<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR373220_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Nieuwe Huisvestingsverordening Delft 2015</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Delft</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-11-06</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Delft</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Gemeenteblad, d.d. 20-07-2015, nr. 65607</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Nieuwe Huisvestingsverordening Delft 2015</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">art. 4 Huisvestingswet, art.5 Huisvestingswet, art. 149 Gemeentewet</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>volkshuisvesting en woningbouw</dcterms:subject><dcterms:issued>2015-07-02</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2015-07-21</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:terugwerkendekrachtDatum>2015-07-01</overheidrg:terugwerkendekrachtDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2017-11-04</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Er is sprake van overgangsrecht.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Nieuwe Huisvestingsverordening Delft 2015</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente Delft;</al><al>gezien het voorstel van het college van Burgemeester en Wethouders van Delft
                        d.d. 19 mei 2015; </al><al>gelet op artikel 2 van de Huisvestingswet 2014 en artikel 149 van de
                        Gemeentewet;</al><al>Overwegende </al><lijst><li nr="·"><al>dat in de provinciale Visie Ruimte en mobiliteit (VR Mobiliteit
                                (2014) en de gemeentelijke Woonvisie (2008) en Uitvoeringsagenda
                                (2012) en de gemeentelijke prestatieafspraken (2014-2018) met de
                                woningcorporatie(s) Vestia, Woonbron, Duwo en Vidomes de voornaamste
                                doelstellingen en beleidskeuzen voor het beleidsterrein Wonen zijn
                                weergeven, waarbij aanbod van voldoende sociale woningbouw een van
                                de hoofdthema’s is;</al></li><li nr="·"><al>dat gemeenten en woningcorporaties vanuit hun expertise en
                                gezamenlijke analyse in de Regionale Prestatieafspraken 2015-2018
                                vaststellen dat sprake is van schaarste in het sociale huursegment
                                tot € 710;</al></li><li nr="·"><al>dat onder meer verbetering van de aansluiting van het
                                woningmarktaanbod op de huidige en toekomstige vraag belangrijke
                                doelstellingen zijn, waarbij de gemeente met haar woonbeleid werkt
                                aan een betere aansluiting van vraag en aanbod;</al></li><li nr="·"><al>dat in de Regionale Prestatieafspraken het belang van een ongedeelde
                                regio Haaglanden is vastgesteld, omdat de woningmarkt in belangrijke
                                mate regionaal is en dat de gemeenten in de regio op uniforme wijze
                                sturing willen geven aan verdeling van schaarste en voorkomen van
                                verdringing op de woningmarkt. Waarbij zij rekening houden met
                                lokale karakteristieken en regionale maatschappelijke opgaven, zoals
                                huisvesting van de onderste segmenten van de woningmarkt, onder
                                andere via het lokaal maatwerk in deze verordening;</al></li><li nr="·"><al>dat het behoud van sociale samenhang in de gemeente een belangrijk
                                aandachtspunt is;</al></li><li nr="·"><al>dat de sociaaleconomische versterking van de stedelijke kwaliteit en
                                het tegengaan van de ruimtelijke tweedeling qua inkomensverdeling en
                                aard en omvang van de woningvoorraad binnen de stad, tussen de stad
                                en de kernen rondom en tussen de grote stad en andere gemeenten
                                belangrijke doelstellingen zijn;</al></li><li nr="·"><al>dat hiervoor onder meer het vergroten van de keuzemogelijkheden van
                                de EU-doelgroep van rijksbeleid op de woningmarkt en het behoud van
                                voldoende betaalbare huisvestingsmogelijkheden voor deze groep
                                beleidskeuzen zijn;</al></li><li nr="·"><al>dat er een inhaalslag gemaakt dient te worden ten behoeve van een
                                meer evenwichtige ruimtelijke spreiding van de financiële doelgroep
                                van rijksbeleid in de regio;</al></li><li nr="·"><al>de Huisvestingswet 2014 bepaalt dat regels over woonruimteverdeling
                                alleen bij verordening mogelijk zijn;</al></li><li nr="·"><al>dat de verordening na ingaan per 1 juli 2015 een geldigheid
                                        heeft van maximaal vier jaar, dus tot uiterlijk 1 juli 2019.
                                        Tussentijds is een evaluatie van de verordening
                                        voorzien.</al></li></lijst><al>BESLUIT</al><al>vast te stellen de volgende verordening:</al><al><vet>Nieuwe Huisvestingsverordening Gemeente
                                    Delft2015 </vet></al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><titel>1. ALGEMENE BEPALINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1:</nr><titel>Definities</titel></kop><al>In deze verordening en de daarop rustende bepalingen wordt verstaan
                            onder:</al><lijst><li nr="a."><al><vet><cursief>actiegebied</cursief></vet>: gebied dat
                                    burgemeester en wethouders hebben aangewezen met het doel de
                                    daarin gelegen woonruimte vrij van bewoning te maken, zodat
                                    sloop en/of verbetering van woonruimte kan plaatsvinden;</al></li><li nr="b."><al><vet><cursief>ambtshalveinschrijving</cursief></vet>:
                                    het zonder formele aanvraag opnemen van huishoudens, woonachtig
                                    op te deconcentreren of op te heffen woonwagenlocaties, als
                                    standplaatszoekenden in het Register;</al></li><li nr="c."><al><vet><cursief>burgemeesterenwethouders</cursief></vet><cursief>:</cursief>
                                    burgemeester en wethouders van de gemeente Delft;</al></li><li nr="d."><al><vet><cursief>doorstromer</cursief></vet><cursief>:</cursief>
                                    woningzoekende die op de dag dat het woningaanbod wordt
                                    gepubliceerd over zelfstandige woonruimte in Nederland beschikt
                                    en deze leeg achterlaat voor verkoop of verhuur; onder
                                    doorstromer wordt mede begrepen iemand die (aantoonbaar met in
                                    Nederland erkende documenten) na beëindiging van een duurzame
                                    gemeenschappelijke huishouding samen met andere gezinsleden uit
                                    dit huishouden op zoek is naar zelfstandige woonruimte en met de
                                    zorg voor zijn of haar minderjarige kind(eren) is of wordt
                                    belast;</al></li><li nr="e."><al><vet><cursief>duurzaam gemeenschappelijk
                                        huishouding:
                                        </cursief></vet>vaste groep van personen tussen wie een band
                                    bestaat die het enkel gezamenlijk bewonen van een bepaalde
                                    woonruimte te boven gaat en die de bedoeling hebben om bestendig
                                    voor onbepaalde tijd een huishouden te vormen. Er dient sprake
                                    te zijn van een samenlevingswens tussen de personen die niet
                                    overwegend wordt bepaald door de beslissing om de betrokken
                                    woonruimte te delen;</al></li><li nr="f."><al><vet><cursief>economischebinding</cursief></vet><cursief>:</cursief>
                                    binding aan de regio overeenkomstig het in artikel 14, lid 3
                                    onder a, van de Huisvestingswet 2014 (Stb. 2014, 248) bepaalde,
                                    alsmede het duurzaam volgen van een dagopleiding in de
                                    regio;</al></li><li nr="g."><al><vet><cursief>eigenaar</cursief></vet>: de eigenaar is diegene
                                    die bevoegd is tot het in gebruik geven van de woonruimte of het
                                    gebouw, alsmede de erfpachter, vruchtgebruiker, gerechtigde tot
                                    een appartementsrecht als bedoeld in art. 106 van Boek 5 van het
                                    Burgerlijk Wetboek, of degene aan wie door een rechtspersoon het
                                    gebruiksrecht van een woonruimte is verleend;</al></li><li nr="h."><al><vet><cursief>Oppervlakte van vertrekken</cursief></vet>:
                                    hiermee wordt bedoeld het totaal van de oppervlakten van
                                    vertrekken, zoals gedefinieerd in het Woning Waardering Stelsel.
                                    Vertrekken: woonkamer, keuken, badkamer/doucheruimte,
                                    slaapkamer(s), zolderkamer indien bereikbaar via vaste trap en
                                    met ruime mate van daglichtaanwezigheid. Overige ruimtes:
                                    kelder, bijkeuken, wasruimte, bergruimte/schuur, ingebouwde
                                    kasten groter dan 2 m², garage, zolder niet zijnde vertrek, en
                                    verkeersruimten worden niet meegeteld;</al></li><li nr="i."><al><vet><cursief>gemeenteraad</cursief></vet>: de gemeenteraad van
                                    de gemeente Delft;</al></li><li nr="j."><al><vet><cursief>gepubliceerdwoningaanbod</cursief></vet><cursief>:</cursief>
                                    het periodiek openbaar gemaakt aanbod van voor verhuur
                                    beschikbaar komende woonruimte, waarop elke woningzoekende op
                                    eigen initiatief kan reageren;</al></li><li nr="k."><al><vet><cursief>herstructureringskandidaat</cursief></vet>: een
                                    woningzoekende die op het moment van een actiegebied
                                    aanwijzing:</al></li><li nr="i."><al>ingeschreven staat in de basisregistratie personen (BRP) op het
                                    adres en;</al></li><li nr="ii."><al>met toestemming van de eigenaar als hoofdbewoner/huurder
                                    woonachtig is in een in het betreffende actiegebied gelegen
                                    zelfstandige woonruimte; of</al></li><li nr="iii."><al>aantoonbaar tenminste anderhalf jaar inwonend is in een in het
                                    betreffende actiegebied gelegen woonruimte die met toestemming
                                    van de eigenaar door de hoofdbewoner/huurder wordt bewoond;</al></li><li nr="l."><al><vet><cursief>huishouden</cursief></vet>: een alleenstaande, dan
                                    wel twee of meer personen die een duurzaam gemeenschappelijke
                                    huishouding voeren of willen voeren;</al></li><li nr="m."><al><vet><cursief>huisvestingsvergunning</cursief></vet>: de
                                    vergunning, bedoeld in artikel 1 lid 1 onder b van de
                                    Huisvestingswet 2014;</al></li><li nr="n."><al><vet><cursief>huurprijs</cursief></vet>: het daaromtrent in
                                    artikel 1, lid 1, onder a, van de Huisvestingswet 2014
                                    bepaalde;</al></li><li nr="o."><al><vet><cursief>huurprijsgrens</cursief></vet>: de
                                    huurtoeslaggrens als bedoeld in artikel 13 lid 1 onder a van de
                                    Wet op de Huurtoeslag;</al></li><li nr="p."><al><vet><cursief>huurwoning</cursief></vet>: een woonruimte
                                    waarvoor de gebruiker een vergoeding verschuldigd is aan de
                                    zakelijk gerechtigde, of ten aanzien waarvan de gebruiker een
                                    huurovereenkomst is aangegaan;</al></li><li nr="q."><al><vet><cursief>indicatie</cursief></vet><cursief>: </cursief>een
                                    door een onafhankelijke, ter zake deskundig persoon of orgaan
                                    opgesteld document waaruit de specifieke fysieke of andere
                                    beperkingen van een woningzoekende blijken en waarin is of op
                                    basis waarvan kan worden bepaald hoe de huisvesting van de
                                    woningzoekende daarop dient te worden afgestemd;</al></li><li nr="r."><al><vet><cursief>ingezetene: </cursief></vet>degene die opgenomen
                                    is in de basisadministratie van een gemeente in de regio en
                                    feitelijk in de regio hoofdverblijf heeft in een voor permanente
                                    bewoning aangewezen woonruimte;</al></li><li nr="s."><al><vet><cursief>inkomen</cursief></vet>: onder inkomen wordt
                                    verstaan het gezamenlijke verzamelinkomen als bedoeld in artikel
                                    2.3 van de Wet Inkomstenbelasting 2001 van de bewoners van een
                                    woongelegenheid, met uitzondering van kinderen in de zin van
                                    artikel 4 van de Wet Awir, met dien verstande dat in het eerste
                                    lid van dat artikel voor ‘belanghebbende’ telkens moet worden
                                    gelezen ‘huurder’.</al></li><li nr="t."><al><vet><cursief>inschrijfduur</cursief>:</vet> periode
                                    dat een woningzoekende aaneensluitend is ingeschreven bij een
                                    woningcorporatie als bedoeld in artikel 21;</al></li><li nr="u."><al><vet><cursief>inwoning</cursief></vet>: het bewonen van een deel
                                    van een woonruimte die door een ander huishouden als
                                    hoofdbewoner in gebruik is genomen;</al></li><li nr="v."><al><vet><cursief>kamer</cursief></vet>: hetgeen in artikel 1.1 van
                                    het Bouwbesluit 2012 wordt verstaan onder verblijfsruimte;</al></li><li nr="w."><al><vet><cursief>klachtencommissie: </cursief></vet>een
                                    klachtencommissie spreekt zicht uit over klachten van
                                    individuele burgers over de uitvoering van de
                                    woonruimteverdeling in de gemeente Delft;</al></li><li nr="x."><al><vet><cursief>leegstand</cursief></vet>:
                                    het niet of niet krachtens een zakelijk of persoonlijk recht in
                                    gebruik zijn, alsmede een gebruik dat de kennelijke strekking
                                    heeft afbreuk te doen aan de werking van de verordening;</al></li><li nr="y."><al><vet><cursief>maatschappelijkebinding</cursief></vet>:
                                    het daaromtrent in artikel 14, lid 3 onder b van de
                                    Huisvestingswet 2014 bepaalde;</al></li><li nr="z."><al><vet><cursief>mantelzorg</cursief></vet>: zorg die niet in het
                                    kader van een hulpverlenend beroep wordt gegeven aan een
                                    hulpbehoevende door iemand uit diens directe omgeving, waarbij
                                    de zorgverlening direct voortvloeit uit de sociale relatie;
                                </al></li><li nr="aa."><al><vet><cursief>mantelzorgrelatie</cursief></vet>: de expliciete
                                    of stilzwijgende afspraak tussen de ontvanger en de verlener
                                    over de te verlenen mantelzorg; </al></li><li nr="bb."><al><vet><cursief>ondersteuning</cursief></vet>: hulp bij
                                    huishoudelijke taken, vervoer, ondersteuning bij administratie
                                    en contacten met organisaties, persoonlijke verzorging,
                                    onplanbare hulp bij angst en verwardheid of valincidenten, hulp
                                    bij medicijngebruik en gebruik van hulpmiddelen, toezicht houden
                                    en gezelschap houden;</al></li><li nr="cc."><al><vet><cursief>ondersteuningsvraag</cursief></vet>: een ernstige
                                    beperking in de zelfredzaamheid die het gevolg is van een
                                    lichamelijke of verstandelijke beperking, een chronische ziekte
                                    of psychische problemen;</al></li><li nr="dd."><al><vet><cursief>onttrekkingsvergunning</cursief></vet>: de
                                    vergunning als bedoeld in artikel 21 van de Huisvestingswet
                                    2014;</al></li><li nr="ee."><al><vet><cursief>onzelfstandigewoonruimte</cursief></vet>:
                                    woonruimte, niet zijnde woonruimte bestemd voor inwoning, welke
                                    geen eigen toegang heeft en welke niet door een huishouden kan
                                    worden bewoond, zonder dat dit daarbij afhankelijk is van
                                    wezenlijke voorzieningen buiten die woonruimte;</al></li><li nr="ff."><al><vet><cursief>regio</cursief></vet><cursief>:
                                    </cursief>samenhangend woningmarktgebied bestaande uit de
                                    gemeenten Delft, Den Haag, Leidschendam-Voorburg,
                                    Midden-Delfland, Pijnacker-Nootdorp, Rijswijk, Wassenaar,
                                    Westland en Zoetermeer;</al></li><li nr="gg."><al><vet><cursief>register</cursief></vet>: het regionaal register
                                    van woningzoekenden, als bedoeld in artikel 13 van deze
                                    verordening;</al></li><li nr="hh."><al><vet><cursief>register van standplaatszoekenden:
                                        </cursief></vet>lokaal register van
                                    standplaatszoekenden;</al></li><li nr="ii."><al><vet><cursief>splitsingsvergunning</cursief></vet>: de
                                    vergunning als bedoeld in artikel 22 van de Huisvestingswet
                                    2014;</al></li><li nr="jj."><al><vet><cursief>standplaats</cursief></vet>: een kavel, bestemd
                                    voor het plaatsen van een woonwagen, waarop voorzieningen
                                    aanwezig zijn die op het leidingnet van de openbare
                                    nutsbedrijven, andere instellingen of van de gemeente kunnen
                                    worden aangesloten;</al></li><li nr="kk."><al><vet><cursief>standplaatszoekende</cursief></vet>: degene die in
                                    het register van standplaatszoekenden is ingeschreven;</al></li><li nr="ll."><al><vet><cursief>starter</cursief></vet>: een woningzoekende die op
                                    dag dat het woningaanbod wordt gepubliceerd geen zelfstandige
                                    woonruimte leeg achterlaat voor verkoop of verhuur;</al></li><li nr="mm."><al><vet><cursief>SVH</cursief></vet>: vereniging Sociale
                                    Verhuurders Haaglanden;</al></li><li nr="nn."><al><vet><cursief>toetsingscommissie</cursief></vet>: de door
                                    burgemeester en wethouders in te stellen commissie die
                                    burgemeester en wethouders adviseert ter zake van de uitvoering
                                    van artikel 32;</al></li><li nr="oo."><al><vet><cursief>woningcorporatie</cursief></vet>: toegelaten
                                    instelling ex artikel 70, lid 1 van de Woningwet;</al></li><li nr="pp."><al><vet><cursief>woningzoekende:
                                        </cursief></vet>huishouden dat staat ingeschreven in het
                                    register van woningzoekenden;</al></li><li nr="qq."><al><vet>woningvorming:</vet> het verbouwen tot twee of meer
                                    woonruimten als bedoeld in artikel 21 van de Huisvestingswet
                                    2014;</al></li><li nr="rr."><al><vet><cursief>woonduur</cursief></vet>: de onafgebroken periode
                                    gedurende welke een woningzoekende de huidige woonruimte in
                                    Nederland zelfstandig bewoont conform de gegevens van de
                                    basisregistratie personen;</al></li><li nr="ss."><al><vet><cursief>woonruimte</cursief></vet>: woonruimte als bedoeld
                                    in artikel 1, eerste lid, onder i van de Huisvestingswet
                                    2014;</al></li><li nr="tt."><al><vet><cursief>zelfstandige woonruimte</cursief></vet>:
                                    woonruimte, welke een eigen toegang heeft en/of welke door een
                                    huishouden kan worden bewoond, zonder dat dit daarbij
                                    afhankelijk is van wezenlijke voorzieningen buiten de
                                    woonruimte.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:</nr><titel>Werkingsgebied</titel></kop><al>Het bepaalde in deze verordening is van toepassing op woonruimten
                            gelegen in de gemeente Delft.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:</nr><titel>Actiegebied</titel></kop><al>Burgemeester en wethouders kunnen in het kader van herstructurering of
                            wijkverbetering gebieden aanwijzen met het doel de daarin gelegen
                            woonruimten vrij van bewoning te maken, zodat sloop- en/of verbetering
                            van woonruimte kan plaatsvinden.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>2. VERDELING VAN WOONRUIMTE</titel></kop><paragraaf><kop><titel>2.1 Algemeen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:</nr><titel>Reikwijdte</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het bepaalde in dit hoofdstuk is uitsluitend van toepassing op
                                woonruimten met een huurprijs beneden de huurprijsgrens;</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In afwijking van lid 1 is het bepaalde in dit hoofdstuk niet van
                                toepassing op:</al><lijst><li nr="a."><al>woonruimten, bestemd voor inwoning;</al></li><li nr="b."><al>onzelfstandige woonruimten;</al></li><li nr="c."><al>ligplaatsen voor een woonschip;</al></li><li nr="d."><al>standplaatsen en woonwagens;</al></li><li nr="e."><al>woonruimte die verhuurd is of wordt op basis van de
                                        Leegstandswet;</al></li><li nr="f."><al>door toegelaten instellingen verhuurde woonruimten bestemd
                                        voor studenten.</al></li></lijst></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>2.2 Huisvestingsvergunning</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:</nr><titel>Huisvestingsvergunning</titel></kop><al/><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden zonder een huisvestingsvergunning een
                                    woonruimte, aangewezen in artikel 4, lid 1 in gebruik te nemen
                                    voor bewoning. </al></li><li nr="2."><al>Het is verboden de in het vorige lid bedoelde woonruimte voor
                                    bewoning in gebruik te geven aan een huishouden, dat niet
                                    beschikt over een huisvestingsvergunning.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr></kop><al>Vervallen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7:</nr><titel>Aanvragen huisvestingsvergunning</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De aanvraag van een huisvestingsvergunning wordt ingediend bij
                                burgemeester en wethouders door middel van een daartoe door de
                                gemeente beschikbaar te stellen en door het college vast te stellen
                                en door de aanvrager in te vullen formulier, waarop is aangegeven
                                welke documenten dienen te worden overlegd.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien de aanvraag een huisvestingsvergunning voor een huurwoning
                                betreft, dient de aanvrager een schriftelijke verklaring van de
                                eigenaar over te leggen, waaruit blijkt dat deze bereid is de
                                woonruimte in gebruik te geven.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders besluiten de aanvraag niet verder te
                                behandelen indien de aanvrager niet aannemelijk kan maken dat hij,
                                indien hij een huisvestingsvergunning krijgt voor de in de aanvraag
                                aangegeven woonruimte zijnde een huurwoning, die woonruimte ook
                                daadwerkelijk in gebruik zal kunnen nemen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8:</nr><titel>Verlenen huisvestingsvergunning</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders beslissen op de in artikel 7, eerste lid,
                                bedoelde aanvraag binnen 8 weken na ontvangst van de aanvraag en
                                brengen de beslissing schriftelijk ter kennis van de aanvrager.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen de beslissing als bedoeld in het
                                eerste lid voor ten hoogste 6 weken verdagen. Van de verdaging wordt
                                schriftelijk mededeling gedaan aan de aanvrager.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In de huisvestingsvergunning wordt in ieder geval vermeld:</al><lijst><li nr="a."><al>de aanduiding van de woonruimte waarop zij betrekking
                                        heeft;</al></li><li nr="b."><al>de naam van de persoon of personen aan wie de
                                        huisvestingsvergunning is verleend;</al></li><li nr="c."><al>het aantal personen dat de woonruimte in gebruik neemt;</al></li><li nr="d."><al>de mededeling dat binnen de, in de vergunning genoemde,
                                        termijn de woonruimte in gebruik dient te worden
                                        genomen.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9:</nr><titel>Intrekken huisvestingsvergunning</titel></kop><al>Burgemeesters en wethouders kunnen een huisvestingsvergunning intrekken,
                            conform de voorwaarden als genoemd in artikel 18 van de Huisvestingswet
                            2014.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>2.3 Criteria voor vergunningverlening en passendheidsnormen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10:</nr><titel>In aanmerking komen voor huisvestingsvergunning</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Onverminderd in het bepaalde in artikel 10, lid 2 van de
                                Huisvestingswet 2014 komen voor een huisvestingsvergunning in
                                aanmerking degenen die aan de volgende voorwaarden hebben
                                voldaan:</al><lijst><li nr="a."><al>de aanvrager is 18 jaar of ouder;</al></li><li nr="b."><al>de woonruimte wordt met toepassing van het bepaalde in
                                        artikelen 11 en 12 passend geacht voor het huishouden van de
                                        aanvrager van de huisvestingsvergunning;</al></li><li nr="c."><al>er is voor de woonruimte geen andere gegadigde, die op grond
                                        van artikel 21 en 22 ten opzichte van de aanvrager van de
                                        vergunning een voorrangspositie heeft;</al></li><li nr="d."><al>de leden van het huishouden bezitten de Nederlandse
                                        nationaliteit dan wel beschikken over een geldige
                                        verblijfstitel in Nederland.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het in het eerste lid, onder c, bepaalde blijft buiten toepassing,
                                indien een huisvestingsvergunning wordt aangevraagd:</al><lijst><li nr="a."><al>door de medehuurder, volgens artikel 266 eerste lid of
                                        artikel 267 eerste lid, van Boek 7 van het Burgerlijk
                                        Wetboek, die doordat de huurder de woning verlaat huurder
                                        wordt; </al></li><li nr="b."><al>met het oog op een voorgenomen ruil van woonruimte.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De huisvestingsvergunning kan worden geweigerd indien het een
                                woonruimte betreft waarvoor gezien de fysieke inrichting en/of de
                                ruimtelijke positie van de woonruimte door burgemeester en
                                wethouders is bepaald dat hiervoor een door burgemeester en
                                wethouders op advies van een door hen aangewezen instantie te
                                verstrekken specifieke indicatie noodzakelijk is en de aanvrager
                                niet over de daartoe vereiste indicatie beschikt. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De huisvestingsvergunning wordt geweigerd indien het verlenen van de
                                vergunning het in gebruik hebben door de aanvrager van meer dan één
                                woonruimte tot gevolg heeft.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het bepaalde in het vierde lid is niet van toepassing ten aanzien
                                van degene die vanwege aan- of verkoop van een woonruimte tijdelijk
                                twee woonruimten in gebruik heeft, wanneer ten genoegen van
                                burgemeester en wethouders kan worden aangetoond, dat slechts één
                                woonruimte feitelijk wordt bewoond.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>In afwijking van het bepaalde in het eerste lid, onder b en c, wordt
                                de vergunning altijd verleend, indien de woonruimte door de eigenaar
                                op een wijze als bedoeld in artikel 17, gedurende 13 weken
                                vruchteloos is aangeboden aan woningzoekenden die ingevolge het
                                eerste lid voor die woonruimte in aanmerking komen.</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen de vergunning weigeren indien de
                                woonruimte is gelegen in een actiegebied.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11:</nr><titel>Passend toewijzen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het inkomen van het huishouden moet in een naar het oordeel van
                                burgemeester en wethouders redelijke verhouding staan tot de
                                huurprijs van de woonruimte:</al><lijst><li nr="a."><al>Huishoudens met een inkomen van 1,5 maal het norminkomen
                                        voor meerpersoonshuishoudens volgens artikel 14 van de Wet
                                        op de huurtoeslag kunnen een woonruimte tot de
                                        huurprijsgrens huren;</al></li><li nr="b."><al>Het inkomen van de huurprijsgrens wordt geïndexeerd in
                                        overeenstemming met de indexeringsmethode van de
                                        doelgroepgrens in de Wet op de huurtoeslag.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voor de bepaling van het inkomen gelden de volgende
                                uitvoeringsregels: </al><lijst><li nr="a."><al>Bij de bepaling van het rekeninkomen kan gebruik gemaakt
                                        worden van het meest recente inkomen van de
                                        woningzoekende;</al></li><li nr="b."><al>De aanvrager kan worden verzocht een inkomensverklaring van
                                        de Belastingdienst met betrekking tot het meest recente
                                        kalenderjaar te overleggen, ter verificatie van het
                                        opgegeven inkomen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De grootte van het huishouden moet in een naar het oordeel van
                                Burgemeester en Wethouders redelijke verhouding staan tot de grootte
                                van de woonruimte </al><lijst><li nr="a."><al>woningen met een oppervlakte als bedoeld in artikel 1, sub h
                                        van deze verordening vanaf 80 m² worden toegewezen aan
                                        huishoudens met minimaal drie leden;</al></li><li nr="b."><al>De norm genoemd onder a geldt niet voor woningen met een
                                        hoge mate van toegankelijkheid, conform bijlage I, zoals
                                        rolstoelwoningen voor mensen met een fysieke beperking en
                                        woonruimte bedoeld voor huishoudens die van deze voorraad
                                        afhankelijk zijn.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De functiebeperking van het huishouden, vanuit gemeentelijke
                                indicatiestelling op basis van de Wet maatschappelijke
                                ondersteuning, moet in een naar het oordeel van Burgemeester en
                                Wethouders moet in redelijke verhouding staan tot de
                                toegankelijkheid van de woonruimte.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12:</nr><titel>Nadere regels passendheid</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In aanvulling op artikel 11 kunnen burgemeester en wethouders, na
                                overleg met de woningcorporaties nadere regels stellen ten aanzien
                                van het inkomen in relatie tot de hoogte van de huur, ten aanzien
                                van de grootte van het huishouden in relatie tot de grootte van de
                                woonruimte en de verhouding tussen functiebeperking en de
                                toegankelijkheid van de woonruimte;</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders informeren de gemeenten in de regio over
                                de wijze waarop lid 1 wordt ingevuld en monitoren jaarlijks de
                                realisatie van de toewijzing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13:</nr><titel>Inschrijving als woningzoekende</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Huishoudens die in aanmerking willen komen voor een huurwoning van
                                een woningcorporatie schrijven zich in het register bijde
                                samenwerkende woningcorporaties in de regio.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Huishoudens worden op hun verzoek ingeschreven indien:</al></lid><lid><lidnr>-</lidnr><al>de aanvrager 18 jaar of ouder is;</al></lid><lid><lidnr>-</lidnr><al>de leden van het huishouden de Nederlandse nationaliteit bezitten of
                                over een geldige verblijfstitel in Nederland beschikken.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In afwijking van het tweede lid wordt een aanvrager die nog geen 18
                                jaar of ouder is op zijn verzoek ingeschreven indien:</al></lid><lid><lidnr>-</lidnr><al>de aanvrager een kind heeft of</al></lid><lid><lidnr>-</lidnr><al>beide ouders van de aanvrager zijn overleden en het verzoek wordt
                                ondersteund met een advies van een erkende voorziening voor
                                hulpverlening of voogd of</al></lid><lid><lidnr>-</lidnr><al>de aanvrager is getrouwd of getrouwd geweest of</al></lid><lid><lidnr>-</lidnr><al>de aanvrager is geregistreerd partner of geregistreerd partner
                                geweest of</al></lid><lid><lidnr>-</lidnr><al>er sprake is van handlichting (als bedoeld in artikel 235 van boek 1
                                van het Burgerlijk Wetboek).</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Woningcorporaties hanteren een register en stellen ten aanzien van
                                inschrijving in het register een protocol op. </al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het in lid 4 genoemde protocol dient ten minste aan de volgende
                                uitgangspunten te voldoen:</al><lijst><li nr="a."><al>woningcorporaties hanteren een uniform protocol; </al></li><li nr="b."><al>het protocol wordt openbaar bekend gemaakt; </al></li><li nr="c."><al>onderdeel van de inschrijving is de registratie van een
                                        eventuele urgentieverklaring; </al></li><li nr="d."><al>woningcorporaties stemmen het te hanteren protocol af met
                                        Burgemeester en Wethouders van de gemeenten waar zij
                                        werkzaam zijn;</al></li><li nr="e."><al>Indien het protocol naar het oordeel van Burgemeester en
                                        Wethouders onvoldoende voldoet aan de uitgangspunten onder
                                        sub a tot en met c, treden zij binnen zes weken in
                                        overleg;</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Woningcorporaties halen een inschrijving door indien:</al><lijst><li nr="a."><al>de woningzoekende een woning heeft aanvaard;</al></li><li nr="b."><al>de woningzoekende niet meer aan de vereisten voor
                                        inschrijving voldoet;</al></li><li nr="c."><al>de woningzoekende 3 keer niet reageert op een verzoek tot
                                        actualisatie van de noodzakelijke gegevens;</al></li><li nr="d."><al>de woningzoekende daarom verzoekt;</al></li><li nr="e."><al>De woningzoekende is overleden;</al></li><li nr="f."><al>De woningzoekende het inschrijfgeld niet binnen de
                                        betalingstermijn heeft voldaan;</al></li><li nr="g."><al>De woningzoekende doelbewust fraudeert met zijn inschrijving
                                        om hierdoor een voorrangspositie te krijgen op andere
                                        woningzoekenden.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>In afwijking van het gestelde in het zesde lid, onder a, wordt een
                                inschrijving niet doorgehaald indien:</al><lijst><li nr="a."><al>de woningzoekende tijdelijk in een wisselwoning verblijft of
                                        tijdelijke woonruimte huurt;</al></li><li nr="b."><al>de woningzoekende die een andere woning accepteert op basis
                                        van een tijdelijke huurovereenkomst daarom verzoekt;</al></li><li nr="c."><al>de woningzoekende die na inschrijving op een ander woonadres
                                        in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens niet
                                        over zelfstandige woonruimte beschikt daarom verzoekt.</al></li></lijst></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>2.4 Ter beschikking komen van woonruimte </titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr></kop><al>Vervallen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15</nr></kop><al>Vervallen. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16:</nr><titel>Beschikbaar komen voor verhuur</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen de eigenaar van een woonruimte als
                                bedoeld in artikel 4, lid 1 verplichten het ter beschikking komen
                                van die woonruimte onverwijld aan burgemeester en wethouders te
                                melden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een woonruimte wordt geacht ter beschikking te zijn gekomen,
                                wanneer:</al><lijst><li nr="a."><al>degene die de woonruimte in gebruik heeft aan de eigenaar
                                        het gebruik daarvan heeft opgezegd;</al></li><li nr="b."><al>de woonruimte is ontruimd; </al></li><li nr="c."><al>de woonruimte als zodanig niet langer in gebruik is, tenzij
                                        aannemelijk wordt gemaakt dat dit slechts korte tijd het
                                        geval is;</al></li><li nr="d."><al>op enigerlei andere wijze is gebleken dat de woonruimte te
                                        huur is.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien de eigenaar aan een in het eerste lid bedoelde woonruimte
                                onderhouds- en/of verbeteringswerkzaamheden wil uitvoeren, ten
                                gevolge waarvan de woonruimte enige tijd niet bewoond kan worden, is
                                de eigenaar verplicht dit gelijktijdig met de in het eerste lid
                                bedoelde melding te berichten. En is daarbij tevens verplicht opgave
                                te doen van de geplande tijdsduur die met deze werkzaamheden zal
                                zijn gemoeid, alsmede tot het melden van de beëindiging van de
                                werkzaamheden.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De eigenaar dient de door burgemeester en wethouders aan te wijzen
                                ambtenaren in de gelegenheid te stellen de woonruimte te inspecteren
                                ter vaststelling van de in de vorige leden genoemde gegevens.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17:</nr><titel>Publicatie vrijkomende woonruimte</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Woningcorporaties bieden hun voor verhuur vrijkomende woonruimte aan
                                in een uniform medium. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Bij de publicatie hanteren de woningcorporaties een regionaal
                                uniforme typering van woningtypologie, conform de typologie in
                                bijlage I. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Bij de publicatie geven de woningcorporaties inzicht in de
                                toegankelijkheid van de woning, zoals opgenomen in bijlage I,
                                aansluitend bij de werkwijze vanuit de Wet Maatschappelijke
                                Ondersteuning. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Woonruimte waar conform artikel 22, of conform een specifieke
                                taakstelling vanuit artikel 16 van de Huisvestingswet 2014, een
                                voordracht tot verhuring voor wordt gedaan, hoeven niet te worden
                                gepubliceerd, maar moeten wel achteraf worden verantwoord. </al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>2.5 Toewijzing van woonruimte</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18:</nr><titel>Toepassing toewijzingsregels</titel></kop><al>Paragraaf 2.5 is uitsluitend van toepassing op woonruimte die wordt
                            verhuurd door een woningcorporatie.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19:</nr><titel>Rangordecriteria</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Voor een starter geldt bij de toewijzing van woonruimte de
                                inschrijfduur als criterium.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voor een doorstromer geldt bij de toewijzing van woonruimte de
                                inschrijfduur en het aantal jaren aan woonduur op het moment van
                                inschrijving, met een maximum van 5 jaar, als criterium.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>20:</nr><titel>Regionale binding en lokaal maatwerk</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Van de in artikel 4 aangewezen categorie woonruimte kan maximaal 50%
                                van het aanbod met voorrang worden toegewezen aan woningzoekenden
                                die economisch of maatschappelijk gebonden zijn aan de regio.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Maximaal de helft van de woonruimte uit lid 1 (= 25%) kan met
                                voorrang worden toegewezen aan Delftse woningzoekenden ten behoeve
                                van het oplossen van, in afstemming met betrokken partijen, te
                                benoemen lokale categorieën knelpunten op de woningmarkt.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders geven nadere invulling aan de onder lid 2
                                genoemde categorieën, waarbij zij als uitgangspunten hanteren:</al><lijst><li nr="a."><al>De regels moeten transparant en inzichtelijk zijn voor
                                        woningzoekenden; </al></li><li nr="b."><al>Er is aantoonbaar sprake van schaarste en verdringing in de
                                        benoemde categorieën, binnen de uitgangspunten van artikel 2
                                        van de Huisvestingswet 2014.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De lokale categorieën worden benoemd in bijlage VI van deze
                                verordening.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders worden gedelegeerd om bijlage VI van de
                                verordening aan te passen.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders informeren de gemeenten in de regio over
                                de wijze waarop lid 2 wordt ingevuld en monitoren jaarlijks de
                                realisatie van toewijzing conform lid 2.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>21:</nr><titel>Volgordebepaling woningzoekenden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Woningcorporaties dienen de woningzoekende die voor een
                                overeenkomstig artikel 17 aangeboden woonruimte in aanmerking komt
                                te selecteren uit de woningzoekenden die op de betreffende te huur
                                aangeboden woonruimte hebben gereageerd en aan de in artikelen 11 en
                                12, bedoelde voorwaarden voldoen. Zij nemen daarbij de volgende
                                rangorde in acht:</al><lijst><li nr="a."><al>woningzoekenden waarvoor Burgemeester en Wethouders op grond
                                        van een wettelijke taakstelling, volgens artikel 16 van de
                                        Huisvestingswet 2014, verantwoordelijkheid dragen;</al></li><li nr="b."><al>woningzoekenden met een urgentieverklaring als bedoeld in
                                        artikel 32, lid 2;</al></li><li nr="c."><al>woningzoekenden met een urgentieverklaring als bedoeld in
                                        artikel 32, lid 4;</al></li><li nr="d."><al>woningzoekenden conform artikel 20, lid 2; </al></li><li nr="e."><al>overige woningzoekenden.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Met in achtneming van de rangorde in categorieën woningzoekenden als
                                bepaald in het eerste lid wordt de volgorde van belangstellenden als
                                volgt nader vastgesteld:</al><lijst><li nr="a."><al>In de gevallen waarin meerdere woningzoekenden hebben
                                        gereageerd, gaat de woningzoekende met de langste
                                        inschrijvingsduur of inschrijvingsduur plus het aantal jaren
                                        aan woonduur met een maximum van 5 jaar voor.</al></li><li nr="b."><al>In de gevallen waarin meerdere woningzoekenden met een
                                        urgentieverklaring hebben gereageerd gaat de woningzoekende
                                        met een verlengde urgentieverklaring voor op degene die een
                                        eerste urgentieverklaring heeft.</al></li><li nr="c."><al>In de gevallen waarin meerdere woningzoekenden met een
                                        urgentieverklaring hebben gereageerd gaat de woningzoekende
                                        van wie de urgentieverklaring het eerst eindigt voor; </al></li><li nr="d."><al>In het geval dat meerdere woningzoekenden reageren met een
                                        gelijk aflopende urgentieverklaring is voor de onderlinge
                                        volgorde de langste woonduur bepalend.</al></li><li nr="e."><al>In afwijking van het gestelde onder d. gaat in het geval dat
                                        meerdere woningzoekenden een gelijk aflopende
                                        urgentieverklaring hebben, degene met een woonkostentoeslag
                                        voorrang voor op degene met een
                                        herstructureringsvoorrang.</al></li><li nr="f."><al>In afwijking van het gestelde onder d. gaat in het geval dat
                                        twee kandidaten met herstructureringsvoorrang een
                                        urgentieverklaring met gelijke vervaldatum hebben, de
                                        kandidaat waarvan de (CBS-)wijkcode van het huidig adres
                                        gelijk is aan de (CBS-)wijkcode van de geadverteerde woning
                                        voor.</al></li><li nr="g."><al>In het geval dat er meerdere kandidaten met een
                                        herstructureringsvoorrang zijn waarvan de (CBS-) wijkcode
                                        van het huidige adres gelijk is aan de (CBS-) wijkcode van
                                        de geadverteerde woning, is voor de onderlinge volgorde de
                                        langste woonduur bepalend.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>22:</nr><titel>Afwijking volgordebepaling</titel></kop><al>In afwijking van artikel 21 kan een andere wijze van volgordebepaling
                            worden gehanteerd.</al><lijst><li nr="1."><al>Een woningcorporatie kan op basis van een besluit van het
                                    bestuur in zwaarwegende gevallen en in overleg met de gemeente
                                    een ter beschikking gekomen woonruimte voor verhuur
                                    aanbieden.</al></li><li nr="2."><al>Voor opname op de in het eerste lid bedoelde besluit komen in
                                    aanmerking de woningzoekenden met een zeer hoge mate van
                                    urgentie.</al></li><li nr="3."><al>Burgemeester en wethouders kunnen aanvullende
                                    doorstroombevorderende maatregelen inzetten om zeer schaarse
                                    woningen voor verhuur beschikbaar te krijgen. </al></li><li nr="4."><al>Een woningcorporatie kan op basis van verhuurresultaten na
                                    overleg met burgemeester en wethouders alternatieve
                                    voorrangsbepalingen hanteren.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>23:</nr><titel>Verantwoording toewijzing woonruimte</titel></kop><al>Woningcorporaties dienen openbaar bekend te maken:</al><lijst><li nr="1."><al>De inschrijvingsduur of de duur van de urgentieverklaring van de
                                    woningzoekende waaraan het gepubliceerde woningaanbod
                                    uiteindelijk is toegewezen;</al></li><li nr="2."><al>De woningen die niet overeenkomstig artikel 17 zijn toegewezen.
                                </al></li></lijst></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>2.6 Verdeling van woonruimte: klachten</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>24:</nr><titel>Afhandelen klachten</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Voor klachten ten aanzien van het toepassen en de uitvoering van
                                regels volgens deze verordening, niet zijnde gericht tegen een
                                beschikking, kunnen burgemeester en wethouders een klachtencommissie
                                instellen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen de afhandeling van klachten
                                mandateren aan de woningcorporaties. Woningcorporaties dragen zorg
                                voor een protocol ten aanzien van de klachtafhandeling. Zij stemmen
                                de klachtencommissie en het protocol af met de gemeenten.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De in lid 1 genoemde klachtencommissie dient ten minste aan de
                                volgende uitgangspunten te voldoen:</al><lijst><li nr="a."><al>in heel de regio wordt een uniform klachtenprotocol
                                        gehanteerd;</al></li><li nr="b."><al>de mogelijkheid voor indienen van klachten wordt openbaar
                                        bekend gemaakt;</al></li><li nr="c."><al>de klachtencommissie functioneert onafhankelijk van de
                                        woningcorporatie;</al></li><li nr="d."><al>jaarlijks per uiterlijk 1 maart rapporteren de
                                        woningcorporaties over ingediende klachten en
                                        klachtafhandeling.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De afdoening van klachten door de klachtencommissie is bindend.
                            </al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Verhuurders overleggen alle noodzakelijke gegevens voor beoordeling
                                van bezwaarschriften aan het college van burgemeester en
                                wethouders.</al></lid></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>3. INSCHRIJVING STANDPLAATSZOEKENDEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>25:</nr><titel>Register standplaatszoekenden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen zorgdragen voor het aanleggen en
                                bijhouden van een register van standplaatszoekenden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In het register van standplaatszoekenden worden op hun verzoek als
                                standplaatszoekenden ingeschreven de huishoudens die voldoen aan de
                                volgende voorwaarden: </al><lijst><li nr="a."><al>De aanvrager is 18 jaar of ouder; </al></li><li nr="b."><al>De leden van het huishouden bezitten de Nederlandse
                                        nationaliteit, dan wel beschikken over een geldige
                                        verblijfstitel in Nederland; </al></li><li nr="c."><al>Het inschrijvingsformulier is correct en volledig ingevuld,
                                        inclusief de daarin gevraagde bijlagen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het register vermeldt de standplaatszoekenden met inschrijvingsduur
                                en herstructureringsvoorrang.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Inschrijvingen in/uit het (vervallen) regionaal register van
                                standplaatszoekenden worden met behoud van opgebouwde rechten
                                overgeschreven naar het lokale register van
                                standplaatszoekenden.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Verdeling van standplaatsen vindt plaats op volgorde van
                                inschrijving of herstructurering</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>26:</nr><titel>Inschrijving</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het verzoek om in de gemeente als standplaatszoekende te worden
                                ingeschreven in het register van standplaatszoekenden wordt gericht
                                aan op een door burgemeester en wethouders opgesteld
                                inschrijvingsformulier en gaat vergezeld van:</al></lid><lid><lidnr>-</lidnr><al>een uittreksel uit de Basisadministratie Personen, indien de
                                inschrijving plaatsvindt in een andere gemeente dan de huidige
                                woonplaats;</al></lid><lid><lidnr>-</lidnr><al>zo nodig andere bescheiden die door burgemeester en wethouders voor
                                beoordeling van de aanvraag nodig geoordeeld worden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het inschrijvingsformulier bevat minimaal de volgende gegevens: </al><lijst><li nr="a."><al>de naam, burgerlijke staat en personalia van de aanvrager en
                                        van de eventueel tot het huishouden behorende personen;</al></li><li nr="b."><al>het huidige woonadres.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders bepalen of de standplaatszoekende voldoet
                                aan de voorwaarden in artikel 26, eerste en tweede lid, en gaat over
                                tot inschrijving in het gemeentelijk register indien aan deze
                                voorwaarden is voldaan.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Inschrijving als standplaatszoekende kan ook ambtshalve
                                plaatsvinden.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders dragen in ieder geval zorg voor het laten
                                registreren van de standplaatszoekenden waaraan ambtshalve
                                herstructureringsvoorrang is toegekend. Bij gewijzigde
                                omstandigheden kan de toegekende herstructureringsvoorrang
                                ambtshalve komen te vervallen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>27:</nr><titel>Bewijs van inschrijving</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders verstrekken aan standplaatszoekenden die
                                (ambtshalve) zijn ingeschreven een bewijs van inschrijving waarop de
                                volgende gegevens worden vermeld:</al></lid><lid><lidnr>-</lidnr><al>naam van de aanvrager en het aantal meeverhuizende personen;</al></lid><lid><lidnr>-</lidnr><al>adresgegevens;</al></lid><lid><lidnr>-</lidnr><al>inschrijvingsdatum;</al></lid><lid><lidnr>-</lidnr><al>voorranggegevens indien van toepassing.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Als datum van inschrijving geldt de datum waarop aan de voorwaarden
                                in artikel 26, eerste en tweede lid, is voldaan.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Als datum van een ambtshalve inschrijving geldt de datum waarop de
                                standplaatszoekende aan de voorwaarden in artikel 26, tweede lid,
                                voldoet en burgemeester en wethouders de standplaatszoekende heeft
                                ingeschreven. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>28:</nr><titel>Geldigheidsduur van inschrijving in het register</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De inschrijving in het register van standplaatszoekenden blijft
                                behoudens het gestelde in artikel 30 twee jaar geldig.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De inschrijving wordt telkens na twee jaar ambtshalve met twee jaar
                                verlengd tenzij de standplaatszoekende niet heeft gereageerd op een
                                aanschrijving van het college aangaande de inschrijving in het
                                gemeentelijk register, binnen vier weken na de datum van de
                                aanschrijving.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>29:</nr><titel>Wijziging van inschrijving in het register</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In het geval van bijschrijving in verband met een bestaand(e) dan
                                wel voorgenomen huwelijk c.q. samenwoning, kan de inschrijving op
                                naam van de beide partners worden gesteld.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Wordt de relatie als bedoeld in het vorige lid beëindigd, anders dan
                                bij overlijden, dan kunnen de beide partners zich afzonderlijk laten
                                inschrijven. De hoofdinschrijver behoudt de registratieduur van de
                                inschrijving. Voor de partner die geen hoofdinschrijver is, geldt
                                het moment van bijschrijven bij de hoofdinschrijver of indien de
                                partner al voorafgaand aan de bijschrijving inschrijftijd had
                                opgebouwd, het moment van de oorspronkelijke inschrijving van de
                                partner, als registratieduur. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Wordt de relatie beëindigd door overlijden van een van de partners
                                dan blijft de inschrijving van de nog levende overgebleven partner
                                zijn geldigheid behouden.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Wordt de relatie beëindigd en is er sprake van een ambtshalve
                                inschrijving, dan beslissen burgemeester en wethouders of beide
                                partners apart worden ingeschreven.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De ingeschrevenen als bedoeld in het eerste lid worden door
                                burgemeester en wethouders van de wijziging van inschrijving
                                schriftelijk in kennis gesteld.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>30:</nr><titel>Doorhaling van inschrijving</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders halen een inschrijving door in het
                                register van standplaatszoekenden indien de
                                standplaatszoekende::</al></lid><lid><lidnr>a)</lidnr><al>naar het oordeel van burgemeester en wethouders niet meer aan de
                                vereisten voor inschrijving voldoet;</al></lid><lid><lidnr>b)</lidnr><al>daarom verzoekt, met uitzondering van de ambtshalve
                                ingeschrevenen;</al></lid><lid><lidnr>c)</lidnr><al>komt te overlijden;</al></lid><lid><lidnr>d)</lidnr><al>een standplaats in Nederland krijgt toegewezen en deze
                                accepteert;</al></lid><lid><lidnr>e)</lidnr><al>een standplaats achterlaat bij toewijzing en acceptatie van een
                                woning;</al></lid><lid><lidnr>f)</lidnr><al>al dan niet opzettelijk foutieve gegevens verstrekt heeft bij de
                                inschrijving of verzuimd heeft belangrijke wijzigingen bijtijds door
                                te geven;</al></lid><lid><lidnr>g)</lidnr><al>niet reageert op een aanschrijving van burgemeester en wethouders
                                aangaande de inschrijving of bedoeld als een controle op de
                                inschrijving in het gemeentelijke register, binnen vier weken na de
                                datum van de aanschrijving.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voor zover mogelijk worden ingeschrevenen als bedoeld in het eerste
                                lid door burgemeester en wethouders van de doorhaling van
                                inschrijving schriftelijk in kennis gesteld.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>31</nr></kop><al>Vervallen.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>4. URGENTIEVERKLARING</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>32:</nr><titel>Verkrijgen urgentieverklaring</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Voor het verkrijgen van een urgentieverklaring dient een verzoek
                                overeenkomstig artikel 32 te worden ingediend bij burgemeester en
                                wethouders. Een urgentieverklaring wordt verleend indien de
                                indieners: </al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>18 jaar of ouder zijn;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>gedurende de termijn van minimaal één jaar ingezetene zijn, ofwel
                                beschikken over een economische of maatschappelijke binding, dan wel
                                in de positie verkeren als bedoeld in artikel 12 lid 3, van de
                                Huisvestingswet 2014 en</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>de Nederlandse nationaliteit bezitten dan wel beschikken over een
                                geldige verblijfstitel in Nederland en </al></lid><lid><lidnr>d.</lidnr><al>buiten eigen schuld en toedoen in een dusdanige situatie verkeren
                                dat zij binnen 3 maanden andere woonruimte behoeven en</al></lid><lid><lidnr>e.</lidnr><al>naar verwachting bij toepassing van de in artikel 21, eerste lid,
                                bedoelde volgordecriteria niet binnen die termijn andere woonruimte
                                zullen krijgen en</al></lid><lid><lidnr>f.</lidnr><al>hun betreffende situatie niet op een andere wijze kunnen
                                oplossen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 12, lid 3 van de
                                Huisvestingswet 2014 wordt een urgentieverklaring volgens lid 1
                                verleend:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>indien een woonsituatie naar het oordeel van burgemeester en
                                wethouders door sociale en/of medische omstandigheden zodanig is
                                verstoord dat levensgevaar voor één of meer leden van het huishouden
                                dreigt dan wel dat één of meer leden van het huishouden zodanig
                                geestelijk, emotioneel en/of lichamelijk belast is, dat volledige
                                ontwrichting uit het geheel waar betrokkene deel van uitmaakt,
                                optreedt en zelf niet in staat is dit op te lossen; </al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>indien een woningzoekende een woonkostentoeslag ontvangt die
                                structureel is en noodzaakt tot verhuizing.</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>indien bij een huurder die mantelzorg ontvangt of verleent door
                                verhuizing de afstand tussen de woningen van de ontvanger en
                                verlener van mantelzorg wordt verminderd tot een als redelijk te
                                kwalificeren loop- en / of fietsafstand. De toepassing van dit
                                artikel geldt ter beoordeling aan de toetsingscommissie, op basis
                                van een advies van het WMO-loket in een afgegeven
                                mantelzorgverklaring ten aanzien van een mantelzorgrelatie. De
                                inhoud van dit advies is afgestemd op het format in bijlage II.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De onder lid 1 bedoelde urgentieverklaring is geldig in de gemeente
                                Delft. Urgentieverklaringen van de gemeenten Den Haag,
                                Leidschendam-Voorburg, Midden-Delfland, Pijnacker-Nootdorp,
                                Rijswijk, Wassenaar, Westland en Zoetermeer worden geaccepteerd in
                                Delft als ware het een urgentieverklaring van de gemeente Delft,
                                tenzij anders is vermeld op de urgentieverklaring.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Een urgentieverklaring wordt eveneens verleend aan
                                herstructureringskandidaten die woonachtig zijn in een binnen 24
                                maanden te slopen of ingrijpend te verbeteren woonruimte en die naar
                                verwachting bij toepassing van de in artikel 21, eerste lid,
                                bedoelde volgordecriteria niet binnen die termijn andere woonruimte
                                zullen of kunnen krijgen.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De in het eerste en vierde lid bedoelde urgentieverklaring geldt
                                alleen voor de door burgemeester en wethouders aan te geven
                                categorieën woonruimte waarmee enkel de situatie van de
                                woningzoekende die aanleiding is voor een urgentieverklaring binnen
                                drie respectievelijk twaalf maanden kan worden opgelost.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen nadere uitvoeringsregels
                                vaststellen voor het verlenen van een urgentieverklaring aan
                                woningzoekenden en stemmen deze af in de regio.</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>De bevoegdheden in het vijfde en zesde lid worden gedelegeerd naar
                                burgemeester en wethouders.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>33:</nr><titel>Geldigheidstermijn urgentieverklaring</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De in artikel 32, lid 2 bedoelde urgentieverklaring geldt alleen
                                voor een termijn van drie maanden vanaf het besluit.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De in artikel 32, lid 4 bedoelde urgentieverklaring geldt alleen
                                voor een termijn van ten hoogste twaalf maanden vanaf het
                                besluit.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien de woningzoekende kan aantonen dat de urgentieverklaring niet
                                binnen de termijn waarvoor de urgentieverklaring geldt kon worden
                                benut én er niet sprake is van een (of meer) weigeringen van een
                                passende woningaanbieding, kan na advies van de toetsingscommissie
                                de duur van de urgentieverklaring ten hoogste één maal worden
                                verlengd. Bij de verlenging kunnen burgemeester en wethouders de op
                                grond van het artikel 32, vijfde lid aangegeven woonruimte
                                wijzigen.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Een verzoek tot verlenging als bedoeld in het derde lid dient door
                                de woningzoekende binnen twee weken na afloop van de
                                geldigheidstermijn van de urgentieverklaring te worden
                                aangevraagd.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>34:</nr><titel>Aanvraag urgentieverklaring</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Om in aanmerking te komen voor een urgentieverklaring als bedoeld in
                                artikel 32, eerste en vierde lid, moet een woningzoekende deze
                                aanvragen bij burgemeester en wethouders van de gemeente waarin de
                                woningzoekende woonachtig is door middel van een daartoe door de
                                gemeente beschikbaar te stellen en door het college vast te stellen
                                en door de aanvrager in te vullen formulier.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In afwijking van het bepaalde in het eerste lid dienen
                                woningzoekenden die niet woonachtig zijn in de gemeente de
                                urgentieverklaring aan te vragen bij burgemeester en wethouders van
                                één van de gemeenten waarin zij een woning zoeken.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De aanvrager van de urgentieverklaring dient op het
                                aanvraagformulier als bedoeld in het eerste lid gemotiveerd aan te
                                geven tot welke categorie woningzoekenden bedoeld in artikel 32,
                                eerste en vierde lid, hij behoort en daartoe strekkende
                                bewijsstukken, rapportages en andere bescheiden over te leggen.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen de onder het eerste en tweede lid
                                genoemde bevoegdheden mandateren aan de woningcorporaties.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>35:</nr><titel>Beslissing over urgentieverklaring</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders beslissen op de in artikel 34, eerste
                                lid, bedoelde aanvraag binnen 8 weken na ontvangst van de aanvraag
                                en de daarbij over te leggen bescheiden en brengen de beslissing ter
                                kennis van de aanvrager.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen de beslissing als bedoeld in het
                                eerste lid voor ten hoogste 6 weken verdagen. Van de verdaging wordt
                                schriftelijk mededeling gedaan aan de aanvrager.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen hun bevoegdheid als bedoeld in het
                                eerste en tweede lid mandateren aan een toetsingscommissie. In dat
                                geval blijft het vierde lid buiten toepassing.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders beslissen slechts op de aanvraag nadat de
                                toetsingscommissie ter zake een advies heeft uitgebracht.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Indien het advies van de toetsingscommissie betrekking heeft op een
                                woningzoekende die buiten eigen schuld of toedoen tenminste 3
                                maanden verblijft in een van gemeentewege erkend (te)huis voor
                                noodopvang betrekt de toetsingscommissie daarbij het advies van de
                                instantie op wiens advies de woningzoekende is opgenomen in het
                                (te)huis voor noodopvang.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Een urgentieverklaring bevat in ieder geval:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>de datum waarop de voorrangspositie van kracht wordt;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>de termijn waarvoor de urgentieverklaring geldig is;</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>de soort woonruimte waarvoor de urgentieverklaring geldig is.</al></lid><lid><lidnr>d.</lidnr><al>de naam van de gemeenten waar de urgentieverklaring geldig is.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>36:</nr><titel>Bezwaar tegen besluit aanvraag urgentieverklaring</titel></kop><al>Het indienen van bezwaar tegen het besluit van burgemeester en
                            wethouders inzake de aanvraag van een urgentieverklaring als bedoeld in
                            artikel 32, eerste lid, juncto artikel 33 lid 1, schorst de werking van
                            het betreffende besluit.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>37:</nr><titel>Wijziging en beëindiging urgentieverklaring</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Bij gewijzigde omstandigheden kunnen burgemeester en wethouders na
                                advies van de toetsingscommissie, al dan niet op verzoek van de
                                woningzoekende, besluiten de inhoud van de afgegeven
                                urgentieverklaring te wijzigen. Op de termijnen voor beslissing tot
                                en mededeling van een wijziging is het bepaalde in artikel 35 van
                                overeenkomstige toepassing.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen een urgentieverklaring intrekken,
                                indien:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>aan de vereisten voor het verkrijgen van een urgentieverklaring niet
                                meer wordt voldaan;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>de urgentieverklaring is verstrekt op grond van gegevens waarvan de
                                houder van de urgentieverklaring wist of redelijkerwijs kon
                                vermoeden dat zij onjuist of onvolledig waren;</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>indien de houder van de urgentieverklaring na de afgifte van de
                                urgentieverklaring zelfstandige woonruimte in gebruik genomen
                                heeft;</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De urgentieverklaring vervalt van rechtswege als de termijn waarvoor
                                zij geldig is afloopt.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>5. WIJZIGING SAMENSTELLING VAN DE WOONRUIMTEVOORRAAD </titel></kop><paragraaf><kop><titel>5.1 Splitsing in appartementen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>38:</nr><titel>Toepassing categorieën woonruimte</titel></kop><al>Burgemeester en wethouders kunnen besluiten dat het verbod als bedoeld
                            in artikel 22 van de Huisvestingswet 2014 uitsluitend van toepassing is
                            op gebouwen, bevattende woonruimte, die behoren tot de in bijlage III
                            van deze verordening opgenomen categorieën woonruimte. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>39:</nr><titel>Aanvraag splitsingsvergunning</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Voor het verkrijgen van een splitsingsvergunning moet een aanvraag
                                worden ingediend bij burgemeester en wethouders door middel van een
                                daartoe door de gemeente beschikbaar te stellen en door het college
                                vast te stellen en door de aanvrager in te vullen formulier. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De aanvraag moet inhouden:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>naam en correspondentieadres in Nederland van de aanvrager;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>indien een gemachtigde is aangewezen, diens naam en
                                correspondentieadres in Nederland;</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>straat en huisnummer; de kadastrale ligging en het jaar van het tot
                                stand komen van het gebouw waarop de aanvraag betrekking heeft;</al></lid><lid><lidnr>d.</lidnr><al>de aard en het huidige gebruik van het gebouw waarop de aanvraag
                                betrekking heeft;</al></lid><lid><lidnr>e.</lidnr><al>de namen en de adressen van de bewoners van het gebouw waarop de
                                aanvraag betrekking heeft.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Bij de aanvraag moet worden een splitsingsplan dat voldoet aan de
                                vereisten als neergelegd in artikel 109 van boek 5 van het
                                Burgerlijk Wetboek en het krachtens dat artikel vastgestelde besluit
                                betreffende splitsing in appartementsrechten.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Indien burgemeester en wethouders daartoe verzoeken, dient te worden
                                overlegd een taxatierapport betreffende het gebouw en de tot
                                afzonderlijke woonruimte bestemde gedeelten van het gebouw,
                                opgemaakt door een beëdigd taxateur.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Indien burgemeester en wethouders daartoe verzoeken, dient te worden
                                overlegd een beschrijving en een beoordeling van de
                                onderhoudstoestand van het gebouw en de maximale huurprijzen van de
                                tot afzonderlijke woonruimte bestemde gedeelten.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>40:</nr><titel>Beslissing over aanvraag</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders beslissen op de aanvraag om een
                                splitsingsvergunning binnen 8 weken na ontvangst van de
                                aanvraag.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen de beslissing als bedoeld in het
                                eerste lid eenmalig voor ten hoogste 6 weken verdagen. Van de
                                verdaging wordt schriftelijk mededeling gedaan aan de
                                aanvrager.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>41:</nr><titel>Weigeringsgronden splitsingsvergunning</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen de gevraagde splitsingsvergunning
                                weigeren, indien:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>het gebouw of het gedeelte van een gebouw waarop de
                                vergunningaanvraag betrekking heeft één of meer woonruimten bevat
                                die verhuurd worden of laatstelijk verhuurd zijn geweest, en</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>de huurprijs van één of meer van die woonruimten of voormalige
                                woonruimten lager is dan de huurprijsgrens, en</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>niet gewaarborgd is dat die woonruimte of woonruimten na de
                                voorgenomen splitsing bestemd blijven voor verhuur ter bewoning,
                                en</al></lid><lid><lidnr>d.</lidnr><al>het belang dat de vergunningaanvrager bij splitsing heeft, niet
                                opweegt tegen het belang van het behoud van de woonruimtevoorraad,
                                voor zover die voor verhuur is bestemd.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen de gevraagde splitsingsvergunning
                                eveneens weigeren, indien:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>het gebouw of het gedeelte van het gebouw waarop de
                                vergunningaanvraag betrekking heeft, voor zover het geheel of
                                gedeeltelijk verhuurd is geweest voor bewoning, in strijd met de
                                voorschriften van een bestemmingsplan als bedoeld in artikel 3.1 dan
                                wel een inpassingsplan als bedoeld in artikel 3.26 of 3.28 van de
                                Wet ruimtelijke ordening (Stb. 2006, 566) of met enig wettelijk
                                voorschrift geheel of gedeeltelijk voor een ander doel dan voor
                                bewoning in gebruik is genomen, en</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>de huurprijs van één of meer van die voormalige woonruimte(n) lager
                                is dan de huurprijsgrens, en</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>niet gewaarborgd is dat de voormalige woonruimte of woonruimten na
                                de voorgenomen splitsing opnieuw bestemd zullen worden voor verhuur
                                te bewoning, en</al></lid><lid><lidnr>d.</lidnr><al>het belang dat de vergunningaanvrager bij splitsing heeft, niet
                                opweegt tegen het belang van het behoud van de woonruimtevoorraad,
                                voor zover die voor verhuur is bestemd.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen de gevraagde splitsingsvergunning
                                eveneens weigeren, indien:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>voor het gebied waarin het gebouw is gelegen waarop de
                                vergunningaanvraag betrekking heeft, een bestemmingsplan als bedoeld
                                in artikel 3.5 van de Wet ruimtelijke ordening van kracht is, dan
                                wel een ontwerp voor zodanig plan of voor een herziening daarvan in
                                procedure is,</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>het ontwerp voor dat plan, dan wel voor de herziening daarvan ter
                                inzage is gelegd voordat de aanvraag om vergunning is ingediend, dan
                                wel, indien de aanvraag krachtens het tweede lid is aangehouden,
                                voordat die aanhouding is geëindigd, </al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>de voorgenomen splitsing nadelige gevolgen kan hebben voor de met
                                het plan nagestreefde of na te streven doeleinden, en </al></lid><lid><lidnr>d.</lidnr><al>het belang dat de vergunningsaanvrager bij splitsing heeft, niet
                                opweegt tegen het belang van het voorkomen van belemmering van de
                                modernisering of vervanging. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen de gevraagde splitsingsvergunning
                                ten slotte weigeren, indien:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>de toestand van het gebouw waarop de vergunningaanvraag betrekking
                                heeft, zich uit een oogpunt van indeling of de staat van onderhoud
                                geheel of ten dele tegen splitsing verzet, en</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>de desbetreffende gebreken niet door het treffen van voorzieningen
                                of het aanbrengen van verbeteringen kunnen worden opgeheven, dan wel
                                onvoldoende verzekerd is, dat die gebreken zullen worden
                                opgeheven.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Van gebreken als bedoeld in het vierde lid is in ieder geval sprake,
                                indien burgemeester en wethouders ingevolge artikel 1 b en/of
                                artikel 13 van de Woningwet een aanschrijving hebben uitgevaardigd
                                en nog niet aan deze aanschrijving is voldaan of een aanschrijving
                                kunnen uitvaardigen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>42:</nr><titel>Aanhouden aanvraag om splitsingsvergunning</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders houden de beslissing op de aanvraag om
                                een splitsingsvergunning aan indien:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>voor de datum van indiening van de vergunningaanvraag voor het
                                gebied waarin het gebouw, waarop de vergunningaanvraag betrekking
                                heeft, is gelegen een voorbereidingsbesluit ingevolge artikel 3.7
                                van de Wet ruimtelijke ordening van kracht is geworden met het oog
                                op de voorbereiding van een herstructureringsplan of van herziening
                                daarvan;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>redelijkerwijs verwacht mag worden dat de in het
                                herstructureringsplan op te nemen maatregelen nadelig kunnen worden
                                beïnvloed door de voorgenomen splitsing.</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>naar het oordeel van burgemeester en wethouders redelijkerwijs
                                verwacht mag worden dat het belang dat de vergunningaanvrager bij
                                splitsing heeft, niet opweegt tegen het belang van het voorkomen van
                                belemmering van de herstructurering.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De aanhouding als bedoeld in het eerste lid duurt tot het moment dat
                                het voorbereidingsbesluit ingevolge artikel 21 van de Wet
                                ruimtelijke ordening is vervallen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen de beslissing op de aanvraag om
                                een splitsingsvergunning tevens aanhouden indien de aanvrager
                                aannemelijk kan maken dat hij binnen een redelijke termijn de
                                gebreken als bedoeld in artikel 41, vierde lid, met het oog op de
                                voorgenomen splitsing zal opheffen.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Indien burgemeester en wethouders de beslissing op een aanvraag om
                                een splitsingsvergunning op grond van het derde lid aanhouden,
                                vermelden zij in het besluit tot aanhouding welke gebreken met het
                                oog op de voorgenomen splitsing moeten worden hersteld en binnen
                                welke termijn zij dit redelijk achten. Indien de in het besluit tot
                                aanhouding vermelde gebreken zijn hersteld binnen de in datzelfde
                                besluit aangegeven termijn wordt de vergunning verleend.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>43:</nr><titel>Geldigheidsduur afgegeven splitsingsvergunning</titel></kop><al>Een door burgemeester en wethouders afgegeven splitsingsvergunning heeft
                            een geldigheidsduur van 1 jaar, tenzij op de splitsingsvergunning een
                            andere geldigheidsduur is vermeld. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>44:</nr><titel>Overschrijven splitsingsvergunning</titel></kop><al>Burgemeester en wethouders kunnen de splitsingsvergunning op verzoek van
                            degene op wiens naam de splitsingsvergunning is gesteld of van zijn
                            rechtverkrijgende, overschrijven op naam van een ander dan degene op
                            wiens naam de splitsingsvergunning is gesteld.</al><al>5.2Onttrekkingen, samenvoeging en omzetting</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>5.2 Onttrekkingen, samenvoeging en omzetting</label></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>45:</nr><titel>Toepassing categorieën woonruimte</titel></kop><al>Burgemeester en wethouders kunnen besluiten dat het verbod als bedoeld
                            in artikel 21 van de Huisvestingswet 2014 is uitsluitend van toepassing
                            is op gebouwen, bevattende woonruimte, die behoren tot de in bijlage IV
                            van deze verordening opgenomen categorieën woonruimte.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>46:</nr><titel>Aanvraag onttrekkingsvergunning</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Voor het verkrijgen van een onttrekkingsvergunning moet een aanvraag
                                worden ingediend bij burgemeester en wethouders door middel van een
                                daartoe door de gemeente beschikbaar te stellen en door het college
                                vast te stellen en door de aanvrager in te vullen formulier.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De aanvraag moet inhouden:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>naam en correspondentieadres in Nederland van de aanvrager en tevens
                                van de eigenaar indien deze niet de aanvrager is;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>indien een gemachtigde is aangewezen, diens naam en
                                correspondentieadres in Nederland;</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>gegevens over de huidige situatie:</al></lid><lid><lidnr>-</lidnr><al>het adres van de woning;</al></lid><lid><lidnr>-</lidnr><al>de huur- of koopprijs;</al></lid><lid><lidnr>-</lidnr><al>het aantal kamers;</al></lid><lid><lidnr>-</lidnr><al>de gebruiksoppervlakte;</al></lid><lid><lidnr>-</lidnr><al>de staat van onderhoud;</al></lid><lid><lidnr>d.</lidnr><al>gegevens over de beoogde situatie:</al></lid><lid><lidnr>-</lidnr><al>de bestemming;</al></lid><lid><lidnr>-</lidnr><al> de bouwtekening / de bouwvergunning;</al></lid><lid><lidnr>-</lidnr><al> het compensatievoorstel;</al></lid><lid><lidnr>-</lidnr><al> de gronden waarop de aanvraag berust.</al></lid><lid><lidnr>e.</lidnr><al>gegevens bij voorgenomen samenvoeging:</al></lid><lid><lidnr>-</lidnr><al>de verwachte huur- of koopprijs;</al></lid><lid><lidnr>-</lidnr><al>de naam van de toekomstige bewoner;</al></lid><lid><lidnr>-</lidnr><al>de omvang van het huishouden van de toekomstige bewoner.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>47:</nr><titel>Beslissing over aanvraag</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders beslissen op de aanvraag om een
                                onttrekkingsvergunning binnen 8 weken na ontvangst van de
                                aanvraag.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen de beslissing als bedoeld in het
                                eerste lid voor ten hoogste 6 weken verdagen. Van de verdaging wordt
                                schriftelijk mededeling gedaan aan de aanvrager.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien de onttrekkingsvergunning wordt gevraagd ten behoeve van de
                                uitoefening van een bedrijf dan kunnen burgemeester en wethouders
                                advies inwinnen bij de Kamer van Koophandel.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Indien de onttrekkingsvergunning wordt gevraagd ten behoeve van de
                                praktijkuitoefening door officieel erkende medici of paramedici dan
                                kunnen burgemeester en wethouders advies inwinnen bij de
                                Adviescommissie Huisvesting Beoefenaars van Medische en Paramedische
                                Beroepen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>48:</nr><titel>Verlenen onttrekkingsvergunning</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders verlenen of weigeren de
                                onttrekkingsvergunning met inachtneming van artikel 21 van de
                                Huisvestingswet 2014.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders verlenen de onttrekkingsvergunning indien
                                naar het oordeel van burgemeester en wethouders het met de
                                onttrekking, samenvoeging of omzetting gediende belang groter is dan
                                het belang van het behoud of de samenstelling van de
                                woonruimtevoorraad en/of het belang van de leefbaarheid.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>49:</nr></kop><al>Vervallen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>50:</nr><titel>Tijdelijke woonruimteonttrekking</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen voor tijdelijke
                                woonruimteonttrekking alleen een onttrekkingsvergunning verlenen
                                indien de aanvrager aantoont dat een situatie bestaat die een
                                tijdelijke woonruimteonttrekking rechtvaardigt en waarbij vast staat
                                dat die woonruimteonttrekking niet langer dan vijf jaar zal
                                duren.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders nemen in de vergunning een termijn op,
                                waarna de onttrekking moet zijn beëindigd. Deze termijn bedraagt ook
                                na verlenging niet meer dan vijf jaar.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>51:</nr><titel>Gebruik zonder onttrekkingsvergunning</titel></kop><al>Indien sprake is van het gebruik van woonruimte zonder
                            onttrekkingsvergunning anders dan voor permanente bewoning of kantoor of
                            praktijkruimte door de eigenaar, kunnen burgemeester en wethouders de
                            woonruimte verzegelen. Deze verzegeling wordt opgeheven op het moment
                            dat de woonruimte in gebruik wordt genomen voor bewoning, of dat de
                            woonruimte door verhuur of verkoop opnieuw voor bewoning wordt bestemd,
                            of indien alsnog een onttrekkingsvergunning wordt verleend.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>52:</nr><titel>Overschrijven onttrekkingsvergunning</titel></kop><al>Burgemeester en wethouders kunnen de toestemming tot onttrekking op
                            verzoek van degene op wiens naam de toestemming is gesteld of van zijn
                            rechtverkrijgende, overschrijven op naam van een ander dan degene op
                            wiens naam de toestemming is gesteld.</al></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>6. OVERIGE BEPALINGEN</titel></kop><paragraaf><kop><titel>Verslaglegging en monitoring</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>53:</nr><titel>Verslaglegging door eigenaren van woonruimte</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders en eigenaren van woonruimten zorgen
                                jaarlijks voor een monitor van de huisvesting van nader aan te geven
                                categorieën woningzoekenden. Jaarlijks vóór 1 april brengen
                                eigenaren van woonruimten hiertoe verslag uit aan burgemeester en
                                wethouders. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In aanvulling op lid 1 leveren eigenaren van woonruimten vóór 1
                                april tevens de voorraadgegevens en aanbodgegevens aan burgemeester
                                en wethouders, overeenkomstig de in een overeenkomst vastgelegde
                                afspraken.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Op basis van de verslaglegging evalueren burgemeester en wethouders,
                                samen met woningcorporaties, vóór 1 juli van het jaar de werking van
                                de woonruimteverdeling. Op grond van de evaluatie besluiten zij over
                                eventuele aanpassing van de verordening.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>6.2 Handhaving en sancties </titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>54:</nr><titel>Handhaving bij overtreding</titel></kop><al>Overtreding van het bepaalde in artikel 16 en 38 kan worden gestraft met
                            een geldboete van de eerste of vierde categorie, zoals bedoeld in
                            artikel 23, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>55:</nr><titel>Bestuurlijke boete</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders zijn bevoegd tot het opleggen van een
                                bestuurlijke boete.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Overtredingen van artikel 5 en artikel 45 kunnen worden beboet met
                                een bestuurlijke boete.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien aan de overtreder een bestuurlijke boete is opgelegd voor
                                overtreding van artikel 5, tweede lid of artikel 45 en binnen vijf
                                jaar opnieuw dezelfde overtreding is geconstateerd wordt de
                                overtreding beboet met een hogere bestuurlijke boete.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Indien aan de overtreder een bestuurlijke boete is opgelegd voor
                                overtreding van artikel 5 tweede lid of artikel 45 en de overtreding
                                vanuit een bedrijfsmatige exploitatie van woonruimte is
                                geconstateerd, wordt de overtreding beboet met een hogere
                                bestuurlijke boete.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Bij de toepassing van het gestelde in voorgaande leden hanteren
                                burgemeester en wethouders de boetes als vermeld in Bijlage V van
                                deze verordening. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>56:</nr><titel>Handhavingsambtenaren</titel></kop><al>Met het toezicht op de naleving van het bij of krachtens deze
                            verordening bepaalde zijn belast de daartoe door burgemeester en
                            wethouders aangewezen ambtenaren.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>6.3 Restbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>57:</nr><titel>Hardheidsclausule</titel></kop><al>Burgemeester en wethouders zijn bevoegd in gevallen waarin de toepassing
                            van deze verordening naar hun oordeel leidt tot een onbillijkheid van
                            overwegende aard, ten gunste van de aanvrager af te wijken van deze
                            verordening.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>58:</nr><titel>Onvoorziene omstandigheden en experimenten</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In de gevallen waarin deze verordening niet voorziet beslissen
                                burgemeester en wethouders, waarbij hij zich uitsluitend zal laten
                                leiden door overwegingen betrekking hebbend op de evenwichtige en
                                rechtvaardige verdeling van schaarse woonruimte.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen van het bepaalde in deze
                                verordening afwijken of een afwijking daarvan toestaan ten behoeve
                                van experimenten die in het belang zijn van de
                                volkshuisvesting:</al><lijst><li nr="a."><al>Deze experimenten moeten passen binnen de kaders van de
                                        Huisvestingswet 2014;</al></li><li nr="b."><al>Een experiment kan een maximale geldigheidsduur van twee
                                        jaar hebben.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>59:</nr><titel>Mandatering</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders zijn bevoegd de uitoefening van
                                bevoegdheden krachtens deze verordening te mandateren aan door hen
                                daartoe speciaal aan te wijzen ambtenaren.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders zijn bevoegd de uitoefening van
                                bevoegdheden krachtens artikel 7 tot en met 10 van deze verordening
                                te mandateren aan eigenaren van woonruimte. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Mandatering wordt in ruime mate bekend gemaakt aan de ingezetenen
                                van de gemeente en aan andere belanghebbenden.</al></lid></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>7. OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>60:</nr><titel>Overgangsbepaling bezwaar en beroep</titel></kop><al>Op procedures inzake bezwaar en beroep die zijn ingesteld voor het
                            tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening en voor zover daarop
                            bij inwerkingtreding van deze verordening nog niet is beslist, blijft
                            het recht zoals het gold voor die dag van toepassing.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>61:</nr><titel>Overgangsbepaling voorrangverklaring, huisvestings-, splitsings-
                                of onttrekkingsvergunning</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Aanvragen van woningzoekenden om vaststelling van de urgentie of een
                                urgentieverklaring of om verlening van een huisvestingsvergunning
                                welke vóór of op de dag van inwerkingtreding van deze verordening
                                zijn ingediend worden behandeld volgens het voordien geldende recht,
                                indien dit voor de belanghebbende gunstiger is.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Aanvragen om verlening van een onttrekkingsvergunning of een
                                splitsingsvergunning, welke vóór of op de dag van inwerkingtreding
                                van deze verordening zijn ingediend worden behandeld volgens het
                                voordien geldende recht, indien dit voor de belanghebbende gunstiger
                                is.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>62:</nr><titel>Titel</titel></kop><al>Deze verordening kan worden aangehaald als Nieuwe
                            Huisvestingsverordening Delft 2015.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>63:</nr><titel>In werking treden</titel></kop><al>Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 juli 2015 en vervalt
                            uiterlijk op 1 juli 2019.</al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 2 juli 2015.</ondertekening><ondertekening>mr. drs. G.A.A. Verkerk ,burgemeester.</ondertekening><ondertekening>drs. R.G.R. Jeene ,griffier.</ondertekening></regeling-sluiting><bijlage><kop><label>Bijlage</label><nr>I</nr></kop><al>Begripsomschrijvingen als bedoeld in artikel 17
                            (woningtypen)</al><lijst><li nr="a."><al><cursief>eengezinswoning</cursief>: woonruimte met minimaal twee
                                    woonlagen zonder woonruimte er boven, met een tuin en met een
                                    voordeur aan de straat;</al></li><li nr="b."><al><cursief>benedenwoning</cursief>: gelijkvloerse woonruimte met
                                    de voordeur aan de straat;</al></li><li nr="c."><al><cursief>bovenwoning</cursief>: woonruimte op de eerste en/of
                                    tweede, tevens bovenste woonlaag en niet gelegen in een
                                    flatgebouw;</al></li><li nr="d."><al><cursief>portiekwoning</cursief>: gelijkvloerse woonruimte met
                                    de voordeur in een portiek, gelegen in een gebouw met maximaal
                                    vier woonlagen;</al></li><li nr="e."><al><cursief>flat zonder lift</cursief>: gelijkvloerse woonruimte
                                    aan een galerij in een gebouw met maximaal vier woonlagen.</al></li><li nr="f."><al><cursief>flat met lift</cursief>: gelijkvloerse woonruimte aan
                                    een galerij, portiek of corridor in een gebouw met meerdere
                                    woonlagen en een lift;</al></li><li nr="g."><al><cursief>benedenmaisonnette</cursief>: woonruimte met eigen
                                    toegang op de begane grond en bestaande uit minimaal twee door
                                    een inwendige trap verbonden woonlagen, waarvan één op de begane
                                    grond;</al></li><li nr="h."><al><cursief>bovenmaisonnette</cursief>: woonruimte met een eigen
                                    toegang en bestaande uit minimaal twee door een inwendige trap
                                    verbonden woonlagen, waarvan geen op de begane grond;</al></li><li nr="i."><al><cursief>HAT-eenheid</cursief> (Huisvesting voor alleenstaanden
                                    en tweepersoonshuishoudens): kleine woonruimte met 1 of 2
                                    kamers, meestal met een keukenblok in de (woon)kamer en dikwijls
                                    gebouwd in speciaal voor deze woongroep ontworpen panden of in
                                    bestaande aangepaste gebouwen; een
                                        <cursief>zelfstandige</cursief> HAT-eenheid heeft een eigen
                                    voordeur, keuken, douche en wc; een
                                        <cursief>onzelfstandige</cursief> HAT-eenheid deelt deze
                                    voorzieningen met andere HAT-eenheden.</al><al/><al>Woningen naar mate van toegankelijkheid</al><lijst><li nr="j."><al><cursief>Gelijkvloerse woning (*)</cursief></al></li><li nr="1."><al>Gelijkvloerse woning op de begane grond of bereikbaar
                                            via een lift.</al></li><li nr="2."><al>Bereikbaar zonder treden.</al></li><li nr="3."><al>Drempels zijn terug te brengen tot maximaal 2 cm.</al><al/></li><li nr="k."><al><cursief>Rollatorwoning (**)</cursief></al></li><li nr="1."><al>Drempels maximaal 2 cm.</al></li><li nr="2."><al>Breedte van toegangspaden, gangen etc. naar de woning is
                                            minimaal 1.20 m.</al></li></lijst><al>met een maximale helling van 1:12 (geldt tot 25 cm
                                    hoogteverschil).</al><lijst><li nr="3."><al>Toegangsdeuren van het gebouw en liftdeuren openen
                                            automatisch.</al></li><li nr="4."><al>Vrije doorgang van de complexdeur, tussendeuren en de
                                            voordeur is minimaal 85 cm.</al></li><li nr="5."><al>De doorgang van deuren in de woning is minimaal 0,75
                                            m.</al></li><li nr="6."><al>De lift meet inwendig minimaal 1,05 x 1,35 m. en heeft
                                            een leuning.</al></li></lijst></li></lijst><lijst><li nr=""><lijst><li nr="l."><al><cursief>Rolstoelwoning (***)</cursief></al></li><li nr="1."><al>Bedieningselementen bevinden zich tussen 0,90 en 1,20 m.
                                            boven de vloer</al></li></lijst><al>en 0,50 m. horizontaal uit een inwendige hoek.</al><lijst><li nr="2."><al>Alle binnendeuren hebben een vrije doorgang van meer dan
                                            0,85 m.</al></li><li nr="3."><al>Alle gangen zijn breder dan 1,10 m.</al></li><li nr="4."><al>De lift meet inwendig minimaal 1,05 x 2,05 m. en heeft
                                            een leuning.</al></li><li nr="5."><al>Opstelruimte voor en achter de deur minimaal 0,90 bij
                                            1.10 cm.</al></li><li nr="6."><al>De vrije opstelruimte naast de voordeur is minimaal 0,35
                                            cm.</al></li><li nr="7."><al>Toegankelijke badkamer zonder douchebak, met toilet,
                                            douchevloer en wastafel. Minimale maat: 2,15 bij 2,15 m.
                                            of 1,70 bij 2,70 m.</al></li><li nr="8."><al>De draaicirkel in de keuken is 1,50 m. en de afstand
                                            tussen de wand achter het aanrecht en de
                                            tegenoverliggende wand is minimaal 1,80 m.</al><al/></li><li nr="m."><al><cursief>Extra ruime rolstoelwoning
                                            (****)</cursief></al></li><li nr="1."><al>De afmeting van de hoofdslaapkamer is minimaal 15 m2 en
                                            de breedte is minimaal 3,0 m.</al></li><li nr="2."><al>De afmeting van de woonkamer is minimaal 24 m2, bij een
                                            minimale breedte van 3,0 m.</al></li></lijst></li></lijst><al/></bijlage><bijlage><kop><label>Bijlage</label><nr>II</nr></kop><al>Format mantelzorgverklaring voor urgentieverklaring als bedoeld in
                            artikel 32 lid 2c</al><al>In de mantelzorgverklaring van het Wmo-loket wordt ten minste ten
                            aanzien van de volgende onderwerpen een uitspraak gedaan:</al><lijst><li nr="·"><al>er sprake is van een ondersteuningsvraag zoals bedoeld in
                                    artikel 1, onder bb;</al></li><li nr="·"><al>er sprake is van een mantelzorgrelatie als bedoeld in artikel 1,
                                    onder z;</al></li><li nr="·"><al>de mantelzorger besteedt minimaal 8 uur in de week, gedurende
                                    minimaal drie aaneengesloten maanden, aan het bieden van
                                    mantelzorg aan de andere indiener;</al></li><li nr="·"><al>er sprake is van een langdurige ondersteuningsvraag, waarbij de
                                    verwachting bestaat dat de mantelzorgrelatie gedurende minimaal
                                    drie maanden na de verklaring in stand blijft;</al></li><li nr="·"><al>een verhuizing als oplossing kan worden aangemerkt als
                                    goedkoopst compenserende voorziening.</al></li></lijst></bijlage><bijlage><kop><label>Bijlage</label><nr>III</nr></kop><al>Categorieën gebouwen als bedoeld in artikel 38 (splitsing)</al><al/><al>Alle gebouwen , bevattende woonruimte onder huurprijsgrens.</al></bijlage><bijlage><kop><label>Bijlage</label><nr>IV</nr></kop><al>Categorieën woonruimten als bedoeld in artikel 45 (onttrekkingen,
                            samenvoeging en omzetting)</al><al>Alle gebouwen bevattende woonruimten met uitzondering van</al><lijst><li nr="·"><al>standplaatsen voor woonwagens en ligplaatsen voor
                                    woonschepen,</al></li><li nr="·"><al>woonruimten van toegelaten instellingen die ten behoeve van
                                    herstructurering gesloopt zullen worden en</al></li><li nr="·"><al>samen te voegen woonruimten en</al></li></lijst><al>gebouwen waarvoor de woningeigenaar met de gemeente vooraf
                            overeenstemming heeft bereikt in het kader van ontwikkel-, verkoop- of
                            prestatieafspraken, zijn vergunning plichtig maar tegen
                            vergunningverlening zullen geen volkshuisvestelijke argumenten worden
                            tegengeworpen.</al><al/></bijlage><bijlage><kop><label>Bijlage</label><nr>V</nr></kop><al>Bestuurlijke boetes als bedoeld in artikel 55, vijfde lid</al><al/><table><tgroup cols="3"><colspec colname="col1" colwidth="48*"/><colspec colname="col2" colwidth="26*"/><colspec colname="col3" colwidth="26*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al><vet>Overtreding</vet></al></entry><entry colname="col2"><al><vet>1<sup>e</sup>
                                                keer</vet></al></entry><entry colname="col3"><al><vet>Recidive</vet></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Art. 5, eerste lid</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 340</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 340</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Art. 5, tweede lid </al><al>·niet-bedrijfsmatige exploitatie</al><al>·bedrijfsmatige exploitatie</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 5.000</al><al>€ 7.500</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 10.000</al><al>€ 18.500</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Art. 45, eerste lid:</al><al>·niet-bedrijfsmatige exploitatie</al><al>·bedrijfsmatige exploitatie</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 7.500</al><al>€ 12.500</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 12.500</al><al>€ 18.500</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al/></bijlage><nota-toelichting><kop><titel>Toelichting</titel></kop><tussenkop>Recidive</tussenkop><al>Van recidive is sprake indien binnen vijf jaar na beëindiging van een
                    overtreding van een bepaald artikel opnieuw dezelfde overtreding van hetzelfde
                    artikel wordt begaan.</al><tussenkop>Onderscheid niet-bedrijfsmatige exploitatie en bedrijfsmatige
                    exploitatie</tussenkop><al>Van een bedrijfsmatige exploitatie is in de volgende gevallen sprake:</al><lijst><li nr="1."><al>De overtreder verhuurt aantoonbaar meerdere woonruimten. Uit de omvang
                            van de exploitatie blijkt het bedrijfsmatige aspect. Iemand die zich
                            bedrijfsmatig bezig houdt met exploitatie behoort de regelgeving te
                            kennen.</al></li><li nr="2."><al>De overtreder houdt zich beroepsmatig bezig met regelgeving omtrent
                            huisvesting en exploitatie van onroerend goed. Hieronder vallen in ieder
                            geval: vastgoedontwikkelaars, makelaars, woning- en
                            kamerbemiddelingsbureaus en bedrijven die zich bezig houden met
                            huisvesting van hun eigen werknemers. Het bedrijfsmatige aspect van de
                            exploitatie vloeit voort uit de aard van het bedrijf of beroep van de
                            overtreder.</al></li><li nr="3."><al>Uit de omvang van onzelfstandige bewoning kan ook een bedrijfsmatig
                            karakter van de exploitatie blijken: bij meer dan vier personen, kan dit
                            aangemerkt worden als kamerverhuur in de zin van het Besluit brandveilig
                            gebruik bouwwerken. De exploitant dient bij een exploitatie van die
                            omvang ook te zorgen voor een brandveilig gebruik en op de hoogte te
                            zijn van de overige regelgeving.</al></li><li nr="4."><al>Onttrekking van woonruimte is enkel bedrijfsmatig indien dit vanuit
                            commercieel oogpunt plaatsvindt. Onttrekking in het kader van het voeren
                            van een bedrijf (opslag supermarkt, meelsilo voor een bakkerij, of een
                            logiesfunctie), maar ook het in gebruik hebben van woonruimte met een
                            hennepkwekerij, is als een onttrekking vanuit commercieel oogpunt te
                            beschouwen.</al></li><li nr="5."><al>Samenvoeging van een woonruimte is niet bedrijfsmatig, tenzij de
                            overtreder zich beroepsmatig bezig houdt met huisvesting en exploitatie
                            van onroerend goed. Hieronder vallen in ieder geval:
                            vastgoedontwikkelaars, makelaars, woning- en kamerbemiddelingsbureaus en
                            bedrijven die zich bezig houden met huisvesting van hun eigen
                            werknemers. Het bedrijfsmatige aspect van de exploitatie vloeit voort
                            uit e aard van het bedrijf of beroep van de overtreder.</al><al/></li></lijst><al/></nota-toelichting><nota-toelichting><kop><titel>Algemene toelichting </titel></kop><al>De Huisvestingswet 2014, die op 1 januari 2015 in werking is getreden, bepaalt
                    dat gemeenten, indien zij daarvoor kiezen, per 1 juli 2015 een nieuwe
                    huisvestingsverordening moeten vaststellen ter vervanging van hun bestaande
                    huisvestingsverordening. Bestaande verordeningen vervallen op die datum van
                    rechtswege. De nieuwe huisvestingsverordening moet voldoen aan de nieuwe
                    Huisvestingswet 2014 (2014, stb. 248). De gemeente heeft daarom, in samenwerking
                    en afstemming met de acht andere voormalige Haaglanden-gemeenten, een nieuwe
                    lokale Huisvestingsverordening opgesteld, de Nieuwe Huisvestingsverordening
                    Delft 2015 die de huidige regionaal afgestemde lokale huisvestingsverordening
                    moet vervangen. </al><al/><al>De nieuwe huisvestingsverordening is aangepast conform de nieuwe Huisvestingswet
                    2014. De belangrijkste wijzigingen zijn samengevat:</al><lijst><li nr="·"><al>Het in te zetten instrumentarium beperkt zich tot alle goedkope
                            huurwoningen (huur tot liberalisatiegrens, € 710,68 per 2015). Dus zowel
                            woningen van woningcorporaties als particulieren;</al></li><li nr="·"><al>De lokale schaarste is aangetoond en rechtvaardigt dat het
                            verdelingsinstrument huisvestingsverordening wordt ingezet om het
                            schaarse deel van de woningvoorraad te verdelen;</al></li><li nr="·"><al>Het maximum huishoudinkomen voor het huren van een woonruimte met een
                            huur tot de huurprijsgrens wordt gesteld op 1,5 maal het norminkomen
                            voor meerpersoonshuishoudens volgens artikel 14 van de Wet op de
                            huurtoeslag. Het norminkomen is € 29.800 (prijspeil 2015);</al></li><li nr="·"><al>Alle artikelen over de koopsector zijn verwijderd;</al></li><li nr="·"><al>Leeftijd mag niet meer als criterium worden gehanteerd;</al></li><li nr="·"><al>De standplaatsen voor woonwagens vallen niet meer onder de definitie van
                            woonruimte, woonwagens zijn ‘normale’ woonruimte die onder de reguliere
                            woonruimteverdeling vallen;</al></li><li nr="·"><al>In het kader van de deregulering is een aantal uitvoeringsregels
                            vervangen door uitgangspunten. De uitvoerende partijen werken een
                            regionaal uniforme uitvoeringspraktijk uit op basis van de gegeven
                            uitgangspunten, onder toezicht van de publiekrechtelijke
                            verantwoordelijke overheid;</al></li><li nr="·"><al>Een aantal artikelen is vereenvoudigd;</al></li><li nr="·"><al>Een aantal artikelen is transparanter gemaakt;</al></li><li nr="·"><al>De regionale schaarste is aangetoond en rechtvaardigt dat 50% van het
                            vrijkomend aanbod wordt toegewezen aan regionale woningzoekenden; </al></li><li nr="·"><al>Eventueel lokaal maatwerk mag wettelijk bestaan uit maximaal de helft
                            van de regionale toewijzingen. Per gemeente dus maximaal 25% van alle
                            toewijzingen. Hiervoor zijn nadere regels gesteld op basis van melding
                            vooraf en verantwoording achteraf. Dit moet worden onderbouwd op niveau
                            van gemeente, kern of wijk;</al></li><li nr="·"><al>Er is voor gekozen de grens voor het lokaal maatwerk te stellen op 25%.
                            Burgemeester en wethouders kunnen hiervoor nadere regels opstellen, in
                            afstemming met de andere regiogemeenten en op basis van verantwoording
                            achteraf aan de andere gemeenten. Dit biedt de gemeente meer ruimte om
                            te sturen op de lokale knelpunten. </al></li><li nr="·"><al>De volgordebepaling bij woningtoewijzing is aangepast aan de vereisten
                            in de wet: 1. Statushouders en andere groepen waarvoor een wettelijke
                            taakstelling geldt; 2. urgenten; 3. Herhuisvesters; 4. lokaal maatwerk;
                            5. gewone woningzoekenden;</al></li><li nr="·"><al>Ten aanzien van bepalingen over de veranderingen in samenstelling van de
                            woningvoorraad (hoofdstuk 5 van de verordening) zijn nagenoeg geen
                            veranderingen geweest, omdat hier de verordening al passend was bij de
                            nieuwe wet. Wel zijn alle artikelen en verwijzingen naar compensatie in
                            de verordening vervallen, omdat dit van de Huisvestingswet 2014 niet
                            meer mag. Het gaat met name om het oude artikel 49;</al></li><li nr="·"><al>Een splitsingsvergunning is vereist voor gebouwen met woonruimte met een
                            huur onder de liberalisatiegrens (€ 710,68, prijspeil 2015);</al></li><li nr="·"><al>Een woningonttrekkingsvergunning blijft vereist voor alle woonruimte in
                            Delft, bij onttrekking, samenvoeging en omzetting van woonruimte.</al></li><li nr="·"><al>De wettelijke beperking tot de huursector geldt niet voor de splitsings-
                            en woningonttrekkingsvergunningen;</al></li></lijst><al/><tussenkop><cursief><vet>Belangrijkste bepalingen en uitgangspunten Huisvestingswet
                            2014</vet></cursief></tussenkop><al/><al><vet>Schaarste:</vet> De wetgever stelt aan lokale sturing een flink aantal
                    voorwaarden. De gemeenteraad zal enerzijds moeten aantonen dat er schaarste is
                    en anderzijds dat de inzet van het instrumentarium van de Huisvestingswet 2014
                    in de concrete situatie geschikt en proportioneel is om de onevenwichtige en
                    onrechtvaardige effecten van die schaarste te bestrijden. Schaarste kan alleen
                    betreffen: schaarste aan goedkope woonruimte in het algemeen, schaarste aan
                    woonruimte met specifieke voorzieningen en schaarste aan goedkope huurwoningen
                    voor de huidige inwoners van een gemeente.</al><al><vet>Leefbaarheid: </vet>Het is niet toegestaan om in het kader van
                    woonruimteverdeling eisen te stellen aan wonin­g­zoekenden met het oog op de
                    bevordering van de leefbaarheid. </al><al><vet>Werkingsduur: </vet>De nieuwe Huisvestingswet 2014 beperkt ook de
                    werkingsduur van een Huisvestingsverordening tot ten hoogste vier jaar. Deze
                    termijn hangt onder meer samen met het feit dat woonruimteverdeling alleen de
                    onevenwichtige en onrechtvaardige effecten van schaarste mitigeert, maar niet de
                    schaarste zelf wegwerkt. De inzet van een Huisvestingsverordening moet ingebed
                    zijn in een bredere beleidsvisie, waarin gestreefd wordt naar een structurele
                    oplossing.</al><al><vet>Categorieën goedkope woonruimte: </vet>De regels kunnen ook alleen worden
                    opgesteld voor goedkope huurwoningen, van particuliere verhuurders en / of
                    woningcorporaties, die zijn aangewezen als schaarse woonruimte. De wetgever
                    geeft eveneens aan dat het niet is toegestaan om buiten de
                    Huisvestingsverordening andere of aanvullende afspraken te maken over de
                    verdeling van woningen. Prestatieafspraken tussen gemeenten en woningcorporaties
                    kunnen wel worden gemaakt, maar mogen geen elementen bevatten op het gebied van
                    woonruimteverdeling, maar bijv. wel over wat men als schaars of groepen in de
                    knel opvat. Ook de beschikbaarheid van woningen is bij uitstek een onderwerp van
                    prestatieafspraken, mede in het licht van Herzieningswet toegelaten instellingen
                    volks­huis­vesting die voor vaststelling voorligt aan de Eerste Kamer.</al><al><vet>Huisvestingsvergunning: </vet>Overeenkomstig de nieuwe Huisvestingswet 2014
                    dient de gemeenteraad de goedkope woonruimte aan te wijzen waarvoor een
                    huisvestingsvergunning moet worden verleend. Uitsluitend dat deel waar de
                    schaarste betrekking op heeft kan als vergunningsplichtig worden
                    aangewezen.</al><al><vet>Urgentieregeling: </vet>De Huisvestingswet 2014 biedt net als voorheen de
                    mogelijkheid om een urgentieregeling in te stellen. De wetgever heeft bepaald
                    dat tenminste drie categorieën woningzoekenden moeten worden opgenomen in een
                    urgentieregeling. Het gaat hierbij om: </al><lijst><li nr="a."><al>woningzoekenden die verblijven in een voorziening voor tijdelijke opvang
                            voor personen die hun woning hebben moeten verlaten in verband met
                            relationele problemen of geweld;</al></li><li nr="b."><al>vergunninghouders;</al></li><li nr="c.."><al>woningzoekenden die mantelzorg verlenen of ontvangen.</al></li></lijst><al><vet>Maatschappelijke en economische binding: </vet>Bij de woningtoewijzing kan
                    voorrang worden gegeven aan personen met een maatschappelijke of economische
                    binding. Als er geen beperkingen zijn die voortvloeien uit de Wet ruimte­lijke
                    ordening, waarbij er slechts geringe of geen uitbreidingsmogelijkheden zijn, kan
                    maximaal de helft van de aangewezen categorieën woonruimte met voorrang worden
                    toegewezen aan regionaal gebondenen en maximaal de helft daarvan aan lokaal
                    gebondenen. Echter bij het huisvesten van woningzoekenden die verblijven in een
                    voor­ziening voor tijdelijke opvang voor personen die hun woning hebben moeten
                    verlaten in verband met rela­tione­le problemen of geweld en bij
                    vergunninghouders mogen deze bindingsvoorwaarden niet gesteld worden. Het geven
                    van voorrang aan woningzoekenden met een economische of maatschappelijke binding
                    mag niet tot gevolg hebben dat er geen reële huisvestingsmogelijkheden meer zijn
                    voor woningzoekenden zonder binding. Daarnaast heeft de wetgever gedefinieerd
                    wat onder economische en maatschappelijke binding mag worden verstaan, alsmede
                    wat er niet onder mag worden verstaan.</al><al><vet>Wijzigingen in de woonruimtevoorraad: </vet>Ook bij wijzigingen in de
                    woonruimtevoorraad is nadrukkelijker de koppe­ling met schaarste gemaakt.
                    Leefbaarheid mag wel een afgeleide, secundaire overweging zijn bij het al dan
                    niet verlenen van een vergunning (bijv. wanneer het verlenen van de vergunning
                    zou kunnen leiden tot een onaanvaard­bare inbreuk op een geordend woon- en
                    leefmilieu in de omgeving van het betreffende pand). Nieuw is dat de
                    ver­gunningsplicht niet van toepassing is bij het samenvoegen van woonruimte
                    indien de eigenaar dit doet ten behoeve van eigen bewoning of bij onttrekken van
                    woonruimte voor gebruik van die woonruimte als kantoor of praktijk­ruimte door
                    de eigenaar. Nieuw is ook dat op grond van de gewijzigde Rotterdamwet (Wet
                    uitbreiding Wet bijzon­dere maatregelen grootstedelijke problematiek 9 april
                    2014) een vergunning tot woningvorming aan de Huisves­tings­­wet 2014 is
                    toegevoegd.</al><al><vet>Bibob-onderzoek:</vet> Eveneens wordt het mogelijk vanaf de
                    inwerkingtreding van de Huisvestingswet 2014 een Bibob-onderzoek in te stellen
                    bij het verlenen van een vergunning om op het gebied van kamerverhuur te kunnen
                    voor­komen dat criminele ondernemers daarmee anderen duperen.</al><al/><al><cursief>Onderbouwing schaarste</cursief></al><al>Om de nieuwe verordening te mogen vaststellen zal moeten worden aangetoond dat
                    binnen de lokale en regionale woningvoorraad sprake is van schaarste. Hieronder
                    wordt aangetoond dat sprake is van schaarste in de sociale huurvoorraad van
                    woningen met een huur tot de liberalisatiegrens (€ 710,68). Een doelmatige,
                    rechtvaardige en evenwichtige verdeling van de woningvoorraad staat hiermee
                    onder druk en overheidsingrijpen is daarmee vereist. Dit is in het bijzonder het
                    geval voor mensen die een urgente huisvestingsbehoefte hebben. Daarnaast zien we
                    dat specifieke groepen woningzoekenden om bijzondere aandacht vragen in de
                    woonruimtebemiddeling; denk bijvoorbeeld aan personen die uit een instelling
                    weer in een zelfstandige woning gaan wonen. </al><al>De gemeente Delft heeft vrijheid van vestiging van woningzoekenden en een open
                    regionale woningmarkt hoog in het vaandel staan. Niettemin legitimeren de
                    aanwezigheid van groepen in de knel en de aanwezigheid van specifieke groepen
                    woningzoekenden dat er door de gemeente Delft en de andere gemeenten in de regio
                    Haaglanden tijdelijk wordt (bij-)gestuurd. Dit alles met het besef dat de meer
                    structurele oplossing van het vraagstuk in de ontwikkeling van de woningvoorraad
                    (zowel kwantitatief als kwalitatief) in brede zin ligt en niet in de verdeling
                    er van. Met het oog op het voorgaande is het tevens gelegitimeerd om via een
                    vergunningstelsel voor splitsing, onttrekking, samenvoeging en omzetting grip te
                    houden op aanpassingen of wijzigingen in de gehele woningvoorraad.</al><al>De verordening is hét geëigende instrument om te dienen als kader voor zowel
                    sturingsinstrumentarium als het vergunningstelsel. Met de verordening kan
                    geborgd worden dat het aanbieden en toewijzen van woningen op een evenwichtige,
                    rechtvaardige en op een transparante wijze gebeurt en dat wijzigingen in de
                    woningvoorraad weloverwogen plaatsvinden. Doordat de verordening een
                    publiekrechtelijke basis kent en bestuurlijk wordt vastgesteld, is bovendien
                    geborgd dat de bepalingen omtrent het sturingsinstrumentarium alsmede het
                    vergunningstelsel democratisch gelegitimeerd zijn.</al><al/><tussenkop>Lokale schaarste</tussenkop><al>De nieuwe Huisvestingswet 2014 verplicht de gemeente om aan te tonen dat er
                    sprake is van schaarste in de woningvoorraad, voordat het instrument
                    huisvestingsverordening in het schaars bevonden deel van de woningvoorraad mag
                    worden ingezet.</al><al>De lokale vraag naar sociale huurwoningen overstijgt het aanbod ruim. De
                    volgende ontwikkelingen en feiten tonen dit aan:</al><lijst><li nr="·"><al>Sinds het uitbreken van de economische crisis in 2008 is het gemiddelde
                            inkomen van Nederlandse huishoudens aanzienlijk gedaald. In Delft is dit
                            niet anders. Het is aannemelijk dat het inkomensniveau gedurende langere
                            tijd niet meer het niveau van vóór de crisis zal halen;</al></li><li nr="·"><al>Verkoop van sociale huurwoningen door toegelaten instellingen, stijgende
                            huurprijzen en een slinkende investeringscapaciteit van de
                            woningcorporaties zet de sociale huursector lokaal in de toekomst onder
                            druk. In het maximale scenario kan de sociale huurvoorraad op termijn
                            met ongeveer 4.000woningen afnemen in Delft.</al></li><li nr="·"><al>In Delft zijn ongeveer 22.600 zelfstandige huurwoningen van de vier
                            lokale woningcorporaties. Ongeveer 20.900 daarvan hebben een huur onder
                            de liberalisatiegrens en zijn dus bereikbaar voor de huishoudens met een
                            inkomen onder de € 34.678.</al></li><li nr="·"><al>In Delft zijn ongeveer 5.400 huishoudens actief op zoek naar een woning.
                            Zij reageren op het vrijkomend aanbod.</al></li><li nr="·"><al>Jaarlijks komt ongeveer 6% van de 20.900 gereguleerde woningen vrij. Dit
                            betekent ongeveer 1.250 woningen per jaar.</al></li><li nr="·"><al>Het aantal reacties op de aangeboden woningen lag in 2014 op gemiddeld
                            bijna 100 reacties per woning in Delft.</al></li><li nr="·"><al>De instroom van arbeids-, asiel- , studie- en kennismigranten in
                            Nederland is onevenredig naar de provincie Zuid-Holland en (onder meer
                            de gemeente) Delft. De provincie heeft in een brief (PZH-2015-5150513829
                            dd. 17 maart 2015) aangegeven wat de verwachte effecten van deze
                            immigratie op de voorspelde woningbehoefte is. In de afgelopen jaren
                            blijkt de feitelijke instroom groter te zijn dan verondersteld ten tijde
                            van het opstellen van de Visie Ruimte en Mobiliteit. Voor Delft betekent
                            het een extra migratiesaldo (2012-2014) van 483 meer dan verwacht. Voor
                            de regio als totaliteit prognotiseert de provincie een stijging van de
                            vraag (extra inwoners) door deze migratie van ca. 4.000 ten opzichte van
                            de eerdere provinciale raming. Deze extra-groei verhoogt de vraag naar
                            met name sociale woningen, vooral in de steden.</al></li></lijst><al>Uit bovenstaande kan worden geconcludeerd dat er duidelijk sprake is van
                    schaarste op de Delftse woningmarkt in het sociale huursegment. Deze schaarste
                    zal in de toekomst ook niet toenemen, eerder zal Delft tot de hogedrukgebieden
                    behoren vanwege de toestroom van de asiel-, studie- en kennismigranten zoals de
                    provincie becijfert.</al><al> De inzet van het verdelingsinstrument huisvestingsverordening is daarmee
                    gelegitimeerd. De BTIV2015-proof gemaakte Delftse woonvisie, de
                    Uitvoeringsagenda, de Wonen/Zorg-agenda, de prestatieafspraken en de nieuwe
                    verordening vormen een eenheid in het realiseren van de doelen voor de Delftse
                    woningmarkt.</al><al/><tussenkop>Regionale schaarste</tussenkop><al>De Huisvestingswet 2014 stelt dat gemeenten binnen de regio hun
                    huisvestingsverordeningen op elkaar afstemmen. De provincie Zuid-Holland stelt
                    daarbij ook dat de schaarste regionaal moet worden aangetoond. In de Visie
                    Ruimte en Mobiliteit (VRM) uit 2014 stelt de provincie tevens dat er sprake moet
                    zijn van een voldoende aanbod van sociale woningbouw. De huisvestingsverordening
                    is een instrument om schaarste te verdelen. Gemeenten moeten maatregelen nemen,
                    gedurende de vier jaar dat de verordening geldig is, om de schaarste te beperken
                    en als het kan te doen verdwijnen. De negen voormalige Haaglanden gemeenten doen
                    dit door het maken van prestatieafspraken met de corporaties, op regionaal
                    niveau en per gemeente. De gemeentelijke woonvisies en de VRM bieden de basis
                    voor deze prestatieafspraken. De nieuwe huisvestingsverordening, de
                    prestatieafspraken en de gemeentelijke en provinciale woonvisie vormen
                    gezamenlijk de basis voor de aanpak van de schaarste en om te zorgen voor
                    voldoende aanbod aan sociale woningbouw.</al><al>In de (vroegere) regio Haaglanden is een schaarste aan goedkope huurwoningen
                    (huur tot € 710,68). De huisvestingsvergunningplicht in de verordening geldt
                    daarom voor sociale huurwoningen tot € 710,68. Het is binnen dat deel van de
                    regionale voorraad dat zich de onevenwichtige en onrechtvaardige gevolgen
                    voordoen. </al><al>De samenwerkende gemeenten hebben er voor gekozen het schaarstebegrip voor de
                    hele regio te definiëren. Op gemeentelijke niveau zou het wel mogelijk kunnen
                    zijn dat sommige categorieën woonruimte met een huur onder de liberalisatiegrens
                    minder schaars zijn dan andere, maar nog steeds schaars. Dit kan echter per
                    gemeente verschillen. Dit zou er toe kunnen leiden dat sommige groepen
                    huishoudens in de ene gemeente van de regio wel in aanmerking komen voor een
                    bepaalde categorie woonruimte en in een andere gemeente niet. Dit is
                    tegenstrijdig aan het principe van een ongedeelde woningmarktregio, die
                    toegankelijk is voor alle huishoudens uit de doelgroep, uit alle gemeenten. Om
                    de woningmarktregio zo open en toegankelijk te houden voor de doelgroep is er
                    daarom voor gekozen om het schaarste begrip niet verder te definiëren. Ook hier
                    speelt het samenhangende stelsel van Prestatieafspraken én
                    Huisvestingsverordening: in de lokale prestatieafspraken kunnen we heel
                    nauwkeurig met het <cursief>early warning systeem</cursief> zien welke groepen
                    mogelijk in de knel komen en daarop dynamisch (en op microniveau) (bij-)sturen.
                    Het is een systeem van macro naar micro, immers andersom zou tot nadelige
                    waterbed-effecten of verdringingseffecten in de regio gaan leiden. </al><al>De vraag in de regio naar sociale huurwoningen overschrijdt het aanbod ieder
                    jaar in ruime mate. Enkele feiten van de huidige situatie onderbouwen dit:</al><lijst><li nr="·"><al>In de regio staan bijna 160.000 zelfstandige huurwoningen van de
                            woningcorporaties. Ongeveer 10.000 daarvan hebben een huur van boven de
                            liberalisatiegrens. Er zijn dus ongeveer 150.000 woningen van de
                            woningcorporaties bereikbaar voor de huishoudens met een inkomen van
                            onder de € 34.678. </al></li><li nr="·"><al>In regio Haaglanden staan bijna 115.000 huishoudens ingeschreven voor
                            een sociale huurwoning. Daarvan zijn ruim 52.000 huishoudens actief
                            woningzoekende (zij reageren op vrijkomend aanbod). </al></li><li nr="·"><al>Jaarlijks komt ongeveer 7% á 8% van de 150.000 gereguleerde woningen
                            vrij. Dit betekent tussen de 10.000 en 12.000 woningen per jaar. </al></li><li nr="·"><al>Het aantal reacties op aangeboden woningen lag in het eerste half jaar
                            van 2014 op gemiddeld 120 reactie per woning, hetgeen kan worden
                            gekenmerkt als een woningmarktsituatie waarin sprake is van schaarste.
                            Tevens is de druk zo groot dat zonder nadere regels verdringing zou
                            plaatsvinden in vrijwel alle deelsegmenten binnen het sociale
                            segment.</al></li></lijst><al/><al>Een blik in de (nabije) toekomst leert ons dat de situatie niet op korte termijn
                    verbetert:</al><lijst><li nr="·"><al>In het onderzoek WoON2012 zijn woonwensen geïnventariseerd. Deze
                            woonwensen zijn met de regionale huishoudensprognoses gecombineerd. Dit
                            leidt tot een indicatie van de schaarste per type woning. Op basis van
                            de woonwensen zal de schaarste in de huursector in de regio zich in alle
                            segmenten voordoen, maar vooral ontstaan bij de eengezinswoningen, met
                            name de goedkopere.</al></li><li nr="·"><al>Ook inkomensgegevens en woonsituatie van inwoners van de regio (op basis
                            van regionaal inkomensonderzoek –RIO- van het CBS) zijn geanalyseerd, in
                            combinatie met de huishoudensprognose. Op basis van een beperkte
                            welvaartsgroei en een gelijkblijvende scheefheid kan een indicatie
                            worden gegeven van de benodigde huurvoorraad. Hieruit blijkt dat de
                            voorraad huurwoningen (van woningcorporaties met circa 9.000 en van
                            andere verhuurders met circa 8.000) in de regio netto (dus nieuwbouw
                            minus onttrekkingen door sloop of verkoop) moet toenemen tot in ieder
                            geval 2024 met 17.000 woningen en dat dus de schaarste zal toenemen
                            indien dit niet wordt gerealiseerd.</al></li><li nr="·"><al>De al eerder genoemde instroom van arbeids-, asiel- , studie- en
                            kennismigranten waarvan de provincie geraamd heeft dat dit leidt tot een
                            extra druk van 4.000 huishoudens.</al></li><li nr="·"><al>In het kader van de regionale prestatieafspraken werkt de gemeente aan
                            het verminderen van de schaarste door toevoeging van sociale
                            huurwoningen, dan wel door het verminderen van scheefheid.</al></li></lijst><al/><tussenkop>De verordening als onderdeel van een samenhangend stelsel</tussenkop><al>De verordening staat niet op zichzelf maar maakt nadrukkelijk onderdeel uit van
                    een breder stelsel. Hieronder wordt per onderdeel van dat stelsel een
                    toelichting gegeven op de inhoud en functie.</al><al/><al>Woonvisie</al><al>De basis voor de gemeentelijke invulling van zowel de verordening als de
                    prestatieafspraken met de woningcorporaties ligt in de lokale woonvisie en de
                    provinciale visie op Ruimte en Mobiliteit. Hierin wordt uitgestippeld wat het
                    woonbeleid is voor de langere termijn en wordt benoemd of en waar het knelt op
                    de woningmarkt, welke groepen effecten van schaarste ondervinden en hoe de
                    gemeente wil sturen op het verminderen van de schaarste. Daarbij worden
                    uitspraken gedaan over de gewenste ontwikkeling in de beschikbaarheid van de
                    sociale voorraad, als basis voor nadere prestatieafspraken.</al><al/><al>Prestatieafspraken</al><al>In de prestatieafspraken worden tussen de gemeenten en de woningcorporaties
                    afspraken gemaakt over de uitvoering van het woonbeleid. Dit gebeurt zowel op
                    lokaal als op regionaal niveau. De prestatieafspraken zijn daarmee dé plek waar
                    gemeente en woningcorporatie(s) met elkaar vaststellen wie er specifiek tot de
                    doelgroep van het woonbeleid behoort, welke groepen door schaarste in de knel
                    komen en welke inspanningen gemeente en woningcorporatie(s) leveren om dit aan
                    te pakken. De prestatieafspraken gaan onder meer over huurprijsbeleid en
                    woningvoorraadontwikkeling, factoren die sterk bepalend zijn voor het ontstaan
                    van schaarste. </al><al>Dit is ook precies de reden waarom rijk en provincie veel waarde hechten aan de
                    congruentie tussen de huisvestingsverordening en de prestatieafspraken: het
                    ondersteunt de gedachte van een brede en samenhangende inzet van de
                    instrumentenkoffer voor het oplossen van de schaarsteproblematiek.</al><al>Prestatieafspraken of convenanten over woonruimtebemiddeling en
                    woonruimteverdeling zijn niet meer toegestaan in de nieuwe Huisvestingswet 2014.
                    Als een gemeente hierop wil sturen kan dit uitsluitend via een verordening. Door
                    in de prestatieafspraken met de woningcorporaties wel op te nemen welke
                    doelgroepen centraal staan in het woonbeleid en welke groepen door schaarste in
                    de knel komen, ontstaat er voor zowel de gemeente als de woningcorporaties een
                    duidelijk gemeenschappelijk handelingskader.</al><al/><al>Verordening</al><al>De verordening bevat uitsluitend een set regels en bepalingen, te weten:</al><lijst><li nr="·"><al>Algemene regels ten aanzien van woonruimteverdeling en verlening
                            huisvestingsvergunning;</al></li><li nr="·"><al>Voorrangsregels bij woonruimtebemiddeling / verlening
                            huisvestingsvergunning, inclusief regionale urgentieregeling;</al></li><li nr="·"><al>Bepalingen t.a.v. wijzigingen in de voorraad (splitsing, samenvoeging,
                            onttrekking, enz.);</al></li><li nr="·"><al>Bepalingen t.a.v. monitoring.</al></li></lijst><al>De huisvestingsverordening is dus een uitvoeringsinstrument voor het verdelen
                    van de jaarlijks vrijkomende, schaarse, sociale huurwoningen. In de
                    prestatieafspraken staat het (beleidsmatig) kader.</al><al>De huisvestingsverordening stelt gemeenten in staat om ter bestrijding van
                    specifieke gevolgen van schaarste voorrangsregels in te zetten. Het kan daarbij
                    gaan om voorrangsregels gelet op de aard, grootte en prijs van woonruimte, maar
                    in ieder geval om voorrangsregels voor urgent woningzoekenden. De
                    huisvestingsverordening stelt gemeenten daarnaast in staat ter bestrijding van
                    de gevolgen van schaarste ook een vergunningstelsel voor wijzigingen in de
                    voorraad in te zetten (dat wil zeggen voor splitsing, samenvoeging en
                    onttrekking van woningen).</al><al/><tussenkop>Inschrijving</tussenkop><al>Woningzoekenden moeten zich inschrijven om te kunnen reageren op een aangeboden
                    woning. Na betaling van het inschrijfgeld kunnen woningzoekenden reageren en
                    inschrijvingsduur opbouwen. Verhuurders houden hiertoe een inschrijfregister
                    aan. In dit register zijn urgentieverklaringen en ook
                    herstructureringsverklaringen aangetekend. De uitvoering van inschrijving is de
                    verantwoordelijkheid van de verhuurders. Zij stellen hiertoe, in afstemming met
                    de gemeenten waar zij werkzaam zijn, een protocol op.</al><al>Er wordt in het systeem voor woningzoekenden geen onderscheid gemaakt tussen
                    starters en doorstromers. Woningzoekenden worden op inschrijvingsduur, en bij
                    doorstromers inclusief woonduur, geselecteerd. Deze keuze beoogt dat
                    zoekactiviteit wordt beloond. Starters bouwen inschrijvingsduur op vanaf het
                    moment van inschrijving. Doorstromers krijgen maximaal 5 jaar woonduur opgeteld
                    bij hun inschrijvingsduur. Jaarlijks vindt een aanschrijving plaats om het
                    bestand van woningzoekenden te schonen.</al><al/><tussenkop>Passendheidscriteria</tussenkop><al>a.Verhouding huur-inkomen</al><al>Uitgangspunt in het systeem van woonruimteverdeling is dat de woningzoekende zo
                    min mogelijk wordt beperkt in zijn woonkeuze. Woningzoekenden die, gelet op hun
                    inkomen, in het bijzonder zijn aangewezen op woonruimten met een
                    verhoudingsgewijs lage prijs, mogen echter niet in de knel komen. Anders dan bij
                    de vorige verordening kan dit nu niet geborgd worden in afzonderlijke
                    overeenkomsten met de woningcorporaties, maar moet dit een plek krijgen in de
                    verordening. In artikel 11 en 12 van de Huisvestingsverordening zijn daarom
                    uitgangspunten geformuleerd ten aanzien van een evenwichtige en rechtvaardige
                    verdeling van woonruimte en het beperken van de afhankelijkheid van huurtoeslag. </al><al/><al>b.Verhouding grootte huishouden en grootte van de woning</al><al>Ook hier is het uitgangspunt om zo veel mogelijk keuzevrijheid te bieden voor de
                    woningzoekenden. Het is dus zaak om uitsluitend om reden van schaarste en
                    evenwichtige verdeling van de vrijkomende woningen label-eisen te formuleren bij
                    verhuur van woningen. Om overbewoning tegen te gaan is in het Bouwbesluit 2012
                    bepaald dat de gebruiksoppervlakte voor één persoon tenminste 12 m² moet
                    bedragen. Voor de grootste woningen, met een woonoppervlak van minimaal 80 m²,
                    wordt, vanwege de schaarste aan grote (eengezins-)woningen, voorgesteld dat deze
                    woningen met voorrang bij grotere huishoudens terecht komen. Daarom wordt
                    voorgesteld dat zij worden toegewezen aan huishoudens met minimaal drie
                    leden.</al><al/><tussenkop>Lokaal maatwerk</tussenkop><al>In het woonruimteverdeelsysteem is het opnemen van lokale voorrangsregels
                    mogelijk, zij het wezenlijk anders dan tot 2015 onder de vervallen
                    huisvestingswet mogelijk was. Het gaat om lokale knelpunten waar sprake is van
                    schaarste en verdringing, maar niet om leefbaarheidsaspecten. </al><al>De gemeenten benutten de ruimte binnen de Huisvestingswet 2014 voor lokaal
                    maatwerk. Daarbij hebben zij in onderling overleg een aantal categorieën
                    woningzoekenden bepaald waar lokaal maatwerk op van toepassing is. In eerste
                    instantie zijn dat doorstromers uit bestaande uiterst schaarse huurwoningen.
                    Daarnaast zijn er op lokaal niveau specifieke vraagstukken die vragen om lokaal
                    maatwerk. In Delft wordt aan de volgende categorieën gedacht:</al><lijst><li nr="·"><al>Bevordering beschikbaarheid grote woningen en toewijzing aan grote
                            huishoudens;</al></li><li nr="·"><al>Bevordering van langer zelfstandig wonen van Delftse senioren met een
                            indicatie in daartoe passende woningen;</al></li><li nr="·"><al>Bevorderen Delftse binding van woningzoekenden in complexen;</al></li><li nr="·"><al>Bevorderen binden kenniswerkers.</al></li></lijst><al/><tussenkop>Koopwoningen</tussenkop><al>Volgens de nieuwe Huisvestingswet 2014 mag een huisvestingsverordening geen
                    regels voor woonruimteverdeling en toewijzing meer bevatten met betrekking tot
                    koopwoningen. In de nieuwe huisvestingsverordening worden daarom alleen nog
                    regels gesteld ten aanzien van koopwoningen met betrekking tot de voorraad, dat
                    wil zeggen voor splitsings- en onttrekkingsvergunningen.</al><al/><tussenkop>Doorstroming bij echtscheiding</tussenkop><al>In de oude verordening bestaat de mogelijkheid bij echtscheiding, wanneer de
                    andere partner blijft wonen in de huidige woning, om als doorstromer te reageren
                    op vrijkomend aanbod (waarbij er dus geen vrijkomende woning wordt
                    achtergelaten). Hierdoor kan de uithuizende partner in deze situatie
                    gemakkelijker een andere woning vinden. In de NHV wordt deze mogelijkheid
                    ingeperkt tot uithuizende partners met minderjarige kinderen. Voor hen is het
                    vanwege de grootte van het huishouden en de sociale situatie voor de kinderen
                    noodzakelijk om als doorstromer te kunnen blijven reageren op vrijkomende
                    woningen. Gezien het teruglopende jaarlijkse aanbod aan vrijkomende woningen en
                    de grote omvang van de groep doorstromers op basis van echtscheiding is er voor
                    gekozen om uithuizende partners zonder kinderen geen doorstroomstatus meer te
                    geven. Zij zullen net als andere starters moeten reageren op vrijkomend aanbod
                    en daarnaast inschrijfduur moeten opbouwen.</al><al/><tussenkop>Klachtencommissie</tussenkop><al>In de verordening wordt de mogelijkheid opgenomen om een klachtencommissie in te
                    stellen, door de gemeente, dan wel dit te laten doen door de woningcorporaties,
                    voor klachten aangaande de woonruimteverdeling. De gemeenten en
                    woningcorporaties streven ernaar om één gezamenlijke klachtencommissie in te
                    stellen voor de regio. Daarnaast blijft het mogelijk voor bewoners om bezwaar
                    en/of beroep in te dienen bij de gemeentelijke bezwaarcommissie, naar aanleiding
                    van besluiten die op basis van de verordening genomen zijn, bijvoorbeeld over
                    urgenties. Het betreft hier besluiten van een overheidsorgaan, waartegen bezwaar
                    moet kunnen worden gemaakt. Dit kan niet via de klachtencommissie worden
                    geregeld, maar moet via de eigen commissie bezwaar- en beroep van de
                    gemeente.</al><al/><tussenkop>Urgenties</tussenkop><al>De mogelijkheid om urgentie aan te vragen om met voorrang een woning te kunnen
                    vinden wordt uitgebreid met de zogenaamde mantelzorgurgentie. Onder bepaalde
                    voorwaarden kunnen bewoners die mantelzorg geven of mantelzorg ontvangen een
                    urgentie aanvragen, waarmee zij met voorrang een woning kunnen huren in de buurt
                    van de mantelzorger, dan wel degene die de mantelzorg ontvangt. Een nadere
                    toelichting hierop is te vinden in bijlage II van deze verordening.</al><al/><tussenkop>Bepalingen ten aanzien van de woningvoorraad</tussenkop><al>De artikelen omtrent splitsing en woningonttrekking zijn nauwelijks veranderd
                    ten opzichte van de huidige verordening. Wel zijn de artikelen met betrekking op
                    compensatie geschrapt. Deze mogelijkheid is geschrapt uit de Huisvestingswet
                    2014 en daarmee niet meer wettelijk toegestaan. In de bijlage IV en V is
                    opgenomen op welke delen van de woningvoorraad de regels in de NHV van
                    toepassing zijn. Een splitsingsvergunning is alleen benodigd voor gebouwen,
                    bevattende woonruimte onder huurprijsgrens. De woningonttrekkingsregels zijn van
                    toepassing op alle woonruimte in Delft. Dit laatste is gedaan omdat op basis van
                    deze regels ook illegale hennepteelt in de gemeente te bestrijden en de gemeente
                    de aanpak hiervan mogelijk te kunnen maken in de gehele woningvoorraad. </al><al/><al>Artikelsgewijze toelichting</al><al/><tussenkop>Hoofdstuk 1: Algemene bepalingen</tussenkop><al/><tussenkop>Artikel 1</tussenkop><al>In artikel 1 is een aantal begrippen die in de huisvestingsverordening voorkomen
                    nader omschreven. Hoewel in het nieuwe systeem van woonruimteverdeling geen
                    onderscheid wordt gemaakt tussen doorstromer en starter, blijven deze begrippen
                    bij het monitoren van ontwikkelingen van belang. Deze begrippen zijn daarom in
                    de Huisvestingsverordening opgenomen.</al><al/><tussenkop>De definitie onder d. (doorstromer): </tussenkop><al>Doorstromer is iedereen die een zelfstandige woonruimte achterlaat in Nederland.
                    Voor de verdeling van woonruimte geldt “inschrijvingsduur” als
                    volgordecriterium. Voor starters geldt dat zij inschrijvingsduur opbouwen vanaf
                    het moment van inschrijving. Voor doorstromers wordt bij eerste inschrijving als
                    woningzoekende maximaal 5 jaar opgebouwde woonduur meegeteld als extra
                    inschrijvingsduur.</al><al>Ook woningzoekenden na echtscheiding of na het verbreken van een andere duurzame
                    samenlevingsvorm worden als doorstromer aangemerkt, mits zij zorgdragen voor een
                    minderjarig kind(eren) of co-ouderschap hebben. Voor doorstromers is met een
                    langere inschrijvingsduur de kans op het verkrijgen van andere woonruimte
                    groter. </al><al>Om in aanmerking te komen voor extra inschrijvingsduur moet bij eerste
                    inschrijving als woningzoekende de beëindiging van de duurzame
                    gemeenschappelijke huishouding met documenten worden aangetoond, inclusief de
                    zorg / co-ouderschap over en inwoning van een minderjarig kind. In geval van
                    echtscheiding of scheiding van tafel en bed of beëindiging van geregistreerd
                    partnerschap kunnen dit schriftelijke stukken van de juridische procedure zijn.
                    In overige gevallen kunnen bijvoorbeeld als bewijsstukken dienen:</al><lijst><li nr="-"><al>via een notaris verkregen document inzake beëindiging van een
                            samenlevingscontract,</al></li><li nr="-"><al>een bewijs van inschrijving op een ander (tijdelijk) adres,</al></li><li nr="-"><al>een bewijs van beëindiging van een gezamenlijke verzekering,</al></li><li nr="-"><al>een testament, waarin de partner is geschrapt als begunstigde,</al></li><li nr="-"><al>een bewijs van beëindiging van een en/of spaar- of betaalrekening,</al></li><li nr="-"><al>een bewijs van beëindiging van een gezamenlijk
                            krediet(-faciliteit).</al></li></lijst><al/><tussenkop>De definitie onder r (inkomen):</tussenkop><al>Voor het begrip inkomen wordt aangesloten bij de definitie die Europa gebruikt
                    bij de hantering van de Europanorm voor woonruimteverdeling. Het hierin
                    gehanteerde inkomensbegrip is nagenoeg hetzelfde als in de Wet Awir, op de
                    inkomens van de kinderen na<cursief>.</cursief> De woningcorporaties gebruiken
                    ook deze definitie bij het verhuren van sociale huurwoningen. Hiermee heeft het
                    publiekrechtelijke inkomensbegrip dezelfde grondslag als de woningcorporaties
                    voor het gehele huursegment.</al><al/><tussenkop>De definitie onder w (leegstaan)</tussenkop><al>Deze bepaling is in overeenstemming met de tekst in de leegstandswet, waar de
                    crisis- en herstelwet ook naar verwijst.</al><al/><tussenkop>Ten aanzien van definities onder y, z, aa en bb (mantelzorg en
                    ondersteuning):</tussenkop><al>De definitie van mantelzorg, verzorger en ontvanger, zijn herleid van de
                    nationale definities die de Nationale Raad voor de Volksgezondheid hanteert.
                    Deze definities zijn van belang voor het bepalen van de voorrangsverlening aan
                    categorieën mantelzorgverleners en –ontvangers, conform artikel 32 lid 2 onder
                    c.</al><al/><tussenkop>Ten aanzien van de definitie onder mm. (toetsingscommissie):</tussenkop><al>Overeenkomstig artikel 35, vierde lid beslissen burgemeester en wethouders
                    slechts op de aanvraag om een urgentieverklaring nadat de (lokale)
                    toetsingscommissie ter zake een advies heeft uitgebracht. Deze
                    toetsingscommissie wordt conform artikel 1, sub mm ingesteld door burgemeester
                    en wethouders. De uitvoering van artikel 32 en de toepassing van de - conform
                    artikel 32, zesde lid - vastgestelde uitvoeringsregels moeten onafhankelijk
                    worden uitgevoerd. Er mag ook geen twijfel bestaan over de onafhankelijkheid van
                    de toetsingscommissie. Burgemeester en wethouders dienen de nodige aandacht te
                    besteden aan de onafhankelijkheid en samenstelling van de toetsingscommissie.
                    Daartoe kunnen burgemeester en wethouders in een reglement criteria stellen om
                    deze onafhankelijkheid te waarborgen.</al><al/><tussenkop>Artikel 3</tussenkop><al>Burgemeester en wethouders kunnen in het kader van stadsvernieuwing,
                    herstructurering of wijkverbetering, gebieden aanwijzen met het doel de daarin
                    gelegen woonruimte vrij van bewoning te maken, zodat er sloop en/of verbetering
                    plaats kan vinden. In het belang van de bewoners en uit bestuurlijke
                    zorgvuldigheid kan dan aan deze bewoners een voorrangspositie toegekend worden
                    bij toewijzing van woonruimte: de herstructureringsvoorrang. Ook kunnen in een
                    sociaal plan afspraken worden vastgelegd over terugkeer naar de nieuwe dan wel
                    verbeterde woonruimte in het betreffende gebied.</al><al/><tussenkop>Hoofdstuk 2: verdeling van woonruimte</tussenkop><al/><tussenkop>Artikel 4</tussenkop><al>In het eerste lid is overeenkomstig de Huisvestingswet 2014 de reikwijdte van
                    hoofdstuk 2 beperkt tot woonruimte met een huurprijs beneden de huurprijsgrens.
                    Bewust is gekozen voor alle woningen, omdat de schaarste dermate omvangrijk is
                    dat kwantitatief alle woningen noodzakelijk zijn. Dit laat onverlet dat er
                    woningen zijn die minder goed verhuren via de algemeen gangbare werkwijze, maar
                    door andere wijze van aanbieden wel verhuurd worden.</al><al>In het tweede lid zijn woonruimten opgenomen waarop hoofdstuk 2 van de
                    verordening niet van toepassing is. Dit betreft onzelfstandige woonruimten,
                    standplaatsen of woonwagens en ligplaatsen. Daarnaast geldt dit niet voor
                    woningen die toegelaten instellingen verhuren aan studenten, want: </al><lijst><li nr="·"><al>De woningmarkt voor studenten is wezenlijk anders dan de reguliere
                            woningmarkt. De woonruimte is tijdelijk, want zodra een huurder niet
                            meer ingeschreven staat aan een onderwijsinstelling, moet hij het
                            huurcontract opzeggen. Dit wordt jaarlijks gecontroleerd.</al></li><li nr="·"><al>Bij studentenhuisvesting is er geen sprake van een regionale markt. Het
                            is meer gekoppeld aan het werkingsgebied van de
                            onderwijsinstelling.</al></li><li nr="·"><al>Het aanwijzen van complexen waar het campuscontract van toepassing is,
                            gebeurt met instemming van de gemeente.</al></li></lijst><al>Ook de voor woonruimte die valt onder de Leegstandwet gelden aparte regels,
                    daarom is deze categorie woonruimte ook opgenomen in het tweede lid van dit
                    artikel.</al><al/><tussenkop>Artikel 5</tussenkop><al>Voor het in gebruik nemen van woonruimte met een huurprijs beneden de
                    huurprijsgrens is een huisvestingsvergunning vereist. In principe geldt dit ook
                    voor huur en verhuur van woonruimte die bestemd is voor afbraak of voor
                    vernieuwbouw. </al><al>Burgemeester en wethouders kunnen de eigenaar van woonruimte een vergunning
                    verlenen voor het aangaan van een overeenkomst voor tijdelijke verhuur indien
                    onder andere:</al><lijst><li nr="a."><al>van de eigenaar in redelijkheid niet kan worden gevergd dat hij de
                            leegstaande woonruimte op een andere wijze dan door het aangaan van een
                            of meer huurovereenkomsten, dienstbaar maakt aan de volkshuisvesting
                            en</al></li><li nr="b."><al>aantoont dat de vernieuwbouw van ingrijpende aard zal zijn en voorts dat
                            de afbraak of de vernieuwbouw binnen een redelijke termijn zal
                            plaatsvinden.</al></li></lijst><al>Aangezien burgemeester en wethouders en wethouders door het verlenen van een
                    vergunning voor tijdelijke verhuur op de hoogte zijn van het handelen van de
                    eigenaar, kan de afgifte van een huisvestingsvergunning achterwege blijven. </al><al/><tussenkop>Artikel 10</tussenkop><al>In artikel 10, eerste lid, onder a. tot en met d., worden de voorwaarden
                    aangegeven op basis waarvan burgemeester en wethouders de huisvestingsvergunning
                    verlenen. In het zesde lid wordt in afwijking van deze voorwaarden de vergunning
                    verleend als de betreffende woonruimte al 13 weken vruchteloos is aangeboden
                    door de eigenaar. Deze afwijking dient genuanceerd te worden, in die zin dat de
                    voorwaarden onder a. (de aanvrager is 18 jaar of ouder) en onder d. (de leden
                    van het huishouden bezitten de Nederlandse nationaliteit of een geldige
                    verblijfstitel) altijd gesteld dienen te worden. Het is beleidsmatig niet
                    wenselijk afwijking hiervan toe te staan.</al><al/><tussenkop>Artikel 11 en 12</tussenkop><al>Volgens de nieuwe Huisvestingswet 2014 is het uitgangspunt ‘keuzevrijheid voor
                    de woningzoekende vergroten’ en mag er alleen gestuurd worden via een
                    verordening als er sprake is van schaarste en onrechtvaardige en onevenwichtige
                    effecten van schaarste. Sturing op woonruimteverdeling blijft noodzakelijk en
                    wenselijk in verband met schaarste in de open woningmarkt in de voormalige regio
                    Haaglanden. Dit wordt ondersteund door de jaarrapportages over
                    woonruimteverdeling.</al><al/><tussenkop>Verhouding huurprijs-inkomen</tussenkop><al>In artikel 11 is bepaald dat het inkomen van het huishouden in redelijke
                    verhouding moet staan tot de huurprijs. Voor de bepaling of het inkomen in
                    redelijke verhouding staat tot de huurprijs, staat de inkomensgrens in het
                    tweede lid van dit artikel. Het inkomen van de huurprijsgrens wordt geïndexeerd
                    overeenkomstig de indexeringsmethode van de doelgroepgrens in de Wet op de
                    huurtoeslag. Voor de woningcorporaties geldt de Europaregel (90% toewijzen aan
                    woningzoekenden met een maximum inkomen van 34.678 euro, normbedrag 2014) en de
                    aanvullende huur-inkomenstabel die zij, na overleg met burgemeester en
                    wethouders, conform artikel 12 mogen opstellen. Voor deze tabel geldt een aantal
                    voorwaarden, zoals beperking afhankelijkheid huurtoeslag, regionaal uniforme
                    aanpak, transparantie en afstemming met de gemeente. De SVH maakt gebruik van
                    deze mogelijkheid en hanteert eigen tabellen die de SVH publiceert uit het
                    oogpunt van transparantie en duidelijkheid. </al><al>Overigens gelden algemene criteria niet alleen voor woningcorporaties, maar ook
                    voor particuliere eigenaren van woonruimte. De aanvullende tabellen op grond van
                    artikel 12 gelden wel alleen voor woningcorporaties.</al><al/><tussenkop>Maximum inkomen</tussenkop><al>Als gevolg van de nieuwe Huisvestingwet 2014 mag de gemeente alleen nog een
                    maximum grens stellen aan het inkomen waarmee huishoudens in aanmerking kunnen
                    komen voor een sociale huurwoning. Het huishoudinkomen moet daarbij in redelijke
                    verhouding staan tot de huurprijs van de woonruimte. In artikel 11 wordt deze
                    grens gesteld op 1,5 maal het inkomen dat iemand maximaal mag hebben om recht te
                    hebben op huurtoeslag. In 2014 was deze grens 1,5 x € 29.800 is € 44.700,-. Door
                    deze grens te stellen op € 44.700,- wordt ruimte gegeven aan de lage
                    middeninkomens. Hierdoor kunnen huishoudens met een inkomen tussen € 34.678 en €
                    44.700,- ook in aanmerking komen voor een sociale huurwoning. Wettelijk mogen
                    woningcorporaties 10% van de woningen met een huur onder de liberalisatiegrens
                    (€ 710,68, prijspeil 2015) verhuren aan huishoudens met een inkomen boven €
                    34.678. De verordening geeft hier op deze wijze ruimte voor. Zo kunnen
                    huishoudens met een relatief hoger inkomen, maar met bijvoorbeeld twee of meer
                    kinderen, ook in aanmerking komen voor een sociale huurwoning. Deze groep is qua
                    budget vooral aangewezen op de sociale huurvoorraad en vindt moeilijk een woning
                    in de vrije sector of op de koopmarkt. De bovengrens voor de lage middeninkomens
                    is in het voorstel voor de NHV verlaagt van € 50.000 naar eerder genoemde €
                    44.700,-. Huishoudens in de hogere inkomensgroep kunnen net iets makkelijker een
                    woning vinden op de koopmarkt en door de schaarste in de sociale huurvoorraad is
                    het noodzakelijk de toegang tot die voorraad te beperken tot die inkomensgroepen
                    die het echt nodig hebben.</al><al/><tussenkop>Verhouding grootte huishouden-grootte woning</tussenkop><al>Net als ten aanzien van prijsstelling geldt ook dat naar grootte de meest
                    schaarse woningen gestuurd worden. De omvang en samenstelling van het huishouden
                    moet passend zijn bij de grootte van de woonruimte. Om overbewoning (een te
                    groot aantal personen gelet op de gebruiks- dan wel gebruiksoppervlakte van de
                    woning) op het moment van verlenen van de huisvestingsvergunning tegen te gaan
                    is in het Bouwbesluit bepaald dat de gebruiksoppervlakte voor 1 persoon
                    tenminste 12 m² moet bedragen. </al><al>In artikel 8, tweede lid, onder a, ad 5°, van de Woningwet is bepaald dat
                    gemeenteraden in hun Bouwverordening voorschriften kunnen vastleggen omtrent het
                    aantal personen dat in een woning mag wonen om overbevolking van woningen te
                    voorkomen. Lokale omstandigheden kunnen voor een gemeenteraad aanleiding vormen
                    tot het opnemen van een afwijkende normstelling in zijn bouwverordening. Wanneer
                    in strijd met de bouwverordening wordt gehandeld kunnen burgemeester en
                    wethouders handhavend optreden. Dit maakt het ook mogelijk voor verhuurders om
                    met instemming van burgemeester en wethouders in bijzondere situaties af te
                    wijken van de normstelling en afspraken te maken over bijvoorbeeld het (al dan
                    niet tijdelijk) huisvesten van grote gezinnen.</al><al>In verband met het oplossen van knelpunten van schaarste blijft het stellen van
                    ruimtelijke passendheidseisen nodig, maar alleen voor de grote woningen vanaf 80
                    m2. Het is niet wenselijk dat hier 1- of 2-persoonshuishoudens in gaan wonen.
                    Als voorwaarde wordt gesteld dat in deze woningen minimaal 3 personen gaan
                    wonen. Hiermee wordt de aandacht voor en slaagkansen van gezinnen groter. Met
                    gebruiksoppervlakte wordt bedoeld: het totaal van de oppervlakten van
                    vertrekken, zoals gedefinieerd in het Woning Waardering Stelsel. Vertrekken:
                    woonkamer, keuken, badkamer/doucheruimte, slaapkamer(s), zolderkamer indien
                    bereikbaar via vaste trap en met ruimte mate van daglichtaanwezigheid. Overige
                    ruimtes: kelder, bijkeuken, wasruimte, bergruimte/schuur, ingebouwde kasten
                    groter dan 2m², garage, zolder niet zijnde vertrek, en verkeersruimten worden
                    niet meegeteld.</al><al>Voor de passendheid naar grootte kan in beginsel geen maximum gesteld worden,
                    tenzij dit zou leiden tot overbewoning op basis van de norm van 12 m<sup>2</sup>
                    per lid van het huishouden, dan wel in situaties waarin een woning weinig kamers
                    heeft.</al><al/><tussenkop>Verhouding geschiktheid woning en (zorg)indicatie huishouden</tussenkop><al>Een derde vorm van passendheid (artikel 11, lid 4) is dat de meest toegankelijke
                    woningen met voorrang terecht komen bij mensen met een indicatie voor zorg
                    vanuit de Wet Langdurige Zorg (Centraal Indicatieorgaan Zorg) of voor specifieke
                    ondersteuning vanuit de Wet maatschappelijke ondersteuning, voor zover de
                    aangepaste woonsituatie een bijdrage levert aan deze ondersteuning. Het
                    sterrensysteem is hierbij aan de ‘woningkant’ de gestelde norm, zie voor
                    toelichting hierop Bijlage I.</al><al>Leeftijd was in de oude verordening een belangrijk criterium in relatie tot de
                    toegankelijkheid van een woning. Omdat volgens de nieuwe Huisvestingswet 2014
                    leeftijd niet meer is toegestaan als criterium moet nu een andere manier
                    gevonden worden om de schaarse toegankelijke woningen toe te kunnen wijzen aan
                    hen die ze het hardst nodig hebben. Er is voor gekozen om de functiebeperking
                    van de kandidaat als uitgangspunt te nemen voor de toewijzing. Deze
                    functiebeperking moet in redelijke verhouding staan tot de toegankelijkheid van
                    de woning. De nadere uitwerking van dit artikel wordt overgelaten aan de
                    woningcorporaties, na overleg met het college.</al><al/><tussenkop>Artikel 13</tussenkop><al>Om in aanmerking te komen voor woonruimte van een woningcorporatie moet de
                    belanghebbende 18 jaar of ouder zijn om zich te kunnen laten inschrijven als
                    woningzoekende. Ook minderjarige tienermoeders kunnen zich inschrijven, zodat
                    zij inschrijvingsduur kunnen opbouwen waarmee zij een grotere kans hebben om
                    woonruimte toegewezen te krijgen zodra zij 18 jaar zijn en in aanmerking komen
                    voor een huisvestingsvergunning.</al><al/><tussenkop>Lid 6</tussenkop><al>Voor het beëindigen van de inschrijving (en het opnieuw opbouwen van
                    inschrijfduur) is de verhuisdatum leidend, dat wil zeggen de inschrijving in de
                    Basisregistratie Personen (BRP) op het nieuwe woonadres. Bij de jaarlijkse
                    herinschrijving is wijziging van het adres kenbaar. Deze bepaling geldt niet
                    alleen voor verhuizing naar een woning van een sociale verhuurder, maar ook bij
                    verhuizing naar een woning van een particuliere verhuurder. </al><al>Op grond van dit lid wordt een inschrijving doorgehaald wanneer een
                    woningzoekende een woning heeft aanvaard. Aangezien inschrijving als
                    woningzoekende slechts aan de orde is bij woonruimte van woningcorporaties zal
                    een inschrijving kunnen worden doorgehaald bij aanvaarding van een door één van
                    de bij de SVH aangesloten woningcorporaties aangeboden woning. Indien
                    ingeschreven woningzoekenden echter een woning in de particuliere sector gaan
                    huren is het mogelijk dat zij hun inschrijving voor een woningcorporatiewoning
                    handhaven en daarmee hun inschrijfduur behouden. Hierdoor komen huurders die een
                    woningcorporatiewoning accepteren in een nadeliger positie te verkeren. Voor het
                    beëindigen van de inschrijving (en het opnieuw opbouwen van inschrijfduur) is de
                    verhuisdatum leidend. De verhuisdatum wordt vastgesteld aan de hand van de
                    inschrijving op het nieuwe woonadres in de gemeentelijke basisadministratie
                    persoonsgegevens. </al><al/><tussenkop>Lid 7</tussenkop><al>Bepaalde categorieën woningzoekenden kunnen hun inschrijvingsduur behouden bij
                    het aanvaarden van een aangeboden woning en inschrijving op het nieuwe woonadres
                    in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens. </al><al>De mogelijkheid om de inschrijvingsduur te behouden is ook van belang voor
                    bewoners die wegens herstructurering hun woning moeten verlaten. Dit zal in het
                    sociaal plan bij herstructurering geregeld moeten worden. </al><al>Woningzoekenden die andere woonruimte accepteren op basis van een tijdelijke
                    huurovereenkomst (categorie onder b) of niet over zelfstandige woonruimte
                    beschikken (categorie onder c), moeten voor het behoud van hun inschrijving zelf
                    het initiatief nemen en daarbij aantonen dat er sprake is van tijdelijke huur of
                    van onzelfstandige woonruimte. Met deze regeling is mogelijk dat personen in
                    echtscheiding hun inschrijvingsduur behouden, wanneer ze tijdelijk bij
                    vrienden/familie opvang vinden.</al><al/><tussenkop>Artikel 17</tussenkop><al>Woningcorporaties dienen het vrijkomende aanbod op een voor alle woningzoekenden
                    geschikte wijze te publiceren. Het vrijkomende aanbod kan via diverse
                    interactieve media en de website www.woonnet-haaglanden.nl worden gepubliceerd.
                    Van belang is dat de wijze waarop het aanbod wordt gepubliceerd, is afgestemd op
                    de categorieën woningzoekenden waarvoor het aanbod is bedoeld. Niet iedereen
                    beschikt bijvoorbeeld over internet en ouderen kunnen lang niet altijd met
                    interactieve media omgaan of hebben daar hulp bij nodig. </al><al/><tussenkop>Artikel 19</tussenkop><al>Het huidige criterium bij toewijzing van woonruimte is inschrijvingsduur. Er
                    wordt geen onderscheid gemaakt tussen starters en doorstromers. Voor starters
                    wordt alleen de inschrijvingsduur gehanteerd en voor doorstromers geldt dat de
                    inschrijvingsduur plus het woonduur op moment van inschrijving met max. 5
                    jaar.</al><al/><tussenkop>Artikel 20</tussenkop><al>Het uitgangspunt bij de bestrijding van knelpunten in de woonruimteverdeling
                    blijft: ‘Generiek oplossen waar mogelijk en lokaal oplossen indien
                    noodzakelijk’. Voor het oplossen van lokale knelpunten kunnen gemeenten
                    besluiten om in overleg met de woningcorporaties toe te staan dat
                    woningcorporaties gemotiveerd maximaal 25 % gericht lokaal toewijzen.</al><al>Bij de onderbouwing geldt dat gemeenten het vooraf aan elkaar melden, en
                    achteraf verantwoorden, zodat de 25% niet wordt overschreden en ook
                    daadwerkelijk sprake is van schaarste en verdringing. Hiervan moet vooraf een
                    realistische inschatting gemaakt moeten worden, op basis van beschikbare
                    regiorapportages.</al><al/><tussenkop>Artikel 21</tussenkop><al>In dit artikel wordt de rangorde bepaald bij toewijzing aangegeven, indien
                    meerdere woningzoekenden reageren op het aanbod. De verwijzingen in het artikel
                    en de groepen waarvoor urgentie mogelijk is, zijn aangepast aan de nieuwe
                    Huisvestingswet 2014. De rangorde is als volgt:</al><lijst><li nr="a."><al>Statushouders en andere groepen van rijkswege aangemerkt;</al></li><li nr="b."><al>Sociale / medische urgenten / urgenten met een woonkostentoeslag
                            (financiële urgentie) / mantelzorgurgenten;</al></li><li nr="c."><al>Herstructureringsurgenten<vet>;</vet></al></li><li nr="d."><al>Lokaal maatwerk als bedoeld in artikel 20;</al></li><li nr="e."><al>Overige woningzoekenden, waarbij geldt dat de langste inschrijvingsduur
                            (starter) of langste inschrijfduur + max 5 jaar woonduur (doorstromer),
                            voorgaat.</al></li></lijst><al/><tussenkop>Sub b en c</tussenkop><al>In deze rangorde gaan woningzoekenden met sociaal/medische/mantelzorg
                    urgentieverklaring voor op alle andere woningzoekenden omdat sprake is van een
                    noodsituatie die binnen drie maanden moet worden opgelost.
                    Herstructureringskandidaten hebben de gelegenheid om binnen twaalf maanden
                    andere woonruimte te zoeken. Bovendien kunnen in een sociaal plan afspraken
                    worden vastgelegd over herhuisvesting van herstructureringskandidaten in het
                    geherstructureerde gebied. Afhankelijk van de gemaakte afspraken in een sociaal
                    plan kan van de volgordecriteria bij toewijzing van woonruimte worden afgeweken.
                    Indien in een herstructureringsgebied nieuwe woningen worden gebouwd waarvoor
                    meerdere herstructureringskandidaten uit eenzelfde aangrenzend actiegebied
                    belangstelling hebben, is een derde criterium nodig om de rangorde te bepalen
                    bij urgentieverklaringen met een gelijke vervaldatum.</al><al/><tussenkop>Sub d </tussenkop><al>Deze bepaling heeft als doel om specifieke maatregelen te regelen onder andere
                    met het oog op: </al><lijst><li nr="§"><al>Lokale knelpunten in het woonruimteverdelingsysteem op te lossen en</al></li><li nr="§"><al>Meer dynamiek op de woningmarkt tot stand te brengen </al></li></lijst><al>Deze bepalingen stimuleren tot investeringen in (ver)nieuwbouw. Gemeenten zien
                    zich voor het dilemma geplaatst dat zij investeringen doen voor de lokale
                    bevolking en de eigen woningzoekenden daar dan ook baat bij moeten hebben.</al><al>Met deze wijziging wordt duidelijker dat alleen (lokaal) voorrang wordt verleend
                    indien de achter te laten woning voor verhuur beschikbaar komt. Woningzoekenden
                    die een woning achterlaten omdat ze gaan scheiden, maar waarvan de partner en
                    eventuele kinderen in de achtergelaten woning blijven wonen, krijgen geen
                    voorrang. </al><al/><tussenkop>Sub e</tussenkop><al>In het woonruimteverdelingsysteem wordt de inschrijvingsduur (voor starter) en
                    inschrijvingsduur en max. 5 jaar woonduur (voor doorstromer) als
                    volgordecriterium gebruikt. Ingeval een woningzoekende gebruik maakt van een
                    urgentieverklaring om in aanmerking te komen voor een aangeboden woonruimte, dan
                    is de datum waarop de termijn van de urgentieverklaring eindigt, bepalend voor
                    de volgorde. </al><al/><tussenkop>Artikel 22</tussenkop><al>Zowel door Burgemeester en Wethouders als door een toegelaten instelling kan in
                    zwaarwegende gevallen, met hoge urgentie, een voordracht voor verhuur worden
                    gedaan. Mits in goed overleg en uiterst terughoudend toegepast. </al><al>Hierbij gaat het ook om vooraf te bepalen categorieën woningzoekenden, waarbij
                    gedacht kan worden aan mensen die vanuit een instelling geplaatst worden in de
                    wijk, huisvesting van ex-gedetineerden etc. </al><al>Het doel van de verordening is om de schaarse, vrijkomende voorraad zo
                    transparant mogelijk en op rechtvaardige wijze toe te wijzen aan
                    woningzoekenden. De regels in de verordening zorgen gezamenlijk voor een
                    rechtvaardig toewijzingsmodel en via Woonnet Haaglanden worden deze woningen
                    aangeboden. Dit zorgt voor transparantie. In een aantal situaties is het
                    mogelijk en noodzakelijk om af te kunnen wijken van dit zogenaamde aanbodmodel.
                    Er kan sprake zijn van een zodanige noodsituatie dat woningen direct via een
                    directiebesluit van de woningcorporaties of op aanwijzing van het college van
                    Burgemeester en Wethouders moeten worden toegewezen. Dit wordt geregeld in
                    artikel 22. Daarnaast geeft artikel 22 de woningcorporaties de ruimte om af te
                    wijken, onder voorwaarden, van het in de NHVO vastgelegde aanbodmodel. Dit doen
                    zij wanneer zij op basis van de verhuurresultaten via het vastgelegde model
                    denken betere en rechtvaardige verhuurresultaten te bereiken via een alternatief
                    model. Op die manier wordt geregeld dat woningcorporaties ook woningen kunnen
                    aanbieden in vormen als ‘Direct te huur’ of via loting of woningruil. Dit
                    artikel biedt de ruimte om in beperkte mate andere volgordecriteria (bepalingen)
                    te kiezen. Dat kan nodig zijn in situaties waar de reguliere verhuurmethoden
                    (aanbodmodel) niet tot een voldoende aantal potentiële kandidaten leidt. Hierbij
                    kunnen we ook denken aan 1-kamerwoningen en inzet daarvan voor specifieke
                    noodsituaties. </al><al>Ook specifieke zorgwoningen worden via artikel 22 toegewezen. Het gaat dan onder
                    andere over toewijzingen aan stichtingen en zorg- en welzijnsinstellingen.</al><al>Ook inzet van toewijzingsmethoden om zeer schaarse woningen vrij te krijgen voor
                    meer passende huishoudens kan eveneens via artikel 22. Met name met deze
                    ‘voorstroom’maatregelen kunnen lokale woningzoekenden een extra steuntje in de
                    rug krijgen. Daarmee kunnen toewijzingen conform dit artikel toegerekend worden
                    aan Lokaal Maatwerk. Die situaties zullen handmatig bijgehouden moeten worden,
                    zodat zicht blijft bestaan op de maximum 25% lokaal maatwerk. </al><al>Deze methoden voldoen aan de volgende voorwaarden: </al><lijst><li nr="a."><al>De bepalingen ontnemen woningzoekenden niet de mogelijkheid om op te
                            huur aangeboden woonruimte te reageren;</al></li><li nr="b."><al>De bepalingen dienen uitsluitend aan de hand van objectieve en
                            rechtmatige criteria de volgorde te bepalen;</al></li><li nr="c."><al>De bepalingen zijn transparant;</al></li><li nr="d."><al>De bepalingen worden vooraf afgestemd met de gemeente en worden
                            terughoudend gehanteerd.</al></li></lijst><al/><tussenkop>Artikel 23</tussenkop><al>Alle toegewezen woningen worden verantwoord, ook woningen die niet gepubliceerd
                    zijn.</al><al/><tussenkop>Artikel 24</tussenkop><al>Tegen beschikkingen als (weigering van) inschrijving, (weigering van) toewijzing
                    of (weigering van) urgentieverklaring staat bezwaar open conform de Algemene Wet
                    Bestuursrecht.</al><al>Voor klachten samenhangend met de woonruimteverdeling moet het mogelijk zijn die
                    in te dienen bij een onafhankelijke klachtencommissie. </al><al>Burgemeester en wethouders kunnen een klachtencommissie instellen en dit
                    eventueel mandateren naar de woningcorporaties. De commissie staat open voor
                    klachten over toepassing en uitvoering van de regels voor woonruimteverdeling en
                    de diverse protocollen. Woningcorporaties rapporteren jaarlijks over ingediende
                    klachten.</al><al>Voorbeelden van bezwaar (beschikkingen)</al><lijst><li nr="-"><al>Weigering inschrijving</al></li><li nr="-"><al>Weigering huisvestingsvergunning</al></li><li nr="-"><al>Geen urgentieverklaring</al></li></lijst><al>Voorbeelden van klachten:</al><lijst><li nr="-"><al>Verkeerd toepassen volgordecriteria</al></li><li nr="-"><al>Onterechte toepassing bemiddeling / hardheidsclausule</al></li><li nr="-"><al>Foutieve inschrijving</al></li><li nr="-"><al>Etc.</al></li></lijst><al/><tussenkop>Hoofdstuk 3: inschrijving standplaatszoekenden</tussenkop><al>Het regionale register gaat over in 9 lokale registers met elk dezelfde
                    standplaatszoekenden. Na 1-1-2017 moeten ingeschrevenen zelf initiatief nemen om
                    op een lokale lijst te komen. Elke gemeente zal de standplaatszoekenden daarover
                    voor die tijd aanschrijven.</al><al/><tussenkop>Artikel 25 tot en met 31</tussenkop><al>Tot de opheffing van Stadsgewest Haaglanden hanteerden de gemeenten een
                    regionaal register van belangstellenden voor standplaatsen, bijgehouden door het
                    stadsgewest. In verband met de opheffing van het stadsgewest is besloten om het
                    regionale register om te vormen tot lokale registers; deze worden beheerd door
                    de individuele gemeenten. In de Huisvestingswet 2014 is de verdeling van
                    standplaatsen geschrapt door aanpassing van het begrip ‘woonruimte’. Woonwagens
                    worden wel beschouwd als woonruimte. Door het voormalige register van
                    standplaatszoekenden om te zetten in een register van woonwagenzoekenden
                    behouden ingeschreven belangstellenden voor standplaatsen c.q. woonwagens hun
                    rechten. Nieuwe belangstellenden kunnen zich in meerdere lokale registers
                    inschrijven en moeten voor elk register afzonderlijk voldoen aan de voorwaarden,
                    zoals betaling van inschrijfgeld.</al><al/><tussenkop>Hoofdstuk 4: Voorrangsverklaring</tussenkop><al/><tussenkop>Artikel 32</tussenkop><al>Binnen het woonruimteverdelingsysteem wordt gestreefd naar een beperking van
                    voorrangsposities tot woningzoekenden die in een dusdanige situatie verkeren dat
                    zij op korte termijn (3 maanden) andere passende woonruimte behoeven en die niet
                    tijdig op eigen kracht kunnen krijgen of op andere wijze hun noodsituatie kunnen
                    oplossen. Een voorrangspositie dient in principe alleen gericht te zijn op de
                    oplossing van de noodsituatie en niet op het anderszins maken van een stap in de
                    wooncarrière. Artikel 32 bevat derhalve de mogelijkheden om:</al><lijst><li nr="-"><al>op grond van een individuele beoordeling de noodzaak van een
                            voorrangspositie te bepalen,</al></li><li nr="-"><al>de voorrangspositie te beperken tot categorieën woonruimte waarmee enkel
                            de noodsituatie kan worden opgelost, en</al></li><li nr="-"><al>een strikte beperking van verlengingsmogelijkheden tot die situaties
                            waarin de woningzoekende gezien het woningaanbod zijn voorrangspositie
                            niet heeft kunnen benutten.</al></li></lijst><al>De op grond van artikel 32 verleende voorrangsposities zijn geldig in de gehele
                    regio Haaglanden.</al><al/><tussenkop>Lid 1</tussenkop><al>De mogelijkheid van het aanvragen van een urgentieverklaring en de leeftijd
                    waarop een huisvestingsvergunning kan worden verleend. </al><al>De mogelijkheid om zich als woningzoekende in te schrijven als de aanvrager nog
                    geen 18 jaar is, is uitsluitend bedoeld om deze categorieën personen enigszins
                    een voorsprong te geven bij het reguliere zoekgedrag, zodra zij 18 jaar zijn.
                    Zie ook de toelichting bij artikel 13, derde lid. </al><al>Voor het aanvragen van een urgentieverklaring moet sprake zijn van een
                    noodsituatie en de woningzoekende moet binnen het reguliere systeem geen
                    mogelijkheid hebben om deze situatie binnen drie maanden zelf op te lossen. </al><al/><tussenkop>Lid 2</tussenkop><al>Sociale en/of medische omstandigheden en / of vergemakkelijken van de
                    mantelzorgrelatie kunnen aanleiding zijn om voor een voorrangspositie in
                    aanmerking te komen. Het gaat daarbij om de situatie die op het moment van de
                    beoordeling van de aanvraag voor een voorrangspositie actueel is. Van
                    anticipatie op een toekomstige situatie kan alleen sprake zijn indien vaststaat
                    dat medische omstandigheid van de aanvrager zich dusdanig zal ontwikkelen dat
                    deze op korte termijn zeker zal leiden tot een voorrangspositie. Het advies van
                    de met de medische indicering belaste instantie dient daarover helderheid te
                    verstrekken. Bij de anticipatie op een situatie die op korte termijn gaat
                    ontstaan gaat het er om dat wordt voorkomen dat op korte termijn een nieuwe
                    medische keuring zal moeten plaats vinden. </al><al>Het apart opnemen van deze categorie zou betekenen dat een andere
                    adviesinstantie dan de toetsingscommissie bepalend is voor een voorrangspositie
                    bij de toewijzing van woonruimte. In de verordening is in artikel 35, vierde
                    lid, bepaald dat de toetsingscommissie adviseert ter zake van het verlenen van
                    voorrangspositie. In artikel 35, vijfde lid, is vastgelegd dat het advies van de
                    instantie die indiceert voor de noodopvang zal worden betrokken bij het advies
                    van de toetsingscommissie. In het advies van die instantie moet dan wel worden
                    aangeven of de noodopvang moet leiden tot andere woonruimte of tot andere
                    oplossingen. Overigens zullen de instanties die adviseren over de noodopvang
                    worden betrokken bij het afstemmingsoverleg met de lokale toetsingscommissies.
                    Ook ten aanzien van een huishouden met kinderen beneden de leeftijd 18 jaar,
                    waarvan een of meer gezinsleden in het buitenland moet(en) verblijven omdat de
                    huidige woning te klein is om deze te laten overkomen geldt dat er alleen sprake
                    kan zijn van een voorrangspositie indien de sociale en/of medische
                    omstandigheden daartoe aanleiding geven. Er is dus geen sprake van het
                    automatisch verlenen van voorrang.</al><al>Een woonkostentoeslag wordt verstrekt voor drie maanden. Voor zover het
                    vervallen van een woonkostentoeslag niet wordt gecompenseerd door een (hogere)
                    huurtoeslag dienen gemeenten betrokkenen in staat te stellen te verhuizen naar
                    woonruimte die qua woonlasten beter past bij het inkomen. In verband daarmee
                    worden woningzoekenden met een woonkostentoeslag die qua bedrag hoger is dan het
                    maximaal toegestane bedrag van de huurtoeslag in aanmerking gebracht voor een
                    voorrangspositie. Indien van de voorrangspositie geen gebruik wordt gemaakt kan
                    de woonkostentoeslag wel worden ingetrokken. </al><al>Een derde categorie voorrangskandidaten betreft mensen die structureel
                    mantelzorg ontvangen of verlenen. Hun onderlinge afhankelijkheid noodzaakt tot
                    het nabij elkaar wonen. Indien een van beide, of ontvanger of verlener, een
                    woning nabij de ander kan krijgen, verdient hij voorrang. Hiermee wordt namelijk
                    de last van de mantelzorgverlener verlicht, en kan de gemeente een economisch
                    voordeliger oplossing vinden voor de zorgvraag. Nabijheid is een rekkelijk
                    begrip dat wordt beoordeeld door de urgentiecommissie, op basis van een advies
                    van het WMO-loket. Als richting voor nabijheid kunnen we denken aan een afstand
                    van 10 minuten lopen of fietsen. </al><al/><tussenkop>Lid 4</tussenkop><al>Aan herstructurerings-/stadsvernieuwingskandidaten, dat wil zeggen
                    woningzoekenden die met toestemming van de eigenaar woonachtig zijn in
                    woonruimte die gelegen is in een actiegebied en die binnen een termijn van 24
                    maanden moeten worden ontruimd vanwege de voorgenomen sloop of ingrijpende
                    verbetering, wordt een voorrangspositie verleend, althans voor zover zij niet
                    anderszins tijdig andere woonruimte kunnen verkrijgen. Ten aanzien van de
                    herstructureringskandidaten is er sprake van een bijzondere verantwoordelijkheid
                    van de betreffende gemeenten en verhuurder(s). Het belang van hen bij een goede
                    voortgang van het proces is dusdanig, dat verwacht mag worden zij zich in zullen
                    spannen om de herhuisvesting tijdig te laten plaats vinden, zowel voor wat
                    betreft de in hun eigen gemeente te herhuisvesten kandidaten als de in andere
                    gemeenten te herhuisvesten kandidaten. Veel te herhuisvesten woningzoekenden
                    zullen echter in de eigen buurt, wijk of stad gehuisvest willen worden.</al><al>Over het aantal in enig jaar aan herstructureringskandidaten te verstrekken
                    voorrangsposities moet overleg tussen de gemeenten plaatsvinden. Ten behoeve
                    daarvan dienen gemeenten een overzicht te verstrekken van hun
                    stadsvernieuwingsactiviteiten en het aantal daarbij betrokken
                    herstructureringskandidaten. Indien uit de prognose blijkt het aantal
                    herstructureringskandidaten waarvoor een beroep zal worden gedaan op de diverse
                    gemeenten te groot is of in geval uit rapportages blijkt dat er sprake is van
                    een overstijging van de prognose van de elders te huisvesten
                    herstructureringskandidaten of van een onevenwichtig aandeel daarin van
                    individuele gemeenten, zullen gemeenten onderling afspraken moeten maken inzake
                    het maximale aantal per gemeente te huisvesten stadsvernieuwingskandidaten met
                    voorrangspositie. Hiervoor kan artikel 32, zesde lid, worden gebruikt.</al><al>De combinatie van de begripsbepalingen ‘inwoning’ en
                    ‘herstructureringskandidaat’ maakt dat onder inwonenden alleen inwonenden vallen
                    die als zodanig een zelfstandig huishouden voeren. Inwonende kinderen die geen
                    zelfstandig huishouden voeren, komen derhalve niet in aanmerking voor een
                    afzonderlijke voorrangspositie. </al><al>Alleen in uitzonderlijke situaties kan gebruik worden gemaakt van de
                    hardheidsclausule.</al><al/><tussenkop>Lid 5</tussenkop><al>Een voorrangspositie is niet bedoeld voor het maken van een stap in de
                    wooncarrière. In de urgentieverklaring wordt derhalve een zoekprofiel opgenomen
                    waaruit blijkt voor welke woningcategorieën de urgentieverklaring wel of niet
                    kan worden benut. Het soort en het aantal aangewezen of uitgezonderde
                    categorieën moet dusdanig zijn dat er, in samenhang met de specifieke eisen, een
                    gerede kans is dat de woningzoekende zijn voorrangspositie ook daadwerkelijk
                    binnen 3 maanden kan benutten. In hoeverre daarmee de regionale of de
                    (sub)lokale markt als maatstaf wordt gehanteerd hangt af van de eventuele
                    sociale noodzaak dat de betreffende woningzoekende in een bepaald territoir zou
                    moeten wonen.</al><al/><tussenkop>Artikel 33</tussenkop><al>De voorrangspositie geldt in principe voor een termijn van drie maanden vanaf
                    moment van toekenning. Alleen voor stadsvernieuwingskandidaten geldt een termijn
                    van twaalf maanden. Deze langere termijn voor stadsvernieuwingskandidaten zou er
                    toe kunnen leiden dat andere woningzoekenden met een voorrangspositie in een
                    zeer nadelige positie worden gebracht, terwijl zij juist in een voorrangspositie
                    zijn gebracht in verband met een noodsituatie. In verband daarmee is in artikel
                    21, tweede lid, ten aanzien van onderlinge volgorde van woningzoekenden onder c
                    bepaald dat degene wiens voorrangspositie het eerste eindigt de meeste voorrang
                    heeft. </al><al>De woningzoekende die een voorrangspositie heeft kan binnen de voorrangsmaanden
                    een woningaanbieding weigeren. Vervalt de urgentieverklaring van rechtswege dan
                    zijn daarmee de kansen van de woningzoekende om met voorrang geholpen te worden
                    verkeken. Indien daarna verlenging van de urgentieverklaring wordt gevraagd, dan
                    zullen eerdere weigeringen bij de beoordeling worden betrokken. Wanneer woningen
                    geweigerd zijn die passend zijn conform de passendheidscriteria van de
                    verordening en voldoen aan het eventuele advies van de toetsingscommissie als
                    bedoeld in artikel 35, vierde lid, omtrent de (medisch noodzakelijke fysieke)
                    bereikbaarheid van de woningen, dan zal de urgentieverklaring
                        <cursief>niet</cursief> worden verlengd. </al><al>De verlenging van de urgentieverklaring dient aangevraagd te worden binnen twee
                    weken nadat deze is verlopen. Een daarna aangevraagde verlenging wordt beschouwd
                    als een nieuwe aanvraag.</al><al>Uitgangspunt bij het toekennen van de urgentieverklaring is dat er sprake is van
                    een zodanig ernstige woonsituatie dat binnen drie maanden andere passende
                    woonruimte beschikbaar dient te komen. Om die reden zal degene met een verlengde
                    voorrangspositie voor moeten gaan op degene die een eerste voorrangspositie
                    heeft. Dit betekent dat er een koppeling wordt gemaakt tussen een eerste en een
                    verlengde voorrangstermijn.</al><al>Een advies van de lokale toetsingscommissie is niet alleen nodig bij de
                    verlening van een urgentieverklaring, maar is ook wenselijk bij de verlenging
                    van de urgentieverklaring.</al><al>Om aanvragen van een urgentieverklaring op uniforme wijze te beoordelen en
                    onrechtmatigheden als gevolg van verschillen van interpretatie van de
                    huisvestingsverordening te voorkomen kunnen burgemeester en wethouders nadere
                    regels stellen. </al><al/><tussenkop>Artikel 34</tussenkop><al>De voorrangspositie dient in principe te worden aangevraagd bij burgemeester en
                    wethouders van de gemeente waarin de aanvrager woont. Weliswaar wordt op grond
                    van artikel 32, eerste lid, alleen aan ingezetenen een voorrangspositie
                    verstrekt, maar woningzoekenden van elders moeten wel de mogelijkheid hebben om
                    een voorrangspositie aan te vragen, met name ook omdat hun noodsituatie alleen
                    binnen één of meer gemeenten van het voormalige stadsgewest kan worden opgelost.
                    In het tweede lid is bepaald dat woningzoekenden van elders een
                    urgentieverklaring dienen aan te vragen bij burgemeester en wethouders van één
                    van de gemeenten.</al><al/><tussenkop>Artikel 35</tussenkop><al>In het vierde lid is bepaald dat burgemeester en wethouders slechts kunnen
                    beslissen op een aanvraag voor een voorrangspositie nadat de toetsingscommissie
                    een advies heeft uitgebracht. Er zal in de gemeente een toetsingscommissie
                    moeten worden ingesteld. </al><al/><tussenkop>Lid 3</tussenkop><al>Burgemeester en wethouders kunnen hun bevoegdheid als bedoeld in het eerste en
                    tweede lid mandateren aan een toetsingscommissie. In dat geval blijft het vierde
                    lid buiten toepassing.</al><al/><tussenkop>Lid 6</tussenkop><al>Dat de verleende urgentieverklaring ook geldig is in de andere bij naam genoemde
                    gemeenten van het voormalige Stadsgewest Haaglanden, wordt vermeld in de
                    urgentieverklaring.</al><al/><tussenkop>Artikel 36 </tussenkop><al>Artikel 6:16 van de Algemene wet bestuursrecht stelt dat het indienen van een
                    bezwaar of beroep de werking van het besluit waartegen het is gericht niet
                    schorst tenzij bij of krachtens wettelijk voorschrift anders is bepaald. In
                    artikel 36 is bepaald dat het indienen van een bezwaar het besluit waartegen het
                    is gericht wel schorst. Indien een woningzoekende bezwaar maakt tegen het
                    zoekprofiel bij de afgegeven urgentieverklaring op sociale en/of medische
                    gronden, zal het bezwaarschrift in het algemeen niet behandeld zijn vóórdat de
                    voorrangstermijn van 3 maanden is verstreken. Door te bepalen dat het indienen
                    van een bezwaar tegen besluiten over aanvragen voor een urgentieverklaring op
                    medische en/of sociale gronden wordt de uitvoering van een besluit, i.c. het
                    toekennen van een urgentieverklaring die drie maanden geldig is, geschorst tot
                    de beslissing over het primaire besluit. De schorsende werking geldt
                    nadrukkelijk niet bij bezwaar tegen toegekende urgentieverklaringen op grond van
                    herstructurering waarbij een urgentieverklaring wordt verkregen die 12 maanden
                    geldig is.</al><al/><tussenkop>Artikel 37</tussenkop><tussenkop>Lid 1</tussenkop><al>Bij gewijzigde omstandigheden kunnen burgemeester en wethouders de
                    urgentieverklaring wijzigen. De gewijzigde omstandigheden kunnen zowel de
                    situatie van de woningzoekende als de woningmarktsituatie betreffen. Dit laatste
                    is met name van belang indien het in de verklaring opgenomen zoekprofiel het
                    niet mogelijk maakt om binnen drie maanden andere passende woonruimte te
                    verkrijgen. In artikel 35 is reeds bepaald dat ook bij verlenging van een
                    voorrangspositie de aangegeven woonruimte kan worden gewijzigd.</al><al/><tussenkop>Hoofdstuk 5: wijziging samenstelling van de
                    woonruimtevoorraad</tussenkop><al>Bij wijziging in samenstelling van de voorraad is het belangrijk onderscheid te
                    maken tussen splitsingsvergunningen en splitsingsakte. Bij splitsingsvergunning
                    (rechtspersonenrecht) gaat het om de toestemming die nodig is om een woning te
                    kunnen opdelen. </al><al>Bij de splitsingsakte (vastgoedrecht) is sprake van een "notariële akte met een
                    nauwkeurige omschrijving van te splitsen erfpacht of appartementsrecht, zoals
                    het appartementsgebouw, de omschrijving van de afzonderlijke appartementen en de
                    onderdelen van het Modelreglement waarvan wordt afgeweken. Bij de Splitsingsakte
                    hoort de splitsingstekening, met daarop exact de grenzen tussen de verschillende
                    appartementen onderling en die van de gemeenschappelijke ruimten." Voor
                    splitsing van enkel een appartementsrecht is derhalve geen splitsingsvergunning
                    nodig. Indien dit vergezeld gaat van splitsing van een woning, is dit wel
                    noodzakelijk.</al><al/><tussenkop>Artikel 41</tussenkop><al>Dit artikel bevat bepalingen die betrekking hebben op de verschillende
                    afwijzingsgronden, genoemd in het Huisvestingsbesluit, namelijk de samenstelling
                    van de woonruimtevoorraad, belemmering van de stadsvernieuwing en bepalingen uit
                    een oogpunt van indeling of staat van onderhoud.</al><al>De toepassing van het eerste tot en met het vierde lid vergt een zorgvuldige
                    afweging van belangen. Teneinde deze afweging te kunnen maken dient de aanvrager
                    voldoende informatie te verstrekken bij het indienen van de aanvraag.</al><al/><tussenkop>Artikel 42</tussenkop><al>Dit artikel bevat de mogelijkheid om, op grond van dreigende belemmering van de
                    stadsvernieuwing, een aanvraag om splitsingsvergunning aan te houden indien voor
                    het gebied waarin het gebouw waarop de aanvraag om splitsingsvergunning
                    betrekking heeft, is gelegen, reeds een voorbereidingsbesluit als bedoeld in
                    artikel 21, van de Wet ruimtelijke ordening van kracht is.</al><al/><tussenkop>Artikel 45</tussenkop><al>De Huisvestingswet 2014 biedt de mogelijkheid om voor alle woningen bij
                    onttrekking, samenvoeging en/of omzetting een vergunningplicht in te stellen.
                    Onder het verbod om woonruimte ‘aan de bestemming te onttrekken’ (zie artikel 21
                    van de Huisvestingswet 2014) zonder de daartoe vereiste vergunning valt zowel
                    slopen als elk gebruik voor een ander doel dan (zelfstandige) bewoning. Omdat de
                    vergunningplicht alleen geldt indien de onttrekking tot gevolg heeft dat die
                    woonruimte niet langer geschikt is voor de bewoning door een huishouden van
                    dezelfde omvang als waarvoor deze zonder zodanige onttrekking geschikt is, kan
                    niet elke geringe onttrekking van een gedeelte van een woonruimte gebonden
                    worden aan een vergunning.</al><al>In de praktijk zal per geval moeten worden vastgesteld of al dan niet sprake is
                    van onttrekken in de zin van artikel 21 van de Huisvestingswet 2014. Als
                    vuistregel kan gehanteerd worden dat geen vergunning nodig zal zijn voor zover
                    de te onttrekken woonruimte minder dan 20% bedraagt van de gebruiksoppervlakte
                    van de oorspronkelijk gebouwde woonruimte. Dit percentage kan uiteraard nog iets
                    hoger liggen als het een zeer groot pand betreft. Voorwaarde hierbij is dat de
                    woonfunctie niet wordt aangetast, d.w.z. dat de eigen opgang en wezenlijke
                    voorzieningen van de woning gehandhaafd moeten worden. Door te spreken over
                    permanente bewoning is, ingeval van het niet houden van het hoofdverblijf in de
                    onderhavige woonruimte, een onttrekkingsvergunning vereist. Hiermee is het
                    mogelijk om het gebruik van woonruimte als tweede woning te reguleren.</al><al>Eveneens is een vergunning verplicht indien de woonruimte feitelijk anders
                    gebruikt wordt dan voor zelfstandige bewoning (bijvoorbeeld onzelfstandige
                    bewoning), ook al is de woning bouwkundig nog geschikt voor zelfstandige
                    bewoning. Op die manier kan onder andere ook kamer- of beddenverhuur in woningen
                    die in beginsel geschikt zijn voor zelfstandige bewoning worden
                    gereguleerd.</al><al/><tussenkop>Artikel 46, lid 2</tussenkop><al>Indien de woning langer dan 1 jaar in het bezit is van de huidige eigenaar dan
                    moet voor het bepalen van de onder sub c. bedoelde koopprijs een taxatie worden
                    overgelegd van een beëdigd taxateur. Is de huidige eigenaar korter dan een jaar
                    eigenaar, dan kan volstaan worden met het overleggen van een kopie van de
                    koopakte.</al><al/><tussenkop>Artikel 47</tussenkop><al>In het derde en vierde lid wordt de mogelijkheid geboden om aanvullende
                    informatie in te winnen, waarmee de belangenafweging beter kan
                    plaatsvinden.</al><al/><tussenkop>Artikel 48, lid 4</tussenkop><al>Bij de hier genoemde voorwaarden en voorschriften kan gedacht worden aan de
                    voorwaarde van tijdelijkheid bij omzetting in onzelfstandige woonruimte of
                    onttrekking voor een tijdelijke praktijkruimte van een huisarts.</al><al>Weigeren mag alleen indien het belang van de gemeente groter is dan het belang
                    van de eigenaar van woonruimte (en dus niet even groot) én door de eigenaar van
                    woonruimte niet kan worden voldaan aan de gestelde voorwaarden en voorschriften.
                    De gemeenteraad stelt in de Huisvestingsverordening de voorwaarden die
                    burgemeester en wethouders aan een vergunning mogen verbinden. </al><al/><tussenkop>Artikel 44, lid 1</tussenkop><al>Onder a. wordt met het toevoegen van andere, vervangende woonruimte aan de
                    woningvoorraad bedoeld: woonruimte die buiten alle reeds vastgelegde
                    nieuwbouwplannen om, extra aan het bestand wordt toegevoegd ter compensatie van
                    de door onttrekking verloren gegane woonruimte.</al><al/><tussenkop>Artikel 50, lid 1</tussenkop><al>Bij toekenning van een tijdelijke onttrekking (maximale periode van 5 jaar)
                    moeten de noodzaak en de tijdelijkheid door de aanvrager concreet worden
                    aangetoond.</al><al/><tussenkop>Artikel 51</tussenkop><al>Permanente bewoning van daartoe aangewezen woonruimte houdt in dat de huurder of
                    eigenaar er permanent hoofdverblijf houdt, hetgeen blijkt uit een inschrijving
                    in het bevolkingsregister. Indien niet aan dit vereiste wordt voldaan, is een
                    onttrekkingsvergunning noodzakelijk.</al><al>Wanneer blijkt dat de huurder of eigenaar de woonruimte niet permanent of
                    bijvoorbeeld minder dan 180 dagen in een aaneengesloten periode van 360 dagen
                    bewoont, vervalt het recht op inschrijving in het bevolkingsregister. In deze
                    situatie is een onttrekkingsvergunning vereist, tenzij kan worden aangetoond dat
                    er wel sprake is van permanente bewoning. Wanneer die niet afdoende kan worden
                    aangetoond, kunnen burgemeester en wethouders, behalve het opleggen van een
                    boete, de woonruimte doen verzegelen. Deze verzegeling wordt opgeheven als de
                    woonruimte wordt verkocht of verhuurd aan iemand die de woonruimte wel als
                    permanent hoofdverblijf gaat gebruiken, de eigenaar/gebruiker er alsnog
                    permanent gaat wonen, of indien er alsnog een vergunning wordt verleend.</al><al/><tussenkop>Hoofdstuk 6: overige bepalingen</tussenkop><al/><tussenkop>Artikel 53</tussenkop><al>Verslaglegging is voorzien vóór 1 april van elk jaar. Daarmee loopt de
                    verslaglegging vooruit op het bod dat woningcorporaties op basis van de
                    Herzieningswet jaarlijks vóór 1 juli doen. Door 1 april als datum te kiezen,
                    krijgen gemeenten de gelegenheid om tijdig te anticiperen op het bod en te
                    kunnen bepalen wat in redelijkheid de bijdrage van woningcorporaties moet
                    zijn.</al><al/><tussenkop>Artikel 55</tussenkop><tussenkop>derde lid: Recidive</tussenkop><al>De bestuurlijke boete is hoger indien binnen vijf jaar opnieuw dezelfde
                    overtreding wordt begaan. Na een eerste overtreding wordt de overtreder immers
                    geacht te weten dat overtreding van het bepaalde artikel beboet kan worden. </al><al>Er kan niet tweemaal een boete worden opgelegd voor hetzelfde feit, maar wel
                    indien hetzelfde feit zich tweemaal voordoet. Wanneer is sprake van “opnieuw
                    dezelfde overtreding”?</al><lijst><li nr="1."><al>De eerste overtreding moet beëindigd zijn, wanneer het gaat om dezelfde
                            woonruimte. Wordt bij dezelfde woonruimte opnieuw dezelfde overtreding
                            begaan, nadat er sprake is geweest van een beëindiging van de eerste
                            overtreding, dan geldt dit als “opnieuw dezelfde overtreding”.</al></li><li nr="2."><al>Wordt eenzelfde overtreding begaan met betrekking tot een andere
                            woonruimte, dan is sprake van “opnieuw dezelfde overtreding”. Een
                            overtreder overtreedt immers tweemaal hetzelfde artikel en de daarin
                            beschermde norm.</al></li><li nr="3."><al>Van “opnieuw dezelfde overtreding” is sprake indien het een overtreding
                            betreft van hetzelfde artikel. </al></li></lijst><al><cursief>Termijn van vijf jaar: </cursief>De bestuurlijke boete kan niet worden
                    losgezien van het bestuurlijke traject dat naast de boete zelf gevoerd wordt.
                    Voor lichtere overtredingen gelden lange begunstigingstermijnen om de
                    overtredingen te beëindigen. Wanneer er bezwaar- en beroepsprocedures worden
                    gevoerd dan wordt de begunstigingstermijn opgeschort tot zes weken na beslissing
                    op bezwaar/ beroep. Een termijn van vijf jaar voorkomt dat procedures volgen,
                    enkel en alleen om de beëindiging van de overtreding zolang mogelijk op te
                    schorten, lonend wordt. Een boete kan immers niet twee keer voor hetzelfde feit
                    worden opgelegd. De overtreding moet beëindigd zijn geweest om een hogere boete
                    op te kunnen leggen. </al><al>De termijn van vijf jaar sluit aan bij de verjaringstermijn voor het opleggen
                    van een bestuurlijke boete en de bewaartermijn van (justitiële) gegevens over
                    overtredingen. </al><tussenkop>vierde lid</tussenkop><al>Van een bedrijfsmatige exploitatie is in de volgende gevallen sprake:</al><lijst><li nr="1."><al>De overtreder verhuurt aantoonbaar meerdere woonruimten. Uit de omvang
                            van de exploitatie blijkt het bedrijfsmatige aspect. Iemand die zich
                            bedrijfsmatig bezig houdt met exploitatie behoort de regelgeving te
                            kennen.</al></li><li nr="2."><al>De overtreder houdt zich beroepsmatig bezig met regelgeving omtrent
                            huisvesting en exploitatie van onroerend goed. Hieronder vallen in ieder
                            geval: vastgoedontwikkelaars, makelaars, woning- en
                            kamerbemiddelingsbureaus en bedrijven die zich bezig houden met
                            huisvesting van hun eigen werknemers. Het bedrijfsmatige aspect van de
                            exploitatie vloeit voort uit de aard van het bedrijf of beroep van de
                            overtreder.</al></li><li nr="3."><al>Uit de omvang van onzelfstandige bewoning kan ook een bedrijfsmatig
                            karakter van de exploitatie blijken: bij meer dan vier personen, kan dit
                            aangemerkt worden als kamerverhuur in de zin van het Besluit brandveilig
                            gebruik bouwwerken. De exploitant dient bij een exploitatie van die
                            omvang ook te zorgen voor een brandveilig gebruik en op de hoogte te
                            zijn van de overige regelgeving.</al></li><li nr="4."><al>Onttrekking van woonruimte is enkel bedrijfsmatig indien dit vanuit
                            commercieel oogpunt plaatsvindt. Onttrekking in het kader van het voeren
                            van een bedrijf (opslag supermarkt, meelsilo voor een bakkerij, of een
                            logiesfunctie), maar ook het in gebruik hebben van woonruimte met een
                            hennepkwekerij, is als een onttrekking vanuit commercieel oogpunt te
                            beschouwen.</al></li><li nr="5."><al>Samenvoeging van een woonruimte is niet bedrijfsmatig, tenzij de
                            overtreder zich beroepsmatig bezig houdt met huisvesting en exploitatie
                            van onroerend goed. Hieronder vallen in ieder geval:
                            vastgoedontwikkelaars, makelaars, woning- en kamerbemiddelingsbureaus en
                            bedrijven die zich bezig houden met huisvesting van hun eigen
                            werknemers. Het bedrijfsmatige aspect van de exploitatie vloeit voort
                            uit de aard van het bedrijf of beroep van de overtreder.</al></li></lijst><tussenkop>vijfde lid</tussenkop><al>Ingevolge artikel 5:46, tweede lid, van de Awb moet de hoogte van de
                    bestuurlijke boete worden afgestemd op de mate van verwijtbaarheid, de ernst van
                    de gedraging en de persoonlijke omstandigheden van de betrokkene. </al><al>De maximaal op te leggen boete is vastgelegd in artikel 35 van de
                    Huisvestingswet 2014. Differentiatie in de hoogte van de bestuurlijke boete is
                    ter wille van de overzichtelijkheid in een tabel aangegeven, die als Bijlage V
                    is opgenomen. Bij wijziging van de bedragen in artikel 35 van de Huisvestingswet
                    2014 kan deze tabel overeenkomstig worden aangepast door de gemeente. </al><al>De gemeenteraad is bevoegd de hoogte van de boetes vast te stellen binnen de
                    door de Huisvestingswet 2014 aangegeven maximale bedragen. </al><al/><tussenkop>Artikel 59</tussenkop><al>Mandatering is mogelijk van bevoegdheden aan de verhuurders, dan gaat het om
                    verlenen en intrekken van huisvestingsvergunning. Daarnaast biedt dit artikel de
                    mogelijkheid om diverse taken aan de woningcorporatie te delegeren, met name ten
                    aanzien van de uitvoering van de verordening. </al><al/><tussenkop>Artikel 63</tussenkop><al>De inwerkingtredingsdatum van deze verordening is 1 juli 2015.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>