<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--
      meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR373251_2</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening rechtspositie gedeputeerden, staten- en commissieleden 2012 Provincie            Limburg (2e wijziging)</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Provincie">Limburg</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-05-18</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Provincie">Limburg</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Provinciaal Blad, 2015, 7706</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening rechtspositie gedeputeerden, Staten- en commissieleden 2012 Provincie Limburg (2de wijziging)</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Provinciewet, art. 93 en 94</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanProvincie">provinciale staten</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>bestuur en recht</dcterms:subject><dcterms:issued>2015-11-06</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2015-11-26</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2017-07-06</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>wijziging</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>personeelsbeleid</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening rechtspositie gedeputeerden, staten- en commissieleden 2012 Provincie
            Limburg (2e wijziging)</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>Provinciale Staten van Limburg maken ter voldoening aan het bepaalde in de
                        Provinciewet bekend de nieuwe integrale tekst van: Verordening rechtspositie
                        gedeputeerden, staten- en commissieleden 2012 Provincie Limburg (2e
                        wijziging).</al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><titel>Hoofdstuk 1 Begripsomschrijvingen</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 1 Begripsbepalingen</titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al> Commissie: een commissie als bedoeld in hoofdstuk V van de
                                    Provinciewet;</al></li><li nr="b."><al> Rechtspositiebesluit gedeputeerden: het Koninklijk Besluit van
                                    22 maart 1994, Stb. 241;</al></li><li nr="c."><al> Rechtspositiebesluit Staten- en commissieleden: het Koninklijk
                                    Besluit van 22 maart 1994, Stb. 242;</al></li><li nr="d."><al> Reisbesluit binnenland: het Koninklijk Besluit van 1 maart
                                    1993, Stb. 144;</al></li><li nr="e."><al> Reisregeling binnenland: het besluit van de Minister van
                                    Binnenlandse Zaken van 16 maart 1993, nr. AB93/U280, Stcrt.
                                    56;</al></li><li nr="f."><al> Statenlid: lid van Provinciale Staten, niet zijnde
                                    gedeputeerde;</al></li><li nr="g."><al> Verplaatsingskostenbesluit 1989: het Koninklijk Besluit van 6
                                    oktober 1989, Stb. 424;</al></li><li nr="h."><al> Griffier: de griffier, bedoeld in artikel 97, eerste lid, van
                                    de Provinciewet;</al></li><li nr="i. "><al>Provinciesecretaris: de secretaris, bedoeld in artikel 97,
                                    eerste lid, van de Provinciewet.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Hoofdstuk 2 Voorzieningen voor Statenleden</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 2 Vergoeding voor werkzaamheden</titel></kop><al>Aan het Statenlid wordt een vergoeding voor de werkzaamheden toegekend
                            die gelijk is aan het bedrag, vermeld in artikel 2, eerste lid, van het
                            Rechtspositiebesluit Staten- en commissieleden, zoals dit bedrag
                            jaarlijks ingevolge artikel 2, tweede lid, van genoemd
                            Rechtspositiebesluit bij ministeriële regeling wordt gewijzigd.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2a Toelagen</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Naast de vergoeding voor de werkzaamheden, bedoeld in artikel 2,
                                ontvangen fractievoorzitters in Provinciale Staten voor de duur van
                                hun voorzitterschap per jaar een toelage gelijk aan 1,2% van die
                                vergoeding op jaarbasis en een toelage gelijk aan 0,4% van die
                                vergoeding op jaarbasis voor elk Statenlid dat de fractie buiten de
                                fractievoorzitter telt. De toelagen tezamen bedragen ten hoogste
                                6,4% van die vergoeding op jaarbasis.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Voor de toepassing van het eerste lid stelt de Commissaris van de
                                Koning vast: </al><lijst><li nr="a."><al> hoeveel Statenleden een fractie telt;</al></li><li nr="b."><al> de duur van het fractievoorzitterschap.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Het Statenlid dat lid is van de vertrouwenscommissie als bedoeld in
                                artikel 61, derde lid, van de Provinciewet dan wel lid is van een
                                onderzoekscommissie als bedoeld in artikel 151a, derde lid, van de
                                Provinciewet, ontvangt voor de duur van het lidmaatschap van de
                                commissie dan wel de duur van de activiteiten per jaar een toelage
                                van 5% van de vergoeding van de werkzaamheden als bedoeld in artikel
                                2 van deze verordening op jaarbasis.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Voor de toepassing van lid 1 van dit artikel stelt de Commissaris
                                van de Koning de duur van het lidmaatschap dan wel de duur van de
                                activiteit vast.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3 Onkostenvergoeding</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Aan het Statenlid wordt een onkostenvergoeding voor aan de
                                uitoefening van het Statenlidmaatschap verbonden kosten toegekend
                                die gelijk is aan het bedrag, vermeld in artikel 2, derde lid, van
                                het Rechtspositiebesluit Staten- en commissieleden, zoals dit bedrag
                                jaarlijks ingevolge artikel 2, vierde lid, van genoemd
                                Rechtspositiebesluit bij ministeriële regeling wordt gewijzigd. Deze
                                vergoeding is bedoeld voor de kosten, die een Statenlid maakt ten
                                behoeve van representatie, vakliteratuur, contributies en
                                lidmaatschappen, telefoonkosten, bureaukosten en porti, zakelijke
                                giften, bijdrage aan fractiekosten, ontvangsten en excursies.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> In afwijking van het eerste lid is de onkostenvergoeding voor
                                overige aan de uitoefening van het ambt verbonden kosten 83% van het
                                voor hem ingevolge het eerste lid geldende bedrag indien het
                                Statenlid op grond van lid 4 van dit artikel ten laste van
                                provinciale middelen een vergoeding ontvangt voor een mobiele
                                telefoon dan wel een mobiele telefoon ter beschikking krijgt.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Het is een fractie als bedoeld in artikel 7 lid 1 van de
                                verordening Ambtelijke bijstand en Fractieondersteuning Provincie
                                Limburg 2010 toegestaan om een mobiele telefoon ter beschikking te
                                stellen dan wel daar een vergoeding voor te geven aan een Statenlid
                                dat schriftelijk aangeeft te kiezen voor de mogelijkheid van lid 3
                                van dit artikel.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 4 Berekening en betaling vaste vergoedingen</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Hij die gedurende een gedeelte van het kalenderjaar Statenlid is
                                geweest ontvangt de vergoedingen, bedoeld in de artikelen 2 en 3,
                                naar evenredigheid van het aantal dagen dat hij in dat jaar
                                Statenlid is geweest.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De betaling van de vergoedingen, bedoeld in de artikelen 2 en 3, en
                                van de toelagen, bedoeld in artikel 2a, geschiedt in maandelijkse
                                termijnen.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5 Reiskosten</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Het Statenlid ontvangt een NS Businesscard, waarmee op rekening en
                                op saldo kan worden gereisd. Voor reizen op rekening ontvangt de
                                provincie rechtstreeks van NS een factuur, de kosten van reizen op
                                saldo kan het Statenlid declareren bij de griffier met in achtneming
                                van het bepaalde in artikel 38 van deze verordening.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Aan het Statenlid worden vergoed de reiskosten voor het bijwonen
                                van vergaderingen van Provinciale Staten en van een commissie,
                                alsmede de reiskosten ter zake van andere ten behoeve van de
                                provincie gemaakte reizen. De vergoeding betreft: </al><lijst><li nr="a."><al> bij gebruik van openbare middelen van vervoer en van een
                                        taxi: een volledige vergoeding van de in redelijkheid
                                        gemaakte noodzakelijke reiskosten, met inachtneming van het
                                        eerste lid;</al></li><li nr="b."><al> bij gebruik van een eigen vervoermiddel: een vergoeding van
                                        de in redelijkheid gemaakte noodzakelijke reiskosten
                                        overeenkomstig de bedragen in de artikelen 2 en 4 van de
                                        Reisregeling binnenland.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Het Presidium kan nadere uitvoeringsregels stellen m.b.t. de
                                reiskosten bedoeld in lid 1 van dit artikel ter zake van andere ten
                                behoeve van de provincie gemaakte reizen.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6 Verblijfkosten</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Het Statenlid worden tijdens zijn zakelijk verblijf op het
                                provinciehuis om niet maaltijden en consumpties vanwege de provincie
                                verstrekt.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Het Statenlid worden vergoed de gemaakte noodzakelijke
                                verblijfkosten ter zake van andere ten behoeve van de provincie en
                                verband houdend met zijn Statenlidmaatschap gemaakte reizen dan die
                                voor het bijwonen op het provinciehuis van vergaderingen van
                                Provinciale Staten en van een commissie, tot ten hoogste de
                                bedragen, vastgesteld bij of krachtens het Reisbesluit
                                binnenland.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> De griffier beoordeelt aanvragen als bedoeld in lid 2 van dit
                                artikel en kan aanvragen ter beoordeling voorleggen aan het
                                Presidium.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Het Presidium kan nadere regels stellen met betrekking tot de
                                kosten die op grond van lid 2 van dit artikel voor vergoeding in
                                aanmerking komen.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> De griffier kan ten laste van de Provinciale middelen leden van
                                Provinciale Staten: </al><lijst><li nr="a."><al> een overnachtingsmogelijkheid bieden als reizen heel
                                        bezwaarlijk c.q. onmogelijk is voorafgaand aan, tussen of na
                                        vergaderingen van Provinciale Staten en/of Statencommissies
                                        of andere ten behoeve van de provincie en verband houdend
                                        met zijn Statenlidmaatschap bij te wonen bijeenkomsten;</al></li><li nr="b."><al> vervoer naar het thuisadres bieden ingeval Statenleden na
                                        een vergadering of bijeenkomst van Provinciale Staten of een
                                        Statencommissie niet meer per openbaar vervoer het
                                        thuisadres kunnen bereiken.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7 Cursus, congres, seminar of symposium</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De kosten van deelname van een Statenlid aan cursussen, congressen,
                                seminars en symposia die in het provinciaal belang door of namens de
                                provincie worden aangeboden of verzorgd komen voor rekening van de
                                provincie.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Het Statenlid dat wil deelnemen aan een cursus, congres, seminar of
                                symposium dat niet door of namens de provincie wordt aangeboden of
                                verzorgd, dient daartoe bij de griffier een gemotiveerde aanvraag
                                in. De aanvraag gaat vergezeld van inhoudelijke informatie en een
                                kostenspecificatie. De kosten komen voor rekening van de provincie
                                als deelname van belang is in verband met de vervulling van het
                                Statenlidmaatschap.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> De griffier beoordeelt aanvragen als bedoeld in lid 2 van dit
                                artikel en kan aanvragen ter beoordeling voorleggen aan het
                                Presidium.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 8 Vergoeding internetaansluiting</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Aan een lid van Provinciale Staten worden eenmalig op aanvraag de
                                aanlegkosten van een internetaansluiting vergoed.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Aan een lid van Provinciale Staten wordt een vergoeding van € 25,00
                                bruto per maand toegekend ten behoeve van de abonnementskosten van
                                een internetaansluiting die benodigd is voor het
                                Statenlidmaatschap.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> De in het tweede lid genoemde vergoeding wordt jaarlijks
                                geïndexeerd op basis van de definitieve consumentenprijsindex alle
                                huishoudens van het voorafgaande jaar.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9 Kinderopvang</titel></kop><al>Deze bepaling is met ingang van 1 januari 2007 van rechtswege
                            vervallen.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10 Kinderopvang</titel></kop><al>Deze bepaling is met ingang van 1 januari 2012 van rechtswege
                            vervallen.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 11 Verlaging vergoeding werkzaamheden bij
                                arbeidsongeschiktheid</titel></kop><al>Op aanvraag verlagen Gedeputeerde Staten de vergoeding voor de
                            werkzaamheden, bedoeld in artikel 2, in het geval een Statenlid een
                            uitkering ontvangt in verband met gehele of gedeeltelijke
                            arbeidsongeschiktheid.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 12 Compensatie korting werkloosheidsuitkering</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> In het geval een Statenlid een uitkering op grond van de
                                Werkloosheidswet ontvangt en de na toepassing van artikel 20 van die
                                wet ontstane korting op deze uitkering ten gevolge van het
                                uitoefenen van het Statenlidmaatschap meer bedraagt dan de in
                                artikel 2 bedoelde vergoeding voor de werkzaamheden die het
                                Statenlid ontvangt, wordt deze vergoeding ten laste van de provincie
                                verhoogd tot het bedrag van bedoelde korting.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> In het geval dat een Statenlid een uitkering op grond van het
                                Besluit Werkloosheid onderwijs- en onderzoekspersoneel ontvangt en
                                de na toepassing van artikel 6, vierde lid, van dat besluit ontstane
                                korting op deze uitkering ten gevolge van het uitoefenen van het
                                Statenlidmaatschap meer bedraagt dan de in artikel 2 bedoelde
                                vergoeding voor de werkzaamheden die het Statenlid ontvangt, wordt
                                deze vergoeding ten laste van de provincie verhoogd tot het bedrag
                                van bedoelde korting.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 13 Vergoeding voor waarneming voorzitterschap van
                                Provinciale Staten</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Een Statenlid dat op grond van artikel 75 van de Provinciewet meer
                                dan 30 dagen onafgebroken het voorzitterschap van Provinciale Staten
                                waarneemt, ontvangt voor die waarneming een toeslag van 8% van de in
                                artikel 2 bedoelde vergoeding voor de werkzaamheden over de tijd van
                                de waarneming.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van de
                                onkostenvergoeding, bedoeld in artikel 3.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 14 Ziektekostenverzekering</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Het Statenlid ontvangt een tegemoetkoming in de kosten van een
                                ziektekostenverzekering van € 175,- per jaar.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Hij die gedurende een gedeelte van het kalenderjaar Statenlid is
                                geweest ontvangt de tegemoetkoming, bedoeld in het eerste lid, naar
                                evenredigheid van het aantal dagen dat hij in dat jaar Statenlid is
                                geweest.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> De betaling van de tegemoetkoming, bedoeld in het eerste lid,
                                geschiedt in maandelijkse termijnen.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Indien de nominale eindejaarsuitkering van het personeel werkzaam
                                bij de sector Rijk wijziging ondergaat wordt het in het eerste lid
                                genoemde bedrag naar evenredigheid gewijzigd.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 14a Aanwijzing als eindheffingsbestanddeel</titel></kop><al>Als eindheffingsbestanddeel als bedoeld in artikel 31, eerste lid,
                            onderdeel f, van de Wet op de loonbelasting 1964 worden aangewezen:</al><lijst><li nr="a."><al> de onkostenvergoeding, bedoeld in artikel 3;</al></li><li nr="b."><al> de verstrekkingen, bedoeld in artikel 8, eerste lid;</al></li><li nr="c."><al> de vergoeding, bedoeld in artikel 8, derde lid.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 15 Aanspraak op uitkering bij aftreden</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Degene die ten minste 2 jaren onafgebroken lid is geweest van
                                Provinciale Staten en kan bewijzen als gevolg van het aanvaarden van
                                het lidmaatschap van Provinciale Staten minder inkomsten te hebben
                                verkregen uit tot op dat moment verrichte werkzaamheden, kan met
                                ingang van de datum van aftreden, aanspraak maken op een uitkering
                                ten laste van de provincie.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De in lid 1 bedoelde aanspraak wordt uitsluitend geëffectueerd
                                indien door belanghebbende daartoe binnen 3 maanden na de datum van
                                aftreden als Statenlid een schriftelijk verzoek wordt ingediend bij
                                Gedeputeerde Staten.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Geen recht op een uitkering bij aftreden bestaat indien het
                                Statenlid: </al><lijst><li nr="a."><al> na aftreden zonder onderbreking weer als Statenlid
                                        optreedt;</al></li><li nr="b."><al> op de datum van zijn aftreden 65 jaar of ouder is;</al></li><li nr="c."><al> van zijn Statenlidmaatschap vervallen is verklaard
                                        ingevolge artikel X7 van de Kieswet;</al></li><li nr="d."><al> is benoemd in de plaats die is opengevallen als gevolg van
                                        het tijdelijk ontslag van een Statenlid wegens zwangerschap
                                        en bevalling of ziekte, ingevolge artikel X 12 van de
                                        Kieswet.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 16 Duur van uitkering bij aftreden </titel></kop><al>De duur van de uitkering wordt bepaald op de helft van het aantal
                            volledige maanden gedurende welke het gewezen Statenlid het
                            Statenlidmaatschap heeft vervuld, met dien verstande, dat de duur een
                            periode van twee jaar niet te boven gaat.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 17 Bedrag van uitkering bij aftreden</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De uitkering bedraagt: </al><lijst><li nr="a."><al> voor het gewezen lid van Provinciale Staten dat twee
                                        volledige perioden van elk vier jaren zitting heeft gehad,
                                        in het eerste jaar 80%, en in het tweede jaar 70% van de
                                        vaste vergoeding voor de werkzaamheden van een Statenlid per
                                        jaar;</al></li><li nr="b."><al> voor het gewezen lid van Provinciale Staten dat tenminste
                                        één volledige periode van vier jaren zitting heeft gehad, in
                                        het eerste jaar 60%, en in het tweede jaar 55% van de vaste
                                        vergoeding voor de werkzaamheden van een Statenlid per
                                        jaar;</al></li><li nr="c."><al> voor het gewezen lid van Provinciale Staten dat tenminste
                                        twee volledige jaren doch nog niet een volledige periode van
                                        vier jaren zitting heeft gehad, in het eerste jaar 40%, en
                                        voor de resterende periode 35% van de vaste vergoeding voor
                                        de werkzaamheden van een Statenlid per jaar.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Bepalend voor de hoogte van de uitkering is de vaste vergoeding
                                voor de werkzaamheden als lid van Provinciale Staten op het moment
                                van uitkering.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 18 Korting op de uitkering bij aftreden wegens inkomsten
                            </titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Inkomsten welke een lid van Provinciale Staten heeft op de dag
                                waarop hij/zij ophoudt Statenlid te zijn, worden niet in mindering
                                gebracht op zijn/haar uitkering als gewezen lid van Provinciale
                                Staten.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Nieuwe inkomsten of hogere inkomsten, welke het gewezen lid van
                                Provinciale Staten na de dag bedoeld in het eerste lid verwerft,
                                worden met de uitkering verrekend over de periode waarop deze
                                inkomsten betrekking hebben of geacht kunnen worden betrekking te
                                hebben.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Onder de in het eerste en tweede lid vermelde inkomsten wordt
                                verstaan: </al><lijst><li nr="-"><al> winst uit onderneming;</al></li><li nr="- "><al>inkomsten uit of in verband met arbeid of het verrichten van
                                        andere diensten of aanneming van werk;</al></li><li nr="-"><al> een periodieke uitkering wegens invaliditeit;</al></li><li nr="- "><al>een uitkering als bedoeld in artikel 21 van deze
                                        verordening.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Degene aan wie een uitkering is toegekend is verplicht van het
                                verkrijgen van nieuwe of hogere inkomsten als bedoeld in artikel 18,
                                tweede lid, terstond mededeling te doen aan Gedeputeerde Staten
                                onder opgave, voor zover mogelijk, van de hoogte van deze
                                (verwachte) inkomsten.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> Degene aan wie een uitkering als bedoeld in de artikelen 15 tot en
                                met 17 van deze verordening is toegekend, geeft desgevraagd alle
                                informatie betreffende zijn/haar inkomen aan Gedeputeerde Staten
                                welke voor de uitvoering van deze regeling nodig is.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 19 Betaling uitkering bij aftreden</titel></kop><al>De uitkering bij aftreden wordt uitbetaald in maandelijkse
                            termijnen.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 20 Opschorting en einde uitkering </titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De uitkering bij aftreden eindigt: </al><lijst><li nr="a."><al> op de dag waarop de uitkeringsduur is verstreken;</al></li><li nr="b."><al> met ingang van de maand, volgende op de maand waarin het
                                        gewezen Statenlid is overleden;</al></li><li nr="c."><al> met ingang van de dag waarop het gewezen Statenlid wederom
                                        als lid van Provinciale Staten is beëdigd;</al></li><li nr="d."><al> met ingang van de maand volgend op die waarin de leeftijd
                                        van 65 jaar wordt bereikt;</al></li><li nr="e."><al> met ingang van de dag waarop het gewezen Statenlid als lid
                                        van Gedeputeerde Staten is beëdigd.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De betaling van de uitkering kan door Gedeputeerde Staten worden
                                opgeschort indien en voor zolang belanghebbende niet de mededeling
                                of opgave doet als bedoeld in de artikelen 18, vierde en vijfde lid
                                van deze verordening. Indien de in artikel 18, vierde en vijfde lid
                                bedoelde verplichting alsnog wordt nagekomen, wordt de uitkering bij
                                aftreden over de tijd van opschorting, met inachtneming van artikel
                                18, alsnog uitbetaald.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Belanghebbende dient zich in te spannen andere inkomsten te
                                verwerven. De betaling van de uitkering kan door Gedeputeerde Staten
                                worden opgeschort en beëindigd indien belanghebbende zich
                                onvoldoende inspant andere inkomsten te verwerven. Hij dient in het
                                eerste jaar van zijn uitkering periodiek doch minstens drie maal in
                                een gesprek informatie over zijn inspanningen te verstrekken.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 21 Ouderdomspensioen en invaliditeitspensioen </titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Het lid van Provinciale Staten, dat als gevolg van het aanvaarden
                                van het Statenlidmaatschap, wordt geconfronteerd met een
                                vermindering van werktijd in zijn of haar hoofdberoep, welke
                                werktijdvermindering tot gevolg heeft dat zijn of haar uitzicht op
                                pensioen en/of een uitkering als gevolg van invaliditeit wordt
                                verminderd, kan een vergoeding ontvangen welke strekt tot
                                voortzetting van de verzekering, op het niveau dat gold onmiddellijk
                                voor het aanvaarden van het Statenlidmaatschap.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Het lid van Provinciale Staten dat gebruik wenst te maken van de in
                                lid 1 aangegeven voorziening dient zich binnen 3 maanden na de
                                vermindering van de werktijd met een schriftelijk verzoek tot
                                Gedeputeerde Staten te wenden onder overlegging van daartoe
                                strekkende schriftelijke bewijsstukken.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> De premie voor de in lid 1 bedoelde verzekering wordt op verzoek
                                tot ten hoogste 50% door de provincie aan het desbetreffende lid van
                                Provinciale Staten vergoed.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 22 Uitkering bij overlijden </titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> In geval van overlijden van het Statenlid wordt aan de weduwe of
                                weduwnaar van wie het Statenlid niet duurzaam gescheiden leefde een
                                bedrag uitgekeerd, gelijk aan de in artikel 2 bedoelde vergoeding
                                voor de werkzaamheden, welke het Statenlid laatstelijk genoot over
                                een tijdvak van drie maanden. Indien de overledene geen weduwe of
                                weduwnaar van wie het Statenlid niet duurzaam gescheiden leefde
                                nalaat, geschiedt de uitkering ten behoeve van de minderjarige
                                wettige of natuurlijke kinderen, of minderjarige kinderen waarover
                                de overledene de pleegouderlijke zorg droeg. Onder pleegouderlijke
                                zorg wordt verstaan de zorg voor het onderhoud en de opvoeding van
                                het kind als was het een eigen kind, onafhankelijk van de enige
                                verplichting daartoe of van het genieten van een vergoeding
                                daarvoor. Ontbreken ook zodanige kinderen dan geschiedt de uitkering
                                aan degenen die geheel of grotendeels afhankelijk waren van het
                                inkomen van het Statenlid.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Voor de toepassing van dit artikel wordt onder weduwe of weduwnaar
                                mede verstaan de achtergebleven geregistreerde partner alsmede
                                degene met wie het overleden Statenlid ongehuwd samenleefde en een
                                gezamenlijke huishouding heeft gevoerd als bedoeld in artikel 3,
                                derde en vierde lid, van de Algemene nabestaandenwet.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Dit artikel is niet van toepassing op een Statenlid dat is benoemd
                                in de plaats die is opengevallen als gevolg van het tijdelijk
                                ontslag van een Statenlid wegens zwangerschap en bevalling of
                                ziekte, ingevolge artikel X 12 van de Kieswet.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 22a Voorzieningen bij tijdelijk ontslag wegens
                                zwangerschap en bevalling of ziekte </titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De artikelen 2 tot en met 4, 7 tot en met 22, 37 en 39 zijn van
                                overeenkomstige toepassing op het Statenlid aan wie ingevolge
                                artikel X 10 van de Kieswet tijdelijk ontslag is verleend wegens
                                zwangerschap en bevalling of ziekte, met dien verstande dat de
                                onkostenvergoeding die dit Statenlid op grond van artikel 3, eerste
                                lid, ontvangt de helft bedraagt van het bedrag dat op grond van die
                                bepalingen van toepassing is.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Een tijdelijk ontslag als bedoeld in artikel X 10 van de Kieswet
                                wordt niet aangemerkt als een aftreden als bedoeld in artikel 15 tot
                                en met 20.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 22b Rechtsbijstand </titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Een lid van Provinciale Staten heeft recht op van provinciewege
                                betaalde rechtsbijstand in het geval hij als gevolg van de
                                rechtmatige uitoefening van werkzaamheden die voortvloeien uit het
                                Statenlidmaatschap of het gebruik van zijn bevoegdheden als
                                Statenlid aansprakelijk wordt gesteld voor schade dan wel op grond
                                van zijn Statenlidmaatschap gedaagde wordt in een gerechtelijke
                                procedure. De aanspraak bestaat niet als er sprake is van opzet of
                                bewuste roekeloosheid.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De rechtsbijstand vindt plaats door of op kosten van de
                                provincie.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Het Presidium kan nadere regels stellen m.b.t. het uurtarief dat
                                vergoed wordt en de duur van de bijstand.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Hoofdstuk 3 Voorzieningen voor gedeputeerden</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 23 Onkostenvergoeding </titel></kop><al>Ingetrokken.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 24 Dienstauto </titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De gedeputeerde kan voor reizen welke naar het oordeel van
                                gedeputeerde staten ten behoeve van de provincie worden gemaakt
                                gebruik maken van een dienstauto met of zonder chauffeur. Onder
                                dienstauto wordt voor de toepassing van dit artikel mede verstaan
                                een door de provincie ingehuurde auto.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De dienstauto met of zonder chauffeur kan door de gedeputeerde ook
                                worden gebruikt voor het woon-werkverkeer.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Indien de gedeputeerde gebruik maakt van een dienstauto met of
                                zonder chauffeur dan heeft hij voor die reizen geen recht op een
                                tegemoetkoming in de reiskosten.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Indien aan de gedeputeerde ingevolge artikel 25 een openbaar
                                vervoerjaarkaart is verstrekt wordt bij gebruik van een dienstauto
                                voor het woon-werkverkeer een korting op zijn bezoldiging toegepast
                                van 1/40 van de maandprijs van de openbaarvervoerjaarkaart voor elke
                                enkele reis.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> Indien de gedeputeerde voor reizen ten behoeve van de provincie
                                gebruik maakt van de provinciale dienstauto en daarvoor van een
                                derde ook een vergoeding van reiskosten ontvangt, wordt die
                                vergoeding in de provinciale kas gestort.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 25 Reiskosten woon-werkverkeer </titel></kop><al>Indien de gedeputeerde voor het woon-werkverkeer geen gebruik maakt van
                            een dienstauto met of zonder chauffeur wordt hem voor het
                            woon-werkverkeer naar keuze:</al><lijst><li nr="a."><al> een openbaar vervoerjaarkaart eerste klasse verstrekt;</al></li><li nr="b."><al> een tegemoetkoming in de kosten van het reizen verleend
                                    overeenkomstig het bepaalde in de Reisregeling binnenland.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 26 Zakelijke reiskosten</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Aan de gedeputeerde wordt naast de tegemoetkoming bedoeld in
                                artikel 25 voor reiskosten ter zake van andere dan de in artikel 25
                                bedoelde reizen ten behoeve van de provincie gemaakt waarbij geen
                                gebruik wordt gemaakt van de dienstauto met of zonder chauffeur een
                                vergoeding verleend. De vergoeding betreft: </al><lijst><li nr="a."><al> bij gebruik van openbare middelen van vervoer en van een
                                        taxi: een volledige vergoeding van de in redelijkheid
                                        gemaakte noodzakelijke reiskosten, met inachtneming van
                                        artikel 25, onderdeel a;</al></li><li nr="b."><al> bij gebruik van een eigen personenauto: een vergoeding van
                                        de in redelijkheid gemaakte noodzakelijke reiskosten
                                        overeenkomstig het bedrag, genoemd in artikel 4, onderdeel
                                        b, van de Reisregeling binnenland.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Aan de gedeputeerde aan wie ingevolge artikel 25 een openbaar
                                vervoerjaarkaart is verstrekt worden de in het eerste lid, onderdeel
                                b, bedoelde reiskosten alleen vergoed als met het openbaar vervoer
                                niet of slechts met aanzienlijk tijdverlies kan worden gereisd.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 27 Verblijfkosten </titel></kop><al>De gedeputeerde worden de in redelijkheid gemaakte noodzakelijke
                            verblijfkosten ter zake van reizen, bedoeld in artikel 26 volledig
                            vergoed.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 28 Buitenlandse dienstreizen </titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Indien de gedeputeerde in het provinciaal belang een reis buiten
                                Nederland maakt, worden de in redelijkheid gemaakte noodzakelijke
                                reis- en verblijfkosten vergoed.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Deelname aan een dienstreis naar het buitenland geschiedt conform
                                het bepaalde in de Gedragscode Bestuurlijke Integriteit leden van
                                Gedeputeerde Staten Provincie Limburg 2014.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 29 Cursus, congres, seminar of symposium </titel></kop><al>Ingetrokken.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 30 Computer en internetverbinding </titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Op aanvraag wordt aan de gedeputeerde ten laste van de provincie
                                voor de uitoefening van het ambt een computer, bijbehorende
                                apparatuur en software in bruikleen ter beschikking gesteld.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De gedeputeerde ondertekent voor de bruikleen een
                                bruikleenovereenkomst met de provincie.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Gedeputeerde Staten stellen het model van de bruikleenovereenkomst
                                vast.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Op aanvraag wordt aan de gedeputeerde een maandelijkse vergoeding
                                van € 30,81 bruto toegekend ten behoeve van de abonnementskosten van
                                een internetverbinding.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> De in het vierde lid genoemde vergoeding wordt jaarlijks
                                geïndexeerd op basis van de definitieve consumentenprijsindex alle
                                huishoudens van het voorafgaande jaar.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 31 Mobiele telefoon </titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Op aanvraag wordt de gedeputeerde voor de uitoefening van zijn ambt
                                een mobiele telefoon in bruikleen ter beschikking gesteld.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De gedeputeerde ondertekent daartoe een bruikleenovereenkomst met
                                de provincie.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Gedeputeerde Staten stellen het model van de bruikleenovereenkomst
                                vast.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 32 Spaarloonregeling </titel></kop><al>Ingetrokken.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 33 Reis- en pensionkosten en verhuiskosten</titel></kop><al>De gedeputeerde die bij benoeming nog niet over woonruimte in de
                            provincie beschikt heeft ten laste van de provincie aanspraak op
                            vergoeding van:</al><lijst><li nr="a."><al> reis- en pensionkosten overeenkomstig het bepaalde in artikel 1
                                    van de Regeling rechtspositie gedeputeerden;</al></li><li nr="b. "><al>verhuiskosten in verband met de benoeming als gedeputeerde
                                    overeenkomstig het bepaalde in artikel 2 van de Regeling
                                    rechtspositie gedeputeerden.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 33a Aanwijzing als eindheffingsbestanddeel</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Als eindheffingsbestanddeel als bedoeld in artikel 31, eerste lid,
                                onderdeel f, van de Wet op de loonbelasting 1964 worden aangewezen
                                de vergoedingen en verstrekkingen als bedoeld in artikel 23a
                                Rechtspositiebesluit gedeputeerden.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Als eindheffingsbestanddeel als bedoeld in artikel 31, eerste lid,
                                onderdeel f, van de Wet op de loonbelasting 1964 worden verder
                                aangewezen de vergoedingen en verstrekkingen bedoeld in hoofdstuk 3
                                van deze verordening voor zover deze worden gerekend tot een
                                vergoeding of verstrekking als bedoeld in artikel 31a, tweede lid,
                                onderdelen a tot en met h van de Wet op de loonbelasting 1964.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Hoofdstuk 4 Voorzieningen voor commissieleden</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 34 Vergoeding voor het bijwonen van vergaderingen
                            </titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Het lid van een commissie ontvangt voor het bijwonen van de
                                vergaderingen van een commissie en haar subcommissies een vergoeding
                                die gelijk is aan het bedrag, vermeld in artikel 13 van het
                                Rechtspositiebesluit Staten- en commissieleden, zoals dit bedrag
                                jaarlijks ingevolge artikel 13 voornoemd wordt herzien.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op degene die
                                als lid van een commissie een vaste vergoeding voor de werkzaamheden
                                als bedoeld in artikel 94 van de Provinciewet ontvangt.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Geen vergoeding ontvangt degene die zitting heeft in een commissie </al><lijst><li nr="a."><al> als Statenlid of gedeputeerde;</al></li><li nr="b."><al> uit hoofde van dan wel als rechtstreeks uitvloeisel van een
                                        ambtelijke of bestuurlijke hoedanigheid dan wel van een
                                        functie bij een instelling die grotendeels van overheidswege
                                        wordt gesubsidieerd;</al></li><li nr="c."><al> als vertegenwoordiger van een belanghebbende instelling,
                                        organisatie of groepering, tenzij zijn lidmaatschap van de
                                        commissie tevens in belangrijke mate het provinciaal belang
                                        dient.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Leden van door Gedeputeerde Staten aan te wijzen (sub)commissies
                                als bedoeld in artikel 82 van de Provinciewet, die geen lid zijn van
                                Provinciale Staten, ontvangen bovendien voor de voorbereiding van de
                                vergaderingen van die (sub)commissies een vergoeding per uur, tot
                                een door Gedeputeerde Staten te bepalen maximum aantal uren per
                                vergadering. De vergoeding per uur is gelijk aan het bedrag bedoeld
                                in lid 1 van dit artikel.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 35 Reis- en verblijfkosten </titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Aan het lid van een commissie dat geen Statenlid of gedeputeerde is
                                en niet in zijn hoedanigheid van ambtenaar tot lid van de commissie
                                is benoemd worden de reiskosten voor het bijwonen van de
                                vergaderingen van de commissie vergoed. De vergoeding betreft: </al><lijst><li nr="a."><al> bij gebruik van openbare middelen van vervoer en van een
                                        taxi: een volledige vergoeding van de in redelijkheid
                                        gemaakte noodzakelijke reiskosten op basis van eerste
                                        klasse;</al></li><li nr="b."><al> bij gebruik van een eigen vervoermiddel: een vergoeding van
                                        de in redelijkheid gemaakte noodzakelijke reiskosten
                                        overeenkomstig de bedragen in de artikelen 2 en 4 van de
                                        Reisregeling binnenland.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Het in het eerste lid bedoelde lid van de commissie worden vergoed
                                de gemaakte noodzakelijke verblijfkosten voor het bijwonen van de
                                vergaderingen van de commissie tot ten hoogste de bedragen,
                                vastgesteld bij of krachtens het Reisbesluit binnenland.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 36 Excursie of reis </titel></kop><al>Provinciale Staten stellen jaarlijks een budget beschikbaar voor
                            excursies of reizen van commissies in het binnenland of naar het
                            buitenland. Het Presidium verdeelt dit budget over de diverse
                            commissies. Bij een buitenlandse reis c.q. excursie meldt de voorzitter
                            van de commissie dit van te voren aan het Presidium. </al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Hoofdstuk 5 De procedure van declaratie</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 37 Betaling van kosten</titel></kop><al>Betaling van kosten op grond van deze verordening vindt plaats
                            door:</al><lijst><li nr="a."><al> betaling vooraf uit eigen middelen; of</al></li><li nr="b."><al> rechtstreekse toezending van de factuur aan de provincie.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 38 Declaratie van vooruit betaalde kosten </titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Voor de vergoeding van de kosten, bedoeld in de artikelen 5, 6, 25,
                                26, 27, 28, 33 en 35 wordt gebruik gemaakt van een
                                declaratieformulier, waarvan het model door Gedeputeerde Staten is
                                vastgesteld, indien deze kosten uit eigen middelen vooruit zijn
                                betaald.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Het declaratieformulier wordt volledig ingevuld en ondertekend. Het
                                Statenlid, onderscheidenlijk de gedeputeerde dient het
                                declaratieformulier voor kosten gemaakt voor activiteiten in een
                                kalenderjaar uiterlijk voor 1 april van het daaropvolgende jaar in
                                bij de griffier, onderscheidenlijk de algemeen directeur of de door
                                hem aangewezen ambtenaar onder bijvoeging van de originele
                                bewijsstukken.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Indien het declaratieformulier later dan 1 april van het jaar,
                                volgende op het kalenderjaar waarin de kosten zijn gemaakt, wordt
                                ingediend, worden de uit eigen middelen vooruitbetaalde kosten niet
                                meer vergoed.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 39 Rechtstreekse facturering bij de provincie </titel></kop><al>De vergoeding van kosten, bedoeld in de artikelen 7, 27, 28, 29 en 33
                            kan plaatsvinden door rechtstreekse toezending van de door het
                            Statenlid, onderscheidenlijk de gedeputeerde voor akkoord ondertekende
                            factuur aan de griffier, onderscheidenlijk de provincie.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Hoofdstuk 6 Citeertitel</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 40 Inwerkingtreding en citeertitel</titel></kop><lijst><li nr="1."><al> Deze verordening treedt in werking op de dag na plaatsing in
                                    het Provinciaal Blad.</al></li><li nr="2."><al> De Verordening rechtspositie gedeputeerden, Staten- en
                                    commissieleden 2012 Provincie Limburg (1e wijziging),
                                    vastgesteld bij besluit van Provinciale Staten van 28 maart
                                    2014, vervalt bij de inwerkingtreding van deze verordening.</al></li><li nr="3."><al> Deze verordening wordt aangehaald als “Verordening
                                    rechtspositie gedeputeerden, staten- en commissieleden 2012
                                    Provincie Limburg (2e wijziging)”.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><slotformulering><al>Aldus besloten in de openbare vergadering van Provinciale Staten, gehouden
                        op 6 november 2015 </al><al>Provinciale Staten voornoemd</al></slotformulering><ondertekening>de griffier, mw. drs. J.J. Braam</ondertekening><ondertekening>de voorzitter, dhr. drs. Th.J.F.M. Bovens</ondertekening></regeling-sluiting></regeling></body></cvdr>