<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR373216_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Arbeidsvoorwaardenregeling gemeente Goeree-Overflakkee (versie 1-10-14)</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Goeree-Overflakkee</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-07-03</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Goeree-Overflakkee</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2015-11837.html">gmb-2015-11837</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Arbeidsvoorwaardenregeling gemeente Goeree-Overflakkee (versie 1-10-14)</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Onbekend.</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">college van burgemeester en wethouders</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>bestuur en recht</dcterms:subject><dcterms:issued>2015-01-06</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2015-01-15</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:terugwerkendekrachtDatum>2014-10-01</overheidrg:terugwerkendekrachtDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2018-01-31</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Onbekend.</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend.</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen.</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Arbeidsvoorwaardenregeling gemeente Goeree-Overflakkee (versie
            01-10-14)</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>Burgemeester en wethouders hebben op 6 januari 2015 de
                        Arbeidsvoorwaardenregeling gemeente Goeree-Overflakkee versie 01/10/14
                        vastgesteld. Deze verordening betreft de arbeidsvoorwaarden van de
                        ambtenaren bij de gemeente Goeree-Overflakkee.</al><al>Datum inwerkingtreding: 11/02/15 (met terugwerkende kracht tot en met
                        01/10/14)</al><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><tekst><al>1 Algemene bepalingen</al><al>Artikel 1:1 Begripsomschrijvingen</al><al>Lid 1</al><al>Voor de toepassing van deze regeling en de uitwerkingsovereenkomst wordt
                        verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al><vet>ambtenaar:</vet> hij die door of vanwege de gemeente is
                                aangesteld om in openbare dienst werkzaam te zijn alsmede hij met
                                wie een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht is aangegaan;</al></li><li nr="b."><al><vet>betrekking:</vet> het geheel van werkzaamheden dat door de
                                ambtenaar is te verrichten;</al></li><li nr="c."><al><vet>pensioenwet:</vet> de Algemene burgerlijke pensioenwet, zoals
                                die gold tot en met 31 december 1995;</al></li><li nr="d."><al><vet>pensioen:</vet> een pensioen in de zin van het
                                pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds ABP;</al></li><li nr="e."><al><vet>arbeidsduur:</vet> de vooraf vastgestelde omvang van het aantal
                                uren in een bepaalde periode gedurende welke door de ambtenaar
                                arbeid moet worden verricht;</al></li><li nr="f."><al><vet>arbeidsduur per dag:</vet> de arbeidsduur zoals die voor de
                                ambtenaar voor een bepaalde dag is vastgesteld;</al></li><li nr="g."><al><vet>formele arbeidsduur per week:</vet> de arbeidsduur volgens de
                                aanstelling;</al></li><li nr="h."><al><vet>feitelijke arbeidsduur per week:</vet> de arbeidsduur zoals die
                                voor de ambtenaar voor een bepaalde week is vastgesteld;</al></li><li nr="i."><al>vervallen</al></li><li nr="j."><al><vet>arbeidsduur per jaar:</vet> de naar jaarbasis herleide formele
                                arbeidsduur per week, gecorrigeerd voor feestdagen;</al></li><li nr="k."><al><vet>volledige betrekking:</vet> een betrekking waarbij de
                                arbeidsduur per jaar ten hoogste 1836 uur bedraagt en de formele
                                arbeidsduur per week 36 uur bedraagt;</al></li><li nr="l."><al><vet>overwerk:</vet> werkzaamheden door de ambtenaar in
                                dienstopdracht verricht buiten de feitelijke arbeidsduur per
                                week;</al></li><li nr="m."><al><vet>werkdag:</vet> een dag waarop de ambtenaar arbeid moet
                                verrichten;</al></li><li nr="n."><al><vet>werktijd:</vet> de periode tussen vastgestelde tijdstippen
                                gedurende welke door de ambtenaar arbeid moet worden verricht;</al></li><li nr="o."><al><vet>uurloon:</vet> 1/156 gedeelte van het -zo nodig naar een
                                volledige betrekking herberekende- salaris van de ambtenaar per
                                maand;</al></li><li nr="p."><al><vet>Zvw:</vet> de <extref doc="1.0:v:BWBR0018450" struct="BWB">Zorgverzekeringswet</extref>;</al></li><li nr="q."><al><vet>CAR:</vet> Collectieve arbeidsvoorwaardenregeling voor de
                                sector gemeenten;</al></li><li nr="r."><al><vet>UWO:</vet> Uitwerkingsovereenkomst;</al></li><li nr="s."><al><vet>functioneringstoelage:</vet> een toelage die aan de ambtenaar
                                wordt toegekend op grond van buitengewone bekwaamheid, geschiktheid
                                en ijver;</al></li><li nr="t."><al><vet>waarnemingstoelage:</vet> een vergoeding die wordt toegekend
                                aan de ambtenaar die ingevolge hem daartoe door of namens het
                                college verstrekte opdracht volledig een andere betrekking
                                waarneemt, indien voor die betrekking een hogere schaal geldt dan
                                voor de eigen betrekking;</al></li><li nr="u."><al><vet>LOGA:</vet> Landelijk Overleg Gemeentelijke
                                Arbeidsvoorwaarden;</al></li><li nr="v."><al><vet>WAO:</vet> de <extref doc="1.0:v:BWBR0002524" struct="BWB">Wet op de
                                    arbeidsongeschiktheidsverzekering</extref>;</al></li><li nr="w."><al><vet>arbeidsongeschiktheid:</vet> arbeidsongeschikt in de zin van
                                    <extref doc="1.0:v:BWBR0002524&amp;artikel=18" struct="BWB">artikel 18, eerste lid, van de WAO</extref>;</al></li><li nr="x."><al><vet>WAO-uitkering:</vet> een uitkering op grond van de <extref doc="1.0:v:BWBR0002524" struct="BWB">WAO</extref>;</al></li><li nr="y."><al><vet>WIA:</vet><extref doc="1.0:v:BWBR0019057" struct="BWB">Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen</extref>;</al></li><li nr="z."><al><vet>IVA:</vet> regeling inkomensvoorziening volledig
                                arbeidsongeschikten;</al></li><li nr="aa."><al><vet>IVA-uitkering:</vet> de uitkering bij volledige en duurzame
                                arbeidsongeschiktheid op grond van de <extref doc="1.0:v:BWBR0019057" struct="BWB">WIA</extref>;</al></li><li nr="bb."><al><vet>WGA:</vet> Regeling werkhervatting gedeeltelijk
                                arbeidsgeschikten;</al></li><li nr="cc."><al><vet>WGA-uitkering:</vet> de werkhervattingsuitkering gedeeltelijk
                                arbeidsgeschikten op grond van de <extref doc="1.0:v:BWBR0019057" struct="BWB">WIA</extref>;</al></li><li nr="dd."><al><vet>WAJONG:</vet><extref doc="1.0:v:BWBR0008657" struct="BWB">Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening voor jong
                                    gehandicapten</extref>;</al></li><li nr="ee."><al><vet>WAZ:</vet><extref doc="1.0:v:BWBR0008656" struct="BWB">Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering
                                zelfstandigen</extref>;</al></li><li nr="ff."><al><vet> Waz :</vet><extref doc="1.0:v:BWBR0013008" struct="BWB">Wet arbeid en zorg</extref>;</al></li><li nr="gg."><al><vet>SUWI:</vet> de <extref doc="1.0:v:BWBR0013060" struct="BWB">wet Structuur Uitvoeringsorganisatie Werk en
                                    Inkomen</extref>;</al></li><li nr="hh."><al><vet>uitvoeringsinstelling:</vet> een uitvoeringsinstelling als
                                bedoeld in artikel 39, derde lid, van de Organisatiewet sociale
                                verzekeringen 1997;</al></li><li nr="ii."><al><vet>pensioenreglement:</vet> het pensioenreglement van de Stichting
                                Pensioenfonds ABP;</al></li><li nr="jj."><al><vet>WPA:</vet> de <extref doc="1.0:v:BWBR0007791" struct="BWB">Wet privatisering ABP</extref>;</al></li><li nr="kk."><al><vet>FPU-regeling:</vet> regeling flexibel pensioen en uittreden,
                                bedoeld in artikel 2 van de Centrale Vut-overeenkomst overheids- en
                                onderwijspersoneel;</al></li><li nr="ll."><al><vet>FPU-reglement basis- en aanvullende uitkering:</vet> het
                                reglement zoals bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de Centrale
                                Vut-overeenkomst overheids- en onderwijspersoneel;</al></li><li nr="mm."><al><vet>deeltijdbetrekking:</vet> een betrekking waarbij de arbeidsduur
                                per jaar minder dan 1836 uur bedraagt en de formele arbeidsduur per
                                week minder dan 36 uur bedraagt;</al></li><li nr="nn."><al><vet>ZW:</vet> de <extref doc="1.0:v:BWBR0013060" struct="BWB">Ziektewet</extref>;</al></li><li nr="oo."><al><vet>ZW-uitkering:</vet> ziekengeld of uitkering krachtens de
                                    <extref doc="1.0:v:BWBR0001888" struct="BWB">ZW</extref>;</al></li><li nr="pp."><al><vet>UWV:</vet> het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen,
                                als bedoeld in <extref doc="1.0:v:BWBR0013060" struct="BWB">hoofdstuk 5 van de wet SUWI</extref>.</al></li></lijst><al>Lid 2</al><al>Tot de openbare dienst van de gemeente behoren alle diensten en bedrijven
                        door de gemeente beheerd.</al><al>Artikel 1:2 Geen ambtenaar</al><al>Lid 1</al><al>Voor de toepassing van deze regeling en de uitwerkingsovereenkomst wordt
                        niet als ambtenaar beschouwd: </al><lijst><li nr="a."><al> het onderwijzend personeel bij een inrichting van openbaar
                                onderwijs;</al></li><li nr="b."><al> het onderwijsondersteunend personeel bij een inrichting van
                                openbaar onderwijs, indien zij belanghebbenden zijn in de zin van
                                het Rechtspositiebesluit onderwijspersoneel;</al></li><li nr="c."><al>de (buitengewoon) ambtenaar van de burgerlijke stand als
                                zodanig;</al></li><li nr="d."><al>de onbezoldigd gemeenteambtenaar als genoemd in <extref doc="1.0:v:BWBR0005416&amp;artikel=231" struct="BWB">artikel 231, tweede lid, onderdeel b, c, d en e van de
                                    Gemeentewet</extref>; </al></li><li nr="e."><al>de directeur van de RDW Dienst Wegverkeer die tevens is benoemd tot
                                onbezoldigd ambtenaar der gemeentelijke belastingen;</al></li><li nr="f."><al>de onbezoldigd gemeenteambtenaar die toezichthouder is zonder
                                opsporingsbevoegdheid;</al></li><li nr="g."><al>de onbezoldigd gemeenteambtenaar die toezichthouder is met
                                opsporingsbevoegdheid;</al></li><li nr="h."><al>hij die een indicatie heeft voor de sociale werkvoorziening en op
                                grond daarvan op basis van een arbeidsovereenkomst in dienst is van
                                de gemeente, met uitzondering van de geïndiceerde die werkzaam is
                                bij de gemeente in het kader van begeleid werken als bedoeld in
                                    <extref doc="1.0:v:BWBR0008903&amp;artikel=7" struct="BWB">artikel 7 van de Wet sociale werkvoorziening</extref>;</al></li><li nr="i."><al>de ambtenaar als bedoeld in artikel 1.1, onder “medewerker”, van de
                                sector-cao Ambulancezorg.</al></li></lijst><al>Lid 2</al><al>Voor toepassing van onderdeel f of g van het eerste lid is, afhankelijk van
                        de lokale bevoegdheidsverdeling tussen het georganiseerd overleg en de
                        ondernemingsraad, overeenstemming vereist in het georganiseerd overleg of
                        instemming vereist van de ondernemingsraad.</al><al>Lid 3</al><al>Op de ambtenaar die aangesteld is als vrijwilliger bij de gemeentelijke
                        brandweer is alleen hoofdstuk 19 en hoofdstuk 19a van toepassing.</al><al>Artikel 1:2:1 Geen ambtenaar</al><al>Lid 1</al><al>Op de ambtenaar met wie een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht is
                        aangegaan zijn artikel 3:3, 3:3:1, 7:24a, 7:25a, 7:25b en de hoofdstukken 17
                        en 18 niet van toepassing.</al><al>Lid 2</al><al>Op de ambtenaar die is aangesteld hoofdzakelijk ten behoeve van een
                        wetenschappelijke of praktische opleiding of vorming zijn de hoofdstukken 3,
                        7, 10d, 11a en 17 niet van toepassing</al><al>Lid 3</al><al>Op de ambtenaar die is aangesteld als vakantiekracht zijn de hoofdstukken 3,
                        10d en 17 niet van toepassing.</al><al>Lid 4</al><al>Op de ambtenaar die is aangesteld voor het verrichten van werkzaamheden in
                        het kader van een door de overheid getroffen regeling, die het karakter
                        draagt door een tijdelijke tewerkstelling de opneming in het arbeidsproces
                        te bevorderen van personen, die behoren tot één of meer bepaalde groepen van
                        werklozen, zijn de hoofdstukken 3, 10d en 11a niet van toepassing.</al><al>Artikel 1:2:2 Leer-werkbaan</al><lijst><li nr="1."><al>Het college kan een werkzoekende een leer-werkbaan aanbieden.</al></li><li nr="2."><al>Als werkzoekende bedoeld in dit artikel wordt aangemerkt hij die
                                tussen de 16 en 25 jaar oud is en minimaal 3 maanden geregistreerd
                                staat als werkzoekend bij het CWI.</al></li><li nr="3."><al>De leer-werkbaan start met een periode van minimaal drie en ten
                                hoogste zes maanden, waarin de werkzoekende door middel van een
                                werkstage op een door het college aangewezen plaats werkervaring kan
                                opdoen. De werkzoekende wordt in deze periode niet beschouwd als
                                ambtenaar.</al></li><li nr="4."><al>Het college draagt tijdens de werkstage zorg voor adequate
                                begeleiding van de werkzoekende.</al></li><li nr="5."><al>Indien de periode bedoeld in het derde lid succesvol verlopen is kan
                                het college de werkzoekende aansluitend in tijdelijke dienst
                                aanstellen voor een periode van ten hoogste anderhalf jaar.</al></li><li nr="6."><al>De werkzoekende die in tijdelijke dienst is aangesteld wordt
                                bezoldigd overeenkomstig schaal 1.</al></li><li nr="7."><al>Gedurende de tijdelijke aanstelling zorgt het college voor adequate
                                begeleiding van de werkzoekende en vindt zo nodig scholing plaats op
                                kosten van de gemeente.</al></li><li nr="8."><al>Op de werkzoekende met een tijdelijke aanstelling is de CAR-UWO van
                                toepassing, met uitzondering van de hoofdstukken 3, 10d, 11a en
                                17.</al></li></lijst><al>Artikel 1:2:3 Instapplan</al><lijst><li nr="1."><al>Het college kan een werkzoekende via het aanbieden van een
                                instapplan de mogelijkheid geven om werkervaring te verkrijgen.</al></li><li nr="2."><al>Als werkzoekende bedoeld in dit artikel wordt aangemerkt hij die
                                tussen de 16 en 25 jaar oud is en minimaal 3 maanden geregistreerd
                                staat als werkzoekend bij het CWI.</al></li><li nr="3."><al>In het kader van het instapplan biedt het college de werkzoekende
                                een tijdelijke aanstelling aan voor ten hoogste een half jaar.</al></li></lijst><al>Artikel 1:3 Toepassing</al><al>Lid 1</al><al>De bepalingen van deze regeling en de uitwerkingsovereenkomst vinden ten
                        aanzien van ambtenaren, omtrent wier rechtstoestand bij of krachtens de wet
                        regelen zijn gesteld, slechts toepassing, voor zover bij of krachtens de wet
                        die rechtstoestand niet is geregeld.</al><al>Lid 2</al><al>Bij besluit van het college kan de toepasselijkheid van deze regeling en de
                        uitwerkingsovereenkomst of van delen daarvan op ambtenaren of groepen
                        ambtenaren om bijzondere redenen worden uitgesloten. Het voornemen een
                        besluit te nemen, bedoeld in de eerste volzin, wordt - met redenen omkleed -
                        gemeld bij het secretariaat van het LOGA. Deze melding kan voor
                        LOGA-partijen aanleiding zijn te besluiten tot een verdere handelwijze.</al><al>Artikel 1:3a Toepassing</al><al>Voor de toepassing van deze regeling ten aanzien van de griffier en de op de
                        griffie werkzame ambtenaren is de raad bevoegd.</al><al>Artikel 1:4:1 Voorschriften en instructies</al><al>Met inachtneming van het bepaalde in deze regeling kan het college, indien
                        zulks naar het oordeel van het college nodig of wenselijk is:</al><lijst><li nr="a."><al>bijzondere voorschriften vaststellen ter uitvoering van de
                                bepalingen van deze regeling, alsmede ten behoeve van het
                                functioneren van de dienst;</al></li><li nr="b."><al>instructies vaststellen ten aanzien van betrekkingen en bij de
                                vervulling daarvan te volgen werkwijzen.</al></li></lijst><al>Artikel 1:4:2 Uitreiking van CAR en UWO</al><al>Lid 1</al><al>Op verzoek ontvangt de ambtenaar kosteloos een exemplaar van deze regeling,
                        van de wijzigingen daarvan en van alle andere regelingen welke ter
                        uitvoering van <extref doc="1.0:v:BWBR0001947&amp;artikel=125" struct="BWB">artikel 125 van de Ambtenarenwet</extref> zijn of worden
                        getroffen.</al><al>Lid 2</al><al>Op verzoek ontvangen eveneens kosteloos een exemplaar van de in het vorige
                        lid bedoelde stukken:</al><lijst><li nr="a."><al>de centrale van overheidspersoneel welke zijn toegelaten tot het
                                LOGA met het college voor Arbeidszaken van de Vereniging van
                                Nederlandse Gemeenten;</al></li><li nr="b."><al>de organisatie die blijkens hun statuten de belangen van
                                gemeenteambtenaren behartigen en aangesloten zijn bij de onder a
                                aangeduide centrales;</al></li><li nr="c."><al>de afdelingen van de organisaties, bedoeld onder b;</al></li><li nr="d."><al>ieder ander die daarvoor naar het oordeel van het college in
                                aanmerking komt.</al></li></lijst><al>Artikel 1:4:3 Uitreiking van CAR en UWO</al><al>Lid 1</al><al>Op verzoek ontvangt de ambtenaar kosteloos een exemplaar van de voor hem
                        geldende schriftelijke regels, welke zijn vastgesteld ter uitwerking of
                        uitvoering van de bepalingen van deze regeling of welke hij bij de
                        vervulling van zijn betrekking heeft na te leven, tenzij de bedoelde regels
                        op een voor hem gemakkelijk toegankelijke plaats ter inzage liggen.</al><al>Lid 2</al><al>Wanneer de ambtenaar niet schriftelijk vastgestelde regels als bedoeld in
                        het eerste lid heeft na te leven, worden deze behoorlijk te zijner kennis
                        gebracht.</al><al>Artikel 1:4:4 Voordragen van belangen</al><al>De ambtenaar heeft het recht zijn belangen rechtstreeks bij het hoofd van
                        dienst en bij het tot aanstelling bevoegd bestuursorgaan voor te
                        dragen.</al><al>Artikel 1:5 Omvang van de betrekking</al><al>Bij de berekening van uren onder meer bij het bepalen van de omvang van de
                        betrekking, worden deze tot op twee decimalen afgerond. Om tot een decimaal
                        te komen wordt de gangbare afbreekregel gehanteerd.</al><al>Artikel 1:6 Vrijstelling</al><al>Lid 1</al><al>In een nadere regeling kan worden bepaald dat in bijzondere gevallen voor
                        nader te bepalen hogere functies een tijdelijke aanstelling kan worden
                        verleend in afwijking van artikel 2:4, alsmede dat voor bedoelde functies
                        kan worden afgeweken van de salaristabel en/of van het bepaalde in
                        hoofdstukken 8 en 10d. In de commissie voor georganiseerd overleg moet
                        overeenstemming zijn bereikt over de criteria voor de aanwijzing van deze
                        functies en over de functies zelf. Ingeval geen commissie voor georganiseerd
                        overleg is ingesteld, wordt de procedure ingevolge bijlage III van deze
                        regeling gevoerd bij het opstellen van evengenoemde criteria en bij het
                        bepalen van de functies, waarbij het overeenstemmingsvereiste van toepassing
                        is.</al><al>Lid 2</al><al>De in het vorige lid bedoelde regeling kan overeenkomstig van toepassing
                        worden verklaard op ambtenaren in tijdelijke dienst die projecten of
                        functies van tijdelijke aard uitoefenen waarbij de te bereiken resultaten in
                        een bepaalde tijdsperiode tevoren kunnen worden vastgesteld en de betrokken
                        ambtenaar in verregaande mate zelfstandig verantwoordelijkheid draagt voor
                        de inrichting van de werkzaamheden.</al><al>2 Aanstelling en arbeidsovereenkomst</al><al>Artikel 2:1 Aanstelling; het bevoegd gezag</al><al>Tenzij bij of krachtens wet of raadsbesluit anders is of wordt bepaald,
                        geschiedt de aanstelling door het college.</al><al>Artikel 2:1A Aanstelling in algemene dienst</al><al>Lid 1 </al><al>De aanstelling geschiedt in algemene dienst van de gemeente. </al><al>Lid 2</al><al>Het college stelt in een lokale regeling nadere regels ter uitvoering van
                        dit artikel.</al><al>Lid 3</al><al>De ambtenaar die op 31 december 2012 in dienst is van de gemeente is met
                        ingang van 1 januari 2013 van rechtswege aangesteld in algemene dienst van
                        de gemeente.</al><al>Artikel 2:1B Aanstelling in algemene dienst</al><al>Lid 1</al><al>De ambtenaar is – nadat hij is gehoord – verplicht om in het belang van de
                        dienst een andere passende functie te aanvaarden. Een passende functie is
                        een functie die de ambtenaar redelijkerwijs in verband met zijn
                        persoonlijkheid, zijn omstandigheden en de voor hem bestaande vooruitzichten
                        kan worden opgedragen.</al><al>Lid 2</al><al>Indien het college dit in het belang van de dienst nodig acht, is de
                        ambtenaar verplicht om: </al><lijst><li nr="a."><al> tijdelijk niet tot zijn functie behorende werkzaamheden te
                                verrichten, dan wel tijdelijk een andere functie waar te nemen;</al></li><li nr="b."><al> tijdelijk werkzaamheden te verrichten buiten de voor hem
                                vastgestelde werktijden;</al></li><li nr="c."><al> beschikbaar te zijn buiten de voor zijn functie vastgestelde
                                werktijden. Voor het, gedurende onbepaalde tijd periodiek verrichten
                                van deze beschikbaarheidsdiensten wordt de ambtenaar schriftelijk
                                aangewezen, indien deze diensten ten minste op gemiddeld zestig
                                kalenderdagen in een periode van twaalf maanden zullen moeten worden
                                verricht, hetgeen uit de schriftelijke aanwijzing moet blijken.</al></li></lijst><al>Lid 3</al><al>Wanneer de ambtenaar meent, dat in verband met zijn persoonlijkheid en
                        omstandigheden de in het tweede lid bedoelde werkzaamheden redelijkerwijs
                        niet van hem kunnen worden gevergd, geeft hij – onverminderd zijn
                        verplichting om die werkzaamheden terstond aan te vangen – daarvan door
                        tussenkomst van het hoofd van dienst terstond kennis aan het college, dat zo
                        spoedig mogelijk een beslissing ter zake neemt.</al><al>Artikel 2:2 Aanstelling; onderzoek naar bekwaamheid en geschiktheid</al><al>Lid 1</al><al>Voor aanstelling kan slechts in aanmerking komen hij van wie - na een
                        daartoe door of vanwege het tot aanstelling bevoegd bestuursorgaan gehouden
                        onderzoek - kan worden aangenomen, dat hij in voldoende mate beschikt over
                        de hoedanigheden tot het verrichten van de hem op te dragen
                        werkzaamheden.</al><al>Lid 2</al><al>Het college treft maatregelen, waardoor de vertrouwelijkheid van de
                        gegevens, ontvangen op grond van het in het eerste lid bedoelde onderzoek,
                        te allen tijde wordt gegarandeerd.</al><al>Lid 3</al><al>Voor aanstelling kan als vereiste worden gesteld, dat betrokkene in het
                        bezit is van een verklaring omtrent het gedrag als bedoeld in de <extref doc="1.0:v:BWBR0014194" struct="BWB">Wet justitiële en
                            strafvorderlijke gegevens</extref>.</al><al>Lid 4</al><al>De vreemdeling, zoals omschreven in de <extref doc="1.0:v:BWBR0011823" struct="BWB">Vreemdelingenwet 2000</extref> kan slechts voor een
                        aanstelling in aanmerking komen indien hij beschikt over een
                        tewerkstellingsvergunning tenzij hij van deze verplichting is uitgesloten
                        krachtens <extref doc="1.0:v:BWBR0007149&amp;artikel=3" struct="BWB">artikel 3 van de Wet arbeid vreemdelingen</extref>.</al><al>Artikel 2:3 Aanstelling; geneeskundig onderzoek</al><al>Lid 1</al><al>Onverminderd artikel 2:2 , kan het college bepalen dat voor bepaalde
                        functies, waarbij aan de vervulling van de functie bijzondere eisen op het
                        punt van de medische geschiktheid moeten worden gesteld, aanstelling alleen
                        mogelijk is na een geneeskundig onderzoek gericht op de te vervullen
                        betrekking, waaruit blijkt dat tegen het vervullen van de betrekking uit
                        medisch oogpunt geen bezwaren bestaan. Het geneeskundig onderzoek wordt
                        ingesteld door de geneeskundige(n), daartoe aangewezen door het
                        college.</al><al>Lid 2</al><al>De kosten van het geneeskundig onderzoek komen ten laste van de
                        gemeente.</al><al>Artikel 2:4 Duur van de aanstelling</al><al>Lid 1</al><al>De aanstelling geschiedt vast of tijdelijk.</al><al>Lid 2</al><al>Vanaf de dag dat de tijdelijke aanstelling een periode van 36 maanden
                        overschrijdt, geldt, met inachtneming van het derde en vierde lid, de
                        laatste aanstelling met ingang van die dag als vaste aanstelling.</al><al>Lid 3</al><al>Het tweede lid is niet van toepassing wanneer een tijdelijke aanstelling
                        wordt aangegaan voor een project met een eenmalig en uniek karakter.</al><al>Lid 4</al><al>In afwijking van het tweede lid geldt bij een tijdelijke aanstelling die is
                        aangegaan voor vervulling van de betrekking bij wijze van proef een maximale
                        termijn van 24 maanden, eventuele verlengingen daarin begrepen.</al><al>Lid 5</al><al>Het tweede lid is van overeenkomstige toepassing wanneer tijdelijke
                        aanstellingen elkaar met tussenpozen van niet meer dan drie maanden hebben
                        opgevolgd en een periode van 36 maanden, die tussenpozen inbegrepen,
                        overschrijden.</al><al>Lid 6</al><al>Vanaf de dag dat meer dan drie tijdelijke aanstellingen elkaar hebben
                        opgevolgd met tussenpozen van niet meer dan drie maanden, geldt de laatste
                        aanstelling als vaste aanstelling.</al><al>Artikel 2:4:1 Bericht van aanstelling</al><al>Lid 1</al><al>De ambtenaar ontvangt voor zijn indiensttreding kosteloos het bericht van
                        aanstelling. Dit bericht vermeldt:</al><lijst><li nr="a."><al>de gegevens genoemd in artikel II, tweede lid, onderdeel a tot en
                                met j, van de wet van 2 december 1993 (Stb. 1993, 635);</al></li><li nr="b."><al>de geboortedatum en geboorteplaats van de ambtenaar</al></li><li nr="c."><al>de aanstellingsgrond, indien de ambtenaar is aangesteld:</al></li><li nr="I."><al>in een tijdelijke aanstelling voor onbepaalde tijd;</al></li><li nr="II."><al>voor vervulling van een betrekking bij wijze van proef;</al></li><li nr="III."><al>voor een project met een eenmalig en uniek karakter;</al></li><li nr="IV."><al>hoofdzakelijk ten behoeve van een wetenschappelijke of praktische
                                opleiding of vorming;</al></li><li nr="V."><al>als vakantiekracht;</al></li><li nr="VI."><al>voor het verrichten van werkzaamheden in het kader van een door de
                                overheid getroffen regeling, die het karakter draagt door een
                                tijdelijke tewerkstelling de opneming in het arbeidsproces te
                                bevorderen van personen, die behoren tot één of meer bepaalde
                                groepen van werklozen;</al></li><li nr="VII."><al>als werkzoekende in tijdelijke dienst.</al></li></lijst><al>Lid 2</al><al>Een wijziging bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, wordt de ambtenaar
                        kosteloos meegedeeld.</al><al>Lid 3</al><al>De mededeling als bedoeld in het zesde lid van artikel II van de wet van 2
                        december 1993 geschiedt kosteloos.</al><al>Artikel 2:4:2 Vacatures</al><al>Lid 1</al><al>De vervulling van een vacature geschiedt bij voorkeur uit het personeel van
                        de gemeente, tenzij naar het oordeel van het tot aanstelling bevoegde
                        bestuursorgaan het dienstbelang zich daartegen verzet.</al><al>Lid 2</al><al>Het bepaalde in het vorige lid van dit artikel is van overeenkomstige
                        toepassing op degenen die een uitkering krachtens hoofdstuk 10a en 10d
                        genieten ten laste van de gemeente.</al><al>Artikel 2:5 Arbeidsovereenkomst</al><al>Lid 1</al><al>Door het college kan met een persoon slechts een arbeidsovereenkomst naar
                        burgerlijk recht worden aangegaan voor het bij oproep verrichten van
                        werkzaamheden van een in aard en omvang wisselend karakter.</al><al>Lid 2</al><al>De arbeidsovereenkomst wordt schriftelijk aangegaan, in tweevoud opgemaakt
                        en door beide partijen ondertekend.</al><al>Lid 3</al><al><extref doc="1.0:v:BWBR0001947&amp;artikel=125h" struct="BWB">Artikel
                            125h van de Ambtenarenwet</extref> is van overeenkomstige toepassing op
                        de persoon met wie een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd is
                        gesloten.</al><al>Artikel 2:5:1 Arbeidsovereenkomst</al><al>Ten aanzien van de arbeidsovereenkomst als bedoeld in artikel 2:5 zijn de
                        artikelen 2:1 tot en met 2:4:2 van overeenkomstige toepassing.</al><al>Artikel 2:5:2 Minimum-urengarantie bij oproepkrachten</al><al>De overeenkomst kent een minimum-urengarantie. Per oproep wordt een minimum
                        van 2 uur gegarandeerd en op maandbasis wordt uitbetaling van minimaal 15
                        uur gegarandeerd. De middeling van gewerkte uren vindt per kwartaal plaats
                        indien in de maanden van het betreffende kwartaal meer of minder uren wordt
                        gewerkt.</al><al>Artikel 2:5:3 Inhoud oproepovereenkomst</al><al>De overeenkomst dient de volgende afspraken te bevatten:</al><lijst><li nr="a."><al>de werkgever verbindt zich, indien zich werkzaamheden voordoen die
                                een beroep op de arbeid van de oproepkracht rechtvaardigen, het
                                verrichten van deze werkzaamheden aan de oproepkracht aan te
                                bieden;</al></li><li nr="b."><al>de oproepkracht verbindt zich in beginsel de werkzaamheden - na
                                daartoe opgeroepen te zijn - te verrichten;</al></li><li nr="c."><al>een oproep door de werkgever dient ten minste 24 uur voor de aanvang
                                van de feitelijke werkzaamheden aan de oproepkracht kenbaar gemaakt
                                te worden. Daarbij dient de werkgever de omvang van de werkzaamheden
                                zo nauwkeurig mogelijk aan te geven;</al></li><li nr="d."><al>de werkgever verbindt zich in de overeenkomst de tijden te
                                vermelden, waarbinnen de werkzaamheden kunnen worden verricht;</al></li><li nr="e."><al>een oproep kan door de werkgever worden afgezegd en door de
                                oproepkracht worden geweigerd, indien de afzegging respectievelijk
                                de weigering uiterlijk twaalf uur voor de aanvang van de feitelijke
                                werkzaamheden aan de wederpartij kenbaar wordt gemaakt. Indien
                                afzegging plaatsvindt zonder de termijn van twaalf uur in acht te
                                nemen, is de werkgever gehouden loon te betalen als ware de
                                werkzaamheden feitelijk vervuld. Indien weigering plaatsvindt zonder
                                de termijn van twaalf uur in acht te nemen, maakt de oproepkracht
                                zich schuldig aan plichtsverzuim;</al></li><li nr="f."><al>indien gedurende een omschreven periode de oproepkracht niet heeft
                                gewerkt, terwijl de werkgever de oproepkracht ten minste een
                                omschreven aantal malen daartoe heeft opgeroepen, en de oproepkracht
                                alsdan niet verhinderd was werkzaam te zijn wegens ziekte, kan
                                genoemde omstandigheid gelden als grond voor ontslag van de
                                oproepkracht op grond van artikel 8:13.</al></li></lijst><al>Artikel 2:5:4 Bezoldiging en betaling bij ziekte van de oproepkracht</al><al>Lid 1</al><al>De gemeente verbindt zich de bezoldiging van de oproepkracht te baseren op
                        de minimum afspraken zoals geformuleerd in artikel 2:5:2 .</al><al>Lid 2</al><al>De bezoldiging die de oproepkracht geniet, daaronder begrepen de
                        vakantietoelage, wordt uitgedrukt in een bezoldiging per uur.</al><al>Lid 3</al><al>Ingeval de oproepkracht aanspraak maakt op een uitkering ingevolge hoofdstuk
                        7, wordt als berekeningsbasis voor de uitkering uitgegaan van het inkomen
                        dat gemiddeld is genoten gedurende het kalenderkwartaal, voorafgaand aan het
                        tijdstip waarop de ziekte is ontstaan. Ingeval het arbeidspatroon in bedoeld
                        kalenderkwartaal in belangrijke mate afwijkt van het arbeidspatroon in een
                        voorafgaand kwartaal, wordt uitgegaan van het inkomen dat is genoten
                        gedurende een kalenderkwartaal dat een getrouw beeld geeft van het
                        gemiddelde arbeidspatroon van de oproepkracht.</al><al>Artikel 2:6 Overgangsrecht</al><al>Lid 1</al><al>Op aanstellingen of arbeidsovereenkomsten die op 1 juli 2001 voldoen aan de
                        voorwaarden van artikel 2:4 , wordt artikel 2:4 pas van toepassing indien
                        een volgende aanstelling of arbeidsovereenkomst wordt aangegaan na een
                        tussenpoos van niet meer dan drie maanden.</al><al>Lid 2</al><al>Op een tijdelijke aanstelling of arbeidsovereenkomst die voor 1 juli 2001 is
                        verleend en die na 1 juli 2001 doorloopt, blijven tot het einde van deze
                        aanstelling of arbeidsovereenkomst de bepalingen van toepassing, zoals deze
                        luidden voor 1 juli 2001.</al><al>Lid 3</al><al>Arbeidsovereenkomsten die zijn aangegaan op grond van de bepalingen van
                        artikel 2:5 , eerste lid, onder a, b of c, en artikel 2:5:2 , onder b,
                        juncto artikel 2:5 , eerste lid, onder e, zoals deze luidden voor 1 juli
                        2001, worden per 1 juli 2001 omgezet in een aanstelling. Van deze omzetting
                        ontvangt betrokkene kosteloos bericht. Het aanstellingsbesluit voldoet aan
                        de voorwaarden van artikel 2:4:1 .</al><al>Lid 4</al><al>Arbeidsovereenkomsten voor het bij oproep verrichten van werkzaamheden van
                        een in aard en omvang wisselend karakter, die zijn aangegaan voor 1 mei
                        1994, vallen onder de werking van hoofdstuk 2, zoals dat per 1 juli 2001
                        luidt, met uitzondering van artikel 2:5:2 .</al><al>Artikel 2:7 Aanpassing arbeidsduur</al><al>Lid 1</al><al>Overeenkomstig de <extref doc="1.0:v:BWBR0011173" struct="BWB">Wet
                            aanpassing arbeidsduur</extref> heeft een persoon die is aangesteld als
                        ambtenaar of met wie een arbeidsovereenkomst is aangegaan, het recht de
                        formele arbeidsduur per week te verminderen, tenzij zwaarwegende bedrijfs-
                        of dienstbelangen zich hiertegen verzetten.</al><al>Lid 2</al><al>Overeenkomstig de <extref doc="1.0:v:BWBR0011173" struct="BWB">Wet
                            aanpassing arbeidsduur</extref> heeft een persoon die is aangesteld als
                        ambtenaar of met wie een arbeidsovereenkomst is aangegaan, het recht om de
                        formele arbeidsduur per week uit te breiden tot het aantal uren van een
                        volledige betrekking, tenzij zwaarwegende bedrijfs- of dienstbelangen zich
                        hiertegen verzetten.</al><al>Lid 3</al><al>Het college kan afwijken van het gestelde in het tweede lid ten aanzien van
                        personen die werkzaam zijn in het kader van het <extref doc="1.0:v:BWBR0010994" struct="BWB">Besluit in- en
                            doorstroombanen</extref>, indien dit zou leiden tot een verlies van
                        subsidie.</al><al>Artikel 2:7a Aanpassing arbeidsduur</al><al>Lid 1</al><al>Op verzoek van het college kan de arbeidsduur van een ambtenaar die is
                        aangesteld voor een formele arbeidsduur van 36 uur per week, worden verruimd
                        naar maximaal 40 uur per week.</al><al>Lid 2</al><al>Bij een verruiming van de arbeidsduur geldt dat:</al><lijst><li nr="§"><al>de verruiming van de arbeidsduur plaatsvindt gedurende een vooraf te
                                bepalen periode;</al></li><li nr="§"><al>het salaris evenredig wordt verhoogd;</al></li><li nr="§"><al>de vakantieduur evenredig wordt verhoogd;</al></li><li nr="§"><al>de pensioenopbouw evenredig wordt verhoogd;</al></li><li nr="§"><al>de minimum vakantietoelage als bedoeld in artikel 6:3 , tweede lid,
                                sub a, evenredig wordt verhoogd;</al></li><li nr="§"><al>de minimale eindejaarsuitkering als bedoeld in artikel 3:6 , eerste
                                lid, evenredig wordt verhoogd;</al></li><li nr="§"><al>instemming van de ambtenaar is vereist;</al></li><li nr="§"><al>artikel 4a:2 in de bepaalde periode niet van toepassing is.</al></li></lijst><al>Lid 3</al><al>Wanneer het eerste lid van dit artikel wordt toegepast, meldt het college
                        dit vooraf aan de OR.</al><al>Lid 4</al><al>Het college rapporteert jaarlijks in het sociaal jaarverslag over het
                        gebruik van de uitbreidingsmogelijkheid van de arbeidsduur naar maximaal 40
                        uur. Deze rapportage wordt ter bespreking voorgelegd aan de OR.</al><al>3 Salaris en vergoedingsregelingen</al><al>Artikel 3:1 Bezoldiging</al><al>Lid 1</al><al>Met inachtneming van artikel 1:2:1 wordt aan de ambtenaar binnen het kader
                        van een lokaal vast te stellen bezoldigingsregeling een bezoldiging
                        toegekend.</al><al>Lid 2</al><al>In deze bezoldigingsregeling worden de volgende begrippen gebruikt:</al><lijst><li nr="a."><al><vet>schaal:</vet> de in het kader van de bezoldigingsregeling,
                                bedoeld in het eerste lid, voor een betrekking of voor een aantal
                                betrekkingen tezamen ter bepaling van het salaris geldende
                                opklimmende reeks van bedragen, daaronder mede begrepen de bedragen
                                welke gelden ter verhoging van het salaris als gevolg van
                                diensttijduitloop;</al></li><li nr="b."><al><vet>salaris:</vet> het bedrag van de schaal hetwelk aan de
                                ambtenaar is toegekend of, indien voor de betrekking een vast bedrag
                                geldt, dit bedrag;</al></li><li nr="c."><al><vet>bezoldiging:</vet> het salaris, vermeerderd met het bedrag van
                                de aan de ambtenaar toegekende emolumenten en toelagen - niet zijnde
                                onkostenvergoedingen - als omschreven in de in het eerste lid
                                bedoelde regeling, alsmede het bedrag van de functioneringstoelage
                                en de waarnemingstoelage.</al></li></lijst><al>Lid 3</al><al>Van de bezoldigingsregeling, bedoeld in het eerste lid, maken deel uit
                        bijlage II en IIa van de CAR.</al><lijst><li nr="a."><al>Bijlage II omvat de indeling van de schalen, bedoeld in het tweede
                                lid, onderdeel a, en is van toepassing op die ambtenaar die ook op
                                31 maart 1996 reeds een salaris genoot op grond van deze bijlage,
                                tenzij op grond van het gestelde onder b, tweede gedachtenstreepje,
                                bijlage IIa op hem van toepassing is.</al></li><li nr="b."><al>Bijlage IIa omvat de indeling en de opbouw van de schalen, bedoeld
                                in het tweede lid, onderdeel a, en is van toepassing op: </al><lijst><li nr="§"><al>de ambtenaar die op of na 1 april 1996 een betrekking
                                        aanvaardt in de zin van de CAR, zonder direct daaraan
                                        voorafgaand een betrekking in de zin van de CAR te hebben
                                        vervuld en</al></li><li nr="§"><al>de ambtenaar die op of na 1 april 1996 een nieuwe betrekking
                                        in de zin van de CAR aanvaardt, direct voorafgegaan door een
                                        andere betrekking in de zin van de CAR, waarbij aan die
                                        nieuwe betrekking een beter salarisperspectief is verbonden.
                                        Hierbij wordt een betrekking mede als nieuw aangemerkt
                                        ingeval een bestaande aanstelling of arbeidsovereenkomst
                                        wordt gewijzigd, als gevolg van een wijziging in de uit te
                                        voeren taken.</al></li></lijst></li></lijst><al>Lid 4</al><al>Met inachtneming van het bepaalde in het derde lid en het vijfde lid worden
                        in de bezoldigingsregeling nadere regels gesteld inzake de wijze waarop de
                        inschaling plaatsvindt ingevolge bijlage IIa van de ambtenaren ten aanzien
                        van wie het salaris op 31 maart 1996 is vastgesteld op grond van bijlage II
                        .</al><al>Lid 5</al><al>Van de nadere regels, bedoeld in het vorige lid, maken deel uit de
                        afspraken:</al><lijst><li nr="§"><al>dat de ambtenaar met een salaris ingevolge bijlage II , die voor 1
                                april 1997 reeds het maximum heeft bereikt van de schaal en die
                                binnen die betrekking geen perspectief heeft op een hogere schaal
                                eerst per 1 april 1997 een salaris gaat ontvangen op basis van het
                                maximum van dezelfde schaal ingevolge bijlage IIa ;</al></li><li nr="§"><al>en dat de ambtenaar met een salaris ingevolge bijlage II die op of
                                na 1 april 1997 het maximum bereikt van de schaal en binnen zijn
                                betrekking geen perspectief heeft op een hogere schaal op de datum
                                van het bereiken van het maximum van de schaal een salaris gaat
                                ontvangen op basis van het maximum van dezelfde schaal ingevolge
                                bijlage IIa .</al></li></lijst><al>Lid 6</al><al>Het salaris wordt berekend, gebaseerd op de formele arbeidsduur per week, en
                        uitgekeerd per maand.</al><al>Lid 7</al><al>Met instemming van de ambtenaar kan een ambtenaar van 55 jaar of ouder in
                        het kader van seniorenbeleid aangesteld worden in een functie waaraan een
                        lagere schaal is verbonden met een dienovereenkomstige aanpassing van het
                        salaris.</al><al>Lid 8</al><al>Na de toepassing van artikel 7:16 , tweede lid, kan de ambtenaar worden
                        herplaatst in de eigen of een passende functie waaraan een lagere schaal is
                        verbonden met dienovereenkomstige aanpassing van het salaris. </al><al>Artikel 3:1:1 Bezoldiging</al><al>Lid 1</al><al>De bezoldiging, bedoeld in artikel 3:1, eerste lid, wordt bepaald met
                        inachtneming van de aard van de betrekking en de wijze waarop de ambtenaar
                        deze vervult. Mede kunnen in aanmerking worden genomen bekwaamheid en
                        geschiktheid van de ambtenaar, voor zover in het belang van de dienst
                        gebleken ter zake van werkzaamheden niet tot zijn eigenlijke betrekking
                        behorende. Voorts kunnen in aanmerking worden genomen leeftijd en
                        dienstjaren van de ambtenaar alsook andere omstandigheden, voor zover deze
                        naar het oordeel van het tot aanstelling bevoegde bestuursorgaan, gelet op
                        het dienstbelang en gelet op verhoudingen binnen de dienst, van betekenis
                        zijn.</al><al>Lid 2</al><al>Voor zover daarin niet reeds is voorzien door de in artikel 3:1, eerste lid,
                        bedoelde regeling kan het college nadere regelen stellen met betrekking tot
                        het in het eerste lid bepaalde.</al><al>Lid 3</al><al>Voor zover in de in artikel 3:1, eerste lid, bedoelde regeling niet anders
                        is bepaald, geschiedt de uitbetaling van de bezoldiging per maand. Omtrent
                        de wijze waarop de uitbetaling geschiedt, kan het college nadere regels
                        stellen.</al><al>Lid 4</al><al>Over de tijd gedurende welke de ambtenaar in strijd met zijn verplichtingen
                        opzettelijk nalaat zijn betrekking te vervullen, wordt hem zijn bezoldiging
                        niet uitgekeerd.</al><al>Artikel 3:1:2 Waarnemingstoelage</al><al>Lid 1</al><al>De ambtenaar die ingevolge hem daartoe door of namens het college verstrekte
                        opdracht volledig een andere betrekking waarneemt, ontvangt, indien voor die
                        betrekking een hogere schaal geldt dan voor zijn betrekking, over de tijd
                        van deze waarneming een vergoeding overeenkomstig het bepaalde in het
                        volgende lid.</al><al>Lid 2</al><al>De vergoeding, bedoeld in het vorige lid, bedraagt 8% van het eigen salaris
                        gedurende de periode van de waarneming. De vergoeding tezamen met de
                        bezoldiging bedraagt gedurende de waarneming niet meer dan de ambtenaar zou
                        hebben ontvangen indien hij was ingeschaald in de bij de waargenomen
                        betrekking behorende schaal, hoogste periodiek. Voor de ambtenaar wiens
                        salaris hoger is dan het maximum van een bij besluit van het college voor de
                        toepassing van deze bepaling aangewezen schaal, bestaat eerst aanspraak op
                        deze vergoeding, indien de waarneming in een aaneengesloten tijdvak van zes
                        weken ten minste twintig volle werkdagen heeft geduurd, in welk geval hem de
                        vergoeding over de dagen waarop hij reeds waargenomen heeft alsnog wordt
                        uitbetaald.</al><al>Lid 3</al><al>De ambtenaar die ingevolge hem daartoe door of namens het college verstrekte
                        opdracht volledig een andere betrekking waarneemt waarvoor andere werktijden
                        zijn vastgesteld dan voor zijn betrekking gelden, ontvangt - zulks
                        onverminderd het bepaalde in het eerste lid - in zoverre op de waar te nemen
                        betrekking het bepaalde in artikel 3:3 van toepassing is een vergoeding
                        overeenkomstig de in dat artikel bedoelde regels. Op de eerste twee dagen en
                        op de eerste zaterdag en zondag van de waarneming ontvangt hij evenwel voor
                        de uren welke liggen buiten de voor zijn betrekking geldende werktijd ten
                        minste een bedrag gelijk aan de vergoeding als bedoeld in artikel 3:2:1 .
                        Wordt achtereenvolgens en zonder onderbreking meer dan een betrekking als
                        hier bedoeld waargenomen, dan geldt dit als een geval van waarneming.</al><al>Lid 4</al><al>Geen vergoeding ingevolge het eerste en derde lid wordt genoten door de
                        ambtenaar voor wie krachtens zijn aanstelling een bijzondere regeling
                        geldt.</al><al>Lid 5</al><al>Het college is bevoegd om in andere gevallen van waarneming een naar het
                        oordeel van het college, gelet op de aard en de omvang van de ingevolge de
                        waarneming verrichte werkzaamheden, alsmede op de duur en de wijze van de
                        waarneming, billijke vergoeding toe te kennen.</al><al>Artikel 3:2 Overwerkvergoeding</al><al>De ambtenaar als bedoeld in de artikelen 4:3 en 4:8 heeft recht op een
                        vergoeding voor overwerk. In een nader vast te stellen regeling wordt onder
                        meer bepaald in welke gevallen een uitzondering geldt wat betreft de
                        mogelijkheid aanspraak te maken op een vergoeding, bedoeld in de eerste zin. </al><al>Artikel 3:2:1 Overwerkvergoeding</al><al>Lid 1</al><al>De vergoeding, bedoeld in artikel 3:2, bestaat uit verlof gelijk aan het
                        aantal volle uren van het overwerk, alsmede uit het bedrag dat voor die uren
                        wordt berekend overeenkomstig het in het vijfde lid bepaalde.</al><al>Lid 2</al><al>Het verlof, bedoeld in het vorige lid, wordt verleend op een zo vroeg
                        mogelijk tijdstip. Op verzoek van de ambtenaar en voor zover de belangen van
                        de dienst en de belangen van de andere ambtenaren dit toelaten wordt het
                        verlof verleend - zo nodig in afwijking van het bepaalde in de eerste volzin
                        - op een tijdstip dat de ambtenaar wenst.</al><al>Lid 3</al><al>Voor 1 november (tenzij lokaal anders is geregeld) kunnen verlofuren die het
                        gevolg zijn van de vergoeding voor overwerk dat zal worden verricht in het
                        daarop volgende kalenderjaar, worden omgezet in vakantie als bedoeld in
                        artikel 6:2, eerste lid. Het aantal verlofuren uit de vorige volzin en het
                        aantal vakantie-uren, als bedoeld in artikel 6:2, tweede lid, tezamen mag
                        maximaal 50,4 uur bedragen. Voor de ambtenaar die is aangesteld voor een
                        arbeidsduur van minder dan 36 uur per week geldt een naar evenredigheid
                        lager aantal uren als maximum.</al><al>Lid 4</al><al>Kan geen verlof worden verleend in overeenstemming met het in het tweede lid
                        bepaalde, dan bestaat de in artikel 3:2 bedoelde vergoeding uitsluitend uit
                        een bedrag. Dit bedrag wordt berekend overeenkomstig het bepaalde in het
                        vijfde lid, met dien verstande, dat de in dat lid genoemde percentages
                        worden vermeerderd met 100.</al><al>Lid 5</al><lijst><li nr="a."><al>Het bedrag van de in het eerste lid bedoelde vergoeding wordt voor
                                elk van de in aanmerking komende uren berekend naar een percentage
                                van het uurloon van de ambtenaar. Dit percentage bedraagt:</al><lijst><li nr="§"><al>100 voor overwerk op een zondag tussen 0 en 24 uur;</al></li><li nr="§"><al>75 voor overwerk op een zaterdag tussen 0 en 24 uur;</al></li><li nr="§"><al>75 voor overwerk op een maandag tussen 0 en 6 uur</al></li><li nr="§"><al>50 voor overwerk op een dinsdag, woensdag, donderdag of
                                        vrijdag tussen 0 en 6 uur;</al></li><li nr="§"><al>50 voor overwerk op een maandag, dinsdag, woensdag,
                                        donderdag of vrijdag tussen 20 en 24 uur;</al></li><li nr="§"><al>25 voor overwerk op maandag, dinsdag, woensdag, donderdag of
                                        vrijdag tussen 6 en 20 uur</al></li></lijst></li><li nr="b."><al>Voor overwerk op een feestdag, als bedoeld in artikel 4:5 , derde
                                lid, en op de dag volgende op die feestdag tussen 0 en 6 uur, geldt
                                het percentage ingevolge het voorgaande, onderscheidenlijk voor een
                                zondag en voor een maandag tussen 0 en 6 uur, bepaald.</al></li><li nr="c."><al>Is voor de ambtenaar volgens rooster in plaats van een zondag, een
                                feestdag, als bedoeld in artikel 4:5, derde lid, of een zaterdag,
                                een andere vrije dag aangewezen dan wordt overwerk op die dag
                                beschouwd als overwerk op overeenkomstige uren verricht op
                                onderscheidenlijk een zondag, een feestdag, bedoeld in artikel 4:5,
                                derde lid, of een zaterdag. Het college is echter bevoegd om, indien
                                zulks naar het oordeel van het college wenselijk is, een regeling
                                vast te stellen waarbij in afwijking van het hier bepaalde voor
                                overwerk op vorenbedoelde vrije dag, ongeacht of deze is aangewezen
                                in de plaats van een zondag of een feestdag, bedoeld in artikel
                                4:2:1, derde lid, of een zaterdag, een gelijke vergoeding wordt
                                vastgesteld van 80%.</al></li></lijst><al>Lid 6</al><al>Het college bepaalt welke ambtenaren - gelet op de aard en het niveau van
                        hun betrekking - geen aanspraak hebben op vergoeding voor overwerk. Het
                        college is bevoegd aan de ambtenaar die op grond van het bovenstaande geen
                        aanspraak heeft op vergoeding voor overwerk in bijzondere gevallen een door
                        het college te bepalen vergoeding toe te kennen, indien en naarmate dit naar
                        het oordeel van het college, gelet op de aard of omvang van het overwerk en
                        de onvermijdelijkheid daarvan, redelijk is te achten.</al><al>Lid 7</al><al>Het college is bevoegd om voor werkzaamheden welke door ambtenaren met een
                        verschillende bezoldiging en eventueel een verschillende betrekking te samen
                        en gelijktijdig als overwerk moeten worden verricht, een naar het oordeel
                        van het college billijke voor deze ambtenaren gelijke vergoeding vast te
                        stellen.</al><al>Lid 8</al><al>Dit artikel is niet van toepassing op overwerk dat voortvloeit uit een van
                        de in artikel 15:1:11 bedoelde verplichtingen. Het college regelt
                        afzonderlijk de vergoeding voor zodanig overwerk.</al><al>Artikel 3:3 Toelage onregelmatige dienst</al><al>Lid 1</al><al>De ambtenaar als bedoeld in de artikelen 4:3 en 4:8 heeft recht op een
                        vergoeding over de werktijd vastgesteld op:</al><lijst><li nr="a."><al>maandag tot en met vrijdag tussen 0.00 en 08.00 uur en tussen 18.00
                                uur en 24.00 uur;</al></li><li nr="b."><al>zaterdag tussen 0.00 en 24.00 uur;</al></li><li nr="c."><al>zondag tussen 0.00 en 24.00 uur. </al></li></lijst><al>Lid 2</al><al>In afwijking van het bepaalde in het eerste lid heeft de ambtenaar geen
                        recht op vergoeding, indien in een week slechts op één aaneengesloten
                        periode van ten hoogste 3 uur, op de in dat lid onder a of b genoemde
                        tijdstippen, werktijd is vastgesteld.</al><al>Lid 3</al><al>In afwijking van het bepaalde in het tweede lid behoudt de ambtenaar zijn
                        recht op vergoeding over de op zaterdag vastgestelde werktijd, indien voor
                        hem reeds vóór 1 januari 1997 in de regel werktijd op zaterdag werd
                        vastgesteld.</al><al>Lid 4</al><al>In een nader vast te stellen regeling wordt onder meer bepaald in welke
                        gevallen, anders dan in de voorgaande leden, een uitzondering geldt voor de
                        mogelijkheid om aanspraak te maken op een vergoeding, als bedoeld in het
                        eerste lid.</al><al>Artikel 3:3:1</al><al>Vervallen per 1-1-2014</al><al>Artikel 3:3A Beschikbaarheidsdiensten</al><al>Lid 1</al><al>Het college stelt voor de ambtenaar aan wie de verplichting bedoeld in
                        artikel 2:1B, tweede lid, onderdeel c, is opgelegd, regelen ter vergoeding
                        daarvan. Geen vergoeding wordt toegekend indien uitdrukkelijk is bepaald dat
                        bij de vaststelling van de bezoldiging met vorenbedoelde verplichting
                        rekening is gehouden. </al><al>Lid 2</al><al>De ambtenaar die valt onder de standaardregeling en die aangewezen is voor
                        het verrichten van beschikbaarheidsdiensten als bedoeld in artikel 2:1B,
                        tweede lid, onderdeel c, heeft over de uren buiten het dagvenster dat hij
                        daadwerkelijk arbeid verricht recht op een buitendagvenstervergoeding. </al><al>Artikel 3:4 Verschuivingsvergoeding</al><al>Het college kan bepalen dat bij verschuiving van de vastgestelde werktijden
                        per week van de ambtenaar als bedoeld in artikel 4:3 en 4:8 anders dan op
                        verzoek van de ambtenaar aanspraak op een vergoeding ontstaat. In een nader
                        vast te stellen regeling wordt bepaald wanneer recht ontstaat op een
                        verschuivingsvergoeding. </al><al>Artikel 3:4:1 Verschuivingsvergoeding</al><al>Lid 1</al><al>Met inachtneming van het bepaalde in artikel 3:4 heeft de ambtenaar als
                        bedoeld in de artikelen 4:3 en 4:8 recht op een vergoeding, indien binnen 72
                        uur voor aanvang van de oorspronkelijk vastgestelde werktijd, de werktijden
                        worden verschoven. </al><al>Lid 2</al><al>Het bepaalde in het eerste lid is van overeenkomstige toepassing in geval
                        een verschuiving van de oorspronkelijk vastgestelde arbeidsduur per week
                        en/of de oorspronkelijk vastgestelde werktijd plaatsvindt zonder dat het
                        dienstbelang dit vereist, gedurende de periode gelegen tussen een maand en
                        72 uur voor aanvang van de betreffende week dan wel de werktijd.</al><al>Lid 3</al><al>De hoogte van deze vergoeding bedraagt voor elk verschoven uur 25% van het
                        uurloon.</al><al>Artikel 3:5 Ambtsjubileumgratificatie</al><al>De ambtenaar heeft recht op een ambtsjubileumgratificatie. In een nader vast
                        te stellen regeling wordt onder meer bepaald:</al><lijst><li nr="a."><al>in welke gevallen een uitzondering geldt wat betreft de mogelijkheid
                                aanspraak te maken op een gratificatie, bedoeld in de aanhef;</al></li><li nr="b."><al>op welke wijze het bedrag aan gratificatie wordt berekend.</al></li></lijst><al>Artikel 3:5:1 Ambtsjubileumgratificatie</al><al>Lid 1</al><al>Aan de ambtenaar die gedurende 25 jaar een betrekking bij de overheid heeft
                        vervuld, wordt een gratificatie toegekend overeenkomende met de helft van de
                        bezoldiging en van de vakantietoelage waarop de ambtenaar in de maand van
                        zijn jubileum aanspraak heeft. De ambtenaar die gedurende veertig
                        respectievelijk vijftig jaar een betrekking bij de overheid heeft vervuld,
                        ontvangt een gratificatie gelijk aan een bedrag, overeenkomende met de
                        gehele bezoldiging, vermeerderd met de vakantietoelage over de maand waarin
                        hij deze jubilea gedenkt. Aan de ambtenaar, die wordt ontslagen:</al><lijst><li nr="a."><al>op grond van artikel 8:3 ;</al></li><li nr="b."><al>op grond van artikel 8:4 bij een arbeidsongeschiktheid van 80% of
                                meer;</al></li><li nr="c."><al>op grond van 8:11 indien en voorzover het een volledig ontslag
                                betreft;</al></li></lijst><al>en die indien het ontslag niet had plaatsgevonden het voor een gratificatie
                        vereiste aantal dienstjaren binnen vijf jaren na de ontslagdatum had kunnen
                        vervullen, wordt een proportionele gratificatie toegekend. Deze
                        proportionele gratificatie wordt berekend door het bedrag waarop recht zou
                        hebben bestaan indien het vereiste aantal dienstjaren zou zijn vervuld, te
                        vermenigvuldigen met een breuk. Daarvan wordt de teller gevormd door het
                        feitelijk geheel of gedeeltelijk vervulde aantal dienstjaren, waarbij naar
                        boven wordt afgerond op hele maanden; de noemer is het aantal dienstjaren
                        dat vervuld had moeten zijn om voor de gratificatie in aanmerking te komen.
                        De op grond van het vorenstaande berekende bedragen worden naar boven
                        afgerond op een veelvoud van vijf euro.</al><al>Lid 2</al><al>Bij gedeeltelijk ontslag wordt de proportionele ambtsjubileumgratificatie
                        berekend naar rato van het aantal uren waarvoor ontslag wordt verleend.</al><al>Artikel 3:6 Eindejaarsuitkering</al><al>Lid 1</al><al>De ambtenaar heeft recht op een eindejaarsuitkering ten bedrage van 6,0% van
                        het voor hem in een kalenderjaar geldende salaris op jaarbasis. De uitkering
                        bedraagt bij een volledige betrekking minimaal € 1.750,--. Bij een deeltijd
                        betrekking wordt dit bedrag naar rato vastgesteld.</al><al>Lid 2</al><al>De eindejaarsuitkering wordt eenmaal per kalenderjaar in de maand december
                        betaald.</al><al>Lid 3</al><al>Bij indiensttreding na 1 januari van een kalenderjaar bouwt de ambtenaar
                        naar evenredigheid aanspraken op een eindejaarsuitkering op. Bij ontslag van
                        de ambtenaar vindt betaling van de eindejaarsuitkering plaats over het
                        gedeelte van het kalenderjaar dat de ambtenaar in dienstverband werkzaam is
                        geweest.</al><al>Artikel 3:7:1 Vervallen</al><al>(Vervallen)</al><al>Artikel 3:7:2 Vervallen</al><al>(Vervallen)</al><al>Artikel 3:7:3 Vervallen</al><al>(Vervallen)</al><al>Artikel 3:7:4 Vervallen</al><al>(Vervallen)</al><al>Artikel 3:7:5 Vervallen</al><al>(Vervallen)</al><al>Artikel 3:7:6 Vervallen</al><al>(Vervallen)</al><al>Artikel 3:7:7 Vervallen</al><al>(Vervallen)</al><al>Artikel 3:7:8 Persoonlijke toelage</al><al>Lid 1</al><al>Aan de ambtenaar, die het maximum van de voor hem geldende schaal heeft
                        bereikt, kan door het college een toelage worden toegekend, wanneer daartoe
                        op grond van buitengewone bekwaamheid, geschiktheid en ijver aanleiding
                        bestaat.</al><al>Lid 2</al><al>De toelage wordt ingetrokken, indien de gronden waarop de toelage werd
                        toegekend niet meer aanwezig zijn, tenzij het college van oordeel is, dat er
                        omstandigheden zijn om de toelage geheel of gedeeltelijk te handhaven.</al><al>Artikel 3:8 Buitendagvenstervergoeding </al><al>Lid 1 </al><al>De ambtenaar die valt onder de standaardregeling voor de werktijden en die
                        door het college aangewezen is om arbeid te verrichten buiten het dagvenster
                        als bedoeld in artikel 4:2, tweede lid, heeft recht op een
                        buitendagvenstervergoeding. </al><al>Lid 2</al><al>De buitendagvenstervergoeding bedraagt:</al><lijst><li nr="§"><al> 50% van het uurloon van de ambtenaar over de gewerkte uren buiten
                                het dagvenster tussen maandag 00:00 uur en vrijdag 24:00 uur; </al></li><li nr="§"><al> 75% van het uurloon van de ambtenaar over de uren gewerkt op
                                zaterdag; </al></li><li nr="§"><al> 100% van het uurloon van de ambtenaar over de uren gewerkt op
                                zondag en op de feestdagen genoemd in artikel 4:5, derde lid. </al></li></lijst><al>Lid 3</al><al>De ambtenaar die een functie bekleedt waaraan een functieschaal 11 of hoger
                        verbonden is heeft geen recht op een buitendagvenstervergoeding. </al><al>4 Arbeidsduur en werktijden</al><al>Artikel 4:1 Arbeidsduur en werktijden </al><al>Het college stelt lokaal een werktijdenregeling vast met inachtneming van
                        hetgeen in dit hoofdstuk bepaald is. </al><al>Paragraaf 1 Standaardregeling voor de werktijden </al><al>Artikel 4:2 Standaardregeling voor de werktijden</al><al>Artikel 4:2 Arbeidsduur en werktijden</al><al>Lid 1</al><al>De ambtenaar verricht zijn werkzaamheden op tijden binnen het
                        dagvenster.</al><al>Lid 2</al><al>Het dagvenster loopt van maandag tot en met vrijdag tussen 7:00 en 22:00
                        uur.</al><al>Lid 3</al><al>De ambtenaar en het college maken voorafgaand aan elk kalenderjaar afspraken
                        over de werktijden, het verlof en de planning van de werkzaamheden van de
                        ambtenaar, voor het komende jaar. </al><al>Lid 4</al><al>Ten aanzien van de afspraken over werktijden geldt als uitgangspunt dat</al><lijst><li nr="a."><al> hierover overeenstemming bereikt wordt tussen de ambtenaar en het
                                college;</al></li><li nr="b."><al>de werktijden binnen de normen van de <extref doc="1.0:v:BWBR0007671" struct="BWB">arbeidstijdenwet</extref> blijven; </al></li><li nr="c."><al> de werktijd per dag ten hoogste 11 uren bedraagt en per week 50
                                uren, tenzij op verzoek van de ambtenaar daarvan wordt afgeweken.
                            </al></li></lijst><al>Lid 5</al><al>Als gevolg van gewijzigde omstandigheden kunnen de afspraken over de
                        werktijden aangepast worden. </al><al>Lid 6</al><al>De ambtenaar en het college overleggen tweemaal per jaar over de werktijden
                        in relatie tot de planning van de werkzaamheden. </al><al>Lid 7</al><al>Blijkt tijdens dit periodieke gesprek over de werktijden dat het ongewijzigd
                        voortzetten van de planning van de werkzaamheden leidt tot overschrijding
                        van de arbeidsduur per jaar, dan worden de afspraken in overleg aangepast.
                        Indien de ambtenaar en het college het erover eens zijn dat overschrijding
                        van de arbeidsduur per jaar onvermijdelijk is dan wordt in overleg de omvang
                        van de overschrijding vastgesteld, uitgedrukt in uren. De ambtenaar ontvangt
                        voor elk teveel gewerkt uur een vergoeding ter hoogte van het uurloon of een
                        uur vakantieverlof. </al><al>Lid 8</al><al>de ambtenaar verricht arbeid op werktijden buiten het dagvenster wanneer dat
                        op grond van dienstbelang noodzakelijk is.. Voor de uren die de ambtenaar
                        buiten het dagvenster werkt geldt een buitendagvenstervergoeding als bedoeld
                        in artikel 3:8. </al><al>Lid 9</al><al>Ten aanzien van het verrichten van arbeid buiten het dagvenster vanwege
                        dienstbelang is het bepaalde in artikel 4:5 van overeenkomstige toepassing. </al><al>Lid 10</al><al>Wanneer de ambtenaar en het college er niet in slagen om de werktijden in
                        overeenstemming vast te stellen, dan stelt het college wanneer het
                        dienstbelang dit vergt eenzijdig de werktijden vast met afweging van alle
                        betrokken belangen. In die situatie geldt ten aanzien van de werktijden van
                        de ambtenaar de bijzondere regeling als bedoeld in paragraaf 2 van dit
                        hoofdstuk. </al><al>Lid 11</al><al>Het college kan de ambtenaar om redenen van dienstbelang incidenteel
                        verzoeken om werkzaamheden te verrichten op werktijden die afwijken van de
                        afspraken die hierover gemaakt zijn op grond van het derde lid. Wanneer de
                        ambtenaar en het college hierover geen overeenstemming bereiken dan heeft de
                        ambtenaar recht op een vergoeding voor de gewerkte uren ter hoogte van de
                        buitendagvenstervergoeding, zoals omschreven in artikel 3:8, tweede lid,
                        eerste aandachtstreepje. Artikel 3:8, derde lid, is van overeenkomstige
                        toepassing. </al><al>Lid 12</al><al>Het college en de OR evalueren jaarlijks de regels en afspraken over de
                        werktijden in de organisatie. De OR heeft de bevoegdheid om
                        verbetervoorstellen in te dienen, waarvan het college alleen gemotiveerd kan
                        afwijken. </al><al>Lid 13</al><al>Als op 31 december 2013 op grond van een lokale regeling een ruimer
                        dagvenster geldt dan het dagvenster genoemd in het tweede lid, dan blijft
                        vanaf 1 januari 2014 dit ruimere dagvenster gelden. </al><al>Paragraaf 2 Bijzondere regeling voor de werktijden </al><lijst><li nr=""><al>Artikel 4:3 Werkingssfeer</al></li><li nr=""><al>Artikel 4:4 Vaststelling werktijden</al></li><li nr=""><al>Artikel 4:5 Werken op zon- en feestdagen</al></li><li nr=""><al>Artikel 4:6 Werken op zon- en feestdagen</al></li><li nr=""><al>Artikel 4:7 Nadere regels</al></li></lijst><al>Artikel 4:3 Werkingssfeer</al><al>Deze paragraaf is van toepassing op de ambtenaar van wie de werktijd
                        eenzijdig wordt vastgesteld door het college. </al><al>Artikel 4:4 Vaststelling werktijden</al><al>Lid 1 </al><al>Het college stelt de werktijden van de ambtenaar vast. </al><al>Lid 2</al><al>De arbeidsduur bedraagt ten hoogste 11 uur per dag en 50 uur per week. </al><al>Lid 3</al><al>Wanneer voor de ambtenaar wisselende werktijden gelden dan legt het college
                        deze vast in een rooster. </al><al>Lid 4</al><al>Bij de vaststelling van de werktijden worden de volgende regels in acht
                        genomen: </al><lijst><li nr="a."><al>De werktijden worden ten minste één maand voor aanvang bekend
                                gemaakt aan de ambtenaar. </al></li><li nr="b."><al>De werktijd van de ambtenaar wordt niet uitsluitend vastgesteld op
                                een wijze waardoor een aanspraak op een ORT wordt ontweken. </al></li></lijst><al>Artikel 4:5 Werken op zon- en feestdagen</al><al>Lid 1</al><al>De ambtenaar verricht geen werkzaamheden op zaterdag en zondag, tenzij het
                        dienstbelang dit noodzakelijk maakt. Een afwijking hiervan is slechts
                        mogelijk voor ten hoogste 26 zondagen per jaar. </al><al>Lid 2</al><al>Bij de vaststelling van de werktijden van de ambtenaar wordt zoveel mogelijk
                        gezorgd, dat de ambtenaar op zondag en de voor hem geldende kerkelijke
                        feestdagen zijn kerk kan bezoeken en dat hij in zijn zondagsrust zo weinig
                        mogelijk wordt beperkt. </al><al>Lid 3</al><al>Hetgeen in dit artikel ten aanzien van het verrichten van arbeid op zondag
                        is bepaald, geldt mede voor het verrichten van arbeid op de nieuwjaarsdag,
                        de tweede Paasdag, de Hemelvaartsdag, de tweede Pinksterdag, de beide
                        Kerstdagen en de dag waarop de verjaardag van de koning wordt gevierd. </al><al>Lid 4</al><al>Voor zover het dienstbelang niet anders vereist, geldt, hetgeen in dit
                        artikel ten aanzien van het verrichten van arbeid op zondag is bepaald, ook
                        voor kerkelijke of nationale, landelijke, regionale of plaatselijk erkende
                        feest- of gedenkdagen die door het college zijn aangewezen als dagen, waarop
                        de openbare dienst van de gemeente is gesloten.</al><al>Lid 5</al><al>Het bepaalde in dit artikel vindt voor hem die tot een kerkgenootschap
                        behoort dat de wekelijkse rustdag op de sabbat of de zevende dag viert,
                        overeenkomstige toepassing indien hij een daartoe strekkend verzoek heeft
                        ingediend.</al><al>Artikel 4:6 Werken op zon- en feestdagen</al><al>Indien door de ambtenaar, bedoeld in artikel 3:3, arbeid op zaterdag of
                        zondag wordt verricht, wordt hem voor elke zaterdag of zondag waarop hij
                        arbeid heeft verricht een werkdag ter vrije beschikking toegekend. </al><al>Artikel 4:7 Nadere regels</al><al>Het college kan ter uitvoering van de artikelen 4:1 tot en met 4:6 nadere
                        regels stellen. </al><al>Paragraaf 3 Werktijden brandweerpersoneel in dienstroosters</al><al>Artikel 4:8 Werktijden brandweerpersoneel in dienstroosters</al><al>Artikel 4:8 Werktijden brandweerpersoneel in dienstroosters </al><al>Lid 1 </al><al>De artikelen 4:1 tot en met 4:7 zijn niet van toepassing op de ambtenaar die
                        bij de brandweer werkzaam is in een dienstrooster. </al><al>Lid 2</al><al>Het college stelt voor de ambtenaren genoemd in het eerste lid van dit
                        artikel een werktijdenregeling vast. </al><al>Lid 3</al><al>Bij het vaststellen van het dienstrooster draagt het college er zorg voor
                        dat de arbeidsduur per jaar niet wordt overschreden. </al><al>Paragraaf 4 Opgebouwde verloftegoed uit voormalige verlofspaarmogelijkheid </al><al>Artikel 4:9 Opgebouwde verloftegoed uit voormalige
                        verlofspaarmogelijkheid</al><al>Artikel 4:9 Opgebouwde verloftegoed uit voormalige
                        verlofspaarmogelijkheid</al><al>Lid 1</al><al>Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder: </al><lijst><li nr="a."><al><vet>opgebouwde verloftegoed: </vet> het voor 1 april 2006
                                opgebouwde verlof in het kader van de voormalige
                                verlofspaarmogelijkheid;</al></li><li nr="b."><al><vet> kapitalisatie van het opgebouwde verloftegoed:</vet> het
                                omzetten van het opgebouwde verloftegoed in een geldbedrag. Per
                                verlofuur wordt een bedrag uitgekeerd ten hoogte van het op het
                                moment van uitbetalen geldende uurloon van de ambtenaar</al></li></lijst><al>Lid 2</al><al>Het opgebouwde verloftegoed wordt op verzoek van de ambtenaar door het
                        college verleend, tenzij de belangen van de dienst zich daartegen verzetten.
                        De ambtenaar geniet het verlof zoveel als mogelijk in een aaneengesloten
                        periode.</al><al>Lid 3</al><al>De ambtenaar kan verzoeken om kapitalisatie van het opgebouwde verloftegoed.
                        Het college beslist of aan dit verzoek kan worden voldaan. Het verloftegoed
                        kan enkel worden gekapitaliseerd wanneer de ambtenaar deelneemt aan de
                        levensloopregeling en waneer het gekapitaliseerde verloftegoed wordt gestort
                        op zijn levenslooprekening. Bij de kapitalisatie van het opgebouwde
                        verloftegoed gelden de randvoorwaarden zoals opgenomen in de wettelijke
                        bepalingen omtrent de levensloopregeling. Wanneer in een bepaald jaar het
                        opgebouwde verloftegoed niet volledig kan worden gekapitaliseerd kan de
                        ambtenaar in een volgend jaar opnieuw een verzoek indienen tot kapitalisatie
                        van het resterende opgebouwde verloftegoed. Het college beslist dan of aan
                        dit verzoek kan worden voldaan. </al><al>Lid 4</al><al>In geval van ontslag op grond van artikel 8:1 wordt het resterende
                        opgebouwde verloftegoed zoveel mogelijk opgenomen gedurende de opzegtermijn.
                        In overeenstemming met de ambtenaar kan hiervoor de maximale opzegtermijn
                        zonodig worden verlengd. Indien het voor de ambtenaar, in verband met het
                        aanvaarden van een andere betrekking, niet mogelijk is om de opzegtermijn te
                        verlengen, wordt het niet opgenomen resterende opgebouwde verloftegoed
                        uitbetaald ingevolge het bepaalde in het tiende lid. </al><al>Lid 5</al><al>In geval van ontslag op grond van artikel 8:3, 8:6, 8:7, 8:8, 8:10 of 8:11
                        wordt de ambtenaar in de gelegenheid gesteld om voorafgaand aan het ontslag
                        het resterende opgebouwde verloftegoed op te nemen. Indien dit niet mogelijk
                        is, wordt het niet opgenomen opgebouwde verloftegoed uitbetaald ingevolge
                        het bepaalde in het tiende lid. </al><al>Lid 6</al><al>In geval van ontslag op grond van artikel 8:5a of 8:13 is de ambtenaar
                        verplicht het resterende opgebouwde verloftegoed op te nemen met ingang van
                        de dag dat het voornemen tot ontslag aan de ambtenaar is meegedeeld. Het
                        ontslag gaat in op de eerste dag na afloop van de opname van het opgebouwde
                        verloftegoed. </al><al>Lid 7</al><al>In geval van ontslag op grond van artikel 8:4 en 8:5 of 8:9 wordt het
                        resterende opgebouwde verloftegoed uitbetaald op grond van het tiende lid. </al><al>Lid 8</al><al>In het geval van overlijden van de ambtenaar wordt aan de nabestaanden, met
                        inachtneming van het bepaalde van artikel 8:16:2, het resterende opgebouwde
                        verloftegoed uitbetaald ingevolge het bepaalde in het tiende lid. </al><al>Lid 9</al><al>In geval het ontslag als bedoeld in de voorgaande leden een gedeeltelijk
                        ontslag betreft, worden tussen de ambtenaar en het college nadere afspraken
                        gemaakt over de opname van het resterende opgebouwde verloftegoed. </al><al>Lid 10</al><al>Indien het opgebouwde verloftegoed wordt uitbetaald, wordt dit uitbetaald
                        naar het op het moment van uitbetalen geldende uurloon van de ambtenaar. </al><al>4a Uitwisselen van arbeidsvoorwaarden</al><al>Artikel 4a:1 Vakantie-uren uitwisselen tegen geld</al><al>Lid 1</al><al>De ambtenaar kan bij het college voor 1 november (tenzij lokaal anders is
                        geregeld) een verzoek indienen om gedurende het daaropvolgende kalenderjaar
                        de duur van de vakantie - als bedoeld in artikel 6:2, eerste lid - te
                        verminderen in ruil voor een vergoeding als bedoeld in het vijfde lid.</al><al>Lid 2</al><al>Voor de ambtenaar met een volledige betrekking bedraagt het aantal
                        vakantie-uren –na vermindering op grond van het eerste lid – minimaal 144
                        uren. Voor de ambtenaar die is aangesteld voor een formele arbeidsduur van
                        minder dan 36 uur per week geldt een naar evenredigheid lager aantal uren
                        als minimum.</al><al>Lid 3</al><al>Voor de ambtenaar met een volledige betrekking bedraagt het aantal te
                        verminderen vakantie-uren op grond van het eerste lid maximaal 72 uren. Voor
                        de ambtenaar die is aangesteld voor een formele arbeidsduur van minder dan
                        36 uur per week geldt een naar evenredigheid lager aantal uren als
                        maximum.</al><al>Lid 4</al><al>Het college wijst een verzoek als bedoeld in het eerste lid toe, tenzij
                        zwaarwegende bedrijfs- of dienstbelangen zich daartegen verzetten.</al><al>Lid 5</al><al>Tenzij op lokaal niveau anders is overeengekomen ontvangt de ambtenaar voor
                        elk op grond van het eerste lid verminderd vakantie-uur een vergoeding
                        overeenkomend met de hoogte van het salaris per uur dat hij geniet bij de
                        aanvang van het kalenderjaar waarop het verzoek betrekking heeft.</al><al>Artikel 4a:2 Geld uitwisselen tegen vakantie-uren</al><al>Lid 1</al><al>De ambtenaar kan bij het college voor 1 november (tenzij lokaal anders is
                        geregeld) een verzoek indienen om gedurende het daaropvolgende kalenderjaar
                        de duur van de vakantie - als bedoeld in artikel 6:2 , eerste lid - te
                        vermeerderen tegen inlevering van een vergoeding als bedoeld in het vierde
                        lid.</al><al>Lid 2</al><al>Voor de ambtenaar met een volledige betrekking bedraagt het aantal op grond
                        van het eerste lid te vermeerderen vakantie-uren maximaal 72 uren. Voor de
                        ambtenaar die is aangesteld voor een formele arbeidsduur van minder dan 36
                        uur per week geldt een naar evenredigheid lager aantal uren als
                        maximum.</al><al>Lid 3</al><al>Het college wijst een verzoek als bedoeld in het eerste lid toe, tenzij
                        zwaarwegende bedrijfs- of dienstbelangen zich daartegen verzetten.</al><al>Lid 4</al><al>Tenzij op lokaal niveau anders is overeengekomen, wordt op het salaris van
                        de ambtenaar voor elk op grond van het eerste lid meer verkregen
                        vakantie-uur een vergoeding ingehouden overeenkomend met de hoogte van het
                        salaris per uur dat hij geniet bij aanvang van het kalenderjaar waarop het
                        verzoek betrekking heeft.</al><al>Artikel 4a:3 Inhouding op bezoldiging, eindejaarsuitkering, vakantietoelage
                        of urenvergoeding</al><al>Lid 1</al><al>Het college kan op verzoek van de ambtenaar zijn bezoldiging als bedoeld in
                        artikel 3:1 , zijn eindejaarsuitkering als bedoeld in artikel 3:6 , zijn
                        vakantietoelage als bedoeld in artikel 6:3 of zijn vergoeding als bedoeld in
                        artikel 4a:1 , vijfde lid, verlagen voor door het college vastgestelde
                        bestedingsmogelijkheden.</al><al>Lid 2</al><al>Bij regeling van het college kunnen voor de uitvoering van het bepaalde in
                        het eerste lid nadere voorschriften worden gesteld.</al><al>5 Seniorenmaatregelen</al><al>Vervallen hoofdstuk</al><al>Hoofdstuk 5 is vervallen.</al><al>5a FPU Gemeenten en nieuwe seniorenmaatregelen</al><al>Paragraaf 1 FPU Gemeenten</al><lijst><li nr=""><al>Artikel 5a:1 Recht op uitkering</al></li><li nr=""><al>Artikel 5a:2 Berekingsgrondslag</al></li><li nr=""><al>Artikel 5a:3 Hoogte van de Aanvulling werkgever</al></li><li nr=""><al>Artikel 5a:4 Aftopping aanvulling werkgever voor medewerkers die
                                vanaf 1 juli 2006 gebruikmaken van de FPU Gemeenten</al></li><li nr=""><al>Artikel 5a:4a Aftopping aanvulling werkgever voor medewerkers die in
                                de periode van 1 januari 2006 tot 1 juli 2006 gebruikmaken van de
                                FPU Gemeenten</al></li><li nr=""><al>Artikel 5a:4b Aftopping aanvulling werkgever voor medewerkers die
                                vóór 1 januari 2006 gebruikmaken van de FPU Gemeenten</al></li><li nr=""><al>Artikel 5a:5 Einde van het recht op een Aanvulling werkgever</al></li><li nr=""><al>Artikel 5a:6 Pensioenopbouw</al></li><li nr=""><al>Artikel 5a:7 Lokaal beleid</al></li><li nr=""><al>Artikel 5a:8 Vervallen</al></li></lijst><al>Artikel 5a:1 Recht op uitkering</al><al>De ambtenaar die:</al><lijst><li nr="a."><al>ontslag wordt verleend op grond van artikel 8:11 en</al></li><li nr="b."><al>geen gebruik maakt of heeft gemaakt van een of meer van de in
                                hoofdstuk 5 genoemde regelingen en</al></li><li nr="c."><al>geen betrekking heeft vervuld die door de gemeente is aangewezen als
                                bezwarende functie en waarvoor afwijkende regels zijn gesteld,</al></li></lijst><al>heeft in het kader van de FPU Gemeenten recht op een Aanvulling
                        werkgever.</al><al>Artikel 5a:2 Berekeningsgrondslag</al><al>Lid 1</al><al>In dit hoofdstuk wordt onder berekeningsgrondslag verstaan: de
                        pensioengrondslag zoals die is vastgesteld in januari in het jaar
                        voorafgaand aan het moment van gebruikmaking van de aanvulling van de
                        werkgever, met dien verstande dat indien de ambtenaar direct voorafgaande
                        aan het ontstaan van het recht op een Aanvulling werkgever meer dan een
                        betrekking vervult, voor de vaststelling van de berekeningsgrondslag wordt
                        uitgegaan van het inkomen uit de betrekking waaruit het recht op een
                        Aanvulling werkgever ontstaat.</al><al>Lid 2</al><al>Voor de ambtenaar die een deeltijdbetrekking vervult, wordt als
                        berekeningsgrondslag de in het eerste lid genoemde berekeningsgrondslag
                        gehanteerd, vermenigvuldigd met de deeltijdfactor zoals genoemd in artikel
                        1.2, tweede lid van het pensioenreglement, direct voorafgaande aan het
                        ontstaan van het recht op een Aanvulling werkgever.</al><al>Artikel 5a:3 Hoogte van de Aanvulling werkgever</al><al>Lid 1</al><al>De Aanvulling werkgever bedraagt een percentage van de berekeningsgrondslag,
                        dat eenmalig wordt vastgesteld op het moment dat hij voor het eerst
                        gebruikmaakt van de FPU Gemeenten aan de hand van de leeftijd van de
                        ambtenaar op 31 december 2005 en bedraagt:</al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colwidth="36*"/><colspec colname="col2" colwidth="64*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al><vet>Leeftijd ambtenaar op 31 december 2005</vet></al></entry><entry colname="col2"><al><vet>Aanvulling werkgever als percentage van
                                                berekeningsgrondslag bij uittreden op
                                                spilleeftijd</vet></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>56</al></entry><entry colname="col2"><al>6,9</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>57</al></entry><entry colname="col2"><al>8,0</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>58</al></entry><entry colname="col2"><al>9,4</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>59</al></entry><entry colname="col2"><al>11,3</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>60</al></entry><entry colname="col2"><al>14</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>61 of ouder</al></entry><entry colname="col2"><al>16</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>Lid 2</al><al>De hoogte van de aanvulling werkgever wordt actuarieel neutraal herrekend
                        indien de ambtenaar uittreedt op een eerder of later moment dan de voor hem
                        geldende spilleeftijd.</al><al>Lid 3</al><lijst><li nr="a."><al>De in het tweede lid genoemde spilleeftijd is voor de ambtenaar
                                geboren</al></li><li nr="I."><al>vóór of op 1 april 1947: 61 jaar en twee maanden; </al></li><li nr="II."><al>na 1 april 1947: 62 jaar en drie maanden. </al></li><li nr="b."><al>Voor zover dit leidt tot een vroegere spilleeftijd dan genoemd onder
                                a, is de in het tweede lid genoemde spilleeftijd voor de ambtenaar
                                die onder de FPU maatregel 42, 43, 44 FPU-jaren valt, het moment
                                waarop hij het aantal dienstjaren van 42 jaar en twee maanden,
                                respectievelijk 43 jaar en twee maanden, respectievelijk 44 jaar en
                                twee maanden bereikt. </al></li></lijst><al>Artikel 5a:4 Aftopping aanvulling werkgever voor medewerkers die vanaf 1
                        juli 2006 gebruikmaken van de FPU Gemeenten</al><al>Lid 1</al><al>Voor medewerkers die vanaf 1 juli 2006 op of na de spilleeftijd gebruikmaken
                        van hun recht op FPU Gemeenten wordt de uitkering afgetopt op 100% van het
                        totaalinkomen. Voor de definitie van totaalinkomen wordt verwezen naar
                        artikel 5a:4b eerste lid. Als de Aanvulling werkgever niet of niet volledig
                        tot uitkering komt wordt dat gedeelte van de Aanvulling werkgever
                        doorgeschoven naar het ouderdoms- en nabestaandenpensioen vanaf 65
                        jaar.</al><al>Lid 2</al><al>Voor werknemers die vanaf 1 juli 2006 vóór de spilleeftijd gebruikmaken van
                        hun recht op FPU Gemeenten wordt de uitkering afgetopt op 90% van het
                        totaalinkomen. Voor de definitie van totaalinkomen wordt verwezen naar
                        artikel 5a:4b, eerste lid. </al><al>Lid 3</al><lijst><li nr="a."><al>de in het tweede lid genoemde spilleeftijd is voor de ambtenaar
                                geboren:</al></li><li nr="I."><al>vóór of op 1 april 1947: 61 jaar en twee maanden; </al></li><li nr="II."><al>na 1 april 1947: 62 jaar en drie maanden.</al></li><li nr="b."><al>Voor zover dit leidt tot een vroegere spilleeftijd dan genoemd onder
                                a, is de in het tweede lid genoemde spilleeftijd voor de ambtenaar
                                die onder de FPU maatregel 42, 43, 44 FPU-jaren valt, het moment
                                waarop hij het aantal dienstjaren van 42 jaar en twee maanden,
                                respectievelijk 43 jaar en twee maanden, respectievelijk 44 jaar en
                                twee maanden bereikt. </al></li></lijst><al>Artikel 5a:4a Aftopping aanvulling werkgever voor medewerkers die in de
                        periode van 1 januari 2006 tot 1 juli 2006 gebruikmaken van de FPU
                        Gemeenten</al><al>Lid 1</al><al>Voor werknemers die vanaf 1 januari 2006 tot 1 juli 2006 op of na de
                        spilleeftijd van de FPU Gemeenten gebruikmaken van hun recht op FPU
                        Gemeenten wordt de uitkering afgetopt op 100% van het totaalinkomen. Voor de
                        definitie van totaalinkomen wordt verwezen naar artikel 5a:4b eerste lid.
                        Als de Aanvulling werkgever niet of niet volledig tot uitkering komt wordt
                        dat gedeelte van de Aanvulling werkgever doorgeschoven naar het ouderdoms-
                        en nabestaandenpensioen vanaf 65 jaar. </al><al>Lid 2</al><al>Voor werknemers die vanaf 1 januari 2006 tot 1 juli 2006 vóór de
                        spilleeftijd van de FPU Gemeenten gebruikmaken van hun recht op FPU
                        Gemeenten wordt de uitkering afgetopt op 90% van het totaalinkomen. Voor de
                        definitie van totaalinkomen wordt verwezen naar artikel 5a:4b eerste lid. </al><al>Lid 3</al><al>De in het eerste en tweede lid genoemde spilleeftijd is voor de ambtenaar
                        geboren:</al><lijst><li nr="a."><al>vóór of op 1 april 1947: 60 jaar</al></li><li nr="b."><al>na 1 april 1947: 61 jaar</al></li></lijst><al>Artikel 5a:4b Aftopping aanvulling werkgever voor medewerkers die vóór 1
                        januari 2006 gebruikmaken van de FPU Gemeenten</al><al>Lid 1</al><al>Onder het totaalinkomen van de ambtenaar wordt verstaan de som van:</al><lijst><li nr="a."><al>de FPU-uitkering;</al></li><li nr="b."><al>de Aanvulling werkgever; en, in het geval dat een deeltijdbetrekking
                                resteert na het ontslag op grond van artikel 8:11;</al></li><li nr="c."><al>de berekeningsgrondslag zoals genoemd in artikel 5a:2, eerste lid,
                                vermenigvuldigd met de deeltijdfactor die ontstaat op het moment dat
                                ontslag is verleend op grond van artikel 8:11;</al></li><li nr="d."><al>de andere inkomsten uit of in verband met de resterende
                                deeltijdbetrekking.</al></li></lijst><al>Lid 2</al><al>De Aanvulling werkgever wordt slechts uitgekeerd voor zover het
                        totaalinkomen van de ambtenaar niet meer bedraagt dan 90% van de
                        berekeningsgrondslag. </al><al>Lid 3</al><al>De beoordeling of het totaalinkomen boven 90% van de berekeningsgrondslag
                        uitkomt, vindt plaats bij elk ontslag op grond van artikel 8:11.</al><al>Lid 4</al><al>Bij de in het eerste lid, onder a, bedoelde FPU-uitkering blijft buiten
                        beschouwing dat gedeelte van de uitkering krachtens de FPU-regeling dat
                        gebaseerd is op een individuele opbouw zoals geregeld in het
                        pensioenreglement. </al><al>Lid 5</al><al>Indien de in het eerste lid, onder a, bedoelde FPU-uitkering is verminderd
                        krachtens artikel 9 of 10 van het Reglement flexibel pensioen en uittreden
                        (FPU) ter zake van basisuitkering en aanvullende uitkering, respectievelijk
                        in verband met samenloop met inkomsten uit arbeid of bedrijf, of in verband
                        met samenloop met uitkering ter zake van arbeidsongeschiktheid, wordt voor
                        de toepassing van dit artikel uitgegaan van de onverminderde
                        FPU-uitkering.</al><al>Artikel 5a:5 Einde van het recht op een Aanvulling werkgever</al><al>Het recht op een Aanvulling werkgever eindigt bij een ontslag anders dan op
                        grond van artikel 8:11 dan wel wanneer niet langer recht bestaat op een
                        uitkering krachtens de FPU-regeling.</al><al>Artikel 5a:6 Pensioenopbouw</al><al>De werkgever betaalt aan de ambtenaar die gebruikmaakt van de FPU Gemeenten
                        een vergoeding pensioenpremie die overeenkomt met de werkgeversbijdrage in
                        de doorsneepremie die vereist is voor 20% pensioenopbouw gedurende de
                        periode dat gebruik wordt gemaakt van de regeling. De in de eerste volzin
                        genoemde pensioenopbouw heeft betrekking op dat deel van de dienstbetrekking
                        waarvoor ontslag is verleend op grond van artikel 8:11.</al><al>Artikel 5a:7 Lokaal beleid</al><al>Het college kan een nadere regeling treffen op grond waarvan het gebruik van
                        de FPU Gemeenten kan worden beïnvloed. Deze nadere regeling laat de
                        aanspraken van de ambtenaar op de FPU Gemeenten onverlet.</al><al>Artikel 5a:8 Vervallen</al><al>(Vervallen)</al><al>Paragraaf 2 Pensioenopbouw bij afloop loopbaan</al><al>Artikel 5a:9 Pensioenopbouw bij afloop loopbaan</al><al>Artikel 5a:9 Pensioenopbouw bij afloop loopbaan</al><al>Indien de ambtenaar op grond van artikel 3:1, zevende lid, bij dezelfde of
                        een andere werkgever in de gemeentelijke sector, een andere functie met een
                        gelijke formele arbeidsduur accepteert, blijft de pensioenopbouw gebaseerd
                        op de oude inschaling.</al><al>6 Vakantie, vakantietoelage en (zwangerschaps- en bevallings)verlof</al><al>Artikel 6:1 Recht op vakantie</al><al>In elk kalenderjaar heeft de ambtenaar recht op vakantie met behoud van
                        bezoldiging.</al><al>Artikel 6:1:1 Vakantieverlening</al><al>Lid 1</al><al>De vakantie, waarop de ambtenaar recht heeft ingevolge artikel 6:1, wordt
                        verleend, tenzij de belangen van de dienst zich daartegen verzetten en
                        toepassing wordt gegeven aan het bepaalde in artikel 6:2:4, eerste lid, dan
                        wel toepassing wordt gegeven aan artikel 6:2:6.</al><al>Lid 2</al><al>De vakantie wordt verleend door het college.</al><al>Artikel 6:2 Duur vakantie</al><al>Lid 1</al><al>De duur van de vakantie van de ambtenaar met een volledige betrekking
                        bedraagt ten minste 158,4 uren per kalenderjaar.</al><al>Lid 2</al><al>Voor 1 november (tenzij lokaal anders is geregeld) kan de ambtenaar
                        verzoeken in het daaropvolgende kalenderjaar de arbeidsduur per jaar te
                        mogen overschrijden met - bij een volledige betrekking - een maximum van
                        50,4 uren en deze uren om te zetten in vakantie als bedoeld in het eerste
                        lid. Voor de ambtenaar die is aangesteld voor een arbeidsduur van minder dan
                        36 uren per week geldt een naar evenredigheid lager aantal uren als
                        maximum.</al><al>Lid 3</al><al>Het college wijst een verzoek als bedoeld in het vorige lid toe, tenzij
                        zwaarwegende bedrijfs- of dienstbelangen zich daartegen verzetten.</al><al>Artikel 6:2:1 Nadere regels</al><al>Lid 1</al><al>Met inachtneming van het bepaalde in artikel 6:2 geeft het college algemene
                        regels met betrekking tot de duur van de vakantie.</al><al>Lid 2</al><al>De duur van de vakantie van een ambtenaar die is aangesteld voor een formele
                        arbeidsduur van minder dan 36 uur per week, wordt naar evenredigheid
                        verminderd.</al><al>Lid 3</al><al>Bij de in het eerste lid bedoelde algemene regels wordt ten aanzien van de
                        ambtenaren of bepaalde groepen van ambtenaren voorzien in een vermeerdering
                        van de vakantie op grond van volbrachte diensttijd of bereikte leeftijd, dan
                        wel van beide, waarbij het bepaalde in het tweede lid van overeenkomstige
                        toepassing is.</al><al>Lid 4</al><al>De aan de ambtenaar volgens de in het eerste lid bedoelde algemene regels
                        toekomende vakantie wordt vermeerderd met 14,4 uren ten aanzien van degene,
                        bedoeld in de artikelen 3:3 en 3:3:1, indien regelmatig en in belangrijke
                        mate op onregelmatige uren wordt gewerkt, respectievelijk indien de in
                        artikel 3:3:1 genoemde verplichting regelmatig en in belangrijke mate op de
                        ambtenaar rust.</al><al>Lid 5</al><al>In gevallen waarin dit artikel niet voorziet, stelt het college bijzondere
                        regels vast.</al><al>Lid 6</al><al>Vervallen.</al><al>Lid 7</al><al>Het recht op vermeerdering van de vakantie als bedoeld in het derde lid van
                        dit artikel vervalt met ingang van de dag waarop de ambtenaar gebruikmaakt
                        van de FPU Gemeenten als omschreven in hoofdstuk 5a.</al><al>Artikel 6:2:2 Aaneengesloten periode</al><al>Lid 1</al><al>De vakantie kan worden opgesplitst, maar wordt als regel voor ten minste 2/3
                        deel, doch in elk geval voor ten minste tien werkdagen, aaneensluitend
                        verleend.</al><al>Lid 2</al><al>De vakantie wordt desverlangd zoveel mogelijk, in het bijzonder voor wat
                        betreft de aaneengesloten periode, bedoeld in het eerste lid, verleend in
                        het tijdvak van 1 mei tot 1 oktober. De ambtenaar wordt in de gelegenheid
                        gesteld vakantie op te nemen op officiële feestdagen, samenhangend met
                        geloof en/of culturele achtergrond anders dan de feestdagen genoemd in
                        artikel 4:5 lid 3, bij het huwelijk of geregistreerd partnerschap van bloed-
                        en aanverwanten in eerste en tweede graad en bij verhuizing.</al><al>Lid 3</al><al>De beslissing omtrent de tijdstippen waarop de vakantie zal worden verleend,
                        alsmede die omtrent de tijdvakken waarin de vakantie eventueel zal worden
                        gesplitst, berust bij het bestuursorgaan dat de vakantie verleent. Bij die
                        beslissing wordt, voor zover de belangen van de dienst en die van de andere
                        ambtenaren die toelaten, zoveel mogelijk rekening gehouden met de wensen van
                        de ambtenaar.</al><al>Artikel 6:2:3 Vakantieopbouw tijdens ziekte, arbeidsongeschiktheid en andere
                        redenen van afwezigheid</al><al>Lid 1</al><al>De ambtenaar die in de loop van een kalenderjaar is aangesteld of wordt
                        ontslagen heeft recht op een duur van de vakantie naar rato van de tijd dat
                        hij zijn betrekking vervult.</al><al>Lid 2</al><al>Voor de ambtenaar die door oorzaken anders dan die bedoeld in het eerste
                        lid, niet gedurende het volle kalenderjaar zijn betrekking vervult, wordt de
                        duur van de vakantie, zo mogelijk van het lopende en overigens van een
                        volgend kalenderjaar, naar evenredigheid verminderd, behoudens het bepaalde
                        in het derde lid.</al><al>Lid 3</al><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 6:1:1, eerste lid, wordt een
                        vermindering, bedoeld in het tweede lid, niet toegepast:</al><lijst><li nr="a."><al>gedurende de laatste 6 maanden van de periode van afwezigheid,
                                wegens zwangerschap en bevalling of niet aan schuld of nalatigheid
                                te wijten ziekte van de ambtenaar, voorafgaand aan het herstel of
                                het ontslag van de ambtenaar;</al></li><li nr="b."><al>in geval van verblijf in militaire dienst, anders dan voor eerste
                                oefening;</al></li><li nr="c."><al>indien en voor zolang de ambtenaar voor ten hoogste 55% van de voor
                                hem vastgestelde werktijd wegens niet aan zijn schuld of nalatigheid
                                te wijten ziekte verhinderd is zijn betrekking te vervullen. Deze
                                verhindering wordt voor het bepalen van de in dit lid onder a
                                bedoelde periode van zes maanden buiten beschouwing gelaten.</al></li></lijst><al>Een opnieuw ingetreden verhindering tot het vervullen van de betrekking
                        wegens ziekte wordt voor het bepalen van de in dit lid onder a bedoelde
                        periode van zes maanden als een voortzetting van de vorige verhindering
                        beschouwd, tenzij die verhindering zich voordoet nadat tenminste vier weken
                        zijn verstreken sedert de ambtenaar zijn betrekking volledig heeft
                        hervat.</al><al>Lid 4</al><al>Indien aan de ambtenaar op zijn verzoek vakantie wordt verleend op
                        werkdagen, waarop hij wegens ziekte slechts gedurende een gedeelte daarvan
                        zijn arbeid kan verrichten, wordt het aantal vakantie-uren van de ambtenaar
                        verminderd met het aantal uren waarmee het aantal vakantie-uren verminderd
                        zou worden ingeval de ambtenaar niet gedeeltelijk wegens ziekte verhinderd
                        zou zijn geweest, tenzij het bevoegde bestuursorgaan dat de vakantie
                        verleent in naar zijn oordeel daarvoor in aanmerking komende gevallen anders
                        beslist.</al><al>Lid 5</al><al>Voor vakantie-uren waarop de ambtenaar aanspraak heeft, maar die met ingang
                        van de dag van ontslag nog niet zijn verleend wordt een vergoeding gegeven.
                        Deze vergoeding is gelijk aan het uurloon van de ambtenaar voor elk niet
                        verleend vakantie-uur.</al><al>Artikel 6:2:4 Niet genoten vakantie wegens dienstbelang</al><al>Lid 1</al><al>Is aan de ambtenaar om redenen van dienstbelang in enig kalenderjaar de
                        vakantie niet of niet geheel verleend, dan wordt hem die nog niet genoten
                        vakantie zoveel mogelijk in het eerstvolgende, doch uiterlijk voor het einde
                        van het tweede volgende kalenderjaar verleend.</al><al>Lid 2</al><al>Indien het belang van de dienst het onvermijdelijk maakt, dat de vakantie of
                        het aaneengesloten gedeelte daarvan wordt genoten buiten het in artikel
                        6:2:2, tweede lid, genoemde tijdvak, kan door het college de duur van de
                        vakantie of het aaneengesloten deel daarvan met 1/3 worden verlengd.</al><al>Artikel 6:2:5 Intrekking</al><al>Lid 1</al><al>Verleende vakantie kan worden ingetrokken, wanneer dringende redenen van
                        dienstbelang zulks noodzakelijk maken. Indien ten gevolge daarvan de
                        ambtenaar op een bepaalde werkdag slechts gedeeltelijk vakantie genoot,
                        worden de genoten vakantie-uren van die werkdag niet in aanmerking genomen
                        bij de berekening van het aantal genoten vakantie-uren.</al><al>Lid 2</al><al>Indien de ambtenaar ten gevolge van de intrekking van de vakantie geldelijke
                        schade lijdt, wordt deze schade hem vergoed.</al><al>Artikel 6:2:6 Niet verleende vakantie</al><al>Lid 1</al><al>Indien in enig kalenderjaar de vakantie geheel of gedeeltelijk niet is
                        verleend:</al><lijst><li nr="a."><al>op verzoek van de ambtenaar;</al></li><li nr="b."><al>als gevolg van afwezigheid wegens ziekte die niet aan de schuld of
                                nalatigheid van de ambtenaar is te wijten; of</al></li><li nr="c."><al>als gevolg van verblijf in militaire dienst anders dan voor eerste
                                oefening,</al></li></lijst><al>wordt de niet genoten vakantie in een volgend kalenderjaar verleend, tenzij
                        het belang van de dienst of de belangen van de andere ambtenaren zich
                        daartegen verzetten. Een verzoek als bedoeld onder a kan achterwege blijven,
                        indien de niet genoten vakantie minder is dan een nader door het college te
                        bepalen aantal uren. </al><al>Lid 2</al><al>De wegens ziekte tijdens een vakantie niet genoten vakantie-uren worden als
                        niet verleend beschouwd, indien de ambtenaar aannemelijk kan maken dat hij,
                        ware hem geen vakantie verleend, op die uren verhinderd zou zijn geweest
                        zijn betrekking te vervullen.</al><al>Lid 3</al><al>Het bepaalde in het eerste en tweede lid geldt met dien verstande, dat de
                        ambtenaar in enig kalenderjaar nimmer meer vakantie-uren kan opnemen dan
                        anderhalf maal het hem bij of krachtens artikel 6:2:1 toekomende aantal uren
                        tenzij op een desbetreffend verzoek van de ambtenaar uitdrukkelijk anders is
                        beslist.</al><al>Artikel 6:2:7 Derving voordelen uit betrekking</al><al>Aan de ambtenaar die tijdens zijn vakantie bepaalde voordelen welke aan zijn
                        betrekking zijn verbonden derft, kan deswege een vergoeding worden
                        toegekend.</al><al>Artikel 6:3 Aanspraak vakantietoelage</al><al>Lid 1</al><al>De ambtenaar heeft aanspraak op een vakantietoelage voor elke maand waarover
                        hij als zodanig bezoldiging heeft genoten. Indien een ambtenaar in de loop
                        van een maand zijn betrekking gaat vervullen dan wel wordt ontslagen,
                        ontvangt hij een evenredig deel van de vakantietoelage over die maand.</al><al>Lid 2</al><al>De vakantietoelage bedraagt per kalendermaand 8% van de voor de ambtenaar in
                        die maand geldende bezoldiging, met dien verstande dat aan de ambtenaar ten
                        minste het bedrag wordt uitbetaald dat gelijk is aan de voor ambtenaren
                        vastgestelde minimum vakantietoelage, welk bedrag bij het vervullen van een
                        onvolledige betrekking naar evenredigheid wordt verminderd. </al><al>Artikel 6:3:1 Uitbetaling vakantietoelage</al><al>Lid 1</al><al>De vakantietoelage, bedoeld in artikel 6:3, wordt eenmaal per kalenderjaar
                        uitbetaald over de periode van 12 maanden, beginnende met de maand juni van
                        het voorafgaande kalenderjaar. In afwijking van het bepaalde in de vorige
                        zin vindt uitbetaling ook plaats bij ontslag van de ambtenaar.</al><al>Lid 2</al><lijst><li nr="a."><al>Artikel 6:3, alsmede het eerste lid van dit artikel zijn niet van
                                toepassing op de ambtenaar, die in werkelijke dienst is of te werk
                                is gesteld in de zin van <extref doc="1.0:v:BWBR0002386&amp;artikel=9" struct="BWB">artikel
                                    9 van de Wet gewetensbezwaren militaire dienst</extref>;</al></li><li nr="b."><al>Aan de ambtenaar die ingevolge wettelijke verplichting anders dan
                                voor herhalingsoefeningen als militair in werkelijke dienst is, of
                                te werk is gesteld in de zin van <extref doc="1.0:v:BWBR0002386&amp;artikel=9" struct="BWB">artikel
                                    9 van de Wet gewetensbezwaren militaire dienst</extref> en die
                                vervangende dienst gedurende negen maanden heeft vervuld, wordt een
                                bedrag uitgekeerd, dat gelijk is aan het verschil tussen het bedrag,
                                dat hij als vakantie-uitkering uit hoofde van zijn militaire dienst
                                of tewerkstelling in de zin van de <extref doc="1.0:v:BWBR0002386" struct="BWB">Wet gewetensbezwaren
                                    militaire dienst</extref> ontvangt en het bedrag aan
                                vakantietoelage - mits dit hoger is - dat hij zou hebben ontvangen
                                indien de voorgaande leden op hem van toepassing zouden zijn en de
                                toelage zou zijn berekend op basis van de volle aan zijn betrekking
                                verbonden bezoldiging.</al></li></lijst><al>Lid 3</al><al>Bij de toepassing van dit artikel wordt in acht genomen dat de tijd
                        gedurende welke bij wijze van disciplinaire straf of uit hoofde van
                        schorsing een gedeelte van de bezoldiging wordt ingehouden buiten
                        beschouwing wordt gelaten, indien en voorzover dat bij de strafoplegging of
                        schorsing is bepaald. Artikel 8:15:2, vierde en vijfde lid, is van
                        overeenkomstige toepassing.</al><al>Lid 4</al><al>Met betrekking tot de uitvoering van dit artikel kan het college nadere
                        regels stellen.</al><al>Artikel 6:4 Buitengewoon verlof</al><al>Lid 1</al><al>De ambtenaar die op grond van de <extref doc="1.0:v:BWBR0013008" struct="BWB">Waz</extref> recht heeft op calamiteiten- en ander kort
                        verzuimverlof of kraamverlof heeft gedurende dit verlof aanspraak op
                        doorbetaling van zijn bezoldiging. </al><al>Lid 2</al><al>In een nader vast te stellen regeling wordt bepaald in welke andere gevallen
                        aan de ambtenaar door het college buitengewoon verlof met behoud van de
                        bezoldiging kan worden verleend.</al><al>Lid 3</al><al>In een nader vast te stellen regeling wordt bepaald in welke gevallen het
                        college buitengewoon verlof kan verlenen aan de ambtenaar die lid is van een
                        op grond van artikel 12:1, derde lid, toegelaten organisatie.</al><al>Lid 4</al><al>In de situatie dat er tijdens de non-activiteit elders pensioen wordt
                        opgebouwd, is het verhaal van de Vut-fonds bijdrage als bedoeld in artikel
                        21 van het FPU-reglement basis-en aanvullende uitkering gelijk aan de
                        bijdrage die voor de ambtenaar is verschuldigd.</al><al>Artikel 6:4:1 Buitengewoon verlof</al><al>Lid 1</al><al>Het college verleent aan de ambtenaar buitengewoon verlof met behoud van
                        bezoldiging op de dag dat het huwelijk of geregistreerd partnerschap van de
                        ambtenaar wordt voltrokken.</al><al>Lid 2</al><al>De ambtenaar meldt tenminste twee weken tevoren aan het college wanneer het
                        huwelijk of het registeren van het partnerschap zal plaatsvinden.</al><al>Artikel 6:4:1a Langdurend zorgverlof</al><al>Lid 1</al><al>De ambtenaar die op grond van de <extref doc="1.0:v:BWBR0013008" struct="BWB">Waz</extref> recht heeft op langdurend zorgverlof heeft
                        over de uren dat hij dit verlof geniet aanspraak op doorbetaling van 50% van
                        zijn bezoldiging.</al><al>Lid 2</al><al>Indien de ambtenaar gedurende het langdurend zorgverlof wegens ziekte niet
                        in staat is zijn betrekking te vervullen vindt geen opschorting van het
                        langdurend zorgverlof plaats.</al><al>Lid 3</al><al>De ambtenaar die langdurend zorgverlof geniet en langer dan 7 kalenderdagen
                        wegens ziekte niet in staat is zijn betrekking te vervullen heeft met ingang
                        van de achtste kalenderdag aanspraak op zijn volledige bezoldiging.</al><al>Lid 4</al><al>De duur van de vakantie van de ambtenaar die langdurend zorgverlof geniet
                        wordt verminderd naar evenredigheid van de omvang van het langdurend
                        zorgverlof.</al><al>Lid 5</al><al>Indien de ambtenaar wegens ziekte niet in staat is zijn betrekking te
                        vervullen en deze ziekteperiode duurt langer dan 7 kalenderdagen, wordt met
                        ingang van de achtste kalenderdag de vermindering van de duur van de
                        vakantie beëindigd.</al><al>Lid 6</al><al>De opbouw van de vakantietoelage van de ambtenaar die langdurend zorgverlof
                        geniet vindt plaats op basis van de bezoldiging genoemd in het eerste
                        lid.</al><al>Lid 7</al><al>Indien de ambtenaar wegens ziekte niet in staat is zijn betrekking te
                        vervullen en deze ziekteperiode duurt langer dan 7 kalenderdagen, vindt met
                        ingang van de achtste kalenderdag de opbouw van de vakantietoelage weer
                        plaats op basis van de volledige bezoldiging.</al><al>Artikel 6:4:2 Vakbondsverlof</al><al>Lid 1</al><al>Voor de toepassing van dit artikel worden verstaan onder: </al><lijst><li nr="a."><al>Centrales van overheidspersoneel: </al><lijst><li nr="1."><al>de Algemene Centrale van overheidspersoneel (ACOP); </al></li><li nr="2."><al>de Christelijke Centrale van overheids- en onderwijs
                                        Personeel (CCOOP); </al></li><li nr="3."><al>de Centrale van middelbare en hogere functionarissen bij
                                        overheid, onderwijs, bedrijven en instellingen (CMHF). </al></li></lijst></li><li nr="b."><al>Verenigingen van ambtenaren: de verenigingen van ambtenaren welke
                                zijn aangesloten bij de onder a genoemde centrales van
                                overheidspersoneel. </al></li></lijst><al>Lid 2</al><al>Tenzij de belangen van de dienst zich daartegen verzetten, wordt door het
                        college buitengewoon verlof met behoud van bezoldiging verleend aan de
                        ambtenaar: </al><lijst><li nr="a."><al>voor het bijwonen van algemene vergaderingen van verenigingen van
                                ambtenaren of, voor zover het algemene verenigingen betreft welke
                                ook andere groepen van ambtenaren dan gemeentepersoneel organiseren,
                                voor het bijwonen van algemene vergaderingen van een landelijke
                                groep van gemeentepersoneel indien de ambtenaar lid van het
                                hoofdbestuur, bestuurslid ener landelijke groep of afgevaardigde van
                                een afdeling is, met dien verstande dat van elke afdeling voor
                                iedere vijftig leden of gedeelte daarvan aan ten hoogste twee
                                afgevaardigden tot een maximum van tien afgevaardigden, verlof wordt
                                verleend; </al></li><li nr="b."><al>voor het bijwonen van hoofdbestuursvergaderingen indien hij lid is
                                van het hoofdbestuur van bondsraad- of bestuursraadvergaderingen
                                indien hij lid is van de bonds- of bestuursraad, en van
                                groepsraadvergaderingen indien hij lid is van een landelijke
                                groepsraad; </al></li><li nr="c."><al>voor het bijwonen van één algemene vergadering van de centrale
                                organisatie waarbij de vereniging van de ambtenaar is aangesloten,
                                indien hij als vertegenwoordiger van zijn vereniging aan die
                                vergadering deelneemt. </al></li></lijst><al>Lid 3</al><al>Tenzij de belangen van de dienst zich daartegen verzetten wordt door het
                        college aan de ambtenaar met een volledige betrekking buitengewoon verlof
                        met behoud van bezoldiging verleend: </al><lijst><li nr="a."><al>om, indien hij daartoe door een centrale van overheidspersoneel als
                                bedoeld in het eerste lid, onder a of door een daarbij aangesloten
                                vereniging is aangewezen, bestuurlijke en/of vertegenwoordigende
                                activiteiten te ontplooien binnen die centrale of die daarbij
                                aangesloten vereniging, onderscheidenlijk binnen het gemeentelijk
                                apparaat, welke ertoe strekken de doelstellingen van deze centrale
                                van overheidspersoneel en/of de daarbij aangesloten vereniging te
                                ondersteunen, alles tezamen voor ten hoogste 216 uren per
                                kalenderjaar; </al></li><li nr="b."><al>voor het - op uitnodiging van een vereniging van ambtenaren - als
                                cursist deelnemen aan een cursus welke door of ten behoeve van de
                                leden van die vereniging van ambtenaren wordt gegeven, alles tezamen
                                voor ten hoogste 43,2 uren per twee kalenderjaren. </al></li></lijst><al>Lid 4</al><al>Van het buitengewoon verlof met behoud van bezoldiging van een ambtenaar die
                        is aangesteld voor een formele arbeidsduur per week van minder dan 36 uur
                        wordt het aantal uren genoemd in het derde lid onder a en b, naar
                        evenredigheid verminderd. </al><al>Lid 5</al><al>Het verlof, bedoeld in het tweede en derde lid tezamen, kan voor de
                        ambtenaar met een volledige betrekking niet meer bedragen dan ten hoogste
                        244,8 uren per kalenderjaar, echter met dien verstande dat ten hoogste 316,8
                        uren verlof kan worden verleend aan de ambtenaar die: </al><lijst><li nr="a."><al>lid is van het hoofdbestuur van een centrale van overheidspersoneel,
                                genoemd in het eerste lid onder a, nr. 1 of 2 en/of van een
                                vereniging van ambtenaren die rechtstreeks bij die centrale is
                                aangesloten; </al></li><li nr="b."><al>lid is van het centrale bestuur van de centrale genoemd in het
                                eerste lid onder a, nr. 3 en/of bestuurslid is van een sector of
                                sectie van de centrale. </al></li></lijst><al>Het buitengewoon verlof met behoud van bezoldiging van een ambtenaar die is
                        aangesteld voor een formele arbeidsduur per week van minder dan 36 uur wordt
                        het verlof, bedoeld in het tweede en derde lid tezamen, naar evenredigheid
                        verminderd.</al><al>Lid 6</al><al>Verlof, bedoeld in de vorige leden, kan slechts worden verleend aan de
                        ambtenaar die lid is van een vereniging van ambtenaren, bedoeld in het
                        eerste lid, onder b. </al><al>Lid 7</al><al>Tenzij andere belangen van de dienst zich daartegen verzetten, wordt aan de
                        ambtenaar die door de vereniging van ambtenaren waarvan hij lid is, is
                        aangewezen als lid van de commissie, bedoeld in artikel 12:1, tweede lid,
                        buitengewoon verlof met behoud van bezoldiging verleend voor het bijwonen
                        van de vergadering van die commissie, alsmede voor een voorvergadering per
                        uitgeschreven commissievergadering. Hetgeen ten aanzien van de
                        voorvergadering is bepaald, geldt eveneens voor de ambtenaar die door de
                        vereniging van ambtenaren waarvan hij lid is, is aangewezen als
                        plaatsvervangend lid van de commissie bedoeld in artikel 12:1, tweede lid. </al><al>Lid 8</al><al>Het college kan omtrent het bepaalde in dit artikel nadere regels stellen,
                        waarbij het te verlenen verlof, bedoeld in het tweede, derde en vijfde lid,
                        op een lager aantal uren kan worden gesteld. </al><al>Artikel 6:4:2a Vervallen</al><al>(Vervallen)</al><al>Artikel 6:4:3 Kortdurend zorgverlof</al><al>Lid 1</al><al>De ambtenaar met een volledige betrekking kan voor maximaal 72 uur per
                        kalenderjaar aanspraak maken op kortdurend zorgverlof op grond van de
                            <extref doc="1.0:v:BWBR0013008" struct="BWB">Waz</extref>. </al><al>Lid 2</al><al>Het maximum van 72 uur, als genoemd in het eerste lid, wordt voor de
                        ambtenaar die is aangesteld voor een formele betrekkingsomvang van minder
                        dan 36 uur per week naar evenredigheid verminderd.</al><al>Lid 3</al><al>Het verlof komt voor de helft voor de rekening van de werkgever en voor de
                        helft voor de rekening van de ambtenaar.</al><al>Lid 4</al><al>Het college bepaalt in overleg met de ambtenaar nader de wijze waarop de
                        verrekening van het verlof met hem plaatsvindt. Verrekening met de vakantie
                        bedoeld in artikel 6:2 is mogelijk.</al><al>Artikel 6:4:4 Non-activiteit</al><al>Lid 1</al><al>Bij non-activiteit, bedoeld in <extref doc="1.0:v:BWBR0001947&amp;artikel=125c" struct="BWB">artikel
                            125c, eerste lid, van de Ambtenarenwet </extref>bestaat geen recht op
                        doorbetaling van de bezoldiging en vakantietoelage.</al><al>Lid 2</al><al>Indien de ambtenaar uit hoofde van zijn benoeming of verkiezing, bedoeld in
                            <extref doc="1.0:v:BWBR0001947&amp;artikel=125c" struct="BWB">artikel 125c, tweede lid, Ambtenarenwet</extref>, aanspraak heeft op
                        een vaste vergoeding - niet zijnde een onkostenvergoeding - wordt op zijn
                        bezoldiging over de tijd dat hij het op grond van dat artikellid verleende
                        verlof geniet een inhouding toegepast. Deze inhouding gaat hetgeen hij
                        geacht kan worden te ontvangen als vergoeding voor de met het verlof
                        overeenkomende tijd niet te boven.</al><al>Lid 3</al><al>Het college kan ter uitvoering van de vorige leden nadere regels
                        vaststellen.</al><al>Artikel 6:4:5 Overige redenen buitengewoon verlof</al><al>Het college kan aan een ambtenaar op diens verzoek, met behoud van het genot
                        van de gehele of gedeeltelijke bezoldiging en al dan niet onder bepaalde
                        nadere voorwaarden, verlof verlenen om andere redenen dan die welke zijn
                        genoemd in artikel 6:4 tot en met artikel 6:4:4. Het verlof wordt verleend
                        voor maximaal één jaar.</al><al>Artikel 6:4:5a Overige redenen buitengewoon verlof</al><al>Lid 1</al><al>Het college kan aan de ambtenaar die benoemd is tot bezoldigd bestuurder van
                        een vereniging van ambtenaren op diens verzoek onbetaald verlof verlenen
                        voor de duur van de vervulling van de functie voor ten hoogste twee
                        jaren.</al><al>Lid 2</al><al>Gedurende de periode van het verlof is het verhaal van de pensioenpremies en
                        de Vut-fonds bijdrage als bedoeld in artikel 21 van het FPU-reglement basis-
                        en aanvullende uitkering gelijk aan het bedrag van de premies en de bijdrage
                        die voor de ambtenaar zijn verschuldigd. Bij deeltijd verlof wordt het
                        verhaal naar rato vastgesteld. Het verhaal is, voor wat betreft de
                        pensioenpremies, niet aan de orde in het geval dat het verlof voor ten
                        hoogste drie maanden is verleend.</al><al>Artikel 6:4:6 Buitengewoon verlof is geen vakantie</al><al>Het buitengewoon verlof dat volledig doorbetaald wordt, wordt niet in
                        mindering gebracht op de vakantie.</al><al>Artikel 6:5 Ouderschapsverlof</al><al>Lid 1</al><al>De ambtenaar die op grond van de <extref doc="1.0:v:BWBR0013008" struct="BWB">Waz</extref> recht heeft op ouderschapsverlof, heeft, voor
                        zover lokaal een regeling betaald ouderschapsverlof is of wordt vastgesteld,
                        over de uren dat hij dit verlof geniet, maar ten hoogste over 13 maal de
                        formele arbeidsduur per week, aanspraak op doorbetaling van een percentage
                        van zijn bezoldiging minus het daaraan gekoppelde maximale uurbedrag van de
                        fiscale tegemoetkoming van de Belastingdienst waarop de ambtenaar aanspraak
                        kan maken.</al><al>Lid 2</al><al>Het percentage bedoeld in het eerste lid bedraagt voor de ambtenaar die
                        wordt bezoldigd volgens:</al><table><tgroup cols="3"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="7*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="60*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="33*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>a </al></entry><entry colname="col2"><al>schaal 1:</al></entry><entry colname="col3"><al>90%;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>b</al></entry><entry colname="col2"><al>schaal 2:</al></entry><entry colname="col3"><al>85%;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>c </al></entry><entry colname="col2"><al>schaal 3:</al></entry><entry colname="col3"><al>80%;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>d </al></entry><entry colname="col2"><al>schaal 4:</al></entry><entry colname="col3"><al>70%;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>e </al></entry><entry colname="col2"><al>schaal 5:</al></entry><entry colname="col3"><al>60%;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>f </al></entry><entry colname="col2"><al>schaal 6 en hoger:</al></entry><entry colname="col3"><al>50%.</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>Lid 3</al><al>Het is niet toegestaan dat de ambtenaar gedurende de uren dat het betaald
                        ouderschapsverlof wordt genoten betaalde arbeid verricht. Het college kan
                        hieromtrent nadere regels stellen. </al><al>Lid 4</al><al>Op de ambtenaar die op grond van de <extref doc="1.0:v:BWBR0013008" struct="BWB">Waz</extref> recht heeft op ouderschapsverlof is artikel
                        6:9 niet van toepassing.</al><al>Artikel 6:5:1 Voorwaarden</al><al>De ambtenaar meldt het voornemen om ouderschapsverlof op te nemen ten minste
                        drie maanden voor de door hem gewenste ingangsdatum door middel van het
                        daarvoor vastgestelde aanvraagformulier.</al><al>Artikel 6:5:2 Meerlingen</al><al>Lid 1</al><al>Bij twee- of meerlingen bestaat slechts voor één kind aanspraak op betaald
                        ouderschapsverlof.</al><al>Lid 2</al><al>De bepalingen uit artikel 6:5:1, 6:5:3, 6:5:4 en 6:5:7 zijn van
                        overeenkomstige toepassing indien er, voor het tweede en de meerdere
                        kinderen van een twee- of meerling, gebruik wordt gemaakt van de
                        mogelijkheid onbetaald ouderschapsverlof te genieten.</al><al>Artikel 6:5:3 Ziekte</al><al>Lid 1</al><al>Indien de ambtenaar gedurende het ouderschapsverlof wegens ziekte niet in
                        staat is zijn betrekking te vervullen vindt geen opschorting van het
                        ouderschapsverlof plaats.</al><al>Lid 2</al><al>De ambtenaar die ouderschapsverlof geniet en langer dan 14 kalenderdagen
                        wegens ziekte niet in staat is zijn betrekking te vervullen heeft met ingang
                        van de vijftiende kalenderdag aanspraak op zijn volledige bezoldiging.</al><al>Artikel 6:5:4 Opbouw vakantie en vakantie-toelage</al><al>Lid 1</al><al>De duur van de vakantie van de ambtenaar die ouderschapsverlof geniet, wordt
                        verminderd naar evenredigheid van de omvang van het ouderschapsverlof.</al><al>Lid 2</al><al>Indien de ambtenaar wegens ziekte niet in staat is zijn betrekking te
                        vervullen en deze ziekteperiode duurt langer dan 14 kalenderdagen, wordt met
                        ingang van de vijftiende kalenderdag de vermindering van de duur van de
                        vakantie beëindigd.</al><al>Lid 3</al><al>De opbouw van de vakantietoelage van de ambtenaar die ouderschapsverlof
                        geniet vindt plaats op basis van de bezoldiging, die tijdens dit
                        ouderschapsverlof wordt uitbetaald.</al><al>Lid 4</al><al>Indien de ambtenaar wegens ziekte niet in staat is zijn betrekking te
                        vervullen en deze ziekteperiode duurt langer dan 14 kalenderdagen, vindt met
                        ingang van de vijftiende kalenderdag de opbouw van de vakantietoelage weer
                        plaats op basis van de volledige bezoldiging.</al><al>Artikel 6:5:5 Terugbetaling</al><al>Lid 1</al><al>De ambtenaar die gedurende het betaald ouderschapsverlof of binnen zes
                        maanden daarna ontslag wordt verleend op grond van artikel 8:1, eerste lid,
                        of artikel 8:13, is verplicht de bezoldiging, die hij op grond van artikel
                        6:5 heeft genoten, terug te betalen.</al><al>Lid 2</al><al>Geen terugbetalingsverplichting ontstaat indien het ontslag als bedoeld in
                        artikel 8:1, eerste lid:</al><lijst><li nr="a."><al>het gevolg is van het aanvaarden van een betrekking bij een andere
                                gemeente;</al></li><li nr="b."><al>en evenmin indien de betrokkene aanspraak heeft op een uitkering
                                krachtens de <extref doc="1.0:v:BWBR0004045" struct="BWB">Werkloosheidswet</extref>, vanwege werkloosheid, die is
                                ontstaan doordat de ambtenaar ontslag heeft gevraagd omdat hij de
                                echtgenoot of geregistreerde partner volgt, die door geheel buiten
                                hem liggende oorzaken noodzakelijk van standplaats moet
                                wijzigen.</al></li></lijst><al>Lid 3</al><al>De ambtenaar die gedurende het betaald ouderschapsverlof of binnen drie
                        maanden daarna op eigen verzoek een betrekking aanvaardt voor minder uren
                        dan hij direct voorafgaande aan het ouderschapsverlof vervulde, is verplicht
                        de bezoldiging, die hij op grond van artikel 6:5 heeft genoten over de uren
                        waarmee zijn aanstelling wordt verminderd, terug te betalen.</al><al>Lid 4</al><al>De ambtenaar die van het betaald ouderschapsverlof gebruik maakt, dient zich
                        tevoren schriftelijk akkoord te verklaren met het in het eerste en derde lid
                        bepaalde.</al><al>Artikel 6:5:6 Vervallen</al><al>(Vervallen) </al><al>Artikel 6:5:7 Betaald ouderschapsverlof: aanvullende bepaling</al><al>Voor gevallen waarin deze regeling niet of niet naar billijkheid voorziet,
                        kan het college een bijzondere regeling treffen.</al><al>Artikel 6:5a Overgangsrecht ouderschapsverlof</al><al>Lid 1</al><al>De ambtenaar die op grond van de <extref doc="1.0:v:BWBR0013008" struct="BWB">Waz</extref> recht heeft op ouderschapsverlof, heeft, voor
                        zover lokaal een regeling betaald ouderschapsverlof is of wordt vastgesteld,
                        over de uren dat hij dit verlof geniet, maar ten hoogste over 13 maal de
                        formele arbeidsduur per week, aanspraak op doorbetaling van zijn
                        bezoldiging, berekend naar een percentage bepaald in het tweede en derde
                        lid, indien:</al><lijst><li nr="a."><al>hij op 31 december 2005 één of meer kinderen heeft die jonger zijn
                                dan acht jaar en waarvoor nog geen ouderschapsverlof is genoten,
                                en</al></li><li nr="b."><al>hij op 31 december 2005 langer dan één jaar in dienst is van de
                                gemeente.</al></li></lijst><al>Lid 2</al><al>De ambtenaar die wordt bezoldigd volgens schaal 4 of hoger van de
                        bezoldigingsregeling heeft recht op doorbetaling van 75% van de bezoldiging
                        over de arbeidsduur waarvoor het ouderschapsverlof geldt.</al><al>Lid 3</al><al>De ambtenaar die wordt bezoldigd volgens de schalen 1, 2 of 3 van de
                        bezoldigingsregeling heeft recht op doorbetaling van respectievelijk 90%,
                        85% of 80% van de bezoldiging over de arbeidsduur waarvoor het
                        ouderschapsverlof geldt.</al><al>Lid 4</al><al>Het is niet toegestaan dat betrokkene gedurende de uren dat het betaald
                        ouderschapsverlof wordt genoten betaalde arbeid verricht. Het college kan
                        hieromtrent nadere regels stellen.</al><al>Lid 5</al><al>Over de uren waarop de ambtenaar betaald ouderschapsverlof geniet wordt het
                        bedrag van de bezoldiging, berekend op grond van het tweede en derde lid,
                        verminderd met het daaraan gekoppelde maximale uurbedrag van de fiscale
                        tegemoetkoming van de Belastingdienst waarop de ambtenaar aanspraak kan
                        maken.</al><al>Lid 6</al><al>Op de ambtenaar die op grond van de <extref doc="1.0:v:BWBR0013008" struct="BWB">Waz</extref> recht heeft op ouderschapsverlof is artikel
                        6:9 niet van toepassing.</al><al>Artikel 6:5a:1 Overgangsrecht betaald ouderschapsverlof</al><al>Op de ambtenaar die gebruikmaakt van het overgangsrecht betaald
                        ouderschapsverlof zijn de artikelen 6:5:1 tot en met 6:5:7 van
                        overeenkomstige toepassing. </al><al>Artikel 6:6 Vervallen</al><al>(Vervallen)</al><al>Artikel 6:7 Zwangerschaps- en bevallingsverlof</al><al>Lid 1</al><al>De vrouwelijke ambtenaar die op grond van de <extref doc="1.0:v:BWBR0013008" struct="BWB">Waz</extref> zwangerschaps-
                        en bevallingsverlof geniet, heeft gedurende dit verlof aanspraak op
                        doorbetaling van haar volledige bezoldiging.</al><al>Lid 2</al><al>De Waz-uitkering van het zwangerschaps- en bevallingsverlof wordt in
                        mindering gebracht op het bedrag waarop de ambtenaar op grond van het eerste
                        lid recht heeft. </al><al>Lid 3</al><al>De ambtenaar is, wanneer zij recht heeft op zwangerschaps- en
                        bevallingsverlof, verplicht mee te werken aan de aanvraag en de uitbetaling
                        van de Waz-uitkering door de gemeente bij en door het UWV. </al><al>Lid 4</al><al>Indien als gevolg van handelingen of nalaten van handelingen door de
                        vrouwelijke ambtenaar de Waz-uitkering nog niet tot uitbetaling is gekomen,
                        vermindering ondergaat, aan de ambtenaar een boete wordt opgelegd, danwel
                        het recht op de Waz-uitkering geheel of gedeeltelijk wordt geweigerd, en dit
                        aan haar schuld of toedoen te wijten is, wordt de Waz-uitkering op de
                        bezoldiging in mindering gebracht.</al><al>Artikel 6:8 Adoptie- en pleegzorgverlof</al><al>Lid 1</al><al>De ambtenaar die op grond van de <extref doc="1.0:v:BWBR0013008" struct="BWB">Waz</extref> recht heeft op adoptie- of pleegzorgverlof,
                        heeft gedurende dit verlof aanspraak op doorbetaling van zijn volledige
                        bezoldiging.</al><al>Lid 2</al><al>De Waz-uitkering van het adoptie- of pleegzorgverlof wordt in mindering
                        gebracht op het bedrag waarop de ambtenaar op grond van het eerste lid recht
                        heeft.</al><al>Lid 3</al><al>De ambtenaar is, wanneer hij recht heeft op adoptie- of pleegzorgverlof,
                        verplicht mee te werken aan de aanvraag en de uitbetaling van de
                        Waz-uitkering door de gemeente bij en door het UWV.</al><al>Lid 4</al><al>Indien als gevolg van handelingen of nalaten van handelingen door de
                        ambtenaar de Waz-uitkering nog niet tot uitbetaling is gekomen, vermindering
                        ondergaat, aan de ambtenaar een boete wordt opgelegd, danwel het recht op de
                        Waz-uitkering geheel of gedeeltelijk wordt geweigerd, en dit aan zijn schuld
                        of toedoen te wijten is, wordt de Waz-uitkering op de bezoldiging in
                        mindering gebracht.</al><al>Lid 5</al><al>Het adoptie- en pleegzorgverlof schort de termijnen, bedoeld in artikel 7:3,
                        niet op.</al><al>Artikel 6:9 Onbetaald verlof onder meer t.b.v. de gemeentelijke
                        levensloopregeling</al><al>Lid 1</al><al>De ambtenaar die langer dan een jaar in dienst is van de gemeente kan het
                        college verzoeken hem onbetaald verlof te verlenen voor een periode van
                        tenminste 1 maand en ten hoogste 18 maanden.</al><al>Lid 2</al><al>De ambtenaar geniet in een periode van vijf jaar maximaal 18 maanden
                        onbetaald verlof. Per jaar heeft de ambtenaar recht op maximaal één periode
                        van onbetaald verlof. </al><al>Lid 3</al><al>Het college kan afwijken van de in het eerste en tweede lid gestelde
                        voorwaarden.</al><al>Lid 4</al><al>Het verzoek van de ambtenaar heeft betrekking op de volledige arbeidsduur of
                        op een deel daarvan. </al><al>Lid 5</al><al>De ambtenaar dient het verzoek tenminste drie maanden voor de gewenste
                        ingangsdatum in. Het college stelt vast hoe het verzoek wordt
                        ingediend.</al><al>Lid 6</al><al>Het college beslist zo snel mogelijk, maar uiterlijk binnen twee maanden na
                        ontvangst van het verzoek. De ambtenaar ontvangt schriftelijk bericht van de
                        beslissing van het college.</al><al>Lid 7</al><al>Indien de ambtenaar betaalde arbeid verricht over de uren dat hij onbetaald
                        verlof geniet, kan het college het verlof intrekken. </al><al>Lid 8</al><al>Onverminderd het zevende lid kan het onbetaalde verlof niet tussentijds
                        worden beëindigd tenzij het college en de ambtenaar hiermee instemmen.</al><al>Lid 9</al><al>Het college kent een verzoek om onbetaald verlof dat betrekking heeft op een
                        periode direct voorafgaand aan de pensionering toe, tenzij zwaarwegende
                        dienstbelangen zich daartegen verzetten. In afwijking van het bepaalde in
                        het eerste lid wordt het verlof verleend voor een periode van maximaal drie
                        jaren.</al><al>Artikel 6:10 Aanspraken tijdens onbetaald verlof</al><al>Lid 1</al><al>De duur van de vakantie van de ambtenaar die onbetaald verlof geniet wordt
                        verminderd naar evenredigheid van de omvang van het onbetaald verlof. </al><al>Lid 2</al><al>Gedurende de periode van verlof bestaat geen aanspraak op uitkeringen,
                        tegemoetkomingen, toeslagen, toelagen en (kosten)vergoedingen. Bij deeltijd
                        verlof wordt dit naar rato vastgesteld.</al><al>Lid 3</al><al>Gedurende de periode van het verlof bestaat aanspraak op de gehele
                        vergoeding als bedoeld in artikel 7:24a.</al><al>Lid 4</al><al>Gedurende de periode van het verlof is het verhaal van de pensioenpremies en
                        de Vut-fonds bijdrage als bedoeld in artikel 21 van het FPU-reglement basis-
                        en aanvullende uitkering gelijk aan het bedrag van de premies en de bijdrage
                        die voor de ambtenaar zijn verschuldigd. Bij deeltijd verlof wordt het
                        verhaal naar rato vastgesteld. Het verhaal is, voor wat betreft de
                        pensioenpremies, niet aan de orde in het geval dat het verlof voor ten
                        hoogste drie maanden is verleend.</al><al>Artikel 6:11 Samenloop met ziekte</al><al>Lid 1</al><al>Het verlof van de ambtenaar die voor een deel van zijn betrekking onbetaald
                        verlof geniet en langer dan 14 kalenderdagen ziek is, eindigt met ingang van
                        de vijftiende kalenderdag. </al><al>Lid 2</al><al>Het college kan besluiten het verlof van de ambtenaar die volledig onbetaald
                        verlof geniet en langer dan 14 kalenderdagen ziek is, in schrijnende
                        gevallen te beëindigen. Dit kan niet wanneer er sprake is van verlof
                        voorafgaand aan pensionering. </al><al>Artikel 6:12 Samenloop met zwangerschaps- en bevallingsverlof</al><al>Het onbetaalde verlof eindigt op de eerste dag van het zwangerschaps- en
                        bevallingsverlof. </al><al>6a De gemeentelijke levensloopregeling</al><al>Artikel 6a:1 Begripsomschrijvingen</al><al>Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al><vet>gemeentelijke levensloopregeling:</vet> een regeling als
                                bedoeld in <extref doc="1.0:v:BWBR0002471&amp;artikel=19g" struct="BWB">artikel 19g van de Wet op de loonbelasting
                                    1964</extref>;</al></li><li nr="b."><al><vet>instelling:</vet> een door de ambtenaar gekozen
                                kredietinstelling of verzekeraar als bedoeld in <extref doc="1.0:v:BWBR0002471&amp;artikel=19g" struct="BWB">artikel 19g, vierde lid, Wet op de loonbelasting
                                1964</extref>;</al></li><li nr="c."><al><vet>levenslooprekening:</vet> een bij de instelling door de
                                ambtenaar geopende geblokkeerde rekening, waarop de inleg van de
                                ambtenaar wordt gestort;</al></li><li nr="d."><al><vet>levensloopverzekering:</vet> een bij de instelling door de
                                ambtenaar afgesloten verzekering, waarop de inleg van de ambtenaar
                                wordt gestort;</al></li><li nr="e."><al><vet>levenslooptegoed:</vet> het tegoed op een levenslooprekening
                                onderscheidenlijk het verzekerd kapitaal.</al></li></lijst><al>Artikel 6a:2 Vervallen</al><al>(Vervallen)</al><al>Artikel 6a:3 Verzoek tot deelname levensloopregeling</al><al>Lid 1</al><al>De ambtenaar die deel wil nemen aan de gemeentelijke levensloopregeling
                        meldt dit bij het college.</al><al>Lid 2</al><al>Het college verwerkt de melding uiterlijk met ingang van de derde
                        kalendermaand na ontvangst, tenzij niet wordt voldaan aan de eisen zoals
                        genoemd in artikel 6a:4.</al><al>Lid 3</al><al>Het college stelt vast hoe de melding moet plaatsvinden.</al><al>Artikel 6a:4 Voorwaarden deelname levensloopregeling</al><al>Lid 1</al><al>De ambtenaar informeert het college schriftelijk over de instelling waarbij
                        de levenslooprekening of de levensloopverzekering wordt aangehouden.</al><al>Lid 2</al><al>De ambtenaar verklaart schriftelijk aan het college of hij een
                        levenslooptegoed heeft opgebouwd bij een of meer gewezen
                        inhoudingsplichtigen tenzij een andere werkgever bij wie de ambtenaar in
                        dienstbetrekking staat geacht wordt inhoudingsplichtig te zijn ten aanzien
                        van dit levenslooptegoed. </al><al>Lid 3</al><al>De ambtenaar stemt er schriftelijk mee in dat de instelling aan het college
                        informatie verstrekt over de omvang van het levenslooptegoed van de
                        ambtenaar tenzij dit levenslooptegoed geacht wordt te zijn opgebouwd bij een
                        andere inhoudingsplichtige bij wie de ambtenaar in dienstbetrekking staat. </al><al>Lid 4</al><al>De ambtenaar verklaart schriftelijk aan het college dat hij voldoet aan de
                        voorwaarden die de <extref doc="1.0:v:BWBR0002471" struct="BWB">Wet op
                            de loonbelasting 1964</extref> aan deelname stelt.</al><al>Artikel 6a:5 Inleg</al><al>Lid 1</al><al>De ambtenaar vermeldt bij zijn melding om deel te nemen aan de gemeentelijke
                        levensloopregeling het gewenste bedrag van de inleg per jaar.</al><al>Lid 2</al><al>De ambtenaar kan eenmaal per jaar op een door het college aangewezen wijze
                        en tijdstip de hoogte van de inleg wijzigen. </al><al>Lid 3</al><al>De inleg bestaat uit een of meerdere van de in artikel 6a:6 genoemde
                        bronnen.</al><al>Artikel 6a:6 Bronnen</al><al>De jaarlijkse inleg van de ambtenaar in het kader van de gemeentelijke
                        levensloopregeling bestaat uit een of meer van de volgende bronnen: </al><lijst><li nr="a."><al>het salaris;</al></li><li nr="b."><al>de vakantietoelage;</al></li><li nr="c."><al>de eindejaarsuitkering;</al></li><li nr="d."><al>de levensloopbijdrage als genoemd in artikel 6a:7;</al></li><li nr="e."><al>de geldelijke vergoeding voor de verkoop van vakantie-uren als
                                bedoeld in artikel 4a:1;</al></li><li nr="f."><al>het opgebouwde verloftegoed bedoeld in artikel 4:9 lid 3.</al></li></lijst><al>Artikel 6a:7 Levensloopbijdrage</al><al>Lid 1</al><al>De ambtenaar die geboren is na 31 december 1949, met uitzondering van de
                        ambtenaar die in 2005 55 jaar is geworden en die in deeltijd met FPU is
                        gegaan, heeft recht op een levensloopbijdrage ten bedrage van 1,5% van het
                        voor hem in een kalenderjaar geldende salaris op jaarbasis. De bijdrage
                        bedraagt bij een volledige betrekking minimaal € 400. Bij een deeltijd
                        betrekking wordt dit bedrag naar rato vastgesteld. De levensloopbijdrage
                        wordt tevens uitgekeerd aan ambtenaren die zijn geboren voor of op 31
                        december 1949 en die geen recht hebben op een uitkering zoals bedoeld in
                        hoofdstuk 5a.</al><al>Lid 2</al><al>In afwijking van het eerste lid is de levensloopbijdrage 2,5% indien en voor
                        zolang hoofdstuk 9a op de ambtenaar van toepassing is.</al><al>Lid 3</al><al>De levensloopbijdrage bedoeld in het tweede lid wordt gedurende maximaal 20
                        jaar verstrekt. Hierna ontvangt de ambtenaar de levensloopbijdrage bedoeld
                        in het eerste lid. De levensloopbijdrage van 2,5% kan na 20 jaar voortgezet
                        worden, indien artikel 9a:9, eerste lid, onderdeel b, van toepassing
                        is.</al><al>Lid 4</al><al>De levensloopbijdrage wordt eenmaal per kalenderjaar in de maand december
                        betaald.</al><al>Lid 5</al><al>Bij indiensttreding vanaf 1 augustus van een kalenderjaar bouwt de ambtenaar
                        naar evenredigheid aanspraken op een levensloopbijdrage op. Bij ontslag van
                        de ambtenaar vindt betaling van de levensloopbijdrage plaats over het
                        gedeelte van het kalenderjaar dat de ambtenaar in dienstverband werkzaam is
                        geweest.</al><al>Lid 6</al><al>De levensloopbijdrage behoort tot het percentage, bedoeld in het eerste lid,
                        tot het pensioengevend inkomen als bedoeld in artikel 3.1, lid 1, sub g van
                        het pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds ABP.</al><al>Artikel 6a:7a Vervallen</al><al>(Vervallen)</al><al>Artikel 6a:8 Beëindiging deelname levensloopregeling</al><al>Lid 1</al><al>Het college beëindigt de deelname aan de levensloopregeling uiterlijk twee
                        maanden na ontvangst van de kennisgeving hiertoe door de ambtenaar. Het
                        college stelt vast hoe de kennisgeving moet plaatsvinden</al><al>Lid 2</al><al>Deelname aan de gemeentelijke levensloopregeling eindigt daarnaast:</al><lijst><li nr="a."><al>bij overlijden van de ambtenaar;</al></li><li nr="b."><al>bij ontslag van de ambtenaar;</al></li><li nr="c."><al>op de dag voorafgaand aan die waarop de ambtenaar de AOW-gerechtigde
                                leeftijd bereikt.</al></li></lijst><al>Artikel 6a:9 Opname levenslooptegoed</al><al>Om over het levenslooptegoed te kunnen beschikken ten behoeve van de opname
                        van onbetaald verlof op grond van de <extref doc="1.0:v:BWBR0013008" struct="BWB">Wet Arbeid en Zorg</extref> en hoofdstuk 6 meldt de
                        ambtenaar tenminste drie maanden voor de gewenste ingangsdatum het college
                        dat hij wil beschikken over (een deel van zijn) levenslooptegoed. Het
                        college stelt vast hoe de melding moet plaatsvinden. </al><al>Artikel 6a:10 Slotbepaling</al><al>Dit hoofdstuk is niet van toepassing op ambtenaren bedoeld in hoofdstuk 9 en
                        9b, met uitzondering van de ambtenaar op wie paragraaf 5 van hoofdstuk 9b
                        van toepassing is. </al><al>Artikel 6a:11 Vervallen</al><al>(Vervallen)</al><al>7 Aanspraken bij ongeschiktheid wegens ziekte of gebrek</al><al>Paragraaf 1 Definities</al><al>Artikel 7:1 Definities</al><al>Artikel 7:1 Definities</al><al>Lid 1</al><al>In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al><vet>passende arbeid:</vet> alle arbeid die voor de krachten en
                                bekwaamheden van de ambtenaar is berekend, tenzij aanvaarding om
                                redenen van lichamelijke, geestelijke of sociale aard niet van hem
                                kan worden gevergd; </al></li><li nr="b."><al><vet>werkzaamheden in het kader van de reïntegratie:</vet>
                                loonvormende arbeid, die specifiek gericht is op terugkeer in de
                                eigen dan wel passende arbeid waarover afspraken zijn vastgelegd in
                                het plan van aanpak bedoeld in artikel 7:9, derde lid;</al></li><li nr="c."><al><vet>scholing in het kader van de reïntegratie:</vet> scholing die
                                gericht is op terugkeer in de eigen dan wel passende arbeid waarover
                                afspraken zijn vastgelegd in het plan van aanpak bedoeld in artikel
                                7:9, derde lid;</al></li><li nr="d."><al><vet>arbeidsongeschiktheid in en door de dienst:</vet>
                                arbeidsongeschiktheid wegens ziekte of gebreken die in overwegende
                                mate haar oorzaak vindt in: en die niet aan schuld of nalatigheid
                                van de ambtenaar is te wijten; </al><lijst><li nr="§"><al>de aard van de opgedragen werkzaamheden of in de bijzondere
                                        omstandigheden waaronder deze moesten worden verricht
                                        of;</al></li><li nr="§"><al>in een dienstongeval verband houdende met de aard van de
                                        opgedragen werkzaamheden of de bijzondere omstandigheden
                                        waarin deze werkzaamheden moesten worden verricht;</al></li></lijst></li><li nr="e."><al><vet>restverdiencapaciteit:</vet> het door UWV vast te stellen
                                inkomen dat de ambtenaar met zijn vaardigheden en bekwaamheden,
                                gelet op zijn beperkingen, nog kan verdienen;</al></li><li nr="f."><al><vet>arbodienst:</vet> een dienst als bedoeld in <extref doc="1.0:v:BWBR0010346&amp;artikel=17" struct="BWB">artikel 17, eerste lid, van de
                                    Arbeidsomstandighedenwet</extref>;</al></li><li nr="g."><al><vet>inactieve:</vet> de oud-ambtenaar met een WW-uitkering,
                                aanvullende uitkering, nawettelijke uitkering, WAO-uitkering,
                                WIA-uitkering of wachtgelduitkering, die direct voorafgaand aan de
                                uitkering in dienst was van een gemeente;</al></li><li nr="h."><al><vet>postactieve:</vet> de oud-ambtenaar met een uitkering
                                functioneel leeftijdsontslag, FPU-uitkering, ouderdomspensioen van
                                het ABP of ABP keuzepensioen, die direct voorafgaand aan deze
                                uitkering of dit pensioen in dienst was van een gemeente of
                                inactieve was;</al></li></lijst><al>Lid 2</al><al>Bij de toepassing van dit hoofdstuk wordt artikel 1:2:1 in acht
                        genomen.</al><al>Paragraaf 2 Bedrijfsgeneeskundige begeleiding en geneeskundig onderzoek</al><lijst><li nr=""><al>Artikel 7:2 Bedrijfsgeneeskundige begeleiding en geneeskundig
                                onderzoek</al></li><li nr=""><al>Artikel 7:2:1 Arbo-dienst</al></li><li nr=""><al>Artikel 7:2:2 Bedrijfsgeneeskundige begeleiding</al></li><li nr=""><al>Artikel 7:2:3 Consulteren arts door ambtenaar</al></li><li nr=""><al>Artikel 7:2:4 Vervallen</al></li><li nr=""><al>Artikel 7:2:5 Geneeskundig onderzoek</al></li><li nr=""><al>Artikel 7:2:6 Buitendienststelling</al></li><li nr=""><al>Artikel 7:2:7 Maatregelen of voorzieningen in belang herstel
                                ambtenaar</al></li></lijst><al>Artikel 7:2 Bedrijfsgeneeskundige begeleiding en geneeskundig onderzoek</al><al>Het college kan nadere regels stellen met betrekking tot
                        bedrijfsgeneeskundige begeleiding en geneeskundig onderzoek.</al><al>Artikel 7:2:1 Arbo-dienst</al><al>De gemeente laat zich bijstaan door een arbodienst of gecertificeerd
                        deskundige(n).</al><al>Artikel 7:2:2 Bedrijfsgeneeskundige begeleiding</al><al>Lid 1</al><al>De ambtenaar heeft het recht op bedrijfsgeneeskundige begeleiding
                        overeenkomstig het bepaalde in dit hoofdstuk.</al><al>Lid 2</al><al>De bedrijfsgeneeskundige begeleiding van de ambtenaar geschiedt door een
                        arbodienst of gecertificeerd deskundige(n), overeenkomstig door het college
                        te stellen regels.</al><al>Artikel 7:2:3 Consulteren arts door ambtenaar</al><al>De ambtenaar heeft het recht een arts van de arbo-dienst rechtstreeks te
                        consulteren ter zake van gezondheidsproblemen die naar zijn mening met zijn
                        arbeidssituatie kunnen samenhangen.</al><al>Artikel 7:2:4 Vervallen</al><al>(Vervallen)</al><al>Artikel 7:2:5 Geneeskundig onderzoek</al><al>Lid 1</al><al>Het college is bevoegd de arbo-dienst opdracht te geven de ambtenaar aan een
                        geneeskundig onderzoek te onderwerpen:</al><lijst><li nr="a."><al>indien naar het oordeel van het college redelijkerwijs aanleiding
                                bestaat tot twijfel aan een goede gezondheidstoestand van de
                                ambtenaar;</al></li><li nr="b."><al>indien de ambtenaar niet of niet langer volledig geschikt is
                                gebleken voor het naar behoren vervullen van zijn betrekking, zulks
                                ten einde na te gaan of hiervoor medische oorzaken zijn aan te
                                wijzen.</al></li></lijst><al>Lid 2</al><al>De ambtenaar is verplicht zich aan een onderzoek, bedoeld in het eerste lid,
                        te onderwerpen.</al><al>Artikel 7:2:6 Buitendienststelling</al><al>Lid 1</al><al>Indien bij een onderzoek, bedoeld in artikel 7:2:4 of in artikel 7:2:5
                        blijkt van een zodanige lichamelijke of geestelijke toestand van de
                        ambtenaar, dat naar het oordeel van de arbo-dienst de belangen van de
                        ambtenaar, die van de dienst of van bij de dienstuitoefening betrokken
                        derden zich tegen voortzetting van zijn betrekking verzetten, wordt de
                        ambtenaar door het college buiten dienst gesteld.</al><al>Lid 2</al><al>Een buitendienststelling, bedoeld in het eerste lid, vindt niet plaats
                        indien, naar het oordeel van de arbo-dienst, de lichamelijke of geestelijke
                        toestand van de ambtenaar het wenselijk maakt dat hij tijdelijk met andere
                        werkzaamheden wordt belast, indien en voor zover deze voorhanden zijn. In
                        dat geval is artikel 7:18:1 van overeenkomstige toepassing.</al><al>Lid 3</al><al>Een buitendienststelling, bedoeld in het eerste lid, wordt voor de
                        toepassing van de overige artikelen van dit hoofdstuk gelijkgesteld met een
                        verhindering wegens ziekte.</al><al>Artikel 7:2:7 Maatregelen of voorzieningen in belang herstel ambtenaar</al><al>Lid 1</al><al>Indien daartoe naar het oordeel van de arbo-dienst aanleiding bestaat,
                        verzoekt het college het UWV de ambtenaar in aanmerking te laten komen voor
                        maatregelen of voorzieningen in het belang van het herstel van zijn
                        gezondheid, dan wel in het belang van het behoud, het herstel of de
                        bevordering van zijn arbeidsgeschiktheid. </al><al>Lid 2</al><al>De ambtenaar wordt van het verzoek, bedoeld in het eerste lid, schriftelijk
                        in kennis gesteld.</al><al>Paragraaf 3 Aanspraken tijdens ziekte</al><lijst><li nr=""><al>Artikel 7:3 Recht op bezoldiging</al></li><li nr=""><al>Artikel 7:4 Bezoldiging bij ziekte bij seniorenmaatregel en
                                onbetaald/gedeeltelijk betaald verlof</al></li><li nr=""><al>Artikel 7:5 Uitkering wegens arbeidsongeschiktheid in en door de
                                dienst</al></li><li nr=""><al>Artikel 7:6 Vervallen</al></li><li nr=""><al>Artikel 7:7 Vergoeding kosten geneeskundige verzorging bij
                                arbeidsongeschiktheid in en door de dienst</al></li><li nr=""><al>Artikel 7:8 Nadere regels</al></li><li nr=""><al>Artikel 7:8:1 Vaststelling referte-tijdvak toelagen</al></li><li nr=""><al>Artikel 7:8:2 Periodieke salarisverhoging</al></li><li nr=""><al>Artikel 7:8:3 Werktijd bij ziekte bij seniorenmaatregel en
                                toepassing van artikel 2:7a</al></li></lijst><al>Artikel 7:3 Recht op bezoldiging</al><al>Lid 1</al><al>De ambtenaar heeft bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als
                        rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of
                        gebrek vanaf de eerste dag van die ongeschiktheid gedurende de eerste zes
                        maanden recht op doorbetaling van zijn volledige bezoldiging.</al><al>Lid 2</al><al>De ambtenaar heeft bij voortduring van deze ongeschiktheid gedurende de
                        zevende tot en met de twaalfde maand recht op doorbetaling van 90% van zijn
                        bezoldiging.</al><al>Lid 3</al><al>De ambtenaar heeft bij voortduring van deze ongeschiktheid na 12 maanden
                        gedurende de dertiende tot en met de vierentwintigste maand recht op
                        doorbetaling van 75% van zijn bezoldiging.</al><al>Lid 4</al><al>De ambtenaar heeft bij voortduring van deze ongeschiktheid na 24 maanden tot
                        het einde van zijn dienstverband recht op doorbetaling van 70% van zijn
                        bezoldiging </al><al>Lid 5</al><al>Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt onder ziekte ook gebreken
                        verstaan.</al><al>Lid 6</al><al>De ambtenaar heeft recht op de doorbetaling van zijn volledige bezoldiging
                        over de uren waarop hij:</al><lijst><li nr="a."><al>zijn arbeid verricht;</al></li><li nr="b."><al>passende arbeid verricht;</al></li><li nr="c."><al>werkzaamheden in het kader van zijn reïntegratie verricht;</al></li><li nr="d."><al>scholing volgt in het kader van zijn reïntegratie. </al></li></lijst><al>Lid 7</al><al>De ambtenaar behoudt na afloop van de termijn van zes maanden recht op de
                        doorbetaling van zijn volledige bezoldiging bij arbeidsongeschiktheid in en
                        door de dienst. </al><al>Lid 8</al><al>De ambtenaar bedoeld in het derde en vierde lid, die ten minste 50% van zijn
                        formele arbeidsduur zijn arbeid, passende arbeid, werkzaamheden in het kader
                        van zijn reïntegratie verricht of scholing volgt in het kader van zijn
                        reïntegratie, genoemd in het zesde lid van dit artikel, heeft recht op een
                        extra percentage van 5% berekend over de bezoldiging waar hij recht op heeft
                        ingevolge dit artikel. Hierbij geldt als maximum de bezoldiging bedoeld in
                        het eerste lid. </al><al>Lid 9</al><al>De ambtenaar heeft ten minste recht op het wettelijk minimumloon, berekend
                        naar rato van zijn formele arbeidsduur.</al><al>Lid 10</al><al>De periode waarover de ambtenaar voorafgaand aan de periode van het
                        zwangerschaps- en bevallingsverlof, bedoeld in artikel 6:7, ziek is als
                        gevolg van de zwangerschap, schort de periode, bedoeld in het eerste tot en
                        met het vierde lid, op. </al><al>Lid 11</al><al>Voor de toepassing van het eerste tot en met het vierde lid worden perioden
                        van ongeschiktheid wegens ziekte samengeteld indien zij elkaar met een
                        onderbreking van minder dan vier weken opvolgen of indien zij direct
                        voorafgaan aan en aansluiten op een periode waarin zwangerschaps- en
                        bevallingsverlof wordt genoten, bedoeld in artikel 6:7, tenzij in dat geval
                        de ongeschiktheid redelijkerwijs niet geacht kan worden voort te vloeien uit
                        dezelfde oorzaak.</al><al>Lid 12</al><al>De doorbetaling van de bezoldiging, bedoeld in het eerste, tweede, derde en
                        vierde lid, eindigt indien de ambtenaar definitief wordt herplaatst in een
                        andere functie.</al><al>Lid 13</al><al>Het college kan nadere regels stellen met betrekking tot het recht op
                        bezoldiging.</al><al>Lid 14</al><al>Het college zal rekening houden met individuele gevallen van terminale
                        ziekte. In die gevallen zal de afweging worden gemaakt of ook na afloop van
                        de termijn van zes maanden, bedoeld in het eerste lid, de volledige
                        bezoldiging wordt doorbetaald.</al><al>Artikel 7:4 Bezoldiging bij ziekte bij seniorenmaatregel en
                        onbetaald/gedeeltelijk betaald verlof</al><al>De ambtenaar die onbetaald dan wel gedeeltelijk betaald verlof geniet heeft
                        recht op doorbetaling van de bezoldiging als bedoeld in artikel 7:3, met
                        dien verstande dat de ambtenaar nooit een groter bedrag aan bezoldiging
                        doorbetaald kan krijgen, dan dat hij doorbetaald zou hebben gekregen, indien
                        hij niet ziek zou zijn geweest.</al><al>Artikel 7:5 Uitkering wegens arbeidsongeschiktheid in en door de dienst</al><al>Lid 1</al><al>Aan de gewezen ambtenaar die recht heeft op een WGA- of IVA-uitkering wordt,
                        bij arbeidsongeschiktheid in en door de dienst, een aanvullende uitkering
                        verleend. </al><al>Lid 2</al><al>De aanvullende uitkering genoemd in het eerste lid is voor de ambtenaar met
                        een WGA- of IVA uitkering, gelijk aan het bedrag dat nodig is om de aan de
                        ambtenaar toegekende WGA- of IVA-uitkering, vermeerderd met een aan de
                        ambtenaar toegekende bovenwettelijke aanvulling ingevolge het
                        pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds ABP, aan te vullen tot een
                        bepaald percentage van de bezoldiging die de ambtenaar heeft genoten in het
                        jaar voorafgaand aan zijn ontslag. Dit percentage is afhankelijk van de mate
                        van arbeidsongeschiktheid en bedraagt bij een arbeidsongeschiktheid
                        van:</al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colwidth="57*"/><colspec colname="col2" colwidth="43*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>80% of meer: </al></entry><entry colname="col2"><al>95% </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>65 tot 80% </al></entry><entry colname="col2"><al>68,875%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al> 55 tot 65% </al></entry><entry colname="col2"><al>57% </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>45 tot 55% </al></entry><entry colname="col2"><al>47,5% </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>35 tot 45% </al></entry><entry colname="col2"><al>38% </al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>Lid 3</al><al>De aanvullende uitkering eindigt:</al><lijst><li nr="a."><al>indien de gewezen ambtenaar niet meer voldoet aan de in het eerste
                                lid genoemde voorwaarden of;</al></li><li nr="b."><al>met ingang van de dag waarop de ambtenaar de AOW-gerechtigde
                                leeftijd bereikt.</al></li></lijst><al>Lid 4</al><al>De gewezen ambtenaar die recht heeft op een uitkering op grond van dit
                        artikel, is verplicht om het college op de hoogte te stellen van wijzigingen
                        in zijn arbeidsongeschiktheiduitkering of bovenwettelijke aanvulling
                        ingevolge het pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds ABP.</al><al>Artikel 7:6 Vervallen</al><al>(Vervallen)</al><al>Artikel 7:7 Vergoeding kosten geneeskundige verzorging bij
                        arbeidsongeschiktheid in en door de dienst</al><al>Lid 1</al><al>Bij arbeidsongeschiktheid in en door de dienst worden aan de ambtenaar
                        vergoed de te zijner laste blijvende, naar het oordeel van het college
                        noodzakelijk gemaakte kosten van geneeskundige behandeling of
                        verzorging.</al><al>Lid 2</al><al>Het college kan omtrent het bepaalde in het eerste lid nadere voorschriften
                        geven.</al><al>Artikel 7:8 Nadere regels</al><al>Het college kan nadere regels stellen.</al><al>Artikel 7:8:1 Vaststelling referte-tijdvak toelagen</al><al>Het referte-tijdvak dat in acht wordt genomen voor de vaststelling van de
                        gemiddelde hoogte van de toelage onregelmatige dienst, de overgangstoelage
                        onregelmatige dienst, alsmede de prestatiebeloning, ten behoeve van de
                        vaststelling van het bedrag van de bezoldiging zoals bedoeld in dit
                        hoofdstuk, dient in een lokale regeling nader te worden uitgewerkt.</al><al>Artikel 7:8:2 Periodieke salarisverhoging</al><al>Het onderwerp periodieke salarisverhogingen tijdens ziekte dient in een
                        lokale regeling nader te worden uitgewerkt.</al><al>Artikel 7:8:3 Werktijd bij ziekte bij seniorenmaatregel en toepassing van
                        artikel 2:7a</al><al>De ambtenaar wiens arbeidsduur is aangepast op grond van artikel 2:7a , kan
                        voor de duur van de periode waarvoor toepassing van dit artikel is bepaald,
                        worden verplicht tot aanvaarding van arbeid waarvan de arbeidsduur
                        overeenkomt met deze tijdelijke uitgebreide arbeidsduur. Wanneer de periode
                        waarvoor de toepassing van artikel 2:7a is verstreken, geldt de verplichting
                        voor de ambtenaar ten aanzien van de aanvaarding van een nieuwe functie voor
                        de formele arbeidsduur.</al><al>Paragraaf 4 Verplichtingen en sancties</al><lijst><li nr=""><al>Artikel 7:9 Verplichtingen college</al></li><li nr=""><al>Artikel 7:10 Verplichting ambtenaar tot informatieverstrekking bij
                                ziekte</al></li><li nr=""><al>Artikel 7:11 Verplichting tot verlening van medewerking aan
                                reïntegratie</al></li><li nr=""><al>Artikel 7:12 Verplichtingen ambtenaar medisch onderzoek</al></li><li nr=""><al>Artikel 7:13:1 Geen aanspraak op doorbetaling bezoldiging</al></li><li nr=""><al>Artikel 7:13:2 Staken van doorbetaling van de bezoldiging</al></li><li nr=""><al>Artikel 7:14 Sanctie bij nalatigheid algemene verplichtingen
                                ambtenaar</al></li><li nr=""><al>Artikel 7:15:1 Bezoldiging uitbetalen aan anderen en nabetaling aan
                                ambtenaar</al></li><li nr=""><al>Artikel 7:16 Herplaatsing in passende arbeid</al></li><li nr=""><al>Artikel 7:17 Terugkeer in betrekking na ziekte</al></li><li nr=""><al>Artikel 7:18 Inkomsten uit of in verband met arbeid</al></li><li nr=""><al>Artikel 7:18:1 Inkomsten andere betrekking in mindering brengen op
                                bezoldiging</al></li></lijst><al>Artikel 7:9 Verplichtingen college</al><al>Lid 1</al><al>Het college is verplicht zo tijdig mogelijk zodanige maatregelen te treffen
                        en voorschriften te geven als redelijkerwijs nodig is, opdat de ambtenaar,
                        die in verband met ongeschiktheid ten gevolge van ziekte of gebrek
                        verhinderd is zijn arbeid te verrichten, in staat wordt gesteld de eigen
                        arbeid of passende arbeid te verrichten. </al><al>Lid 2</al><al>Indien vaststaat dat de eigen arbeid niet meer kan worden verricht en binnen
                        de openbare dienst van de gemeente geen passende arbeid voorhanden is,
                        bevordert het college de inschakeling van de ambtenaar in passende arbeid
                        buiten de openbare dienst van de gemeente.</al><al>Lid 3</al><al>Uit hoofde van zijn verplichting, genoemd in het eerste en tweede lid, stelt
                        het college in overeenstemming met de ambtenaar een plan van aanpak op als
                        bedoeld in <extref doc="1.0:v:BWBR0019057&amp;artikel=25" struct="BWB">artikel 25, tweede lid, van de WIA</extref>. Het plan van aanpak wordt
                        met medewerking van de ambtenaar regelmatig geëvalueerd en zo nodig
                        bijgesteld.</al><al>Lid 4</al><al>Het college stelt een protocol vast, waarin de regels zijn opgenomen met
                        betrekking tot de wijze waarop invulling wordt gegeven aan de begeleiding
                        van ziekteverzuim, verplichtingen omtrent ziek- en herstelmeldingen
                        daaronder begrepen, de arbeidsgezondheidskundige begeleiding en de daarbij
                        in acht te nemen procedures.</al><al>Artikel 7:10 Verplichting ambtenaar tot informatieverstrekking bij
                        ziekte</al><al>De ambtenaar verstrekt op verzoek van het college alle informatie die
                        noodzakelijk is voor de uitvoering van dit hoofdstuk.</al><al>Artikel 7:11 Verplichting tot verlening van medewerking aan
                        reïntegratie</al><al>Lid 1</al><al>De ambtenaar die in verband met ongeschiktheid ten gevolge van ziekte
                        verhinderd is zijn arbeid te verrichten, is verplicht:</al><lijst><li nr="a."><al>gevolg te geven aan, door het college of een door hem aangewezen
                                deskundige, gegeven redelijke voorschriften en mee te werken aan
                                door het college of een door hem aangewezen deskundige getroffen
                                maatregelen als bedoeld in artikel 7:9;</al></li><li nr="b."><al>zijn medewerking te verlenen aan het opstellen, evalueren en
                                bijstellen van een plan van aanpak als bedoeld in artikel 7:9, derde
                                lid;</al></li><li nr="c."><al>zich te gedragen naar de regels die in het protocol, bedoeld in
                                artikel 7:9, vierde lid, zijn opgenomen.</al></li></lijst><al>Lid 2</al><al>Indien de ambtenaar die wegens ziekte verhinderd is zijn betrekking te
                        vervullen, in staat is passende arbeid als bedoeld in artikel 7:1 te
                        verrichten en hij door het college of een andere werkgever daartoe in de
                        gelegenheid wordt gesteld, is hij verplicht die arbeid te verrichten.</al><al>Artikel 7:12 Verplichtingen ambtenaar medisch onderzoek</al><al>Lid 1</al><al>De ambtenaar is verplicht zich te onderwerpen aan een door of vanwege de
                        arbo-dienst in te stellen medisch onderzoek ter beantwoording van de vragen: </al><lijst><li nr="a."><al>of er sprake is van verhindering tot het vervullen van zijn
                                betrekking wegens ziekte; </al></li><li nr="b."><al>in welke mate er sprake is van verhindering als bedoeld onder a;
                            </al></li><li nr="c."><al>of de ambtenaar de verhindering tot het vervullen van zijn
                                betrekking opzettelijk heeft veroorzaakt; </al></li><li nr="d."><al>of de ambtenaar ten onrechte nalaat zich onder geneeskundige
                                behandeling te stellen of te blijven stellen, dan wel zich niet
                                houdt aan de voorschriften hem door de behandelende geneeskundige
                                gegeven, met dien verstande dat te dezen voorschriften tot het
                                verlenen van medewerking aan een ingreep van heelkundige aard zijn
                                uitgezonderd; </al></li><li nr="e."><al>of de ambtenaar zich zodanig gedraagt, dat zijn genezing wordt
                                belemmerd of vertraagd; </al></li><li nr="f."><al>of verdere maatregelen of voorzieningen nodig zijn in het belang van
                                het herstel van zijn gezondheid, dan wel in het belang van het
                                behoud, het herstel of de bevordering van zijn arbeidsgeschiktheid;
                            </al></li><li nr="g."><al>wanneer en in welke mate de vervulling van de betrekking kan worden
                                hervat. </al></li></lijst><al>Lid 2</al><al>Het college kan nadere regels stellen ten aanzien van de redenen van medisch
                        onderzoek. </al><al>Artikel 7:13:1 Geen aanspraak op doorbetaling bezoldiging</al><al>Geen aanspraak op doorbetaling bezoldiging als bedoeld in artikel 7:3
                        bestaat:</al><lijst><li nr="a."><al>indien blijkens het geneeskundig onderzoek, bedoeld in artikel 7:12,
                                sprake is van een omstandigheid waarbij de ambtenaar opzettelijk de
                                verhindering tot het vervullen van zijn betrekking heeft
                                veroorzaakt, tenzij de ambtenaar daarvan op grond van zijn
                                geestelijk toestand geen verwijt kan worden gemaakt;</al></li><li nr="b."><al>indien de verhindering wegens ziekte zich voordoet binnen een half
                                jaar na de in artikel 2:3, eerste lid, bedoelde geneeskundige
                                keuring en alsdan blijkt dat de ambtenaar hierbij onjuiste
                                informatie omtrent zijn gezondheidstoestand heeft verstrekt of
                                gegevens heeft verzwegen, ten gevolge waarvan de verklaring dat
                                tegen de vervulling van zijn betrekking uit medisch oogpunt geen
                                bezwaren bestaan, ten onrechte is afgegeven, tenzij de ambtenaar
                                aannemelijk maakt dat hij te goeder trouw heeft gehandeld.</al></li></lijst><al>Artikel 7:13:2 Staken van doorbetaling van de bezoldiging</al><al>Lid 1</al><al>De doorbetaling van de bezoldiging, bedoeld in artikel 7:3, wordt gestaakt,
                        indien en voor zolang de ambtenaar:</al><lijst><li nr="a."><al>weigert de in artikel 7:12 neergelegde verplichting tot het verlenen
                                van medewerking aan een door of vanwege de arbo-dienst in te stellen
                                medische onderzoek na te komen;</al></li><li nr="b."><al>blijkens het in artikel 7:12 bedoelde onderzoek ten onrechte heeft
                                nagelaten zich onder geneeskundige behandeling te stellen of te
                                blijven stellen;</al></li><li nr="c."><al>blijkens het in artikel 7:12 bedoelde onderzoek de voorschriften van
                                de behandelende arts niet opvolgt, met uitzondering van
                                voorschriften om mee te werken aan een ingreep van heelkundige
                                aard;</al></li><li nr="d."><al>zich blijkens het in artikel 7:12 bedoelde onderzoek schuldig maakt
                                aan gedragingen waardoor zijn genezing wordt belemmerd of
                                vertraagd;</al></li><li nr="e."><al>er de oorzaak van is dat het arbeidsgezondheidskundig onderzoek door
                                een door de arbo-dienst aangewezen arts niet kan plaatshebben;</al></li><li nr="f."><al>tijdens de ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid wegens
                                ziekte arbeid voor zichzelf of voor derden verricht, tenzij dit door
                                de arbo-dienst in het belang van zijn genezing wenselijk wordt
                                geacht en het college daartoe toestemming heeft verleend;</al></li><li nr="g."><al>weigert mededeling te doen van inkomsten uit arbeid, die hij heeft
                                in verband met het verrichten van door de arbo-dienst in het belang
                                van zijn genezing wenselijk geachte arbeid voor zichzelf of
                                derden;</al></li><li nr="h."><al>zijn arbeid verzuimt te hervatten op het door de arbo-dienst
                                bepaalde tijdstip en in de door deze dienst bepaalde mate, indien
                                zulks hem is opgedragen, tenzij hij daarvoor een door de arbo-dienst
                                als geldig erkende reden heeft opgegeven;</al></li><li nr="i."><al>weigert om – op verzoek van het college – informatie te verstrekken
                                die noodzakelijk is voor de uitvoering van dit hoofdstuk.</al></li></lijst><al>Lid 2</al><al>De doorbetaling van de bezoldiging vindt wel plaats indien de ambtenaar op
                        grond van zijn geestelijke toestand geen verwijt kan worden gemaakt van het
                        gedrag, genoemd in het eerste lid.</al><al>Artikel 7:14 Sanctie bij nalatigheid algemene verplichtingen ambtenaar</al><al>Lid 1</al><al>De ambtenaar die zich niet houdt aan zijn verplichtingen, bedoeld in artikel
                        7:11, eerste lid, onder c, wordt disciplinair gestraft wegens
                        plichtsverzuim.</al><al>Lid 2</al><al>De doorbetaling van de bezoldiging, bedoeld in artikel 7:3, wordt gestaakt,
                        indien en voor zolang de ambtenaar:</al><lijst><li nr="a."><al>weigert mee te werken aan, door het college of een door hem
                                aangewezen deskundige, gegeven redelijke voorschriften of getroffen
                                maatregelen, als bedoeld in artikel 7:11, eerste lid, onder a, die
                                erop gericht zijn om de betrokkene in staat te stellen de eigen
                                passende arbeid te verrichten; </al></li><li nr="b."><al>weigert mee te werken aan het opstellen, evalueren en bijstellen van
                                een plan van aanpak als bedoeld in artikel 7:11, eerste lid, onder
                                b.</al></li><li nr="c."><al>weigert aangeboden passende arbeid te verrichten, waartoe hij op
                                grond van artikel 7:11, tweede lid, verplicht is. </al></li></lijst><al>Lid 3</al><al>De doorbetaling van de bezoldiging, als genoemd in het tweede lid, vindt wel
                        plaats indien de ambtenaar op grond van zijn geestelijke toestand geen
                        verwijt kan worden gemaakt van het gedrag, genoemd in het tweede lid.</al><al>Artikel 7:15:1 Bezoldiging uitbetalen aan anderen en nabetaling aan
                        ambtenaar</al><al>Lid 1</al><al>Het college kan, indien daarvoor naar zijn oordeel bijzondere omstandigheden
                        aanleiding geven, bepalen, dat de op grond van de artikelen 7:13:1, 7:13:2
                        en 7:14 niet uitbetaalde bezoldiging, geheel of ten dele aan anderen dan de
                        ambtenaar zal worden uitbetaald.</al><al>Lid 2</al><al>Voor zover het college van zijn in het eerste lid bedoelde bevoegdheid geen
                        gebruik heeft gemaakt, wordt de ingevolge de artikelen 7:13:1, 7:13:2 en
                        7:14 niet uitbetaalde bezoldiging alsnog aan de ambtenaar uitbetaald wanneer
                        de ambtenaar op grond van de second opinion die hij conform <extref doc="1.0:v:BWBR0013060&amp;artikel=32" struct="BWB">artikel 32,
                            van de wet SUWI</extref>, heeft aangevraagd inzake het oordeel over de
                        ongeschiktheid tot werken in het gelijk gesteld wordt.</al><al>Artikel 7:16 Herplaatsing in passende arbeid</al><al>Lid 1</al><al>Passende arbeid, bedoeld in artikel 7:11, tweede lid, wordt de ambtenaar
                        opgedragen: </al><lijst><li nr="a."><al> door plaatsing in een andere betrekking voor tijdelijke duur,
                                zonder dat dit gepaard gaat met een wijziging van de
                                aanstelling;</al></li><li nr="b."><al> door plaatsing in een andere betrekking bij wijze van proef, zonder
                                dat dit gepaard gaat met een wijziging van de aanstelling; </al></li><li nr="c."><al> bij een andere werkgever, door een tijdelijke detachering, zonder
                                dat dit gepaard gaat met een wijziging van de aanstelling.</al></li></lijst><al>Lid 2</al><al>Na 24 maanden van ziekte wordt passende arbeid, bedoeld in artikel 7:11,
                        tweede lid, aan de ambtenaar opgedragen door definitieve herplaatsing. Deze
                        definitieve herplaatsing vindt plaats door wijziging van de
                        aanstelling.</al><al>Lid 3</al><al>Voorwaarde voor definitieve herplaatsing van de ambtenaar die ziek is
                        geworden op of na 1 juli 2007 en die minder dan 35% arbeidsongeschikt is, is
                        in de periode van 12 maanden na de periode van 24 maanden, bedoeld in het
                        tweede lid, dat de ambtenaar met de passende arbeid zijn volledige
                        restverdiencapaciteit benut.</al><al>Lid 4</al><al>Voorwaarde voor definitieve herplaatsing van de ambtenaar die ziek is
                        geworden op of na 1 juli 2007 en die 35% of meer, maar minder dan 80%
                        arbeidsongeschikt is, is in de periode van 12 maanden na de periode van 24
                        maanden, bedoeld in het tweede lid, dat de ambtenaar met de passende arbeid
                        50% van zijn restverdiencapaciteit of meer benut.</al><al>Lid 5</al><al>Voor de toepassing van het eerste tot en met vierde lid wordt onder een
                        andere betrekking mede verstaan het verrichten van dezelfde werkzaamheden
                        onder andere voorwaarden.</al><al>Lid 6</al><al>Voor het bepalen van de periode van 24 respectievelijk 12 maanden worden
                        perioden van ongeschiktheid voor de vervulling van de betrekking tengevolge
                        van zwangerschap voorafgaand aan het zwangerschaps- en bevallingsverlof en
                        de periode van het zwangerschaps- of bevallingsverlof bedoeld in artikel
                        6:7, niet in aanmerking genomen. </al><al>Lid 7</al><al>Voor het bepalen van de periode van 24 respectievelijk 12 maanden worden
                        perioden van ongeschiktheid wegens ziekte samengeteld, indien zij elkaar met
                        een onderbreking van minder dan vier weken opvolgen, of indien zij direct
                        voorafgaan aan en aansluiten op een periode waarin zwangerschaps- of
                        bevallingsverlof wordt genoten, tenzij de ongeschiktheid in dit geval
                        redelijkerwijs niet geacht kan worden voort te vloeien uit dezelfde
                        oorzaak.</al><al>Lid 8</al><al>De termijn van 24 maanden wordt verlengd:</al><lijst><li nr="a."><al> met de duur van de verlenging van de wachttijd, bedoeld in <extref doc="1.0:v:BWBR0019057&amp;artikel=24" struct="BWB">artikel 24, eerste lid, van de WIA</extref> en</al></li><li nr="b."><al> met de duur van het tijdvak, dat het Uitvoeringsinstituut
                                werknemersverzekeringen op grond van <extref doc="1.0:v:BWBR0019057&amp;artikel=25" struct="BWB">artikel 25, negende lid, van de WIA</extref> heeft
                                vastgesteld.</al></li></lijst><al>Lid 9</al><al>De ambtenaar verleent alle medewerking en verstrekt alle informatie die
                        nodig is om de restverdiencapaciteit vast te stellen.</al><al>Artikel 7:17 Terugkeer in betrekking na ziekte</al><al>Lid 1</al><al>Ten aanzien van de ambtenaar die wegens ziekte verhinderd is zijn betrekking
                        te vervullen, kan worden bepaald dat hij zijn betrekking slechts weer zal
                        mogen vervullen, indien het college daarvoor toestemming heeft verleend,
                        onder bepaling van de mate waarin de hervatting kan geschieden.</al><al>Lid 2</al><al>Ten behoeve van de bepaling van het eerste lid zal mede worden gelet op het
                        advies van de arbo-dienst of van het UWV.</al><al>Lid 3</al><al>De in het eerste lid bedoelde toestemming is in ieder geval vereist indien
                        de ambtenaar gedurende meer dan een jaar volledig verhinderd is geweest zijn
                        betrekking te vervullen.</al><al>Artikel 7:18 Inkomsten uit of in verband met arbeid</al><al>Het college kan nadere regels stellen met betrekking tot het in mindering
                        brengen van inkomsten uit passende arbeid of werkzaamheden in het kader van
                        de reïntegratie op de bezoldiging.</al><al>Artikel 7:18:1 Inkomsten andere betrekking in mindering brengen op
                        bezoldiging</al><al>Lid 1</al><al>Indien de ambtenaar tijdens de verhindering tot het vervullen van zijn
                        betrekking, op grond van een aan het college uitgebracht advies door de
                        arbo-dienst of door het UWV, in het belang van zijn genezing of zijn
                        reïntegratie, dan wel in het kader van herplaatsing wenselijk geachte arbeid
                        voor zichzelf of voor derden verricht, worden de inkomsten uit deze arbeid
                        in mindering gebracht op de bezoldiging waar de ambtenaar recht op heeft
                        krachtens artikel 7:3.</al><al>Lid 2</al><al>Tot de in het eerste lid bedoelde inkomsten wordt tevens gerekend een
                        herplaatsingstoelage, toegekend op grond van hoofdstuk 12 van het
                        pensioenreglement, alsmede elke andere toelage, onder welke benaming ook,
                        die geacht kan worden betrekking te hebben op arbeid bedoeld in het eerste
                        lid.</al><al>Paragraaf 5 Bijzondere situaties</al><lijst><li nr=""><al>Artikel 7:19 Samenloop van bezoldiging bij ziekte met
                                ZW-uitkering</al></li><li nr=""><al>Artikel 7:20 Samenloop van bezoldiging bij ziekte met een
                                WW-uitkering</al></li><li nr=""><al>Artikel 7:21 Samenloop van bezoldiging bij ziekte met uitkering op
                                grond van de <extref doc="1.0:v:BWBR0019057" struct="BWB">WIA</extref></al></li><li nr=""><al>Artikel 7:22 Bovenwettelijke aanvulling Pensioenreglement</al></li><li nr=""><al>Artikel 7:23 <extref doc="1.0:v:BWBR0008657" struct="BWB">WAJONG</extref>/<extref doc="1.0:v:BWBR0008656" struct="BWB">WAZ</extref></al></li><li nr=""><al>Artikel 7:23:1 Vervallen</al></li><li nr=""><al>Artikel 7:24 Zorgverzekering</al></li><li nr=""><al>Artikel 7:24a Tegemoetkoming ziektekosten</al></li></lijst><al>Artikel 7:19 Samenloop van bezoldiging bij ziekte met ZW-uitkering</al><al>Lid 1</al><al>Indien de ambtenaar ter zake van de desbetreffende ongeschiktheid tot het
                        verrichten van zijn werk recht heeft op een ZW-uitkering, wordt het bedrag
                        van die uitkering in mindering gebracht op het bedrag waarop hij op grond
                        van artikel 7:3, recht heeft.</al><al>Lid 2</al><al>Indien de ambtenaar geen ZW-uitkering aanvraagt binnen de in de <extref doc="1.0:v:BWBR0001888" struct="BWB">ZW</extref> gestelde
                        termijnen en dit aan zijn schuld of toedoen te wijten is, wordt voor de
                        periode dat hij dientengevolge geen ZW-uitkering ontvangt, voor de
                        toepassing van dit artikel rekening gehouden met een volledige
                        ZW-uitkering.</al><al>Lid 3</al><al>Indien als gevolg van handelingen of nalaten van handelingen door de
                        ambtenaar de ZW-uitkering vermindering ondergaat, aan de ambtenaar een boete
                        wordt opgelegd, dan wel het recht op de ZW-uitkering geheel of gedeeltelijk
                        wordt geweigerd, en dit aan zijn schuld of toedoen te wijten is, wordt voor
                        de toepassing van dit artikel rekening gehouden met een volledige
                        ZW-uitkering.</al><al>Lid 4</al><al>De ambtenaar verleent op verzoek van het college alle medewerking aan het
                        via het college tot uitbetaling laten komen van de ZW-uitkering.</al><al>Lid 5</al><al>Indien de ZW-uitkering meer bedraagt dan het bedrag waarop de ambtenaar op
                        grond van artikel 7:3 recht heeft, wordt het meerdere aan de ambtenaar
                        uitbetaald. </al><al>Artikel 7:20 Samenloop van bezoldiging bij ziekte met een WW-uitkering</al><al>Indien de ambtenaar ter zake van de dienstbetrekking waarbij de
                        ongeschiktheid tot het verrichten van zijn werk is ontstaan, recht heeft op
                        een WW-uitkering, wordt het bedrag van die uitkering in mindering gebracht
                        op het bedrag waarop hij op grond van artikel 7:3, recht heeft.</al><al>Artikel 7:21 Samenloop van bezoldiging bij ziekte met uitkering op grond van
                        de WIA</al><al>Lid 1</al><al>Indien de ambtenaar ter zake van de desbetreffende verhindering tot het
                        vervullen van zijn betrekking recht heeft op een WGA- of een IVA-uitkering,
                        wordt het bedrag van die uitkering in mindering gebracht op het bedrag
                        waarop hij op grond van artikel 7:3 recht heeft. Wanneer de ambtenaar recht
                        heeft op een IVA-uitkering dan wel een WGA-uitkering in verband met
                        volledige, maar niet duurzame arbeidsongeschiktheid, heeft de ambtenaar ten
                        minste recht op een bedrag ter hoogte van deze IVA- of WGA-uitkering.</al><al>Lid 2</al><al>Indien de ambtenaar recht heeft op een WGA- of een IVA-uitkering uit hoofde
                        van twee of meer dienstbetrekkingen, wordt die uitkering naar rato van de
                        bezoldiging uit de verschillende functies, in mindering gebracht op de
                        dienstbetrekking op grond waarvan de bezoldiging wordt doorbetaald.</al><al>Lid 3</al><al>Indien de ambtenaar geen WGA- of IVA-uitkering aanvraagt binnen de in de
                            <extref doc="1.0:v:BWBR0019057" struct="BWB">WIA</extref> gestelde
                        termijnen en hem dit redelijkerwijs kan worden verweten, wordt voor de
                        periode dat hij dientengevolge geen WGA- of IVA-uitkering ontvangt, voor de
                        toepassing van dit artikel rekening gehouden met een IVA-uitkering.</al><al>Lid 4</al><al>Indien als gevolg van handelingen of nalaten van handelingen door de
                        ambtenaar niet kan worden vastgesteld of de ambtenaar in aanmerking komt
                        voor een WGA- of een IVA-uitkering en hem dit redelijkerwijs kan worden
                        verweten, wordt voor de toepassing van dit artikel rekening gehouden met een
                        IVA-uitkering.</al><al>Lid 5</al><al>Indien als gevolg van handelingen of het nalaten van handelingen door
                        betrokkene de WGA- of IVA-uitkering vermindering ondergaat, dan wel het
                        recht daarop geheel of gedeeltelijk wordt geweigerd, en hem dit
                        redelijkerwijs kan worden verweten, wordt voor de toepassing van dit artikel
                        uitgegaan van de WGA- of IVA-uitkering zoals die werd genoten voor
                        vermindering of gehele of gedeeltelijke weigering van het bedrag
                        plaatsvond.</al><al>Lid 6</al><al>De ambtenaar verleent op verzoek van het college alle medewerking aan het
                        via het college tot uitbetaling laten komen van de WGA- of
                        IVA-uitkering.</al><al>Artikel 7:22 Bovenwettelijke aanvulling Pensioenreglement</al><al>Artikel 7:21 is van overeenkomstige toepassing, wanneer de ambtenaar in
                        aanvulling op de WGA- of IVA-uitkering, bedoeld in artikel 7:21, recht heeft
                        op een bovenwettelijke aanvulling op grond van het Pensioenreglement van de
                        Stichting Pensioenfonds ABP.</al><al>Artikel 7:23 <extref doc="1.0:v:BWBR0008657" struct="BWB">WAJONG</extref>/<extref doc="1.0:v:BWBR0008656" struct="BWB">WAZ</extref></al><al>Indien de ambtenaar op grond van zijn arbeidsongeschiktheid recht heeft op
                        een WAJONG- of WAZ-uitkering, worden deze uitkeringen voor de toepassing van
                        dit hoofdstuk gelijkgesteld met een uitkering op grond van de <extref doc="1.0:v:BWBR0019057" struct="BWB">WIA</extref>.</al><al>Artikel 7:23:1 Vervallen</al><al>(Vervallen)</al><al>Artikel 7:24 Zorgverzekering</al><al>De VNG sluit voor de zorgverzekering van gemeenteambtenaren, postactieven en
                        inactieven een overeenkomst als bedoeld in <extref doc="1.0:v:BWBR0018450&amp;artikel=18" struct="BWB">artikel 18 van
                            de Zorgverzekeringswet</extref>.</al><al>Artikel 7:24a Tegemoetkoming ziektekosten</al><al>Lid 1</al><al>De ambtenaar, die een aanvullende verzekering Extra Zorg 3 of Extra Zorg 4
                        bij IZA Zorgverzekeraar NV, of Mijn Keuze 3 of Mijn Keuze 4 bij Zilveren
                        Kruis Achmea heeft, heeft recht op een tegemoetkoming in zijn
                        ziektekosten.</al><al>Lid 2</al><al>De tegemoetkoming in de ziektekosten wordt eenmaal per kalenderjaar in de
                        maand december uitbetaald.</al><al>Lid 3</al><al>Bij indiensttreding op of na 1 januari van een kalenderjaar heeft de
                        ambtenaar naar evenredigheid recht op een tegemoetkoming in de
                        ziektekosten.</al><al>Paragraaf 6 Ziektekosten</al><lijst><li nr=""><al>Artikel 7:25 Hoogte tegemoetkoming</al></li><li nr=""><al>Artikel 7:25a Meerdere dienstverbanden</al></li><li nr=""><al>Artikel 7:25b Vervallen</al></li><li nr=""><al>Artikel 7:25:1 Vervallen</al></li><li nr=""><al>Artikel 7:25:2 Vervallen</al></li><li nr=""><al>Artikel 7:25:3 Vervallen</al></li><li nr=""><al>Artikel 7:25:4 Vervallen</al></li></lijst><al>Artikel 7:25 Hoogte tegemoetkoming</al><al>Lid 1</al><al>De tegemoetkoming in de ziektekosten is € 168,= per jaar.</al><al>Lid 2</al><al>De tegemoetkoming in de ziektekosten is € 296,= per jaar als het salaris van
                        de ambtenaar maal de deeltijdfactor lager is dan of gelijk is aan het bedrag
                        dat hoort bij de hoogste periodiek van schaal 6.</al><al>Lid 3</al><al>De ambtenaar die gedurende het jaar in dienst treedt of ontslagen wordt
                        ontvangt een tegemoetkoming in de ziektekosten naar rato van de tijd dat hij
                        in dienst is geweest.</al><al>Lid 4</al><al>De peildatum voor de vergelijking van het tweede lid is de maand december.
                        Voor de ambtenaar die gedurende het jaar uit dienst treedt is de peildatum
                        voor de vergelijking van het tweede lid de laatste maand dat de ambtenaar in
                        dienst is geweest.</al><al>Artikel 7:25a Meerdere dienstverbanden</al><al>Indien de ambtenaar uit hoofde van een ander dienstverband een
                        tegemoetkoming krijgt voor ziektekosten, wordt dit verrekend met de
                        tegemoetkoming op grond van artikel 7:24a en artikel 7:25. De ambtenaar is
                        verplicht de gemeente te informeren, indien hij een dergelijke
                        tegemoetkoming ontvangt uit hoofde van een andere dienstbetrekking.</al><al>Artikel 7:25b Vervallen</al><al>(Vervallen)</al><al>Artikel 7:25:1 Vervallen</al><al>(Vervallen)</al><al>Artikel 7:25:2 Vervallen</al><al>(Vervallen) </al><al>Artikel 7:25:3 Vervallen</al><al>(Vervallen)</al><al>Artikel 7:25:4 Vervallen</al><al>(Vervallen)</al><al>Paragraaf 7 Overige bepalingen</al><lijst><li nr=""><al>Artikel 7:26 Overgangsbepaling</al></li><li nr=""><al>Artikel 7:27 Garantie-uitkering</al></li><li nr=""><al>Artikel 7:28 Overgangsartikel</al></li><li nr=""><al>Artikel 7:28:1 Overgangsartikel</al></li><li nr=""><al>Artikel 7:28a Overgangsartikel</al></li><li nr=""><al>Artikel 7:28b Overgangsartikel</al></li></lijst><al>Artikel 7:26 Overgangsbepaling</al><al>Lid 1</al><al>Op de ambtenaar of gewezen ambtenaar, die wegens ziekte op 31 december 2000
                        recht heeft op bezoldiging of uitkering op grond van dit hoofdstuk en
                        waarvan de ziekte ook na deze datum voortduurt, blijven de bepalingen van
                        dit hoofdstuk, zoals deze luidden op 31 december 2000 van kracht tot het
                        moment dat de ziekte van de betrokkene eindigt, dan wel tot de dag met
                        ingang waarvan de betrokkene recht krijgt op een uitkering krachtens de
                            <extref doc="1.0:v:BWBR0001888" struct="BWB">Ziektewet</extref>.</al><al>Lid 2</al><al>De betrokkene is verplicht de onverschuldigde betalingen aan hem, die op
                        grond van dit artikel zijn verricht, terug te betalen, indien hem met
                        terugwerkende kracht een uitkering krachtens de <extref doc="1.0:v:BWBR0001888" struct="BWB">Ziektewet</extref> wordt
                        toegekend.</al><al>Artikel 7:27 Garantie-uitkering</al><al>Lid 1</al><al>De ambtenaar die herplaatst is op grond van artikel 7:6, tweede lid onder c,
                        zoals dat luidde voor 1 januari 2003, heeft, indien naderhand maar voor 1
                        januari 2001, de mate van arbeidsongeschiktheid op een lager niveau is
                        vastgesteld, recht op een garantie-uitkering, indien hem geen aanvullende
                        gangbare arbeid is aangeboden van een zodanige omvang dat hij in staat is om
                        zijn toegenomen restverdiencapaciteit te benutten. Onder gangbare arbeid
                        wordt in dit artikel verstaan alle algemeen geaccepteerde arbeid waartoe
                        betrokkene in staat is, gezien zijn krachten en bekwaamheden.</al><al>Lid 2</al><al>De garantie-uitkering bedraagt te rekenen vanaf de datum van aanvang van de
                        ziekte in de oorspronkelijke betrekking 18 maanden 100%, vervolgens 39
                        maanden 80% en daarna 33 maanden 70% van de bezoldiging die de ambtenaar
                        genoot in de oorspronkelijke betrekking.</al><al>Lid 3</al><al>Op de garantie-uitkering wordt in mindering gebracht hetgeen de ambtenaar
                        ontvangt aan bezoldiging uit de betrekking waarin hij is herplaatst en, in
                        voorkomend geval, met het recht op WAO-uitkering, invaliditeitspensioen,
                        herplaatsingstoelage en inkomsten uit of in verband met arbeid of bedrijf
                        verkregen op of na de datum waarop de arbeidsongeschiktheid op een lager
                        niveau is vastgesteld.</al><al>Lid 4</al><al>Indien de betrokkene nalaat van de gelegenheid gebruik te maken die kan
                        leiden tot het verkrijgen van gangbare arbeid, indien hij weigert gangbare
                        arbeid te aanvaarden of indien hij opzettelijk inkomsten uit gangbare arbeid
                        verloren laat gaan, wordt het bedrag van de garantie-uitkering verminderd
                        met het bedrag van de verzuimde of de verloren gegane inkomsten.</al><al>Lid 5</al><al>De garantie-uitkering eindigt: </al><lijst><li nr="a."><al>met ingang van de maand volgend op die waarin hij de leeftijd van 65
                                jaar bereikt;</al></li><li nr="b."><al>bij ontslag.</al></li></lijst><al>Artikel 7:28 Overgangsartikel</al><al>Lid 1</al><al>Op de ambtenaar van wie de eerste dag van ongeschiktheid bedoeld in artikel
                        7:3 is gelegen voor 1 januari 2004 zijn de artikelen 7:1, 7:3, 7:5, 7:9,
                        7:11, 7:14, 7:16, 7:18, 7:21 en 7:22 niet van toepassing. </al><al>Lid 2</al><al>Op de ambtenaar, bedoeld in het vorige lid, zijn de artikelen 7:1, 7:3, 7:5,
                        7:9, 7:11, 7:14, 7:16, 7:18, 7:21 en 7:22 zoals die golden op 31 december
                        2005, van toepassing. </al><al>Lid 3</al><al>Op de ambtenaar, van wie de eerste dag van ongeschiktheid bedoeld in artikel
                        7:3 is gelegen op of na 1 januari 2004 en die op grond van de <extref doc="1.0:v:BWBR0002524" struct="BWB">WAO</extref> recht heeft op
                        een WAO-uitkering, zijn de artikelen 7:1, 7:5, 7:9, 7:11, 7:14, 7:16 en 7:21
                        niet van toepassing.</al><al>Lid 4</al><al>Op de ambtenaar, bedoeld in het vorige lid, zijn de artikelen 7:1, 7:5, 7:9,
                        7:11, 7:14, 7:16 en 7:21, zoals die golden op 31 december 2005 , van
                        toepassing, waarbij de verwijzing in artikel 7:21, eerste lid, naar artikel
                        7:3, eerste lid, gelezen moet worden als een verwijzing naar artikel 7:3,
                        zoals dat luidt met ingang van 1 januari 2006 . </al><al>Lid 5</al><al>Het college stelt per 1 januari 2006 voor de ambtenaren van wie de eerste
                        dag van ongeschiktheid, bedoeld in artikel 7:3, is gelegen op of na 1
                        januari 2004, de duur van de ongeschiktheid vast. De hoogte van de
                        loondoorbetaling vanaf 1 januari 2006 wordt bij voortduring van de
                        ongeschiktheid berekend op basis van het bepaalde in artikel 7:3, eerste tot
                        en met het vierde lid.</al><al>Artikel 7:28:1 Overgangsartikel</al><al>Lid 1</al><al>Op de ambtenaar van wie de eerste dag van ongeschiktheid bedoeld in artikel
                        7:3 is gelegen voor 1 januari 2004 is artikel 7:18:1 niet van toepassing. </al><al>Lid 2</al><al>Op de ambtenaar, bedoeld in het vorige lid, is artikel 7:18:1 zoals dat gold
                        op 31 december 2005 , van toepassing. </al><al>Artikel 7:28a Overgangsartikel</al><al>Lid 1</al><al>Op de ambtenaar van wie de eerste dag van ongeschiktheid bedoeld in artikel
                        7:3 gelegen is voor 1 juli 2007 is artikel 7:16 niet van toepassing.</al><al>Lid 2</al><al>Op de ambtenaar van wie de eerste dag van ongeschiktheid bedoeld in artikel
                        7:3 gelegen is voor 1 juli 2007 is artikel 7:16, zoals dat gold op 30 juni
                        2008, van toepassing.</al><al>Artikel 7:28b Overgangsartikel</al><al>Op de ambtenaar van wie de eerste dag van ongeschiktheid, bedoeld in artikel
                        7:3, gelegen is voor 1 augustus 2008, is artikel 7:16 van toepassing, zoals
                        dat gold op 30 november 2008.</al><al>8 Ontslag</al><al>Artikel 8:1 Ontslag op verzoek</al><al>Lid 1</al><al>Indien de ambtenaar ontslag verzoekt, wordt hem dit eervol verleend.</al><al>Lid 2</al><al>Ontslag op grond van dit artikel kan ook gedeeltelijk worden verleend.</al><al>Lid 3</al><al>Het verzoek, bedoeld in het eerste lid, kan worden aangehouden indien een
                        ontslag op grond van artikel 8:13 overwogen wordt.</al><al>Artikel 8:1:1 Ontslag op verzoek</al><al>Lid 1</al><al>Het ontslag, bedoeld in artikel 8:1, wordt niet verleend met ingang van een
                        datum gelegen binnen een maand dan wel later dan drie maanden na de datum
                        waarop het verzoek om ontslag is ingekomen.</al><al>Lid 2</al><al>Indien de ambtenaar dit verzoekt kan van het bepaalde in het eerste lid
                        worden afgeweken.</al><al>Lid 3</al><al>Indien een strafrechtelijke vervolging tegen de ambtenaar aanhangig is of
                        indien overwogen wordt hem in aanmerking te brengen voor disciplinaire straf
                        kan het nemen van een beslissing op een verzoek om ontslag worden
                        aangehouden totdat de uitspraak van de strafrechter of de beslissing inzake
                        de disciplinaire straf onherroepelijk is geworden.</al><al>Artikel 8:2 Ontslag wegens het bereiken van de AOW-gerechtigde leeftijd</al><al>Lid 1</al><al>De ambtenaar wordt eervol ontslag verleend met ingang van de dag waarop hij
                        de AOW-gerechtigde leeftijd bereikt.</al><al>Lid 2</al><al>Aan de ambtenaar die voldoet aan de voorwaarden voor FPU, maar niet (geheel)
                        gebruik maakt van dit recht, wordt eervol ontslag verleend met ingang van de
                        eerste van de maand volgend op die waarin hij de 65-jarige leeftijd
                        bereikt.</al><al>Lid 3</al><al>Het college kan in bijzondere gevallen, indien de ambtenaar hiermede
                        instemt, van het bepaalde in het eerste lid afwijken.</al><al>Artikel 8:2:1 Vervallen</al><al>(Vervallen)</al><al>Artikel 8:2a Opzegtermijn na bereiken AOW-gerechtigde leeftijd </al><al>De aanstelling of arbeidsovereenkomst van de medewerker die na het bereiken
                        van de AOW-gerechtigde leeftijd in dienst is getreden van de gemeente,
                        alsmede de aanstelling of arbeidsovereenkomst als bedoeld in artikel 8:2,
                        derde lid, wordt beëindigd wanneer een van de partijen dat wenselijk acht.
                        Hierbij wordt een opzegtermijn van één maand in acht genomen.</al><al>Artikel 8:3 Ontslag wegens reorganisatie</al><al>Lid 1</al><al>Ontslag kan aan de ambtenaar worden verleend wegens opheffing van zijn
                        betrekking of wegens verandering in de inrichting van het dienstonderdeel
                        waarbij hij werkzaam is of van andere dienstonderdelen, dan wel wegens
                        verminderde behoefte aan arbeidskrachten. Ontslag op grond van dit artikel
                        wordt eervol verleend.</al><al>Lid 2</al><al>Ontslag op grond van dit artikel kan ook gedeeltelijk worden verleend.</al><al>Lid 3</al><al>Op grond van dit artikel wordt, individuele gevallen uitgezonderd, ontslag
                        verleend ingevolge een vooraf vastgesteld plan.</al><al>Artikel 8:3:1 Ontslag wegens reorganisatie</al><al>Over het plan, bedoeld in artikel 8:3, derde lid, wordt overleg gepleegd in
                        de commissie bedoeld in artikel 12:1, tweede lid. Daarna wordt het aan de
                        betrokken ambtenaren medegedeeld. </al><al>Artikel 8:4 Ontslag wegens volledige arbeidsongeschiktheid</al><al>Lid 1</al><al>Onder volledige arbeidsongeschiktheid wordt verstaan:</al><lijst><li nr="a."><al> arbeidsongeschiktheid voor 80% of meer, waarbij recht bestaat op
                                een WGA-uitkering;</al></li><li nr="b."><al> arbeidsongeschiktheid voor 80% of meer, waarbij recht bestaat op
                                een IVA-uitkering.</al></li></lijst><al>Lid 2</al><al>Ontslag kan aan de ambtenaar worden verleend op grond van volledige
                        ongeschiktheid voor de vervulling van zijn betrekking wegens ziekte. Voor de
                        toepassing van dit artikel wordt onder ziekte mede verstaan gebreken. Het
                        ontslag wordt eervol verleend. </al><al>Lid 3</al><al>Ontslag als bedoeld in het tweede lid mag slechts plaatsvinden indien er
                        sprake is van ongeschiktheid voor de vervulling van zijn betrekking wegens
                        ziekte gedurende een periode van 24 maanden.</al><al>Lid 4</al><al>Het college betrekt bij het beoordelen van de vraag of er sprake is van een
                        situatie als bedoeld in het derde lid het resultaat van de claimbeoordeling
                        van de <extref doc="1.0:v:BWBR0019057" struct="BWB">WIA</extref> en de
                        resultaten van een mogelijke herbeoordeling.</al><al>Lid 5</al><al>Het college stelt de ambtenaar schriftelijk op de hoogte dat een
                        ontslagprocedure als bedoeld in het tweede lid wordt ingesteld. Deze melding
                        geschiedt op zijn vroegst vanaf de 21e maand na de eerste ziektedag. </al><al>Lid 6</al><al>Het ontslagbesluit moet binnen één jaar na de datum van de meest recente
                        WIA-beschikking zijn genomen. </al><al>Lid 7</al><al>Indien het ontslagbesluit niet binnen de termijn, bedoeld in het zesde lid,
                        genomen is, moet het college, indien er geen overeenstemming bestaat over
                        het ontslag, een deskundigenoordeel van UWV betrekken.</al><al>Lid 8</al><al>Voor het bepalen van het in het derde lid bedoelde tijdvak van 24 maanden
                        worden perioden van ongeschiktheid voor de vervulling van de betrekking
                        tengevolge van zwangerschap voorafgaand aan het zwangerschaps- en
                        bevallingsverlof en de periode van het zwangerschaps- of bevallingsverlof
                        bedoeld in artikel 6:7, niet in aanmerking genomen. </al><al>Lid 9</al><al>Voor het bepalen van het in het derde lid bedoelde tijdvak van 24 maanden
                        worden perioden van ongeschiktheid wegens ziekte samengeteld, indien zij
                        elkaar met een onderbreking van minder dan vier weken opvolgen, of indien
                        zij direct voorafgaan aan en aansluiten op een periode waarin zwangerschaps-
                        of bevallingsverlof wordt genoten, tenzij de ongeschiktheid in dit geval
                        redelijkerwijs niet geacht kan worden voort te vloeien uit dezelfde oorzaak. </al><al>Lid 10</al><al>De termijn van 24 maanden, als bedoeld in het derde lid wordt verlengd: </al><lijst><li nr="a."><al> met de duur van de verlenging van de wachttijd, bedoeld in <extref doc="1.0:v:BWBR0019057&amp;artikel=24" struct="BWB">artikel 24, eerste lid, van de WIA</extref> en</al></li><li nr="b."><al>met de duur van het tijdvak, dat het Uitvoeringsinstituut
                                werknemersverzekeringen op grond van <extref doc="1.0:v:BWBR0019057&amp;artikel=25" struct="BWB">artikel 25, negende lid, van de WIA</extref> heeft vastgesteld.
                            </al></li></lijst><al>Artikel 8:5 Ontslag wegens gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid</al><al>Lid 1</al><al>Ontslag kan aan de ambtenaar worden verleend op grond van gedeeltelijke
                        ongeschiktheid voor de vervulling van zijn betrekking wegens ziekte. Voor de
                        toepassing van dit artikel wordt onder ziekte mede verstaan gebreken. Het
                        ontslag wordt eervol verleend. </al><al>Lid 2</al><al>Een ontslag als bedoeld in het eerste lid mag slechts plaatsvinden indien: </al><lijst><li nr="a."><al> er sprake is van ongeschiktheid voor de vervulling van zijn
                                betrekking wegens ziekte gedurende een periode van 36 maanden;</al></li><li nr="b."><al> het na zorgvuldig onderzoek niet mogelijk is gebleken de ambtenaar
                                binnen de gemeentelijke dienst passende arbeid op te dragen, als
                                bedoeld in artikel 7:9.</al></li></lijst><al>Lid 3</al><al>Het college betrekt bij het beoordelen van de vraag of er sprake is van een
                        situatie als bedoeld in het tweede lid het resultaat van de claimbeoordeling
                        op grond van de <extref doc="1.0:v:BWBR0019057" struct="BWB">WIA</extref> en de resultaten van een mogelijke herbeoordeling.</al><al>Lid 4</al><al>Het college stelt de ambtenaar schriftelijk op de hoogte dat sprake is van
                        een situatie als bedoeld in het tweede lid op grond waarvan de
                        ontslagprocedure als bedoeld in het eerste lid wordt ingesteld. Deze melding
                        geschiedt op zijn vroegst vanaf de 33e maand na de eerste ziektedag.</al><al>Lid 5</al><al>Het ontslagbesluit moet binnen één jaar na de datum van de meest recente
                        WIA-beschikking zijn genomen. </al><al>Lid 6</al><al>Indien het ontslagbesluit niet binnen de termijn, bedoeld in het vijfde lid,
                        genomen is, moet het college, indien er geen overeenstemming bestaat over
                        het ontslag, een deskundigenoordeel van UWV betrekken.</al><al>Lid 7</al><al>Voor het bepalen van het in het tweede lid, onderdeel a, bedoelde tijdvak
                        van 36 maanden worden perioden van ongeschiktheid voor de vervulling van de
                        betrekking tengevolge van zwangerschap voorafgaand aan het zwangerschaps- en
                        bevallingsverlof en de periode van het zwangerschaps- of bevallingsverlof
                        bedoeld in artikel 6:7, niet in aanmerking genomen. </al><al>Lid 8</al><al>Voor het bepalen van het in het tweede lid, onderdeel a, bedoelde tijdvak
                        van 36 maanden worden perioden van ongeschiktheid wegens ziekte samengeteld,
                        indien zij elkaar met een onderbreking van minder dan vier weken opvolgen,
                        of indien zij direct voorafgaan aan en aansluiten op een periode waarin
                        zwangerschaps- of bevallingsverlof wordt genoten, tenzij de ongeschiktheid
                        in dit geval redelijkerwijs niet geacht kan worden voort te vloeien uit
                        dezelfde oorzaak. </al><al>Lid 9</al><al>De termijn van 36 maanden, als genoemd in het tweede lid, onderdeel a, wordt
                        verlengd</al><lijst><li nr="a."><al> met de duur van de verlenging van de wachttijd, bedoeld in artikel
                                    <extref doc="1.0:v:BWBR0019057&amp;artikel=24" struct="BWB">24, eerste lid, van de WIA</extref> en</al></li><li nr="b."><al> met de duur van het tijdvak, dat het Uitvoeringsinstituut
                                werknemersverzekeringen op grond van <extref doc="1.0:v:BWBR0019057&amp;artikel=25" struct="BWB">artikel 25, negende lid, van de WIA</extref> heeft
                                vastgesteld.</al></li></lijst><al>Lid 10</al><al>Indien voor de ambtenaar buiten de gemeentelijke dienst passende arbeid als
                        bedoeld in artikel 7:16, derde of vierde lid, aanwezig is, is ontslag vanaf
                        24 maanden na de eerste dag van ongeschiktheid op grond van dit artikel
                        mogelijk. Bij het bepalen van de termijn van 24 maanden worden het zesde,
                        zevende en achtste lid van artikel 7:16 overeenkomstig toegepast. </al><al>Artikel 8:5a Ontslag wegens arbeidsongeschiktheid</al><al>Lid 1</al><al>De ambtenaar die ongeschikt is voor de vervulling van zijn functie wegens
                        ziekte of gebrek kan ontslag verleend worden indien hij zonder deugdelijke
                        grond weigert:</al><lijst><li nr="a."><al>gevolg te geven aan door het college of een door hem aangewezen
                                deskundige gegeven redelijke voorschriften en mee te werken aan door
                                het college of een door hem aangewezen deskundige getroffen
                                maatregelen om hem in staat te stellen de eigen of passende arbeid
                                te verrichten, als bedoeld in artikel 7:9;</al></li><li nr="b."><al>arbeid als bedoeld in artikel 7:11, tweede lid te verrichten waartoe
                                het college hem in de gelegenheid stelt;</al></li><li nr="c."><al>zijn medewerking te verlenen aan het opstellen, evalueren en
                                bijstellen van een plan van aanpak als bedoeld in <extref doc="1.0:v:BWBR0019057&amp;artikel=25" struct="BWB">artikel 25, tweede lid, van de WIA</extref>;</al></li><li nr="d."><al>een uitkering op grond van de <extref doc="1.0:v:BWBR0019057" struct="BWB">WIA</extref> aan te vragen.</al></li></lijst><al>Lid 2</al><al>Om te beoordelen of er sprake is van een situatie als bedoeld in het eerste
                        lid, wint het college een hierop betrekking hebbend advies van het UWV
                        in.</al><al>Artikel 8:5:1 Vervallen</al><al>(Vervallen)</al><al>Artikel 8:6 Ontslag wegens onbekwaamheid of ongeschiktheid</al><al>Lid 1</al><al>Ontslag kan aan de ambtenaar worden verleend op grond van onbekwaamheid of
                        ongeschiktheid voor de vervulling van zijn betrekking anders dan op grond
                        van ziekten of gebreken. Ontslag op grond van dit artikel wordt eervol
                        verleend.</al><al>Lid 2</al><al>Ontslag op grond van dit artikel kan ook gedeeltelijk worden verleend.</al><al>Artikel 8:7 Overige ontslaggronden</al><al>Ontslag kan aan de ambtenaar worden verleend op grond van:</al><lijst><li nr="a."><al>verlies van een vereiste bij de aanstelling door het bestuursorgaan
                                gesteld, tenzij het vereiste alleen bij aanvaarding van de
                                betrekking geldt;</al></li><li nr="b."><al>aangaan van een graad van zwagerschap die de aanstelling in de
                                betrekking zou uitsluiten;</al></li><li nr="c."><al>staat van curatele krachtens onherroepelijk geworden rechterlijke
                                uitspraak;</al></li><li nr="d."><al>toepassing van lijfsdwang wegens schulden krachtens onherroepelijk
                                geworden rechterlijke uitspraak;</al></li><li nr="e."><al>onherroepelijk geworden veroordeling tot vrijheidsstraf wegens
                                misdrijf;</al></li><li nr="f."><al>het verstrekken van onjuiste gegevens in verband met
                                indiensttreding, tenzij hem daarvan redelijkerwijs geen verwijt kan
                                worden gemaakt.</al></li></lijst><al>Artikel 8:7:1 Overige ontslaggronden</al><al>Behalve in het geval, bedoeld in artikel 8:7, onder e, wordt een ontslag op
                        grond van evengenoemd artikel eervol verleend. Het ontslag kan niet eerder
                        ingaan dan op de dag volgende op die waarop de reden voor het ontslag voor
                        het eerst aanwezig was.</al><al>Artikel 8:8 Overige ontslaggronden</al><al>Lid 1</al><al>Een ambtenaar die vast is aangesteld kan eervol worden ontslagen op een bij
                        het besluit omschreven grond, niet vallende onder de gronden in vorige
                        artikelen van dit hoofdstuk genoemd.</al><al>Lid 2</al><al>Ontslag op grond van dit artikel kan ook gedeeltelijk worden verleend.</al><al>Artikel 8:8:1 Overige ontslaggronden</al><al>De grond waarop het ontslag berust, dat is verleend ingevolge artikel 8:8,
                        wordt slechts op verzoek van de ambtenaar in het ontslagbesluit
                        vermeld.</al><al>Artikel 8:9 Overige ontslaggronden</al><al>Aan de ambtenaar die in verband met de aanvaarding van een functie in een
                        publiekrechtelijk college, waarin hij was benoemd of verkozen tijdelijk is
                        ontheven van de waarneming van zijn ambt, wordt, indien hij ophoudt zodanige
                        functie te bekleden en hij naar het oordeel van het college niet in actieve
                        dienst kan worden hersteld, eervol ontslag verleend.</al><al>Artikel 8:10 Vervallen</al><al>(Vervallen)</al><al>Artikel 8:10:1 Vervallen</al><al>(Vervallen)</al><al>Artikel 8:11 Ontslag wegens FPU</al><al>Lid 1</al><al>Aan de ambtenaar die ontslag vraagt met het oog op een uitkering op grond
                        van de FPU-regeling wordt eervol ontslag verleend indien het bestuur van de
                        Stichting fonds vrijwillig vervroegd uittreden overheidspersoneel alsmede
                        het bestuur van de Stichting pensioenfonds Abp op grond van een
                        desbetreffende aanvraag hebben vastgesteld dat na te verlenen ontslag recht
                        bestaat op een uitkering op grond van die regeling.</al><al>Lid 2</al><al>Het in het eerste lid genoemde ontslag kan ook voor een gedeelte van de voor
                        de ambtenaar geldende formele arbeidsduur per week worden verleend, tenzij
                        de belangen van de dienst zich hiertegen verzetten. Het deeltijdontslag
                        bedraagt ten minste 10% van de formele arbeidsduur per week. Het
                        deeltijdontslag bedraagt telkenmale dat het wordt verleend, ten minste 10%
                        van de oorspronkelijke formele arbeidsduur.</al><al>Artikel 8:11:1 Ontslag wegens FPU</al><al>Lid 1</al><al>Het ontslag, bedoeld in artikel 8:11, gaat eerst in met ingang van de dag
                        waarop het recht op een uitkering ingevolge de FPU-regeling bestaat.</al><al>Lid 2</al><al>Het bepaalde in artikel 8:1:1 is van overeenkomstige toepassing.</al><al>Artikel 8:12 Ontslag uit een tijdelijke aanstelling of tijdelijke
                        urenuitbreiding</al><al>Lid 1</al><al>De ambtenaar die tijdelijk is aangesteld voor bepaalde tijd is van
                        rechtswege ontslagen op de datum waarop die tijd verstrijkt. Indien na de
                        datum, bedoeld in de eerste volzin, het dienstverband feitelijk wordt
                        gehandhaafd zonder dat opnieuw een aanstelling is verleend, wordt de
                        tijdelijke aanstelling geacht voor dezelfde tijd te zijn aangegaan.</al><al>Lid 2</al><al>De ambtenaar met wie een urenuitbreiding voor bepaalde tijd is aangegaan,
                        is, voor zover het die urenuitbreiding betreft, van rechtswege ontslagen op
                        de datum dat de urenuitbreiding eindigt. Indien na de datum, bedoeld in de
                        eerste volzin, de urenuitbreiding feitelijk wordt gehandhaafd zonder dat
                        opnieuw een urenuitbreiding is verleend, wordt de tijdelijke urenuitbreiding
                        geacht voor dezelfde tijd te zijn aangegaan.</al><al>Lid 3</al><al>De ambtenaar die tijdelijk is aangesteld voor onbepaalde tijd kan ontslag
                        worden verleend indien de omstandigheid die tot de aanstelling leidde is
                        vervallen.</al><al>Lid 4</al><al>De ambtenaar met wie een urenuitbreiding voor onbepaalde tijd is aangegaan,
                        kan, voor zover het die urenuitbreiding betreft, ontslag worden verleend,
                        indien de omstandigheid die tot de urenuitbreiding leidde, is vervallen. </al><al>Lid 5</al><al>Het ontslag als bedoeld in het eerste tot en met vierde lid kan niet
                        plaatsvinden wanneer de termijnen als genoemd in artikel 2:4 zijn
                        overschreden.</al><al>Lid 6</al><al>Het college kan omtrent de opzegtermijnen voor het ontslag uit een
                        tijdelijke aanstelling voor onbepaalde tijd nadere regels stellen.</al><al>Artikel 8:12:1 Tussentijds ontslag uit een tijdelijke aanstelling of
                        urenuitbreiding</al><al>Lid 1</al><al>De ambtenaar, bedoeld in artikel 8:12, eerste en tweede lid, kan ook ontslag
                        worden verleend op een van de andere gronden genoemd in dit hoofdstuk.</al><al>Lid 2</al><al>De ambtenaar, bedoeld in artikel 8:12, derde en vierde lid, kan ook ontslag
                        worden verleend op een van de andere gronden genoemd in dit hoofdstuk.</al><al>Artikel 8:12:2 Opzegtermijn bij beëindiging tijdelijke aanstelling of
                        urenuitbreiding voor onbepaalde tijd</al><al>Lid 1</al><al>Bij een ontslag als bedoeld in artikel 8:12, derde en vierde lid, wordt een
                        opzegtermijn in acht genomen:</al><lijst><li nr="a."><al>van drie maanden, indien de tijdelijke aanstelling respectievelijk
                                de urenuitbreiding bij het begin van de opzegtermijn onafgebroken
                                twaalf maanden heeft geduurd;</al></li><li nr="b."><al>van twee maanden, indien de tijdelijke aanstelling respectievelijk
                                de urenuitbreiding bij het begin van de opzegtermijn onafgebroken
                                zes maanden of langer, doch korter dan twaalf maanden, heeft
                                geduurd;</al></li><li nr="c."><al>van één maand, indien de tijdelijke aanstelling respectievelijk de
                                urenuitbreiding bij het begin van de opzegtermijn onafgebroken
                                korter dan zes maanden heeft geduurd.</al></li></lijst><al>Lid 2</al><al>Over de tijd die aan de in het eerste lid bedoelde opzegtermijn mocht
                        ontbreken, heeft de betrokkene recht op doorbetaling van de
                        bezoldiging.</al><al>Artikel 8:13 Ontslag als disciplinaire straf</al><al>Als disciplinaire straf kan aan de ambtenaar ongevraagd ontslag verleend
                        worden.</al><al>Artikel 8:14 Ontslagbescherming leden ondernemingsraad en
                        vakorganisaties</al><al>Lid 1</al><al>In dit artikel wordt verstaan onder: </al><lijst><li nr="a."><al><vet>wet:</vet><extref doc="1.0:v:BWBR0002747" struct="BWB">Wet op de ondernemingsraden</extref>; </al></li><li nr="b."><al><vet>ondernemingsraad:</vet> de ondernemingsraad zoals bedoeld in de
                                    <extref doc="1.0:v:BWBR0002747" struct="BWB">wet</extref>;
                            </al></li><li nr="c."><al><vet>ambtenaar:</vet> de persoon zoals bedoeld in <extref doc="1.0:v:BWBR0002747&amp;artikel=1" struct="BWB">artikel
                                    1, tweede lid, van de wet</extref>. </al></li></lijst><al>Lid 2</al><al>Ontslag op grond van artikel 8:8 kan niet geschieden: </al><lijst><li nr="a."><al>wegens de plaatsing van de ambtenaar op een kandidatenlijst als
                                bedoeld in <extref doc="1.0:v:BWBR0002747&amp;artikel=9" struct="BWB">artikel 9 van de wet</extref>; </al></li><li nr="b."><al>wegens het lidmaatschap van een ondernemingsraad; </al></li><li nr="c."><al>wegens het lidmaatschap van een commissie bedoeld in <extref doc="1.0:v:BWBR0002747&amp;artikel=15" struct="BWB">artikel 15 van de wet</extref>; </al></li><li nr="d."><al>van een ambtenaar die korter dan twee jaar geleden lid is geweest
                                van een ondernemingsraad; </al></li><li nr="e."><al>van een ambtenaar die korter dan twee jaar geleden lid is geweest
                                van een commissie bedoeld in <extref doc="1.0:v:BWBR0002747&amp;artikel=15" struct="BWB">artikel 15 van de wet</extref>. </al></li></lijst><al>Lid 3</al><al>Ontslag op grond van artikel 8:8 kan niet geschieden wegens het feit dat de
                        ambtenaar door een toegelaten organisatie als bedoeld in artikel 12:1, derde
                        lid, of door een daarbij aangesloten bond is aangewezen om bestuurlijke of
                        vertegenwoordigende activiteiten te ontplooien binnen zijn centrale of een
                        daarbij aangesloten bond c.q. binnen de organisatie van de werkgever, die er
                        toe strekken de doelstellingen van zijn centrale van overheidspersoneel en
                        de daarbij aangesloten bonden te ondersteunen. </al><al>Lid 4</al><al>In afwijking van het gestelde in het tweede en derde lid kan ontslag op
                        grond van artikel 8:8 plaatsvinden wanneer de betrokkene schriftelijk in het
                        ontslag toestemt. </al><al>Lid 5</al><al>Indien de ondernemer aan de ondernemingsraad een secretaris heeft
                        toegevoegd, zijn de voorgaande leden van overeenkomstige toepassing op die
                        secretaris. </al><al>Artikel 8:15:1 Schorsing als ordemaatregel</al><al>Lid 1</al><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 16:1:2 kan de ambtenaar door het
                        college worden geschorst:</al><lijst><li nr="a."><al>wanneer hem het voornemen tot bestraffing met onvoorwaardelijk
                                ontslag is te kennen gegeven of hem van de oplegging van deze straf
                                mededeling is gedaan;</al></li><li nr="b."><al>wanneer tegen hem volgens de terzake geldende bepalingen van het
                                    <extref doc="1.0:v:BWBR0001903" struct="BWB">Wetboek van
                                    Strafvordering</extref> een bevel tot inverzekeringstelling of
                                voorlopige hechtenis wordt ten uitvoer gelegd;</al></li><li nr="c."><al>wanneer tegen hem een strafrechtelijke vervolging wegens misdrijf
                                wordt ingesteld;</al></li><li nr="d."><al>in andere gevallen waarin schorsing wordt gevorderd door het belang
                                van de dienst.</al></li></lijst><al>Lid 2</al><al>Het schorsingsbesluit bevat in ieder geval:</al><lijst><li nr="a."><al>een aanduiding van het tijdstip waarop de schorsing ingaat;</al></li><li nr="b."><al>een nauwkeurige aanduiding van de in het eerste lid bedoelde
                                omstandigheid of omstandigheden welke tot de schorsing aanleiding
                                heeft of hebben gegeven;</al></li><li nr="c."><al>een zo nauwkeurig mogelijke aanduiding van de duur van de
                                schorsing.</al></li></lijst><al>Artikel 8:15:2 Schorsing als ordemaatregel</al><al>Lid 1</al><al>Tijdens de schorsing ingevolge artikel 8:15:1, eerste lid, onder b of c, kan
                        de bezoldiging voor een derde gedeelte worden ingehouden; na verloop van een
                        termijn van zes weken kan een verdere vermindering van het uit te keren
                        bedrag, ook tot het volle bedrag van de bezoldiging, plaatsvinden, behoudens
                        het bepaalde in het derde lid. </al><al>Lid 2</al><al>Tijdens de schorsing ingevolge artikel 8:15:1, eerste lid, onder a, kan tot
                        de in de strafaanzegging of –oplegging genoemde datum van ingang van het
                        ontslag de bezoldiging geheel of gedeeltelijk worden ingehouden, behoudens
                        het bepaalde in het derde lid. Met ingang van de datum van het ontslag wordt
                        de uitkering van de bezoldiging geheel gestaakt. </al><al>Lid 3</al><al>Het betaalbare gedeelte van de bezoldiging kan aan anderen dan de ambtenaar
                        worden uitgekeerd. Gedurende de schorsingsperiode blijft de ambtenaar in
                        ieder geval in het genot van een bedrag, gelijk aan het op hem verhaalbare
                        gedeelte van de premies voor pensioen. </al><al>Lid 4</al><al>De ingevolge het eerste lid niet uitgekeerde bezoldiging wordt alsnog
                        uitbetaald, indien de schorsing niet door een door de strafrechter opgelegde
                        straf wordt gevolgd of ook indien en in zoverre op andere gronden alsnog tot
                        uitbetaling wordt besloten. </al><al>Lid 5</al><al>De ingevolge het tweede lid niet uitgekeerde bezoldiging wordt alsnog
                        uitbetaald, indien op de schorsing bestraffing van de ambtenaar met
                        onvoorwaardelijk ontslag niet volgt. </al><al>Artikel 8:15:3 Bevoegdheid tot ontslagverlening</al><al>Lid 1</al><al>Ontslag wordt verleend door het bestuursorgaan dat bevoegd is tot
                        aanstelling in de betrekking, laatstelijk door de ambtenaar vervuld.</al><al>Lid 2</al><al>Het besluit tot het verlenen van ontslag wordt op schrift gesteld, met
                        vermelding van de datum van ingang van het ontslag dan wel een omschrijving
                        of aanduiding van die datum.</al><al>Lid 3</al><al>Ingeval aan een ambtenaar die tijdelijk is aangesteld voor onbepaalde tijd
                        ontslag wordt verleend, wordt de grond waarop het ontslag berust slechts op
                        verzoek van de ambtenaar vermeld.</al><al>Artikel 8:16:1 Vervallen</al><al>(Vervallen)</al><al>Artikel 8:16:2 Overlijdensuitkering</al><al>Lid 1</al><al>De bezoldiging van de ambtenaar wordt niet langer uitbetaald dan tot en met
                        de dag van het overlijden.</al><al>Lid 2</al><al>Zo spoedig mogelijk na het overlijden van de ambtenaar wordt aan de weduwe,
                        weduwnaar of geregistreerde partner een bedrag uitgekeerd gelijk aan de
                        bezoldiging over een tijdvak van drie maanden vermeerderd met de
                        vakantietoelage. Als maatstaf bij de berekening van het in de vorige volzin
                        bedoelde bedrag wordt in aanmerking genomen de voor de ambtenaar op de dag
                        van overlijden geldende bezoldiging per maand. Indien de overledene geen
                        weduwe, weduwnaar of geregistreerde partner nalaat, geschiedt de uitkering
                        ten behoeve van de minderjarige wettige, natuurlijke en pleegkinderen.
                        Ontbreken ook zodanige kinderen dan geschiedt de uitkering, indien de
                        overledene kostwinner was van ouders, meerderjarige kinderen, broeders of
                        zusters, ten behoeve van deze betrekkingen.</al><al>Lid 3</al><al>Indien de overledene geen betrekkingen, bedoeld in het tweede lid, nalaat,
                        kan het daarbedoelde bedrag door het bevoegd bestuursorgaan geheel of ten
                        dele worden uitgekeerd voor de betaling van de kosten van de laatste ziekte
                        en van de lijkbezorging, indien de nalatenschap van de overledene voor de
                        betaling van die kosten ontoereikend is.</al><al>Lid 4</al><al>Op de uitkering, bedoeld in het tweede lid, wordt in mindering gebracht het
                        bedrag van de uitkering waarop de nagelaten betrekkingen van de ambtenaar
                        ter zake van diens overlijden aanspraak kunnen maken krachtens enig
                        wettelijk voorgeschreven verzekering tegen ziekte of
                        arbeidsongeschiktheid.</al><al>Artikel 8:16:3 Overlijdensuitkering</al><al>Lid 1</al><al>Gedurende de maand waarin het overlijden van de ambtenaar plaatsvond en de
                        daarop volgende drie maanden behouden de achterblijvende gezinsleden het
                        gebruik van de dienstwoning waarin zij met de ambtenaar woonden. Daarvan kan
                        echter worden afgeweken als het college dat in het belang van de dienst
                        noodzakelijk acht.</al><al>Lid 2</al><al>Indien door de ambtenaar voor het gebruik van de dienstwoning een vergoeding
                        verschuldigd was, voldoen de achtergebleven gezinsleden deze over de tijd
                        gedurende welke zij het gebruik van de woning behouden.</al><al>Artikel 8:16a Overlijdensuitkering bij een ongeval in en door de dienst</al><al>Lid 1</al><al>Indien de ambtenaar overlijdt en zijn overlijden een rechtstreeks gevolg is
                        van een ongeval in en door de dienst, dan wordt aan de weduwe, weduwnaar of
                        geregistreerd partner een uitkering verstrekt. Indien de overledene geen
                        weduwe, weduwnaar of geregistreerd partner nalaat, wordt de uitkering
                        verstrekt aan de minderjarige wettige, natuurlijke en pleegkinderen.</al><al>Lid 2</al><al>De uitkering bedraagt één jaarbezoldiging, berekend over de 12
                        kalendermaanden onmiddellijk voorafgaande aan de maand van overlijden.</al><al>Lid 3</al><al>Indien het college een verzekering heeft afgesloten die tot uitkering komt
                        in geval de ambtenaar overlijdt als gevolg van een ongeval in en door de
                        dienst, bedraagt de uitkering in afwijking van het tweede lid het bedrag
                        waarvoor het college zich terzake heeft verzekerd, met een minimum van één
                        jaarbezoldiging.</al><al>Artikel 8:17 Gedeeltelijk ontslag na terugbrengen formele arbeidsduur</al><al>Indien door de werkgever de formele arbeidsduur per week gedeeltelijk wordt
                        teruggebracht, al dan niet na een tijdelijke uitbreiding daarvan, dient dit
                        te geschieden door een gedeeltelijk ontslag op grond van dit hoofdstuk,
                        behalve in het geval van wijziging van de aanstelling op grond van artikel
                        7:16.</al><al>Artikel 8:18 Overgangsbepaling</al><al>Lid 1</al><al>Op de ambtenaar van wie de eerste dag van ongeschiktheid voor de vervulling
                        van zijn betrekking wegens ziekte, bedoeld in de artikelen 8:5 en 8:5a, is
                        gelegen voor 1 januari 2004 zijn de artikelen 8:5 en 8:5a niet van
                        toepassing. </al><al>Lid 2</al><al>Op de ambtenaar, bedoeld in het vorige lid, zijn de artikelen 8:5 en 8:5a,
                        zoals die golden op 30 juni 2006, van toepassing. </al><al>Lid 3</al><al>Op de ambtenaar, van wie de eerste dag van ongeschiktheid voor de vervulling
                        van zijn betrekking wegens ziekte, bedoeld in de artikelen 8:5 en 8:5a , is
                        gelegen op of na 1 januari 2004, maar die op grond van de <extref doc="1.0:v:BWBR0002524" struct="BWB">WAO</extref> recht hebben op
                        een WAO-uitkering, zijn de artikelen 8:5 en 8:5a niet van toepassing.</al><al>Lid 4</al><al>Op de ambtenaar, bedoeld in het vorige lid, zijn de artikelen 8:5 en 8:5a,
                        zoals die golden op 30 juni 2006, van toepassing.</al><al>Artikel 8:19 Overgangsbepaling</al><al>Lid 1</al><al>Op de ambtenaar van wie de eerste dag van ongeschiktheid voor de vervulling
                        van zijn betrekking wegens ziekte, bedoeld in artikel 8:5, is gelegen voor 1
                        juli 2007 is artikel 8:5 niet van toepassing.</al><al>Lid 2</al><al>Op de ambtenaar, bedoeld in het vorige lid, is artikel 8:5, zoals dat gold
                        op 30 juni 2008, van toepassing.</al><al>Artikel 8:20 Overgangsbepaling</al><al>Op de ambtenaar van wie de eerste dag van ongeschiktheid, bedoeld in artikel
                        7:3, gelegen is voor 1 augustus 2008, is artikel 8:4 of artikel 8:5 van
                        toepassing, zoals dat gold op 30 november 2008.</al><al>9 Uitkering functioneel leeftijdsontslag</al><al>Artikel 9:1 Ontslag wegens FLO</al><al>Aan de ambtenaar aan wie ontslag wordt verleend op grond van het bepaalde in
                        artikel 8:3, zoals bedoeld in artikel 9:15, wordt met ingang van de datum
                        van het ontslag ten laste van de gemeente een maandelijkse uitkering
                        toegekend.</al><al>Artikel 9:1:1 Ontslag wegens FLO</al><al>Onder gewezen ambtenaar wordt voor de toepassing van dit hoofdstuk verstaan
                        de ambtenaar die aan zijn ontslag aanspraak kan ontlenen op een uitkering
                        volgens de bepalingen van dit hoofdstuk.</al><al>Artikel 9:1:2 Ontslag wegens FLO</al><al>Lid 1</al><al>De in artikel 8:3:1, eerste lid bedoeld in artikel 9:15:1, bedoelde datum
                        van ingang van ontslag kan op verzoek van de ambtenaar, dan wel ingeval deze
                        desgevraagd daarmee instemt voor de duur van ten hoogste een jaar, telkens
                        met een periode van ten hoogste een jaar te verlengen, worden opgeschort,
                        indien dit door het bestuursorgaan, bevoegd tot het verlenen van ontslag, in
                        het belang van de dienst wordt geacht en de ambtenaar, blijkens de uitslag
                        van een geneeskundig onderzoek, geestelijk en lichamelijk in staat kan
                        worden geacht zijn betrekking te blijven vervullen.</al><al>Lid 2</al><al>Indien de ambtenaar voor wie toepassing is gegeven aan het bepaalde in het
                        eerste lid, blijkens de uitslag van een geneeskundig onderzoek tussentijds
                        ongeschikt is geworden voor de verdere vervulling van zijn betrekking, kan
                        hem ontslag worden verleend met ingang van de eerste dag van de maand
                        volgende op die waarin de uitslag van het geneeskundig onderzoek te zijner
                        kennis is gebracht.</al><al>Artikel 9:2 Bedrag en duur</al><al>Lid 1</al><al>De uitkering bedraagt gedurende 60 maanden aansluitend aan het ontslag 80%
                        van de laatstelijk voor het ontslag van de ambtenaar aan diens betrekking
                        verbonden bezoldiging vermeerderd met zoveel doch ten hoogste 10 malen 0,5%
                        van die bezoldiging als het totaal aantal volle dienstjaren geldig voor
                        pensioen krachtens het pensioenreglement op de dag van het ontslag meer dan
                        30 bedraagt. Vervolgens bedraagt de uitkering 70% van bedoelde bezoldiging,
                        met dien verstande dat het bedrag van de uitkering niet lager is dan het
                        bedrag van het pensioen waarop de gewezen ambtenaar recht zou hebben indien
                        hij zou zijn gepensioneerd met ingang van de datum van zijn ontslag en in
                        aanmerking zou zijn genomen de diensttijd bedoeld in artikel 5.4 van het
                        pensioenreglement, welke hij bij het bereiken van de leeftijd van 65 jaar
                        zal kunnen aanwijzen.</al><al>Lid 2</al><al>Onder laatstelijk voor het ontslag aan de betrekking verbonden bezoldiging
                        wordt voor de toepassing van deze regeling verstaan de bezoldiging als
                        bedoeld in artikel 3:1, vermeerderd met de vakantie-uitkering, bedoeld in
                        artikel 6:3, berekend over een maand, en de eindejaarsuitkering bedoeld in
                        artikel 3:6, met dien verstande dat de vergoeding, bedoeld in artikel 3:3 en
                        de prestatiebeloning slechts geacht worden te behoren tot de bezoldiging tot
                        een bedrag dat overeenkomt met hetgeen in de twaalf maanden voorafgaande aan
                        het ontslag gemiddeld per maand aan die vergoeding of beloning aan de
                        gewezen ambtenaar is toegekend.</al><al>Lid 3</al><al>Indien in de laatstelijk voor het ontslag aan de betrekking verbonden
                        bezoldiging uit anderen hoofde dan wegens periodieke verhogingen wijziging
                        zou zijn gekomen wanneer de gewezen ambtenaar op deze bezoldiging in dienst
                        zou zijn gebleven, geldt van de datum van in werking treden dier wijziging
                        af het aldus gewijzigde bedrag als laatstelijk voor het ontslag aan de
                        betrekking verbonden bezoldiging.</al><al>Lid 4</al><al>De hoogte van de uitkering wordt actuarieel neutraal herrekend indien de
                        ambtenaar na 1 januari 2006 gebruik maakt van de mogelijkheid van artikel
                        9:1:2, eerste lid om de ingang van het ontslag uit te stellen. Overschrijdt
                        de uitkering de oude bezoldiging dan wordt het meerdere omgezet in
                        ouderdoms- en nabestaandenpensioen.</al><al>Artikel 9:3 Bijdrage Vereveningsfonds FLO sector Gemeenten</al><al>Lid 1</al><al>In dit artikel wordt verstaan onder: </al><lijst><li nr="a."><al>Vereveningsfonds: het Vereveningsfonds FLO sector Gemeenten; </al></li><li nr="b."><al>Vereveningsregeling: de tijdelijke regeling die deel uitmaakt van de
                                LOGA-overeenkomst met betrekking tot de financiering van het
                                functioneel leeftijdsontslag. </al></li></lijst><al>Lid 2</al><al>De gemeenten zijn verplicht de in de Vereveningsregeling bedoelde bijdrage
                        af te dragen aan het Vereveningsfonds voor alle bij hun in dienst zijnde
                        personen voor wie premie ten behoeve van de FPU-regeling moet worden
                        afgedragen. </al><al>Lid 3</al><al>De in het tweede lid bedoelde bijdrage wordt voor de helft verhaald op de
                        bij de instellingen in dienst zijnde personen voor wie premie ten behoeve
                        van de FPU-regeling wordt afgedragen. </al><al>Artikel 9:4 Samenloop met FPU</al><al>Lid 1</al><al>Indien de datum van ontslag van de ambtenaar van 55 jaar of ouder gelegen is
                        na 1 april 1997, is deze ambtenaar verplicht een uitkering krachtens de
                        FPU-regeling aan te vragen. De uitkering als bedoeld in artikel 9:1 komt
                        niet tot uitbetaling indien de ambtenaar geen toestemming verleent om de
                        uitkering krachtens de FPU-regeling via de werkgever tot uitbetaling te
                        laten komen.</al><al>Lid 2</al><al>Indien de in het eerste lid bedoelde ambtenaar niet of niet tijdig de
                        uitkering krachtens de FPU-regeling aanvraagt, en hem dit redelijkerwijs kan
                        worden verweten, wordt, voor de periode waarin hij dientengevolge voornoemde
                        uitkering niet of niet volledig ontvangt, voor de toepassing van lid 3 van
                        dit artikel rekening gehouden met de uitkering die hij vanaf de ontslagdatum
                        zou hebben genoten, indien hij de voornoemde uitkering wel tijdig zou hebben
                        aangevraagd.</al><al>Lid 3</al><al>De uitkering wordt, indien en voorzover recht daarop bestaat, verminderd met
                        het bedrag van de uitkering krachtens de FPU-regeling, met dien verstande
                        dat buiten beschouwing blijft dat gedeelte van de uitkering krachtens de
                        FPU-regeling dat gebaseerd is op een individuele opbouw krachtens artikel
                        16.2, 16.3 of 16.4 van het pensioenreglement.</al><al>Lid 4</al><al>Indien als gevolg van handelingen of nalaten van handelingen door de in het
                        tweede lid bedoelde ambtenaar, de uitkering krachtens de FPU-regeling geheel
                        of ten dele vervallen wordt verklaard dan wel geheel of gedeeltelijk wordt
                        geweigerd, wordt deze uitkering voor de toepassing van lid 3 van dit artikel
                        geacht onverminderd te zijn genoten.</al><al>Artikel 9:4:1 Verrekening inkomsten uit of in verband met arbeid</al><al>Lid 1</al><al>Wanneer een gewezen ambtenaar, die aan deze regeling recht op uitkering kan
                        ontlenen, inkomsten geniet of gaat genieten uit of in verband met arbeid,
                        waaronder mede wordt verstaan een uitkering krachtens de <extref doc="1.0:v:BWBR0008657" struct="BWB">WAJONG</extref> of de <extref doc="1.0:v:BWBR0008656" struct="BWB">WAZ</extref>, of bedrijf, ter
                        hand genomen met ingang van of na de datum waarop zijn ontslag is ingegaan,
                        wordt op de uitkering een vermindering toegepast. Deze vermindering is
                        gelijk aan het bedrag waarmede de inkomsten en de onverminderde uitkering
                        krachtens artikel 9:2 samen de laatstelijk genoten bezoldiging te boven
                        gaan.</al><al>Lid 2</al><al>Het eerste lid vindt overeenkomstige toepassing ten aanzien van inkomsten
                        uit of in verband met arbeid of bedrijf, ter hand genomen gedurende verlof,
                        vakantie of non-activiteit, onmiddellijk voorafgaande aan het ontslag ter
                        zake waarvan hem de uitkering krachtens deze regeling is toegekend.</al><al>Lid 3</al><al>Wanneer de gewezen ambtenaar op of na de dag, bedoeld in het eerste lid,
                        inkomsten of hogere inkomsten verkrijgt uit arbeid of bedrijf ter hand
                        genomen vóór evenbedoelde dag, is ten aanzien van die inkomsten of hogere
                        inkomsten het bepaalde in het eerste lid van overeenkomstige toepassing. De
                        hierbedoelde vermindering vindt echter niet plaats indien de inkomsten of
                        hogere inkomsten het gevolg zijn van algemene loonsverhogingen, of indien de
                        gewezen ambtenaar aannemelijk maakt dat die inkomsten niet het gevolg zijn
                        van verhoogde werkzaamheid of van andere oorzaken, verband houdende met het
                        ontslag.</al><al>Lid 4</al><al>Onder inkomsten, bedoeld in de voorgaande leden, worden niet verstaan
                        inkomsten verkregen wegens overwerk of als gratificatie.</al><al>Artikel 9:4:2 Verrekening inkomsten uit of in verband met arbeid</al><al>Lid 1</al><al>Van het ter hand nemen van enige arbeid of bedrijf doet de gewezen ambtenaar
                        onverwijld mededeling aan het college. Daarbij doet hij, voor zover
                        mogelijk, opgave van de inkomsten, die hij uit dien hoofde zal verwerven;
                        hij is verplicht om, indien die inkomsten tijdelijk of blijvend wijziging
                        ondergaan, daarvan tijdig voor het verschijnen van de eerstvolgende
                        uitkeringstermijn nadere opgave te doen. Zijn de inkomsten niet vooraf op te
                        geven, dan doet hij tijdig vóór het verschijnen van elke uitkeringstermijn
                        opgave van de inkomsten die hij sedert het ter hand nemen van de
                        werkzaamheden of sinds de vorige opgave heeft genoten. Brengt echter de aard
                        der werkzaamheden mede dat de inkomsten over een langere termijn moeten
                        worden berekend, dan geschiedt de opgave over die langere termijn en kan op
                        de uitkering een voorlopige vermindering worden toegepast naar een geraamd
                        bedrag van die inkomsten, onder voorbehoud van nadere verrekening aan het
                        einde van evenbedoelde termijn. Dit lid vindt overeenkomstige toepassing ten
                        aanzien van de arbeid of bedrijf en de inkomsten daaruit, bedoeld in artikel
                        9:4:1, tweede en derde lid.</al><al>Lid 2</al><al>Indien de gewezen ambtenaar de verplichtingen, genoemd in het eerste lid,
                        niet of niet volledig nakomt, kan het college bepalen dat de uitkering,
                        zolang zulks niet het geval is, niet of slechts gedeeltelijk wordt
                        uitbetaald.</al><al>Lid 3</al><al>De gewezen ambtenaar wordt geacht door het aanvaarden van de uitkering er in
                        te bewilligen dat zij die daarvoor naar het oordeel van het college in
                        aanmerking komen, de inlichtingen verstrekken welke voor de uitvoering van
                        deze regeling noodzakelijk zijn.</al><al>Artikel 9:4:3 Samenloop met aanspraken uit hoofde van ziekte of ongeval</al><al>Ten aanzien van hem die aan deze regeling recht op uitkering ontleent en die
                        na zijn ontslag uit hoofde van ziekte of ongeval nog aanspraken in verband
                        met de dienstbetrekking waaruit hij is ontslagen heeft of verkrijgt, wordt
                        de uitkering tot het einde van de periode waarover die aanspraken bestaan,
                        verminderd met het bedrag daarvan.</al><al>Artikel 9:5 Pensioenopbouw vanaf 62 jaar</al><al>Lid 1</al><al>Indien de gewezen ambtenaar bij het bereiken van de leeftijd van 62 jaar
                        gebruik maakt van de mogelijkheid die artikel 16.3 van het pensioenreglement
                        biedt tot vrijwillige voortzetting van de pensioenopbouw, worden de kosten
                        van deze vrijwillig voortzetting gedragen door de gemeente voor zover het
                        pensioenopbouw voor de helft betreft, met dien verstande dat per 1 januari
                        2007 30% van het bedrag van de premie dat door de werkgever afgedragen zou
                        moeten worden, indien de gewezen ambtenaar nog verplicht pensioen zou
                        opbouwen, voor rekening blijft van de gewezen ambtenaar. De kosten van een
                        vrijwillige aanvullende deelname waardoor de pensioenopbouw voor meer dan de
                        helft plaats vindt, komen volledig ten laste van de gewezen ambtenaar.</al><al>De werkgever stelt de ambtenaar in de drie maanden voor zijn ontslag
                        schriftelijk op de hoogte van:</al><lijst><li nr="a."><al>de mogelijkheid om ook na het bereiken van de leeftijd van 62 jaar
                                de pensioenopbouw voort te zetten op basis van artikel 16.3 van het
                                pensioenreglement;</al></li><li nr="b."><al>dat indien de gewezen ambtenaar van de onder a weergegeven
                                mogelijkheid gebruik maakt om voor de helft pensioen te blijven
                                opbouwen dit niet leidt tot extra kosten in vergelijking tot de
                                situatie zoals die gold voor de gewezen ambtenaar voordat hij de
                                leeftijd van 62 jaar bereikte als gevolg van de toepasselijkheid van
                                artikel 9:5 lid 1;</al></li><li nr="c."><al>de termijn waarbinnen een schriftelijk verzoek van de gewezen
                                ambtenaar om gebruik te maken van de mogelijkheid die artikel 16.3
                                van het pensioenreglement bieden, ingediend moet zijn bij het
                                bestuur van de Stichting Pensioenfonds ABP;</al></li><li nr="d."><al>de mogelijkheid dat de gewezen ambtenaar op zijn verzoek bij de
                                indiening van de aanvraag wordt ondersteund door de werkgever.</al></li></lijst><al>Lid 2</al><al>De aanschrijving bedoeld in het eerste lid wordt herhaald in de drie maanden
                        voor de dag dat de ambtenaar de leeftijd van 62 jaar bereikt.</al><al>Artikel 9:6:1 Vervallen</al><al>(Vervallen)</al><al>Artikel 9:7:1 Verval van uitkering</al><al>Lid 1</al><al>De uitkering vervalt:</al><lijst><li nr="a."><al>met ingang van de dag, volgende op die waarop de gewezen ambtenaar
                                is overleden;</al></li><li nr="b."><al>op de datum waarop de gewezen ambtenaar de leeftijd van 65 jaren
                                bereikt.</al></li></lijst><al>Lid 2</al><al>De uitkering kan geheel of ten delen vervallen worden verklaard indien de
                        gewezen ambtenaar zich naar het oordeel van het college zodanig gedraagt,
                        dat hij, ware hij in dienst gebleven, zou zijn ontslagen.</al><al>Artikel 9:8:1 Overlijdensuitkering</al><al>Lid 1</al><al>Zo spoedig mogelijk na het overlijden van de gewezen ambtenaar heeft de
                        weduwe, weduwnaar of geregistreerde partner die krachtens het
                        pensioenreglement recht heeft op een nabestaandenpensioen, recht op een
                        bedrag gelijk aan de bezoldiging bedoeld in artikel 9:2 over een tijdvak van
                        drie maanden welk bedrag in voorkomend geval wordt verminderd met de
                        uitkering bij overlijden krachtens de FPU-regeling. Wordt geen weduwe,
                        weduwnaar of geregistreerde partner als bedoeld in de vorige volzin
                        nagelaten, dan verkrijgen de minderjarige kinderen van de overledene recht
                        op bedoelde uitkering. Ontbreken ook zodanige kinderen, dan hebben, indien
                        de overledene kostwinner was van ouders, meerderjarige kinderen, broers of
                        zusters, deze betrekkingen recht op bedoelde uitkering.</al><al>Lid 2</al><al>Laat de overledene geen betrekkingen na die krachtens het eerste lid recht
                        hebben op de uitkeringen als in dat lid bedoeld, dan kan dit bedrag door het
                        college geheel of ten dele worden aangewend voor de betaling van de kosten
                        van de laatste ziekte en van de lijkbezorging.</al><al>Artikel 9:9:1 FLO-betrekkingen en leeftijdsgrenzen</al><al>In een nader vast te stellen regeling wordt bepaald welke leeftijdsgrenzen
                        gelden voor de vervulling van de daarbij vermelde betrekkingen.</al><al>Artikel 9:10:1 Ingangsdatum ontslag wegens FLO</al><al>Indien een ambtenaar die een betrekking vervult als in artikel 9:9:1 genoemd
                        op het tijdstip van inwerkingtreding van deze regeling de leeftijdsgrens als
                        genoemd in dat artikel reeds heeft bereikt, wordt hem eervol ontslag
                        verleend met ingang van de eerste dag van de maand volgende op die waarin
                        deze regeling in werking treedt, tenzij overeenkomstige toepassing wordt
                        gegeven aan het bepaalde in artikel 9:1:2, eerste lid.</al><al>Artikel 9:11 Tijdelijke regeling</al><al>Vervallen</al><al>Artikel 9:12 Tijdelijke regeling</al><al>De ambtenaar die op 1 januari 2006 of daarna FLO-ontslag wordt verleend en
                        die recht heeft op een uitkering op grond van dit hoofdstuk, heeft totdat
                        het FLO-overgangsrecht is vastgesteld recht op een maandelijkse uitkering
                        waarvan het bedrag berekend wordt op basis van de bepalingen van dit
                        hoofdstuk.</al><al>Artikel 9:13 Slotbepaling</al><al>Ambtenaren aan wie op of na 1 januari 2006 FLO-ontslag is verleend en die op
                        grond van artikel 9:12 een maandelijkse uitkering hebben ontvangen, worden
                        met ingang van 1 juli 2006 geacht te zijn ontslagen op grond van artikel
                        8:11 en worden onder de werking van hoofdstuk 9b gebracht.</al><al>Artikel 9:14 Slotbepaling</al><al>Met ingang van 1 juli 2006 kan ambtenaren op grond van dit hoofdstuk geen
                        uitkering meer verleend worden.</al><al>Artikel 9:15 Vervallen</al><al>Vervallen</al><al>Artikel 9:15:1 Vervallen</al><al>Vervallen</al><al>Artikel 9:16 Vervallen</al><al>Vervallen</al><al>9a Ambtenaren die vanaf 1 januari 2006 in dienst zijn getreden op een
                        bezwarende functie</al><al>Artikel 9a:1 Algemeen</al><al>Dit hoofdstuk is van toepassing op de ambtenaar die vanaf 1 januari 2006 in
                        dienst is getreden op een bezwarende functie, die op 31 december 2005 recht
                        gaf op functioneel leeftijdsontslag op grond van artikel 8:3, zoals dat
                        luidde op 31 december 2005 .</al><al>Artikel 9a:2 Definities</al><al>In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al><vet>bezwarende functie:</vet> een betrekking met een hoge belasting
                                door het frequent draaien van piket of het werken in roosterdiensten
                                en deelname aan daaruit voortvloeiende werkzaamheden in de uitruk
                                met als gevolg een verhoogde kans op gezondheidsklachten;</al></li><li nr="b."><al><vet>de tweede loopbaan:</vet> iedere functie binnen de organisatie
                                van de gemeente of buiten de organisatie van de gemeente die, in het
                                kader van het loopbaanplan, volgt op de bezwarende functie en die
                                past bij de richting zoals afgesproken is in het loopbaanplan.</al></li></lijst><al>Artikel 9a:3 Vervallen</al><al>(Vervallen)</al><al>Artikel 9a:4 Het loopbaanplan</al><al>Lid 1</al><al>De ambtenaar blijft maximaal 20 jaar werkzaam in een bezwarende
                        functie.</al><al>Lid 2</al><al>De ambtenaar heeft recht op een loopbaanplan, waardoor het de ambtenaar
                        mogelijk is na maximaal 20 jaar gewerkt te hebben in de bezwarende functie
                        een tweede loopbaan te beginnen binnen of buiten de gemeentelijke
                        dienst.</al><al>Artikel 9a:5 Het loopbaanplan</al><al>Lid 1</al><al>In afwijking van hoofdstuk 17 gelden voor de ambtenaar de volgende
                        bepalingen.</al><al>Lid 2</al><al>Het college en de ambtenaar leggen in een persoonlijk loopbaanplan de
                        afspraken vast over de loopbaanontwikkeling en de vereiste kennis en
                        vaardigheden, alsmede de in dat kader door de ambtenaar te volgen opleiding
                        en de te ondernemen activiteiten, die nodig zijn om na maximaal 20 jaar
                        gewerkt te hebben in een bezwarende functie een tweede loopbaan te beginnen.
                        Het loopbaanplan omvat in ieder geval die opleidingselementen die nodig zijn
                        om de ambtenaar die bij de brandweer werkzaam is, in 20 jaar op te leiden
                        tot MBO-niveau. Hierbij moet het gaan om opleidingen die extern erkend
                        worden.</al><al>Lid 3</al><al>Het college en de ambtenaar zijn verplicht medewerking te verlenen aan het
                        opstellen, evalueren en bijstellen van het loopbaanplan.</al><al>Lid 4</al><al>Het loopbaanplan wordt in het jaar van indiensttreding opgesteld.</al><al>Lid 5</al><al>Het loopbaanplan wordt ten minste een keer per drie jaar geëvalueerd,
                        geactualiseerd en zonodig bijgesteld.</al><al>Lid 6</al><al>Bij het loopbaanplan wordt rekening gehouden met zowel de belangen van het
                        college als met de belangen van de ambtenaar.</al><al>Lid 7</al><al>In het loopbaanplan worden afspraken vastgelegd met betrekking tot benodigd
                        verlof en eventuele verdere medewerking van het college die de ambtenaar in
                        staat moeten stellen de gemaakte afspraken uit te voeren.</al><al>Lid 8</al><al>De kosten die gemaakt zullen worden in het kader van de in het loopbaanplan
                        opgenomen opleiding en activiteiten worden door het college vergoed.</al><al>Lid 9</al><al>In het loopbaanplan worden, indien mogelijk, ten aanzien van de activiteiten
                        en de opleiding in ieder geval de volgende aspecten vastgelegd:</al><lijst><li nr="a."><al>het aanspreekpunt binnen de organisatie;</al></li><li nr="b."><al>het beroep of de richting die als tweede loopbaan gekozen
                                wordt;</al></li><li nr="c."><al>de keuze van opleidingsvorm of het instituut, waar de activiteit
                                plaatsvindt;</al></li><li nr="d."><al>de te maken kosten;</al></li><li nr="e."><al>de start- en einddatum van de te ondernemen activiteit of de te
                                volgen scholing;</al></li><li nr="f."><al>de te maken voortgang binnen de activiteit of scholing;</al></li><li nr="g."><al>de minimaal te behalen resultaten van de activiteit of
                                scholing;</al></li><li nr="h."><al>de planning van vervolgafspraken;</al></li><li nr="i."><al>de omstandigheden onder welke een te volgen opleiding of te
                                ondernemen activiteit kan worden onderbroken of gestopt;</al></li><li nr="j."><al>eventuele andere onderwerpen die van belang zijn voor een goede
                                uitvoering van de gemaakte afspraken.</al></li></lijst><al>Artikel 9a:6 Terugbetaling</al><al>De ambtenaar die evident misbruik maakt van de loopbaanfaciliteiten die het
                        college biedt, is verplicht de kosten, verband houdende met de activiteiten
                        dan wel opleidingen, die door het college zijn vergoed, terug te
                        betalen.</al><al>Artikel 9a:7 Tweede loopbaan binnen / buiten de gemeentelijke dienst</al><al>Lid 1</al><al>Plaatsing van een ambtenaar in het kader van de tweede loopbaan binnen of
                        buiten de gemeentelijke dienst vindt definitief plaats.</al><al>Lid 2</al><al>Definitieve plaatsing binnen de gemeentelijke dienst vindt plaats door
                        aanpassing van de aanstelling.</al><al>Lid 3</al><al>Definitieve plaatsing buiten de gemeentelijke dienst vindt plaats door
                        ontslag op grond van artikel 8:1 uit de bezwarende functie.</al><al>Artikel 9a:8 Disciplinaire straf</al><al>Lid 1</al><al>De ambtenaar die de verplichtingen, zoals neergelegd in het loopbaanplan,
                        niet nakomt, wordt disciplinair gestraft.</al><al>Lid 2</al><al>Wanneer de tweede loopbaan na 20 jaar gewerkt te hebben in de bezwarende
                        functie door schuld of toedoen van de ambtenaar niet begonnen kan worden,
                        wordt de ambtenaar op grond van artikel 8:13 disciplinair ontslag
                        verleend.</al><al>Artikel 9a:9 Gevolgen niet starten tweede loopbaan</al><al>Lid 1</al><al>De ambtenaar blijft na 20 jaar in de bezwarende functie werkzaam
                        wanneer:</al><lijst><li nr="a."><al>de tweede loopbaan niet begonnen kan worden, omdat het college zijn
                                verplichtingen uit het loopbaanplan niet nakomt;</al></li><li nr="b."><al>de tweede loopbaan niet begonnen wordt, omdat het college en de
                                ambtenaar daar gezamenlijk toe besluiten.</al></li></lijst><al>Voorwaarde is dat de ambtenaar medisch geschikt is om in de bezwarende
                        functie door te werken.</al><al>Lid 2</al><al>Het loopbaanplan wordt voortgezet tot de tweede loopbaan begonnen
                        wordt.</al><al>Lid 3</al><al>Indien de ambtenaar, bedoeld in het eerste lid na 20 jaar niet medisch
                        geschikt is om in de bezwarende functie door te werken, geldt de procedure,
                        bedoeld in artikel 9a:10.</al><al>Artikel 9a:10 Medisch niet meer geschikt; overbruggingsuitkering</al><al>Lid 1</al><al>De ambtenaar die niet meer medisch geschikt is om in de bezwarende functie
                        door te werken, ontvangt een overbruggingsuitkering. </al><al>Lid 2</al><al>De duur van de overbruggingsuitkering is afhankelijk van het aantal jaren
                        dat betrokkene in een bezwarende functie werkzaam is geweest.</al><al>Lid 3</al><al>Per dienstjaar in een bezwarende functie is de duur van de
                        overbruggingsuitkering 12/10 maand. De maximumduur van de
                        overbruggingsuitkering is 24 maanden.</al><al>Lid 4</al><al>Zodra de medische ongeschiktheid voor de bezwarende functie is vastgesteld,
                        stopt de opbouw van de overbruggingsuitkering.</al><al>Lid 5</al><al>De hoogte van de overbruggingsuitkering bedraagt de eerste 12 maanden 100%
                        van het salaris en de maanden daarna 80% van het salaris.</al><al>Lid 6</al><al>De duur van de overbruggingsuitkering wordt in mindering gebracht op de duur
                        van de loondoorbetaling, bedoeld in artikel 7:3.</al><al>Lid 7</al><al>De overbruggingsuitkering komt tot uitbetaling voor zover deze hoger is dan
                        de loondoorbetaling bij ziekte, bedoeld in artikel 7:3.</al><al>Artikel 9a:11 Garantiesalaris en afbouw toelagen</al><al>Lid 1</al><al>In dit artikel wordt onder oude bezoldiging verstaan de optelsom van:</al><lijst><li nr="a."><al> het salaris, als bedoeld in artikel 3:1, tweede lid, onderdeel b,
                            </al></li><li nr="b."><al> de vakantieuitkering, </al></li><li nr="c."><al> de eindejaarsuitkering, </al></li><li nr="d."><al> de functioneringstoelage, </al></li><li nr="e."><al> de waarnemingstoelage en</al></li><li nr="f."><al> de in de lokale bezoldigingsverordening genoemde andere toelagen en
                                emolumenten, voor zover die aan de ambtenaar zijn toegekend,
                                berekend over een periode van 12 maanden onmiddellijk voorafgaande
                                aan het begin van de tweede loopbaan. Indien verlofopname door de
                                ambtenaar in deze 12 maanden heeft geleid tot een wijziging van de
                                feitelijke uitbetaling van de bezoldiging, werkt die wijziging door
                                in de oude bezoldiging. </al></li></lijst><al>Lid 2</al><al>De ambtenaar die binnen de organisatie van de gemeente de tweede loopbaan
                        begint, krijgt een garantietoelage ter hoogte van het negatieve verschil
                        tussen het oude en het nieuwe salaris. Het oude salaris wordt niet
                        geïndexeerd met de generieke salarisverhoging, zoals deze in de
                        gemeentelijke sector wordt overeengekomen.</al><al>Lid 3</al><al>Op de garantietoelage wordt een vermindering toegepast tot het bedrag
                        waarmee het nieuwe salaris en eventuele toelagen en vergoedingen, behorende
                        bij de nieuwe functie, samen met de garantietoelage de oude bezoldiging
                        overstijgt. De oude bezoldiging wordt niet geïndexeerd met de generieke
                        salarisverhoging, zoals deze in de gemeentelijke sector wordt
                        overeengekomen.</al><al>Lid 4</al><al>De ambtenaar die als gevolg van de tweede loopbaan binnen de organisatie van
                        de gemeente de toelagen en vergoedingen verliest, die behoorden bij de
                        bezwarende functie, krijgt een aflopende afbouwtoelage ter hoogte van een
                        percentage van het verschil tussen de oude toelagen en vergoedingen en
                        eventuele toelagen en vergoedingen die bij de nieuwe functie behoren. De
                        afbouwtoelage bedraagt: </al><lijst><li nr="a."><al> het eerste jaar 100%;</al></li><li nr="b."><al> het tweede jaar 75%;</al></li><li nr="c."><al> het derde jaar 50%; </al></li><li nr="d."><al> het vierde jaar 25%.</al></li></lijst><al>De oude toelagen en vergoedingen worden niet geïndexeerd met de generieke
                        salarisverhoging, zoals deze in de gemeentelijke sector wordt
                        overeengekomen.</al><al>Lid 5</al><al>Op de afbouwtoelage wordt een vermindering toegepast tot het bedrag waarmee
                        het nieuwe salaris en eventuele toelagen en vergoedingen, behorende bij de
                        nieuwe functie, samen met de garantietoelage en de afbouwtoelage de oude
                        bezoldiging overstijgt. De oude bezoldiging wordt niet geïndexeerd met de
                        generieke salarisverhoging, zoals deze in de gemeentelijke sector wordt
                        overeengekomen.</al><al>Lid 6</al><al>De ambtenaar die een tweede loopbaan begint buiten de organisatie van de
                        gemeente ontvangt een afkoopbedrag ter hoogte van 175% van het verschil
                        tussen de oude bezoldiging en het nieuwe jaarsalaris, inclusief eventuele
                        toelagen en vergoedingen. Het nieuwe jaarsalaris, inclusief eventuele
                        toelagen en vergoedingen, wordt berekend naar het bedrag dat voor de
                        ambtenaar bij indiensttreding bij de nieuwe werkgever is vastgesteld.</al><al>9b Overgangsrecht ambtenaren in een functie die op 31 december 2005 recht
                        gaf op functioneel leeftijdsontslag</al><al>Paragraaf 1 Algemene bepalingen</al><al>Artikel 9b:1 Werkingssfeer</al><al>Artikel 9b:1 Werkingssfeer</al><al>Lid 1</al><al>Dit hoofdstuk is van toepassing op de ambtenaar die:</al><lijst><li nr="a."><al>op 31 december 2005 werkzaam was bij een gemeentelijk
                                beroepsbrandweerkorps of bij een gemeentelijke ambulancedienst;
                                en</al></li><li nr="b."><al>op 31 december 2005 een betrekking vervulde, waarvoor door het
                                college krachtens artikel 8:3, zoals dat luidde op 31 december 2005,
                                leeftijdsgrenzen zijn bepaald; en</al></li><li nr="c."><al>sinds 31 december 2005 onafgebroken de betrekking heeft vervuld, op
                                grond waarvan krachtens artikel 8:3, zoals dat luidde op 31 december
                                2005, ontslag werd verleend op de leeftijd van 55 jaar of
                                ouder.</al></li></lijst><al>Lid 2</al><al>Het eerste lid is overeenkomstig van toepassing voor de ambtenaar die</al><lijst><li nr="a."><al>overstapt naar een andere functie bij dezelfde gemeente of
                                ambulancedienst, of</al></li><li nr="b."><al>overstapt naar een ander gemeentelijk beroepsbrandweerkorps, dan wel
                                naar een andere gemeentelijke ambulancedienst tenzij bij de overstap
                                tussen de werkgever en ambtenaar andere afspraken zijn gemaakt.</al></li></lijst><al>Lid 3</al><al>Als voorwaarde bij de toepassing van het tweede lid geldt dat de functie
                        waarnaar de ambtenaar overstapt ook een bezwarende functie is, op grond
                        waarvan krachtens artikel 8:3, zoals dat luidde op 31 december 2005, ontslag
                        werd verleend op de leeftijd van 55 jaar of ouder.</al><al>Paragraaf 2 De ambtenaar geboren na 1949 met 20 dienstjaren of meer in een
                        bezwarende functie op 1 januari 2006 en die op het eerst mogelijke moment
                        van verstrekking van de werkgeversbijdrage levensloop - in december 2006 -
                        als bedoeld in artikel 9e:8 en 9e:9 niet in aanmerking kwam voor een WIA/WAO
                        uitkering en die werkgeversbijdragen levensloop heeft ontvangen</al><lijst><li nr=""><al>Artikel 9b:2 Begripsbepalingen</al></li><li nr=""><al>Artikel 9b:3 Werkingssfeer</al></li><li nr=""><al>Artikel 9b:4 Keuzemogelijkheid voor de ambtenaar geboren na 1949 met
                                20 dienstjaren of meer op 1 januari 2006 in een bezwarende
                                functie</al></li><li nr=""><al>Artikel 9b:5 Pensioenopbouw tijdens keuzes van artikel 9b:4</al></li><li nr=""><al>Artikel 9b:6 Vakantieopbouw tijdens de periode van artikel 9b:4</al></li><li nr=""><al>Artikel 9b:7 Toelage onregelmatige dienst, eindejaarsuitkering en
                                vakantietoelage tijdens de periode van artikel 9b:4</al></li><li nr=""><al>Artikel 9b:8 Vervallen</al></li><li nr=""><al>Artikel 9b:9 Ambtsjubileumgratificatie tijdens periode van artikel
                                9b:4</al></li><li nr=""><al>Artikel 9b:10 Verrekening inkomsten tijdens de periode van artikel
                                9b:4</al></li><li nr=""><al>Artikel 9b:11 Onbezoldigd volledig verlof voor de ambtenaar geboren
                                na 1949 met 20 dienstjaren of meer op 1 januari 2006 in een
                                bezwarende functie</al></li><li nr=""><al>Artikel 9b:12 Premieverdeling bij pensioenopbouw tijdens onbezoldigd
                                volledig verlof</al></li><li nr=""><al>Artikel 9b:13 Vervallen</al></li><li nr=""><al>Artikel 9b:14 Vakantieopbouw tijdens onbezoldigd volledig
                                verlof</al></li><li nr=""><al>Artikel 9b:15 Vervallen</al></li><li nr=""><al>Artikel 9b:16 Vervallen</al></li><li nr=""><al>Artikel 9b:17 Ziekte tijdens onbezoldigd volledig verlof</al></li><li nr=""><al>Artikel 9b:18 Ambtsjubileumgratificatie tijdens onbezoldigd volledig
                                verlof</al></li><li nr=""><al>Artikel 9b:19 Garantieregeling bij arbeidsongeschiktheid na de
                                leeftijd van 50 jaar voor de ambtenaar geboren na 1949 met 20
                                dienstjaren of meer op 1 januari 2006 in een bezwarende functie</al></li><li nr=""><al>Artikel 9b:20 Salarisgarantie bij definitieve herplaatsing bij
                                ziekte</al></li><li nr=""><al>Artikel 9b:21 Levensloop voor de ambtenaar geboren na 1949 met 20
                                dienstjaren of meer op 1 januari 2006 in een bezwarende functie</al></li><li nr=""><al>Artikel 9b:22 Inkoop OP voor de ambtenaar geboren na 1949 met 20
                                dienstjaren of meer op 1 januari 2006 in een bezwarende functie</al></li><li nr=""><al>Artikel 9b:22a Leeftijdsafhankelijke factor voor de ambtenaar
                                geboren na 1949 met 20 dienstjaren of meer op 1 januari 2006 in een
                                bezwarende functie</al></li><li nr=""><al>Artikel 9b:22b Inkoop OP bij regionalisering</al></li></lijst><al>Artikel 9b:2 Begripsbepalingen</al><al>Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al><vet>bezoldiging:</vet> de optelsom van</al></li><li nr="I."><al>het salaris, als bedoeld in artikel 3:1, tweede lid, sub b, </al></li><li nr="II."><al> de vakantieuitkering;</al></li><li nr="III."><al> de eindejaarsuitkering;</al></li><li nr="IV."><al> de functioneringstoelage;</al></li><li nr="V."><al> de waarnemingstoelage en </al></li><li nr="VI."><al> de in de lokale bezoldigingsverordening genoemde andere toelagen en
                                emolumenten, voor zover die aan de ambtenaar zijn toegekend, met
                                uitzondering van de levensloopbijdrage bedoeld in artikel 9e:8 en
                                9e:9, berekend over een periode van 12 maanden onmiddellijk
                                voorafgaande aan de datum, die voortvloeit uit de toepassing van
                                artikel 9b:4, artikel 9b:20, artikel 9b:25, zesde lid, artikel
                                9b:26, artikel 9b:47 en artikel 9b:52. De bezoldiging wordt, met
                                uitzondering van de bezoldiging bedoeld in artikel 9b:20 en 9b:25,
                                na deze datum geïndexeerd met de generieke salarisverhoging, zoals
                                deze in de gemeentelijke sector wordt overeengekomen. Indien
                                verlofopname door de ambtenaar in deze 12 maanden heeft geleid tot
                                een wijziging van de feitelijke uitbetaling van de bezoldiging
                                genoemd in artikel 3:1, tweede lid, onderdeel c, werkt die wijziging
                                door in de bezoldiging. </al></li><li nr="b."><al><vet> bezwarende functie:</vet> een betrekking met een hoge
                                belasting door het frequent draaien van piket of het werken in
                                roosterdiensten en deelname aan daaruit voortvloeiende werkzaamheden
                                in de uitruk met als gevolg een verhoogde kans op
                                gezondheidsklachten; </al></li><li nr="c."><al><vet>dienstjaren voor brandweerpersoneel:</vet> de jaren in dienst
                                van een gemeentelijk beroepsbrandweerkorps, de jaren werkzaam als
                                buschauffeur of trambestuurder bij het stadsvervoer, mits dit een
                                functie was, die op dat moment recht gaf op functioneel
                                leeftijdsontslag en de jaren als vrijwilliger bij de brandweer, mits
                                het om jaren gaat waarin daadwerkelijk en regelmatig in de uitruk is
                                ingezet en men niet tegelijkertijd een aanstelling had als
                                beroepsbrandweer. Bij twijfel over het aantal dienstjaren als
                                vrijwilliger dient de ambtenaar aannemelijk te maken hoeveel jaren
                                hij als vrijwilliger is ingezet; </al></li><li nr="d."><al><vet>dienstjaren voor ambulancepersoneel: </vet> de jaren werkzaam
                                bij een gemeentelijke ambulancedienst, de jaren werkzaam bij een
                                ambulancedienst van een ziekenhuis of bij een ambulancedienst in de
                                particuliere sector en de jaren werkzaam als buschauffeur of
                                trambestuurder bij het stadsvervoer, mits dit een functie was, die
                                op dat moment recht gaf op functioneel leeftijdsontslag; </al></li><li nr="e."><al><vet> FPU-uitkering:</vet> de uitkering in het kader van de
                                FPU-regeling; </al></li><li nr="f."><al><vet> niet-bezwarende functie:</vet> een functie die niet valt onder
                                de definitie van onderdeel b; </al></li><li nr="g."><al><vet> tweede loopbaan:</vet> iedere functie binnen de organisatie
                                van de gemeente of buiten de organisatie van de gemeente die, in het
                                kader van het loopbaanplan, volgt op de bezwarende functie; </al></li><li nr="h."><al><vet> onbezoldigd volledig verlof:</vet> verlof voor de formele
                                arbeidsduur per week, zonder behoud van bezoldiging.</al></li></lijst><al>Artikel 9b:3 Werkingssfeer</al><al>Deze paragraaf is van toepassing op de ambtenaar die geboren is na 1949 en
                        die op 1 januari 2006 20 dienstjaren of meer had in een bezwarende functie
                        en die op het eerst mogelijke moment van verstrekking van de
                        werkgeversbijdrage levensloop - in december 2006 - als bedoeld in artikel
                        9e:8 en 9e:9 niet in aanmerking kwam voor een WIA/WAO uitkering en die
                        werkgeversbijdragen levensloop heeft ontvangen.</al><al>Artikel 9b:4 Keuzemogelijkheid voor de ambtenaar geboren na 1949 met 20
                        dienstjaren of meer op 1 januari 2006 in een bezwarende functie</al><al>Lid 1</al><al>De ambtenaar wordt op zijn verzoek vanaf de eerste dag van de maand volgend
                        op de maand waarin hij de leeftijd van 55 jaar bereikt volledig buitengewoon
                        verlof verleend, tegen doorbetaling van 80% van de voor de ambtenaar
                        geldende bezoldiging. Voor zover het dienstbelang het toelaat, kan de
                        ambtenaar vanaf de datum bedoeld in de eerste volzin in plaats van het
                        volledig buitengewoon verlof als hiervoor bedoeld, een keuze maken uit de
                        volgende mogelijkheden: </al><lijst><li nr="a."><al>100% werken, waarbij voor ieder vol jaar dat gewerkt wordt een bonus
                                wordt verstrekt van 20% van het voor de ambtenaar geldende
                                jaarsalaris in het jaar voorafgaande aan toekenning van de bonus;
                            </al></li><li nr="b."><al>50% van de voor hem geldende formele arbeidsduur werken, tegen
                                doorbetaling van 90% van de voor de ambtenaar geldende
                                bezoldiging;</al></li><li nr="c."><al>volledig ontslag op grond van artikel 8:1, waarbij een bonus wordt
                                verstrekt van 100% van het voor de ambtenaar geldende jaarsalaris in
                                het jaar voorafgaande aan toekenning van de bonus.</al></li></lijst><al>Indien dit voor het behouden van vakbekwaamheidseisen noodzakelijk is en de
                        werkgever dit kan aantonen, geldt voor ambulancepersoneel als alternatief
                        voor onderdeel b: 60% van een volledige betrekking werken tegen doorbetaling
                        van 95% van de voor de ambtenaar geldende bezoldiging. </al><al>Lid 2</al><al>De ambtenaar maakt zes kalendermaanden voor de in het eerste lid bedoelde
                        datum het college door middel van een verzoek bekend naar welke variant zijn
                        voorkeur uitgaat. </al><al>Lid 3</al><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 9b:11, gaat de datum, bedoeld in het
                        eerste lid zoveel later in als het college op 31 december 2005 op grond van
                        artikel 8:3, zoals dat luidde op 31 december 2005, voor de bezwarende
                        functie een hogere leeftijdsgrens had vastgesteld dan 55 jaar. </al><al>Lid 4</al><al>De ambtenaar die kiest voor het in het eerste lid gestelde onder a en b moet
                        medisch geschikt zijn om in de bezwarende functie door te werken. </al><al>Lid 5</al><al>Voor zover het dienstbelang dit toelaat, kan de ambtenaar, met inachtneming
                        van het derde lid, de in het eerste lid gestelde keuzemogelijkheden later
                        laten ingaan, telkens met een periode van een jaar. Voorwaarde hierbij is
                        dat de ambtenaar medisch geschikt is om door te werken in de bezwarende
                        functie. </al><al>Lid 6</al><al>De ambtenaar die van het vijfde lid gebruik wil maken, moet, met
                        inachtneming van het derde lid, het college uiterlijk zes kalendermaanden
                        voor de beoogde ingangsdatum daartoe verzoeken.</al><al>Lid 7</al><al>De ambtenaar die eenmaal een keuze heeft gemaakt, kan, voor zover het
                        dienstbelang dat toelaat, gedurende de periode tot het moment, bedoeld in
                        artikel 9b:11, zijn keuze herzien, met dien verstande dat de bonus van
                        artikel 9b:4, eerste lid, onderdeel c, berekend wordt naar rato van de tijd
                        die resteert tot de datum, bedoeld in artikel 9b:11, eerste lid. Hierbij
                        geldt als voorwaarde dat als tweede en eventueel volgende keuze alleen een
                        optie in aanmerking komt waarbij minder gewerkt wordt dan bij de eerdere
                        keuze. Het tweede lid is van overeenkomstige toepassing.</al><al>Lid 8</al><al>De ambtenaar die in de periode van 1 januari 2006 tot 1 januari 2011 gebruik
                        maakt van de mogelijkheid, bedoeld in de eerste zin van het eerste lid van
                        dit artikel, en direct daaraan voorafgaand een functie bekleedde waaraan
                        salarisschaal 6 of lager was verbonden, ontvangt gedurende die periode €
                        500,- netto per kalenderjaar. De ambtenaar die in deze periode geen volledig
                        kalenderjaar gebruik maakt van de genoemde mogelijkheid, ontvangt een bedrag
                        naar rato. Deze uitkering wordt eenmaal per kalenderjaar in de maand
                        december betaald. Aan de ambtenaar die op grond van lokaal beleid al een
                        vergoeding heeft ontvangen, wordt alleen het deel van het totaalbedrag,
                        waarop op grond van dit lid recht bestaat, uitbetaald dat hoger is dan de
                        reeds ontvangen vergoeding.</al><al>Artikel 9b:5 Pensioenopbouw tijdens keuzes van artikel 9b:4</al><al>Over de bonus, bedoeld in artikel 9b:4, eerste lid onderdeel a en c, wordt
                        geen pensioen wordt opgebouwd.</al><al>Artikel 9b:6 Vakantieopbouw tijdens de periode van artikel 9b:4</al><al>Gedurende de periode, bedoeld in artikel 9b:4, vindt opbouw van
                        vakantie-uren plaats naar rato van het aantal uren dat de ambtenaar werkt. </al><al>Artikel 9b:7 Toelage onregelmatige dienst, eindejaarsuitkering en
                        vakantietoelage tijdens de periode van artikel 9b:4</al><al>Tijdens de periode, bedoeld in artikel 9b:4, eerste lid, eerste volzin en
                        onder onderdeel a en b, zijn de artikelen 3:3 en 3:3:1, respectievelijk
                        artikel 19a:8, artikel 3:6 en artikel 6:3 niet van toepassing.</al><al>Artikel 9b:8 Vervallen</al><al>(Vervallen)</al><al>Artikel 9b:9 Ambtsjubileumgratificatie tijdens periode van artikel 9b:4</al><al>De jaren dat de ambtenaar op grond van artikel 9b:4 volledig buitengewoon
                        verlof is verleend, tegen doorbetaling van 80% van de voor de ambtenaar
                        geldende bezoldiging, tellen voor de berekening van de
                        ambtsjubileumgratificatie niet mee.</al><al>Artikel 9b:10 Verrekening inkomsten tijdens de periode van artikel 9b:4</al><al>Lid 1</al><al>Wanneer de ambtenaar tijdens de periode, bedoeld in artikel 9b:4, eerste
                        volzin of onder b, inkomsten geniet of gaat genieten uit of in verband met
                        arbeid of bedrijf, ter hand genomen met ingang van of na de datum waarop
                        artikel 9b:4 van toepassing is geworden, wordt op de doorbetaling van de
                        bezoldiging een vermindering toegepast. Deze vermindering is gelijk aan het
                        bedrag waarmede de inkomsten en de doorbetaalde bezoldiging samen de
                        laatstelijk genoten bezoldiging te boven gaan.</al><al>Lid 2</al><al>Het eerste lid vindt overeenkomstige toepassing ten aanzien van inkomsten
                        uit of in verband met arbeid of bedrijf, ter hand genomen gedurende verlof,
                        vakantie of non-activiteit, onmiddellijk voorafgaande aan de datum waarop
                        artikel 9b:4 van toepassing is geworden.</al><al>Lid 3</al><al>Wanneer de ambtenaar op of na de datum, bedoeld in het eerste lid, inkomsten
                        of hogere inkomsten verkrijgt uit arbeid of bedrijf ter hand genomen vóór
                        die dag, is ten aanzien van die inkomsten of hogere inkomsten het bepaalde
                        in het eerste lid van overeenkomstige toepassing.</al><al>Lid 4</al><al>De in het derde lid bedoelde vermindering vindt echter niet plaats indien de
                        inkomsten of hogere inkomsten het gevolg zijn van algemene loonsverhogingen,
                        of indien de ambtenaar aannemelijk maakt dat die inkomsten niet het gevolg
                        zijn van verhoogde werkzaamheid of van andere oorzaken, verband houdende met
                        de toepassing van artikel 9b:4.</al><al>Lid 5</al><al>Onder inkomsten, bedoeld in de voorgaande leden, worden niet verstaan
                        inkomsten verkregen wegens overwerk of als gratificatie.</al><al>Lid 6</al><al>De ambtenaar is verplicht tijdig mededeling te doen van het aanvaarden van
                        arbeid of het starten van een bedrijf of het vermeerderen van werkzaamheden
                        uit arbeid of bedrijf.</al><al>Lid 7</al><al>De ambtenaar is verplicht tijdig mededeling te doen van de inkomsten uit of
                        in verband met arbeid of bedrijf die hij ontvangt en van de wijzigingen
                        daarin. Hij is verplicht daarvan de bewijzen te overleggen.</al><al>Lid 8</al><al>Wanneer de ambtenaar de verplichtingen van het zesde lid niet nakomt, kan
                        het college besluiten een korting op de door te betalen bezoldiging toe te
                        passen.</al><al>Artikel 9b:11 Onbezoldigd volledig verlof voor de ambtenaar geboren na 1949
                        met 20 dienstjaren of meer op 1 januari 2006 in een bezwarende functie</al><al>Lid 1</al><al>De ambtenaar die op grond van artikel 9b:4, eerste lid, gedeeltelijk
                        doorbetaald volledig buitengewoon verlof geniet dan wel die heeft gekozen
                        voor artikel 9b:4, eerste lid, onderdeel a of b, wordt vanaf de eerste dag
                        van de maand volgend op de maand waarin hij de leeftijd van 59 jaar bereikt
                        onbezoldigd volledig verlof verleend. </al><al>Lid 2</al><al>In afwijking van het eerste lid, gaat het onbezoldigd volledig verlof,
                        bedoeld in het eerste lid, in vanaf de eerste dag van de maand volgend op de
                        maand waarin hij de leeftijd van 60 jaar bereikt, wanneer het college op 31
                        december 2005 op grond van artikel 8:3, zoals dat luidde op 31 december
                        2005, voor de bezwarende functie een leeftijdsgrens had vastgesteld van 60
                        jaar. </al><al>Lid 3</al><al>Het onbezoldigd volledig verlof wordt uitgesteld met die periode, waarmee de
                        keuze van de ambtenaar, die gebruik heeft gemaakt van het vijfde lid van
                        artikel 9b:4, later is ingegaan. </al><al>Lid 4</al><al>Voor zover het dienstbelang dit toelaat, kan de ambtenaar, wanneer het
                        college op grond van artikel 8:3, zoals dat luidde op 31 december 2005, een
                        leeftijdsgrens had vastgesteld van 59 of 60 jaar, het onbezoldigd volledig
                        verlof later laten ingaan, telkens met een periode van een jaar. Voorwaarde
                        hierbij is dat de ambtenaar medisch geschikt is om door te werken in de
                        bezwarende functie. </al><al>Lid 5</al><al>De ambtenaar die van het vierde lid gebruik wil maken, moet het college
                        uiterlijk zes kalendermaanden voor de beoogde ingangsdatum daartoe
                        verzoeken.</al><al>Artikel 9b:12 Premieverdeling bij pensioenopbouw tijdens onbezoldigd
                        volledig verlof</al><al>Lid 1</al><al>Wanneer de periode van het onbezoldigd volledig verlof, bedoeld in artikel
                        9b:11, eerste lid, langer is dan drie jaar, is vanaf dat moment het verhaal
                        van de pensioenpremies en de Vut-fonds bijdrage als bedoeld in artikel 21
                        van het FPU-reglement basis- en aanvullende uitkering gelijk aan het bedrag
                        van de premies en de bijdragen die voor de ambtenaar zijn verschuldigd.</al><al>Lid 2</al><al>Wanneer de periode van het onbezoldigd volledig verlof, bedoeld in artikel
                        9b:11, tweede lid, langer is dan twee jaar, is vanaf dat moment het verhaal
                        van de pensioenpremies en de Vut-fonds bijdrage als bedoeld in artikel 21
                        van het FPU-reglement basis- en aanvullende uitkering gelijk aan het bedrag
                        van de premies en de bijdragen die voor de ambtenaar zijn verschuldigd.</al><al>Artikel 9b:13 Vervallen</al><al>(Vervallen)</al><al>Artikel 9b:14 Vakantieopbouw tijdens onbezoldigd volledig verlof</al><al>Gedurende de periode van het onbezoldigd volledig verlof, bedoeld in artikel
                        9b:11, vindt geen opbouw van vakantie-uren plaats.</al><al>Artikel 9b:15 Vervallen</al><al>(Vervallen)</al><al>Artikel 9b:16 Vervallen</al><al>(Vervallen)</al><al>Artikel 9b:17 Ziekte tijdens onbezoldigd volledig verlof</al><al>Ziekte tijdens de periode van het onbezoldigd volledig verlof, bedoeld in
                        artikel 9b:11, leidt niet tot stopzetting van het onbezoldigd volledig
                        verlof.</al><al>Artikel 9b:18 Ambtsjubileumgratificatie tijdens onbezoldigd volledig
                        verlof</al><al>De periode van het onbezoldigd volledig verlof, bedoeld in artikel 9b:11,
                        telt niet mee voor de berekening van de ambtsjubileumgratificatie.</al><al>Artikel 9b:19 Garantieregeling bij arbeidsongeschiktheid na de leeftijd van
                        50 jaar voor de ambtenaar geboren na 1949 met 20 dienstjaren of meer op 1
                        januari 2006 in een bezwarende functie</al><al>Lid 1</al><al>Op de ambtenaar wiens eerste ziektedag na de leeftijd van 50 jaar valt en
                        die volledig, maar niet duurzaam, of gedeeltelijk arbeidsongeschikt raakt,
                        is artikel 8:4 respectievelijk artikel 8:5 niet van toepassing.</al><al>Lid 2</al><al>De ambtenaar, genoemd in het eerste lid, wordt hersteld verklaard vanaf de
                        datum, bedoeld in artikel 9b:4, eerste lid.</al><al>Lid 3</al><al>De datum, bedoeld in het tweede lid gaat zoveel later in als het college op
                        31 december 2005 op grond van artikel 8:3, zoals dat luidde op 31 december
                        2005, voor de bezwarende functie een hogere leeftijdsgrens had vastgesteld
                        dan 55 jaar. </al><al>Lid 4</al><al>Op de ambtenaar, genoemd in het tweede lid, zijn vanaf de datum van herstel,
                        voor zover de medische geschiktheid dat toelaat, artikel 9b:4 tot en met
                        artikel 9b:18 van toepassing.</al><al>Lid 5</al><al>De ambtenaar wiens eerste ziektedag ligt na de leeftijd van 55 jaar en die
                        wegens ziekte ongeschikt wordt om zijn betrekking te vervullen, wordt niet
                        ziek gemeld. Vanaf de datum dat de door deze ambtenaar gemaakte keuze op
                        grond van artikel 9b:4, eerste lid, vanwege medische geschiktheid niet meer
                        mogelijk is, verandert deze keuze in een keuze die op grond van zijn
                        medische geschiktheid nog wel mogelijk is, met dien verstande dat de bonus
                        van artikel 9b:4, eerste lid, onderdeel c, berekend wordt naar rato van de
                        tijd die resteert tot de datum, bedoeld in artikel 9b:11, eerste lid. Op hem
                        blijft artikel 9b:11 van toepassing.</al><al>Lid 6</al><al>De datum, bedoeld in het vijfde lid gaat zoveel later in als het college op
                        31 december 2005 op grond van artikel 8:3, zoals dat luidde op 31 december
                        2005, voor de bezwarende functie een hogere leeftijdsgrens had vastgesteld
                        dan 55 jaar.</al><al>Artikel 9b:20 Salarisgarantie bij definitieve herplaatsing bij ziekte</al><al>Lid 1</al><al>De ambtenaar, die op grond van hoofdstuk 7 binnen de organisatie van de
                        gemeente definitief herplaatst wordt, heeft recht op een garantietoelage ter
                        hoogte van het negatieve verschil tussen de oude bezoldiging en het nieuwe
                        totaalinkomen van de ambtenaar. Tot het totaalinkomen wordt de nieuwe
                        bezoldiging gerekend, alsmede de uitkeringen die de ambtenaar in verband met
                        zijn arbeidsongeschiktheid ontvangt.</al><al>Lid 2</al><al>Wanneer de ambtenaar, op grond van hoofdstuk 7 definitief herplaatst wordt
                        in een functie met een lager totaal inkomen buiten de organisatie van de
                        gemeente, maken het college en de ambtenaar afspraken over een financiële
                        regeling.</al><al>Artikel 9b:21 Levensloop voor de ambtenaar geboren na 1949 met 20
                        dienstjaren of meer op 1 januari 2006 in een bezwarende functie</al><al>Op de ambtenaar, die een bezwarende functie bekleedt, waaraan het college op
                        31 december 2005 op grond van artikel 8:3, zoals dat luidde op 31 december
                        2005, een leeftijdsgrens had vastgesteld, is de levensloopregeling van
                        hoofdstuk 9e van toepassing.</al><al>Artikel 9b:22 Inkoop OP voor de ambtenaar geboren na 1949 met 20 dienstjaren
                        of meer op 1 januari 2006 in een bezwarende functie</al><al>Lid 1</al><al>Ten behoeve van de ambtenaar wordt, onder de voorwaarde dat hij daarvoor
                        fiscale ruimte beschikbaar heeft, op de leeftijd van 53 jaar een bedrag in
                        ABP Extra Pensioen gestort ter hoogte van 57% van het geïndexeerde loon maal
                        de leeftijdsafhankelijke factor, die behoort bij de leeftijd van 53 jaar.
                        Hierbij is het geïndexeerde loon het gemiddelde pensioengevend inkomen zoals
                        dat bij ABP bekend is over de dienstjaren tot 53 jaar maal de indexatie per
                        betreffend dienstjaar zoals door ABP is vastgesteld. Indien het loon uit
                        enig dienstjaar bij ABP niet bekend is, toont de ambtenaar wat het loon is
                        geweest.</al><al>Lid 2</al><al>Wanneer er onvoldoende fiscale ruimte is, wordt hetgeen niet in ABP Extra
                        Pensioen gestort kan worden, aan de ambtenaar ter beschikking gesteld.</al><al>Lid 3</al><al>Ten behoeve van de ambtenaar die voor de leeftijd van 53 jaar uittreedt uit
                        een bezwarende functie wordt, met inachtneming van het tweede lid, het in
                        het eerste lid genoemde bedrag in ABP Extra Pensioen gestort op het moment
                        van uittreden, waarbij de leeftijdsafhankelijke factor wordt toegepast die
                        hoort bij de leeftijd op het moment van uittreden en het gemiddelde loon
                        wordt berekend tot het moment van uittreden.</al><al>Lid 4</al><al>Het op grond van dit artikel uitgekeerde bedrag behoort niet tot het
                        pensioengevend inkomen als bedoeld in artikel 3.1 van het pensioenreglement
                        van de Stichting Pensioenfonds ABP.</al><al>Lid 5</al><al>Het op grond van dit artikel uitgekeerde bedrag behoort niet tot de
                        bezoldiging.</al><al>Lid 6</al><al>De ambtenaar kan zijn werkgever eenmalig verzoeken om een indicatie van het
                        verwachte te storten bedrag. Het college bepaalt, in overleg met de
                        ambtenaar, het geschikte moment voor deze indicatie.</al><al>Artikel 9b:22a Leeftijdsafhankelijke factor voor de ambtenaar geboren na
                        1949 met 20 dienstjaren of meer op 1 januari 2006 in een bezwarende
                        functie</al><al>Lid 1</al><al>De in artikel 9b:22 genoemde leeftijdsafhankelijke factor is afhankelijk van
                        de door ABP gehanteerde actuariële tarieven.</al><al>Lid 2</al><al>De leeftijdafhankelijke factor bedraagt:</al><table><tgroup cols="8"><colspec colname="col1" colwidth="16*"/><colspec colname="col2" colwidth="14*"/><colspec colname="col3" colwidth="4*"/><colspec colname="col4" colwidth="16*"/><colspec colname="col5" colwidth="14*"/><colspec colname="col6" colwidth="4*"/><colspec colname="col7" colwidth="16*"/><colspec colname="col8" colwidth="14*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al><vet>leeftijd </vet></al></entry><entry colname="col2"><al><vet>factor </vet></al></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al><vet>leeftijd</vet></al></entry><entry colname="col5"><al><vet>factor </vet></al></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al><vet>leeftijd</vet></al></entry><entry colname="col8"><al><vet>factor </vet></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>18</al></entry><entry colname="col2"><al>0,278 </al></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>33</al></entry><entry colname="col5"><al>0,432 </al></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al>48</al></entry><entry colname="col8"><al>0,674 </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>19</al></entry><entry colname="col2"><al>0,286</al></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>34</al></entry><entry colname="col5"><al>0,445</al></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al>49</al></entry><entry colname="col8"><al>0,694</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>20</al></entry><entry colname="col2"><al>0,294</al></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>35</al></entry><entry colname="col5"><al>0,459 </al></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al>50</al></entry><entry colname="col8"><al>0,715</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>21</al></entry><entry colname="col2"><al>0,303</al></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>36</al></entry><entry colname="col5"><al>0,473</al></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al>51</al></entry><entry colname="col8"><al>0,736</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>22</al></entry><entry colname="col2"><al>0,312</al></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>37</al></entry><entry colname="col5"><al>0,487</al></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al>52</al></entry><entry colname="col8"><al>0,758</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>23</al></entry><entry colname="col2"><al>0,322</al></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>38</al></entry><entry colname="col5"><al>0,501</al></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al>53</al></entry><entry colname="col8"><al>0,781</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>24</al></entry><entry colname="col2"><al>0,331</al></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>39</al></entry><entry colname="col5"><al>0,516</al></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al>54</al></entry><entry colname="col8"><al>0,804 </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>25</al></entry><entry colname="col2"><al>0,341</al></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>40</al></entry><entry colname="col5"><al>0,532</al></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al>55</al></entry><entry colname="col8"><al>0,829</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>26</al></entry><entry colname="col2"><al>0,352</al></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>41</al></entry><entry colname="col5"><al>0,548</al></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al>56</al></entry><entry colname="col8"><al>0,853 </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>27</al></entry><entry colname="col2"><al>0,362 </al></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>42</al></entry><entry colname="col5"><al>0,564 </al></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al>57</al></entry><entry colname="col8"><al>0,879 </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>28</al></entry><entry colname="col2"><al>0,373</al></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>43</al></entry><entry colname="col5"><al>0,581</al></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al>58</al></entry><entry colname="col8"><al>0,905</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>29</al></entry><entry colname="col2"><al>0,384</al></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>44</al></entry><entry colname="col5"><al>0,599 </al></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al>59</al></entry><entry colname="col8"><al>0,933 </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>30</al></entry><entry colname="col2"><al>0,396</al></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>45</al></entry><entry colname="col5"><al>0,617 </al></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al>60</al></entry><entry colname="col8"><al>0,961</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>31</al></entry><entry colname="col2"><al>0,408</al></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>46</al></entry><entry colname="col5"><al>0,635</al></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al>61</al></entry><entry colname="col8"><al>0,989</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>32</al></entry><entry colname="col2"><al>0,420</al></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>47</al></entry><entry colname="col5"><al>0,654</al></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al>62</al></entry><entry colname="col8"><al>1.019</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>Lid 3</al><al>Wanneer de in lid 1 genoemde tarieven door ABP worden gewijzigd, stellen
                        LOGA-partijen nieuwe leeftijdafhankelijke factoren vast.</al><al>Artikel 9b:22b Inkoop OP bij regionalisering</al><al>In afwijking van artikel 9b:22, derde lid, wordt voor de ambtenaar</al><lijst><li nr="§"><al>die wegens regionalisering van de gemeentelijke beroepsbrandweer uit
                                de bezwarende functie wordt ontslagen en</al></li><li nr="§"><al>op wie bij de nieuwe werkgever hoofdstuk 9b van toepassing
                                blijft,</al></li></lijst><al>geen bedrag in ABP Extra Pensioen gestort op het moment van uittreden.</al><al>Paragraaf 3 De ambtenaar geboren na 1949 met minder dan 20 dienstjaren in
                        een bezwarende functie op 1 januari 2006 en die op het eerst mogelijke
                        moment van verstrekking van de werkgeversbijdrage levensloop - in december
                        2006 - als bedoeld in artikel 9e:8 en 9e:9 niet in aanmerking kwam voor een
                        WIA/WAO uitkering en die werkgeversbijdragen levensloop heeft ontvangen</al><lijst><li nr=""><al>Artikel 9b:23 Werkingssfeer</al></li><li nr=""><al>Artikel 9b:24 Doorwerken zolang dat medisch verantwoord is en tenzij
                                tweede loopbaan gestart wordt</al></li><li nr=""><al>Artikel 9b:25 Tweede loopbaan voor de ambtenaar met minder dan 20
                                dienstjaren op 1 januari 2006 in een bezwarende functie</al></li><li nr=""><al>Artikel 9b:26 Recht voor de ambtenaar met minder dan 20 dienstjaren
                                op 1 januari 2006 in een bezwarende functie</al></li><li nr=""><al>Artikel 9b:27 Pensioenopbouw tijdens periode van artikel 9b:26</al></li><li nr=""><al>Artikel 9b:27a Toelage onregelmatige dienst, eindejaarsuitkering en
                                vakantietoelage tijdens de periode van artikel 9b:26</al></li><li nr=""><al>Artikel 9b:28 Gedeeltelijk doorbetaald buitengewoon verlof voorde
                                ambtenaar geboren na 1949 met minder dan 20 dienstjaren op 1 januari
                                2006 in een bezwarende functie</al></li><li nr=""><al>Artikel 9b:29 Pensioenopbouw tijdens periode van artikel 9b:28</al></li><li nr=""><al>Artikel 9b:30 Ambtsjubileumgratificatie tijdens periode van artikel
                                9b:28</al></li><li nr=""><al>Artikel 9b:31 Vakantieopbouw tijdens de periode van artikel 9b:26 en
                                9b:28</al></li><li nr=""><al>Artikel 9b:32 Vervallen</al></li><li nr=""><al>Artikel 9b:33 Vervallen</al></li><li nr=""><al>Artikel 9b:34 Verrekening inkomsten tijdens de periode van artikel
                                9b:26 en artikel 9b:28</al></li><li nr=""><al>Artikel 9b:35 Onbezoldigd volledig verlof voor de ambtenaar geboren
                                na 1949 met minder dan 20 dienstjaren op 1 januari 2006 in een
                                bezwarende functie</al></li><li nr=""><al>Artikel 9b:36 Premieverdeling bij persioenopbouw tijdens onbezoldigd
                                volledig verlof</al></li><li nr=""><al>Artikel 9b:37 Vervallen</al></li><li nr=""><al>Artikel 9b:38 Vakantieopbouw tijdens onbezoldigd volledig
                                verlof</al></li><li nr=""><al>Artikel 9b:39 Vervallen</al></li><li nr=""><al>Artikel 9b:40 Vervallen</al></li><li nr=""><al>Artikel 9b:41 Ziekte tijdens onbezoldigd volledig verlof</al></li><li nr=""><al>Artikel 9b:42 Ambtsjubileumgratificatie tijdens onbezoldigd volledig
                                verlof</al></li><li nr=""><al>Artikel 9b:43 Arbeidsongeschiktheid en garantieregeling bij
                                arbeidsongeschiktheid na de leeftijd van 50 jaar voor de ambtenaar
                                geboren na 1949 met minder dan 20 dienstjaren op 1 januari 2006 in
                                een bezwarende functie</al></li><li nr=""><al>Artikel 9b:44 Levensloop voor de ambtenaar met minder dan 20
                                dienstjaren op 1 januari 2006</al></li><li nr=""><al>Artikel 9b:45 Inkoop OP voor de ambtenaar met minder dan 20
                                dienstjaren op 1 januari 2006</al></li><li nr=""><al>Artikel 9b:45a Leeftijdsafhankelijke factor voor de ambtenaar met
                                minder dan 20 dienstjaren op 1 januari 2006</al></li><li nr=""><al>Artikel 9b:45b Inkoop OP bij regionalisering</al></li></lijst><al>Artikel 9b:23 Werkingssfeer</al><al>Deze paragraaf is van toepassing op de ambtenaar die geboren is na 1949 en
                        die op 1 januari 2006 minder dan 20 dienstjaren had in een bezwarende
                        functie en die op het eerst mogelijke moment van verstrekking van de
                        werkgeversbijdrage levensloop - in december 2006 - als bedoeld in artikel
                        9e:8 en 9e:9 niet in aanmerking kwam voor een WIA/WAO uitkering en die
                        werkgeversbijdragen levensloop heeft ontvangen.</al><al>Artikel 9b:24 Doorwerken zolang dat medisch verantwoord is en tenzij tweede
                        loopbaan gestart wordt</al><al>Lid 1</al><al>Zolang dit medisch verantwoord is, blijft de ambtenaar, onder toepassing van
                        artikel 9b:26, in de bezwarende functie werkzaam tot het moment, bedoeld in
                        artikel 9b:28.</al><al>Lid 2</al><al>Het eerste lid is niet van toepassing wanneer het college en de ambtenaar in
                        het kader van het loopbaanplan hierover andere afspraken maken.</al><al>Artikel 9b:25 Tweede loopbaan voor de ambtenaar met minder dan 20
                        dienstjaren op 1 januari 2006 in een bezwarende functie</al><al>Lid 1</al><al>Op de ambtenaar is tot de eerste dag van de maand volgend op de maand waarin
                        hij de leeftijd van 55 jaar bereikt hoofdstuk 9a van toepassing, met
                        inachtneming van de volgende leden.</al><al>Lid 2</al><al>De datum, bedoeld in het eerste lid gaat zoveel later in als het college op
                        31 december 2005 op grond van artikel 8:3, zoals dat luidde op 31 december
                        2005, voor de bezwarende functie een hogere leeftijdsgrens had vastgesteld
                        dan 55 jaar.</al><al>Lid 3</al><al>Voor brandweerpersoneel geldt dat in het kader van de tweede loopbaan eerst
                        gezocht wordt naar een functie binnen de organisatie van de gemeente. </al><al>Lid 4</al><al>De ambtenaar met geen of onvoldoende diploma's kan via een procedure voor
                        erkenning verworven competenties zijn competenties laten erkennen.</al><al>Lid 5</al><al>Indien dit behulpzaam is bij het vormgeven van de tweede loopbaan heeft de
                        ambtenaar recht op vergoeding van de kosten, voor zover redelijk, van een
                        extern loopbaanadvies.</al><al>Lid 6</al><al>De ambtenaar die in het kader van de tweede loopbaan een andere functie
                        aanvaardt binnen de organisatie van de gemeente, ontvangt, in afwijking van
                        artikel 9a:11, eerste tot en met zevende lid, een garantietoelage ter hoogte
                        van het negatieve verschil tussen de oude bezoldiging en de nieuwe
                        bezoldiging. </al><al>Lid 7</al><al>Het college en de ambtenaar maken in het kader van het loopbaanplan
                        afspraken over een financiële regeling wanneer de ambtenaar in het kader van
                        de tweede loopbaan buiten de organisatie van de gemeente een functie
                        aanvaardt met een lager totaalinkomen.</al><al>Artikel 9b:26 Recht voor de ambtenaar met minder dan 20 dienstjaren op 1
                        januari 2006 in een bezwarende functie</al><al>Lid 1</al><al>De ambtenaar gaat met ingang van de eerste dag van de maand volgend op de
                        maand waarin hij de leeftijd van 55 jaar bereikt 50% van de voor hem
                        geldende formele arbeidsduur werken tegen doorbetaling van 90% van de voor
                        de ambtenaar geldende bezoldiging. Indien dit voor het behouden van
                        vakbekwaamheidseisen noodzakelijk is en de werkgever dit kan aantonen, geldt
                        voor ambulancepersoneel als alternatief 60% van een volledige betrekking
                        werken tegen doorbetaling van 95% van de voor de ambtenaar geldende
                        bezoldiging. </al><al>Lid 2</al><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 9b:35, gaat de datum, bedoeld in het
                        eerste lid, zoveel later in als het college op 31 december 2005 op grond van
                        artikel 8:3, zoals dat luidde op 31 december 2005, voor de bezwarende
                        functie een hogere leeftijdsgrens had vastgesteld dan 55 jaar.</al><al>Lid 3</al><al>De ambtenaar moet medisch geschikt zijn om op de wijze, bedoeld in het
                        eerste lid, in zijn bezwarende functie door te werken. </al><al>Lid 4</al><al>De ambtenaar die medisch niet geschikt is om op de wijze, bedoeld in het
                        eerste lid, in zijn bezwarende functie door te werken, wordt ziek gemeld. Op
                        hem is artikel 9b:43, eerste lid, van toepassing. </al><al>Lid 5</al><al>Voor zover het dienstbelang dit toelaat, kan de ambtenaar, met inachtneming
                        van het tweede lid, het in het eerste lid bedoelde moment later laten
                        ingaan, telkens met een periode van een jaar. Voorwaarde hierbij is dat de
                        ambtenaar medisch geschikt is om door te werken in de bezwarende functie. </al><al>Lid 6</al><al>De ambtenaar die van het vijfde lid gebruik wil maken, moet, met
                        inachtneming van het tweede lid, het college uiterlijk zes kalendermaanden
                        voor de beoogde ingangsdatum daartoe verzoeken.</al><al>Artikel 9b:27 Pensioenopbouw tijdens periode van artikel 9b:26</al><al>(vervallen)</al><al>Artikel 9b:27a Toelage onregelmatige dienst, eindejaarsuitkering en
                        vakantietoelage tijdens de periode van artikel 9b:26</al><al>Tijdens de periode, bedoeld in artikel 9b:26, eerste lid, zijn de artikelen
                        3:3 en 3:3:1, respectievelijk artikel 19a:8, artikel 3:6 en artikel 6:3 niet
                        van toepassing.</al><al>Artikel 9b:28 Gedeeltelijk doorbetaald buitengewoon verlof voor de ambtenaar
                        geboren na 1949 met minder dan 20 dienstjaren op 1 januari 2006 in een
                        bezwarende functie</al><al>Lid 1</al><al>De ambtenaar die op 1 januari 2006 minder dan 20 dienstjaren heeft, wordt
                        vanaf de eerste dag van de maand volgend op de maand waarin hij een bepaalde
                        leeftijd bereikt, volledig buitengewoon verlof verleend, tegen doorbetaling
                        van een bepaald percentage van de voor de ambtenaar geldende bezoldiging. De
                        leeftijd en het percentage zijn afhankelijk van het aantal dienstjaren op 1
                        januari 2006. De leeftijd waaraan de ingangsdatum van het volledig
                        buitengewoon verlof is gekoppeld, en het percentage dat vanaf dat moment
                        wordt betaald zijn bij een aantal dienstjaren op 1 januari 2006 van:</al><lijst><li nr="a."><al> 5 tot 10 jaar: 58 jaar en 75% </al></li><li nr="b."><al> 10 tot 15 jaar: 57 jaar en 78% </al></li><li nr="c."><al> 15 tot 20 jaar: 56 jaar en 80%</al></li></lijst><al>Lid 2</al><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 9b:35, gaat de datum, bedoeld in het
                        eerste lid, zoveel later in als het college op 31 december 2005 op grond van
                        artikel 8:3, zoals dat luidde op 31 december 2005, voor de bezwarende
                        functie een hogere leeftijdgrens had vastgesteld dan 55 jaar. </al><al>Lid 3</al><al>De datum, bedoeld in het eerste lid wordt uitgesteld met die periode,
                        waarmee het moment van de ambtenaar die gebruik heeft gemaakt van het vijfde
                        lid van artikel 9b:26 later is ingegaan.</al><al>Artikel 9b:29 Pensioenopbouw tijdens periode van artikel 9b:28</al><al>Tijdens de periode, bedoeld in artikel 9b:28, bouwt de ambtenaar pensioen op
                        over de volledige bezoldiging.</al><al>Artikel 9b:30 Ambtsjubileumgratificatie tijdens periode van artikel
                        9b:28</al><al>De jaren dat de ambtenaar op grond van artikel 9b:28 volledig buitengewoon
                        verlof is verleend, tegen doorbetaling van 75%, 78% of 80% van de voor de
                        ambtenaar geldende bezoldiging, tellen voor de berekening van de
                        ambtsjubileumgratificatie niet mee.</al><al>Artikel 9b:31 Vakantieopbouw tijdens de periode van artikel 9b:26 en
                        9b:28</al><al>Gedurende de periode, bedoeld in artikel 9b:26 en artikel 9b:28, vindt
                        opbouw van vakantie-uren plaats naar rato van het aantal uren dat de
                        ambtenaar werkt. </al><al>Artikel 9b:32 Vervallen</al><al>(Vervallen)</al><al>Artikel 9b:33 Vervallen</al><al>(Vervallen)</al><al>Artikel 9b:34 Verrekening inkomsten tijdens de periode van artikel 9b:26 en
                        artikel 9b:28</al><al>Lid 1</al><al>Wanneer de ambtenaar tijdens de periode, bedoeld in artikel 9b:26 en artikel
                        9b:28 inkomsten geniet of gaat genieten uit of in verband met arbeid of
                        bedrijf, ter hand genomen met ingang van of na de datum waarop artikel 9b:26
                        van toepassing is geworden, wordt op de doorbetaling van de bezoldiging een
                        vermindering toegepast. Deze vermindering is gelijk aan het bedrag waarmede
                        de inkomsten en de doorbetaalde bezoldiging samen de laatstelijk genoten
                        bezoldiging te boven gaan.</al><al>Lid 2</al><al>Het eerste lid vindt overeenkomstige toepassing ten aanzien van inkomsten
                        uit of in verband met arbeid of bedrijf, ter hand genomen gedurende verlof,
                        vakantie of non-activiteit, onmiddellijk voorafgaande aan de datum waarop
                        artikel 9b:26 van toepassing is geworden.</al><al>Lid 3</al><al>Wanneer de ambtenaar op of na de datum, bedoeld in het eerste lid, inkomsten
                        of hogere inkomsten verkrijgt uit arbeid of bedrijf ter hand genomen vóór
                        die dag, is ten aanzien van die inkomsten of hogere inkomsten het bepaalde
                        in het eerste lid van overeenkomstige toepassing.</al><al>Lid 4</al><al>De in het derde lid bedoelde vermindering vindt echter niet plaats indien de
                        inkomsten of hogere inkomsten het gevolg zijn van algemene loonsverhogingen,
                        of indien de ambtenaar aannemelijk maakt dat die inkomsten niet het gevolg
                        zijn van verhoogde werkzaamheid of van andere oorzaken, verband houdende met
                        de toepassing van artikel 9b:26.</al><al>Lid 5</al><al>Onder inkomsten, bedoeld in de voorgaande leden, worden niet verstaan
                        inkomsten verkregen wegens overwerk of als gratificatie.</al><al>Lid 6</al><al>De ambtenaar is verplicht tijdig mededeling te doen van het aanvaarden van
                        arbeid of het starten van een bedrijf of het vermeerderen van werkzaamheden
                        uit arbeid of bedrijf.</al><al>Lid 7</al><al>De ambtenaar is verplicht tijdig mededeling te doen van de inkomsten uit of
                        in verband met arbeid of bedrijf die hij ontvangt en van de wijzigingen
                        daarin. Hij is verplicht daarvan de bewijzen te overleggen.</al><al>Lid 8</al><al>Wanneer de ambtenaar de verplichtingen van het zesde lid niet nakomt, kan
                        het college besluiten een korting op de door te betalen bezoldiging toe te
                        passen.</al><al>Artikel 9b:35 Onbezoldigd volledig verlof voor de ambtenaar geboren na 1949
                        met minder dan 20 dienstjaren op 1 januari 2006 in een bezwarende
                        functie</al><al>Lid 1</al><al>De ambtenaar wordt vanaf de eerste dag van de maand volgend op de maand
                        waarin de ambtenaar de leeftijd van 59 jaar bereikt onbezoldigd volledig
                        verlof verleend.</al><al>Lid 2</al><al>In afwijking van het eerste lid, gaat het onbezoldigd volledig verlof,
                        bedoeld in het eerste lid, in vanaf de eerste dag van de maand volgend op de
                        maand waarin de medewerker de leeftijd van 60 jaar bereikt, wanneer het
                        college op 31 december 2005 op grond van artikel 8:3, zoals dat luidde op 31
                        december 2005, voor de bezwarende functie een leeftijdsgrens had vastgesteld
                        van 60 jaar. </al><al>Lid 3</al><al>Het onbezoldigd volledig verlof wordt uitgesteld met die periode, waarmee
                        het moment van de ambtenaar, die gebruik heeft gemaakt van het vijfde lid
                        van artikel 9b:26 later is ingegaan.</al><al>Lid 4</al><al>Voor zover het dienstbelang dit toelaat, kan de ambtenaar, voor wie het
                        college op 31 december 2005 op grond van artikel 8:3, zoals dat luidde op 31
                        december 2005, voor de bezwarende functie een leeftijdsgrens had vastgesteld
                        van 59 of 60 jaar, het onbezoldigd volledig verlof later laten ingaan,
                        telkens met een jaar. Voorwaarde hierbij is dat de ambtenaar medisch
                        geschikt is om door te werken in de bezwarende functie.</al><al>Lid 5</al><al>De ambtenaar die van het vierde lid gebruik wil maken, moet het college
                        uiterlijk zes kalendermaanden voor de beoogde ingangsdatum daartoe
                        verzoeken.</al><al>Artikel 9b:36 Premieverdeling bij pensioenopbouw tijdens onbezoldigd
                        volledig verlof</al><al>Lid 1</al><al>Wanneer de periode van het onbezoldigd volledig verlof, bedoeld in artikel
                        9b:35, eerste lid, langer is dan drie jaar, is vanaf dat moment het verhaal
                        van de pensioenpremies en de Vut-fonds bijdrage als bedoeld in artikel 21
                        van het FPU-reglement basis- en aanvullende uitkering gelijk aan het bedrag
                        van de premies en de bijdragen die voor de ambtenaar zijn verschuldigd.</al><al>Lid 2</al><al>Wanneer de periode van het onbezoldigd volledig verlof, bedoeld in artikel
                        9b:35, tweede lid, langer is dan twee jaar, is vanaf dat moment het verhaal
                        van de pensioenpremies en de Vut-fonds bijdrage als bedoeld in artikel 21
                        van het FPU-reglement basis- en aanvullende uitkering gelijk aan het bedrag
                        van de premies en de bijdragen die voor de ambtenaar zijn verschuldigd.</al><al>Artikel 9b:37 Vervallen</al><al>(Vervallen)</al><al>Artikel 9b:38 Vakantieopbouw tijdens onbezoldigd volledig verlof</al><al>Gedurende de periode van het onbezoldigd volledig verlof, bedoeld in artikel
                        9b:35, vindt geen opbouw van vakantie-uren plaats. </al><al>Artikel 9b:39 Vervallen</al><al>(Vervallen)</al><al>Artikel 9b:40 Vervallen</al><al>(Vervallen)</al><al>Artikel 9b:41 Ziekte tijdens onbezoldigd volledig verlof</al><al>Ziekte tijdens de periode van het onbezoldigd volledig verlof, bedoeld in
                        artikel 9b:35, leidt niet tot stopzetting van het onbezoldigd volledig
                        verlof.</al><al>Artikel 9b:42 Ambtsjubileumgratificatie tijdens onbezoldigd volledig
                        verlof</al><al>De periode van het onbezoldigd volledig verlof, bedoeld in artikel 9b:35,
                        telt niet mee voor de berekening van de ambtsjubileumgratificatie.</al><al>Artikel 9b:43 Arbeidsongeschiktheid en garantieregeling bij
                        arbeidsongeschiktheid na de leeftijd van 50 jaar voor de ambtenaar geboren
                        na 1949 met minder dan 20 dienstjaren op 1 januari 2006 in een bezwarende
                        functie</al><al>Lid 1</al><al>De ambtenaar die medisch niet geschikt is om op de wijze, bedoeld in artikel
                        9b:26, eerste lid, in zijn bezwarende functie door te werken, wordt beter
                        gemeld op de datum, bedoeld in artikel 9b:28.</al><al>Lid 2</al><al>Op de ambtenaar wiens eerste ziektedag na de leeftijd van 50 jaar valt en
                        die volledig, maar niet duurzaam, of gedeeltelijk arbeidsongeschikt raakt,
                        is artikel 8:4 respectievelijk artikel 8:5 niet van toepassing.</al><al>Lid 3</al><al>De ambtenaar, genoemd in het tweede lid, wordt hersteld verklaard vanaf de
                        datum, bedoeld in artikel 9b:26, eerste lid.</al><al>Lid 4</al><al>De datum, bedoeld in het derde lid gaat zoveel later in als het college op
                        31 december 2005 op grond van artikel 8:3, zoals dat luidde op 31 december
                        2005, voor de bezwarende functie een hogere leeftijdsgrens had vastgesteld
                        dan 55 jaar. </al><al>Lid 5</al><al>Op de ambtenaar, genoemd in het derde lid, blijven vanaf de datum van
                        herstel artikel 9b:26 tot en met artikel 9b:42 van toepassing.</al><al>Artikel 9b:44 Levensloop voor de ambtenaar met minder dan 20 dienstjaren op
                        1 januari 2006</al><al>Op de ambtenaar, die een bezwarende functie bekleedt, waaraan het college op
                        31 december 2005 op grond van artikel 8:3, zoals dat luidde op 31 december
                        2005, een leeftijdsgrens had vastgesteld, is de levensloopregeling van
                        hoofdstuk 9e van toepassing. </al><al>Artikel 9b:45 Inkoop OP voor de ambtenaar met minder dan 20 dienstjaren op 1
                        januari 2006</al><al>Lid 1</al><al>Ten behoeve van de ambtenaar wordt, onder de voorwaarde dat hij daarvoor
                        fiscale ruimte beschikbaar heeft en 20 bezwarende dienstjaren heeft op het
                        moment van storting, op de leeftijd van 53 jaar een bedrag in ABP Extra
                        Pensioen gestort ter hoogte van 57% van het geïndexeerde loon maal de
                        leeftijdsafhankelijke factor, die behoort bij de leeftijd van 53 jaar.
                        Hierbij is het geïndexeerde loon het gemiddelde pensioengevend inkomen zoals
                        dat bij ABP bekend is over de dienstjaren tot 53 jaar maal de indexatie per
                        betreffend dienstjaar zoals door ABP is vastgesteld. Indien het loon uit
                        enig dienstjaar bij ABP niet bekend is, toont de ambtenaar wat het loon is
                        geweest.</al><al>Lid 2</al><al>Voor de ambtenaar, die op de leeftijd van 53 jaar nog geen 20 dienstjaren
                        heeft, wordt het percentage van 57% genoemd in het eerste lid gedeeld door
                        20 en vermenigvuldigd met het aantal dienstjaren dat de ambtenaar heeft op
                        de leeftijd van 53 jaar. </al><al>Lid 3</al><al>Wanneer de ambtenaar na de leeftijd van 53 jaar doorwerkt in de bezwarende
                        functie, wordt voor hem in ieder jaar tot de leeftijd van 59 jaar of tot een
                        moment hiervoor, wanneer eerder 20 dienstjaren bereikt zijn, een bedrag in
                        ABP Extra Pensioen gestort ter hoogte van het inkomen in dat jaar x de
                        deeltijdfactor in dat jaar x 2,85% maal de leeftijdsafhankelijke factor, die
                        hoort bij de leeftijd op het moment van het recht op uitbetaling. De
                        leeftijd van 59 jaar is 60 jaar, wanneer het een functie betreft waaraan, op
                        31 december 2005, een FLO-leeftijd van 60 jaar was verbonden.</al><al>Lid 4</al><al>Wanneer er onvoldoende fiscale ruimte is, wordt hetgeen niet in ABP Extra
                        Pensioen gestort kan worden, aan de ambtenaar overgemaakt.</al><al>Lid 5</al><al>Ten behoeve van de ambtenaar die voor de leeftijd van 53 jaar uittreedt uit
                        een bezwarende functie wordt, met inachtneming van het vierde lid, het in
                        het eerste lid genoemde of, indien van toepassing, het in het tweede lid
                        genoemde bedrag in ABP Extra Pensioen, gestort op het moment van uittreden,
                        waarbij de leeftijdsafhankelijke factor wordt toegepast die hoort bij de
                        leeftijd op het moment van uittreden en het gemiddelde loon wordt berekend
                        tot het moment van uittreden. </al><al>Lid 6</al><al>Het op grond van dit artikel uitgekeerde bedrag behoort niet tot het
                        pensioengevend inkomen als bedoeld in artikel 3.1 van het pensioenreglement
                        van de Stichting Pensioenfonds ABP.</al><al>Lid 7</al><al>Het op grond van dit artikel uitgekeerde bedrag behoort niet tot de
                        bezoldiging.</al><al>Lid 8</al><al>Bij opschuiven van het moment waarop mensen minder gaan werken, als bedoeld
                        in artikel 9b:26, vijfde lid, wordt het aantal dienstjaren niet verhoogd met
                        het aantal jaren na 59 jaar.</al><al>Lid 9</al><al>Bij opschuiven van het moment van onbezoldigd volledig verlof, bedoeld in
                        artikel 9b:35, vierde lid, wordt het aantal dienstjaren niet verhoogd met
                        het aantal jaar na 59 jaar. De leeftijd van 59 jaar is 60 jaar, wanneer het
                        een functie betreft waaraan, op 31 december 2005, een FLO-leeftijd van 60
                        jaar was verbonden. </al><al>Lid 10</al><al>De ambtenaar kan zijn werkgever eenmalig verzoeken om een indicatie van het
                        verwachte te storten bedrag. Het college bepaalt, in overleg met de
                        ambtenaar, het geschikte moment voor deze indicatie.</al><al>Artikel 9b:45a Leeftijdsafhankelijke factor voor de ambtenaar met minder dan
                        20 dienstjaren op 1 januari 2006 </al><al>Lid 1</al><al>De in het artikel 9b:45 genoemde leeftijdsafhankelijke factor is afhankelijk
                        van de door ABP gehanteerde actuariële tarieven.</al><al>Lid 2</al><al>De leeftijdsafhankelijke bijdrage bedraagt:</al><table><tgroup cols="8"><colspec colname="col1" colwidth="16*"/><colspec colname="col2" colwidth="14*"/><colspec colname="col3" colwidth="4*"/><colspec colname="col4" colwidth="16*"/><colspec colname="col5" colwidth="14*"/><colspec colname="col6" colwidth="4*"/><colspec colname="col7" colwidth="16*"/><colspec colname="col8" colwidth="14*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al><vet>leeftijd </vet></al></entry><entry colname="col2"><al><vet>factor </vet></al></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al><vet>leeftijd</vet></al></entry><entry colname="col5"><al><vet>factor </vet></al></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al><vet>leeftijd</vet></al></entry><entry colname="col8"><al><vet>factor </vet></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>18</al></entry><entry colname="col2"><al>0,278 </al></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>33</al></entry><entry colname="col5"><al>0,432 </al></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al>48</al></entry><entry colname="col8"><al>0,674 </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>19</al></entry><entry colname="col2"><al>0,286</al></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>34</al></entry><entry colname="col5"><al>0,445</al></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al>49</al></entry><entry colname="col8"><al>0,694</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>20</al></entry><entry colname="col2"><al>0,294</al></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>35</al></entry><entry colname="col5"><al>0,459</al></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al>50</al></entry><entry colname="col8"><al>0,715</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>21</al></entry><entry colname="col2"><al>0,303</al></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>36</al></entry><entry colname="col5"><al>0,473</al></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al>51</al></entry><entry colname="col8"><al>0,736</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>22</al></entry><entry colname="col2"><al>0,312</al></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>37</al></entry><entry colname="col5"><al>0,487</al></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al>52</al></entry><entry colname="col8"><al>0,758</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>23</al></entry><entry colname="col2"><al>0,322</al></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>38</al></entry><entry colname="col5"><al>0,501 </al></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al>53</al></entry><entry colname="col8"><al>0,781 </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>24</al></entry><entry colname="col2"><al>0,331</al></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>39</al></entry><entry colname="col5"><al>0,516</al></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al>54</al></entry><entry colname="col8"><al>0,804</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>25</al></entry><entry colname="col2"><al>0,341</al></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>40</al></entry><entry colname="col5"><al>0,532</al></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al>55</al></entry><entry colname="col8"><al>0,829 </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>26</al></entry><entry colname="col2"><al>0,352</al></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>41</al></entry><entry colname="col5"><al>0,548</al></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al>56</al></entry><entry colname="col8"><al>0,853</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>27</al></entry><entry colname="col2"><al>0,362</al></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>42</al></entry><entry colname="col5"><al>0,564</al></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al>57</al></entry><entry colname="col8"><al>0,879 </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>28</al></entry><entry colname="col2"><al>0,373</al></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>43</al></entry><entry colname="col5"><al>0,581 </al></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al>58</al></entry><entry colname="col8"><al>0,905</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>29</al></entry><entry colname="col2"><al>0,384</al></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>44</al></entry><entry colname="col5"><al>0,599</al></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al>59</al></entry><entry colname="col8"><al>0,933</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>30</al></entry><entry colname="col2"><al>0,396</al></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>45</al></entry><entry colname="col5"><al>0,617</al></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al>60</al></entry><entry colname="col8"><al>0,961</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>31</al></entry><entry colname="col2"><al>0,408</al></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>46</al></entry><entry colname="col5"><al>0,635</al></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al>61</al></entry><entry colname="col8"><al>0,989</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>32</al></entry><entry colname="col2"><al>0,420</al></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>47</al></entry><entry colname="col5"><al>0,654 </al></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al>62</al></entry><entry colname="col8"><al>1.019</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>Lid 3</al><al>Wanneer de in lid 1 genoemde tarieven door ABP worden gewijzigd, stellen
                        LOGA-partijen nieuwe leeftijdsafhankelijke factoren vast.</al><al>Artikel 9b:45b Inkoop OP bij regionalisering</al><al>In afwijking van artikel 9b:45, vijfde lid, wordt voor de ambtenaar</al><lijst><li nr="§"><al>die wegens regionalisering van de gemeentelijke beroepsbrandweer uit
                                de bezwarende functie wordt ontslagen en</al></li><li nr="§"><al>op wie bij de nieuwe werkgever hoofdstuk 9b van toepassing
                                blijft,</al></li></lijst><al>geen bedrag in ABP Extra Pensioen gestort op het moment van uittreden.</al><al>Paragraaf 4 De ambtenaar in een bezwarende functie geboren voor 1950</al><lijst><li nr=""><al>Artikel 9b:46 Werkingssfeer</al></li><li nr=""><al>Artikel 9b:47 Aanvulling op FPU-uitkering voor de ambtenaar geboren
                                voor 1950 in een bezwarende functie</al></li><li nr=""><al>Artikel 9b:47a Pensioenopbouw vanaf 62 jaar</al></li><li nr=""><al>Artikel 9b:48 Verrekening inkomsten na ontslag op grond van artikel
                                9b:47</al></li><li nr=""><al>Artikel 9b:49 Ambtenaar, geboren voor 1950 in een bezwarende
                                functie, die niet voldoet aan voorwaarden voor FPU</al></li></lijst><al>Artikel 9b:46 Werkingssfeer</al><al>Deze paragraaf is van toepassing op de ambtenaar in een bezwarende functie,
                        die geboren is voor 1950.</al><al>Artikel 9b:47 Aanvulling op FPU-uitkering voor de ambtenaar geboren voor
                        1950 in een bezwarende functie</al><al>Lid 1</al><al>De ambtenaar wordt onder de voorwaarde dat hij een FPU-uitkering aanvraagt
                        en ontvangt, vanaf de eerste dag van de maand volgend op die waarin hij de
                        leeftijd van 55 jaar bereikt, volledig ontslag verleend op grond van artikel
                        8:11. </al><al>Lid 2</al><al>De datum van ontslag, bedoeld in het eerste lid, gaat zoveel later in als
                        het college op 31 december 2005 op grond van artikel 8:3, zoals dat luidde
                        op 31 december 2005, voor de bezwarende functie een hogere leeftijdsgrens
                        had vastgesteld dan 55 jaar.</al><al>Lid 3</al><al>Voor zover het dienstbelang dit toelaat, kan de ambtenaar, met inachtneming
                        van het tweede lid, verzoeken om de datum van ontslag, bedoeld in het eerste
                        lid, later laten ingaan, telkens met een periode van een jaar. Voorwaarde
                        hierbij is dat de ambtenaar medisch geschikt is om door te werken in de
                        bezwarende functie. </al><al>Lid 4</al><al>De FPU-uitkering van de ambtenaar wordt tot de leeftijd van 60 jaar
                        aangevuld tot 80% van de bezoldiging. Daarna wordt de FPU-uitkering
                        aangevuld tot 70% van de bezoldiging.</al><al>Lid 5</al><al>Bij toepassing van het derde lid wordt de aanvulling bedoeld in het vierde
                        lid actuarieel neutraal verhoogd.</al><al>Artikel 9b:47a Pensioenopbouw vanaf 62 jaar</al><al>Lid 1</al><al>Indien de gewezen ambtenaar bij het bereiken van de leeftijd van 62 jaar
                        gebruik maakt van de mogelijkheid die artikel 16.3 van het pensioenreglement
                        biedt tot vrijwillige voortzetting van de pensioenopbouw, worden de kosten
                        van deze vrijwillig voortzetting gedragen door de gemeente voor zover het
                        pensioenopbouw voor de helft betreft, met dien verstande dat per 1 januari
                        2007 30% van het bedrag van de premie dat door de werkgever afgedragen zou
                        moeten worden, indien de gewezen ambtenaar nog verplicht pensioen zou
                        opbouwen, voor rekening blijft van de gewezen ambtenaar. De kosten van een
                        vrijwillige aanvullende deelname waardoor de pensioenopbouw voor meer dan de
                        helft plaats vindt, komen te allen tijde volledig ten laste van de gewezen
                        ambtenaar.</al><al>Lid 2</al><al>De werkgever stelt de ambtenaar in de drie maanden voor zijn ontslag
                        schriftelijk op de hoogte van:</al><lijst><li nr="a."><al>de mogelijkheid om ook na het bereiken van de leeftijd van 62 jaar
                                de pensioenopbouw voort te zetten op basis van artikel 16.3 van het
                                pensioenreglement;</al></li><li nr="b."><al>het feit dat indien de gewezen ambtenaar van de onder a weergegeven
                                mogelijkheid gebruik maakt om voor de helft pensioen te blijven
                                opbouwen dit niet leidt tot extra kosten in vergelijking tot de
                                situatie zoals die gold voor de gewezen ambtenaar voordat hij de
                                leeftijd van 62 jaar bereikte als gevolg van de toepasselijkheid van
                                artikel 9b:47 lid 1;</al></li><li nr="c."><al>de termijn waarbinnen een schriftelijk verzoek van de gewezen
                                ambtenaar om gebruik te maken van de mogelijkheid die artikel 16.3
                                van het pensioenreglement bieden, ingediend moet zijn bij het
                                bestuur van de Stichting Pensioenfonds ABP;</al></li><li nr="d."><al>de mogelijkheid dat de gewezen ambtenaar op zijn verzoek bij de
                                indiening van de aanvraag wordt ondersteund door de werkgever.</al></li></lijst><al>Lid 3</al><al>De aanschrijving bedoeld in lid 2 wordt herhaald in de drie maanden voor het
                        moment dat de ambtenaar de leeftijd van 62 jaar bereikt.</al><al>Artikel 9b:48 Verrekening inkomsten na ontslag op grond van artikel
                        9b:47</al><al>Lid 1</al><al>Wanneer de gewezen ambtenaar inkomsten geniet of gaat genieten uit of in
                        verband met arbeid of bedrijf, ter hand genomen met ingang van of na de
                        datum van ontslag, bedoeld in artikel 9b:47, wordt op uitkering, bedoeld in
                        artikel 9b:47, vierde lid, een vermindering toegepast. Deze vermindering is
                        gelijk aan het bedrag waarmede de inkomsten en uitkering de laatstelijk
                        genoten bezoldiging te boven gaan.</al><al>Lid 2</al><al>Het eerste lid vindt overeenkomstige toepassing ten aanzien van inkomsten
                        uit of in verband met arbeid of bedrijf, ter hand genomen gedurende verlof,
                        vakantie of non-activiteit, onmiddellijk voorafgaande aan de datum, bedoeld
                        in het eerste lid.</al><al>Lid 3</al><al>Wanneer de ambtenaar op of na de datum, bedoeld in het eerste lid, inkomsten
                        of hogere inkomsten verkrijgt uit arbeid of bedrijf ter hand genomen vóór
                        die dag, is ten aanzien van die inkomsten of hogere inkomsten het bepaalde
                        in het eerste lid van overeenkomstige toepassing.</al><al>Lid 4</al><al>De in het derde lid bedoelde vermindering vindt echter niet plaats indien de
                        inkomsten of hogere inkomsten het gevolg zijn van algemene loonsverhogingen,
                        of indien de ambtenaar aannemelijk maakt dat die inkomsten niet het gevolg
                        zijn van verhoogde werkzaamheid of van andere oorzaken, verband houdende met
                        het ontslag.</al><al>Lid 5</al><al>Onder inkomsten, bedoeld in de voorgaande leden, worden niet verstaan
                        inkomsten verkregen wegens overwerk of als gratificatie.</al><al>Lid 6</al><al>De ambtenaar is verplicht tijdig mededeling te doen van het aanvaarden van
                        arbeid of het starten van een bedrijf of het vermeerderen van werkzaamheden
                        uit arbeid of bedrijf.</al><al>Lid 7</al><al>De ambtenaar is verplicht tijdig mededeling te doen van de inkomsten uit of
                        in verband met arbeid of bedrijf die hij ontvangt en van de wijzigingen
                        daarin. Hij is verplicht daarvan de bewijzen te overleggen.</al><al>Lid 8</al><al>Wanneer de ambtenaar de verplichtingen van het zesde lid niet nakomt, kan
                        het college besluiten een korting op de door te betalen bezoldiging toe te
                        passen.</al><al>Artikel 9b:49 Ambtenaar, geboren voor 1950 in een bezwarende functie, die
                        niet voldoet aan voorwaarden voor FPU</al><al>Op de ambtenaar die niet voldoet aan de voorwaarden voor een
                        FPU-uitkering:</al><lijst><li nr="a."><al>zijn de artikelen 9b:3 tot en met 9b:22 van overeenkomstige
                                toepassing als de ambtenaar op 1 januari 2006 20 dienstjaren of meer
                                had;</al></li><li nr="b."><al>zijn de artikelen 9b:23 tot en met 9b:45 van overeenkomstige
                                toepassing als de ambtenaar op 1 januari 2006 minder dan 20
                                dienstjaren had.</al></li></lijst><al>Paragraaf 5 De ambtenaar in een niet bezwarende functie</al><lijst><li nr=""><al>Artikel 9b:50 Werkingssfeer</al></li><li nr=""><al>Artikel 9b:51 De ambtenaar geboren na 1949 met 20 dienstjaren of
                                meer op 1 januari 2006, in een niet bezwarende functie</al></li><li nr=""><al>Artikel 9b:52 De ambtenaar geboren voor 1950, in een niet bezwarende
                                functie</al></li><li nr=""><al>Artikel 9b:52a Pensioenopbouw vanaf 62 jaar</al></li><li nr=""><al>Artikel 9b:53 Verrekening inkomsten na ontslag op grond van artikel
                                9b:52</al></li></lijst><al>Artikel 9b:50 Werkingssfeer</al><al>Deze paragraaf is van toepassing op de ambtenaar in een niet bezwarende
                        functie.</al><al>Artikel 9b:51 De ambtenaar geboren na 1949 met 20 dienstjaren of meer op 1
                        januari 2006, in een niet bezwarende functie</al><al>Lid 1</al><al>De ambtenaar die geboren is na 1949 en die op 1 januari 2006 20 dienstjaren
                        of meer had, krijgt voor ieder jaar dat hij de niet bezwarende functie
                        bekleed heeft, waarvoor door het college krachtens artikel 8:3, zoals dat
                        luidde op 31 december 2005 , leeftijdsgrenzen zijn bepaald, een
                        levensloopbijdrage van 2% van het voor ambtenaar geldende jaarsalaris over
                        het jaar dat de functie werd bekleed.</al><al>Lid 2</al><al>De levensloopbijdrage wordt betaald over maximaal 20 jaar, die direct
                        voorafgaan aan 1 januari 2006.</al><al>Lid 3</al><al>De levensloopbijdrage behoort niet tot het pensioengevend inkomen als
                        bedoeld in artikel 3.1, lid 1, sub g van het pensioenreglement van de
                        Stichting Pensioenfonds ABP.</al><al>Artikel 9b:52 De ambtenaar geboren voor 1950, in een niet bezwarende
                        functie</al><al>Lid 1</al><al>Voor zover het dienstbelang dit toelaat en onder de voorwaarde dat de
                        ambtenaar een FPU-uitkering aanvraagt en ontvangt, maakt de ambtenaar een
                        keuze uit de volgende mogelijkheden:</al><lijst><li nr="a."><al>volledig ontslag op grond van artikel 8:11, ingaande op de eerste
                                dag van de maand, volgend op die waarin de ambtenaar 60 jaar en drie
                                maanden is geworden;</al></li><li nr="b."><al>volledig ontslag op grond van artikel 8:11 op een latere datum dan
                                bedoeld onder a.</al></li></lijst><al>Lid 2</al><al>De ambtenaar die kiest voor het in het eerste lid gestelde onder b moet
                        medisch geschikt zijn om in de bezwarende functie door te werken.</al><al>Lid 3</al><al>De FPU-uitkering van de ambtenaar die gekozen heeft voor volledig ontslag,
                        bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, wordt tot de leeftijd van 62 jaar
                        aangevuld tot 80% van de bezoldiging. Daarna wordt de FPU-uitkering
                        aangevuld tot 70% van de bezoldiging.</al><al>Lid 4</al><al>Op de ambtenaar die gekozen heeft voor volledig ontslag, bedoeld in het
                        eerste lid, onderdeel b, is hoofdstuk 5a van overeenkomstige
                        toepassing.</al><al>Lid 5</al><al>Op de ambtenaar die niet voldoet aan de voorwaarden voor een FPU-uitkering
                        is artikel 9b:51 van overeenkomstige toepassing.</al><al>Artikel 9b:52a Pensioenopbouw vanaf 62 jaar</al><al>Lid 1</al><al>Indien de gewezen ambtenaar die gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid
                        van artikel 9b:52 lid 1 onder a, bij het bereiken van de leeftijd van 62
                        jaar gebruik maakt van de mogelijkheid die artikel 16.3 van het
                        pensioenreglement biedt tot vrijwillige voortzetting van de pensioenopbouw,
                        worden de kosten van deze vrijwillig voortzetting gedragen door de gemeente
                        voor zover het pensioenopbouw voor de helft betreft, met dien verstande dat
                        per 1 januari 2007 30% van het bedrag van de premie dat door de werkgever
                        afgedragen zou moeten worden, indien de gewezen ambtenaar nog verplicht
                        pensioen zou opbouwen, voor rekening blijft van de gewezen ambtenaar. De
                        kosten van een vrijwillige aanvullende deelname waardoor de pensioenopbouw
                        voor meer dan de helft plaats vindt, komen ten allen tijde volledig ten
                        laste van de gewezen ambtenaar.</al><al>Lid 2</al><al>De werkgever stelt de ambtenaar in de drie maanden voor zijn ontslag
                        schriftelijk op de hoogte van:</al><lijst><li nr="a."><al>de mogelijk om ook na het bereiken van de leeftijd van 62 jaar de
                                pensioenopbouw voort te zetten op basis van artikel 16.3 van het
                                pensioenreglement;</al></li><li nr="b."><al>het feit dat indien de gewezen ambtenaar van de onder a weergegeven
                                mogelijkheid gebruik maakt om voor de helft pensioen te blijven
                                opbouwen dit niet leidt tot extra kosten in vergelijking tot de
                                situatie zoals die gold voor de gewezen ambtenaar voordat hij de
                                leeftijd van 62 jaar bereikte als gevolg van de toepasselijkheid van
                                artikel 9b:47 lid 1;</al></li><li nr="c."><al>de termijn waarbinnen een schriftelijk verzoek van de gewezen
                                ambtenaar om gebruik te maken van de mogelijkheid die artikel 16.3
                                van het pensioenreglement bieden, ingediend moet zijn bij het
                                bestuur van de Stichting Pensioenfonds ABP; </al></li><li nr="d."><al>de mogelijkheid dat de gewezen ambtenaar op zijn verzoek bij de
                                indiening van de aanvraag wordt ondersteund door de werkgever.</al></li></lijst><al>Lid 3</al><al>De aanschrijving als bedoeld in lid 2 wordt herhaald in de drie maanden voor
                        het moment dat de ambtenaar de leeftijd van 62 jaar bereikt.</al><al>Artikel 9b:53 Verrekening inkomsten na ontslag op grond van artikel
                        9b:52</al><al>Lid 1</al><al>Wanneer de gewezen ambtenaar inkomsten geniet of gaat genieten uit of in
                        verband met arbeid of bedrijf, ter hand genomen met ingang van of na de
                        datum van ontslag, bedoeld in artikel 9b:52, wordt op uitkering, bedoeld in
                        artikel 9b:52, derde en vierde lid, een vermindering toegepast. Deze
                        vermindering is gelijk aan het bedrag waarmede de inkomsten en uitkering de
                        laatstelijk genoten bezoldiging te boven gaan.</al><al>Lid 2</al><al>Het eerste lid vindt overeenkomstige toepassing ten aanzien van inkomsten
                        uit of in verband met arbeid of bedrijf, ter hand genomen gedurende verlof,
                        vakantie of non-activiteit, onmiddellijk voorafgaande aan de datum, bedoeld
                        in het eerste lid.</al><al>Lid 3</al><al>Wanneer de ambtenaar op of na de datum, bedoeld in het eerste lid, inkomsten
                        of hogere inkomsten verkrijgt uit arbeid of bedrijf ter hand genomen vóór
                        die dag, is ten aanzien van die inkomsten of hogere inkomsten het bepaalde
                        in het eerste lid van overeenkomstige toepassing.</al><al>Lid 4</al><al>De in het derde lid bedoelde vermindering vindt echter niet plaats indien de
                        inkomsten of hogere inkomsten het gevolg zijn van algemene loonsverhogingen,
                        of indien de ambtenaar aannemelijk maakt dat die inkomsten niet het gevolg
                        zijn van verhoogde werkzaamheid of van andere oorzaken, verband houdende met
                        het ontslag.</al><al>Lid 5</al><al>Onder inkomsten, bedoeld in de voorgaande leden, worden niet verstaan
                        inkomsten verkregen wegens overwerk of als gratificatie.</al><al>Lid 6</al><al>De ambtenaar is verplicht tijdig mededeling te doen van het aanvaarden van
                        arbeid of het starten van een bedrijf of het vermeerderen van werkzaamheden
                        uit arbeid of bedrijf.</al><al>Lid 7</al><al>De ambtenaar is verplicht tijdig mededeling te doen van de inkomsten uit of
                        in verband met arbeid of bedrijf die hij ontvangt en van de wijzigingen
                        daarin. Hij is verplicht daarvan de bewijzen te overleggen.</al><al>Lid 8</al><al>Wanneer de ambtenaar de verplichtingen van het zesde lid niet nakomt, kan
                        het college besluiten een korting op de door te betalen bezoldiging toe te
                        passen.</al><al>Paragraaf 6 De ambtenaar geboren na 1949 met 20 dienstjaren of meer in een
                        bezwarende functie op 1 januari 2006 en die op het eerst mogelijke moment
                        van verstrekking van de werkgeversbijdrage levensloop - in december 2006 -
                        als bedoeld in artikel 9e:8 en 9e:9 in aanmerking kwam voor een WIA/WAO
                        uitkering en die geen werkgeversbijdragen levensloop heeft ontvangen</al><lijst><li nr=""><al>Artikel 9b:54 Werkingssfeer</al></li><li nr=""><al>Artikel 9b:55 Analoge toepassing</al></li><li nr=""><al>Artikel 9b:56 Volledig buitengewoon verlof</al></li><li nr=""><al>Artikel 9b:57 Toelage onregelmatige dienst, eindejaarsuitkering en
                                vakantietoelage tijdens de periode van artikel 9b:56</al></li><li nr=""><al>Artikel 9b:58 Vervallen</al></li><li nr=""><al>Artikel 9b:60 Verrekening inkomsten tijdens de periode van artikel
                                9b:56</al></li><li nr=""><al>Artikel 9b:61 Vakantieopbouw tijdens volledig buitengewoon
                                verlof</al></li><li nr=""><al>Artikel 9b:62 Ziekte tijdens volledig buitengewoon verlof</al></li><li nr=""><al>Artikel 9b:63 Garantieregeling bij arbeidsongeschiktheid na de
                                leeftijd van 50 jaar</al></li><li nr=""><al>Artikel 9b:64 Volledig buitengewoon verlof bij regionalisering</al></li></lijst><al>Artikel 9b:54 Werkingssfeer</al><al>Deze paragraaf is van toepassing op de ambtenaar die geboren is na 1949 en
                        die op 1 januari 2006 20 dienstjaren of meer had in een bezwarende functie
                        en die op het eerst mogelijke moment van verstrekking van de
                        werkgeversbijdrage levensloop - in december 2006 – als bedoeld in artikel
                        9e:8 en 9e:9 in aanmerking kwam voor een WIA/WAO-uitkering en die geen
                        werkgeversbijdragen levensloop heeft ontvangen.</al><al>Artikel 9b:55 Analoge toepassing</al><al>De artikelen 9b:4 tot en met artikel 9b:10, artikel 9b:20, artikel 9b:22,
                        artikel 9b:22a en artikel 9b:22b zijn van toepassing.</al><al>Artikel 9b:56 Volledig buitengewoon verlof </al><al>Lid 1 </al><al>De ambtenaar die op grond van artikel 9b:4, eerste lid, gedeeltelijk
                        doorbetaald volledig buitengewoon verlof geniet dan wel die heeft gekozen
                        voor artikel 9b:4, eerste lid, onderdeel a of b, wordt vanaf de eerste dag
                        van de maand volgend op de maand waarin hij de leeftijd van 59 jaar bereikt
                        volledig buitengewoon verlof verleend voor een periode van 3 jaar, tegen
                        doorbetaling van 70% van de voor de ambtenaar geldende bezoldiging. </al><al>Lid 2</al><al>In afwijking van het eerste lid, gaat het volledig buitengewoon verlof,
                        bedoeld in het eerste lid, in vanaf de eerste dag van de maand volgend op de
                        maand waarin hij de leeftijd van 60 jaar bereikt, wanneer het college op 31
                        december 2005 op grond van artikel 8:3, zoals dat luidde op 31 december
                        2005, voor de bezwarende functie een leeftijdsgrens had vastgesteld van 60
                        jaar.</al><al>Lid 3</al><al>Het volledig buitengewoon verlof wordt uitgesteld met die periode, waarmee
                        de keuze van de ambtenaar, die gebruik heeft gemaakt van het vijfde lid van
                        artikel 9b:4, later is ingegaan. </al><al>Lid 4</al><al>Voor zover het dienstbelang dit toelaat, kan de ambtenaar, wanneer het
                        college op grond van artikel 8:3, zoals dat luidde op 31 december 2005, een
                        leeftijdsgrens had vastgesteld van 59 of 60 jaar, het onbezoldigd volledig
                        verlof later laten ingaan, telkens met een periode van een jaar. Voorwaarde
                        hierbij is dat de ambtenaar medisch geschikt is om door te werken in de
                        bezwarende functie.</al><al>Lid 5</al><al>De ambtenaar die van het vierde lid gebruik wil maken, moet het college
                        uiterlijk zes kalendermaanden voor de beoogde ingangsdatum daartoe
                        verzoeken.</al><al>Lid 6</al><al>Indien de ambtenaar uittreedt uit een bezwarende functie voor aanvang van
                        het volledig buitengewoon verlof dan heeft de ambtenaar bij uittreden recht
                        op volledig buitengewoon verlof als bedoeld in het eerste lid.</al><al>Lid 7</al><al>Wanneer sprake is van een overstap van de ene bezwarende oud FLO-functie
                        naar een andere bezwarende oud FLO-functie, als bedoeld in artikel 9b:1,
                        tweede lid, waarbij het overgangsrecht voortgezet wordt, dan is het zesde
                        lid niet van toepassing en behoudt de ambtenaar de rechten op grond van het
                        eerste tot en met vijfde lid.</al><al>Artikel 9b:57 Toelage onregelmatige dienst, eindejaarsuitkering en
                        vakantietoelage tijdens de periode van artikel 9b:56</al><al>Tijdens de periode, bedoeld in artikel 9b:56 zijn de artikelen 3:3 en 3:3:1,
                        respectievelijk artikel 19a:8, artikel 3:6 en artikel 6:3 niet van
                        toepassing.</al><al>Artikel 9b:58 Vervallen</al><al>(Vervallen)</al><al>Artikel 9b:59 Ambtsjubileumgratificatie tijdens periode van artikel
                        9b:56</al><al>De jaren dat de ambtenaar op grond van artikel 9b:56 volledig buitengewoon
                        verlof is verleend, tegen doorbetaling van 70% van de voor de ambtenaar
                        geldende bezoldiging, tellen voor de berekening van de
                        ambtsjubileumgratificatie niet mee. </al><al>Artikel 9b:60 Verrekening inkomsten tijdens de periode van artikel 9b:56 </al><al>Lid 1 </al><al>Wanneer de ambtenaar tijdens de periode, bedoeld in artikel 9b:56, inkomsten
                        geniet of gaat genieten uit of in verband met arbeid of bedrijf, ter hand
                        genomen met ingang van of na de datum waarop artikel 9b:56 van kracht is
                        geworden, wordt op de doorbetaling van de bezoldiging een vermindering
                        toegepast. Deze vermindering is gelijk aan het bedrag waarmede de inkomsten
                        en de doorbetaalde bezoldiging samen de laatstelijk genoten bezoldiging te
                        boven gaan. </al><al>Lid 2</al><al>Het eerste lid vindt overeenkomstige toepassing ten aanzien van inkomsten
                        uit of in verband met arbeid of bedrijf, ter hand genomen gedurende verlof,
                        vakantie of nonactiviteit, onmiddellijk voorafgaande aan de datum waarop
                        artikel 9b:56 van kracht is geworden.</al><al>Lid 3</al><al>Wanneer de ambtenaar op of na de datum, bedoeld in het eerste lid, inkomsten
                        of hogere inkomsten verkrijgt uit arbeid of bedrijf ter hand genomen vóór
                        die dag, is ten aanzien van die inkomsten of hogere inkomsten het bepaalde
                        in het eerste lid van overeenkomstige toepassing.</al><al>Lid 4</al><al>De in het derde lid bedoelde vermindering vindt echter niet plaats indien de
                        inkomsten of hogere inkomsten het gevolg zijn van algemene loonsverhogingen,
                        of indien de ambtenaar aannemelijk maakt dat die inkomsten niet het gevolg
                        zijn van verhoogde werkzaamheid of van andere oorzaken, verband houdende met
                        de toepassing van artikel 9b:56.</al><al>Lid 5</al><al>Onder inkomsten, bedoeld in de voorgaande leden, worden niet verstaan
                        inkomsten verkregen wegens overwerk of als gratificatie.</al><al>Lid 6</al><al>De ambtenaar is verplicht tijdig mededeling te doen van het aanvaarden van
                        arbeid of het starten van een bedrijf of het vermeerderen van werkzaamheden
                        uit arbeid of bedrijf.</al><al>Lid 7</al><al>De ambtenaar is verplicht tijdig mededeling te doen van de inkomsten uit of
                        in verband met arbeid of bedrijf die hij ontvangt en van de wijzigingen
                        daarin. Hij is verplicht daarvan de bewijzen te overleggen.</al><al>Lid 8</al><al>Wanneer de ambtenaar de verplichtingen van het zesde lid niet nakomt, kan
                        het college besluiten een korting op de door te betalen bezoldiging toe te
                        passen.</al><al>Artikel 9b:61 Vakantieopbouw tijdens volledig buitengewoon verlof </al><al>Gedurende de periode van het volledig buitengewoon verlof, bedoeld in
                        artikel 9b:56 vindt geen opbouw van vakantie-uren plaats.</al><al>Artikel 9b:62 Ziekte tijdens volledig buitengewoon verlof </al><al>Ziekte tijdens de periode van het volledig buitengewoon verlof, bedoeld in
                        artikel 9b:55, leidt niet tot stopzetting van het volledig buitengewoon
                        verlof.</al><al>Artikel 9b:63 Garantieregeling bij arbeidsongeschiktheid na de leeftijd van
                        50 jaar</al><al>Lid 1 </al><al>Op de ambtenaar wiens eerste ziektedag na de leeftijd van 50 jaar valt en
                        die volledig, maar niet duurzaam, of gedeeltelijk arbeidsongeschikt raakt,
                        is artikel 8:4 respectievelijk artikel 8:5 niet van toepassing. </al><al>Lid 2</al><al>De ambtenaar, genoemd in het eerste lid, wordt hersteld verklaard vanaf de
                        datum, bedoeld in artikel 9b:4, eerste lid.</al><al>Lid 3</al><al>De datum, bedoeld in het tweede lid gaat zoveel later in als het college op
                        31 december 2005 op grond van artikel 8:3, zoals dat luidde op 31 december
                        2005, voor de bezwarende functie een hogere leeftijdsgrens had vastgesteld
                        dan 55 jaar.</al><al>Lid 4</al><al>Op de ambtenaar, genoemd in het tweede lid, zijn vanaf de datum van herstel,
                        voor zover de medische geschiktheid dat toelaat, artikel 9b:4 tot en met
                        artikel 9b:10 alsmede artikel 9b:56 tot en met 9b:62 van toepassing.</al><al>Lid 5</al><al>De ambtenaar wiens eerste ziektedag ligt na de leeftijd van 55 jaar en die
                        wegens ziekte ongeschikt wordt om zijn betrekking te vervullen, wordt niet
                        ziek gemeld. Vanaf de datum dat de door deze ambtenaar gemaakte keuze op
                        grond van artikel 9b:4, eerste lid, vanwege medische geschiktheid niet meer
                        mogelijk is, verandert deze keuze in een keuze die op grond van zijn
                        medische geschiktheid nog wel mogelijk is, met dien verstande dat de bonus
                        van artikel 9b:4, eerste lid, onderdeel c, berekend wordt naar rato van de
                        tijd die resteert tot de datum, bedoeld in artikel 9b:56, eerste lid. Op hem
                        blijft artikel 9b:56 van toepassing.</al><al>Lid 6</al><al>De datum, bedoeld in het vijfde lid gaat zoveel later in als het college op
                        31 december 2005 op grond van artikel 8:3, zoals dat luidde op 31 december
                        2005, voor de bezwarende functie een hogere leeftijdsgrens had vastgesteld
                        dan 55 jaar.</al><al>Artikel 9b:64 Volledig buitengewoon verlof bij regionalisering </al><al>Voor de ambtenaar die wegens regionalisering van de gemeentelijke
                        beroepsbrandweer uit de bezwarende functie wordt ontslagen en op wie bij de
                        nieuwe werkgever hoofdstuk 9b van toepassing blijft, blijft deze paragraaf
                        van toepassing.</al><al>Paragraaf 7 De ambtenaar geboren na 1949 met minder dan 20 dienstjaren in
                        een bezwarende functie op 1 januari 2006 en die op het eerst mogelijke
                        moment van verstrekking van de werkgeversbijdrage levensloop – in december
                        2006 - in aanmerking kwam voor een WAO/WIA uitkering en die geen
                        werkgeversbijdragen levensloop heeft ontvangen</al><lijst><li nr=""><al>Artikel 9b:65 Werkingssfeer</al></li><li nr=""><al>Artikel 9b:66 Analoge toepassing</al></li><li nr=""><al>Artikel 9b:67 Volledig buitengewoon verlof</al></li><li nr=""><al>Artikel 9b:68 Toelage onregelmatige dienst, eindejaarsuitkering en
                                vakantietoelage tijdens de periode van artikel 9b:67</al></li><li nr=""><al>Artikel 9b:69 Vervallen</al></li><li nr=""><al>Artikel 9b:70 Ambtsjubileumgratificatie tijdens periode van artikel
                                9b:67</al></li><li nr=""><al>Artikel 9b:71 Verrekening inkomsten tijdens de periode van artikel
                                9b:67</al></li><li nr=""><al>Artikel 9b:72 Vakantieopbouw tijdens volledig buitengewoon
                                verlof</al></li><li nr=""><al>Artikel 9b:73 Ziekte tijdens volledig buitengewoon verlof</al></li><li nr=""><al>Artikel 9b:74 Arbeidsongeschiktheid en garantieregeling bij
                                arbeidsongeschiktheid na de leeftijd van 50 jaar</al></li><li nr=""><al>Artikel 9b:75 Volledig buitengewoon verlof bij regionalisering</al></li></lijst><al>Artikel 9b:65 Werkingssfeer </al><al>Deze paragraaf is van toepassing op de ambtenaar die geboren is na 1949 en
                        die op 1 januari 2006 minder dan 20 dienstjaren had in een bezwarende
                        functie en die op het eerst mogelijke moment van verstrekking van de
                        werkgeversbijdrage levensloop – in december 2006 - in aanmerking kwam voor
                        een WAO/WIA uitkering en die geen werkgeversbijdragen levensloop heeft
                        ontvangen.</al><al>Artikel 9b:66 Analoge toepassing</al><al>De artikelen 9b:24 tot en met artikel 9b:34, artikel 9b:45, artikel 9b:45a
                        en artikel 9b:45b zijn van toepassing.</al><al>Artikel 9b:67 Volledig buitengewoon verlof</al><al>Lid 1 </al><al>De ambtenaar wordt vanaf de eerste dag van de maand volgend op de maand
                        waarin de ambtenaar de leeftijd van 59 jaar bereikt volledig buitengewoon
                        verlof verleend voor een periode van 3 jaar tegen doorbetaling van 70% van
                        zijn bezoldiging. </al><al>Lid 2</al><al>Wanneer op het moment bedoeld in het eerste lid nog geen 20 dienstjaren zijn
                        bereikt, dan wordt het buitengewoon volledig verlof als bedoeld in het
                        eerste lid verleend naar rato van het aantal dienstjaren, dat op dat moment
                        is bereikt.</al><al>Lid 3</al><al>In afwijking van het eerste lid, gaat het volledig buitengewoon verlof,
                        bedoeld in het eerste lid, in vanaf de eerste dag van de maand volgend op de
                        maand waarin de medewerker de leeftijd van 60 jaar bereikt, wanneer het
                        college op 31 december 2005 op grond van artikel 8:3, zoals dat luidde op 31
                        december 2005, voor de bezwarende functie een leeftijdsgrens had vastgesteld
                        van 60 jaar.</al><al>Lid 4</al><al>Het volledig buitengewoon verlof wordt uitgesteld met die periode, waarmee
                        het moment van de ambtenaar, die gebruik heeft gemaakt van het vijfde lid
                        van artikel 9b:26 later is ingegaan.</al><al>Lid 5</al><al>Voor zover het dienstbelang dit toelaat, kan de ambtenaar, voor wie het
                        college op 31 december 2005 op grond van artikel 8:3, zoals dat luidde op 31
                        december 2005, voor de bezwarende functie een leeftijdsgrens had vastgesteld
                        van 59 of 60 jaar, het onbezoldigd volledig verlof later laten ingaan,
                        telkens met een jaar. Voorwaarde hierbij is dat de ambtenaar medisch
                        geschikt is om door te werken in de bezwarende functie.</al><al>Lid 6</al><al>De ambtenaar die van het vijfde lid gebruik wil maken, moet het college
                        uiterlijk zes kalendermaanden jaar voor de beoogde ingangsdatum daartoe
                        verzoeken.</al><al>Lid 7</al><al>Indien de ambtenaar uittreedt uit een bezwarende functie voor aanvang van
                        het volledig buitengewoon verlof dan heeft de ambtenaar bij uittreden recht
                        op buitengewoon verlof als bedoeld in het eerste lid naar rato van aantal
                        dienstjaren op dat moment met een maximum van 20 dienstjaren.</al><al>Lid 8</al><al>Wanneer sprake is van een overstap van de ene bezwarende oud FLO-functie
                        naar een andere bezwarende oud FLO-functie, als bedoeld in artikel 9b:1,
                        tweede lid, waarbij het overgangsrecht voortgezet wordt, dan is het zevende
                        lid niet van toepassing en behoudt de ambtenaar de rechten op grond van het
                        eerste tot en met zesde lid.</al><al>Artikel 9b:68 Toelage onregelmatige dienst, eindejaarsuitkering en
                        vakantietoelage tijdens de periode van artikel 9b:67</al><al>Tijdens de periode, bedoeld in artikel 9b:67 zijn de artikelen 3:3 en 3:3:1,
                        respectievelijk artikel 19a:8, artikel 3:6 en artikel 6:3 niet van
                        toepassing.</al><al>Artikel 9b:69 Vervallen</al><al>(Vervallen)</al><al>Artikel 9b:70 Ambtsjubileumgratificatie tijdens periode van artikel
                        9b:67</al><al>De jaren dat de ambtenaar op grond van artikel 9b:62 gedeeltelijk bezoldigd
                        volledig verlof is verleend, tegen doorbetaling van 70% van de voor de
                        ambtenaar geldende bezoldiging, tellen voor de berekening van de
                        ambtsjubileumgratificatie niet mee. </al><al>Artikel 9b:71 Verrekening inkomsten tijdens de periode van artikel
                        9b:67</al><al>Lid 1 </al><al>Wanneer de ambtenaar tijdens de periode, bedoeld in artikel 9b:67 inkomsten
                        geniet of gaat genieten uit of in verband met arbeid of bedrijf, ter hand
                        genomen met ingang van of na de datum waarop artikel 9b:67 van kracht is
                        geworden, wordt op de doorbetaling van de bezoldiging een vermindering
                        toegepast. Deze vermindering is gelijk aan het bedrag waarmede de inkomsten
                        en de doorbetaalde bezoldiging samen de laatstelijk genoten bezoldiging te
                        boven gaan. </al><al>Lid 2</al><al>Het eerste lid vindt overeenkomstige toepassing ten aanzien van inkomsten
                        uit of in verband met arbeid of bedrijf, ter hand genomen gedurende verlof,
                        vakantie of nonactiviteit, onmiddellijk voorafgaande aan de datum waarop
                        artikel 9b:67 van kracht is geworden.</al><al>Lid 3</al><al>Wanneer de ambtenaar op of na de datum, bedoeld in het eerste lid, inkomsten
                        of hogere inkomsten verkrijgt uit arbeid of bedrijf ter hand genomen vóór
                        die dag, is ten aanzien van die inkomsten of hogere inkomsten het bepaalde
                        in het eerste lid van overeenkomstige toepassing.</al><al>Lid 4</al><al>De in het derde lid bedoelde vermindering vindt echter niet plaats indien de
                        inkomsten of hogere inkomsten het gevolg zijn van algemene loonsverhogingen,
                        of indien de ambtenaar aannemelijk maakt dat die inkomsten niet het gevolg
                        zijn van verhoogde werkzaamheid of van andere oorzaken, verband houdende met
                        de toepassing van artikel 9b:67.</al><al>Lid 5</al><al>Onder inkomsten, bedoeld in de voorgaande leden, worden niet verstaan
                        inkomsten verkregen wegens overwerk of als gratificatie.</al><al>Lid 6</al><al>De ambtenaar is verplicht tijdig mededeling te doen van het aanvaarden van
                        arbeid of het starten van een bedrijf of het vermeerderen van werkzaamheden
                        uit arbeid of bedrijf.</al><al>Lid 7</al><al>De ambtenaar is verplicht tijdig mededeling te doen van de inkomsten uit of
                        in verband met arbeid of bedrijf die hij ontvangt en van de wijzigingen
                        daarin. Hij is verplicht daarvan de bewijzen te overleggen.</al><al>Lid 8</al><al>Wanneer de ambtenaar de verplichtingen van het zesde lid niet nakomt, kan
                        het college besluiten een korting op de door te betalen bezoldiging toe te
                        passen.</al><al>Artikel 9b:72 Vakantieopbouw tijdens volledig buitengewoon verlof </al><al>Gedurende de periode van het gedeeltelijk bezoldigd volledig verlof, bedoeld
                        in artikel 9b:67 vindt geen opbouw van vakantie-uren plaats.</al><al>Artikel 9b:73 Ziekte tijdens volledig buitengewoon verlof</al><al>Ziekte tijdens de periode van het volledig buitengewoon verlof, bedoeld in
                        artikel 9b:67, leidt niet tot stopzetting van het gedeeltelijk bezoldigd
                        volledig verlof.</al><al>Artikel 9b:74 Arbeidsongeschiktheid en garantieregeling bij
                        arbeidsongeschiktheid na de leeftijd van 50 jaar </al><al>Lid 1 </al><al>De ambtenaar die medisch niet geschikt is om op de wijze, bedoeld in artikel
                        9b:26, eerste lid, in zijn bezwarende functie door te werken, wordt beter
                        gemeld op de datum, bedoeld in artikel 9b:28. </al><al>Lid 2</al><al>Op de ambtenaar wiens eerste ziektedag ligt na de leeftijd van 50 jaar valt
                        en die volledig, maar niet duurzaam, of gedeeltelijk arbeidsongeschikt
                        raakt, is artikel 8:4 respectievelijk artikel 8:5 niet van toepassing.</al><al>Lid 3</al><al>De ambtenaar, genoemd in het tweede lid, wordt hersteld verklaard vanaf de
                        datum, bedoeld in artikel 9b:26, eerste lid.</al><al>Lid 4</al><al>De datum, bedoeld in het derde lid gaat zoveel later in als het college op
                        31 december 2005 op grond van artikel 8:3, zoals dat luidde op 31 december
                        2005, voor de bezwarende functie een hogere leeftijdsgrens had vastgesteld
                        dan 55 jaar.</al><al>Lid 5</al><al>Op de ambtenaar, genoemd in het derde lid, blijven vanaf de datum van
                        herstel artikel 9b:26 tot en met artikel 9b:34 alsmede 9b:67 tot en met
                        9b:73 van toepassing.</al><al>Artikel 9b:75 Volledig buitengewoon verlof bij regionalisering </al><al>Voor de ambtenaar die wegens regionalisering van de gemeentelijke
                        beroepsbrandweer uit de bezwarende functie wordt ontslagen en op wie bij de
                        nieuwe werkgever hoofdstuk 9b van toepassing blijft, blijft deze paragraaf
                        van toepassing. </al><al>9c Tijdelijke regeling ambtenaren geboren na 1949 die werkzaam zijn in een
                        betrekking bij het gemeentelijk stadsvervoer, waarvoor door het college
                        krachtens artikel 8:3, zoals dat luidde op 31 december 2005,
                        leeftijdsgrenzen zijn bepaald</al><al>Vervallen hoofdstuk</al><al>Hoofdstuk 9c is vervallen</al><al>9d Tijdelijke regeling ambtenaren, werkzaam bij de gemeentelijke
                        beroepsbrandweer en een gemeentelijke ambulancedienst, geboren na 1949 of
                        die geboren is voor 1950, maar...</al><al>Artikel 9d:1 Tijdelijke regeling</al><al>Dit hoofdstuk is van toepassing op de ambtenaar, werkzaam bij de
                        gemeentelijke beroepsbrandweer of een gemeentelijke ambulancedienst, die
                        geboren is na 1949 of die geboren is voor 1950, maar die op 1 april 1997
                        geen deelnemer was bij het ABP en die op 31 december 2005 en 1 januari 2006
                        werkzaam was in een functie, waarvoor door het college krachtens artikel
                        8:3, zoals dat luidde op 31 december 2005 , leeftijdsgrenzen zijn
                        bepaald.</al><al>Artikel 9d:2 Tijdelijke regeling</al><al>Lid 1</al><al>De ambtenaar, bedoeld in artikel 9d:1, die op grond van de op 31 december
                        2005 voor hem geldende regelgeving, op 1 januari 2006 of daarna FLO-ontslag
                        zou zijn verleend, wordt buitengewoon verlof verleend met behoud van de
                        volledige bezoldiging.</al><al>Lid 2</al><al>Het buitengewoon verlof gaat in op de datum waarop de ambtenaar FLO-ontslag
                        zou zijn verleend.</al><al>Lid 3</al><al>Deze regeling is bedoeld als overgangsmaatregel en geldt tijdelijk totdat
                        het FLO-overgangsrecht is vastgesteld.</al><al>Artikel 9d:3 Slotbepaling</al><al>Ambtenaren, aan wie op of na 1 januari 2006 op grond van artikel 9d:2
                        buitengewoon verlof verleend is met behoud van zijn volledige bezoldiging,
                        worden met ingang van 1 juli 2006 onder de werking van hoofdstuk 9b
                        gebracht.</al><al>Artikel 9d:4 Slotbepaling</al><al>Met ingang van 1 juli 2006 kunnen ambtenaren geen recht meer doen gelden op
                        de aanspraken op grond van dit hoofdstuk.</al><al>9e De gemeentelijke levensloopregeling FLO-overgangsrecht</al><al>Artikel 9e:1 Werkingssfeer</al><al>Dit hoofdstuk is van toepassing op de ambtenaar op wie paragraaf 2 of 3 van
                        hoofdstuk 9b of op wie artikel 9b:49 van toepassing is.</al><al>Artikel 9e:2 Begripsomschrijvingen</al><al>Lid 1</al><al>Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder: </al><lijst><li nr="a."><al><vet>gemeentelijke levensloopregeling FLO-overgangsrecht</vet>: een
                                regeling als bedoeld in <extref doc="1.0:v:BWBR0002471&amp;artikel=19g" struct="BWB">artikel 19g van de Wet op de loonbelasting 1964</extref>;</al></li><li nr="b."><al><vet>instelling</vet>: een door de ambtenaar gekozen
                                kredietinstelling of verzekeraar als bedoeld in <extref doc="1.0:v:BWBR0002471&amp;artikel=19g" struct="BWB">artikel 19g, vierde lid, Wet op de loonbelasting
                                1964</extref>;</al></li><li nr="c."><al><vet>levenslooprekening</vet>: een bij de instelling door de
                                ambtenaar geopende geblokkeerde rekening, waarop de inleg van de
                                ambtenaar wordt gestort;</al></li><li nr="d."><al><vet>levensloopverzekering</vet>: een bij de instelling door de
                                ambtenaar afgesloten verzekering, waarop de inleg van de ambtenaar
                                wordt gestort;</al></li><li nr="e."><al><vet>levenslooptegoed</vet>: het tegoed op een levenslooprekening
                                onderscheidenlijk het verzekerd kapitaal;</al></li><li nr="f."><al><vet>netto spaarverzekering</vet>: de bij Loyalis Levensloop
                                Brandweer &amp; Ambulance afgesloten verzekering met als productnaam
                                “Aanvullingsplan Netto, waarop de inleg van de ambtenaar wordt
                                gestort;</al></li><li nr="g."><al><vet>netto spaarverzekeringstegoed</vet>: het tegoed op de netto
                                spaarverzekering;</al></li><li nr="h."><al><vet>Loyalis Levensloop Brandweer &amp; Ambulance</vet>: het product
                                van Loyalis, speciaal ontwikkeld voor het FLO-overgangsrecht, dat
                                bestaat uit een levensloopverzekering en een netto
                                spaarverzekering.</al></li></lijst><al>Lid 2</al><al>Het LOGA-pad houdt in dat de ambtenaar: </al><lijst><li nr="a."><al> moet deelnemen aan Loyalis Levensloop Brandweer &amp; Ambulance
                                en,</al></li><li nr="b."><al> de volledige levensloopbijdrage beschikbaar moet stellen om in te
                                leggen in Loyalis Levensloop Brandweer &amp; Ambulance op het moment
                                dat de werkgever deze levensloopbijdrage verstrekt en,</al></li><li nr="c."><al> niet tussentijds (vóór het bereiken van de 59- of 60-jarige
                                leeftijd) tegoed opneemt uit Loyalis Levensloop Brandweer &amp;
                                Ambulance.</al></li></lijst><al>Artikel 9e:3 Doel</al><al>De bepalingen van dit hoofdstuk hebben ten doel het treffen van een
                        voorziening in geld uitsluitend ten behoeve van de financiering van een
                        periode van (gedeeltelijk) onbetaald verlof door de ambtenaar. De gespaarde
                        voorziening blijft qua omvang binnen de grenzen van <extref doc="1.0:v:BWBR0002471&amp;artikel=19g" struct="BWB">artikel 19g
                            van de Wet op de loonbelasting 1964</extref>.</al><al>Artikel 9e:4 Verzoek tot deelname levensloopregeling</al><al>Lid 1</al><al>De ambtenaar die wil deelnemen aan de gemeentelijke levensloopregeling
                        FLO-overgangsrecht meldt dit bij het college.</al><al>Lid 2</al><al>Het college verwerkt de melding uiterlijk met ingang van de derde
                        kalendermaand na ontvangst, tenzij niet wordt voldaan aan de eisen zoals
                        genoemd in artikel 9e:5.</al><al>Lid 3</al><al>Het college stelt vast hoe de melding moet plaatsvinden. </al><al>Artikel 9e:5 Voorwaarden deelname levensloopregeling</al><al>Lid 1</al><al>De ambtenaar informeert het college schriftelijk over de instelling waarbij
                        de levenslooprekening of de levensloopverzekering wordt aangehouden.</al><al>Lid 2</al><al>De ambtenaar verklaart schriftelijk aan het college of hij een
                        levenslooptegoed heeft opgebouwd bij een of meer gewezen
                        inhoudingsplichtigen tenzij een andere werkgever bij wie de ambtenaar in
                        dienstbetrekking staat geacht wordt inhoudingsplichtig te zijn ten aanzien
                        van dit levenslooptegoed. </al><al>Lid 3</al><al>De ambtenaar stemt er schriftelijk mee in dat de instelling aan het college
                        informatie verstrekt over de omvang van het levenslooptegoed van de
                        ambtenaar tenzij dit levenslooptegoed geacht wordt te zijn opgebouwd bij een
                        andere inhoudingsplichtige bij wie de ambtenaar in dienstbetrekking staat. </al><al>Lid 4</al><al>De ambtenaar verklaart schriftelijk aan het college dat hij gedurende zijn
                        deelname aan de gemeentelijke levensloopregeling FLO-overgangsrecht niet
                        deelneemt aan een spaarloonregeling als bedoeld in <extref doc="1.0:v:BWBR0002471&amp;artikel=32" struct="BWB">artikel 32 Wet
                            op de loonbelasting 1964</extref>. </al><al>Artikel 9e:6 Inleg</al><al>Lid 1</al><al>De ambtenaar vermeldt bij zijn melding om deel te nemen aan de gemeentelijke
                        levensloopregeling FLO-overgangsrecht het gewenste bedrag van de inleg per
                        jaar.</al><al>Lid 2</al><al>De ambtenaar kan eenmaal per jaar op een door het college aangewezen wijze
                        en tijdstip de hoogte van de inleg wijzigen. </al><al>Lid 3</al><al>De inleg bestaat uit een of meerdere van de in artikel 9e:7 genoemde
                        bronnen. </al><al>Artikel 9e:7 Bronnen</al><al>De jaarlijkse inleg van de ambtenaar in het kader van de gemeentelijke
                        levensloopregeling FLO-overgangsrecht bestaat uit een of meer van de
                        volgende bronnen: </al><lijst><li nr="a."><al> het salaris</al></li><li nr="b."><al> de vakantietoelage;</al></li><li nr="c."><al> de eindejaarsuitkering;</al></li><li nr="d."><al> de levensloopbijdrage als genoemd in artikel 9e:8 en 9e:9;</al></li><li nr="e."><al> de geldelijke vergoeding voor de verkoop van vakantie-uren als
                                bedoeld in artikel 4a:1;</al></li><li nr="f."><al> het opgebouwde verloftegoed bedoeld in artikel 4:3 lid 3.</al></li></lijst><al>Artikel 9e:8 Levensloopbijdrage voor de ambtenaar met 20 dienstjaren of meer
                        op 1 januari 2006 </al><al>Lid 1</al><al>De ambtenaar op wie paragraaf 2 van hoofdstuk 9b van toepassing is, heeft
                        recht op een levensloopbijdrage van de gemeente. </al><al>Lid 2</al><al>De hoogte van de levensloopbijdrage is voor de ambtenaar voor wiens functie
                        een leeftijdsgrens was vastgesteld van 55, 56, 57, 58 of 59 jaar zodanig,
                        dat de ambtenaar bij het bereiken van de datum van ingang van het
                        onbezoldigd volledig verlof, bedoeld in artikel 9b:11, eerste lid, een
                        tegoed heeft overeenkomend met 210% van zijn bezoldiging als bedoeld in
                        artikel 9b:2. Hierbij is het tegoed de som van het levenslooptegoed en het
                        netto spaarverzekeringstegoed. De controle hierop vindt plaats binnen een
                        half jaar na het bereiken van de datum van ingang van het onbezoldigd
                        volledig verlof.</al><al>Lid 3</al><al>De hoogte van de levensloopbijdrage is voor de ambtenaar voor wiens functie
                        een leeftijdsgrens was vastgesteld van 60 jaar zodanig, dat hij bij het
                        bereiken van de datum van ingang van het onbezoldigd volledig verlof,
                        bedoeld in artikel 9b:11, tweede lid, een tegoed heeft overeenkomend met
                        140% van zijn bezoldiging als bedoeld in artikel 9b:2. Hierbij is het tegoed
                        de som van het levenslooptegoed en het netto spaarverzekeringstegoed. De
                        controle hierop vindt plaats binnen een half jaar na het bereiken van de
                        datum van ingang van het onbezoldigd volledig verlof.</al><al>Lid 4</al><al>Voorwaarde voor de in het tweede en derde lid genoemde garantie van 210%
                        respectievelijk 140% is dat de ambtenaar het LOGA-pad volgt.</al><al>Lid 5</al><al>De levensloopbijdrage behoort niet tot het pensioengevend inkomen, bedoeld
                        in artikel 3.1, eerste lid, sub g van het pensioenreglement van de Stichting
                        Pensioenfonds ABP.</al><al>Lid 6</al><al>De levensloopbijdrage behoort niet tot de bezoldiging, bedoeld in artikel
                        3:1.</al><al>Lid 7</al><al>De levensloopbijdrage behoort niet tot de bezoldiging, bedoeld in artikel
                        9b:2.</al><al>Artikel 9e:9 Levensloopbijdrage voor de ambtenaar met minder dan 20
                        dienstjaren op 1 januari 2006 </al><al>Lid 1</al><al>De ambtenaar op wie paragraaf 3 van hoofdstuk 9b van toepassing is, heeft
                        recht op een levensloopbijdrage van de gemeente.</al><al>Lid 2</al><al>De hoogte van de levensloopbijdrage is voor de ambtenaar voor wiens functie
                        een leeftijdsgrens was vastgesteld van 55, 56, 57, 58 of 59 jaar zodanig,
                        dat hij bij het bereiken van de datum, bedoeld in artikel 9b:35, eerste lid,
                        en uitgaande van het bereiken van 20 dienstjaren of meer op dat moment, een
                        tegoed heeft overeenkomend met 210% van zijn bezoldiging als bedoeld in
                        artikel 9b:2. Hierbij is het tegoed de som van het levenslooptegoed en het
                        netto spaarverzekeringstegoed. De controle hierop vindt plaats binnen een
                        half jaar na het bereiken van de datum van ingang van het onbezoldigd
                        volledig verlof.</al><al>Lid 3</al><al>De hoogte van de levensloopbijdrage is voor de ambtenaar voor wiens functie
                        een leeftijdsgrens was vastgesteld van 60 jaar zodanig, dat hij bij het
                        bereiken van de datum van ingang van het onbezoldigd volledig verlof,
                        bedoeld in artikel 9b:35, tweede lid, en uitgaande van het bereiken van 20
                        dienstjaren of meer, een tegoed heeft overeenkomend met 140% van zijn
                        bezoldiging als bedoeld in artikel 9b:2. Hierbij is het tegoed de som van
                        het levenslooptegoed en het netto spaarverzekeringstegoed. De controle
                        hierop vindt plaats binnen een half jaar na het bereiken van de datum van
                        ingang van het onbezoldigd volledig verlof.</al><al>Lid 4</al><al>In het tweede lid wordt onder dienstjaren verstaan het aantal jaren bedoeld
                        in artikel 9b:2, onderdeel c of d, tot de leeftijd van 59 jaar. </al><al>Lid 5</al><al>In het derde lid wordt onder dienstjaren verstaan het aantal jaren bedoeld
                        in artikel 9b:2, onderdeel c of d, tot de leeftijd van 60 jaar. </al><al>Lid 6</al><al>Voorwaarde voor de in het tweede en derde lid genoemde garantie van 210%
                        respectievelijk 140% is dat de ambtenaar het LOGA-pad volgt. </al><al>Lid 7</al><al>Wanneer op 59-jarige leeftijd respectievelijk 60-jarige leeftijd nog geen 20
                        dienstjaren zijn bereikt, voorziet de levensloopbijdrage in een tegoed naar
                        rato van het aantal dienstjaren, dat op 59-jarige leeftijd respectievelijk
                        60-jarige leeftijd is bereikt. </al><al>Lid 8</al><al>De levensloopbijdrage behoort niet tot het pensioengevend inkomen, bedoeld
                        in artikel 3.1, eerste lid, sub g van het pensioenreglement van de Stichting
                        Pensioenfonds ABP. </al><al>Lid 9</al><al>De levensloopbijdrage behoort niet tot de bezoldiging, bedoeld in artikel
                        3:1. </al><al>Lid 10</al><al>De levensloopbijdrage behoort niet tot de bezoldiging, bedoeld in artikel
                        9b:2. </al><al>Artikel 9e:10 Beëindiging deelname gemeentelijke levensloopregeling
                        FLO-overgangsrecht</al><al>Lid 1</al><al>Het college beëindigt de deelname aan de levensloopregeling uiterlijk twee
                        maanden na ontvangst van de kennisgeving hiertoe door de ambtenaar. Het
                        college stelt vast hoe de kennisgeving moet plaatsvinden.</al><al>Lid 2</al><al>Deelname aan de gemeentelijke levensloopregeling FLO-overgangsrecht eindigt
                        daarnaast: </al><lijst><li nr="a."><al>bij overlijden van de ambtenaar;</al></li><li nr="b."><al> bij beëindiging van zijn bezwarende functie;</al></li><li nr="c."><al> op de dag voorafgaand aan die waarop de ambtenaar de
                                AOW-gerechtigde leeftijd bereikt.</al></li></lijst><al>Artikel 9e:11 Afkoop levensloopbijdrage </al><al>Lid 1</al><al>De ambtenaar, bedoeld in artikel 9e:8, tweede lid, en 9e:9, tweede lid,
                        wiens deelname aan de levensloopregeling FLO-overgangsrecht eindigt op grond
                        van artikel 9e:10, tweede lid, onder b, voordat hij het moment van ingang
                        van onbezoldigd volledig verlof bereikt, bedoeld in artikel 9b:11, eerste
                        lid, of 9b:35, eerste lid, heeft recht op een afkoopbedrag. </al><al>Lid 2</al><al>De ambtenaar, bedoeld in artikel 9e:8, derde lid, en 9e:9, derde lid, wiens
                        deelname aan de levensloopregeling FLO-overgangsrecht eindigt op grond van
                        artikel 9e:10, tweede lid, onder b, voordat hij het moment van ingang van
                        onbezoldigd volledig verlof bereikt, bedoeld in artikel 9b:11, tweede lid,
                        of 9b:35, tweede lid, heeft recht op een afkoopbedrag. </al><al>Lid 3</al><al>De hoogte van het afkoopbedrag is voor de ambtenaar, bedoeld in het eerste
                        lid, zodanig, dat hij, uitgaande van de in het LOGA overeengekomen
                        uitgangspunten, op de leeftijd van 59 jaar een tegoed heeft overeenkomend
                        met 210% van de bezoldiging op het moment van ontslag. Hierbij is het tegoed
                        de som van het levenslooptegoed en het netto spaarverzekeringstegoed. </al><al>Lid 4</al><al>De hoogte van het afkoopbedrag is voor de ambtenaar, bedoeld in het tweede
                        lid, zodanig, dat hij, uitgaande van de in het LOGA overeengekomen
                        uitgangspunten, op de leeftijd van 60 jaar een tegoed heeft overeenkomend
                        met 140% van de bezoldiging op het moment van ontslag. Hierbij is het tegoed
                        de som van het levenslooptegoed en het netto spaarverzekeringstegoed. </al><al>Lid 5</al><al>Wanneer op het moment van ontslag nog geen 20 dienstjaren zijn bereikt,
                        voorziet het afkoopbedrag, uitgaande van de in het LOGA overeengekomen
                        uitgangspunten, in een tegoed op 59- of 60-jarige leeftijd naar rato van het
                        aantal dienstjaren op het moment van ontslag. </al><al>Lid 6</al><al>De hoogte van het afkoopbedrag wordt door Loyalis bepaald, waarbij: </al><lijst><li nr="a."><al>het afkoopbedrag wordt gebaseerd op de bezoldiging op de dag
                                voorafgaand aan het moment van ontslag; </al></li><li nr="b."><al> er een verwacht netto rendement van 4% voor de contante
                                waardeberekening wordt gehanteerd;</al></li><li nr="c."><al> het afkoopbedrag wordt gebaseerd op dienstjaren, afgerond op hele
                                maanden naar beneden, bij de oud-werkgever.</al></li></lijst><al>Lid 7</al><al>Het afkoopbedrag behoort niet tot het pensioengevend inkomen, bedoeld in
                        artikel 3.1, eerste lid, sub g van het pensioenreglement van de Stichting
                        Pensioenfonds ABP. </al><al>Lid 8</al><al>Het afkoopbedrag behoort niet tot de bezoldiging, bedoeld in artikel 3:1. </al><al>Lid 9</al><al>Het afkoopbedrag behoort niet tot de bezoldiging, bedoeld in artikel 9b:2. </al><al>Artikel 9e:11a Levensloopbijdrage bij regionalisering</al><al>In afwijking van artikel 9e:11, eerste en tweede lid, heeft de
                        ambtenaar</al><lijst><li nr="§"><al>die wegens regionalisering van de gemeentelijke beroepsbrandweer uit
                                de bezwarende functie wordt ontslagen en</al></li><li nr="§"><al>op wie bij de nieuwe werkgever hoofdstuk 9b van toepassing blijft,
                                geen recht op een afkoopbedrag tenzij het college beslist tot
                                afkoop.</al></li></lijst><al>Artikel 9e:12 Afkoop bij voortzetting overgangsrecht</al><al>Wanneer sprake is van een overstap van de ene bezwarende oud FLO-functie
                        naar een andere bezwarende oud FLO-functie, als bedoeld in artikel 9b:1,
                        tweede lid, waarbij het overgangsrecht voortgezet wordt, is de voorwaarde
                        voor de garanties bedoeld in artikel 9e:8 en 9e:9 dat de ambtenaar het
                        afkoopbedrag, als bedoeld in artikel 9e:11 beschikbaar stelt voor inleg in
                        Loyalis Levensloop Brandweer &amp; Ambulance.</al><al>Artikel 9e:13 Opname levenslooptegoed</al><al>Lid 1</al><al>Over het levenslooptegoed wordt uitsluitend beschikt: </al><lijst><li nr="a."><al>ten behoeve van de uitbetaling van een uitkering tijdens een periode
                                van (gedeeltelijk) onbetaald verlof op grond van de <extref doc="1.0:v:BWBR0013008" struct="BWB">Wet arbeid en
                                    zorg</extref>, hoofdstuk 6 of de periode van onbetaald volledig
                                verlof, bedoeld in artikel 9b:11 en 9b:35;</al></li><li nr="b."><al> ten behoeve van het omzetten van het levenslooptegoed in een
                                aanspraak ingevolge artikel 16.6. van het Pensioenreglement van de
                                Stichting Pensioenfonds ABP, voor zover de fiscale grenzen in de
                                    <extref doc="1.0:v:BWBR0002471" struct="BWB">Wet op de
                                    loonbelasting 1964</extref> niet worden overschreden.</al></li></lijst><al>Lid 2</al><al>Om over het levenslooptegoed te kunnen beschikken meldt de ambtenaar
                        tenminste drie maanden voor de gewenste ingangsdatum het college dat hij wil
                        beschikken over (een deel van zijn) levenslooptegoed. Het college stelt vast
                        hoe de melding moet plaatsvinden. </al><al>Lid 3</al><al>Het levenslooptegoed mag geheel of gedeeltelijk worden afgekocht in geval
                        van beëindiging van het dienstverband. </al><al>Lid 4</al><al>Met inachtneming van het derde lid, wordt het levenslooptegoed niet
                        afgekocht, vervreemd, prijsgegeven dan wel formeel of feitelijk als voorwerp
                        van zekerheid gesteld anders dan ten behoeve van de in <extref doc="1.0:v:BWBR0012059&amp;artikel=61k" struct="BWB">artikel 61k
                            Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001</extref> bedoelde verpanding ten
                        behoeve van de belastingdienst bij buitenlandse aanbieders. </al><al>10 Wachtgeld</al><al>Artikel 10:1 Betrokkene</al><al><cursief>Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaar die is
                            ontslagen met ingang van 1 januari 2001 of later. (Zie ook artikel 10:29
                            lid 1)</cursief></al><al>Lid 1</al><al>In dit hoofdstuk wordt verstaan onder 'betrokkene':</al><lijst><li nr="a."><al>de gewezen ambtenaar aan wie op grond van artikel 8:4 of artikel 8:5
                                van deze regeling ontslag is verleend uit een betrekking:</al><lijst><li nr="1."><al>waarin hij vast was aangesteld;</al></li><li nr="2."><al>waarin hij tijdelijk was aangesteld, mits die aanstelling
                                        ten minste vijf jaren heeft geduurd en niet is geschied in
                                        een betrekking van kennelijk tijdelijke aard;</al></li></lijst></li><li nr="b."><al>de gewezen ambtenaar aan wie op grond van artikel 8:6 of artikel 8:8
                                van deze regeling ontslag is verleend, tenzij toepassing is gegeven
                                aan het bepaalde in artikel 8:6, tweede lid, respectievelijk artikel
                                8:8, tweede lid.</al></li></lijst><al>Lid 2</al><al>Onder betrokkene wordt mede verstaan de gewezen ambtenaar, bedoeld in het
                        eerste lid, die zelf ontslag heeft gevraagd nadat het voornemen, hem op
                        grond van artikel 8:4 of 8:5 van deze regeling ontslag te verlenen, hem
                        schriftelijk is medegedeeld.</al><al>Artikel 10:2 Lichamen</al><al><cursief>Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaar die is
                            ontslagen met ingang van 1 januari 2001 of later. (Zie ook artikel 10:29
                            lid 1)</cursief></al><al>In dit hoofdstuk wordt verstaan onder 'lichamen': Rechtspersonen, maat- en
                        vennootschappen, samenwerkingsvormen zonder rechtspersoonlijkheid die met
                        verenigingen maatschappelijk gelijk kunnen worden gesteld, ondernemingen van
                        publiekrechtelijke rechtspersonen en doelvermogens.</al><al>Artikel 10:3 Diensttijd</al><al><cursief>Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaar die is
                            ontslagen met ingang van 1 januari 2001 of later. (Zie ook artikel 10:29
                            lid 1)</cursief></al><al>Lid 1</al><al>In dit hoofdstuk wordt verstaan onder 'diensttijd': de aan het in artikel
                        10:1, eerste lid, bedoelde ontslag voorafgaande in overheidsdienst
                        doorgebrachte tijd waaraan het ambtenaarschap in de zin van de <extref doc="1.0:v:BWBR0007791" struct="BWB">WPA</extref> is verbonden,
                        alsmede tijd die door inkoop of door een verzoek, bedoeld in artikel D2 van
                        de pensioenwet, voor pensioen geldig zou zijn verklaard.</al><al>Lid 2</al><al>Onder diensttijd bedoeld in het eerste lid wordt mede verstaan de tijd
                        doorgebracht in de betrekking waaruit het ontslag, bedoeld in artikel 10:1,
                        is verleend, indien aan die tijd op grond van de Regeling beperking van het
                        zijn van overheidswerknemer in de zin van de <extref doc="1.0:v:BWBR0007791" struct="BWB">wet Privatisering
                            ABP</extref> (Stc. 1997, 164) het ambtenaarschap in de zin van
                        evengenoemde regeling niet is verbonden.</al><al>Lid 3</al><al>In afwijking van het bepaalde in het eerste en tweede lid blijft buiten
                        beschouwing:</al><lijst><li nr="a."><al>diensttijd liggende vóór een onderbreking van meer dan een jaar
                                daarvan wegens verleend ontslag, behalve voor de toepassing van
                                artikel 10:8, derde tot en met vijfde lid;</al></li><li nr="b."><al>diensttijd welke in aanmerking is genomen bij de berekening van de
                                duur van een eerder toegekend wachtgeld of een daarmede gelijk te
                                stellen uitkering wegens onvrijwillige werkloosheid ten laste van de
                                overheid, behalve voor de toepassing van artikel 10:8, derde tot en
                                met vijfde lid;</al></li><li nr="c."><al>diensttijd welke in aanmerking is genomen bij de berekening van een
                                pensioen krachtens het pensioenreglement dan wel voorafgaat aan een
                                ontslag verleend op grond van artikel 8:3 van deze regeling of een
                                soortgelijke bepaling in een andere overheidsregeling;</al></li><li nr="d."><al>tijd, bedoeld in artikel 5:4 van het pensioenreglement;</al></li><li nr="e."><al>tijd in een aangehouden betrekking, dan wel in een betrekking welke
                                de betrokkene had kunnen aanhouden, doch uit welke hij vrijwillig
                                ontslag heeft genomen met ingang van de datum waarop het wachtgeld
                                ingaat.</al></li></lijst><al>Lid 4</al><al>Indien en voor zover diensttijd die bij de berekening van het wachtgeld in
                        aanmerking is genomen met een overheidspensioen anders dan ten laste van de
                        Stichting Pensioenfonds ABP wordt vergolden, worden de duur en het bedrag
                        van het wachtgeld met ingang van de dag waarop dit pensioen is ingegaan,
                        herberekend, waarbij die diensttijd buiten beschouwing wordt gelaten.</al><al>Artikel 10:4 Dienstbetrekking</al><al><cursief>Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaar die is
                            ontslagen met ingang van 1 januari 2001 of later. (Zie ook artikel 10:29
                            lid 1)</cursief></al><al>Lid 1</al><al>Deze regeling verstaat onder dienstbetrekking iedere publiekrechtelijke of
                        privaatrechtelijke arbeidsverhouding waarbij in dienst van een natuurlijke
                        persoon of een lichaam werkzaamheden tegen bezoldiging of loon worden
                        verricht.</al><al>Lid 2</al><al>Het bepaalde bij of krachtens de <extref doc="1.0:v:BWBR0004045&amp;artikel=4" struct="BWB">artikelen
                            4</extref>, <extref doc="1.0:v:BWBR0004045&amp;artikel=5" struct="BWB">5</extref> en <extref doc="1.0:v:BWBR0004045&amp;artikel=6" struct="BWB">6 van de
                            Werkloosheidswet</extref> is van overeenkomstige toepassing.</al><al>Artikel 10:5 Bezoldiging</al><al><cursief>Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaar die is
                            ontslagen met ingang van 1 januari 2001 of later. (Zie ook artikel 10:29
                            lid 1)</cursief></al><al>Lid 1</al><al>In deze regeling wordt verstaan onder 'bezoldiging': de bezoldiging bedoeld
                        in artikel 3:1, tweede lid, van deze regeling, zoals deze laatstelijk vóór
                        het ontslag aan de betrekking was verbonden, vermeerderd met de
                        vakantietoelage, bedoeld in artikel 6:3 van deze regeling, en de
                        eindejaarsuitkering bedoeld in artikel 3:6.</al><al>Lid 2</al><al>Voor zover in de bezoldiging een bedrag moet worden begrepen wegens de
                        vergoeding, bedoeld in artikel 3:3 van deze regeling, wordt dit bedrag
                        berekend naar het gemiddelde over de aan de dag van het ontslag voorafgaande
                        twaalf volle kalendermaanden.</al><al>Lid 3</al><al>Indien in de bezoldiging anders dan wegens periodieke verhoging wijziging
                        zou zijn gekomen als de betrokkene de betrekking op die bezoldiging zou zijn
                        blijven vervullen, geldt met ingang van de dag van in werking treden van die
                        wijziging het gewijzigde bedrag als bezoldiging.</al><al>Lid 4</al><al>Indien de bezoldiging wegens verminderde werkzaamheden voorafgaande aan de
                        opheffing van de betrekking lager was dan zonder verminderde werkzaamheden
                        het geval zou zijn geweest, kan de bezoldiging ten gunste van betrokkene
                        worden herzien.</al><al>Artikel 10:6 Recht op wachtgeld</al><al><cursief>Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaar die is
                            ontslagen met ingang van 1 januari 2001 of later. (Zie ook artikel 10:29
                            lid 1)</cursief></al><al>Lid 1</al><al>De betrokkene, bedoeld in artikel 10:1, eerste lid, heeft recht op wachtgeld
                        met ingang van de dag waarop het ontslag ingaat, tenzij de betrokkene :</al><lijst><li nr="a."><al>ter zake van dat ontslag recht heeft op een pensioen wegens het
                                bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd;</al></li><li nr="b."><al>op dat moment recht heeft op een WAO-uitkering, berekend naar een
                                arbeidsongeschiktheid van 80% of meer;</al></li><li nr="c."><al>terzake van dat ontslag recht heeft op een suppletie als bedoeld in
                                hoofdstuk 11a van deze regeling.</al></li></lijst><al>Lid 2</al><al>De betrokkene, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, heeft recht op
                        wachtgeld met ingang van de dag waarop de mate van arbeidsongeschiktheid op
                        een lager percentage wordt vastgesteld dan 80. De hoogte van dit wachtgeld
                        wordt vastgesteld te rekenen vanaf de datum van ontslag. Ter bepaling van de
                        duur van het wachtgeld wordt voor de toepassing van:</al><lijst><li nr="a."><al>artikel 10:7 als ingangsdatum uitgegaan van de datum met ingang
                                waarvan de mate van arbeidsongeschiktheid op een lager percentage
                                wordt vastgesteld, waarbij voor de toepassing van het vierde lid
                                tevens een WAO-uitkering, in voorkomend geval vermeerderd met een
                                invaliditeitspensioen vastgesteld naar een mate van
                                arbeidsongeschiktheid van 80% of meer mede in aanmerking wordt
                                genomen;</al></li><li nr="b."><al>artikel 10:8 als ingangsdatum uitgegaan van de datum van
                                ontslag.</al></li></lijst><al>Lid 3</al><al>De betrokkene, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, heeft na afloop van
                        de suppletie, bedoeld in artikel 11a:5, onderdeel a, recht op wachtgeld
                        indien hij bij het buiten toepassing laten van het eerste lid, onderdeel c,
                        op grond van het ontslag uit de betrekking waarvoor hij arbeidsongeschikt is
                        verklaard recht zou hebben op wachtgeld waarbij de duur zou worden
                        vastgesteld ingevolge artikel 10:8 van dit besluit. Het wachtgeld gaat in op
                        de eerste dag volgende op die waarop de suppletie op grond van artikel
                        11a:5, onderdeel a, is geëindigd. Het eindigt op het tijdstip waarop het
                        wachtgeld dat, te rekenen vanaf de dag waarop het ontslag is ingegaan, zou
                        zijn toegekend ingevolge artikel 10:8, bij het buiten toepassing laten van
                        het eerste lid,onderdeel c, zou zijn geëindigd. Op de hoogte van dit
                        wachtgeld is artikel 10:10 van toepassing in die zin dat gerekend wordt
                        vanaf het tijdstip waarop het ontslag is ingegaan.</al><al>Artikel 10:7 Duur van het wachtgeld</al><al><cursief>Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaar die is
                            ontslagen met ingang van 1 januari 2001 of later. (Zie ook artikel 10:29
                            lid 1)</cursief></al><al>Lid 1</al><al>De duur van het wachtgeld is 6 maanden, met ingang van de dag waarop het
                        ontslag ingaat.</al><al>Lid 2</al><al>Indien de betrokkene:</al><lijst><li nr="a."><al>in de periode van 5 jaar onmiddellijk voorafgaande aan het ontslag
                                ten minste gedurende 3 jaar als werknemer als bedoeld in <extref doc="1.0:v:BWBR0004045&amp;artikel=3" struct="BWB">artikel
                                    3 van de Werkloosheidswet</extref> en in dienstbetrekking van 8
                                of meer uren per week werkzaam is geweest of</al></li><li nr="b."><al>onmiddellijk voorafgaande aan het ontslag recht heeft op een
                                uitkering op grond van de <extref doc="1.0:v:BWBR0008657" struct="BWB">WAJONG</extref> of de <extref doc="1.0:v:BWBR0008656" struct="BWB">WAZ</extref>;</al></li></lijst><al>wordt de duur van het wachtgeld verlengd met:</al><lijst><li nr="•"><al>3 maanden bij een arbeidsverleden van ten minste 5 jaar;</al></li><li nr="•"><al>0,5 jaar bij een arbeidsverleden van ten minste 10 jaar;</al></li><li nr="•"><al>1 jaar bij een arbeidsverleden van ten minste 15 jaar;</al></li><li nr="•"><al>1,5 jaar bij een arbeidsverleden van ten minste 20 jaar;</al></li><li nr="•"><al>2 jaar bij een arbeidsverleden van ten minste 25 jaar;</al></li><li nr="•"><al>2,5 jaar bij een arbeidsverleden van ten minste 30 jaar;</al></li><li nr="•"><al>3,5 jaar bij een arbeidsverleden van ten minste 35 jaar, en</al></li><li nr="•"><al>4,5 jaar bij een arbeidsverleden van ten minste 40 jaar.</al></li></lijst><al>Lid 3</al><al>Het arbeidsverleden, bedoeld in het tweede lid, wordt vastgesteld door
                        samentelling van: </al><lijst><li nr="a."><al>perioden, gelegen in de 5 jaar onmiddellijk voorafgaande aan het
                                ontslag, waarover de betrokkene aantoont als werknemer als bedoeld
                                in <extref doc="1.0:v:BWBR0004045&amp;artikel=3" struct="BWB">artikel 3 van de Werkloosheidswet</extref> en in
                                dienstbetrekking van 8 of meer uren per week werkzaam te zijn
                                geweest, en</al></li><li nr="b."><al>de periode gelegen tussen de 18e verjaardag van de betrokkene en de
                                dag, gelegen 5 jaar voor het ontslag.</al></li></lijst><al>Lid 4</al><al>Perioden, waarin een betrokkene:</al><lijst><li nr="a."><al>recht heeft op een arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de
                                    <extref doc="1.0:v:BWBR0002524" struct="BWB">Wet op de
                                    arbeidsongeschiktheidsverzekering</extref>, berekend naar een
                                arbeidsongeschiktheid van ten minste 80%;</al></li><li nr="b."><al>ter zake van een dienstbetrekking op grond waarvan hem door het Rijk
                                invaliditeitspensioen was verzekerd, recht heeft op een
                                arbeidsongeschiktheidsuitkering, berekend naar een
                                arbeidsongeschiktheid van ten minste 80%, of een toelage ontvangt
                                die naar aard en strekking overeenkomt met een toelage als bedoeld
                                onder a, die al dan niet vermeerderd met de
                                arbeidsongeschiktheidsuitkering 73% of meer bedraagt van de
                                middelsom, waarnaar de arbeidsongeschiktheidsuitkering is of zou
                                zijn berekend;</al></li><li nr="c."><al>een uitkering ontvangt op grond van <extref doc="1.0:v:BWBR0002822" struct="BWB">hoofdstuk III van de
                                    Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening militairen</extref>,
                                berekend naar een arbeidsongeschiktheid van ten minste 80% of een
                                toelage op grond van dat hoofdstuk, die al dan niet vermeerderd met
                                de arbeidsongeschiktheidsuitkering 70% of meer bedraagt van het
                                dagloon, waarnaar de arbeidsongeschiktheidsuitkering is of zou zijn
                                berekend;</al></li><li nr="d."><al>na beëindiging van zijn dienstbetrekking een uitkering ontvangt op
                                grond van de <extref doc="1.0:v:BWBR0001888" struct="BWB">Ziektewet</extref> over de maximale duur, bedoeld in <extref doc="1.0:v:BWBR0001888&amp;artikel=29" struct="BWB">artikel 29, tweede lid, van die wet</extref>;</al></li><li nr="e."><al>een uitkering ontvangt, die naar aard en strekking overeenkomt met
                                een uitkering bedoeld onder a of d;</al></li></lijst><al>worden, indien deze uitkeringen worden ontvangen in verband met een gewezen
                        dienstbetrekking van 8 of meer uren per week, in aanmerking genomen voor de
                        periode van drie jaar, bedoeld in het tweede lid, en voor de perioden
                        gelegen in de vijf jaar, onmiddellijk voorafgaande aan het ontslag, bedoeld
                        in het derde lid.</al><al>Lid 5</al><al>Voor de periode van drie jaar, bedoeld in het tweede lid, en voor de
                        perioden gelegen in de vijf jaar, onmiddellijk voorafgaande aan het ontslag,
                        bedoeld in het derde lid, worden perioden waarin een persoon een tot zijn
                        huishouden behorend kind:</al><lijst><li nr="a."><al>beneden de leeftijd van 6 jaar verzorgt, zonder dat deze persoon in
                                dienstbetrekking van 8 of meer uren per week werkzaam is geweest of
                                een uitkering heeft ontvangen als bedoeld in het vierde lid
                                volledig; en</al></li><li nr="b."><al>vanaf de leeftijd van 6 jaar doch beneden de leeftijd van 12 jaar
                                verzorgt, zonder dat deze persoon in dienstbetrekking van 8 of meer
                                uren per week werkzaam is geweest of een uitkering heeft ontvangen
                                als bedoeld in het vierde lid, voor de helft in aanmerking
                                genomen.</al></li></lijst><al>Lid 6</al><al>Voor de toepassing van het vijfde lid worden als periode van verzorging niet
                        meegeteld de periode waarin:</al><lijst><li nr="a."><al>de verzorgende persoon als werknemer in de zin van een wettelijke
                                regeling inzake werkloosheid recht heeft op een uitkering ter zake
                                van werkloosheid; of</al></li><li nr="b."><al>de verzorging buiten Nederland plaatsvindt anders dan tijdens
                                vakantie.</al></li></lijst><al>Lid 7</al><al>Indien er in een gezamenlijke huishouding meer verzorgende personen zijn als
                        bedoeld in het vijfde lid, wordt voor de toepassing van dat lid als
                        verzorgende persoon van het kind beschouwd, degene van deze personen die zij
                        als zodanig hebben aangewezen. In geval geen verzorgende persoon wordt
                        aangewezen is het college bevoegd een van hen die naar het oordeel van het
                        college als verzorgende persoon moet worden beschouwd, als zodanig aan te
                        wijzen.</al><al>Lid 8</al><al>Voor de toepassing van het vijfde en zevende lid wordt onder:</al><lijst><li nr="a."><al>een kind verstaan een eigen, aangehuwd of pleegkind;</al></li><li nr="b."><al>een pleegkind verstaan een kind dat als eigen kind wordt onderhouden
                                en opgevoed.</al></li></lijst><al>Lid 9</al><al>De regels die gesteld zijn krachtens <extref doc="1.0:v:BWBR0004045&amp;artikel=17b" struct="BWB">artikel 17b,
                            zevende lid, van de Werkloosheidswet</extref>, zijn van overeenkomstige
                        toepassing.</al><al>Artikel 10:8 Duur van het wachtgeld</al><al><cursief>Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaar die is
                            ontslagen met ingang van 1 januari 2001 of later. (Zie ook artikel 10:29
                            lid 1)</cursief></al><al>Lid 1</al><al>In afwijking van artikel 10:7 wordt, indien dit leidt tot een langere
                        wachtgeldduur, waarin tevens voor zover van toepassing de bijzondere
                        verlenging als bedoeld in het vierde lid is begrepen, de duur van het
                        wachtgeld vastgesteld overeenkomstig de volgende leden.</al><al>Lid 2</al><al>De duur van het wachtgeld wordt vastgesteld op drie maanden, vermeerderd
                        voor de betrokkene:</al><lijst><li nr="a."><al>die op de dag van ontslag de leeftijd van 21 jaar nog niet heeft
                                bereikt met een duur gelijk aan 18% van de diensttijd;</al></li><li nr="b."><al>die op de dag van ontslag 21 jaar oud is met een duur van 19,5% van
                                de diensttijd en zo vervolgens per leeftijdsjaar opklimmende met
                                1,5%;</al></li><li nr="c."><al>die op de dag van ontslag 60 jaar of ouder is, met een duur gelijk
                                aan 78% van de diensttijd.</al></li></lijst><al>Lid 3</al><al>Ten aanzien van de betrokkene die bij de aanvang van de in het voorgaande
                        lid bedoelde diensttijd in het genot was van wachtgeld, waarvan de duur is
                        vastgesteld krachtens het eerste en tweede lid van dit artikel, of van een
                        uitkering waarvan de duur is vastgesteld krachtens artikel 11:8, tweede lid
                        van deze regeling, wordt bij de berekening van de duur van het wachtgeld op
                        basis van het tweede lid mede in aanmerking genomen de diensttijd, welke bij
                        de berekening van de duur van het eerder toegekende wachtgeld of de eerder
                        toegekende uitkering in aanmerking is genomen. Op de aldus berekende duur
                        wordt de duur van het eerder toegekende wachtgeld of de eerder toegekende
                        uitkering, met uitzondering van de verlenging, bedoeld in het volgende lid,
                        in mindering gebracht.</al><al>Lid 4</al><al>In aanvulling op de duur van het wachtgeld van de betrokkene die ten tijde
                        van het ontslag een diensttijd, voor zover geldig voor pensioen, van ten
                        minste tien jaar heeft volbracht, wordt indien de som van zijn leeftijd en
                        diensttijd ten tijde van het ontslag 60 jaren of meer bedraagt, na afloop
                        van de termijn waarover wachtgeld is toegekend, een bijzondere verlenging
                        verleend. Deze bijzondere verlenging duurt tot de dag waarop hij de
                        AOW-gerechtigde leeftijd bereikt.</al><al>Lid 5</al><al>De verlenging als bedoeld in het vierde lid vindt niet plaats in het geval,
                        dat ter zake van een eerder toegekend wachtgeld de vorenbedoelde verlenging
                        reeds heeft plaatsgehad, tenzij de betrokkene nadien wederom een diensttijd,
                        voor zover geldig voor pensioen, van ten minste tien jaar heeft vervuld. In
                        dat geval blijft de tijd die in aanmerking is genomen bij de bijzondere
                        verlenging, buiten aanmerking</al><al>Artikel 10:9 Vervolgwachtgeld</al><al><cursief>Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaar die is
                            ontslagen met ingang van 1 januari 2001 of later. (Zie ook artikel 10:29
                            lid 1)</cursief></al><al>Lid 1</al><al>De betrokkene, die het einde van de wachtgeldduur, bedoeld in artikel 10:7,
                        tweede lid, heeft bereikt, heeft in aansluiting op dat wachtgeld recht op
                        een vervolgwachtgeld. </al><al>Lid 2</al><al>De betrokkene die </al><lijst><li nr="a."><al>het einde van de wachtgeldduur bedoeld in artikel 10:7, eerste lid,
                                heeft bereikt en </al></li><li nr="b."><al>voldoet aan de voorwaarde, bedoeld in artikel 10:7, tweede lid,
                                onderdeel a of b, doch uitsluitend wegens zijn arbeidsverleden geen
                                recht heeft op verlenging van de wachtgeldduur, heeft recht op een
                                vervolgwachtgeld. </al></li></lijst><al>Lid 3</al><al>Behoudens het gestelde in de volgende leden is de duur van het
                        vervolgwachtgeld een jaar. </al><al>Lid 4</al><al>De duur van het vervolgwachtgeld voor de betrokkene die op de dag van zijn
                        ontslag 57,5 jaar of ouder is, bedraagt drie en een half jaar. </al><al>Lid 5</al><al>De betrokkene aan wie uitsluitend ingevolge het eerste en tweede lid van
                        artikel 10:8 een wachtgeld is toegekend en die voldoet aan de voorwaarde,
                        bedoeld in artikel 10:7, tweede lid, onderdeel a of b, heeft aansluitend
                        recht op een vervolgwachtgeld indien het toegekende wachtgeld eindigt op een
                        tijdstip gelegen binnen een jaar na de datum waarop zijn wachtgeld zou zijn
                        beëindigd, wanneer dit zou zijn toegekend ingevolge artikel 10:7. Het
                        vervolgwachtgeld eindigt op het tijdstip gelegen een jaar na de in de vorige
                        volzin bedoelde datum. </al><al>Lid 6</al><al>De betrokkene die op de dag van zijn ontslag 57,5 jaar of ouder is, aan wie
                        uitsluitend ingevolge het eerste en tweede lid van artikel 10:8 een
                        wachtgeld is toegekend en die voldoet aan de voorwaarde, bedoeld in artikel
                        10:7, tweede lid, onderdeel a of b, heeft aansluitend recht op een
                        vervolgwachtgeld indien het toegekende wachtgeld eindigt op een tijdstip
                        gelegen binnen drie en een half jaar na de datum waarop zijn wachtgeld zou
                        zijn beëindigd, wanneer dit zou zijn toegekend ingevolge artikel 10:7. Het
                        vervolgwachtgeld eindigt op het tijdstip gelegen drie en een half jaar na de
                        in de vorige volzin bedoelde datum. </al><al>Lid 7</al><al>Tenzij uitdrukkelijk anders is bepaald, zijn bepalingen van het wachtgeld
                        van overeenkomstige toepassing op het vervolgwachtgeld. </al><al>Artikel 10:10 Bedrag van het wachtgeld</al><al><cursief>Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaar die is
                            ontslagen met ingang van 1 januari 2001 of later. (Zie ook artikel 10:29
                            lid 1)</cursief></al><al>Lid 1</al><al>Het bedrag van het wachtgeld is gedurende de eerste drie maanden gelijk aan
                        87% van de bezoldiging, gedurende de daaropvolgende negen maanden 77% van
                        die bezoldiging en vervolgens 67% van die bezoldiging. Bij intrekking van de
                        Wet van 20 december 1984 (Stb. 1984, 657) worden de percentages, genoemd in
                        de vorige volzin, met 3 procentpunten verhoogd. Het bedrag van het wachtgeld
                        daalt echter niet beneden het bedrag van het pensioen waarop de betrokkene
                        recht zou hebben indien hij uit de betrekking waaruit hij met recht op
                        wachtgeld is ontslagen, op de dag van dat ontslag zou zijn gepensioneerd
                        naar de diensttijd, voor zover geldig voor pensioen, en de
                        berekeningsgrondslag, bedoeld in artikel 6.2 van het pensioenreglement, in
                        de betrekking waaruit het wachtgeld is toegekend.</al><al>Lid 2</al><al>In afwijking van het vorige lid is het bedrag van het wachtgeld tijdens de
                        verlenging bedoeld in artikel 10:8, vierde lid, gelijk aan het bedrag van
                        het pensioen, bedoeld in het vorige lid, met dien verstande dat gedurende
                        het eerste jaar van die verlenging het wachtgeld ten minste bedraagt 40% van
                        de bezoldiging.</al><al>Artikel 10:11 Bedrag van het vervolgwachtgeld</al><al><cursief>Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaar die is
                            ontslagen met ingang van 1 januari 2001 of later. (Zie ook artikel 10:29
                            lid 1)</cursief></al><al>Lid 1</al><al>Het bedrag van het vervolgwachtgeld is gelijk aan het minimumloon, met dien
                        verstande dat dit bedrag nooit meer kan bedragen dan 70% van de
                        bezoldiging.</al><al>Lid 2</al><al>Voor de toepassing van dit artikel wordt onder het minimumloon verstaan het
                        maandbedrag van het minimumloon bedoeld in <extref doc="1.0:v:BWBR0002638&amp;artikel=8" struct="BWB">artikel 8,
                            eerste lid, onder a, van de Wet minimumloon en
                            minimumvakantiebijslag</extref>, of, indien het een betrokkene jonger
                        dan 23 jaar betreft, het voor zijn leeftijd geldende minimumloon, bedoeld in
                            <extref doc="1.0:v:BWBR0002638&amp;artikel=7" struct="BWB">artikel
                            7, derde lid</extref>, en <extref doc="1.0:v:BWBR0002638&amp;artikel=8" struct="BWB">artikel 8,
                            derde lid, van genoemde wet</extref>, beide vermeerderd met de daarvoor
                        berekende vakantiebijslag, bedoeld in <extref doc="1.0:v:BWBR0002638&amp;artikel=15" struct="BWB">artikel 15 van
                            die wet</extref>.</al><al>Artikel 10:12 Verplichtingen</al><al><cursief>Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaar die is
                            ontslagen met ingang van 1 januari 2001 of later. (Zie ook artikel 10:29
                            lid 1)</cursief></al><al>Lid 1</al><al>Zolang de betrokkene de leeftijd van 55 jaren niet heeft bereikt, is hij
                        verplicht een hem aangeboden betrekking, die hem in verband met zijn
                        persoonlijkheid en omstandigheden redelijkerwijs kan worden opgedragen, te
                        aanvaarden dan wel tot het verkrijgen van inkomsten gebruik te maken van
                        elke gelegenheid die in verband met zijn persoonlijkheid en omstandigheden
                        passend kan worden geacht.</al><al>Lid 2</al><al>Zolang de betrokkene de leeftijd van 55 jaar nog niet heeft bereikt, is hij
                        verplicht zich bij het arbeidsbureau van zijn woonplaats als werkzoekende te
                        doen inschrijven op de eerste werkdag, volgende op die waarop het ontslag
                        ingaat, dan wel het recht op wachtgeld ontstaat.</al><al>Lid 3</al><al>De betrokkene, die op de dag van het ontslag metterwoon verblijf houdt in
                        het buitenland dan wel nadien metterwoon verblijf gaat houden in het
                        buitenland en die de leeftijd van 55 jaar nog niet heeft bereikt, is
                        verplicht zich te doen inschrijven als werkzoekende bij een aldaar
                        gevestigde instantie van arbeidsbemiddeling die daartoe de mogelijkheid
                        biedt en die naar het oordeel van het college vergelijkbaar is met het
                        arbeidsbureau.</al><al>Lid 4</al><al>Het college kan bepalen dat de in het tweede en derde lid omschreven
                        verplichting niet geldt voor bepaalde betrokkenen of groepen van betrokkenen
                        die de leeftijd van 55 jaar nog niet hebben bereikt.</al><al>Lid 5</al><al>De betrokkene, bedoeld in het eerste, tweede en derde lid, is voorts
                        verplicht zich te gedragen naar de voorschriften die hem door het college in
                        het algemeen of voor enig bijzonder geval worden gegeven, strekkende tot het
                        verkrijgen van een betrekking of andere bron van inkomsten.</al><al>Lid 6</al><al>De in het eerste tot en met vijfde lid bedoelde verplichtingen vinden
                        overeenkomstige toepassing voor de ambtenaar zodra hem ontslag op grond van
                        artikel 8:4 van deze regeling is verleend, dan wel het voornemen tot zodanig
                        ontslag hem schriftelijk is medegedeeld.</al><al>Lid 7</al><al>Door het aanvaarden van het wachtgeld wordt de betrokkene geacht er in toe
                        te stemmen, dat zij die naar het oordeel van het college daarvoor in
                        aanmerking komen alle voor de uitvoering van deze regeling noodzakelijke
                        inlichtingen geven.</al><al>Artikel 10:13 Verplichtingen bij ziekte</al><al><cursief>Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaar die is
                            ontslagen met ingang van 1 januari 2001 of later. (Zie ook artikel 10:29
                            lid 1)</cursief></al><al>Lid 1</al><al>Indien betrokkene wegens ziekte ongeschikt is arbeid te verrichten, of
                        daarvan is hersteld, is hij verplicht daarvan terstond mededeling te doen
                        aan het college.</al><al>Lid 2</al><al>Het college stelt nadere voorschriften vast met betrekking tot de
                        geneeskundige begeleiding van betrokkene als bedoeld in het eerste lid.</al><al>Lid 3</al><al>Indien betrokkene door het UWV schriftelijk in kennis is gesteld van de
                        mogelijkheid van het doen van een aanvraag voor een WAO-uitkering, is hij
                        verplicht binnen de bij of krachtens de <extref doc="1.0:v:BWBR0002524" struct="BWB">WAO</extref> gestelde
                        termijnen een WAO-uitkering aan te vragen en alle medewerking te verlenen
                        die noodzakelijk is voor het verkrijgen van deze uitkering.</al><al>Lid 4</al><al>Indien betrokkene als bedoeld in het derde lid, geen WAO-uitkering aanvraagt
                        en hem dit redelijkerwijs kan worden verweten, wordt voor de toepassing van
                        dit hoofdstuk rekening gehouden met de WAO-uitkering behorende bij een mate
                        van arbeidsongeschiktheid van 80% of meer.</al><al>Lid 5</al><al>Indien als gevolg van handelingen of het nalaten van handelingen door
                        betrokkene als bedoeld in het vierde lid, de WAO-uitkering vermindering
                        ondergaat, dan wel het recht daarop geheel of gedeeltelijk wordt geweigerd,
                        en dit betrokkene redelijkerwijs kan worden verweten, wordt de bedoelde
                        uitkering voor de toepassing van dit hoofdstuk steeds geacht onverminderd te
                        zijn genoten.</al><al>Artikel 10:14 Verhuiskosten</al><al><cursief>Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaar die is
                            ontslagen met ingang van 1 januari 2001 of later. (Zie ook artikel 10:29
                            lid 1)</cursief></al><al>Aan hem die op wachtgeld is of zal worden gesteld kan, indien hij elders
                        arbeid of bedrijf ter hand gaat nemen, door het college een op de voet van
                        de Verplaatsingskostenregeling te bepalen vergoeding in de kosten van een
                        daartoe noodzakelijke verhuizing worden toegekend.</al><al>Artikel 10:15 Vermindering</al><al><cursief>Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaar die is
                            ontslagen met ingang van 1 januari 2001 of later. (Zie ook artikel 10:29
                            lid 1)</cursief></al><al>Lid 1</al><al>Wanneer de betrokkene inkomsten verkrijgt uit of in verband met arbeid,
                        waaronder mede wordt verstaan een uitkering krachtens de <extref doc="1.0:v:BWBR0008657" struct="BWB">WAJONG</extref> of de <extref doc="1.0:v:BWBR0008656" struct="BWB">WAZ</extref>, of bedrijf, ter
                        hand genomen op of na de dag waarop hem het ontslag is verleend dan wel
                        schriftelijk mededeling is gedaan van het voornemen hem ontslag te verlenen,
                        wordt op het wachtgeld een vermindering toegepast tot het bedrag waarmee die
                        inkomsten en wachtgeld samen de bezoldiging te boven gaan. Voor de bepaling
                        van het bedrag waarmee het wachtgeld vermeerderd met inkomsten zoals bedoeld
                        in de eerste volzin, de bezoldiging overschrijdt, wordt een vermindering van
                        het wachtgeld ingevolge het bepaalde in artikel 10:19, eerste lid, niet in
                        aanmerking genomen.</al><al>Lid 2</al><al>Ten aanzien van de betrokkene aan wie een wachtgeld is toegekend en die
                        wegens ongeschiktheid voor de vervulling van zijn betrekking wegens ziekte
                        ontslag is verleend uit de betrekking die hij gedurende de met recht op
                        wachtgeld doorgebrachte tijd bekleedde en waarin hij deelnemer was in de zin
                        van het pensioenreglement, worden inkomsten bedoeld in het eerste lid als
                        volgt verrekend. De inkomsten - ter hand genomen met ingang van of na de dag
                        waarop het ontslag plaatsvond - uit de betrekking die door betrokkene als
                        wachtgelder werd vervuld, worden verrekend over de maand waarop zij
                        betrekking hebben of geacht kunnen worden betrekking te hebben. In afwijking
                        van het gestelde in het eerste lid, geschiedt deze verrekening op zodanige
                        wijze dat het oorspronkelijk toegekende wachtgeld wordt verminderd met het
                        bedrag waarmee de WAO-uitkering, in voorkomend geval vermeerderd met
                        invaliditeitspensioen, al dan niet aangevuld met een wachtgeld of uitkering,
                        vermeerderd met de inkomsten uit of in verband met arbeid of bedrijf met
                        inbegrip van het oorspronkelijk toegekende wachtgeld de oorspronkelijke
                        bezoldiging overschrijdt. Indien na die vermindering een bedrag aan
                        overschrijding van de bezoldiging resteert, wordt het aanvullende wachtgeld
                        of de aanvullende uitkering verminderd met het resterende bedrag aan
                        overschrijding.</al><al>Lid 3</al><al>Het eerste lid vindt overeenkomstige toepassing ten aanzien van inkomsten
                        uit of in verband met arbeid of bedrijf, ter hand genomen gedurende
                        vakantie, verlof of non-activiteit, onmiddellijk voorafgaande aan het
                        ontslag ter zake waarvan hem wachtgeld is toegekend.</al><al>Lid 4</al><al>Wanneer de betrokkene op of na de dag, bedoeld in het eerste lid, inkomsten
                        of hogere inkomsten verkrijgt uit arbeid of bedrijf, ter hand genomen vóór
                        evenbedoelde dag, is ten aanzien van die inkomsten of hogere inkomsten het
                        bepaalde in het eerste lid van overeenkomstige toepassing. De hierbedoelde
                        vermindering vindt echter niet plaats, indien de inkomsten of hogere
                        inkomsten het gevolg zijn van algemene loonsverhogingen of indien de
                        betrokkene aannemelijk maakt dat die inkomsten niet het gevolg zijn van
                        verhoogde werkzaamheid of van andere oorzaken, verband houdende met het
                        ontslag.</al><al>Lid 5</al><al>Onder inkomsten, bedoeld in de voorgaande leden, wordt niet verstaan
                        inkomsten, verkregen wegens overwerk of als gratificatie.</al><al>Artikel 10:16 Opgave van inkomsten</al><al><cursief>Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaar die is
                            ontslagen met ingang van 1 januari 2001 of later. (Zie ook artikel 10:29
                            lid 1)</cursief></al><al>Lid 1</al><al>De betrokkene doet van het ter hand nemen van arbeid of bedrijf op of na de
                        dag waarop hem ontslag is verleend of hem schriftelijke mededeling is gedaan
                        van het voornemen hem ontslag te verlenen, onverwijld mededeling aan het
                        college of aan een door het college aan te wijzen ambtenaar. Daarbij doet
                        hij, voor zover mogelijk, opgave van de inkomsten die hij uit die arbeid of
                        dat bedrijf zal verkrijgen. Tijdelijke of blijvende wijzigingen in alle
                        evengenoemde bedragen geeft hij tijdig voor het verschijnen van de
                        eerstvolgende wachtgeldtermijn op.</al><al>Lid 2</al><al>Indien de in het eerste lid bedoelde bedragen niet vooraf door de betrokkene
                        zijn op te geven, doet hij vóór het verschijnen van elke wachtgeldtermijn
                        opgave van hetgeen hij sedert het ter hand nemen van de arbeid of het
                        bedrijf dan wel sedert de vorige opgave heeft verkregen. Brengt de aard van
                        de arbeid of het bedrijf, ter beoordeling van het college, mede dat de
                        inkomsten over een langere termijn moeten worden berekend, welke echter niet
                        langer dan een jaar mag zijn, dan geschiedt de opgave dienovereenkomstig en
                        wordt het bedrag van de vermindering voorlopig vastgesteld onder voorbehoud
                        van verrekening aan het einde van evenbedoelde termijn</al><al>Lid 3</al><al>Bij de vaststelling van het bedrag van de vermindering kan van een opgave,
                        bedoeld in het tweede lid, worden afgeweken.</al><al>Lid 4</al><al>Het in de voorgaande leden bepaalde vindt overeenkomstige toepassing ten
                        aanzien van de arbeid of bedrijf en de inkomsten daaruit, bedoeld in artikel
                        10:15, derde en vierde lid.</al><al>Artikel 10:17 Verlenging</al><al><cursief>Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaar die is
                            ontslagen met ingang van 1 januari 2001 of later. (Zie ook artikel 10:29
                            lid 1)</cursief></al><al>Indien de betrokkene binnen drie maanden na het ontslag waaraan hij het
                        recht op wachtgeld ontleent bij de gemeente te wier laste het wachtgeld komt
                        een naar de aard van de werkzaamheden overeenkomstige betrekking gaat
                        vervullen als die waaruit hem het ontslag is verleend, wordt de duur van die
                        betrekking aan de op grond van de artikelen 10:7 en 10:8 vastgestelde duur
                        van het wachtgeld toegevoegd.</al><al>Artikel 10:18 Opschorting</al><al><cursief>Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaar die is
                            ontslagen met ingang van 1 januari 2001 of later. (Zie ook artikel 10:29
                            lid 1)</cursief></al><al>Lid 1</al><al>Indien de betrokkene na zijn ontslag, uit hoofde van ziekte aanspraak op
                        doorbetaling van bezoldiging of een uitkering ten bedrage van de
                        laatstgenoten bezoldiging heeft of krijgt in verband met de betrekking
                        waaruit hem ontslag is verleend, wordt de uitvoering of verdere uitvoering
                        van de wachtgeldregeling vervat in deze regeling opgeschort tot het einde
                        van het tijdvak waarover die aanspraak bestaat.</al><al>Lid 2</al><al>Het college kan op verzoek van de betrokkene die zich als dienstplichtige in
                        militaire dienst bevindt of moet begeven, de uitvoering of verdere
                        uitvoering van de wachtgeldregeling vervat in deze regeling opschorten tot
                        het einde van het tijdvak van diens militaire dienst.</al><al>Artikel 10:19 Samenloop</al><al><cursief>Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaar die is
                            ontslagen met ingang van 1 januari 2001 of later. (Zie ook artikel 10:29
                            lid 1)</cursief></al><al>Lid 1</al><al>Indien de betrokkene ter zake van de dienstbetrekking waaruit hij met recht
                        op wachtgeld is ontslagen, aanspraak heeft op een WAO-uitkering, in
                        voorkomend geval vermeerderd met een invaliditeitspensioen, berekend naar
                        een arbeidsongeschiktheid van minder dan 80%, wordt het geldende bedrag van
                        het wachtgeld, toegekend ter zake van hetzelfde ontslag, met het hierna
                        genoemde percentage verminderd. Deze vermindering bedraagt bij een
                        arbeidsongeschiktheid van</al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colwidth="74*"/><colspec colname="col2" colwidth="26*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>65% tot 80% :</al></entry><entry colname="col2"><al>80%; </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>55% tot 65% : </al></entry><entry colname="col2"><al>60%;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>45% tot 55% : </al></entry><entry colname="col2"><al>50%;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>35% tot 45% : </al></entry><entry colname="col2"><al>40%;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>25% tot 35% : </al></entry><entry colname="col2"><al>30%;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>15% tot 25% : </al></entry><entry colname="col2"><al>20%;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>minder dan 15%:</al></entry><entry colname="col2"><al>0%.</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>De som van de in de eerste volzin bedoelde WAO-uitkering, in voorkomend
                        geval vermeerderd met een invaliditeitspensioen, en het verminderde
                        wachtgeld bedraagt voorts niet meer dan het onverminderde wachtgeld dat
                        wordt genoten indien er geen sprake is van samenloop. Ingeval van
                        overschrijding wordt het overschrijdende bedrag op het wachtgeld in
                        mindering gebracht.</al><al>Lid 2</al><al>Indien de betrokkene, bedoeld in het eerste lid, geen WAO-uitkering
                        aanvraagt en hem dit redelijkerwijs kan worden verweten, wordt voor de
                        toepassing van dit artikel rekening gehouden met de WAO-uitkering waarbij
                        een arbeidsongeschiktheid van 80% of meer behoort.</al><al>Lid 3</al><al>Indien als gevolg van handelingen of het nalaten van handelingen door
                        betrokkene, bedoeld in het eerste lid, de WAO-uitkering vermindering
                        ondergaat, dan wel het recht op deze uitkering geheel of gedeeltelijk wordt
                        geweigerd, en dit betrokkene redelijkerwijs kan worden verweten, wordt de
                        bedoelde uitkering voor de toepassing van dit artikel steeds geacht
                        onverminderd te zijn genoten.</al><al>Lid 4</al><al>Indien de betrokkene aanspraken heeft of verkrijgt op een uitkering
                        krachtens de <extref doc="1.0:v:BWBR0004045" struct="BWB">Werkloosheidswet</extref> of de <extref doc="1.0:v:BWBR0001888" struct="BWB">ziektewet</extref>, wordt gedurende de termijn waarover die
                        aanspraken bestaan, het wachtgeld slechts uitbetaald voor zover het
                        evenbedoelde uitkeringen te boven gaat.</al><al>Artikel 10:20 Betaling</al><al><cursief>Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaar die is
                            ontslagen met ingang van 1 januari 2001 of later. (Zie ook artikel 10:29
                            lid 1)</cursief></al><al>Lid 1</al><al>Het bedrag van het wachtgeld, over een jaar berekend, wordt naar boven tot
                        een volle euro afgerond en in dezelfde termijnen uitbetaald als de
                        bezoldiging welke vóór de toekenning van wachtgeld werd genoten.</al><al>Lid 2</al><al>Met toestemming van de betrokkene kan de uitbetaling van het wachtgeld over
                        langere termijnen geschieden.</al><al>Artikel 10:21 Afkoop</al><al><cursief>Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaar die is
                            ontslagen met ingang van 1 januari 2001 of later. (Zie ook artikel 10:29
                            lid 1)</cursief></al><al>In bijzondere gevallen kan het college op verzoek van de betrokkene een
                        regeling met hem treffen krachtens welke het wachtgeld geheel of ten dele
                        wordt vervangen door een afkoopsom.</al><al>Artikel 10:22 Verval van wachtgeld</al><al><cursief>Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaar die is
                            ontslagen met ingang van 1 januari 2001 of later. (Zie ook artikel 10:29
                            lid 1)</cursief></al><al>Lid 1</al><al>Het wachtgeld kan geheel of gedeeltelijk vervallen worden verklaard:</al><lijst><li nr="a."><al>Indien de betrokkene de opgave bedoeld in artikel 10:16, eerste en
                                tweede lid, nalaat dan wel onjuist of onvolledig doet; </al></li><li nr="b."><al>indien de betrokkene enig op grond van artikel 10:12, tweede, derde
                                of vijfde lid gegeven voorschrift niet nakomt, tenzij hem hiervan
                                redelijkerwijs geen verwijt kan worden gemaakt; </al></li><li nr="c."><al>indien de betrokkene zich zonder toestemming van het college in het
                                buitenland vestigt of geacht moet worden aldaar duurzaam te
                                verblijven; </al></li><li nr="d."><al>indien betrokkene niet voldoet aan de verplichtingen die bij of
                                krachtens artikel 10:13, eerste en tweede lid zijn gesteld; </al></li><li nr="e."><al>indien de betrokkene zich zodanig gedraagt dat hem ontslag zou zijn
                                verleend als hij in dienst was gebleven; </al></li><li nr="f."><al>indien achteraf blijkt, dat vóór het aan de betrokkene verleende
                                ontslag zich feiten en/of omstandigheden hebben voorgedaan, die zo
                                deze eerder bekend waren aanleiding zouden hebben gevormd hem als
                                ambtenaar met toepassing van artikel 8:13 ontslag te verlenen. </al></li></lijst><al>Lid 2</al><al>Indien de betrokkene de verplichting, bedoeld in artikel 10:12, eerste lid,
                        niet nakomt, vervalt het wachtgeld voor het gedeelte waarmede het, tezamen
                        met de verzuimde of verloren gegane inkomsten, de bezoldiging te boven zou
                        zijn gegaan. </al><al>Lid 3</al><al>Het bepaalde in het eerste en tweede lid is van overeenkomstige toepassing
                        op de ambtenaar bedoeld in artikel 10:12, zesde lid, aan wie in dat geval
                        een op soortgelijke wijze berekend lager wachtgeld wordt toegekend. </al><al>Lid 4</al><al>Het bepaalde in dit artikel is niet van kracht indien het niet nakomen van
                        voorschriften, het weigeren of geen gebruik maken van inkomsten geschiedt
                        tijdens een staking of uitsluiting, behoudens het geval dat het naar het
                        oordeel van het college noodzakelijk is dat de ambtenaar werkzaamheden
                        verricht ter vervanging van stakers of uitgeslotenen of om werknemers
                        behulpzaam te zijn, zulks met het oog op de openbare veiligheid of
                        gezondheid of voor de regelmatige functionering van de openbare dienst. </al><al>Artikel 10:23 Verval van wachtgeld</al><al><cursief>Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaar die is
                            ontslagen met ingang van 1 januari 2001 of later. (Zie ook artikel 10:29
                            lid 1)</cursief></al><al>Lid 1</al><al>Het recht op wachtgeld vervalt: </al><lijst><li nr="a."><al>met ingang van de dag waarop betrokkene de AOW-gerechtigde leeftijd
                                bereikt;</al></li><li nr="b."><al>op de dag na het overlijden van de betrokkene; </al></li><li nr="c."><al>op de dag dat betrokkene de in artikel 10:12, tweede en derde lid,
                                bedoelde inschrijving teniet doet of nalaat haar op de door het
                                arbeidsbureau dan wel de buitenlandse instantie van
                                arbeidsbemiddeling bepaalde tijdstippen te doen verlengen; </al></li><li nr="d."><al>op de dag dat betrokkene als ingeschrevene bij het arbeidsbureau dan
                                wel de buitenlandse instantie van arbeidsbemiddeling verzuimt gevolg
                                te geven aan een oproeping of aanwijzing van die organisatie dan wel
                                die instantie, die kan leiden tot het verkrijgen van werk, dat voor
                                hem passend kan worden geacht dan wel weigert dergelijk werk te
                                aanvaarden. </al></li></lijst><al>Lid 2</al><al>Het recht op wachtgeld vervalt met ingang van de dag waarop betrokkene recht
                        verkrijgt op een WAO-uitkering, berekend naar een arbeidsongeschiktheid van
                        80% of meer. Artikel 10:6, tweede lid is van overeenkomstige toepassing, met
                        dien verstande dat van dit wachtgeld de duur, voor zover deze wordt berekend
                        aan de hand van artikel 10:8, en de hoogte worden vastgesteld te rekenen
                        vanaf de datum van ontslag. </al><al>Artikel 10:24 Overlijdensuitkering</al><al><cursief>Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaar die is
                            ontslagen met ingang van 1 januari 2001 of later. (Zie ook artikel 10:29
                            lid 1)</cursief></al><al>Lid 1</al><al>Zo spoedig mogelijk na het overlijden van de betrokkene wordt aan de
                        nagelaten echtgenoot of geregistreerde partner een bedrag uitgekeerd, gelijk
                        aan de bezoldiging als bedoeld in artikel 10:5, over een tijdvak van drie
                        maanden. Laat de overledene geen echtgenoot of geregistreerde partner na dan
                        geschiedt de uitkering ten behoeve van zijn minderjarige wettige of
                        natuurlijke kinderen dan wel minderjarige pleegkinderen. Ontbreken ook
                        zodanige kinderen dan geschiedt de uitkering ten behoeve van ouders, broers,
                        zusters of meerderjarige kinderen van wie de overledene kostwinner was.</al><al>Lid 2</al><al>Indien ter zake van zijn overlijden aan de in het eerste lid bedoelde
                        betrekkingen een uitkering wordt toegekend uit hoofde van een door de
                        overledene vervulde betrekking, ten gevolge waarvan op het wachtgeld een
                        vermindering werd toegepast, bedoeld in artikel 10:15, wordt een bedrag
                        uitgekeerd gelijk aan het verminderde wachtgeld over een tijdvak van drie
                        maanden. Is de som van beide uitkeringen lager dan de uitkering, berekend
                        naar het onverminderde wachtgeld zou zijn geweest, dan wordt de uitkering,
                        berekend naar het verminderde wachtgeld, tot laatstbedoeld bedrag
                        aangevuld.</al><al>Lid 3</al><al>Indien de overledene geen betrekkingen bedoeld in het eerste lid nalaat, kan
                        het bedrag van de uitkering geheel of ten dele worden aangewend voor
                        betaling van de kosten van de laatste ziekte of van de lijkbezorging als de
                        nalatenschap van de overledene daartoe ontoereikend is.</al><al>Lid 4</al><al>Op de uitkering als bedoeld in dit artikel wordt in mindering gebracht het
                        bedrag van de uitkering waarop de nagelaten betrekkingen van de gewezen
                        ambtenaar ter zake van diens overlijden aanspraak kunnen maken uit hoofde
                        van een bepaling in een gemeentelijke rechtspositieregeling, dan wel
                        krachtens enige wettelijk voorgeschreven verzekering tegen ziekte,
                        arbeidsongeschiktheid of onvrijwillige werkloosheid.</al><al>Artikel 10:25 Overgangsbepalingen</al><al><cursief>Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaar die is
                            ontslagen met ingang van 1 januari 2001 of later. (Zie ook artikel 10:29
                            lid 1)</cursief></al><al>Lid 1</al><al>Op de wachtgelden toegekend krachtens de bepalingen van de wachtgeldregeling
                        zoals deze luidde voor 1 augustus 1991, worden voor de resterende duur na 30
                        juli 1991, de bepalingen van de wachtgeldregeling zoals deze luiden met
                        ingang van 1 augustus 1991 toegepast, met dien verstande dat de hoogte, voor
                        de reeds vastgestelde duur nooit lager zal zijn dan op grond van de
                        wachtgeldregeling zoals deze luidde voor 1 augustus 1991.</al><al>Lid 2</al><al>Ten aanzien van de wachtgelden, als bedoeld in het eerste lid, die
                        voortduren na 30 juli 1991, wordt op basis van de desbetreffende bepalingen
                        in de wachtgeldregeling, zoals deze luidt met ingang van 1 augustus 1991, de
                        duur opnieuw berekend. Indien de aldus berekende duur van het toegekende
                        wachtgeld langer is dan de oorspronkelijk vastgestelde duur, wordt deze
                        laatstgenoemde duur verlengd met het verschil tussen beide.</al><al>Lid 3</al><al>Voor de toepassing van artikel 10:8, derde lid van de wachtgeldregeling
                        wordt onder het eerder toegekende wachtgeld tevens begrepen het wachtgeld,
                        waarvan de duur is vastgesteld krachtens artikelen 4 en 5 van de
                        wachtgeldregeling zoals die luidden tot 1 augustus 1991.</al><al>Lid 4</al><al>Voor de toepassing van artikel 10:8, derde lid, van de wachtgeldregeling
                        wordt onder de eerder toegekende uitkering tevens begrepen de uitkering
                        waarvan de duur is vastgesteld krachtens artikelen 4 en 6 van de
                        uitkeringsregeling zoals die luidden tot 1 augustus 1991.</al><al>Artikel 10:26 Overgangsbepalingen</al><al><cursief>Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaar die is
                            ontslagen met ingang van 1 januari 2001 of later. (Zie ook artikel 10:29
                            lid 1)</cursief></al><al>Lid 1</al><al>Degene die voor 1 januari 1987 in het genot was van wachtgeld als bedoeld in
                        de toen geldende wachtgeldregeling, waarvan de duur, nadat toepassing is
                        gegeven aan artikel 10:25, tweede lid, verstrijkt in de periode van 1
                        augustus 1991 tot en met 31 december 1995, heeft recht op een
                        overgangsuitkering.</al><al>Lid 2</al><al>De duur van de overgangsuitkering is twaalf maanden, met dien verstande dat
                        de uitkering uiterlijk 1 januari 1996 eindigt. De overgangsuitkering gaat in
                        direct na het verstrijken van het wachtgeld als bedoeld in het eerste lid en
                        wordt in maandelijkse termijnen betaald.</al><al>Lid 3</al><al>De hoogte van de overgangsuitkering is over een maand gelijk aan het
                        minimumloon, met dien verstande dat dit bedrag nooit meer kan bedragen dan
                        70% van de bezoldiging.</al><al>Lid 4</al><al>Voor de toepassing van dit artikel wordt onder minimumloon verstaan het
                        maandbedrag van het minimumloon bedoeld in <extref doc="1.0:v:BWBR0002638&amp;artikel=8" struct="BWB">artikel 8,
                            eerste lid, onder a, van de Wet minimumloon en
                            minimumvakantiebijslag</extref>.</al><al>Lid 5</al><al>De overige artikelen van dit hoofdstuk zijn voor zoveel mogelijk van
                        overeenkomstige toepassing.</al><al>Artikel 10:27 Overgangsbepalingen</al><al><cursief>Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaar die is
                            ontslagen met ingang van 1 januari 2001 of later. (Zie ook artikel 10:29
                            lid 1)</cursief></al><al>Lid 1</al><al>Degene aan wie voor 1 januari 1995 een wachtgeld is toegekend op basis van
                        de bepalingen van de wachtgeldverordening zoals deze luidde voor 1 januari
                        1995, en waarvan de duur doorloopt tot na 31 december 1994, behoudt wat
                        betreft de hoogte van dit wachtgeld de aanspraken zoals deze zijn vastgelegd
                        in evengenoemde verordening.</al><al>Lid 2</al><al>Het voorgaande geldt eveneens ten aanzien van degene aan wie voor 1 januari
                        1995 een wachtgeld is toegekend op basis van dit hoofdstuk.</al><al>Artikel 10:28 Gevolgen Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen</al><al><cursief>Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaar die is
                            ontslagen met ingang van 1 januari 2001 of later. (Zie ook artikel 10:29
                            lid 1)</cursief></al><al>Op degene die gedurende de periode van wachtgeld recht heeft op een
                        uitkering ingevolge de <extref doc="1.0:v:BWBR0019057" struct="BWB">WIA</extref>, zijn de artikelen 10:13, 10:15, 10:19 en 10:23 van
                        overeenkomstige toepassing.</al><al>Artikel 10:29 Slotbepaling</al><al>Lid 1</al><al>Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaar die is ontslagen met
                        ingang van 1 januari 2001 of later.</al><al>Lid 2</al><al>Bij de verwijzingen in dit hoofdstuk naar artikelen elders uit de CAR en/of
                        UWO moet, voor zover niet anders is bepaald, worden uitgegaan van de tekst
                        van deze artikelen zoals die luidde op 31 december 2000.</al><al>10a Bovenwettelijke werkloosheidsuitkering</al><al>Paragraaf 1 Algemene bepalingen</al><al>Artikel 10a:1 Algemene bepalingen</al><al>Artikel 10a:1 Algemene bepalingen</al><al><cursief>Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op of na 1
                            juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid
                        1.)</cursief></al><al>Lid 1</al><al>In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al><vet>werkloosheid:</vet> werkloosheid in de zin van <extref doc="1.0:v:BWBR0004045&amp;artikel=16" struct="BWB">artikel 16 van de Werkloosheidswet</extref>;</al></li><li nr="b."><al><vet>betrokkene:</vet> de ambtenaar die werkloos geworden is;</al></li><li nr="c."><al><vet>dagloon:</vet> het dagloon in de zin van de <extref doc="1.0:v:BWBR0004045" struct="BWB">Werkloosheidswet</extref>, zonder de maximering van het
                                dagloon, als bedoeld in <extref doc="1.0:v:BWBR0018842&amp;artikel=22" struct="BWB">artikel 22 Besluit dagloonregels
                                    werknemersverzekeringen</extref><extref doc="1.0:v:BWBR0017745&amp;artikel=17" struct="BWB"> jo.
                                    artikel 17, eerste lid, van de Wet financiering sociale
                                    verzekeringen</extref>;</al></li><li nr="d."><al><vet>bovenwettelijke uitkering:</vet> de aanspraken die de ambtenaar
                                kan ontlenen aan dit hoofdstuk, te weten de aanvullende uitkering
                                als omschreven in paragraaf 2 van dit hoofdstuk en de aansluitende
                                uitkering als omschreven in paragraaf 3 van dit hoofdstuk, met
                                uitzondering van de gemeentelijke werkloosheidsuitkering als bedoeld
                                in artikel 10a:9, lid 3.</al></li></lijst><al>Lid 2</al><al>Bij de toepassing van dit hoofdstuk wordt artikel 1:2:1 in acht
                        genomen.</al><al>Paragraaf 2 Aanvullende uitkering</al><lijst><li nr=""><al>Artikel 10a:2 Voorwaarden voor recht op uitkering/samenloop met
                                suppletie</al></li><li nr=""><al>Artikel 10a:3 Hoogte van de uitkering: berekeningsgrondslag</al></li><li nr=""><al>Artikel 10a:4 Hoogte van de uitkering: indexering</al></li><li nr=""><al>Artikel 10a:5 Hoogte van de uitkering: bedrag</al></li><li nr=""><al>Artikel 10a:5a Overgangsbepaling: Verlengde uitkering voor mensen
                                die tussen 11 augustus 2003 en 1 augustus 2004 werkloos zijn
                                geworden</al></li><li nr=""><al>Artikel 10a:5b Overgangsbepaling: Aanvullende uitkering voor mensen
                                op wie <extref doc="1.0:v:BWBR0004045&amp;artikel=130h" struct="BWB">artikel 130h, eerste lid, van de
                                    Werkloosheidswet</extref> van toepassing is</al></li><li nr=""><al>Artikel 10a:6 Beëindiging van het recht op uitkering</al></li><li nr=""><al>Artikel 10a:7 Herleving van het recht op uitkering</al></li><li nr=""><al>Artikel 10a:8 Verlenging van het recht op uitkering</al></li><li nr=""><al>Artikel 10a:9 Verplichtingen en sancties</al></li><li nr=""><al>Artikel 10a:10 Anticumulatie</al></li><li nr=""><al>Artikel 10a:11 Scholing</al></li><li nr=""><al>Artikel 10a:12 Aanvulling op ziekengeld</al></li><li nr=""><al>Artikel 10a:12a Aanvulling op Waz-uitkering</al></li><li nr=""><al>Artikel 10a:12b Aanvulling op REA-uitkering</al></li><li nr=""><al>Artikel 10a:13 Uitkering bij overlijden</al></li><li nr=""><al>Artikel 10a:13a Grensarbeiders</al></li></lijst><al>Artikel 10a:2 Voorwaarden voor recht op uitkering/samenloop met
                        suppletie</al><al><cursief>Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op of na 1
                            juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid
                        1.)</cursief></al><al>Lid 1</al><al>Recht op een aanvullende uitkering heeft de betrokkene die:</al><lijst><li nr="a."><al>recht heeft op een uitkering krachtens de <extref doc="1.0:v:BWBR0004045&amp;artikel=15" struct="BWB">artikelen 15</extref> tot en met <extref doc="1.0:v:BWBR0004045&amp;artikel=21" struct="BWB">21 van
                                    de Werkloosheidswet</extref> en</al></li><li nr="b."><al>werkloos is als gevolg van een ontslag op grond van artikel 8:4,
                                8:5, 8:6, 8:7, onderdeel a of c, 8:8, 8:12.</al></li></lijst><al>Lid 2</al><al>Het recht op een aanvullende uitkering komt niet tot uitbetaling indien en
                        voor zolang de betrokkene ter zake van eenzelfde ontslag recht heeft op
                        suppletie, als bedoeld in hoofdstuk 11a van de CAR.</al><al>Lid 3</al><al>Betrokkene, die terzake van een ontslag wegens ongeschiktheid tot het
                        verrichten van zijn arbeid wegens ziekte recht heeft op een WAO-uitkering,
                        berekend naar een arbeidsongeschiktheid van 80% of meer, heeft recht op een
                        aanvullende uitkering op het moment dat de mate van arbeidsongeschiktheid op
                        een lager percentage wordt vastgesteld dan 80% en hij daardoor recht heeft
                        op een uitkering krachtens de <extref doc="1.0:v:BWBR0004045" struct="BWB">Werkloosheidswet</extref>.</al><al>Lid 4</al><al>Indien de WAO-uitkering, als bedoeld in het derde lid, is ontstaan uit twee
                        of meer dienstbetrekkingen, wordt het recht op de aanvullende uitkering
                        toegerekend aan de dienstbetrekking ter zake waarvan hij betrokkene is, naar
                        rato van de feitelijk genoten inkomsten uit hoofde van de desbetreffende
                        dienstbetrekkingen. </al><al>Artikel 10a:3 Hoogte van de uitkering: berekeningsgrondslag</al><al><cursief>Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op of na 1
                            juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid
                        1.)</cursief></al><al>De berekeningsgrondslag voor de aanvullende uitkering is het dagloon op de
                        dag voorafgaande aan het ontslag ter zake waarvan de betrokkene recht op
                        aanvullende uitkering wordt toegekend, voorzover dat betrekking heeft op het
                        inkomen uit de betrekking waaraan het recht op aanvullende uitkering wordt
                        ontleend.</al><al>Artikel 10a:4 Hoogte van de uitkering: indexering</al><al>Lid 1</al><al>De berekeningsgrondslag van de aanvullende uitkering wordt per 1 januari en
                        1 juli van een jaar geïndexeerd op een volgens LOGA-partijen vastgestelde
                        wijze.</al><al>Lid 2</al><al>Het LOGA maakt bekend met welk percentage de berekeningsgrondslag van de
                        aanvullende uitkering wijzigt.</al><al>Artikel 10a:5 Hoogte van de uitkering: bedrag</al><al><cursief>Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op of na 1
                            juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid
                        1.)</cursief></al><al>Lid 1</al><al>De uitkering krachtens de <extref doc="1.0:v:BWBR0004045" struct="BWB">Werkloosheidswet</extref> en de aanvullende uitkering bedragen tezamen
                        een percentage van de berekeningsgrondslag van de aanvullende
                        uitkering.</al><al>Lid 2</al><al>Het in het eerste lid genoemde percentage bedraagt:</al><lijst><li nr="a."><al>gedurende de eerste vijftien maanden 80% en</al></li><li nr="b."><al>vervolgens 70%</al></li></lijst><al>Lid 3</al><al>Een eventuele verlenging van de uitkering krachtens <extref doc="1.0:v:BWBR0004045&amp;artikel=43" struct="BWB">artikel 43 van
                            de Werkloosheidswet</extref> schort de termijn gedurende welke 80% van
                        de berekeningsgrondslag wordt uitgekeerd niet op.</al><al>Lid 4</al><al>Ter bepaling van de hoogte van de aanvullende uitkering, als bedoeld in
                        artikel 10a:2, derde lid, wordt uitgegaan van de datum van ontslag</al><al>Artikel 10a:5a Overgangsbepaling: Verlengde uitkering voor mensen die tussen
                        11 augustus 2003 en 1 augustus 2004 werkloos zijn geworden</al><al><cursief>Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op of na 1
                            juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid
                        1.)</cursief></al><al>Lid 1</al><al>De betrokkene die recht heeft op een aanvullende uitkering, die op of na 11
                        augustus 2003 maar voor 1 augustus 2004 werkloos is geworden en op de eerste
                        dag van werkloosheid jonger is dan 57,5, heeft na afloop van de
                        loongerelateerde uitkering op grond van de <extref doc="1.0:v:BWBR0004045" struct="BWB">Werkloosheidswet</extref>
                        gedurende twee jaar recht op een verlengde uitkering.</al><al>Lid 2</al><al>De betrokkene die recht heeft op een aanvullende uitkering, die op of na 11
                        augustus 2003 maar voor 1 augustus 2004 werkloos is geworden en op de eerste
                        dag van werkloosheid 57,5 jaar of ouder is, heeft na afloop van de
                        loongerelateerde uitkering op grond van de <extref doc="1.0:v:BWBR0004045" struct="BWB">Werkloosheidswet</extref>
                        gedurende 3,5 jaar recht op een verlengde uitkering.</al><al>Lid 3</al><al>De hoogte van de verlengde uitkering, genoemd in het eerste en tweede lid,
                        is 80% van de berekeningsgrondslag, zolang een periode van 15 maanden te
                        rekenen vanaf de eerste dag van werkloosheid niet is verstreken en
                        vervolgens 70% van de berekeningsgrondslag.</al><al>Lid 4</al><al>Op de verlengde uitkering genoemd in dit artikel zijn, voor zover
                        toepasbaar, de artikelen van dit hoofdstuk van overeenkomstige
                        toepassing.</al><al>Lid 5</al><al>Indien recht bestaat op een uitkering op grond van <extref doc="1.0:v:BWBR0004045&amp;artikel=130h" struct="BWB">artikel
                            130h, tweede lid, van de Werkloosheidswet</extref>, wordt deze op de
                        verlengde uitkering in mindering gebracht.</al><al>Artikel 10a:5b Overgangsbepaling: Aanvullende uitkering voor mensen op wie
                            <extref doc="1.0:v:BWBR0004045&amp;artikel=130h" struct="BWB">artikel 130h, eerste lid, van de Werkloosheidswet</extref> van
                        toepassing is</al><al><cursief>Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op of na 1
                            juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid
                        1.)</cursief></al><al>De bepalingen van hoofdstuk 10a, zoals deze luidden voor 1 augustus 2004,
                        blijven gelden voor de betrokkene op wie <extref doc="1.0:v:BWBR0004045&amp;artikel=130h" struct="BWB">artikel
                            130h, eerste lid, van de Werkloosheidswet</extref> van toepassing
                        is.</al><al>Artikel 10a:6 Beëindiging van het recht op uitkering</al><al><cursief>Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op of na 1
                            juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid
                        1.)</cursief></al><al>De bepalingen betreffende de gehele of gedeeltelijke beëindiging van het
                        recht op uitkering, vastgelegd in de <extref doc="1.0:v:BWBR0004045" struct="BWB">Werkloosheidswet</extref>, zijn van toepassing op de
                        aanvullende uitkering.</al><al>Artikel 10a:7 Herleving van het recht op uitkering</al><al><cursief>Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op of na 1
                            juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid
                        1.)</cursief></al><al>De bepalingen betreffende de herleving van het recht op uitkering,
                        vastgelegd in de <extref doc="1.0:v:BWBR0004045" struct="BWB">Werkloosheidswet</extref>, zijn van toepassing op de aanvullende
                        uitkering.</al><al>Artikel 10a:8 Verlenging van het recht op uitkering</al><al><cursief>Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op of na 1
                            juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid
                        1.)</cursief></al><al>De bepalingen betreffende de verlenging van het recht op uitkering,
                        vastgelegd in de <extref doc="1.0:v:BWBR0004045" struct="BWB">Werkloosheidswet</extref>, zijn van toepassing op de aanvullende
                        uitkering.</al><al>Artikel 10a:9 Verplichtingen en sancties</al><al><cursief>Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op of na 1
                            juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid
                        1.)</cursief></al><al>Lid 1</al><al>Het verplichtingen- en sanctieregime van de <extref doc="1.0:v:BWBR0004045" struct="BWB">Werkloosheidswet</extref> is
                        van toepassing op de aanvullende uitkering, met inachtneming van het in lid
                        2 gestelde en met dien verstande dat een boete in de zin van de
                        Werkloosheidswet niet leidt tot een verandering in het bedrag van de
                        aanvullende uitkering.</al><al>Lid 2</al><al>Indien een betrokkene ontslagen wordt op grond van artikel 8:4, nadat hij
                        heeft aangegeven voor dit ontslag in aanmerking te willen komen en de
                        uitvoeringsinstelling als gevolg hiervan de uitkering krachtens de <extref doc="1.0:v:BWBR0004045" struct="BWB">Werkloosheidswet</extref> als
                        sanctie gedeeltelijk weigert, kent het college een aanvulling op de
                        aanvullende uitkering toe zodanig dat de uitkering krachtens de
                        Werkloosheidswet en de aanvullende uitkering tezamen een bedrag vormen dat
                        overeenkomt met het bedrag waarop betrokkene recht zou hebben gehad indien
                        hij niet te kennen zou hebben gegeven voor ontslag in aanmerking te willen
                        komen.</al><al>Lid 3</al><al>Indien een betrokkene ontslagen wordt op grond van artikel 8:4, nadat hij
                        heeft aangegeven voor dit ontslag in aanmerking te willen komen en de
                        uitvoeringsinstelling als gevolg hiervan de uitkering krachtens de <extref doc="1.0:v:BWBR0004045" struct="BWB">Werkloosheidswet</extref>
                        geheel weigert, kent het college een gemeentelijke werkloosheidsuitkering
                        toe, waarvan de hoogte en de duur overeenkomen met de uitkering krachtens de
                        Werkloosheidswet waarop de betrokkene recht zou hebben gehad indien hij niet
                        te kennen zou hebben gegeven voor ontslag in aanmerking te willen komen.
                        Deze gemeentelijke werkloosheidsuitkering wordt, indien aan de voorwaarden
                        van artikel 10a:2 wordt voldaan, aangevuld met een aanvullende uitkering. Op
                        deze gemeentelijke werkloosheidsuitkering zijn de bepalingen van de
                        Werkloosheidswet van toepassing. Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt
                        de gemeentelijke werkloosheidsuitkering gelijkgesteld aan een uitkering
                        krachtens de Werkloosheidswet.</al><al>Artikel 10a:10 Anticumulatie</al><al><cursief>Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op of na 1
                            juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid
                        1.)</cursief></al><al><extref doc="1.0:v:BWBR0004045&amp;artikel=35" struct="BWB">Artikel 35
                            van de Werkloosheidswet</extref> is van toepassing op de aanvullende
                        uitkering.</al><al>Artikel 10a:11 Scholing</al><al><cursief>Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op of na 1
                            juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid
                        1.)</cursief></al><al>De bepalingen met betrekking tot opleiding, scholing en onbeloonde
                        activiteiten, vastgelegd in de <extref doc="1.0:v:BWBR0004045" struct="BWB">Werkloosheidswet</extref>, zijn van toepassing op de
                        aanvullende uitkering. </al><al>Artikel 10a:12 Aanvulling op ziekengeld</al><al><cursief>Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op of na 1
                            juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid
                        1.)</cursief></al><al>Lid 1</al><al>De betrokkene die wegens ziekte verhinderd is om arbeid te verrichten en
                        dientengevolge een uitkering krachtens de Ziektewet ontvangt (ziekengeld),
                        heeft, indien hij recht zou hebben op een aanvullende uitkering in de zin
                        van artikel 10a:2 van dit hoofdstuk als hij niet ziek was geweest, recht op
                        aanvulling van dat ziekengeld.</al><al>Lid 2</al><al>Het ziekengeld en de in het eerste lid genoemde aanvulling bedragen tezamen
                        een bedrag dat gelijk is aan het bedrag dat de betrokkene op grond van
                        artikel 10a:5 zou ontvangen wanneer hij niet wegens ziekte ongeschikt zou
                        zijn om arbeid te verrichten.</al><al>Lid 3</al><al>Het verplichtingen- en sanctieregime van de Ziektewet is van toepassing op
                        de aanvulling op het ziekengeld.</al><al>Artikel 10a:12a Aanvulling op Waz-uitkering</al><al><cursief>Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op of na 1
                            juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid
                        1.)</cursief></al><al>De betrokkene, die in verband met zwangerschap en bevalling recht heeft op
                        een uitkering op grond van de <extref doc="1.0:v:BWBR0013008" struct="BWB">Waz</extref>, heeft recht op een aanvulling tot het voor
                        haar geldende dagloon.</al><al>Artikel 10a:12b Aanvulling op REA-uitkering</al><al><cursief>Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op of na 1
                            juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid
                        1.)</cursief></al><al>Lid 1</al><al>De arbeidsgehandicapte betrokkene die werkloos is en dientengevolge een
                        uitkering krachtens de <extref doc="1.0:v:BWBR0004045" struct="BWB">Werkloosheidswet</extref> ontvangt, kan bij proefplaatsing en scholing
                        bij een nieuwe werkgever recht hebben op een uitkering op grond van de Wet
                        op (re)integratie arbeidsgehandicapten. Indien hij recht zou hebben op een
                        aanvullende uitkering in de zin van artikel 10a:2 van dit hoofdstuk wanneer
                        hij geen REA-uitkering als hiervoor bedoeld zou hebben gehad, bestaat er ook
                        in dit geval recht op aanvulling.</al><al>Lid 2</al><al>De in het eerste lid genoemde aanvulling en de REA-uitkering bedragen
                        tezamen een bedrag dat gelijk is aan het bedrag dat betrokkene op grond van
                        artikel 10a:5 zou ontvangen wanneer hij een WW-uitkering en aanvullende
                        uitkering zou ontvangen.</al><al>Artikel 10a:13 Uitkering bij overlijden</al><al><cursief>Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op of na 1
                            juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid
                        1.)</cursief></al><al>Lid 1</al><al>Zo spoedig mogelijk na het overlijden van betrokkene wordt in aanvulling op
                            <extref doc="1.0:v:BWBR0001888&amp;artikel=35" struct="BWB">artikel 35</extref> of <extref doc="1.0:v:BWBR0001888&amp;artikel=36" struct="BWB">artikel 36,
                            eerste lid, Ziektewet</extref> een overlijdensuitkering toegekend, met
                        dien verstande dat het bedrag van beide uitkeringen tezamen gelijk is aan
                        100% van het voor betrokkene geldende dagloon, berekend over een periode van
                        13 weken.</al><al>Lid 2</al><al>Op de uitkering als bedoeld in dit artikel wordt in mindering gebracht het
                        bedrag van de uitkering waarop de nagelaten betrekkingen van de betrokkene
                        ter zake van diens overlijden aanspraak kunnen maken uit hoofde van een
                        andere bepaling in een gemeentelijke rechtspositieregeling, dan wel
                        krachtens enige wettelijk voorgeschreven verzekering tegen ziekte,
                        arbeidsongeschiktheid of onvrijwillige werkloosheid.</al><al>Artikel 10a:13a Grensarbeiders</al><al><cursief>Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op of na 1
                            juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid
                        1.)</cursief></al><al>Lid 1</al><al>De betrokkene, die aansluitend aan zijn arbeidsurenverlies als betrokkene
                        buiten Nederland woont en in verband met artikel 71, eerste lid, onderdeel a
                        ii, EG-verordening 1408/71 geen recht op een WW-uitkering heeft, heeft recht
                        op een aanvullende uitkering voorzover de omstandigheid dat hij geen recht
                        op WW-uitkering heeft, uitsluitend wordt veroorzaakt doordat hij buiten
                        Nederland woont.</al><al>Lid 2</al><al>De uitkering op grond van dit artikel:</al><lijst><li nr="a."><al>eindigt niet door de omstandigheid dat de betrokkene wegens ziekte
                                of arbeidsongeschiktheid niet beschikbaar is om arbeid te
                                aanvaarden, indien hij geen recht heeft op een uitkering als bedoeld
                                in artikel 19, eerste lid, onderdeel a, b, of n, WW vanwege het
                                enkele feit dat zijn verzekering op grond van de daar genoemde
                                wetten is geëindigd;</al></li><li nr="b."><al>is, indien de betrokkene alsnog of wederom recht krijgt op een
                                WW-uitkering, niet van invloed op het recht op bovenwettelijke
                                uitkering dat voor de betrokkene verbonden is aan dat recht op een
                                WW-uitkering. </al></li></lijst><al>Lid 3</al><al>De uitkering waarop de betrokkene op grond van dit artikel lid recht heeft,
                        is in hoogte en duur gelijk aan de WW-uitkering en de aanvullende uitkering
                        waarop de betrokkene recht zou hebben gehad indien hij in Nederland zou
                        hebben gewoond. </al><al>Lid 4</al><al>Indien de betrokkene aantoont dat hij recht heeft op een uitkering wegens
                        ziekte, zwangerschap, bevalling, adoptie of pleegzorg naar het recht van
                        zijn woonland, wordt die uitkering voor de toepassing van het derde lid
                        gelijkgesteld met de overeenkomstige uitkering op grond van de <extref doc="1.0:v:BWBR0001888" struct="BWB">ZW</extref> of de <extref doc="1.0:v:BWBR0013008" struct="BWB">Wet arbeid en zorg</extref>.
                        Deze gelijkstelling vindt plaats voor ten hoogste de maximale duur van de
                        overeenkomstige uitkering op grond van de ZW of de Wet arbeid en zorg.
                        Zolang deze gelijkstelling duurt is de uitkering gelijk aan de uitkering op
                        grond van de ZW of de Wet arbeid en zorg en de aanvullende uitkering waarop
                        de betrokkene recht zou hebben gehad indien hij in Nederland had gewoond. </al><al>Lid 5</al><al>Indien de betrokkene een uitkering wegens werkloosheid, ziekte,
                        zwangerschap, bevalling, adoptie, pleegzorg of arbeidsongeschiktheid naar
                        het recht van zijn woonland ontvangt, wordt deze geheel in mindering
                        gebracht op de uitkering op grond van dit artikel over dezelfde periode. </al><al>Lid 6</al><al>Zolang en voorzover de betrokkene tegelijk recht heeft op een uitkering op
                        grond van dit artikel en een WW-uitkering, een ZW-uitkering, een uitkering
                        op grond van de <extref doc="1.0:v:BWBR0013008" struct="BWB">Wet
                            arbeid en zorg</extref>, een bovenwettelijke uitkering of een uitkering
                        die daar naar aard en strekking mee overeenkomt, niet zijnde een uitkering
                        naar het recht van zijn woonland, heeft de uitkering op grond van dit
                        artikel het karakter van een aanvulling tot de hoogte die de uitkering op
                        grond van dit artikel zonder de samenloop zou hebben. Hierbij wordt de
                        wettelijke uitkering geacht onverminderd te zijn ontvangen indien deze op
                        grond van enige wettelijke bepaling geheel of gedeeltelijk is geweigerd, dan
                        wel niet of niet geheel is betaald. </al><al>Paragraaf 3 Aansluitende uitkering</al><lijst><li nr=""><al>Artikel 10a:14 Diensttijd</al></li><li nr=""><al>Artikel 10a:15 Voorwaarden voor recht op uitkering / samenloop met
                                suppletie</al></li><li nr=""><al>Artikel 10a:16 Duur van de uitkering</al></li><li nr=""><al>Artikel 10a:16a Overgangsbepaling: Aansluitende uitkering voor
                                mensen die tussen 11 augustus 2003 en 1 augustus 2004 werkloos zijn
                                geworden</al></li><li nr=""><al>Artikel 10a:16b Overgangsbepaling: Aansluitende uitkering voor
                                mensen op wie artikel 130h, eerste lid, van de Werkloosheidswet van
                                toepassing is</al></li><li nr=""><al>Artikel 10a:17 Hoogte van de uitkering: berekeningsgrondslag</al></li><li nr=""><al>Artikel 10a:18 Hoogte van de uitkering: indexering</al></li><li nr=""><al>Artikel 10a:19 Hoogte van de uitkering: bedrag</al></li><li nr=""><al>Artikel 10a:20 Beëindiging van het recht op uitkering</al></li><li nr=""><al>Artikel 10a:20a Nawerking Ziektewet en WAZ</al></li><li nr=""><al>Artikel 10a:21 Herleving van het recht op uitkering</al></li><li nr=""><al>Artikel 10a:22 Verplichtingen en sancties</al></li><li nr=""><al>Artikel 10a:23 Anticumulatie</al></li><li nr=""><al>Artikel 10a:24 Scholing</al></li><li nr=""><al>Artikel 10a:25 Uitkering bij overlijden</al></li><li nr=""><al>Artikel 10a:25a Grensarbeiders</al></li></lijst><al>Artikel 10a:14 Diensttijd</al><al><cursief>Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op of na 1
                            juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid
                        1.)</cursief></al><al>Lid 1</al><al>In deze paragraaf wordt verstaan onder ‘diensttijd’: de aan het ontslag
                        voorafgaande in overheidsdienst doorgebrachte tijd waaraan het
                        deelnemerschap in de zin van het pensioenreglement is verbonden, alsmede
                        tijd die door inkoop voor pensioen geldig zou zijn verklaard.</al><al>Lid 2</al><al>Onder diensttijd bedoeld in het eerste lid wordt mede verstaan de tijd
                        doorgebracht in de betrekking waaruit de werkloosheid is ontstaan, indien
                        aan die tijd op grond van de <extref doc="1.0:v:BWBR0008871" struct="BWB">Regeling beperking van het zijn van overheidswerknemer in
                            de zin van de wet Privatisering ABP</extref> (Stc. 1997, 164) het
                        ambtenaarschap in de zin van evengenoemde regeling niet is verbonden.</al><al>Lid 3</al><al>In afwijking van het bepaalde in het eerste en tweede lid blijft buiten
                        beschouwing:</al><lijst><li nr="a."><al>diensttijd liggende vóór een onderbreking van meer dan een
                                jaar;</al></li><li nr="b."><al>diensttijd welke in aanmerking is genomen bij de berekening van de
                                duur van een eerder toegekend wachtgeld, een daarmee gelijk te
                                stellen uitkering wegens onvrijwillige werkloosheid of een
                                bovenwettelijke uitkering wegens onvrijwillige werkloosheid ten
                                laste van de overheid;</al></li><li nr="c."><al>diensttijd welke in aanmerking is genomen bij de berekening van een
                                pensioen krachtens het pensioenreglement dan wel voorafgaat aan een
                                ontslag verleend op grond van artikel 8:3 van deze regeling of een
                                soortgelijke bepaling in een andere overheidsregeling;</al></li><li nr="d."><al>tijd, bedoeld in de artikelen 5.3, 5.4 en 5.5 van het
                                pensioenreglement;</al></li><li nr="e."><al>tijd in een aangehouden betrekking, dan wel in een betrekking welke
                                de betrokkene had kunnen aanhouden, doch uit welke hij vrijwillig
                                werkloos is geworden met ingang van de datum waarop de uitkering
                                krachtens de <extref doc="1.0:v:BWBR0004045" struct="BWB">Werkloosheidswet</extref> ingaat.</al></li></lijst><al>Artikel 10a:15 Voorwaarden voor recht op uitkering / samenloop met
                        suppletie</al><al><cursief>Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op of na 1
                            juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid
                        1.)</cursief></al><al>Lid 1</al><al>Recht op een aansluitende uitkering heeft de betrokkene die:</al><lijst><li nr="a."><al>recht heeft op een uitkering krachtens de artikelen 15 tot en met 21
                                van de <extref doc="1.0:v:BWBR0004045" struct="BWB">Werkloosheidswet</extref> en</al></li><li nr="b."><al>werkloos is als gevolg van een ontslag op grond van artikel 8:4,
                                8:5, 8:6 of 8:8, met inachtneming van het derde lid.</al></li></lijst><al>Lid 2</al><al>Eveneens recht op een aansluitende uitkering heeft de betrokkene die door
                        het college op basis van artikel 10a:9 derde lid een gemeentelijke
                        werkloosheidsuitkering is toegekend.</al><al>Lid 3</al><al>In afwijking van het eerste lid biedt ontslag op basis van artikel 8:6
                        slechts aanspraken op een aansluitende uitkering indien gebruik is gemaakt
                        van de mogelijkheid die artikel 8:6, derde lid, laatste volzin biedt.</al><al>Lid 4</al><al>Het recht op de aansluitende uitkering ontstaat op de eerste dag van de
                        werkloosheid, waarbij de aansluitende uitkering ingaat zodra de geldende
                        uitkeringsduur van de loongerelateerde uitkering krachtens de <extref doc="1.0:v:BWBR0004045" struct="BWB">Werkloosheidswet</extref> is
                        verstreken.</al><al>Lid 5</al><al>Voor degene op wie artikel 10a:5a van toepassing is, ontstaat het recht op
                        de aansluitende uitkering op de eerste werkloosheidsdag, waarbij de
                        aansluitende uitkering ingaat zodra de geldende uitkeringsduur van de
                        verlengde uitkering is verstreken.</al><al>Lid 6</al><al>Voor degene op wie <extref doc="1.0:v:BWBR0004045&amp;artikel=130h" struct="BWB">artikel 130h, eerste lid, van de Werkloosheidswet</extref>
                        van toepassing is, ontstaat het recht op de aansluitende uitkering op de
                        eerste werkloosheidsdag, waarbij de aansluitende uitkering ingaat zodra de
                        geldende uitkeringsduur van uitkering krachtens de Werkloosheidswet is
                        verstreken</al><al>Lid 7</al><al>Het recht op een aansluitende uitkering komt niet tot uitbetaling indien en
                        voor zolang de betrokkene ter zake van eenzelfde ontslag recht heeft op
                        suppletie, als bedoeld in hoofdstuk 11a van de CAR.</al><al>Lid 8</al><al>De betrokkene, die terzake van een ontslag wegens ongeschiktheid tot het
                        verrichten van zijn arbeid wegens ziekte als bedoeld in artikel 8:5 recht
                        heeft op een WAO-uitkering, berekend naar een arbeidsongeschiktheid van 80%
                        of meer, heeft recht op een aansluitende uitkering, berekend naar de duur,
                        als bepaald in artikel 10a:16, derde lid, op het moment dat de mate van
                        arbeidsongeschiktheid op een lager percentage wordt vastgesteld dan 80% en
                        hij om die reden recht heeft op een uitkering krachtens de <extref doc="1.0:v:BWBR0004045" struct="BWB">Werkloosheidswet</extref>. </al><al>Lid 9</al><al>Indien de WAO-uitkering, als bedoeld in het achtstelid, is ontstaan uit twee
                        of meer dienstbetrekkingen, wordt het recht op de aansluitende uitkering
                        toegerekend aan de dienstbetrekking ter zake waarvan hij betrokkene is, naar
                        rato van de feitelijk genoten inkomsten uit hoofde van de desbetreffende
                        dienstbetrekkingen. </al><al>Artikel 10a:16 Duur van de uitkering</al><al><cursief>Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op of na 1
                            juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid
                        1.)</cursief></al><al>Lid 1</al><al>De duur van de aansluitende uitkering wordt vastgesteld op drie maanden,
                        vermeerderd voor de betrokkene:</al><lijst><li nr="a."><al>die op de dag van ontslag de leeftijd van 21 jaar nog niet heeft
                                bereikt met een duur gelijk aan 18% van de diensttijd;</al></li><li nr="b."><al>die op de dag van ontslag 21 jaar oud is met een duur van 19,5% van
                                de diensttijd en zo vervolgens per leeftijdsjaar opklimmende met
                                1,5%.</al></li></lijst><al>Lid 2</al><al>De in het eerste lid berekende duur wordt verminderd met:</al><lijst><li nr="a."><al>de duur van de uitkering krachtens de <extref doc="1.0:v:BWBR0004045" struct="BWB">Werkloosheidswet</extref>, zoals deze is vastgesteld op de
                                eerste dag van de werkloosheid en </al></li><li nr="b."><al>twee jaar.</al></li></lijst><al>Lid 3</al><al>Ter bepaling van de duur van de aansluitende uitkering voor betrokkene,
                        genoemd in artikel 10a:15, achtste lid, wordt uitgegaan van de datum van het
                        ontslag.</al><al>Lid 4</al><al>De betrokkene die op het tijdstip van ontslag de leeftijd van 55 jaren of
                        ouder heeft bereikt, heeft recht op een aansluitende uitkering tot de dag
                        waarop hij de AOW-gerechtigde leeftijd bereikt.</al><al>Artikel 10a:16a Overgangsbepaling: Aansluitende uitkering voor mensen die
                        tussen 11 augustus 2003 en 1 augustus 2004 werkloos zijn geworden</al><al><cursief>Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op of na 1
                            juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid
                        1.)</cursief></al><al>Lid 1</al><al>De duur van de aansluitende uitkering voor de betrokkene die recht heeft op
                        een aansluitende uitkering, die op of na 11 augustus 2003 maar voor 1
                        augustus 2004 werkloos is geworden, wordt vastgesteld op drie maanden,
                        vermeerderd voor de betrokkene:</al><lijst><li nr="a."><al>die op de dag van ontslag de leeftijd van 21 jaar nog niet heeft
                                bereikt met een duur gelijk aan 18% van de diensttijd;</al></li><li nr="b."><al>die op de dag van ontslag 21 jaar oud is met een duur van 19,5% van
                                de diensttijd en zo vervolgens per leeftijdsjaar opklimmende met
                                1,5% en wordt verminderd met de duur van de loongerelateerde
                                uitkering krachtens de <extref doc="1.0:v:BWBR0004045" struct="BWB">Werkloosheidswet</extref>, zoals deze is
                                vastgesteld op de eerste dag van de werkloosheid en de duur van de
                                verlengde uitkering genoemd in artikel 10a:5a.</al></li></lijst><al>Lid 2</al><al>De betrokkene die recht heeft op een aansluitende uitkering, die op of na 11
                        augustus 2003 maar voor 1 augustus 2004 werkloos is geworden en die op de
                        eerste dag van werkloosheid de leeftijd van 55 jaren of ouder heeft bereikt,
                        heeft recht op een aansluitende uitkering tot de eerste dag van de
                        kalendermaand, volgend op die waarin hij de leeftijd van 65 jaar heeft
                        bereikt. Een uitkering op basis van de <extref doc="1.0:v:BWBR0002221" struct="BWB">Algemene Ouderdomswet</extref> wordt in mindering gebracht
                        op de aansluitende uitkering.</al><al>Lid 3</al><al>Op de aanvullende uitkering genoemd in dit artikel zijn, voor zover
                        toepasbaar, de artikelen van dit hoofdstuk van overeenkomstige
                        toepassing.</al><al>Lid 4</al><al>Indien recht bestaat op een uitkering op grond van <extref doc="1.0:v:BWBR0004045&amp;artikel=130h" struct="BWB">artikel
                            130h, tweede lid, van de Werkloosheidswet</extref>, wordt deze op de
                        aansluitende uitkering in mindering gebracht.</al><al>Artikel 10a:16b Overgangsbepaling: Aansluitende uitkering voor mensen op wie
                        artikel 130h, eerste lid, van de Werkloosheidswet van toepassing is</al><al><cursief>Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op of na 1
                            juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid
                        1.)</cursief></al><al>De bepalingen van hoofdstuk 10a, zoals deze luidden voor 1 augustus 2004,
                        blijven gelden voor de betrokkene op wie <extref doc="1.0:v:BWBR0004045&amp;artikel=130h" struct="BWB">artikel
                            130h, eerste lid, van de Werkloosheidswet</extref> van toepassing
                        is.</al><al>Artikel 10a:17 Hoogte van de uitkering: berekeningsgrondslag</al><al><cursief>Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op of na 1
                            juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid
                        1.)</cursief></al><al>Artikel 10a:3 is van toepassing op de aansluitende uitkering.</al><al>Artikel 10a:18 Hoogte van de uitkering: indexering</al><al><cursief>Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op of na 1
                            juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid
                        1.)</cursief></al><al>Artikel 10a:4 is van toepassing op de aansluitende uitkering.</al><al>Artikel 10a:19 Hoogte van de uitkering: bedrag</al><al><cursief>Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op of na 1
                            juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid
                        1.)</cursief></al><al>Lid 1</al><al>De aansluitende uitkering bedraagt 80% van de berekeningsgrondslag, zolang
                        een periode van 15 maanden te rekenen vanaf de eerste dag van werkloosheid
                        nog niet is verstreken en vervolgens 70% van de berekeningsgrondslag.</al><al>Lid 2</al><al>Ter bepaling van de hoogte van de aansluitende uitkering, als bedoeld in
                        artikel 10a:15, achtste lid, wordt uitgegaan van de datum van ontslag.</al><al>Lid 3</al><al>Indien recht bestaat op een uitkering op grond van <extref doc="1.0:v:BWBR0004045&amp;artikel=130h" struct="BWB">artikel
                            130h, tweede lid, van de Werkloosheidswet</extref>, wordt deze op de
                        aansluitende uitkering in mindering gebracht.</al><al>Artikel 10a:20 Beëindiging van het recht op uitkering</al><al><cursief>Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op of na 1
                            juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid
                        1.)</cursief></al><al>Lid 1</al><al>De bepalingen in de <extref doc="1.0:v:BWBR0004045" struct="BWB">Werkloosheidswet</extref> betreffende de gehele of gedeeltelijke
                        beëindiging van het recht op vervolguitkering zijn van overeenkomstige
                        toepassing op de aansluitende uitkering.</al><al>Lid 2</al><al>In afwijking van het gestelde in lid 1 eindigt het recht op aansluitende
                        uitkering niet in geval van ongeschiktheid tot het verrichten van arbeid
                        wegens ziekte en er geen aanspraak bestaat op een uitkering krachtens de
                            <extref doc="1.0:v:BWBR0001888" struct="BWB">Ziektewet</extref>.</al><al>Lid 3</al><al>Het in het eerste lid gestelde geldt niet in het geval het recht op
                        uitkering krachtens <extref doc="1.0:v:BWBR0004045&amp;artikel=20" struct="BWB">artikel 20, lid 1, onderdeel e van de
                            Werkloosheidswet</extref> zou worden beëindigd wegens het verstrijken
                        van de uitkeringsduur. In dat geval eindigt het recht op uitkering na het
                        verstrijken van de uitkeringsduur van de aansluitende uitkering, berekend
                        overeenkomstig artikel 10a:16.</al><al>Artikel 10a:20a Nawerking Ziektewet en WAZ</al><al><cursief>Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op of na 1
                            juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid
                        1.)</cursief></al><al>Indien er op grond van de <extref doc="1.0:v:BWBR0001888" struct="BWB">Ziektewet</extref> dan wel op grond van de <extref doc="1.0:v:BWBR0013008" struct="BWB">Waz</extref> na aanvang van
                        de aansluitende uitkering recht ontstaat op een uitkering krachtens de
                            <extref doc="1.0:v:BWBR0001888" struct="BWB">Ziektewet</extref>,
                        respectievelijk de Waz, wordt deze uitkering in mindering gebracht op de
                        aansluitende uitkering.</al><al>Artikel 10a:21 Herleving van het recht op uitkering</al><al><cursief>Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op of na 1
                            juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid
                        1.)</cursief></al><al>Lid 1</al><al>De bepalingen in de <extref doc="1.0:v:BWBR0004045" struct="BWB">Werkloosheidswet</extref> betreffende de herleving van het recht op
                        uitkering zijn van overeenkomstige toepassing op de aansluitende
                        uitkering.</al><al>Lid 2</al><al><extref doc="1.0:v:BWBR0004045&amp;artikel=43" struct="BWB">Artikel 43
                            van de Werkloosheidswet</extref> en <extref doc="1.0:v:BWBR0004045&amp;artikel=50" struct="BWB">artikel 50 van
                            de Werkloosheidswet</extref>, zoals deze luidde voor inwerkingtreding
                        van de wet van 19 december 2003, Stb. 2003, 546, met betrekking tot de
                        verlenging van het recht op uitkering krachtens de Werkloosheidswet zijn
                        niet van overeenkomstige toepassing op de aansluitende uitkering.</al><al>Artikel 10a:22 Verplichtingen en sancties</al><al><cursief>Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op of na 1
                            juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid
                        1.)</cursief></al><al>Lid 1</al><al>Het verplichtingen- en sanctieregime van de <extref doc="1.0:v:BWBR0004045" struct="BWB">Werkloosheidswet</extref> is
                        van overeenkomstige toepassing op de aansluitende uitkering.</al><al>Lid 2</al><al>Tijdens ziekte is het verplichtingen- en sanctieregime van de <extref doc="1.0:v:BWBR0001888" struct="BWB">Ziektewet</extref> van
                        overeenkomstige toepassing op de aansluitende uitkering.</al><al>Artikel 10a:23 Anticumulatie</al><al><cursief>Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op of na 1
                            juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid
                        1.)</cursief></al><al><extref doc="1.0:v:BWBR0004045&amp;artikel=35" struct="BWB">Artikel 35
                            van de Werkloosheidswet</extref> is van overeenkomstige toepassing op de
                        aansluitende uitkering.</al><al>Artikel 10a:24 Scholing</al><al><cursief>Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op of na 1
                            juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid
                        1.)</cursief></al><al>De bepalingen met betrekking tot opleiding, scholing en onbeloonde
                        activiteiten, vastgelegd in de <extref doc="1.0:v:BWBR0004045" struct="BWB">Werkloosheidswet</extref>, zijn van overeenkomstige
                        toepassing op de aansluitende uitkering.</al><al>Artikel 10a:25 Uitkering bij overlijden</al><al><cursief>Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op of na 1
                            juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid
                        1.)</cursief></al><al>Lid 1</al><al>Zo spoedig mogelijk na het overlijden van betrokkene wordt in onder
                        overeenkomstige toepassing van <extref doc="1.0:v:BWBR0001888&amp;artikel=35" struct="BWB">artikel
                            35</extref> of <extref doc="1.0:v:BWBR0001888&amp;artikel=36" struct="BWB">artikel 36, eerste lid, Ziektewet</extref> een
                        overlijdensuitkering toegekend, met dien verstande dat het bedrag van beide
                        uitkeringen tezamen gelijk is aan 100% van het voor betrokkene geldende
                        dagloon, berekend over een periode van 13 weken.</al><al>Lid 2</al><al>Op de uitkering als bedoeld in dit artikel wordt in mindering gebracht het
                        bedrag van de uitkering waarop de nagelaten betrekkingen van de betrokkene
                        ter zake van diens overlijden aanspraak kunnen maken uit hoofde van een
                        andere bepaling in een gemeentelijke rechtspositieregeling, dan wel
                        krachtens enige wettelijk voorgeschreven verzekering tegen ziekte.</al><al>Artikel 10a:25a Grensarbeiders</al><al><cursief>Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op of na 1
                            juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid
                        1.)</cursief></al><al>Lid 1</al><al>Na het verstrijken van de duur van een uitkering op grond van artikel
                        10a:13a heeft de betrokkene recht op de aansluitende uitkering waarop hij
                        recht zou hebben gehad als hij in Nederland zou hebben gewoond.</al><al>Lid 2</al><al>Op de uitkering op grond van dit artikel is artikel 10a:13a, tweede, vijfde
                        en zesde lid, van overeenkomstige toepassing.</al><al>Paragraaf 4 Bovenwettelijke reïntegratiemaatregelen</al><lijst><li nr=""><al>Artikel 10a:26 Regeling tegemoetkoming verhuiskosten</al></li><li nr=""><al>Artikel 10a:27 Regeling tegemoetkoming verhuiskosten</al></li><li nr=""><al>Artikel 10a:28 Reïntegratietoeslag</al></li><li nr=""><al>Artikel 10a:29 Reïntegratietoeslag</al></li><li nr=""><al>Artikel 10a:30 Reïntegratietoeslag</al></li><li nr=""><al>Artikel 10a:31 Reïntegratietoeslag</al></li><li nr=""><al>Artikel 10a:32 Reïntegratiepremie</al></li><li nr=""><al>Artikel 10a:33 Reïntegratiepremie</al></li><li nr=""><al>Artikel 10a:34 Reïntegratiepremie</al></li></lijst><al>Artikel 10a:26 Regeling tegemoetkoming verhuiskosten</al><al><cursief>Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op of na 1
                            juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid
                        1.)</cursief></al><al>Lid 1</al><al>Aan de betrokkene die elders arbeid of een bedrijf ter hand gaat nemen en
                        recht heeft of zou krijgen op een bovenwettelijke werkloosheidsuitkering
                        indien hij geen betrekking zou hebben aanvaard of bedrijf ter hand zou
                        hebben genomen, kan op zijn aanvraag een vergoeding van € 2.270,- worden
                        toegekend als tegemoetkoming in de kosten van een daartoe noodzakelijke
                        verhuizing.</al><al>Lid 2</al><al>Indien de betrokkene uit anderen hoofde eveneens een tegemoetkoming in de
                        verhuiskosten krijgt, wordt deze vergoeding op de in het eerste lid genoemde
                        tegemoetkoming in mindering gebracht.</al><al>Artikel 10a:27 Regeling tegemoetkoming verhuiskosten</al><al><cursief>Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op of na 1
                            juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid
                        1.)</cursief></al><al>Lid 1</al><al>Om voor een verhuiskostenvergoeding op basis van artikel 10a:26 in
                        aanmerking te komen dient de uitkeringsgerechtigde:</al><lijst><li nr="a."><al>de werkloosheid door het ter hand nemen van arbeid of bedrijf met
                                tenminste 50% met een minimum van vijf uur te verminderen;</al></li><li nr="b."><al>te verhuizen binnen zes maanden na de vermindering van de
                                werkloosheid, doch uiterlijk drie maanden voor de oorspronkelijk
                                vastgestelde beëindigingsdatum van de uitkeringsperiode;</al></li><li nr="c."><al>arbeid te aanvaarden voor onbepaalde tijd of voor bepaalde tijd met
                                een duur van minimaal één jaar, blijkend uit de overlegging van het
                                arbeidscontract;</al></li><li nr="d."><al>zich binnen een afstand van 25 kilometer van de standplaats van de
                                nieuwe arbeid te vestigen, terwijl de afstand tussen deze
                                standplaats en de oude woning tenminste 50 kilometer moet
                                bedragen;</al></li><li nr="e."><al>schriftelijk te melden of hij een vergoeding uit anderen hoofde
                                ontvangt en te verklaren dat hij geen bezwaar heeft als de
                                uitvoeringsinstelling bij de nieuwe werkgever deze melding
                                verifieert en de uitvoeringsinstelling vaststelt dat de
                                uitkeringsgerechtigde is verhuisd.</al></li></lijst><al>Lid 2</al><al>Het recht op de tegemoetkoming in de verhuiskosten ontstaat eerst als
                        vaststaat dat de uitkeringsgerechtigde daadwerkelijk is verhuisd.</al><al>Artikel 10a:28 Reïntegratietoeslag</al><al><cursief>Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op of na 1
                            juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid
                        1.)</cursief></al><al>Lid 1</al><al>Betrokkene heeft op aanvraag recht op een reïntegratietoeslag indien:</al><lijst><li nr="a."><al>hij een dienstbetrekking in de zin van de <extref doc="1.0:v:BWBR0004045" struct="BWB">Werkloosheidswet</extref> aanvaardt en</al></li><li nr="b."><al>het dagloon verbonden aan de nieuwe dienstbetrekking lager is dan
                                90% van de in artikel 10a:3 genoemde berekeningsgrondslag, met
                                inachtneming van het tweede lid.</al></li></lijst><al>Lid 2</al><al>De reïntegratietoeslag dient binnen 10 weken nadat de nieuwe
                        dienstbetrekking is aanvaard te worden aangevraagd bij het college.</al><al>Lid 3</al><al>Indien de omvang in uren van de nieuwe dienstbetrekking kleiner is dan de
                        omvang van de oude betrekking, heeft betrokkene recht op een
                        reïntegratietoeslag, mits het dagloon omgerekend naar de omvang van de oude
                        betrekking lager is dan 90% van de in artikel 10a:3 genoemde
                        berekeningsgrondslag.</al><al>Lid 4</al><al>Indien de in het eerste lid genoemde dienstbetrekking van tijdelijke aard
                        is, dient zij voor de duur van minimaal één jaar te zijn
                        overeengekomen.</al><al>Lid 5</al><al>In gevallen waarin <extref doc="1.0:v:BWBR0004045&amp;artikel=35" struct="BWB">artikel 35 van de Werkloosheidswet</extref> of artikel
                        10a:32 van de CAR van toepassing is, is er geen recht op de in het eerste
                        lid genoemde reïntegratietoeslag.</al><al>Artikel 10a:29 Reïntegratietoeslag</al><al><cursief>Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op of na 1
                            juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid
                        1.)</cursief></al><al>Lid 1</al><al>De duur van de reïntegratietoeslag is negen maanden voor elk vol jaar dat de
                        betrokkene nog recht zou hebben op een aanvullende en/of aansluitende
                        uitkering indien betrokkene de nieuwe betrekking niet zou hebben
                        verkregen.</al><al>Lid 2</al><al>Voor de bepaling van de duur van de reïntegratietoeslag op basis van het
                        eerste lid wordt het aantal jaren dat de betrokkene nog recht zou hebben op
                        een bovenwettelijke uitkering op hele jaren naar beneden afgerond.</al><al>Artikel 10a:30 Reïntegratietoeslag</al><al><cursief>Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op of na 1
                            juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid
                        1.)</cursief></al><al>Lid 1</al><al>De reïntegratietoeslag wordt beëindigd:</al><lijst><li nr="a."><al>indien de voor betrokkene berekende duur is verstreken;</al></li><li nr="b."><al>indien betrokkene geheel werkloos wordt in de nieuwe
                                betrekking;</al></li><li nr="c."><al>indien de inkomsten uit de nieuwe betrekking gedurende drie maanden
                                het in artikel 10a:31 opgenomen niveau van de reïntegratietoeslag te
                                boven zijn gegaan.</al></li></lijst><al>Lid 2</al><al>Onder gehele werkloosheid in de zin van het eerste lid, onderdeel b wordt de
                        situatie verstaan waarin de betrokkene die in de nieuwe betrekking per
                        kalenderweek:</al><lijst><li nr="a."><al>ten minste acht uren werkte zoveel arbeidsuren per kalenderweek
                                heeft verloren dat er minder dan vijf arbeidsuren resteren of;</al></li><li nr="b."><al>minder dan acht uren werkte zoveel arbeidsuren per kalenderweek
                                heeft verloren dat er minder dan de helft van de arbeidsuren
                                resteren.</al></li></lijst><al>Lid 3</al><al>Indien betrokkene gedeeltelijk werkloos wordt in de nieuwe betrekking,
                        blijft de reïntegratietoeslag gelden voor die uren waarvoor betrokkene nog
                        werkzaamheden verricht. De toeslag wordt dan naar rato uitgekeerd.</al><al>Lid 4</al><al>De uitkeringsgerechtigde dient aan het einde van elke maand een overzicht te
                        verschaffen van de inkomsten uit de nieuwe dienstbetrekking die hij in die
                        maand heeft genoten. Op basis van dit overzicht wordt bepaald of er een
                        recht op een reïntegratietoeslag is en zo ja, hoe hoog die toeslag dient te
                        zijn.</al><al>Lid 5</al><al>Indien het recht op reïntegratietoeslag op grond van het eerste lid,
                        onderdeel c is beëindigd, kan dit recht niet meer herleven.</al><al>Artikel 10a:31 Reïntegratietoeslag</al><al><cursief>Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op of na 1
                            juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid
                        1.)</cursief></al><al>Lid 1</al><al>De reïntegratietoeslag vult de inkomsten uit de nieuwe betrekking aan tot
                        90% van de in artikel 10a:3 genoemde berekeningsgrondslag.</al><al>Lid 2</al><al>Indien er sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 10a:28, derde
                        lid, vult de reïntegratietoeslag de inkomsten uit de nieuwe betrekking,
                        omgerekend naar de omvang van de oude betrekking, naar rato aan tot 90% van
                        de in artikel 10a:3 genoemde berekeningsgrondslag.</al><al>Artikel 10a:32 Reïntegratiepremie</al><al><cursief>Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op of na 1
                            juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid
                        1.)</cursief></al><al>Lid 1</al><al>Op verzoek van de betrokkene kan een reïntegratiepremie worden toegekend
                        indien:</al><lijst><li nr="a."><al>betrokkene een aanvullende en/of aansluitende uitkering wegens
                                werkloosheid geniet en;</al></li><li nr="b."><al>hij arbeid voor onbepaalde tijd ter hand gaat nemen of bedrijf gaat
                                uitoefenen, waardoor de werkloosheid volledig wordt opgeheven.</al></li></lijst><al>Lid 2</al><al>Het verzoek tot toekenning van de reïntegratiepremie dient uiterlijk 10
                        weken na beëindiging van de uitkering op basis van de <extref doc="1.0:v:BWBR0004045" struct="BWB">Werkloosheidswet</extref>
                        door betrokkene te worden ingediend.</al><al>Lid 3</al><al>Toekenning van een reïntegratiepremie is alleen mogelijk indien het verzoek
                        betrekking heeft op de gehele bovenwettelijke uitkering.</al><al>Lid 4</al><al>Indien op verzoek van betrokkene een reïntegratiepremie wordt toegekend,
                        wordt het recht op een maandelijks te betalen bovenwettelijke uitkering door
                        het recht op een bedrag ineens vervangen en vervallen daarmee de opgebouwde
                        rechten van betrokkene op een bovenwettelijke uitkering. De artikelen 10a:7,
                        10a:8 en 10a:21 zijn dan niet van toepassing.</al><al>Lid 5</al><al>Indien het recht op de aanvullende en/of aansluitende uitkering wegens
                        werkloosheid krachtens artikel 10a:7 of artikel 10a:21 herleeft voordat een
                        besluit over het verzoek van betrokkene omtrent de toekenning van een
                        reïntegratiepremie genomen is, wordt negatief besloten op dit verzoek.</al><al>Artikel 10a:33 Reïntegratiepremie</al><al><cursief>Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op of na 1
                            juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid
                        1.)</cursief></al><al>Lid 1</al><al>De berekeningsgrondslag van de reïntegratiepremie is de som van de
                        maandelijkse aanspraken op bovenwettelijke uitkering waarop betrokkene nog
                        recht zou hebben gehad, indien hij geen nieuwe dienstbetrekking had aanvaard
                        en gedurende de gehele resterende periode waarin hij nog aanspraak zou
                        hebben gehad op bovenwettelijke uitkering in dezelfde mate werkloos zou zijn
                        gebleven als dat hij is op de dag voorafgaande aan de indiensttreding bij de
                        nieuwe werkgever.</al><al>Lid 2</al><al>Voor de toekenning van een reïntegratiepremie wordt uitgegaan van de
                        berekeningsbasis op grond van het eerste lid zoals die op de datum van
                        toekenning van de premie wordt vastgesteld.</al><al>Lid 3</al><al>Op basis van de <extref doc="1.0:v:BWBR0004045" struct="BWB">Werkloosheidswet</extref> opgelegde sancties hebben geen invloed op de
                        berekeningsbasis van de reïntegratiepremie.</al><al>Artikel 10a:34 Reïntegratiepremie</al><al><cursief>Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op of na 1
                            juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid
                        1.)</cursief></al><al>De reïntegratiepremie bedraagt 5% van de in artikel 10a:33 genoemde
                        berekeningsgrondslag, met als maximum een bedrag van 130 maal het dagloon
                        van de betrokkene.</al><al>Paragraaf 5 Overgangsbepalingen</al><lijst><li nr=""><al>Artikel 10a:35 Vervallen</al></li><li nr=""><al>Artikel 10a:36 Overige en slotbepalingen</al></li><li nr=""><al>Artikel 10a:37 Overige en slotbepalingen</al></li><li nr=""><al>Artikel 10a:38 Slotbepaling</al></li></lijst><al>Artikel 10a:35 Vervallen</al><al>(Vervallen)</al><al>Artikel 10a:36 Overige en slotbepalingen</al><al><cursief>Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op of na 1
                            juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid
                        1.)</cursief></al><al>Indien het niveau van de uitkering krachtens de <extref doc="1.0:v:BWBR0004045" struct="BWB">Werkloosheidswet</extref> een
                        algemene neerwaartse wijziging ondergaat, wordt deze neerwaartse wijziging,
                        tenzij de LOGA-partners anders overeenkomen, binnen zes maanden na datum van
                        het Staatsblad, waarin de maatregel is gepubliceerd, op overeenkomstige
                        wijze ten aanzien van de aanvullende en aansluitende uitkering doorgevoerd
                        vanaf de in het Staatsblad vermelde datum van inwerkingtreding van bedoelde
                        maatregel, doch niet eerder dan zes maanden na de datum van het
                        Staatsblad.</al><al>Artikel 10a:37 Overige en slotbepalingen</al><al><cursief>Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op of na 1
                            juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid
                        1.)</cursief></al><al>Dit hoofdstuk treedt in werking met ingang van 1 januari 2001.</al><al>Artikel 10a:38 Slotbepaling</al><al>Lid 1</al><al>Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op of na 1 juli
                        2008 wordt ontslagen.</al><al>Lid 2</al><al>Bij verwijzingen in dit hoofdstuk naar artikelen uit de CAR en UWO moet,
                        voor zover niet anders is bepaald, worden uitgegaan van de tekst van deze
                        artikelen, zoals deze luidden op 30 juni 2008.</al><al>10d Van werk naar werk-aanpak en voorzieningen bij werkloosheid</al><al>Paragraaf 1 Werkingssfeer en begripsbepalingen</al><lijst><li nr=""><al>Artikel 10d:1 Werkingssfeer</al></li><li nr=""><al>Artikel 10d:2 Begripsbepalingen</al></li></lijst><al>Artikel 10d:1 Werkingssfeer</al><al>Dit hoofdstuk is van toepassing op de ambtenaar die als gevolg van een
                        organisatieverandering boventallig is geworden of op grond van, 8:5, 8:6 of
                        8:8 ontslagen wordt en de ambtenaar die op grond van artikel 8:3, 8:5, 8:6
                        of 8:8 ontslagen is.</al><al>Artikel 10d:2 Begripsbepalingen</al><al>Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al><vet>aanvullende uitkering</vet> uitkering tijdens de
                                werkloosheidsuitkering;</al></li><li nr="b."><al><vet>bezoldiging</vet> het gemiddelde van de bezoldiging als bedoeld
                                in artikel 3:1, berekend over een periode van 12 maanden direct
                                voorafgaand aan de start van de re-integratiefase of de start van
                                het Van werk naar werk-traject, vermeerderd met de vakantietoelage
                                en de eindejaarsuitkering; deze wordt geïndexeerd met de generieke
                                salarisverhoging in de gemeentelijke sector;</al></li><li nr="c."><al><vet>gemeentelijke sector</vet> de gemeenten en gemeenschappelijke
                                regelingen, die de CAR van toepassing hebben verklaard;</al></li><li nr="d."><al><vet>boventalligheid:</vet> de situatie dat een ambtenaar wegens
                                reorganisatie niet kan terugkeren in de formatie na de
                                reorganisatie;</al></li><li nr="e."><al><vet>na-wettelijke uitkering</vet> de uitkering na afloop van de
                                werkloosheidsuitkering;</al></li><li nr="f."><al><vet>werkloosheid</vet> werkloosheid als bedoeld in de <extref doc="1.0:v:BWBR0004045" struct="BWB">Werkloosheidswet</extref>, waarbij het arbeidsurenverlies
                                voortvloeit uit de beëindiging van de aanstelling of
                                arbeidsovereenkomst bij de gemeente;</al></li><li nr="g."><al><vet>werkloosheidsuitkering</vet> uitkering op grond van de <extref doc="1.0:v:BWBR0004045" struct="BWB">Werkloosheidswet</extref>, welke uitkering voortvloeit uit de
                                aanstelling of arbeidsovereenkomst met de gemeente.</al></li></lijst><al>Paragraaf 2 Samenloop met lokale afspraken</al><al>Artikel 10d:3 Samenloop met lokale afspraken</al><al>Artikel 10d:3 Samenloop met lokale afspraken</al><al>Lid 1</al><al>Er kunnen lokaal aanvullende afspraken worden gemaakt op de bepalingen in
                        dit hoofdstuk.</al><al>Lid 2</al><al>Wanneer voor 26 juni 2012 lokaal andere afspraken zijn overeengekomen, dan
                        die in dit hoofdstuk zijn gesteld, bespreken college en vakorganisaties in
                        de Commissie voor Georganiseerd Overleg wanneer tot herziening zal worden
                        overgegaan van deze lokale afspraken.</al><al>Paragraaf 3 Rechten bij ontslag op grond van artikel 8:8</al><al>Artikel 10d:4 Rechten bij ontslag op grond van artikel 8:8</al><al>Artikel 10d:4 Rechten bij ontslag op grond van artikel 8:8</al><al>Lid 1</al><al>Voor de ambtenaar die op grond van artikel 8:8 ontslagen wordt, treft het
                        college een passende regeling.</al><al>Lid 2</al><al>De ambtenaar wordt over de inhoud van de regeling voorafgaand door het
                        college gehoord.</al><al>Lid 3</al><al>Het college betrekt bij de vaststelling van de regeling de inhoud van de
                        paragraaf over aanvullende uitkering bij ontslag uit dit hoofdstuk, voor
                        zover dit redelijk en billijk is.</al><al>Paragraaf 4 Procedure van re-integratie bij ontslag op grond van
                        onbekwaamheid of ongeschiktheid (art 8:6)</al><lijst><li nr=""><al>Artikel 10d:5 Begripsbepalingen</al></li><li nr=""><al>Artikel 10d:6 Re-integratiefase voor ontslag</al></li><li nr=""><al>Artikel 10d:7 Einde re-integratiefase</al></li><li nr=""><al>Artikel 10d:8 Verlenging reïntegratiefase bij nalatigheid
                                gemeente</al></li><li nr=""><al>Artikel 10d:9 Verlenging re-integratiefase door middel van
                                levensloop</al></li><li nr=""><al>Artikel 10d:10 Re-integratieplan</al></li></lijst><al>Artikel 10d:5 Begripsbepalingen</al><al>Voor de toepassing van deze paragraaf wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al><vet>re-integratiefase: </vet> de fase voorafgaand aan ontslag,
                                waarin door middel van een reintegratieplan afspraken worden gemaakt
                                over de wijze waarop de re-integratie van de ambtenaar het best tot
                                stand kan komen en hieraan uitvoering wordt gegeven met als doel
                                werkloosheid zoveel als mogelijk te voorkomen; </al></li><li nr="b."><al><vet> re-integratieplan:</vet> het plan van aanpak waarin de
                                re-integratie-inspanningen van gemeente en de ambtenaar beschreven
                                staan, die tot doel hebben de re-integratie van de ambtenaar te
                                bevorderen; </al></li></lijst><al>Artikel 10d:6 Re-integratiefase voor ontslag</al><al>Lid 1</al><al>De ambtenaar die ontslagen wordt op grond van artikel 8:6 heeft recht op een
                        re-integratiefase.</al><al>Lid 2</al><al>De re-integratiefase begint met een besluit tot ontslag op grond van artikel
                        8:6.</al><al>Lid 3</al><al>De re-integratiefase gaat in op de eerste werkdag na verzending of
                        overhandiging van het besluit tot ontslag.</al><al>Lid 4</al><al>De re-integratiefase is afhankelijk van de duur van het dienstverband bij de
                        gemeente,waaruit ontslag plaatsvindt. Hierbij wordt de duur van het
                        dienstverband gerekend vanaf de datum van indiensttreding bij de gemeente,
                        waaruit ontslag plaatsvindt, tot de datum van de start van de
                        re-integratiefase. </al><al>Lid 5</al><al>De duur van de re-integratiefase bedraagt bij een dienstverband van: </al><lijst><li nr="a."><al> 2 tot 10 jaar 4 maanden</al></li><li nr="b."><al> 10 tot 15 jaar 8 maanden </al></li><li nr="c."><al> 15 jaar of meer 12 maanden. </al></li></lijst><al>Artikel 10d:7 Einde re-integratiefase</al><al>Lid 1</al><al>De re-integratiefase eindigt eerder dan na afloop van de voor de ambtenaar
                        geldende termijn, indien de ambtenaar voor het aflopen van deze fase al dan
                        niet in deeltijd een andere functie binnen of buiten de gemeente
                        aanvaardt.</al><al>Lid 2</al><al>De re-integratiefase eindigt eerder en het ontslag op grond van artikel 8:6
                        gaat direct in, indien de ambtenaar zich tijdens de re-integratiefase niet
                        houdt aan de afspraken uit het re-integratieplan.</al><al>Lid 3</al><al>Indien de re-integratiefase eerder eindigt om de in het tweede lid genoemde
                        reden, vervallen de rechten op een aanvullende uitkering en een
                        na-wettelijke uitkering. </al><al>Artikel 10d:8 Verlenging reïntegratiefase bij nalatigheid gemeente</al><al>Lid 1</al><al>De re-integratiefase wordt verlengd wanneer het college zich tijdens de
                        re-integratiefase niet houdt aan de afspraken uit het
                        re-integratieplan.</al><al>Lid 2</al><al>De verlenging duurt minimaal een maand en maximaal de helft van de
                        oorspronkelijke reintegratiefase.</al><al>Lid 3</al><al>Tijdens de verlengde re-integratiefase herstelt het college de nalatigheid
                        naar de mate waarin dat mogelijk is.</al><al>Lid 4</al><al>Tijdens de verlengde re-integratiefase blijven de gemaakte afspraken uit het
                        reintegratieplan van kracht.</al><al>Artikel 10d:9 Verlenging re-integratiefase door middel van levensloop</al><al>Lid 1</al><al>De ambtenaar kan het college verzoeken de re-integratiefase met maximaal 12
                        maanden te verlengen door gebruik te maken van de mogelijkheid van onbetaald
                        verlof als bedoeld in artikel 6:9.</al><al>Lid 2</al><al>Het college stemt alleen in met het verzoek indien de ambtenaar tijdens de
                        reintegratiefase redelijkerwijs niet heeft kunnen voldoen aan zijn
                        re-integratieverplichtingen en indien:</al><lijst><li nr="a."><al>onbetaald verlof wordt opgenomen voor de volledige arbeidsduur;
                                en</al></li><li nr="b."><al> de ambtenaar tijdens het onbetaald verlof levenslooptegoed opneemt
                                op grond van de gemeentelijke levensloopregeling; en</al></li><li nr="c."><al> tijdens de verlengde re-integratiefase activiteiten worden
                                ondernomen of voortgezet die de re-integratie bevorderen.</al></li></lijst><al>Lid 3</al><al>Het college en de ambtenaar maken nadere afspraken over de voorwaarden
                        waaronder de inspanningen van het college en de ambtenaar, zoals deze zijn
                        neergelegd in het reintegratieplan, tijdens de verlenging van de
                        re-integratiefase worden voortgezet.</al><al>Lid 4</al><al>Artikel 10d:7 is tijdens de verlenging van de re-integratiefase van
                        overeenkomstige toepassing.</al><al>Artikel 10d:10 Re-integratieplan</al><al>Lid 1</al><al>Het college stelt zo spoedig mogelijk maar uiterlijk binnen een maand na
                        aanvang van de re-integratiefase een re-integratieplan op. </al><al>Lid 2</al><al>De ambtenaar wordt over de inhoud van het plan voorafgaand door het college
                        gehoord. </al><al>Lid 3</al><al>In het re-integratieplan worden afspraken opgenomen over de
                        re-integratie-inspanningen die van het college en de ambtenaar verlangd
                        worden. In het re-integratieplan staan in ieder geval afspraken over: </al><lijst><li nr="•"><al> verlof, voor zover dat nodig is, voor activiteiten die neergelegd
                                zijn in het reintegratieplan;</al></li><li nr="•"><al> scholing, indien die gevolgd gaat worden, welke scholing, het begin
                                van die scholing, het einde van die scholing, de betaling en de te
                                behalen resultaten;</al></li><li nr="•"><al>opstellen arbeidsmarktprofiel; </al></li><li nr="•"><al> sollicitatieactiviteiten.</al></li></lijst><al>Lid 4</al><al>In het re-integratieplan worden afspraken gemaakt over de kosten voor de
                        verschillende activiteiten uit het re-integratieplan. De kosten voor de
                        activiteiten uit het re-integratieplan komen, mits redelijk en billijk,
                        volledig voor rekening van het college, met een maximum van € 7.500,=.</al><al>Paragraaf 5 Van werk naar werk-begeleiding bij boventalligheid</al><al><vet>Toelichting</vet> In deze paragraaf zijn de nieuwe bepalingen opgenomen
                        voortvloeiende uit het Cao-akkoord 2011-2012.</al><lijst><li nr=""><al><vet>Algemene bepalingen</vet></al></li><li nr=""><al>Artikel 10d:11 Toepassingsbereik</al></li><li nr=""><al>Artikel 10d:12 Duur van een Van werk naar werk-traject</al></li><li nr=""><al>Artikel 10d:13 Inspanningsverplichting</al></li><li nr=""><al>Artikel 10d:14 Start Van werk naar werk-traject</al></li><li nr=""><al><vet>Inhoud Van werk naar werk-traject</vet></al></li><li nr=""><al>Artikel 10d:15 Van werk naar werk-onderzoek</al></li><li nr=""><al>Artikel 10d:16 Van werk naar werk-contract</al></li><li nr=""><al>Artikel 10d:17 Uitvoering van het Van werk naar werk-contract</al></li><li nr=""><al><vet>Verlenging en einde Van werk naar werk-traject</vet></al></li><li nr=""><al>Artikel 10d:18 Einde Van werk naar werk-traject</al></li><li nr=""><al>Artikel 10d:19 Tussentijdse beëindiging</al></li><li nr=""><al>Artikel 10d:20 Advies loopbaanadviseur</al></li><li nr=""><al>Artikel 10d:21 Reguliere beëindiging Van werk naar werk-traject</al></li><li nr=""><al>Artikel 10d:22 Verlenging Van werk naar werk-traject</al></li><li nr=""><al>Artikel 10d:23 Niet-nakoming van afspraken uit Van werk naar
                                werk-contract</al></li><li nr=""><al><vet>Paritaire commissie voor toezicht op Van werk naar
                                    werk-trajecten</vet></al></li><li nr=""><al>Artikel 10d:24 Paritaire commissie</al></li></lijst><al>Artikel 10d:11 Toepassingsbereik</al><al>Deze paragraaf is van toepassing op de ambtenaar die door het college
                        boventallig wordt verklaard, en die op de datum waarop deze boventalligheid
                        ingaat, een dienstverband van tenminste twee jaar heeft bij de betreffende
                        gemeente.</al><al>Artikel 10d:12 Duur van een Van werk naar werk-traject</al><al>De boventallig verklaarde ambtenaar heeft recht op een Van werk naar
                        werk-traject dat maximaal twee jaar duurt, tenzij het college besluit tot
                        verlenging op grond van artikel 10d:20 en artikel 10d:22.</al><al>Artikel 10d:13 Inspanningsverplichting</al><al>In het Van werk naar werk-traject leveren zowel de boventallig verklaarde
                        ambtenaar als het college een actieve bijdrage aan de uitvoering van het Van
                        werk naar werk-traject. De Van werk naar werk-inspanningen zijn gericht op
                        plaatsing van de ambtenaar in een passende dan wel geschikte functie, of
                        aanvaarding door de ambtenaar van een functie buiten de gemeente.</al><al>Artikel 10d:14 Start Van werk naar werk-traject</al><al>Het Van werk naar werk-traject start op de dag waarop het besluit tot
                        boventalligverklaring in werking is getreden.</al><al>Artikel 10d:15 Van werk naar werk-onderzoek</al><al>Lid 1 </al><al>Om richting te geven aan het Van werk naar werk-traject onderzoeken college
                        en ambtenaar gezamenlijk de wensen en ontwikkelingsmogelijkheden van de
                        ambtenaar, binnen en buiten de gemeente. Hierbij worden tevens de kansen van
                        de ambtenaar op de regionale arbeidsmarkt onderzocht. </al><al>Lid 2</al><al>Bij het in het eerste lid bedoelde onderzoek kan een gecertificeerd
                        loopbaanadviseur worden ingeschakeld.</al><al>Lid 3</al><al>Het Van werk naar werk-onderzoek kan van start gaan vóór de datum waarop het
                        Van werk naar werk-traject begint en is uiterlijk binnen een maand na die
                        datum afgerond.</al><al>Artikel 10d:16 Van werk naar werk-contract</al><al>Lid 1 </al><al>Binnen drie maanden na afronding van het Van werk naar werk-onderzoek
                        stellen college en ambtenaar een Van werk naar werk-contract op. </al><al>Lid 2</al><al>Het in het eerste lid bedoelde contract bevat de doelen, de voorzieningen
                        die nodig zijn om deze doelen te bereiken, nadere afspraken en daaraan
                        verbonden termijnen.</al><al>Lid 3</al><al>Afspraken kunnen worden gemaakt over:</al><lijst><li nr="•"><al> het al dan niet toekennen van professionele begeleiding en de
                                tijdsduur daarvan; </al></li><li nr="•"><al> het al dan niet elders opdoen van werkervaring;</al></li><li nr="•"><al> de werkzaamheden die de ambtenaar gedurende het Van werk naar
                                werk-traject verricht; </al></li><li nr="•"><al>het al dan niet volgen van een opleiding en het daarvoor beschikbare
                                budget;</al></li><li nr="•"><al> eventuele beperkingen van de ambtenaar, die zijn gebleken uit het
                                Van werk naar werk-onderzoek;</al></li><li nr="•"><al> de tijd die de ambtenaar beschikbaar heeft voor
                                sollicitatieactiviteiten en andere inspanningen gericht op het
                                vinden van een nieuwe werkkring. Deze tijd bedraagt tenminste 20%
                                van de omvang van de aanstelling; </al></li><li nr="•"><al> het al dan niet gebruik maken van specifieke flankerende
                                voorzieningen, zoals bedoeld in het artikel 17:7.</al></li></lijst><al>Lid 4</al><al>De noodzakelijke kosten van het Van werk naar werk-traject komen tot een
                        bedrag van € 7.500,- voor rekening van het college. Ten aanzien van kosten
                        die dit bedrag overstijgen neemt het college een afzonderlijk besluit.</al><al>Artikel 10d:17 Uitvoering van het Van werk naar werk-contract</al><al>Vanaf de start van de uitvoering van het Van werk naar werk-contract wordt
                        de nakoming van de wederzijds gemaakte afspraken gevolgd. Iedere drie
                        maanden wordt de voortgang in het traject geëvalueerd. Hiervan wordt een
                        verslag opgemaakt.</al><al>Artikel 10d:18 Einde Van werk naar werk-traject</al><al>Het Van werk naar werk-traject eindigt op het moment dat de ambtenaar - al
                        dan niet in deeltijd - een andere functie binnen of buiten de gemeente
                        aanvaardt, op grond van ontslag op eigen verzoek of ontslag om een andere
                        reden.</al><al>Artikel 10d:19 Tussentijdse beëindiging</al><al>Lid 1 </al><al>Het Van werk naar werk-traject eindigt, indien de ambtenaar plaatsing in een
                        passende of geschikte functie binnen de gemeente of de aanvaarding van een
                        aangeboden functie buiten de gemeente weigert. </al><al>Lid 2</al><al>Het college kan eveneens besluiten tot tussentijdse beëindiging van het Van
                        werk naar werk-traject en ontslag, indien de ambtenaar zich niet houdt aan
                        de afspraken uit het Van werk naar werk-contract.</al><al>Lid 3</al><al>Indien het Van werk naar werk-traject eerder eindigt om de in het eerste of
                        tweede lid genoemde reden, wordt de ambtenaar ontslag verleend op grond van
                        artikel 8:3 met ingang van de dag volgend op die waarop het Van werk naar
                        werk-traject is beëindigd. In dit geval kan het college aangeven dat sprake
                        is van verwijtbare werkloosheid en vervallen de rechten op een aanvullende
                        uitkering en een na-wettelijke uitkering.</al><al>Artikel 10d:20 Advies loopbaanadviseur</al><al>Lid 1 </al><al>Indien het Van werk naar werk-traject na verloop van 21 maanden sinds de
                        start ervan niet met een positief resultaat is afgesloten of om een andere
                        reden is beëindigd, brengt een gecertificeerd loopbaanadviseur binnen een
                        maand een advies uit aan het college over het vervolgtraject. Hierbij worden
                        in ieder geval de evaluatieverslagen als bedoeld in artikel 10d:17 in acht
                        genomen. De ambtenaar ontvangt een afschrift van het advies. </al><al>Lid 2</al><al>Het advies bedoeld in het eerste lid gaat in op de vraag of voortzetting van
                        het Van werk naar werk-traject zinvol is, gelet op de vooruitzichten op
                        korte termijn en de mate waarin voortzetting de kans op een passende of
                        geschikte functie binnen afzienbare termijn vergroot.</al><al>Lid 3</al><al>Het college beslist of het advies van de loopbaanadviseur wel of niet wordt
                        overgenomen.</al><al>Artikel 10d:21 Reguliere beëindiging Van werk naar werk-traject</al><al>Lid 1 </al><al>Na ontvangst van het advies van de loopbaanadviseur beslist het college over
                        het vervolg van het Van werk naar werk-traject, en stelt de ambtenaar in
                        kennis van deze beslissing. </al><al>Lid 2</al><al>Indien het Van werk naar werk-traject na verloop van 24 maanden niet wordt
                        voortgezet wordt de ambtenaar ontslag verleend op grond van artikel
                        8:3.</al><al>Lid 3</al><al>Het ontslag als bedoeld in het tweede lid gaat in op de eerste dag na afloop
                        van de Van werk naar werk-termijn van twee jaar.</al><al>Artikel 10d:22 Verlenging Van werk naar werk-traject</al><al>Lid 1 </al><al>Indien er zekerheid is, in de vorm van een schriftelijke toezegging van een
                        werkgever, dat binnen een half jaar een functie voor de ambtenaar kan worden
                        gevonden, of indien voortzetting van het Van werk naar werk-traject de kans
                        op het vinden van een passende of geschikte functie aantoonbaar vergroot,
                        kan het college besluiten het Van werk naar werk-traject te verlengen. Deze
                        verlenging beslaat een redelijke en nader gespecificeerde periode en kan
                        niet meer dan één keer worden verleend. </al><al>Lid 2</al><al>Indien aan het einde van de periode van verlenging het Van werk naar
                        werk-traject niet tussentijds is beëindigd, verleent het college de
                        ambtenaar ontslag op grond van artikel 8:3.</al><al>Lid 3</al><al>Het ontslag als bedoeld in het tweede lid gaat in op de eerste dag na afloop
                        van de periode waarmee het Van werk naar werk-traject is verlengd.</al><al>Artikel 10d:23 Niet-nakoming van afspraken uit Van werk naar werk-contract </al><al>Lid 1 </al><al>Indien één van beide partijen van mening is dat de andere partij zich niet
                        houdt aan de afspraken zoals vastgelegd in het Van werk naar werk-contract,
                        maakt deze partij dit aan de andere partij in een gesprek kenbaar. Dit
                        gesprek is erop gericht gezamenlijk afspraken te maken over verbetering. </al><al>Lid 2</al><al>Indien één van beide partijen na het gesprek zoals bedoeld in het eerste lid
                        in gebreke is gebleven ten aanzien van de in het Van werk naar werk-contract
                        vastgelegde afspraken kan de andere partij eisen dat dit gevolgen heeft voor
                        de voortzetting van het contract. Deze partij maakt dit schriftelijk aan de
                        andere partij kenbaar.</al><al>Lid 3</al><al>Ingeval de ambtenaar van het in het tweede lid bedoelde recht gebruik maakt,
                        kan hij eisen dat het Van werk naar werk-traject wordt verlengd. Deze
                        verlenging bedraagt een redelijke termijn, waarbij de periode die door de
                        niet-nakoming verloren is gegaan als richtlijn kan dienen. Gedurende de
                        periode van verlenging herstelt het college zoveel als mogelijk de gebreken
                        die bij de uitvoering van het Van werk naar werk-contract zijn
                        ontstaan.</al><al>Lid 4</al><al>Ingeval het college van het in het tweede lid bedoelde recht gebruik maakt,
                        kan hij het Van werk naar werk-traject tussentijds beëindigen op grond van
                        artikel 10d:19 tweede lid en ontslag verlenen op grond van artikel 8:3.</al><al>Lid 5</al><al>Indien over de nakoming van de afspraken in het Van werk naar werk-contract
                        of de mogelijkheden zoals vastgelegd in dit artikel een geschil ontstaat,
                        kunnen partijen dit geschil voorleggen aan de paritaire commissie.</al><al>Artikel 10d:24 Paritaire commissie</al><al>Lid 1 </al><al>Het college stelt een paritair samengestelde commissie in, die desgevraagd
                        toeziet op de individuele toepassing van de bepalingen in deze paragraaf. </al><al>Lid 2</al><al>Zowel de ambtenaar als het college kan een geschil over de uitvoering van
                        het Van werk naar werk-contract, als bedoeld in artikel 10d:23, vijfde lid,
                        voorleggen aan deze commissie.</al><al>Lid 3</al><al>De commissie brengt over een in het tweede lid bedoeld geschil een bindend
                        advies uit.</al><al>Lid 4</al><al>Het college stelt een reglement vast waarin de samenstelling, bevoegdheden
                        en werkwijze van de commissie worden vastgelegd.</al><al>Paragraaf 6 Aanvullende uitkering</al><lijst><li nr=""><al>Artikel 10d:25 Aanvullende uitkering</al></li><li nr=""><al>Artikel 10d:26 Hoogte aanvullende uitkering bij ontslag</al></li><li nr=""><al>Artikel 10d:27 Duur aanvullende uitkering bij ontslag</al></li><li nr=""><al>Artikel 10d:28 Sancties</al></li><li nr=""><al>Artikel 10d:29 Einde aanvullende uitkering</al></li></lijst><al>Artikel 10d:25 Aanvullende uitkering</al><al>Lid 1 </al><al>Recht op een aanvullende uitkering heeft de ambtenaar die: </al><lijst><li nr="a."><al>op grond van artikel 8:6 is ontslagen en de re-integratiefase heeft
                                doorlopen, waarbij de situatie zoals beschreven in artikel 10d:7
                                tweede en derde lid niet aan de orde is; of</al></li><li nr="b."><al>op grond van artikel 8:3 is ontslagen en het Van werk naar
                                werk-traject heeft doorlopen, waarbij de situatie zoals beschreven
                                in artikel 10d:19 niet aan de orde is; en</al></li><li nr="c."><al>recht heeft op een uitkering krachtens de <extref doc="1.0:v:BWBR0004045" struct="BWB">Werkloosheidswet</extref> en deze ook daadwerkelijk
                                ontvangt.</al></li></lijst><al>Lid 2</al><al>Voorwaarde voor het verkrijgen van een aanvullende uitkering is dat de
                        ambtenaar ten aanzien van iedere betaling van de aanvullende uitkering alle
                        gegevens aan de gemeente overlegt die van invloed kunnen zijn op de hoogte
                        van zijn aanvullende uitkering.</al><al>Artikel 10d:26 Hoogte aanvullende uitkering bij ontslag</al><al>Lid 1</al><al>De aanvullende uitkering kent twee fases.</al><al>Lid 2</al><al>Gedurende de eerste fase bedraagt de aanvullende uitkering:</al><lijst><li nr="a."><al>voor ambtenaren met een bezoldiging tot een bedrag van € 4.375,= 10%
                                van de bezoldiging naar rato van het aantal uren dat de ambtenaar
                                werkloos is;</al></li><li nr="b."><al> voor ambtenaren met een bezoldiging vanaf € 4.375,= tot een bedrag
                                van € 5.250,= 20% van de bezoldiging naar rato van het aantal uren
                                dat de ambtenaar werkloos is; </al></li><li nr="c."><al> voor ambtenaren met een bezoldiging vanaf € 5.250,= 30% van de
                                bezoldiging naar rato van het aantal uren dat de ambtenaar werkloos
                                is.</al></li></lijst><al>Lid 3</al><al>Gedurende de tweede fase bedraagt de aanvullende uitkering:</al><lijst><li nr="a."><al> voor ambtenaren met een bezoldiging van € 4.375,= tot een bedrag
                                van € 5.250,= 10% van de bezoldiging naar rato van het aantal uren
                                dat de ambtenaar werkloos is;</al></li><li nr="b."><al> voor ambtenaren met een bezoldiging van € 5.250,= tot een bedrag
                                van € 6.560,= 20% van de bezoldiging naar rato van het aantal uren
                                dat de ambtenaar werkloos is;</al></li><li nr="c."><al> voor ambtenaren met een bezoldiging vanaf € 6.560,= 30% van de
                                bezoldiging naar rato van het aantal uren dat de ambtenaar werkloos
                                is. .</al></li></lijst><al>Artikel 10d:27 Duur aanvullende uitkering bij ontslag</al><al>Lid 1</al><al>De eerste fase van de aanvullende uitkering is één jaar, te rekenen vanaf de
                        dag na de dag van ontslag.</al><al>Lid 2</al><al>De tweede fase van de aanvullende uitkering begint direct na afloop van de
                        eerste fase en duurt tot het einde van de werkloosheidsuitkering.</al><al>Artikel 10d:28 Sancties</al><al>Lid 1</al><al>Wanneer op grond van de <extref doc="1.0:v:BWBR0004045" struct="BWB">Werkloosheidswet</extref> een sanctie wordt toegepast op de
                        werkloosheidsuitkering, wordt deze sanctie evenredig toegepast op de
                        aanvullende uitkering.</al><al>Lid 2</al><al>Het college stelt voor de toepassing van sancties naast de sanctie op grond
                        van het eerste lid, een sanctiebeleid op.</al><al>Lid 3</al><al>Wanneer op grond van de <extref doc="1.0:v:BWBR0004045" struct="BWB">Werkloosheidswet</extref> een sanctie wordt toegepast kan het college
                        besluiten om het recht op na-wettelijke uitkering geheel of gedeeltelijk te
                        laten vervallen.</al><al>Lid 4</al><al>Het college stelt ter uitvoering van het derde lid nadere regels op.</al><al>Artikel 10d:29 Einde aanvullende uitkering</al><al>De aanvullende uitkering eindigt als de uitkeringsduur is verstreken.</al><al>Paragraaf 7 Na-wettelijke uitkering</al><lijst><li nr=""><al>Artikel 10d:30 Na-wettelijke uitkering</al></li><li nr=""><al>Artikel 10d:31 Hoogte na-wettelijke uitkering</al></li><li nr=""><al>Artikel 10d:32 Duur na-wettelijke uitkering</al></li><li nr=""><al>Artikel 10d:33 Einde na-wettelijke uitkering</al></li><li nr=""><al>Artikel 10d:34 Sancties na-wettelijke uitkering</al></li><li nr=""><al>Artikel 10d:35 Afkoop</al></li></lijst><al>Artikel 10d:30 Na-wettelijke uitkering</al><al>Lid 1</al><al>De ambtenaar die recht had op een aanvullende uitkering heeft recht op een
                        na-wettelijke uitkering indien: </al><lijst><li nr="a."><al> de werkloosheid direct aansluitend op de werkloosheidsuitkering
                                voortduurt;</al></li><li nr="b."><al> hij ten aanzien van iedere betaling alle gegevens aan de gemeente
                                overlegt die van invloed kunnen zijn op de hoogte van zijn
                                na-wettelijke uitkering. </al></li></lijst><al>Lid 2</al><al>Bij ontslag op grond van artikel 8:6 geldt als voorwaarde dat het ontslag
                        gelegen is in omstandigheden binnen de werksfeer.</al><al>Artikel 10d:31 Hoogte na-wettelijke uitkering</al><al>Lid 1</al><al>De na-wettelijke uitkering bij werkloosheid voor 36 uur of meer heeft de
                        hoogte van de WW-uitkering, als deze zou zijn voortgezet. </al><al>Lid 2</al><al>Wanneer sprake is van minder dan 36 uur werkloosheid, wordt het bedrag van
                        de uitkering berekend naar rato van het aantal uren dat de ambtenaar
                        werkloos is.</al><al>Lid 3</al><al>De na-wettelijke uitkering en het inkomen dat de ambtenaar uit of in verband
                        met arbeid ontvangt, mag een hoogte van 90% van de oude bezoldiging niet
                        overschrijden. Het meerdere wordt gekort op de na-wettelijke uitkering.</al><al>Artikel 10d:32 Duur na-wettelijke uitkering</al><al>De na-wettelijke uitkering is één maand per dienstjaar in de gemeentelijke
                        sector maal een correctiefactor. De correctiefactor is </al><lijst><li nr="a."><al> 1,4 voor dienstjaren tot de leeftijd van 40 jaar</al></li><li nr="b."><al> 2 voor dienstjaren vanaf de leeftijd van 40 tot de leeftijd van 50
                                jaar </al></li><li nr="c."><al> 3 voor dienstjaren vanaf de leeftijd van 50 jaar.</al></li></lijst><al>Artikel 10d:33 Einde na-wettelijke uitkering</al><al>Lid 1</al><al>De na-wettelijke uitkering eindigt wanneer de uitkeringsduur is
                        verstreken.</al><al>Lid 2</al><al>De na-wettelijke uitkering eindigt wanneer de werkloosheid eindigt.</al><al>Lid 3</al><al>Vanaf 15 juli 2014 eindigt de na-wettelijke uitkering op de eerste dag van
                        de maand, volgend op die waarin de ambtenaar de AOW-gerechtigde leeftijd
                        bereikt heeft.</al><al>Artikel 10d:34 Sancties na-wettelijke uitkering</al><al>Het college stelt een sanctiebeleid op, op grond waarvan sancties worden
                        toegepast op de uitbetaling van de na-wettelijke uitkering. Onderdeel van de
                        sanctieregeling is de plicht die de ambtenaar heeft om het college te
                        informeren over alles wat van invloed kan zijn op de duur en hoogte van de
                        na-wettelijke uitkering.</al><al>Artikel 10d:35 Afkoop</al><al>Lid 1</al><al>Het college kan eenmalig, aan het begin van de uitkeringsperiode, op verzoek
                        van de ambtenaar, toestemming geven voor afkoop van de na-wettelijke
                        uitkering. </al><al>Lid 2</al><al>Het college bepaalt de hoogte van het afkoopbedrag en de voorwaarden
                        waaronder de afkoop verstrekt wordt.</al><al>Paragraaf 8 Bijzondere uitkering bij ontslag ingeval van minder dan 35%
                        arbeidsongeschiktheid</al><lijst><li nr=""><al>Artikel 10d:36 Bijzondere uitkering bij ontslag of definitieve
                                herplaatsing ingeval van minder dan 35% arbeidsongeschiktheid</al></li><li nr=""><al>Artikel 10d:37 Hoogte bijzondere uitkering bij ontslag op grond van
                                artikel 8:5 of definitieve herplaatsing op grond van artikel
                                7:16</al></li><li nr=""><al>Artikel 10d:38 Duur bijzondere uitkering bij ontslag op grond van
                                artikel 8:5 of definitieve herplaatsing op grond van artikel
                                7:16</al></li><li nr=""><al>Artikel 10d:39 Overgangsrecht</al></li></lijst><al>Artikel 10d:36 Bijzondere uitkering bij ontslag of definitieve herplaatsing
                        ingeval van minder dan 35% arbeidsongeschiktheid</al><al>Lid 1</al><al>De ambtenaar die voor minder dan 35% arbeidsongeschikt is en die gedurende
                        het derde ziektejaar, bedoeld in artikel 7:16, derde lid, is ontslagen op
                        grond van artikel 8:5 dan wel definitief is herplaatst op grond van artikel
                        7:16, heeft recht op een bijzondere uitkering indien en voor zolang hij
                        arbeid heeft voor ten minste de restverdiencapaciteit, zoals deze door UWV
                        definitief is vastgesteld.</al><al>Lid 2</al><al>Voorwaarde voor het recht op de bijzondere uitkering is dat de ambtenaar ten
                        aanzien van iedere betaling alle gegevens aan de gemeente overlegt die van
                        invloed kunnen zijn op de hoogte van zijn bijzondere uitkering.</al><al>Artikel 10d:37 Hoogte bijzondere uitkering bij ontslag op grond van artikel
                        8:5 of definitieve herplaatsing op grond van artikel 7:16</al><al>Lid 1</al><al>De bijzondere uitkering bedraagt 75% van het verschil tussen het
                        totaalinkomen uit of in verband met arbeid en de bezoldiging voorafgaand aan
                        aanvaarding van de nieuwe arbeid.</al><al>Lid 2</al><al>Op de bijzondere uitkering wordt de werkloosheidsuitkering in mindering
                        gebracht.</al><al>Artikel 10d:38 Duur bijzondere uitkering bij ontslag op grond van artikel
                        8:5 of definitieve herplaatsing op grond van artikel 7:16</al><al>De maximale duur van de bijzondere uitkering is 5 jaar na aanvaarding van de
                        nieuwe arbeid.</al><al>Artikel 10d:39 Overgangsrecht</al><al>In afwijking van artikel 10d:31 is de duur van de na-wettelijke uitkering
                        voor de ambtenaar die: </al><lijst><li nr="a."><al> op 1 juli 2008 20 dienstjaren of meer had in de gemeentelijke
                                sector en</al></li><li nr="b."><al> ontslagen wordt binnen 10 jaar na 1 juli 2008 gelijk aan (0,25 +
                                (0,195 + 0,015 * (X- 21)) * (X - Y) - (X-18) / 12 -2) jaar, met dien
                                verstande dat de factor (X-18) gemaximeerd wordt op 38. Factor X
                                staat hierbij voor de leeftijd in hele jaren op de dag van ontslag;
                                factor Y voor de indiensttreedleeftijd in de gemeentelijke
                                sector.</al></li></lijst><al>10e Bijzondere bovenwettelijke werkloosheidsuitkering voor de ambtenaar met
                        op 1 januari 2008 20 dienstjaren of meer </al><al>Vervallen hoofdstuk</al><al>Hoofdstuk 10e is vervallen</al><al>11 Uitkeringsregeling ontslag</al><al>Artikel 11:1 Betrokkene</al><al><cursief>Hoofdstuk 11 is niet van toepassing op de ambtenaar of
                            arbeidscontractant die ontslagen is met ingang van 1 januari 2001 of
                            later. (Zie ook artikel 11:32 lid 1.)</cursief></al><al>Lid 1</al><al>In dit hoofdstuk wordt verstaan onder betrokkene: de gewezen ambtenaar aan
                        wie ontslag is verleend:</al><lijst><li nr="a."><al>op grond van artikel 8:4 of artikel 8:5 uit een betrekking waarin
                                hij tijdelijk was aangesteld, terwijl die aanstelling minder dan
                                vijf jaren heeft geduurd dan wel is geschied in een betrekking van
                                kennelijk tijdelijke aard;</al></li><li nr="b."><al>op een andere grond genoemd in hoofdstuk 8 van deze regeling, met
                                uitzondering van artikel 8:9, mits dat ontslag niet op eigen verzoek
                                is geschied en evenmin aan eigen schuld of toedoen is te wijten; en
                                die aan dat ontslag geen recht op een uitkering ingevolge artikel
                                8:3 kan ontlenen.</al></li></lijst><al>Lid 2</al><al>Onder betrokkene in de zin van dit hoofdstuk kan tevens worden verstaan de
                        gewezen ambtenaar die ontslag heeft gevraagd omdat hij of zij de echtgenoot
                        of geregistreerde partner volgt die door geheel buiten hem of haar liggende
                        oorzaken noodzakelijk van standplaats moet veranderen.</al><al>Artikel 11:2 Lichamen</al><al><cursief>Hoofdstuk 11 is niet van toepassing op de ambtenaar of
                            arbeidscontractant die ontslagen is met ingang van 1 januari 2001 of
                            later. (Zie ook artikel 11:32 lid 1.)</cursief></al><al>In dit hoofdstuk wordt verstaan onder 'lichamen': Rechtspersonen, maat- en
                        vennootschappen, samenwerkingsvormen zonder rechtspersoonlijkheid die met
                        verenigingen maatschappelijk gelijk kunnen worden gesteld, ondernemingen van
                        publiekrechtelijke rechtspersonen en doelvermogens.</al><al>Artikel 11:3 Diensttijd</al><al><cursief>Hoofdstuk 11 is niet van toepassing op de ambtenaar of
                            arbeidscontractant die ontslagen is met ingang van 1 januari 2001 of
                            later. (Zie ook artikel 11:32 lid 1.)</cursief></al><al>Lid 1</al><al>In dit hoofdstuk wordt verstaan onder 'diensttijd': de aan het in artikel
                        11:1, eerste lid, bedoelde ontslag voorafgaande in overheidsdienst
                        doorgebrachte tijd waaraan het ambtenaarschap in de zin van de <extref doc="1.0:v:BWBR0007791" struct="BWB">Wet privatisering
                            ABP</extref> is verbonden, alsmede tijd die door inkoop of door een
                        verzoek, bedoeld in artikel D 2 van de pensioenwet, voor pensioen geldig zou
                        zijn verklaard.</al><al>Lid 2</al><al>Onder diensttijd bedoeld in het eerste lid wordt mede verstaan de tijd
                        doorgebracht in de betrekking waaruit het ontslag, bedoeld in artikel 11:1,
                        is verleend, indien aan die tijd op grond van de <extref doc="1.0:v:BWBR0008871" struct="BWB">Regeling beperking van het
                            zijn van overheidswerknemer in de zin van de wet Privatisering
                            ABP</extref> (Stc. 1997, 164) het ambtenaarschap in de zin van
                        evengenoemde regeling niet is verbonden.</al><al>Lid 3</al><al>In afwijking van het bepaalde in het eerste en het tweede lid blijft buiten
                        beschouwing:</al><lijst><li nr="a."><al>diensttijd liggende vóór een onderbreking van meer dan een maand
                                daarvan wegens verleend ontslag;</al></li><li nr="b."><al>diensttijd welke in aanmerking is genomen bij de berekening van de
                                duur van een eerder toegekend wachtgeld of een daarmede gelijk te
                                stellen uitkering wegens onvrijwillige werkloosheid ten laste van de
                                overheid, behalve voor de toepassing van artikel 11:8, vierde
                                lid;</al></li><li nr="c."><al>diensttijd welke in aanmerking is genomen bij de berekening van een
                                pensioen krachtens het pensioenreglement dan wel voorafgaat aan een
                                ontslag verleend op grond van artikel 8:3 van deze regeling of een
                                soortgelijke bepaling in een andere overheidsregeling;</al></li><li nr="d."><al>tijd als bedoeld in artikel 5.4 van het pensioenreglement;</al></li><li nr="e."><al>tijd in een aangehouden betrekking, dan wel tijd in een betrekking
                                welke de betrokkene had kunnen aanhouden, doch uit welke hij
                                vrijwillig ontslag heeft genomen met ingang van de datum waarop de
                                uitkering ingaat.</al></li></lijst><al>Lid 4</al><al>Indien en voor zover diensttijd die bij de berekening van een uitkering in
                        aanmerking is genomen, met een overheidspensioen, anders dan ten laste van
                        de Stichting Pensioenfonds ABP wordt vergolden, worden de duur en het bedrag
                        van de uitkering, met ingang van de dag waarop dit pensioen is ingegaan,
                        herberekend, waarbij die diensttijd buiten beschouwing wordt gelaten.</al><al>Artikel 11:4 Dienstbetrekking</al><al><cursief>Hoofdstuk 11 is niet van toepassing op de ambtenaar of
                            arbeidscontractant die ontslagen is met ingang van 1 januari 2001 of
                            later. (Zie ook artikel 11:32 lid 1.)</cursief></al><al>Lid 1</al><al>Dit hoofdstuk verstaat onder dienstbetrekking iedere publiekrechtelijke of
                        privaatrechtelijke arbeidsverhouding waarbij in dienst van een natuurlijke
                        persoon of een lichaam werkzaamheden tegen bezoldiging of loon worden
                        verricht.</al><al>Lid 2</al><al>Het bepaalde bij of krachtens de <extref doc="1.0:v:BWBR0004045&amp;artikel=4" struct="BWB">artikelen
                            4</extref>, <extref doc="1.0:v:BWBR0004045&amp;artikel=5" struct="BWB">5</extref> en <extref doc="1.0:v:BWBR0004045&amp;artikel=6" struct="BWB">6 van de
                            Werkloosheidswet</extref> is van overeenkomstige toepassing.</al><al>Artikel 11:5 Bezoldiging</al><al><cursief>Hoofdstuk 11 is niet van toepassing op de ambtenaar of
                            arbeidscontractant die ontslagen is met ingang van 1 januari 2001 of
                            later. (Zie ook artikel 11:32 lid 1.)</cursief></al><al>Lid 1</al><al>In dit hoofdstuk wordt verstaan onder 'bezoldiging': de bezoldiging bedoeld
                        in artikel 3:1, tweede lid van deze regeling zoals deze laatstelijk vóór het
                        ontslag aan de betrekking was verbonden, vermeerderd met de vakantietoelage
                        bedoeld in artikel 6:3 van deze regeling, en de eindejaarsuitkering bedoeld
                        in artikel 3:6.</al><al>Lid 2</al><al>Voor zover in de bezoldiging een bedrag moet worden begrepen wegens de
                        vergoeding, bedoeld in artikel 3:3 van deze regeling, wordt dit bedrag
                        berekend naar het gemiddelde over de aan de dag van het ontslag voorafgaande
                        twaalf volle kalendermaanden.</al><al>Lid 3</al><al>Indien in de bezoldiging anders dan wegens periodieke verhoging wijziging
                        zou zijn gekomen als betrokkene de betrekking op die bezoldiging zou zijn
                        blijven vervullen, geldt met ingang van de dag van in werking treden van die
                        wijziging het gewijzigde bedrag als bezoldiging.</al><al>Lid 4</al><al>Indien de bezoldiging wegens verminderde werkzaamheden voorafgaande aan de
                        opheffing van de betrekking lager was dan zonder verminderde werkzaamheden
                        het geval zou zijn geweest, kan de bezoldiging ten gunste van betrokkene
                        worden herzien.</al><al>Artikel 11:6 Recht op uitkering</al><al><cursief>Hoofdstuk 11 is niet van toepassing op de ambtenaar of
                            arbeidscontractant die ontslagen is met ingang van 1 januari 2001 of
                            later. (Zie ook artikel 11:32 lid 1.)</cursief></al><al>Lid 1</al><al>Indien wordt voldaan aan de hierna genoemde voorwaarden, bestaat behoudens
                        het bepaalde in het zesde lid, met ingang van de dag waarop het ontslag
                        ingaat, recht op een uitkering waarvan de duur wordt vastgesteld:</al><lijst><li nr="a."><al>voor de betrokkene die in de periode van 12 maanden onmiddellijk
                                voorafgaande aan het ontslag in ten minste 26 weken als werknemer
                                als bedoeld in <extref doc="1.0:v:BWBR0004045&amp;artikel=3" struct="BWB">artikel 3 van de Werkloosheidswet </extref>werkzaam
                                is geweest, ingevolge artikel 11:7;</al></li><li nr="b."><al>voor de betrokkene die een diensttijd heeft van ten minste drie jaar
                                onmiddellijk voorafgaande aan het ontslag, ingevolge artikel 11:7,
                                dan wel wanneer het bepaalde in artikel 11:8, eerste lid, daartoe
                                aanleiding geeft ingevolge artikel 11:8, tweede lid en, indien van
                                toepassing artikel 11:8, vierde lid.</al></li></lijst><al>Lid 2</al><al>Indien het ontslag ingaat binnen 12 maanden na afloop van perioden waarin de
                        betrokkene ten gevolge van arbeidsongeschiktheid verhinderd was
                        werkzaamheden te verrichten, of werkzaamheden heeft verricht als bedoeld in
                            <extref doc="1.0:v:BWBR0004045&amp;artikel=8" struct="BWB">artikel
                            8 van de Werkloosheidswet</extref> en hij de hoedanigheid van werknemer
                        heeft herkregen, wordt de in het eerste lid, onder a, bedoelde periode van
                        12 maanden verlengd met de duur van de perioden van de bedoelde
                        verhindering.</al><al>Lid 3</al><al>De in een week verrichte werkzaamheden worden slechts in aanmerking genomen,
                        voor zover zij betrekking hebben op de dienstbetrekking waaruit de
                        betrokkene is ontslagen en op een of meer dienstbetrekkingen waarvoor
                        eerstgenoemde dienstbetrekking in de plaats is gekomen en voor zover deze
                        niet reeds eerder in aanmerking zijn genomen voor een recht op
                        uitkering.</al><al>Lid 4</al><al>Met weken, bedoeld in de voorgaande leden, worden gelijkgesteld weken,
                        waarover de betrokkene zonder te werken loon heeft ontvangen.</al><al>Lid 5</al><al>De regels die gesteld zijn krachtens <extref doc="1.0:v:BWBR0004045&amp;artikel=17a" struct="BWB">artikel 17a,
                            derde en vierde lid, van de Werkloosheidswet</extref>, zijn van
                        overeenkomstige toepassing.</al><al>Lid 6</al><al>In bijzondere gevallen kan het college bepalen dat, wanneer niet aan de
                        verplichting bedoeld in artikel 11:21, tweede of derde lid, is voldaan, het
                        recht op uitkering ingaat met de dag waarop de inschrijving bij het
                        arbeidsbureau van zijn woonplaats heeft plaatsgehad.</al><al>Lid 7</al><al>Geen recht op uitkering bestaat:</al><lijst><li nr="a."><al>indien de betrokkene op dat moment recht heeft op een WAO-uitkering,
                                berekend naar een arbeidsongeschiktheid van 80% of meer;</al></li><li nr="b."><al>indien de betrokkene ter zake van dat ontslag recht heeft op
                                suppletie als bedoeld in hoofdstuk 11a van deze regeling;</al></li><li nr="c."><al>indien de betrokkene op de dag van het ontslag de leeftijd van 65
                                jaar heeft bereikt;</al></li><li nr="d."><al>indien het ontslag aan eigen schuld of toedoen is te wijten;</al></li><li nr="e."><al>indien het ontslag naar het oordeel van het college geacht moet
                                worden niet te leiden tot onvrijwillige werkloosheid;</al></li><li nr="f."><al>voor de betrokkene, die de leeftijd van 55 jaar nog niet heeft
                                bereikt, aan wie schriftelijk is medegedeeld, dat hem eervol ontslag
                                zal worden verleend en die na die mededeling een hem aangeboden
                                betrekking, welke mede in verband met zijn persoonlijkheid en zijn
                                omstandigheden voor hem passend is te achten, heeft geweigerd te
                                aanvaarden.</al></li></lijst><al>Lid 8</al><al>De betrokkene, bedoeld in het zevende lid, onder a, heeft recht op uitkering
                        met ingang van de dag waarop de mate van arbeidsongeschiktheid op een lager
                        percentage wordt vastgesteld dan 80. De hoogte van deze uitkering wordt
                        vastgesteld te rekenen vanaf de datum van ontslag. Ter bepaling van de duur
                        van de uitkering wordt voor de toepassing van:</al><lijst><li nr="a."><al>artikel 11:7 als ingangsdatum uitgegaan van de datum met ingang
                                waarvan de mate van arbeidsongeschiktheid op een lager percentage
                                wordt vastgesteld, waarbij voor de toepassing van het vierde lid
                                tevens een WAO-uitkering, in voorkomend geval vermeerderd met een
                                invaliditeitspensioen, vastgesteld naar een mate van
                                arbeidsongeschiktheid van 80% of meer mede in aanmerking wordt
                                genomen;</al></li><li nr="b."><al>artikel 11:8 als uitgangspunt uitgegaan van de datum van
                                ontslag.</al></li></lijst><al>Lid 9</al><al>Het college beslist over de toekenning van uitkering op aanvraag door de
                        betrokkene.</al><al>Artikel 11:7 Duur van de uitkering</al><al><cursief>Hoofdstuk 11 is niet van toepassing op de ambtenaar of
                            arbeidscontractant die ontslagen is met ingang van 1 januari 2001 of
                            later. (Zie ook artikel 11:32 lid 1.)</cursief></al><al>Lid 1</al><al>De uitkeringsduur is 6 maanden, met ingang van de dag waarop het ontslag
                        ingaat.</al><al>Lid 2</al><al>Indien de betrokkene:</al><lijst><li nr="a."><al>in de periode van 5 jaar onmiddellijk voorafgaande aan het ontslag
                                ten minste gedurende 3 jaar als werknemer als bedoeld in <extref doc="1.0:v:BWBR0004045&amp;artikel=3" struct="BWB">artikel
                                    3 van de Werkloosheidswet</extref> en in dienstbetrekking van 8
                                of meer uren per week werkzaam is geweest of;</al></li><li nr="b."><al>onmiddellijk voorafgaande aan het ontslag recht heeft op een
                                uitkering op grond van de <extref doc="1.0:v:BWBR0008657" struct="BWB">WAJONG</extref> of de <extref doc="1.0:v:BWBR0008656" struct="BWB">WAZ</extref>; wordt
                                de duur van de uitkering verlengd met: 3 maanden bij een
                                arbeidsverleden van ten minste 5 jaar; 0,5 jaar bij een
                                arbeidsverleden van ten minste 10 jaar; 1 jaar bij een
                                arbeidsverleden van ten minste 15 jaar; 1,5 jaar bij een
                                arbeidsverleden van ten minste 20 jaar; 2 jaar bij een
                                arbeidsverleden van ten minste 25 jaar; 2,5 jaar bij een
                                arbeidsverleden van ten minste 30 jaar; 3,5 jaar bij een
                                arbeidsverleden van ten minste 35 jaar en 4,5 jaar bij een
                                arbeidsverleden van ten minste 40 jaar.</al></li></lijst><al>Lid 3</al><al>Het arbeidsverleden, bedoeld in het tweede lid, wordt vastgesteld door
                        samentelling van:</al><lijst><li nr="a."><al>perioden, gelegen in de 5 jaar onmiddellijk voorafgaande aan het
                                ontslag, waarover de betrokkene aantoont als werknemer als bedoeld
                                in <extref doc="1.0:v:BWBR0004045&amp;artikel=3" struct="BWB">artikel 3 van de Werkloosheidswet</extref> en in
                                dienstbetrekking van 8 of meer uren per week werkzaam te zijn
                                geweest, en; </al></li><li nr="b."><al>de periode gelegen tussen de 18e verjaardag van de betrokkene en de
                                dag, gelegen 5 jaar voor het ontslag.</al></li></lijst><al>Lid 4</al><al>Perioden, waarin een betrokkene:</al><lijst><li nr="a."><al>Recht heeft op een arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de
                                    <extref doc="1.0:v:BWBR0002524" struct="BWB">Wet op de
                                    arbeidsongeschiktheidsverzekering</extref>, berekend naar een
                                arbeidsongeschiktheid van ten minste 80%;</al></li><li nr="b."><al>ter zake van een dienstbetrekking op grond waarvan hem door het rijk
                                invaliditeitspensioen was verzekerd, recht heeft op een
                                arbeidsongeschiktheidsuitkering, berekend naar een
                                arbeidsongeschiktheid van ten minste 80%, of een toelage ontvangt
                                die naar aard en strekking overeenkomt met een toelage als bedoeld
                                onder a, die al dan niet vermeerderd met de
                                arbeidsongeschiktheidsuitkering 73% of meer bedraagt van de
                                middelsom, waarnaar de arbeidsongeschiktheidsuitkering is of zou
                                zijn berekend;</al></li><li nr="c."><al>een uitkering ontvangt op grond van hoofdstuk III van de <extref doc="1.0:v:BWBR0002822" struct="BWB">Wet
                                    arbeidsongeschiktheidsvoorziening militairen</extref>, berekend
                                naar een arbeidsongeschiktheid van ten minste 80% of een toelage op
                                grond van dat hoofdstuk, die al dan niet vermeerderd met de
                                arbeidsongeschiktheidsuitkering 70% of meer bedraagt van het
                                dagloon, waarnaar de arbeidsongeschiktheidsuitkering is of zou zijn
                                berekend;</al></li><li nr="d."><al>na beëindiging van zijn dienstbetrekking een uitkering ontvangt op
                                grond van de <extref doc="1.0:v:BWBR0001888" struct="BWB">Ziektewet</extref> over de maximale duur, bedoeld in <extref doc="1.0:v:BWBR0001888&amp;artikel=29" struct="BWB">artikel 29, tweede lid, van die wet</extref>;</al></li><li nr="e."><al>een uitkering ontvangt, die naar aard en strekking overeenkomt met
                                een uitkering bedoeld onder a of d; worden, indien deze uitkeringen
                                worden ontvangen in verband met een gewezen dienstbetrekking van 8
                                of meer uren per week, in aanmerking genomen voor de periode van
                                drie jaar, bedoeld in het tweede lid, en voor de perioden gelegen in
                                de vijf jaar, onmiddellijk voorafgaande aan het ontslag, bedoeld in
                                het derde lid.</al></li></lijst><al>Lid 5</al><al>Voor de periode van drie jaar, bedoeld in het tweede lid en voor de perioden
                        gelegen in de vijf jaar, onmiddellijk voorafgaande aan het ontslag, bedoeld
                        in het derde lid, worden perioden waarin een persoon een tot zijn huishouden
                        behorend kind:</al><lijst><li nr="a."><al>beneden de leeftijd van 6 jaar verzorgt, zonder dat deze persoon in
                                dienstbetrekking van 8 of meer uren per week werkzaam is geweest of
                                een uitkering heeft ontvangen als bedoeld in het vierde lid,
                                volledig, en;</al></li><li nr="b."><al>vanaf de leeftijd van 6 jaar doch beneden de leeftijd van 12 jaar
                                verzorgt, zonder dat deze persoon in dienstbetrekking van 8 of meer
                                uren per week werkzaam is geweest of een uitkering heeft ontvangen
                                als bedoeld in het vierde lid, voor de helft in aanmerking
                                genomen.</al></li></lijst><al>Lid 6</al><al>Voor de toepassing van het vijfde lid worden als periode van verzorging niet
                        meegeteld de periode waarin:</al><lijst><li nr="a."><al>de verzorgende persoon als werknemer in de zin van een wettelijke
                                regeling inzake werkloosheid recht heeft op een uitkering ter zake
                                van werkloosheid of;</al></li><li nr="b."><al>de verzorging buiten Nederland plaatsvindt anders dan tijdens
                                vakanties.</al></li></lijst><al>Lid 7</al><al>Indien er in een gezamenlijke huishouding meer verzorgende personen zijn als
                        bedoeld in het vijfde lid, wordt voor de toepassing van dat lid als
                        verzorgende persoon van het kind beschouwd, degene van deze personen die zij
                        als zodanig hebben aangewezen. Ingeval geen verzorgende persoon wordt
                        aangewezen, is het college bevoegd een van hen die naar het oordeel van het
                        college als verzorgende persoon moet worden beschouwd, als zodanig aan te
                        wijzen.</al><al>Lid 8</al><al>Voor de toepassing van het vijfde en zevende lid wordt onder:</al><lijst><li nr="a."><al>een kind verstaan een eigen, aangehuwd of pleegkind;</al></li><li nr="b."><al>een pleegkind verstaan een kind dat als eigen kind wordt onderhouden
                                en opgevoed.</al></li></lijst><al>Lid 9</al><al>De regels die gesteld zijn krachtens <extref doc="1.0:v:BWBR0004045&amp;artikel=17b" struct="BWB">artikel 17b,
                            zevende lid, van de Werkloosheidswet</extref>, zijn van overeenkomstige
                        toepassing.</al><al>Artikel 11:8 Duur van de uitkering</al><al><cursief>Hoofdstuk 11 is niet van toepassing op de ambtenaar of
                            arbeidscontractant die ontslagen is met ingang van 1 januari 2001 of
                            later. (Zie ook artikel 11:32 lid 1.)</cursief></al><al>Lid 1</al><al>In afwijking van artikel 11:7, eerste en tweede lid, wordt, indien dit leidt
                        tot een langere uitkeringsduur, waarin tevens voor zover van toepassing de
                        bijzondere verlenging als bedoeld in het vierde lid van dit artikel is
                        begrepen, de duur van de uitkering vastgesteld overeenkomstig de volgende
                        leden.</al><al>Lid 2</al><al>De duur van de uitkering wordt vastgesteld op een aantal maanden, gelijk aan
                        1/6 deel van de diensttijd, waarna de uitkomst naar boven wordt afgerond op
                        hele maanden.</al><al>Lid 3</al><al>De ingevolge het tweede lid berekende uitkeringsduur wordt ten hoogste
                        vastgesteld op 24 maanden.</al><al>Lid 4</al><al>Indien een betrokkene ten tijde van het ontslag een diensttijd van ten
                        minste tien jaren heeft volbracht en de som van zijn leeftijd en diensttijd,
                        die hij ten tijde van het ontslag heeft bereikt, 60 jaren of meer bedraagt,
                        wordt hem na afloop van de termijn waarover uitkering is toegekend
                        aansluitend gedurende een periode van zes maanden een bijzondere verlenging
                        verleend.</al><al>Artikel 11:9 Vervolguitkering</al><al><cursief>Hoofdstuk 11 is niet van toepassing op de ambtenaar of
                            arbeidscontractant die ontslagen is met ingang van 1 januari 2001 of
                            later. (Zie ook artikel 11:32 lid 1.)</cursief></al><al>Lid 1</al><al>De betrokkene, die het einde van de uitkeringsduur, bedoeld in artikel 11:7,
                        tweede lid, heeft bereikt, heeft in aansluiting op die uitkering recht op
                        een vervolguitkering.</al><al>Lid 2</al><al>De betrokkene die:</al><lijst><li nr="a."><al>het einde van de uitkeringsduur, bedoeld in artikel 11:7, eerste
                                lid, heeft bereikt en </al></li><li nr="b."><al>voldoet aan de voorwaarde, bedoeld in artikel 11:7, tweede lid,
                                onderdeel a of b, doch uitsluitend wegens zijn arbeidsverleden geen
                                recht heeft op verlenging van de uitkeringsduur, heeft recht op een
                                vervolguitkering.</al></li></lijst><al>Lid 3</al><al>Behoudens het gestelde in de volgende leden is de duur van de
                        vervolguitkering een jaar.</al><al>Lid 4</al><al>De duur van de vervolguitkering voor de betrokkene die op de dag van zijn
                        ontslag 57,5 jaar of ouder is, bedraagt drie en een half jaar.</al><al>Lid 5</al><al>De betrokkene aan wie ingevolge artikel 11:8 een uitkering is toegekend,
                        heeft aansluitend recht op een vervolguitkering indien de toegekende
                        uitkering eindigt op een tijdstip gelegen binnen een jaar na de datum waarop
                        zijn uitkering zou zijn beëindigd, wanneer deze zou zijn toegekend ingevolge
                        artikel 11:7. De vervolguitkering eindigt op het tijdstip gelegen een jaar
                        na de in de vorige volzin bedoelde datum.</al><al>Lid 6</al><al>De betrokkene die op de dag van zijn ontslag 57,5 jaar of ouder is en aan
                        wie ingevolge artikel 11:8 een uitkering is toegekend, heeft aansluitend
                        recht op een vervolguitkering indien de toegekende uitkering eindigt op een
                        tijdstip gelegen binnen drie en een half jaar na de datum waarop zijn
                        uitkering zou zijn beëindigd, wanneer deze zou zijn toegekend ingevolge
                        artikel 11:7. De vervolguitkering eindigt op het tijdstip gelegen drie en
                        een half jaar na de in de vorige volzin bedoelde datum.</al><al>Lid 7</al><al>Tenzij uitdrukkelijk anders is bepaald, zijn bepalingen van de uitkering van
                        overeenkomstige toepassing op de vervolguitkering.</al><al>Artikel 11:10 Bedrag van de uitkering</al><al><cursief>Hoofdstuk 11 is niet van toepassing op de ambtenaar of
                            arbeidscontractant die ontslagen is met ingang van 1 januari 2001 of
                            later. (Zie ook artikel 11:32 lid 1.)</cursief></al><al>Lid 1</al><al>Het bedrag van de uitkering is gedurende de eerste twee maanden gelijk aan
                        87% van de bezoldiging, gedurende de volgende twee maanden 77% en vervolgens
                        67% van de bezoldiging.</al><al>Lid 2</al><al>Het bedrag van de uitkering is gedurende de termijn van de bijzondere
                        verlenging ingevolge artikel 11:8, vierde lid, 67% van de bezoldiging.</al><al>Lid 3</al><al>Bij intrekking van de Wet van 20 december 1984 (Stb. 1984, 657) worden de
                        percentages, genoemd in het eerste en tweede lid, met 3 procentpunten
                        verhoogd.</al><al>Artikel 11:11 Bedrag van de vervolguitkering</al><al><cursief>Hoofdstuk 11 is niet van toepassing op de ambtenaar of
                            arbeidscontractant die ontslagen is met ingang van 1 januari 2001 of
                            later. (Zie ook artikel 11:32 lid 1.)</cursief></al><al>Lid 1</al><al>Het bedrag van de vervolguitkering is gelijk aan het minimumloon, met dien
                        verstande dat dit bedrag nooit meer kan bedragen dan 70% van de
                        bezoldiging.</al><al>Lid 2</al><al>Voor de toepassing van dit artikel wordt onder minimumloon verstaan het
                        maandbedrag van het minimumloon bedoeld in <extref doc="1.0:v:BWBR0002638&amp;artikel=8" struct="BWB">artikel 8,
                            eerste lid, onder a, van de Wet minimumloon en
                            minimumvakantiebijslag</extref>, of, indien het een betrokkene jonger
                        dan 23 jaar betreft, het voor zijn leeftijd geldende minimumloon, bedoeld in
                            <extref doc="1.0:v:BWBR0002638&amp;artikel=7" struct="BWB">artikel
                            7, derde lid</extref>, en artikel 8, derde lid, van genoemde wet, beide
                        vermeerderd met de daarvoor berekende vakantiebijslag, bedoeld in <extref doc="1.0:v:BWBR0002638&amp;artikel=15" struct="BWB">artikel 15 van
                            die wet</extref>.</al><al>Artikel 11:12 Verhuiskosten</al><al><cursief>Hoofdstuk 11 is niet van toepassing op de ambtenaar of
                            arbeidscontractant die ontslagen is met ingang van 1 januari 2001 of
                            later. (Zie ook artikel 11:32 lid 1.)</cursief></al><al>Aan de betrokkene bedoeld in artikel 11:8, eerste lid, kan, indien hij
                        elders arbeid of bedrijf ter hand gaat nemen, door het college een op de
                        voet van de Verplaatsingskostenregeling te bepalen vergoeding in de kosten
                        van een daartoe noodzakelijke verhuizing worden toegekend.</al><al>Artikel 11:13 Vermindering</al><al><cursief>Hoofdstuk 11 is niet van toepassing op de ambtenaar of
                            arbeidscontractant die ontslagen is met ingang van 1 januari 2001 of
                            later. (Zie ook artikel 11:32 lid 1.)</cursief></al><al>Lid 1</al><al>Wanneer de betrokkene inkomsten verkrijgt uit of in verband met arbeid,
                        waaronder mede wordt verstaan een uitkering krachtens de <extref doc="1.0:v:BWBR0008657" struct="BWB">WAJONG</extref> of de <extref doc="1.0:v:BWBR0008656" struct="BWB">WAZ</extref>, of bedrijf, ter
                        hand genomen op of na de dag waarop hem het ontslag is verleend dan wel
                        schriftelijk mededeling is gedaan van het voornemen hem ontslag te verlenen,
                        wordt op de in artikel 11:6 bedoelde uitkering een vermindering toegepast
                        tot het bedrag waarmee die inkomsten en uitkering samen de bezoldiging te
                        boven gaan. Voor de bepaling van het bedrag waarmede de uitkering
                        vermeerderd met inkomsten zoals bedoeld in de eerste volzin, de bezoldiging
                        overschrijdt, wordt een vermindering van de uitkering ingevolge artikel
                        11:23, eerste lid, niet in aanmerking genomen.</al><al>Lid 2</al><al>Ten aanzien van de betrokkene aan wie een uitkering is toegekend en die
                        wegens ongeschiktheid tot het verrichten van zijn betrekking ontslag is
                        verleend uit de betrekking die hij gedurende de met recht op uitkering
                        doorgebrachte tijd bekleedde en waarin hij deelnemer was in de zin van het
                        pensioenreglement, worden inkomsten bedoeld in het eerste lid als volgt
                        verrekend. De inkomsten, ter hand genomen met ingang van of na de dag waarop
                        het ontslag plaats vond uit de betrekking die door betrokkene gedurende de
                        met recht op uitkering doorgebrachte tijd werd bekleed, worden verrekend
                        over de maand waarop zij betrekking hebben of geacht kunnen worden
                        betrekking te hebben. In afwijking van het gestelde in het eerste lid,
                        geschiedt deze verrekening op zodanige wijze dat de oorspronkelijk
                        toegekende uitkering wordt verminderd met het bedrag waarmee het pensioen al
                        dan niet aangevuld met een wachtgeld of uitkering, vermeerderd met de
                        inkomsten uit of in verband met arbeid of bedrijf met inbegrip van de
                        oorspronkelijk toegekende uitkering de oorspronkelijke bezoldiging
                        overschrijdt. Indien na die vermindering een bedrag aan overschrijding van
                        de bezoldiging resteert, wordt het aanvullende wachtgeld of de aanvullende
                        uitkering verminderd met het resterende bedrag aan overschrijding.</al><al>Lid 3</al><al>Het eerste lid vindt overeenkomstige toepassing ten aanzien van inkomsten
                        uit of in verband met arbeid of bedrijf, ter hand genomen gedurende
                        vakantie, verlof of non-activiteit, onmiddellijk voorafgaande aan het
                        ontslag ter zake waarvan hem de uitkering is toegekend.</al><al>Lid 4</al><al>Wanneer de betrokkene op of na de dag bedoeld in het eerste lid, inkomsten
                        of hogere inkomsten verkrijgt uit arbeid of bedrijf ter hand genomen vóór
                        evenbedoelde dag, is ten aanzien van die inkomsten of hogere inkomsten het
                        bepaalde in het eerste lid van overeenkomstige toepassing. De hierbedoelde
                        vermindering vindt echter niet plaats, indien de inkomsten of hogere
                        inkomsten het gevolg zijn van algemene loonsverhogingen, of indien
                        betrokkene aannemelijk maakt dat die inkomsten niet het gevolg zijn van
                        verhoogde werkzaamheid of van andere oorzaken, verband houdende met het
                        ontslag.</al><al>Lid 5</al><al>Onder inkomsten bedoeld in de voorgaande leden worden niet verstaan
                        inkomsten, verkregen wegens overwerk of gratificatie.</al><al>Artikel 11:14 Opgave van inkomsten</al><al><cursief>Hoofdstuk 11 is niet van toepassing op de ambtenaar of
                            arbeidscontractant die ontslagen is met ingang van 1 januari 2001 of
                            later. (Zie ook artikel 11:32 lid 1.)</cursief></al><al>Lid 1</al><al>De betrokkene doet van het ter hand nemen van arbeid of bedrijf op of na de
                        dag waarop hem ontslag is verleend of hem schriftelijk mededeling is gedaan
                        van het voornemen hem ontslag te verlenen, onverwijld mededeling aan het
                        college of aan een door het college aan te wijzen ambtenaar. Daarbij doet
                        hij voor zover mogelijk opgave van de inkomsten die hij uit dan wel in
                        verband met die arbeid of dat bedrijf zal verkrijgen. Tijdelijke of
                        blijvende wijzigingen in alle evengenoemde bedragen geeft hij tijdig voor
                        het verschijnen van de eerstvolgende uitkeringstermijn op.</al><al>Lid 2</al><al>Indien de in het eerste lid bedoelde bedragen niet vooraf door de betrokkene
                        zijn op te geven doet hij voor het verschijnen van elke uitkeringstermijn
                        opgave van hetgeen hij sedert het ter hand nemen van de arbeid of het
                        bedrijf dan wel sedert de vorige opgave heeft verkregen. Brengt de aard van
                        de arbeid of het bedrijf, ter beoordeling van het college, mede dat de
                        inkomsten over een langere termijn moeten worden berekend, welke echter niet
                        langer dan een jaar mag zijn, dan geschiedt de opgave dienovereenkomstig en
                        wordt het bedrag van de vermindering voorlopig vastgesteld onder voorbehoud
                        van verrekening aan het einde van evenbedoelde termijn.</al><al>Lid 3</al><al>Bij de vaststelling van het bedrag van de vermindering kan van een opgave,
                        bedoeld in het tweede lid, worden afgeweken.</al><al>Lid 4</al><al>Het in de voorgaande leden bepaalde vindt overeenkomstige toepassing ten
                        aanzien van de arbeid of bedrijf en de inkomsten daaruit, bedoeld in artikel
                        11:13, het derde en vierde lid.</al><al>Artikel 11:15 Overlijdensuitkering</al><al><cursief>Hoofdstuk 11 is niet van toepassing op de ambtenaar of
                            arbeidscontractant die ontslagen is met ingang van 1 januari 2001 of
                            later. (Zie ook artikel 11:32 lid 1.)</cursief></al><al>Lid 1</al><al>Zo spoedig mogelijk na het overlijden van de betrokkene, bedoeld in artikel
                        11:6 wordt aan de nagelaten echtgenoot of geregistreerde partner een bedrag
                        uitgekeerd gelijk aan de bezoldiging als bedoeld in artikel 11:5 over een
                        tijdvak van drie maanden. Laat de overledene geen echtgenoot of
                        geregistreerde partner na dan geschiedt de uitkering ten behoeve van zijn
                        minderjarige wettige of natuurlijke kinderen dan wel minderjarige
                        pleegkinderen. Ontbreken ook zodanige kinderen dan geschiedt de uitkering
                        ten behoeve van ouders, broers, zusters of meerderjarige kinderen van wie de
                        overledene kostwinner was.</al><al>Lid 2</al><al>Indien ter zake van zijn overlijden aan de in het eerste lid bedoelde
                        betrekkingen een bedrag wordt toegekend uit hoofde van een door de
                        overledene vervulde andere betrekking, ten gevolge waarvan op de uitkering
                        een vermindering werd toegepast op grond van artikel 11:13, wordt een bedrag
                        uitgekeerd gelijk aan de verminderde uitkering over een tijdvak van drie
                        maanden, voor zover nodig aangevuld, zodanig dat de som van beide bedragen
                        gelijk is aan het bedrag, bedoeld in het eerste lid.</al><al>Lid 3</al><al>Indien de overledene geen betrekkingen bedoeld in het eerste lid nalaat, kan
                        het bedrag van de uitkering geheel of ten dele worden aangewend voor de
                        betaling van de kosten van de laatste ziekte of van de lijkbezorging als de
                        nalatenschap van de overledene daartoe ontoereikend is.</al><al>Lid 4</al><al>Op de uitkering als bedoeld in dit artikel wordt in mindering gebracht het
                        bedrag van de uitkering waarop de nagelaten betrekkingen van de gewezen
                        ambtenaar ter zake van diens overlijden aanspraak kunnen maken uit hoofde
                        van een bepaling in een gemeentelijke rechtspositieregeling, dan wel
                        krachtens enig wettelijk voorgeschreven verzekering tegen ziekte,
                        arbeidsongeschiktheid of onvrijwillige werkloosheid.</al><al>Artikel 11:16 Verplichtingen bij ziekte</al><al><cursief>Hoofdstuk 11 is niet van toepassing op de ambtenaar of
                            arbeidscontractant die ontslagen is met ingang van 1 januari 2001 of
                            later. (Zie ook artikel 11:32 lid 1.)</cursief></al><al>Lid 1</al><al>Indien betrokkene wegens ziekte ongeschikt is arbeid te verrichten, of
                        daarvan is hersteld, is hij verplicht daarvan terstond mededeling te doen
                        aan het college.</al><al>Lid 2</al><al>Het college stelt nadere voorschriften vast met betrekking tot de
                        geneeskundige begeleiding van betrokkene als bedoeld in het eerste lid.</al><al>Lid 3</al><al>Indien betrokkene door het UWV schriftelijk in kennis is gesteld van de
                        mogelijkheid van het doen van een aanvraag voor een WAO-uitkering, is hij
                        verplicht binnen de bij of krachtens de <extref doc="1.0:v:BWBR0002524" struct="BWB">WAO</extref> gestelde
                        termijnen een WAO-uitkering aan te vragen en alle medewerking te verlenen
                        die noodzakelijk is voor het verkrijgen van deze uitkering.</al><al>Lid 4</al><al>Indien betrokkene als bedoeld in het derde lid, geen WAO-uitkering aanvraagt
                        en hem dit redelijkerwijs kan worden verweten, wordt voor de toepassing van
                        dit hoofdstuk rekening gehouden met de WAO-uitkering behorende bij een mate
                        van arbeidsongeschiktheid van 80% of meer.</al><al>Lid 5</al><al>Indien als gevolg van handelingen of het nalaten van handelingen door
                        betrokkene als bedoeld in het vierde lid, de WAO-uitkering vermindering
                        ondergaat, dan wel het recht daarop geheel of gedeeltelijk wordt geweigerd,
                        en dit betrokkene redelijkerwijs kan worden verweten, wordt de bedoelde
                        uitkering voor de toepassing van dit hoofdstuk steeds geacht onverminderd te
                        zijn genoten.</al><al>Artikel 11:17 Uitkering bij ziekte</al><al><cursief>Hoofdstuk 11 is niet van toepassing op de ambtenaar of
                            arbeidscontractant die ontslagen is met ingang van 1 januari 2001 of
                            later. (Zie ook artikel 11:32 lid 1.)</cursief></al><al>Lid 1</al><al>Indien de betrokkene binnen de termijn waarover hij aanspraak heeft op een
                        van de uitkeringen bedoeld in de artikelen 11:6 tot en met 11:15 dan wel
                        uiterlijk een maand na afloop van die termijn wegens ziekte verhinderd is
                        arbeid te verrichten, wordt hem telkens met ingang van de vierde dag van die
                        verhindering een uitkering toegekend van 80% van zijn bezoldiging.</al><al>Lid 2</al><al>De in het eerste lid bedoelde uitkering eindigt zodra de betrokkene deze
                        over tezamen 260 werkdagen bij een vijfdaagse werkweek heeft genoten. De
                        bepalingen van hoofdstuk 7 van deze regeling, zoals dit luidde voor 1
                        januari 2001, zijn voor zoveel mogelijk van overeenkomstige toepassing.</al><al>Artikel 11:18 Samenloop</al><al><cursief>Hoofdstuk 11 is niet van toepassing op de ambtenaar of
                            arbeidscontractant die ontslagen is met ingang van 1 januari 2001 of
                            later. (Zie ook artikel 11:32 lid 1.)</cursief></al><al>Zolang de betrokkene de uitkering geniet, bedoeld in artikel 11:17, eerste
                        lid, wordt met ingang van de dag waarop de verhindering wegens ziekte
                        aanvangt, de uitbetaling van de uitkering, bedoeld in de artikelen 11:6 tot
                        en met 11:15, opgeschort.</al><al>Artikel 11:19 Afkoop</al><al><cursief>Hoofdstuk 11 is niet van toepassing op de ambtenaar of
                            arbeidscontractant die ontslagen is met ingang van 1 januari 2001 of
                            later. (Zie ook artikel 11:32 lid 1.)</cursief></al><al>Op verzoek van de betrokkene die voldoet aan de voorwaarde, bedoeld in
                        artikel 11:7, tweede lid, onderdeel a of b, kan het recht op uitkering
                        geheel of ten dele worden afgekocht.</al><al>Artikel 11:20 Verval en opnieuw toekennen van het recht op uitkering</al><al><cursief>Hoofdstuk 11 is niet van toepassing op de ambtenaar of
                            arbeidscontractant die ontslagen is met ingang van 1 januari 2001 of
                            later. (Zie ook artikel 11:32 lid 1.)</cursief></al><al>Lid 1</al><al>Het recht op uitkering dat in verband met het niet voldoen aan de
                        voorwaarde, bedoeld in artikel 11:7, tweede lid, onderdeel a of b,
                        uitsluitend wordt vastgesteld ingevolge artikel 11:7, eerste lid, vervalt
                        met ingang van de dag waarop de werkloosheid eindigt en wordt bij weer
                        intredende onvrijwillige werkloosheid opnieuw toegekend voor de resterende
                        duur met ingang van de dag waarop de laatstbedoelde werkloosheid ingaat,
                        tenzij de betrokkene ter zake van deze laatstelijk opgetreden werkloosheid
                        aanspraak heeft op een uitkering krachtens de <extref doc="1.0:v:BWBR0004045" struct="BWB">Werkloosheidswet</extref> of
                        krachtens enige publiekrechtelijke regeling inzake wachtgeld of
                        uitkering.</al><al>Lid 2</al><al>Voor toepassing van dit artikel wordt onder beëindiging van de werkloosheid
                        begrepen:</al><lijst><li nr="a."><al>het aanvaard hebben van een naar zijn aard vaste
                                dienstbetrekking;</al></li><li nr="b."><al>het gedurende een periode van een maand vervuld hebben van een naar
                                zijn aard tijdelijke dienstbetrekking bij dezelfde werkgever,
                                voorzover de omvang van de nieuwe dienstbetrekking ten minste gelijk
                                is aan die van de dienstbetrekking op basis waarvan het recht op
                                uitkering bestaat.</al></li></lijst><al>Lid 3</al><al>Een betrokkene die bij afloop van de opnieuw toegekende uitkering als
                        bedoeld in het eerste lid, nog onvrijwillig werkloos is, heeft opnieuw recht
                        op een uitkering, mits de betrokkene:</al><lijst><li nr="a."><al>binnen 6 maanden na de dag waarop het recht op uitkering ontstond
                                als bedoeld in artikel 11:6, eerste lid, onder a, arbeid in
                                dienstbetrekking heeft aanvaard; en</al></li><li nr="b."><al>in ten minste 13 weken opnieuw werkzaam is geweest als werknemer als
                                bedoeld in <extref doc="1.0:v:BWBR0004045&amp;artikel=3" struct="BWB">artikel 3 van de Werkloosheidswet</extref>.</al></li></lijst><al>Lid 4</al><al>Voor de toepassing van het derde lid worden weken waarop de betrokkene
                        zonder te werken loon heeft ontvangen, gelijkgesteld met gewerkte
                        weken.</al><al>Lid 5</al><al>De duur van de uitkering als bedoeld in het derde lid, bedraagt zes maanden,
                        verminderd met de resterende duur van de opnieuw toegekende uitkering als
                        bedoeld in het eerste lid.</al><al>Lid 6</al><al>Het college beslist over het opnieuw toekennen van de uitkering als bedoeld
                        in het eerste lid en op toekenning van een uitkering als bedoeld in het
                        derde lid, op aanvraag door de betrokkene.</al><al>Lid 7</al><al>Het recht op uitkering vervalt wanneer de daartoe strekkende aanvraag,
                        bedoeld in het zesde lid en in artikel 11:6, negende lid, niet binnen een
                        termijn van twee jaren na het ontstaan of het opnieuw ontstaan van dat recht
                        bij het college is ingekomen.</al><al>Artikel 11:21 Verplichtingen</al><al><cursief>Hoofdstuk 11 is niet van toepassing op de ambtenaar of
                            arbeidscontractant die ontslagen is met ingang van 1 januari 2001 of
                            later. (Zie ook artikel 11:32 lid 1.)</cursief></al><al>Lid 1</al><al>Zolang de betrokkene de leeftijd van 55 jaren niet heeft bereikt, is hij
                        verplicht een hem aangeboden betrekking, die hem in verband met zijn
                        persoonlijkheid en omstandigheden redelijkerwijs kan worden opgedragen, te
                        aanvaarden dan wel tot het verkrijgen van inkomsten gebruik te maken van
                        elke gelegenheid die in verband met zijn persoonlijkheid en omstandigheden
                        passend kan worden geacht.</al><al>Lid 2</al><al>Zolang de betrokkene de leeftijd van 55 jaar nog niet heeft bereikt, is hij
                        verplicht zich bij het arbeidsbureau van zijn woonplaats als werkzoekende te
                        doen inschrijven op de eerste werkdag, volgende op die waarop het ontslag
                        ingaat. Hij dient binnen veertien dagen daarna een bewijs van inschrijving
                        als werkzoekende van het arbeidsbureau aan het college over te leggen.</al><al>Lid 3</al><al>De betrokkene, die op de dag van het ontslag metterwoon verblijf houdt in
                        het buitenland dan wel nadien metterwoon verblijf gaat houden in het
                        buitenland en die de leeftijd van 55 jaar nog niet heeft bereikt, is
                        verplicht zich te doen inschrijven als werkzoekende bij een aldaar
                        gevestigde instantie van arbeidsbemiddeling die daartoe de mogelijkheid
                        biedt en die naar het oordeel van het college vergelijkbaar is met het
                        arbeidsbureau.</al><al>Lid 4</al><al>Het college kan bepalen dat de in het tweede en derde lid omschreven
                        verplichting niet geldt voor bepaalde betrokkenen of groepen van
                        betrokkenen.</al><al>Lid 5</al><al>De betrokkene, bedoeld in het eerste lid, is voorts verplicht zich te
                        gedragen naar de voorschriften die hem door het college in het algemeen of
                        voor enig bijzonder geval worden gegeven, strekkende tot het verkrijgen van
                        een betrekking of andere bron van inkomsten.</al><al>Lid 6</al><al>Door het aanvaarden van de uitkering wordt de betrokkene geacht er in toe te
                        stemmen dat zij, die naar het oordeel van het college daarvoor in aanmerking
                        komen, alle voor de uitvoering van deze regeling noodzakelijke inlichtingen
                        geven.</al><al>Artikel 11:22 Opschorting</al><al><cursief>Hoofdstuk 11 is niet van toepassing op de ambtenaar of
                            arbeidscontractant die ontslagen is met ingang van 1 januari 2001 of
                            later. (Zie ook artikel 11:32 lid 1.)</cursief></al><al>Lid 1</al><al>Indien de betrokkene na zijn ontslag uit hoofde van ziekte aanspraak op
                        doorbetaling van bezoldiging heeft of krijgt of een uitkering ten bedrage
                        van de laatstgenoten bezoldiging in verband met de betrekking waaruit hem
                        ontslag is verleend, wordt de uitvoering of verdere uitvoering van de
                        uitkeringsregeling vervat in deze regeling opgeschort tot het einde van het
                        tijdvak waarover die aanspraak bestaat.</al><al>Lid 2</al><al>Het college kan op verzoek van de betrokkene die zich als dienstplichtige in
                        militaire dienst bevindt of moet begeven, de uitvoering of verdere
                        uitvoering van de uitkeringsregeling vervat in deze regeling opschorten tot
                        het einde van het tijdvak van diens militaire dienst.</al><al>Artikel 11:23 Samenloop</al><al><cursief>Hoofdstuk 11 is niet van toepassing op de ambtenaar of
                            arbeidscontractant die ontslagen is met ingang van 1 januari 2001 of
                            later. (Zie ook artikel 11:32 lid 1.)</cursief></al><al>Lid 1</al><al>Indien de betrokkene ter zake van de dienstbetrekking waaruit hij met recht
                        op uitkering is ontslagen, aanspraak heeft op een WAO-uitkering en in
                        voorkomend geval vermeerderd met een invaliditeitspensioen, berekend naar
                        een arbeidsongeschiktheid van minder dan 80%, wordt het geldende bedrag van
                        de uitkering, toegekend ter zake van hetzelfde ontslag, met het hierna
                        genoemde percentage verminderd. Deze vermindering bedraagt bij een
                        arbeidsongeschiktheid van</al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colwidth="68*"/><colspec colname="col2" colwidth="32*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>65% tot 80% :</al></entry><entry colname="col2"><al>80%;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>55% tot 65% :</al></entry><entry colname="col2"><al>60%;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>45% tot 55% :</al></entry><entry colname="col2"><al>50%;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>35% tot 45% :</al></entry><entry colname="col2"><al>40%;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>25% tot 35% :</al></entry><entry colname="col2"><al>30%;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>15% tot 25% :</al></entry><entry colname="col2"><al>20%;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>minder dan 15% :</al></entry><entry colname="col2"><al>0%.</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>De som van de in de eerste volzin bedoelde WAO-uitkering, in voorkomend
                        geval vermeerderd met een invaliditeitspensioen, en de verminderde uitkering
                        bedraagt voorts niet meer dan de onverminderde uitkering die wordt genoten
                        indien er geen sprake is van samenloop. Ingeval van overschrijding wordt het
                        overschrijdende bedrag op de uitkering in mindering gebracht.</al><al>Lid 2</al><al>Indien de betrokkene, bedoeld in het eerste lid, geen WAO-uitkering
                        aanvraagt en hem dit redelijkerwijs kan worden verweten, wordt voor de
                        toepassing van dit artikel rekening gehouden met de WAO-uitkering waarbij
                        een arbeidsongeschiktheid van 80% of meer behoort.</al><al>Lid 3</al><al>Indien als gevolg van handelingen of het nalaten van handelingen door
                        betrokkene, bedoeld in het eerste lid, de WAO-uitkering vermindering
                        ondergaat, dan wel het recht op deze uitkering geheel of gedeeltelijk wordt
                        geweigerd, en dit betrokkene redelijkerwijs kan worden verweten, wordt de
                        bedoelde uitkering voor de toepassing van dit artikel steeds geacht
                        onverminderd te zijn genoten.</al><al>Artikel 11:24 Samenloop</al><al><cursief>Hoofdstuk 11 is niet van toepassing op de ambtenaar of
                            arbeidscontractant die ontslagen is met ingang van 1 januari 2001 of
                            later. (Zie ook artikel 11:32 lid 1.)</cursief></al><al>Indien de betrokkene aanspraken krijgt op een uitkering krachtens de <extref doc="1.0:v:BWBR0004045" struct="BWB">Werkloosheidswet</extref> of
                        de <extref doc="1.0:v:BWBR0001888" struct="BWB">Ziektewet</extref>,
                        worden gedurende de termijn, waarover die aanspraken bestaan, de op grond
                        van deze regeling toegekende uitkeringen niet uitbetaald.</al><al>Artikel 11:25 Betaling</al><al><cursief>Hoofdstuk 11 is niet van toepassing op de ambtenaar of
                            arbeidscontractant die ontslagen is met ingang van 1 januari 2001 of
                            later. (Zie ook artikel 11:32 lid 1.)</cursief></al><al>Lid 1</al><al>Het bedrag van de uitkering, over een jaar berekend, wordt naar boven tot
                        een volle euro afgerond en in dezelfde termijnen uitbetaald als de
                        bezoldiging welke vóór de toekenning van de uitkering werd genoten.</al><al>Lid 2</al><al>Met toestemming van de betrokkene kan de uitbetaling van de uitkering over
                        langere termijnen geschieden.</al><al>Artikel 11:26 Verval van uitkering</al><al><cursief>Hoofdstuk 11 is niet van toepassing op de ambtenaar of
                            arbeidscontractant die ontslagen is met ingang van 1 januari 2001 of
                            later. (Zie ook artikel 11:32 lid 1.)</cursief></al><al>Lid 1</al><al>De uitkeringen kunnen geheel of gedeeltelijk vervallen worden
                        verklaard:</al><lijst><li nr="a."><al>indien de betrokkene bedoeld in artikel 11:6, de opgave bedoeld in
                                artikel 11:14, eerste en tweede lid, nalaat dan wel onjuist of
                                onvolledig doet;</al></li><li nr="b."><al>indien de betrokkene niet voldoet aan het bepaalde in artikel 11:21,
                                tweede en derde lid, dan wel indien hij zonder toestemming van het
                                college gedurende de tijd, waarin hij een uitkering geniet, de in
                                evengenoemde leden bedoelde inschrijving teniet doet of nalaat deze
                                op de door het arbeidsbureau dan wel de buitenlandse instantie van
                                arbeidsbemiddeling bepaalde tijdstippen te doen verlengen;</al></li><li nr="c."><al>indien de betrokkene enig op grond van artikel 11:21, vijfde lid,
                                gegeven voorschrift niet nakomt, tenzij hem hiervan redelijkerwijs
                                geen verwijt kan worden gemaakt, dan wel indien er overigens
                                gegronde reden is om aan te nemen dat hij niet ernstig tracht werk
                                te vinden;</al></li><li nr="d."><al>indien de betrokkene zich zonder toestemming van het college in het
                                buitenland vestigt of geacht moet worden aldaar duurzaam te
                                verblijven;</al></li><li nr="e."><al>indien betrokkene niet voldoet aan de verplichtingen die bij of
                                krachtens artikel 11:16, eerste en tweede lid, zijn gesteld;</al></li><li nr="f."><al>indien de betrokkene zich zodanig gedraagt, dat hem ontslag zou zijn
                                verleend als hij in dienst was gebleven;</al></li><li nr="g."><al>indien achteraf blijkt, dat voor het aan de betrokkene verleende
                                ontslag zich feiten en/of omstandigheden hebben voorgedaan die, zo
                                deze eerder bekend waren, aanleiding zouden hebben gevormd hem als
                                ambtenaar met toepassing van artikel 8:13 van deze regeling ontslag
                                te verlenen;</al></li><li nr="h."><al>indien de betrokkene niet ernstig tracht werk te vinden.</al></li></lijst><al>Lid 2</al><al>Het voorgaande lid is, voor zover nodig, van overeenkomstige toepassing op
                        een uitkering, bedoeld in artikel 11:17.</al><al>Lid 3</al><al>Indien de betrokkene de verplichting bedoeld in artikel 11:21, eerste lid,
                        niet nakomt dan wel indien hij als ingeschrevene bij het arbeidsbureau dan
                        wel de buitenlandse instantie van arbeidsbemiddeling opzettelijk of door
                        nalatigheid verzuimt gevolg te geven aan een oproeping of aanwijzing van het
                        arbeidsbureau, welke kan leiden tot het verkrijgen van werk dat hem in
                        verband met zijn persoonlijkheid en omstandigheden redelijkerwijs kan worden
                        opgedragen of indien hij weigert dergelijk werk te aanvaarden, vervalt de
                        uitkering voor het gedeelte waarmee deze tezamen met de verzuimde of
                        verloren gegane inkomsten, de bezoldiging te boven zou zijn gegaan.</al><al>Lid 4</al><al>Het bepaalde in dit artikel is niet van kracht indien het niet nakomen van
                        voorschriften, het weigeren of geen gebruik maken van een aangeboden
                        betrekking of van een gelegenheid tot het verkrijgen van inkomsten geschiedt
                        tijdens een staking of uitsluiting, behoudens het geval dat het naar het
                        oordeel van het college noodzakelijk is dat de ambtenaar werkzaamheden
                        verricht ter vervanging van stakers of uitgeslotenen of om werknemers
                        behulpzaam te zijn, zulks met het oog op de openbare veiligheid of
                        gezondheid of voor de regelmatige functionering van de openbare dienst.</al><al>Artikel 11:27 Einde van het recht op uitkering</al><al><cursief>Hoofdstuk 11 is niet van toepassing op de ambtenaar of
                            arbeidscontractant die ontslagen is met ingang van 1 januari 2001 of
                            later. (Zie ook artikel 11:32 lid 1.)</cursief></al><al>Lid 1</al><al>Het recht op uitkering eindigt:</al><lijst><li nr="a."><al>met ingang van de eerste dag van de kalendermaand volgende op die
                                waarin de betrokkene de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt;</al></li><li nr="b."><al>met ingang van de dag volgende op die waarop de betrokkene is
                                overleden;</al></li><li nr="c."><al>indien het recht op uitkering geheel wordt afgekocht.</al></li></lijst><al>Lid 2</al><al>Het recht op uitkering eindigt met ingang van de dag waarop de betrokkene
                        recht verkrijgt op een WAO-uitkering, berekend naar een
                        arbeidsongeschiktheid van 80% of meer. Artikel 11:6, achtste lid, is van
                        overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat van deze uitkering de
                        duur, voor zover deze wordt bepaald aan de hand van artikel 11:8, en de
                        hoogte worden vastgesteld te rekenen vanaf de datum van ontslag.</al><al>Lid 3</al><al>De voorgaande leden zijn, voor zover nodig van overeenkomstige toepassing op
                        een uitkering, bedoeld in artikel 11:17.</al><al>Artikel 11:28 Nadere voorschriften</al><al><cursief>Hoofdstuk 11 is niet van toepassing op de ambtenaar of
                            arbeidscontractant die ontslagen is met ingang van 1 januari 2001 of
                            later. (Zie ook artikel 11:32 lid 1.)</cursief></al><al>Ter uitvoering van dit hoofdstuk kan het college nadere voorschriften
                        geven.</al><al>Artikel 11:29 Overgangsbepalingen</al><al><cursief>Hoofdstuk 11 is niet van toepassing op de ambtenaar of
                            arbeidscontractant die ontslagen is met ingang van 1 januari 2001 of
                            later. (Zie ook artikel 11:32 lid 1.)</cursief></al><al>Lid 1</al><al>Op de uitkeringen toegekend krachtens de bepalingen van de
                        uitkeringsregeling zoals deze luidde voor 1 augustus 1991, worden voor de
                        resterende duur na 30 juli 1991, de bepalingen van de uitkeringsregeling
                        zoals deze luiden met ingang van 1 augustus 1991 toegepast, met dien
                        verstande dat de hoogte, voor de reeds vastgestelde duur, nooit lager zal
                        zijn dan op grond van de uitkeringsregeling zoals deze luidde voor 1
                        augustus 1991.</al><al>Lid 2</al><al>Ten aanzien van de uitkeringen, als bedoeld in het eerste lid, die
                        voortduren na 30 juli 1991, wordt op basis van de desbetreffende bepalingen
                        in de uitkeringsregeling zoals deze luiden met ingang van 1 augustus 1991,
                        de duur opnieuw berekend. Indien de aldus berekende duur van de toegekende
                        uitkering langer is dan de oorspronkelijk vastgestelde duur, wordt deze
                        laatstgenoemde duur verlengd met het verschil tussen beide.</al><al>Lid 3</al><al>De betrokkene aan wie een uitkering was toegekend op grond van artikel 11,
                        eerste lid, van de uitkeringsregeling, zoals deze luidde tot 1 augustus
                        1991, en welke als gevolg van beëindiging van de werkloosheid is vervallen,
                        behoudt binnen de in artikel 13, tweede lid genoemde termijn en
                        overeenkomstig de overige daarvoor genoemde voorwaarden het recht op opnieuw
                        toekennen van de uitkering. Artikel 13, eerste lid van de uitkeringsregeling
                        zoals deze luidde tot 1 augustus 1991, blijft van toepassing op een weder
                        toegekende uitkering als bedoeld in de vorige volzin, met dien verstande dat
                        de duur van de toegekende uitkering wordt herberekend op grond van het
                        tweede lid.</al><al>Artikel 11:30 Overgangsbepalingen</al><al><cursief>Hoofdstuk 11 is niet van toepassing op de ambtenaar of
                            arbeidscontractant die ontslagen is met ingang van 1 januari 2001 of
                            later. (Zie ook artikel 11:32 lid 1.)</cursief></al><al>Lid 1</al><al>Degene aan wie voor 1 januari 1995 een uitkering is toegekend op basis van
                        de bepalingen van de uitkeringsverordening zoals deze luidde voor 1 januari
                        1995, en waarvan de duur doorloopt tot na 31 december 1994, behoudt wat
                        betreft de hoogte van deze uitkering de aanspraken zoals deze zijn
                        vastgelegd in evengenoemde verordening.</al><al>Lid 2</al><al>Het voorgaande geldt eveneens ten aanzien van degene aan wie voor 1 januari
                        1995 een uitkering is toegekend op basis van dit hoofdstuk.</al><al>Artikel 11:31 Vervallen</al><al>(Vervallen)</al><al>Artikel 11:32 Slotbepaling</al><al>Lid 1</al><al>Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaar of arbeidscontractant
                        die ontslagen is met ingang van 1 januari 2001 of later.</al><al>Lid 2</al><al>Bij de verwijzingen in dit hoofdstuk naar artikelen elders uit de CAR en/of
                        UWO moet, voorzover niet anders is bepaald, worden uitgegaan van de tekst
                        van deze artikelen zoals deze luidde op 31 december 2000. </al><al>11a Suppletie</al><al>Artikel 11a:1 Begripsomschrijvingen</al><al><cursief>Dit hoofdstuk is van toepassing op een zeer beperkte groep
                            ambtenaren. (Zie artikel 11a:21)</cursief></al><al>Lid 1</al><al>Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder :</al><lijst><li nr="a."><al><vet>arbeidsongeschiktheid:</vet> arbeidsongeschiktheid in de zin
                                van <extref doc="1.0:v:BWBR0002524&amp;artikel=18" struct="BWB">artikel 18, eerste lid, van de Wet op de
                                    arbeidsongeschiktheidsverzekering</extref>;</al></li><li nr="b."><al><vet>arbeidsongeschiktheidsuitkering:</vet> een periodieke
                                uitkering, toegekend op grond van arbeidsongeschiktheid, die
                                voortvloeit uit enig dienstverband van betrokkene;</al></li><li nr="c."><al><vet>WAO-uitkering:</vet> uitkering op grond van de <extref doc="1.0:v:BWBR0002524" struct="BWB">WAO</extref>;</al></li><li nr="d."><al><vet>betrokkene:</vet> de overheidswerknemer, bedoeld in <extref doc="1.0:v:BWBR0007791&amp;artikel=2" struct="BWB">artikel
                                    2 van de WPA</extref>, aan wie op grond van artikel 8:5 ontslag
                                is verleend op grond van ongeschiktheid voor de vervulling van zijn
                                betrekking wegens ziekte, en die ten tijde van dat ontslag minder
                                dan 80% arbeidsongeschikt is, met uitzondering van degene die zijn
                                resterende verdienvermogen volledig benut in een of meer aangehouden
                                betrekkingen;</al></li><li nr="e."><al><vet>bestuursorgaan:</vet> het orgaan als bedoeld in artikel 8:5,
                                eerste lid, dat bevoegd is betrokkene ontslag te verlenen;</al></li><li nr="f."><al><vet>suppletie:</vet> de suppletie, bedoeld in artikel 11a:6;</al></li><li nr="g."><al><vet>dagloon:</vet> het dagloon in de zin van de <extref doc="1.0:v:BWBR0002524" struct="BWB">Wet op de
                                    arbeidsongeschiktheidsverzekering</extref> zonder toepassing van
                                de maximumdagloongrens van <extref doc="1.0:v:BWBR0002126&amp;artikel=9" struct="BWB">artikel
                                    9, eerste lid, van de Coördinatiewet Sociale
                                    Verzekering</extref>, vermeerderd met het bedrag aan
                                pensioenpremie, bedoeld in <extref doc="1.0:v:BWBR0007211&amp;artikel=10" struct="BWB">artikel 10 van de Wet financiële voorzieningen privatisering
                                    ABP</extref>, en in voorkomend geval verminderd met bijdragen
                                strekkende tot betaling van de premie van een door of voor de
                                betrokkene afgesloten particuliere ziektekostenverzekering als
                                bedoeld in <extref doc="1.0:v:BWBR0002576&amp;artikel=1" struct="BWB">artikel 1, tweede lid, onderdeel b, van het Besluit
                                    Algemene Dagloonregelen WAO</extref>;</al></li><li nr="h."><al><vet>berekeningsgrondslag van de suppletie:</vet> het dagloon van
                                betrokkene op de dag voorafgaande aan het ontslag ter zake waarvan
                                hem recht op suppletie wordt toegekend, voor zover dat betrekking
                                heeft op het inkomen uit de betrekking waaraan het recht op
                                suppletie wordt ontleend;</al></li><li nr="i."><al><vet>werkloosheidsuitkering:</vet> een periodieke uitkering ter zake
                                van ontslag of werkloosheid, die voortvloeit uit enig dienstverband
                                van betrokkene.</al></li></lijst><al>Lid 2</al><al>Bij de toepassing van dit hoofdstuk wordt artikel 1:2:1 in acht
                        genomen.</al><al>Artikel 11a:2 Recht op suppletie</al><al><cursief>Dit hoofdstuk is van toepassing op een zeer beperkte groep
                            ambtenaren. (Zie artikel 11a:21)</cursief></al><al>Lid 1</al><al>Betrokkene heeft recht op suppletie vanaf het tijdstip dat aan hem ontslag
                        is verleend op grond van ongeschiktheid voor de vervulling van zijn
                        betrekking wegens ziekte.</al><al>Lid 2</al><al>Het eerste lid is niet van toepassing indien het in dat lid bedoelde ontslag
                        wordt verleend na het moment dat de ongeschiktheid voor de vervulling van
                        zijn betrekking wegens ziekte 90 maanden onafgebroken heeft geduurd. Voor
                        het bepalen van genoemde periode van 90 maanden worden perioden van ziekte
                        samengeteld indien die elkaar met een onderbreking van minder dan vier weken
                        opvolgen.</al><al>Artikel 11a:3 Recht op suppletie</al><al><cursief>Dit hoofdstuk is van toepassing op een zeer beperkte groep
                            ambtenaren. (Zie artikel 11a:21)</cursief></al><al>Lid 1</al><al>Het verplichtingen- en sanctieregime van de <extref doc="1.0:v:BWBR0004045" struct="BWB">Werkloosheidswet</extref> is
                        van overeenkomstige toepassing op het recht op suppletie.</al><al>Lid 2</al><al>Onverminderd het eerste lid, omvat passende arbeid in de zin van de <extref doc="1.0:v:BWBR0004045" struct="BWB">Werkloosheidswet</extref>
                        voor de toepassing van de suppletie mede gangbare arbeid. Hierbij wordt
                        onder gangbare arbeid verstaan: alle algemeen geaccepteerde arbeid waartoe
                        de betrokkene met zijn krachten en bekwaamheden in staat is.</al><al>Artikel 11a:4 Recht op suppletie</al><al><cursief>Dit hoofdstuk is van toepassing op een zeer beperkte groep
                            ambtenaren. (Zie artikel 11a:21)</cursief></al><al>Het recht op suppletie komt niet tot uitbetaling voor zolang :</al><lijst><li nr="a."><al>betrokkene een WAO-uitkering ontvangt, berekend naar een mate van
                                arbeidsongeschiktheid van 80% of meer;</al></li><li nr="b."><al>betrokkene is herplaatst in een functie waaraan hij recht kan
                                ontlenen op herplaatsingstoelage als bedoeld in hoofdstuk 12 van het
                                pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds ABP.</al></li></lijst><al>Artikel 11a:5 Recht op suppletie</al><al><cursief>Dit hoofdstuk is van toepassing op een zeer beperkte groep
                            ambtenaren. (Zie artikel 11a:21)</cursief></al><al>Het recht op suppletie eindigt:</al><lijst><li nr="a."><al>na ommekomst van de duur van de suppletie;</al></li><li nr="b."><al>met ingang van de dag volgende op die waarop de betrokkene is
                                overleden;</al></li><li nr="c."><al>met ingang van de eerste dag van de maand waarin de betrokkene de
                                leeftijd van 65 jaar bereikt.</al></li></lijst><al>Artikel 11a:6 Suppletie</al><al><cursief>Dit hoofdstuk is van toepassing op een zeer beperkte groep
                            ambtenaren. (Zie artikel 11a:21)</cursief></al><al>Lid 1</al><al>De suppletie bedraagt een percentage van de berekeningsgrondslag van de
                        suppletie.</al><al>Lid 2</al><al>De berekeningsgrondslag van de suppletie wordt telkens aangepast aan de voor
                        de sector Gemeenten geldende algemene bezoldigingswijziging.</al><al>Lid 3</al><al>Het in het eerste lid bedoelde percentage bedraagt :</al><lijst><li nr="a."><al>gedurende de eerste drieëndertig maanden 80%; en</al></li><li nr="b."><al>gedurende de daaropvolgende drieëndertig maanden 70%.</al></li></lijst><al>Artikel 11a:7 Suppletie</al><al><cursief>Dit hoofdstuk is van toepassing op een zeer beperkte groep
                            ambtenaren. (Zie artikel 11a:21)</cursief></al><al>Lid 1</al><al>In afwijking van artikel 11a:6, derde lid, wordt, indien het in artikel
                        11a:2 bedoelde ontslag is verleend op een latere datum dan het moment waarop
                        de ongeschiktheid voor de vervulling van zijn betrekking wegens ziekte 24
                        maanden onafgebroken heeft geduurd, de in artikel 11a:6, derde lid, genoemde
                        periode verminderd met de periode die gelegen is tussen de ontslagdatum en
                        het moment waarop genoemde ongeschiktheid 24 maanden onafgebroken heeft
                        geduurd. Deze vermindering vindt plaats, te beginnen met de periode
                        gedurende welke de betrokkene recht heeft op 80% van de berekeningsgrondslag
                        van de suppletie.</al><al>Lid 2</al><al>Voor het bepalen van de in het eerste lid bedoelde periode van 24 maanden
                        worden perioden van ziekte samengeteld indien die elkaar met een
                        onderbreking van minder dan vier weken opvolgen.</al><al>Artikel 11a:8 Suppletie</al><al><cursief>Dit hoofdstuk is van toepassing op een zeer beperkte groep
                            ambtenaren. (Zie artikel 11a:21)</cursief></al><al>Lid 1</al><al>Indien de betrokkene gedurende de periode dat recht bestaat op suppletie,
                        ter zake van de dienstbetrekking waaruit dat recht op suppletie is ontstaan,
                        een werkloosheidsuitkering, een Waz-uitkering dan wel een
                        arbeidsongeschiktheidsuitkering ontvangt, wordt het bedrag van genoemde
                        uitkering of uitkeringen in mindering gebracht op het bedrag van de
                        suppletie. Indien de bedoelde betrokkene uit hoofde van twee of meer
                        dienstbetrekkingen als overheidswerknemer recht heeft op een WAO-uitkering,
                        wordt die uitkering voor de toepassing van de eerste volzin, toegerekend aan
                        de dienstbetrekking ter zake waarvan hem recht op suppletie is toegekend,
                        naar rato van de feitelijk genoten inkomsten uit hoofde van de
                        desbetreffende dienstbetrekkingen.</al><al>Lid 2</al><al>Indien de betrokkene recht heeft op een arbeidsongeschiktheidsuitkering die
                        kan worden toegerekend aan een dienstbetrekking, waaruit hij is ontslagen op
                        een datum, gelegen vóór de datum van ontslag uit de dienstbetrekking ter
                        zake waarvan hem recht op suppletie is toegekend, welk recht voortduurt na
                        laatstgenoemde datum, wordt, in geval van een verhoging van de mate van de
                        arbeidsongeschiktheid waardoor het bedrag van die
                        arbeidsongeschiktheidsuitkering verhoogd wordt, uitsluitend het bedrag van
                        die verhoging van die arbeidsongeschiktheidsuitkering in mindering gebracht
                        op het bedrag van de suppletie. Indien de bedoelde betrokkene uit hoofde van
                        twee of meer dienstbetrekkingen als overheidswerknemer recht heeft op een
                        WAO-uitkering, wordt die uitkering voor de toepassing van de vorige volzin
                        toegerekend aan de in die volzin eerstgenoemde dienstbetrekking, naar rato
                        van de feitelijk genoten inkomsten uit hoofde van de desbetreffende
                        dienstbetrekkingen.</al><al>Lid 3</al><al>Indien de toerekeningswijze, bedoeld in het tweede lid, in een individueel
                        geval naar het oordeel van het bestuursorgaan leidt tot een kennelijk
                        onredelijke uitkomst voor de betrokkene, kan het bestuursorgaan ten gunste
                        van die betrokkene tot een wijze van toerekenen besluiten die met de
                        strekking van dit artikel overeenkomt.</al><al>Artikel 11a:9 Suppletie</al><al><cursief>Dit hoofdstuk is van toepassing op een zeer beperkte groep
                            ambtenaren. (Zie artikel 11a:21)</cursief></al><al>Lid 1</al><al>Indien betrokkene gedurende de periode dat recht bestaat op suppletie
                        inkomsten verwerft uit of in verband met arbeid of bedrijf, anders dan
                        bedoeld in artikel 11a:8, wordt de berekeningsgrondslag van de suppletie
                        verminderd met de inkomsten uit of in verband met arbeid of bedrijf.</al><al>Lid 2</al><al>Onder inkomsten uit of in verband met arbeid of bedrijf, bedoeld in het
                        eerste lid, worden begrepen inkomsten uit of in verband met arbeid of
                        bedrijf die zijn ontstaan:</al><lijst><li nr="a."><al>met ingang van of na de dag waarop het ontslag ter zake waarvan de
                                betrokkene suppletie is toegekend, hem is aangezegd;</al></li><li nr="b."><al>gedurende non-activiteit, vakantie of verlof onmiddellijk
                                voorafgaande aan het ontslag ter zake waarvan de betrokkene
                                suppletie is toegekend;</al></li><li nr="c."><al>vóór de dag van het ontslag ter zake waarvan de betrokkene suppletie
                                is toegekend, anders dan bedoeld in onderdeel a en b, en artikel
                                11a:8, tweede lid, voor zover uit deze arbeid of dit bedrijf na die
                                dag inkomsten of meer inkomsten worden genoten door de betrokkene,
                                terwijl die inkomsten of die meerdere inkomsten of een gedeelte
                                daarvan, het gevolg zijn van een verhoogde werkzaamheid dan wel
                                verband houden met het ontslag.</al></li></lijst><al>Lid 3</al><al>In bijzondere gevallen kan het bestuursorgaan ten gunste van betrokkene
                        afwijken van het tweede lid.</al><al>Artikel 11a:10 Suppletie</al><al><cursief>Dit hoofdstuk is van toepassing op een zeer beperkte groep
                            ambtenaren. (Zie artikel 11a:21)</cursief></al><al>Voor de toepassing van artikel 11a:8 en 11a:9 worden uitkeringen steeds
                        geacht onverminderd door betrokkene te zijn genoten indien, als gevolg van
                        handelingen of het nalaten van handelingen door betrokkene, één of meer
                        werkloosheidsuitkeringen, een Waz-uitkering,
                        arbeidsongeschiktheidsuitkeringen, uitkeringen op grond van de <extref doc="1.0:v:BWBR0001888" struct="BWB">Ziektewet</extref> dan wel
                        uitkeringen die naar aard en strekking overeenkomen met laatstgenoemde
                        uitkeringen, waarop betrokkene recht heeft:</al><lijst><li nr="a."><al>vermindering ondergaan;</al></li><li nr="b."><al>blijvend geheel geweigerd worden;</al></li><li nr="c."><al>tijdelijk of blijvend gedeeltelijk geweigerd worden; dan wel;</al></li><li nr="d."><al>in uitkeringsduur beperkt worden.</al></li></lijst><al>Artikel 11a:11 Suppletie</al><al><cursief>Dit hoofdstuk is van toepassing op een zeer beperkte groep
                            ambtenaren. (Zie artikel 11a:21)</cursief></al><al>Lid 1</al><al>Zo spoedig mogelijk na het overlijden van de betrokkene, aan wie een
                        suppletie is toegekend, keert het bestuursorgaan een bedrag uit, gelijk aan
                        de berekeningsgrondslag van de suppletie van betrokkene over een tijdvak van
                        drie maanden.</al><al>Lid 2</al><al>Het in het eerste lid bedoelde bedrag wordt uitgekeerd:</al><lijst><li nr="a."><al>aan de langstlevende der echtgenoten of geregistreerde partner(s)
                                indien de overledene niet duurzaam van de andere echtgenoot of
                                geregistreerde partner gescheiden leefde;</al></li><li nr="b."><al>bij ontstentenis van de onder a bedoelde persoon aan de minderjarige
                                wettige of natuurlijke kinderen;</al></li><li nr="c."><al>bij ontstentenis van de onder a en b bedoelde personen aan degenen
                                ten aanzien van wie de overledene grotendeels in de kosten van het
                                bestaan voorzag en met wie hij in gezinsverband leefde.</al></li></lijst><al>Lid 3</al><al>Voor de toepassing van het tweede lid worden mede als echtgenoot of
                        geregistreerde partner aangemerkt niet gehuwde personen van verschillend of
                        gelijk geslacht die duurzaam een gezamenlijke huishouding voeren, tenzij het
                        betreft personen tussen wie bloedverwantschap in de eerste of tweede graad
                        bestaat.</al><al>Lid 4</al><al>Van een gezamenlijke huishouding als bedoeld in het derde lid, kan slechts
                        sprake zijn indien twee ongehuwde personen gezamenlijk voorzien in
                        huisvesting en bovendien beiden een bijdrage leveren in de kosten van de
                        huishouding dan wel op andere wijze in elkaars verzorging voorzien.</al><al>Lid 5</al><al>Op het uit te keren bedrag, bedoeld in het eerste lid, wordt in mindering
                        gebracht het bedrag van de uitkering waarop de nagelaten betrekkingen van de
                        betrokkene ter zake van diens overlijden aanspraak kunnen maken uit hoofde
                        van een of meer werkloosheidsuitkeringen, arbeidsongeschiktheidsuitkeringen,
                        uitkeringen op grond van de <extref doc="1.0:v:BWBR0001888" struct="BWB">Ziektewet</extref> dan wel uitkeringen die naar aard en
                        strekking overeenkomen met laatstgenoemde uitkeringen, waarop betrokkene
                        recht had.</al><al>Artikel 11a:12 Betaling van suppletie</al><al><cursief>Dit hoofdstuk is van toepassing op een zeer beperkte groep
                            ambtenaren. (Zie artikel 11a:21)</cursief></al><al>Lid 1</al><al>Het bestuursorgaan stelt op aanvraag vast of er recht op suppletie
                        bestaat.</al><al>Lid 2</al><al>Een aanvraag wordt ingediend door middel van een door het bestuursorgaan
                        beschikbaar gesteld aanvraagformulier.</al><al>Lid 3</al><al>Het bestuursorgaan betaalt de suppletie zo spoedig mogelijk uit, doch
                        uiterlijk binnen een maand nadat het het recht op die suppletie heeft
                        vastgesteld. Het bestuursorgaan betaalt de suppletie in de regel per maand
                        achteraf.</al><al>Lid 4</al><al>De suppletie die niet in ontvangst is genomen of is ingevorderd binnen 3
                        maanden na de dag van betaalbaarstelling, wordt niet meer betaald. Het
                        bestuursorgaan kan in bijzondere gevallen ten gunste van betrokkene afwijken
                        van de eerste volzin.</al><al>Artikel 11a:13 Betaling van suppletie</al><al><cursief>Dit hoofdstuk is van toepassing op een zeer beperkte groep
                            ambtenaren. (Zie artikel 11a:21)</cursief></al><al>Lid 1</al><al>Het bestuursorgaan betaalt ambtshalve een naar redelijkheid vast te stellen
                        voorschot op een suppletie indien uitsluitend onzekerheid bestaat omtrent de
                        hoogte van de suppletie, omtrent het van de suppletie aan de betrokkene te
                        betalen bedrag of omtrent het nakomen van een verplichting als bedoeld in
                        artikel 11a:3.</al><al>Lid 2</al><al>Het bestuursorgaan kan op verzoek van de betrokkene een naar redelijkheid
                        vast te stellen voorschot op een suppletie betalen indien onzekerheid
                        bestaat omtrent het recht op suppletie.</al><al>Lid 3</al><al>Een voorschot, bedoeld in het eerste en tweede lid, wordt beschouwd als een
                        suppletie.</al><al>Artikel 11a:14 Scholing, opleiding en onbeloonde activiteiten</al><al><cursief>Dit hoofdstuk is van toepassing op een zeer beperkte groep
                            ambtenaren. (Zie artikel 11a:21)</cursief></al><al>Lid 1</al><al>Het bestuursorgaan kan regels stellen op grond waarvan in bij die regels aan
                        te geven gevallen en met inachtneming van bij die regels te stellen
                        beperkingen de betrokkene bevoegd is deel te nemen aan een opleiding of
                        scholing in dagonderwijs.</al><al>Lid 2</al><al>Indien de betrokkene die recht heeft op suppletie gaat deelnemen aan een
                        voor hem naar het oordeel van het bestuursorgaan noodzakelijke opleiding of
                        scholing, blijft volgens door het bestuursorgaan te stellen regels het recht
                        op suppletie bestaan totdat die opleiding of scholing is geëindigd.</al><al>Lid 3</al><al>In de door het bestuursorgaan te stellen regels, bedoeld in het tweede lid,
                        worden in ieder geval voorschriften en beperkingen gegeven met betrekking
                        tot de aard, de omvang en de duur van de in het tweede lid bedoelde
                        opleiding of scholing.</al><al>Artikel 11a:15 Scholing, opleiding en onbeloonde activiteiten</al><al><cursief>Dit hoofdstuk is van toepassing op een zeer beperkte groep
                            ambtenaren. (Zie artikel 11a:21)</cursief></al><al>Lid 1</al><al>De betrokkene die onbeloonde activiteiten verricht, is verplicht daarvan
                        mededeling te doen aan het bestuursorgaan.</al><al>Lid 2</al><al>De betrokkene heeft voor het verrichten van bijzondere vormen van onbeloonde
                        activiteiten voorafgaande toestemming van het bestuursorgaan nodig.</al><al>Artikel 11a:16 Uitvoeringsvoorschriften</al><al><cursief>Dit hoofdstuk is van toepassing op een zeer beperkte groep
                            ambtenaren. (Zie artikel 11a:21)</cursief></al><al>Lid 1</al><al>Het bestuursorgaan stelt nadere regels vast met betrekking tot :</al><lijst><li nr="a."><al>de wijze waarop de controle van betrokkene plaatsvindt;</al></li><li nr="b."><al>het genieten van vakantie tijdens de duur van de suppletie.</al></li></lijst><al>Lid 2</al><al>Het bestuursorgaan kan nadere regels stellen met betrekking tot artikel
                        11a:15.</al><al>Artikel 11a:17 Conversie herplaatsingswachtgeld en bezoldiging of uitkering
                        wegens ziekte</al><al><cursief>Dit hoofdstuk is van toepassing op een zeer beperkte groep
                            ambtenaren. (Zie artikel 11a:21)</cursief></al><al>Lid 1</al><al>Degene die op 31 december 1995 uit hoofde van een ontslag uit de sector
                        gemeenten recht heeft op een herplaatsingswachtgeld als bedoeld in artikel K
                        4, tweede lid, juncto artikel K 6 van de Algemene burgerlijke pensioenwet,
                        zoals die wet luidde op die datum, en waarvan de duur op 1 januari 1996 nog
                        niet is verstreken, heeft recht op suppletie.</al><al>Lid 2</al><al>Het in het eerste lid bedoelde recht op suppletie bedraagt bij een op 31
                        december 1995 genoten recht op herplaatsingswachtgeld van.</al><table><tgroup cols="3"><colspec colname="col1" colwidth="17*"/><colspec colname="col2" colwidth="45*"/><colspec colname="col3" colwidth="37*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>1 maand</al></entry><entry colname="col2"><al>gedurende de eerste 27 maanden 80%</al></entry><entry colname="col3"><al>vervolgens 33 maanden 70%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>2 maanden </al></entry><entry colname="col2"><al>gedurende de eerste 26 maanden 80%</al></entry><entry colname="col3"><al>vervolgens 33 maanden 70%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>3 maanden </al></entry><entry colname="col2"><al>gedurende de eerste 25 maanden 80%</al></entry><entry colname="col3"><al>vervolgens 33 maanden 70%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>4 maanden</al></entry><entry colname="col2"><al>gedurende de eerste 24 maanden 80%</al></entry><entry colname="col3"><al>vervolgens 33 maanden 70%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>5 maanden </al></entry><entry colname="col2"><al>gedurende de eerste 22 maanden 80%</al></entry><entry colname="col3"><al>vervolgens 33 maanden 70%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>6 maanden </al></entry><entry colname="col2"><al>gedurende de eerste 21 maanden 80%</al></entry><entry colname="col3"><al>vervolgens 33 maanden 70%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>7 maanden </al></entry><entry colname="col2"><al>gedurende de eerste 20 maanden 80%</al></entry><entry colname="col3"><al>vervolgens 33 maanden 70%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>8 maanden </al></entry><entry colname="col2"><al>gedurende de eerste 19 maanden 80%</al></entry><entry colname="col3"><al>vervolgens 33 maanden 70%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>9 maanden </al></entry><entry colname="col2"><al>gedurende de eerste 18 maanden 80%</al></entry><entry colname="col3"><al>vervolgens 33 maanden 70%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>10 maanden</al></entry><entry colname="col2"><al>gedurende de eerste 17 maanden 80%</al></entry><entry colname="col3"><al>vervolgens 33 maanden 70%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>11 maanden</al></entry><entry colname="col2"><al>gedurende de eerste 16 maanden 80%</al></entry><entry colname="col3"><al>vervolgens 33 maanden 70%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>12 maanden</al></entry><entry colname="col2"><al>gedurende de eerste 15 maanden 80%</al></entry><entry colname="col3"><al>vervolgens 33 maanden 70%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>13 maanden</al></entry><entry colname="col2"><al>gedurende de eerste 14 maanden 80%</al></entry><entry colname="col3"><al>vervolgens 33 maanden 70%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>14 maanden</al></entry><entry colname="col2"><al>gedurende de eerste 13 maanden 80%</al></entry><entry colname="col3"><al>vervolgens 33 maanden 70%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>15 maanden</al></entry><entry colname="col2"><al>gedurende de eerste 12 maanden 80%</al></entry><entry colname="col3"><al>vervolgens 33 maanden 70%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>16 maanden</al></entry><entry colname="col2"><al>gedurende de eerste 11 maanden 80%</al></entry><entry colname="col3"><al>vervolgens 33 maanden 70%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>17 maanden</al></entry><entry colname="col2"><al>gedurende de eerste 10 maanden 80%</al></entry><entry colname="col3"><al>vervolgens 33 maanden 70%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>18 maanden </al></entry><entry colname="col2"><al>gedurende de eerste 9 maanden 80%</al></entry><entry colname="col3"><al>vervolgens 33 maanden 70%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>19 maanden </al></entry><entry colname="col2"><al>gedurende de eerste 9 maanden 80%</al></entry><entry colname="col3"><al>vervolgens 33 maanden 70%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>20 maanden</al></entry><entry colname="col2"><al>gedurende de eerste 8 maanden 80%</al></entry><entry colname="col3"><al>vervolgens 33 maanden 70%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>21 maanden</al></entry><entry colname="col2"><al>gedurende de eerste 7 maanden 80%</al></entry><entry colname="col3"><al>vervolgens 33 maanden 70%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>22 maanden</al></entry><entry colname="col2"><al>gedurende de eerste 6 maanden 80%</al></entry><entry colname="col3"><al>vervolgens 33 maanden 70%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>23 maanden</al></entry><entry colname="col2"><al>gedurende de eerste 5 maanden 80%</al></entry><entry colname="col3"><al>vervolgens 33 maanden 70%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>24 maanden</al></entry><entry colname="col2"><al>gedurende de eerste 4 maanden 80%</al></entry><entry colname="col3"><al>vervolgens 33 maanden 70%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>25 maanden </al></entry><entry colname="col2"><al>gedurende de eerste 3 maanden 80%</al></entry><entry colname="col3"><al>vervolgens 33 maanden 70%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>26 maanden </al></entry><entry colname="col2"><al>gedurende de eerste 2 maanden 80%</al></entry><entry colname="col3"><al>vervolgens 33 maanden 70%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>27 maanden </al></entry><entry colname="col2"><al>gedurende de eerste 1 maand 80%</al></entry><entry colname="col3"><al>vervolgens 33 maanden 70%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>28 maanden </al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>gedurende 33 maanden 70%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>29 maanden</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>gedurende 32 maanden 70%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>30 maanden </al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>gedurende 31 maanden 70%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>31 maanden</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>gedurende 30 maanden 70%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>32 maanden</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>gedurende 29 maanden 70%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>33 maanden</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>gedurende 28 maanden 70%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>34 maanden</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>gedurende 27 maanden 70%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>35 maanden</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>gedurende 26 maanden 70%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>36 maanden</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>gedurende 25 maanden 70%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>37 maanden </al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>gedurende 24 maanden 70%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>38 maanden </al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>gedurende 23 maanden 70%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>39 maanden</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>gedurende 22 maanden 70%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>40 maanden</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>gedurende 21 maanden 70%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>41 maanden</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>gedurende 20 maanden 70%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>42 maanden</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>gedurende 19 maanden 70%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>43 maanden</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>gedurende 18 maanden 70%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>44 maanden</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>gedurende 17 maanden 70%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>45 maanden</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>gedurende 16 maanden 70%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>46 maanden </al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>gedurende 15 maanden 70%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>47 maanden</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>gedurende 14 maanden 70%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>48 maanden</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>gedurende 13 maanden 70%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>49 maanden</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>gedurende 11 maanden 70%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>50 maanden </al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>gedurende 10 maanden 70%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>51 maanden</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>gedurende 9 maanden 70%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>52 maanden </al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>gedurende 8 maanden 70%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>53 maanden</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>gedurende 7 maanden 70%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>54 maanden</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>gedurende 6 maanden 70%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>55 maanden</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>gedurende 5 maanden 70%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>56 maanden</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>gedurende 4 maanden 70%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>57 maanden</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>gedurende 3 maanden 70%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>58 maanden</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>gedurende 2 maanden 70%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>59 maanden </al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>gedurende 1 maand 70%</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>Lid 3</al><al>De artikelen 11a:3, 11a:4, 11a:5, 11a:6, tweede lid, 11a:7, 11a:8, 11a:9,
                        11a:10, 11a:11, alsmede artikel 11a:12, derde lid tot en met 11a:16 zijn van
                        overeenkomstige toepassing.</al><al>Lid 4</al><al>Het bestuursorgaan stelt ambtshalve van iedere overheidswerknemer als
                        bedoeld in het eerste lid, het recht op suppletie vast met inachtneming van
                        het in dit artikel bepaalde.</al><al>Lid 5</al><al>Artikel 11a:6, eerste lid, is van overeenkomstige toepassing, met dien
                        verstande dat voor de vaststelling van de berekeningsgrondslag voor de
                        betrokkene als dagloon geldt het dagloon zoals bepaald in <extref doc="1.0:v:BWBR0007791&amp;artikel=42" struct="BWB">artikel 42,
                            derde en vierde lid, van de WPA</extref>, zonder toepassing van de
                        maximumdagloongrens van <extref doc="1.0:v:BWBR0002126&amp;artikel=9" struct="BWB">artikel 9, eerste lid, van de Coördinatiewet Sociale
                            Verzekering</extref>.</al><al>Lid 6</al><al>Bij de bepaling op 1 januari 1996 van de periode waarover
                        herplaatsingswachtgeld is genoten, wordt deze periode naar beneden afgerond
                        op een hele maand.</al><al>Artikel 11a:18 Conversie herplaatsingswachtgeld en bezoldiging of uitkering
                        wegens ziekte</al><al><cursief>Dit hoofdstuk is van toepassing op een zeer beperkte groep
                            ambtenaren. (Zie artikel 11a:21)</cursief></al><al>Indien de overheidswerknemer, bedoeld in <extref doc="1.0:v:BWBR0007791&amp;artikel=2" struct="BWB">artikel 2 van
                            de WPA</extref>, op 1 januari 1996 gedurende een periode van 52 weken of
                        langer onafgebroken arbeidsongeschikt is geweest in de zin van <extref doc="1.0:v:BWBR0002524" struct="BWB">artikel 19, eerste lid, van
                            de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering</extref> en de mate van
                        zijn algemene invaliditeit op grond van het pensioenreglement is vastgesteld
                        op ten minste 15 procent dan wel de mate van arbeidsongeschiktheid ingevolge
                        de ministeriële regeling op grond van <extref doc="1.0:v:BWBR0003011&amp;artikel=8" struct="BWB">artikel 8,
                            derde lid, van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet</extref> is
                        vastgesteld op ten minste 25 procent, binnen een periode van zes maanden is
                        aan te merken als betrokkene, geldt voor hem als dagloon het dagloon zoals
                        bepaald in <extref doc="1.0:v:BWBR0007791&amp;artikel=39" struct="BWB">artikel 39, vierde en vijfde lid, van de WPA</extref>, zonder
                        toepassing van de maximumdagloongrens van <extref doc="1.0:v:BWBR0002126&amp;artikel=9" struct="BWB">artikel 9,
                            eerste lid, van de Coördinatiewet Sociale Verzekering</extref>.</al><al>Artikel 11a:19 Overige en slotbepalingen</al><al><cursief>Dit hoofdstuk is van toepassing op een zeer beperkte groep
                            ambtenaren. (Zie artikel 11a:21)</cursief></al><al>Indien het niveau van de WAO-conforme uitkering als bedoeld in paragraaf 9
                        van de <extref doc="1.0:v:BWBR0007791" struct="BWB">WPA</extref> een
                        algemene neerwaartse wijziging ondergaat, wordt deze neerwaartse wijziging,
                        tenzij de LOGA-partners anders overeenkomen, binnen zes maanden na de datum
                        van het Staatsblad, waarin de maatregel is gepubliceerd, op overeenkomstige
                        wijze ten aanzien van de suppletie doorgevoerd vanaf de in het Staatsblad
                        vermelde datum van inwerkingtreding van bedoelde maatregel, doch niet eerder
                        dan zes maanden na de datum van het Staatsblad.</al><al>Artikel 11a:20 Overige en slotbepalingen</al><al><cursief>Dit hoofdstuk is van toepassing op een zeer beperkte groep
                            ambtenaren. (Zie artikel 11a:21)</cursief></al><al>Dit hoofdstuk treedt in werking met ingang van 1 januari 1996.</al><al>Artikel 11a:21 Overige en slotbepalingen</al><al>Lid 1</al><al>Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaar, van wie de eerste dag
                        van ongeschiktheid, bedoeld in artikel 8:5, is gelegen op of na 1 januari
                        2004 en die op of na 1 januari 2007 op grond van artikel 8:5 is ontslagen,
                        met uitzondering van de ambtenaar die op grond van de <extref doc="1.0:v:BWBR0002524" struct="BWB">WAO</extref> recht heeft op
                        een WAO-uitkering.</al><al>Lid 2</al><al>Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaar, van wie de eerste dag
                        van ongeschiktheid, bedoeld in artikel 8:5, is gelegen op of na 1 januari
                        2004 en die tussen 1 juli 2006 en 1 januari 2007 op grond van artikel 8:5 is
                        ontslagen en volledig arbeidsongeschikt is, met uitzondering van de
                        ambtenaar die op grond van de <extref doc="1.0:v:BWBR0002524" struct="BWB">WAO</extref> recht heeft op een WAO-uitkering.</al><al>12 Overleg met organisaties van overheidspersoneel</al><al>Artikel 12:1 Algemene bepalingen</al><al>Lid 1</al><al>Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al><vet>de commissie:</vet> de in artikel 12:2 bedoelde commissie voor
                                georganiseerd overleg;</al></li><li nr="b."><al><vet>de ambtenaren:</vet> de ambtenaren in de zin van de collectieve
                                arbeidsvoorwaardenregeling en de werknemers die werkzaam zijn op
                                basis van een arbeidsovereenkomst;</al></li><li nr="c."><al><vet>de organisaties:</vet> de plaatselijk werkende groeperingen van
                                de landelijke verenigingen van overheidspersoneel, aangesloten bij
                                de centrales welke zijn toegelaten tot het centraal overleg met het
                                College voor Arbeidszaken van de Vereniging van Nederlandse
                                Gemeenten.</al></li></lijst><al>Lid 2</al><al>Er is een commissie voor georganiseerd overleg, die is samengesteld uit een
                        vertegenwoordiging van het gemeentebestuur en een vertegenwoordiging van de
                        toegelaten organisaties.</al><al>Lid 3</al><al>Onder toegelaten organisaties worden verstaan: de Algemene Centrale van
                        Overheidspersoneel (ACOP) , de Christelijke Centrale van Overheids- en
                        Onderwijzend Personeel (CCOOP) en de Centrale van Middelbare en Hogere
                        Functionarissen bij overheid, onderwijs, bedrijven en instellingen (CMHF) ,
                        dan wel een van de bij deze centrales aangesloten bonden, voorzover deze
                        centrales, respectievelijk bonden voldoende representatief geacht kunnen
                        worden.</al><al>Lid 4</al><al>De leden van ABVAKABO en NOVON die op 1 juli 1998 zitting hebben in de
                        commissie namens ACOP of Ambtenarencentrum, dan wel namens ABVAKABO of
                        NOVON, behouden hun zetels als vertegenwoordigers van ACOP dan wel ABVAKABO
                        FNV/NOVON. Indien deze leden ophouden lid van de commissie te zijn, worden
                        ze niet vervangen totdat het aantal leden namens ACOP dan wel ABVAKABO
                        FNV/NOVON in overeenstemming is met het aantal als genoemd in de bepaling
                        van de samenstelling van de commissie. Uiterlijk op 1 juli 2002 wordt het
                        aantal leden in overeenstemming gebracht met de hier geldende
                        bepalingen.</al><al>Lid 5</al><al>Andere vakorganisaties dan bedoeld in het derde lid kunnen toegelaten worden
                        indien zij representatief geacht kunnen worden. Een desbetreffend verzoek
                        wordt in het georganiseerd overleg besproken.</al><al>Lid 6</al><al>Organisaties die tot het georganiseerd overleg zijn toegelaten, verliezen
                        hun toegang tot dit overleg zodra zij niet meer voldoende representatief
                        geacht worden.</al><al>Artikel 12:1:1 Samenstelling</al><al>Lid 1</al><al>Voor de vertegenwoordiging van het gemeentebestuur in de commissie, bedoeld
                        in artikel 12:1, wijst het college uit zijn midden een of meer
                        vertegenwoordigers en hun plaatsvervangers aan. De aanwijzing geschiedt bij
                        elke nieuwe zittingsperiode van de raad en voorts telkens ter vervanging van
                        hen die ophouden lid van het college te zijn.</al><al>Lid 2</al><al>Voor de vertegenwoordiging van de toegelaten organisaties in de commissie,
                        bedoeld in artikel 12:1, worden per centrale, bedoeld in artikel 12:1, derde
                        lid, twee leden en hun plaatsvervangers aangewezen. Deze aanwijzing
                        geschiedt door en uit de organisaties, welke een minimum aantal ambtenaren
                        tot haar leden tellen. Indien verschillende organisaties deel uitmaken van
                        een zelfde centrale, geldt het in de vorige zin bepaalde voor deze
                        organisaties gezamenlijk. In een nader vast te stellen regeling wordt het
                        bedoelde minimum aantal ambtenaren bepaald.</al><al>Artikel 12:1:2 Samenstelling</al><al>Lid 1</al><al>Uiterlijk 1 februari van elk jaar doet elke organisatie, bedoeld in artikel
                        12:1:1 , tweede lid, aan college opgaaf van het aantal der op 1 januari van
                        dat jaar bij haar aangesloten ambtenaren.</al><al>Lid 2</al><al>Degene, die als lid of als plaatsvervanger door een organisatie is
                        aangewezen, houdt op dit te zijn zodra hij geen lid van de organisatie of
                        geen ambtenaar meer is, alsmede indien de organisatie schriftelijk aan
                        college doet weten dat zijn aanwijzing als vertegenwoordiger of
                        plaatsvervanger is ingetrokken. In deze gevallen wordt zo spoedig mogelijk
                        een opvolger aangewezen.</al><al>Artikel 12:1:3 Samenstelling</al><al>Lid 1</al><al>Voorzitter van de commissie is de door het college aangewezen
                        vertegenwoordiger of bij afwezigheid zijn plaatsvervanger.</al><al>Lid 2</al><al>Het college wijst een ambtenaar, niet behorende tot de vertegenwoordiging
                        van de organisaties, tot secretaris van de commissie aan, alsmede diens
                        plaatsvervanger. Zo nodig stelt het college verder personeel voor het
                        secretariaat ter beschikking.</al><al>Lid 3</al><al>De secretaris kan aan de besprekingen deelnemen.</al><al>Artikel 12:1:4 Mededeling omtrent CAR en UWO</al><al>Lid 1</al><al>Ingeval het LOGA tussen het College voor Arbeidszaken van de Vereniging van
                        Nederlandse Gemeenten en de centrales van overheidspersoneel leidt tot
                        overeenstemming, als gevolg waarvan de tekst van de CAR wijzigt, doet het
                        college daarvan mededeling aan de commissie voor georganiseerd overleg.</al><al>Lid 2</al><al>Ten aanzien van gemeenten die zijn aangesloten bij de UWO geldt dat, ingeval
                        het LOGA, bedoeld in het eerste lid, leidt tot overeenstemming, als gevolg
                        waarvan de tekst van de UWO wijzigt, het college daarvan mededeling doet aan
                        de commissie voor georganiseerd overleg.</al><al>Artikel 12:1:5 Mededeling omtrent CAR en UWO</al><al>Lid 1</al><al>Indien door het bevoegde bestuursorgaan wordt voorgesteld verandering te
                        brengen in de inrichting van enig dienstonderdeel, wijziging in de behoefte
                        aan arbeidskrachten daaronder begrepen, stelt het college het overleg als
                        bedoeld in artikel 12:2 hiervan op de hoogte.</al><al>Lid 2</al><al>Het college stelt in geval van een ingrijpende verandering in de inrichting
                        van enig dienstonderdeel regels vast betreffende:</al><lijst><li nr="a."><al>de fase waarin ter zake van die verandering het overleg als bedoeld
                                in artikel 12:2 wordt gevoerd;</al></li><li nr="b."><al>de wijze waarop en de fase waarin de bij die verandering betrokken
                                ambtenaren worden gehoord;</al></li><li nr="c."><al>de personele gevolgen van die verandering.</al></li></lijst><al>Lid 3</al><al>Over het voornemen al dan niet regels, bedoeld in het vorig lid, vast te
                        stellen wordt overleg gevoerd als bedoeld in artikel 12:2.</al><al>Artikel 12:2 Taak en bevoegdheden</al><al>Lid 1</al><al>De commissie voert overleg over alle aangelegenheden van algemeen belang
                        voor de rechtstoestand van de ambtenaren met inbegrip van de algemene regels
                        volgens welke het personeelsbeleid zal worden gevoerd. De commissie kan niet
                        overleggen over onderwerpen die voorbehouden zijn aan het LOGA tussen het
                        College voor Arbeidszaken van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten en de
                        centrales van overheidspersoneel.</al><al>Lid 2</al><al>Er worden nadere regels gesteld over de werkwijze van de commissie voor
                        georganiseerd overleg.</al><al>Lid 3</al><al>De nadere regels, bedoeld in het tweede lid, bevatten een bepaling hoe moet
                        worden gehandeld indien een geschil niet tot overeenstemming leidt.</al><al>Artikel 12:2:1 Taak en bevoegdheden</al><al>Besluiten omtrent de onderwerpen, bedoeld in artikel 12:2, eerste lid,
                        worden door het college en de raad niet genomen, noch voorstellen
                        daaromtrent gedaan, dan nadat de commissie haar gevoelen over de
                        concept-besluiten, respectievelijk voorstellen heeft kenbaar gemaakt.</al><al>Artikel 12:2:2 Taak en bevoegdheden</al><al>Lid 1</al><al>De commissie, alsmede de vertegenwoordiging van de organisaties, is bevoegd
                        aangaande de in artikel 12:2, eerste lid, bedoelde onderwerpen voorstellen
                        te doen aan het college.</al><al>Lid 2</al><al>Heeft een voorstel betrekking op onderwerpen behorende tot de bevoegdheid
                        van het college, dan neemt het college daaromtrent een beslissing. Behoort
                        het voorstel tot de bevoegdheid van de raad, dan legt het college het
                        voorstel voorzien van zijn advies ter besluitvorming voor aan de raad.</al><al>Lid 3</al><al>De besluiten, welke worden genomen naar aanleiding van voorstellen van de
                        commissie, worden meegedeeld aan de vertegenwoordiging van de organisaties
                        en aan de hoofdbesturen van de vertegenwoordigde organisaties.</al><al>Artikel 12:2:3 Taak en bevoegdheden</al><al>Lid 1</al><al>De commissie kan een subcommissie instellen, bestaande uit door haar aan te
                        wijzen voorzitter en leden, indien dit voor de behandeling van een bepaald
                        onderwerp nodig wordt geacht.</al><al>Lid 2</al><al>De secretaris van de commissie is tevens secretaris van de subcommissie. Hij
                        kan zich doen bijstaan of vervangen door degenen die ingevolge artikel
                        12:1:3, tweede lid, ter beschikking staan.</al><al>Lid 3</al><al>Het bepaalde in artikel 12:2:7 is van overeenkomstige toepassing.</al><al>Artikel 12:2:4 Vergaderingen</al><al>Lid 1</al><al>De commissie vergadert indien de voorzitter dit nodig oordeelt op door hem
                        te bepalen tijdstippen.</al><al>Lid 2</al><al>Voorts belegt de voorzitter een vergadering indien ten minste drie leden van
                        de commissie hem dit schriftelijk met opgaaf van redenen verzoeken en wel
                        uiterlijk binnen één maand na ontvangst van het verzoek.</al><al>Artikel 12:2:5 Vergaderingen</al><al>Lid 1</al><al>De commissie wordt tijdig, in de regel 14 dagen van tevoren, ter vergadering
                        opgeroepen. De oproepingsbrief vermeldt zoveel mogelijk de te behandelen
                        onderwerpen.</al><al>Lid 2</al><al>Een vergadering kan slechts plaatshebben indien de vertegenwoordiging van
                        het gemeentebestuur aanwezig is en tenminste de helft van de organisaties is
                        vertegenwoordigd. Wanneer de vertegenwoordiging van het gemeentebestuur
                        bestaat uit twee of meer leden van het college kan de vergadering slechts
                        plaatshebben indien ten minste de helft van de vertegenwoordiging van het
                        gemeentebestuur aanwezig is en tenminste de helft van de organisaties is
                        vertegenwoordigd.</al><al>Lid 3</al><al>Indien wegens onvoltalligheid in de zin van het tweede lid een vergadering
                        niet kan plaatshebben, worden de aan de orde zijnde onderwerpen door de
                        voorzitter geplaatst op de agenda van een binnen 14 dagen te houden nieuwe
                        vergadering, in welke vergadering die onderwerpen in elk geval kunnen worden
                        behandeld.</al><al>Artikel 12:2:6 Vergaderingen</al><al>Elk lid heeft het recht onderwerpen ter behandeling aanhangig te maken door
                        deze schriftelijk op te geven aan de voorzitter. Deze stelt die onderwerpen
                        zoveel mogelijk in de eerstvolgende vergadering aan de orde.</al><al>Artikel 12:2:7 Vergaderingen</al><al>Lid 1</al><al>De vergaderingen zijn niet openbaar.</al><al>Lid 2</al><al>De voorzitter kan hoofden van dienst of andere ambtenaren de vergadering
                        laten bijwonen. Deze kunnen aan de besprekingen deelnemen.</al><al>Lid 3</al><al>De vertegenwoordigers van de organisaties kunnen zich laten bijstaan door
                        een vertegenwoordiger van het hoofdbestuur van hun organisatie; zij zijn
                        voorts bevoegd de onderwerpen van de agenda binnen de grenzen van een
                        doelmatige en vertrouwelijke behandeling van zaken aan voorbespreking in
                        eigen kring te onderwerpen.</al><al>Lid 4</al><al>De voorzitter kan omtrent het in de vergadering behandelde en omtrent de
                        inhoud van aan de commissie overgelegde stukken geheimhouding opleggen. Deze
                        geheimhouding geldt niet ten opzichte van het college en van de raad,
                        alsmede niet tegenover de hoofdbesturen van de vertegenwoordigende
                        organisaties.</al><al>Artikel 12:2:8 Vergaderingen</al><al>De voorzitter kan op verzoek van ten minste twee leden of zo dikwijls hij
                        dit nodig acht, de vergadering schorsen voor een door hem te bepalen
                        tijd.</al><al>Artikel 12:2:9 Vergaderingen</al><al>Lid 1</al><al>Indien in de vergadering moet worden gestemd brengt elke vertegenwoordiging,
                        bedoeld in artikel 12:1, tweede lid, één stem uit.</al><al>Lid 2</al><al>De stem van de vertegenwoordiging van het gemeentebestuur wordt bepaald door
                        hoofdelijke stemming van de aanwezige leden in of buiten de vergadering. Bij
                        staking van stemmen beslist de stem van de voorzitter.</al><al>Lid 3</al><al>De stem van de vertegenwoordiging van de organisaties wordt bepaald door
                        stemming per vertegenwoordigende organisatie, waarbij voor elke organisatie
                        zoveel stemmen worden uitgebracht als ambtenaren bij haar zijn aangesloten
                        op de eerste dag van het lopende jaar, met dien verstande dat voor een
                        organisatie niet meer stemmen in aanmerking komen dan het totaal aantal
                        stemmen dat door de andere organisaties gezamenlijk wordt uitgebracht. Bij
                        staking van stemmen wordt de vertegenwoordiging geacht tegen te hebben
                        gestemd.</al><al>Lid 4</al><al>Indien een organisatie in de loop van het jaar wordt vertegenwoordigd, geldt
                        voor de toepassing van het derde lid het aantal aangesloten ambtenaren op
                        dat tijdstip.</al><al>Artikel 12:2:10 Vergaderingen</al><al>Het in de vergadering behandelde wordt zakelijk weergegeven in de notulen,
                        welke zo spoedig mogelijk in afschrift aan de leden worden gezonden, tenzij
                        in het reglement, bedoeld in artikel 12:2:11, anders is bepaald.</al><al>Artikel 12:2:11 Vergaderingen</al><al>Indien door de commissie een reglement van orde voor de vergaderingen wordt
                        vastgesteld, behoeft dit de goedkeuring van het college.</al><al>Artikel 12:3:1 Advies- en arbitragecommissie</al><al>De artikelen 12:3:2, 12:3:3, 12:3:4, 12:3:5, 12:3:6, 12:3:7 en 12:3:8 zijn
                        slechts van toepassing in die gemeenten die zijn aangesloten bij de advies-
                        en arbitragecommissie.</al><al>Artikel 12:3:2 Advies- en arbitragecommissie</al><al>Voor de toepassing van de artikelen 12:3:4, 12:3:5, 12:3:6, 12:3:7 en 12:3:8
                        wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>deelnemers aan het overleg: de vertegenwoordiging van het
                                gemeentebestuur en de vertegenwoordigers van de organisaties genoemd
                                in artikel 12:1, derde lid;</al></li><li nr="b."><al>advies- en arbitragecommissie: de advies- en arbitragecommissie
                                ingesteld door het College voor Arbeidszaken van de Vereniging van
                                Nederlandse Gemeenten.</al></li></lijst><al>Artikel 12:3:3 Advies- en arbitragecommissie</al><al>De artikelen 12:3:4, 12:3:5, 12:3:6, 12:3:7 en 12:3:8 zijn slechts van
                        toepassing op geschillen inzake aangelegenheden, bedoeld in artikel 12:2,
                        eerste lid, voor zover die aangelegenheden uitsluitend de rechtstoestand van
                        ambtenaren betreffen, met inbegrip van de algemene regels volgens welke het
                        personeelsbeleid zal worden gevoerd.</al><al>Artikel 12:3:4 Advies- en arbitragecommissie</al><al>Indien een of meer van de deelnemers aan het overleg tijdens het overleg tot
                        het oordeel komen dat dit overleg niet zal leiden tot een uitkomst die de
                        instemming van alle deelnemers aan het overleg zal hebben, brengen zij dat
                        oordeel binnen zes dagen, nadat zij daarvan in het overleg blijk hebben
                        gegeven, schriftelijk ter kennis van de overige deelnemers aan het
                        overleg.</al><al>Artikel 12:3:5 Advies- en arbitragecommissie</al><al>Lid 1</al><al>Binnen tien dagen na de kennisgeving, bedoeld in artikel 12:3:4, schrijft de
                        voorzitter een vergadering uit van de commissie voor georganiseerd overleg.
                        De vergadering moet worden gehouden binnen zeven dagen nadat deze is
                        uitgeschreven.</al><al>Lid 2</al><al>Tenzij door de commissie, bedoeld in het eerste lid, wordt besloten het
                        overleg voort te zetten dan wel te beëindigen, wordt in de vergadering
                        nagegaan of overeenstemming bestaat over de vraag wat het onderwerp en de
                        inhoud van het geschil is en of een oplossing van dat geschil zal worden
                        gezocht door middel van voortzetting van het overleg nadat het advies is
                        ingewonnen van de advies- en arbitragecommissie dan wel door onderwerping
                        van het geschil aan een arbitrale uitspraak van die commissie.</al><al>Lid 3</al><al>Tot het inwinnen van advies zijn - ieder voor zich - de vertegenwoordiging
                        van het gemeentebestuur en een meerderheid van alle toegelaten organisaties,
                        als bedoeld in artikel 12:1, derde en vierde lid, bevoegd.</al><al>Lid 4</al><al>Voor onderwerping van het geschil aan arbitrage is overeenstemming vereist
                        tussen de vertegenwoordiging van het gemeentebestuur en de toegelaten
                        organisaties, als bedoeld in artikel 12:1, derde en vierde lid. Het bepaalde
                        in artikel 12:2:9 is hierbij onverkort van toepassing.</al><al>Artikel 12:3:6 Advies- en arbitragecommissie</al><al>Lid 1</al><al>Binnen zes dagen na de vergadering, bedoeld in artikel 12:3:5, wordt het
                        verzoek om advies ter kennis gebracht van de voorzitter van de advies- en
                        arbitragecommissie. Het verzoek wordt ondertekend door de deelnemers aan het
                        overleg die zich voor inwinning van het advies hebben uitgesproken en bevat
                        ten minste het onderwerp en de inhoud van het geschil. Indien in de
                        vergadering bedoeld in artikel 12:3:5 geen overeenstemming is bereikt tussen
                        alle deelnemers aan het overleg over de vraag wat het onderwerp en de inhoud
                        van het geschil is, brengen de overige deelnemers aan het overleg hun visie
                        op het onderwerp en de inhoud van het geschil eveneens binnen zes dagen na
                        eerdergenoemde vergadering ter kennis van de voorzitter van de advies- en
                        arbitragecommissie.</al><al>Lid 2</al><al>Binnen zes dagen na de vergadering bedoeld in artikel 12:3:5 wordt het
                        verzoek om arbitrage ter kennis gebracht van de voorzitter van de advies- en
                        arbitragecommissie. Het verzoek daartoe wordt ondertekend door alle
                        deelnemers aan het overleg en dient ten minste te bevatten:</al><lijst><li nr="a."><al>het onderwerp en de inhoud van het geschil;</al></li><li nr="b."><al>de standpunten van alle deelnemers aan het overleg omtrent onderwerp
                                en inhoud van het geschil.</al></li></lijst><al>Artikel 12:3:7 Advies- en arbitragecommissie</al><al>Binnen twee weken na ontvangst van het advies wordt het overleg over het
                        geschil voortgezet.</al><al>Artikel 12:3:8 Advies- en arbitragecommissie</al><al>De arbitrale uitspraak van de advies- en arbitragecommissie heeft bindende
                        kracht.</al><al>Artikel 12:3:9 Advies- en arbitragecommissie</al><al>In de gevallen, waarin deze regeling niet voorziet, beslist het college, na
                        overleg met de commissie van georganiseerd overleg.</al><al>13 Overgangsbepaling en slotbepalingen CAR</al><al>Artikel 13:1 Overgangs- en slotbepaling CAR</al><al>Lid 1</al><al>Deze regeling treedt in werking per............ (*1)</al><al>Noot *1: De ingangsdatum wordt lokaal ingevuld. LOGA-partijen zijn
                        overeengekomen dat als uiterste ingangsdatum geldt 1 januari 1996.</al><al>Lid 2</al><al>Met ingang van de datum waarop deze regeling in werking treedt, vervallen de
                        bepalingen van het geldende algemeen ambtenarenreglement dan wel van die
                        verordeningen, die tekstueel dan wel materieel gelijkluidend zijn aan de
                        bepalingen van deze regeling.</al><al>Lid 3</al><al>Indien de inwerkingtreding van deze regeling ertoe leidt dat bepalingen uit
                        het geldende algemeen ambtenarenreglement vervallen, waardoor aanspraken van
                        individuele ambtenaren in neerwaartse of opwaartse zin worden bijgesteld,
                        vindt overleg plaats over de gevolgen daarvan.</al><al>Lid 4</al><al>In afwijking van het gestelde in het eerste en tweede lid hebben de
                        artikelen 10:1, 10:6, 10:15 eerste en tweede lid, 10:19, 10:23 tweede lid,
                        11:1, 11:6 zevende en achtste lid, 11:13 eerste en tweede lid, 11:23, 11:24
                        en artikel 11:27 tweede lid, terugwerkende kracht tot en met 1 augustus
                        1993.</al><al>Artikel 13:2 Overgangs- en slotbepaling CAR</al><al>Ten aanzien van degene die per 31 december 1996 geen volledige betrekking
                        bekleedt, geldt dat de omvang van deze betrekking per 1 januari 1997 naar
                        rato is teruggebracht, tenzij betrokkene heeft verzocht om handhaving van
                        het aantal uren van de betrekking per 31 december 1996 en dit verzoek niet
                        is afgewezen.</al><al>Artikel 13:3 Overgangs- en slotbepaling CAR</al><al>Ten aanzien van de toegekende FLO-uitkeringen, wachtgelden en uitkeringen
                        ingevolge hoofdstuk 11 die voortduren tot na 1 januari 1997 geldt dat de
                        artikelen 9:2, tweede lid, 10:5, eerste lid, en 11:5, eerste lid,
                        terugwerkende kracht hebben tot en met 1 januari 1997.</al><al>14 Medezeggenschap</al><al>Artikel 14:1 Medezeggenschap</al><al>Aan het begin van iedere zittingsperiode van de OR sluiten de ondernemer en
                        de (centrale) ondernemingsraad een convenant over de benodigde inzet voor
                        het OR-werk, de compensatie daarvoor en het (maximum) aantal
                        zittingstermijnen.</al><al>Artikel 14:1:1 Medezeggenschap in ondernemingen met 35-50 werknemers</al><al>Gelet op het bepaalde in <extref doc="1.0:v:BWBR0002747&amp;artikel=5a" struct="BWB">artikel 5a,
                            eerste lid van de Wet op de ondernemingsraden</extref> (WOR) zijn
                        gemeenten voor hun onderneming of onderdelen daarvan als bedoeld in <extref doc="1.0:v:BWBR0002747&amp;artikel=4" struct="BWB">artikel 4 van
                            de WOR</extref>, verplicht een ondernemingsraad in te stellen indien en
                        voor zolang in hun onderneming ten minste 35 personen werkzaam zijn als
                        bedoeld in <extref doc="1.0:v:BWBR0002747&amp;artikel=1" struct="BWB">artikel 1, tweede en derde lid, van de WOR</extref>.</al><al>15 Overige rechten en verplichtingen</al><al>Artikel 15:1 Verplichtingen</al><al>De ambtenaar is gehouden zijn betrekking nauwgezet en ijverig te vervullen
                        en zich ook overigens te gedragen zoals een goed ambtenaar betaamt.</al><al>Artikel 15:1a Verplichtingen</al><al>De ambtenaar is verplicht de eed of belofte af te leggen die bij wet, bij
                        instructie of bij besluit van het college is voorgeschreven.</al><al>Artikel 15:1b Persoonlijk gebruik van goederen of diensten</al><al>Het is de ambtenaar verboden, behoudens toestemming verleend door of namens
                        het college in bijzondere gevallen, ten eigen bate:</al><lijst><li nr="a."><al>diensten te laten verrichten door personen in gemeentedienst;</al></li><li nr="b."><al>aan de gemeente toebehorende eigendommen te gebruiken;</al></li><li nr="c."><al>gebruik te maken van hetgeen hem in of in verband met zijn
                                betrekking ter kennis is gekomen.</al></li></lijst><al>Artikel 15:1c Aannemen van geschenken en gelden</al><al>Het is de ambtenaar verboden:</al><lijst><li nr="a."><al>in verband met zijn betrekking vergoedingen, beloningen, giften of
                                beloften van derden te vorderen, te verzoeken of aan te nemen,
                                anders dan met toestemming van het college;</al></li><li nr="b."><al>steekpenningen aan te nemen.</al></li></lijst><al>Artikel 15:1d In acht nemen ordemaatregelen</al><al>Lid 1</al><al>De ambtenaar is verplicht zich te gedragen naar de maatregelen van orde die
                        ten aanzien van het verblijf in de kantoren, werkplaatsen of op andere
                        arbeidsterreinen zijn vastgesteld.</al><al>Lid 2</al><al>Indien de ambtenaar verhinderd is zijn betrekking te vervullen, is hij
                        verplicht dit zo spoedig mogelijk mede te delen of te doen mededelen.</al><al>Artikel 15:1e Nevenwerkzaamheden</al><al>Lid 1</al><al>De ambtenaar is verplicht aan het college, op een door dit orgaan te bepalen
                        wijze, opgave te doen van de nevenwerkzaamheden die hij verricht of
                        voornemens is te gaan verrichten, die de belangen van de dienst, voorzover
                        deze in verband staan met zijn functievervulling, kunnen raken.</al><al>Lid 2</al><al>Er wordt een registratie gevoerd op basis van de ingevolge het eerste lid
                        gedane opgaven.</al><al>Lid 3</al><al>Het is de ambtenaar verboden nevenwerkzaamheden te verrichten waardoor de
                        goede vervulling van zijn functie of de goede functionering van de openbare
                        dienst, voorzover deze in verband staat met zijn functievervulling, niet in
                        redelijkheid zou zijn verzekerd. Omtrent dit verbod kunnen nadere regels
                        worden gesteld.</al><al>Lid 4</al><al>Het college regelt de openbaarmaking van de in het eerste lid bedoelde
                        nevenwerkzaamheden van de gemeentesecretaris en directeuren van
                        gemeentelijke diensten en bedrijven, alsmede van andere ambtenaren
                        aangesteld in een functie waarvoor ter bescherming van de integriteit van de
                        openbare dienst openbaarmaking van nevenwerkzaamheden noodzakelijk is.</al><al>Artikel 15:1f Melding financiële belangen</al><al>Lid 1</al><al>Het college wijst ambtenaren aan die zijn aangesteld in een functie waaraan
                        in het bijzonder het risico van financiële belangenverstrengeling of het
                        risico van oneigenlijk gebruik van koersgevoelige informatie verbonden
                        is.</al><al>Lid 2</al><al>De ambtenaar bedoeld in het eerste lid meldt aan het college, op een door
                        dit orgaan te bepalen wijze, zijn financiële belangen respectievelijk bezit
                        van en transacties in effecten, die de belangen van de dienst, voor zover
                        deze in verband staan met de functievervulling, kunnen raken. </al><al>Lid 3</al><al>Er wordt een registratie gevoerd van de meldingen bedoeld in het tweede
                        lid.</al><al>Lid 4</al><al>Het is de ambtenaar verboden financiële belangen te hebben, effecten te
                        bezitten en transacties in effecten te verrichten waardoor de goede
                        vervulling van zijn functie of de goede functionering van de openbare
                        dienst, voorzover deze in verband staat met zijn functievervulling, niet in
                        redelijkheid zou zijn verzekerd. Omtrent dit verbod kunnen nadere regels
                        worden gesteld.</al><al>Artikel 15:1g Aanneming en levering ten behoeve van de openbare dienst</al><al>Lid 1</al><al>Het is de ambtenaar verboden middellijk of onmiddellijk deel te nemen aan
                        aannemingen en leveringen ten behoeve van de openbare dienst.</al><al>Lid 2</al><al>Het college kan regelen stellen betreffende het deelnemen van de ambtenaar,
                        middellijk of onmiddellijk, aan aannemingen en leveringen ten behoeve van
                        anderen.</al><al>Artikel 15:1:9 Vervallen</al><al>(Vervallen)</al><al>De artikelen 15:1:1 tot en met 15:1:6 zijn vernummerd tot 15:1 tot en met
                        15:1e</al><al>Artikel 15:1:8 is vernummerd tot 15:1g</al><al>Artikel 15:1:10 Staking bij een particuliere werkgever</al><al>Lid 1 </al><al>De ambtenaar kan niet worden verplicht, indien bij enig particulier
                        werkgever een staking is uitgebroken of een uitsluiting plaats heeft, ter
                        vervanging van stakers of uitgesloten werkzaamheden te verrichten of
                        werknemers bij het verrichten van werkzaamheden behulpzaam te zijn, tenzij
                        naar het oordeel van het college zulks met het oog op de openbare veiligheid
                        of gezondheid of voor de regelmatige functionering van de openbare dienst
                        van de gemeente noodzakelijk is.</al><al>Lid 2</al><al>Ter zake van de toepassing van het bepaalde in het eerste lid wordt zo
                        spoedig mogelijk overleg gepleegd in de commissie, bedoeld in artikel 12:1
                        tweede lid.</al><al>Artikel 15:1:11 Aanvaarden andere werkzaamheden</al><al>Lid 1</al><al>De ambtenaar is verplicht, indien hij daartoe door of namens het college
                        wordt aangewezen, in tijden van oorlog, oorlogsgevaar of andere buitengewone
                        omstandigheden andere werkzaamheden te verrichten dan die welke hij
                        gewoonlijk verricht, mits deze werkzaamheden strekken ter uitvoering van de
                        taak die de gemeente in die tijden heeft of zal krijgen, dan wel ertoe
                        strekken een zo goed en ongestoord mogelijke uitvoering van die taak te
                        verzekeren.</al><al>Lid 2</al><al>De ambtenaar is verplicht, indien hij daartoe door het college wordt
                        aangewezen, taken te verrichten in het kader van de <extref doc="1.0:v:BWBR0027466" struct="BWB">Wet
                            veiligheidsregio’s</extref>.</al><al>Lid 3</al><al>In geval van een ramp of crisis als bedoeld in <extref doc="1.0:v:BWBR0027466&amp;artikel=1" struct="BWB">artikel 1 Wet
                            veiligheidsregio’s</extref>, is de ambtenaar die is aangewezen op grond
                        van het tweede lid van dit artikel verplicht de taken in het kader van de
                            <extref doc="1.0:v:BWBR0027466" struct="BWB">Wet
                            veiligheidsregio’s</extref> te verrichten onder leiding en toezicht van
                        het bevoegd gezag van de veiligheidsregio waar de ramp of crisis
                        plaatsvindt.</al><al>Lid 4</al><al>De ambtenaar, op grond van het eerste of tweede lid aangewezen, is te allen
                        tijde verplicht lessen te volgen en deel te nemen aan oefeningen welke
                        verband houden met zijn in dat lid aangeduide taak.</al><al>Lid 5</al><al>De aanwijzing, bedoeld in het eerste of tweede lid geschiedt slechts, indien
                        de persoonlijke omstandigheden van de ambtenaar zulks redelijkerwijs
                        toelaten.</al><al>Artikel 15:1:12 Vergoeding van schade</al><al>Lid 1</al><al>De ambtenaar kan worden verplicht tot gehele of gedeeltelijke vergoeding van
                        door de gemeente geleden schade, voor zover deze aan zijn schuld of
                        nalatigheid is te wijten.</al><al>Lid 2</al><al>Het bedrag van de schadevergoeding en de wijze van inhouding daarvan op zijn
                        bezoldiging worden niet vastgesteld dan nadat de ambtenaar in de gelegenheid
                        is gesteld zich schriftelijk of mondeling te verantwoorden en ter zake van
                        de wijze van inhouding zijn wensen kenbaar te maken.</al><al>Artikel 15:1:13 Plichten rekenplichtige ambtenaar</al><al>Lid 1</al><al>De rekenplichtige ambtenaar wordt voor de verplichting tot aanzuivering van
                        een tekort geheel of gedeeltelijk ontheven naarmate hij het beheer nauwgezet
                        heeft gevoerd en de nodige voorzorgen heeft genomen voor de bewaring van
                        gelden en geldswaardige papieren.</al><al>Lid 2</al><al>Vloeit de verplichting tot aanzuivering van een tekort voort uit een
                        aansprakelijkheid voor ondergeschikt personeel dan wordt bovendien in
                        aanmerking genomen in hoeverre hij op de handelingen van dat personeel
                        deugdelijk toezicht heeft gehouden.</al><al>Lid 3</al><al>De rekenplichtige ambtenaar is van zijn verantwoordelijkheid ontheven
                        gedurende de tijd dat hij door ziekte of wettige afwezigheid zijn beheer
                        niet persoonlijk heeft gevoerd, indien gedurende die tijd zijn betrekking
                        wordt waargenomen krachtens aanwijzing door of namens het college.</al><al>Artikel 15:1:14 Vervallen</al><al>(Vervallen)</al><al>Artikel 15:1:15 Beoordeling van de ambtenaar</al><al>Lid 1</al><al>Het college kan bepalen, dat met inachtneming van door het college te
                        stellen regelen over de ambtenaar periodiek een beoordeling wordt
                        uitgebracht omtrent de wijze waarop hij zijn betrekking vervult en omtrent
                        zijn gedragingen tijdens de uitoefening van die betrekking.</al><al>Lid 2</al><al>Onverminderd het bepaalde in het eerste lid wordt met de ambtenaar zijn
                        gedrag besproken tijdens de uitoefening van zijn betrekking of de wijze
                        waarop hij zijn betrekking vervult, voor zover deze aanleiding geven tot
                        aanmerkingen, waarbij tevens aandacht wordt geschonken aan de wijze waarop
                        het gedrag of de wijze waarop hij zijn betrekking vervult naar het oordeel
                        van het college verbeterd kan worden.</al><al>Artikel 15:1:16 Dragen van uniform of dienstkleding</al><al>Lid 1</al><al>De ambtenaar is verplicht tijdens de vervulling van zijn betrekking de door
                        het college voor die betrekking of voor bepaalde werkzaamheden
                        voorgeschreven kleding of uniform en onderscheidingstekenen te dragen.</al><al>Lid 2</al><al>Het deelnemen aan betogingen en optochten in het voorgeschreven uniform is
                        de ambtenaar slechts toegestaan, indien daarvoor door of namens het college
                        toestemming is gegeven.</al><al>Lid 3</al><al>Het is de ambtenaar verboden om bij gekleed gaan in uniform insignes of
                        andere onderscheidingstekens of in dienst uniformkledingstukken te dragen,
                        een en ander voor zover die niet van gemeentewege zijn verstrekt of
                        voorgeschreven of tot het dragen waarvan niet door het college vergunning is
                        verleend. Dit verbod is niet van toepassing ten aanzien van ordetekenen tot
                        het aannemen of dragen waarvan door het hoger bestuursorgaan verlof is
                        verleend.</al><al>Lid 4</al><al>Bij afzonderlijke regeling kunnen regelen worden gesteld betreffende de
                        verstrekking, reiniging en herstelling van de in het eerste lid bedoelde
                        kleding.</al><al>Artikel 15:1:17 Standplaats</al><al>Lid 1</al><al>Indien het dienstbelang dit eist, kan de ambtenaar de verplichting worden
                        opgelegd in of meer nabij zijn standplaats te gaan wonen.</al><al>Lid 2</al><al>Onder standplaats dient te worden verstaan: de gemeente of het met name
                        genoemde gedeelte van de gemeente, waar de ambtenaar gewoonlijk zijn
                        werkzaamheden verricht.</al><al>Lid 3</al><al>Het college kan ter uitvoering van het in het eerste lid bepaalde nadere
                        regels stellen.</al><al>Artikel 15:1:18 Dienstwoning</al><al>Lid 1</al><al>De ambtenaar is verplicht, indien hem door het college een dienstwoning is
                        aangewezen, deze te betrekken en zich ter zake van de bewoning en het
                        gebruik te gedragen naar de voorschriften die daaromtrent zijn gesteld.</al><al>Lid 2</al><al>Hij draagt de onderhoudskosten welke volgens de wet en het plaatselijk
                        gebruik gemeenlijk voor rekening van de huurder zijn, tenzij terzake een
                        afwijkende regeling is vastgesteld.</al><al>Artikel 15:1:19 Verbod betreden arbeidsterrein</al><al>Aan de ambtenaar kan door of namens het college de toegang tot de kantoren,
                        werkplaatsen of andere arbeidsterreinen, dan wel het verblijf aldaar worden
                        ontzegd.</al><al>Artikel 15:1:20 Infectieziekten</al><al>Lid 1</al><al>De ambtenaar die in contact staat of kort geleden gestaan heeft met een
                        persoon, die een ziekte heeft, waarvoor ingevolge het krachtens de <extref doc="1.0:v:BWBR0009684" struct="BWB">Infectieziektewet</extref>
                        bepaalde een nominatieve aangifteplicht geldt, mag zijn betrekking niet
                        vervullen en heeft geen toegang tot de dienstgebouwen, -lokalen en
                        -terreinen voor zolang de hoofdinspecteur of de inspecteur van het
                        staatstoezicht op de volksgezondheid niet heeft verklaard, dat hij het
                        gevaar voor overbrenging van een infectieziekte, of het gevaar dat hij
                        verdacht moet worden te lijden aan zodanige ziekte, geweken acht.</al><al>Lid 2</al><al>De ambtenaar die verkeert in de in het vorige lid omschreven situatie, is
                        verplicht daarvan ten spoedigste kennis te geven aan het college. Hij is
                        gehouden zich te gedragen naar de door of vanwege het college gegeven
                        aanwijzingen, waaronder die met betrekking tot het ondergaan van een
                        geneeskundig onderzoek.</al><al>Lid 3</al><al>De ambtenaar geniet over de tijd, gedurende welke het hem overeenkomstig het
                        bepaalde in dit artikel verboden is zijn betrekking te vervullen, zijn
                        volledige bezoldiging.</al><al>Artikel 15:1:21 Vervallen</al><al>(Vervallen)</al><al>Artikel 15:1:22 Reis- en verblijfkosten</al><al>Lid 1</al><al>De ambtenaar heeft recht op vergoeding van reis- en verblijfkosten ter zake
                        van reizen in het belang van de dienst.</al><al>Lid 2</al><al>Deze vergoeding wordt vastgesteld en uitgekeerd overeenkomstig de daarvoor
                        door het college gestelde regelen.</al><al>Artikel 15:1:23 Vergoeden van schade</al><al>Lid 1</al><al>Aan de ambtenaar wordt de schade aan hem toebehorende kleding en uitrusting,
                        geen motorrijtuig in de zin van de <extref doc="1.0:v:BWBR0002415" struct="BWB">Wet Aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen</extref>
                        zijnde, vergoed welke hij buiten zijn schuld of nalatigheid lijdt ten
                        gevolge van de vervulling van zijn betrekking, voor zover die schade niet
                        bestaat uit de normale slijtage dier goederen.</al><al>Lid 2</al><al>Aan de ambtenaar wordt schade vergoed aan een aan hem toebehorend
                        motorrijtuig in de zin van de <extref doc="1.0:v:BWBR0002415" struct="BWB">Wet Aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen</extref>
                        welke hij lijdt ten gevolge van de vervulling van zijn betrekking,
                        tenzij:</al><lijst><li nr="a."><al>die schade bestaat uit de normale slijtage of;</al></li><li nr="b."><al>er sprake is van aan opzet of bewuste roekeloosheid grenzende
                                verwijtbaarheid of;</al></li><li nr="c."><al>de ambtenaar in de regel 10.000 of meer kilometers per jaar rijdt
                                ten behoeve van de dienst en per kilometer een vergoeding ontvangt
                                gelijk aan of hoger dan het belastingvrije bedrag per
                                kilometer.</al></li></lijst><al>Artikel 15:1:24 Gebruik motorrijtuig</al><al>Het is de ambtenaar slechts toegestaan een hem toebehorend motorrijtuig in
                        de zin van de <extref doc="1.0:v:BWBR0002415" struct="BWB">Wet
                            Aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen</extref> bij de vervulling
                        van zijn betrekking te gebruiken, indien en voor zover hem daartoe door of
                        namens het college toestemming is verleend. Aan deze toestemming kunnen
                        bepaalde voorwaarden worden verbonden.</al><al>Artikel 15:1:25 Schadeloosstelling</al><al>Het college kan bepalen in welke niet elders voorziene gevallen
                        schadeloosstelling en vergoeding van kosten zullen worden verleend.</al><al>Artikel 15:1:26 Volgen van een opleiding</al><al>De ambtenaar is, indien het college dit bepaalt, verplicht zich voor het
                        volgen van een bijzondere vakopleiding beschikbaar te stellen of enig ander
                        door het college nader aan te duiden onderwijs te volgen. De aan het volgen
                        van het in dit artikel bedoelde onderwijs verbonden kosten komen ten laste
                        van de gemeente.</al><al>Artikel 15:1:27 Volgen van een opleiding</al><al>Aan de ambtenaar beneden de leeftijd van 18 jaar wordt, indien hij dit wenst
                        en voor zolang de belangen van de dienst zich daartegen niet verzetten,
                        gedurende ten hoogste één dag per week verlof met behoud van bezoldiging
                        verleend voor het volgen van lessen aan inrichtingen voor voortgezet,
                        herhalings- of vakonderwijs en vormingsinstituten voor leerplichtvrije
                        jeugd. </al><al>Artikel 15:1:28 Bijzondere prestaties</al><al>Wegens buitengewone toewijding of bijzonder loffelijke vervulling van de
                        betrekking kan aan de ambtenaar, naast een tevredenheidsbetuiging, een
                        bijzondere beloning worden toegekend in de vorm van:</al><lijst><li nr="a."><al>extra verlof;</al></li><li nr="b."><al>gratificatie.</al></li></lijst><al>Artikel 15:1:29 Onbekendheid met gemeentelijke bepalingen</al><al>Ter zake van niet-naleving van bepalingen welke redelijkerwijs niet kunnen
                        worden geacht de ambtenaar bekend te zijn, worden hem geen voordelen
                        onthouden of nadelen toegebracht.</al><al>Artikel 15:1:30 Borstvoeding</al><al>Aan de vrouwelijke ambtenaar, die een borstkind heeft, wordt gedurende ten
                        hoogste 1 jaar na de geboorte van het kind de gelegenheid gegeven haar kind
                        te zogen dan wel de borstvoeding te kolven.</al><al>Artikel 15:1:31 Benadeling positie gemeentelijke organisatie</al><al>De gemeente draagt er zorg voor dat degene die als lid of als
                        plaatsvervangend lid door een organisatie is aangewezen voor de commissie
                        bedoeld in artikel 12:1, tweede lid, dan wel activiteiten vervult waarvoor
                        hij krachtens artikel 6:4:2 buitengewoon verlof kan genieten, niet uit
                        hoofde van zijn lidmaatschap of activiteiten wordt benadeeld in zijn positie
                        in de gemeentelijke organisatie.</al><al>Artikel 15:2 Klokkenluiders</al><al>Lid 1</al><al>Het college stelt een regeling vast voor het omgaan met vermoedens van
                        misstanden.</al><al>Lid 2</al><al>Ambtenaren en door het college aangewezen interne vertrouwenspersonen die
                        misstanden conform de vast te stellen regeling aan de orde stellen, mogen
                        niet om die reden worden ontslagen of anderszins in hun positie binnen de
                        gemeente benadeeld worden.</al><al>Artikel 15:3 Vervallen</al><al>(Vervallen)</al><al>16 Disciplinaire straffen</al><al>Artikel 16:1:1 Plichtsverzuim</al><al>Lid 1</al><al>De ambtenaar die de hem opgelegde verplichtingen niet nakomt of zich
                        overigens aan plichtsverzuim schuldig maakt dan wel bij herhaling aanleiding
                        geeft tot toepassing te zijnen aanzien van maatregelen van inhouding, beslag
                        of korting, als bedoeld in de tweede titel van de <extref doc="1.0:v:BWBR0001947" struct="BWB">Ambtenarenwet</extref>, kan
                        deswege disciplinair worden gestraft.</al><al>Lid 2</al><al>Plichtsverzuim omvat zowel het overtreden van enig voorschrift als het doen
                        of nalaten van iets dat een goed ambtenaar in gelijke omstandigheden behoort
                        na te laten of te doen.</al><al>Artikel 16:1:2 Disciplinaire straffen</al><al>Lid 1</al><al>Naast de mogelijkheid genoemd in artikel 8:13, kunnen de volgende
                        disciplinaire straffen worden toegepast:</al><lijst><li nr="a."><al>schriftelijke berisping;</al></li><li nr="b."><al>arbeid buiten de voor de betrekking van de ambtenaar vastgestelde
                                werktijden zonder vergoeding of tegen een lagere dan de normale
                                vergoeding voor ten hoogste zes uren met een maximum van drie uren
                                per dag en met dien verstande dat deze arbeid niet kan worden
                                opgelegd op zondag en op de voor de ambtenaar geldende kerkelijke
                                feestdagen;</al></li><li nr="c."><al>vermindering van vakantie met ten hoogste 1/3 van het aantal uren
                                waarop de ambtenaar voor het desbetreffende kalenderjaar aanspraak
                                heeft;</al></li><li nr="d."><al>geldboete tot ten hoogste 1% van het bedrag van het salaris per
                                jaar;</al></li><li nr="e."><al>niet-betaling van het salaris, doch ten hoogste tot een bedrag
                                overeenkomende met het salaris over een halve maand;</al></li><li nr="f."><al>stilstand van verhoging van salaris, met uitzondering van
                                verhogingen als gevolg van algemene loonmaatregelen, een
                                herwaardering van de betrekking daaronder begrepen, voor ten hoogste
                                vier jaren;</al></li><li nr="g."><al>vermindering van salaris met ten hoogste het bedrag van de laatste
                                twee periodieke verhogingen, of, indien aan de door de ambtenaar
                                beklede betrekking geen schaal is verbonden, vermindering van het
                                salaris met ten hoogste 5%, een en ander voor de tijd van niet
                                langer dan twee jaren;</al></li><li nr="h."><al>plaatsing in een andere betrekking, al of niet in een ander
                                onderdeel van de dienst, voor bepaalde of onbepaalde tijd en met of
                                zonder vermindering van bezoldiging;</al></li><li nr="i."><al>schorsing voor een bepaalde tijd zonder of met gedeeltelijk genot
                                van bezoldiging.</al></li></lijst><al>Lid 2</al><al>De straffen genoemd in het eerste lid, onder a t/m g, worden opgelegd door
                        het college; de straffen genoemd onder h en i, alsmede de straf genoemd in
                        artikel 8:13, worden opgelegd door het bestuursorgaan dat bevoegd is tot
                        aanstelling in de laatstelijk door de ambtenaar vervulde betrekking.</al><al>Lid 3</al><al>Bij het opleggen van een straf kan worden bepaald, dat zij niet ten uitvoer
                        zal worden gelegd indien de betrokken ambtenaar zich gedurende de bij het
                        opleggen van de straf te bepalen termijn niet schuldig maakt aan soortgelijk
                        plichtsverzuim als waarvoor de bestraffing plaatsvindt, noch aan enig ander
                        ernstig plichtsverzuim en zich houdt aan bij het opleggen van de straf
                        eventueel te stellen bijzondere voorwaarden.</al><al>Artikel 16:1:3 Verantwoording</al><al>Lid 1</al><al>De verantwoording door de ambtenaar geschiedt, indien deze niet schriftelijk
                        plaatsvindt, ten overstaan van het college of ten overstaan van een door het
                        college aangewezen vertegenwoordiger. De verantwoording vindt niet eerder
                        dan 6 maal 24 uur en niet later dan 12 maal 24 uur plaats. Op verzoek van de
                        ambtenaar kan van deze termijn worden afgeweken.</al><al>Lid 2</al><al>Geschiedt de verantwoording mondeling, dan wordt daarvan binnen 36 uur
                        proces-verbaal opgemaakt, dat na voorlezing wordt getekend door hem te wiens
                        overstaan de verantwoording plaats heeft en door de ambtenaar. Weigert de
                        ambtenaar de ondertekening, dan wordt daarvan in het proces-verbaal, zo
                        mogelijk met vermelding van de redenen, melding gemaakt. Een afschrift van
                        het proces-verbaal wordt de ambtenaar uitgereikt.</al><al>Lid 3</al><al>Indien de ambtenaar zulks verlangt, worden hij en zijn raadsman in de
                        gelegenheid gesteld kennis te nemen van de ambtelijke rapporten of andere
                        bescheiden welke op de hem ten laste gelegde feiten betrekking hebben.</al><al>Artikel 16:1:4 Verantwoording</al><al>De ambtenaar verstrekt het college een bewijs van ontvangst van het
                        schriftelijk besluit tot strafoplegging.</al><al>Artikel 16:1:5 Verantwoording</al><al>De straf, behalve die van schriftelijke berisping, wordt niet ten uitvoer
                        gelegd zolang zij niet onherroepelijk is geworden, tenzij bij de
                        strafoplegging onmiddellijke tenuitvoerlegging is bevolen.</al><al>17 Opleiding en ontwikkeling</al><al>Artikel 17:1 Ontwikkeling en mobiliteit</al><al>Lid 1 </al><al>De ambtenaar is op de eerste plaats zelf verantwoordelijk voor zijn duurzame
                        inzetbaarheid en loopbaanperspectief, waardoor diens positie op de interne
                        en externe arbeidsmarkt verbetert. </al><al>Lid 2</al><al>In het belang van de organisatie en zichzelf ontwikkelt de ambtenaar zich
                        door middel van scholing en het opdoen van werkervaring.</al><al>Lid 3</al><al>De ambtenaar maakt actief gebruik van het gemeentelijk loopbaanbeleid. </al><al>Artikel 17:2 Ontwikkeling en mobiliteit</al><al>Lid 1 </al><al>Het college begeleidt en ondersteunt de ambtenaar bij het verbeteren en
                        ontwikkelen van diens inzetbaarheid en mobiliteit. </al><al>Lid 2</al><al>Het college voert een actief intern en extern mobiliteitsbeleid en
                        onderhoudt loopbaanbeleid, gericht op mobiliteit en
                        organisatieverandering.</al><al>Lid 3</al><al>Het college wijst de ambtenaar op diens mogelijkheden binnen het
                        gemeentelijk loopbaanbeleid.</al><al>Artikel 17:3 Individueel loopbaanbudget </al><al>Lid 1 </al><al>De ambtenaar heeft jaarlijks recht op een loopbaanbudget van € 500.-. </al><al>Lid 2</al><al>Indien bij inwerkingtreding van dit artikel het college een opleidingsplan
                        heeft vastgesteld dat gelijkwaardige ruimte biedt aan loopbaanontwikkeling
                        op basis van individuele wensen over loopbaanactiviteiten gericht op
                        vergroting van inzetbaarheid kan dit opleidingsplan ongewijzigd worden
                        voortgezet ongeacht het bepaalde in het eerste lid. Dit na instemming van de
                        ondernemingsraad.</al><al>Lid 3</al><al>De ambtenaar zet het loopbaanbudget in ten behoeve van loopbaangerelateerde
                        activiteiten, zoals opleiding, training, scholing, loopbaanadvies, coaching
                        en ontwikkeling, gericht op de vergroting van zijn inzetbaarheid en zijn
                        arbeidsmarktpotentie ten behoeve van een andere functie binnen of buiten de
                        organisatie.</al><al>Lid 4</al><al>De in het derde lid genoemde activiteiten dienen te zijn gericht op een
                        reëel loopbaanperspectief.</al><al>Lid 5</al><al>Afspraken over de wijze van besteding van het loopbaanbudget worden
                        vastgelegd in een (aanvulling op het) persoonlijk ontwikkelingsplan.</al><al>Lid 6</al><al>Het resterende budget dat na verloop van het kalenderjaar waarin de
                        aanspraak is opgebouwd niet is benut, komt te vervallen.</al><al>Lid 7</al><al>In afwijking op het bepaalde in het zesde lid kan de ambtenaar het
                        loopbaanbudget gedurende maximaal drie jaar opsparen, om daarmee eenmalig
                        een duurdere activiteit te financieren. Dit wordt vastgelegd in (een
                        aanvulling op) het persoonlijk ontwikkelingsplan.</al><al>Lid 8</al><al>Indien na toepassing van het bepaalde in het zevende lid na verloop van de
                        overeengekomen periode het budget niet of niet volledig is benut komt het
                        resterende budget te vervallen.</al><al>Lid 9</al><al>Dit artikel is geldig in 2013, 2014 en 2015.</al><al>Artikel 17:4 Persoonlijk ontwikkelingsplan</al><al>Lid 1</al><al>Naast de afspraken over het individueel loopbaanbudget leggen het college en
                        de ambtenaar in een persoonlijk ontwikkelingsplan de afspraken vast over de
                        loopbaanontwikkeling en de vereiste kennis en vaardigheden van de ambtenaar,
                        alsmede een in dat kader door hem te volgen opleiding en de te ondernemen
                        activiteiten.</al><al>Lid 2</al><al>Het persoonlijk ontwikkelingsplan wordt ten minste een keer per drie jaar
                        opgesteld en door het college vastgesteld.</al><al>Lid 3</al><al>Een te volgen opleiding en de te ondernemen activiteiten passen in de
                        doelstellingen, criteria en budgettaire voorwaarden van het gemeentelijk
                        opleidingsbeleid, zoals neergelegd in het door het college vastgestelde
                        opleidingsplan.</al><al>Lid 4</al><al>De kosten die gemaakt worden in het kader van de in het persoonlijk
                        ontwikkelingsplan opgenomen opleiding en activiteiten worden door het
                        college vergoed.</al><al>Lid 5</al><al>In het persoonlijk ontwikkelingsplan worden afspraken vastgelegd met
                        betrekking tot benodigd verlof en eventuele verdere medewerking van de zijde
                        van de werkgever die de ambtenaar in staat moeten stellen de gemaakte
                        afspraken uit te voeren.</al><al>Lid 6</al><al>In het persoonlijk ontwikkelingsplan worden afspraken vastgelegd met
                        betrekking tot een of meer van de volgende onderwerpen:</al><lijst><li nr="§"><al> de keuze van opleidingsvorm of instituut, alsmede de redelijkerwijs
                                te maken kosten; </al></li><li nr="§"><al> de periode gedurende welke een studie gevolgd zal worden; </al></li><li nr="§"><al> de minimaal te behalen resultaten en te maken voortgang; </al></li><li nr="§"><al> de omstandigheden onder welke een te volgen studie kan worden
                                onderbroken of gestopt; </al></li><li nr="§"><al> de gehele of gedeeltelijke terugbetaling van de genoten vergoeding
                                bij het voortijdig afbreken van een studie door de ambtenaar; </al></li><li nr="§"><al> de gehele of gedeeltelijke terugbetaling van de genoten vergoeding
                                bij het verlaten van de gemeentelijke dienst binnen een te bepalen
                                periode na afronding van de studie; </al></li><li nr="§"><al> eventuele andere onderwerpen die van belang zijn voor een goede
                                uitvoering van de gemaakte afspraken.</al></li></lijst><al>Artikel 17:5 Loopbaanadvies</al><al>De ambtenaar heeft na elke periode van vijf jaar recht op loopbaanadvies bij
                        een door het college aangewezen interne of externe deskundige.</al><al>Artikel 17:6 Inzetbaarheid</al><al>In het persoonlijk ontwikkelingsplan van en het functioneringsgesprek met
                        een ambtenaar van 50 jaar en ouder stelt het college zijn belasting en
                        belastbaarheid aan de orde. Zo nodig worden naar aanleiding hiervan
                        afspraken gemaakt over aanpassingen in het individuele takenpakket.</al><al>Artikel 17:7 Flankerend beleid</al><al>Het college stelt vast welke mobiliteitsbevorderende voorzieningen
                        beschikbaar kunnen worden gesteld aan ambtenaren die zich in een
                        Van-werk-naar-werk-traject bevinden.</al><al>18 Verplaatsingskosten</al><al>Artikel 18:1:1 Begripsomschrijvingen</al><al>Lid 1</al><al>Voor de toepassing van deze regeling wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al><vet>betrokkene:</vet> de ambtenaar of gewezen ambtenaar in de zin
                                van de CAR;</al></li><li nr="b."><al><vet>woongebied:</vet> een door het college aan te wijzen gebied
                                aansluitend aan het grondgebied van de gemeente;</al></li><li nr="c."><al><vet>standplaats:</vet> de gemeente of het met name genoemde deel
                                daarvan, waar de ambtenaar gewoonlijk zijn werkzaamheden
                                verricht;</al></li><li nr="d."><al><vet>gezinsleden:</vet> de echtgenoot, geregistreerde partner van de
                                betrokkene en de kinderen, stief- en pleegkinderen van de
                                betrokkenen en/of van de echtgenoot, geregistreerde partner voor
                                zover zij samenwonen;</al></li><li nr="e."><al><vet>eigen huishouding voeren:</vet> het zelfstandig en voor eigen
                                rekening bewonen van woonruimte, voorzien van eigen meubilair en
                                stoffering, een en ander ter beoordeling van het bevoegde
                                gezag;</al></li><li nr="f."><al><vet>berekeningsbasis:</vet> het twaalfvoud van de bezoldiging – in
                                de zin van artikel 3:1, dan wel hetgeen daarmede overeenkomt ingeval
                                dat artikel niet op hem van toepassing is – die betrokkene geniet op
                                het berekeningstijdstip, vermeerderd met de aanspraak op de
                                vakantie-uitkering en in voorkomende gevallen vermeerderd met: </al><lijst><li nr="1."><al>genoten wachtgeld of uitkering krachtens hoofdstuk 10 of 11
                                        of een genoten werkloosheidsuitkering krachtens de WW en
                                        eventueel hoofdstuk 10a;</al></li><li nr="2."><al>genoten uitkering krachtens dan wel overeenkomstig hoofdstuk
                                        9 of het FPU-reglement basis- en aanvullende uitkering;</al></li><li nr="3."><al>genoten herplaatsingstoelage krachtens hoofdstuk 12 van het
                                        pensioenreglement;</al></li></lijst></li><li nr="g."><al><vet>berekeningstijdstip:</vet> 1e datum waarop de betrokkene
                                verhuist; 2e indien de betrokkene verhuist voor de datum dat de
                                functie feitelijk wordt vervuld, de datum van ingang van de
                                functievervulling; 3e bij het overlijden of ontslag van de
                                betrokkene, de datum waarop laatstelijk bezoldiging werd
                                genoten;</al></li><li nr="h."><al><vet>verplaatsen en verplaatsing:</vet> veranderen onderscheidenlijk
                                verandering van de standplaats van de betrokkene in opdracht van het
                                bestuursorgaan;</al></li><li nr="i."><al><vet>verplaatsingskostenvergoeding:</vet> tegemoetkoming in de
                                kosten van een verplaatsing, dan wel van een verhuizing
                                voortvloeiende uit indiensttreding of ontslag, ofwel een
                                tegemoetkoming in reis- en pensionkosten voor de periode dat de
                                verhuizing nog niet heeft plaatsgevonden;</al></li><li nr="j."><al><vet>dienstwoning:</vet> de door het bevoegde gezag aan de
                                betrokkene in verband met de uitoefening van zijn functie aangewezen
                                woning.</al></li></lijst><al>Lid 2</al><al>Bij de toepassing van dit hoofdstuk wordt artikel 1:2:1 in acht
                        genomen.</al><al>Artikel 18:1:2 Tegemoetkoming verhuiskosten</al><al>Lid 1</al><al>De betrokkene, die vanwege het dienstbelang de verplichting is opgelegd om
                        in of meer nabij zijn standplaats te gaan wonen, als bedoeld in artikel
                        15:1:17, tweede lid, wordt een tegemoetkoming in verhuiskosten
                        verleend.</al><al>Lid 2</al><al>De betrokkene, die in verband met een indiensttreding is verhuisd en aan wie
                        binnen twee jaar na verhuizing ontslag op verzoek wordt verleend of die ten
                        gevolge van aan hem te wijten feiten of omstandigheden binnen twee jaren na
                        de verhuizing wordt ontslagen, dient de hem toegekende tegemoetkoming in
                        verhuiskosten terug te betalen. Overgang zonder onderbreking naar een andere
                        tak van dienst van dezelfde gemeente of naar een van haar bedrijven of
                        instellingen wordt niet als ontslag op verzoek beschouwd.</al><al>Lid 3</al><al>De tegemoetkoming in verhuiskosten wordt aan de betrokkene, die in verband
                        met een indiensttreding dient te verhuizen, slechts verleend, indien hij
                        schriftelijk heeft verklaard dat een verplichting tot terugbetalen als
                        bedoeld in het vorige lid hem bekend is.</al><al>Artikel 18:1:3 Tegemoetkoming verhuiskosten</al><al>Lid 1</al><al>De betrokkene, die in opdracht van het bevoegde gezag, anders dan in verband
                        met een verplaatsing of indiensttreding, een dienstwoning betrekt of
                        verlaat, wordt een tegemoetkoming in verhuiskosten verleend.</al><al>Lid 2</al><al>Indien het verlaten van een dienstwoning samenhangt met een ontslag op
                        verzoek anders dan een ontslag op verzoek met recht op uitkering voor
                        vervroegd uittreden, of met een ontslag als gevolg van aan betrokkene te
                        wijten feiten of omstandigheden en het ontslag niet ingaat binnen twee jaren
                        nadat de dienstwoning is betrokken, kan een gedeeltelijke tegemoetkoming in
                        verhuiskosten worden verleend.</al><al>Lid 3</al><al>Indien het verlaten van een dienstwoning verband houdt met het overlijden
                        van de betrokkene, wordt een tegemoetkoming in verhuiskosten verleend aan de
                        nagelaten gezinsleden.</al><al>Lid 4</al><al>Bij toepassing van het tweede en derde lid wordt een vergoeding in de
                        verhuiskosten, bedoeld in artikel 18:1:5, eerste lid, verleend, met dien
                        verstande dat deze vergoeding niet meer bedraagt dan die waarop aanspraak
                        zou bestaan bij verhuizing binnen het woongebied.</al><al>Artikel 18:1:4 Tegemoetkoming verhuiskosten</al><al>Geen tegemoetkoming in verhuiskosten ingevolge de artikelen 18:1:2 en 18:1:3
                        wordt verleend, indien de verhuizing niet heeft plaatsgevonden binnen twee
                        jaar nadat de verplichting tot verhuizen is opgelegd dan wel na de datum van
                        het ontslag, het overlijden of de verplaatsing.</al><al>Artikel 18:1:5 Tegemoetkoming verhuiskosten</al><al>Lid 1</al><al>De tegemoetkoming in verhuiskosten kan slechts bestaan uit:</al><lijst><li nr="a."><al>een bedrag voor de kosten van transport van de bagage en van de
                                inboedel van de betrokkene en zijn gezinsleden naar de nieuwe
                                woning, waaronder begrepen de kosten van het in- en uitpakken van
                                breekbare zaken;</al></li><li nr="b."><al> een bedrag voor dubbele woonkosten, gelijk aan de noodzakelijk te
                                maken kosten, met een maximum van € 292,68 per maand met dien
                                verstande dat de tegemoetkoming ten hoogste voor vier maanden wordt
                                verleend;</al></li><li nr="c."><al>een bedrag voor alle andere direct uit de verhuizing voortvloeiende
                                kosten, met een maximum van € 5.853,12.</al></li></lijst><al>Lid 2</al><al>Indien de betrokkene op de dag van de verhuizing een eigen huishouding
                        voert, wordt het bedrag bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, voor zover
                        bij of krachtens dit artikel niet anders is bepaald, gesteld op een
                        tegemoetkoming van 3% van de berekeningsbasis voor ieder woon- of
                        slaapvertrek, tot een maximum van vier van deze vertrekken, die de
                        achtergelaten woning telt, met dien verstande dat het maximumbedrag genoemd
                        in het eerste lid, onderdeel c, niet overschreden wordt.</al><al>Lid 3</al><al>Indien het betreft een verhuizing van een gezin, waarin de echtgenoten,
                        geregistreerde partners beide betrokkene zijn in de zin van dit hoofdstuk en
                        afzonderlijk opdracht hebben om te verhuizen of zijn verplaatst, wordt voor
                        beide betrokkenen de berekeningsbasis vastgesteld. Ingeval beide betrokkenen
                        een deeltijdbetrekking hebben en niet tevens een deeltijdbetrekking bij een
                        andere werkgever die aanspraak geeft op een tegemoetkoming in verhuiskosten,
                        wordt de berekeningsbasis vastgesteld als ware er sprake van een
                        voltijdbetrekking. De tegemoetkoming wordt toegekend op grond van de hoogste
                        berekeningsbasis.</al><al>Lid 4</al><al>Indien de betrokkene geen eigen huishouding voert, wordt geen tegemoetkoming
                        als bedoeld in het eerste lid, onder c, verleend. Indien bijzondere
                        omstandigheden daartoe aanleiding geven, kan voor deze kosten niettemin een
                        tegemoetkoming worden verleend van 3% van de berekeningsbasis.</al><al>Artikel 18:1:6 Tegemoetkoming woon- werkverkeer</al><al>Lid 1</al><al>De betrokkene die vanwege het dienstbelang de verplichting is opgelegd om in
                        of meer nabij zijn standplaats te gaan wonen, zoals bedoeld in artikel
                        15:1:17 en daarin, ondanks alle pogingen daartoe, niet slaagt heeft
                        aanspraak op een vergoeding van de kosten voor het dagelijks reizen tussen
                        de woning en de plaats van tewerkstelling, zolang hij bij de verhuizing in
                        aanmerking zou kunnen komen voor een tegemoetkoming in de
                        verhuiskosten.</al><al>Lid 2</al><al>Een betrokkene als bedoeld in het eerste lid, die naar het oordeel van het
                        bevoegde gezag niet dagelijks heen en weer kan reizen, heeft, tenzij van
                        gemeentewege al dan niet tegen betaling in huisvesting wordt voorzien,
                        aanspraak op een tegemoetkoming in de pensionkosten voor verblijf in een
                        pension in of nabij het gebied als bedoeld in artikel 15:1:17, benevens een
                        tegemoetkoming voor ten hoogste eenmaal per week in de reiskosten naar de
                        plaats waar hij metterwoon nog gevestigd is.</al><al>Lid 3</al><al>Indien een betrokkene als bedoeld in het eerste en tweede lid, naar het
                        oordeel van het bevoegde gezag niet alles, wat redelijkerwijs van hem mag
                        worden verwacht, heeft gedaan om zo spoedig mogelijk te verhuizen, komt hij
                        niet langer in aanmerking voor tegemoetkomingen als bedoeld in het eerste en
                        tweede lid.</al><al>Lid 4</al><al>Een betrokkene die een functie voor betrekkelijk korte duur bekleedt of voor
                        betrekkelijk korte duur elders is geplaatst en als gevolg daarvan niet
                        behoeft te verhuizen kan een tegemoetkoming in de reiskosten als bedoeld in
                        het eerste lid worden verleend, dan wel een tegemoetkoming overeenkomstig
                        het tweede lid, indien de betrokkene naar het oordeel van het bevoegde gezag
                        niet dagelijks heen en weer kan reizen.</al><al>Artikel 18:1:7 Hoogte tegemoetkoming</al><al>Lid 1</al><al>De tegemoetkoming in reiskosten bedoeld in artikel 18:1:6, eerste en vierde
                        lid, is gelijk aan de gemaakte kosten van het openbaar vervoer op basis van
                        het tarief van de tweede klasse.</al><al>Lid 2</al><al>De vergoeding die plaatsvindt op basis van het eerste lid is, voor dat deel
                        dat gebruik wordt gemaakt van de trein, gemaximeerd op het bedrag van €
                        3.708 per jaar.</al><al>Lid 3</al><al>De betrokkene die met de trein reist en van de woning of het pension met het
                        ander (aansluitend) openbaar vervoer naar het eerst mogelijke station kan
                        reizen maar van dit openbaar vervoer geen gebruik maakt en in plaats daarvan
                        met eigen vervoer naar dat station reist, ontvangt een tegemoetkoming van €
                        97,82 op jaarbasis.</al><al>Lid 4</al><al>De tegemoetkoming in reiskosten bedoeld in artikel 18:1:6, eerste en vierde
                        lid, is, indien het college de plaats van tewerkstelling van een betrokkene
                        heeft aangewezen als een plaats van tewerkstelling die niet per openbaar
                        vervoer is te bereiken, of indien de betrokkene behoort tot een aangewezen
                        groep voor wie de plaats van tewerkstelling vanwege de opgedragen werktijden
                        niet per openbaar vervoer is te bereiken, € 0,16 per kilometer met een
                        maximum van 20 kilometer enkele reis.</al><al>Lid 5</al><al>De betrokkene, die naar het oordeel van het college de plaats van
                        tewerkstelling met het openbaar vervoer kan bereiken maar daarvan geen
                        gebruik maakt, heeft aanspraak op een tegemoetkoming van 25% van de
                        tegemoetkoming bedoeld in het vierde lid.</al><al>Artikel 18:1:7a Vervallen</al><al>(Vervallen)</al><al>Artikel 18:1:8 Niet verhuisplichtig, toch een tegemoetkoming
                        woon-werkverkeer</al><al>Indien het bevoegde gezag de plaats van tewerkstelling van een betrokkene
                        die niet conform artikel 15:1:17 verhuisplichtig is, heeft aangewezen als
                        een plaats van tewerkstelling die niet met het openbaar vervoer is te
                        bereiken, of indien de betrokkene behoort tot een aangewezen groep voor wie
                        de plaats van tewerkstelling vanwege de opgedragen werktijden niet per
                        openbaar vervoer is te bereiken, wordt aan de betrokkene voor de gehele duur
                        van het dienstverband een vergoeding per afgelegde kilometer verstrekt. De
                        hoogte van deze vergoeding wordt vastgesteld door het bevoegde gezag.</al><al>Artikel 18:1:9 Pensionkosten</al><al>Lid 1</al><al>De tegemoetkoming in pensionkosten als bedoeld in artikel 18:1:6, tweede
                        lid, bedraagt voor de betrokkene die gewoonlijk met gezinsleden samenwoont
                        90% en voor de overige betrokkenen 60% van de betaalde pensionkosten, voor
                        zover deze kosten niet uitgaan boven de door het bestuursorgaan redelijk
                        geoordeelde pensionkosten.</al><al>Lid 2</al><al>De tegemoetkoming in reiskosten voor gezinsbezoek dan wel voor het bezoeken
                        van de plaats waar betrokkene nog is gehuisvest is gelijk aan de kosten van
                        het gebruik van het openbaar vervoer en wel naar het tarief van de laagste
                        klasse.</al><al>Artikel 18:1:10 Duur tegemoetkoming reis- en pensionkosten</al><al>Lid 1</al><al>De tegemoetkoming ingevolge het bepaalde in de artikelen 18:1:7 en 18:1:9
                        wordt voor de eerste keer voor niet langer dan zes maanden verleend. Het
                        bevoegde gezag kan deze termijn op verzoek van betrokkene telkens voor niet
                        langer dan zes maanden verlengen.</al><al>Lid 2</al><al>Geen aanspraak op tegemoetkoming in reis- en/of verblijfkosten bestaat
                        indien de declaratie van de in een kalendermaand gemaakte kosten conform
                        artikel 18:1:7, eerste lid, en artikel 18:1:14, in geval wordt gekozen voor
                        het vergoedingssysteem zoals dat gold vóór 1 juli 2004, niet binnen drie
                        maanden na die kalendermaand bij het bevoegde gezag is ingediend.</al><al>Lid 3</al><al>Het bevoegd gezag is bevoegd te bepalen dat de tegemoetkomingen vastgesteld
                        op basis van artikel 18:1:7, eerste lid, en artikel 18:1:14 maandelijks
                        zonder declaratie worden uitbetaald met inachtneming van een korting op de
                        bedragen van 6%.</al><al>Artikel 18:1:11 Procedure tegemoetkoming verhuiskosten</al><al>Lid 1</al><al>De aanvraag voor een tegemoetkoming in verhuiskosten dient voor de datum van
                        de verhuizing bij het bevoegde gezag te zijn ingediend.</al><al>Lid 2</al><al>Zo spoedig mogelijk na de verhuizing doch in ieder geval binnen zes maanden
                        daarna doet de betrokkene bij het bevoegde gezag opgave van de kosten als
                        bedoeld in artikel 18:1:5, eerste lid, onder b.</al><al>Artikel 18:1:12 Voorschot</al><al>Het bevoegde gezag kan ter zake van de in dit hoofdstuk bedoelde
                        tegemoetkomingen een voorschot verlenen.</al><al>Artikel 18:1:13 Slotbepaling</al><al>Het college kan voor zover nodig in afwijking van de bij of krachtens dit
                        hoofdstuk gestelde regels beslissen in individuele gevallen, waarin deze
                        regelen naar het oordeel van het college niet of niet naar redelijkheid
                        voorzien.</al><al>Artikel 18:1:14 Overgangsrecht</al><al>De betrokkene aan wie voor 1 juli 2004 een tegemoetkoming woon-werkverkeer
                        op grond van artikel 18:1:7, vierde lid zoals dat luidde voor 1 juli 2004,
                        is toegekend, heeft gedurende de periode van maximaal twee jaar, welke
                        ingaat op het moment van toekenning, recht op een tegemoetkoming
                        woon-werkverkeer conform de vergoedingssystematiek zoals die gold voor 1
                        juli 2004. Indien de vergoedingssystematiek zoals die geldt vanaf 1 juli
                        2004 financieel voordeliger is voor deze betrokkene, dan heeft hij recht op
                        een tegemoetkoming conform de laatstgenoemde vergoedingssystematiek. Indien
                        de medewerker gehoor heeft gegeven aan de verhuisplicht, dan vervalt de
                        tegemoetkoming woon-werkverkeer.</al><al>19 Rechtspositieregeling vrijwilligers bij de gemeentelijke brandweer</al><al>Paragraaf 1 Algemene bepalingen</al><lijst><li nr=""><al>Artikel 19:1 Werkingssfeer</al></li><li nr=""><al>Artikel 19:2 Begripsbepaling</al></li><li nr=""><al>Artikel 19:3 Overleg met vakorganisaties</al></li><li nr=""><al>Artikel 19:4 Informatievoorziening aan de vrijwilliger</al></li><li nr=""><al>Artikel 19:5 Informatievoorziening aan derden</al></li></lijst><al>Artikel 19:1 Werkingssfeer</al><al>Dit hoofdstuk is van toepassing op de ambtenaar die door het college
                        aangesteld is als vrijwilliger bij de gemeentelijke brandweer.</al><al>Artikel 19:2 Begripsbepaling</al><al><vet>Hoofdwerkgever:</vet> de werkgever waarbij de vrijwilliger in
                        loondienst is.</al><al>Artikel 19:3 Overleg met vakorganisaties</al><al>Het overleg over de aangelegenheden die van algemeen belang zijn voor de
                        rechtstoestand van de vrijwilligers vindt plaats in de op grond van artikel
                        12:1, tweede lid, van de CAR ingestelde commissie voor georganiseerd
                        overleg. Dit geldt ook voor de algemene regels volgens welke het
                        personeelsbeleid gevoerd zal worden. </al><al>Artikel 19:4 Informatievoorziening aan de vrijwilliger</al><al>Lid 1</al><al>De vrijwilliger ontvangt op zijn verzoek kosteloos een exemplaar van dit
                        hoofdstuk, van de wijzigingen daarvan en van alle andere schriftelijke
                        regels die hij bij de uitvoering van zijn werkzaamheden heeft na te
                        leven.</al><al>Lid 2</al><al>De vrijwilliger die regels heeft na te leven die niet schriftelijk zijn
                        vastgesteld wordt hierover naar behoren geïnformeerd.</al><al>Artikel 19:5 Informatievoorziening aan derden</al><al>Een exemplaar van dit hoofdstuk, van de wijzigingen daarvan en van alle
                        regels die ter uitvoering van <extref doc="1.0:v:BWBR0001947&amp;artikel=125" struct="BWB">artikel 125
                            van de Ambtenarenwet</extref> voor de vrijwilliger worden getroffen met
                        inbegrip van de wijzigingen daarop, worden kosteloos ter beschikking gesteld
                        aan:</al><lijst><li nr="§"><al>de vakorganisaties die deelnemen aan het georganiseerd overleg
                                bedoeld in artikel 19:3, eerste lid;</al></li><li nr="§"><al>ieder ander die daarvoor naar het oordeel van het college in
                                aanmerking komt.</al></li></lijst><al>Paragraaf 2 Aanstelling en bevordering</al><lijst><li nr=""><al>Artikel 19:6 Aanstelling in vaste of tijdelijke dienst</al></li><li nr=""><al>Artikel 19:7 Voorwaarden voor aanstelling</al></li><li nr=""><al>Artikel 19:7a Vervallen</al></li><li nr=""><al>Artikel 19:8 Bericht van aanstelling</al></li><li nr=""><al>Artikel 19:9 Bevordering</al></li><li nr=""><al>Artikel 19:10 Vervallen</al></li></lijst><al>Artikel 19:6 Aanstelling in vaste of tijdelijke dienst</al><al>Lid 1</al><al>Het college kan de vrijwilliger aanstellen in vaste dienst, of in tijdelijke
                        dienst voor een bepaalde periode.</al><al>Lid 2</al><al>Een aanstelling in tijdelijke dienst wordt alleen verleend bij wijze van
                        proef.</al><al>Lid 3</al><al>Een aanstelling in tijdelijke dienst wordt voor een periode van maximaal
                        twee jaar verleend. In bijzondere gevallen kan de tijdelijke aanstelling
                        verlengd worden met een periode van ten hoogste een jaar.</al><al>Lid 4</al><al>Het college verleent de vrijwilliger een vaste aanstelling zodra de maximale
                        termijn voor een tijdelijke aanstelling verstreken is, tenzij de proef niet
                        geslaagd is.</al><al>Artikel 19:7 Voorwaarden voor aanstelling</al><al>Lid 1</al><al>Voor aanstelling als vrijwilliger kunnen alleen die personen in aanmerking
                        komen die voldoen aan de eisen die het Besluit personeel veiligheidsregio’s
                        daarvoor stelt.</al><al>Lid 2</al><al>Degene die in aanmerking wil komen voor aanstelling als vrijwilliger voldoet
                        bovendien aan de volgende voorwaarden:</al><lijst><li nr="a."><al>hij beschikt over de voor de brandweerdienst vereiste
                                karaktereigenschappen;</al></li><li nr="b."><al>hij is door de aard en de plaats van zijn dagelijkse werkzaamheden
                                en de ligging van zijn woning, in staat om zijn taak bij de
                                gemeentelijke brandweerdienst naar behoren te vervullen;</al></li><li nr="c."><al>hij is ten minste 18 jaar.</al></li></lijst><al>Artikel 19:7a Vervallen</al><al>(Vervallen)</al><al>Artikel 19:8 Bericht van aanstelling</al><al>Lid 1</al><al>De vrijwilliger ontvangt voor indiensttreding kosteloos een bericht van
                        aanstelling. Hierin wordt vermeld:</al><lijst><li nr="a."><al>de naam, voornamen, geboorteplaats en geboortedatum van de
                                vrijwilliger;</al></li><li nr="b."><al> de duur van de aanstelling; bij een tijdelijke aanstelling wordt de
                                periode waarvoor de aanstelling is aangegaan zo nauwkeurig mogelijk
                                omschreven;</al></li><li nr="c."><al>de ingangsdatum van de aanstelling;</al></li><li nr="d."><al>de functie waarin de vrijwilliger is aangesteld en de vergoeding die
                                aan hem wordt toegekend.</al></li></lijst><al>Lid 2</al><al>Het college deelt wijzigingen in de punten b tot en met d zo spoedig
                        mogelijk, kosteloos, mee aan de vrijwilliger.</al><al>Artikel 19:9 Bevordering</al><al>Het college kan een vrijwilliger alleen tot een hogere functie bevorderen
                        wanneer hij voldoet aan de eisen die het Besluit personeel
                        veiligheidsregio’s daarvoor stelt. In het besluit tot bevordering worden ten
                        minste de nieuwe functie en de daaraan verbonden vergoeding vermeld.</al><al>Artikel 19:10 Vervallen</al><al>(vervallen)</al><al>Paragraaf 3 Relatie hoofdwerkgever</al><lijst><li nr=""><al>Artikel 19:11 Informatie over hoofdwerkgever</al></li><li nr=""><al>Artikel 19:12 Informatie aan hoofdwerkgever</al></li></lijst><al>Artikel 19:11 Informatie over hoofdwerkgever</al><al>Lid 1</al><al>De vrijwilliger die in loondienst is verstrekt het college bij
                        indiensttreding de contactgegevens van zijn hoofdwerkgever en informeert het
                        college over zijn werktijden aldaar. De vrijwilliger informeert het college
                        zo spoedig mogelijk over wijzigingen.</al><al>Lid 2</al><al>De vrijwilliger die werkzaam is als zelfstandig ondernemer informeert het
                        college bij zijn indiensttreding hierover en verstrekt gegevens over de aard
                        van zijn werkzaamheden en het tijdsbeslag daarvan. De vrijwilliger
                        informeert het college zo spoedig mogelijk over wijzigingen. </al><al>Artikel 19:12 Informatie aan hoofdwerkgever</al><al>De vrijwilliger bericht zijn hoofdwerkgever zo spoedig mogelijk na
                        indiensttreding dat:</al><lijst><li nr="a."><al>hij aangesteld is als vrijwilliger bij de brandweer; </al></li><li nr="b."><al>hij tijdens werktijd ingezet kan worden voor brandweerwerkzaamheden;
                            </al></li><li nr="c."><al> de <extref doc="1.0:v:BWBR0007671" struct="BWB">Arbeidstijdenwet</extref> van toepassing is op zijn
                                werkzaamheden voor de brandweer en dat bij de vaststelling van zijn
                                werktijden hier rekening mee gehouden moet worden;</al></li><li nr="d."><al> de gemeente hem een vergoeding verstrekt voor brandweeractiviteiten
                                tijdens werktijd; </al></li><li nr="e."><al> ingeval van ziekte als gevolg van een dienstongeval bij de
                                brandweer, de hoofdwerkgever recht heeft op een vergoeding. </al></li></lijst><al>Paragraaf 4 Vergoedingen</al><lijst><li nr=""><al>Artikel 19:13 Vergoeding</al></li><li nr=""><al>Artikel 19:14 Jaarvergoeding</al></li><li nr=""><al>Artikel 19:15 Vergoeding voor oefeningen, cursussen en overige
                                werkzaamheden</al></li><li nr=""><al>Artikel 19:16 Vergoeding voor daadwerkelijke brandbestrijding en
                                hulpverlening</al></li><li nr=""><al>Artikel 19:17 Vergoeding voor langdurige aanwezigheid</al></li><li nr=""><al>Artikel 19:18 Consignatievergoeding</al></li><li nr=""><al>Artikel 19:19 Kazerneringsdienst</al></li><li nr=""><al>Artikel 19:20 Vergoeding tijdens en in verband met zwangerschap</al></li><li nr=""><al>Artikel 19:21 Opleidingskosten</al></li><li nr=""><al>Artikel 19:22 Gratificatie</al></li><li nr=""><al>Artikel 19:23 Fiscaal aantrekkelijke regelingen</al></li><li nr=""><al>Artikel 19:24 Salarismutaties</al></li></lijst><al>Artikel 19:13 Vergoeding</al><al>Lid 1</al><al>De vrijwilliger ontvangt zolang de aanstelling duurt een vergoeding
                        overeenkomstig de regels van dit hoofdstuk en bijlage IIb van de
                        CAR-UWO.</al><al>Lid 2</al><al>In afwijking van het eerste lid, ontvangt de medewerker die vanaf 31
                        december 1979 onafgebroken ambtenaar en als vrijwilliger werkzaam is, zolang
                        de aanstelling duurt een vergoeding overeenkomstig de regels van dit
                        hoofdstuk en bijlage IIc van de CAR-UWO.</al><al>Artikel 19:14 Jaarvergoeding</al><al>Lid 1</al><al>De vrijwilliger ontvangt elk kalenderjaar een jaarvergoeding. </al><al>Lid 2</al><al>De jaarvergoeding wordt vastgesteld op het bedrag dat in de bijlage, genoemd
                        in artikel 19:13 is vermeld achter de functiecategorie, behorende bij de
                        functie waarin de vrijwilliger is aangesteld, in de tweede kolom.</al><al>Lid 3</al><al>In de jaarvergoeding is een netto-bedrag opgenomen van € 136, ter vergoeding
                        van onkosten die worden gemaakt in verband met de beroepsuitoefening.</al><al>Lid 4</al><al>In de jaarvergoeding voor de officieren is tevens een
                        netto-onkostenvergoeding opgenomen van € 2 per in het kader van de
                        beroepsuitoefening verrichte activiteit niet zijnde brandbestrijding of
                        andere hulpverlening.</al><al>Artikel 19:15 Vergoeding voor oefeningen, cursussen en overige
                        werkzaamheden</al><al>Lid 1</al><al>De vrijwilliger die deelneemt aan een oefening, een cursus volgt met
                        toestemming van het college, of in opdracht van het college overige
                        werkzaamheden verricht heeft recht op een vergoeding. </al><al>Lid 2</al><al>De vergoeding wordt vastgesteld aan de hand van het uurbedrag dat in de
                        bijlage, genoemd in artikel 19:13 staat vermeld achter de functie waarin de
                        vrijwilliger is aangesteld, in de derde kolom. Wanneer de vergoeding op nul
                        is gesteld heeft de vrijwilliger voor die activiteit geen recht op
                        vergoeding. </al><al>Lid 3</al><al>In de uurvergoeding genoemd in het tweede lid is een
                        netto-onkostenvergoeding opgenomen van € 2 per activiteit voor vrijwilligers
                        niet zijnde officieren.</al><al>Artikel 19:16 Vergoeding voor daadwerkelijke brandbestrijding en
                        hulpverlening</al><al>Lid 1</al><al>De vrijwilliger die zich, na hiertoe opgeroepen te zijn, bezighoudt met
                        daadwerkelijke brandbestrijding en hulpverlening ontvangt hiervoor een
                        vergoeding.</al><al>Lid 2</al><al>De vergoeding wordt vastgesteld aan de hand van het uurbedrag dat in de
                        bijlage, genoemd in artikel 19:13 staat vermeld achter de functiecategorie,
                        behorende bij de functie van de vrijwilliger, in de vierde kolom. </al><al>Lid 3</al><al>In de uurvergoeding genoemd in het tweede lid is een
                        netto-onkostenvergoeding opgenomen van € 2 per activiteit voor vrijwilligers
                        niet zijnde officieren.</al><al>Artikel 19:17 Vergoeding voor langdurige aanwezigheid</al><al>Lid 1</al><al>De vrijwilliger die, in opdracht van het college, vijf uur of langer ingezet
                        wordt voor oefeningen, cursussen of overige brandweerwerkzaamheden, ontvangt
                        een vergoeding voor langdurige aanwezigheid. De vergoeding wordt vastgesteld
                        aan de hand van het uurbedrag dat in bijlage, genoemd in artikel 19:13 staat
                        vermeld achter de functiecategorie, behorende bij de functie waarin de
                        vrijwilliger is aangesteld, in de vijfde kolom.</al><al>Lid 2</al><al>Wanneer de vergoeding op nul is gesteld heeft de vrijwilliger geen recht op
                        een vergoeding voor langdurige aanwezigheid.</al><al>Lid 3</al><al>De vergoeding voor langdurige aanwezigheid wordt alleen verstrekt over die
                        uren waarin de vrijwilliger daadwerkelijk geoefend heeft, een cursus gevolgd
                        heeft of overige brandweerwerkzaamheden verricht heeft. </al><al>Artikel 19:18 Consignatievergoeding</al><al>De vrijwilliger die zich ter beschikking moet houden om opgeroepen te worden
                        voor werkzaamheden ontvangt een consignatievergoeding. Deze vergoeding
                        bedraagt: </al><lijst><li nr="a."><al>per uur 16% van het bedrag genoemd in kolom drie van de bijlagen,
                                genoemd in artikel 19:13 op zondagen, nieuwjaarsdag, tweede Paasdag,
                                Hemelvaartsdag, tweede Pinksterdag, de beide Kerstdagen, de dag
                                waarop de verjaardag van de koningin wordt gevierd en iedere andere
                                dag die daarnaast door het college wordt aangewezen als feestdag;
                            </al></li><li nr="b."><al> per uur 10% van het bedrag genoemd in kolom drie van de bijlagen,
                                genoemd in artikel 19:13 voor alle overige dagen.</al></li></lijst><al>Artikel 19:19 Kazerneringsdienst</al><al>Het college kan bij lokale regeling regels stellen over de vergoeding van
                        kazerneringsdiensten.</al><al>Artikel 19:20 Vergoeding tijdens en in verband met zwangerschap</al><al>Lid 1</al><al>De vrijwilliger bedoeld in artikel 19:29 heeft gedurende de periode dat zij
                        niet ingezet wordt in de repressieve brandweerdienst, of niet deelneemt aan
                        oefeningen recht op doorbetaling van de vergoedingen bedoeld in artikel
                        19:15 tot en met 19:18.</al><al>Lid 2</al><al>De hoogte van deze vergoeding wordt berekend op basis van het bedrag dat de
                        vrijwilliger gemiddeld over het kwartaal voorafgaand aan de eerste dag van
                        het verlof ontvangen heeft. Indien het arbeidspatroon in deze periode sterk
                        afwijkt van het gebruikelijke, past het college deze berekening toe op een
                        kalenderkwartaal waarin wel sprake was van een gebruikelijk arbeidspatroon. </al><al>Artikel 19:21 Opleidingskosten</al><al>Het college vergoedt de kosten van het volgen van een opleiding of een
                        cursus, deelname aan examens en het bijwonen van bijeenkomsten, voor zover
                        deze in opdracht van of met toestemming van het college zijn gemaakt.</al><al>Artikel 19:22 Gratificatie</al><al>Bij lokale regeling kan het college regels vaststellen voor het toekennen
                        van een gratificatie.</al><al>Artikel 19:23 Fiscaal aantrekkelijke regelingen</al><al>De vrijwilliger kan gebruik maken van de lokale regeling met fiscaal
                        gunstige personeelsvoorzieningen.</al><al>Artikel 19:24 Salarismutaties</al><al>De algemene salarismutaties voor de sector gemeenten zoals die in het LOGA
                        worden overeengekomen, zijn wat betreft het percentage en de ingangsdatum
                        van overeenkomstige toepassing op de bedragen genoemd in bijlage bij artikel
                        19:13. De overeenkomstig het vorige lid berekende vergoedingen worden wat
                        betreft de jaarvergoeding afgerond op hele euro’s en wat betreft de overige
                        vergoedingen op eurocenten.</al><al>Paragraaf 5 Verzekeringen en schadevergoeding</al><lijst><li nr=""><al>Artikel 19:25 Ongevallenverzekering</al></li><li nr=""><al>Artikel 19:26 Vergoeding geneeskundige kosten</al></li><li nr=""><al>Artikel 19:27 Verzekering zelfstandig ondernemers</al></li><li nr=""><al>Artikel 19:28 Schade aan kleding en uitrusting</al></li></lijst><al>Artikel 19:25 Ongevallenverzekering</al><al>Lid 1</al><al>Het college sluit een ongevallenverzekering af voor de vrijwilliger.</al><al>Lid 2</al><al>De ongevallenverzekering keert uit bij overlijden, tijdelijke en blijvende
                        arbeidsongeschiktheid als gevolg van een dienstongeval, overeenkomstig de
                        polisvoorwaarden.</al><al>Lid 3</al><al>De vrijwilliger wordt bij indiensttreding geïnformeerd over de inhoud van de
                        verzekering.</al><al>Lid 4</al><al>Wijzigingen worden zo spoedig mogelijk ter kennis van de vrijwilliger
                        gebracht.</al><al>Lid 5</al><al>De vrijwilliger ontvangt op zijn verzoek kosteloos een afschrift van de
                        polisvoorwaarden.</al><al>Artikel 19:26 Vergoeding geneeskundige kosten</al><al>Lid 1</al><al>Het college vergoedt de vrijwilliger de noodzakelijk gemaakte medische
                        kosten die ontstaan zijn als gevolg van een dienstongeval en die voor zijn
                        rekening blijven. De vergoeding bedraagt ten hoogste het bedrag waarvoor het
                        college zich terzake heeft verzekerd. </al><al>Lid 2</al><al>Indien het verzekerde bedrag niet toereikend is om de in het eerste lid
                        genoemde medische kosten van de vrijwilliger te vergoeden, kan het college
                        in bijzondere gevallen een tegemoetkoming verstrekken in de hogere
                        kosten.</al><al>Artikel 19:27 Verzekering zelfstandig ondernemers</al><al>Lid 1</al><al>Het college kan voor de vrijwilliger die zelfstandig ondernemer is een
                        aanvullende verzekering sluiten die voorziet in een uitkering bij blijvende
                        arbeidsongeschiktheid als gevolg van een dienstongeval.</al><al>Lid 2</al><al>Het college informeert de vrijwilliger die het betreft bij indiensttreding
                        of deze verzekering voor hem is afgesloten en indien dat het geval is wordt
                        de vrijwilliger geïnformeerd over de dekking van de verzekering.</al><al>Artikel 19:28 Schade aan kleding en uitrusting</al><al>Het college vergoedt de vrijwilliger de schade aan zijn kleding, uitrusting
                        en een hem toebehorend motorrijtuig in de zin van de <extref doc="1.0:v:BWBR0002415" struct="BWB">Wet
                            aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen</extref>, die hij buiten
                        zijn schuld of nalatigheid lijdt ten gevolge van de door hem verrichtte
                        werkzaamheden, voor zover de schade niet bestaat uit normale slijtage van
                        die goederen.</al><al>Paragraaf 6 Zwangerschap</al><al>Artikel 19:29 Zwangerschap</al><al>Artikel 19:29 Zwangerschap</al><al>Lid 1</al><al>De vrijwilliger meldt haar zwangerschap in een zo vroeg mogelijk stadium bij
                        het college.</al><al>Lid 2</al><al>Gedurende de zwangerschap, tot zes maanden daarna en tijdens de periode van
                        borstvoeding wordt de vrijwilliger niet ingezet voor repressieve
                        brandweeractiviteiten.</al><al>Lid 3</al><al>Deelname aan brandweeroefeningen in de in het tweede lid genoemde situaties
                        vindt alleen plaats na voorafgaande toestemming door de bedrijfsarts.</al><al>Paragraaf 7 Beschikbaarheid en overige plichten vrijwilliger</al><lijst><li nr=""><al>Artikel 19:30 Beschikbaarheid van de vrijwilliger</al></li><li nr=""><al>Artikel 19:31 Verplichtingen</al></li><li nr=""><al>Artikel 19:32 Eed of belofte</al></li><li nr=""><al>Artikel 19:33 Verboden</al></li><li nr=""><al>Artikel 19:34 Gebruik van motorrijtuig</al></li><li nr=""><al>Artikel 19:35 Kledingvoorschrift</al></li><li nr=""><al>Artikel 19:36 Verboden ten aanzien van de kleding</al></li><li nr=""><al>Artikel 19:37 Vergoeding van schade</al></li></lijst><al>Artikel 19:30 Beschikbaarheid van de vrijwilliger</al><al>Lid 1</al><al>Het college stelt regels over de beschikbaarheid van de vrijwilliger voor de
                        brandweerdienst.</al><al>Lid 2</al><al>De vrijwilliger neemt deel aan oefeningen, bijeenkomsten en cursussen die
                        door of vanwege het college zijn georganiseerd.</al><al>Lid 3</al><al>De vrijwilliger die niet beschikbaar is voor de brandweerdienst, of niet kan
                        deelnemen aan een oefening, bijeenkomst of cursus doet daarvan tijdig
                        melding, onder opgave van redenen en overeenkomstig de instructie van het
                        college.</al><al>Artikel 19:31 Verplichtingen</al><al>De vrijwilliger dient zijn werkzaamheden nauwgezet en ijverig te verrichten
                        en zich te gedragen als een goed vrijwilliger.</al><al>Artikel 19:32 Eed of belofte</al><al>De vrijwilliger is verplicht de eed of belofte af te leggen die bij wet, bij
                        instructie of bij besluit van het college is voorgeschreven.</al><al>Artikel 19:33 Verboden</al><al>Het is de vrijwilliger verboden:</al><lijst><li nr="a."><al> de aan de gemeente toebehorende eigendommen aan te wenden voor
                                persoonlijk gebruik, tenzij hiervoor toestemming is verleend door of
                                namens het college;</al></li><li nr="b."><al> vergoedingen, beloningen, giften of beloften van derden te
                                vorderen, te verzoeken of aan te nemen, tenzij hiervoor toestemming
                                is verleend door of namens het college; </al></li><li nr="c."><al> steekpenningen aan te nemen.</al></li></lijst><al>Artikel 19:34 Gebruik van motorrijtuig</al><al>Het is de vrijwilliger slechts toegestaan een motorrijtuig in de zin van de
                            <extref doc="1.0:v:BWBR0002415" struct="BWB">Wet
                            aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen</extref> te gebruiken ten
                        behoeve van zijn werkzaamheden als vrijwilliger, indien hem daartoe door het
                        college toestemming is verleend. Aan deze toestemming kunnen bepaalde
                        voorwaarden worden verbonden.</al><al>Artikel 19:35 Kledingvoorschrift</al><al>Lid 1</al><al>De vrijwilliger is verplicht tijdens zijn werkzaamheden de door het college
                        voorgeschreven dienstkleding en uitrustingsstukken te dragen.</al><al>Lid 2</al><al>De dienstkleding en uitrustingsstukken worden door het college kosteloos in
                        bruikleen verstrekt aan de vrijwilliger, die bij ontslag verplicht is deze
                        bij het college in te leveren.</al><al>Lid 3</al><al>De vrijwilliger draagt zorg voor het onderhoud van de hem in bruikleen
                        verstrekte dienstkleding en uitrustingsstukken en hij is verplicht deze te
                        doen onderwerpen aan inspectie en controle, wanneer daartoe door het college
                        opdracht is gegeven.</al><al>Lid 4</al><al>Het college is verantwoordelijk voor reparatie van de dienstkleding en
                        uitrustingsstukken. </al><al>Artikel 19:36 Verboden ten aanzien van de kleding</al><al>Het is de vrijwilliger verboden: </al><lijst><li nr="a."><al> de dienstkleding en uitrustingsstukken te dragen wanneer hij geen
                                werkzaamheden als vrijwilliger verricht, behalve in de gevallen
                                waarin het college daarvoor toestemming heeft verleend; </al></li><li nr="b."><al> de dienstkleding en uitrustingsstukken aan derden in bruikleen te
                                geven;</al></li><li nr="c."><al> dienstkleding te dragen voorzien van:</al></li><li nr="I."><al> andere rangonderscheidingstekenen dan die verbonden aan de rang,
                                behorende bij de functie die de vrijwilliger bekleedt;</al></li><li nr="II."><al> insignes en andere onderscheidingstekenen, tenzij tot het dragen
                                daarvan door de staat of door het college toestemming is
                                verleend.</al></li></lijst><al>Artikel 19:37 Vergoeding van schade</al><al>Lid 1</al><al>De vrijwilliger die door zijn schuld of nalatigheid de gemeente schade
                        toebrengt kan verplicht worden deze schade geheel of gedeeltelijk te
                        vergoeden. </al><al>Lid 2</al><al>De vrijwilliger wordt in de gelegenheid gesteld om zijn wensen kenbaar te
                        maken ten aanzien van de inhouding van de schadevergoeding op zijn
                        vergoeding. </al><al>Paragraaf 8 Disciplinaire maatregelen schorsing in het belang van de
                        dienst</al><lijst><li nr=""><al>Artikel 19:38 Plichtsverzuim</al></li><li nr=""><al>Artikel 19:39 Disciplinaire straffen</al></li><li nr=""><al>Artikel 19:40 Schorsing in het belang van de dienst</al></li></lijst><al>Artikel 19:38 Plichtsverzuim</al><al>Lid 1</al><al>De vrijwilliger die zich aan plichtsverzuim schuldig maakt, kan disciplinair
                        worden gestraft. </al><al>Lid 2</al><al>Plichtsverzuim omvat zowel het overtreden van een voorschrift als het
                        overigens doen of nalaten van iets dat een goed vrijwilliger in gelijke
                        omstandigheden behoort na te laten of te doen.</al><al>Artikel 19:39 Disciplinaire straffen</al><al>De volgende disicplinaire straffen kunnen worden opgelegd: </al><lijst><li nr="a."><al> schriftelijke berisping;</al></li><li nr="b."><al> inhouding van een deel van de jaarvergoeding bedoeld in artikel
                                19:14;</al></li><li nr="c."><al> schorsing voor een bepaalde tijd, al dan niet met inhouding van de
                                vergoeding;</al></li><li nr="d."><al> ongevraagd ontslag.</al></li></lijst><al>Artikel 19:40 Schorsing in het belang van de dienst</al><al>De vrijwilliger kan voor een bepaalde tijd geschorst worden:</al><lijst><li nr="a."><al> wanneer hem de straf van disciplinair ontslag is opgelegd of hem
                                het voornemen daartoe kenbaar is gemaakt;</al></li><li nr="b."><al> wanneer tegen hem, op grond van het daartoe bepaalde in het <extref doc="1.0:v:BWBR0001903" struct="BWB">Wetboek van
                                    Strafvordering</extref>, een bevel tot inverzekeringstelling of
                                voorlopige hechtenis ten uitvoer wordt gelegd;</al></li><li nr="c."><al> wanneer tegen hem een strafrechtelijke vervolging is ingesteld
                                wegens misdrijf;</al></li><li nr="d."><al> in andere gevallen waarin het belang van de dienst dit noodzakelijk
                                maakt.</al></li></lijst><al>Paragraaf 9 Ontslag</al><lijst><li nr=""><al>Artikel 19:41 Ontslag op eigen verzoek</al></li><li nr=""><al>Artikel 19:42 Ongevraagd ontslag</al></li><li nr=""><al>Artikel 19:43 Einde tijdelijk dienstverband</al></li></lijst><al>Artikel 19:41 Ontslag op eigen verzoek</al><al>Lid 1</al><al>Het college verleent eervol ontslag aan de vrijwilliger die daarom
                        verzoekt.</al><al>Lid 2</al><al>Dit ontslag wordt verleend met ingang van een datum die ten minste een maand
                        en ten hoogste drie maanden ligt na de datum van ontvangst van het
                        verzoek.</al><al>Lid 3</al><al>Het college kan een beslissing op het verzoek om eervol ontslag aanhouden,
                        wanneer tegen de vrijwilliger een strafrechtelijke vervolging wegens
                        misdrijf loopt, of wanneer overwogen wordt de vrijwilliger disciplinair te
                        straffen. Beslissing op het ontslagverzoek vindt plaats zodra de uitspraak
                        van de rechter onherroepelijk geworden is, respectievelijk zodra besloten is
                        de vrijwilliger al dan niet disciplinair te straffen.</al><al>Artikel 19:42 Ongevraagd ontslag</al><al>Lid 1</al><al>Het college kan de vrijwilliger ongevraagd ontslag verlenen op grond
                        van:</al><lijst><li nr="a."><al>het eindigen van de noodzaak tot beschikbaarheidsstelling of wegens
                                verandering van de brandweerorganisatie; </al></li><li nr="b."><al> de omstandigheid dat hij door de aard of de plaats van zijn
                                dagelijkse werkzaamheden dan wel de ligging van zijn woning geacht
                                moet worden niet langer in staat te zijn taak bij de brandweer te
                                vervullen; </al></li><li nr="c."><al> onbekwaamheid of ongeschiktheid tot het verrichten van zijn
                                werkzaamheden op grond van ziekten of gebreken; </al></li><li nr="d."><al> onbekwaamheid of ongeschiktheid tot het verrichten van zijn
                                werkzaamheden anders dan op grond van ziekten of gebreken;</al></li><li nr="e."><al> onder curatelestelling;</al></li><li nr="f."><al> toepassing van lijfsdwang wegens schulden krachtens onherroepelijk
                                geworden rechterlijke uitspraak;</al></li><li nr="g."><al> onherroepelijk geworden veroordeling tot vrijheidsstraf wegens
                                misdrijf;</al></li><li nr="h."><al> een in het ontslagbesluit genoemde andere grond;</al></li></lijst><al>Lid 2</al><al>Het ongevraagd ontslag wordt eervol verleend, met uitzondering van het
                        ontslag op de grond genoemd in het eerste lid, onderdeel g van dit artikel. </al><al>Artikel 19:43 Einde tijdelijk dienstverband</al><al>Lid 1</al><al>De tijdelijke aanstelling eindigt van rechtswege op de laatste dag van de
                        periode waarvoor deze is aangegaan. Wordt het dienstverband nadien feitelijk
                        gehandhaafd zonder dat opnieuw een tijdelijke aanstelling is verleend, dan
                        is de vrijwilliger met ingang van de eerste dag na het verstrijken van
                        vorenbedoelde periode in vaste dienst.</al><al>Lid 2</al><al>De tijdelijke aanstelling kan tussentijds ongevraagd beëindigd worden op een
                        van de gronden genoemd in artikel 19:42.</al><al>Bijlagen</al><al>Vergoedingentabel vrijwilligers bij de gemeentelijke brandweer per 1 oktober
                        2014</al><table><tgroup cols="5"><colspec colname="col1" colwidth="32*"/><colspec colname="col2" colwidth="18*"/><colspec colname="col3" colwidth="15*"/><colspec colname="col4" colwidth="20*"/><colspec colname="col5" colwidth="16*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al><vet>jaarvergoeding</vet></al></entry><entry colname="col3"><al><vet>uurbedrag oefeningen en cursussen e.d.</vet></al></entry><entry colname="col4"><al><vet>uurbedrag voor brandbestrijding en
                                                hulpverlening</vet></al></entry><entry colname="col5"><al><vet>uurbedrag voor langdurige aanwezigheid</vet></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>1. aspirant manschap a</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>325,00</al></entry><entry colname="col3"><al>10,06</al></entry><entry colname="col4"><al>18,81</al></entry><entry colname="col5"><al>12,53</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>2. Manschap A, Chauffeur, Voertuigbediener,
                                                Gaspakdrager, Brandweerduiker, Verkenner gevaarlijke
                                                stoffen</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>325,00</al></entry><entry colname="col3"><al>11,56</al></entry><entry colname="col4"><al>21,73</al></entry><entry colname="col5"><al>14,48</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>3. Manschap B, duikploegleider, langer dan 5 jaar
                                                manschap A, manschap A en ten minste twee
                                                specialisaties uit categorie 2</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>325,00</al></entry><entry colname="col3"><al>12,82</al></entry><entry colname="col4"><al>24,04</al></entry><entry colname="col5"><al>16,03</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>4. bevelvoerder</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>488,00</al></entry><entry colname="col3"><al>16,06</al></entry><entry colname="col4"><al>30,19</al></entry><entry colname="col5"><al>20,13</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>5. officier van dienst</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>3848,00</al></entry><entry colname="col3"><al>0,00</al></entry><entry colname="col4"><al>38,48</al></entry><entry colname="col5"><al>0,00</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>6 hoofdofficier van dienst, adviseur gevaarlijke
                                                stoffen</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>5526,00</al></entry><entry colname="col3"><al>0,00</al></entry><entry colname="col4"><al>55,26</al></entry><entry colname="col5"><al>0,00</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>7.commandant van dienst</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>8220,00</al></entry><entry colname="col3"><al>0,00</al></entry><entry colname="col4"><al>61,66</al></entry><entry colname="col5"><al>0,00</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>Gebruteerde vergoedingentabel vrijwilligers bij de gemeentelijke brandweer
                        per 1 oktober 2014</al><table><tgroup cols="5"><colspec colname="col1" colwidth="32*"/><colspec colname="col2" colwidth="18*"/><colspec colname="col3" colwidth="15*"/><colspec colname="col4" colwidth="20*"/><colspec colname="col5" colwidth="16*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al><vet>jaarvergoeding</vet></al></entry><entry colname="col3"><al><vet>uurbedrag oefeningen en cursussen e.d.</vet></al></entry><entry colname="col4"><al><vet>uurbedrag voor brandbestrijding en
                                                hulpverlening</vet></al></entry><entry colname="col5"><al><vet>uurbedrag voor langdurige aanwezigheid</vet></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>1. Aspirant manschap A</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>329,00</al></entry><entry colname="col3"><al>10,20</al></entry><entry colname="col4"><al>19,13</al></entry><entry colname="col5"><al>12,74</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>2. Manschap A, Chauffeur, Voertuigbediener,
                                                Gaspakdrager, Brandweerduiker, Verkenner gevaarlijke
                                                stoffen</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>329,00</al></entry><entry colname="col3"><al>11,78</al></entry><entry colname="col4"><al>22,17</al></entry><entry colname="col5"><al>14,77</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>3. Manschap B, duikploegleider, langer dan 5 jaar
                                                manschap A, manschap A en ten minste twee
                                                specialisaties uit categorie 2</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>329,00</al></entry><entry colname="col3"><al>13,05</al></entry><entry colname="col4"><al>24,43</al></entry><entry colname="col5"><al>16,29</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>4. bevelvoerder</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>496,00</al></entry><entry colname="col3"><al>16,33</al></entry><entry colname="col4"><al>30,65</al></entry><entry colname="col5"><al>20,43</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>5. officier van dienst</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>3922,00</al></entry><entry colname="col3"><al>0,00</al></entry><entry colname="col4"><al>39,22</al></entry><entry colname="col5"><al>0,00</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>6 hoofdofficier van dienst, adviseur gevaarlijke
                                                stoffen</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>5625,00</al></entry><entry colname="col3"><al>0,00</al></entry><entry colname="col4"><al>56,25</al></entry><entry colname="col5"><al>0,00</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>7.commandant van dienst</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>8374,00</al></entry><entry colname="col3"><al>0,00</al></entry><entry colname="col4"><al>62,76</al></entry><entry colname="col5"><al>0,00</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al> In deze bijlage is de tabel opgenomen die uitsluitend geldt voor de zeer
                        beperkte categorie vrijwilligers bij de brandweer voor wie de vergoedingen
                        tot het inkomen in de zin van het Pensioenreglement worden gerekend. Het
                        gaat hierbij om personen die vóór 1 januari 1980 een aanstelling hadden als
                        vrijwilliger bij de gemeentelijke brandweer. Onder bepaalde voorwaarden
                        vielen zij onder de werking van de Algemene Burgerlijke Pensioenwet
                        (ABP-wet). Op 1 januari 1980 is de regeling op dit punt gewijzigd en zijn
                        vrijwilligers bij de gemeentelijke brandweer uitgesloten van het
                        ambtenaarschap in de zin van de ABP. Bij de wijziging in 1980 is een
                        overgangsmaatregel getroffen. Deze hield in dat vrijwilligers die op 31
                        december 1979 al ambtenaar waren, het ambtenaarschap behielden zolang zij in
                        dezelfde dienstverhouding werkzaam bleven. Op grond van deze
                        overgangsbepaling zijn er nu nog vrijwilligers bij de brandweer die
                        overheidswerknemer zijn en pensioen opbouwen bij het ABP. Degenen die na 1
                        januari 1980 zijn aangesteld, zijn per definitie geen ABP-deelnemer. Voor
                        hen is deze bijlage niet van belang, maar geldt bijlage 11.</al><al>19a Keuringen brandweerpersoneel</al><al>Artikel 19a:1 Algemeen</al><al>Lid 1</al><al>Dit hoofdstuk is van toepassing op de ambtenaar die bij de brandweer is
                        aangesteld, als beroeps of vrijwilliger, in de functie van bevelvoerder en
                        manschap A en B, zoals vermeld in het Besluit personeel veiligheidsregio’s. </al><al>Lid 2</al><al>Het college kan in aanvulling op het eerste lid andere functies bij de
                        brandweer aanwijzen waarop dit hoofdstuk van toepassing is. </al><al>Artikel 19a:2 Aanstellingskeuring</al><al>Lid 1</al><al>Aanstelling in een functie, bedoeld in artikel 19a:1, is alleen mogelijk als
                        na een geneeskundig onderzoek gericht op de te bekleden functie blijkt dat
                        tegen het bekleden van de functie uit medisch oogpunt geen bezwaren
                        bestaan.</al><al>Lid 2</al><al>Het geneeskundig onderzoek bestaat uit de onderdelen zoals opgenomen in de
                        aanstellingskeuring in bijlage VIIa van de CAR.</al><al>Lid 3</al><al>Het geneeskundig onderzoek wordt gedaan door geneeskundigen, die daartoe
                        door het college zijn aangewezen.</al><al>Lid 4</al><al>De kosten van het geneeskundig onderzoek komen ten laste van de gemeente. </al><al>Artikel 19a:3 Periodiek Preventief Medisch Onderzoek</al><al>Lid 1</al><al>Periodiek wordt de medische gezondheid van de ambtenaar, die is aangesteld
                        in een functie, bedoeld in artikel 19a:1, getoetst conform het Periodiek
                        Preventief Medisch Onderzoek (PPMO).</al><al>Lid 2</al><al>Het PPMO bestaat uit de onderdelen, zoals opgenomen in bijlage VIIb van de
                        CAR.</al><al>Lid 3</al><al>Het geneeskundig onderzoek geschiedt voor de ambtenaar gelijktijdig of
                        minimaal een half jaar na indienstreding.</al><al>Lid 4</al><al>Het geneeskundig onderzoek geschiedt voor de ambtenaar met een leeftijd
                        van:</al><lijst><li nr="a."><al>jonger dan veertig één keer in de vier jaar;</al></li><li nr="b."><al> tussen de veertig en vijftig één keer per twee jaar; </al></li><li nr="c."><al> ouder dan vijftig jaar eens per jaar. </al></li></lijst><al>Lid 5</al><al>Als het college daar aanleiding toe ziet kan in afwijking van de frequentie
                        zoals bedoeld in lid 4 een tussentijdse keuring worden afgenomen. </al><al>Lid 6</al><al>Als de uitkomst van het PPMO daar aanleiding toe geeft, kan het college de
                        medewerker tijdelijk en voor een vooraf bepaalde tijd van een aantal of het
                        totaal van zijn taken vrijstellen. Deze bepaalde tijd kan in bijzondere
                        gevallen, zolang de mate van ongeschiktheid zich voordoet, worden verlengd. </al><al>Lid 7</al><al>Bij geheel of gedeeltelijke vrijstelling van taken houdt de
                        beroepsmedewerker recht op zijn bezoldiging en de vrijwillige medewerker op
                        zijn vergoeding, met dien verstande dat het recht op toeslagen en
                        vergoedingen alleen geldt als de werkzaamheden van de medewerker recht
                        hierop geven. Bij geheel of gedeeltelijke vrijstelling wegens ziekte en
                        ongeschiktheid is hoofdstuk 7 onverkort van toepassing.</al><al>Lid 8</al><al>Het college kan de medewerker die is aangesteld als beroeps gedurende de
                        tijdelijke vrijstelling van taken andere werkzaamheden opleggen.</al><al>Artikel 19a:4 Fysieke test</al><al>Jaarlijks wordt de fysieke conditie van de ambtenaar, die is aangesteld in
                        een functie bedoeld in artikel 19a:1, getoetst.</al><al>19b Aanvullende rechtspositieregeling voor de ambtenaar in een instelling
                        voor kunsteducatie</al><al>Paragraaf 1 Algemene bepalingen</al><lijst><li nr=""><al>Artikel 19b:1 Werkingssfeer</al></li><li nr=""><al>Artikel 19b:2 Begripsbepaling</al></li><li nr=""><al>Artikel 19b:3 Functie-eisen</al></li><li nr=""><al>Artikel 19b:4 Functioneringsgesprek</al></li><li nr=""><al>Artikel 19b:5 Verdeling van werkzaamheden</al></li></lijst><al>Artikel 19b:1 Werkingssfeer</al><al>Dit hoofdstuk is van toepassing op ambtenaren werkzaam in de kunsteducatie
                        in de functie van:</al><lijst><li nr="a."><al>docent, bedoeld in bijlage IVa1;</al></li><li nr="b."><al>consulent, bedoeld in bijlage IVa1;</al></li><li nr="c."><al>balletbegeleider, bedoeld in bijlage IVa1.</al></li></lijst><al>Artikel 19b:2 Begripsbepaling</al><al>Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder instelling: een
                        onderdeel van de gemeente dat kunsteducatie aanbiedt of ondersteunt. </al><al>Artikel 19b:3 Functie-eisen</al><al>Lid 1</al><al>Een voorwaarde bij aanstelling is dat de ambtenaar werkzaam in de functie
                        van docent en consulent in het bezit is van een diploma van een
                        HBO-opleiding op zijn specifieke vakgebied. </al><al>Lid 2</al><al>In uitzonderlijke gevallen kan het college, na overleg erover met de OR,
                        afwijken van het eerste lid.</al><al>Artikel 19b:4 Functioneringsgesprek</al><al>Na elke periode van een jaar wordt met de ambtenaar een
                        functioneringsgesprek gehouden.</al><al>Artikel 19b:5 Verdeling van werkzaamheden</al><al>Lid 1</al><al>Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>lesgebonden uren: alle uren waarin direct en educatief contact is
                                met leerlingen;</al></li><li nr="b."><al>niet-lesgebonden uren: alle uren die niet te kwalificeren zijn als
                                lesgebonden uren;</al></li><li nr="c."><al>sjabloon: opsomming van werkzaamheden binnen lesgebonden en
                                niet-lesgebonden uren.</al></li></lijst><al>Lid 2</al><al>Niet-lesgebonden uren als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b zijn in te
                        delen in de volgende vier categorieën:</al><lijst><li nr="a."><al>het voorbereiden van lesgebonden uren;</al></li><li nr="b."><al>het in opdracht van de werkgever reizen tussen locaties van dezelfde
                                instelling;</al></li><li nr="c."><al>activiteiten voor opleiding en ontwikkeling, of andere activiteiten
                                die ertoe bijdragen de eigen vakbekwaamheid op peil te houden;</al></li><li nr="d."><al>algemene werkzaamheden in het belang van de instelling.</al></li></lijst><al>Lid 3</al><al>Het college stelt aan de hand van het sjabloon van bijlage IVa een regeling
                        vast waarin per discipline de verhouding lesgebonden versus niet-lesgebonden
                        uren staat. In de regeling kan per discipline een afwijking op deze
                        verhouding en de voorwaarden daarvoor worden opgenomen. Voor de vaststelling
                        van deze regeling is overeenstemming vereist tussen de werkgever en de OR. </al><al>Lid 4</al><al>Het college stelt aan de hand van de regeling, bedoeld in het derde lid,
                        voor iedere ambtenaar vast wat voor zijn functie de verhouding lesgebonden
                        versus niet-lesgebonden uren is. </al><al>Lid 5</al><al>Zolang voor de functie van de ambtenaar de verhouding, bedoeld in het vierde
                        lid, nog niet is vastgesteld, heeft de ambtenaar maximaal 65% van zijn
                        formele arbeidsduur aan lesgebonden uren en minimaal 35% van zijn formele
                        arbeidsduur aan niet-lesgebonden uren. </al><al>Paragraaf 2 Salariëring</al><lijst><li nr=""><al>Artikel 19b:6 Vaststelling salaris</al></li><li nr=""><al>Artikel 19b:7 Aanloopbedragen</al></li><li nr=""><al>Artikel 19b:8 Uitloopbedragen</al></li><li nr=""><al>Artikel 19b:9 Recht op toelage onregelmatige dienst</al></li></lijst><al>Artikel 19b:6 Vaststelling salaris</al><al>Lid 1</al><al>In plaats van bijlage II en IIa , bedoeld in artikel 3:1, derde lid, past
                        het college de salaristabel, genoemd in bijlage IV, toe bij het vaststellen
                        van het salaris van de ambtenaar.</al><al>Lid 2</al><al>Het functiewaarderingssysteem, bedoeld in de bezoldigingsregeling, bedoeld
                        in artikel 3:1, eerste lid, is niet van toepassing. De functie van </al><lijst><li nr="a."><al>balletbegeleider is gewaardeerd op schaal 5;</al></li><li nr="b."><al>docent is gewaardeerd op schaal 8;</al></li><li nr="c."><al>consulent is gewaardeerd op schaal 9.</al></li></lijst><al>Lid 3</al><al>Het college bepaalt met inachtneming van het tweede lid de invoering en de
                        waardering van junior- of seniorfuncties. Het college stelt hiervoor de
                        functiebeschrijving vast. </al><al>Artikel 19b:7 Aanloopbedragen</al><al>Lid 1</al><al>Als een ambtenaar in een functie wordt benoemd zonder dat hij reeds voldoet
                        aan alle daarvoor geldende eisen van ervaring, opleiding of vaardigheden,
                        kan zijn salaris worden vastgesteld in één van de aanloopbedragen van de bij
                        de functie behorende salarisschaal. De aanloopbedragen zijn opgenomen in de
                        salaristabel, genoemd in bijlage IV.</al><al>Lid 2</al><al>Het college stelt regels vast voor het gebruik van aanloopbedragen en voor
                        de bevordering naar een bij de functie behorende salarisschaal.</al><al>Artikel 19b:8 Uitloopbedragen</al><al>Lid 1</al><al>In de salaristabel, genoemd in bijlage IV, zijn uitloopbedragen opgenomen. </al><al>Lid 2</al><al>Een ambtenaar krijgt na twee achtereenvolgende jaren ingeschaald te zijn in
                        het maximum van de bij de functie behorende salarisschaal een periodieke
                        verhoging naar het eerste uitloopbedrag. Vervolgens vindt periodieke
                        verhoging iedere keer na twee jaar plaats. </al><al>Artikel 19b:9 Recht op toelage onregelmatige dienst</al><al>Lid 1</al><al>Artikel 3:3 is niet van toepassing. De ambtenaar heeft wel recht op een
                        toelage onregelmatige dienst over volle uren arbeid verricht op zondag.</al><al>Lid 2</al><al>De toelage onregelmatige dienst wordt uitgekeerd in de vorm van verlof en
                        bedraagt 25% van de uren.</al><al>Lid 3</al><al>Het verlof, bedoeld in het tweede lid, wordt op verzoek van de ambtenaar
                        verleend tenzij de belangen van de dienst zich daartegen verzetten en
                        toepassing wordt gegeven aan het bepaalde in artikel 6:2:4, eerste lid, of
                        aan artikel 6:2:6.</al><al>Lid 4</al><al>Indien zowel het college als de ambtenaar dat wensen, wordt de toelage, in
                        afwijking van het eerste lid, in geld verstrekt.</al><al>Paragraaf 3 Arbeidsduur en vakantie</al><lijst><li nr=""><al>Artikel 19b:10 Vakantie-uren</al></li><li nr=""><al>Artikel 19b:11 Verplicht vrije periodes</al></li><li nr=""><al>Artikel 19b:12 Vaststellen van het rooster</al></li><li nr=""><al>Artikel 19b:13 Overgangsrecht</al></li><li nr=""><al>Artikel 19b:14 Ontslagbescherming tijdens overgangstermijn</al></li><li nr=""><al>Artikel 19b:15 Samenloop zwangerschaps- en bevallingsverlof met een
                                verplicht vrije periode</al></li></lijst><al>Artikel 19b:10 Vakantie-uren</al><al>Lid 1</al><al>In afwijking van artikel 6:2 is de duur van de vakantie voor de ambtenaar
                        met een volledige betrekking 180 uur, indien </al><lijst><li nr="a."><al>met toepassing van artikel 19b:11 een deel van het jaar is
                                aangemerkt als verplicht vrije periode of </al></li><li nr="b."><al>de ambtenaar geen verlof kan opnemen door het toegewezen hebben
                                gekregen van lessen/cursussen</al></li></lijst><al>Bij een deeltijdbetrekking geldt de duur van de vakantie naar rato.</al><al>Lid 2</al><al>De vakantie-uren worden gelijkelijk over de verplicht vrije periodes en
                        eventueel de vrij opneembare vakantie verdeeld, met een maximum van 36 uur
                        per week. </al><al>Artikel 19b:11 Verplicht vrije periodes</al><al>Lid 1</al><al>Het college stelt per cursusjaar 12 weken vast, waarin de ambtenaar
                        verplicht vrij is.</al><al>Lid 2</al><al>De ambtenaar houdt zich op verzoek van het college gedurende maximaal een
                        week tijdens de verplicht vrije periode beschikbaar voor werkzaamheden.</al><al>Lid 3</al><al>Afwijkingen van het eerste lid zijn mogelijk indien de ondernemingsraad dan
                        wel de ambtenaar daarmee instemt.</al><al>Artikel 19b:12 Vaststellen van het rooster</al><al>Lid 1</al><al>In afwijking van artikel 4:4 lid 2, is op de ambtenaar <extref doc="1.0:v:BWBR0007671&amp;artikel=5.7" struct="BWB">artikel 5.7
                            van de Arbeidstijdenwet</extref> van toepassing.</al><al>Lid 2</al><al>In aanvulling op artikel 4:4 lid 3 verstrekt het college zo snel mogelijk
                        maar in ieder geval binnen twee maanden na ingang van een cursusjaar een
                        rooster van de in dat cursusjaar te werken uren. </al><al>Lid 3</al><al>Als substantiële wijzigingen optreden in het rooster, verstrekt het college
                        zo snel mogelijk, maar in ieder geval binnen een maand, een aangepast
                        rooster.</al><al>Artikel 19b:13 Overgangsrecht</al><al>Lid 1</al><al>Voor de ambtenaar met een volledige betrekking, die op 31 december 2008 een
                        kortere arbeidsduur heeft dan 1836 uur per jaar, wordt de arbeidsduur met
                        ingang van 1 januari 2009 met 72 uur per jaar verhoogd. Deze verhogingen
                        vinden plaats totdat voor de ambtenaar een arbeidsduur geldt van 1836 uur
                        per jaar. Voor een ambtenaar met een deeltijdbetrekking gelden deze
                        verhogingen naar rato.</al><al>Lid 2</al><al>Indien een ambtenaar na 1 januari 2009 wordt aangesteld, geldt voor deze
                        ambtenaar een arbeidsduur zoals die geldt voor de ambtenaren, die in dienst
                        zijn van de instelling.</al><al>Artikel 19b:14 Ontslagbescherming tijdens overgangstermijn</al><al>Tot 1 januari 2012 vindt geen ontslag plaats op grond van artikel 8:3 indien
                        en voor zover dit ontslag uitsluitend wordt veroorzaakt door verhoging van
                        het aantal te werken uren als bedoeld in artikel 19b:13.</al><al>Artikel 19b:15 Samenloop zwangerschaps- en bevallingsverlof met een
                        verplicht vrije periode</al><al>Lid 1</al><al>Bij samenloop van een verplichte vrije periode als bedoeld in artikel
                        19b:11, eerste lid, met zwangerschaps- en bevallingsverlof heeft de
                        ambtenaar met een volledige betrekking recht op compensatie van het
                        vakantieverlof tot 144 uur vakantieverlof per jaar. </al><al>Lid 2</al><al>Een ambtenaar met een deeltijd betrekking heeft naar rato recht op
                        compensatie van het vakantieverlof tot 144 uur vakantieverlof per jaar. </al><al>Lid 3</al><al>Vakantie voor de gecompenseerde vakantie-uren wordt op verzoek van de
                        ambtenaar verleend tenzij de belangen van de dienst zich daartegen verzetten
                        en toepassing wordt gegeven aan het bepaalde in artikel 6:2:4, eerste lid,
                        of aan artikel 6:2:6. </al><al>Paragraaf 4 Ontslag en uitkeringen</al><lijst><li nr=""><al>Artikel 19b:16 Overtolligheid</al></li><li nr=""><al>Artikel 19b:17 Reorganisatieontslag en ontslagvolgorde</al></li><li nr=""><al>Artikel 19b:18 Reorganisatieontslag voor minder dan 5 uur of, bij
                                een formele arbeidsduur van minder dan 10 uur, voor minder dan de
                                helft van de formele arbeidsduur</al></li><li nr=""><al>Artikel 19b:19 Garantie-uitkering KV</al></li></lijst><al>Artikel 19b:16 Overtolligheid</al><al>Uiterlijk in de tiende week van elk cursusjaar bekijkt het college of het
                        totaal aantal uren werk voor ambtenaren met dezelfde functie overeenkomt met
                        de totale aanstellingsomvang van deze ambtenaren.</al><al>Artikel 19b:17 Reorganisatieontslag en ontslagvolgorde</al><al>Lid 1</al><al>Bij ontslag op grond van artikel 8:3 wordt, zolang het plan, bedoeld in
                        artikel 8:3, derde lid, nog niet bestaat, de volgende ontslagvolgorde
                        gehanteerd:</al><lijst><li nr="a."><al>(deeltijd)ontslag verlenen aan ambtenaren die daarvoor in aanmerking
                                wensen te komen;</al></li><li nr="b."><al>aanstellingen voor bepaalde tijd niet te verlengen;</al></li><li nr="c."><al>(deeltijd)ontslag verlenen aan ambtenaren na toepassing van het
                                afspiegelingsbeginsel in combinatie met anciënniteitsbeginsel.</al></li></lijst><al>Lid 2</al><al>Bij toepassing van het afspiegelingsbeginsel, genoemd in het eerste lid,
                        onderdeel c, wordt binnen categorieën van ambtenaren met dezelfde functies
                        uitgegaan van de volgende drie leeftijdsgroepen: </al><lijst><li nr="§"><al>van 15 tot 30 jaar;</al></li><li nr="§"><al>van 30 tot 45 jaar; en</al></li><li nr="§"><al>van 45 jaar en ouder.</al></li></lijst><al>Lid 3</al><al>Het college kan in uitzonderlijke gevallen afwijken van de ontslagvolgorde,
                        genoemd in het tweede lid.</al><al>Artikel 19b:18 Reorganisatieontslag voor minder dan 5 uur of, bij een
                        formele arbeidsduur van minder dan 10 uur, voor minder dan de helft van de
                        formele arbeidsduur</al><al>Lid 1</al><al>Dit artikel is van toepassing op de ambtenaar die voor minder dan 5 uur of,
                        bij een formele arbeidsduur van minder dan 10 uur, voor minder dan de helft
                        van zijn formele arbeidsduur wordt ontslagen.</al><al>Lid 2</al><al>Voor de ambtenaar geldt de ontslagvolgorde uit het plan, bedoeld in artikel
                        8:3, derde lid.</al><al>Lid 3</al><al>Zolang het plan, bedoeld in artikel 8:3, derde lid, nog niet bestaat, is
                        artikel 19b:17 van overeenkomstige toepassing.</al><al>Lid 4</al><al>Op de ambtenaar is hoofdstuk 10d niet van toepassing. Ontslag op grond van
                        artikel 8:3 vindt slechts plaats indien het na een zorgvuldig onderzoek niet
                        mogelijk is gebleken om de ambtenaar binnen de openbare dienst van de
                        gemeente andere mede in verband met zijn persoonlijkheid en omstandigheden
                        voor hem passende werkzaamheden op te dragen, dan wel indien deze zodanige
                        werkzaamheden weigert te aanvaarden.</al><al>Lid 5</al><al>Bij ontslag op grond van artikel 8:3 wordt een opzegtermijn van drie maanden
                        in acht genomen. </al><al>Artikel 19b:19 Garantie-uitkering KV</al><al>Lid 1</al><al>Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder</al><lijst><li nr="§"><al>de ambtenaar: de ambtenaar die voor minder dan 5 uur of, bij een
                                formele arbeidsduur van minder dan 10 uur, voor minder dan de helft
                                van zijn formele arbeidsduur wordt ontslagen</al></li><li nr="§"><al>minimumuurloon: het naar een uur herleid minimumloon als bedoeld in
                                de <extref doc="1.0:v:BWBR0008222" struct="BWB">Wet
                                    minimumloon en minimumvakantiebijslag</extref>.</al></li></lijst><al>Lid 2</al><al>De garantie-uitkering KV is de uitkering aan de ambtenaar die:</al><lijst><li nr="a."><al>gedeeltelijk werkloos is als gevolg van een ontslag op grond van
                                artikel 8:3;</al></li><li nr="b."><al>in de 39 weken onmiddellijk voorafgaand aan het ontslag in tenminste
                                26 weken als werknemer als bedoeld in <extref doc="1.0:v:BWBR0004045&amp;artikel=3" struct="BWB">artikel
                                    3 van de Werkloosheidswet</extref> werkzaam is geweest;</al></li><li nr="c."><al>aantoont dat hij in de periode van vijf jaren onmiddellijk
                                voorafgaand aan het jaar waarin zijn eerste werkloosheidsdag is
                                gelegen, in tenminste vier jaren over 52 of meer dagen per jaar loon
                                heeft ontvangen;</al></li><li nr="d."><al>ter zake van het arbeidsurenverlies geen WW-recht heeft.</al></li></lijst><al>Lid 3</al><al>De duur van de garantie-uitkering KV is afhankelijk van de lengte van het
                        dienstverband bij de instelling. Bij een dienstverband van:</al><lijst><li nr="a."><al>een tot twee jaar is de duur van de uitkering 6 maanden;</al></li><li nr="b."><al>twee tot drie jaar is de duur van de uitkering 12 maanden;</al></li><li nr="c."><al>drie tot vier jaar is de duur van de uitkering 18 maanden;</al></li><li nr="d."><al>ten minste vier jaar is de duur van de uitkering 24 maanden.</al></li></lijst><al>Lid 4</al><al>De garantie-uitkering KV bedraagt:</al><lijst><li nr="a."><al>gedurende de eerste twaalf maanden 70% van het uurloon op de dag
                                voorafgaand aan het ontslag, vermenigvuldigd met het aantal verloren
                                arbeidsuren, en</al></li><li nr="b."><al>vervolgens 70% van het minimumuurloon, vermenigvuldigd met het
                                aantal verloren arbeidsuren.</al></li></lijst><al>Lid 5</al><al>In afwijking van het tweede tot en met het vierde lid heeft de ambtenaar die
                        niet voldoet aan de voorwaarde in het tweede lid onder c, maar wel aan de
                        overige voorwaarden in het tweede lid, recht op een garantie-uitkering KV
                        gedurende 6 maanden. Deze uitkering bedraagt 70% van het minimumuurloon
                        vermenigvuldigd met het aantal verloren arbeidsuren.</al><al>Lid 6</al><al>De ambtenaar aan wie een garantie-uitkering KV is toegekend, is verplicht
                        zich in te schrijven als werkzoekende bij het CWI en zich beschikbaar te
                        stellen voor het aannemen van passende werkzaamheden. Daarnaast dient hij
                        alle informatie te verstrekken die voor de uitvoering van deze regeling
                        noodzakelijk is. Bij het niet nakomen van deze verplichtingen kan het
                        college besluiten de garantie-uitkering (gedeeltelijk) te beëindigen.</al><al>Lid 7</al><al>Indien de ambtenaar aan wie een garantie-uitkering KV is toegekend, na zijn
                        ontslag nieuwe werkzaamheden ter hand neemt, wordt de garantie-uitkering KV
                        beëindigd met het aantal uren dat de nieuwe werkzaamheden omvat.</al><al>Lid 8</al><al>Indien het recht op een garantie-uitkering KV op grond van het zevende lid
                        geheel of gedeeltelijk is beëindigd, en vervolgens de werkzaamheden die tot
                        dat eindigen hebben geleid, hebben opgehouden te bestaan, herleeft het recht
                        op de garantie-uitkering KV voor zover er geen nieuwe rechten op enige
                        uitkering uit hoofde van het ontslag uit deze werkzaamheden zijn
                        ontstaan.</al><al>Lid 9</al><al>Het recht op de garantie-uitkering KV eindigt volledig:</al><lijst><li nr="a."><al>als de ambtenaar ter zake van het arbeidsurenverlies, dat tot het
                                toekennen van een garantie-uitkering heeft geleid, een andere
                                uitkering kan krijgen;</al></li><li nr="b."><al>met ingang van de eerste dag van de maand volgende op die waarin de
                                ambtenaar volledig gebruik maakt van het ABP Keuzepensioen;</al></li><li nr="c."><al>op de dag na het overlijden van de ambtenaar;</al></li><li nr="d."><al>met ingang van de dag waarop de ambtenaar recht krijgt op een WAO-
                                of WIA-uitkering, berekend naar een arbeidsongeschiktheid van 80% of
                                meer.</al></li></lijst><al>20 Vergoeding piketdiensten beroepsbrandweer</al><al>Artikel 20:1:1 Vergoeding piketdienst beroepsbrandweer</al><al>De ambtenaar, op wie de verplichting rust zich buiten de voor hem geldende
                        werktijden ter beschikking te houden ten behoeve van de brandweerdienst,
                        heeft aanspraak op een vergoeding.</al><al>Artikel 20:1:2 Vergoeding piketdienst beroepsbrandweer</al><al>Deze vergoeding bestaat uit verlof, dat door de commandant wordt verleend zo
                        spoedig mogelijk in de regel binnen zes kalenderweken na het tijdvak waarin
                        de ambtenaar zich ter beschikking moest houden. Het verlof bedraagt 16% van
                        het aantal uren, waarin hij zich ter beschikking moest houden, voor zover
                        deze vielen op zondag, nieuwjaarsdag, tweede Paasdag, Hemelvaartsdag, tweede
                        Pinksterdag, de beide Kerstdagen, de dag waarop de verjaardag van de
                        koningin wordt gevierd en iedere andere dag, die daarboven door het college
                        wordt aangewezen en 10% van het aantal uren waarin hij zich ter beschikking
                        moest houden, indien deze uren vielen op andere dagen.</al><al>Artikel 20:1:3 Vergoeding piketdienst beroepsbrandweer</al><al>Indien naar het oordeel van de commandant het dienstbelang zich verzet tegen
                        het toekennen van verlof, wordt een vergoeding in geld gegeven. De
                        vergoeding bedraagt 16% van het 1/156 gedeelte van het salaris per maand
                        voor elk uur, waarin de ambtenaar zich ter beschikking moet houden, voor
                        zover deze uren vielen op zondag, nieuwjaarsdag, tweede Paasdag,
                        Hemelvaartsdag, tweede Pinksterdag, de beide Kerstdagen, de dag waarop de
                        verjaardag van de koningin wordt gevierd en iedere andere dag die daarboven
                        door het college wordt aangewezen en 10% van dat salarisgedeelte voor elk
                        uur, waarin hij zich ter beschikking moest houden, indien deze uren vielen
                        op andere dagen. De uitbetaling heeft zo spoedig mogelijk plaats.</al><al>21 De rechtspositionele erkenning van alternatieve samenlevingsvormen</al><al>Artikel 21:1:1 Begripsomschrijving</al><al>Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt onder levenspartner verstaan: een
                        persoon met wie de niet-gehuwde ambtenaar samenwoont en met het oogmerk
                        duurzaam samen te leven een gemeenschappelijke huishouding voert, hetgeen
                        blijkt uit een schriftelijke verklaring, ingericht volgens door het college
                        nader te stellen regels. Tegelijkertijd kan slechts één persoon als
                        levenspartner worden aangemerkt.</al><al>Artikel 21:1:2 Gelijkstelling levenspartner met echtgenoot</al><al>De bepalingen die gelden voor de gehuwde ambtenaar, zijn op overeenkomstige
                        wijze van toepassing op de ambtenaar met een levenspartner. Waar in deze
                        bepalingen staat "echtgenoot" moet tevens worden gelezen
                        "levenspartner".</al><al>Artikel 21:1:3 Vervallen</al><al>(Vervallen)</al><al>Artikel 21:1:4 Gelijkstelling levenspartner met echtgenoot</al><al>In gevallen waarin dit hoofdstuk niet of niet naar redelijkheid voorziet,
                        treft het college een passende voorziening.</al><al>22 Overgangs- en slotbepaling UWO</al><al>Artikel 22:1:1 Overgangs- en slotbepaling UWO</al><al>Lid 1</al><al>Deze regeling treedt uiterlijk in werking op 1 januari 1998.</al><al>Lid 2</al><al>Met ingang van de datum waarop deze regeling in werking treedt, dan wel
                        gedeelten daarvan in werking treden, vervallen de bepalingen van het
                        geldende algemeen ambtenarenreglement dan wel van die verordeningen, die
                        tekstueel dan wel materieel gelijkluidend zijn aan de bepalingen van deze
                        regeling.</al><al>Lid 3</al><al>Indien de inwerkingtreding van deze regeling ertoe leidt dat bepalingen uit
                        het geldende algemeen ambtenarenreglement dan wel uit verordeningen
                        vervallen, waardoor aanspraken van individuele ambtenaren in neerwaartse of
                        opwaartse zin worden bijgesteld, vindt overleg plaats over de gevolgen
                        daarvan.</al><al>Inwerkingtreding</al><al>Lid 1</al><al>Deze regeling kan worden aangehaald als “Arbeidsvoorwaardenregeling gemeente
                        Goeree-Overflakkee versie 1-10-2014”.</al><al>Lid 2</al><al>Deze regeling treedt in werking op 15 januari 2015 en werkt terug tot en met
                        1 oktober 2014. De voorgaande arbeidsvoorwaadenregelingen gemeente
                        Goeree-Overflakkee worden ingetrokken.</al></tekst></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld in de vergadering van ,</ondertekening><ondertekening>Burgemeester en wethouders van Goeree-Overflakkee,</ondertekening><ondertekening>secretaris, locoburgemeester,</ondertekening><ondertekening>drs. B. Marinussen F.J. Tollenaar</ondertekening><ondertekening/></regeling-sluiting></regeling></body></cvdr>