit op grond van het eerste lid (zowel onder a als b), richt zich
                        doorgaans tot een of meer belanghebbenden - de betrokken exploitant(en) - en
                        moet aan hen worden bekendgemaakt overeenkomstig artikel 3:41 van de Awb. Nu
                        het bezoekers verboden is in een seksinrichting te verblijven gedurende de
                        tijd dat deze gesloten dient te zijn (artikel 3:6, derde lid), is in het
                        tweede lid bepaald dat een krachtens het eerste lid genomen besluit, behalve
                        aan de betrokken exploitant(en), ook openbaar wordt bekendgemaakt. Dat kan
                        op de door 3:42 Awb voorgeschreven manier. Het zichtbaar aanplakken van de
                        geslotenverklaring op de inrichting zelf verdient aanbeveling.
                        </al><al/><al><cursief>Jurisprudentie</cursief></al><al>- De burgemeester ontleent reeds een sluitingsbevoegdheid aan artikel 174
                        van de Gemeentewet. De noot bij ARRS 15-06-1984, AB 1985, 96, maakt
                        duidelijk, waarom het gewenst kan zijn toch een sluitingsbepaling in de APV
                        op te nemen: De beschikking laat voorts zien dat de rechtstreeks uit artikel
                        221 gemeentewet (oud) voortvloeiende taak tot daadwerkelijke handhaving van
                        de openbare orde de actuele situatie tot onderwerp heeft en dat hier alleen
                        het nemen van concrete maatregelen op korte tijd aan de orde is. Wil een
                        verder vooruitziend besturen meteen op langere termijn concreet gestalte
                        krijgen, dan dient de burgemeester te beschikken over de bevoegdheid tot
                        uitvoering van gemeentelijke verordeningen of van andere wettelijke
                        voorschriften. Bij het gebruik van zijn sluitingsbevoegdheid bezit de
                        burgemeester een ruime beoordelings- en beslissingsvrijheid. Voor
                        rechterlijke toetsing van het gebruik van die bevoegdheid bestaat derhalve
                        slechts een beperkte marge.</al><al>- In een sluitingsbevel rechtstreeks gebaseerd op artikel 174 van de
                        Gemeentewet dient altijd de termijn van de sluiting te zijn opgenomen.
                        Blijkens Vz.ARRS 26-08-1992, AB 1993, 104; JG 93.0116 , en ABRS 05071996, JG
                        96.0266, voldoet een sluitingsbevel zonder tijdsbepaling niet aan de aard en
                        het doel van artikel 221 gemeentewet (oud). Indien gesloten wordt op basis
                        van dit artikel in de APV kan de sluiting niet alleen van langere duur zijn
                        dan wanneer gesloten wordt op basis van artikel 174 Gemeentewet, maar lijkt
                        in analogie met uitspraken ten aanzien van de sluiting van coffeeshops -
                        onder omstandigheden - ook sluiting voor onbepaalde tijd mogelijk. Daarvan
                        kan met name sprake zijn als de vestiging van de seksinrichting zonder meer
                        in strijd is - en zal zijn - met het lokaal beleid. Zie ter vergelijk: ABRS
                        29-04-1997, R03.93.4839; niet gepubliceerd, waarin de sluiting van een
                        coffeeshop voor onbepaalde tijd in verband met de aanwezigheid van harddrugs
                        geoorloofd wordt geacht, omdat het beleid inhoudt dat coffeeshops die zich
                        daaraan schuldig maken definitief van de gedooglijst worden geschrapt. Een
                        ander en beter voorbeeld is een seksinrichting die het in het lokaal beleid
                        vastgestelde maximum aantal inrichtingen overschrijdt en daarom niet voor
                        vergunningverlening in aanmerking komt. Zo’n inrichting kan voor onbepaalde
                        tijd worden gesloten. Zie ter vergelijk: Vz.ABRS 05-09-1997; Gst. 7069, 4,
                        waarin een coffeeshop voor onbepaalde tijd wordt gesloten wegens
                        strijdigheid met het geldende nulbeleid. Een sluiting voor onbepaalde tijd
                        staat de opheffing ervan op een later tijdstip niet in de weg.</al><al>- Advies van bureau Bibob is oorzaak sluiting bordeel. LJN-nr: AT2983, JG
                        05.0061 m. nt. A.L. Esveld. </al><al/><al><onderstreept>Artikel 3:8 Aanwezigheid van en toezicht door exploitant en
                            beheerder</onderstreept></al><al><cursief>Eerste lid</cursief></al><al>Om effectiever te kunnen op treden tegen schijnbeheer, is in het
                        eerste lid niet slechts een gebod (een verplichting tot aanwezigheid), maar
                        een verbod opgenomen. De aanwezigheid van de exploitant of beheerder is van
                        belang in verband met het door hem uit te oefenen toezicht, zoals verwoord
                        in het tweede lid. </al><al/><al><cursief>Tweede lid</cursief></al><al>Dit artikel schept voor de exploitant(en) en de beheerder(s) een algemene
                        verplichting tot het uitoefenen van toezicht ter handhaving van de orde in
                        de inrichting. Daarbij zullen zij zich in ieder geval, maar niet
                        uitsluitend, moeten richten op het voorkomen en tegengaan van onvrijwillige
                        prostitutie, prostitutie door minderjarigen of illegalen, drugs- of
                        wapenhandel, heling, geweldsdelicten en dergelijke. In de jurisprudentie is
                        al eerder uitgemaakt dat de exploitant - uiteraard binnen redelijke grenzen
                        - verantwoordelijk is voor de gang van zaken in de inrichting. Dat wordt
                        door deze toezichtverplichting, die ook geldt voor de beheerder(s), nog eens
                        onderstreept. Indien zich in de inrichting strafbare feiten voordoen, biedt
                        dit artikel aanknopingspunten om daar in bestuursrechtelijke zin tegen op te
                        treden. Afhankelijk van de omstandigheden en het gestelde in het
                        handhavingsbeleid kan tot een tijdelijke beperking van de openingstijden,
                        een tijdelijke sluiting of een (tijdelijke) intrekking van de vergunning
                        worden besloten. Om in deze zin bestuursrechtelijk te kunnen optreden is
                        niet vereist dat daaraan strafrechtelijke vervolging of veroordeling is
                        voorafgegaan: vaststaan moet slechts dat geen of onvoldoende toezicht is
                        uitgeoefend. </al><al/><al>Aan het toezicht dat van de exploitant of beheerder mag worden verwacht op
                        de meerderjarigheid of legaliteit van in de inrichting werkzame prostituees
                        zal gestalte kunnen worden gegeven door inzage te verlangen in hun
                        identiteitspapieren. Waar het de onvrijwillige prostitutie en andere
                        strafbare feiten betreft, zullen de exploitant of beheerder regelmatig
                        toezicht moeten houden en zo nodig handelend moeten treden. Naarmate de
                        exploitant aantoonbaar en actief huisregels toepast en een nauwkeurige
                        registratie bijhoudt van de leeftijd en nationaliteit van de prostituees,
                        vergemakkelijkt hij niet alleen het toezicht, maar zal hij ook beter in
                        staat zijn om aannemelijk te maken dat door hem voldoende toezicht is
                        uitgeoefend. </al><al/><al>In de vergunning kan de toezichtsverplichting als doelvoorschrift worden
                        opgenomen, waarbij de exploitant zelf bepaalt hoe hij en de beheerder(s) er
                        inhoud aan geven. Ook kunnen aan de vergunning middelvoorschriften worden
                        verbonden, waardoor (gedeeltelijk) wordt voorgeschreven hoe de
                        toezichtsplicht dient te worden ingevuld. Zo kan bijvoorbeeld worden bepaald
                        dat verplicht bepaalde huisregels moeten worden gehanteerd; dat de
                        exploitant of beheerder verplicht is om na te gaan of de prostituee over
                        voor de verrichten van arbeid geldige verblijfspapieren beschikt en dat
                        hiervan een interne registratie wordt bijgehouden. </al><al/><al>Een andere zinvol vergunningvoorschrift in dit verband, dat met name het
                        toezicht door de toezichthouders kan vergemakkelijken, is bijvoorbeeld het
                        expliciet in de vergunning opnemen van de verplichting van (vooral) de
                        exploitant en beheerder(s) om alle medewerking te verlenen aan de
                        toezichthouder, waaronder in elk geval de onmiddellijke en onbelemmerde
                        toegang moet worden verstaan (artikel 5:20 Awb). Dit schept geen
                        bevoegdheden of verplichtingen, maar duidelijkheid voor de vergunninghouder.
                        Ook kan het nuttig zijn om in een vergunningvoorschrift op te nemen dat het
                        verplicht is om een (afschrift van) de vergunning altijd in de inrichting
                        aanwezig te hebben. </al><al/><al><cursief>Jurisprudentie</cursief></al><al>- Bepaalde strafbare feiten in de inrichting vormen een (ernstige)
                        verstoring van de openbare orde. Als niet de overtreding van dit artikel,
                        maar de ordeverstoring de grondslag vormt om bijvoorbeeld tot sluiting over
                        te gaan, speelt de persoonlijke verwijtbaarheid van de exploitant in de
                        beoordeling van de vraag of zich een situatie voordoet die tot sluiting
                        noopt, in het geheel geen rol. Ook de omstandigheid dat de exploitant is
                        vrijgesproken door de strafrechter doet dan niet ter zake (ABRS 30-07-1996,
                        AB 1996, 471).</al><al/><al>Tegen de sluiting van een seksclub wegens prostitutie door minderjarigen
                        verweerde de exploitant zich door te wijzen op de inmiddels doorgevoerde
                        gewijzigde bedrijfsvoering om te voorkomen dat minderjarigen in zijn
                        inrichting werkzaam zouden zijn. Op basis van de verplicht over te leggen
                        legitimatiebewijzen van de medewerksters werd door hem sindsdien een
                        volledige lijst bijgehouden. De gemeente gaf ter zitting aan dat de sluiting
                        zou worden opgeheven als er een bevredigende controleregeling werd
                        getroffen. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de gemeente het door de
                        exploitant ingevoerde systeem terecht niet als een sluitende en betrouwbare
                        controleregeling aangemerkt (ARRS 28-01-1992, S03.92.0095).</al><al/><al>Aan de vergunning was het volgende voorschrift verbonden: </al><al>1. de vergunninghouder is verplicht dagelijks een nauwkeurige registratie
                        bij te houden van de naam, leeftijd, nationaliteit, adres en woonplaats van
                        de bij hem/haar werkzame prostituees; </al><al>2. deze registratie dient in de seksinrichting aanwezig te zijn; </al><al>3. dienaangaande moeten kopieën van paspoorten of andere wettige
                        identiteitspapieren bij deze administratie bewaard worden; 4. de registratie
                        moet zeven jaar bewaard worden. De Afdeling constateert dat hoofdstuk 3 van
                        de APV “Seksinrichtingen, sekswinkels, straatprostitutie e.d.” moet worden
                        aangemerkt als een verordening als bedoeld in artikel 151a, eerste lid, van
                        de Gemeentewet. Het voorschrift mist niet iedere wettelijke grondslag. In
                        rechte moet van de geldigheid van dat voorschrift worden uitgegaan. De
                        burgemeester is bevoegd tot handhaving. ABRS 24-1-2007 (Eindhoven),
                        200603030, LJN-nr. AZ6851 </al><al/><al><onderstreept>Artikel 3:9 Straatprostitutie</onderstreept></al><al><cursief>Eerste lid</cursief></al><al>De wetswijziging tot opheffing van het bordeelverbod heeft geen gevolgen
                        voor de straatprostitutie. Het is echter bij uitstek een vorm van
                        prostitutie die nadere regulering behoeft. Dat is de laatste jaren gebleken,
                        doordat in verschillende gemeenten - vanuit een oogpunt van handhaving met
                        wisselend succes - zogenaamde gedoogzones zijn aangewezen. Aan de belangen
                        die behoren tot hun “huishouding” (genoemd in artikel 3:13) ontlenen
                        gemeenten de bevoegdheid tot regulering, ook ten aanzien van
                        straatprostitutie. </al><al/><al>Volgens het eerste lid is straatprostitutie verboden, tenzij het plaatsvindt
                        op de wegen/gebieden en gedurende de tijden die het college daartoe heeft
                        aangewezen. Bij aanwijzing als hier bedoeld zal rekening moeten worden
                        gehouden met de belangen genoemd in artikel 3:13, tweede lid. Aan de hand
                        van de omstandigheden ter plaatse zal moeten worden beoordeeld of tot
                        aanwijzing van een tippelzone kan of moet worden besloten (bijvoorbeeld in
                        het belang van de woon- en leefomgeving of de openbare orde in andere delen
                        van de gemeente) of juist niet (bijvoorbeeld in het belang van de woon- en
                        leefomgeving of de openbare orde in het gebied waarvan de tippelzone
                        onderdeel zou uitmaken). </al><al/><al>Over de vraag of deze afweging er ook op neer kan komen dat er in het geheel
                        geen tippellocatie wordt aangewezen verschillen de meningen. De Rechtbank
                        Maastricht oordeelde een dergelijk algeheel verbod in strijd met de vrijheid
                        van arbeidskeuze (zie hierna onder jurisprudentie). Bedacht moet echter
                        worden dat het daar de opheffing van een reeds getroffen voorziening
                        betreft. Vooralsnog dient te worden aangenomen dat gemeenten waar tot op
                        heden in het geheel niet wordt getippeld, dit in het belang van de openbare
                        ook moeten kunnen voorkomen. In dat geval zou voor dit artikel volstaan
                        kunnen worden met de aanhef van lid 1 en het bepaalde in lid 2. In
                        beleidsmatige zin dient deze keuze uiteraard wel zo goed mogelijk te worden
                        onderbouwd. </al><al/><al><cursief>Tweede lid</cursief></al><al>Het tweede lid heeft betrekking op straatprostitutie buiten de daartoe
                        aangewezen gebieden en tijden en geeft - ter handhaving van het verbod
                        daarop - politieambtenaren de bevoegdheid een bevel tot onmiddellijke
                        verwijdering te geven. De plicht om aan zo’n bevel onmiddellijk gevolg te
                        geven vloeit voort uit artikel 184 van het Wetboek van Strafrecht, evenals
                        de sanctie op niet-naleving. </al><al/><al><cursief>Derde lid</cursief></al><al>Het derde en vierde lid hebben betrekking op straatprostitutie binnen de
                        daartoe aangewezen gebieden en tijden. Krachtens het in lid 3 gestelde kan,
                        bijvoorbeeld in het belang van de openbare orde en veiligheid of de
                        voorkoming of beperking van overlast ter plaatse, door politieambtenaren een
                        bevel tot onmiddellijke verwijdering worden gegeven aan prostituees, maar
                        ook aan andere aldaar aanwezige personen. De plicht om aan zo’n bevel
                        onmiddellijk gevolg te geven vloeit voort uit artikel 184 van het Wetboek
                        van Strafrecht, evenals de sanctie op niet-naleving. </al><al/><al><cursief>Vierde lid</cursief></al><al>Als het mondeling bevel tot verwijdering als bedoeld in lid 3 geen soelaas
                        blijkt te bieden, kan naar het middel van de schriftelijke
                        verblijfsontzegging in het vierde lid worden gegrepen. Een
                        verblijfsontzegging behelst een verbod om zich na aanzegging door of vanwege
                        de burgemeester te bevinden - in casu - op de wegen en gedurende de tijden
                        als bedoeld in het eerste lid, voor zover in de aanzegging genoemd. Uit een
                        verblijfsontzegging vloeit een sterke beperking van de bewegingsvrijheid
                        voort, zoals die onder meer wordt gewaarborgd door artikel 12 van het
                        Internationaal Verdrag inzake de Burgerrechten en Politieke Rechten (IVBPR).
                        Deze moet daarom met de grootst mogelijke zorgvuldigheid worden opgelegd. De
                        maatregel moet noodzakelijk zijn, moet proportioneel zijn (in verhouding tot
                        de veroorzaakte ordeverstoring) en er moet worden voldaan aan het
                        subsidiariteitsbeginsel, dat erop neerkomt dat niet met een minder
                        ingrijpend middel zou kunnen worden volstaan. Uit de jurisprudentie over
                        verblijfsontzeggingen blijkt dat de rechter de volgende factoren in zijn
                        toetsing betrekt: staat de mate van overlast in verhouding tot de omvang van
                        de maatregel (welk gebied en welke tijdstippen)? Zijn er op dit verbod
                        individuele uitzonderingen noodzakelijk? En hoe lang geldt het verbod? De
                        beantwoording van deze vragen is sterk casuïstisch. Het vijfde lid heeft
                        betrekking op de eventueel noodzakelijke uitzonderingen op het verbod die in
                        het concrete geval moeten worden gemaakt. Indien betrokkene zijn woon- of
                        werkadres heeft in het desbetreffende gebied, dient dit in beginsel van het
                        verbod te worden uitgezonderd. </al><al/><al><cursief>Jurisprudentie</cursief></al><al>- Uit HR 09-01-1973, NJ 1973, 134, alsmede uit de conclusie van
                        advocaat-generaal Remmelink voor HR 08-05-1979, NJ 1979, 554, kan worden
                        opgemaakt dat artikel 3.2.6 (oud) niet in strijd komt met artikel 239 van
                        het Wetboek van Strafrecht (dat toeziet op de schennis van de
                        eerbaarheid).</al><al/><al>- Voor wat betreft de bevoegdheid om in de APV tippelverboden op te nemen en
                        tippelzones aan te wijzen (en in te richten), kan worden gewezen op HR
                        23-10-1990, NJ 1991, 542, Gst. 6926, 4: de APV-bepaling van de gemeente
                        Groningen waarin het personen van wie redelijkerwijs kan worden aangenomen
                        dat die zich aan prostitutie overgeven wordt verboden om post te vatten of
                        zich heen en weer te bewegen op door het college aangewezen wegen of
                        openbare plaatsen, werd door de HR niet in strijd geacht met artikel 12
                        IVBPR (vrijheid van beweging). Over een vergelijkbare APV-bepaling in
                        Heerlen, waar burgemeester en wethouder de gehele gemeente hadden aangewezen
                        voor de gelding van dit verbod, werd door de HR 06-11-1990, NJ 1991, 218,
                        Gst. 6918, 8, geoordeeld dat van strijdigheid met artikel 1 van de Grondwet
                        evenmin sprake was. Het verbod treft weliswaar uitsluitend prostituees; dit
                        gebeurt echter niet in verband met persoonskenmerken, maar vanwege hun
                        activiteiten.</al><al/><al>- Vz.ARRS 27-09-1991, BR 1992, p. 203: met betrekking tot de inrichting van
                        een tippelzone hebben het college van Arnhem terecht besloten dat geen
                        vrijstellingen ex artikel 17 en 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening
                        vereist zijn. Tippelen is niet in strijd met bestemming verkeersdoeleinden,
                        de “afwerkschotten”, die uitsluitend ’s avonds worden geplaatst, zijn dat
                        evenmin. Het plaatsen van een zogeheten huiskamerbus is een vorm van
                        parkeren.</al><al/><al>- Pres. Rb Maastricht 25-08-1995, KG 1996,46: de aanwijzing van een
                        tippellocatie is een besluit van algemene strekking waartegen beroep bij de
                        rechtbank mogelijk is. De president ziet geen aanleiding het besluit te
                        schorsen.Pres. Rb Maastricht 03-07-1997, JB 1997, 206, en later ook de
                        Rechtbank Maastricht 02-06-1999, nrs. 98/387-389; niet gepubliceerd: de
                        intrekking van de aanwijzing van de enige tippellocatie door het college van
                        Heerlen is in strijd met het recht op bewegingsvrijheid (in casu is niet
                        komen vast te staan dat er sprake is van “pressing social need”) en in
                        strijd met het recht op vrije arbeidskeuze (artikel 19, derde lid van de
                        Grondwet). Grondwettelijke rechten kunnen - anders dan verdragsrechtelijke -
                        slechts worden beperkt bij of krachtens de wet in formele zin. Daar is in
                        dit geval geen sprake van. Het bestreden besluit mist derhalve een
                        rechtmatige grond. De annotator merkt op dat het tippelverbod slechts
                        bepaalde handelingen verbiedt en dat het recht om te gaan en te staan
                        onverlet laat, zodat van strijdigheid met het recht op vrijheid van beweging
                        geen sprake kan zijn. Voor wat betreft het recht van vrije arbeidskeuze
                        volgt hij de president.</al><al/><al>- ARRS 10-02-1981, AB 1981, 446 en HR 07-02-1984, AB 1984, 274 - indirect
                        vervolgd door HR 11-06-1985, NJ 1986, 41, AB 1986,106 - zien op de vraag wat
                        de reikwijdte van (de bevoegdheid tot) het opleggen van een
                        verblijfsontzegging is. Het vierde lid zoals hier opgenomen is daarmee in
                        overeenstemming. Vz.ARRS 31-07-1989, AB 1990, 315 maakt duidelijk dat de
                        bevoegdheid van de burgemeester niet te ruim kan worden gedelegeerd. Het
                        toekennen van een beschikkingsmandaat is niet toegestaan. </al><al/><al><onderstreept>Artikel 3:10 Sekswinkels</onderstreept></al><al>Zoals aangegeven in de toelichting bij artikel 3:1, onder e, is ervoor
                        gekozen sekswinkels niet onder het “seksinrichting”-begrip (en daarmee de
                        vergunningplicht) te brengen. Hieraan ligt de gedachte ten grondslag dat de
                        vestiging van sekswinkels doorgaans afdoende zal kunnen worden gereguleerd
                        langs de weg van het bestemmingsplan en dat het - ter bescherming van de
                        openbare orde of de woon- en leefomgeving - niet nodig is deze bedrijven als
                        regel aan voorafgaand toezicht te onderwerpen. </al><al/><al>Afhankelijk van de plaatselijke omstandigheden kan het (vanuit deze
                        motieven) echter gewenst zijn wel in zekere mate te kunnen reguleren. In dat
                        geval kan worden overwogen artikel 3:10 op te nemen, op grond waarvan
                        gebieden of delen van de gemeente kunnen worden aangewezen waarin het in het
                        belang van de openbare orde of de woon- en leefomgeving niet is toegestaan
                        een sekswinkel te (doen) exploiteren. Indien wordt afgezien van het opnemen
                        van artikel 3:10 kan onderdeel e in artikel 3:1 achterwege worden gelaten en
                        komt de titel van afdeling 2 “Seksinrichtingen, straatprostitutie en
                        dergelijke” te luiden. </al><al/><al><onderstreept>Artikel 3:11 Tentoonstellen, aanbieden en aanbrengen van
                            erotisch-pornografische goederen, afbeeldingen en
                            dergelijke</onderstreept> Dit artikel heeft een repressief karakter: het
                        schept niet zonder meer een verbod, maar slechts voor zover het bevoegd
                        bestuursorgaan daaromtrent nader heeft besloten. Hoewel denkbaar is dat deze
                        bepaling in de praktijk vooral zal worden toegepast ten aanzien van
                        sekswinkels, richt zij zich op het tentoonstellen en dergelijke als zodanig;
                        zij kan dus bijvoorbeeld ook betrekking hebben op erotisch-pornografische
                        foto’s of afbeeldingen aangebracht aan sekstheaters, bedoeld om de aandacht
                        van het publiek te vestigen op de daarin plaatsvindende voorstellingen.
                        Zoals in het eerste lid is aangegeven, kan het bevoegd bestuursorgaan de
                        regulering terzake gestalte geven door:</al><al>a. aan de betrokken rechthebbende bekend te maken dat, door de wijze van
                        tentoonstellen, aanbieden of aanbrengen, de openbare orde of de woon- en
                        leefomgeving in gevaar wordt gebracht;</al><al>b. (algemene) regels vast te stellen die in acht moeten worden genomen bij
                        het tentoonstellen, aanbieden of aanbrengen van goederen, opschriften en
                        dergelijke als hier bedoeld.Zowel “bekendmaking” als bedoeld onder a, als de
                        vaststelling van “regels” als bedoeld onder b, vormt een besluit in de zin
                        van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb: in beide gevallen is er sprake van
                        een besluit - dat zich richt tot een betrokken rechthebbende respectievelijk
                        van algemene strekking is - met het (rechts)gevolg dat een verbod als
                        genoemd in eerste lid, aanhef, van kracht wordt. Tegen zo’n besluit kan dan
                        ook door belanghebbenden bezwaar worden aangetekend. </al><al/><al><onderstreept>Artikel 3:12 Beslissingstermijn</onderstreept></al><al>Volgens artikel 4:13, eerste lid, van de Awb moet een beschikking worden
                        gegeven binnen de termijn die daarvoor bij wettelijk voorschrift is bepaald
                        (of, bij gebreke daarvan, binnen een redelijke termijn). Dat wettelijk
                        voorschrift is in casu artikel 1:2, eerste lid, waarin is bepaald dat het
                        bevoegd bestuursorgaan op een aanvraag om vergunning of ontheffing moet
                        beslissen binnen acht weken na de datum van ontvangst, welke beslissing voor
                        ten hoogste acht weken kan worden verdaagd (tweede lid). </al><al/><al>De voorbereiding van een besluit op een aanvraag om vergunning voor het
                        exploiteren van een seksinrichting kan complex van aard zijn. Een langere
                        beslissingstermijn dan de in artikel 1:2 genoemde wordt daarom wenselijk
                        geacht. Daartoe is in artikel 3:12 een beslistermijn van twaalf weken
                        opgenomen. Aan artikel 1:2 is een derde lid toegevoegd dat inhoudt dat het
                        bepaalde in het eerste en het tweede lid van artikel 1:2 niet geldt voor de
                        beslissing op een aanvraag om vergunning als bedoeld in artikel 3:4, eerste
                        lid. </al><al/><al>De voorgeschreven beslissingstermijn is een termijn van orde. Overschrijding
                        ervan doet niet af aan de bevoegdheid te beslissen over een ingediende
                        aanvraag, maar leidt wel tot een fictieve weigering waartegen door
                        belanghebbenden bezwaar kan worden aangetekend (artikel 6:2, onder b, van de
                        Awb). Opneming van artikel 3:12 ligt in de rede omdat moet worden aangenomen
                        dat de in artikel 1:2 genoemde beslissingstermijn niet incidenteel maar als
                        regel te kort zal zijn. </al><al/><al><onderstreept>Artikel 3:13 Weigeringsgronden</onderstreept> De hier genoemde
                        belangen vormen te zamen de “huishouding”, tot het regelen en besturen
                        waarvan gemeenten bevoegd zijn. Ten onrechte zou de aanduiding
                        “weigeringsgronden” hierbij de indruk kunnen wekken dat genoemde belangen
                        slechts zouden kunnen worden behartigd door geen vergunning te verlenen.
                        Waar het om gaat is dat deze belangen de grondslag vormen voor de
                        uitoefening van de bevoegdheden die het gemeentebestuur terzake toekomen.
                        Die uitoefening kan inhouden dat met betrekking tot (de exploitatie van)
                        prostitutie op basis van de in dit artikel genoemde belangen:</al><al>- bij verordening algemeen verbindende voorschriften kunnen worden
                        vastgesteld (zoals de in dit hoofdstuk opgenomen bepalingen);</al><al>- nadere regels kunnen worden vastgesteld (als bedoeld in artikel 3:3);</al><al>- beleidsregels kunnen worden vastgesteld (als bedoeld in artikel 4:81 van
                        de Awb);</al><al>- vergunning kan worden verleend, onder vergunningsvoorschriften en
                        beperkingen (als bedoeld in artikel 1:4);</al><al>- de vergunning kan worden gewijzigd of ingetrokken (als bedoeld in artikel
                        1:6) of</al><al>- vergunning kan worden geweigerd.De hier genoemde belangen moeten dus
                        enerzijds worden beschouwd als de grondslag voor (en begrenzing van) het
                        gemeentelijk beleid en anderzijds als handvatten om de (exploitatie van)
                        prostitutie te reguleren, maximeren en beheersen. </al><al/><al>Om discussie over de bevoegdheid tot wijziging of intrekking van de
                        vergunning te voorkomen, wordt een vergunningsvoorschrift opgenomen dat niet
                        mag worden gehandeld in strijd met het bepaalde in hoofdstuk 3 van de APV.
                        </al><al/><al><cursief>Eerste lid, onder a: levensgedrag</cursief></al><al>Zie voor toelichting hierop de toelichting onder artikel 3:5.
                        </al><al/><al><cursief>Eerste lid, onder b: bestemmingsplan</cursief></al><al>Net zoals in de praktijk van de vergunningverlening op basis van afdeling
                        2.3, zal ook hier regelmatig voor kunnen komen dat er geen sprake is van een
                        weigeringsgrond als bedoeld in het tweede lid, maar dat het geldende
                        bestemmingsplan vestiging van een seksinrichting of escortbedrijf ter
                        plaatse niet toelaat. Het is in dat geval lastig en onduidelijk als er
                        vergunning wordt verleend, maar tegelijkertijd moet worden uitgelegd dat
                        daar geen gebruik van kan worden gemaakt. </al><al/><al>Bij wijze van coördinatie is daarom strijdigheid met het bestemmingsplan als
                        weigeringsgrond opgenomen. Blijkens ABRS 24-03-1997, AB 1997, 201, JG
                        97.0165 , is zulks aanvaardbaar omdat een dergelijke bepaling geen
                        zelfstandige planologische regeling bevat. Weliswaar brengt het tweede lid
                        met zich mee dat de burgemeester in een beoordeling van het geldende
                        bestemmingsplan treedt, maar dit laat de bevoegdheid van het college inzake
                        de toepassing van het geldende bestemmingsplan onverlet. Van een
                        doorkruising van de Woningwet of de Wet op de Ruimtelijke Ordening is geen
                        sprake. </al><al/><al><cursief>Eerste lid, onder c: minderjarig, onvrijwillig,
                        illegaal</cursief>Deze weigeringsgrond is feitelijk een bijzondere
                        invulling van de vaker voorkomende weigeringsgrond, namelijk vrees voor
                        ernstige verstoring van de openbare orde. Als er aanwijzingen zijn,
                        bijvoorbeeld op basis van politierapportages, dat de voorgenomen exploitatie
                        in strijd is met artikel 273f is vergunningverlening uitgesloten. Voorkomen
                        moet worden dat de exploitant prostituees onder dwang arbeid laat
                        verrichten, of minderjarigen laat werken. Zo dient ter bescherming van de
                        openbare orde ook te worden voorkomen dat de exploitant prostituees zonder
                        een voor het verrichten van arbeid geldige verblijfstitel inzet. Verwezen
                        wordt in dit verband naar de uitspraak van de Rb Rotterdam van 5-09-1997, JG
                        97.0209 : naar het oordeel van de Rechtbank zijn terecht twee
                        horeca-inrichtingen gesloten en zijn de exploitatievergunningen ingetrokken
                        wegens de smokkel van illegalen. De Rechtbank ziet dit als een aantasting
                        van de openbare orde. </al><al/><al>Om te voorkomen dat werkzame prostituees tegen hun wil bepaalde seksuele
                        contacten moeten aangaan, kunnen aan de vergunning voorschriften worden
                        verbonden, zoals: een verbod op het opleggen van een minimum aantal klanten,
                        of het recht van prostituee om klanten of bepaalde seksuele handelingen te
                        weigeren. </al><al/><al><cursief>Tweede lid</cursief></al><al/><al><cursief><onderstreept>Europese
                            Dienstenrichtlijn</onderstreept></cursief>De Europese
                        Dienstenrichtlijn is van toepassing op seksinrichtingen. Het drijven van een
                        dergelijke onderneming is immers het verrichten van een dienst aan de klant.
                        De Dienstenrichtlijn eist dat een vergunningstelsel a. niet discriminatoir,
                        b. noodzakelijk en c. proportioneel is. In bijna alle gevallen gaat het om
                            <cursief>vestiging</cursief> van een seksinrichting waarvoor artikel 9
                        van de richtlijn de bovengenoemde criteria geeft. Onder noodzakelijkheid
                        wordt in artikel 9 verstaan een dwingende reden van algemeen belang. Dit
                        begrip omvat onder andere de volgende gronden: openbare orde, openbare
                        veiligheid en volksgezondheid, als bedoeld in de artikelen 46 en 55 van het
                        Verdrag; handhaving van de maatschappelijke orde; doelstellingen van het
                        sociaal beleid; bescherming van afnemers van diensten; bescherming van
                        werknemers; voorkoming van fraude; bescherming van het milieu en het
                        stedelijk milieu, verkeersveiligheid. Zie verder overweging 40 van de
                        richtlijn. Het gaat hier om de zogenaamde ‘rule of reason’. Mocht het in een
                        enkel geval niet gaan om een vestiging, maar om een ondernemer die de grens
                        overschrijdt om zijn diensten te verrichten, dan is niet artikel 9, maar
                        artikel 16 van toepassing dat uitsluitend de criteria openbare orde,
                        openbare veiligheid, volksgezondheid en milieu als grondslag voor een
                        vergunningstelsel kent. Zie verder het commentaar bij artikel 1:8. </al><al/><al>Proportionaliteit: voor de beantwoording van de vraag of een algemene regel
                        niet volstaat voor de regeling van de horeca zijn wij van mening dat een
                        algemene regel hier niet aan de orde is vanwege het persoonsgebonden aspect
                        van de vergunning. Alleen door middel van vergunningvoorwaarden te stellen
                        aan de ondernemer kan men ‘het maatpak’ leveren. Dit geldt ook voor de
                        Bibob-toets. Het confectiepak voldoet hier niet. </al><al/><al>Vestiging: Op grond van overweging 37 van de richtlijn is er overeenkomstig
                        de rechtspraak van het HvJ sprake van vestiging, als er een daadwerkelijke
                        uitoefening van een economische activiteit voor onbepaalde tijd vanuit een
                        duurzame vestiging wordt verricht. Aan die eis kan ook zijn voldaan als een
                        onderneming voor een bepaalde tijd wordt opgericht of als er een gebouw
                        wordt gehuurd van waaruit de ondernemer zijn activiteiten onderneemt. </al><al/><al>Wij hebben gemeend dat de weigeringsgronden onder de rule of reason vallen.
                        Wel moeten de begrippen worden geïnterpreteerd binnen de bandbreedte van de
                        rule of reason. Andere weigeringsgronden zijn niet geoorloofd. Uiteraard
                        dient gemotiveerd te worden van welke weigeringsgrond sprake is en waarom.
                        </al><al/><al><cursief>Tweede lid, onder a: openbare orde</cursief></al><al> De bescherming van de openbare orde en de woon- en leefomgeving kan onder
                        meer aanleiding zijn om het aantal seksinrichtingen waarvoor vergunning kan
                        worden verleend aan een maximum te binden. Indien het maximumaantal
                        vergunningen is verleend, kan vergunning voor een nieuwe seksinrichting
                        worden geweigerd om te voorkomen dat de openbare orde ter plaatse door de
                        vestiging van een nieuw bedrijf verder wordt verstoord. </al><al/><al>Onder meer ARRS 18-02-1999, JG 99.0168 m.nt. W.A.G. Hillenaar, 22-05-1987,
                        AB 1988, 240, en 08-01-1988, AB1988, 417 maken duidelijk dat de rechter op
                        zichzelf aannemelijk acht dat aantasting van de woon- en leefomgeving wordt
                        veroorzaakt door de cumulatieve effecten van een aantal inrichtingen (in
                        casu bordelen) in de gemeente en dat dit aantal kan worden gemaximeerd. Wel
                        moet bij een “boventallige” vergunningaanvraag worden aangetoond of
                        aannemelijk gemaakt dat de aanwezigheid of de wijze van exploitatie van de
                        betrokken inrichting de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig
                        beïnvloedt. Om in dat geval voldoende gemotiveerd vergunning te weigeren kan
                        dus niet worden volstaan met het gegeven dat het maximumaantal te verlenen
                        vergunningen is bereikt maar moet ook worden aangegeven dat er in casu niets
                        is gebleken van bijzondere omstandigheden die ertoe zouden nopen om - in
                        afwijking van dat beleid - toch vergunning te verlenen. </al><al/><al>Als uitgangspunt is een maximumbeleid, bijvoorbeeld ten aanzien van
                        horeca-inrichtingen of vent- en standplaatsvergunningen, door de rechter
                        aanvaard. Bij de toepassing van zo’n beleid kan een prostitutienota of een
                        vergelijkbaar beleidsstuk een belangrijk hulpmiddel zijn, indien daarin
                        gemotiveerd is toegelicht welke concentratiegebieden zijn aangewezen en voor
                        welk aantal inrichtingen ten hoogste een vergunning kan worden verleend. Ook
                        een bestemmingsplan kan daarvoor als middel dienen, indien daaruit het
                        karakter van een bepaalde straat of wijk blijkt. </al><al/><al/><al><cursief>Tweede lid, onder c: woon- en leefomgeving</cursief></al><al>Het belang van de openbare orde en dat van de woon- en leefomgeving zijn
                        nauw met elkaar verweven. Waar een maximumbeleid kan worden geacht te zijn
                        ontleend aan het belang van de openbare orde, kan een concentratiebeleid
                        worden beschouwd als met name gericht op de bescherming van de woon- en
                        leefomgeving in bepaalde delen van de gemeente. Gelet op eerdergenoemde
                        verwevenheid, wordt een maximumbeleid en een concentratiebeleid veelal ter
                        onderlinge versterking in combinatie toegepast. De exploitatie van
                        seksinrichtingen kan worden tegengegaan op plaatsen waar de woon- en
                        leefomgeving op ontoelaatbare wijze nadelig zou worden beïnvloed. Daarvoor
                        zou bijvoorbeeld specifiek reden kunnen zijn in woonbuurten of in de nabije
                        omgeving van ‘gevoelige’ gebouwen (schoolgebouwen, kerkgebouwen e.d.).
                        Indien aldus gebiedsaanwijzing heeft plaats gehad, kan op een aanvraag om
                        vergunning voor het exploiteren van een seksinrichting in een aangewezen
                        gebied afwijzend worden beslist in het belang van het woon- en leefklimaat
                        ter plaatse. Vanzelfsprekend kan een dergelijk beleid ook worden toegepast
                        ten aanzien van bepaalde categorieën seksinrichtingen. Denkbaar is immers
                        dat de woon- en leefomgeving in een bepaald gebied zich niet verdraagt met
                        de vestiging van raamprostitutiebedrijven, maar bijvoorbeeld wel met de
                        vestiging van clubs, bordelen en dergelijke. Ook een aspect van bescherming
                        van de woon- en leefomgeving is uiteraard de omvang van de inrichting. In
                        een vergunningvoorschrift, dat overigens tevens betrekking heeft op de
                        hierna te noemen grond veiligheid van personen, kan het maximale aantal
                        werkzame prostituees worden vastgesteld. </al><al/><al><cursief>Tweede lid, onder d: Veiligheid personen of goederen</cursief> Bij
                        de exploitatie van openbare (en daarmee seks)inrichtingen, is het van groot
                        belang de brandveiligheid te kunnen waarborgen. Voor wat betreft de
                        inrichtingen die zijn aan te merken als bouwwerk in de zin van de Woningwet: </al><al>- is het Bouwbesluit daarop van toepassing met het oog op de brandveiligheid
                        van de inrichting zelf; en </al><al>- biedt de gemeentelijke bouwverordening daarvoor de grondslag voor zover
                        het gaat om het gebruik van de inrichting. Gaat het om inrichtingen die niet
                        zijn aan te merken als bouwwerk in de zin van de Woningwet (bijvoorbeeld
                        vaartuigen), dan wordt het gebruik van de inrichting bestreken door de
                        brandbeveiligingsverordening. </al><al/><al><cursief>Tweede lid, onder e: verkeersvrijheid of -veiligheid</cursief></al><al>Het belang van de verkeersvrijheid of -veiligheid valt onder de noemer
                        openbare veiligheid en zal doorgaans vooral aan de orde zijn bij straat- en
                        raamprostitutie. Daarbij vindt de werving van klanten immers plaats op of
                        aan de openbare weg, alwaar sprake is van soms aanzienlijke aantallen
                        voetgangers en motorvoertuigen. Aanwijzing van een tippelzone of vestiging
                        van raamprostitutiebedrijven kan dan bezwaarlijk zijn, indien daardoor
                        bijvoorbeeld de normale bereikbaarheid van het desbetreffende gebied wordt
                        geschaad of bewoners ter plaatse niet of nauwelijks meer kunnen parkeren.
                        Situaties als deze kunnen zich evenwel ook voordoen bij vestiging van een
                        (te) groot aantal bordelen in een bepaald gebied, zodat ook bij andere
                        vormen van prostitutie de verkeersveiligheid of -vrijheid aanleiding kan
                        vormen tot regulering (in de vorm van een maximum- of concentratiebeleid).
                        </al><al/><al><cursief>Tweede lid onder f: gezondheid</cursief></al><al>Tot de belangen die deel uitmaken van de gemeentelijke huishouding, behoort
                        ook dat van de (volks)gezondheid. Daarnaast hebben de gemeenten, met als
                        uitvoerende instantie de GGD, ook een aantal wettelijke taken met betrekking
                        tot de ontwikkeling en uitvoering van volksgezondheidbeleid. In dit verband
                        wordt gewezen op de Wet collectieve preventie volksgezondheid (Wcpv; stb.
                        1990, 300) en meer in het bijzonder op het Besluit collectieve preventie
                        volksgezondheid (Stb. 1992, 569). Dit Besluit verplicht gemeenten namelijk
                        zorg te dragen op voor de uitvoering van collectieve preventie van onder
                        meer seksueel overdraagbare aandoeningen (soa) en aids. Bovendien heeft de
                        wetgever bij de opheffing van het bordeelverbod het verbeteren van de
                        positie van de prostituee, waaronder tevens begrepen de gezondheidssituatie,
                        als een van de hoofddoelstellingen bestempeld. Alle reden dus voor
                        gemeenten, bijgestaan door de GGD, om een actief volksgezondheidsbeleid te
                        voeren. </al><al/><al>Doelstelling van zo’n beleid kan om te beginnen zijn het (doen) verzorgen
                        van voorlichting over besmettingsrisico’s en seksueel veilig gedrag aan
                        prostituees, prostituanten en exploitanten. Bij die partijen rust immers de
                        belangrijkste verantwoordelijkheid voor de daadwerkelijke preventie van soa.
                        Ook kan het beleid erop gericht zijn zo laagdrempelig mogelijke faciliteiten
                        te (doen) verwezenlijken voor betrokkenen; hierbij kan worden gedacht aan
                        toegankelijke gezondheidszorgvoorzieningen, waar prostituees en
                        prostituanten zich tegen een beperkte vergoeding en op professionele wijze
                        kunnen laten onderzoeken op de aanwezigheid van soa. Dit beleid kan ook zijn
                        weerslag vinden in specifieke vergunningvoorschriften. Daarbij valt te
                        denken aan de verplichting voor de exploitant om een “veilig seks beleid” te
                        voeren (dat wil zeggen dat ze geen onveilige seks mogen aanbieden en veilige
                        seks moeten faciliteren) en prostituees in de gelegenheid moeten stellen
                        zich regelmatig op soa te laten onderzoeken. Ook kan het voorschrift worden
                        opgenomen dat de exploitant verplicht is om de GGD toe gang te verlenen tot
                        de inrichting ten behoeve van de voorlichting van prostituees. Als
                        GGD-artsen of verpleegkundigen zijn aangewezen als toezichthouders is een
                        dergelijk voorschrift niet nodig. Van verschillende zijde is echter
                        opgemerkt dat de rol van de GGD als vertrouwenspersoon zich moeilijk
                        verhoudt met die van toezichthouder. Een ander vergunningvoorschrift waar in
                        het kader van de gezondheidspositie van de prostituee aan gedacht kan
                        worden, is het verbod op verplichte alcoholconsumptie. </al><al/><al>Waar het gaat om de preventie van soa’s wordt wel eens gedacht over het
                        verplicht stellen van een periodieke medische controle van prostituees.
                        Daargelaten of en hoe het verplicht stellen van een dergelijke controle
                        mogelijk is, kan zulks ertoe leiden dat het illegale prostitutiecircuit zich
                        uitbreidt en dat een toenemende groep, met name seropositieve of
                        drugsgebruikende, prostituees onbereikbaar wordt voor voorlichting en
                        medische zorg. </al><al/><al/><al><cursief>Tweede lid, onder f</cursief>: <cursief>zedelijkheid</cursief></al><al>Voor wat betreft de bescherming van de zedelijkheid wordt wel eens gesteld
                        dat gemeenten hierbij geen verordenende bevoegdheid zou toekomen nu daarover
                        door de formele wetgever strafbepalingen zijn vastgesteld, te weten de
                        artikelen 239, 240, 240a en 240b van het Wetboek van Strafrecht. De
                        (aanvullende) regelgevende bevoegdheid die gemeenten op dit punt reeds
                        toekwam wordt door deze bepalingen echter ongemoeid gelaten. </al><al>De daarover bestaande jurisprudentie blijft derhalve actueel. </al><al/><al>Zo werd de vraag of een APV-bepaling die de exploitatie van een sekswinkel
                        aan een vergunning onderwierp in strijd was met de artikelen 240 en 451bis
                        van het Wetboek van Strafrecht, in HR 05-06-1979, NJ 1979,553, ontkennend
                        beantwoord. </al><al/><al>Ook al kunnen ter bescherming van de zedelijkheid dus ook bij gemeentelijke
                        verordening vergunningsvoorschriften worden vastgesteld, het
                        zedelijkheidsmotief zal bij de regulering van de commerciële exploitatie van
                        prostitutie doorgaans niet vooropstaan. Denkbaar is bijvoorbeeld dat op
                        basis van het zedelijkheidsmotief in de vergunningvoorschriften een
                        minimumleeftijdsgrens voor bezoekers wordt gesteld van bijvoorbeeld 16 of 18
                        jaar </al><al/><al><cursief>Tweede lid, onder g: arbeidsomstandigheden </cursief></al><al>Volgens de MvT betreft de bescherming en verbetering van de positie van de
                        prostituee, die als gezegd één van de hoofddoelstellingen van de
                        wetswijziging is, onder meer de arbeidsomstandigheden in
                        prostitutiebedrijven. Door opheffing van het algemeen bordeelverbod is de
                        Arbeidsomstandighedenwet (Stb. 1990, 94) van toepassing op delen van de
                        prostitutiebranche, te weten waar sprake is van een arbeidsverhouding als
                        bedoeld in de wet. </al><al/><al>Tot slot nog een enkele opmerking over de arbeidsovereenkomst en de
                        arbeidsvoorwaarden. Al onder artikel 250bis van het Wetboek van Strafrecht
                        kwam het voor dat er sprake was van een arbeidsovereenkomst tussen
                        prostituee en exploitant. In de literatuur werd betwijfeld of een dergelijke
                        overeenkomst in strijd met de openbare orde of de goede zeden kwam of, nu
                        artikel 250bis zich richtte tot de exploitant, in strijd met de wet kon
                        worden geacht. Met de opheffing van het algemeen bordeelverbod heeft deze
                        discussie aan belang verloren. </al><al/><al>Van verordeningsbepalingen over arbeidsvoorwaarden van prostituees moet
                        worden aangenomen dat die te zeer treden in het particuliere belang van de
                        prostituee en de exploitant, en de grenzen van de huishouding (de
                        regelgevende bevoegdheid) van de gemeente te buiten gaan. Blijkens de MvT
                        stelt ook de wetgever zich op het standpunt dat “de centrale noch de lokale
                        overheid het tot haar taak dient te rekenen om binnen de grenzen van
                        vrijheid en zelfbepaling nadere regels te stellen over de rechtsverhouding
                        tussen exploitant en prostituee. </al><al/><al><cursief>Jurisprudentie</cursief></al><al>- Een brief aan alle exploitanten van seksinrichtingen inzake
                        handhavingsbeleid is geen schriftelijke waarschuwing die normaliter
                        overeenkomstig het handhavingsbeleid wordt verstuurd. Er is sprake van een
                        arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht als prostituees loon krijgen
                        uitbetaald volgens een door de bordeelhouder vastgesteld tarief. LJN-nr.
                        AF5723, JG 03.0127, m.nt. A.L. Esveld.</al><al>-Prostitutiebedrijf is een voor publiek openstaand gebouw. Strijd met het
                        bestemmingsplan als weigeringgrond aanvaard. Exploitatie van het
                        prostitutiebedrijf past niet in het bestaand woonklimaat. LJN-nr. AH9858, JG
                        03.0194, m.nt. A.L. Esveld.</al><al>- Parenclub in woning niet toegestaan wegens strijd met bestemmingsplan.
                        LJN-nr. AE6669, JG 03.0024 m.nt. A.L. Esveld.</al><al>- In een nota opgenomen ruimtelijke relevante criteria zijn voldoende voor
                        de onderbouwing van gebruiksbepalingen behorend bij een bestemmingsplan die
                        het gebruik als bordeel beperken. Een erotische massagesalon is een
                        seksinrichting en kan worden aangemerkt als een prostitutiebedrijf. LJN-nr.
                        AQ8750, JG 04.0150, m.nt. A.L. Esveld.</al><al>- Een bordeel is een voor publiek openstaand gebouw als bedoeld in artikel
                        174 lid 1, van de Gemeentewet. Een bordeel past niet in de functie
                        woonbebouwing. LJN-nr. AE5853, JG. 03.0062, m. nt. A.L. Esveld.</al><al>- Planologische voorwaarden voor de vestiging van bordelen toegestaan, ook
                        al zouden deze de vestiging van een prostitutiebedrijf op een bepaalde
                        plaats feitelijk onmogelijk maken. LJN-nr. AN9215, JG 04.0077 m.nt. A.L.
                        Esveld.</al><al>- Bouwvergunning mag op grond van planologische uitstraling niet worden
                        geweigerd (bestemming prostitutie), de exploitatie van raambordelen is
                        daartegen uit een oogpunt van verkeersveiligheid niet toegestaan. LJN-nr.
                        AK4053, JG 03.0195 m.nt. A.L. Esveld.</al><al>- Weigering van een vergunning voor een horeca-inrichting op grond van het
                        feit dat het bestemmingsplan een seksinrichting niet toestaat? ABRS
                        03-11-2004, LJN-nr. AR5047, JG 05.0006 m.nt. A.L. Esveld.
                        </al><al/><al><onderstreept>Artikel 3:14 Beëindiging exploitatie</onderstreept></al><al><cursief>Eerste en tweede lid</cursief></al><al>Dit artikel voorziet in de omstandigheid dat de exploitant zijn bedrijf
                        heeft beëindigd of heeft overgedaan aan een rechtsopvolger. Onder
                        beëindiging wordt tevens verstaan wijziging van de naam van de exploitant of
                        van een of meerdere namen van de exploitanten. Een nieuwe vergunning moet
                        dan worden aangevraagd. In het eerste lid is bepaald dat de vergunning bij
                        feitelijke beëindiging van de exploitatie van rechtswege komt te vervallen.
                        Het bevoegd bestuursorgaan heeft er belang bij een actueel overzicht te
                        kunnen hebben van de in de gemeente actieve exploitanten; in verband daarmee
                        is in het tweede lid bepaald, dat binnen een week na de feitelijke
                        beëindiging van de exploitatie daarvan moet worden kennisgegeven.
                        </al><al/><al><onderstreept>Artikel 3:15 Wijziging beheer</onderstreept></al><al><cursief>Eerste lid</cursief></al><al>Het bevoegd bestuursorgaan heeft er belang bij eveneens een actueel
                        overzicht te kunnen hebben van de in de gemeente actieve beheerders; in
                        verband daarmee is in het eerste lid bepaald dat, indien een of meer
                        beheerders van een inrichting hun werkzaamheden feitelijk hebben beëindigd,
                        de exploitant daarvan binnen een week na die feitelijke beëindiging moet
                        kennisgeven. Anders dan bij beëindiging van de exploitatie, leidt het
                        vertrek van een beheerder niet tot het van rechtswege vervallen van de
                        vergunning: denkbaar is immers dat het beheer in de inrichting in handen is
                        van meer personen of dat het beheer in handen komt van de exploitant zelf.
                        </al><al><cursief>Tweede lid</cursief></al><al>Denkbaar is ook dat de exploitant de plaats van de vertrokken beheerder(s)
                        wenst te laten innemen door een of meer andere personen. Het tweede lid
                        verlangt in dat geval dat de exploitant het bevoegd bestuursorgaan verzoekt
                        om, zoals is voorgeschreven in artikel 3:4, tweede lid, onder b, de nieuwe
                        beheerder(s) te vermelden in de aan hem verleende vergunning. Daarbij dient
                        ten aanzien van de nieuwe beheerder(s) een antecedentenonderzoek plaats te
                        vinden. </al><al><cursief>Derde lid</cursief></al><al>In dit lid is bepaald dat de nieuwe beheerder al aan de slag kan vanaf het
                        moment dat de aanvraag is ingediend. Hierdoor is enerzijds gewaarborgd dat
                        er voor die tijd geen nieuwe beheerders werkzaam kunnen zijn. Dit zou immers
                        het aantonen van schijnbeheer aanzienlijk bemoeilijken. Anderzijds wordt
                        hiermee tegemoet gekomen aan in de praktijk noodzakelijke flexibiliteit.
                        Wijziging van beheer zal immers nog vaker aan de orde zijn dan de wijziging
                        van de exploitatie. </al></divisie><divisie><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4</nr><titel>Bescherming van het milieu en het natuurschoon en zorg voor het
                            uiterlijk aanzien van de gemeente</titel></kop></divisie><divisie><kop><label>Afdeling</label><nr>1</nr><titel>Geluid- en lichthinder</titel></kop><al><onderstreept>Algemene toelichting afdeling 4.1
                        </onderstreept></al><al>Naast een zogenaamde "kapstokbepaling" inzake geluidhinder (artikel 4:5)
                        bevat afdeling 4.1 een aantal bepalingen die voortvloeien uit het op de Wet
                        milieubeheer gebaseerde Besluit algemene regels voor inrichtingen
                        milieubeheer (hierna: het Besluit), dat op 1 januari 2008 in werking is
                        getreden. Onder dit Besluit valt naast de “stille” horeca zowel de
                        discotheken als recreatie-inrichtingen (theaters, bioscopen, gokhallen,
                        vakantie- en pretparken) en sportinrichtingen (tennisparken,
                        voetbalterreinen, zwembaden enz.). </al><al/><al>Alle inrichtingen die onder het Besluit vallen moeten voldoen aan de bij het
                        Besluit gestelde voorschriften. De voorschriften met betrekking tot geluid-
                        en trillinghinder zijn zo strikt, dat deze zeker overtreden zullen worden
                        wanneer in een inrichting incidenteel een feest wordt gehouden met
                        bijvoorbeeld levende muziek. Gezien de maatschappelijke functie die de onder
                        het Besluit vallende inrichtingen vervullen, biedt het Besluit de
                        mogelijkheid ontheffing te verlenen van de voorschriften die zien op de
                        geluid- en trillinghinder. De bedrijven waarvoor geluid een belangrijk
                        onderwerp is en die vooral gebruik zullen willen maken van deze regeling
                        zijn de horeca, discotheken en sociaal-culturele voorzieningen. Op grond van
                        artikel 2.21 van het Besluit kan de gemeenteraad in een verordening
                        vaststellen dat gedurende een bepaalde periode de geluidsvoorschriften van
                        het besluit niet gelden. Voorts biedt het Besluit in artikel 4.113, eerste
                        lid, ook de mogelijkheid om bij of krachtens een verordening vast te stellen
                        dat gedurende een bepaalde periode het artikel over lichthinder in het
                        Besluit niet geldt. </al><al/><al> Het Besluit maakt voor wat betreft de afwijking van de strikte geluid- en
                        lichtvoorschriften onderscheid tussen "collectieve festiviteiten", zoals
                        Koninginnedag, carnaval, kermis, en culturele, sportieve of recreatieve
                        manifestaties, en "incidentele festiviteiten", die aan één of slechts een
                        klein aantal inrichtingen gebonden zijn, zoals een optreden met levende
                        muziek bij een café, een jubileum of een straatfeest. </al><al/><al>Het Besluit laat het aan de gemeente over te bepalen welke "collectieve
                        festiviteiten" in aanmerking komen voor een afwijking van de
                        geluidsvoorschriften. Er geldt geen maximum voor het aantal collectieve
                        festiviteiten per jaar. Ook voor sportinrichtingen geldt geen maximum aantal
                        dagen dat afgeweken kan worden van het lichtvoorschrift. De gemeente dient
                        rekening te houden met de lokale omstandigheden en zal zelf een inschatting
                        moeten maken van de overlast. In Vlissingen geldt een maximum van zeven
                        collectieve festiviteiten per jaar. </al><al/><al> In het Besluit is bepaald dat het aantal "incidentele festiviteiten" niet
                        méér mag bedragen dan twaalf per jaar. Ook hier geldt dat de gemeente moet
                        beoordelen hoeveel overlast de omgeving toelaat (cumulatieve effect van
                        incidentele festiviteiten). In Vlissingen geldt een maximum van tien
                        incidentele festiviteiten per jaar. Uiteraard zal de gemeente de concrete
                        overlastsituatie per melding kunnen beoordelen. </al><al/><al><onderstreept>Artikel 4:2 Aanwijzing collectieve
                            festiviteiten</onderstreept></al><al> In dit artikel is de uitvoering van de regeling opgedragen aan het college.
                        Er behoeft dus niet jaarlijks een raadsbesluit te worden genomen om te
                        bepalen welke feesten als collectieve festiviteiten worden aangewezen.
                        Jaarlijks zal het college - in samenspraak met de plaatselijke horeca -
                        vaststellen op welke data de betreffende voorschriften niet van toepassing
                        zijn. Om ruimte te bieden voor het toestaan van onverwachtse collectieve
                        festiviteiten verdient het aanbeveling, dat niet op voorhand het maximale
                        aantal van zeven dagen wordt aangewezen. Het voorschrift genoemd in het
                        tweede lid is met name bedoeld voor sportverenigingen die buiten de
                        reguliere competities en recreatieve wedstrijden en trainingen gebruik
                        willen maken van hun lichtinstallatie. Een voorbeeld van een "collectieve
                        festiviteit" in het licht van het tweede lid is een sportieve manifestatie
                        waar meerdere sportverenigingen aan mee doen. Het verdient aanbeveling dat
                        het college jaarlijks - in samenspraak met de plaatselijke sportverenigingen
                        - vaststelt op welke data de betreffende voorschriften niet van toepassing
                        zijn. </al><al/><al><onderstreept>Artikel 4:3 Melding incidentele feesten</onderstreept></al><al>Artikel 4:3 maakt het mogelijk dat tien keer per jaar voor het organiseren
                        van een incidentele festiviteit vrijstelling kan worden gekregen van het
                        Besluit. Een voorbeeld van een "incidentele festiviteit" in het licht van
                        het tweede lid is een veteranentoernooi of een "vroege-vogels-toernooi". Het
                        college dient altijd op de hoogte te worden gesteld van een te organiseren
                        incidentele festiviteit. Dit dient te gebeuren door middel van een melding
                        en conform de procedure zoals op het door het college vastgestelde
                        formulier, wordt aangegeven. Indien de melding niet op de juiste wijze
                        geschiedt, dan mag er geen gebruik worden gemaakt van de vrijstelling.
                        Voorheen diende de melding twee weken van tevoren te worden gedaan. Dit
                        zorgde voor weinig mogelijkheden tot spontaniteit, terwijl hier wel vraag
                        naar was. Vooral vanuit de horeca was die vraag groot. Daarom is een en
                        ander aangepast en dient de melding voortaan vóór aanvang en op de dag van
                        de incidentele festiviteit te worden gedaan doch uiterlijk voor tien uur ’s
                        avonds. Omdat een vrijstelling van de geluid- en lichtvoorschriften in de
                        regel samengaat met een vrijstelling van de openings- en sluitingstijden
                        voor horeca-inrichtingen is een koppeling gemaakt tussen artikel 4:3 en
                        artikel 2:27. Een vrijstelling van de geluid- en lichtvoorschriften gaat dus
                        altijd gepaard met een ontheffing van de openings- en sluitingstijden als
                        bedoeld in artikel 2:27. </al><al/><al>Voor festiviteiten op het terras is altijd een evenementenvergunning nodig.
                        Daarnaast moet er altijd een melding worden gedaan om ontheffing van de
                        geluidsvoorschriften uit het Besluit te krijgen. In de evenementenvergunning
                        kan door de burgemeester op grond van de Nadere regels geluidsvoorschriften
                        voor openbare inrichtingen worden gesteld. </al><al/><al><onderstreept>Artikel 4:4 Verboden incidentele feesten </onderstreept></al><al>Indien de burgemeester van oordeel is, dat een bepaalde (aangemelde)
                        incidentele festiviteit of het toestaan van toekomstige incidentele
                        festiviteiten in het concrete geval ongewenste cumulatie van hinder en
                        overlast met zich mee kan brengen, kan hij het organiseren van die
                        festiviteit en toekomstige festiviteiten verbieden. De burgemeester heeft
                        deze (autonome) bevoegdheid op grond van artikel 174 van de Gemeentewet,
                        waarin is bepaald dat de burgemeester is belast met de uitvoering van
                        verordeningen voor zover deze betrekking hebben op het toezicht op de voor
                        publiek openstaande gebouwen. </al><al/><al><onderstreept>Artikel 4:5 Geluidsplafond </onderstreept></al><al>Het niet behoeven te voldoen aan de geluidvoorschriften uit
                        het Besluit betekent voor de exploitanten van inrichtingen overigens geen
                        vrijbrief om 'onbeperkt (geluid)hinder' te veroorzaken bij festiviteiten. Op
                        grond van artikel 2.21, tweede lid, van het Besluit kunnen bij of krachtens
                        gemeentelijke verordening nadere regels worden gesteld ter voorkoming of
                        beperking van geluidhinder bij festiviteiten. Hierbij valt te denken aan het
                        invoeren van een geluidsnorm of de verplichting om bepaalde maatregelen te
                        treffen. Artikel 4:5 maakt het mogelijk dat het college deze nadere regels
                        kan stellen. </al><al/><al><onderstreept>Artikel 4:6 Aanwijzen concentratiegebied voor
                            horeca-inrichtingen</onderstreept></al><al>Als concentratiegebied als bedoeld in artikel 6.16 van het Besluit algemene
                        regels voor inrichtingen milieubeheer wordt aangewezen het gebied aangegeven
                        op de bij dit artikel behorende overzichtstekening. </al><al/><al><onderstreept>Artikel 4:7 tot en met 4:7b Hinder door bouw-, sloop- en
                            onderhoudswerkzaamheden</onderstreept></al><al>In de artikelen 4:7 tot en met 4:7b is een structurele aanpak geformuleerd
                        voor de gemeente Vlissingen voor het behandelen van de aanvragen voor een
                        ontheffing APV vanwege bouwlawaai. Met deze aanpak wordt geluidhinder
                        gereguleerd bij bouwprojecten, werkzaamheden aan wegen en spoorverbindingen,
                        sloopwerkzaamheden en dergelijke. Het is gericht op werkzaamheden die hoge
                        geluidniveaus veroorzaken. Deze geluidhinder kan overdag optreden, maar ook
                        in de avond en/of nacht. In dit voorstel zijn de hinderaspecten van geluid
                        geschetst en het juridisch kader van het onderwerp bouwlawaai beschreven. </al><al/><al>Er is een visie geformuleerd die uitgaat van vijf hoofdlijnen:</al><al>1. lawaaiige werkzaamheden dienen overdag te worden uitgevoerd; voor het
                        uitvoeren van avond- en nachtwerk is een goede onderbouwing nodig;</al><al>2. inzicht in de mate van de te verwachten geluidhinder, door onderzoek, is
                        noodzakelijk;</al><al>3. toepassing van stil materieel en zo mogelijk stille technieken;</al><al>4. adequate communicatie met omwonenden;</al><al>5. controle op de uitvoering. </al><al>De visie is voorzien van een duidelijke motivering. Op basis van de
                        bovengenoemde visie is een normstelling voor bouwlawaai opgenomen in dit
                        document en is richting gegeven aan de afweging die het bevoegd gezag dient
                        te maken voor het verlenen of weigeren van de ontheffing. Er wordt tevens
                        ingegaan op het aanvragen, beoordelen en verlenen van een ontheffing. Een
                        duidelijke handhavingstrategie maakt deel uit van het geformuleerde beleid,
                        evenals de taakverdeling binnen de gemeentelijke organisatie. </al><al>Doel is het beperken van hinder en overlast door bouwwerkzaamheden voor
                        omwonenden van bouwplaatsen. Het doel te bereiken door het transparant en
                        eenduidig uitvoeren van preventieve en repressieve maatregelen door de
                        afdeling Publiekszaken, cluster vergunningen. </al><al/><al><cursief>Hinderaspecten van geluid</cursief></al><al>Geluid is een, meestal door de lucht, voortplantende trillende beweging
                        welke door het gehoor waargenomen kan worden. Deze geluidstrillingen of
                        -golven bezitten een bepaalde frequentie. De frequentie, uitgedrukt in Hz,
                        bepaalt de toonhoogte: hoe hoger de frequentie, hoe hoger de toon. Een hoge
                        toon, bijvoorbeeld 4000 Hz, klinkt piepend. Een lage toon, bijvoorbeeld 200
                        Hz, klinkt brommend. Laag frequent geluid is geluid met frequenties tot
                        ongeveer 125 Hz. Het normale bereik van het menselijk oor ligt tussen de 20
                        en 20.000 Hz. Er zijn echter individuele verschillen. </al><al/><al>Met het ouder worden of door langdurige blootstelling aan lawaai, wordt het
                        bereik aan de kant van de hoge tonen, hoge frequenties, kleiner. Het
                        geluidniveau (L) of -volume wordt uitgedrukt in decibel (dB). Bij 0 dB kan
                        een toon van 1000 Hz nog net worden waargenomen. De decibel is een
                        logaritmische maat. Dit betekent dat het aantal decibels afkomstig van
                        verschillende bronnen niet zomaar opgeteld kan worden. Iedere verdubbeling
                        van het geluidniveau geeft een toename van 3 dB. Het menselijk oor is niet
                        voor alle frequenties even gevoelig. Om hier rekening mee te houden, wordt
                        bij geluidsmetingen een filter gebruikt. Wanneer geluidniveaus met
                        gebruikmaking van een zogenaamd A-filter gemeten zijn, dan wordt als eenheid
                        dB(A) gebruikt. Het geluidniveau bij normale spraak bedraagt 60-70 dB(A).
                        Bij 140 dB(A) ligt de pijngrens. Tabel 1 geeft een globaal overzicht van
                        soorten geluiden en hun geluidniveaus. </al><al/><al>In veel onderzoeken naar de effecten van blootstelling aan geluid op de
                        gezondheid wordtgebruikgemaakt van het begrip: het equivalente geluidniveau
                        (L Aeq,T). Hierin zijn alle geluidniveaus gedurende periode ‘T’ verwerkt.
                        Hierbij krijgen de hogere niveaus meer gewicht dan de lagere. Het
                        equivalente geluidniveau is dus niet gelijk aan het gemiddelde van de
                        geluidniveaus gedurende de periode ‘T’. Voor de karakterisering van
                        momentane geluidniveaus worden maten gebruikt als het maximale geluidniveau
                        (LA,max), het piekniveau (Lpeak) en het geluidblootstellingsniveau (SEL:
                        Sound exposure level of LAx). De SEL is de totale hoeveelheid geluidenergie
                        die door een gebeurtenis wordt geproduceerd. De van oudsher in het
                        Nederlandse milieubeleid gehanteerde blootstellingsmaat is de etmaalwaarde
                        (Letm). Voor de bepaling van Letm wordt het etmaal in drie periodes
                        verdeeld: een dagperiode (07.00-19.00 uur), een avondperiode (19.00-23.00
                        uur) en een nachtperiode (23.00-07.00 uur). Per periode wordt de equivalente
                        geluidbelasting bepaald. Het avondniveau wordt verhoogd met een
                        ‘straffactor’ van 5 dB en het nachtniveau met een factor van 10 dB. De Letm
                        is de hoogste waarde van de equivalente geluidbelasting van deze drie
                        perioden. In de meeste gevallen is de geluidbelasting gedurende de
                        nachtperiode maatgevend. De mate van slaapverstoring wordt op grond van de
                        equivalente nachtwaarde (Laeq,23-7) van de geluidsbelasting geschat. Om te
                        schatten hoeveel slaapverstoring er bij een bepaald percentage ernstige
                        hinder is, moet de etmaalwaarde eerst omgezet worden in de equivalente
                            nachtwaarde.<vet>luidniveau (dB(A)) Soort geluid</vet></al><al/><al>Of geluid als hinderlijk wordt ervaren, hangt af van diverse factoren.
                        Grofweg wordt het onderscheid gemaakt tussen twee groepen:</al><al>• akoestische factoren;</al><al>• sociaalpsychologische factoren. </al><al/><al>Om geluidhinder te voorkomen, te beperken of te verzachten, dient rekening
                        te worden gehouden met de bovengenoemde twee groepen van factoren. Wordt één
                        van beide buiten beschouwing gelaten, dan wordt een deel van de problematiek
                        veronachtzaamd; de hinder die wordt ervaren bestaat uit een aantal factoren
                        met een onderlinge samenhang. Uitgangspunt voor het bouwhinderbeleid is dat
                        de bouwwerkzaamheden plaatsvinden tijdens de gebruikelijke daguren. De
                        dagperiode duurt van 07.00-19.00 uur, exclusief zon- en feestdagen. Doel van
                        dit uitgangspunt is de overlast voor omwonenden van bouwprojecten zoveel
                        mogelijk te beperken. Het kan echter noodzakelijk zijn om werkzaamheden
                        buiten de gebruikelijke daguren te moeten verrichten. Hiertoe dient de
                        uitvoerder een verzoek om toestemming in te dienen met een onderbouwing van
                        de noodzaak en de te treffen maatregelen die de hinder beperken. </al><al/><al>Bij de toestemming om af te mogen wijken van de gebruikelijke werktijden
                        wordt nu geen onderscheid gemaakt in de soort werkzaamheden die 's nachts
                        uitgevoerd kunnen worden. Gebleken is echter dat 's nachts heien dusdanig
                        veel overlast veroorzaakt dat het in principe niet wenselijk is om dat 's
                        nachts toe te staan. Uitgangspunt is dat in de nachtelijke uren (van 23.00
                        tot 07.00 uur) geen heiwerkzaamheden worden uitgevoerd. Hieronder moet
                        worden verstaan het inheien, intrillen en heiend of trillend trekken van
                        palen, stalen buizen, damwandprofielen enz. De veroorzaker (meestal
                        verantwoordelijke bouwer) moet de hinder voor omwonenden zo veel mogelijk
                        voorkomen of beperken. </al><al/><al>Toestemming om hiervan te mogen afwijken is alleen mogelijk in
                        uitzonderlijke gevallen. Hierbij kan gedacht worden aan het werken aan
                        regionale of landelijke infrastructuur. De gevolgen gedurende de daguren
                        zijn dan niet ondergeschikt aan de lokale nachtelijke overlast. De aanvrager
                        moet een verzoek deugdelijk onderbouwen, waarbij aangegeven moet worden wat
                        de ontoelaatbare gevolgen zijn als 's nachts niet geheid kan worden.
                        Toestemming in geval van een uitzonderingssituatie is altijd uniek voor de
                        situatie en de locatie, waaraan geen precedent ontleend kan worden. Aan een
                        dergelijke toestemming worden toegesneden hinderbeperkende voorwaarden
                        gesteld, waarbij gedacht kan worden aan het 's nachts elders huisvesten van
                        de dichtbij wonende bewoners. Het spreekt voor zich dat stringente
                        handhaving zal plaatsvinden op basis van deze aangescherpte richtlijn. </al><al/><al>Geluidhinder die niet is geregeld in algemene wetgeving zoals de Wet
                        geluidhinder, de Wetmilieubeheer en de Luchtvaartwet kan in principe worden
                        geregeld in de APV. De gemeente is hiervoor het bevoegd gezag. Óf en hoe het
                        is geregeld, hangt af van de plaatselijke invulling door de gemeente. Dit
                        kan per gemeente verschillen. Veelal is er sprake van een vrij algemene
                        formulering van het ter zake doende artikel, zoals ook in Vlissingen. Het is
                        aan de gemeente om te beoordelen of het geluid vanwege het werk hinderlijk
                        is. Er zijn geen concrete beoordelingscriteria, zoals toegestane
                        geluidniveaus, het tijdstip en duur van het geluid, enzovoorts opgenomen. De
                        gemeente kan de “Circulaire bouwlawaai 2010” als leidraad gebruiken, maar
                        dat hoeft niet. Deze door het ministerie van Infrastructuur en Milieu op 27
                        oktober 2010 opgestelde circulaire heeft op zichzelf geen juridische status
                        en krijgt die pas als de gemeente in de hoedanigheid van bevoegd gezag, de
                        circulaire van toepassing verklaart. Het eenvoudigweg van toepassing
                        verklaren van de circulaire volstaat overigens meestal niet voor de
                        problematiek van de beoordeling van geluidhinder omdat aan de hierin
                        opgenomen streefwaarden vaak niet kan worden voldaan.</al><al>De APV stelt in artikel 4:5 dat het verboden is toestellen of
                        geluidsapparaten in werking te hebben of handelingen, al dan niet met een
                        voer- of vaartuig, te (laten) verrichten waardoor voor een omwonende of
                        overigens voor de omgeving geluidhinder wordt veroorzaakt of kan worden
                        veroorzaakt. De gemeente Vlissingen heeft niet eerder grenswaarden opgesteld
                        op het gebied van geluid- en trillingshinder door bouwwerkzaamheden.</al><al/><al>In de Circulaire bouwlawaai 2010 worden adviezen gegeven over her verlenen
                        van ontheffingen in het kader van de APV met betrekking tot de geluidhinder
                        veroorzaakt door bouw- en sloopwerkzaamheden. De circulaire heeft op zich
                        geen juridische status maar wordt wel door overheden en adviesbureaus nog
                        steeds als referentie gehanteerd.</al><al/><al>Bij het toepassen van de nieuwe beoordelingswijze staat het uitgangspunt
                        voorop om bouw- en slooplawaai zo veel mogelijk te voorkomen en te beperken.
                        De minister van Infrastructuur en Milieu adviseert in de Circulaire
                        Bouwlawaai 2010 nadrukkelijk om bij het beoordelen van een aanvraag voor
                        bovengenoemde ontheffing na te gaan of kan worden voldaan aan de
                        voorkeurswaarde van 60 dB(A). Onder bepaalde voorwaarden is het acceptabel
                        wanneer het college bij de ontheffing verlening gebruik maakt van een waarde
                        tussen de 60 dB(A) en 80 dB(A) op de gevels van woningen en andere
                        geluidsgevoelige gebouwen en op de grens van geluidsgevoelige terreinen als
                        bedoeld in de Wet geluidhinder en het Besluit geluidhinder. Teneinde de kans
                        op ernstige hinder te voorkomen adviseert de minister een maximum aan
                        ‘blootstellingsdagen’ aan te houden. </al><al/><al>De beoordelingswijze gaat er in eerste instantie vanuit dat de werkzaamheden
                        in de dagperiode (07.00 tot 19.00 uur) en op werkdagen (maandag t/m vrijdag)
                        plaatsvinden. Voor bepaalde onderdelen van bouwprojecten kan avond- en
                        nachtwerk of werken in het weekend echter niet altijd worden vermeden. Ook
                        bij onderhoudswerkzaamheden aan (spoor)wegen is avond- en/of nachtwerk
                        bijvoorbeeld onvermijdelijk. Bij het verlenen van de ontheffing is het dan
                        van belang partijen te wijzen op aspecten als een zorgvuldige communicatie
                        met omwonenden en het gebruik van stille technieken. De nieuwe
                        beoordelingswijze uit de Circulaire bouwlawaai 2010 wordt opgenomen in de
                        APV in de vorm van algemene regels. Daarmee is voor een ieder vooraf
                        duidelijk welke geluidsnormen op en rond bouw- en sloopplaatsen binnen de
                        gemeente Vlissingen gelden. </al><al/><al>De ontheffing behoeft niet te worden aangevraagd, indien de verwachting
                        gerechtvaardigd is dat de betreffende activiteiten bepaalde grenswaarden
                        niet zullen overschrijden. Dit heeft ook tot gevolg dat voor de meeste
                        individuele gevallen geen ontheffingen behoeven te worden aangevraagd. Een
                        bijkomend voordeel is dat hiermee een aanzienlijke besparing van
                        administratieve en bestuurlijke lasten kan worden gerealiseerd. </al><al/><al><cursief>Streven lawaaiige werkzaamheden in de dagperiode</cursief></al><al>Het streven dat lawaaiige werkzaamheden in de dagperiode dienen te worden
                        uitgevoerd is</al><al>ontleend aan de Circulaire Bouwlawaai 2010. Dit principe is algemeen
                        aanvaard en in praktijk toepasbaar gebleken bij veel grootschalige
                        bouwprojecten.</al><al>Hierbij zijn twee kanttekeningen te plaatsen:</al><al>1. Veel werkzaamheden aan snelwegen en het spoor kunnen doorgaans alleen
                        zonder exploitatie worden uitgevoerd en moeten daarom ’s nachts
                        plaatsvinden.</al><al>2. Op onderdelen van een project kunnen er specifieke werkzaamheden of
                        specifieke redenen zijn die avond- en/of nachtwerk noodzakelijk maken.
                        Voorbeelden hiervan zijn:</al><al>- het vlinderen van betonwerk kan uitlopen tot de avond- en
                        nachtperiode;</al><al>- gebrek aan capaciteit van asfaltcentrales in de dagperiode, maakt
                        asfalteren in de avond- en nacht noodzakelijk.</al><al/><al><cursief>Voor het uitvoeren van avond- en nachtwerk is goede onderbouwing
                            nodig</cursief></al><al>Het bovengenoemde streven sluit avond- en nachtwerk niet uit. Hiervoor wordt
                        verwezen naar de twee geplaatste kanttekeningen. Om toestemming hiervoor te
                        krijgen, is wel een goede onderbouwing nodig. Het college hanteert een
                        duidelijk afwegingskader voor besluitvorming over avond- en/of
                        nachtwerk.</al><al>Toelichting: hiermee wordt automatisch de keuze voor avond- en/of nachtwerk
                        in plaats vandagwerk expliciet ter discussie gesteld. De afweging kan worden
                        gebruikt voor deonderbouwing van de aanvraag. Hiervoor zijn een aantal
                        elementen benoemd:</al><al>- dagwerk is uitgesloten: dit is bijvoorbeeld regelmatig aan de orde bij
                        werk aan autosnelwegen of het spoor;</al><al>- de geluidsproductie: dit element speelt altijd een belangrijke rol, maar
                        bij avond- en nachtwerk speelt slaapverstoring een buitengewoon belangrijke
                        rol. Het is daarom een belangrijk aandachtspunt; </al><al>- draagvlak: is er draagvlak aanwezig voor avond- en/of nachtwerk en zo nee
                        of onvoldoende, is het mogelijk om het te verkrijgen of te verbreden?
                        Andersom kan ook aan de orde zijn: zijn er lokaalspecifieke omstandigheden
                        waardoor het (haast) uitgesloten is dat omwonenden de geluidhinder in de
                        avond- en/of nacht zullen accepteren?</al><al>- voor- en nadelen: de balans kan doorslaan naar een voorkeur voor de avond-
                        en nachtperiode, als dit bijzonder veel voordelen biedt en de hinder vanuit
                        dat perspectief aanvaardbaar is. Bijvoorbeeld als het werk dan veel sneller
                        kan worden afgerond, uitgebreide verkeersomleidingen overdag dan niet of
                        veel minder hoeven te worden ingesteld, enzovoorts.</al><al/><al><cursief>Inzicht in de mate van geluidhinder (akoestisch onderzoek) is
                            noodzakelijk</cursief>Inzicht in de mate van geluidhinder door een
                        akoestisch onderzoek (naar verwachtegeluidniveaus) is noodzakelijk. Dit
                        onderzoek dient te worden aangeleverd door de verzoekerontheffing. Een goed
                        inzicht in de mate van geluidhinder (de te verwachten geluidniveaus) is
                        noodzakelijk. De belangrijkste elementen daarbij zijn: de hoogte van de
                        geluidniveaus, de aard van het geluid en de blootstellingduur. Dit beeld van
                        de totale geluidhinder dient gespecificeerd zijn in tijd en plaats (meestal
                        woning). Het is belangrijk om op woningniveau te weten hoeveel de
                        geluidsbelasting in de periode van lawaaiige werkzaamheden is, hoeveel dagen
                        deze optreedt en de periodes van (relatieve) rust. Het spreekt voor zich dat
                        als meerdere woningen in een vergelijkbare situatie van geluidhinder zullen
                        verkeren, deze als een groep gezien kunnen worden. Toelichting: in de
                        besluitvorming wordt ook meegewogen of er fysieke maatregelen mogelijk zijn
                        om de geluidhinder te verminderen. Hierbij wordt gekeken of, als er geen
                        bronmaatregelen mogelijk zijn, in de overdracht of bij de ontvanger
                        maatregelen mogelijk zijn. </al><al/><al><cursief>Voorbeelden:</cursief></al><al>- overdrachtsmaatregelen: het plaatsen van een tijdelijk scherm;</al><al>- tijdelijk ontruimen (maatregel bij de ontvanger): als de omwonende de
                        mogelijkheid wordt gegeven elders de nacht door te brengen, dan kan deze
                        geen geluidhinder vanwege het nachtwerk ondervinden;</al><al>- gevelisolatie (eigenlijk geen reële optie in dit verband en daarom tussen
                        haakjes geplaatst in de beslisboom): door de gevel beter voor geluid te
                        isoleren, wordt het geluidniveau binnen de woning draaglijker.
                        Overdrachtsmaatregelen, zoals het plaatsen van een tijdelijk scherm, liggen
                        in de invloedssfeer van de initiatiefnemer en kunnen dus worden afgedwongen
                        door het bevoegd gezag. Dit kan door het als voorschrift op te nemen in de
                        ontheffing. Voor ‘tijdelijk ontruimen’ en ‘gevelisolatie’ geldt dat niet,
                        hiervoor moet de initiatiefnemerovereenstemming bereiken met de
                            omwonenden.</al><al/><al><cursief>De toepassing van stil materieel en, zo mogelijk, stille
                            technieken</cursief></al><al>De geluidhinder kan worden verminderd door eisen te stellen aan materieel en
                        zo mogelijk,aan bouwmethodes en -technieken. Door succesvol bronbeleid,
                        eerst ingezet door nationale regelgeving vanaf de eerste circulaire
                        bouwlawaai in het jaar 1981 en de afgelopen jaren ingebed in Europese
                        regelgeving, is trapsgewijs de geluidsproductie van bouwmachines afgenomen
                        en zal dit in de toekomst nog verder afnemen. Hiertoe strekt de ‘Regeling
                        geluidemissie buitenmaterieel’ van 20 augustus 2001. Dit is de implementatie
                        van de Europese richtlijn 2000/14/EG betreffende de geluidsemissie in het
                        milieu door materieel voor gebruik buitenshuis (PbEG L 162). In artikel 4 is
                        opgenomen dat het verboden is om materieel in de handel te brengen of te
                        gebruiken dat niet voldoet aan de in het desbetreffende artikel opgenomen
                        voorwaarden. Belangrijk onderdeel ervan is de tabel waarin per type
                        materieel de toegestane geluidsproductie (toelaatbaar geluidvermogensniveau)
                        is vastgelegd. </al><al/><al>Met ingang van 3 januari 2006 is deze aangescherpt door het in werking
                        treden van Fase II. Omwille van de leesbaarheid is onderstaand een fragment
                        van het artikel weergegeven. Voor de volledige tabel van lid 1 sub d,
                        evenals lid 2 en 3 wordt verwezen naar het originele document. Het is echter
                        niet uitgesloten dat nog oud materieel in roulatie is. Hoewel de inzet van
                        stil materieel wettelijk verplicht is, kan niet uitgesloten worden dat ‘oud’
                        materieel wordt ingezet dat niet aan de regeling voldoet. Er kan nog ‘oud’
                        materieel in roulatie zijn. De inzet van stil materieel is alleen
                        gewaarborgd als dat ook in de ontheffing APV verplicht wordt gesteld en
                        vervolgens wordt gehandhaafd. </al><al/><al>In tegenstelling tot de inzet van stil materieel, kan de inzet van stille
                        bouwmethodes en -technieken niet zonder meer gevergd worden. Het financiële
                        kader van een bouwproject wordt bepaald door middel van een
                        aanbestedingsproces en wordt uiteindelijk vastgelegd in het contract. Hierin
                        liggen tevens de uitvoeringsmethoden en -technieken besloten. Dat vormt
                        immers een basis voor de calculatie. Redelijkerwijs kan van een
                        opdrachtgever, publiek (bijvoorbeeld Rijkswaterstaat) of privaat, niet
                        worden gevergd dat deze alternatieveuitvoeringsmethoden (en -technieken)
                        inzet als deze véél duurder zijn dan de gangbare methoden. Het ‘drukken’ van
                        damwandplanken, een trillings- en geluidsarme uitvoeringstechniek, is
                        bijvoorbeeld aanmerkelijk duurder dan ‘trillen’ en daarnaast minder
                        nauwkeurig in de maatvoering. De gemeente kan wel een kosten/baten analyse
                        hieromtrent verlangen als de inzet van alternatieve uitvoeringsmethoden en
                        -technieken een serieuze optie is.</al><al/><al><cursief>Communicatie met omwonenden</cursief></al><al>Adequate communicatie draagt bij aan een betere acceptatie van geluidhinder.
                        Dit geldt voorbouwlawaai in het algemeen en in het bijzonder in specifieke
                        situaties. Zoals bij geluidniveaus in de dagperiode die aanmerkelijk boven
                        de toetsingsnorm liggen, lawaaiige werkzaamheden in de avond- en of
                        nachtperiode en dergelijke. In de bijzondere situaties kan communicatie
                        ruimte bieden voor lokaalspecifieke oplossingen. Verantwoordelijk voor de
                        communicatie is de verzoeker ontheffing. </al><al/><al>Een goede communicatie met omwonenden grijpt aan op de
                        sociaalpsychologischehinderfactoren in algemene zin. De hinder komt in ieder
                        geval niet onverwacht en er kanzekerheid worden geboden over de duur
                        (bijvoorbeeld: het is maar voor één nacht). Verderkan de bewoner het ‘lawaai
                        ontvluchten’, bijvoorbeeld door eenmalig aan de achterzijde van de woning te
                        gaan slapen of uit logeren te gaan. Naast voorspelbaarheid en
                        beheersbaarheid zijn ook de andere factoren van belang. Als duidelijk wordt
                        gemaakt dat het nodig is om het werk in de nacht uit te voeren, dan wordt de
                        geluidhinder niet als onnodig ervaren. Verder is dan ook duidelijk dat het
                        aannemingsbedrijf zich bekommert om het welzijn van omwonenden, maar dat de
                        nachtelijke geluidhinder onvermijdelijk is. Een goede klachtenregistratie en
                        -afhandeling hoort daar ook bij. Lokaalspecifieke oplossingen kunnen
                        ontstaan in een “evenwichtige wisselwerking” tussen enerzijds bouwheer, dan
                        wel aannemingsbedrijf en anderzijds omwonenden. Door tegemoet te komen in
                        elkaars wensen of wensen tegen elkaar in te ruilen, kan voor meerdere of
                        alle partijen een aanvaardbare, betere situatie worden gerealiseerd. De
                        kanttekening wordt wel geplaatst dat de gemeente, als publieke partij, een
                        dergelijke overeenkomst binnen de juridische mogelijkheden van de APV niet
                        kan afdwingen.</al><al/><al><cursief>Controle op de uitvoering</cursief></al><al>In de ontheffing kunnen weliswaar voorwaarden en voorschriften zijn
                        opgenomen omgeluidhinder te voorkomen of te beperken, maar dan is het nog
                        niet zeker dat ook conform de ontheffing wordt gewerkt. Verder kan een
                        ‘rustige’ manier van werken (‘geen gooi- ensmijtwerk’) moeilijk in
                        richtlijnen worden vastgelegd. Een goede controle op de uitvoering vanhet
                        werk is daarom noodzakelijk. De inzet van bouwmaterieel conform de
                        “Regelinggeluidemissie buitenmaterieel” wordt steekproefsgewijs uitgevoerd.
                        Controlemetingen worden uitgevoerd bij twijfel over de opgegeven
                        geluidniveaus en bij klachten. </al><al/><al><cursief>Normstelling</cursief></al><al>Burgemeester en wethouders hebben de bevoegdheid nadere regels te stellen
                        inzake de hinder door bouw-, sloop- en onderhoudswerkzaamheden. Daartoe zijn
                        ter uitvoering van de APV twee beleidsregels vastgesteld:</al><al>1. Beleidsregels ernstige hinder bouw-, sloop- en onderhoudswerkzaamheden en
                        indieningsvereisten aanvraag ontheffing ex artikel 4:7, tweede lid en
                        artikel 4:7b, eerste lid, van de APV 2009.</al><al>2. Beleidsregels algemene voorschriften bouw-, sloop- en
                        onderhoudswerkzaamheden ex artikel 4:7, derde lid, onder a en b van de APV
                        2009. </al><al/><al><cursief>Jurisprudentie</cursief></al><al>- Weigering ontheffing om voor onbepaalde tijd eens in de twee weken op
                        dinsdag- of donderdagavond van 19.00 tot 21.30 uur luide hardrockmuziek af
                        te spelen op eigen muziekinstallatie, blijft in hoger beroep in stand. Het
                        opnemen van geluidsnormen in de verordening is een zaak van de gemeentelijke
                        wetgever. ABRS 16-12-2002, 200202622/1, LJN-nr. AE8977.</al><al>- Voorlopige voorziening, Vergunning onder voorschriften wordt verleend voor
                        het houden van een besloten buurtfeest voor ongeveer 25 personen. Omvang en
                        karakter van het buurtfeest zijn - naar voorlopig oordeel - dusdanig te
                        achten dat daarvan in redelijkheid geen geluidhinder als bedoeld in artikel
                        4.1.5 van de APV valt te verwachten. Rb Zutphen 05-07-2002, 02/972 VEROR 58,
                        LJN-nr. AE5178.</al><al>- Verlening ontheffing, onder voorschriften, voor het ten gehore brengen van
                        carillonmuziek. Vier keer per dag twee minuten en wekelijks op woensdag- of
                        zaterdagmiddag maximaal 45 minuten. De norm van 75 dB(A) ter plaatse van
                        woningen is niet voldoende onderbouwd. Het uitgangspunt dat het carillon in
                        het winkelgebied moet worden gehoord geeft geen, althans onvoldoende blijk
                        dat de belangen van de appellant, die tussen de toren en het winkelgebied
                        woont, bij de besluitvorming in voldoende mate zijn afgewogen. ABRS
                        12-12-2001, 200102118/1, LJN-nr. AE0239.</al><al>- Het houden van hinderlijke of schadelijke dieren (artikel 2.4.20).
                        Ernstige geluidsoverlast door kikkers in een poel. Het schoonhouden en
                        wellicht bijvullen van een kikkerpoel zal de aanwezigheid van kikkers
                        mogelijk bevorderen, maar dit is onvoldoende om te concluderen dat de
                        buurman kikkers houdt (op grond van artikel 2.4.20) en er de zorg voor heeft
                        (op grond van artikel 4.1.5.1 van de betreffende verordening). Rb
                        ´s-Hertogenbosch, AWB 99/6873 GEMWT, LJN-nr. AD4783.</al><al>- Weigering ontheffing voor geluidversterking bij geloofsverkondiging. Grote
                        zorgvuldigheid bij uitoefening grondrecht. Vz. ARRS 17-8-1990, AB, 1991, 44
                        m.nt.P.J. Boon, GS, 1991 6913, 3 m.nt. E. Brederveld, JG 91.0144 , BF 1991,
                        4 m.nt.J.M.H. de Vettacken.</al><al>- Het aan- of afslaan van een c.v. installatie is niet aan te merken als het
                        verrichten van een handeling in de zin van het APV-artikel. ABRS 3 6 1996,
                        JG 97.0148 . Zie ook Lbr. 97/144.</al><al>- Vergunningverlening voor het ten gehore brengen van mechanische muziek in
                        winkelstraten. Overlast voor omwonenden. ABRS 10-3-1995, JG 95.0206 m.nt.
                        A.B. Engberts.Ontheffing van verbod tot veroorzaken geluidhinder in verband
                        met spelen op trompet. ABRS 7-6-1994, JG 94.0290 .</al><al>- Geluidsvergunning voor feesttent, waarin met ontheffing van burgemeester
                        alcohol wordt geschonken, is gelijk te stellen aan geluidsvergunning voor
                        horeca-inrichting. Vz. ARRS, JG 92.0395 m.nt. L.J.J. Rogier, GS, 1992, 6945,
                        4 m.nt. H.Ph.J.A.M. Hennekens.</al><al>- Weigering vergunning voor rijden met geluidswagen, Wnd. Vz. ARRS
                        2-11-1990, GS, 1992, 6937, 6 m.nt. E. Brederveld.</al><al>- De rechtbank Breda vernietigt het besluit van de gemeente Tilburg om aan
                        het kerkbestuur van de Margarita Mariakerk een dwangsom op te leggen voor
                        het te hard luiden van de kerkklokken om kwart over zeven ‘s ochtends. Naar
                        het oordeel van de rechtbank heeft de gemeente dit besluit ten onrechte
                        gebaseerd op haar Algemene Plaatselijke Verordening (APV). Het kerkbestuur
                        had aangevoerd dat een gemeente niet via de APV een grondrecht – hier het
                        recht op vrijheid van godsdienst – mag beperken. Dit zou alleen mogen via
                        een regeling op grond van de Wet openbare manifestaties. De gemeente Tilburg
                        heeft zo’n regeling niet. Naar het oordeel van de rechtbank kan de gemeente
                        op zich ook wel via andere regelingen handhavend optreden tegen
                        geluidsoverlast door klokgelui. Dit kan echter niet via artikel 110 van de
                        Tilburgse APV, waarop de gemeente zich bij dit besluit had gebaseerd, omdat
                        volgens de rechtbank hier de Wet milieubeheer van toepassing is, zodat het
                        APV-artikel niet geldt. (Rb Breda 26-11-2007, nr. 07/3956 GEMWT, LJN
                        BB8689).</al><al>- Op grond van de APV is ontheffing verleend voor het gebruik van
                        knalapparatuur. Naast de aanvrager zijn onder meer de eigenaren en bewoners
                        van percelen waarop milieugevolgen van deze knalapparatuur kunnen worden
                        ondervonden, belanghebbenden. Een knal afkomstig van de knalapparatuur is
                        waarneembaar op het perceel van appellant. Gelet hierop is aannemelijk dat
                        op het perceel van appellant milieugevolgen van die knalapparatuur kunnen
                        worden ondervonden zodat appellant in zoverre belanghebbende is bij het
                        ontheffingsbesluit. Appellant en het college zijn verdeeld over het antwoord
                        op de vraag of het geluid van de knalapparatuur op het verder afgelegen
                        perceel ook waarneembaar is. Zonder daar naar onderzoek te doen, kan niet
                        worden beoordeeld of appellant in zoverre belanghebbende is bij het
                        ontheffingsbesluit (ABRS25 april 2007, AB Kort 2007, 263). </al></divisie><divisie><kop><label>Afdeling</label><nr>2.</nr><titel>Bodem-, weg- en milieuverontreiniging</titel></kop><al><onderstreept>Artikel 4:8 Straatvegen</onderstreept></al><al>Dit artikel bevat een verkeersbeperkende bepaling. Een dergelijke bepaling
                        moet, gezien het verschil in motief, mogelijk worden geacht naast de
                        wegenverkeerswetgeving. Artikel 2a Wegenverkeerswet 1994 handhaaft
                        uitdrukkelijk de bevoegdheid tot het maken van aanvullende gemeentelijke
                        verordeningen ten aanzien van het onderwerp waarin deze wet voorziet, voor
                        zover deze verordeningen niet in strijd zijn met deze wet. Artikel 4:8
                        beoogt niet een verkeersbelang te dienen, maar heeft een milieumotief. In
                        het bijzonder strekt het ter voorkoming van overlast voor de
                        reinigingsdienst. Bovendien heeft het daarin vervatte verbod slechts
                        betrekking op bepaalde, aangewezen weggedeelten en geldt slechts gedurende
                        bepaalde aangeduide dagen en uren. Het effectueren van de onderhavige
                        maatregel zal plaatselijk verschillend al dan niet problematisch zijn, al
                        naar gelang de beschikbare parkeerruimte schaars is of niet. Het kenbaar
                        maken van het verbod zou, afgezien van de te geven publiciteit in de
                        plaatselijke pers en een schriftelijke kennisgeving huis aan huis, via
                        verplaatsbare borden kunnen geschieden. Een gemeente kan gebruik maken van
                        eigen borden. Gebruikmaking van verkeersborden in de zin van bijlage II van
                        het RVV lijkt ons voor dit doel dubieus. </al><al/><al><cursief>Jurisprudentie</cursief></al><al>- De gemeenteraad is op basis van artikel 149 van de Gemeentewet bevoegd tot
                        het treffen van regelen die andere belangen dan verkeersbelangen beogen te
                        dienen, tenzij deze regels ondanks het afwijkende motief zo diep en zo
                        algemeen ingrijpen in het normale verkeer op wegen dat het stelsel van de
                        Wegenverkeerswet 1994 wordt doorkruist. Zie HR 21 juni 1966, NJ 1966, 417,
                        met noot W.F. Prins (bromfietsenverbod Sneek) en HR 23 december 1980, NJ
                        1981, 171, met noot Th.W. van Veen (rijverbod Schiermonnikoog).
                        </al><al/><al><onderstreept>Artikel 4:9 Natuurlijke behoefte doen</onderstreept> Met het
                        oog op de openbare gezondheid en hygiëne is het verboden op een openbare
                        plaats te poepen en te urineren. </al><al/><al><onderstreept>Artikel 4:10 Toestand van sloten en andere wateren en niet
                            openbare riolen en putten buiten gebouwen</onderstreept> Dit artikel
                        betreft een samenvoeging van de in de Bouwverordening gemeente Vlissingen
                        geschrapte artikelen 334 en 336. Aangezien het hier om bepalingen gaat die
                        niet direct het bouwwerk, maar meer de omgeving betreffen, is tot
                        onderbrenging in de APV besloten. Zie daarover ook Gst. nr. 6849, 14, m. nt.
                        mr. J.M.H.F. Teunissen. </al></divisie><divisie><kop><label>Afdeling</label><nr>3.</nr><titel>Het bewaren van houtopstanden</titel></kop><al>In deze afdeling zijn voorschriften opgenomen met betrekking tot het bewaren
                        van houtopstanden. Het doel van deze bepalingen is daarmee een ander doel
                        dan de wetgever met de Boswet heeft beoogd. De bepalingen van de Boswet
                        richten zich blijkens de memorie van toelichting voornamelijk op de
                        instandhouding van het Nederlandse bosareaal. De voorschriften in deze APV
                        hebben als doel het behoud van waardevolle bomen. Het begrip waardevol is
                        niet te definiëren, maar van belang is de waarde uit een oogpunt van
                        natuurwaarde, landschappelijke waarde, stads- en dorpsschoon, en
                        beeldbepalende waarde. Centraal in de kapvoorschriften staat het verbod
                        houtopstand (voornamelijk bomen) te vellen zonder vergunning van het
                        college. Ter bescherming van de zo-even genoemde belangen kan de vergunning
                        worden geweigerd. Het behoud van waardevolle bomen moet worden afgewogen
                        tegen andere belangen, zoals het belang van degene die tot velling wil
                        overgaan. Worden waardevolle bomen illegaal gekapt of gaan zij door andere
                        oorzaken te gronde, dan kan een herplantplicht worden opgelegd. Ook is het
                        mogelijk een onderhoudsplicht op te leggen, als waardevolle bomen ernstig in
                        het voortbestaan worden bedreigd. Ook hier moet belangenafweging
                        plaatsvinden.</al><al/><al>De voorschriften gelden voor bomen, houtwallen en hakhout binnen en buiten
                        de bebouwde kom van de gemeente. Op grond van de Boswet is de gemeentelijke
                        regelingsbevoegdheid uitgezonderd voor een aantal categorieën van bomen,
                        o.a. wilgen en populieren langs wegen en landbouwgronden, bomen van
                        bosbouwondernemingen, fruitbomen, windschermen om boomgaarden. De
                        model-kapvoorschriften gelden ook niet voor struiken of heesters, al is het
                        mogelijk een lijst van te beschermen strui­ken op te nemen. De Boswet bevat
                        regels met betrekking tot de bewaring van bossen en andere houtopstanden. In
                        de wet is uitdrukkelijk aangegeven dat de aan andere openbare lichamen
                        toekomende bevoegdheden ten aanzien van deze onderwerpen slechts beperkt
                        wordt door hetgeen in de wet nadrukkelijk is bepaald.</al><al/><al>Hoewel het bestemmingsplan het geijkte instrument is voor het stellen van
                        voorschriften met betrekking tot gebruik van gronden en opstallen, is er
                        toch aanleiding aparte voorschriften te stellen ter bescherming van
                        houtopstanden. Bij het opstellen van bestemmingsplannen wordt steeds vaker
                        gestreefd naar een globale opzet en dito voorschriften. Hoewel overwogen kan
                        worden in bijzondere gevallen, in het geval van zeer waardevolle bomen,
                        voorschriften in het bestemmingsplan op te nemen ter bescherming van
                        houtopstand, lijken de onderhavige bepalingen in het algemeen daartoe toch
                        beter geschikt te zijn.</al><al/><al>Vooralsnog moet er op grond van jurisprudentie van worden uitgegaan dat het
                        kapverbod moet wijken voor het recht van de eigenaar van een buurerf om
                        uitroeiing te vorderen krachtens artikel 5:42 van het Burgerlijk Wetboek,
                        als bomen te dicht bij de erfscheiding staan. Hoewel de VNG de
                        model-Bomenverordening van de Bomenstichting te Utrecht en de vakgroep
                        Groen, Natuur en Landschap van de Vereniging Stadswerk Nederland in algemene
                        zin onderschrijft, is gekozen voor integratie van zoveel mogelijk
                        gemeentelijke regelgeving in de APV; de onderhavige bepalingen zijn om die
                        reden in de APV opgenomen. Overigens bestaan er ook inhoudelijke verschillen
                        tussen de voorschriften in dit hoofdstuk van de APV en de
                        model-Bomenverordening. Hier wordt volstaan met de opmerking dat de
                        model-Bomen-verordening op een aantal punten uitgebreider en voor de
                        gemeente dwingender is, met name als het gaat om het hanteren van de
                        boomwaarde, een standaardvoorwaarde van niet-gebruik bij bezwaar en beroep
                        en een verplichting tot het opstellen van een lijst met monumentale bomen.
                        De model-Bomenverordening is opgenomen in de publicatie 'Bomen en wet', mr
                        B.M. Visser, Bomenstichting, vierde geheel herziene druk, 1995.</al><al/><al><cursief>Jurisprudentie</cursief></al><al>- De gemeentelijke kapbepalingen wijken slechts bij uitzondering voor het
                        burenrecht indien zij het beoogde (landschaps)belang niet kan dienen of
                        indien de gemeente in redelijkheid niet tot het handhaven van het kapverbod
                        had kunnen komen. Hof 's-Hertogenbosch 16-5-1986, NJ 1987, 31.</al><al>- Ook de gemeente moet de afstanden uit artikel 5:42 BW in acht nemen.
                        Afwijking van deze afstanden is mogelijk. Indien dit leidt tot schade voor
                        derden behouden deze recht op schadevergoeding. Rb. Roermond 4-5-1995, JG
                        96.0239.</al><al/><al><onderstreept>Artikel 4:11
                        Begripsomschrijvingen</onderstreept></al><al><cursief>Eerste lid, onderdeel a (houtopstand)</cursief></al><al>Houtopstand is het algemene begrip dat de Boswet zelf ook hanteert.
                        Gesproken wordt van 'bossen en andere houtopstanden'; ook de bossen worden
                        dus tot de houtopstanden gerekend. In de Boswet wordt geen
                        begripsomschrijving gegeven van houtopstand en ook niet van hakhout. In
                        artikel 4:11, eerste lid, van de APV wordt ook een houtwal als houtopstand
                        aange­merkt. In het algemeen vallen onder houtwal alle lintvormige
                        begroeiingen van enige uitgestrektheid, bestaande uit bomen en/ of struiken.
                        Het begrip omvat onder andere houtsingels, houtkaden en de Limburgse
                        graften, graven of steilranden. Houtwallen zijn duidelijk omvangrijker dan
                        heg­gen of hagen of de in het tweede lid van artikel 4:12 bedoelde
                        wegbeplantingen en eenrijige beplantingen langs landbouwgronden. Solitaire
                        struiken of heesters vallen niet onder de vergunningplicht. Als struik of
                        heester wordt doorgaans beschouwd ieder houtachtig gewas dat zich direct
                        boven de grond vertakt, daardoor in tegenstelling tot een boom geen echte
                        stam heeft, en in de regel maximaal een hoogte van een paar meter (Van Dale:
                        manshoogte) bereikt. </al><al/><al>Bij het opstellen van de bepalingen is allereerst gedacht aan het bewaren
                        van houtopstand van grote omvang, dat wil zeggen een of meer grote bomen.
                        Immers, vooral van een dergelijke houtopstand kan worden gezegd dat deze
                        visuele of natuurwaarde heeft. Indien de gemeente ook (grote) struiken of
                        heesters wil beschermen, dient dit expliciet in dit artikel te worden
                        vastgelegd. De moeilijkheid is echter dat van struiken niet scherp valt aan
                        te geven welke soorten groot kunnen worden en welke niet. Alleen van bomen
                        staat vast dat zij doorgaans fors uitgroeien. Het begrip houtopstand is dan
                        ook in eerste instantie beperkt tot bomen. Daaronder vallen ook bomen van
                        (nog) onbetekenende omvang, omdat anders jonge boompjes, aangeplant in het
                        kader van een herplantplicht, vrijelijk zouden kunnen worden omgehakt. Dit
                        betekent dat een klein boompje wel en een grote, boomachtige struik geen
                        bescherming geniet. Indien dit als ongewenst wordt beschouwd, kan dit worden
                        opgelost door aan de omschrijving van houtopstand een lijst toe te voegen
                        van potentieel omvangrijke struiken, bij voorbeeld: meidoorn, sleedoorn,
                        braam, hulst, hazelaar, vlier e.d. Voorts valt griendhout (Van Dale:
                        (wilge)hakhout dat groeit langs de rivieren, ook genoemd in artikel 1, derde
                        lid, van de Boswet) niet onder de model-bepalingen. Vermoedelijk zullen maar
                        enkele gemeenten behoefte hebben aan regels daarvoor. </al><al/><al>Een dode boom is in juridische zin soms geen boom. De bepalingen in dit
                        hoofdstuk zijn echter in beginsel ook van toepassing op dode bomen. Een dode
                        boom kan bovendien van grote natuurwetenschappelijke of beeldbepalende
                        waarde zijn. Anderzijds kan een dode boom juist gevaar opleveren,
                        bijvoorbeeld voor het verkeer. </al><al><cursief>Jurisprudentie</cursief></al><al>- Dode boom soms geen boom. Pres. Rb Den Bosch 15-6-1992, NJKort 1992,
                        59</al><al>- Definitie van het begrip 'dunning' HR 18-6-1985, MR 1986/1, NJ 1986, 183. </al><al>- Dunning is 'vergunningvrij', maar in een kapvergunning moet een limiet
                        worden opgenomen om te voorkomen dat meer gekapt wordt dan de bedoeling is
                        Vz. ABRS, 13-11-1992, AB 1993, 184.</al><al/><al><onderstreept>Artikel 4:12 Omgevingsvergunning voor het vellen van
                            houtopstanden</onderstreept> Artikel 4:12 geeft de werkingssfeer van de
                        regeling aan. De regeling geldt zowel binnen als buiten de bebouwde kom. De
                        vergunning voor het vellen van houtopstanden is aangewezen in artikel 2.2,
                        eerste lid onder g. van de Wabo. Vaak zal naast de vergunning nog een
                        vergunning, ontheffing of vrijstelling op grond van de Natuurbeschermingswet
                        of de Flora- en Faunawet nodig zijn in verband met de bescherming van vogels
                        en hun nesten in de bomen. De Natuurbeschermingswet en Flora- en Faunawet
                        haken aan bij de Wabo. Er wordt dan dus één omgevingsvergunning verleend of
                        geweigerd. De Boswet haakt echter niet aan bij de Wabo. Indien die van
                        toepassing is, blijft dus een aparte vergunning vereist. </al><al/><al>In de Ministeriële regeling omgevingsrecht (Mor, Staatscourant 2010-5162)
                        zijn indieningsvereisten voor de aanvraag van een omgevingsvergunning
                        opgenomen. Naast een aantal algemene indieningsvereisten (zie daarvoor de
                        toelichting bij artikel 1:2 van de APV) zijn er in artikel 7.3 van de Mor
                        nog een aantal speciale indieningsvereisten voor het vellen van
                        houtopstanden opgenomen. Dit artikel 7:3 luidt als volgt:In of bij de
                        aanvraag om een vergunning voor een activiteit, als bedoeld in artikel 2.2,
                        eerste lid, aanhef en onder g, van de wet, identificeert de aanvrager op de
                        aanduiding als bedoeld in artikel 1.3, tweede lid, van deze regeling iedere
                        houtopstand waarop de aanvraag betrekking heeft met een nummer. In of bij de
                        aanvraag, als bedoeld in het eerste lid, vermeldt de aanvrager per
                        genummerde houtopstand:de soort houtopstand;de locatie van de houtopstand op
                        het voor-, zij- dan wel achtererf;de diameter in centimeters, gemeten op
                        1,30 meter vanaf het maaiveld;de mogelijkheid tot herbeplanten, alsmede het
                        eventuele voornemen om op een daarbij te vermelden locatie tot herbeplanten
                        van een daarbij te vermelden aantal soorten over te gaan.</al><al/><al><cursief>Jurisprudentie</cursief></al><al>- Met het kappen van bomen in het kader van bouwactiviteiten waarvoor de
                        (bouw)vergunning niet in stand blijft, wordt geen belang meer gediend. ABRS
                        5-2-1996, JU 971031 (in VNG databank opgenomen)</al><al>- Voor een solitaire vruchtboom is geen kapvergunning vereist (Kb 24 oktober
                        1986, nr. 43, M en R 1987/8. </al><al>- Weigering kapvergunning vanwege belang voor recreatie en leefbaarheid niet
                        mogelijk als het motief van de van toepassing zijnde kapverordening niet
                        verder strekt dan behoud van natuur-, landschaps-, dorps- of stadsschoon (KB
                        19-10-1976, TMR 1977, AB 1977)</al><al>- Een op de stam van een Japanse sierkers geënte morellenboom is een
                        vruchtboom. KB 24/10/1­986, M en R 1987/8.</al><al>- Vraag is of het deel van de delictsomschrijving 'anders dan bij wijze van
                        dunning' bestanddeel is van een strafbaar feit. HR 18/6/1985, MenR 1986/1,
                        NJ 1986, 183, zie ook model-kapverordening 1962 en 1979.</al><al>- Belanghebbende. Het beroep is gericht tegen de kapvergunning die is
                        verleend voor het kappen van 12 iepen op de Dam in Amsterdam. Verzoekster 1
                        woont nabij de Dam, maar heeft hier vanuit haar woning geen zicht op. Niet
                        is gebleken dat het bestreden besluit een directe invloed heeft op de
                        woonomgeving van verzoekster. De omstandigheid dat zij van en naar haar
                        woning een route volgt die via de Dam loopt is niet zodanig specifiek dat
                        daaruit een rechtstreeks bij het besluit betrokken belang voortvloeit.
                        Verzoeker 2 heeft principiële bezwaren tegen het kappen van bomen die van
                        ecologische aard zijn. De mogelijkheid om voor dergelijke belangen op te
                        komen kan echter niet aan verzoekers statutaire doelstelling worden
                        ontleend. Hetzelfde geldt voor het beroep op economische belangen. Zowel
                        verzoekster 1 als verzoeker 2 kunnen dan ook niet als belanghebbende in zin
                        van artikel 1:2 Awb worden beschouwd (pres. Rb Amsterdam 03-11-00, JB 2000,
                        nr. 340).</al><al>- Wabo 2.2 eerste lid aanhef en onder g, 2.18 APV Boxtel;
                        omgevingsvergunning. Kappen bomen. Indien op grond van de bij de aanvraag
                        verstrekte gegevens en bescheiden aannemelijk is dat de aanvrager eigenaar
                        is van de bomen kan van verweerder niet worden verlangd zelfstandig,
                        diepgaand onderzoek te verrichten naar de eigendomsverhoudingen. Verweerder
                        is niet in staat omtrent de eigendomsverhoudingen een bindend oordeel te
                        doen vellen. Slechts de burgerlijke rechter is daartoe bevoegd.
                        Voorzieningenrechter Rb. 's-Hertogenbosch, 08-04-2011, AWB 11/762 LJN:
                        BQ0825</al><al>- Ontvankelijkheid aanvrager, zakelijk recht; artikel 4.5.3. APV
                        Leidschendam. Zoals de Afdeling in deze zaak eerder heeft overwogen
                        (uitspraak van 7 november 2007 in zaak nr. <extref doc="http://www.raadvanstate.nl/uitspraken/zoeken_in_uitspraken/zoekresultaat/?verdict_id=18673">200702918/1</extref>) heeft de vergunninghouder als
                        appartementseigenaar van de benedenwoning recht op het uitsluitend gebruik
                        van de tuin en verder toebehoren, waaronder de met de grond verenigde bomen,
                        wat ertoe leidt dat hij een aanvraag als bedoeld in artikel 4.5.3, eerste
                        lid, van de APV kon indienen. Met deze uitspraak staat in rechte vast dat de
                        aanvrager gerechtigd was de kapvergunning aan te vragen. De rechtbank is
                        hiervan terecht uitgegaan. Hetgeen [appellant] heeft aangevoerd over de
                        inbreuk op het eigendomsrecht van de vereniging en haar leden alsmede over
                        het niet voldoen aan de op het aanvraagformulier gestelde vereiste van
                        toestemming van de eigenaar, komt neer op een herhaling van hetgeen hij in
                        de eerdere procedure naar voren heeft gebracht en door de Afdeling is
                        verworpen. Dit kan thans niet meer aan de orde worden gesteld. Van strijd
                        met artikel 6 van het EVRM is geen sprake (ABRS 9 december 2009, LJN
                        BK5828).</al><al/><al><onderstreept>Artikel 4:13 Weigering en
                        herplantplicht</onderstreept></al><al><cursief>Eerste lid (weigering)</cursief></al><al>Over de afweging van belangen is inmiddels uitgebreide jurisprudentie
                        ontstaan, die in het algemeen positief uitwerkt voor het behoud van bomen.
                        Onder meer blijkt dat bomen niet zonder meer moeten wijken voor economische
                        belangen, zoals het beter bewerkbaar zijn van akkers of het voorkomen van
                        water- en voedselonttrekking of schaduwwerking. Niet alleen de visuele
                        eigenschappen, maar ook andere kwaliteiten van een houtopstand kunnen
                        aanleiding geven tot het weigeren van een kapvergunning. In de
                        jurisprudentie worden als toetsingscriteria onder andere aangetroffen:</al><al>- natuurwaarde</al><al>- landschappelijke waarde</al><al>- waarde voor stads- en dorpsschoonbeeldbepalende waarde</al><al>- cultuurhistorische waarde</al><al>- waarde voor leefbaarheid </al><al/><al>Aan de hand van deze criteria kan bijvoorbeeld rekening worden gehouden
                        met:</al><al>- de recreatieve waarde van een opzichzelf lelijke klimboom, die bij de
                        jeugd als speelobject waardering ondervindt;</al><al>- de belevingswaarde van houtopstand vanuit cultuurhistorisch of
                        planologisch oogpunt of wegens ouderdom of situering;</al><al>- de natuurwetenschappelijke betekenis van houtopstand, bijvoorbeeld doordat
                        daarop zeldzame epifytische of terrestrische planten groeien, hetzij hogere
                        planten dan wel mossen of korstmossen, de luchtzuiverende kwaliteiten, de
                        invloed op de bodemhuishouding en het microklimaat en de nestel- of
                        schuilgelegenheid voor bepaalde diersoorten. </al><al/><al>Voor de beoordeling van deze eigenschappen kunnen van belang zijn de (stam)
                        omvang van de boom, de plantwijze (alleenstaand of in groepen), de
                        standplaats (tussen de bebouwing of in het buitengebied), de soort
                        (snelgroeiend of langzaam groeiend). Deze begrippen zijn niet nauwkeurig te
                        omschrijven. De hier gegeven opsomming is bovendien niet uitputtend. Wel zal
                        elke keer weer een afweging moeten worden gemaakt van alle betrokken
                        belangen. Een kapvergunning zal bijvoorbeeld in het algemeen moeten worden
                        verleend, wanneer:</al><al>- het gaat om het vellen van de houtwallen waarvan het gebruikelijk is dat
                        deze bij gedeelten periodiek worden 'afgezet', dat wil zeggen, geveld om een
                        geleidelijke verjonging mogelijk te maken;</al><al>- het gaat om het vellen van een waardevolle boom die een ernstig gevaar
                        vormt voor de openbare veiligheid, bij voorbeeld wegens het risico van
                        omwaaien of het belemmeren van het uitzicht voor het verkeer;</al><al>- de bezwaren, die de bewoners van woningen ondervinden wegens het
                        belemmeren van licht en lucht, de vochtigheid van de woning, het verstopt
                        raken van goten, enz., zwaarder wegen dan de waarde van de houtopstand;</al><al>Verder moet gedacht worden aan een beleid op lange termijn. Het is beter
                        bepaalde houtopstanden geleidelijk te vernieuwen en te verjongen, dan op een
                        kwade dag voor het onontkoombare feit te staan dat die houtopstanden geheel
                        moeten worden 'afgeschreven'. Een al te starre toepassing van dit artikel
                        kan fnuikend zijn voor de bereidheid van de burger om uit eigen beweging
                        bomen aan te planten: hij zou immers terecht kunnen vrezen 'er voor eeuwig
                        aan vast te zitten'.</al><al/><al><cursief>Tweede lid (herplantplicht)</cursief></al><al>Blijkens de jurisprudentie mag een herplantplicht ook na strafrechtelijk
                        optreden nog worden opgelegd. Voorts mag een herplantplicht inhouden dat er
                        meer bomen of zelfs struiken worden geplant dan er eerst waren. Herstel in
                        de vorige toestand kan ook betekenen het laten uitvoeren van zodanige
                        maatregelen dat de vorige toestand zoveel mogelijk wordt benaderd en indien
                        niet anders mogelijk zelfs pas na verloop van tijd. Wanneer een
                        herplantplicht alleen maar als vergunningsvoorschrift zou kunnen worden
                        gesteld, dan zou dat betekenen dat iemand aan de oplegging van een
                        herplantplicht kan ontkomen door zonder vergunning te vellen. De in artikel
                        4:16a, eerste lid, opgenomen bepaling maakt het mogelijk in zulke gevallen
                        een zelfstandige herplantverplichting te scheppen. Het in het eerste lid
                        opgenomen 'dan wel op andere wijze teniet is gegaan' maakt het mogelijk dat
                        het college ook een verplichting tot herplantplicht kan opleggen, als de
                        houtopstand teniet is gegaan door verwaarlozing of door een calamiteit. </al><al/><al>Oplegging van een herplantplicht is in beginsel ook denkbaar, als
                        houtopstand teniet is gegaan door een velling ingevolge de Planteziektenwet
                        dan wel op grond van (andere) bepalingen van de APV, bij voor­beeld in
                        verband met de verkeersveiligheid. Gebleken is dat voor het uitvoeren van de
                        herplantplicht soms ook de medewerking van anderen dan de zakelijk
                        gerechtigde noodzakelijk is. Daarom is aansluiting gezocht bij de
                        omschrijving van artikel 14, eerste lid, van de Woningwet: aanschrijvingen
                        kunnen worden gericht tot de eigenaar 'of tot degene die uit anderen hoofde
                        tot het treffen van voorzieningen bevoegd is'. Deze toevoeging is ook van
                        belang voor gemeenten waar zich kroondomeinen bevinden. De herplantplicht
                        kan dan worden opgelegd aan degene die 'krachtens enig duurzaam persoonlijk
                        recht' tot het treffen van voorzieningen bevoegd is. Ook in de Boswet komt
                        een herplantplicht voor. Artikel 3 van de Boswet verplicht de eigenaar van
                        grond, waarop een houtopstand anders dan bij wijze van dunning is geveld of
                        op andere wijze teniet gegaan, tot herbeplanting. Artikel 3 van de Boswet
                        geeft daarvoor nadere regels. De herplantplicht die in artikel 4:13, tweede
                        lid is neergelegd, verschilt van de herplantplicht van de Boswet. De
                        herplantplicht in deze bepaling geldt niet zonder meer, maar pas wanneer het
                        college daar­toe besluit. De herplantplicht van de Bos­wet bestaat uit
                        kracht van de Boswet zelf. De herplantplicht heeft in deze bepaling
                        bovendien een andere strekking dan in de Boswet: in de wet is zij gericht op
                        het behoud van het bosareaal (vandaar dat herplanten elders mogelijk is),
                        terwijl herbeplanting krachtens de modelbepalingen geschiedt om redenen van
                        behoud van natuur- of landschapswaarde, stads- en dorpsschoon of
                        beeldbepalende waarde en daardoor vaak zoveel mogelijk ter plaatse moet
                        gebeuren. Hieruit volgt dat een herplantplicht slechts opgelegd kan worden,
                        wanneer hieruit een herstel van de verloren waarden kan voortkomen.
                        </al><al/><al><cursief>Jurisprudentie</cursief></al><al>- Plaats waar tot herbeplanting moet worden overgegaan moet op een tekening
                        worden aangegeven. ARRS 17-5-1992, JG 92.045­8, AB 1992, 600.</al><al>- Bevel tot strafvervolging tegen gemeente wegens overtreding van kapverbod.
                        Voorbeeldfunctie van gemeente t.a.v. naleven van eigen verordeningen.
                        Herplantplicht. Hof Leeuwarden 6-6-1995, MenR 1996, 4.</al><al>- Aan bevoegdheid tot opleggen van herplantplicht kan belang van behoud van
                        landschapsschoon ten grondslag liggen. Rb Roermond, 27-9-1996, JB 1996,
                        225.</al><al>- Besluit tot herplantplicht van 25 inheemse bomen. De Boswet strekt tot het
                        bewaren van bossen en andere houtopstanden, hetgeen, kort gezegd betrekking
                        heeft op de hoeveelheid bomen. Afdeling 3 van hoofdstuk 4 van de APV sterkt
                        tot bescherming van natuur- en milieuwaarden van stads- en dorpsschoon en
                        voor recreatie en leefbaarheid. De Boswet strekt derhalve tot bescherming
                        van andere belangen dan die waarop bedoelde bepalingen van de APV betrekking
                        hebben. Aangezien de aan appellante opgelegde herplantplicht geen betrekking
                        heeft op in artikel 15, tweede lid, Boswet genoemde houtopstanden en de
                        bomen geen deel uitmaken van een in het derde lid bedoelde
                        bosbouwonderneming worden de aan het college toekomende bevoegdheden vervat
                        in afdeling 3 niet beperkt in de zin van artikel 15, eerste lid, Boswet
                        (ABRS 11-01-2006, JB 2006, 57 en Gst. 2006, 170 (LJN: AU9409)</al><al>- Ten onrechte aan leeftijd, gezondheidstoestand en landschappelijke waarde
                        de voorkeur gegeven boven het gevaar en de hinder voor de aanvrager van een
                        kapvergunning. ABRS 16-11-1994, AB 1995, 181, JG 95.0246.</al><al>- Bij belangenafweging moet ernstige overlast van boom prevaleren boven
                        beeldbepalende waarde. ABRS 18-7-1995, G06.93.1783, JU 961108 (in
                        VNG-databank opgenomen).</al><al>- Zolang onvoldoende zekerheid bestaat over het plan in het kader waarvan
                        bomen zullen worden gerooid, is een kapvergunning niet op zijn plaats. JG
                        91.0192.</al><al>- De eigenaar van een naburig erf kan krach­tens artikel 5:42 BW
                        verwijdering vorderen van bomen die geplant zijn binnen twee meter (tenzij
                        ingevolge een gemeentelijke verordening of een plaatselijke gewoonte een
                        kleinere afstand is toegelaten) van de erfafscheiding. ARR 26-11-1992,
                        R03.92.5088/P90, S03.92.3873; eerder: KB 23-10-1976, AB 1977.</al><al>- Belanghebbende; mevrouw Kiki-criterium: Volgens het zichtcriterium zijn
                        appellanten geen belanghebbenden bij een kapvergunning voor ruim 1000 bomen
                        in een park. Desondanks kan een eigen, persoonlijk belang van een natuurlijk
                        persoon bij een besluit tot verlening van een kapvergunning zijn betrokken.
                        Dat kan het geval zijn als de kap op andere wijze een directe invloed heeft
                        op de woonomgeving. De te kappen bebossing heeft ingevolge politieke
                        besluitvorming sinds 1974 een wijkfunctie als extra groenvoorziening voor de
                        bewoners van een aanpalende wijk. Nu appellanten daar woonachtig zijn en
                        hebben gesteld regelmatig gebruik te maken van het parkje, dat door de kap
                        grotendeels zal verdwijnen, zijn zij toch belanghebbenden. (ABRS 29-08-2000,
                        AB 2000, nr. 477)</al><al>- Ook zonder uitdrukkelijke bepaling kan een herplantplicht worden opgelegd
                        en kunnen daarbij aanwijzingen worden gegeven of een termijn gesteld. KB
                        5-2-1971, OB 1972, XVIII.3, nr. 32633 (Beilen).</al><al>- Verbinden van voorwaarde aan kapvergun­ning dat per gevelde boom een
                        be­paald bedrag in een Bomenfonds moet worden gestort is aanvaardbaar. ABRS
                        1-2-1995, BR 1996, 151 en JG 95.0172.</al><al>- Toepassen methode-Raad bij berekening waarde gevelde houtopstand en
                        vaststelling omvang en plaats van herplantplicht niet onredelijk. ABRS
                        15-9-1994, AB 1994,692.</al><al>- In het kader van de oplegging van een herplantplicht moet de boomsoort
                        expliciet worden omschreven; advies in rechte niet afdwingbaar. ABRS
                        5-2-1996, JG 96.0202.</al><al>Voorwaarde, inhoudend dat van vergunning pas gebruik mocht worden gemaakt,
                        indien en zodra Kroon met beoogde wegaanleg zou instemmen, in belang van
                        natuur- en landschapsschoon, welke belangen kapverordening beoogde te
                        dienen. ARRS 9-12-1980, AB 1981, 169.</al><al/><al><onderstreept>Artikel 4:14 Waardevolle bomenlijst </onderstreept></al><al> In het kader van de WABO is een groot aantal vergunningen op het gebied van
                        bouwen, ruimtelijke ordening en milieu in één omgevingsvergunning
                        samengevoegd. Het gaat onder andere om de kapvergunning. Jaarlijks worden in
                        Vlissingen gemiddeld 23 kapvergunningen aangevraagd, waarvan bijna alle
                        aanvragen worden gehonoreerd. In het kader van vermindering regelgeving
                        wordt het aantal bomen waarvoor dit geldt verminderd. De bomen waarvoor een
                        vergunning moet worden aangevraagd worden beperkt tot een vastgestelde lijst
                        (groene kaart). Deze kaart wordt iedere vijf jaar geactualiseerd. </al><al/><al>Op de bomenlijst komen zowel gemeentelijke als particuliere bomen te staan
                        met:</al><al>• de natuurwaarde van de houtopstand</al><al>• de landschappelijke waarde van de houtopstand</al><al>• de waarde van de houtopstand voor stads- en dorpsschoon</al><al>• de beeldbepalende waarde van de houtopstand</al><al>• de cultuurhistorische waarde van de houtopstand</al><al>• de waarde voor de leefbaarheid van de houtopstand</al><al>• dendrologische waarde</al><al>• toekomstboom </al><al/><al>Deze criteria worden ook op dit moment, passend binnen het
                        groenstructuurplan, als toetsingscriteria gehanteerd bij het al dan niet
                        verlenen van een kapvergunning. De bomen die op de bomenlijst komen te
                        staan, vallen onder dezelfde criteria als de criteria waaraan op dit moment
                        de kapvergunningen worden getoetst. Het betreft geen beleidswijziging maar
                        een andere werkwijze in het kader van de WABO. De toetsing vindt vooraf
                        plaats. Dit verhoogt de transparantie van het gemeentelijk beleid. De
                        concept-bomenlijst wordt in nauw overleg met belangenorganisaties opgesteld.
                        Eigenaren van op de lijst voorkomende bomen worden schriftelijk
                        geïnformeerd. Daarna wordt deze concept-bomenlijst / groene kaart in de
                        inspraak gebracht. Door deze manier van opstellen wordt het risico van een
                        onvolledige lijst voorkomen. Ook wordt de lijst bij inwoners onder de
                        aandacht gebracht. Door het werken met een vastgestelde bomenlijst wordt, op
                        basis van ervaringen uit voorgaande jaren, verwacht dat er ongeveer vijf
                        kapvergunningen per jaar aangevraagd zullen worden (Zie ook collegebesluit
                        van 15 juni 2010, registratienummer 367218). </al><al/><al><onderstreept>Artikel 4:15 Bestrijding iepziekte</onderstreept></al><al>Op 1 januari 1991 verviel de door het ministerie van landbouw, natuurbeheer
                        en visserij gecoördineerde iepziektebestrijding. Het ministerie acht de
                        ziekte beheersbaar, omdat ten gevolge van de aanpak de infectiedruk op een
                        laag niveau is gebracht. De iepziekte ontstaat doordat een schimmel de
                        houtvaten, de stam en de takken verstopt. Hierdoor wordt de sapstroom tussen
                        de wortels en de boom verstoord en krijgen de bladeren geen voedingsstoffen
                        en water meer. De boom is dan ten dode opgeschreven. Dit proces kan zich
                        binnen enkele weken voltrekken. De schimmel wordt overgebracht door de
                        iepenspintkever. De kevers leggen hun eitjes onder de schors van zieke of
                        dode iepen. De jonge kevers vliegen naar gezonde bomen in de buurt, die
                        zodoende worden aangetast. Soms dragen de wortels zonder tussenkomst van de
                        kever, de schim­mel aan elkaar over.</al><al/><al>Verspreiding van de iepenspintkever is tegen te gaan door ziek of dood
                        iepenhout in de periode mei t/m augustus binnen één maand te vernietigen.
                        Iepenhout afkomstig van najaars- en voorjaarsstormen moet voor 1 mei zijn
                        vernietigd. Om de ziekte tegen te gaan is het noodzakelijk alle iepen, zowel
                        op particuliere terreinen als op publiekrechtelijk beheerde terreinen
                        tweemaal per groeiseizoen te controleren op de aanwezigheid van de
                        ziekte.</al><al/><al>In artikel 4:12, tweede lid, onder g is de opheffing van het kaperbod
                        geregeld indien sprake is van een aanschrijving die leidt tot het vellen van
                        een boom. In 1994 zijn er ca. 20.000 iepen verloren gegaan door de iepziekte
                        (Mogelijkheden voor het behoud van de iep in Nederland, J.L. Guldemond,
                        IBN-DLO, IBN-rapport 158, 1995). De Bomenstichting schat in dat in 1995 ca.
                        40.000 iepen verloren zijn gegaan door de iepziekte. De bij de bestrijding
                        van de iepziekte betrokken organisaties (waaronder de Bomenstichting, het
                        ministerie van LNV, de Vereniging Stadswerk, de Groenraad en enkele
                        gemeenten) plegen overleg in het Iepen Beraad. De VNG is geen deelnemer aan
                        het Iepenberaad maar onderschrijft wel de doelstelling van coördinatie van
                        de bestrijding van de iepziekte. De verantwoordelijkheid voor bestrijding
                        van de iepziekte ligt voornamelijk bij gemeenten. Die verantwoordelijkheid
                        krijgt vorm door een consequente uitvoering en handhaving van dit
                        voorschrift. </al><al/><al><onderstreept>Artikel 4:15a Verbod bevestigen voorwerpen in of aan
                            bomen</onderstreept></al><al>Het bevestigen van voorwerpen in of aan bomen kan de bomen ontsieren en
                        ernstig beschadigen. Bijv. een touw dat om een tak wordt geknoopt en dat
                        niet tijdig wordt losgeknoopt kan na verloop van tijd en schors indrukken,
                        waardoor de tak zal afsterven en onverwacht naar beneden kan komen. Dit
                        soort gevaarlijke situaties moet worden voorkomen. </al><al/><al/></divisie><divisie><kop><label>Afdeling</label><nr>4.</nr><titel>Maatregelen tegen ontsiering en stankoverlast</titel></kop><al><onderstreept>Artikel 4:16 Opslag voertuigen, vaartuigen, mest, afvalstoffen
                            enz.</onderstreept> Deze bepaling verschaft een basis voor het treffen
                        van maatregelen tegen een uit oogpunt van welstand en bescherming van de
                        openbare gezondheid ontoelaatbare opslag van bromfietsen en caravans e.d.,
                        en landbouwproducten . Het college is bevoegd bepaalde plaatsen aan te
                        wijzen waar deze opslag verboden is c.q. aan bepaalde regels gebonden is. De
                        opslag van afvalstoffen wordt geregeld in artikel 31 van de
                        Afvalstoffenverordening gemeente Vlissingen. Artikel 25, sub c, Wet
                        milieubeheer biedt hier uitdrukkelijk de basis voor. Een autowrak is per
                        definitie een afvalstof. Deze bepaling ziet niet op handelingen die
                        plaatsvinden op de “weg” in de zin van de wegenverkeerswetgeving. Deze
                        afbakening is aangebracht omdat voor zover de in deze bepaling genoemde
                        activiteiten plaatsvinden op de “weg” daartegen kan worden opgetreden op
                        basis van andere in deze verordening opgenomen voorschriften. De in de
                        afdeling 5.1 “Parkeerexcessen” opgenomen artikelen bevatten onder meer
                        bepalingen ten aanzien van het plaatsen of hebben op de weg van
                        niet-rijklare voertuigen en voertuigwrakken, het gebruik van de weg als
                        stallingsruimte voor auto’s door garagebedrijven e.d. en het parkeren van
                        caravans e.d.</al><al/><al><cursief>Afbakening</cursief></al><al>Door in het eerste lid de zinsnede “buiten een inrichting in de zin van de
                        Wet milieubeheer” op te nemen wordt de afbakening met de Wet milieubeheer
                        direct vastgelegd. Hierdoor vervalt in het vierde lid de afbakening met de
                        Wet milieubeheer. </al><al/><al><onderstreept>Artikel 4:17 Verbod hinderlijke of gevaarlijke
                            handelsreclame</onderstreept><cursief>Algemeen</cursief></al><al>Vanwege de vereenvoudiging van vergunningen en de vermindering van
                        administratieve lasten is het oude artikel 4.4.2 APV ingrijpend herzien. Dat
                        houdt in dat de reclamevergunning geheel is verdwenen en vervangen door een
                        algemene regel die verbiedt om door middel van een reclame het verkeer in
                        gevaar te brengen of hinder dan wel overlast te veroorzaken voor omwonenden.
                        De gedachte daarachter is dat voor een reclame van enige omvang of betekenis
                        doorgaans een bouwvergunning nodig is, waardoor al aan de welstand kan
                        worden getoetst. Een reclame waardoor het verkeer in gevaar wordt gebracht
                        of overlast wordt veroorzaakt voor omwonenden komt relatief zo weinig voor
                        dat het moeilijk valt te rechtvaardigen om voor die gevallen een
                        vergunningplicht voor alle reclames in stand te houden. </al><al/><al>Waar de ervaring is dat reclame niet of nauwelijks problemen oplevert en via
                        de bouwvergunningen afdoende kan worden geregeld, kan het daarbij laten. Ter
                        bevordering van deregulering en het aanbrengen van meer systematiek in de
                        APV zijn twee artikelen in Hoofdstuk 1 opgenomen. Artikel 1:7 bepaalt dat de
                        vergunning voor onbepaalde tijd geldt en artikel 1:8 bevat de algemene
                        weigeringsgronden die bij elke vergunning kunnen worden gehanteerd tenzij de
                        aard van de vergunning zich daartegen verzet. Zie voor meer informatie de
                        toelichting bij de betreffende artikelen Handelsreclame is gedefinieerd in
                        artikel 1:1, aanhef en onder g, van de APV als: elke openbare aanprijzing
                        van goederen of diensten, waarmee kennelijk beoogd wordt een commercieel
                        belang te dienen. Onroerende zaken zijn volgens het artikel 3:3, eerste lid,
                        van het Burgerlijk Wetboek onder meer de grond, de met de grond verenigde
                        beplantingen en de gebouwen en werken die duurzaam met de grond zijn
                        verenigd. </al><al/><al><cursief>Reclame en de vrijheid van meningsuiting</cursief></al><al>In het begrip handelsreclame ligt besloten dat het in artikel 4:18 gaat om
                        niet-ideële reclame, waarbij geen gedachten of gevoelens worden geopenbaard.
                        Zie ook de toelichting bij artikel 1:1, aanhef en onder g (handelsreclame).
                        Volgens vaste jurisprudentie behoren reclame-uitingen in de commerciële
                        sfeer niet tot het eigenlijke gebied van de vrijheid van meningsuiting als
                        bedoeld in artikel 7 van de Grondwet. Artikel 4:17 is daarom niet in strijd
                        met artikel 7 van de Grondwet. In artikel 7, vierde lid, van de Grondwet
                        wordt de handelsreclame met zo veel woorden van de vrijheid van drukpers
                        uitgezonderd. </al><al/><al>De volgende vraag is of artikel 4:18 ook in overeenstemming is met de
                        artikelen 10 EVRM en 19 IVBP. De bescherming van het recht op vrije
                        meningsuiting strekt zich in deze artikelen mede uit tot reclame. Deze vraag
                        kan bevestigend worden beantwoord. Allereerst is het de vraag of artikel 10
                        EVRM überhaupt wel toeziet op zuivere handelsreclame. Weliswaar heeft de
                        Hoge Raad dit in algemene zin gesteld in een uitspraak van 13 februari 1987
                        (NJ 1987, 899), het Europese Hof heeft zich hierover nog niet eenduidig
                        uitgesproken (zie onder andere EHRM 24 februari 1994, NJ 1994, 518). Wel mag
                        er op grond van arresten van het Europese Hof vanuit worden gegaan dat de
                        bescherming ten aanzien van commerciële reclame minder ver gaat dan de
                        bescherming ten aanzien van andere uitingen gelet op de strekking van het
                        verdrag. Echter, ook indien er vanuit wordt gegaan dat alle handelsreclame
                        onder artikel 10 EVRM en artikel 19 IVBPR valt, zijn beperkingen mogelijk
                        zolang deze voorzien zijn bij wet. Naar algemeen wordt aangenomen worden
                        hieronder ook gemeentelijke verordeningen verstaan. Daarnaast dienen de
                        beperkingen noodzakelijk te zijn in een democratische samenleving ter
                        bescherming van de in de artikel 10 EVRM en artikel 19 IVBP genoemde
                        belangen. Hieronder vallen onder andere het voorkomen van wanordelijkheden
                        en de bescherming van rechten van derden. De rechtspraak lijkt deze visie te
                        bevestigen. In een uitspraak van 23 december 1994 stelt de ABRS in een zaak
                        waarin een driehoeksreclamebord wordt geweigerd dat artikel 10 EVRM en
                        artikel 19 IVBP alleen in het geding zijn als de verspreiding van reclame zo
                        zeer aan banden zou zijn gelegd dat de vrijheid om reclame te maken zelf zou
                        worden aangetast (JG 95.0207, AB 1995, 163). Ook is in een uitspraak van de
                        Hoge Raad over een aanplakverbod zonder schriftelijke toestemming van de
                        rechthebbende bepaald dat dit niet in strijd is met artikel 10 EVRM en 19
                        IVBP aangezien het verbod bij wet is voorzien en noodzakelijk in een
                        democratische samenleving ter voorkoming van wanordelijkheden en ter
                        bescherming van rechten van derden (HR 1 april 1997, NJ 1997, 457). </al><al/><al>Het voorgaande betekent dat zolang niet in een absoluut verbod, te absolute
                        beperkingen of restrictief beleid is voorzien en er een duidelijke noodzaak
                        voor de beperkingen bestaat, zodanig dat er feitelijk een mogelijkheid van
                        enige betekenis van het middel van bekendmaking overblijft, beperkingen
                        mogelijk blijven.</al><al/><al><cursief>Jurisprudentie</cursief></al><al>- Wanneer sprake is van een bouwwerk als bedoeld in artikel 1, eerste lid,
                        van de Woningwet, is de Woningwet van toepassing en geldt mitsdien, gezien
                        het bepaalde in artikel 4.7.2, derde lid, van de APV, het in het eerste lid
                        van dit artikel gestelde verbod niet. Nu in dit geval de Woningwet van
                        toepassing is, heeft het college zich terecht op het standpunt gesteld dat
                        naast de door hen verleende bouwvergunning voor de oprichting van de
                        reclamezuil niet ook een reclamevergunning als bedoeld in artikel 4.7.2 van
                        de APV is vereist. Zij hebben dan ook terecht het verzoek om toepassing van
                        bestuursdwang ten aanzien van de dubbelzijdige lichtreclamezuil afgewezen.
                        ABRS 13-11-2002, GS, 2003, 7180, 34 m.nt. J.Teunissen.</al><al>- Het college heeft ten onrechte niet getoetst aan het bepaalde in het derde
                        lid. Niet is gebleken dat zij hebben beoordeeld of in dit geval de Woningwet
                        een bouwvergunning voor de betreffende reclame-objecten voorschrijft. Het
                        standpunt van het college dat in dit geval geen sprake is van overlappende
                        regelgeving nu de APV een specifiek welstandsdoel nastreeft ten opzichte van
                        de Woningwet, doet hier niet aan af. Anders dan het college meent, is het
                        welstandstoezicht in het kader van de Woningwet niet beperkt tot toetsing
                        van bouwkundige elementen. ABRS 04-12-2002, GS, 2003, 7180, 35 m.nt. J.
                        Teunissen.</al><al>- In een uitspraak, waar het ging over de aanvraag voor een
                        reclamevergunning voor een halfronde tijdschriftenzuil, overwoog de Afdeling
                        als volgt. De achtergrond van de in artikel 4.7.2, derde lid (oud), van de
                        APV vervatte uitzondering is dat, ingeval de Woningwet van toepassing is, is
                        gewaarborgd dat reeds bij de toepassing van die wet een voldoende
                        beoordeling van welstandsaspecten plaatsvindt. In casu was er sprake van het
                        plaatsen dan wel veranderen van een bouwwerk in de zin van de Woningwet.
                        Appellante had in plaats van een reclamevergunning een bouwvergunning moeten
                        aanvragen. ABRS 02-06-2004, 200400083/2, LJN-nr. AP0370.</al></divisie><divisie><kop><label>Afdeling</label><nr>5.</nr><titel>Kamperen buiten kampeerterreinen</titel></kop><al><cursief>Algemene toelichting</cursief></al><al>Afdeling 5 is opgenomen in de APV in verband met de afschaffing van de Wet
                        op de Openluchtrecreatie (WOR) met ingang van 1 januari 2008.</al><al/><al><onderstreept>Artikel 4:18</onderstreept><onderstreept>Begripsbepaling</onderstreept>
                        In de begripsomschrijving gaat het in het algemeen over een tent, tentwagen,
                        kampeerwagen en caravan. </al><al/><al><onderstreept>Artikel 4:19 Recreatief nachtverblijf buiten
                            kampeerterreinen</onderstreept></al><al><cursief>Lex silencio positivo</cursief></al><al>Dit artikel dient met name de bescherming van natuur en milieu. Het zou
                        hoogst onwenselijk zijn als er een vergunning van rechtswege zou ontstaan
                        die toestaat dat in een kwetsbaar natuurgebied gekampeerd wordt. Paragraaf
                        4.1.3.3. Awb wordt niet van toepassing verklaard. </al><al/><al>Zie de algemene toelichting bij deze afdeling en de VNG-publicatie in de
                        groene reeks nummer 129 “Het kampeerbeleid na de Wet op de
                        Openluchtrecreatie, handreiking voor bestuurders en ambtenaren”.
                        </al><al/><al><onderstreept>Artikel 4:20 Aanwijzing kampeerplaatsen</onderstreept> Zie de
                        algemene toelichting bij deze afdeling en de VNG-publicatie in de groene
                        reeks nummer 129 “Het kampeerbeleid na de Wet op de Openluchtrecreatie.
                        Handreiking voor bestuurders en ambtenaren”. </al></divisie><divisie><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>5.</nr><titel>Andere onderwerpen betreffende de huishouding der gemeente</titel></kop><al><cursief>Algemene toelichting afdeling 5.1 Parkeerexcessen</cursief></al><al/><al><cursief>1. Bevoegdheid tot regeling van parkeerexcessen</cursief></al><al>Sinds de inwerkingtreding van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW 1994) kunnen
                        verkeersbesluiten, behalve ten behoeve van de verkeersveiligheid en de
                        vrijheid van het verkeer, ook worden genomen ter bescherming van de
                        zogenaamde milieubelangen. Hierbij moet worden gedacht aan maatregelen ter
                        voorkoming of beperking van overlast, hinder of schade dan wel aantasting
                        van het karakter of de functie van objecten of gebieden ten gevolge van het
                        verkeer (zie artikel 2, tweede lid, WVW 1994). Op initiatief van de VNG
                        heeft de Tweede Kamer door middel van een amendement een nieuw artikel 2a in
                        de Invoeringswet WVW 1994 ingevoegd. Dit artikel luidt als volgt:</al><al/><al>“Provincies, gemeenten en waterschappen behouden hun bevoegdheid om bij
                        verordening regels vast te stellen ten aanzien van het onderwerp waarin deze
                        wet voorziet, voor zover die regels niet in strijd zijn met de bij of
                        krachtens deze wet vastgestelde regels en voor zover verkeerstekens
                        krachtens deze wet zich daar niet toe lenen.”</al><al/><al>Hierbij werd met name gedacht aan de regeling van parkeerexcessen, zoals ook
                        blijkt uit de toelichting bij dit amendement. Artikel 2a WVW 1994 geeft
                        derhalve aan dat gemeenten bevoegdheid zijn om parkeerexcessenbepalingen
                        vast te stellen. De grondslag voor dergelijke bepalingen is overigens gewoon
                        artikel 149 Gemeentewet.</al><al/><al><cursief>2. Begrip “parkeerexces”</cursief></al><al>In de wegenverkeerswetgeving wordt nergens aangegeven wat het begrip
                        “parkeerexces” precies inhoudt. Degene die tot taak heeft hieromtrent
                        verbodsbepalingen te formuleren, zal evenwel tevoren dienen te weten wat dit
                        begrip omvat. Mede omdat ook dit aspect van het verkeer aan een
                        voortschrijdende ontwikkeling onderhevig is, is van het begrip
                        “parkeerexces” bezwaarlijk een voldoende concrete definitie te geven.
                        Blijkens de jurisprudentie kan onder het begrip “parkeerexces” ieder
                        excessief parkeren op de weg worden begrepen, dus:</al><al>a. zowel wanneer het parkeren op de weg betreft dat met het oog op de
                        verdeling van de beschikbare parkeerruimte jegens andere weggebruikers, die
                        gelegenheid om te parkeren behoeven, buitensporig is en uit dien hoofde niet
                        toelaatbaar kan worden geacht (verkeersmotief; eigenlijke aanvulling).</al><al>b. In deze omschrijving ligt besloten, dat het gebruik van de weg als
                        parkeerplaats op zich zelf niet ongeoorloofd is te achten, maar wel dat de
                        aard van het voertuig, het met het parkeren beoogde doel of het aantal te
                        parkeren voertuigen relatief gezien een te grote ruimte opeist in
                        vergelijking met de behoefte aan parkeerruimte van anderen;</al><al>c. alsook wanneer het gaat om parkeren dat onaanvaardbaar is te achten om
                        andere motieven, zoals het tegengaan van aantasting van de openbare orde of
                        veiligheid en de bescherming van het uiterlijk aanzien van de gemeente,
                        voorkoming van uitzichtbelemmering en stankoverlast (oneigenlijke
                        aanvulling).</al><al/><al>Uit de jurisprudentie van de Hoge Raad valt op te maken dat in de eerste
                        plaats van een parkeerexces sprake is als het gaat om excessief gebruik van
                        de weg, strijdig met de bestemming die de weg heeft. Wegen zijn - zo lijkt
                        de zienswijze van dit rechtscollege in het kort te kunnen worden weergegeven
                        - in de eerste plaats bestemd om zich daarover te kunnen verplaatsen en
                        daarop tijdelijk een voertuig te kunnen laten staan. Ten aanzien van
                        bepaalde (categorieën van) voertuigen, die de weg in strijd met deze
                        bestemming gebruiken, is het bestuur gerechtigd strengere eisen te stellen
                        en scherpere grenzen te trekken. Daarbij mag het niet te diep ingrijpen in
                        het “normale” verkeer, en dus ook niet in het “normale” parkeren. In het
                        “normale” verkeer voorziet de geldende wettelijke verkeersregeling
                        exclusief, aldus de mening van de Hoge Raad, NG 1974, blz. S88 m.nt. jhr.
                        J.J.M.M. van Rijckevorsel.</al><al/><al>Voorts is volgens de Hoge Raad sprake van een parkeerexces ingeval het
                        parkeren op de weg gepaard gaat met ontsiering van het uiterlijk aanzien van
                        de gemeente, beneming van uitzicht, stankoverlast of gevaar voor de
                        veiligheid van personen. Al deze vormen van excessief, hinderlijk en
                        ontsierend gebruik van de weg kunnen door de gemeentelijke wetgever aan
                        regels worden gebonden. Zie bij voorbeeld de beide Dordtse arresten van de
                        Hoge Raad, HR 15 juni 1971, NJ 1971, 432, m.nt. W.F. Prins, VR 1972, nr. 32,
                        m.nt. A. Herstel, OB 1972, XIV.1.2.2, nr. 32566 en 25 april 1972, NJ 1972,
                        296, m.nt. W.F. Prins, VR 1972, nr. 113, m.nt. A. Herstel, OB 1972, XIV.
                        1.2.2, nr. 32567, NG 1972 blz. S 75, m.nt. J.H. van der Veen.</al><al/><al><cursief>3. Plaatsing en rubricering parkeerexcesbepalingen</cursief></al><al>Gezien de ruime uitleg van het begrip “parkeerexces” is het niet nodig om
                        een onderscheid te maken tussen twee soorten van excessief gebruik van de
                        weg: gevallen die excessief zijn op grond van een verkeersmotief en die als
                        “parkeerexcessen” moeten worden gekwalificeerd en gevallen waarin een ander
                        motief aan het stellen van regels (in hoofdzaak) ten grondslag ligt. Het
                        verdient aanbeveling deze bepalingen in hun geheel onder te brengen in de
                        APV en wel in een hoofdstuk “Andere onderwerpen betreffende de huishouding
                        der gemeente”. Plaatsing in dit hoofdstuk verdient de voorkeur boven
                        plaatsing in een ander hoofdstuk, omdat aan deze bepalingen meerdere
                        motieven ten grondslag liggen.</al><al/><al>Met het onder één noemer - die van het parkeerexces - brengen van de
                        bepalingen blijken de aan de bepalingen ten grondslag liggende motieven niet
                        steeds uit de tekst van de bepalingen. Het is daarom verstandig, dat in de
                        toelichting op de bepalingen deze motieven tot uitdrukking worden gebracht.
                        Een van de voordelen van deze aanpak is, dat artikelen, die een zelfde
                        gedraging verbieden, doch op grond van verschillende motieven, in één
                        artikel kunnen worden samengebracht.</al><al/><al>In afdeling 5.1 “parkeerexcessen” is ook een aantal onderwerpen opgenomen,
                        dat niet kan worden aangeduid als “parkeerexcessen in eigenlijke zin”,
                        waarvan gesproken kan worden als het gaat om gedragingen op de weg in de zin
                        van de WVW 1994. Daar deze voorschriften door het publiek wel als zodanig
                        (zullen) worden ervaren geven wij er de voorkeur aan ook deze onderwerpen in
                        deze paragraaf te regelen. Men denke hierbij aan een onderwerp als het
                        “aantasten van groenvoorzieningen”.</al><al/><al><cursief>4. Beperking tot gedragingen op de weg?</cursief></al><al>Bij parkeerexcessen “in eigenlijke zin” gaat het om gedragingen op de weg in
                        de zin van de WVW 1994. Onder weg verstaat de APV ingevolge artikel 1:1
                        hetzelfde als de WVW 1994 daaronder verstaat. In artikel 1, eerste lid onder
                        b, van de WVW 1994 wordt het begrip wegen als volgt omschreven “alle voor
                        het openbaar verkeer openstaande wegen of paden met inbegrip van de daarin
                        liggende bruggen en duikers en de tot die wegen behorende paden en bermen of
                        zijkanten”.</al><al/><al>In de afdeling “Parkeerexcessen” zijn niet uitsluitend onderwerpen geregeld
                        welke als parkeerexcessen “in eigenlijke zin” kunnen worden aangeduid. Zo
                        hebben de artikelen 5:6, eerste lid onder b, 5:7, eerste lid, en 5:10 ook
                        betrekking op gedragingen buiten de weg in de zin van de WVW 1994. Beperking
                        van de hierin neergelegde verbodsbepalingen tot “op de weg” ligt niet voor
                        de hand, wanneer men let op het motief dat aan deze bepalingen ten grondslag
                        ligt. Deze bepalingen strekken niet (mede) ter bescherming van
                        verkeersbelangen.</al><al/><al>Bedoelde gedragingen zijn daarom in die verbodsbepalingen ook strafbaar
                        gesteld, indien zij buiten de weg (in de zin van de WVW 1994) zijn gepleegd.
                        Indien aan een bepaling uitsluitend verkeersmotieven ten grondslag liggen,
                        is de werkingssfeer van die bepaling uiteraard beperkt tot de weg (in de zin
                        van de WVW 1994). Zie bijvoorbeeld de artikelen 5:2 en 5:8, tweede lid.</al><al/><al>Aan de andere bepalingen liggen behalve verkeersmotieven ook andere motieven
                        ten grondslag. Toch regelen ook deze bepalingen slechts gedragingen op de
                        weg (in de zin van de WVW 1994). Voor zover deze gedragingen plaatsvinden
                        buiten de weg, kan hiertegen reeds op basis van andere voorschriften in
                        voldoende mate worden opgetreden. Zie bij voorbeeld artikel 4:19 (4.6.1
                        oud).</al><al/><al>Ter wille van de overzichtelijkheid zijn de bepalingen betreffende
                        parkeerexcessen - zowel de “eigenlijke” als de “oneigenlijke” - zoveel
                        mogelijk in een afdeling samengevoegd. De bedoelde gedragingen zullen door
                        het publiek immers alle als parkeerexces worden ervaren.</al><al/><al>Voor in de begripsomschrijvingen van artikel 5:1 opgenomen definities van
                        “voertuig” en “parkeren” is aansluiting gezocht bij de in de
                        wegenverkeerswetgeving voor deze begrippen gebruikte definities. Uit de
                        verschillende bepalingen blijkt dan, of zij al dan niet slechts betrekking
                        hebben op gedragingen op de weg (in de zin van de WVW 1994).</al><al/><al><cursief>5. Vervangende parkeergelegenheid</cursief></al><al>Complementair aan de vaststelling van parkeerexcesbepalingen zal voor
                        bepaalde categorieën voertuigen - in het bijzonder voor vrachtwagens - de
                        aanwezigheid van vervangende parkeergelegenheid moeten worden bezien.
                        Uitgangspunt dient te zijn dat de desbetreffende ondernemingen in principe
                        zelf hiervoor behoren te zorgen. De indruk bestaat, dat er (met name buiten
                        de werkuren) in diverse gevallen op de bedrijfsterreinen toch voldoende
                        parkeergelegenheid voor de eigen vrachtwagens is of kan worden gecreëerd. In
                        beginsel is het niet onredelijk te achten, dat de chauffeurs die op enige
                        afstand van hun bedrijven wonen, hun vrachtwagens ’s avonds en in het
                        weekeinde niet meer voor de woning, maar bij voorbeeld op het eigen
                        bedrijfsterrein parkeren en dat zij zich, evenals andere forensen, met
                        “normale” vervoermiddelen begeven van het bedrijf naar de woning en
                        omgekeerd.</al><al/><al>Bij onderscheidene bedrijven ontbreekt evenwel de hiervoor benodigde ruimte.
                        Verder zijn de kosten, verbonden aan het creëren van eigen
                        parkeergelegenheid, dermate hoog, dat er de voorkeur aan gegeven zal worden
                        het parkeren van die vrachtwagens, waarvoor het bestaande eigen terrein geen
                        plaats biedt, te doen geschieden op openbare wegen en terreinen. Om aan de
                        zich hier voordoende praktische bezwaren tegemoet te komen, zou de overheid
                        het parkeren kunnen blijven toelaten (of wellicht zelfs parkeergelegenheid
                        kunnen scheppen) op parkeerterreinen en op die wegen waar het parkeren van
                        vrachtwagens op weinig of geen bezwaren stuit. Hoewel er niet a priori van
                        een plicht van de gemeentelijke overheid tot aanleg van vervangende
                        parkeergelegenheid kan worden gesproken, mag er anderzijds van worden
                        uitgegaan dat naleving van de hier bedoelde verbodsbepalingen met des te
                        meer reden gevergd kan worden, wanneer de belanghebbende een andere
                        parkeerplaats als alternatief ter beschikking staat. In het bijzonder kan
                        zulks het geval zijn ten aanzien van exploitanten van bestaande bedrijven,
                        aan wie onder omstandigheden bezwaarlijk een ontheffing kan worden
                        onthouden, wanneer een redelijk te realiseren alternatief voor hen
                        ontbreekt.</al><al/><al>Voor het geval van gemeentewege tot aanleg van een parkeerplaats wordt
                        overgegaan, zal er wellicht van het gemeentebestuur een zekere waarborg
                        worden verwacht dat voertuigen op een dergelijk parkeerterrein veilig kunnen
                        worden gestald. In het algemeen kan niet worden gesteld, dat de
                        gemeentelijke overheid een dergelijk verlangen dient te honoreren. Immers,
                        parkeerterreinen hebben, zo zij al onder toezicht staan, dit toezicht zelden
                        ook ’s nachts; bovendien is de toezichthouder in het algemeen niet
                        aansprakelijk voor aan de gestalde voertuigen door derden toegebrachte
                        schade; men denke hierbij aan de zogenaamde exoneratieclausules.</al><al/><al>Ten slotte zij erop gewezen dat een eventueel door de gemeente aan te leggen
                        parkeerterrein voor vrachtwagens zal moeten passen binnen een planologisch
                        kader (bestemmingsplan). Parkeerplaatsen zouden kunnen worden aangeduid met
                        een bord model E4 van bijlage 1 van het RVV 1990. De aanduiding van
                        parkeerplaatsen voor vrachtwagens in het kader van de voorkoming van
                        parkeerexcessen moet gebeuren op basis van de betreffende bepalingen uit de
                        APV en niet op basis van verkeersborden die gebaseerd zijn op de
                        wegenverkeerswetgeving.</al><al/><al><cursief>6. Ontheffingen</cursief></al><al>Bij de onderscheidene modelverbodsbepalingen is aangegeven ten aanzien van
                        welke bepalingen de mogelijkheid tot het verlenen van ontheffingen als een
                        noodzakelijk element moet worden beschouwd. Met name zal ten aanzien van
                        bestaande bedrijven aan het verlenen van een ontheffing, waaraan
                        voorschriften kunnen worden verbonden en welke een naar plaats of tijd
                        beperkt karakter hebben, niet steeds kunnen worden ontkomen.</al><al/><al><cursief>7. Overleg met vervoerders(organisaties)</cursief></al><al>Het behoeft geen nader betoog dat het wenselijk is overleg te plegen met de
                        betrokken chauffeurs en bedrijven betreffende de vaststelling of uitvoering
                        van parkeerregelingen van vrachtwagens e.d.</al><al/><al><cursief>Jurisprudentie</cursief></al><al>- De Afdeling rechtspraak van de Raad van State bevestigt dat een
                        gemeentelijke parkeerexcessenregeling niet strijdig is met de
                        Wegenverkeerswet (oud) en haar uitvoeringsregelingen, zoals het RVV (oud).
                        ARRS 3-12-1992, JG 93.0120.</al><al/><al><onderstreept>Artikel 5:1 Begripsbepalingen</onderstreept></al><al>Voor de toepassing van deze afdeling wordt onder “weg” verstaan hetgeen
                        artikel 1:1 van deze verordening daaronder verstaat. Concreet gaat het om
                        alle voor het openbaar verkeer openstaande wegen of paden met inbegrip van
                        de daarin liggende bruggen en duikers en de tot die wegen behorende paden en
                        bermen of zijkanten. De artikelen 5:2, 5:3, 5:4, 5:5, 5:6, eerste lid, onder
                        a, 5:7, 5:8, tweede lid, en 5:9 hebben derhalve slechts op “echte”
                        parkeerexcessen betrekking. De andere artikelen in deze afdeling strekken
                        zich ook uit tot gedragingen buiten de weg in de zin van de WVW 1994. Zie
                        voorts de algemene toelichting bij deze afdeling. </al><al/><al>Ook voor het openbaar verkeer openstaande parkeerterreinen kunnen onder de
                        definitie van “weg” in de zin van de WVW 1994 worden gebracht. Hiervoor
                        pleiten de volgende argumenten. De WVW 1994 bevat blijkens haar considerans
                        regels inzake het verkeer op de weg. Wat in die wet onder “wegen” wordt
                        verstaan is hiervoor reeds vermeld. Artikel 2 van de WVW 1994 bepaalt dat,
                        met inachtneming van de voorschriften van de WVW 1994, bij of krachtens
                        algemene maatregel van bestuur nadere regelingen worden gesteld nopens het
                        verkeer op de wegen. </al><al/><al>In een van die algemene maatregelen van bestuur, het RVV 1990, worden
                        gedragsregels gegeven voor parkeerplaatsen. Zie bij voorbeeld in artikel 24
                        e.v. en artikel 46 RVV 1990. </al><al/><al>Onder parkeerplaats wordt ook een parkeerterrein begrepen. Al vallen
                        parkeerterreinen onder de werking van de onderhavige parkeerexcesbepalingen,
                        dit neemt niet weg dat zij in een aantal gevallen daarvan zullen moeten
                        worden uitgezonderd. Te denken valt bij voorbeeld aan het parkeren van
                        vrachtwagens. Het is immers evident dat parkeerterreinen een belangrijke
                        functie vervullen ten behoeve van een redelijke verdeling van de beschikbare
                        parkeerruimte, zie verder de toelichting bij artikel 5:8. </al><al/><al><cursief>Onder a</cursief></al><al>Om te voorkomen dat over de inhoud van het begrip “voertuigen” onzekerheid
                        zal bestaan, is een definitie van dit begrip opgenomen. Tot uitgangspunt is
                        genomen de definitie van “voertuigen” die in artikel 1, onder al, van het
                        RVV 1990 wordt gegeven. Voertuigen in de zin van dit artikel zijn:<cursief>
                            fietsen, bromfietsen, gehandicaptenvoertuigen, motorvoertuigen, trams en
                            wagens.</cursief> In tegenstelling tot artikel 5.1.1 (oud) is in 2008 de
                        omschrijving positief geformuleerd en wordt direct aangesloten bij het RVV
                        1990. Voor kleine voertuigen, zoals kruiwagens, kinderwagens, rolstoelen
                        e.d. is een uitzondering gemaakt, omdat anders sommige bepalingen een te
                        ruime strekking zouden krijgen. Fietsen, bromfietsen en
                        gehandicaptenvoertuigen vallen ook onder de definitie van voertuigen. Ook
                        deze kunnen immers parkeerexcessen veroorzaken en worden daarom als voertuig
                        beschouwd. </al><al/><al><cursief>Onder b</cursief></al><al>De omschrijving van het begrip “parkeren” is dezelfde als de omschrijving in
                        artikel 1, onder ac, van het RVV 1990. Dit artikelonderdeel verstaat onder
                            <cursief>parkeren: het laten stilstaan van een voertuig anders dan
                            gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt tot het
                            onmiddellijk in- of uitstappen van passagiers of voor het onmiddellijk
                            laden of lossen van goederen. </cursief>Het oude artikel 5.1.1, onder c
                        gaf deze definitie letterlijk weer. Verwijzing naar de definitie is
                        wetstechnisch te verkiezen omdat bij wijziging van de definitie in het RVV
                        de definitie in de APV niet behoeft te worden herzien. </al><al/><al>De gegeven definitie bewerkstelligt dat enkele vormen van doen of laten
                        staan van voertuigen, die moeten worden ontzien, buiten de werking van de
                        voorgestelde verbodsbepalingen blijven. Het onmiddellijk in- en uitstappen
                        van personen en het onmiddellijk laden en lossen van goederen zijn dan
                        immers activiteiten die door deze modelbepalingen niet worden bestreken.
                        Evenmin zullen deze bepalingen van toepassing kunnen zijn ten aanzien van
                        voertuigen die bij een garagebedrijf stilstaan om benzine te tanken; in dit
                        geval is er geen sprake van parkeren. </al><al/><al>Anders dan het RVV 1990 richten de bepalingen van afdeling 5.1. van de APV
                        zich ook tot niet-bestuurders die anderszins belanghebbend zijn bij een
                        voertuig (de eigenaar, huurder, opdrachtgever etc.) zodat de zinsnede “het
                        laten stilstaan” een iets ruimere strekking heeft dan in de
                        wegenverkeerswetgeving gebruikelijk is. Die ruimere strekking maakt het
                        mogelijk dat ook de andere belanghebbenden bij het voertuig (dan de
                        bestuurder) kunnen worden aangesproken op niet-naleving van de
                        (parkeer)verboden in deze afdeling. </al><al/><al><onderstreept>Artikel 5:2 Parkeren van voertuigen van autobedrijf
                            e.d.</onderstreept></al><al><cursief>Eerste lid</cursief></al><al>Regelmatig kwam de vraag naar voren of rijschoolhouders en taxibedrijven die
                        in de uitoefening van hun (neven)bedrijf drie of meer auto’s op de weg
                        parkeren ook onder het verbod van het eerste lid van dit artikel vallen. De
                        Afdeling rechtspraak van de Raad van State heeft omtrent deze vraag beslist
                        dat het bij elkaar parkeren van drie of meer taxi’s door een exploitant van
                        een taxibedrijf niet valt onder de werking van deze bepaling, ARRS
                        28-9-1984, nr. R03.83.7524 (APV Schijndel). De rijschoolhouder die een
                        aantal voertuigen bij elkaar parkeert, viel volgens deze uitspraak eveneens
                        niet onder de werking van dit artikel. </al><al/><al>Aangezien het parkeren van voertuigen van rijschoolhouders en
                        taxiondernemers excessieve vormen kan aannemen, is in het tweede lid daarom
                        expliciet bepaald dat onder “verhuren”, zoals in het eerste lid bedoeld,
                        mede wordt verstaan het gebruiken van voertuigen voor het geven van
                        rijlessen of voor het vervoeren van personen tegen betaling. Aldus kan ook
                        tegen excessief gebruik van de weg door rijschoolhouders en taxiondernemers
                        worden opgetreden. </al><al/><al><cursief>Tweede lid</cursief></al><al>Onder a is het woord “vergen” gebezigd in plaats van “duren” ten einde
                        twijfel over de vraag of met een bepaalde herstel- of onderhoudswerkzaamheid
                        meer dan een uur gemoeid is, zoveel mogelijk uit te sluiten. Bij het gebruik
                        van de term “vergen” beschikt men over een meer objectieve maatstaf. De in
                        het derde lid gestelde verbodsbepaling geldt uiteraard niet voor het normaal
                        parkeren van de voor persoonlijk gebruik gebezigde auto(’s) van de
                        exploitant. Het bepaalde bij artikel 5:2 kan niet als een soort “escape”
                        fungeren ten opzichte van de andere in deze afdeling opgenomen
                        verbodsbepalingen. Artikel 5:2 mag met andere woorden niet gelezen worden in
                        verband met de andere artikelen in de afdeling, in die zin dat de
                        “faciliteit” die in artikel 5:2 is besloten - garagehouders enz. mogen twee
                        auto’s sowieso op de weg laten staan - ook impliceert dat zij een autowrak,
                        een niet-rijklaar voertuig, een groot voertuig enz. ongelimiteerd lang op de
                        weg mogen laten staan, omdat de ruimte die hen is aangewezen dezelfde
                        blijft. </al><al/><al>Immers, in artikel 5:2 bestaat het excessieve in de ruimte die door het
                        aantal voertuigen in beslag wordt genomen, in bij voorbeeld de artikelen 5:4
                        en 5:5 bestaat het excessieve met name in het niet gerechtvaardigde doel om
                        gedurende lange tijd parkeerruimte in beslag te nemen met wrakken of daarvan
                        nauwelijks te onderscheiden vehikels. Dit doel is, indien zulks door
                        garagehouders geschiedt, even onduldbaar als wanneer particulieren zich
                        hieraan bezondigen. Het bepaalde bij artikel 5:2 geeft de daarin genoemde
                        personen dus niet een “vrijstelling” om voertuigen te parkeren in afwijking
                        van de andere verbodsbepalingen in deze afdeling. Aldus besliste de Hoge
                        Raad in zijn arrest van 16 februari 1970, nr. 65705
                        (parkeerexcessenverordening Maassluis, niet gepubliceerd). </al><al/><al>Wanneer in de gemeente een automarkt wordt gehouden, dient nog de volgende
                        uitzondering te worden toegevoegd: “Het in het eerste lid (oud, nu derde
                        lid) gestelde verbod is niet van toepassing op het parkeren van voertuigen
                        waarvoor een standplaats op een automarkt is aangewezen, op deze standplaats
                        gedurende de tijd dat deze markt wordt gehouden.” </al><al/><al><cursief>Derde lid, onder a</cursief></al><al>Deze bepaling beoogt optreden mogelijk te maken tegen die autohandelaren en
                        exploitanten van garage-, herstel- en autoverhuurbedrijven die de weg
                        voortdurend gebruiken als stallingsruimte voor auto’s die hun toebehoren of
                        zijn toevertrouwd. Het gaat hier om situaties waarin het gebruik van
                        parkeerruimte op buitensporige wijze plaats heeft en uit dien hoofde niet
                        toelaatbaar kan worden geacht (verkeersmotief). </al><al/><al>Bij het opstellen van deze bepaling is er naar gestreefd de
                        delictomschrijving zoveel mogelijk vrij te houden van elementen waarvan de
                        bewijslevering moeilijkheden kan opleveren. Niettemin kan met name het
                        bewijs dat betrokkene “zijn bedrijf of nevenbedrijf dan wel een gewoonte”
                        van de hier bedoelde activiteiten maakt, alsook dat de desbetreffende
                        voertuigen “hem toebehoren of zijn toevertrouwd”, onder omstandigheden
                        problemen opleveren. De woorden “drie of meer voertuigen” zijn gekozen om de
                        bewijslast niet onevenredig zwaar te doen zijn. Doordat het verbod slechts
                        betrekking heeft op het parkeren dat in het kader van (neven)bedrijf of
                        gewoonte plaatsvindt, blijft het normaal parkeren van de voor persoonlijk
                        gebruik gebezigde auto(’s) van de exploitant en eventueel van zijn
                        gezinsleden mogelijk. (Zie het eerste lid, onder b). </al><al/><al>Deze bepaling heeft slechts betrekking op “eigenlijke” parkeerexcessen, dat
                        wil zeggen op het parkeren van voertuigen op de weg (in de zin van de WVW
                        1994). Het zou uiteraard te ver gaan deze bepaling ook te laten gelden voor
                        gedragingen buiten de weg. </al><al/><al><cursief>Derde lid, onder b</cursief></al><al>Reparatie- en sloopwerkzaamheden aan op de weg geparkeerde voertuigen in het
                        kader van de uitoefening van een (neven)bedrijf, geven veelal klachten
                        inzake geluidsoverlast en verontreiniging van de weg; in mindere mate wordt
                        geklaagd over de als gevolg van deze activiteiten verminderde
                        parkeergelegenheid. Met het oog op het vorenstaande is het derhalve
                        wenselijk de strafbaarheid van het herstellen of slopen op de weg niet te
                        relateren aan de omstandigheid dat er sprake moet zijn van drie of meer
                        voertuigen. Indien het slopen of herstellen van een voertuig bij herhaling
                        geschiedt, moet - met het oog op de vorengenoemde bezwaren - hiertegen
                        kunnen worden opgetreden, daargelaten of zich in de onmiddellijke omgeving
                        meer auto’s bevinden die betrokkene “toebehoren of zijn toevertrouwd”. Wel
                        zij er hier op gewezen dat zowel het verontreinigen van de weg als het
                        veroorzaken van hinderlijk rumoer reeds is verboden bij artikel 2:47. Met
                        het oog op het toenemend aantal klachten achten wij een strafbepaling welke
                        zich in het bijzonder richt tot de onderhavige activiteiten, wenselijk naast
                        genoemde (algemene) verbodsbepalingen.</al><al/><al>Gelet op de strekking van deze bepaling kan zij niet als een
                        “parkeerexcesbepaling” in de strikte betekenis van het woord worden
                        aangemerkt. Gezien het verband met de andere in deze afdeling opgenomen
                        bepalingen achten wij het niettemin wenselijk het onderhavige voorschrift in
                        deze afdeling op te nemen. Met de hierbedoelde bepaling kan naar verwachting
                        beter worden opgetreden tegen met het slopen en repareren van voertuigen
                        gepaard gaande geluid- en stankoverlast en verontreiniging van de weg.
                        Ingevolge de aanhef is slechts diegene strafbaar die bij herhaling de weg
                        als werkplaats voor reparatie- of sloopdoeleinden gebruikt. Ook voor
                        diegenen moet echter de mogelijkheid blijven bestaan aan de door hem (en
                        zijn gezin) gebruikte auto kleine reparatiewerkzaamheden te verrichten. Het
                        vierde lid opent deze mogelijkheid.</al><al/><al><cursief>Vierde lid</cursief></al><al>Het verlenen van een ontheffing ingevolge dit lid zal in het algemeen op
                        zijn plaats zijn in geval, alle omstandigheden in aanmerking genomen,
                        redelijkerwijs moet worden aanvaard dat de exploitant geen andere
                        mogelijkheden ten dienste staan dan de hem toebehorende of toevertrouwde
                        auto’s op de weg te parkeren. Te denken is hierbij aan het geval dat de
                        exploitant van een reeds lang bestaand bedrijf in de feitelijke
                        onmogelijkheid verkeert op eigen terrein of in de nabijheid van zijn bedrijf
                        stallingsruimte te creëren c.q. daarover op andere wijze de beschikking te
                        krijgen. Aan de ontheffing kunnen uiteraard voorschriften worden verbonden,
                        onder meer omtrent de plaats waar en de tijd gedurende welke voertuigen voor
                        de hier aan de orde zijnde doeleinden op de weg mogen worden geplaatst,
                        alsmede ten aanzien van het aantal voertuigen dat ter plaatse door de houder
                        van de ontheffing mag worden geparkeerd. In dit verband mag worden gewezen
                        op hetgeen in de algemene toelichting is gesteld over het voorzien in
                        vervangende parkeergelegenheid. Tevens wordt hier de aandacht gevestigd op
                        wat daar is opgemerkt over het verlenen van ontheffing ten aanzien van
                        bestaande bedrijven.</al><al/><al><cursief>Jurisprudentie</cursief></al><al>- De Afdeling rechtspraak keurde zelfs de weigering van de gemeente
                        Binnenmaas om ontheffing te verlenen voor het parkeren van meer dan twee
                        auto’s bij elkaar goed. Het feit dat het bedrijf ter plaatse was toegestaan
                        deed daaraan niet af. Het behoud van het beperkte aantal parkeerplaatsen in
                        de omgeving van het bedrijf woog zwaarder [ARRS 16-8-1988, AB 1989, 373].
                        </al><al/><al><onderstreept>Artikel 5:3 Te koop aanbieden van
                        voertuigen</onderstreept></al><al>Het komt regelmatig voor dat eigenaren hun voertuig te koop aanbieden op de
                        openbare weg. Wanneer het een enkel voertuig betreft, is dit geen echt
                        probleem. Van aantasting van het uiterlijk aanzien van de omgeving is niet
                        of nauwelijks sprake, de overlast voor de omwonenden blijft beperkt en het
                        gebruik van de beschikbare parkeerruimte kan niet excessief genoemd worden. </al><al/><al>Anders ligt het wanneer de voertuigen met grote aantallen tegelijk
                        aangeboden worden. Behalve dat het uiterlijk aanzien wordt aangetast, brengt
                        het voor de omwonenden aanzienlijke overlast met zich mee. Een dergelijke
                        uitstalling van voertuigen trekt immers kooplustigen aan. Ook wordt er een
                        aanmerkelijk beslag op de beschikbare parkeerruimte gelegd. Wanneer de
                        lokale overheid dit gedrag als ongewenst beschouwt en het daarom wil
                        tegengaan, moet er voor gewaakt worden dat de verbodsbepaling niet al te
                        diep in het verkeer ingrijpt. Het gaat te ver wanneer een eigenaar zijn
                        voertuig niet meer voor zijn woning zou kunnen parkeren omdat er een bordje
                        te koop achter de voorruit hangt. Waar precies de grens van het ingrijpen
                        ligt kan niet altijd helder aangegeven worden. Wanneer een groot aantal
                        voertuigen bij elkaar te koop wordt aangeboden, is het duidelijk dat die
                        grens overschreden is. Hoe zit het evenwel met twee voertuigen die bij een
                        druk bezocht winkelcentrum te koop aangeboden worden? Vaak moet aan de hand
                        van de plaatselijke omstandigheden beoordeeld worden of de grens wel of niet
                        overschreden is. </al><al/><al>Het verdient daarom geen aanbeveling een algemeen verbod in de APV op te
                        nemen. Gekozen is voor een constructie waarin het college de bevoegdheid
                        heeft gebieden aan te wijzen waar het verbod van kracht is. Wanneer er naar
                        het oordeel van het college sprake is van overlast kan het dit verbod
                        activeren. Zoals opgemerkt in de toelichting op artikel 5:1, onderdeel b,
                        wordt het begrip “parkeren” zo uitgelegd, dat het verbod in dit artikel zich
                        niet alleen richt op de bestuurder van een voertuig maar ook op de andere
                        belanghebbenden bij het voertuig. </al><al/><al><onderstreept>Artikel 5:4 Defecte voertuigen</onderstreept></al><al>Veelvuldig doet zich het verschijnsel voor dat niet-rijklare voertuigen op
                        de weg worden geplaatst. De eigenaar of houder van een of meer van
                        dergelijke voertuigen heeft deze meestal aangekocht om na weken of zelfs
                        maanden van nijvere zelfwerkzaamheid weer een volwaardig voertuig te
                        creëren. Veelal slaagt hij in deze poging niet, waarna het voertuig op de
                        weg wordt achtergelaten, waar het na verloop van tijd degenereert tot
                        autowrak. Deze bepaling richt zich in het bijzonder tegen dit soort
                        parkeergedragingen. Het excessieve is in het bijzonder gelegen in het in
                        relatie tot het tekort aan parkeerruimte niet gerechtvaardigde doel waartoe
                        men het voertuig op de weg zet. Daarnaast kan het hierbedoelde parkeren een
                        ontsiering van het uiterlijk aanzien van de gemeente meebrengen en om die
                        reden excessief zijn. Beperking van het verbod tot die gevallen waarin er
                        sprake is van min of meer ernstige gebreken aan het voertuig, moet
                        noodzakelijk worden geacht, wil het verbod niet een te ruime strekking
                        krijgen. Deze bepaling ziet slechts op “eigenlijke” parkeerexcessen, dat wil
                        zeggen op het plaatsen en hebben van defecte voertuigen op de weg (in de zin
                        van de WVW 1994). Het zou te ver gaan deze gedragingen ook buiten de weg te
                        verbieden. </al><al/><al><cursief>Jurisprudentie</cursief></al><al>- Blijkens de jurisprudentie stuit een verbod langer dan op drie
                        achtereenvolgende dagen te parkeren, niet op bezwaren, HR 13-6-1972, VR
                        1972, nr. 105, OB 1973, XIV.1.2.2, nr. 34064, over de APV van Delft, waarin
                        een termijn van twee dagen werd aangehouden; HR 5-5-1975, nr. 67792 (niet
                        gepubliceerd) over de Parkeerexcessenverordening van Nijmegen, waarin een
                        termijn van zeven dagen werd aangehouden. Zoals opgemerkt in de toelichting
                        op artikel 5.1.1., onderdeel c (oud, artikel 5:1, onderdeel b), wordt het
                        begrip “parkeren” zo uitgelegd, dat het verbod in dit artikel zich niet
                        alleen richt op de bestuurder van een voertuig maar ook op de andere
                        belanghebbenden bij het voertuig. </al><al/><al><onderstreept>Artikel 5:5 Voertuigwrakken</onderstreept></al><al>Anders dan de niet-rijklare voertuigen die ingeval van parkeren gedurende
                        zekere tijd in het bijzonder een parkeerexces kunnen opleveren door het in
                        relatie tot het tekort aan parkeerruimte niet gerechtvaardigde doel waartoe
                        men een voertuig op de weg zet, geeft een achtergelaten voertuigwrak,
                        inclusief een fiets of bromfiets, in de eerste plaats aanstoot, doordat het
                        een ontsierend element in het straatbeeld vormt. Ook houdt een wrak een
                        gevaar in voor spelende kinderen en voor de weggebruikers. Het op de weg
                        plaatsen of hebben van een wrak is dus primair om die reden excessief.
                        Daarnaast kan echter ook het zo juist genoemde verkeersmotief een rol spelen
                        bij het uitvaardigen van dit verbod. Ofschoon een wrak vaak niet meer zal
                        kunnen worden beschouwd als voertuig in de zin van de
                        wegenverkeerswetgeving, is de onderhavige bepaling gezien haar strekking en
                        het verband met de andere bepalingen wel als parkeerexcesbepaling aan te
                        merken. De onderhavige bepaling heeft betrekking op het plaatsen en hebben
                        van wrakken op de weg (in de zin van de WVW 1994). Het elders in de
                        openlucht opslaan van wrakken vindt reeds regeling in de model
                        Afvalstoffenverordening en tevens in artikel 10.17 van de Wet milieubeheer.
                        De delictsomschrijving bevat derhalve niet tevens het bestanddeel “van de
                        weg af zichtbaar”. </al><al/><al>Het verbod in dit artikel richt zich op degene die het voertuigwrak op de
                        weg plaatst of heeft. Dat is op zich al een ruimere kring van subjecten dan
                        alleen de bestuurder; ook andere belanghebbenden bij het voertuig vallen
                        onder deze bepaling. </al><al/><al><cursief>Jurisprudentie: </cursief></al><al>- Bekendmaking besluit. Verwijderingsactie fietswrakken. Gezien de
                        plaatsing van betreffende bepaling in de APV is geen sprake van een bepaling
                        die betrekking heeft op de openbare orde, waardoor verweerder i.c. bevoegd
                        is tot het toepassen van bestuursdwang. Ten onrechte is de brief van eiser
                        niet opgevat als een verzoek om het besluit ingevolge art. 5:24, derde lid,
                        Awb op schrift te stellen en als een verzoek om schadevergoeding. (Rb.
                        Utrecht, 01-10-2010, SBR 09/1249; College van B&amp;W van Utrecht, Gmw 125
                        eerste lid; Awb 3:41 eerste lid, 3:42 eerste lid 1, 5:21, 5:24 eerste en
                        derde lid, LJN: BN8842). </al><al/><al><onderstreept>Artikel 5:6 Kampeermiddelen e.d.</onderstreept></al><al><cursief>Eerste lid, onder a</cursief></al><al>Deze bepaling richt zich tegen het langer dan nodig plaatsen of hebben van
                        voertuigen die voor recreatie e.d. worden gebruikt. Hieronder vallen in
                        ieder geval: caravans, campers, kampeerwagens, aanhangwagens,
                        magazijnwagens, keetwagens e.d. op de weg. In deze bepaling zijn de woorden
                        “parkeren” gewijzigd in “te plaatsen of te hebben” om de handhaving van deze
                        bepaling eenvoudiger te maken. Met het steeds een paar meter verplaatsen van
                        een caravan, aanhangwagentje e.d. op de openbare weg wordt overtreding van
                        deze bepaling niet langer meer voorkomen. Met de zinsnede “of anderszins
                        voor andere dan verkeersdoeleinden wordt gebruikt” is beoogd aan te geven
                        dat alle soorten (aanhang)wagens en voertuigen, die niet “dagelijks” worden
                        gebruikt als vervoermiddel onder deze bepaling kunnen vallen. Het excessieve
                        van het hier bedoelde parkeren is in de eerste plaats gelegen in het
                        buitensporige gebruik van parkeerruimte dat daarmee gepaard gaat. Daarnaast
                        is dat het ontsieren van het uiterlijk aanzien van de gemeente. Het plaatsen
                        of hebben gedurende ten hoogste drie (achtereenvolgende) dagen wordt niet
                        verboden, opdat de betrokkene de gelegenheid zal hebben zijn kampeerwagen,
                        caravan of camper voor een te ondernemen reis gereed te maken,
                        respectievelijk na de reis op te ruimen. </al><al/><al>Ook met betrekking tot deze gevallen zou het voorzien in vervangende
                        parkeergelegenheid, waar dit soort voertuigen kan worden gestald, overwogen
                        kunnen worden. Verwezen wordt naar hetgeen hierover in de algemene
                        toelichting is gesteld. </al><al/><al><cursief>Jurisprudentie</cursief></al><al>- Afwijzing handhavingsverzoek tegen het parkeren van een bedrijfsvoertuig
                        met aanhangwagen op laan. Ingevolge art. 13.5, eerste lid, APV 2006 gemeente
                        Beverwijk is het verboden op of aan de weg een kampeerwagen, caravan,
                        magazijnwagen, aanhangwagen, keetwagen of een ander dergelijk voertuig dat
                        uitsluitend of mede voor andere dan verkeersdoeleinden wordt gebruikt langer
                        dan drie dagen zonder wezenlijke tijdsonderbreking op de weg te plaatsen of
                        te hebben. Ter zitting van de Afdeling is vastgesteld dat hoofdstuk 13 van
                        de APV 2006 als titel heeft "Parkeerexcessen". Dit betekent dat ervan moet
                        worden uitgegaan dat de in dit hoofdstuk opgenomen artikelen, waaronder art.
                        13.5, tot doel hebben optreden mogelijk te maken tegen parkeerexcessen. De
                        Rb. heeft art. 13.5, eerste lid, aldus uitgelegd dat het parkeerexcesverbod
                        alleen geldt voor aanhangers en dergelijke indien deze uitsluitend of mede
                        voor andere dan verkeersdoeleinden worden gebruikt. Die lezing is echter
                        onjuist. Aanhangwagens en dergelijke die in de bepaling worden genoemd, zijn
                        slechts voorbeelden van voertuigen die uitsluitend of mede voor andere dan
                        verkeersdoeleinden plegen te worden gebruikt. Waar het op aan komt, is of ze
                        langer dan drie dagen zonder wezenlijke tijdsonderbreking een plaats hebben
                        op de weg. Anders dan de Rb. is de Afdeling daarom van oordeel dat de
                        aanhangwagen waarop het verzoek van appellant betrekking heeft, een voertuig
                        is waarop het verbod van art. 13.5, eerste lid, APV 2006 van toepassing is.
                        Met de Rb. wordt echter geoordeeld dat appellant niet aannemelijk heeft
                        gemaakt dat de aanhangwagen langer dan drie dagen zonder wezenlijke
                        tijdsonderbreking werd geparkeerd. Zoals de Rb. heeft overwogen, is tijdens
                        door het college uitgevoerde controles meestal gebleken dat de aanhangwagen
                        niet aanwezig was en bieden de stukken ook overigens geen grond voor de
                        vaststelling dat deze zonder wezenlijke tijdsonderbreking langer dan drie
                        dagen in de wijk waar appellant woonachtig is, was geplaatst. Het dagelijks
                        's avonds parkeren van de aanhangwagen nadat deze overdag in gebruik is
                        geweest, rechtvaardigt een zodanige vaststelling niet. Gelet hierop bestaat
                        geen grond voor het oordeel dat door het parkeren van de aanhangwagen art.
                        13.5, eerste lid, APV 2006 is overtreden en heeft het college het verzoek om
                        handhavend optreden wegens overtreding van dit artikellid terecht afgewezen.
                        De Rb. is, zij het op andere gronden, tot hetzelfde oordeel gekomen. (ABRS,
                        zaaknummer: 200805911/1, datum uitspraak: 15 april 2009, LJN: BI1079
                        </al><al/><al><cursief>Eerste lid, onder b</cursief></al><al>Deze bepaling richt zich ook tegen het ontsieren van het uiterlijk
                        aanzien van de gemeente door het doen of laten staan van caravans e.d.
                        elders dan op de weg in de zin van de WVW 1994. In zoverre betreft deze
                        bepaling derhalve niet een “eigenlijk” parkeerexces, dat immers
                        veronderstelt dat de gedraging plaatsvindt op een weg (in de zin van de WVW
                        1994).Zoals opgemerkt in de toelichting op artikel 5:1, onderdeel b, wordt
                        het begrip “parkeren” zo uitgelegd, dat het verbod in dit artikel zich niet
                        alleen richt op de bestuurder van een voertuig maar ook op de andere
                        belanghebbenden bij het voertuig. </al><al/><al><cursief>Jurisprudentie</cursief></al><al>- De Afdeling rechtspraak van de Raad van State stelde de gemeente Beverwijk
                        in het gelijk enerzijds in de aanwijzing van een weg waar parkeren van een
                        kampeerwagen langer dan 48 uur niet is toegestaan en anderzijds in de
                        weigering hiervan ontheffing te verlenen. De verkeersveiligheid en het
                        aanbod van parkeerruimte waren in het geding. ARRS 11-3-1993, AB 1993,
                        553.</al><al>- De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State geeft aan dat het
                        college van zijn bevoegdheid om voor een bepaalde locatie te bepalen dat er
                        niet met een kampeerwagen e.d. mag worden geparkeerd (zoals in art. 5.1.5,
                        eerste lid, onder b (oud) bedoeld), slechts gebruik kan maken voor zover het
                        gaat om een locatie die geen “weg” is in de zin van de
                        wegenverkeerswetgeving. Binnenplein is weg in de zin van de WVW en valt
                        daarmee niet onder “aangewezen plaats” uit de APV-bepaling. ABRS 18-4-1997,
                        JG 97.0210 m.nt. A.B. Engberts. </al><al/><al><onderstreept>Artikel 5:7 Parkeren van reclamevoertuigen</onderstreept></al><al>Deze bepaling richt zich tegen degenen die voor een beroep of bedrijf
                        reclame maken door een of meer voertuigen, voorzien van reclameopschriften,
                        op de weg te parkeren. Hierbij staat het maken van reclame voorop. Als
                        handelsreclame in de zin van dit artikel wordt niet gezien de vermelding op
                        een voertuig van de naam van het bedrijf waarbij het voertuig in gebruik is
                        en een (korte) aanduiding van de goederen of diensten die dat bedrijf pleegt
                        aan te bieden. Deze voertuigen worden immers niet primair gebruikt “met het
                        kennelijke doel om daarmee handelsreclame te maken”, maar vooral als
                        vervoersmiddel. Het excessieve is primair gelegen in het in relatie tussen
                        het tekort aan parkeerruimte en het niet gerechtvaardigde doel waartoe men
                        het voertuig op de weg zet. Dit doel kan reeds met één voertuig worden
                        bereikt. </al><al/><al>In de tweede plaats kan het excessieve gelegen zijn in het motief van het
                        tegengaan van ontsiering van het uiterlijk aanzien van de gemeente. In deze
                        bepaling gaat het om een “eigenlijk” parkeerexces, hetwelk veronderstelt dat
                        de gedraging plaatsvindt op een weg (in de zin van de WVW 1994). Het hebben
                        van handelsreclame op of aan onroerend goed op een vanaf de weg zichtbare
                        plaats is geregeld in artikel 4:15 van de APV. Het in dit artikel omschreven
                        verbod is beperkt tot het maken van handelsreclame (commerciële reclame).
                        Uit de jurisprudentie en uit artikel 7, vierde lid, van de Grondwet blijkt,
                        dat de gemeentelijke wetgever in ieder geval het maken van handelsreclame
                        aan beperkingen mag onderwerpen. Voor wat betreft de relatie met artikel 10
                        EVRM en 19 IVBP zij verwezen naar de toelichting bij artikel 4:15. </al><al/><al>Onder omstandigheden mag hij, blijkens bedoelde jurisprudentie, ook het
                        maken van reclame, waardoor gedachten of gevoelens worden geopenbaard
                        (artikel 7 Grondwet) of een mening wordt geuit (artikel 10 EVRM) aan
                        beperkingen onderwerpen. Men spreekt wel van “ideële reclame”. De
                        wenselijkheid en mogelijkheid hiervan dienen plaatselijk te worden bezien.
                        Het hier geregelde verbod luidt algemeen: voor het gehele grondgebied van de
                        gemeente (behoudens de ontheffingsmogelijkheid van het tweede lid). Het
                        staat de gemeenten echter vanzelfsprekend vrij de werking van het verbod -
                        naar plaats of tijd - afhankelijk te stellen van het oordeel van het
                        college. Zoals opgemerkt in de toelichting op artikel 5:1, onderdeel b,
                        wordt het begrip “parkeren” zo uitgelegd, dat het verbod in dit artikel zich
                        niet alleen richt op de bestuurder van een voertuig maar ook op de andere
                        belanghebbenden bij het voertuig. </al><al/><al><cursief>Jurisprudentie</cursief></al><al>- De Afdeling bestuursrechtspraak acht het beleid van het college van
                        Zierikzee geen ontheffingen te verlenen voor het parkeren van
                        reclamevoertuigen binnen de bebouwde kom en de daaropvolgende
                        bestuursdwangaanschrijving aanvaardbaar. De bescherming van het uiterlijk
                        aanzien (beschermd stadsgezicht) speelt een belangrijke rol. ABRS 1-8-1994,
                        JG 95.0245.</al><al>- De Afdeling bestuursrechtspraak meent dat het college van Groningen
                        terecht een dwangsomaanschrijving heeft doen uitgaan tegen een voor een
                        winkel geplaatste riksja, waarmee handelsreclame werd gemaakt. Voor de
                        toepassing van deze bepaling is de aanwezigheid van een verkeersgevaarlijke
                        situatie niet vereist. ABRS 5-12-2001, nr. 200103426/1. </al><al/><al><onderstreept>Artikel 5:8 Parkeren van grote voertuigen</onderstreept></al><al><cursief>Algemeen</cursief></al><al>In gemeentelijke kring wordt het meer en meer als noodzakelijk ervaren dat
                        het parkeren van grote voertuigen - in het bijzonder vrachtwagens - op wegen
                        in de stadscentra en in de woonwijken zoveel mogelijk wordt tegengegaan.
                        Maatschappelijk gezien is er een tendens waarneembaar dat dit parkeren wordt
                        ervaren als misbruik van de weg. De gevaren en inconveniënten die deze
                        parkeergedragingen kunnen opleveren, zijn velerlei: onvoldoende opvallen bij
                        schemer en duisternis van geparkeerde vrachtwagens, onvoldoende
                        zichtbaarheid van tussen of achter deze voertuigen spelende kinderen,
                        buitensporige inbeslagneming van de schaarse parkeerruimte, belemmering van
                        het uitzicht vanuit de woning, afbreuk aan het uiterlijk aanzien der
                        gemeente enz. Op den duur zal het parkeren van grote voertuigen dan ook niet
                        meer dienen te geschieden op wegen binnen de bebouwde kom, althans niet op
                        die wegen binnen de bebouwde kom, welke gelegen zijn in het centrum of in de
                        woonwijken. Uit de jurisprudentie kan worden opgemaakt, dat ook volgens de
                        Hoge Raad het parkeren van vrachtwagens in woonwijken enz., bezien tegen de
                        achtergrond van de recente verkeersomstandigheden en maatschappelijke
                        inzichten, niet (meer) redelijkerwijze als “normaal” verkeer kan worden
                        beschouwd. De artikelen 5:8 en 5:9 bevatten regels waarmee het parkeren van
                        grote voertuigen, voor zover dit excessief is, kan worden tegengegaan. Zie
                        voorts ook de algemene toelichting onder punt 5 Vervangende
                        parkeergelegenheid.</al><al/><al><cursief>Eerste lid</cursief></al><al>Deze bepaling verschaft mogelijkheden om aantasting van het uiterlijk
                        aanzien van de gemeente door het doen of laten staan van bepaalde voertuigen
                        tegen te gaan. Het doen of laten staan van grote voertuigen kan immers op
                        bepaalde plaatsen, zoals op dorpspleinen, voor monumenten en historische
                        gebouwen, in parken, op rustieke plekjes in open landschappen een ernstige
                        aantasting van het stads-, dorps- of landschapsschoon betekenen.
                        Vrachtauto’s, aanhangwagens, kermiswagens en reclameauto’s bijvoorbeeld
                        kunnen op dergelijke plaatsen een zeer storend element vormen. Het zijn deze
                        situaties waarop deze bepaling het oog heeft.</al><al/><al>Aangezien over de vraag of er van aantasting van de schoonheid van stad,
                        dorp of landschap sprake is, verschillend kan worden geoordeeld, is er de
                        voorkeur aan gegeven het verbod niet zonder meer te doen werken, doch een
                        nader oordeel van het gemeentebestuur in dezen maatgevend te doen zijn.
                        Aangezien de plaatsen waar ontsiering van de hiervoor vermelde objecten zich
                        kan voordoen, vrijwel steeds aan te geven zullen zijn, is de bepaling aldus
                        geredigeerd dat het verbod slechts geldt ten aanzien van die plaatsen die
                        het college heeft aangewezen. Dit aanwijzen zal in de praktijk eenvoudig
                        kunnen geschieden doordat het college in zijn besluit verwijst naar een
                        plattegrond van de gemeente waarop de plaatsen, waar niet mag worden
                        geparkeerd, worden gearceerd.</al><al/><al>Gezien het motief van deze bepaling heeft zij ook betrekking op het parkeren
                        van grote voertuigen buiten de weg. In zoverre heeft deze bepaling dus niet
                        enkel betrekking op “eigenlijke” parkeerexcessen. Wat het motief:
                        bescherming van het uiterlijk aanzien van de gemeente betreft, dient er op
                        te worden gewezen, dat het niet noodzakelijkerwijs behoeft te gaan om (het
                        parkeren op of bij) plaatsen, die uit een oogpunt van stadsschoon of
                        karakteristiek een bijzondere betekenis hebben, wil er sprake kunnen zijn
                        van een “parkeerexces”.</al><al/><al>In het licht van het motief dat ten grondslag ligt aan het in het eerste lid
                        bedoelde verbod verdient het aanbeveling zowel een lengte- als een
                        hoogtecriterium te hanteren. Zeer wel denkbaar is immers dat een voertuig
                        weliswaar nog geen lengte van 6 meter heeft, doch niettemin op grond van de
                        hoogte schadelijk moet worden geacht voor het uiterlijk aanzien van de
                        gemeente.</al><al/><al>Blijkens de jurisprudentie van de Hoge Raad is de bevoegdheid van het
                        gemeentebestuur ter zake zeer ruim. Het is met name niet vereist dat de bij
                        openbare kennisgeving aangewezen plaatsen voldoen aan aanmerkelijke eisen
                        van schoonheid en karakteristiek. In dit verband moge tevens worden gewezen
                        op de subjectieve redactie van de onderhavige bepaling.</al><al>Niet apart zijn vermeld de oplegger en de aanhangwagen. Het hier gestelde
                        verbod zou dan immers zelfs gelden voor het kleinste aanhangwagentje.
                        Primair ware hier echter te reguleren het parkeren van grote voertuigen. Bij
                        de aanwijzing van plaatsen waar volgens besluit van het college grote
                        voertuigen met het oog op de bescherming van het uiterlijk aanzien van de
                        gemeente niet mogen worden geparkeerd, zal eventueel rekening moeten worden
                        gehouden met een provinciale verordening die - geheel of gedeeltelijk -
                        hetzelfde terrein uit hoofde van hetzelfde motief bestrijkt, bij voorbeeld
                        een verordening bescherming landschapsschoon.</al><al/><al>Binnen de verboden zones zullen in ieder geval uitzonderingen moeten worden
                        gemaakt ten behoeve van autobussen in lijndienst. Een speciaal probleem
                        wordt gevormd door de vraag, hoe dit verbod onder de aandacht van
                        belanghebbenden te brengen. Het is in ieder geval gewenst, dat de in de
                        gemeente gevestigde ondernemingen door de gemeente in kennis worden gesteld
                        van dit verbod. In veel gemeenten wordt een systeem toegepast, waarbij langs
                        de naar de gemeente toeleidende wegen door middel van aanwijzingsborden
                        kenbaar wordt gemaakt, dat binnen de (bebouwde kom van de) gemeente het
                        parkeren van grote voertuigen slechts is toegelaten op de als zodanig
                        aangeduide parkeergelegenheden.</al><al/><al><cursief>Tweede lid</cursief></al><al>Deze bepaling beoogt optreden mogelijk te maken tegen het parkeren van grote
                        voertuigen op de weg (in de zin van de WVW 1994), omdat het gepaard gaat met
                        een excessief gebruik van de weg. Met betrekking tot dit motief:
                        buitensporig gebruik van de weg, wordt opgemerkt, dat het in dat verband
                        niet noodzakelijkerwijs om (het parkeren van) méér voertuigen behoeft te
                        gaan. Ook het parkeren van één groot voertuig kan een parkeerexces in deze
                        zin opleveren. In het licht van het motief van deze bepaling is het stellen
                        van een hoogtegrens minder opportuun.</al><al/><al>Uit de aanwijzing van plaatsen waar het parkeren van grote voertuigen niet
                        toelaatbaar is, zal duidelijk moeten blijken of deze aanwijzing is gebaseerd
                        op de bepaling van het eerste lid of die van het tweede lid, zulks mede in
                        verband met het bepaalde in het derde lid. Geschiedt een aanwijzing door
                        middel van een verwijzing naar een plattegrond (zie onder eerste lid) dan
                        kan bij voorbeeld door het gebruik van verschillende kleuren bij het arceren
                        van de plaatsen waar niet geparkeerd mag worden, worden aangegeven welk
                        motief ten grondslag ligt aan de aanwijzing of dat beide motieven daaraan
                        ten grondslag liggen. Zeer wel denkbaar is echter dat aan een aanwijzing
                        beide motieven ten grondslag kunnen liggen.</al><al/><al>Zie wat betreft de vraag, hoe dit verbod kenbaar kan worden gemaakt, de
                        toelichting op eerste lid. Zoals opgemerkt in de toelichting op artikel 5:1,
                        onderdeel b, wordt het begrip “parkeren” zo uitgelegd, dat het verbod in dit
                        artikel zich niet alleen richt op de bestuurder van een voertuig maar ook op
                        de andere belanghebbenden bij het voertuig.</al><al/><al><cursief>Derde lid</cursief></al><al>De werking van het in het tweede lid gestelde verbod is ingevolge dit lid
                        beperkt tot de avond en de nacht, alsmede het weekeinde en de doordeweekse
                        feestdagen. Het lijkt in het algemeen niet redelijk om het parkeren van
                        grote voertuigen op de weg ook gedurende de werkdag te verbieden. Dit zou de
                        belangen van met name handel en industrie te zeer schaden. Dit ligt echter
                        anders wanneer de bescherming van het uiterlijk aanzien van de gemeente in
                        het geding is. Het parkeren van grote voertuigen op plaatsen waar dit naar
                        de mening van het college schadelijk is voor dit uiterlijk aanzien, moet te
                        allen tijde verboden kunnen worden. Daarom geldt de in het derde lid
                        vervatte uitzondering niet voor het in het eerste lid gestelde verbod.
                        Overigens blijft ook tijdens de perioden waarin het verbod bedoeld in het
                        tweede lid niet van toepassing is, het zodanig parkeren van vrachtwagens dat
                        aan bewoners of gebruikers van gebouwen hinder of overlast wordt aangedaan,
                        verboden krachtens het hierop volgende artikel 5:9.</al><al/><al><cursief>Vierde lid</cursief></al><al>Naast de krachtens het tweede lid geldende beperkingen kent dit lid aan het
                        college de bevoegdheid toe ter zake van de in de eerste twee leden
                        omschreven verboden een ontheffing te verlenen. Aldus kan worden voorkomen
                        dat de werking van deze verboden zou leiden tot een onevenredige aantasting
                        van bedrijfsbelangen. Verzoeken om ontheffing zullen van geval tot geval
                        moeten worden bekeken. Omstandigheden welke in beginsel door alle bedrijven
                        - ongeacht de aard - kunnen worden aangevoerd, rechtvaardigen op zich nog
                        geen ontheffing.</al><al/><al>Van de mogelijkheid tot het verlenen van ontheffing zal onder meer gebruik
                        dienen te worden gemaakt:</al><al>- voor voertuigen die worden gebezigd bij de uitvoering van openbare werken
                        en bij bouwwerkzaamheden, voor zover ze in de onmiddellijke nabijheid van
                        het werk worden geparkeerd;</al><al>- voor chauffeurs die een schriftelijke medische verklaring overleggen,
                        waaruit blijkt dat betrokkene niet van een speciaal daartoe aangewezen
                        parkeerterrein gebruik kan maken en ook vaststaat dat betrokkene zonder
                        ontheffing in moeilijkheden zou komen. </al><al/><al>Verder zou een soepel ontheffingenbeleid kunnen worden gevoerd, voor zover
                        het gaat om bij voorbeeld:</al><al>- rijdende winkels;</al><al>- wagens van kermisexploitanten;</al><al>- wagens van bedrijven die in geval van bij voorbeeld ongevallen in het
                        wegverkeer terstond moeten kunnen “uitrukken” (sleepwagens e.d.);</al><al>- voertuigen die speciaal uitgerust zijn voor bijzondere transporten (auto’s
                        met speciale klimaatregeling) of anderszins zodanig afwijken (elektrowagens
                        met beperkte actieradius) dat bijzondere eisen aan de parkeerplaats moeten
                        worden gesteld.</al><al>Aan een ontheffing kunnen uiteraard voorschriften worden verbonden
                        betreffende de tijd en de plaats waarop deze zal gelden. </al><al/><al><cursief>Jurisprudentie</cursief></al><al>- De instelling van een parkeerverbod voor grote voertuigen dient of te
                        gebeuren op basis van de APV of op basis van een verkeersbesluit
                        (Wegenverkeerswetgeving). Een combinatie hiervan is niet mogelijk. Zie Vz.
                        AGRS 27-4-1993 (B03.93.0018), JU 941157 (VNG-databank).</al><al>- Ontheffingenbeleid van gemeenten Grave en Stad Delden, waarbij geen
                        ontheffingen worden verleend voor het parkeren van grote voertuigen in een
                        woon buurt, wordt door de Voorzitter van de ARRS als niet onredelijk
                        aangemerkt. Vz. ARRS 18-12-1992,S03.92.4266, JU 931114 (VNG-databank) en Vz.
                        ARRS 16-9-1993,S03.93.3369, JU 941013 (VNG-databank).</al><al>- De weigering een ontheffing te verlenen voor het parkeren van een groot
                        voertuig wordt vernietigd, omdat er geen sprake is van een hoge parkeerdruk
                        ter plaatse, zoals werd aangevoerd. ARRS 4-5-1993, JG 93.0353 .Bij een
                        verzoek om bestuursdwang in geval van het parkeren van een groot voertuig,
                        waarbij het uiterlijk aanzien in het geding is, dient het college een goede
                        belangenafweging te maken tussen enerzijds de redelijke eisen van welstand
                        en anderzijds de belangen van de eigenaar van het voertuig. De
                        belangenafweging acht de Afdeling rechtspraak niet onredelijk. ARRS
                        3-6-1991, JG 92.0301.</al><al>- Wanneer (nagenoeg) de gehele bebouwde kom wordt aangewezen als gebied waar
                        geen vrachtwagens mogen worden geparkeerd, dient het college zich ervan te
                        vergewissen dat geschikte alternatieve parkeergelegenheid aanwezig is,
                        waarbij ook rekening moet worden gehouden met de veiligheid van de
                        geparkeerde vrachtwagens. ABRS 15-5-2001, nr. 200002098/1. </al><al/><al><onderstreept>Artikel 5:9 </onderstreept><onderstreept>
                            Parkeren van uitzichtbelemmerende
                        voertuigen</onderstreept></al><al><cursief>Eerste lid</cursief></al><al>Deze bepaling beoogt optreden mogelijk te maken tegen het op de weg parkeren
                        van vrachtwagens e.d. bij andermans voor bewoning of ander dagelijks gebruik
                        bestemd gebouw, zodanig, dat daardoor het uitzicht van bewoners of
                        gebruikers van het gebouw op hinderlijke wijze wordt belemmerd of hun
                        anderszins hinder of overlast wordt aangedaan. Zie voorts ook de toelichting
                        bij artikel 5:8. Door opneming van de bestanddelen “of hun anderszins hinder
                        of overlast wordt aangedaan” zijn ook mogelijke andere vormen van hinder of
                        overlast dan uitzichtbelemmering, door het parkeren van grote voertuigen aan
                        bewoners of gebruikers van gebouwen berokkend, verboden. Hierbij kan worden
                        gedacht aan belemmering van de lichtval, stankoverlast en geluidsoverlast,
                        bij voorbeeld ten gevolge van het starten en warmdraaien van grote
                        voertuigen. Dat een dergelijke zinsnede houdbaar is, blijkt uit een reeds
                        oude uitspraak van de Hoge Raad (HR 16 januari 1986, NJ 1968, 198) waarin de
                        Hoge Raad de bedoelde zinsnede in de APV van Enschede verbindend achtte. De
                        delictsomschrijving kan desgewenst worden geconcretiseerd door het
                        bestanddeel “bij” te vervangen door “binnen een afstand van (...) meter van”
                        (een voor bewoning enz. bestemd pand op zodanige wijze dat enz.) Zo wordt in
                        de APV van Rotterdam een afstandsmaat van 10 meter gehanteerd. Zoals
                        opgemerkt in de toelichting op artikel 5:1, onderdeel b, wordt het begrip
                        “parkeren” zo uitgelegd, dat het verbod in dit artikel zich niet alleen
                        richt op de bestuurder van een voertuig maar ook op de andere
                        belanghebbenden bij het voertuig. </al><al/><al><cursief>Tweede lid</cursief></al><al>De in dit lid opgenomen uitzondering ziet bij voorbeeld op (het parkeren
                        van) "hoogwerkers", meetwagens e.d. Een ontheffingsmogelijkheid is niet
                        geboden. Niet goed valt in te zien hoe deze mogelijkheid te rijmen valt met
                        het hinderlijke karakter van het hier bedoelde parkeren.
                        </al><al/><al><onderstreept>Artikel 5:10 Aantasting groenvoorzieningen door
                            voertuigen</onderstreept></al><al><cursief>Eerste lid</cursief></al><al>Het is helaas een veelvuldig voorkomend verschijnsel dat groenstroken,
                        openbare beplantingen, plantsoenen en grasperken worden benut voor het
                        parkeren van voertuigen. Met de onderhavige bepaling wordt beoogd
                        beschadiging van groenstroken e.d., die het uiterlijk aanzien van de
                        gemeente beogen te verfraaien, te voorkomen en het groen beter aan zijn
                        bestemming te doen beantwoorden. Aangezien deze bepaling zich uitsluitend
                        richt tegen een “oneigenlijk” parkeerexces - dat wil zeggen tegen een
                        gedraging welke buiten de “weg” (in de zin van de wegenverkeerswetgeving)
                        plaatsvindt, behoeft voor strijd met de bepalingen van de
                        wegenverkeerswetgeving niet te worden gevreesd. Om deze reden bestaat er
                        geen bezwaar tegen dat in deze bepaling ook het rijden over openbare
                        beplantingen enz. wordt verboden. </al><al/><al>Doorgaans zal een groenstrook geen deel uitmaken van de weg. Bermen maken
                        wel deel uit van de “wegen” in de zin van artikel 1 van de WVW 1994.
                        Aangezien de berm rechtens deel uitmaakt van de weg, gelden de op de
                        desbetreffende weg betrekking hebbende verkeersvoorschriften eveneens voor
                        de berm, zoals parkeerverboden e.d. Artikel 10 van het RVV 1990 bepaalt dat
                        auto’s, motoren e.d. op de rijbaan en op andere weggedeelten - met
                        uitzondering van het trottoir, het voetpad, het fietspad of het ruiterpad -
                        mogen worden geparkeerd. Onder deze andere weggedeelten waar wel geparkeerd
                        mag worden vallen ook de bermen van een weg. Indien in een bepaald geval het
                        parkeren in een berm als ongewenst moet worden aangemerkt, kan een
                        parkeerverbod voor die berm worden ingesteld. Dit kan door plaatsing van het
                        bord E1 van Bijlage 1 van het RVV 1990 met een onderbord, waarop staat dat
                        het parkeerverbod alleen geldt voor de berm. Het is tevens mogelijk dat het
                        parkeren op de rijbaan niet wenselijk is, bijvoorbeeld uit oogpunt van de
                        verkeersveiligheid, maar dat het parkeren in de berm wel kan worden
                        toegestaan. Ook in dit geval is plaatsing van het genoemde bord E1
                        noodzakelijk, maar nu met een onderbord waarop staat dat parkeren in de berm
                        wel is toegestaan. Omdat de wegenverkeerswetgeving onder “wegen” ook de
                        bermen begrijpt, is het in artikel 5:10 vervatte verbod beperkt tot
                        groenstroken. De wegenverkeerswetgeving voorziet niet in de gevallen waarin
                        het voertuig op of in een groenvoorziening wordt geplaatst, welke geen deel
                        uitmaakt van de weg (in de zin van de Wegenverkeerswet). </al><al/><al>Bij een parkeerverbod is het doen of laten staan van een voertuig niet
                        strafbaar, indien zulks geschiedt om personen de gelegenheid te geven in of
                        uit te stappen dan wel voor het laden of lossen van goederen. Het moge
                        duidelijk zijn dat de laatstgenoemde beperkingen niet van toepassing behoren
                        te zijn op een verbod tot het doen of laten staan van voertuigen in
                        groenvoorzieningen. Bewust is hier derhalve gekozen voor de bestanddelen
                        “doen of laten staan” in plaats van “parkeren”, omdat ook het tot stilstand
                        brengen van een auto in een plantsoen beschadiging van het groen en
                        vermindering van de aantrekkelijkheid veroorzaakt. </al><al/><al>Opgemerkt mag nog worden dat gedragingen als de onderhavige in sommige
                        gevallen ook zaakbeschadiging in de zin van artikel 350 van het Wetboek van
                        Strafrecht met zich mee brengen. Zie voorts HR 27 oktober 1930, NJ 1931,
                        blz. 62, waarbij een bepaling in de APV van Assen, volgens welke het in de
                        kom van de gemeente verboden was zich te bevinden op de van gemeentewege
                        aangelegde grasperken, verbindend werd geacht. De bewering dat de
                        gemeentelijke wetgever niet bevoegd zou zijn naast het algemene verbod van
                        artikel 461, Wetboek van Strafrecht bedoelde verbodsbepaling uit te
                        vaardigen, ging niet op. </al><al/><al>Deze APV-bepaling had naar het oordeel van de Hoge Raad kennelijk ten doel
                        “maatregelen te nemen tegen beschadiging van stadsbosch en door de gemeente
                        aangelegde grasperken, derhalve zorg voor de instandhouding van gemeentelijk
                        terrein, zijnde een onderwerp dat de huishouding van de gemeente betreft”. </al><al/><al>Indien het in artikel 5.1.10 (oud) bedoelde voertuig een door een
                        woonwagenbewoner bewoonde woonwagen is, zal het college deze niet met
                        toepassing van bestuursdwang op grond van artikel 61 Woonwagenwet uit de
                        gemeente kunnen doen verwijderen dan nadat hiervoor door gedeputeerde staten
                        toestemming is verleend als bedoeld in dat artikel en nadat een waarschuwing
                        op grond van het vierde lid van dat artikel is uitgevaardigd. Zie Wnd. Vz.
                        ARRS 24 juni 1983, nr. RO3.83.3806/S 5980 (Oosterhout). </al><al/><al><cursief>Tweede lid</cursief>Bij de onder b bedoelde voertuigen kan worden
                        gedacht aan voertuigen, in gebruik bij de politie of de brandweer, als ook
                        bij de afdeling Beheer Leefomgeving. Campings vallen onder terreinen als
                        bedoeld onder c. </al><al/><al><onderstreept>Artikel 5:11 Overlast van fiets of
                        bromfiets</onderstreept></al><al>Het verwijderen van weesfietsen en fietswrakken is primair een gemeentelijke
                        taak. Voor de verschillende fasen in het proces zijn er juridische
                        randvoorwaarden. De juridische basis wordt gevormd door dit artikel. </al><al/><al>Het college moet bepalen in welke gebieden de aanpak van weesfietsen gaat
                        plaatsvinden. Het gebied moet op een logische manier gekozen worden. Het is
                        een gebied waar fietsenrekken of fietsenklemmen staan voor bezoekers van de
                        voorziening. Dit betekent onder meer dat de straal van het gebied vrijwel
                        altijd beperkt zal zijn tot enkele minuten loopafstand van de voorziening. </al><al/><al>Dit artikel geeft de mogelijkheid om fietswrakken te verwijderen. Daarnaast
                        geef dit artikel de mogelijkheid om de problematiek van de weesfietsen aan
                        te pakken. De maximale stallingsduur moet worden aangekondigd bij de
                        betreffende stallingsplaatsen. Hiertoe worden borden geplaatst op duidelijk
                        zichtbare plaatsen. Deze borden bevatten bijvoorbeeld de volgende elementen: </al><al>- Er geldt hier een maximale stallingsduur van 28 dagen, op grond van
                        artikel 5:11, van de Apv;</al><al>- fietsen die langer staan worden verwijderd;</al><al>- informatie over de verwijderde fietsen is te krijgen bij het fietsdepot. </al><al/><al>Wanneer uit aanwezigheid van een label blijkt dat de fiets na het
                        verstrijken van de maximale stallingsduur onafgebroken in de stalling
                        aanwezig is geweest, is er sprake van een eovertreding. Vervolgens neemt een
                        toezichthouder het besluit om de fiets te verwijderen, oftewel bestuursdwang
                        toe te passen. De taak bestaat uit het vaststellen van de overtreding en het
                        uitreiken van de beschikking. Deze beschikking kan niet worden overhandigd,
                        omdat de eigenaar van de fiets niet bekend is. Daarom wordt de beschikking
                        aan de fiets bevestigd. In de beschikking staat onder meer dat de eigenaar
                        van de fiets de gelegenheid krijgt om verwijdering van de fiets te
                        voorkomen. Er moeten tenminste de volgende elementen op staan:</al><al>- de datum;</al><al>- uw fiets staat al meer dan 28 dagen onafgebroken gestald. Dat is verboden
                        op grond van artikel 5:11 van de Apv;</al><al>- daarom is besloten bestuursdwang toe te passen;</al><al>- u krijgt 48 uur de tijd om de fiets zelf te verwijderen;</al><al>- na het verstrijken van deze periode wordt de fiets verwijderd op last van
                        de gemeente;</al><al>- een website voor informatie. </al><al/><al>Het verwijderen van de fietsen kan plaatsvinden na het verstrijken van de
                        begunstigingstermijn van 48 uur. </al><al/><al><cursief>Jurisprudentie</cursief></al><al>- ABRS 24 oktober 2007, JB 2008, 6: Bestuursdwang, aanzegging.
                        Bestuursdwang, spoedeisende situatie (gemeente Amersfoort). Verwijdering van
                        fiets die onbeheerd buiten de daarvoor bestemde ruimten of plaatsen is
                        geplaatst. De rechtbank heeft terecht overwogen dat ter beoordeling staat of
                        in dit geval optreden zo spoedeisend was dat toepassing mocht worden gegeven
                        aan artikel 5:24, zesde lid, Awb. Zij is terecht en op goede gronden tot het
                        oordeel gekomen dat de vereiste spoed zich er tegen verzette de beslissing
                        tot bestuursdwang tevoren op schrift te stellen en appellant een termijn te
                        gunnen om zelf zijn fiets te verwijderen. De Afdeling kan zich vinden in
                        hetgeen de rechtbank hieromtrent heeft overwogen, namelijk dat dagelijks
                        door fietsers en voetgangers intensief gebruik wordt gemaakt van het
                        stationsgebied en dat het plaatsen van fietsen buiten de daartoe aangewezen
                        plaatsen de vrije doorgang kan belemmeren, hetgeen tot overlast en
                        gevaarlijke situaties kan leiden en het onjuist plaatsen van andere fietsen
                        kan uitlokken. </al><al>- ABRS 12 mei 2010, AB 2010/270; JB 2010/163; LJN BM4174: Spoedeisende of
                        superspoedeisende bestuursdwang, begunstigingstermijn van 15 minuten,
                        B&amp;W van Nijmegen; verwijderen foutief geplaatste fiets.</al><al/><al/></divisie><divisie><kop><label>Afdeling</label><nr>2</nr><titel>Inzameling van geld of goederen</titel></kop><al><onderstreept>Artikel 5:12 Inzameling van geld of
                        goederen</onderstreept></al><al><cursief>Algemeen</cursief></al><al>In het kader van de vermindering van regelgeving en de vereenvoudiging van
                        vergunningen is gekeken of de inzamelingsvergunning gehandhaafd dient te
                        worden of dat er andere mogelijkheden zijn variërend van afschaffen van de
                        vergunning tot een algemene regel. </al><al/><al><cursief>Achtergrond</cursief></al><al>Van oudsher wordt in Nederland op ruime schaal een beroep gedaan op de
                        liefdadigheidszin van het publiek door middel van collecten, inschrijvingen,
                        verkoop van steunbonnetjes enz. Doorgaans gaan inzamelingsacties uit van
                        volkomen betrouwbare instellingen. Incidenteel komt het voor dat bij de
                        inzamelaar niet de charitatieve doelstelling voorop staat maar een ander
                        (commercieel) belang. Hierbij wordt bij de burger de indruk gewekt dat de
                        opbrengst naar het goede doel gaat terwijl dit voor maar een klein deel het
                        geval is. </al><al/><al>Buiten de sfeer van het strafrecht ligt het bestrijden van ongewenste
                        praktijken primair op de weg van de gemeenten die het vergunningenbeleid
                        voor inzamelingen in handen hebben. Dit is destijds verwoord in de Memorie
                        van Toelichting (MvT) bij het wetsontwerp tot aanvulling van het Wetboek van
                        Strafrecht met een bepaling omtrent telefonische colportage voor een goed
                        doel (Kamerstuk 15678, Stb. 1982,12). Bijlage bij dit kamerstuk was het
                        rapport van de Werkgroep misbruik bij charitatieve acties. Deze
                        interdepartementale werkgroep werd in 1976 ingesteld naar aanleiding van
                        kamervragen met als opdracht te rapporteren op welke wijzen zich bij
                        charitatieve acties misbruik kan voordoen en of en in hoeverre dit kan
                        worden bestreden. </al><al/><al>In de MvT wordt het volgende opgemerkt: “Ook de overheid heeft een taak om
                        het misbruik dat in sommige gevallen van de betere gevoelens van de mensen
                        en van hun goedgeefsheid wordt gemaakt te bestrijden. Niet alleen is dit
                        nodig ter bescherming van het publiek, maar ook ter bescherming van de
                        bonafide charitatieve instellingen, die voor de financiering van hun
                        activiteiten in meerdere of mindere mate zijn aangewezen op de offerzin van
                        het publiek. </al><al/><al>Het rapport stelt vast, dat in de jurisprudentie in het algemeen wordt
                        aangenomen dat de gemeentelijke wetgever regelend mag optreden ten aanzien
                        van zowel het venten als het collecteren in de gemeente. De gemeentelijke
                        wetgever dient in zijn regeling van het venten echter wel een uitzondering
                        te maken voor het venten met gedrukte stukken, daar hij anders in strijd
                        komt met artikel 7 van de Grondwet.” </al><al/><al><cursief>Huidige ontwikkelingen</cursief></al><al>Inmiddels zijn we dertig jaar verder. De vraag is of in de huidige
                        maatschappij nog steeds behoefte is aan een beschermende overheid zowel in
                        het kader van het toezicht op bonafide instellingen als van de beperking van
                        het aantal inzamelingen met het oog op het voorkomen van overlast voor
                        burgers. Goede doelen gebruiken steeds nieuwe methoden om geld in te
                        zamelen. Jarenlang was de huis- aan-huiscollecte de meest voorkomende vorm,
                        tegenwoordig worden mensen via de post (direct mail), de telefoon, het
                        aanspreken op straat (direct dialogue), door shows op tv en concerten (Live
                        Aid, Dance4life) direct of indirect aangesproken. Bij de gehanteerde
                        methoden - of het nu per brief of mondeling is - wordt vaak een sterke
                        morele aanspraak gedaan op de geldgever (die op een relatief eenvoudige
                        manier zeer veel goeds kan doen). </al><al/><al>Dat de goede doelen-branche steeds verder is geprofessionaliseerd wordt ook
                        duidelijk vanwege het inschakelen van professionele (commerciële)
                        fondswervingsbedrijven. Deze sales- en marketingbedrijven zijn gericht op
                        het werven van klanten (leden of donateurs) voor hun opdrachtgevers. Ze
                        hebben getrainde, resultaatgerichte mensen in dienst. Zowel de fondsenwerver
                        op straat als de uitvoerende instelling kan worden afgerekend op het aantal
                        binnengehaalde machtigingen (klanten/leden/donateurs). </al><al/><al>De professionele fondsenwervers willen hun activiteiten met enige regelmaat
                        uitvoeren, niet alleen huis-aan-huis, maar ook op straat. De
                        inzamelingsvergunning in de APV is destijds met een ander uitgangspunt
                        ontwikkeld, namelijk spreiding middels het collecterooster. De meeste
                        burgers zijn mondig genoeg om aan te geven of zij al dan niet gediend zijn
                        van een inzamelingsactie. Er zijn echter nog steeds kwetsbare groepen in de
                        samenleving die enige bescherming nodig hebben. Niet voor niets wordt
                        regelmatig aangegeven dat het bij bezoek aan de deur, voor wat voor reden
                        dan ook, verstandig is een legitimatie te vragen. </al><al/><al>De nieuwe methoden van fondsenwerving leveren veel geld op en zullen daarom
                        niet snel verdwijnen. Tegelijkertijd kunnen de diverse werkwijzen voor de
                        burger overlast opleveren omdat men soms meerdere malen per dag aangesproken
                        wordt door een goed doel. De branche zelf erkent dat er irritatie is maar
                        geeft aan dat het persoonlijk contact de meest indringende manier is om
                        klanten of donateurs te werven. Interessant is dat in Denemarken de wetgever
                        het verboden heeft potentiële klanten te benaderen per telefoon, mail,
                        automatisch oproepsysteem, of persoonlijk tenzij de ontvanger van tevoren
                        hiermee akkoord is gegaan. </al><al/><al>De commercialisering en professionalisering en het feit dat er sprake is van
                        een lucratieve markt, doen vermoeden dat de gevolgen van het afschaffen van
                        een inzamelingsvergunning ongewenst zijn. Verwacht wordt een grote toename
                        van al dan niet commerciële inzamelaars die zich op de dan vrije markt
                        zullen begeven. De gevolgen hiervan ondervindt de burger aan zijn voordeur
                        of op straat. Dit is de reden om de inzamelingsvergunning niet te schrappen
                        uit de APV. </al><al/><al><cursief>Deregulering</cursief></al><al>Bij de dereguleringsactie zijn enkele voor de gehele APV geldende
                        wijzigingen doorgevoerd. In artikel 1:7 van de APV is het uitgangspunt van
                        een vergunning voor onbepaalde tijd opgenomen, tenzij bij de vergunning of
                        ontheffing anders is bepaald. Wat betreft de inzamelingsvergunning wordt een
                        doorlopende vergunning verstrekt voor de instellingen die voorkomen op het
                        collecterooster. In de meeste gemeenten is dit al het geval. </al><al/><al>Voor instellingen die niet voorkomen op het collecterooster wordt een
                        vergunning voor bepaalde tijd afgegeven. Voor bijvoorbeeld een lokale
                        sportclub die huis-aan-huis wil collecteren voor een nieuw clubhuis, zal
                        doorgaans een vergunning voor een week worden afgegeven in een collectevrije
                        periode. </al><al/><al>Een <cursief>algemene regel</cursief> waarbij niet-keurmerkinstellingen die
                        niet op het rooster voorkomen worden vrijgesteld van de vergunningsplicht,
                        eventueel gekoppeld aan een meldingsplicht, is niet zinvol. Het verlenen van
                        een incidentele vergunning is immers maatwerk. Vaak betreft het een lokale
                        organisatie waarbij specifiek voor die organisatie geldende voorwaarden
                        worden gesteld. Juist doordat de gemeente bij deze instellingen niet kan
                        afgaan op een oordeel van het CBF dient deze zelf een afweging te maken of
                        sprake is van een bonafide instelling. Daarbij is het uitgangspunt van het
                        collecterooster dat er slechts één organisatie per week huis-aan-huis mag
                        collecteren met het oog op het voorkomen van overlast. </al><al/><al>Een <cursief>lex silencio positivo</cursief> voegt niets toe. De landelijke
                        instellingen op het collecterooster hebben immers een doorlopende
                        vergunning. De landelijke instellingen doen een aanvraag om in een bepaalde
                        week te mogen inzamelen. Beide partijen (gemeente en aanvrager) zullen er
                        voor zorgen dat de vergunning ruim voor die tijd is verleend, omdat bij
                        overschrijden van de termijn de vergunning geen nut heeft. Gezien het
                        collecterooster is namelijk uitwijken naar een andere week niet eenvoudig.
                        Er zijn overigens geen signalen ontvangen uit de praktijk dat het niet halen
                        van de termijnen een probleem is. </al><al/><al>De inzamelingsvergunning bevatte in het verleden geen
                            <cursief>weigeringsgronden</cursief>. Gezien de ontwikkelingen op het
                        gebied van inzamelen (mogelijk meerdere aanvragen voor inzamelen op straat,
                        waarbij je een maximumstelsel wil hanteren) is het gewenst om
                        weigeringgronden te kunnen hanteren. Door een andere inrichting van de APV
                        de weigeringgronden nu niet meer per artikel opgenomen, maar in hoofdstuk 1
                        benoemd. De weigeringgronden van artikel 1:8 APV zijn dus ook van toepassing
                        op de inzamelingsvergunning. </al><al/><al><cursief>Eerste lid</cursief></al><al>Voor het houden van een openbare inzameling is een vergunning van het
                        college nodig. Het artikel ziet op de welbekende inzamelingen van geld
                        middels collectebussen, maar ook op inzamelingen met gebruik van
                        intekenlijsten en de inzameling van goederen. Dit laatste komt bijvoorbeeld
                        voor als burgers gevraagd wordt een bijdrage te leveren aan een
                        voedselpakket. Dit kan middels een gift in geld maar ook door (vooraf
                        bepaalde) producten te kopen en vervolgens te doneren. Voor de openbaarheid
                        van de inzameling is het voldoende dat deze op of aan de openbare weg dan
                        wel op een andere voor het publiek toegankelijke plaats plaatsvindt. De
                        bepaling ziet zowel op het collecteren voor een ideëel als voor een
                        commercieel doel. </al><al/><al>Deze bepaling ziet formeel ook op inzamelen met collectebussen die op de
                        toonbank van winkels geplaatst zijn. Meestal betreft het hier een
                        collectebus die voor langere tijd geplaatst wordt. Hoewel dit formeel
                        vergunningplichtig is, wordt hier in de praktijk soepel mee omgegaan. Het
                        heeft nog nooit tot klachten van hetzij burgers hetzij organisaties op het
                        collecterooster geleid. </al><al/><al>In het kader van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw2000) dient bij vreemdelingen
                        die willen collecteren voor een commercieel doel bij de aanvraag om een
                        vergunning een verblijfsrechtelijke toets plaats te vinden voordat tot
                        vergunningverlening kan worden overgegaan. Zie voor overige informatie over
                        dit onderwerp onder het kopje Vreemdelingen onder de Algemene toelichting. </al><al/><al><cursief>Tweede lid</cursief></al><al>In het tweede lid is aangegeven dat ook een vergunning vereist is, indien
                        bij een inzameling geschreven of gedrukte stukken worden aangeboden. Het
                        komt veelvuldig voor dat het collecteren plaatsvindt onder gelijktijdige
                        aanbieding van gedrukte stukken, zoals prentbriefkaarten, mapjes briefpapier
                        e.d., waarbij de opbrengst een charitatieve bestemming heeft.</al><al/><al><cursief>Briefkaartenacties</cursief></al><al>Bij briefkaartenacties worden briefkaarten huis-aan-huis te koop aangeboden.
                        Deze activiteit komt tot stand op initiatief van commerciële organisaties
                        waarbij de naam van een goed doel wordt gebezigd. Er wordt gebruikt gemaakt
                        van studenten bij de verkoop. Een klein deel van de opbrengst komt ten goede
                        aan het goede doel, de rest van de opbrengst aan de initiatiefnemers van de
                        commerciële instelling. Het is verwarrend dat erkende goede doelen
                        (CBF-keur) meewerken aan dergelijke acties, Het CBF dringt er bij de door
                        haar erkende goede doelen dan ook op aan om goed toezicht te houden op de
                        verkoopactiviteiten en de informatie die daarbij vertrekt wordt. Vanwege
                        klachten over deze activiteiten die zowel bij het CBF als bij de goede
                        doelen zijn binnengekomen, is door verschillende instellingen met een goed
                        doel besloten te stoppen met deze activiteiten.</al><al/><al><cursief>Vrijheid van meningsuiting</cursief></al><al>De vraag rijst of deze wijze van collecteren valt onder de bescherming van
                        artikel 7, eerste lid, van de Grondwet (recht op vrije meningsuiting). Dit
                        is niet het geval. In vaste rechtspraak is een scheiding aangebracht tussen
                        het collecteren enerzijds en het daarbij aanbieden van gedrukte stukken
                        anderzijds (HR 26-05-1987, 106, Vz ARRS 16-08-1979, AB 1979, 297 en
                        18-10-1979, OB 180, nr. 41340, rubriek III.2.2.7). Ook een beroep op artikel
                        10 van het EVRM en artikel 19 van het IVBPR heeft de verbindendheid van een
                        dergelijke bepaling niet aangetast.</al><al>In het tweede lid van artikel 5:12 zijn de beide handelingen - het
                        collecteren en het daarbij aanbieden van geschreven of gedrukte stukken -
                        bewust van elkaar gescheiden. Volgens dit tweede lid is uitsluitend het
                        houden van openbare inzamelingen van een vergunning afhankelijk, niet het
                        daarbij aanbieden of verspreiden van geschreven of gedrukte stukken. Dit
                        houdt dus in dat als een aanvraag om een inzamelingsvergunning wordt
                        geweigerd waarbij de aanvrager van plan was om bij de geldinzameling
                        gedrukte stukken aan te bieden, dan blijft het recht om deze stukken aan te
                        bieden zonder meer bestaan. Daarbij maakt het bijzondere element “... indien
                        daarbij te kennen wordt gegeven of de indruk wordt gewekt dat de opbrengst
                        geheel of ten dele voor een liefdadig of een ideëel doel is bestemd” nog
                        eens duidelijk, dat het gaat om een regeling van het collecteren en niet om
                        een regeling van het venten of colporteren met gedrukte stukken.
                        Huis-aan-huisverkoop van briefkaarten e.d. waarbij te kennen wordt gegeven
                        dat dit geheel of gedeeltelijk plaatsvindt ten behoeve van het goede doel is
                        op basis van het bovenstaande dan ook een vergunningplichtige activiteit. De
                        uitspraak van de Hoge Raad van 21 maart 2000, NJ 2000, 482 waar door
                        commerciële kaartverkooporganisaties nog wel eens naar verwezen wordt, doet
                        daar niet aan af. Bij deze kaartverkoopacties is het voornaamste doel het
                        inzamelen van geld (veelal deels ten behoeve van het goede doel).</al><al/><al><cursief>Venten/colporteren (met gedrukte stukken) of inzamelen (onder
                            gelijktijdige aanbieding van gedrukte stukken)</cursief></al><al>Het collecteren onder gelijktijdige aanbieding van gedrukte stukken moet
                        onderscheiden worden van het venten of colporteren met gedrukte stukken.
                        Venten of colporteren met gedrukte stukken valt onder de werking van artikel
                        7, eerste lid, van de Grondwet. Het venten of colporteren beoogt vooral het
                        dekken van de kosten van verspreiding (het drukken en redigeren daaronder
                        begrepen) van gedrukte stukken. Het aanvaarden van geld is dus duidelijk
                        dienstbaar aan de verspreiding. Van venten of colporteren met gedrukte
                        stukken is sprake, wanneer voor deze stukken een reële contraprestatie in de
                        vorm van een vast bedrag wordt gevraagd. Denk hierbij aan de verkoop van
                        abonnementen op kranten of tijdschriften. Verkrijgt men een of ander
                        drukwerk door een willekeurig bedrag of een weliswaar vast, maar niet meer
                        als reële contraprestatie aan te merken, bedrag aan geld in een bus te
                        werpen of te overhandigen als bijdrage voor een duidelijk kenbaar liefdadig
                        of ideëel doel, dan is er in onze opvatting sprake van een collecte. De
                        gedrukte stukken worden daarbij slechts ter ondersteuning van die actie
                        uitgereikt en zijn niet elementair voor het verschijnsel collecte. Bij
                        strafrechtelijk optreden tegen dit soort, zonder vergunning gehouden
                        inzamelingen zal ten laste gelegd en bewezen moeten worden, dat te kennen is
                        gegeven of de indruk is gewekt dat de opbrengst geheel of gedeeltelijk is
                        bestemd voor een ideëel doel.</al><al/><al><cursief>Derde lid</cursief></al><al>In het derde lid van artikel 5:12 is een uitzondering op de vergunningplicht
                        opgenomen voor inzamelingen die gehouden worden “in besloten kring”. Voor
                        deze uitdrukking is aansluiting gezocht bij artikel 435e WvSr, waarin het
                        telefonisch colporteren voor charitatieve doeleinden wordt verboden. De
                        uitdrukking “in besloten kring” doelt op gevallen waarin tussen de
                        inzamelende instelling en de persoon tot wie zij zich richt een bepaalde
                        kerkelijke, maatschappelijke of verenigingsband bestaat, welke binding de
                        achtergrond vormt van de actie. Het begrip “besloten kring” veronderstelt
                        een nauwere band dan alleen het gemeenschappelijk lidmaatschap. Men zal
                        moeten aangeven dat er ook een zekere gemeenschappelijke bekendheid is. Dit
                        zal niet het geval zijn, indien de band tussen aanbieder en cliënt
                        uitsluitend wordt gevonden in het gemeenschappelijk lidmaatschap van een
                        grote organisatie als een vak- of een omroepvereniging. Ditzelfde geldt voor
                        het behoren tot een zelfde kerkgenootschap. Wordt de actie echter gevoerd
                        binnen een bepaalde kerkelijke gemeente of wijk, of door een plaatselijke
                        afdeling van een landelijke vereniging, dan zal weer wel sprake kunnen zijn
                        van een besloten kring.</al><al/><al><cursief>Het Centraal Bureau Fondsenwerving</cursief></al><al>Het CBF is een onafhankelijke stichting die al sinds 1925 toezicht houdt op
                        de inzameling van geld voor goede doelen. Een van de belangrijkste taken van
                        het CBF is het beoordelen van fondsenwervende instellingen. Vrijwel alle
                        Nederlandse gemeenten zijn aangesloten bij het CBF. Ze worden regelmatig
                        door het CBF geïnformeerd, of nemen zelf contact op voor nadere informatie.
                        Het CBF is zo het eerste aanspreekpunt voor gemeenten bij nieuwe
                        ontwikkelingen op het gebied van fondsenwerving en goede doelen. De
                        beoordelingen van het CBF vormen een leidraad bij het verstrekken van de
                        incidentele inzamelingsvergunningen door de gemeenten aan instellingen die
                        niet voorkomen op het collecterooster. Via afspraken met alle gemeenten en
                        een aantal grote nationale fondsen is in 1949 een “collectenplan”
                        gerealiseerd. Dit plan houdt onder meer in dat het CBF jaarlijks, op
                        voorstel van de Stichting Collectenplan, een rooster vaststelt waarin aan
                        grote landelijk collecterende fondsen voor hun inzamelingsactie een week
                        wordt toegewezen. De “vrije” perioden zijn beschikbaar voor andere
                        instellingen. Een essentieel element van het rooster is de exclusiviteit. De
                        fondsen krijgen desgevraagd als enige een inzamelingsvergunning van alle
                        gemeenten voor de betreffende week. Slechts in goed overleg tussen betrokken
                        instelling en de gemeente in kwestie zijn hierop uitzonderingen
                        mogelijk.</al><al/><al><cursief>Direct dialogue</cursief></al><al>Direct dialogue is een fondsenwervingmethode waarbij mensen worden
                        aangesproken en gevraagd om donateur of lid te worden van een instelling
                        voor een goed doel en waarbij een intekenlijst wordt aangeboden. Het publiek
                        geeft een machtiging af. In de algemene toelichting is hierover al een en
                        ander opgemerkt. Het is een wervingmethode die de laatste jaren snel
                        populair is geworden. Bij het opstellen van de bepaling van de APV is met
                        deze methode geen rekening is gehouden. Deze zag immers voornamelijk op
                        landelijk georganiseerde inzamelingen huis-aan-huis.</al><al/><al>Tot voor kort voor was de meest voorkomende vorm van direct dialogue
                        inzameling op plekken met veel lopend publiek, bijvoorbeeld in het
                        winkelgebied of bij stations. Tegenwoordig wordt deze vorm van inzamelen ook
                        huis-aan-huis toegepast. Dit maakt de vergunningverlening complexer.
                        Duidelijk is dat voor de huis-aan-huiswerving rekening gehouden dient te
                        worden met het collecterooster. De vergunning voor huis-aan-huis direct
                        dialogue kan dan ook alleen verleend worden voor de vrije perioden, waarin
                        ook ruimte dient te zijn voor lokale instellingen.</al><al/><al>Organisaties die gebruik maken van direct dialogue, willen graag meerdere
                        malen per jaar, gedurende enkele dagen leden werven. Een systeem van
                        vergunningverlening zoals aan de huis-aan-huiscollecten ten grondslag ligt
                        (één keer per jaar één week) voldoet niet aan deze behoefte. Duidelijk is
                        ook dat er een verschil is tussen huis-aan-huis collecteren en inzamelingen
                        op straat. Een groot aantal huis-aan-huiscollecten geeft eerder dan een
                        groot aantal straatcollecten aanleiding tot afkeer en wrevel onder de
                        bevolking (AR 02-12-1983, Gst. 1984, 6763, 3).</al><al/><al>Niet elke gemeente heeft te maken met direct dialogue-activiteiten, maar
                        gemeenten die regelmatig aanvragen krijgen kunnen overwegen om beleidsregels
                        vast te stellen. De gemeente kan aangeven hoeveel instellingen op een zelfde
                        dag een inzamelingsvergunning krijgen voor straatwerving, waarbij ook
                        gekeken kan worden naar het aantal wervers dat per instelling ingezet mag
                        worden. Ook kan de gemeente bepalen op welke plaatsen gebruik kan worden
                        gemaakt van de vergunning. Afgewogen dient te worden welke plekken het meest
                        wenselijk zijn vanuit de belangen van de wervende instelling en welke
                        plekken geschikt zijn in het kader van verkeersveiligheid, openbare orde en
                        overlast. De in artikel 1:8 opgenomen weigeringgronden geven de gemeente de
                        mogelijkheid aan de hand van daar genoemde criteria een maximumstelsel te
                        hanteren.</al><al/><al>Er bestaat een Gedragscode brancheorganisatie van de Vereniging Direct
                        Dialogue Donateurswervers Nederland. In deze gedragscode zijn regels
                        opgenomen voor het werven van leden en donateurs door middel van
                        persoonlijke gesprekken. Enkele van die regels zijn: de dienstverleners en
                        hun medewerkers zullen zich aan landelijke en lokale regelgeving houden
                        (o.a. de APV), geen gebruik maken van een intimiderende of agressieve
                        werkwijze, de wervers hebben altijd een identificatie bij zich en zijn goed
                        getraind en geïnformeerd.</al><al/><al><cursief>Direct dialogue in relatie tot venten</cursief></al><al>Het komt de laatste tijd regelmatig voor dat gemeenten benaderd worden door
                        marketing- en salesorganisaties die een vergunning aanvragen om
                        huis-aan-huis klanten te werven voor hun opdrachtgevers. Een opdrachtgever
                        kan een charitatieve instelling zijn waarvoor leden worden geworven door
                        middel van een intekenlijst, maar ook een bedrijf dat producten verkoopt.
                        Bijvoorbeeld een energie- of telefonieleverancier werft huis-aan-huis
                        klanten waarbij aan de deur een contract wordt ondertekend.</al><al/><al>De vergunningen die mogelijk op deze activiteiten van toepassing zijn, zijn
                        de inzamelingsvergunning (art 5:12 APV) en de ventvergunning (art. 5:13 e.v.
                        APV). Wat betreft de inzamelingsvergunning is het verwarrend dat het niet
                        het charitatieve doel zelf is dat de vergunning aanvraagt, maar de
                        commerciële organisatie in opdracht van een goed doel. Voor de hand ligt dat
                        aan deze instelling bij het verlenen van de inzamelingsvergunning dezelfde
                        voorwaarden worden opgelegd als aan een charitatieve instelling, dus ook het
                        terugkoppelen van wat ingezameld is (hoeveel machtigingen en voor welk
                        bedrag).</al><al>Bij venten ziet de vergunningplicht zowel op het aanbieden van goederen als
                        het aanbieden van diensten. Het werven van klanten voor energieleveranciers
                        valt onder het aanbieden van diensten. Doel is immers om via deze methode
                        een contract af te sluiten voor de levering van een dienst. Een andere vorm
                        van venten is het op straat of huis-aan-huis verkopen van producten als een
                        hotelbon of bon voor vakantiepark.</al><al/><al><cursief>Gemeentelijk beleid met betrekking tot de verlening van de
                            inzamelingsvergunningen</cursief></al><al>Het gemeentelijk beleid inzake de verlening van inzamelingsvergunningen
                        heeft twee uitgangspunten: de inzameling geschiedt door bonafide te achten
                        instellingen en in het kader van overlast wordt het aantal collecten beperkt
                        en gelijkmatig over het jaar verdeeld. Desgewenst wordt een onderscheid
                        gemaakt tussen inzamelingen huis-aan-huis en op straat.</al><al/><al>De collecten van landelijke instellingen, voorkomende op het collecterooster
                        krijgen een doorlopende vergunning. De gemeente volgt hierbij het CBF en de
                        Stichting Collecteplan. Instellingen die niet op dit collecterooster
                        voorkomen en een vergunning vragen voor een vrije periode of voor werving op
                        straat dienen door de gemeente beoordeeld te worden. Bij de beoordeling van
                        de aanvragen worden in de praktijk onder meer de volgende criteria
                        gehanteerd (indien van toepassing):</al><al>- de instelling moet als bonafide zijn aan te merken (advies inwinnen bij
                        CBF);</al><al>- de instelling moet specifiek plaatselijke kenmerken bezitten; en/of</al><al>- de voorgenomen actie is geen duplicering van andere al “gevestigde”
                        inzamelingen ten bate van een identiek doel, met name dat van instellingen
                        vermeld op het collecteplan; en/of</al><al>- de opbrengst van de voorgenomen collecte moet worden besteed ten behoeve
                        van personen of instellingen buiten de kring van collecterende instellingen;
                        en/of</al><al>- de aanvragende instelling mag geen (controversiële) politieke doeleinden
                        nastreven;</al><al>- controle van de begroting op besteding van de gelden;</al><al>- tellen onder toezicht van een notaris;</al><al>- betalingsbewijs achteraf (dat het geld daadwerkelijk is overgemaakt aan
                        doel);</al><al>- gesloten bus, legitimatie inzamelaars etc;</al><al>- onderschrijven Gedragscode brancheorganisatie van de Vereniging Direct
                        Dialogue Donateurswervers Nederland. </al><al/><al/><al><cursief>Jurisprudentie collectevergunning en textiel</cursief></al><al>- Het Intergemeentelijk Orgaan Rivierenland (IOR) had een inzamelvergunning
                        voor textiel verleend aan een charitatieve instelling. Het bestuur van het
                        IOR besloot uit oogpunt van doelmatigheid de inzameling van textiel zelf ter
                        hand te nemen en de samenwerking met de charitatieve instelling te
                        beëindigen. In een spoedprocedure bij de Raad van State werd door de
                        instelling betoogd dat er geen sprake was van een afvalstof, omdat het
                        textiel met het oogmerk op hergebruik werd ingeleverd en ingezameld. De Raad
                        van State oordeelde echter anders. Het ingezamelde textiel (draagbare en
                        niet-draagbare kleding, lakens, dekens, grote lappen stof en gordijnen) is
                        aan te merken als een huishoudelijke afvalstof, omdat de aangeboden kleding
                        kennelijk ongesorteerd wordt aangeboden en daarom nog een sorteerbewerking
                        moet ondergaan. Een deel van de ingezamelde textiel kan namelijk gebruikt
                        worden overeenkomstig de oorspronkelijke bestemming, een deel is slechts
                        geschikt voor een ander gebruik en een deel is onbruikbaar. De Raad van
                        State verwijst ook naar een uitspraak van het Hof van Justitie, waarin werd
                        geoordeeld dat het toepassingsgebied van het begrip afvalstof afhangt van de
                        term “zich ontdoen van”. In de genoemde feiten ligt volgens de Raad van
                        State een aanwijzing besloten dat de huishoudens zich van het textiel hebben
                        willen ontdoen, voornemens zijn zich daarvan te ontdoen of zich daarvan
                        moeten ontdoen. De inzameling is daarom primair een verantwoordelijkheid van
                        de lokale gemeente. </al><al/><al>Voor de collectevergunning heeft de uitspraak van de Raad van State de
                        volgende consequentie. De inzameling van textiel valt onder het
                        toepassingsgebied van de Afvalstoffenverordening gemeente Vlissingen. Het
                        verstrekken van een inzamelingsvergunning voor de inzameling van textiel is
                        hierdoor niet mogelijk, omdat textiel in nagenoeg alle gevallen kan worden
                        beschouwd als een afvalstof in de zin van artikel 1.1, eerste lid, Wet
                        milieubeheer. Het is namelijk niet aannemelijk dat een burger zijn textiel
                        gesorteerd kan aanbieden. Immers deze kan niet weten voor welke bestemming
                        hij bijvoorbeeld lappen of kleren aanbiedt (hergebruik, poetslap of
                        onbruikbaar). Een sorteerbewerking lijkt hierdoor altijd noodzakelijk.
                        Gesteld kan worden dat de gemeente op grond van artikel 10.22 Wet
                        milieubeheer een zorgplicht heeft voor de inzameling van textiel, hierdoor
                        is de Afvalstoffenverordening gemeente Vlissingen van toepassing. Dat
                        betekent overigens niet dat de gemeente de inzameling van textiel zelf ter
                        hand moet nemen. De inzameling van textiel kan nog steeds worden overgelaten
                        aan charitatieve instellingen. De gemeente kan bijvoorbeeld op grond van
                        artikel 7, tweede lid, van de Afvalstoffenverordening gemeente Vlissingen
                        besluiten een charitatieve instelling aan te wijzen als inzamelaar van
                        textiel. Ook kan het college op grond van artikel 11 van de
                        Afvalstoffenverordening gemeente Vlissingen besluiten een inzamelvergunning
                        te verlenen aan een charitatieve instelling. Het CBF informeert gemeenten
                        ook over charitatieve instellingen welke kleding inzamelen. ABRS 28-01-2003,
                        nr. 200206958. </al><al/><al><cursief>Jurisprudentie overig</cursief></al><al>- Noch een APV-vergunning inzake het inzamelen van geld en goed, noch een
                        vergunning voor het inzamelen van huishoudelijke afvalstoffen en/of groot
                        huisvuil is vereist. Inzameling van kleding is geen inzameling van huisvuil.
                        Inzamelen bij een centraal inzamelpunt is geen inzameling aan de weg of aan
                        huis. Vz. ARRS 19-01-1993, JG 93.0355 , Gst. 1994, 6983, 3 m.nt. EB.</al><al>- Het beleid van het college dat - conform het advies van het Centraal
                        Archief van het Inzamelingswezen - sedert 1985 aan landelijk opererende
                        instellingen die in de zgn. vrije periode collecteren, de voorwaarde wordt
                        gesteld tot het binnen twee jaar overleggen van een financiële
                        verantwoording, in de vorm van een jaarverslag met een
                        accountantsverklaring, is niet onredelijk. ARRS 28-02-1989, AB 1989,
                        251.</al><al>- Een groot aantal huis-aan-huiscollecten kan eerder dan een groot aantal
                        straatcollecten aanleiding geven tot afkeer en wrevel onder de bevolking.
                        ARRS 02-12-1983, Gst. 1984, 6763, 3, m.nt. J.M. Kant</al><al>- Een inzameling is openbaar als deze aan de openbare weg of van daaraf
                        zichtbaar dan wel op een andere voor het publiek toegankelijke plaats
                        plaatsvindt. HR 31-10-1938, NJ 1939, 235</al><al>- Het te koop aanbieden van bonnetjes op zich zelf en zonder dat is
                        aangegeven tot welk doel de opbrengst van de verkoop strekt, is nog niet aan
                        te merken als het houden van een openbare inzameling. HR 07-11-1932, W.
                        1933, 12584.</al><al>- Het zich tot verschillende personen wenden om een geldelijke bijdrage,
                        levert het houden van een inzameling van geld op, ook indien op die
                        verzoeken slechts één gift is ontvangen. HR 21-03-1927, NJ 1927.</al><al> - De collectevergunning geldt voor liefdadige én commerciële inzamelingen.
                        Daarnaast rechtvaardigt de ABRS het door de gemeente gelegde verband tussen
                        inzamelingsvergunningen voor textiel en het afvalstoffenbeleid, JG 00.0187 . </al><al/><al/></divisie><divisie><kop><label>Afdeling</label><nr>3.</nr><titel>Venten</titel></kop><al><onderstreept>Artikel 5:13 Begripsbepaling</onderstreept></al><al>Omschreven is wat onder venten wordt verstaan. Dit is een verbetering omdat
                        het uitoefenen van de ambulante handel (het venten) onderscheiden moet
                        worden van enerzijds de collectevergunning en anderzijds de
                        standplaatsvergunning. Onder venten met goederen wordt dan ook verstaan: de
                        uitoefening van kleinhandel waarbij goederen of diensten aan willekeurige
                        voorbijgangers worden aangeboden dan wel het huis-aan-huis aanbieden van
                        goederen of diensten. Bij venten is het van belang dat de venter in beweging
                        is. De venter biedt zijn waren voortdurend aan vanaf een andere plaats. Het
                        tijdelijk stilstaan in afwachting van klanten is geen venten. HR 26-03-1974,
                        NJ 1974, 239. </al><al/><al>Het onderscheid tussen venten en collecteren is het volgende. Van venten of
                        colporteren is sprake wanneer voor deze goederen een reële contraprestatie
                        in de vorm van een vast bedrag wordt gevraagd. In principe worden bij
                        collecteren geen goederen aangeboden, maar gaat het om het inzamelen van
                        geld en goederen. Verkrijgt men een drukwerk of ander goed door een
                        willekeurig bedrag of een weliswaar vast, maar niet meer als reële
                        contraprestatie aan te merken, bedrag aan geld in een bus te werpen of te
                        overhandigen als bijdrage voor een duidelijk kenbaar liefdadig of ideëel
                        doel, dan is sprake van een collecte. De goederen worden daarbij slechts ter
                        ondersteuning van die actie uitgereikt. Bij strafrechtelijk optreden tegen
                        dit soort zonder vergunning gehouden inzamelingen zal ten laste gelegd en
                        bewezen moeten worden dat te kennen is gegeven of de indruk is gewekt dat de
                        opbrengst geheel of gedeeltelijk is bestemd voor een ideëel doel. Het
                        onderscheid tussen venten en het innemen van een standplaats, betreft de
                        periode gedurende welke goederen vanaf dezelfde plaats op straat worden
                        aangeboden aan willekeurige voorbijgangers. Onder het innemen van een
                        standplaats wordt verstaan het te koop aanbieden van goederen vanaf
                        eenzelfde plaats, gebruikmakend van fysieke hulpmiddelen als een kraam of
                        een aanhangwagen, in de openbare ruimte. Het tien minuten standplaats
                        innemen vereist een standplaatsvergunning en geen ventvergunning, HR
                        26-03-1974, NJ 1974, 239. Venten en standplaatsen sluiten elkaar dus uit. </al><al/><al>Notificatienummer Dienstenrichtlijn (Richtlijn 2006/123/EG betreffende
                        diensten op de interne markt) Europese commissie Artikel 5:13 jo 5:14 APV
                        Vlissingen: <vet>NL-020-2010-39 </vet></al><al/><al><onderstreept>Artikel 5:14 Ventverbod</onderstreept> Het oude artikel 5.2.2
                        ging uit van een algeheel verbod op venten, behalve als met een door het
                        college verstrekte vergunning werd gehandeld. Wij hebben in 2009 gekozen
                        voor een algemene regel. Het is nog slechts verboden te venten als de
                        openbare orde wordt verstoord, de openbare veiligheid, de volksgezondheid of
                        het milieu in gevaar komen. De terminologie sluit aan bij de Europese
                        Dienstenrichtlijn. Hieronder vallen de aloude motieven van overlast (in de
                        meeste gevallen) en verkeersveiligheid. Zie voor nadere uitleg de
                        toelichting onder artikel 1:8. Tot het afschaffen van het vergunningstelsel
                        is besloten, omdat in de meeste gemeenten venten geen overlast e.d.
                        oplevert. De praktijk van vergunningverlening is dat men de vergunning
                        vrijwel altijd verleent onder dezelfde voorwaarden. Er is dan geen goede
                        reden waarom een vergunningstelsel nog noodzakelijk en proportioneel is.
                        Overlast kan ook achteraf worden aangepakt. Wij achten het risico van
                        achteraf controleren niet veel groter dan van het vooraf vaststellen van de
                        voorwaarden die vaak dezelfde zijn. Volgens de Dienstenrichtlijn is een
                        vergunning alleen proportioneel als een controle achteraf onvoldoende is.
                        Voor de goede orde wijzen wij er nog op dat het ventverbod als bedoeld in
                        artikel 5:14 APV een beperking is in de zin van de Dienstenrichtlijn, die
                        daarop derhalve wel is gescreend. In dit artikel wordt verboden om te
                        venten, als daardoor de openbare orde, openbare veiligheid, volksgezondheid
                        of milieu in gevaar komen. Er is geen sprake van een ontheffingsmogelijkheid
                        of een andere beslissing op aanvraag. Een lex silencio is hier niet aan de
                        orde. </al><al/><al>De uitgangspunten van de Dienstenrichtlijn op grond van het EG-verdrag
                        gelden overigens in het geval van venten ook voor het verkopen van goederen.
                        Volgens het Hof van Justitie kunnen beperkingen gesteld worden aan de
                        vrijheid van venten indien sprake is van een dwingende reden van algemeen
                        belang. Het Hof van Justitie heeft op 23 februari 2006 betreffende een
                        verzoek om een prejudiciële beslissing betreffende de uitleg van de
                        artikelen 28 en 30 EG, ingediend door het Landesgericht Klagenfurt
                        (Oostenrijk), uitspraak gedaan in een zaak waarin de Duitse onderneming X
                        zich bezighield met het venten van sieraden op het grondgebied van de
                        Europese Unie, waarbij zij particulieren in particuliere woningen bezocht.
                        Daar bood zij zilveren sieraden te koop aan en vergaarde zij bestellingen
                        met betrekking tot dergelijke sieraden. De nationale, Oostenrijkse bepaling
                        verbood deze handelingen. Het Hof bepaalde in de eerste plaats dat de regel
                        niet discriminatoir mag zijn ten opzichte van de dienstverlener en verder
                        dat moet worden nagegaan of de betrokken maatregel gerechtvaardigd is door
                        een doelstelling van algemeen belang in de zin die de rechtspraak van het
                        Hof aan dit begrip geeft of door een van de in artikel 30 EG genoemde
                        doelstellingen, en of die maatregel evenredig is aan deze doelstelling. </al><al/><al>Op grond van artikel 16 van de Dienstenrichtlijn mogen er eisen worden
                        gesteld aan dienstverleners die tijdelijk in Nederland hun diensten
                        aanbieden het belang van de openbare orde, openbare veiligheid. Zie voor de
                        argumentatie waarom gekozen is voor deze regeling de toelichting bij artikel
                        1:8. </al><al/><al>In de praktijk is het noodzakelijk beleidsregels te formuleren in welke
                        gevallen sprake is van gevaar voor de in het artikel genoemde motieven.
                        Dergelijke beleidsregels moeten bekend gemaakt worden. Ook beleidsregels
                        moeten voldoen aan criteria van de Dienstenrichtlijn. Immers volgens artikel
                        4, van de Richtlijn vallen onder de definitie van eisen die gesteld kunnen
                        worden: elke verplichting, verbodsbepaling, voorwaarde of beperking uit
                        hoofde van de wettelijke een bestuursrechtelijke bepalingen van de
                        lidstaten. </al><al/><al><cursief>Tweede lid</cursief></al><al>Het tweede lid is ingevoegd om te voorkomen dat burgers op zondag of in de
                        late avonduren en nacht worden lastig gevallen door venters. <cursief>Derde
                            lid</cursief>Het derde lid bevat een afbakening naar hogere regelgeving.
                        Artikel 5 van de Wegenverkeerswet luidt: Het is een ieder verboden zich
                        zodanig te gedragen dat gevaar op de weg wordt veroorzaakt of kan worden
                        veroorzaakt of dat het verkeer op de weg wordt gehinderd of kan worden
                        gehinderd. </al><al/><al><cursief>Vergunningstelsel</cursief></al><al>Mocht de gemeente ondanks bovenstaande overwegingen een
                        vergunningstelsel noodzakelijk en proportioneel achten, dan kan artikel
                        5:14, eerste lid luiden: Het is verboden zonder vergunning van het college
                        te venten. Het tweede lid kan worden geschrapt, want kan als
                        vergunningvoorwaarde worden opgenomen. Weigeringsgronden worden niet
                        expliciet in het artikel opgenomen, want deze staan genoemd in artikel 1:8 .
                        Artikel 1:7 geeft voorts aan dat de vergunning in beginsel voor onbepaalde
                        tijd wordt verleend. De artikelen 5:14 en 5:16 kunnen worden overgenomen. </al><al>Gemeenten die het vergunningstelsel niet willen loslaten, beroepen zich
                        vooral op het argument van het preventief voorkomen van overlast door
                        venters die hun goederen of diensten aan de deur slijten. Daarbij wordt vaak
                        de politie geraadpleegd of de dienstverlener een belastend verleden heeft.
                        In 1993 erkende de Afdeling rechtspraak van de Raad van State dat een
                        strafrechtelijk verleden in de weg staat aan het verlenen van een
                        ventvergunning (zie onder jurisprudentie). Het is de vraag of dit ook nog
                        geldt onder de Dienstenrichtlijn. Volgens B.Hessel (Gst. 7271, p. 200) mag
                        een vergunning niet aan een dienstverlener uit een andere lidstaat worden
                        geweigerd omdat hij strafrechtelijk onvoorwaardelijk is veroordeeld voor
                        meer dan zes maanden. Aanvullende argumenten binnen het begrip openbare orde
                        in de zin van de Dienstenrichtlijn moeten aanwezig zijn en gerelateerd
                        worden aan het concrete gedrag van de dienstverlener. </al><al/><al><cursief>Redelijk verzorgingsniveau</cursief></al><al>In het verleden is het beschermen van een redelijk voorzieningenniveau in de
                        gemeente ten behoeve van de consument als een openbare orde-belang
                        aangemerkt. De gedachte was dat gevestigde winkeliers geconfronteerd worden
                        met hoge exploitatiekosten die niet in verhouding staan tot de vrij lage
                        exploitatiekosten van de straathandelaren. Uit jurisprudentie van de
                        Afdeling bestuursrecht van de Raad van State blijkt dat het reguleren van de
                        concurrentieverhoudingen niet als een huishoudelijk belang van de gemeente
                        wordt aangemerkt. Hierop wordt door de Afdeling slechts één uitzondering
                        toegestaan, namelijk wanneer het voorzieningenniveau voor de consument in
                        een deel van de gemeente in gevaar komt. Wil een gemeente op basis hiervan
                        een vergunning weigeren dan moet worden aangetoond, mede aan de hand van de
                        boekhouding van de plaatselijke winkelier, dat het voortbestaan van de
                        winkel in gevaar komt als door een venter dezelfde goederen aangeboden
                        worden. </al><al/><al>De Dienstenrichtlijn staat deze weigeringsgrond voor venters die (mede)
                        diensten verlenen niet toe, omdat dit wordt beschouwd als een economische,
                        niet toegestane, belemmering voor het vrij verkeer van diensten. Het blijft
                        echter nog wel mogelijk om deze weigeringsgrond te hanteren voor het
                        verkopen van goederen (zie ook artikel 5:17, derde lid, onder b). De
                        Dienstenrichtlijn is hierop immers niet van toepassing. </al><al/><al><cursief>Maximumstelsel</cursief></al><al>De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft bepaald, dat het
                        in het belang van de openbare orde kan zijn om het aantal te verlenen
                        vergunningen aan een maximum te binden. Het aantal te verlenen vergunningen
                        kan worden beperkt tot een van tevoren vastgesteld maximum als de openbare
                        orde in gevaar wordt gebracht. Wel dient te worden aangetoond of aannemelijk
                        gemaakt dat van zo'n gevaar in concreto daadwerkelijk sprake is. De Europese
                        Dienstenrichtlijn komt wat dit betreft overeen met de bestaande lijn in de
                        Nederlandse rechtspraak: een maximumstelsel mag. Wel geldt op grond van
                        artikel 9 jo artikel 10 dat er een transparante en non-discriminatoire op
                        objectieve gronden gebaseerde verdeling/toekenning van vergunningen moet
                        zijn. </al><al/><al><cursief>Verificatieplicht Vreemdelingenwet 2000</cursief></al><al>In het kader van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) dient bij de aanvraag om
                        een vergunning een verblijfsrechtelijke toets plaats te vinden alvorens tot
                        vergunningverlening wordt overgegaan. Artikel 9, tweede lid, van de Vw 2000
                        schept een verplichting om desgevraagd bij een aanvraag voor een beschikking
                        anders dan op grond van de Vw 2000, een document te overleggen waaruit het
                        rechtmatig verblijf blijkt. Zie voor overige informatie over dit onderwerp
                        onder het kopje Vreemdelingen onder de Algemene toelichting. </al><al/><al>Notificatienummer Dienstenrichtlijn (Richtlijn 2006/123/EG betreffende
                        diensten op de interne markt) Europese commissie Artikel 5:13 jo 5:14 APV
                        Vlissingen: <vet>NL-020-2010-39</vet></al><al/><al><onderstreept>Artikel 5:15 Vrijheid van
                        meningsuiting</onderstreept></al><al>Artikel 7 Grondwet bepaalt dat geen vergunning mag worden geëist voor de
                        gebruikmaking van een zelfstandig middel van bekendmaking. In de
                        jurisprudentie is het aanbieden van of venten met gedrukte stukken als een
                        zelfstandig middel van bekendmaking aangemerkt. Een afzonderlijk probleem is
                        het beoordelen of er in een concrete situatie sprake is van de uitoefening
                        van “een zelfstandig middel van bekendmaking” in de zin van artikel 7 van de
                        Grondwet of dat er sprake is van het te koop aanbieden van drukwerk, waarbij
                        geen gedachten of gevoelens worden geopenbaard. Het verspreiden van
                        handelsreclame wordt niet tot de vrijheid van drukpers gerekend, zie artikel
                        7, vierde lid van de Grondwet. </al><al/><al>Ook het trekken van een grens tussen het aanbieden van gedrukte stukken in
                        het kader van de vrijheid van drukpers en het verkopen van gedrukte stukken
                        is in de praktijk dikwijls moeilijk vast te stellen. Zo is in de jaren
                        tachtig in een groot aantal gemeenten het verzoek gedaan tot het venten met
                        prentbriefkaarten. De firma die in deze gemeenten haar prentbriefkaarten in
                        het kader van een commerciële protestactie wilde verkopen was van mening dat
                        het gedrukte stukken betrof die, gelet op artikel 7 Grondwet, zonder
                        ventvergunning verkocht mogen worden. Hoewel bij de verkoop van deze kaarten
                        gesuggereerd werd dat de opbrengst voor een goed doel bestemd was, bleek de
                        opbrengst geheel ten goede te komen aan de verkoper van de
                        prentbriefkaarten. Optreden tegen de verkoper op grond van overtreding van
                        een APV-bepaling waarin een ventverbod wordt vastgelegd, is in een dergelijk
                        geval echter niet mogelijk. </al><al/><al>In een geval van verkoop van posters met reproducties van aquarellen en
                        afbeeldingen van foto’s al dan niet voorzien van teksten, is bepaald dat
                        deze voor geen andere uitleg vatbaar zijn dan dat zij een bepaalde uiting
                        van kunst bevatten of ludiek van aard zijn. Bezwaarlijk kan van zulke
                        gedrukte stukken gezegd worden dat zij geen gedachten of gevoelens openbaren
                        als bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de Grondwet. </al><al/><al>Het stellen van beperkingen aan het venten met gedrukte stukken is onder de
                        volgende criteria toegestaan: de beperking mag geen betrekking hebben op de
                        inhoud van de gedrukte stukken en er dient gebruik van enige betekenis te
                        resteren; de beperking mag niet resulteren in een algeheel verbod. </al><al/><al>Een constructie, waarbij aan een (beperkt) verbod de mogelijkheid tot het
                        verlenen van een ontheffing is verbonden, is volgens de jurisprudentie wel
                        toelaatbaar. De beperking van de verkoop van drukwerk waarop een mededeling
                        staat is, gelet op artikel 7 van de Grondwet, niet mogelijk voor zover het
                        betreft de inhoud van het drukwerk. Artikel 7 van de Grondwet beschermt
                        immers “iedere openbaarmaking van een - meer of minder weloverwogen -
                        gedachte of een gevoelen, ongeacht de intenties of motieven van degene die
                        zich uit” (KB 5 juni 1986, Stb. 339). Wel kan de verkoop van drukwerk in het
                        belang van de openbare orde en veiligheid naar tijd en plaats worden
                        ingeperkt. </al><al/><al><onderstreept>Daklozenkrant</onderstreept></al><al>De verkoop van daklozenkranten is noch venten noch collecteren. Op grond van
                        artikel 7 van de Grondwet kan het verkopen niet verbonden worden aan een
                        vergunning. Als verkoop plaats vindt op het grondgebied van bijvoorbeeld een
                        supermarkt, dan kan de eigenaar de verkoper verzoeken weg te gaan. Het
                        verdient aanbeveling om te overleggen met de koepelorganisaties die de
                        daklozen vertegenwoordigt. Immers niet iedereen kan een straatkrant
                        verkopen. De verkopers moeten in het bezit zijn van een identiteitsbewijs
                        van de koepelorganisatie waarmee ze kunnen aantonen dat ze officiële
                        straatkantverkopers zijn.</al><al/><al><cursief>Jurisprudentie</cursief></al><al>- Strafrechtelijk verleden staat in de weg aan het verlenen van
                        ventvergunning. Geen uitzondering op het beleid gezien de aard van de
                        gepleegde feiten en de veelvuldige veroordelingen. ARRS 26-07-1993, AB 1994,
                        2 m.nt. LJJR. Zie ook Vz. ARRS 20-10-89, JG 90.0181 .</al><al>- Relatie Colportagewet en ventverbod uit de APV. Colportagewet niet
                        uitputtend bedoeld. HR 20-10-1992, JG 93.0258 , NJ 1993, 155, Gst.1993,
                        6972, 5 m.nt. EB.</al><al>- Verkoopactiviteiten vanuit rijdende winkel is vergunningplichtig op grond
                        van de APV. De regeling in de APV is niet in strijd met de Vestigingswet
                        Bedrijven 1954 (inmiddels ingetrokken). Aan toetsing van de APV-bepaling aan
                        artikel 30 van het EG-verdrag komt de afdeling niet toe. ABRS 27-11-1998,
                        Gst.1999, 7090, 4 m.nt. HH.</al><al>- Het aanbieden van goederen in een rijdende winkelwagen kan aan regels
                        worden gebonden ten behoeve van de handhaving van de openbare orde. Er is
                        sprake van venten. ARRS 15-06-1984, Gst. 1984, 6789, 4 m.nt. J.C.
                        Schroot.</al><al>- Van venten is sprake als de venter zijn waren voortdurend vanaf een andere
                        plaats aanbiedt, tenzij hij zijn clientèle aan het bedienen is. Er geldt een
                        verbod tot het aanbieden vanaf een vaste plaats. Het tijdelijk stilstaan in
                        afwachting van klanten is in strijd met de verleende ventvergunning. HR
                        26-03-1974, NJ 1974, 239.</al><al>- Venten met gedrukte of geschreven stukken wordt aangemerkt als een
                        zelfstandig middel van verspreiding. HR 17-03-1953, NJ 1953, 389,
                        Wachttorenarrest en HR 20-06-1950, NJ 1950, 619.</al><al>- Terechte weigering van ventvergunning. Het reguleren van de ambulante
                        handel is een zaak die tot de gemeentelijke huishouding behoort. Pres. Rb.
                        Assen 31-10-1996, JG 97.0078 </al><al>- Wanneer ondanks verleende ventvergunning feitelijk vanaf een standplaats
                        wordt gehandeld, dient een aanschrijving te worden gebaseerd op artikel
                        5.2.3 en niet (mede) op artikel 5.2.2. Gelet op het bepaalde in artikel
                        5.2.2 lid 2 onder d (oud) en artikel 5.2.3 (oud) sluiten venten en het
                        innemen van een standplaats elkaar uit, zodat deze artikelen niet naast
                        elkaar aan de aanschrijving ten grondslag kunnen worden gelegd. ABRS
                        23-03-1998, AB 1998,- 277.</al><al>- Venten met posters valt onder de vrijheid van meningsuiting. Posters zijn
                        een bepaalde uiting van kunst of ludiek van aard. Er kan daarom niet gezegd
                        worden dat de posters geen gedachten of gevoelens openbaren. HR 21-03-2000,
                        NJ 2000, 482. </al><al/></divisie><divisie><kop><label>Afdeling</label><nr>4.</nr><titel>Standplaatsen</titel></kop><al><onderstreept>Artikel 5:16 Begripsbepaling</onderstreept></al><al>Deregulering bestaat niet alleen uit het verminderen van administratieve
                        lasten, maar ook uit het verhelderen en vereenvoudigen van regels. In het
                        kader van de deregulering is daarom het oude artikel 5.2.3 opgedeeld in vijf
                        artikelen en is de tekst verduidelijkt. De artikelen zijn hernummerd.
                        Artikel 5:16 bevat een begripsomschrijving en voorziet voorts in
                        uitzonderingen. Het hebben van een standplaats ziet op het te koop aanbieden
                        van goederen vanaf een vaste plaats. Dit is dan ook het onderscheidend
                        criterium ten opzichte van het venten met goederen. Bij het venten met
                        goederen wordt er immers vanuit gegaan dat de venter voortdurend zijn
                        goederen vanaf een andere plaats in de openbare ruimte aanbiedt. Met andere
                        woorden: de venter is ambulant, de standplaatshouder niet. </al><al/><al><cursief>Tweede lid</cursief>Het tweede lid bepaalt dat de definitie van het
                        eerste lid niet bevat het innemen van een standplaats op een door de
                        gemeente ingestelde markt op basis van artikel 160, eerste lid, aanhef en
                        onder h, van de Gemeentewet. Degene die op een door de gemeente ingestelde
                        markt een standplaats wil innemen zal zich moeten houden aan de regels die
                        voor de markt gelden. Deze zijn in veel gemeenten in een marktverordening
                        neergelegd. Een afbakening met de snuffelmarkt is niet nodig, omdat
                        snuffelmarkten in gebouwen plaats vinden en standplaatsen worden ingenomen
                        in de open lucht. Voor het innemen van een standplaats op een bepaald
                        evenement is geen vergunning krachtens afdeling 5.4 nodig. Op het evenement
                        zijn de artikelen 2:16 en 2:17 van toepassing, waarbij de bepalingen met
                        betrekking tot het innemen van een standplaats niet van toepassing zijn.
                        </al><al/><al><onderstreept>Artikel 5:17 Standplaatsvergunning en
                            weigeringsgronden</onderstreept><cursief>Algemeen</cursief></al><al>Wij achten een vergunning voor het hebben van een standplaats, hoe eenvoudig
                        ook, noodzakelijk en evenredig. De vergunning dient om te voorkomen dat de
                        openbare orde wordt verstoord en overlast wordt tegengegaan. Gedacht kan
                        worden aan bijvoorbeeld: geluidsoverlast, stankoverlast, verkeershinder en
                        overlast door zwerfafval. De vergunning is persoonsgebonden (artikel 1:6).
                        </al><al/><al><cursief>Lex silencio positivo</cursief>Deze vergunning richt zich met name
                        op de openbare orde. Een lex silencio positivo is dan ook niet wenselijk om
                        deze dwingende reden van algemeen belang. Paragraaf 4.1.3.3. Awb wordt niet
                        van toepassing verklaard. </al><al/><al><cursief>Vergunning voor onbepaalde tijd</cursief>Een vergunning
                        wordt in beginsel voor onbepaalde tijd verleend (artikel 1:7). Indien de
                        vergunning met het oog op de verdeling van standplaatsen aan een termijn
                        wordt verbonden, wordt gemotiveerd waarom dit noodzakelijk is in het belang
                        van onder meer de openbare orde, overlast en de verkeersveiligheid en
                        milieu. Zie voor nadere toelichting bij de artikelen 1:7. </al><al/><al><cursief>Vrijheid van meningsuiting</cursief></al><al>In het derde lid van artikel 5.2.3 (oud) werd een uitzondering gemaakt op
                        het verbod op de straathandel voor zover het betreft het uitstallen van
                        stukken waarin gedachten en gevoelens worden geopenbaard (artikel 7
                        Grondwet). Voor het aanbieden van gedrukte stukken als zodanig kan geen
                        vergunning worden geëist. Het wordt gezien als een zelfstandig middel van
                        verspreiding. Wel is een vergunning noodzakelijk indien vanaf een
                        standplaats gedrukte stukken worden aangeboden. Deze vergunning is niet
                        vereist vanwege het feit dat gedrukte stukken worden aangeboden, maar
                        vanwege het feit dat een standplaats wordt ingenomen. Dus het gaat hier om
                        een standplaatsvergunning. </al><al/><al><cursief>Tweede lid Bestemmingsplan</cursief>De bepalingen in de
                        APV met betrekking tot het innemen van een standplaats zijn gebaseerd op
                        ordening van de straathandel en zijn gebaseerd op de regulerende bevoegdheid
                        van de gemeente van zaken die tot haar huishouding behoren. Daarnaast vormen
                        de besluiten op grond van de Wet op de ruimtelijke ordening, zoals een
                        bestemmingsplan, een zelfstandige weigeringsgrond. Dit betekent dat bij de
                        beoordeling van een aanvraag voor een vergunning voor het innemen van een
                        standplaats altijd gelet moet worden op de voorschriften die uit het
                        bestemmingsplan voortvloeien. Als het bestemmingsplan standplaatsen ter
                        plaatse niet toelaat, is het moeilijk uit te leggen dat de vergunning
                        weliswaar wordt verleend, maar dat daarvan geen gebruik gemaakt kan worden
                        wegens strijd met het bestemmingsplan. Strijd met het bestemmingsplan is
                        daarom als imperatieve weigeringsgrond opgenomen. Blijkens jurisprudentie is
                        dit aanvaardbaar omdat een dergelijke bepaling geen zelfstandige
                        planologische regeling bevat. </al><al/><al><cursief>Derde lid Weigeringsgronden</cursief>De generieke
                        weigeringsgronden worden genoemd in artikel 1:8. Nadere uitleg daarvan vindt
                        men in de toelichting bij dat artikel. </al><al/><al><cursief>Derde lid, onder a Redelijke eisen van welstand</cursief></al><al>In 2004 is de weigeringsgrond “uiterlijk aanzien van de gemeente” vervangen
                        door “redelijke eisen van welstand” vanwege het streven om de terminologie
                        in de APV zo eenduidig mogelijk te houden. Bovendien sluit het aan bij de
                        terminologie van de Woningwet. Wij gaan ervan uit dat “uiterlijk aanzien” en
                        “redelijke eisen van welstand” inhoudelijk dezelfde betekenis hebben. De
                        weigeringsgrond kan gehanteerd worden indien een of meer standplaatsen
                        worden ingenomen op een zodanige plaats dat het straatbeeld ernstig
                        verstoord wordt. Met deze weigeringsgrond kan niet alleen verkapte
                        marktvorming worden tegengegaan, ook wordt daarmee het aanzien van
                        monumentale gebouwen of stedenbouwkundige ensembles gewaarborgd. Het college
                        bepaalt zelfstandig de inhoud van deze weigeringsgrond. Het is niet
                        noodzakelijk, maar wel verstandig om bij voorbeeld de welstandscommissie om
                        advies te vragen.</al><al/><al><cursief>Derde lid onder b Redelijk verzorgingsniveau</cursief></al><al>In het verleden is het beschermen van een redelijk voorzieningenniveau in de
                        gemeente ten behoeve van de consument als een openbare orde-belang
                        aangemerkt. De gedachte was dat gevestigde winkeliers geconfronteerd worden
                        met hoge exploitatiekosten die niet in verhouding staan tot de vrij lage
                        exploitatiekosten van de straathandelaren. Uit jurisprudentie van de
                        Afdeling bestuursrecht van de Raad van State blijkt dat het reguleren van de
                        concurrentieverhoudingen niet als een huishoudelijk belang van de gemeente
                        wordt aangemerkt. Hierop wordt door de Afdeling slechts één uitzondering
                        toegestaan, namelijk wanneer het voorzieningenniveau voor de consument in
                        een deel van de gemeente in gevaar komt. Wil een gemeente op basis hiervan
                        een vergunning weigeren dan moet worden aangetoond, mede aan de hand van de
                        boekhouding van de plaatselijke winkelier, dat het voortbestaan van de
                        winkel in gevaar komt als vanaf een standplaats dezelfde goederen aangeboden
                        worden.</al><al/><al>De Dienstenrichtlijn staat deze weigeringsgrond voor standplaatsen die
                        (mede) diensten verlenen niet toe, omdat dit wordt beschouwd als een
                        economische, niet toegestane, belemmering voor het vrij verkeer van
                        diensten. Het blijft echter nog wel mogelijk om deze weigeringsgrond te
                        hanteren voor het verkopen van goederen. De Dienstenrichtlijn is daarop
                        immers niet van toepassing. </al><al/><al><cursief>Maximumstelsel</cursief></al><al>De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft bepaald, dat het
                        in het belang van de openbare orde kan zijn om het aantal te verlenen
                        vergunningen aan een maximum te binden. Het aantal te verlenen vergunningen
                        kan worden beperkt tot een van tevoren vastgesteld maximum als de openbare
                        orde in gevaar wordt gebracht. Wel dient te worden aangetoond of aannemelijk
                        gemaakt dat van zo'n gevaar in concreto daadwerkelijk sprake is. </al><al/><al>De Europese Dienstenrichtlijn komt wat dit betreft overeen met de bestaande
                        lijn in de Nederlandse rechtspraak: een maximumstelsel mag. Wel geldt op
                        grond van artikel 9 jo artikel 10 dat er een transparante en
                        non-discriminatoire op objectieve gronden gebaseerde verdeling/toekenning
                        van vergunningen moet zijn.</al><al/><al>Het aantal vergunningen moet vastgesteld worden voordat tot uitvoering van
                        het beleid wordt overgegaan. De locaties waar een standplaats mag worden
                        ingenomen moeten zo zorgvuldig mogelijk worden geselecteerd. Het totaal
                        aantal aangewezen standplaatsen te zamen levert het maximum aantal af te
                        geven standplaatsvergunningen op. Het laten opmaken van een politierapport
                        met betrekking tot de mogelijkheden tot het innemen van een standplaats op
                        de verschillende locaties kan een verdere onderbouwing leveren van het
                        vastgestelde maximum aantal standplaatsvergunningen. In dit politierapport
                        kan worden aangegeven welke gevolgen het innemen van standplaatsen zal
                        hebben voor de verkeersveiligheid en de handhaving van de openbare orde. Het
                        innemen van een standplaats kan verder worden geordend door tijdstippen aan
                        te wijzen wanneer een standplaats mag worden ingenomen. Een verdeling naar
                        dagen van de week en eventueel naar dagdelen kan een nadere invulling geven
                        aan het maximum aantal standplaatsvergunningen. Een dergelijk beleid kan
                        zowel voor de gehele gemeente als voor nader aan te geven gedeelten van de
                        gemeente van kracht zijn. Een verdere verfijning van het maximum aantal
                        standplaatsvergunningen kan worden bereikt door een onderverdeling naar een
                        aantal branches in te stellen. Per branche kan dan een maximum aantal af te
                        geven vergunningen worden bepaald. Opgemerkt moet worden, dat een dergelijk
                        maximum aantal vergunningen slechts door de rechter wordt toegelaten indien
                        het aantal aanvragen per branche het totaal aantal af te geven vergunningen
                        overtreft. Indien voor een branche niet het maximum aantal vergunningen
                        wordt afgegeven, acht de rechter geen noodzaak tot handhaving van dit
                        stelsel aanwezig. Bij het vaststellen van een maximum aantal vergunningen,
                        eventueel uitgesplitst naar plaats, tijdstip of branche, moet rekening
                        gehouden worden met het aantal reeds afgegeven vergunningen. </al><al>Indien het totaal aantal aanvragen om een standplaatsvergunning het totaal
                        aantal af te geven vergunningen overtreft kan het college een wachtlijst
                        opstellen. De aanvragen worden dan geregistreerd in volgorde van
                        binnenkomst. Indien een standplaatshouder te kennen geeft zijn standplaats
                        niet meer in te zullen nemen, kan deze vergunning aan de eerste op de
                        wachtlijst toegekend worden. Ten slotte moet opgemerkt worden dat iedere
                        aanvraag tot het innemen van een standplaats afzonderlijk beoordeeld moet
                        worden. Aan de hand van de in de APV vastgestelde weigeringsgronden en het
                        aan de hand hiervan geformuleerde beleid moet een afweging plaatsvinden of
                        de aangevraagde standplaatsvergunning verstrekt kan worden. Men houde ook de
                        eis van de Dienstenrichtlijn voor ogen dat een wachtlijst noch direct noch
                        indirect discriminatoir mag zijn. </al><al/><al><cursief>Beleidsregels</cursief></al><al>Aan de hand van de motieven, genoemd in artikel 1:8, kan het college
                        beleidsregels vaststellen, waarin wordt aangegeven wanneer wel of niet tot
                        het afgeven van een standplaatsvergunning wordt overgegaan. Het vaststellen
                        van een dergelijk beleid, waarin objectieve, algemeen bekendgemaakte
                        criteria worden aangegeven, die bij de beoordeling van een
                        vergunningaanvraag worden gehanteerd, is blijkens de jurisprudentie
                        toegestaan. Wel moet worden opgemerkt dat te voeren beleid niet mag leiden
                        tot een beslissing omtrent een aangevraagde vergunning die niet kan worden
                        herleid op één van de in artikel 1:8 genoemde weigeringsgronden. Rb Utrecht
                        23-12-1998, KG 1999, 78. Ook beleidsregels zijn volgens artikel 4, van de
                        Dienstenrichtlijn onderworpen aan dwingende reden van algemeen belang: de
                        openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid en het
                        milieu.</al><al/><al>Bij het hanteren van deze weigeringsgronden kan een verdeling gerealiseerd
                        worden van het aantal standplaatsen, waarbij de af te geven vergunningen
                        zodanig over de week verspreid worden, dat een concentratie van de in te
                        nemen standplaatsen wordt tegengegaan. De weigeringsgronden kunnen ook
                        gebruikt worden wanneer veel belangstelling voor dezelfde locatie ontstaat.
                        Een aantal standplaatsen op één plek doet ook de kans op feitelijke
                        marktvorming ontstaan. Ook is het mogelijk om specifieke standplaatsen op
                        bepaalde locaties te weren. Gedacht kan bijvoorbeeld worden aan bakkramen
                        die in verband met stankoverlast of brandgevaarlijkheid niet in de directe
                        nabijheid van gebouwen gewenst zijn.</al><al/><al><cursief>Inhoud standplaatsenbeleid</cursief></al><al>De motieven waarop een beleid met betrekking tot het innemen van
                        standplaatsen berust, mogen niet strijdig zijn met de bevoegdheidsgrondslag
                        om ordenend op te treden. Het beleid dat door het college wordt vastgesteld
                        ter uitvoering van de APV-bepalingen mag niet de wettelijke grondslag
                        (artikel 149 Gemeentewet) van deze APV-bepalingen overschrijden.</al><al/><al>De zaken die het college in het standplaatsenbeleid kan vastleggen
                        betreffen:</al><al>- de vaststelling van het maximum aantal af te geven
                        standplaatsvergunningen;</al><al>- de vaststelling van het aantal af te geven standplaatsvergunningen per
                        branche. </al><al>- de aanwijzing van locaties waar standplaatsen mogen worden ingenomen;de
                        aanwijzing van tijdstippen waarop standplaatsen mogen worden ingenomen.De
                        vaststelling van het aantal af te geven vergunningen wordt bepaald aan de
                        hand van een feitelijke invulling van de verschillende in artikel 1:8
                        genoemde weigeringsgronden. </al><al/><al>Nadat aan de hand van ieder motief afzonderlijk is bepaald op welke plaats
                        in de gemeente een standplaats kan worden ingenomen, valt aan de hand van
                        het totaalbeeld dat hieruit resulteert, aan te geven wat het maximum aantal
                        af te geven standplaatsvergunningen is. </al><al/><al>Aan de hand van ieder motief afzonderlijk is een aantal plaatsen aan te
                        duiden waar een standplaats ingenomen kan worden. Nadat een overzicht van
                        het aantal mogelijk in te nemen standplaatsen en het maximumaantal
                        standplaatsvergunningen is vastgesteld, kan het college een beleid
                        vaststellen ten aanzien van de handhaving en het toezicht en de wijze waarop
                        gehandeld wordt als het maximum aantal vergunningen reeds is afgegeven. Het
                        betreft hier dan een wachtlijstensysteem dat van toepassing is wanneer het
                        aantal aanvragen het maximum aantal af te geven standplaatsvergunningen
                        overschrijdt. </al><al/><al><cursief>Vergunningsvoorschriften</cursief></al><al>Aan de standplaatsvergunning kunnen voorschriften worden
                        verbonden. Artikel 10 van de Dienstenrichtlijn bepaalt dat
                        vergunningstelsels gebaseerd moeten zijn op criteria die ervoor zorgen dat
                        de bevoegde instanties hun beoordelingsbevoegdheid niet op willekeurige
                        wijze uitoefenen. Die criteria zijn: niet-discriminatoir, gerechtvaardigd om
                        een dwingende reden van algemeen belang; evenredig met die reden van
                        algemeen belang; duidelijk en ondubbelzinnig; objectief; vooraf openbaar
                        bekendgemaakt; transparant en toegankelijk. Zie ook artikel 1:4 en de
                        toelichting bij dit artikel. </al><al>Voorschriften die aan een vergunning gesteld kunnen worden betreffen:</al><al>- het vervallen van de standplaats indien gedurende een bepaalde periode
                        geen standplaats is ingenomen;</al><al>- de soort goederen of diensten die mogen worden aangeboden. Hierbij moet
                        men wel het oog houden op een goede verdeling van de te verkopen goederen
                        voor de consument. Anders zou er oneerlijke concurrentie kunnen zijn;</al><al>- de grootte van de standplaats;</al><al>- de ruimte waarbinnen de waren uitgestald mogen worden;</al><al>- het uiterlijk aanzien van de standplaats;</al><al>- tijden van opbouw en ontruiming van de standplaats;</al><al>- eisen met betrekking tot de (brand)veiligheid;</al><al>- opruimen van rommel en schoon achterlaten van de locatie. </al><al/><al><cursief>Overige regelgeving</cursief></al><al>Op het drijven van straathandel zijn ook andere regels dan de
                        regels van de APV van toepassing. Deze regels stellen vanuit andere motieven
                        eisen aan de straathandel </al><al/><al><cursief>Wet op de ruimtelijke ordening</cursief></al><al>Een vergunning voor het innemen van een standplaats kan worden geweigerd
                        vanwege strijd met een geldend bestemmingsplan. Wanneer wel een vergunning,
                        zoals vereist krachtens de APV, wordt verstrekt, blijven eventuele eisen die
                        in het geldende bestemmingsplan worden gesteld, van kracht. Het college kan
                        een aanvraag voor het innemen van een standplaats mede opvatten als een
                        verzoek om vrijstelling van de gebruiksvoorschriften van het
                        bestemmingsplan. In een dergelijk geval wordt een aanvraag gebruikt voor
                        twee afzonderlijke procedures. Het is dan niet nodig twee afzonderlijke
                        aanvragen in te dienen. </al><al/><al><cursief>Winkeltijdenwet</cursief></al><al>De Winkeltijdenwet regelt een aantal zaken met betrekking tot de
                        openingstijden van winkels en het leveren van goederen aan particulieren. De
                        bepalingen uit de Winkeltijdenwet gelden ook voor de verkoop van goederen
                        vanaf een standplaats. Het toezicht op de naleving van de bepalingen van de
                        Winkeltijdenwet geschiedt door de Economische Controledienst. </al><al/><al><cursief>Warenwet</cursief></al><al>Op het drijven van handel in waren zoals bedoeld in artikel 1 van de
                        Warenwet (eetwaren, waaronder tevens worden begrepen kauwpreparaten, andere
                        dan van tabak, en drinkwaren, alsmede andere roerende zaken) zijn de
                        bepalingen uit de Warenwet van toepassing. De Warenwet stelt regels met
                        betrekking tot de goede hoedanigheid en aanduiding van waren. Daarnaast
                        stelt de Warenwet regels met betrekking tot de hygiëne en degelijkheid van
                        producten. Met betrekking tot het toezicht op de naleving van de bepalingen
                        van de Warenwet is een afzonderlijk regime van toepassing. De voorschriften
                        die uit de Warenwet voortvloeien gelden naast de voorschriften die door het
                        college gesteld kunnen worden op basis van een standplaatsvergunning.</al><al/><al><cursief>Wet milieubeheer</cursief></al><al>In de Wet milieubeheer wordt een regeling getroffen ten aanzien van
                        inrichtingen die hinder of overlast kunnen veroorzaken voor de omgeving.
                        Deze bepalingen gelden ook voor een standplaatshouder, voor zover zijn
                        verkoopplek als “inrichting” kan worden aangemerkt. Van belang is de
                        regelgeving die geldt voor bijvoorbeeld patatverkopers, die voor wat betreft
                        de frituurinrichting aan bepaalde voorwaarden moeten voldoen. Ook van belang
                        is de Afvalstoffenverordening gemeente Vlissingen.</al><al/><al><cursief>Gebruik van de openbare weg</cursief></al><al>Voor het innemen van een standplaats op de openbare weg is een vergunning
                        vereist. In veel gevallen zal de gemeente de eigenaar of rechthebbende van
                        de openbare weg zijn. Op grond hiervan kan de gemeente van degene die op de
                        openbare weg met vergunning een standplaats inneemt een vergoeding bedingen
                        voor het gebruik van het deel van de openbare weg. De grondslag voor het
                        bedingen van een dergelijke vergoeding kan gegeven worden in een
                        retributieverordening of in een huurovereenkomst. In de Verordening
                        precariobelasting Vlissingen wordt, afhankelijk van het formaat en de
                        locatie van de standplaats, een bepaald bedrag vastgesteld.</al><al/><al>Voor wat betreft de huurovereenkomst kan worden opgemerkt dat een beleid kan
                        worden vastgesteld met betrekking tot de plaats en de grootte van de
                        standplaats. Per in te nemen locatie kan een vaste prijs worden berekend. De
                        huurprijs en andere voorwaarden die in een huurovereenkomst worden bedongen
                        mogen geen belemmering vormen voor het innemen van een standplaats. Uit
                        jurisprudentie is gebleken dat het bedingen van een hoge huurprijs voor het
                        gebruik van de openbare weg niet zover kan gaan dat een feitelijke
                        belemmering ontstaat voor het innemen van een standplaats waarvoor een
                        vergunning is verleend, zie Vz. ARRS 12-04-1991, JG 91.0369.</al><al/><al>Met betrekking tot de keuze tussen het vaststellen van een
                        retributieverordening en het aangaan van een huurovereenkomst moet opgemerkt
                        worden dat een dergelijke keuze consequent gehanteerd dient te worden. (Zie
                        hierover de algemene leerstukken met betrekking tot de tweewegenleer).</al><al/><al><cursief>Jurisprudentie</cursief></al><al>- B&amp;W hoeven in bezwaar niet te beslissen over terugwerkende kracht. Het
                        college van B&amp;W heeft de aanvraag van appellante om een
                        standplaatsvergunning afgewezen. Appellante is van mening dat het college
                        zich in bezwaar ook een oordeel had moeten vormen over de vraag of de
                        standplaatsvergunning met terugwerkende kracht had moeten worden verleend.
                        Voorts verzoekt appellante in hoger beroep om vergoeding van schade. De
                        Afdeling oordeelt dat het college niet over terugwerkende kracht hoefde te
                        beslissen, mede omdat appellante niet om schadevergoeding heeft verzocht.
                        Het hoger beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om
                        schadevergoeding afgewezen. (ABRS 19 oktober 2005, JB 2006/4).</al><al>- Toevoeging standplaatslocatie aan maximumstelsel, beleidsregels,
                        wijziging, besluit, appellabel. APV Delft: Standplaatslocatie toegevoegd aan
                        het maximumstelsel voor standplaatslocaties dat is opgenomen in de Nota
                        Standplaatsenbeleid 2004. Niet in geschil is dat de Nota beleidsregels in de
                        zin van art. 1:3 lid 4 Awb inhoudt. De Nota bevat immers regels die zich
                        voor herhaalde toepassing lenen, omtrent de afweging van belangen bij
                        gebruikmaking van de in art. 5.2.3 lid 5 van de APV Delft neergelegde
                        gronden waarop een vergunning geweigerd kan worden. De bijlage bij deze Nota
                        geeft onder meer aan welke locaties voldoen aan de in de Nota neergelegde
                        algemene regels, en aan welke aanvullende voorwaarden per locatie voldaan
                        moet worden. Deze bijlage maakt deel uit van de Nota. Een wijziging van de
                        bijlage door toevoeging van een standplaatslocatie is derhalve een wijziging
                        van de Nota en dus een wijziging van beleidsregels. Voor zover appellanten
                        hebben aangevoerd dat de in geding zijnde standplaatslocatie is toegevoegd
                        om een standplaatsvergunning ten behoeve van een bepaalde loempiakraam toe
                        te wijzen, wordt overwogen dat de aanwijzing zelf niet tot een bepaalde
                        adressant is gericht, en de verlening van een vergunning voor een bepaalde
                        standplaats nadere besluitvorming vereist op basis van de regels vervat in
                        de Nota, de bijlage daarin begrepen. Hieruit volgt dat tegen een wijziging
                        van de bijlage ingevolge art. 7:1 lid 1 Awb, gelezen in verband met art. 8:2
                        aanhef en onder a Awb geen bezwaar en beroep openstaat. (ABRS 13-01-2010,
                        200903708/1/H3, LJN BK9009, JB 2010/50). </al><al/><al><onderstreept>Artikel 5:18 Toestemming rechthebbende</onderstreept></al><al>Dit artikel verbiedt de rechthebbende op een terrein toe te laten dat een
                        standplaats wordt ingenomen, zonder dat hiervoor een vergunning is
                        verstrekt. Met dit verbod is het mogelijk niet alleen maatregelen te nemen
                        tegen degene die zonder vergunning een standplaats inneemt maar ook tegen de
                        eigenaar van de grond die het innemen van een standplaats zonder vergunning
                        toestaat. </al><al/><al><onderstreept>Artikel 5:19
                        Afbakeningsbepalingen</onderstreept></al><al><cursief>Afbakening</cursief></al><al>Voor wat betreft de afbakening met hogere regelgeving geldt op grond van
                        artikel 122 van de Gemeentewet dat de bepalingen van de APV van rechtswege
                        vervallen als in het onderwerp door een wet, amvb of een provinciale
                        verordening wordt voorzien. De term “onderwerp” in artikel 122 betekent dat
                        het om dezelfde materie moet gaan en dat hetzelfde motief ten grondslag moet
                        liggen aan zowel de lagere als de hogere regeling. De formulering van de
                        afbakeningsbepaling in het tweede lid sluit daarom aan bij de Gemeentewet.
                        Zie uitgebreid daarover onder het kopje
                            <cursief>Afbakeningsbepalingen</cursief> in de Algemene Toelichting.In
                        het eerste lid vindt afbakening plaats met de Wet beheer
                        rijkswaterstaatswerken en het de Wegenverordening Zeeland 2010, het tweede
                        lid ziet op afbakening met de Woningwet. </al><al/><al/></divisie><divisie><kop><label>Afdeling</label><nr>5.3</nr><titel>Openbaar water - Algemene toelichting</titel></kop><al><cursief>Inleiding</cursief></al><al>Het beheer van het openbaar (vaar)water is in Nederland aan diverse
                        overheden opgedragen. Zo is voor het beheer van de belangrijkste rivieren en
                        rijkskanalen de centrale overheid verantwoordelijk. Het beheer van de
                        overige wateren is verdeeld tussen de provincies, gemeenten en waterschappen
                        c.a. De centrale wetgever heeft voor het gebruik van het openbaar vaarwater
                        diverse regelingen vastgesteld. Daarbij is een splitsing aangebracht tussen
                        regelingen die uitsluitend van toepassing zijn op de bij het rijk in beheer
                        zijnde vaarwateren en regelingen die voor het gebruik van alle openbare
                        vaarwateren gelden.</al><al/><al><cursief>Wet beheer rijkswaterstaatswerken</cursief></al><al>Onder de eerste categorie valt de Wet beheer rijkswaterstaatswerken. Deze
                        wet heeft de Wet van 28 februari 1891, Stb. 69, tot vaststelling van
                        bepalingen betreffende ’s rijks waterstaatswerken vervangen. Voor de
                        provinciale en gemeentelijke overheden en de waterschappen resteert, voor
                        zover daaraan hetzelfde motief als aan de Wet beheer rijkswaterstaatswerken
                        ten grondslag ligt, slechts voor de overblijvende vaarwateren regelgevende
                        bevoegdheid. Deze bevoegdheid wordt eveneens gerelateerd aan het onder
                        beheer hebben van die vaarwateren.</al><al/><al>Op provinciaal niveau heeft dit geresulteerd in de diverse
                        waterstaatsverordeningen die gelet op artikel 2 van de Waterstaatswet 1900
                        ook betrekking kunnen hebben op waterstaatswerken die in beginsel niet onder
                        hun beheer vallen, maar daar wel onder gebracht kunnen worden. Voor de
                        gemeente Vlissingen zijn in dit kader van belang de Verordening op de
                        waterkering provincie Zeeland en de Waterverordening Zeeland.</al><al/><al>Ook de gemeentelijke overheid kan krachtens artikel 149 van de Gemeentewet
                        regels stellen met betrekking tot het bij haar in beheer zijnde openbare
                        vaarwater. De Waterschapswet biedt ten slotte aan de waterschappen de
                        mogelijkheid verordeningen te maken welke onder andere betrekking kunnen
                        hebben op de doorvaart en het innemen van ligplaats in bij haar in beheer
                        zijnde openbare wateren. Bij deze regelingen van de lagere overheden moet
                        steeds bedacht worden dat deze niet in strijd mogen komen met hogere
                        regelingen. In grote lijnen betekent dit dat de overheden slechts een
                        regelgevende bevoegdheid toekomt ten aanzien van bij hen in beheer zijnde
                        openbare vaarwateren. Hierbij dient echter nog een kanttekening geplaatst te
                        worden.</al><al/><al><cursief>Binnenschepenwet en Scheepvaartverkeerswet</cursief></al><al>De centrale overheid heeft namelijk ook regelingen vastgesteld die voor het
                        gebruik van alle openbare vaarwateren gelden. De belangrijkste zijn de
                        Binnenschepenwet en de Scheepvaartverkeerswet. Met de Scheepvaartverkeerswet
                        (SVW) is de Binnenaanvaringswet ingetrokken. Artikel 43 SVW bepaalt dat
                        krachtens de Binnenaanvaringswet gestelde regels worden geacht te zijn
                        gesteld krachtens de Scheepvaartverkeerswet. De verkeersreglementering is te
                        vinden in het Binnenvaartpolitiereglement (BPR). Artikel 42 SVW bevat de
                        bevoegdheid van besturen van provincies, gemeenten, waterschappen en
                        havenschappen tot het stellen van regels ten aanzien van onderwerpen waarin
                        de SVW voorziet, voor zover die regels niet in strijd zijn met de bij of
                        krachtens deze wet gestelde regels.</al><al/><al><cursief>Besluit administratieve bepalingen
                        scheepvaartverkeer</cursief></al><al>In het Besluit administratieve bepalingen scheepvaartverkeer (BABS) is het
                        college bevoegd tot het treffen van verkeersmaatregelen ten behoeve van de
                        scheepvaart op de onder hun beheer staande vaarwegen. Voorheen vond deze
                        bevoegdheid zijn grondslag in hoofdstuk 5 van het BPR. Het BPR geeft regels
                        en verkeerstekens t.a.v. snelle motorboten in het algemeen en waterscooters
                        in het bijzonder. De APV mag niet op basis van hetzelfde motief als de
                        bovenstaande regelgeving aanvullingen geven. </al><al/><al><onderstreept>Artikel 5:20 Vergunning voor voorwerpen op, in of boven
                            openbaar water</onderstreept></al><al>Artikel 5:20 is, ter aanvulling van een aantal andere regelingen, bedoeld om
                        de overige openbare wateren te vrijwaren van activiteiten die het gebruik op
                        enigerlei wijze nadelig zouden kunnen beïnvloeden. De veiligheid op het
                        water heeft reeds een afdoende regeling gevonden in een aantal bepalingen
                        van het Wetboek van Strafrecht, te weten de artikelen 162, 163 en 427, sub
                        6, en het Binnenvaartpolitiereglement (zie bij voorbeeld artikel 1.15 van
                        dit reglement). </al><al/><al><cursief>Deregulering</cursief>Dit artikel is in een aantal opzichten
                        vergelijkbaar met artikel 2:5 van de APV, het plaatsen van voorwerpen op de
                        weg. Ook bij dit artikel is een vergunning vervangen door een breed gestelde
                        algemene regel. Daarmee legt de overheid nadrukkelijk een deel van de
                        verantwoordelijkheid bij de burger. In eerste instantie moet deze zelf de
                        afweging maken of een steiger of een meerpaal gevaar of hinder oplevert voor
                        het vaarverkeer, of een probleem voor het beheer en onderhoud. Omdat er
                        hierbij, eerder dan in artikel 2:5, waar het veelal gaat om tijdelijke en
                        verplaatsbare objecten, gaat om permanent bedoelde zaken, is aan dit artikel
                        anders dan bij artikel 2:5 een meldingsplicht verbonden. Op die manier kan
                        de gemeente vooraf toetsen en met de melder overleggen of bijvoorbeeld het
                        onderhoud van de oevers niet in het geding is. Zo kan worden voorkomen dat
                        een al geplaatst object weer moet worden verwijderd, met alle financiële
                        gevolgen van dien. </al><al/><al><onderstreept>Artikel 5:21 Ligplaats woonschepen en overige
                            vaartuigen</onderstreept><cursief>Algemeen verbod is niet
                            toegestaan</cursief>De jurisprudentie uit de op 1 maart 1999 ingetrokken
                        Wet op de Woonwagens en Woonschepen is opgenomen in de Huisvestingswet.
                        Artikel 88 bepaalt namelijk dat de gemeenteraad geen regels stelt die leiden
                        tot een algeheel verbod van het in gebruik nemen of geven van een woonschip
                        op een ligplaats. Een algemeen verbod komt in strijd met bovengenoemde wet.
                        Een verbod met een ontheffingen- of vergunningenstelsel is wel toegestaan. </al><al/><al>Het tweede lid, onder a, van artikel 5:21 biedt het college de mogelijkheid
                        om nadere regels te stellen aan het innemen, hebben of beschikbaar stellen
                        van een ligplaats (delegatie van regelgeving door de raad op grond van
                        artikel 156 Gemeentewet). Via deze algemeen werkende voorschriften is het
                        mogelijk om bijvoorbeeld aan woonschepen die een vaste ligplaats willen
                        innemen of hebben, eisen te stellen met betrekking tot de afvoer van het
                        afvalwater, de drinkwatervoorziening etc. Zelfs zou aansluiting op de
                        riolering, het drinkwater- en elektriciteitsnet voorgeschreven kunnen
                        worden, indien de mogelijkheden daartoe redelijkerwijs aanwezig zijn.</al><al/><al>Het bepaalde in dit lid vormt voor woonschepen een handzaam alternatief van
                        de Bouwverordening. Deze verplicht namelijk dat bouwwerken, zijnde een
                        woning, over een deugdelijke afvalwaterafvoer dienen te beschikken en in
                        beginsel aangesloten moeten zijn op het drinkwater- en elektriciteitsnet.
                        Woonschepen die eveneens als woning gebruikt worden, vallen vanwege het feit
                        dat het geen bouwwerken zijn, niet onder de werking van de bouwverordening.
                        Ook kunnen krachtens dit lid “welstandseisen” aan woonschepen worden
                        gesteld. </al><al/><al>Krachtens het tweede lid, onder b, van artikel 5:21 heeft het college ook de
                        mogelijkheid om een differentiatie naar soort en aantal vaartuigen aan te
                        brengen. Zo kunnen aparte ligplaatsen voor woonschepen en ligplaatsen voor
                        uitsluitend pleziervaartuigen aangewezen worden. Bovendien kan het aantal
                        gelimiteerd worden. </al><al/><al>In het geval de gemeente eigenaar is van een openbaar water, is het ook
                        mogelijk dat de gemeente in het kader van de exploitatie van die ligplaatsen
                        huur- of verhuurovereenkomsten afsluit. Zo wees het college van Eindhoven
                        vijf ligplaatsen aan voor woonschepen onder de bepaling dat de exploitatie
                        van die ligplaatsen zal geschieden door middel van overeenkomsten van huur
                        en verhuur. De rechtbank sauveerde dit beleid en bepaalde dat “de gemeente
                        Eindhoven als eigenaresse van het Eindhovens kanaal niet het recht kan
                        worden ontzegd privaatrechtelijk op te treden tegen haar niet welgevallig
                        gebruik van haar eigendom, behoudens voor zover dat een gebruik is dat
                        overeenstemt met of voortvloeit uit de publieke bestemming van bedoeld
                        kanaal als vaarweg”. Het innemen van een ligplaats door een woonboot werd
                        niet aangemerkt als een zodanig gebruik, Rb Den Bosch 3-12-1984, KG 1985,
                        17. </al><al/><al><cursief>Pleziervaartuigen</cursief></al><al>Uit artikel 5:21 volgt bovendien dat ook het innemen van een ligplaats met
                        een “pleziervaartuig” slechts toegestaan is op die plaatsen die niet door
                        het college krachtens het eerste lid zijn aangewezen. Ook hier kan het
                        aantal vaartuigen dat ligplaats mag innemen op de niet-aangewezen gedeelten
                        van openbaar water gelimiteerd worden. </al><al/><al><cursief>Landschapsverordening Zeeland 2001, Wet milieubeheer</cursief></al><al>Maakt het college van zijn bevoegdheid krachtens het eerste lid geen gebruik
                        om gedeelten van openbaar water aan te wijzen waar het verboden is aan te
                        leggen dan kunnen aan de locatie voor het innemen, hebben of beschikbaar
                        stellen van een ligplaats uitsluitend nog beperkingen opgelegd worden
                        krachtens de Landschapsverordening Zeeland 2001 dan wel krachtens de Wet
                        milieubeheer wanneer bijvoorbeeld het beschikbaar stellen van een ligplaats
                        zodanig gebeurt dat er sprake is van een milieuvergunning-plichtige
                        inrichting. </al><al/><al>Heeft het college daarentegen wel gedeelten van openbaar water aangewezen
                        dan mag slechts ligplaats ingenomen of beschikbaar gesteld worden op de
                        niet-aangewezen gedeelten en kunnen er daarnaast eventueel nog andere
                        beperkende factoren worden gesteld vanuit de Landschapsverordening Zeeland
                        2001 of de Wet milieubeheer. Daar waar een provinciale verordening van
                        kracht is, kan het motief landschapsbescherming niet meer door het college
                        ten grondslag gelegd worden aan de aanwijzing van ligplaatsen als bedoeld in
                        het eerste lid of het stellen van nadere regels (dat wil zeggen algemene
                        voorschriften) als bedoeld in het tweede lid. </al><al/><al>In het derde lid is de werking van deze bepaling ook uitgezonderd voor die
                        gevallen waarin de Wet milieubeheer van toepassing is. Veel jachthavens
                        zullen namelijk aangemerkt kunnen worden als milieuvergunningplichtige
                        inrichtingen. Door de inwerkingtreding van artikel 13 van de Hinderwet op 1
                        november 1981 kan een hinderwetvergunning ook geweigerd worden wegens
                        aantasting van natuurwetenschappelijke, landschappelijke, ecologische en
                        recreatieve waarden. Deze situatie is niet veranderd na inwerkingtreding van
                        de Wet milieubeheer. </al><al/><al><cursief>Huisvestingswet</cursief></al><al>Om niet in strijd te komen met artikel 88 van de Huisvestingswet mag een
                        aanwijzingsbesluit krachtens het eerste lid niet de gehele gemeente
                        omvatten. Er moet een mogelijkheid zijn om met een woonschip binnen de
                        gemeente een ligplaats in te nemen. </al><al/><al><cursief>Binnenvaartpolitiereglement</cursief></al><al>Zie hiervoor hetgeen is opgemerkt in de algemene toelichting bij deze
                        afdeling.</al><al/><al><cursief>Jurisprudentie</cursief></al><al>- De wetgever gaat uit van een in beginsel bestaand recht om met een
                        woonschip te verblijven in de gemeente waar men tijdelijk wenst te wonen,
                        met deze beperking dat de gemeenten voor de plaats van verblijf binnen hun
                        grondgebied voorschriften mochten vaststellen. Lagere wetgevers hebben de
                        vrijheid bepalingen vast te stellen welke de vrijheid tot het kiezen van een
                        plaats van verblijf inperken, doch deze bepalingen mogen niet zover gaan dat
                        zij het hierboven bedoelde recht van woonschipbewoners om in een bepaalde
                        gemeente verblijfplaats te kiezen geheel ondermijnen en aldus generlei
                        ruimte laten voor de toepassing van de wet. HR 2-4-1971, NJ 1971, 271.</al><al>- Een algemeen verbod met ontheffingsmogelijkheid om ligplaats in te nemen
                        met een woonschip, is aanvaardbaar omdat het stelselmatig weigeren van een
                        ontheffing in strijd is met de wet. ABRS 18-11-1997, JG 98.0033 m.nt. W.
                        Vos.</al><al>- Overtreding van verbod in APV om ligplaats met vaartuig in te nemen op
                        door B en W aangewezen gedeelte van openbaar water. APV-bepaling betreft
                        huishouding van gemeente. Aanvullende verordenende bevoegdheid van
                        gemeentebesturen ten opzichte van scheepvaartwetgeving. HR 28-6-1994, Gst.
                        1994 6996, 3 m.nt. EB.</al><al>- De regeling in de APV met betrekking tot het innemen van een ligplaats met
                        een vaartuig heeft een ruimere strekking dan de Provinciale
                        Landschapsverordening, namelijk ook onder andere de orde en veiligheid op
                        het water. ARRS, 7-7-1981, OB 1982, III.2.2.7, nr. 43852, APV Aalsmeer en
                        Rechtbank Utrecht, 3 april 1997, AWB 97/670 VV, APV Loenen.</al><al>- Een Gemeentelijke woonschepenregeling is toelaatbaar omdat hieraan andere
                        motieven ten grondslag liggen dan aan de provinciale landschapsverordening.
                        Gemeentelijke regeling geldt als sturingsinstrument ter regulering van
                        hoeveelheid woonschepen, hun afmetingen en hun onderlinge situering, terwijl
                        de provinciale verordening uitdrukkelijk ziet op de bescherming van natuur
                        en landschap. Pres. Rb. Utrecht 3-4-1997, JG 98.0009 m.nt. W. Vos; KG 1997,
                        276.</al><al>- Bestuursdwangaanschrijving tot verwijdering van woonschip van zonder
                        vergunning ingenomen ligplaats in haven. Verbod in APV geldt slechts voor
                        door het college aangewezen gedeelten van openbaar (vaar)water. Toevoeging
                        van vergunningstelsel aan verbodsbepaling betreft wijziging van algemeen
                        verbindend voorschrift. ABRS 6-6-1994, Gst (1995) 7001, 4 m.nt. HH.</al><al>- Bestuursdwangaanschrijving tegen en weigering vergunning voor hotelboot
                        die enige tijd is gedoogd. APV-bepaling niet in strijd met
                        Binnenvaartpolitiereglement. Toetsing ex nunc. ARRS 20-8-1992, JG
                        93.0004.</al><al>- Sanering ligplaats voor woonschepen, die niet werden benoemd in het
                        terzake genomen besluit. Overgangssituatie. ABRS 31-10-1994, JG
                        95.0199.</al><al>- Bestuursdwangaanschrijving tegen het ligplaats innemen met een woonschip
                        op een niet aangewezen gedeelte van een openbaar water. Legalisatie is niet
                        mogelijk en beroep op gelijkheidsbeginsel gaat niet op. ABRS 7-12-2000, JG
                        01.0039 m.nt. W. Vos.</al><al>- De afwijzing van een verzoek om maatregelen te treffen teneinde een
                        onbezette ligplaats met een woonschip te kunnen innemen moet worden
                        aangemerkt als een weigering om feitelijke handelingen te verrichten. Deze
                        weigering is niet op enig rechtsgevolg gericht en het bezwaar hiertegen is
                        terecht niet ontvankelijk verklaard. Het college heeft daarnaast in
                        redelijkheid kunnen besluiten een verzoek om aanwijzing van een andere
                        ligplaats af te wijzen. Aan het college komt ter zake van aanwijzingen van
                        ligplaatsen krachtens artikel 5.3.2 APV een ruime mate van beleidsvrijheid
                        toe. ABRS 9-3-2001, Gst. (2001) 7143, 2 m.nt. HH.</al><al>- Mededeling dat ligplaatsen van woonschepen niet (meer) gebonden zijn aan
                        objecten, maar aan personen, is een voor bezwaar en beroep vatbaar besluit
                        in de zin van artikel 1 :3 Awb. ABRS 1-8-2001, JB (2001) 248.</al><al>- Een algeheel verbod om met een woonschip in een gemeente te verblijven is
                        in strijd met artikel 88 van de Huisvestingswet. Er kan zich echter in een
                        bepaalde gemeente de situatie voordoen dat er geen plaatsen in openbaar
                        water geschikt zijn om te worden bestemd of aangewezen om door een woonschip
                        te worden ingenomen. Met artikel 88 van de Huisvestingswet is dan ook niet
                        beoogd om iedere gemeente de verplichting op te leggen nieuwe ligplaatsen te
                        creëren, teneinde aan tenminste één woonschip plaatst te kunnen bieden op
                        haar grondgebied. ABRS 7-11-2001 nr. 200100971/1.</al><al>- Het betreft de afbakeningsbepaling van artikel 5.3.2, derde lid, van de
                        APV. Appellant betoogde dat het verbod van het eerste lid van dat artikel
                        (om met een vaartuig ligplaats in te nemen op openbaar water) niet geldt,
                        omdat het in het derde lid genoemde Binnenvaartpolitiereglement (BPR) van
                        toepassing is. De Afdeling zegt daarover: “met name uit de woorden “voor
                        zover” blijkt dat het antwoord op de vraag of het in het eerste lid vervatte
                        verbod geldt, afhankelijk is van de reikwijdte van het BPR.” En verderop:
                        “Aan artikel 5.3.2 van de APV, dat is geplaatst in hoofdstuk 5, met het
                        opschrift “andere onderwerpen huishouding gemeente” liggen (ook) andere
                        motieven ten grondslag zoals hiervoor weergegeven. De omstandigheid dat in
                        het voorliggende geval de belangen ter bescherming waarvan het BPR is
                        vastgesteld zich niet verzetten tegen het afmeren van een vaartuig op de
                        door appellant verlangde locatie laat de uit artikel van de APV blijkende
                        wenselijkheid tot ordening van het innemen van ligplaats uit een oogpunt van
                        openbare orde, volksgezondheid etc. onverlet. Het in het eerste lid van
                        artikel 5.3.2. van de APV vervatte verbod behoudt dan ook in het
                        voorliggende geval in zoverre betekenis.” De Afdeling erkent hier dus de
                        aanvullende werking van de APV, ook als hogere regelgeving van toepassing
                        is. ABRS 28-04-2004, LJN-nr. AO8510, De Gemeentestem 2004, 7210, 109 m.nt.
                        J.M.H.F. Teunissen.</al><al>- De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat het enkele feit dat een
                        milieuvergunning is verleend niet betekent dat artikel 5.3.2, derde lid, van
                        de APV van toepassing is. Niet is gebleken dat in het kader van de verleende
                        milieuvergunning het door de APV gediende belang van ordening van het
                        innemen van ligplaatsen met vaartuigen uit een oogpunt van openbare orde is
                        meegewogen of dat belang als gevolg van de verleende milieuvergunning
                        rechtens geen relevantie meer zou hebben. De milieuvergunning kent geen
                        bepalingen omtrent het innemen van ligplaatsen. De desbetreffende bepaling
                        van de APV voorziet niet in een door de Wet milieubeheer geregeld onderwerp.
                        De Afdeling deelt dan ook de conclusie van de rechtbank dat de verlening van
                        de milieuvergunning niet afdoet aan het in de APV vervatte verbod met een
                        vaartuig ligplaats in te nemen. ABRS 17 november 2004, 200308597/1, LJN-nr.
                        AR5815, JB 2005/17. </al><al/><al><onderstreept>Artikel 5:22 Aanwijzingen ligplaats</onderstreept></al><al>Naast de algemene regels die krachtens artikel 5:22, tweede lid, kunnen
                        worden uitgevaardigd kan het wenselijk zijn, gelet op de omstandigheden, om
                        aan een individuele booteigenaar nog nadere aanwijzingen te geven. Dit
                        artikel biedt daarvoor de grondslag. Het ligt voor de hand deze aanwijzingen
                        in de vorm van een schriftelijke beschikking te gieten. Voor de toelichting
                        op de in het derde lid genoemde hogere regelingen en de relatie met een
                        vastgestelde woonschepenverordening wordt verwezen naar de toelichting op
                        artikel 5:21 van de APV. </al><al/><al><onderstreept>Artikel 5:23 Verbod innemen ligplaats</onderstreept></al><al>Deze bepaling spreekt voor zich. </al><al/><al><onderstreept>Artikel 5:24 Beschadigen van
                        waterstaatswerken</onderstreept></al><al>Provinciale vaarwegenverordeningen kennen veelal ook een dergelijke bepaling
                        voor waterstaatswerken die bij hen in beheer zijn. De APV-bepaling heeft
                        alleen betrekking op waterstaatswerken die in beheer zijn bij de gemeenten.
                        Artikel 1.14 van het Binnenvaartpolitiereglement legt aan degene die een
                        kunstwerk beschadigt bovendien nog een meldingsplicht op. </al><al/><al><onderstreept>Artikel 5:25 Reddingsmiddelen</onderstreept></al><al>Om te waarborgen dat deze middelen aanwezig zijn en gebruikt kunnen worden
                        voor het redden van personen is andersoortig gebruik of het voor gebruik
                        onklaar maken van reddingsmiddelen strafbaar gesteld. </al><al/><al><onderstreept>Artikel 5:26 Veiligheid op het water</onderstreept></al><al>Baden of zwemmen in zee kan in verband met bijv. stroming, muien of de
                        nabijheid van een vaargeul gevaarlijk zijn. Met het oog hierop kan een
                        verbod tot baden of zwemmen op sommige plaatsen noodzakelijk zijn. De
                        coördinator beheer badstrand kan handhavend optreden tegen zwemmers die
                        gevaar of hinder veroorzaken, bijvoorbeeld duiken vanaf Koopmanshaven,
                        zwemmen in vaargeul e.d. Een uitgebreide aanwijzing van plaatsen waar een
                        zwemverbod van toepassing is zodoende niet noodzakelijk. De voorgestelde
                        redactie voorkomt discussie over de vraag waar nu precies de vaargeul begint
                        en ophoudt. Voorts biedt het artikel een handvat om handhavend op te treden
                        bij het betreden, beklimmen en duiken vanaf bruggen en daarbij behorende
                        remmingswerken. Omdat bijvoorbeeld de bruggen in het Kanaal door Walcheren
                        op afstand worden bediend is het voor de brugwachters niet altijd goed
                        mogelijk te zien of zich, bij het openen en sluiten van de bruggen, daarop
                        onbevoegde personen bevinden. Ook hier kan nu preventief toezicht worden
                        gehouden en zonodig gehandhaafd. </al><al/><al><cursief>Afbakening</cursief></al><al>Het Binnenvaartpolitiereglement bepaalt aan welke verkeersregels de
                        schippers van vaartuigen zich hebben te houden. Zij is dus uitsluitend
                        gericht op de gebruikers van vaartuigen en niet op de overige gebruikers van
                        het openbaar water. Artikel 5:26 betekent dan ook een eigenlijke aanvulling
                        op deze twee reglementen door in algemene zin, vergelijkbaar met de redactie
                        van artikel 5 Wegenverkeerswet 1994, hinder of gevaarlijk gedrag van de
                        overige gebruikers te verbieden. Voor de toelichting op de in het tweede lid
                        genoemde hogere regelingen wordt verwezen naar de toelichting bij artikel
                        5:21. </al><al/><al><onderstreept>Artikel 5:27 Overlast aan vaartuigen</onderstreept></al><al>Deze bepaling spreekt voor zich.</al><al/><al><onderstreept>Artikel 5:28 Op afstand bestuurbare voorwerpen in openbare
                            wateren</onderstreept></al><al/><al>Te denken valt aan het varen met model-schepen, die vanaf de oever
                        radiografisch bestuurd worden. Het gebruik van dit soort schepen kan in
                        conflict komen met bijv. het belang van vissers of hengelaars. Het derde lid
                        biedt de mogelijkheid met ieders belangen rekening te houden. Zie ook
                        artikel 5:30 APV.</al><al/><al><onderstreept>Artikel 5:29 Verbod op strand bevinden met voertuig
                            enz.</onderstreept></al><al>Artikel 5:29 heeft tot doel overlast, hinder en schade te voorkomen ten
                        opzichte van strandrecreanten, bijv. mensen die zonnebaden op of wandelen
                        langs het strand. Het tweede lid biedt de mogelijkheid strandtenten te
                        bevoorraden of de opbouw en afbraak van seizoenaccommodaties (bijv.
                        strandhuisjes of kleedcabines) mogelijk te maken. </al><al/><al><onderstreept>Artikel 5:30 Op afstand
                            bestuurbare voorwerpen op of boven het strand</onderstreept>Bezoekers
                        van het strand kunnen overlast en hinder ondervinden door radiografisch
                        bestuurbare modelbouw voer- en vliegtuigjes, al dan niet voorzien van een
                        verbrandingsmotor. Deze kunnen hoge snelheden behalen, wat tot gevaarlijke
                        situaties kan leiden. Het is gewenst handhavend te kunnen optreden om die
                        situaties te vermijden. Dit artikel is het equivalent van artikel 5:28, dat
                        handelt over op afstand bestuurbare voorwerpen in openbare wateren.</al><al/><al><onderstreept>Artikel 5:31 Verbod luchtbedden enz.</onderstreept> Het gevaar
                        om bij aflandige wind in zee te gaan moet niet worden onderschat. Door de
                        kracht van de wind komt iemand op een luchtbed of met een zwemband binnen de
                        kortste keren in bijv. de vaargeul terecht met alle gevolgen van dien. Het
                        spreekt vanzelf dat van dit verbod geen ontheffing mogelijk is. De
                        veiligheid van personen zou anders illusoir worden.</al><al/><al><onderstreept>Artikel 5:32 Surfverbod e.d.</onderstreept> In de praktijk
                        blijkt dat surfplanken weinig wendbaar zijn en dat surfers vaak de
                        aanwezigheid van zwemmers niet tijdig opmerken. Het hoeft geen betoog dat
                        dit voor de zwemmer een gevaarlijke dan wel bedreigende situatie oplevert.
                        Artikel 5:32 beoogt dit te voorkomen. Als vanaf het strand met een jetski de
                        zee of een binnenwater wordt opgegaan, kan dat hinder opleveren voor de
                        badgasten en gevaar voor de waterrecreanten die zich dichtbij het strand in
                        het water bevinden. Een jetski is een motorvaartuig. Jetski’s steken zodanig
                        ondiep dat zij al volledig bruikbaar zijn waar langs het strand wordt
                        gepootjebaad of gezwommen. </al><al/><al><cursief>Op 25 mei 2011 is artikel 50c van het Scheepvaartreglement
                            Westerschelde 1990 in werking getreden, dat als volgt
                        luidt:</cursief></al><al>1. Een persoon die zwemt dan wel op andere wijze watersport bedrijft zonder
                        gebruik te maken van een schip houdt voldoende afstand tot een varend schip
                        of tot een schip bezig met het verrichten van werkzaamheden.</al><al>2. Een persoon die waterskiet of doet waterskiën of op soortgelijke wijze
                        van het vaarwater gebruik maakt of gebruik doet maken, of vaart met een
                        waterscooter, een zeilplank of met een door een vlieger voortbewogen plank,
                        houdt voldoende afstand tot een varend schip of tot een schip bezig met het
                        verrichten van werkzaamheden.</al><al>3. De in het eerste en tweede lid bedoelde personen gedragen zich zodanig
                        dat geen gevaar of hinder voor andere gebruikers van het vaarwater kan
                        worden veroorzaakt.</al><al>4. Zwemmen, onderwatersport, watersport zonder gebruik te maken van een
                        schip, waterskiën of doen waterskiën of op soortgelijke wijze van het
                        vaarwater gebruik maken of gebruik doen maken, varen met een waterscooter,
                        varen met een zeilplank of varen met een door een vlieger voortbewogen plank
                        vinden niet plaats:</al><al>a. op of in de onmiddellijke nabijheid van een ankerplaats; </al><al>b. in de vaargeul;</al><al>c. in routes van veerponten;</al><al>d. nabij de ingangen van havens;</al><al>e. in de nabijheid van meergelegenheden;</al><al>f. in de door de Rijkshavenmeester Westerschelde aangewezen gebieden.</al><al>5. De Rijkshavenmeester Westerschelde kan vrijstelling of ontheffing
                        verlenen van het vierde lid. Aan een vrijstelling of ontheffing kunnen
                        voorschriften worden verbonden. </al><al/><al><cursief>Jurisprudentie:</cursief></al><al>- De Hoge Raad heeft op 13 maart 2001, nr. 02054/00, uitgesproken dat de APV
                        van de gemeente Noordwijk niet in strijd is met de Scheepvaartverkeerswet en
                        dus verbindend is (JG 2001, 6, nr. 01.0123; Gemeentestem 7147, nr.
                        3).</al><al/><al><onderstreept>Artikel 5:33 Vaarverbod </onderstreept></al><al><cursief>Eerste lid</cursief></al><al>Dit artikel beoogt de veiligheid van baders en zwemmers te beschermen. Omdat
                        deze zich in het water slechts relatief langzaam voortbewegen, kunnen zij
                        zich mogelijk niet tijdig in veiligheid stellen op het moment dat zij
                        geconfronteerd worden met vaartuigen in hun nabijheid. Vandaar dat de
                        verantwoordelijkheid voor het voorkomen van gevaar of hinder voor baders of
                        zwemmers is gelegd bij degene(n) op het vaartuig. Zie ook de toelichting bij
                        artikel 5:32. </al><al/><al><cursief>Tweede lid</cursief></al><al>Op grond van het tweede lid kan het college gebieden aanwijzen waar zelfs de
                        aanwezigheid van vaartuigen al verboden is ongeacht of hiermee gevaar of
                        hinder wordt veroorzaakt. Met name zullen die gebieden worden aangewezen die
                        veel worden gebruikt door baders en zwemmers. Het college kan in het
                        aanwijzingsbesluit opnemen dat de betreffende gebieden duidelijk moeten
                        worden gemarkeerd. </al><al/><al><cursief>Derde lid</cursief></al><al>Onder hulpdiensten worden in dit artikel in ieder geval verstaan de
                        gemeentelijke strandbewaking, de Koninklijke Nederlands
                        Reddingsmaatschappij, het Korps Landelijke Politiediensten, de Regiopolitie
                        Zeeland, de douane, de Koninklijke Marechaussee, de Koninklijke Marine en de
                        brandweer.</al><al/><al><onderstreept>Artikel 5:34 Vliegerverbod </onderstreept></al><al> Vliegers - en vooral stuntvliegers - kunnen door bijv. een onvoorspelbare
                        wind met hoge snelheid naar beneden komen. Personen die zich op het strand
                        bevinden kunnen daardoor schade en letsel oplopen. Dit gevaar zal zich meer
                        voordoen in het zomerseizoen dan in andere seizoenen, omdat het in de zomer
                        drukker is op het strand. </al><al/><al><onderstreept>Artikel 5:35 Duikverbod</onderstreept></al><al>In de Westerschelde liggen op veel plaatsen wrakken van vaar- en
                        vliegtuigen. In een aantal gevallen bevatten deze mogelijk nog explosieven
                        of stoffelijke resten van slachtoffers, waarbij gedacht kan worden aan
                        wrakken uit de Tweede Wereldoorlog. Berging daarvan is niet altijd mogelijk
                        of wenselijk. Deze wrakken zijn, voor zover zich daarin nog stoffelijke
                        resten bevinden, een zeemansgraf en kunnen worden aangemerkt als
                        oorlogsgraf. Uit een oogpunt van openbare orde en veiligheid en piëteit ten
                        opzichte van de slachtoffers is het ongewenst dat deze wrakken worden
                        verstoord door duikers.</al><al/><al><onderstreept>Artikel 5:35a Verbod staand want vissen</onderstreept></al><al>In 2012 door het Ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie een
                        generieke vrijstelling opgesteld voor het recreatief vissen met staand want
                        op de Waddenzee en de Westerschelde. Voor deze vrijstelling was het
                        recreatief vissen met dit type vistuig langs de gehele kustlijn verboden. De
                        gemeenteraad heeft echter nog wel de bevoegdheid om vanuit het oogpunt van
                        de openbare orde en veiligheid het gebruik van staand want vissen te
                        verbieden. Voorgesteld wordt om dit type van sportvissen niet te verbieden,
                        maar wel te reguleren via een meldingsplicht. </al><al/><al><onderstreept>Artikel 5:36 Crossterreinen</onderstreept></al><al>Op het houden van auto- en motorsportevenementen, het crossen met auto’s,
                        motoren, bromfietsen e.d. al dan niet met een wedstrijdkarakter zijn
                        verschillende wettelijke regelingen van toepassing. Hierbij speelt mede een
                        rol in hoeverre deze activiteiten al dan niet op een weg in de zin van de
                        wegenverkeerswetgeving plaatsvinden. </al><al/><al><cursief>Afbakening</cursief></al><al>Voor wat betreft de afbakening met hogere regelgeving geldt op grond van
                        artikel 122 van de Gemeentewet dat de bepalingen van de APV van rechtswege
                        vervallen als in het onderwerp door een wet, amvb of een provinciale
                        verordening wordt voorzien. De term “onderwerp” in artikel 122 betekent dat
                        het om dezelfde materie moet gaan en dat hetzelfde motief ten grondslag moet
                        liggen aan zowel de lagere als de hogere regeling. De formulering van de
                        afbakeningsbepaling in het vierde lid sluit daarom aan bij de Gemeentewet.
                        Zie uitgebreid daarover onder het kopje Afbakeningsbepalingen in de Algemene
                        Toelichting. Hieronder wordt aangegeven welke wettelijke regelingen zo al
                        van toepassing kunnen zijn.</al><al/><al><cursief>1. Wegenverkeerswet 1994 (WVW 1994) en APV</cursief></al><al>Alvorens in te gaan op de vraag welke regelingen van toepassing kunnen zijn
                        op het crossen op daarvoor - al dan niet legaal - ingerichte terreinen,
                        willen wij eerst enige kanttekeningen plaatsen bij een verkeersrechtelijk
                        aspect in verband met de leeftijd van de crossers.</al><al/><al>Ingevolge artikel 110, tweede lid, van de WVW 1994 jo. artikel 5 van het
                        Reglement rijbewijzen mogen bromfietsen slechts worden bestuurd door
                        personen die de leeftijd van 16 jaar hebben bereikt. Het verkeersrechtelijk
                        regime is echter niet van toepassing, wanneer de bedoelde activiteiten zich
                        afspelen op een terrein dat niet kan worden aangemerkt als een weg die
                        feitelijk voor het openbaar verkeer openstaat in de zin van de
                        wegenverkeerswetgeving. Op de vraag wanneer sprake is van een zodanige weg
                        wordt verwezen naar de toelichting bij artikel 1:1 van de APV. Zoals daar
                        bleek, gaat het erom of een weg feitelijk voor het openbaar verkeer gesloten
                        is.</al><al/><al><cursief>Auto- of motorsportactiviteit, crossen e.d. met wedstrijdkarakter
                            op de weg in de zin van de WVW 1994</cursief></al><al>Indien een auto- of motorsportactiviteit, crossen e.d. op de weg, als
                        bedoeld in de WVW 1994, plaats vindt en een wedstrijdkarakter heeft, is
                        artikel 10 van de WVW 1994 van toepassing. Het eerste lid van deze bepaling
                        zegt dat het verboden is op een weg een wedstrijd met voertuigen te houden
                        of daaraan deel te nemen. Dit verbod richt zich dus zowel tot de organisator
                        van de wedstrijd als tot de deelnemers aan de wedstrijd. In de toelichting
                        op artikel 2:25. van de APV inzake het houden van een feest of wedstrijd,
                        wordt nader op het regime van de WVW 1994 ten aanzien van wedstrijden op de
                        weg ingegaan.</al><al/><al><cursief>Auto- of motorsportactiviteit, crossen e.d. met wedstrijdkarakter
                            op andere wegen dan bedoeld in de zin van de Wegenverkeerswet
                            1994</cursief></al><al>Vindt een wedstrijd met voertuigen plaats op andere plaatsen, dan op de weg
                        in de zin van de WVW 1994, dan kan artikel 5:36 van toepassing zijn. Artikel
                        5:36 ziet op het gebruik van motorvoertuigen of een bromfiets als bedoeld in
                        het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990) in het kader
                        van een wedstrijd op speciaal daarvoor aangewezen terreinen door het
                        college. Kenmerkend voor het wedstrijdkarakter is dat er een beloning in de
                        vorm van prijzen, medailles of iets dergelijks in het vooruitzicht worden
                        gesteld. Indien artikel 5:36 van toepassing is, is een evenementenvergunning
                        op basis van artikel 2:16 niet meer aan de orde. Zie verder de toelichting
                        op artikel 2:16.</al><al/><al><cursief>Auto- of motorsportactiviteit zonder wedstrijdkarakter op de
                            weg</cursief></al><al>Voor het organiseren van evenementen in het algemeen zijn in principe de
                        bepalingen van hoofdstuk 2, afdeling 2 “Toezicht op evenementen” van de APV
                        van toepassing (art. 2:16 e.v.). De burgemeester kan in het belang van de
                        openbare orde, veiligheid, zedelijkheid of gezondheid voorschriften geven
                        omtrent het houden van zo’n evenement dan wel het evenement geheel
                        verbieden. Deze bepalingen zijn ook van toepassing op auto- en
                        motorsportevenementen, die geen wedstrijdkarakter hebben, zoals toertochten,
                        oldtimerritten e.d.</al><al/><al><cursief>2. Wet milieubeheer en APV</cursief></al><al>Bij het reguleren van auto- en motorsportactiviteiten, crossen e.d. buiten
                        de weg moet onderscheid worden gemaakt tussen speciaal daarvoor ingerichte
                        terreinen, zoals circuits, en overige terreinen, zoals natuurgebieden,
                        parken, plantsoenen of andere voor recreatief gebruik beschikbare terreinen.
                        De eerst bedoelde terreinen vallen doorgaans onder de Wet milieubeheer; voor
                        de overige terreinen kan een gemeente zelf regels stellen, zoals in de
                        artikelen 5:36 en 5:37 van de APV.</al><al/><al><cursief>Wet milieubeheer</cursief></al><al>De speciaal voor auto- en motorsport ingerichte terreinen vallen onder de
                        werking van de Wet milieubeheer en het Inrichtingen- en vergunningenbesluit
                        milieubeheer.</al><al/><al>In bepaalde gevallen moet een motor(sport)terrein worden aangemerkt als een
                        inrichting in de zin van de Wet milieubeheer. In het Inrichtingen- en
                        vergunningenbesluit milieubeheer worden de inrichtingen opgesomd waarvoor
                        krachtens artikel 8.1 van de Wet milieubeheer een vergunning vereist is. De
                        regeling betreffende de motorterreinen is opgenomen in categorie 19 van het
                        besluit. In categorie 19.1, onder g, worden genoemd: inrichtingen of
                        terreinen, geen openbare weg zijnde, waar gelegenheid wordt geboden tot het
                        gebruiken van: bromfietsen, motorvoertuigen of andere gemotoriseerde voer-
                        of vaartuigen in wedstrijdverband ter voorbereiding van wedstrijden of voor
                        recreatieve doeleinden.</al><al/><al>In de nota van toelichting bij het besluit blijkt dat uit de omschrijving
                        “gelegenheid bieden” is af te leiden dat elke inrichting of elk terrein, dat
                        in enigerlei vorm is ingericht om de genoemde activiteiten mogelijk te
                        maken, onder dit besluit valt. Vervolgens vermeldt de nota van toelichting
                        dat enige accommodatie evenwel nodig zal zijn voordat kan worden vastgesteld
                        of sprake is van een dergelijke inrichting, bijvoorbeeld in de vorm van een
                        begrenzing. Indien elke, al dan niet beoogde, begrenzing van de plaats waar
                        de genoemde activiteiten zich afspelen ontbreekt, zal bezwaarlijk van een
                        inrichting kunnen worden gesproken (bijvoorbeeld wanneer een aantal
                        liefhebbers van modelvaartuigen regelmatig met elkaar hun bootjes laat varen
                        op een grote plas of waterweg).</al><al/><al>Op grond van artikel 8.2 van de Wet milieubeheer is het college bevoegd om
                        op een aanvraag voor vergunning voor een motorterrein als bedoeld in
                        categorie 19 te beslissen. Voor zover de terreinen, geen openbare weg
                        zijnde, echter bestemd of ingericht zijn voor het in wedstrijdverband, ter
                        voorbereiding van wedstrijden of voor recreatieve doeleinden rijden met
                        gemotoriseerde voertuigen, en de terreinen daartoe acht uren per week of
                        meer zijn opengesteld, wordt de vergunning niet afgegeven door het college,
                        maar door gedeputeerde staten (categorie 19.2). Bij de vergunningverlening
                        wordt rekening gehouden met de motieven van de Wet milieubeheer, zijnde de
                        gevolgen voor het milieu of de bescherming van het milieu.</al><al/><al><cursief>APV</cursief></al><al>De regeling in de APV is van belang voor die terreinen die niet genoemd zijn
                        in categorie 19.1, onder g, van het Inrichtingen- en vergunningenbesluit
                        milieubeheer, bijvoorbeeld een terrein dat niet is ingericht voor
                        motorwedstrijden en -activiteiten en terreinen die hiervoor slechts eenmalig
                        of zeer incidenteel worden gebruikt. In een gemeentelijke regeling met
                        betrekking tot dit soort motorterreinen zal de werkingssfeer ten opzichte
                        van de Wet milieubeheer in ieder geval moeten zijn afgebakend. Bij een
                        aanwijzingsbesluit kunnen alleen regels worden gesteld ter bescherming van
                        de belangen die dit voorschrift dient. Behalve het belang van de openbare
                        orde zijn dat milieubelangen en het belang van de veiligheid van het publiek
                        of de deelnemers. In de in het tweede lid genoemde regels kan bepaald worden
                        dat op het terrein slechts gecrost mag worden op bepaalde dagen en uren, en
                        wel alleen door leden van de vereniging; dat de vereniging zich gedraagt
                        volgens de aanwijzingen van KNAC, KNMV en MON; dat zij haar leden voldoende
                        verzekert tegen ongevallen c.q. aansprakelijkheid voor schade als gevolg van
                        ongevallen en - eventueel - dat de crossers ten minste een bepaalde leeftijd
                        moeten hebben c.q. dat de vereniging er - ter voorkoming van ongelukken -
                        zorg voor draagt dat toezicht door volwassenen wordt uitgeoefend indien van
                        dat terrein gebruik wordt gemaakt.</al><al/><al><cursief>3. Zondagswet</cursief></al><al>Krachtens artikel 3, eerste lid, van de Zondagswet is het verboden op zondag
                        zonder strikte noodzaak gerucht te verwekken, dat op een afstand van meer
                        dan 200 m van het punt van verwekking hoorbaar is. Volgens het tweede lid
                        van dit artikel is de burgemeester bevoegd van dit verbod voor de tijd na
                        13.00 uur ontheffing te verlenen. De training voorafgaand aan de
                        motorcrosswedstrijd kan als deze voor publiek toegankelijk is, reeds
                        aangemerkt worden als een openbare vermakelijkheid als bedoeld in artikel 4
                        van de Zondagswet.</al><al/><al><cursief>4. Wet op de ruimtelijke ordening en APV</cursief></al><al>Een terrein dat men wil gaan gebruiken als motorcrossterrein zal in de
                        meeste gevallen gelegen zijn in een gebied met de bestemming “agrarisch
                        gebied” of “natuurgebied”. De vraag is dan of voor het gebruik van het
                        desbetreffende terrein als motorcrossterrein vrijstelling kan worden
                        verleend van het gebruikvoorschrift. Indien aannemelijk is dat het gebruik
                        van een terrein ten behoeve van het motorcrossen zal leiden tot een
                        onomkeerbare wijziging van de bestemming van dit terrein, dan zal dit
                        gebruik enkel worden toegestaan na een bestemmingsplanwijziging.</al><al/><al><cursief>5. Privaatrechtelijk optreden</cursief></al><al>Verschillende gemeenten zijn er toe overgegaan een aan de gemeente in
                        eigendom toebehorend terrein aan te wijzen waarop de motorcrossport beoefend
                        kan worden. Veelal geschiedt dit om de overlast die wordt ondervonden als
                        gevolg van het crossen in natuur- en bosgebieden te beperken. Indien van
                        gemeentewege een terrein ter beschikking wordt gesteld voor het crossen,
                        rijst de vraag naar de eventuele civielrechtelijke aansprakelijkheid van de
                        gemeente voor ongevallen en andere schade. Daarbij gaan wij ervan uit dat
                        het crossterrein niet een weg is in de zin van de wegenverkeerswetgeving. Is
                        daarvan wèl sprake, dan is het - behoudens ontheffing; zie de artikelen 10
                        en 148 WVW 1994 - eenvoudigweg verboden aldaar te “crossen”.</al><al/><al>Civielrechtelijk brengt het feit dat een terrein met goedvinden van de
                        gemeente als crossterrein wordt gebruikt, voor haar de verplichting mee
                        ervoor te zorgen dat geen gevaarlijke situaties te creëren zijn. Het ligt op
                        de weg van de gemeente om het terrein aan te passen aan het doel waartoe het
                        dient. In het kader van de regels die het college kan stellen op basis van
                        het tweede lid van artikel 5:37 kunnen bijvoorbeeld leeftijdsgrenzen worden
                        gesteld aan de gebruikers van het terrein of eisen als aangegeven in artikel
                        110 van de WVW 1994 jo artikel 5 van het Reglement rijbewijzen. Uitsluiting
                        van aansprakelijkheid voor schade (ongevallen e.d.) kan de gemeente zoveel
                        mogelijk beperken; bijvoorbeeld door een bord te plaatsen bij de ingang van
                        het terrein waarop zijn aangegeven de voorwaarden waaronder van het terrein
                        gebruik mag worden gemaakt (onder andere de waarschuwing, dat gebruikers van
                        het terrein dit voor eigen risico gebruiken en de mededeling, dat de
                        gemeente aansprakelijkheid afwijst voor ongevallen en andere schade als
                        gevolg van crossen). Het plaatsen van een dergelijk bord wil overigens niet
                        zeggen dat de gemeente gevrijwaard is van aansprakelijkheid. Er is overigens
                        nog een privaatrechtelijke mogelijkheid waardoor de gemeente aan haar
                        zorgverplichting kan voldoen, namelijk door het sluiten van een gebruiks- of
                        huurovereenkomst met de plaatselijke vereniging. De gemeente moet zich dan
                        wel realiseren dat het desbetreffende terrein dan ook alleen ter beschikking
                        wordt gesteld ten behoeve van het crossen door leden van die
                        vereniging.</al><al/><al><cursief>Jurisprudentie</cursief></al><al>- Wanneer in het kader van een evenement, zoals bedoeld in de artikelen
                        2.2.1 (oud) en 2.2.2 (oud) van de APV, op een crossterrein, zoals in deze
                        bepaling bedoeld, motor(sport)activiteiten worden gehouden zijn er meerdere
                        bevoegde organen in het spel. Goed onderscheid moet worden gemaakt tussen
                        enerzijds het evenement, waarvoor de burgemeester het bevoegd gezag is om
                        een vergunning te verlenen en anderzijds de motor(sport)activiteiten,
                        waarvoor het college het bevoegd gezag is. ARRS 3-6-1994, JG 95.0055 m.nt.
                        A.B. Engberts, AB 1994, 602 m.nt. RMvM, Gst. 1995, 7006, 4 m.nt. EB.</al><al>- Motorcrosswedstrijden op zondag. Trainingswedstrijden voor 13.00 uur. In
                        casu geen schending van de zondagsrust, omdat het motorcrossterrein 4 km
                        buiten de bebouwde kom ligt. Pres. Rb. Utrecht 6-6-1995, JG 95.0316 m.nt.
                        A.B. Engberts, KG 1995, 292.</al><al/><al><onderstreept>Artikel 5:37 Beperking verkeer in
                            natuurgebieden</onderstreept></al><al><cursief>1. Inleiding</cursief></al><al>De gemeente wordt geconfronteerd met het bezoek van motorcrossers aan
                        natuurgebieden, met als gevolg klachten over geluidhinder, schade aan de
                        flora, verstoring van wild e.d. Verder worden natuurgebieden, parken e.d.
                        steeds vaker door ruiters en fietsers /mountainbikers bezocht. Het komt
                        nogal eens voor dat ruiters en fietsers/mountainbikers de speciaal voor hen
                        aangewezen ruiter- of fietspaden verlaten. Deze gedraging levert gevaar en
                        hinder op voor wandelaars en berokkent vaak ook schade aan flora en fauna.
                        Bij de vraag, welke maatregelen mogelijk zijn tegen het motorcrossen in
                        natuurgebieden, zal men een onderscheid moeten maken tussen het zgn. “wilde
                        crossen” (op wegen en paden en “off the road”) en het crossen op daartoe
                        speciaal gebruikte motorterreinen. Op het crossen op motorterreinen is
                        artikel 5:36 van de APV van toepassing. </al><al/><al>De redactie van artikel 5:37 is aangepast overeenkomstig het systeem van
                        artikel 5:36. Op grond van het eerste lid van artikel 5:37 geldt een
                        algeheel verbod om zich met motorvoertuigen, (brom)fietsen of paarden in een
                        natuurgebied te bevinden. Het college kan op grond van het tweede lid
                        terreinen aanwijzen waar dit verbod niet geldt en kan tevens regels stellen
                        voor het gebruik van deze terreinen. </al><al/><al><cursief>2. Maatregelen</cursief></al><al>Bij de vraag welke maatregelen genomen kunnen worden tegen het “wildcrossen”
                        of overlastgevend ruiter- en fietsverkeer gaat het in feite om een meer
                        algemeen vraagstuk: Welke maatregelen kunnen genomen worden om ter
                        bescherming van het milieu en ter voorkoming van overlast gemotoriseerd
                        verkeer, ruiter- of fietsverkeer uit bepaalde gebieden te weren?Een
                        mogelijkheid om het weggebruik door de verkeersdeelnemers te reguleren is
                        het nemen van verkeersbeperkende maatregelen op grond van de
                        wegenverkeerswetgeving. Voor de in deze gebieden gelegen wegen is sinds
                        november 1991 de wegbeheerder bevoegd tot het treffen van
                        verkeersmaatregelen (zie artikel 18 WVW 1994). </al><al/><al>Volgens de WVW 1994 kan tot vaststelling van verkeersmaatregelen worden
                        overgegaan indien deze maatregelen de veiligheid op de weg verzekeren,
                        weggebruikers en passagiers beschermen, strekken tot het in stand houden van
                        de weg en de bruikbaarheid van de weg waarborgen, de vrijheid van het
                        verkeer waarborgen, strekken tot voorkoming of beperking van door het
                        verkeer veroorzaakte overlast, hinder of schade, strekken tot het voorkomen
                        of beperken van door het verkeer veroorzaakte aantasting van het karakter of
                        van de functie van objecten of gebieden en tenslotte een doelmatig of zuinig
                        energieverbruik bevorderen (artikel 2, eerste tot en met derde lid, WVW
                        1994). De WVW 1994 geeft derhalve ook mogelijkheden verkeersmaatregelen te
                        nemen ter bescherming van milieubelangen. Regulering van het gemotoriseerde
                        verkeer dat van de weg gebruik maakt in natuurgebieden dient te geschieden
                        op basis van de WVW 1994 door middel van een verkeersmaatregel. Hierbij moet
                        het dan gaan om een regeling ten aanzien van het gebruik van wegen in de zin
                        van de WVW 1994. </al><al/><al>Voor de overige gebieden, buiten de wegen in de zin van de WVW 1994, binnen
                        een natuurgebied kan een regeling worden opgenomen in de APV. Hierbij moet
                        in het oog worden gehouden dat met betrekking tot het onderhavige onderwerp
                        ook een provinciale regeling kan gelden. Indien er reeds een provinciale
                        regeling bestaat inzake de beperking van gemotoriseerd verkeer in
                        natuurgebieden, welke regeling - deels - strekt ter bescherming van dezelfde
                        belangen, zal - althans indien een gemeente geheel of gedeeltelijk gelegen
                        is in een “natuurgebied” als bedoeld in de provinciale verordening - de
                        werkingssfeer van het gemeentelijk voorschrift ten opzichte van de
                        provinciale verordening moeten worden afgebakend. </al><al/><al><cursief>2.1 Maatregelen op basis van de Wegenwet/feitelijke sluiting en
                            sluiting krachtens artikel 461 Wetboek van Strafrecht</cursief></al><al>- Ook langs feitelijke en privaatrechtelijke weg zou men kunnen komen tot
                        het weren van gemotoriseerd verkeer uit bepaalde natuurgebieden. </al><al/><al>In de eerste plaats valt te denken aan het plaatsen van palen, klap- of
                        draaihekjes bij de toegangen tot de in een dergelijk gebied gelegen wegen.
                        De eigenaar van een weg zal men het recht tot het nemen van zodanige
                        maatregelen niet kunnen ontzeggen. Hoe zit dit echter als deze weg is aan te
                        merken als een openbare weg in de zin der Wegenwet? Hiervoor zijn wij
                        ingegaan op de beperkingen in het gebruik van een openbare weg als gevolg
                        van het beperkt openbaar rechtskarakter van die weg. Openbare wegen in
                        natuurgebieden zullen veelal - op grond van de gesteldheid van de weg of op
                        grond van het gebruik dat van de weg pleegt te worden gemaakt - een zodanig
                        beperkt openbaar rechtskarakter hebben. Ook ten aanzien van deze openbare
                        wegen zal de eigenaar deze beperking feitelijk mogen realiseren door het
                        plaatsen van klap- en draaihekjes, palen e.d. bij de toegangen tot die wegen
                        en wel zodanig dat alleen voetgangers en fietsen vrij kunnen passeren. Aan
                        deze handelwijze kleeft een aantal bezwaren. </al><al/><al>Deze handelwijze is in de eerste plaats niet toepasbaar ten aanzien van
                        openbare wegen die niet een beperkt openbaar rechtskarakter hebben.
                        Ingevolge het bepaalde in artikel 14, eerste lid, van de Wegenwet dienen de
                        rechthebbende en de onderhoudsplichtige dan alle verkeer over de openbare
                        weg te dulden. Wij tekenen hierbij nog aan dat het gedeeltelijk - bij
                        voorbeeld alleen voor gemotoriseerd verkeer - onttrekken van wegen aan het
                        openbaar verkeer niet mogelijk is (KB 26 september 1955, AB 1956, blz. 357,
                        m.nt. M. Troostwijk). Ook is het volgens de Kroon niet mogelijk een weg aan
                        het openbaar verkeer te onttrekken om hem vervolgens weer onmiddellijk open
                        te stellen voor bij voorbeeld voetgangers en fietsers (KB 11 mei 1982, AB
                        1982, 378, m.nt. J.R. Stellinga). Een dergelijke maatregel kan wel door
                        middel van een verkeersbesluit worden genomen, zoals hiervoor is beschreven. </al><al/><al>Ook mag verwacht worden dat het onttrekken van een aantal in het
                        buitengebied gelegen wegen aan het openbaar verkeer op bezwaren zal stuiten
                        van met name landbouwers. Verder merken wij ten aanzien van het afsluiten
                        van wegen door middel van hekjes en slagbomen nog op, dat de bereikbaarheid
                        van bos- en natuurgebieden voor de brandweer en in verband met
                        onderhoudswerkzaamheden zal verslechteren. Bovendien zullen slagbomen
                        gemakkelijk geopend kunnen worden. Ten slotte is het plaatsen van hekjes,
                        slagbomen en dergelijke een kostbare aangelegenheid. Men zou - in de tweede
                        plaats - kunnen denken aan het plaatsen bij de toegangen tot de wegen in een
                        bepaald natuurgebied van borden waarop de toegang voor motorvoertuigen en
                        bromfietsen voor onbevoegden krachtens artikel 461 van het Wetboek van
                        Strafrecht wordt verboden: “Verboden toegang voor....; art. 461 Wetboek van
                        Strafrecht”. </al><al/><al>Deze methode kan echter niet worden toegepast, indien het gaat om openbare
                        wegen in de zin van de Wegenwet. Zie HR 21 juni 1966, NJ 1966, 416, m.nt.
                        W.F. Prins, OB 1967, XIV.3, nr. 26667, AB 1967, blz. 186, NG 1966, blz. 432,
                        Verkeersrecht 1966, blz. 227, m.nt. R.J. Polak (Bromfietsverbod Sneek), en
                        HR 23 december 1980, NJ 1981, 171, m.nt. Th.W. van der Veen, AB 1981, 237,
                        NG 1981, blz. S63, m.nt., Verkeersrecht 1981, blz. 58, m.nt. J.J. Bredius
                        (rijverbod Schiermonnikoog). </al><al/><al>Zie de uitspraak van de Afdeling rechtspraak van 25 maart 1982, NG 1983 blz.
                        S 145,, AB 1983, 64, m.nt. Van der Veen (Helmond) en van 5 november 1982,
                        Gst. 1983, 6745, 10, m.nt. J.M. Kan (Wittem). Blijkens deze uitspraken kan
                        (en moet!) de gemeentelijke overheid de onderhouds- en de duldingsplicht van
                        de eigenaar van een openbare weg met toepassing van bestuursdwang afdwingen,
                        indien deze plicht wordt verzaakt. </al><al/><al>Men kan - zoals hierboven reeds bleek - aan genoemde consequenties niet
                        ontkomen door een weg slechts beperkt aan het openbaar verkeer te
                        onttrekken, in die zin dat hij alleen openbaar zal zijn voor bepaalde
                        categorieën verkeersdeelnemers. Bovendien, ook al zou een weg een beperkt
                        openbaar rechtskarakter hebben, dan nog zou artikel 461 WvSr. waarschijnlijk
                        niet toepasselijk kunnen zijn. </al><al/><al>Hiervoor werd er reeds op gewezen dat de hele onttrekkingsprocedure
                        tijdrovend is en dat de onttrekking op bezwaren zal stuiten van met name
                        landbouwers. Zou men de hier bedoelde methode toepassen, dan zou het in
                        ieder geval noodzakelijk zijn voor de onttrekking aan het openbaar verkeer
                        met de particuliere eigenaren duidelijke afspraken te maken en deze
                        schriftelijk vast te leggen. Wij vermelden hier nog, dat de onttrekking van
                        een openbare weg aan het openbaar verkeer onvoorwaardelijk moet geschieden
                        en zonder tijdsbepaling (circulaire van de minister van verkeer en
                        waterstaat aan de colleges van gedeputeerde staten, BS 1933, nrs. 203 en
                        245, WGB 1933, blz. 225).</al><al/><al><cursief>3. Verordening stiltegebieden</cursief></al><al>Provinciale staten dienen op grond van artikel 1.2 van de Wet milieubeheer
                        een verordening op te stellen die onder andere regels bevat inzake het
                        voorkomen of beperken van geluidhinder in bij de verordening aangewezen
                        gebieden. Volgens Hoofdstuk 5 van de Provinciale Milieuverordening Zeeland
                        is het onder meer verboden een aantal toestellen te gebruiken binnen het
                        milieubeschermingsgebied. Het is ook verboden om met een motorvoertuig met
                        draaiende verbrandingsmotor de openbare weg of andere voor
                        bestemmingsverkeer openstaande wegen en terreinen te verlaten. Toertochten
                        voor motorvoertuigen of een wedstrijd als bedoeld in artikel 24 van de WVW
                        1994 zijn niet toegestaan.</al><al/><al><cursief>4. Beperking gemotoriseerd verkeer in natuurgebieden in relatie tot
                            artikel 1 van de Grondwet</cursief></al><al>De vraag rijst of het ontzeggen van de toegang tot een bepaald natuurgebied
                        voor motorrijders en bromfietsers zich verdraagt met het
                        antidiscriminatieverbod van artikel 1 van de Grondwet. Deze vraag werd aan
                        de orde gesteld in een zitting van de kantonrechter te Harderwijk op 19
                        september 1985. De geverbaliseerde voerde aan dat het verbod “...
                        discriminerend is ten aanzien van motorrijders, bromfietsers en hun
                        duopassagiers. Terreinwagens, motoren met zijspan, auto’s en vrachtwagens
                        mogen van de onverharde wegen wel gebruik maken. De officier van justitie
                        bestreed deze opvatting. Hij stelde dat het gemeentebestuur een keuze heeft
                        gemaakt tussen de belangen van voetgangers en flora en fauna en de belangen
                        van motorrijders en bromfietsers die zittend op hun voertuig van de natuur
                        willen genieten.”</al><al/><al>De officier meende dat de belangen van flora en fauna en de belangen van
                        voetgangers die hinder ondervinden van motorrijders, prevaleren boven de
                        belangen van motorrijders. De kantonrechter schaarde zich achter de officier
                        van justitie. Hij meende dat er geen sprake was van discriminatie van
                        motorrijders en bromfietsers omdat hun bewegingsvrijheid niet verder dan
                        noodzakelijk voor het doel dat het college voor ogen staat wordt
                        beperkt.</al><al/><al>De Rechtbank in hoger beroep en de Hoge Raad in cassatie hebben inmiddels de
                        uitslag van de kantonrechter onderschreven (HR 19 mei 1987, AB 1988, nr.
                        216, APV Nunspeet).</al><al/><al><cursief>Jurisprudentie</cursief></al><al>- Wanneer wordt overgegaan tot het aanwijzen van een natuurgebied,
                        waarbinnen gemotoriseerd verkeer verboden is, zoals in deze bepaling
                        bedoeld, is het verstandig te bezien in hoeverre een overgangsregeling
                        noodzakelijk is voor personen die - al dan niet bedrijfsmatig - met een
                        motorvoertuig gebruik maken van dit natuurgebied. Vanwege het ontbreken van
                        een overgangsregeling trof de Voorzitter van de ARRS een voorlopige
                        voorziening, waarbij aan belanghebbende alsnog een tijdelijke ontheffing
                        werd verleend. Vz. ARRS 30-8-1990, AB 1991, 432 m.nt. PCEvW, Gst. 1991,
                        6929, 7 m.nt. JT. </al><al/><al><onderstreept>Artikel 5:38 Verbod vuur te stoken</onderstreept></al><al>Benadrukt moet dat het nieuwe regiem voor het verbranden van afvalstoffen
                        buiten inrichtingen in de Wet milieubeheer er niet beter, maar juist
                        onduidelijker op is geworden. Voorheen hoefde er op grond van artikel 5.5.1
                        APV slechts één ontheffing te worden verleend, waarin zowel de bescherming
                        van het milieu als van de openbare orde en veiligheid werden geregeld.
                        Artikel 10.63, tweede lid, Wet milieubeheer beperkt zich nu echter alleen
                        tot de bescherming van het milieuhygiënische belang. Indien het college de
                        openbare orde- en veiligheidsaspecten wil reguleren is het verlenen van een
                        (tweede) ontheffing op grond van de APV noodzakelijk. </al><al/><al><cursief>De aanvullende werking van artikel 5:38</cursief></al><al>Benadrukt wordt dat voor het verbranden van afvalstoffen buiten inrichtingen
                        altijd een ontheffing nodig is op grond van artikel 10.63, tweede lid, Wet
                        milieubeheer. Het college kan een ontheffing verlenen, indien het belang van
                        de bescherming van het milieu zich daartegen niet verzet. Met andere
                        woorden, het college kan een ontheffing weigeren op grond van
                        milieuhygiënische argumenten. </al><al/><al>Bij het verbranden van afvalstoffen zijn echter vaak openbare orde- en
                        veiligheidsaspecten van belang. Artikel 10.63, tweede lid, van de Wet
                        milieubeheer biedt geen mogelijkheid om de ontheffing te weigeren, indien de
                        openbare orde en veiligheid in het geding is. Bovendien kunnen de
                        voorschriften verbonden aan een dergelijke ontheffing alleen dienen ter
                        bescherming van het belang van het milieu. Artikel 5:38 vult daarom voor wat
                        betreft deze aspecten de Wet milieubeheer aan. </al><al/><al>Voor artikel 5:38 APV betekent dit concreet het volgende. Artikel 5:38,
                        tweede lid, APV biedt de mogelijkheid om - naast de ontheffing op grond van
                        de Wet milieubeheer - een ontheffing te verlenen, waarin de aspecten van
                        openbare orde en veiligheid worden geregeld. Er ligt dus een ander motief
                        ten grondslag aan de APV dan aan de Wet milieubeheer. Tevens wordt het
                        college de mogelijkheid geboden om aan deze ontheffing voorschriften te
                        verbinden die het belang van de openbare orde en veiligheid beogen te
                        beschermen. De weigeringsgronden worden genoemd in derde lid.
                        </al><al/><al><cursief>Kan de ontheffing op grond van artikel 10.63, tweede lid, Wet
                            milieubeheer en de ontheffing op grond van artikel 5:39, tweede lid, APV
                            worden gecombineerd tot één te verlenen ontheffing?</cursief></al><al/><al>Er is een aantal redenen om dit niet te doen. In de eerste plaats zijn de
                        gronden waarop het besluit wordt genomen, gebaseerd op twee verschillende
                        wettelijke regelingen. Het gaat dus om twee verschillende afwegingskaders.
                        Indien beide afwegingskaders in één ontheffing wordt verwerkt, is de vraag
                        in hoeverre een dergelijk besluit juridisch stand houdt. Bovendien wordt,
                        indien bezwaar of beroep wordt ingesteld tegen het ene besluit, het bezwaar
                        daarmee impliciet eveneens gericht tegen het andere besluit. Tenslotte is
                        ook de strafbaarstelling verschillend. Overtreding van de ontheffing op
                        grond van artikel 10.63, tweede lid, Wet milieubeheer wordt strafbaar
                        gesteld in de Wet op de economische delicten (Wed), terwijl overtreding van
                        artikel 5:38 strafbaar wordt gesteld op grond van artikel 154 Gemeentewet.
                        Het verschil in wettelijke grondslag (Wet milieubeheer versus Gemeentewet),
                        het verschil in toetsingskader (milieu versus openbare orde) en het verschil
                        in strafbaarstelling (Wet op de economische delicten versus Gemeentewet)
                        pleit ervoor om een systeem van twee separate ontheffingen te hanteren. Dit
                        neemt niet weg dat gemeenten de aanvraag voor beide ontheffingen kunnen
                        coördineren. Het blijven echter wel twee afzonderlijke besluiten.
                        </al><al/><al><cursief>Indien de ontheffing op grond van artikel 10.63, tweede lid, Wet
                            milieubeheer wordt geweigerd, wat betekent dit voor de ontheffing op
                            grond van artikel 5:38 APV?</cursief>Indien de ontheffing op grond van
                        artikel 10.63, tweede lid, Wet milieubeheer wordt geweigerd, is er geen
                        ruimte meer voor een ontheffing op grond van artikel 5:38 APV. Dit volgt uit
                        het systeem van de wet. Een ontheffing op grond van artikel 5:38 APV kan in
                        dit geval namelijk nooit worden verleend wegens strijd met de Wet
                        milieubeheer. De aanvraag voor een ontheffing op grond van artikel 5:38 APV
                        hoeft daarom niet in behandeling te worden genomen. De grondslag hiervoor is
                        artikel 4:5 Awb. </al><al/><al><cursief>Uitzonderingen artikel 5:38 APV</cursief></al><al>In het tweede lid is een aantal uitzonderingen opgenomen op het verbod in
                        het eerste lid. Hierbij zijn de volgende punten van belang. In de eerste
                        plaats valt verlichting door middel van kaarsen, fakkels, sfeervuren –
                        waarbij geen afvalstoffen worden verbrand -, zoals terrashaarden en
                        vuurkorven of vuur voor koken, bakken en braden niet onder het nieuwe regiem
                        van de Wet milieubeheer. Er is immers geen sprake van het verbranden van
                        afvalstoffen buiten inrichtingen. Vervolgens mag er geen sprake zijn van
                        gevaar, overlast of hinder voor de omgeving. Vooral binnen de bebouwde kom
                        kunnen klachten ontstaan over overlast of hinder door met name terrashaarden
                        en vuurkorven. De laatste zinsnede van het tweede lid biedt dus een handvat
                        om handhavend op te treden.</al><al/><al>De uitzonderingen betreffen een aanvulling op hogere regelgeving. Het eerste
                        lid regelt namelijk het aanleggen, stoken of hebben van vuur, maar in de
                        genoemde uitzonderingsgevallen is geen sprake van het verbranden van
                        afvalstoffen. De gemeentelijke wetgever regelt dus een bepaalde materie
                        (verbranden) vanuit eenzelfde motief (namelijk een milieumotief: het
                        voorkomen van overlast of hinder) als de hogere regelgever, maar beperkt
                        zich daarbij tot gedragingen die niet of nog niet worden bestreken door de
                        hogere regelgeving (namelijk het verbranden van niet-afvalstoffen buiten
                        inrichtingen).</al><al/><al><cursief>Inrichtingen</cursief></al><al>Normaal gesproken is de afbakening tussen de Wet milieubeheer en de APV
                        helder, indien er sprake is van een inrichting in de zin van de Wet
                        milieubeheer. Daar waar de Wet milieubeheer of hierop gebaseerde regels of
                        voorschriften in een onderwerp voorzien, is geen ruimte voor de APV. Het
                        Besluit melkrundveehouderijen milieubeheer en het Besluit Akkerbouwbedrijven
                        milieubeheer, zogenaamde 8.40 AMvB’s, vormen hierop een uitzondering. In
                        deze besluiten wordt namelijk voor het onderwerp verbranden van afvalstoffen
                        binnen inrichtingen uitdrukkelijk verwezen naar een gemeentelijke
                        verordening. </al><al/><al><cursief>- Besluit melkrundveehouderijen milieubeheer</cursief><cursief>
                            Voorschrift 4.1: </cursief>Afvalstoffen mogen niet binnen de inrichting
                        worden verbrand, behoudens voor zover ingevolge een gemeentelijke
                        verordening verbranden van uit de inrichting afkomstige afvalstoffen is
                        toegestaan.</al><al><cursief>- Besluit akkerbouwbedrijven milieubeheer
                            </cursief><cursief>Voorschrift 8.1: </cursief>Afvalstoffen mogen niet
                        binnen de inrichting worden verbrand, behoudens voor zover ingevolge een
                        gemeentelijke verordening verbranden van uit de inrichting afkomstige
                        afvalstoffen is toegestaan. De artikelen 10.2, eerste lid, en
                        10.63, tweede lid Wet milieubeheer en ook artikel 5:38 APV zijn hier niet
                        van toepassing, omdat deze bepalingen uitdrukkelijk het verbranden van
                        afvalstoffen buiten inrichtingen reguleren. Het gaat in deze besluiten
                        immers om het verbranden binnen inrichtingen.</al><al/><al><cursief>Is een verbod van verbranden van afvalstoffen binnen inrichtingen
                            in APV nodig?</cursief>Indien een bepaling over het verbranden van
                        afvalstoffen binnen inrichtingen in de APV ontbreekt, kan worden gesteld dat
                        het per definitie verboden is om afvalstoffen binnen inrichtingen te
                        verbranden. Immers, op grond van voorschriften van de genoemde Besluiten
                        melkrundveehouderijen en akkerbouwbedrijven milieubeheer geldt een verbod,
                        tenzij een gemeentelijke verordening dit toestaat. Uit het ontbreken van een
                        regeling in de APV, kan impliciet worden afgeleid dat de gemeentelijke
                        verordening het verbranden van afvalstoffen binnen inrichtingen dus niet
                        toestaat. Met andere woorden, indien in een gemeentelijke verordening het
                        verbranden van afvalstoffen binnen inrichtingen niet expliciet wordt
                        toegestaan, is het verbranden van afvalstoffen binnen inrichtingen verboden
                        op grond van voorschrift 4.1. van het Besluit melkrundveehouderijen
                        milieubeheer of voorschrift 8.1 Besluit akkerbouwbedrijven milieubeheer.
                        Indien de gemeente het verbranden van afvalstoffen binnen een inrichting in
                        de gemeentelijke verordening wil toestaan, dan dient dit te worden
                        vastgelegd in de APV. </al><al/><al><cursief>Binnen of buiten inrichting?</cursief></al><al>Ten slotte nog de discussie of er nu sprake is van binnen of buiten een
                        inrichting in de zin van de Wet milieubeheer. Artikel 1, eerste lid, onder
                        a, Besluit akkerbouwbedrijven milieubeheer spreekt over een inrichting die
                        deel uitmaakt van een bedrijf dat uitsluitend of in hoofdzaak is bestemd
                        voor het verbouwen van akkerbouw- of tuinbouwproducten op of in de open
                        grond. In de toelichting op dit besluit wordt aangegeven dat akkerland en de
                        grond alwaar de volle grondstuinbouw plaatsvindt in het algemeen niet tot de
                        inrichting wordt gerekend. </al><al/><al><cursief>Jurisprudentie</cursief></al><al><cursief>- </cursief>De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
                        heeft in een uitspraak van 16 januari 1997 (E03.94.0230, Tiel) de uitspraak
                        gedaan dat dit voor fruitteeltbedrijven tevens inhoudt dat de boomgaarden
                        niet tot de inrichting dienen te worden gerekend.</al><al>- Eerder sprak de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State zich
                        uit over de vraag of een weiland wel of geen inrichting is. Een weiland is
                        geen inrichting, zolang het niet intensief gebruikt wordt (1 december 1995,
                        E03.94.0495, AB 1996, 128). </al><al/><al>Indien het verbranden van afvalstoffen op een weiland of akkerland
                        plaatsvindt, kan worden verdedigd dat er sprake is van het verbranden van
                        afvalstoffen buiten inrichtingen en zijn de artikelen 10.2, eerste lid, Wet
                        milieubeheer en artikel 10.63, tweede lid, Wet milieubeheer en artikel 5:38
                        van de APV om deze reden van toepassing. </al><al/><al><onderstreept>Artikel 5:39 Begripsomschrijving verstrooiing van
                            as</onderstreept></al><al>In de Wet op de lijkbezorging is de mogelijkheid van het permanente terrein
                        opgenomen als een algemene vorm van asbestemming waarbij het nabestaanden
                        niet zozeer gaat om de plaats waar verstrooid wordt als wel om het gegeven
                        dat er verstrooid wordt. Verstrooiingen die plaatsvinden door of op last van
                        de houder van een crematorium of bewaarplaats van asbussen kunnen alleen
                        plaatsvinden op het terrein dat daartoe permanent is bestemd (uiteraard
                        blijft ook de mogelijkheid bestaan dat de as op open zee verstrooid wordt).
                        Zie verder voor een uitgebreide toelichting Lbr. 97/232 van de VNG omtrent
                        het verstrooien van crematieas.</al><al/><al><onderstreept>Artikel 5:40 Verboden plaatsen</onderstreept></al><al>Asverstrooiing is om uiteenlopende redenen niet op alle plaatsen even
                        wenselijk. Dit geldt zeker voor plaatsen waar de as niet of nauwelijks in de
                        bodem kan worden opgenomen en door de wind kan gaan dwarrelen. Dit speelt
                        met name een rol op stoepen, straten, pleinen en dergelijke. Daarom is er
                        een verbod opgenomen voor het verstrooien van as op verharde delen van de
                        weg. Gezien de mogelijke overlast die asverstrooiing op straten en
                        dergelijke kan leveren voor derden en de kans op het snelle verwaaien van de
                        as, is het overigens niet waarschijnlijk dat nabestaanden de verharde delen
                        van de weg zullen uitkiezen als plaats om de as te verstrooien. Het verbod
                        zal dus naar verwachting geen wezenlijke beperking opleveren voor
                        nabestaanden. Als het college een vergunning heeft verleend voor een
                        permanent voor asverstrooiing bestemd terrein, dan zal dat terrein vrijwel
                        altijd op een begraafplaats of bij het crematorium liggen. </al><al/><al>Voor de gemeentelijke begraafplaatsen is de mogelijkheid voor asverstrooiing
                        geregeld in de 'Beheersverordening gemeentelijke begraafplaatsen'. De
                        regeling daarin maakt deel uit van het algehele beleid rond de
                        begraafplaats. Het openstellen van de begraafplaats voor incidentele
                        verstrooiing zou daarin verstorend kunnen werken. De begraafplaatsen zijn
                        expliciete voorbeelden van terreinen waar het vanuit een oogpunt van beheer
                        bezwaarlijk kan zijn om incidenteel as te verstrooien. Zo zijn er wellicht
                        meer. Onder 'volgende plaatsen' kan de gemeente, uiteraard gemotiveerd,
                        plaatsen invullen waarvan zij zegt dat het niet wenselijk is dat daar as
                        wordt verstrooid, hieronder begrepen het openbare water of delen daarvan.
                        Het is mogelijk dat het op bepaalde terreinen (vanwege daar te houden
                        evenementen bijvoorbeeld) slechts tijdelijk onwenselijk is om as te
                        verstrooien. Daarom is een mogelijkheid opgenomen voor het college om in die
                        gevallen een terrein tijdelijk, in verband met die bijzondere
                        omstandigheden, te onttrekken aan de mogelijkheid om er as op te
                        verstrooien. </al><al/><al><onderstreept>Artikel 5:41 Hinder of overlast</onderstreept></al><al>Het verstrooien van as is een emotionele gebeurtenis. Zowel voor
                        nabestaanden als voor omstanders die ermee worden geconfronteerd. Het is
                        daarom van belang dat omstanders geen hinder ondervinden van de activiteit
                        op zich en van de as die na de activiteit wordt achtergelaten. Een typerend
                        voorbeeld is het verstrooien van as in de nabijheid van een groep mensen,
                        terwijl er een stevige bries die kant uitwaait. Dit levert vanzelfsprekend
                        een onwenselijke situatie op. Ook tot enige tijd na de verstrooiing kan as,
                        bijvoorbeeld op de hiervoor aangegeven wijze, hinder opleveren voor
                        omstanders. Daar moet tijdens het verstrooien rekening mee worden gehouden.
                        Dit kan door de as bijvoorbeeld over een groter oppervlak te verspreiden,
                        zodat deze eerder in de bodem wordt opgenomen. Een ander voorbeeld in dit
                        geval is het verstrooien vanaf een gebouw of vanaf een balkon. Er zijn
                        genoeg situaties denkbaar waarin dit hinder oplevert voor het publiek.
                        Overigens is uit de toelichting bij de wijziging van de Wet op de
                        Lijkbezorging af te leiden dat het waarnemen door omstanders van de
                        handeling op zich geen hinder oplevert. Door de wet op het punt van
                        asverstrooiing te verruimen heeft de wetgever bewust aanvaard dat het
                        publiek geconfronteerd kan worden met incidentele verstrooiing. </al><al/></divisie><divisie><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>6.</nr><titel>Straf-, overgangs- en slotbepalingen</titel></kop><al><onderstreept>Algemene toelichting hoofdstuk 6 Straf-, overgangs- en
                            slotbepalingen</onderstreept></al><al>Gelet op het belang van effectieve handhaving van de APV-voorschriften is
                        hier een algemene introductie opgenomen over bestuurlijk toezicht,
                        bestuursrechtelijke en strafrechtelijke handhaving. </al><al/><al><cursief>Handhaving algemeen</cursief></al><al>Handhaving is elke handeling die erop gericht is de naleving door anderen
                        van rechtsregels te bevorderen. De belangrijkste redenen voor een goede
                        handhaving zijn in het kort: Door een goede handhaving zal de overheid
                        uiteindelijk in steeds grotere mate het door haar beoogde doel bereiken.
                        Door handhaving kan de achteruitgang van de kwaliteit van de samenleving
                        worden tegengegaan. De rechtszekerheid en de gelijke behandeling van burgers
                        dienen te worden gewaarborgd. Dit kan door een goed handhavingsbeleid te
                        voeren. De relatie van rechtszekerheid en rechtsgelijkheid met handhaving
                        wordt verder uitgediept. De geloofwaardigheid, betrouwbaarheid en
                        integriteit van bestuurders zullen het ambtelijk en maatschappelijk
                        draagvlak vergroten.</al><al/><al>Handhaving kan zowel strafrechtelijk als bestuursrechtelijk zijn. Hoofdstuk
                        5 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bevat een opsomming van de aan het
                        bestuursorgaan toekomende dwangmiddelen en de regels die bij de toepassing
                        van de dwangmiddelen in acht genomen moeten worden. Hierna worden deze
                        dwangmiddelen en regels toegelicht. Ook is er een korte introductie tot de
                        strafrechtelijke handhaving opgenomen.</al><al/><al><cursief>Toezicht</cursief></al><al>In veel wetten worden, ter handhaving van de regelgeving, aan bepaalde
                        ambtenaren toezichtbevoegdheden toegekend. Zij mogen plaatsen betreden,
                        inlichtingen en inzage van stukken vorderen, monsters nemen en
                        vervoermiddelen zoeken. Dit handhavingstoezicht, ook wel controle genoemd,
                        wordt beheerst door het bestuursrecht. De algemene regels zijn opgenomen in
                        afdeling 5.2 van de Awb. In bijzondere wetten kunnen echter beperkingen
                        worden aangebracht op de in de algemene regels gegeven bevoegdheden
                        (bijvoorbeeld: artikel 45, derde lid van de Wet wapens en munitie in
                        vergelijking met artikel 5:18 van de Awb.</al><al/><al>Toezicht vindt plaats in een stadium waarin (nog) geen sprake is van een
                        redelijk vermoeden dat er een strafbaar feit is gepleegd. In het strafrecht
                        ligt dit anders. Om tot opsporing te komen moet er in beginsel wel sprake
                        zijn van een vermoeden dat er een strafbaar feit is gepleegd. Bepaalde
                        opsporingsbevoegdheden vereisen zelfs een ontdekking op heterdaad.</al><al/><al>Om goed toezicht uit te kunnen oefenen moet een toezichthouder beschikken
                        over de nodige bevoegdheden. Voor het uitoefenen van toezicht is vaak
                        medewerking benodigd van de onder toezicht gestelde. In artikel 5:20, eerste
                        lid, van de Awb is de verplichting van eenieder opgenomen om aan een
                        toezichthouder alle medewerking te verlenen die hij redelijkerwijs kan
                        vorderen bij de uitoefening van zijn bevoegdheden. Uiteraard zijn er
                        uitzonderingen op de medewerkingsplicht. In het tweede lid van artikel 5:20
                        is opgenomen dat geheimhouders, zoals de arts en de advocaat, niet hoeven
                        mee te werken. Maar ook de verdachte hoeft niet mee te werken. Volgens de
                        regering geldt de plicht namelijk niet na het moment waarop de overheid
                        jegens de betrokkene een handeling heeft verricht waaraan deze in
                        redelijkheid de gevolgtrekking heeft kunnen verbinden dat tegen hem
                        strafvervolging wordt ingesteld. “Vanaf dat moment is er sprake van
                        “criminal charge” in de zin van artikel 6 Europees Verdrag van de Rechten
                        van de Mens en kan de betrokkene een beroep doen op het zwijgrecht.”</al><al/><al>Het bovenstaande kan in de praktijk voor verwarring zorgen. Het komt voor
                        dat er toezichthouders zijn met opsporingsbevoegdheden. Degene die onder
                        toezicht staat moet dus goed weten welke “pet” de ambtenaar opheeft. In het
                        geval van toezicht moet een ieder meewerken. Zodra er echter sprake is van
                        opsporing, kan er een beroep op zwijgrecht worden gedaan. Iemand kan immers
                        niet worden verplicht om aan zijn eigen veroordeling mee te werken.</al><al/><al>Toezichthouders worden meestal belast met het toezicht op de naleving van de
                        voorschriften die zijn gegeven bij of krachtens de wet of verordening op
                        grond waarvan zij als toezichthouder zijn aangewezen. Zo worden in artikel
                        100 Woningwet de ambtenaren bouw- en woningtoezicht aangewezen als
                        toezichthouders op het gebied van de Woningwet. Met deze aanwijzing moeten
                        zij niet alleen toezicht houden op de naleving van de bepalingen in de
                        Woningwet zelf, maar ook op de naleving van hetgeen krachtens wettelijk
                        voorschrift anderszins is bepaald. Te denken valt hierbij aan de
                        voorschriften bij een bouwvergunning.</al><al/><al><cursief>Strafrechtelijke handhaving</cursief></al><al>Het strafrecht en het bestuursrecht worden elk op een geheel eigen wijze
                        genormeerd. In artikel 1:6 van de Awb is bepaald dat de Awb niet van
                        toepassing is op de opsporing en vervolging van strafbare feiten noch op de
                        tenuitvoerlegging van strafrechtelijke beslissingen. Het handelen van
                        strafrechtelijke organen wordt genormeerd door de regels van het Wetboek van
                        Strafrecht en door de diverse bijzondere wetten, waarin de geldende
                        materiële normen zijn verwoord en waarin soms ook van de algemene
                        strafvordering afwijkende strafprocessuele bevoegdheden zijn opgenomen, en
                        het Wetboek van Strafvordering, dat algemene regels van strafprocesrecht
                        bevat, bevoegdheden in het leven roept en de grenzen van de bevoegdheden
                        bepaalt.</al><al/><al>Op grond van artikel 2 van de Politiewet 1993 heeft de politie tot taak te
                        zorgen voor de daadwerkelijke handhaving van de rechtsorde en het verlenen
                        van hulp aan hen die deze behoeven. Op grond van deze algemene politietaak,
                        alsmede op grond van de last die in de artikelen 141 en 142 van het Wetboek
                        van Strafvordering aan de aldaar genoemde ambtenaren wordt gegeven om
                        strafbare feiten op te sporen, kunnen opsporingsambtenaren onderzoek doen.
                        Een opsomming van de daarbij te hanteren methoden ontbreekt. Algemene
                        opsporingsmethoden zijn niet in het Wetboek van Strafvordering geregeld. Er
                        zijn wel bijzondere opsporingsbevoegdheden geregeld. Dit zijn observatie,
                        infiltratie, de pseudo-koop of pseudo-dienstverlening, het stelselmatig
                        inwinnen van informatie, het onderzoek doen in een besloten plaats zonder
                        toestemming van de rechthebbende, het opnemen van vertrouwelijke
                        communicatie, het onderzoek van telecommunicatie en het stelselmatig volgen
                        of waarnemen.</al><al/><al>Opsporingsambtenaren kunnen, naast dat zij bevoegd zijn
                        opsporingshandelingen te verrichten, ook bevoegd zijn tot het uitoefenen van
                        controlebevoegdheden die in bijzondere wetten worden toegekend. Op grond van
                        artikel 160 Wegenverkeerswet bijvoorbeeld kan een ambtenaar de bestuurder
                        van een voertuig vorderen zijn voertuig te doen stilhouden, terwijl het
                        vijfde lid van het artikel bepaalt dat de bestuurder op eerste vordering van
                        de opsporingsambtenaar verplicht is medewerking te verlenen aan een
                        ademonderzoek. Als een bevoegde ambtenaar van deze bevoegdheid gebruikmaakt
                        en de ademtest wijst een te hoog alcoholpromillage uit, dan is er een
                        verdenking ontstaan en gaat controle over in opsporing.</al><al/><al>In het bestuursrecht worden de sancties opgelegd door een bestuursorgaan. De
                        rechter speelt in het bestuursrecht pas een rol indien een belanghebbende,
                        na bezwaar of administratief beroep, beroep instelt bij de rechter. De
                        rechter speelt in het strafrecht een centrale rol. Sancties in het
                        strafrecht worden opgelegd door de rechter.</al><al/><al><cursief>Bestuursdwang, dwangsom en gedogen</cursief></al><al>De Gemeentewet kent in artikel 125 aan het gemeentebestuur een algemene
                        bevoegdheid toe tot het uitoefenen van bestuursdwang. In artikel 5:21 van de
                        Awb is bestuursdwang als volgt gedefinieerd: het door feitelijk handelen
                        door of vanwege een bestuursorgaan optreden tegen hetgeen in strijd met bij
                        of krachtens enig wettelijk voorschrift gestelde verplichtingen is of wordt
                        gedaan, gehouden of nagelaten. Het feitelijk handelen omvat onder meer: het
                        doen wegnemen, ontruimen, beletten, in de vorige toestand herstellen of het
                        treffen van maatregelen om verdere nadelige gevolgen van een overtreding te
                        voorkomen. Het uitoefenen van bestuursdwang is dus zuiver gericht op het
                        feitelijk in overeenstemming brengen met de bestuursrechtelijke
                        voorschriften van een onwettige situatie. Dit heeft dus een herstellende
                        werking en heet daarom “reparatoire sanctie”. Onder overtreding van een
                        voorschrift wordt ook verstaan het niet nakomen van voorschriften die aan
                        een vergunning zijn verbonden, zoals bijvoorbeeld geluidsvoorschriften bij
                        een milieuvergunning. </al><al/><al>In artikel 5:32 van de Awb is aangegeven dat een bestuursorgaan dat bevoegd
                        is om bestuursdwang toe te passen, ook bevoegd is om een dwangsom op te
                        leggen. Het opleggen van een dwangsom is een middel om de overtreder door
                        het opleggen van een last om te betalen, te bewegen de overtreding te
                        beëindigen. Bijna vanzelfsprekend hoort hier de vraag bij welk instrument
                        het geschiktst is om aan de geconstateerde overtreding een einde te maken.
                        Deze vraag zal steeds beantwoord moeten worden aan de hand van feiten, de
                        omstandigheden en de belangen die aan de orde zijn. De wet laat zich hier
                        niet over uit. Wel is in artikel 5:36 van de Awb opgenomen dat een dwangsom
                        niet mag worden opgelegd zolang een reeds genomen beslissing tot toepassing
                        van bestuursdwang niet is ingetrokken. Met andere woorden: een combinatie
                        van bestuursdwang met last dwangsom is niet mogelijk.</al><al/><al>De eerste stap in een handhavingscyclus zal zijn dat een overtreding
                        plaatsvindt dan wel gaat plaatsvinden. Dat betekent dat er een onderzoek
                        moet worden gedaan. Met behulp van de toezichtsbevoegdheden wordt de
                        situatie onderzocht. Hiervan zal de ambtenaar een rapport van bevindingen
                        moeten opmaken. Het is belangrijk dat een dergelijk rapport van foto’s of
                        ander bewijsmateriaal wordt voorzien. Bij de voorbereiding van een besluit
                        moet immers worden voldaan aan het zorgvuldigheidsbeginsel.</al><al/><al>Het kan een keuze zijn van het bestuursorgaan om niet over te gaan tot
                        handhaven. De met de wet strijdige situatie wordt dan gedoogd. Is een
                        bestuursorgaan op de hoogte van de overtreding, maar wordt er geen actie
                        nomen, dan is er sprake van passief gedogen. Het toepassen van bestuursdwang
                        is een bevoegdheid, geen absolute verplichting. Een gemeente heeft dus de
                        mogelijkheid om het belang van de handhaving door middel van bestuursdwang
                        af te wegen tegen andere belangen, zoals de mogelijkheid om een andere
                        bestuursrechtelijke sanctie in te zetten of over te gaan tot het gedogen.
                        Deze vrijheid is echter betrekkelijk. Uit jurisprudentie blijkt dat er een
                        beginselplicht tot handhaving bestaat. Bijvoorbeeld: ABRS 22 maart 2001,
                        BR2001/778, Dwangsom Camping Nunspeet . Enkel in geval van bijzondere
                        omstandigheden kan van handhavend optreden worden afgezien. Het is goed dit
                        te beseffen. Indien er namelijk een veelheid aan regelgeving binnen een
                        gemeente bestaat, en de gemeente wordt op handhaving van die regels
                        aangesproken, is zij in beginsel dus verplicht hier gevolg aan te geven. De
                        handhaafbaarheid speelt dus een grote rol bij het opstellen van regels.</al><al/><al><cursief>Kabinetsstandpunt “Naar een veilige samenleving”</cursief></al><al>In oktober 2002 is door de ministers van Binnenlandse Zaken en
                        Koninkrijksrelaties en Justitie het programma “Naar een veilige samenleving”
                        naar de Tweede Kamer gezonden [Kamerstukken II, 2002-2003, 28 684, nr 1.].
                        In dit programma wordt aangegeven welke concrete doelstellingen op het
                        gebied van de veiligheid van het publieke domein het kabinet voor 2006
                        nastreeft en hoe het kabinet die doelstellingen wil bereiken.</al><al/><al>In het programma wordt door het kabinet een lans gebroken voor versterking
                        van de bestuurlijke handhaving met betrekking tot de kleine ergernissen in
                        het publieke domein. “Naar een veilige samenleving” stelt dat gemeenten een
                        “bijzondere verantwoordelijkheid en een zelfstandige rol” hebben “bij het
                        verbeteren van de veiligheidssituatie die gestalte krijgt op lokaal en
                        wijkniveau, in de woon en leefomgeving van de burgers”. Gemeenten zijn
                        verantwoordelijk voor en worden aangesproken op het organiseren van
                        integraal veiligheidsbeleid, maar beschikken over onvoldoende
                        bestuursrechtelijke instrumenten om dat beleid integraal te handhaven.
                        Vooral de gemeente (en niet zozeer de politie) wordt door de burger
                        aangesproken op overlast en verloedering van het straatbeeld (kleine
                        ergernissen). Verloedering scoort hoog als oorzaak van gevoelens van
                        onveiligheid bij burgers. Het kabinet wil hier iets aan doen door het
                        bestuurlijke toezicht en de handhaving in het publieke domein te versterken
                        middels de invoering van de bestuurlijke boete voor kleine ergernissen.</al><al/><al><cursief>Bestuurlijk instrumentarium gemeenten</cursief></al><al>Gemeenten hebben in het kader van toezicht en handhaving reeds een aantal
                        bestuursrechtelijke instrumenten ter beschikking. Voor de
                        bestuursrechtelijke instrumenten waarover gemeenten beschikken geldt een
                        scheiding in sancties die erop zijn gericht de ontstane situatie in de
                        gewenste situatie te herstellen (herstelsancties) en sancties die primair
                        zijn bedoeld om bestraffend op te treden (punitieve sancties). Bij de
                        herstelsancties gaat het om bestuursdwang [is voor gemeenten geregeld in
                        artikel 125 Gemeentewet]en dwangsom [gemeentelijke bevoegdheid op
                        grond van artikel 136 Gemeentewet.]. Deze sancties kunnen alleen worden
                        ingezet in situaties waarin herstel daadwerkelijk mogelijk is, zoals het
                        terugbrengen van een bouwwerk in de oorspronkelijke staat. Het intrekken van
                        een begunstigend besluit (vergunning, ontheffing, subsidie) [Onderscheid kan
                        worden gemaakt tussen het intrekken van een begunstigend besluit als sanctie
                        en anderszins, bijvoorbeeld wegens gewijzigde beleidsinzichten of
                        veranderende omstandigheden.] is een voorbeeld van de tweede categorie. De
                        meeste normen die verloederingsfeiten en onveiligheidsgevoelens van burgers
                        moeten tegengaan lenen zich niet voor handhaving via dwangsom of
                        bestuursdwang. Of het herstel is feitelijk niet mogelijk (denk aan
                        geluidsoverlast), óf het herstel zélf, dan wel de controle daarop, leveren
                        problemen op (denk aan een last onder dwangsom tot het niet meer voortijdig
                        plaatsen van vuilniszakken op straat, die wekelijks gecontroleerd zou moeten
                        worden).</al><al/><al>In mei 2004 heeft de VNG het concept wetsvoorstel bestuurlijke boete kleine
                        ergernissen ontvangen van de ministers van BZK en Justitie met het verzoek
                        hierop te reageren. In het concept wetsvoorstel wordt een stelsel
                        voorgesteld waarin het mogelijk wordt gemaakt dat het gemeentebestuur
                        desgewenst bevoegd wordt tot het opleggen van een bestuurlijke boete in
                        reactie op overtreding van specifieke bij of krachtens formele wet als
                        beboetbare feiten aangewezen APV-normen. Er is dus sprake van een keuze
                        tussen invoering en geen invoering van de bestuurlijke boete.</al><al/><al>Heeft een gemeente de bestuurlijke boete ingevoerd dan kan zij te allen
                        tijde besluiten de bestuurlijke boete weer af te schaffen. Een besluit van
                        de raad tot intrekking van het besluit tot invoering van de bestuurlijke
                        boete treedt echter niet eerder in werking dan na negen maanden na de
                        bekendmaking van het intrekkingsbesluit. Bij het opstellen van de
                        feitenlijst die onder de reikwijdte van de bestuurlijke boete worden
                        gebracht is vooralsnog de APV van de VNG als uitgangspunt genomen.
                        Verkeersdelicten, met uitzondering van fout-parkeren, zullen volgens dit
                        voorstel niet onder de bestuurlijke handhaving worden gebracht. Zoals gezegd
                        wordt de lijst met beboetbare feiten door de formele wetgever vastgesteld
                        (bij algemene maatregel van bestuur). Gemeenten kunnen de lijst dus niet
                        aanpassen aan de lokale situatie.</al><al/><al>De bevoegdheid tot het opleggen van een bestuurlijke boete wordt uitgeoefend
                        door het college. Deze bevoegdheid wordt evenwel uitgeoefend door de
                        burgemeester, indien de toepassing van dit middel dient tot handhaving van
                        regels welke hij uitvoert.</al><al/><al>Tegen de boete-oplegging staat de rechtsgang van de Algemene wet
                        bestuursrecht open. De boete dient door een bestuurlijk toezichthouder in
                        dienst van de gemeente, die tevens buitengewoon opsporingsambtenaar is, te
                        worden opgelegd. Mandateren van deze bevoegdheid aan particuliere
                        toezichthouders is niet toegestaan. De opbrengsten van de boeten komen toe
                        aan de gemeenten. Gemeenten zijn zelf verantwoordelijk voor de incasso en de
                        registratie van opgelegde boeten (daarbij kunnen ze eventueel externen,
                        zoals bijvoorbeeld het Centraal Justitieel Incassobureau, inschakelen).</al><al/><al>In de Memorie van Toelichting bij het concept wetsvoorstel wordt inzicht
                        gegeven in de financiële implicaties van de introductie van het
                        handhavingsinstrument. De cijfers die hierin worden genoemd geven aan dat
                        tegenover iedere euro aan opbrengsten er € 2,50 aan investeringen staat. De
                        VNG heeft in haar reactie op het wetsvoorstel aangegeven dat dit naar haar
                        mening niet acceptabel is. Om de verhouding tussen investering en opbrengst
                        rechter te trekken heeft zij er voor gepleit om ook bepaalde
                        verkeersdelicten (waaronder snelheidsovertredingen) onder de reikwijdte van
                        de bestuurlijke boete te brengen.</al><al/><al>Voor wat betreft de verkeershandhaving is er een wetsvoorstel in
                        voorbereiding voor het introduceren van de bestuurlijke boete voor fout
                        parkeren en stilstaan. Hierin wordt aan gemeenten de bevoegdheid toegekend
                        om een bestuurlijke boete op te leggen voor “fout parkeren” en “stilstaan”.
                        Deze twee overtredingen, die thans in de Wet administratiefrechtelijke
                        handhaving verkeersvoorschriften (Wahv), oftewel de Wet Mulder, zijn
                        opgenomen, kunnen worden gekenschetst als zogenaamde neutrale
                        ordeningsfeiten. Voor de lokale overheden betekent de bevoegdheid bij deze
                        feiten in punitieve zin op te treden evenwel een belangrijk instrument voor
                        de handhaving van het eigen parkeerbeleid. Dit sluit aan bij de brief die op
                        15 november 2001 door de ministers van BZK, Justitie en V&amp;W aan de
                        Tweede Kamer is gezonden. Hierin is geconcludeerd dat een bestuurlijke boete
                        voor verkeersovertredingen die wordt opgelegd door het lokale bestuur,
                        beperkt dient te blijven tot normatief neutrale ordeningsfeiten. Ernstige
                        verkeersfeiten (waaronder snelheidsovertredingen) dienen daarom te worden
                        uitgesloten. Deze conclusie komt overeen met het standpunt Handhaven op
                        Niveau [Kamerstukken II 1999/2000, 26800 VI, nr. 67.], waarin het kabinet
                        heeft aangegeven dat invoering van de bestuurlijke boete aan de rand van de
                        harde kern van het strafrecht onder omstandigheden een gewenste aanvulling
                        kan zijn op de handhavingbevoegdheden. Op basis hiervan heeft het kabinet
                        geconcludeerd dat de invoering van een door het lokale bestuur op te leggen
                        bestuurlijke boete gewenst is voor een tweetal verkeersovertredingen te
                        weten: “fout parkeren” en “stilstaan”.</al><al/><al>Ten aanzien van de overige verkeersfeiten wijst de regering er op dat
                        hiervoor reeds een uiterst effectief functionerend systeem van bestuurlijke
                        handhaving is neergelegd in de Wet Mulder. In tegenstelling tot parkeren,
                        dat vaak al door gemeentelijke buitengewoon opsporingsambtenaren wordt
                        gehandhaafd, verwacht het kabinet geen verbetering van de handhaving van de
                        overige verkeersfeiten als die worden overgebracht naar het lokale niveau.
                        Uitgangspunt van dit systeem is dat de verkeershandhaving eenduidig
                        herkenbaar is voor de weggebruikers. Indien per gemeente verschillende
                        prioriteiten worden gehanteerd, vermindert de effectiviteit van de
                        handhavende overheid. Politie en OM kunnen de benodigde eenduidigheid
                        bevorderen. Versnippering van de handhaving over de gemeentebesturen
                        betekent dat deskundigheid verloren gaat en duur moet worden binnengehaald.
                        Het risico is groot dat dit ten koste gaat van de handhaving van de lastig
                        handhaafbare normen. Politie en Justitie zullen hun invloed op de
                        prioritering van de te handhaven normen moeten inleveren. Bovendien zullen
                        gemeenten bij de verwerking van de boeten geen gebruik kunnen maken van de
                        schaalvoordelen die gelden indien deze verkeersfeiten landelijk uniform
                        worden afgedaan. De doelmatigheid van de verkeershandhaving zal dan verloren
                        gaan. De politie moet actief blijven op de weg, zowel met het oog op
                        verkeersveiligheid als met het oog op andere politietaken. Voor effectieve
                        en efficiënte handhaving rond ernstige verkeersmisdrijven als grove
                        snelheidsovertredingen en agressief rijgedrag is een speciaal toegeruste en
                        niet aan een bepaald gemeentelijk territoir gevonden handhavingorganisatie
                        onontbeerlijk.</al><al/><al>In gemeenten waar gekozen wordt voor invoering van de bestuurlijke boete
                        krijgt het gemeentebestuur voor wat betreft de aanpak van de kleine
                        ergernissen het primaat bij de handhaving in de publieke ruimte en neemt de
                        rol van de politie hierbij af. Daarbij zal de lijn zijn dat waar gekozen is
                        voor bestuurlijke beboeting, de politie niet meer stelselmatig aandacht
                        besteedt aan kleine ergernissen en het bestuur een 24-uurs beschikbaarheid
                        van de bestuurlijke toezichthouders waarborgt. De politie blijft wel bevoegd
                        om, waar nodig, strafrechtelijk op te treden tegen de overtreding van de
                        APV-normen. Veel overtredingen in het publieke domein worden gepleegd door
                        daders van wie de identiteit niet bekend is. Om een voorziening te treffen
                        voor deze zogenaamde “anonieme daderproblematiek” wordt gekozen voor
                        aansluiting bij het wetsvoorstel Wet op de uitgebreide identificatieplicht:
                        toezichthouders in het publiek domein krijgen de bevoegdheid de
                        identificatie van de betrokkene te vorderen. De eis dat de toezichthouder
                        tevens buitengewoon opsporingsambtenaar is, complementeert het geheel aan
                        bevoegdheden om de bestuurlijke boete te effectueren. Mocht niet voldaan
                        worden aan het verzoek van de toezichthouder om inzage te verlenen in het
                        identiteitsbewijs, dan kan de toezichthouder optreden als buitengewoon
                        opsporingsambtenaar en hiervan een proces-verbaal opmaken.</al><al/><al><onderstreept>Artikel 6:1 Strafbepaling</onderstreept></al><al>Op grond van artikel 154 van de Gemeentewet kan de gemeenteraad op
                        overtreding van zijn verordeningen straf stellen. Deze straf mag niet
                        zwaarder zijn dan hechtenis van ten hoogste drie maanden of een geldboete
                        van de tweede categorie, al dan niet met openbaarmaking van de rechterlijke
                        uitspraak. In artikel 23 van het Wetboek van Strafrecht (WvSr) zijn de
                        maxima van de zes boetecategorieën opgenomen. Het maximum van een boete van
                        de eerste categorie bedraagt € 225,- en van de tweede categorie € 2.250,-.
                        Het is overigens uiteindelijk de strafrechter die de soort en de maat van de
                        straf in een concreet geval bepaalt, tot de grens van de door de
                        gemeenteraad gekozen boetecategorie. Hierbij dient de rechter op grond van
                        artikel 24 WvSr rekening te houden met de draagkracht van de verdachte. Het
                        algemeen geldende minimum van de geldboete bedraagt € 2,- (artikel 23,
                        tweede lid, WvSr). De Gemeentewet heeft aan de gemeenteraad de keuze gelaten
                        op overtreding van verordeningen geldboete te stellen van de eerste óf de
                        tweede categorie. </al><al/><al>De gemeenteraad heeft daarbij de ruimte om binnen de verordening onderscheid
                        te maken naar bepalingen waar bij overtreding een straf van de eerste dan
                        wel van de tweede categorie op staat. Uiteraard kan in de APV ook worden
                        gekozen voor een enkele strafmaat. De gemeente verliest dan echter de
                        mogelijkheid om scheiding aan te brengen tussen lichte en zwaardere
                        overtredingen. Zie hierover de toelichting onder het kopje Uitgangspunten
                        bij een keuze tussen de tweede en de eerste geldboetecategorie. Het is niet
                        mogelijk om van deindeling in boetecategorieën af te wijken, bijvoorbeeld
                        door een maximumboete van € 1.000,- te stellen. </al><al/><al><cursief>Strafbaarheid rechtspersonen</cursief>Op grond van artikel 91 jo.
                        artikel 51 WvSr. vallen ook rechtspersonen onder de werking van
                        gemeentelijke strafbepalingen. Bij veroordeling van een rechtspersoon kan de
                        rechter een geldboete opleggen tot ten hoogste het bedrag van de naasthogere
                        categorie “indien de voor het feit bepaalde boetecategorie geen passende
                        bestraffing toelaat” (artikel 23, zevende en achtste lid WvSr). Dat betekent
                        dat voor overtredingen van de APV door een rechtspersoon de rechter de
                        mogelijkheid heeft een boete van de derde categorie op te leggen (€ 4.500,-
                        ). </al><al/><al><cursief>Uitgangspunten bij een keuze tussen de tweede en de eerste
                            geldboetecategorie</cursief>Het is niet goed mogelijk om algemene
                        criteria te geven voor de vraag of een overtreding van een gemeentelijke
                        verordening bedreigd moet worden met een boete van de eerste (lichte
                        overtredingen) dan wel de tweede categorie. De opvatting van de gemeenteraad
                        over de ernst van bepaalde overtredingen is hiervoor maatgevend. Wel kunnen
                        enkele algemene uitgangspunten worden genoemd:</al><al>a. De hoogte van een op te leggen boete zal in overeenstemming moeten zijn
                        met de aard van de overtreding. Gezien de aard van de bepalingen van de APV
                        kan als algemene lijn worden gehanteerd dat op overtredingen een straf van
                        de tweede categorie wordt gesteld. Op de overtredingen die de gemeenteraad
                        minder ernstig acht, kan een boete van de eerste categorie worden gesteld.
                        Overigens dient er bij de vaststelling van de strafhoogte rekening te worden
                        gehouden met het feit dat ook de lichtere delicten soms onder zodanige
                        omstandigheden kunnen worden gepleegd, dat zij een zwaardere bestraffing
                        verdienen. Het komt nog wel eens voor dat de rechter er behoefte aan heeft,
                        voor bijvoorbeeld bepaalde baldadigheidsdelicten - waarop in het algemeen
                        een zware straf niet past - met het oog op de algemene preventie, een
                        zwaardere straf op te leggen. Desondanks blijft het gewenst om na te gaan
                        welke overtredingen in de eigen gemeentelijke verordeningen in aanmerking
                        komen voor onderbrenging in de eerste categorie.</al><al>b. Op milieuovertredingen, met name overtredingen die ook door
                        rechtspersonen kunnen worden gepleegd, wordt veelal een boete van tweede
                        categorie gesteld.</al><al>c. Indien aanvullend wordt opgetreden ten opzichte van provinciale
                        verordeningen, kan als uitgangspunt worden gehanteerd dat de gemeenteraad
                        kiest voor een geldboete van de eerste categorie indien de provinciale
                        regelgever daar ook voor heeft gekozen.</al><al>d. Een voorbeeld. In een provinciale landschapsverordening is het verboden
                        om zonder vergunning buiten de bebouwde kom op of aan onroerend goed
                        commerciële reclames aan te brengen of te hebben. In een APV is, uit hoofde
                        van hetzelfde motief, eenzelfde verbod opgenomen voor het gebied binnen de
                        bebouwde kom. Zou nu overtreding van het provinciale voorschrift worden
                        bedreigd met een geldboete volgens de eerste categorie, terwijl op
                        overtreding van het gemeentelijk voorschrift een geldboete is gesteld
                        volgens de tweede categorie, dan zouden voor identieke gedragingen
                        verschillende maximumstraffen gelden (euro € 225 buiten de bebouwde kom; €
                        2250 binnen de bebouwde kom). Overigens staat het de gemeenteraad vrij om in
                        dit soort gevallen toch te kiezen voor de tweede categorie.</al><al>e. Indien de gemeenteraad aanvullend optreedt ten opzichte van een
                        rijksregeling, kan net als bij de provincie als uitgangspunt worden genomen
                        dat het Rijk wordt gevolgd bij de keuze van de boetecategorie. Zo zijn in
                        elke APV wel bepalingen opgenomen die een aanvulling zijn op overtredingen
                        waar Boek III WvSr een boete van eerste categorie op stelt. Het betreft
                        veelal artikelen die beogen overlast en baldadigheid tegen te gaan. De
                        volgende APV-bepalingen kunnen worden aangemerkt als een dergelijke
                        aanvulling.</al><al>1. De artikelen 2:48 tot en met 2:52, voorschriften die baldadigheid en
                        overlast beogen tegen te gaan. Dit zijn aanvullingen op de artikelen 424
                        WvSr (baldadigheid op of aan de weg) en 426 bis WvSr (belemmering van een
                        ander in zijn vrijheid van beweging op de weg, zich opdringen aan een ander,
                        hinderlijk volgen).</al><al>2. Artikel 4:6 is een aanvulling op artikel 431 WvSr (rumoer of burengerucht
                        waardoor de nachtrust kan worden verstoord).</al><al>3. Artikel 2:62 is een aanvulling op de artikelen 458 en 459 WvSr (het laten
                        lopen van niet-uitvliegend pluimvee in andermans tuin en dergelijke) en
                        artikelen 460 en 461 WvSr (lopen over bezaaide grond en verboden grond). </al><al/><al><cursief>Medebewindsvoorschriften</cursief></al><al>In bijzondere wetten wordt aan gemeenten vaak de bevoegdheid gegeven of de
                        verplichting opgelegd om nadere voorschriften vast te stellen. Ook de
                        strafbaarstelling van de overtreding van deze gemeentelijke voorschriften is
                        veelal in deze wetten opgenomen. De opsomming in het eerste en tweede lid
                        van dit artikel bevatten dan ook geen in deze verordening opgenomen
                        voorschriften, op overtreding waarvan straf is bedreigd in de bijzondere
                        wet. </al><al/><al><cursief>Hechtenis?</cursief></al><al>Het zal zelden voorkomen dat voor overtreding van een APV-bepaling hechtenis
                        wordt opgelegd, zeker nu ernaar gestreefd wordt de korte vrijheidsstraf nog
                        meer terug te dringen “ten gunste” van de geldboete. Toch is in het eerste
                        lid van dit artikel de mogelijkheid van hechtenis opgenomen omdat niet bij
                        voorbaat kan worden uitgesloten dat in bepaalde (uitzonderings)gevallen
                        (bijvoorbeeld in het geval van recidive) de rechter behoefte heeft aan de
                        mogelijkheid tot oplegging van een vrijheidsstraf. Op overtreding van de in
                        het tweede lid van dit artikel genoemde - in de eerste geldboetecategorie
                        ingedeelde - bepalingen, is echter geen hechtenis gesteld, omdat het hier
                        lichte overtredingen betreft.</al><al/><al/><al><cursief>Strafbaarstelling niet-naleving nadere regels en
                            vergunningsvoorschriften</cursief></al><al>Niet alleen de overtreding van in de verordening opgenomen bepalingen wordt
                        in dit artikel met straf bedreigd. In een aantal bepalingen wordt aan het
                        college de bevoegdheid gedelegeerd nadere regels te stellen. Ook de
                        overtreding hiervan levert een strafbaar feit op. Dit geldt ook voor de
                        overtreding van krachtens artikel 1:4 van de APV gegeven beperkingen en
                        voorschriften bij een vergunning of een ontheffing. Formeel levert dit
                        laatste een overtreding van artikel 1:4, tweede lid, op. Hierin is de
                        verplichting opgenomen dat degene aan wie krachtens de APV een vergunning of
                        ontheffing is verleend, verplicht is de daaraan verbonden voorschriften en
                        beperkingen na te komen.</al><al/><al><cursief>Wabo</cursief></al><al>De vergunning voor het aanleggen of veranderen van een weg (artikel 2:6) en
                        voor het vellen van houtopstanden (artikel 4:11) vallen bij inwerkingtreding
                        van de Wabo onder de Wabo. Zie resp. artikel 2.2, eerste lid onder d en
                        onder g van de Wabo. Het plaatsen van voorwerpen op of aan de weg (artikel
                        2:5) kan neerkomen op het opslaan van roerende zaken als bedoeld in artikel
                        2.2 onder j en k van de Wabo, bijvoorbeeld als het gaat om de tijdelijke
                        opslag van puin of bouwmaterialen in containers. Een ontheffing daarvoor
                        valt dan onder de Wabo en wordt aangemerkt als een omgevingsvergunning.
                        Artikel 2.3 van de Wabo verbiedt het handelen in strijd met een voorschrift
                        van een omgevingsvergunning op grond van artikel 2:5, 2:6 of 4:11 van de
                        APV. Via artikel 5.4 van de Invoeringswet Wet algemene bepalingen
                        omgevingsrecht is de Wet economische delicten van toepassing op handelen
                        zonder of in strijd met deze drie vergunningen. De strafbepalingen van de
                        APV zijn er dus niet op van toepassing. </al><al/><al><cursief>Jurisprudentie</cursief></al><al>- Aanvullingen op de artikelen 424 (baldadigheid op of aan de weg) en art.
                        426 WvSr (belemmering van een ander in zijn vrijheid van beweging op de weg,
                        zich opdringen aan een ander, hinderlijk volgen) door gemeentelijke
                        voorschriften (artikel 2.4.7 tot en met 2.4.10) zijn toelaatbaar (HR 26
                        februari 1957, NJ 1957, 253, APV Eindhoven).</al><al>- Het staat de gemeentelijke wetgever vrij aanvullende regelen te geven tot
                        het tegengaan van hinderlijke geluiden. Artikel 4.1.7 APV is een toegestane
                        aanvulling op artikel 431 WvSr (rumoer of burengerucht waardoor de nachtrust
                        kan worden verstoord) (HR 26 oktober 1954, NJ 1954, 779 (APV Amsterdam).
                        </al><al/><al><onderstreept>Artikel 6:2 Toezichthouders</onderstreept></al><al>In dit artikel worden de toezichthouders aangewezen overeenkomstig
                        modelbepaling 90.M van de Aanwijzingen voor de decentrale regelgeving (Adr).
                        De basis voor deze bevoegdheid wordt gevonden in hoofdstuk 5 van de Awb. In
                        dit hoofdstuk zijn algemene regels gegeven voor de bestuursrechtelijke
                        handhaving van algemeen geldende rechtsregels en individueel geldende
                        voorschriften. Afdeling 1 van dit hoofdstuk geeft regels voor het toezicht.
                        Aangezien buitengewone opsporingsambtenaren hun aanwijzing aan het Wetboek
                        van Strafvordering ontlenen is een nadere regeling in de APV niet nodig. De
                        aanwijzing als toezichthouder in de APV is de grondslag voor het hebben van
                        opsporingsbevoegdheid. Zie verder de toelichting onder het kopje
                            Opsporingsambtenaren.</al><al/><al><cursief>Aanwijzen toezichthouders</cursief></al><al>Toezichthouders zijn personen die bij of krachtens wettelijk voorschrift
                        belast zijn met het houden van toezicht op de naleving van het bepaalde bij
                        of krachtens enig wettelijk voorschrift (artikel 5:11 Awb). De aanwijzing
                        van toezichthouders kan derhalve in de APV plaatsvinden. Een deel van de
                        toezichthouders wordt in de APV zelf aangewezen (dit is noodzakelijk indien
                        een toezichthouder tevens opsporingsbevoegdheden dient te krijgen. Zie de
                        toelichting hierna onder opsporingsambtenaren). Hiernaast kunnen
                        toezichthouders door het college dan wel de burgemeester worden aangewezen. </al><al/><al>Politieambtenaren zijn alleen te beschouwen als toezichthouders voor zover
                        zij bij of krachtens een bijzondere wet als zodanig zijn aangewezen. Artikel
                        2 van de Politiewet, dat een algemene omschrijving van de politietaak bevat,
                        kan niet worden beschouwd als een wettelijk voorschrift in de zin van het
                        artikel. </al><al/><al>Toezichthouders kunnen zowel individueel als categoraal worden aangewezen.
                        Bij een individuele aanwijzing worden personen met toezicht belast door hen
                        met name te noemen of door aanduiding van hun functie. Bij een categorale
                        aanwijzing wordt in het aanwijzingsbesluit veelal de dienst genoemd waartoe
                        de met toezicht belaste personen behoren. </al><al/><al>Een toezichthouder dient zich, indien gevraagd, te kunnen legitimeren
                        (artikel 5:12 Awb). Het legitimatiebewijs wordt uitgegeven door het
                        bestuursorgaan onder verantwoordelijkheid waarvan de toezichthouder werkzaam
                        is. Het in artikel 5:12, derde lid, van de Awb genoemde model van het
                        legitimatiebewijs is vastgesteld bij de Regeling model legitimatiebewijs
                        toezichthouders Awb (Stcrt. 2000, 131). Deze regeling bevat geen echt model,
                        maar een opsomming van alle elementen die in ieder geval op het
                        legitimatiebewijs moeten zijn opgenomen en een voorbeeld van een
                        legitimatiebewijs. </al><al/><al><cursief>Het evenredigheidsbeginsel</cursief>In artikel 5:13 Awb is het
                        evenredigheidsbeginsel neergelegd. Een toezichthouder mag zijn bevoegdheid
                        slechts uitoefenen voor zover dit redelijkerwijs voor de vervulling van zijn
                        taak noodzakelijk is. Een toezichthouder kan derhalve niet te allen tijde
                        gebruik maken van alle bevoegdheden die in de Awb standaard aan
                        toezichthouders worden toegekend. Steeds zal de afweging gemaakt moeten
                        worden of het voor de vervulling van zijn taak redelijkerwijs noodzakelijk
                        is. Bepalend hiervoor is de aard van het voorschrift op de naleving waarvan
                        een toezichthouder moet toezien. </al><al/><al><cursief>Bevoegdheden toezichthouder</cursief></al><al>In de artikelen 5:15 tot en met 5:19 Awb worden bevoegdheden aan
                        toezichthouders toegekend. In artikel 5:14 is de mogelijkheid opgenomen om
                        aan een toezichthouder minder bevoegdheden toe te kennen. Zo is op voorhand
                        vaak al duidelijk welke bevoegdheden voor het uitoefenen van toezicht niet
                        relevant zijn of per definitie onevenredig. </al><al/><al>Op basis van artikel 5:15 Awb is een toezichthouder bevoegd elke plaats te
                        betreden met uitzondering van woningen zonder toestemming van de bewoner.
                        “Plaats” is daarbij een ruim begrip en omvat niet alleen erven en andere
                        (bedrijfs)terreinen, maar ook (bedrijfs)gebouwen. Dat de Awb een
                        uitzondering maakt voor het betreden van een woning zonder toestemming van
                        de bewoner vloeit voort uit het in artikel 12 van de Grondwet vastgelegde
                        “huisrecht”. Op grond hiervan is voor het binnentreden van woningen zonder
                        toestemming van de bewoner steeds een grondslag in een bijzondere wet
                        vereist. Voor de handhaving van gemeentelijke verordeningen is de basis voor
                        het binnentreden zonder toestemming van de bewoner gelegd in artikel 149a
                        van de Gemeentewet. Op grond van dit artikel kan aan toezichthouders deze
                        bevoegdheid worden toegekend, indien het gaat om het toezicht op de naleving
                        van bij verordening gegeven voorschriften die strekken tot handhaving van de
                        openbare orde of veiligheid of bescherming van het leven of de gezondheid
                        van personen. In artikel 6.3 van de APV wordt deze bevoegdheid aan
                        toezichthouders toegekend. In de Algemene wet op het binnentreden (Awbi)
                        zijn de vormvoorschriften gegeven die bij het binnentreden van een woning in
                        acht genomen moeten worden. In de toelichting op artikel 6.3 van de APV zal
                        nader op de Awbi worden ingegaan. </al><al/><al>De bevoegdheid tot het betreden van plaatsen houdt niet tevens in de
                        bevoegdheid tot het doorzoeken van die plaatsen. De Awb geeft
                        toezichthouders dus niet de bevoegdheid om willekeurig kasten, laden en
                        andere bergplaatsen te openen. In gevallen waarin die bevoegdheid niettemin
                        noodzakelijk is, dient deze te worden verschaft door de bijzondere wetgever.
                        Artikel 5:16 Awb geeft de toezichthouder de bevoegdheid om inlichtingen te
                        vorderen. Op grond van artikel 5:20 Awb is een ieder ook verplicht deze
                        inlichtingen te verstrekken, behoudens een aantal uitzonderingen dat terug
                        te voeren is op het beroepsgeheim. In de artikelen 5:17 tot en met 5:19 Awb
                        worden aan toezichthouders de bevoegdheden verleend om inzage te vorderen
                        van zakelijke gegevens en bescheiden en om zaken en vervoermiddelen te
                        onderzoeken. </al><al/><al><cursief>Bijzondere wetten</cursief>Bijzondere wetten die de raad bevoegd
                        verklaren of verplichten tot het maken van verordeningen, kunnen op het punt
                        van de aanwijzing van toezichthoudende ambtenaren een eigen regeling
                        bevatten. Die aanwijzing heeft doorgaans tot gevolg dat de aangewezen
                        ambtenaar bepaalde (toezicht)bevoegdheden krijgt. Zo heeft de aanwijzing als
                        bedoeld in artikel 18.4, derde lid, van de Wet milieubeheer (Wm) tot gevolg
                        dat de aangewezen ambtenaar de bevoegdheid van artikel 18.5 van de Wm het
                        binnentreden in een woning zonder toestemming van de bewoner met betrekking
                        tot gevaarlijke afvalstoffen verkrijgt. Ook in artikel 100 van de Woningwet
                        is aan toezichthouders de bevoegdheid toegekend om een woning binnen te
                        treden zonder toestemming van de bewoners. In bijzondere wetten kan van de
                        bepalingen van de Awb worden afgeweken. Zo hebben toezichthouders in het
                        kader van de Wet op de Ruimtelijke Ordening op grond van artikel 69 van deze
                        wet slechts toegang tot terreinen tussen zonsopgang en zonsondergang.
                        “Terreinen” is daarbij een beperkter begrip dan “plaatsen” van artikel 5:15
                        Awb. Zo vallen alle gebouwen - dus ook bedrijfsgebouwen - hier buiten.
                        </al><al/><al><cursief>Toezicht en opsporing</cursief></al><al>De meeste bepalingen van de APV bevatten ge- en verboden. Op de naleving
                        hiervan dient te worden toegezien en bij overtreding dient te worden
                        opgetreden. Dit kan op twee manieren gebeuren: bestuursrechtelijk - door
                        onder andere het toepassen van bestuursdwang dan wel het opleggen van een
                        dwangsom - en strafrechtelijk. Voor beide vormen van handhaving dienen
                        personen te worden aangewezen met toezichthoudende respectievelijk
                        opsporingsbevoegdheden. Alleen voor de aanwijzing van de toezichthouders is
                        een bepaling opgenomen in de model APV. De opsporingsambtenaren worden
                        aangewezen in de artikelen 141 en 142 van het Wetboek van Strafvordering
                        (WvSv). </al><al/><al>Het onderscheid tussen toezicht en opsporing is van belang, aangezien er een
                        onderscheid bestaat, zowel naar inhoud als naar de voorwaarden waaronder zij
                        op grond van de wet kunnen worden uitgeoefend. Het kenmerkende onderscheid
                        tussen beide is dat bij toezicht op de naleving geen sprake hoeft te zijn
                        van enig vermoeden van overtreding van een wettelijk voorschrift en bij
                        opsporing wel. Ook zonder dat vermoeden heeft het bestuur de taak na te gaan
                        of bijvoorbeeld de voorschriften van een vergunning in acht worden genomen.
                        Indien mocht blijken dat in strijd met het voorschrift wordt gehandeld,
                        hoeft dit ook niet automatisch te leiden tot een strafrechtelijke
                        vervolging. Het hanteren van bestuursrechtelijke middelen zoals het
                        intrekken van de vergunning of het toepassen van bestuursdwang vormen in
                        veel gevallen een meer passende reactie. </al><al/><al>Ook al is de uitoefening van het toezicht niet gebonden aan het bestaan van
                        vermoeden dat een wettelijk voorschrift is overtreden, toch kan hiervan wel
                        blijken bij het toezicht. Op dat moment wordt de vraag naar de verhouding
                        tussen de toezichthoudende en opsporingsbevoegdheden van belang, in het
                        bijzonder wanneer beide bevoegdheden in dezelfde persoon zijn verenigd.
                        Beide bevoegdheden kunnen naast elkaar worden toegepast, zolang gezorgd
                        wordt dat de bevoegdheden die samenhangen met het toezicht en de
                        bevoegdheden die samenhangen met de opsporing worden gebruikt waarvoor ze
                        zijn toegekend. Op het moment dat toezicht overgaat in opsporing is het
                        derhalve zaak er voor te zorgen dat de waarborgen die aan de verdachte
                        toekomen in het kader van de opsporing in acht worden genomen. </al><al/><al>De voornaamste verschillen tussen toezicht en opsporing zijn de
                        volgende.</al><al>- Toezicht heeft betrekking op de naleving van de voorschriften die tot
                        burgers en bedrijven zijn gericht en heeft vaak preventieve werking.
                        Opsporing dient gericht te zijn op strafrechtelijke afdoening.</al><al>- Toezicht is een bestuurlijke activiteit en wordt derhalve genormeerd door
                        de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De opsporing wordt geregeld in het
                        WvSv. </al><al/><al><cursief>Opsporingsambtenaren</cursief></al><al>In de artikelen 141 en 142 WvSv worden de met de opsporing van strafbare
                        feiten belaste ambtenaren genoemd. De in artikel 141 genoemde ambtenaren
                        hebben een opsporingsbevoegdheid die in principe voor alle strafbare feiten
                        geldt (algemene opsporingsbevoegdheid). Dit geldt onder andere voor de
                        ambtenaren van de regiopolitie. Artikel 142 betreft de buitengewone
                        opsporingsambtenaren die in de regel een opsporingsbevoegdheid hebben voor
                        een beperkt aantal strafbare feiten (beperkte opsporingsbevoegdheid). </al><al/><al>Op basis van artikel 142, eerste lid, onder c, WvSv hebben de volgende -
                        voor de APV relevante - personen opsporingsbevoegdheid:</al><al>- personen die bij bijzondere wetten met de opsporing van de daarin bedoelde
                        strafbare feiten worden belast en</al><al>- personen die bij verordening zijn belast met het toezicht op de naleving
                        van die verordening, een en ander voor zover het die feiten betreft en die
                        personen zijn beëdigd.</al><al>Tot de eerste groep behoren bijvoorbeeld ambtenaren van bouw- en
                        woningtoezicht. De grondslag van de opsporingsbevoegdheid ligt in de
                        Woningwet.De tweede groep betreft de toezichthouders die in de gemeentelijke
                        verordeningen als zodanig worden aangewezen. De aanwijzing dient in de APV
                        te geschieden aangezien artikel 142, eerste lid, sub c, WvSv geen delegatie
                        van de aanwijzingsbevoegdheid toestaat. Tot deze groep behoren bijvoorbeeld
                        milieu en parkeerwachters, belast met het toezicht op de desbetreffende
                        autonome bepalingen in de APV. </al><al/><al>Aangezien buitengewone opsporingsambtenaren hun aanwijzing aan het WvSv
                        ontlenen, is een nadere regeling in de APV niet mogelijk. De aanwijzing als
                        toezichthouders in de APV is de grondslag voor de aanwijzing als
                        buitengewoon opsporingsambtenaar. De opsporingsbevoegdheid van de
                        buitengewone opsporingsambtenaren beperkt zich tot die zaken waarvoor zij
                        toezichthouder zijn. De personen die op grond van dit artikel worden
                        aangewezen, dienen op grond van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar
                        aan de volgende voorwaarden te voldoen:</al><al>1. zij dienen te voldoen aan de eisen van vakbekwaamheid en
                        betrouwbaarheid;</al><al>2. zij dienen te zijn beëdigd door het College van Procureurs Generaal
                        (volgens artikel 18, eerste lid, van het Besluit buitengewoon
                        opsporingsambtenaar).</al><al>De akte van beëdiging bevat een aantal gegevens met betrekking tot de
                        buitengewoon opsporingsambtenaar, waaronder in ieder geval de feiten tot de
                        opsporing waarvoor de opsporingsbevoegdheid geldt. De akte wordt op naam van
                        de desbetreffende ambtenaar gesteld en na de beëdiging aan hem uitgereikt.
                        De akte wordt voor vijf jaar afgegeven. Hierna kan hij worden verlengd, mits
                        de ambtenaar nog voldoet aan de eisen van vakbekwaamheid en betrouwbaarheid. </al><al/><al><cursief>Gemeentelijke verordeningen en opsporing</cursief></al><al>Aan opsporingsambtenaren kan op grond van artikel 149a van de Gemeentewet,
                        met inachtneming van de Awbi, de bevoegdheid tot het binnentreden van
                        woningen worden verleend (zie verder de toelichting bij artikel 6:3). Hun
                        overige opsporingsbevoegdheden ontlenen zij aan het WvSv. De gemeenteraad
                        heeft hiernaast niet de bevoegdheid om andere opsporingsbevoegdheden te
                        creëren. Ingevolge artikel 1 WvSv mag bij gemeentelijke verordening geen
                        regeling worden gegeven omtrent de opsporing of het bewijs van de in die
                        verordening strafbaar gestelde feiten. </al><al/><al>Ook in een aantal bijzondere wetten worden opsporingsambtenaren aangewezen.
                        Dit is met name van belang voor de, in deze verordening opgenomen,
                        medebewindsvoorschriften. Een speciale regeling geldt voor de op de
                        artikelen 437 en 437ter van het WvSr gebaseerde en in afdeling 2.5
                        bepalingen ter bestrijding van heling van goederen opgenomen bepalingen. De
                        in de artikelen 551 en 552 van het WvSv geregelde opsporings- en
                        toezichtbevoegdheden komen reeds toe aan de algemene opsporingsambtenaren
                        als bedoeld in artikel 141 WvSv. Gezien de bijzondere materie is het in het
                        algemeen niet zinvol om ook nog eens buitengewone opsporingsambtenaren aan
                        te wijzen. </al><al/><al><cursief>Toezichthoudende ambtenaren belasten met opsporing?</cursief></al><al>Gezien het voorgaande zijn toezichthoudende ambtenaren vanuit hun
                        aanstelling in hun functie niet automatisch belast met opsporing. Dit zal in
                        veel gevallen ook niet nodig zijn. Veelal kan volstaan worden met
                        toezichthoudende bevoegdheden. De aanwijzing hoeft dan niet direct in de
                        verordening te geschieden (artikel 6.2, eerste lid), maar kan aan het
                        college worden gedelegeerd (tweede lid). Indien namelijk de handhaving van
                        bepaalde wettelijke voorschriften voornamelijk bestuursrechtelijk geschiedt
                        (bestuursdwang, dwangsom), is het niet nodig om te beschikken over
                        opsporingsbevoegdheden. Dit is pas vereist indien men strafrechtelijk wil
                        gaan handhaven. In die situatie is het vaak ook niet noodzakelijk om alle
                        toezichthouders opsporingsbevoegdheden te geven. Veelal kan worden volstaan
                        met één of enkele opsporingsambtenaren. Ook kan soms de hulp ingeroepen
                        worden van een algemeen opsporingsambtenaar (ambtenaar van politie).
                        </al><al/><al><onderstreept>Artikel 6:3 Binnentreden
                        woningen</onderstreept></al><al><cursief>Algemeen</cursief></al><al>Het is soms noodzakelijk dat personen die belast zijn met het toezicht op de
                        naleving dan wel de opsporing van overtredingen van de APV bepaalde plaatsen
                        kunnen betreden. In artikel 5:15 van de Awb is deze bevoegdheid aan
                        toezichthouders reeds toegekend voor alle plaatsen met uitzondering van
                        woningen zonder toestemming van de bewoners. De woning geniet extra
                        bescherming op basis van artikel 12 van de Grondwet, dat het zogenaamde
                        “huisrecht” regelt. Het betreden van de woning zonder toestemming van de
                        bewoner is daarom met veel waarborgen omkleed. Op het betreden van een
                        woning met toestemming van de bewoner zijn deze waarborgen niet van
                        toepassing, al gelden daar wel, zij het wat beperktere, vormvoorschriften
                        van de Awbi (zie de toelichting , Algemene wet op het binnentreden (Awbi),
                        a. vormvoorschriften). In de toelichting bij artikel 6:1 is reeds ingegaan
                        op de bevoegdheid om alle plaatsen te betreden met uitzondering van woningen
                        zonder toestemming van de bewoners. </al><al/><al>De bevoegdheid voor het binnentreden zonder toestemming van de bewoner kent
                        drie elementen:</al><al>1. de bevoegdheid tot binnentreden dient bij of krachtens de wet te zijn
                        verleend;</al><al>2. de personen aan wie de bevoegdheid is verleend dienen bij of krachtens de
                        wet te worden aangewezen;</al><al>3. er dienen bepaalde vormvoorschriften in acht te worden genomen.Zowel het
                        verlenen van de bevoegdheid tot het binnentreden als het aanwijzen van de
                        personen die mogen binnentreden dient bij of krachtens de wet te gebeuren.
                        In vele wetten zijn dan ook binnentredingsbevoegdheden opgenomen, zoals in
                        artikel 100 van de Woningwet. Deze bevoegdheden zijn vooral toegekend aan
                        ambtenaren of personen die belast zijn met een opsporings- of
                        toezichthoudende taak in het kader van de wetshandhaving. Voorts bestaan
                        bevoegdheden tot binnentreden voor de uitvoering van rechterlijke taken en
                        bevelen, de uitoefening van bestuursdwang, de handhaving van de openbare
                        orde, ter bescherming van de volksgezondheid en ter uitvoering van
                        noodwetgeving. </al><al/><al>Artikel 149a van de Gemeentewet geeft de gemeenteraad de bevoegdheid om bij
                        verordening personen aan te wijzen die woningen mogen binnentreden zonder
                        toestemming van de bewoner. Het moet dan gaan om personen die belast zijn
                        met het toezicht op de naleving of de opsporing van de overtreding van bij
                        verordening gegeven voorschriften die strekken tot handhaving van de
                        openbare orde of veiligheid of bescherming van het leven of de gezondheid
                        van personen. In artikel 6:3 is gebruikgemaakt van deze bevoegdheid. Voor
                        artikel 2:3 APV wordt de bevoegdheid om een woning zonder toestemming van de
                        bewoner te betreden rechtstreeks ontleend aan een bijzondere wet. Artikel
                        2:3 inzake betogingen steunt op artikel 4 van de Wet openbare manifestaties
                        (WOM). In artikel 8 van de WOM wordt de bevoegdheid tot het binnentreden van
                        woningen en andere plaatsen geregeld. </al><al/><al><cursief>Algemene wet op het binnentreden
                            (Awbi)</cursief></al><al><cursief>a. Vormvoorschriften</cursief></al><al>In de Awbi zijn de vormvoorschriften opgenomen die een persoon die een
                        woning wil betreden in acht moet nemen. Hij dient:</al><al>- zich te legitimeren (artikel 1 Awbi);</al><al>- mededeling te doen van het doel van het binnentreden (artikel 1
                        Awbi);</al><al>- te beschikken over een schriftelijke machtiging (artikel 2 Awbi);</al><al>- verslag te maken van het binnentreden (artikel 10 Awbi).</al><al>De in artikel 1 opgenomen voorschriften gelden voor iedere binnentreding,
                        dus ook indien dit gebeurt met toestemming van de bewoner. </al><al/><al>De artikelen 2 tot en met 11 van de Awbi gelden alleen als zonder
                        toestemming van de bewoner wordt binnengetreden. Degene die binnentreedt,
                        dient te beschikken over een machtiging. In deze machtiging is aangegeven in
                        welke woning binnengetreden kan worden. De Awbi gaat daarbij in beginsel uit
                        van een machtiging voor een woning. Zo nodig kunnen in de machtiging echter
                        maximaal drie andere afzonderlijk te noemen woningen worden opgenomen. De
                        minister van Justitie heeft een model voor de machtiging vastgesteld
                        (opgenomen in de circulaire van het Ministerie van Justitie, 15 augustus
                        1994, 452425/294). In artikel 3 van de Awbi wordt aangegeven wie een
                        machtiging tot binnentreden kunnen afgeven: de procureur-generaal bij het
                        gerechtshof, de officier van justitie en de hulpofficier van justitie hebben
                        een algemene bevoegdheid hiertoe gekregen. Hiernaast kan ook de burgemeester
                        bevoegd zijn machtigingen te verlenen. Dit is het geval indien het
                        binnentreden in de woning in een ander doel is gelegen dan in het kader van
                        strafvordering (bijvoorbeeld bij woningontruimingen). </al><al/><al>In artikel 5:27 van de Awb is voor het binnentreden zonder toestemming van
                        de bewoner bij de uitoefening van bestuursdwang een andere regeling
                        opgenomen. De bevoegdheid tot het afgeven van de machtiging is daar met
                        uitsluiting van de in de Awbi genoemde functionarissen bij hetzelfde
                        bestuursorgaan gelegd dat de bestuursdwang toepast. Dit betekent dat een
                        college dat bestuursdwang wil uitoefenen, ook de eventueel benodigde
                        machtiging moet afgeven. Van het binnentreden dient na afloop een verslag
                        opgemaakt te worden (artikel 10 Awbi). Een voorbeeldverslag is opgenomen in
                        de circulaire van het ministerie van Justitie van 15 augustus 1994,
                        452425/294. </al><al/><al><cursief>b. Bevoegdheden</cursief></al><al>In de Awbi wordt aan de binnentreder een aantal algemene bevoegdheden
                        toegekend. Degene die bevoegd is een woning zonder toestemming van de
                        bewoner binnen te treden, kan zich daarbij door anderen doen vergezellen
                        (artikel 8, tweede lid, Awbi). Dit is slechts toegestaan voor zover dit voor
                        het doel waartoe wordt binnengetreden vereist is en de machtiging dit
                        uitdrukkelijk bepaalt. Deze personen hoeven zelf niet te beschikken over een
                        machtiging. Het aantal en de hoedanigheid van de vergezellende personen
                        moeten in het verslag worden vermeld; de namen van deze personen hoeven niet
                        vermeld te worden. Dat anderen de binnentreder kunnen vergezellen kan
                        noodzakelijk zijn in het belang van de veiligheid van de binnentreder, maar
                        ook indien de nodige werkzaamheden door mensen met een bepaalde
                        vakbekwaamheid moeten worden uitgevoerd. Artikel 9 van de Awbi bepaalt dat
                        de binnentredende ambtenaar zich de toegang kan verschaffen indien hij de
                        woning of een deel daarvan afgesloten vindt. Dit geldt ook indien de bewoner
                        wel thuis is, maar zijn medewerking niet wil verlenen. Hierbij kan degene
                        die wil binnentreden zo nodig de hulp van de sterke arm inroepen.
                        </al><al/><al><cursief>c. Het begrip “woning”</cursief></al><al>Het huisrecht strekt tot bescherming van het ongestoorde gebruik van de
                        woning. Het begrip woning omvat de ruimten die tot exclusief verblijf voor
                        een persoon of voor een beperkt aantal in een gemeenschappelijke huishouding
                        levende personen ingericht en bestemd zijn. Door het huisrecht wordt dus
                        niet de eigendom of de huur van een woning beschermd. Of een ruimte een
                        woning is, wordt niet zonder meer bepaald door uiterlijke kenmerken zoals de
                        bouw en de aanwezigheid van een bed en ander huisraad, maar ook door de
                        daaraan werkelijk gegeven bestemming. Woning is derhalve een ruim begrip,
                        ook een woonboot, stacaravan, tent en keet kunnen hieronder worden verstaan.
                        Zelfs een hotelkamer kan onder het begrip woning vallen. Een bepaalde ruimte
                        kan ook uit meer woningen bestaan. De verschillende kamers in een woongroep
                        gelden bijvoorbeeld als aparte woningen. Dit geldt ook voor een binnen een
                        woning gelegen kamer van een kamerbewoner. </al><al/><al><cursief>d. Spoedeisende situaties</cursief></al><al>Artikel 2, derde lid van de Awbi voorziet in de bevoegdheid om in
                        uitzonderlijke omstandigheden zonder machtiging en zonder toestemming de
                        woning binnen te treden. Dit is bijvoorbeeld het geval in situaties waarbij
                        ernstig en onmiddellijk gevaar voor de veiligheid van personen of goederen
                        dreigt, zoals bij de ontdekking op heterdaad van een geweldsdelict in een
                        woning of de aanwezigheid in een woning van een bewapend persoon die van
                        zijn wapen gebruik zou kunnen maken. De politieambtenaar die geen machtiging
                        op zak heeft en die terstond moet optreden, is dan voor het binnentreden
                        niet op toestemming van de bewoner aangewezen en is bevoegd om zonder
                        toestemming binnen te treden. Men kan ook denken aan gevallen waarin de
                        belangen van de bewoner ernstig worden aangetast. Hierbij kan worden gedacht
                        aan ontdekking op heterdaad van een inbraak in de woning. Indien de
                        opsporingsambtenaar de bewoner, bijvoorbeeld als gevolg van diens
                        afwezigheid, niet om toestemming tot binnentreden kan vragen, is hij bevoegd
                        om ter bescherming van diens belangen zonder machtiging binnen te treden.
                        Onder deze omstandigheden bestaat er dus steeds de noodzaak om terstond op
                        te treden en is binnentreden zonder toestemming &#x8e;n zonder machtiging
                        gerechtvaardigd. Op het binnentreden van een woning zonder toestemming van
                        de bewoner, blijft ook bij spoedeisende gevallen de Awbi zo veel mogelijk
                        van toepassing. Het spoedeisende karakter van de situatie is derhalve
                        voornamelijk van invloed op het hebben van een machtiging. Dat betekent dat
                        deze bevoegdheid slechts kan worden uitgeoefend door personen die bij of
                        krachtens de wet bevoegd zijn verklaard zonder toestemming van de bewoner
                        binnen te treden. Van het binnentreden zal een verslag moeten worden
                        gemaakt. </al><al/><al><cursief>e. Mandaat is niet geoorloofd</cursief></al><al>De bevoegdheid machtigingen om binnen te treden af te geven, kan niet worden
                        gemandateerd. De machtiging voor het binnentreden in een woning zonder
                        toestemming vormt de basis voor het plegen van een inbreuk op de
                        grondwettelijke vrijheden van de bewoner. Op grond van artikel 10:3, eerste
                        lid, van de Awb is mandaatverlening geoorloofd, tenzij bij wettelijk
                        voorschrift anders is bepaald of de aard van de bevoegdheid zich daartegen
                        verzet. Gezien de zwaarte van deze inbreuk is hier sprake van een
                        bevoegdheid waarvan de aard zich tegen mandaatverlening verzet (zie de
                        parlementaire behandeling van de Awbi). </al><al/><al><cursief>f. De strafrechtelijke sanctie</cursief>Een ambtenaar die zonder
                        dat hij de bevoegdheid daartoe heeft of zonder dat hij de vormvoorschriften
                        in acht neemt, een woning, lokaal of erf betreedt, dient zich op vordering
                        van de rechthebbende direct te verwijderen. Het niet opvolgen van deze
                        vordering levert het ambtsmisdrijf van artikel 370 WvS. op. </al><al/><al><cursief>Jurisprudentie</cursief></al><al>- De tijdelijke afwezigheid van de bewoner, bijvoorbeeld wegens vakantie of
                        opname in een ziekenhuis, leidt er niet toe dat de ruimte het karakter van
                        woning verliest (HR 4 januari 1972, NJ 1972, 121).</al><al>- Met een woning verbonden ruimten die in het geheel niet voor bewoning zijn
                        bestemd en die van buitenaf via een eigen ingang kunnen worden betreden -
                        bijvoorbeeld een praktijkruimte of een winkel - vallen niet de bescherming
                        van het huisrecht. de bescherming van de woning vallen voorts niet de
                        trappen en portalen die tot een woning en andere lokaliteiten toegang geven
                        (HR 16 december 1907, W 8633), dus ook - zo mag worden aangenomen - niet de
                        gemeenschappelijke trappen en portalen in een flatgebouw.
                        </al><al/><al><onderstreept>Artikel 6:4 Inwerkingtreding</onderstreept></al><al>Op de inwerkingtreding van verordeningen is de regeling van artikel 142 van
                        de Gemeentewet van toepassing. Deze houdt in dat alle verordeningen in
                        werking treden op de achtste dag na bekendmaking, tenzij een ander tijdstip
                        daarvoor is aangewezen. Het is ook geoorloofd in de verordening te bepalen
                        dat de dag van inwerkingtreding door het college van burgemeester en
                        wethouders zal worden vastgesteld. Het alternatief luidt in dat
                            geval:<cursief>“Deze verordening treedt in werking op een door het
                            college nader te bepalen tijdstip.”</cursief></al><al/><al>De APV is een besluit van het gemeentebestuur op overtreding waarvan straf
                        is gesteld. Een dergelijk besluit wordt op dezelfde wijze bekendgemaakt als
                        alle overige besluiten van het gemeentebestuur die algemeen verbindende
                        voorschriften inhouden (artikel 139 Gemeentewet). Van belang is dat de
                        gemeente gehouden is dit besluit mee te delen aan het parket van het
                        arrondissement waarin de gemeente is gelegen (artikel 143 Gemeentewet. In
                        verband met artikel 1 van het Wetboek van Strafrecht is het uiteraard niet
                        mogelijk aan de bepalingen van een strafverordening terugwerkende kracht te
                        verlenen. </al><al/><al><onderstreept>Artikel 6:5 Overgangsbepaling</onderstreept> Van belang is in
                        de overgangsbepalingen aan te geven of bestaande vergunningen, ontheffingen,
                        enz. al dan niet hun rechtskracht blijven behouden na de inwerkingtreding
                        van deze verordening. De overgangsbepaling zoals deze nu luidt, is een
                        verregaande vereenvoudiging van de oude regeling. Het betreft in dit artikel
                        besluiten, genomen krachtens de verordening bedoeld in artikel 6:4, eerste
                        lid, dus de oude verordening. De besluiten waar het om gaat zijn
                        vergunningen, ontheffingen (het oude eerste lid), voorschriften en
                        beperkingen (het oude tweede lid) als bedoeld in artikel 1:4 (het oude
                        tweede lid), nadere regels, beleidsregels en aanwijzingbesluiten (het oude
                        zevende lid). Op aanvragen om een besluit, ingediend onder de oude
                        verordening, wordt volgens de Algemene wet bestuursrecht beslist
                        overeenkomstig de nieuwe verordening (toetsing ex nunc). Op bezwaarschriften
                        ingediend tegen besluiten genomen onder het oude recht, wordt eveneens
                        besloten krachtens deze verordening met dien verstande dat de bezwaarde niet
                        in een nadeliger positie mag komen dan hij onder het oude recht zou hebben
                        gehad. (Verbod van reformatio in peius.</al><al/><al><onderstreept>Artikel 6:6 Citeertitel</onderstreept></al><al>Deze bepaling is geformuleerd overeenkomstig de modelbepaling 108, derde
                        lid, van de Adr.</al><al/><al/></divisie></nota-toelichting><bijlage><kop><titel>INHOUDSOPGAVE</titel></kop><al><vet>HOOFDSTUK 1 ALGEMENE BEPALINGEN</vet></al><al/><al><vet>Afdeling 1. Algemene bepalingen</vet></al><al>Artikel 1:1 Algemene begripsbepalingen</al><al>Artikel 1:2 Beslistermijn</al><al>Artikel 1:3 Te late indiening aanvraag</al><al>Artikel 1:4 Voorschriften en beperkingen</al><al>Artikel 1:5 Persoonlijk karakter van vergunning of ontheffing</al><al>Artikel 1:6 Intrekking of wijziging van vergunning of ontheffing</al><al>Artikel 1:6a Vervallen van vergunning of ontheffing</al><al>Artikel 1:7 Vergunningsduur</al><al>Artikel 1:7a Meldingen</al><al>Artikel 1:8 Weigeringsgronden</al><al>Artikel 1:9 gereserveerd</al><al>Artikel 1:10 gereserveerd</al><al/><al><vet>Afdeling 2. Coördinatiebepalingen</vet></al><al>Artikel 1:11 Gecoördineerde behandeling van aanvragen</al><al>Artikel 1:12 De aanvraag</al><al>Artikel 1:13 Beslistermijn bij coördinatie</al><al>Artikel 1:14 Gelijktijdige verzending beslissing</al><al/><al><vet>HOOFDSTUK 2 OPENBARE ORDE</vet></al><al/><al><vet>Afdeling 1. Bestrijding van ongeregeldheden</vet></al><al>Artikel 2:1 Samenscholing en ongeregeldheden</al><al>Artikel 2:2 Verzamelingsverbod en gebiedsontzegging</al><al/><al><vet>Afdeling 2. Betoging</vet></al><al>Artikel 2:3 Melding betogingen op openbare plaatsen</al><al/><al><vet>Afdeling 3. Vertoning e.d. op de weg</vet></al><al>Artikel 2:4 Straatartiest e.d.</al><al/><al><vet>Afdeling 4. Bruikbaarheid en aanzien van de weg</vet></al><al>Artikel 2:5 Het plaatsen van voorwerpen op of aan de weg in strijd met de
                    publieke functie ervan</al><al>Artikel 2:6 (Omgevings)vergunning voor het aanleggen, beschadigen en veranderen
                    van een weg</al><al>Artikel 2:7 Maken, veranderen van een uitweg</al><al/><al><vet>Afdeling 5. Veiligheid op de weg</vet></al><al>Artikel 2:8 Voorwerpen die als wapen kunnen worden gebruikt</al><al>Artikel 2:9 Winkelwagentjes</al><al>Artikel 2:10 Verbod rijden met skateboards e.d.</al><al>Artikel 2:11 Openen van straatkolken e.d.</al><al>Artikel 2:12 Rookverbod in bossen en natuurterreinen</al><al>Artikel 2:13 Verontreiniging door trekdieren</al><al>Artikel 2:14 Verontreiniging door rijdieren</al><al>Artikel 2:15 Voorzieningen voor verkeer en verlichting</al><al>Artikel 2:15a Overhangend groen</al><al/><al><vet>Afdeling 6. Evenementen</vet></al><al>Artikel 2:16 Evenementenvergunning</al><al>Artikel 2:17 Evenementen in gebouwen</al><al>Artikel 2:18 Ordeverstoring bij evenementen</al><al/><al><vet>Afdeling 7. Kermissen </vet></al><al>Artikel 2:19 Kermissen, aantal, locaties en periodes</al><al>Artikel 2:20 Kermis binnenstad Vlissingen</al><al>Artikel 2:21 Kermis Oost-Souburg</al><al>Artikel 2:22 Kermis Arsenaal </al><al/><al><vet>Afdeling 8. Toezicht op openbare inrichtingen</vet></al><al>Artikel 2:23 Begripsomschrijvingen</al><al>Artikel 2:24 Exploitatie openbare inrichting</al><al>Artikel 2:25 Terrassen</al><al>Artikel 2:26 Vrijstelling vergunningsplicht</al><al>Artikel 2:27 Sluitingstijd</al><al>Artikel 2:28 Afwijking sluitingsuur; tijdelijke sluiting</al><al>Artikel 2:29 Aanwezigheid in gesloten openbare inrichting</al><al>Artikel 2:30 Ordeverstoring</al><al>Artikel 2:31 Het college als bevoegd bestuursorgaan</al><al>Artikel 2:32 Beslistermijn</al><al>Artikel 2:33 Aanwezigheid van een leidinggevende</al><al>Artikel 2:34 Inrichtingseisen</al><al/><al/><al><vet>Afdeling 8a. Bijzondere bepalingen over horecabedrijven als bedoeld in de
                        drank- en horecawet.</vet></al><al>Artikel 2:36 Regulering paracommerciële rechtspersonen</al><al>Artikel 2:37 Verbod verstrekken sterke drank in bepaalde inrichtingen</al><al>Artikel 2:38 Beperkingen voor horecabedrijven en slijtersbedrijven</al><al>Artikel 2:39 Verbod "happy hours" en "stuntprijzen"</al><al>Artikel 2:39A Ontheffingen</al><al/><al><vet>Afdeling 9. Toezicht op inrichtingen tot verschaffen van
                        nachtverblijf</vet></al><al>Artikel 2:40 Begripsbepaling</al><al>Artikel 2:41 Melding exploitatie</al><al/><al><vet>Afdeling 10. Toezicht op speelgelegenheden</vet></al><al>Artikel 2:42 Speelgelegenheden</al><al>Artikel 2:43 Speelautomaten</al><al/><al><vet>Afdeling 11. Maatregelen tegen overlast en baldadigheid</vet></al><al>Artikel 2:44 Betreden gesloten woning of lokaal</al><al>Artikel 2:45 Plakken en kladden</al><al>Artikel 2:46 Vervoer plakgereedschap e.d.</al><al>Artikel 2:47 Vervoer inbrekerswerktuigen</al><al>Artikel 2:48 Varen in openbaar water</al><al>Artikel 2:49 Slapen op of aan openbare plaatsen</al><al>Artikel 2:50 Hinderlijk gedrag op openbare plaatsen</al><al>Artikel 2:51 Verboden drankgebruik</al><al>Artikel 2:52 Verboden gedrag bij of in gebouwen</al><al>Artikel 2:53 Hinderlijk gedrag in voor het publiek toegankelijke ruimten</al><al>Artikel 2:54 Neerzetten van fietsen e.d.</al><al>Artikel 2:55 Overlast van fietsen e.d. op markt en kermisterrein</al><al>Artikel 2:56 Loslopende honden</al><al>Artikel 2:57 Verontreiniging door honden</al><al>Artikel 2:58 Gevaarlijke honden</al><al>Artikel 2:59 Houden van hinderlijke of schadelijke dieren</al><al>Artikel 2:60 Loslopend vee</al><al>Artikel 2:61 Bedelarij</al><al>Artikel 2:61a Mosquito</al><al/><al><vet>Afdeling 12. Vuurwerk</vet></al><al>Artikel 2:62 Begripsbepalingen</al><al>Artikel 2:63 Ter beschikking stellen van consumentenvuurwerk tijdens de
                    verkoopdagen</al><al>Artikel 2:64 Bezigen van consumentenvuurwerk tijdens de jaarwisseling</al><al/><al><vet>Afdeling 13. Drugsoverlast</vet></al><al>Artikel 2:65 Drugshandel op straat</al><al/><al><vet>Afdeling 14. Bestuurlijke ophouding, veiligheidsrisicogebieden en
                        cameratoezicht op openbare plaatsen</vet></al><al>Artikel 2:66 Bestuurlijke ophouding</al><al>Artikel 2:67 Veiligheidsrisicogebieden</al><al>Artikel 2:68 Cameratoezicht op openbare plaatsen</al><al/><al><vet>Afdeling 15. <cursief>Gereserveerd</cursief></vet></al><al>Artikel 2:69 <cursief>Gereserveerd</cursief></al><al>Artikel 2:70 <cursief>Gereserveerd</cursief></al><al>Artikel 2:71 <cursief>Gereserveerd</cursief></al><al>Artikel 2:72 <cursief>Gereserveerd</cursief></al><al/><al><vet>Afdeling 16. Carbidschieten</vet></al><al>Artikel 2:73 Begripsomschrijvingen</al><al>Artikel 2:74 Verbod carbidschieten</al><al>Artikel 2:75 Vrijstelling verbod</al><al>Artikel 2:76 Bij zich hebben van carbid</al><al>Artikel 2:77 Aanwijzing gebieden zonder vrijstelling</al><al>Artikel 2:78 Ontheffing</al><al>Artikel 2:79 Toepasselijkheid</al><al/><al><vet>Afdeling 17. Toezicht op growshops, smartshops, belwinkels en
                        internetcafés</vet></al><al>Artikel 2:80 Begripsomschrijvingen</al><al>Artikel 2:81 Vergunningplicht</al><al>Artikel 2:82 Gedragseisen</al><al>Artikel 2:83 Aanwezigheid leidinggevende</al><al>Artikel 2:84 Weigeringsgronden</al><al>Artikel 2:85 Sluitingsuur</al><al>Artikel 2:86 Afwijking sluitingsuur, tijdelijke sluiting</al><al>Artikel 2:87 Sluiting</al><al>Artikel 2:88 Aanwezigheid in gesloten inrichting</al><al>Artikel 2:89 Intrekking vergunning</al><al>Artikel 2:90 Wijziging vergunning</al><al>Artikel 2:91 Verplaatsing inrichting</al><al>Artikel 2:92 Overgangsbepaling</al><al/><al><vet>HOOFDSTUK 3. SEKSINRICHTINGEN, SEKSWINKELS, STRAATPROSTITUTIE
                    E.D.</vet></al><al/><al><vet>Afdeling 1. Begripsbepalingen</vet></al><al>Artikel 3:1 Begripsbepalingen</al><al>Artikel 3:2 Bevoegd bestuursorgaan</al><al>Artikel 3:3 Nadere regels</al><al/><al><vet>Afdeling 2. Seksinrichtingen, straatprostitutie, sekswinkels
                    e.d.</vet></al><al>Artikel 3:4 Seksinrichtingen</al><al>Artikel 3:5 Gedragseisen exploitant en beheerder</al><al>Artikel 3:6 Sluitingstijden</al><al>Artikel 3:7 Tijdelijke afwijking sluitingstijden; (tijdelijke) sluiting</al><al>Artikel 3:8 Aanwezigheid van en toezicht door exploitant en beheerder</al><al>Artikel 3:9 Straatprostitutie</al><al>Artikel 3:10 Sekswinkels</al><al>Artikel 3:11 Tentoonstellen, aanbieden en aanbrengen van erotisch-pornografische
                    goederen, afbeeldingen e.d.</al><al/><al><vet>Afdeling 3. Beslissingstermijn en weigeringsgronden</vet></al><al>Artikel 3:12 Beslissingstermijn</al><al>Artikel 3:13 Weigeringsgronden</al><al/><al><vet>Afdeling 4. Beëindiging exploitatie en wijziging beheer</vet></al><al>Artikel 3:14 Beëindiging exploitatie</al><al>Artikel 3:15 Wijziging beheer</al><al/><al><vet>HOOFDSTUK 4. BESCHERMING VAN HET MILIEU EN HET NATUURSCHOON EN ZORG VOOR
                        HET UITERLIJK AANZIEN VAN DE GEMEENTE</vet></al><al/><al><vet>Afdeling 1. Geluid- en lichthinder</vet></al><al>Artikel 4:1 Begripsomschrijvingen</al><al>Artikel 4:2 Aanwijzing collectieve festiviteiten</al><al>Artikel 4:3 Melding incidentele festiviteiten</al><al>Artikel 4:4 Verboden incidentele feesten</al><al>Artikel 4:5 Geluidplafond</al><al>Artikel 4:6 Aanwijzen concentratiegebied voor openbare inrichtingen</al><al>Artikel 4:7 Geluid- en trillinghinder door bouw-, sloop- en
                    onderhoudswerkzaamheden</al><al>Artikel 4:7a Overige geluidhinder</al><al>Artikel 4:7b Indienen ontheffing of melding</al><al/><al><vet>Afdeling 2. Bodem- , weg- en milieuverontreiniging</vet></al><al>Artikel 4:8 Straatvegen</al><al>Artikel 4:9 Natuurlijke behoefte doen</al><al>Artikel 4:10 Toestand van sloten en andere wateren en niet openbare riolen en
                    putten buiten gebouwen</al><al/><al><vet>Afdeling 3. Het bewaren van houtopstanden</vet></al><al>Artikel 4:11 Begripsbepalingen</al><al>Artikel 4:12 Omgevingsvergunning voor het vellen van houtopstanden</al><al>Artikel 4:13 Weigering en herplantplicht </al><al>Artikel 4:14 Vergunning van rechtswege</al><al>Artikel 4:15 Waardevolle bomenlijst</al><al>Artikel 4:16 Bestrijding iepziekte</al><al>Artikel 4:16a Verbod bevestigen voorwerpen in of aan bomen </al><al/><al><vet>Afdeling 4. Maatregelen tegen ontsiering en stankoverlast</vet></al><al>Artikel 4:17 Opslag voertuigen, vaartuigen, mest, afvalstoffen enz.</al><al>Artikel 4:18 Verbod hinderlijke of gevaarlijke reclame</al><al>Artikel 4:18a Vergunningsplicht handelsreclame</al><al/><al><vet>Afdeling 5. Kamperen buiten kampeerterreinen</vet></al><al>Artikel 4:19 Begripsbepaling</al><al>Artikel 4:20 Recreatief nachtverblijf buiten kampeerterreinen</al><al>Artikel 4:21 Aanwijzing kampeerplaatsen</al><al/><al><vet>HOOFDSTUK 5. ANDERE ONDERWERPEN BETREFFENDE DE HUISHOUDING DER
                        GEMEENTE</vet></al><al/><al><vet>Afdeling 1. Parkeerexcessen</vet></al><al>Artikel 5:1 Begripsbepalingen</al><al>Artikel 5:2 Parkeren van voertuigen van autobedrijf e.d.</al><al>Artikel 5:3 Te koop aanbieden van voertuigen</al><al>Artikel 5:4 Defecte voertuigen</al><al>Artikel 5:5 Voertuigwrakken</al><al>Artikel 5:6 Kampeermiddelen e.d.</al><al>Artikel 5:7 Parkeren van reclamevoertuigen</al><al>Artikel 5:8 Parkeren van grote voertuigen</al><al>Artikel 5:9 Parkeren van uitzicht belemmerende voertuigen</al><al>Artikel 5:10 Aantasting groenvoorzieningen door voertuigen</al><al>Artikel 5:11 Overlast van fiets of bromfiets</al><al/><al><vet>Afdeling 2. Collecteren</vet></al><al>Artikel 5:12 Inzameling van geld of goederen</al><al/><al><vet>Afdeling 3. Venten</vet></al><al>Artikel 5:13 Begripsbepaling</al><al>Artikel 5:14 Ventverbod</al><al>Artikel 5:15 Vrijheid van meningsuiting</al><al/><al><vet>Afdeling 4. Standplaatsen</vet></al><al>Artikel 5:16 Begripsbepaling</al><al>Artikel 5:17 Standplaatsvergunning en weigeringsgronden</al><al>Artikel 5:18 Toestemming rechthebbende</al><al>Artikel 5:19 Afbakeningsbepalingen</al><al/><al><vet>Afdeling 5. Openbaar water en stranden</vet></al><al>Artikel 5:20 Voorwerpen op, in of boven openbaar water</al><al>Artikel 5:21 Ligplaats woonschepen en overige vaartuigen</al><al>Artikel 5:22 Aanwijzingen ligplaats</al><al>Artikel 5:23 Verbod innemen ligplaats</al><al>Artikel 5:24 Beschadigen van waterstaatswerken</al><al>Artikel 5:25 Reddingsmiddelen</al><al>Artikel 5:26 Veiligheid op het water</al><al>Artikel 5:26a Aanwijzingen door (politie)ambtenaar of medewerkers van de
                    strandwacht of Koninklijke Nederlandse redding Maatschappij</al><al>Artikel 5:27 Overlast aan vaartuigen</al><al>Artikel 5:28 Op afstand bestuurbare voorwerpen in openbaar water</al><al>Artikel 5:29 Verbod op strand bevinden met voertuig e.d.</al><al>Artikel 5:30 Op stand bestuurbare voorwerpen op of boven het strand</al><al>Artikel 5:31 Verbod luchtbedden e.d.</al><al>Artikel 5:32 Surfverbod e.d.</al><al>Artikel 5:33 Vaarverbod langs het strand e.d.</al><al>Artikel 5:34 Vliegerverbod op en aan het strand</al><al>Artikel 5:35 Duikverbod</al><al>Artikel 5:35a Staand Want vissen</al><al/><al><vet>Afdeling 6. Crossterreinen, gemotoriseerd verkeer, ruiterverkeer in
                        natuurgebieden</vet></al><al>Artikel 5:36 Crossterreinen</al><al>Artikel 5:37 Beperking verkeer in natuurgebieden</al><al/><al><vet>Afdeling 7. Verbod vuur te stoken</vet></al><al>Artikel 5:38 Verbod verbranden afvalstoffen buiten inrichtingen of anderszins
                    vuur te stoken</al><al/><al><vet>Afdeling 8. Verstrooien van as</vet></al><al>Artikel 5:39 Begripsbepaling</al><al>Artikel 5:40 Verboden plaatsen</al><al>Artikel 5:41 Hinder of overlast</al><al/><al><vet>HOOFDSTUK 6. STRAF- , OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN</vet></al><al/><al>Artikel 6:1 Strafbepaling</al><al>Artikel 6:2 Toezichthouders</al><al>Artikel 6:3 Binnentreden van woningen</al><al>Artikel 6:4 Inwerkingtreden verordening</al><al>Artikel 6:5 Overgangsbepaling</al><al>Artikel 6:6 Citeerartikel </al><al/></bijlage></regeling></body></cvdr>