<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR373199_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Erfgoedverordening gemeente Steenbergen 2015</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Steenbergen</dcterms:creator><dcterms:modified>2015-07-22</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Steenbergen</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="https://zoek.officielebekendmakingen.nl/zoeken/resultaat/?zkt=Uitgebreid&amp;pst=Gemeenteblad&amp;dpr=Alle&amp;spd=20151021&amp;epd=20151021&amp;sdt=DatumPublicatie&amp;org=Steenbergen&amp;orgt=gemeente&amp;planId=&amp;pnr=1&amp;rpp=10">Gemeenteblad</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Erfgoedverordening gemeente Steenbergen 2015</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0005416&amp;artikel=147">Gemeentewet art 147</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0005416&amp;artikel=149">Gemeentewet art 149</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0004471&amp;artikel=12">Monumentenwet 1988 art 12</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0004471&amp;artikel=15">Monumentenwet 1988 art 15</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0004471&amp;artikel=38">Monumentenwet 1988 art 38</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0024779&amp;artikel=2.1">Wet algemene bepalingen omgevingsrecht art 2.1</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0024779&amp;artikel=2.2">Wet algemene bepalingen omgevingsrecht art 2.2</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>volkshuisvesting en woningbouw</dcterms:subject><dcterms:issued>2015-09-24</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2015-11-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2024-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>BM1501324</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Erfgoedverordening gemeente Steenbergen 2015</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente Steenbergen;</al><al/><al>gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 21 juli 2015;</al><al/><al>gelet op: artikel 147 en 149 van de Gemeentewet, de artikelen 12, 15 en 38
                        van de Monumentenwet 1988 en de artikelen 2.1 en 2.2 van de Wet algemene
                        bepalingen omgevingsrecht;</al><al/><al>besluit;</al><al/><lijst><li nr="1."><al>Vast te stellen de volgende verordening: Erfgoedverordening gemeente
                                Steenbergen 2015.</al></li><li nr="2."><al>De Monumentenverordening Gemeente Steenbergen 2006 in te trekken per
                                1 november 2015.</al></li></lijst></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1</nr><titel>Algemeen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al/><al>Deze verordening verstaat onder:</al><al/><lijst><li nr="a."><al>rijksmonument: monument of archeologisch monument dat is
                                    ingeschreven in het</al></li><li nr="b."><al>rijksmonumentenregister;</al></li><li nr=""><al>gemeentelijk monument: een overeenkomstig deze verordening als
                                    beschermd gemeentelijk monument aangewezen: </al><lijst><li nr="1."><al>Zaak, die van algemeen belang is wegens zijn schoonheid,
                                            betekenis voor de wetenschap of cultuurhistorische
                                            waarde;</al></li><li nr="2."><al>Terrein dat van algemeen belang is wegens een daar
                                            aanwezige zaak bedoeld onder 1;</al></li></lijst></li><li nr="c."><al>gemeentelijke monumentenlijst: de lijst waarop zijn
                                    geregistreerd de overeenkomstig deze verordening als
                                    gemeentelijk monument aangewezen zaken of terreinen bedoeld in
                                    onderdeel a;</al></li><li nr="d."><al>beschermd monument: beschermd monument als bedoeld in artikel
                                    1.1, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen
                                    omgevingsrecht;</al></li><li nr="e."><al>commissie ruimtelijke kwaliteit: de commissie als bedoeld in de
                                    Verordening regelende de samenstelling en taak van de commissie
                                    ruimtelijke kwaliteit gemeente Steenbergen 2015 en die op basis
                                    van art.15 Monumentenwet 1988 is ingesteld met als taak het
                                    college op verzoek of uit eigen beweging te adviseren over de
                                    toepassing van de Monumentenwet 1988, de Wet algemene bepalingen
                                    omgevingsrecht, de erfgoedverordening en het
                                    monumentenbeleid;</al></li><li nr="f."><al>gemeentelijke archeologische waardenkaart: topografische kaart
                                    van het gemeentelijke grondgebied of delen van het grondgebied,
                                    waarop archeologische monumenten en archeologische
                                    verwachtingsgebieden zijn aangegeven;</al></li><li nr="g."><al>landelijke Indicatieve Kaart van Archeologische Waarden:
                                    landelijke kaart met een schaal van 1:50.000, die op basis van
                                    geomorfologische gegevens, de kans weergeeft op de aanwezigheid
                                    van archeologische vindplaatsen, waarbij onderscheid wordt
                                    gemaakt in hoge, middelhoge, lage en zeer lage trefkans;</al></li><li nr="h."><al>provinciale Archeologische Monumentenkaart: topografische kaart
                                    van (delen van) het provinciale grondgebied, waarop
                                    archeologische monumenten en archeologische gebieden zijn
                                    aangegeven;</al></li><li nr="i."><al>archeologisch verwachtingsgebied: gebied, aangegeven op de
                                    archeologische waardenkaart, waarvan is aangegeven dat in
                                    bepaalde mate archeologische vondsten of sporen te verwachten
                                    zijn;</al></li><li nr="j."><al>hoge verwachtingswaarde: grote kans op archeologische vondsten
                                    of informatie;</al></li><li nr="k."><al>middelhoge verwachtingswaarde: gemiddelde kans op archeologische
                                    vondsten of informatie;</al></li><li nr="l."><al>lage verwachtingswaarde: kleine kans op archeologische vondsten
                                    of informatie;</al></li><li nr="m."><al>plan van aanpak: plan dat weergeeft hoe een archeologische
                                    uitvoerder de vragen zoals omschreven in het programma van eisen
                                    denkt te gaan beantwoorden;</al></li><li nr="n."><al>programma van eisen: programma dat door het college wordt
                                    vastgesteld en waarmee kaders worden gesteld voor het ontwerp en
                                    de uitvoering van archeologisch onderzoek;</al></li><li nr="o."><al>gemeentelijke beleidsadvieskaart: kaart behorende bij de
                                    archeologische paragraaf van het bestemmingsplan;</al></li><li nr="p."><al>bevoegd gezag: bestuursorgaan als bedoeld in artikel 1.1 van de
                                    Wet algemene bepalingen omgevingsrecht;</al></li><li nr="q."><al>het college: het college van burgemeester en wethouders van de
                                    gemeente Steenbergen;</al></li><li nr="r."><al>bouwhistorisch onderzoek: rapportage waarin de bouw- en
                                    gebruiksgeschiedenis van een bouwwerk of structuur wordt
                                    vastgesteld, dat naar oordeel van Burgemeester en Wethouders
                                    voldoet aan de ‘Richtlijn bouwhistorisch onderzoek’ uitgave
                                    Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed;</al></li><li nr="s."><al>vergunning: een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1,
                                    eerste lid, of 2.2 van de Wet algemene bepalingen
                                    omgevingsrecht;</al></li><li nr="t."><al>Wabo: Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.</al></li></lijst><al/></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2.</nr><titel>Aanwijzing gemeentelijke monumenten</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Het gebruik van het monument</titel></kop><al>Bij de toepassing van deze verordening wordt rekening gehouden met het
                            gebruik van het monument.</al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>De aanwijzing tot gemeentelijk monument</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college kan, al dan niet op aanvraag van een belanghebbende,
                                    een monument aanwijzen als gemeentelijk monument.</al></li><li nr="2."><al>Voordat het college over de aanwijzing een besluit neemt, vraagt
                                    het college advies aan de commissie ruimtelijke kwaliteit.</al></li><li nr="3."><al>Voordat het college een monument met een religieuze bestemming
                                    dat uitsluitend of in overwegend deel wordt gebruikt voor de
                                    uitoefening van de eredienst, als gemeentelijk monument
                                    aanwijst, voert hij overleg met de eigenaar.</al></li><li nr="4."><al>De aanwijzing kan geen monument betreffen dat is aangewezen op
                                    grond van artikel 3 van de Monumentenwet 1988 of dat is
                                    aangewezen op grond van de monumentenverordening van de
                                    provincie Noord-Brabant.</al></li></lijst><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Voorbescherming</titel></kop><al>Met ingang van de datum waarop de eigenaar van een monument de
                            kennisgeving van het voornemen tot aanwijzing als gemeentelijk monument
                            ontvangt tot het moment dat de aanwijzing en registratie als bedoeld in
                            artikel 7 plaatsvindt, dan wel vaststaat dat het monument niet wordt
                            geregistreerd, zijn de artikelen 10 tot en met 15 van overeenkomstige
                            toepassing.</al><al/><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Termijnen advies en aanwijzingsbesluit</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De commissie ruimtelijke kwaliteit adviseert schriftelijk binnen
                                    acht weken na ontvangst van het verzoek van het college.</al></li><li nr="2."><al>Het college beslist binnen twaalf weken na ontvangst van het
                                    advies van de commissie ruimtelijke kwaliteit, maar in ieder
                                    geval binnen 26 weken na de adviesaanvraag.</al></li></lijst><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Mededeling aanwijzingsbesluit</titel></kop><al>De aanwijzing als bedoeld in artikel 3, eerste lid, wordt medegedeeld
                            aan degenen die als zakelijk gerechtigden in de kadastrale legger bekend
                            staan.</al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel>Registratie op de gemeentelijke monumentenlijst</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college registreert het gemeentelijke monument op de
                                    gemeentelijke monumentenlijst.</al></li><li nr="2."><al>De gemeentelijke monumentenlijst bevat de plaatselijke
                                    aanduiding, de datum van de aanwijzing, de kadastrale aanduiding
                                    en een beschrijving van het gemeentelijke monument.</al></li></lijst><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.</nr><titel>Wijzigen van de aanwijzing</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college kan al dan niet op aanvraag van een belanghebbende
                                    de aanwijzing wijzigen.</al></li><li nr="2."><al>Artikel 3, tweede en derde lid, alsmede artikel 4, 5 en 6 zijn
                                    van overeenkomstige toepassing op het wijzigingsbesluit.</al></li><li nr="3."><al>Indien de wijziging naar het oordeel van het college van
                                    ondergeschikte betekenis is, blijft overeenkomstige toepassing,
                                    als bedoeld in lid 2, achterwege.</al></li><li nr="4."><al>De inhoud en de datum van de wijziging worden op de
                                    gemeentelijke monumentenlijst aangetekend.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.</nr><titel>Intrekken van de aanwijzing</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Indien het college de aanwijzing intrekt, zijn artikel 3, tweede
                                    lid, en artikel 5 van overeenkomstige toepassing.</al></li><li nr="2."><al>De aanwijzing wordt geacht ingetrokken te zijn, indien
                                    toepassing wordt gegeven aan artikel 3 van de Monumentenwet 1988
                                    of aan dienovereenkomstig artikel van de monumentenverordening
                                    van de provincie Noord-Brabant.</al></li><li nr="3."><al>De intrekking wordt op de gemeentelijke monumentenlijst
                                    geregistreerd.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3.</nr><titel>Instandhouding van gemeentelijke monumentale zaken</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.</nr><titel>Instandhoudingbepaling</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden een gemeentelijk monument, als bedoeld in
                                        artikel 1, onder b, sub 1, te beschadigen of te
                                        vernielen.</al></li><li nr="2."><al>Het is verboden zonder vergunning van het bevoegd gezag: </al><lijst><li nr="a."><al>een gemeentelijk monument, als bedoeld in artikel 1,
                                                onder b, sub 1, af te breken, te verstoren, te
                                                verplaatsen of in enig opzicht te wijzigen;</al></li><li nr="b."><al>een gemeentelijk monument, als bedoeld in artikel 1,
                                                onder b, sub 1, te herstellen, te gebruiken of te
                                                laten gebruiken op een dusdanige wijze, dat het
                                                wordt ontsierd of in gevaar gebracht.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al> Een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in
                                        het tweede lid is niet vereist indien deze activiteit
                                        betrekking heeft op:</al><lijst><li nr="a."><al> gewoon onderhoud, voor zover detaillering,
                                                profilering, vormgeving, materiaalsoort en kleur
                                                niet wijzigen en bij een tuin, park of andere
                                                aanleg, de aanleg niet wijzigt, of;</al></li><li nr="b."><al> een activiteit die uitsluitend leidt tot inpandige
                                                veranderingen van een onderdeel van een gemeentelijk
                                                monument dat uit oogpunt van de monumentenzorg geen
                                                waarde heeft.</al></li></lijst></li><li nr="4."><al>Het verbod en de vergunningplicht, als bedoeld in het tweede
                                        lid, gelden niet indien het college nadere regels stelt met
                                        betrekking tot de wijze waarop werkzaamheden dienen te
                                        worden uitgevoerd.</al></li><li nr="5."><al>Het bevoegd gezag verleent, met betrekking tot een monument
                                        met een religieuze bestemming, geen vergunning als bedoeld
                                        in het tweede lid, dan in overeenstemming met de eigenaar
                                        indien en voor zover het een vergunning betreft, waarbij
                                        wezenlijke belangen van de godsdienstuitoefening in het
                                        monument in het geding zijn.</al></li></lijst><al/><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11.</nr><titel>De schriftelijke aanvraag</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Een aanvraag als bedoeld in artikel 4.2. Besluit
                                        omgevingsrecht voor een vergunning als bedoeld in artikel 10
                                        en de daarbij te overleggen gegevens en bescheiden worden in
                                        drievoud ingediend.</al></li><li nr="2."><al>Voor zover het voor een goede besluitvorming van belang is,
                                        kan het college de aanvrager verzoeken om een bouwhistorisch
                                        onderzoek van het object te overleggen.</al></li></lijst><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.</nr><titel>Termijnen advies</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het bevoegd gezag zendt onmiddellijk een afschrift van de
                                        ontvankelijke aanvraag om vergunning voor een gemeentelijk
                                        monument aan de commissie ruimtelijke kwaliteit voor
                                        advies.</al></li><li nr="2."><al>Binnen twee weken na de datum van verzending van het
                                        afschrift brengt de commissie ruimtelijke kwaliteit
                                        schriftelijk advies uit aan het college.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13.</nr><titel>Weigeringsgronden en het stellen van voorschriften</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De vergunning kan slechts worden verleend indien het belang
                                        van de monumentenzorg zich daartegen niet verzet. Bij de
                                        beslissing houdt het bevoegd gezag rekening met het gebruik
                                        van het monument.</al></li><li nr="2."><al>Het bevoegd gezag kan aan een vergunning voorschriften
                                        verbinden in het belang van de monumentenzorg.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14.</nr><titel>Intrekken van de vergunning</titel></kop><al>De vergunning kan door het bevoegd gezag worden ingetrokken
                                indien:</al><lijst><li nr="1."><al>blijkt dat de vergunning ten gevolge van een onjuiste of
                                        onvolledige opgave is verleend;</al></li><li nr="2."><al>de omstandigheden aan de kant van de vergunninghouder zich
                                        zodanig hebben gewijzigd, dat het belang van het monument
                                        zwaarder dient te wegen;</al></li><li nr="3."><al>blijkt dat de vergunninghouder de vergunningvoorwaarden als
                                        bedoeld in artikel 13 niet naleeft.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15.</nr><titel>Advies inzake bezwaar</titel></kop><al>Indien door het Bevoegd gezag wordt gevraagd, brengt de commissie
                                ruimtelijke kwaliteit binnen twee weken haar advies uit over de naar
                                voren gebrachte bezwaren tegen een besluit op een aanvraag om
                                omgevingsvergunning, voor zover de bezwaren betrekking hebben op het
                                belang van de Monumentenzorg.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4.</nr><titel>Beschermde monumenten, Rijksmonumenten</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16,</nr><titel>De schriftelijke aanvraag</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Een aanvraag als bedoeld in artikel 4.2. Besluit omgevingsrecht
                                    voor een vergunning als bedoeld in artikel 10 en de daarbij te
                                    overleggen gegevens en bescheiden worden in drievoud
                                    ingediend.</al></li><li nr="2."><al>Voor zover het voor een goede besluitvorming van belang is, kan
                                    het college de aanvrager verzoeken om een bouwhistorisch
                                    onderzoek van het object te overleggen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17,</nr><titel>Termijnen advies</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het bevoegd gezag zendt onmiddellijk een afschrift van de
                                    ontvankelijke aanvraag om vergunning voor een gemeentelijk
                                    monument aan de commissie ruimtelijke kwaliteit voor
                                    advies.</al></li><li nr="2."><al>Binnen twee weken na de datum van verzending van het afschrift
                                    brengt de commissie ruimtelijke kwaliteit schriftelijk advies
                                    uit aan het college.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18,</nr><titel>stellen van voorschriften</titel></kop><al>Het bevoegd gezag kan aan een vergunning voorschriften verbinden in het
                            belang van de monumentenzorg.</al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19.</nr><titel>Advies inzake bezwaar</titel></kop><al>Artikel 19. Advies inzake bezwaar </al><al>Indien door het Bevoegd gezag wordt gevraagd, brengt de commissie
                            ruimtelijke kwaliteit binnen twee weken haar advies uit over de naar
                            voren gebrachte bezwaren tegen een besluit op een aanvraag om
                            omgevingsvergunning, voor zover de bezwaren betrekking hebben op het
                            belang van de Monumentenzorg.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>5.</nr><titel>Instandhouding van archeologische terreinen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>20.</nr><titel>Instandhoudingbepaling</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden om in een archeologisch monument, bedoeld in
                                    artikel 1, onder b, sub 2 of een archeologisch
                                    verwachtingsgebied, bedoeld in artikel 1, onder i, de bodem
                                    dieper dan 50 cm. onder de oppervlakte te verstoren.</al></li><li nr="2."><al>Het verbod in lid 1 is niet van toepassing indien:</al><lijst><li nr="a."><al>het een verstoring betreft van een archeologisch
                                            monument of archeologisch verwachtingsgebied als
                                            aangegeven op de provinciale Archeologische
                                            Monumentenkaart of de landelijke Indicatieve Kaart van
                                            Archeologische Waarden, en waarbij die verstoring
                                            plaatsvindt: </al><lijst><li nr="°."><al>in een gebied met lage archeologische
                                                  verwachtingswaarde en het te verstoren gebied
                                                  kleiner is dan 1 Ha, of;</al></li><li nr="°."><al>in een gebied met een middelhoge archeologische
                                                  verwachtingswaarde en het te verstoren gebied
                                                  kleiner is dan 250 m2, of;</al></li><li nr=".°"><al>in een gebied met hoge archeologische
                                                  verwachtingswaarde en het te verstoren gebied
                                                  kleiner is dan 100 m2.</al></li></lijst></li><li nr="b."><al>in het geldend bestemmingsplan bepalingen zijn opgenomen
                                            omtrent archeologische monumentenzorg;</al></li><li nr="c."><al>sprake is van een activiteit als bedoeld in artikel
                                            2.12, eerste en tweede lid, van de Wet algemene
                                            bepalingen omgevingsrecht en hierin voorschriften zijn
                                            opgenomen omtrent archeologische monumentenzorg;</al></li><li nr="d."><al>het college nadere regels stelt met betrekking tot de
                                            uitvoering van werkzaamheden die leiden tot een
                                            verstoring van een archeologisch monument of
                                            archeologisch verwachtingsgebied als aangegeven op
                                            gemeentelijke archeologische waardenkaart of de
                                            gemeentelijke beleidsadvieskaart, dan wel bij het
                                            ontbreken daarvan,de provinciale Archeologische
                                            Monumentenkaart of de landelijke Indicatieve Kaart van
                                            Archeologische Waarden;</al></li><li nr="e."><al>een rapport is overgelegd waarin de archeologische
                                            waarde van het te verstoren terrein naar het oordeel van
                                            het bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld en
                                            waaruit blijkt dat: </al><lijst><li nr="°."><al>het behoud van de archeologische waarden in
                                                  voldoende mate kan worden geborgd; of</al></li><li nr="°."><al>de archeologische waarden door de verstoring
                                                  niet onevenredig worden geschaad; of</al></li><li nr="°."><al>in het geheel geen archeologische waarden
                                                  aanwezig zijn.</al></li></lijst></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>21.</nr><titel> Opgravingen en begeleiding</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Indien binnen het grondgebied van de gemeente Steenbergen.
                                    onderzoek wordt uitgevoerd in het kader van het doen van
                                    opgravingen in de zin van artikel 1 sub h Monumentenwet 1988,
                                    dient, onverminderd de overige bepalingen van deze wet: </al><lijst><li nr="a."><al>het college een programma van eisen vast te stellen als
                                            bedoeld in artikel 1 onder n, waarbij nadere regels
                                            worden gesteld ten aanzien van het onderzoek;</al></li><li nr="b."><al>de verstoorder, voorafgaande aan het onderzoek, een plan
                                            van aanpak als bedoeld in artikel 1 onder m van deze
                                            verordening ter goedkeuring aan het bevoegd gezag te
                                            overleggen.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>In de nadere regels neemt het college bepalingen op met
                                    betrekking tot het toezicht op de feitelijke uitvoering van het
                                    plan van aanpak. Tijdens het onderzoek dienen aanwijzingen van
                                    het college in acht te worden genomen.</al></li><li nr="4."><al>Om te kunnen beoordelen of het plan van aanpak aan het programma
                                    van eisen en eventuele nadere regels voldoet, vraagt het bevoegd
                                    gezag advies aan een deskundige, zoals omschreven in de Wet op
                                    de Archeologische monumentenzorg.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>22.</nr><titel>Procedure</titel></kop><al>De bepalingen uit artikel 11, 12, 13 en 14 zijn van overeenkomstige
                            toepassing op de bepalingen uit artikel 20, tweede lid, onder e, en
                            artikel 21, eerste lid, onder b.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>6</nr><titel>Overige bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>23.</nr><titel>Tegemoetkoming in schade</titel></kop><al>Indien en voor zover blijkt dat een belanghebbende schade lijdt of zal
                            lijden, die redelijkerwijze niet of niet geheel te zijnen laste behoort
                            te blijven, kent het bevoegd gezag hem op zijn aanvraag een naar
                            billijkheid te bepalen tegemoetkoming toe, indien de schade in relatie
                            staat tot:</al><lijst><li nr="a."><al>de weigering van het bevoegd gezag een vergunning als bedoeld in
                                    artikel 10 te verlenen;</al></li><li nr="b."><al>de voorschriften door het bevoegd gezag verbonden aan een
                                    vergunning als bedoeld in artikel 10;</al></li><li nr="c."><al>de door het college nader te stellen regels als bedoeld in
                                    artikel 10, vierde lid;</al></li><li nr="d."><al>de door het college nader te stellen regels als bedoeld in
                                    artikel 20, tweede lid, onder d;</al></li><li nr="e."><al>een aanwijzing als bedoeld in artikel 21, tweede lid, tweede
                                    volzin.</al></li></lijst><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>24.</nr><titel>Strafbepaling</titel></kop><al>Degene, die handelt in strijd met het vierde lid van artikel 10 en
                            artikel 20 met uitzondering van het bepaalde in het tweede lid, onder e,
                            van deze verordening, wordt gestraft met een geldboete van de tweede
                            categorie of een hechtenis van ten hoogste drie maanden.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>25.</nr><titel>Toezichthouders</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of
                                    krachtens deze verordening zijn belast: </al><lijst><li nr="a."><al>Met betrekking tot zakelijke monumenten als bedoeld in
                                            artikel 1, onder b, sub 1; de inspecteurs van het met
                                            handhaving belaste organisatieonderdeel van de gemeente
                                            Steenbergen.</al></li><li nr="b."><al>Met betrekking tot monumentale terreinen als bedoeld in
                                            artikel 1, onder b, sub 2; de inspecteurs van het met
                                            handhaving belaste organisatieonderdeel van de gemeente
                                            Steenbergen.</al></li></lijst></li><li nr="4."><al>Voorts zijn met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij
                                    of krachtens deze verordening belast de bij besluit van het
                                    college dan wel de burgemeester aan te wijzen personen.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>7.</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>26.</nr><titel>Intrekken oude regeling</titel></kop><al>De Monumentenverordening Gemeente Steenbergen 2006 wordt
                            ingetrokken.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>27.</nr><titel>Overgangsrecht</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De op grond van de onder artikel 26 ingetrokken
                                    Monumentenverordening Gemeente Steenbergen 2006 aangewezen en
                                    geregistreerde gemeentelijke monumenten, worden geacht
                                    aangewezen en geregistreerd te zijn overeenkomstig de bepalingen
                                    van deze verordening.</al></li><li nr="2."><al>Aanvragen om vergunning die zijn ingediend vóór de
                                    inwerkingtreding van deze verordening worden afgehandeld met
                                    inachtneming van de in artikel 26 ingetrokken verordening.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>28.</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening treedt in werking op 1 november 2015 in werking.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>29.</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Erfgoedverordening Gemeente
                            Steenbergen 2015.</al><al/><al/><al/></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Steenbergen, </ondertekening><ondertekening>De raad voornoemd,</ondertekening><ondertekening>de griffier de voorzitter</ondertekening><ondertekening/><ondertekening/><ondertekening/><ondertekening/><ondertekening>drs. E P.M. van der Meer J.A.M. Vos</ondertekening></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><label>Toelichting</label><nr>Erfgoedverordening gemeente Steenbergen 2015</nr></kop><al><vet>A. Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.</vet></al><al>De Wabo regelt de omgevingsvergunning die in de plaats komt van een reeks
                    vergunningen, ontheffingen of toestemmingen voor het realiseren van een fysiek
                    project. De meest bekende daarvan zijn:</al><lijst><li nr="-."><al>de bouwvergunning;</al></li><li nr="-."><al>de aanlegvergunning;</al></li><li nr="-."><al>de sloopvergunning;</al></li><li nr="-."><al>de monumentenvergunning;</al></li><li nr="-."><al>de milieuvergunning;</al></li><li nr="-."><al>de kapvergunning.</al></li></lijst><al>De Wabo beoogt tegemoet te komen aan het belang van een snelle dienstverlening.
                    Het bevorderen van de tijdige besluitvorming vormt hiervan een onderdeel.</al><al>Eén aanvraag; één bevoegd gezag; één loket</al><al>De centrale gedachte bij de ontwikkeling van de Wabo is de “één loket gedachte”.
                    Dit houdt in dat de aanvrager vanaf 1 oktober 2010 één omgevingsvergunning hoeft
                    aan te vragen voor zijn project. De aanvrager geeft aan op welke activiteiten
                    (bouw, aanleg, sloop enz.) zijn aanvraag betrekking heeft. Voor de
                    erfgoedverordening betekent dit dat bijvoorbeeld de omgevingsvergunning voor het
                    bouwen en de omgevingsvergunning voor monumenten in één verzoek worden
                    aangevraagd.</al><al>De omgevingsvergunning wordt vervolgens door één bevoegd gezag beoordeeld en
                    doorloopt één procedure. De beslissing op de aanvraag kent ook één procedure van
                    rechtsbescherming.</al><al/><al><vet><vet>Bevoegd gezag</vet></vet></al><al>Het bevoegd gezag is in de meeste gevallen het college van burgemeester en
                    wethouders van de gemeente waar het project in hoofdzaak zal worden verricht.
                    Het bevoegd gezag is integraal verantwoordelijk voor het te nemen besluit en is
                    tevens belast met de bestuursrechtelijke handhaving.</al><al>In het Bor worden een aantal uitzonderingen op deze hoofdregel gemaakt. Een
                    minister dan wel het college van gedeputeerde staten wordt in deze gevallen als
                    het bevoegde gezag aangewezen. Deze gevallen zijn aangewezen in artikel 3.3 van
                    de Wabo. Gedeputeerde staten van de provincie is bevoegd gezag indien het gaat
                    om de meer complexere categorieën inrichtingen. Deze zijn specifiek in bijlage I
                    van het Bor omschreven.</al><al/><al><vet>Toestemmingsstelsels</vet></al><al>Er bestaan verschillende methoden om de toestemmingstelsels (=vergunning en
                    ontheffing) te integreren in de omgevingsvergunning. De toestemmingstelsels die
                    altijd zien op plaatsgebonden activiteiten zijn volledig in de Wabo
                    geïntegreerd; de bestaande toestemmingstelsels in de betreffende wetten of
                    verordeningen vervallen. Het gaat om een procedurele integratie van de
                    verschillende toestemmingstelsels. De inhoudelijke beoordeling vindt
                    gecoördineerd plaats. Dit betekent dat de verschillende toetsingskaders niet
                    zijn geïntegreerd. Het toetsingskader van de Wabo bestaat derhalve uit een
                    optelling van de afzonderlijke toetsingskaders. Deze verschillende
                    toetsingskaders wegen allen even zwaar.</al><al/><al><vet>De procedure</vet></al><al>In de Wabo is onderscheid gemaakt tussen de reguliere voorbereidingsprocedure en
                    de uitgebreide voorbereidingsprocedure. Slechts op een enkel punt is voor deze
                    beide procedures afgeweken van de reguliere- en de uitgebreide openbare
                    voorbereidingsprocedure van de Awb.</al><al>Wanneer voor een project meerdere toestemmingen uit de Wabo nodig zijn wordt
                    door de aanvrager één aanvraag voor een omgevingsvergunning ingediend. De
                    aanvrager kan er echter ook voor kiezen zijn project op te delen in
                    deelprojecten en voor elk van die deelprojecten een afzonderlijke
                    omgevingsvergunning aan te vragen. Het moet gaan om een onderdeel van het
                    project dat fysiek te scheiden is van de andere onderdelen van het totale
                    project. Ook wel de zogenaamde “onlosmakelijke verbondenheid”. Het criterium van
                    de onlosmakelijkheid is neergelegd in artikel 2.7 Wabo. Van onlosmakelijke
                    samenhang is sprake als de activiteiten zien op dezelfde handeling. Het gaat dan
                    om een activiteit die tegelijkertijd ook aangemerkt moet worden als een andere
                    activiteit als omschreven in de artikelen 2.1 en 2.2. van de Wabo. Deze
                    activiteiten overlappen elkaar en zijn niet te scheiden. Zij vormen een en
                    dezelfde handeling die binnen twee of meer activiteitenomschrijvingen vallen.
                    Vanwege de overlap in de activiteitenomschrijvingen is het in deze gevallen niet
                    mogelijk om de handeling op te knippen in deelvergunningen.</al><al>Een omgevingsvergunning voor een deelproject geeft de bevoegdheid het
                    deelproject ook daadwerkelijk al uit te voeren. Hieraan bestaat bijvoorbeeld
                    behoefte bij een project waarbij voor de nieuwbouw van woningen grond bouwrijp
                    gemaakt moet worden en/of enkele oude opstallen gesloopt moeten worden wat door
                    verschillende partijen wordt uitgevoerd. De omgevingsvergunning voor het
                    bouwrijp maken en/of het slopen van opstallen kan aangevraagd worden en de
                    werkzaamheden kunnen na het verlenen van dit gedeelte van de omgevingsvergunning
                    starten. Vervolgens kan een omgevingsvergunning voor de bouw van de woningen
                    worden aangevraagd. Het gaat om verschillende besluiten waartegen een
                    afzonderlijke rechtsbeschermingsprocedure open staat.</al><al>Daarnaast heeft de aanvrager de mogelijkheid om een gefaseerde
                    omgevingsbeschikking aan te vragen. Hij bepaalt zelf welke activiteit wordt
                    gefaseerd. De beoordeling in de eerste fase is erop gericht te onderzoeken of
                    één van de door de aanvrager voorgenomen activiteiten, bijvoorbeeld het
                    oprichten en inwerking hebben van een inrichting, kan worden verricht en dus een
                    gerede kans heeft om een omgevingsvergunning te krijgen. Het betreft een
                    volledige toetsing. Tenuitvoerlegging van een omgevingsvergunning is pas
                    mogelijk nadat ook een omgevingsbeschikking tweede fase is verleend en een
                    volledige vergunning is verkregen. De tweede fase omgevingsbeschikking bevat de
                    noodzakelijke toestemmingen die niet in een eerste fase zijn vergund. Door
                    aanvraag van een omgevingsbeschikking eerste fase kan een financieel risico voor
                    de aanvrager worden beperkt. Hij hoeft in dit geval nog niet aan alle
                    indieningsvereisten te voldoen. Het rechtsgevolg van een eerste fase-beschikking
                    is dat bij de beoordeling van de gedetailleerde aanvraag voor de overige
                    activiteiten (de tweede fase-aanvraag) niet meer getoetst wordt aan de criteria
                    van de eerste fase. De eerste fase-beschikking kan door het bevoegd gezag worden
                    ingetrokken, indien niet binnen twee jaar nadat deze beschikking is genomen een
                    aanvraag voor een tweede fase-beschikking is ingediend. Beide beschikkingen
                    treden tezamen in werking. Tegen beide beschikkingen staat rechtsbescherming op
                    grond van de Awb open.</al><al/><al><vet>De Wabo en de Erfgoedverordening</vet></al><al>De monumentenvergunning uit de model-erfgoedverordening integreert volledig in
                    de omgevingsvergunning, omdat het om plaatsgebonden activiteiten gaat. Daarom is
                    in artikel 2.2 van de Wabo bepaald dat het verboden is zonder een
                    omgevingsvergunning een krachtens een verordening aangewezen monument te slopen,
                    te verstoren, te verplaatsen of in enig opzicht te wijzigen of te herstellen, te
                    gebruiken of te laten gebruiken op een wijze waarop het wordt ontsierd of in
                    gevaar wordt gebracht. Een extra overweging voor het volledig integreren van de
                    monumentenvergunning in de omgevingsvergunning is dat de verlening van de
                    monumentenvergunning in de praktijk vaak samenliep met de verlening van de
                    bouwvergunning of de aanlegvergunning. Er is voor gekozen om de
                    instandhoudingsvergunning van archeologische terreinen op grond van artikel 2.2,
                    tweede lid, Wabo aan te haken bij de omgevingsvergunning (facultatieve
                    integratie). Zolang gemeentelijke bestemmingsplannen nog niet ‘Malta-proof’
                    zijn, kan op deze wijze in de omgevingsvergunning bescherming aan archeologische
                    waarden in de bodem worden geboden bij de realisatie van een fysiek
                    project.</al><al>De model-erfgoedverordening bevat de mogelijkheid om nadere regels te stellen.
                    De Wabo ziet op vergunningen en ontheffingen en niet op nadere regels. Het
                    college blijft hiervoor het bevoegd gezag.</al><al>Het inhoudelijke toetsingskader van de omgevingsvergunning inzake de
                    gemeentelijke monumenten is in de verordening bepaald.</al><al>Voor het overige is bij het opstellen van deze modelverordening rekening
                    gehouden met de 'Aanwijzingen voor de decentrale regelgeving'. Ook in dit nieuwe
                    model zijn de bepalingen van de Monumentenwet 1988 en de daarin gekozen
                    systematiek als uitgangspunt genomen. </al><al/><al/><al><vet>B. Artikelsgewijze toelichting </vet></al><al><vet>Hoofdstuk 1. </vet></al><al><vet>Algemeen Artikel 1. Begripsbepalingen </vet></al><al><cursief>Sub b</cursief></al><al>Bij de omschrijving van het begrip 'gemeentelijk monument' is, met uitzondering
                    van de 50-jaar grens, aansluiting gezocht bij de omschrijving van een monument
                    in de Monumentenwet 1988. De cultuurhistorische waarde is volgens de Memorie van
                    Toelichting de aan een bouwwerk of gebied toegekende waarde, gekenmerkt door het
                    beeld dat is ontstaan en het gebruik dat de mens in de loop van de geschiedenis
                    van dat bouwwerk of dat gebied heeft gemaakt. Dit is een zo ruime omschrijving
                    dat het ook betrekking kan hebben op zaken en gebieden met een geschiedkundige
                    en of bouwhistorische waarde.</al><al>Het begrip ‘terreinen’, als bedoeld in sub 2 van artikel 1, dient ruim te worden
                    uitgelegd. Hoofdzakelijk betreft het locaties waar archeologische waarden in de
                    bodem (kunnen) zitten, maar daarnaast kan het bijvoorbeeld ook gaan om parken,
                    tuinen en een perceel met een of meer bomen. Het is niet vereist dat op het
                    terrein ook een bouwkundig monument voorkomt om over een gemeentelijk monument
                    te kunnen spreken. Een 'zaak' is immers een veel ruimer begrip.</al><al>Omdat de 50-jaargrens voor rijksmonumenten niet voor gemeentelijke monumenten is
                    overgenomen, biedt de verordening ook de mogelijkheid om monumenten die (nog)
                    niet op de rijksmonumentenlijst zijn geplaatst omdat ze ‘te jong zijn’, al op de
                    gemeentelijke monumentenlijst te plaatsen.</al><al>Uitgangspunt in deze verordening is dat onder het begrip ‘zaak’ alleen
                    onroerende zaken worden verstaan. Immers, het effectueren van de bescherming
                    vormt een probleem, aangezien roerende monumenten meestal eenvoudig kunnen
                    worden verplaatst en daardoor ongemerkt over de gemeentegrens en daarmee buiten
                    de werking van de verordening worden gebracht. Zaken die naar hun aard roerend
                    zijn, zoals een kerkorgel, kunnen wel de beschermde status krijgen, op basis van
                    de redengevende omschrijving. Met het voorgaande in het achterhoofd is het
                    echter aan gemeenten zelf om met de verordening ook roerende monumenten aan te
                    wijzen. Daarnaast is het ook mogelijk dat gemeenten door middel van aanvullende
                    regelgeving voorkomen dat cultuurhistorische voorwerpen, die als gemeentelijk
                    monument zijn aangewezen, buiten de gemeentegrenzen verdwijnen. Controle en
                    handhaving van deze regelgeving zijn echter nauwelijks mogelijk.</al><al/><al><cursief>Sub c</cursief></al><al>Dit betreft de lijst waarop de gemeente de overeenkomstig de verordening
                    aangewezen monumenten registreert. Het plaatsen op de monumentenlijst heeft geen
                    rechtsgevolg. Het betreft slechts een administratieve handeling. Voorafgaand aan
                    de plaatsing op de lijst is het de aanwijzing tot gemeentelijk monument die
                    rechtsgevolg beoogt. Het is inzichtelijker om de aanwijzing en de plaatsing op
                    de lijst uit elkaar te trekken. Zie ook de toelichting op artikel 3, lid 1, en
                    artikel 7.</al><al/><al><cursief>Sub d</cursief></al><al>Voor de begripsomschrijving van een 'beschermd monument' is aangesloten bij de
                    begripsomschrijving uit de Wabo. De Wabo zelf verwijst weer naar de
                    Monumentenwet 1988. Deze wet omschrijft een beschermd monument als een onroerend
                    monument die is ingeschreven in een ingevolge de Monumentenwet 1988 vastgesteld
                    register. Op de vergunningverlening voor rijksmonumenten zijn de bepalingen uit
                    de Wabo van toepassing.</al><al/><al><cursief>Sub e</cursief></al><al>Sinds de komst van de Wet dualisering gemeentebestuur in 2002 kan elk bevoegd
                    orgaan in de gemeente (raad, college en burgemeester) zelf zijn commissies
                    instellen. De commissie ruimtelijke kwaliteit is een commissie die adviseert aan
                    het bevoegd gezag. In de Erfgoedverordening wordt door de raad bepaald dat een
                    commissie ruimtelijke kwaliteit advies moet uitbrengen aan het bevoegd gezag.
                    Dit vloeit voort uit de Monumentenwet 1988. In artikel 15 van deze wet is
                    bepaald dat de gemeente in een verordening de inschakeling van een commissie
                    moet regelen die adviseert aan het bevoegd gezag over aanvragen om een
                    omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid,
                    onder f van de Wabo. De wetgever geeft hier dus aan dat het college in dit geval
                    geen keuzevrijheid heeft ten aanzien van het instellen van een commissie. Het
                    instellen van de commissie ruimtelijke kwaliteit door het college moet door
                    middel van een apart collegebesluit. De taken van de commissie strekken zich uit
                    over de Erfgoedverordening de Monumentenwet 1988 en de Wabo. Door de commissie
                    ruimtelijke kwaliteit in deze begripsomschrijving bevoegd te verklaren over de
                    toepassing van de Wabo te adviseren aan het bevoegd gezag, is voldaan aan het
                    vereiste, genoemd in artikel 15 van de Monumentenwet 1988. </al><al/><al><cursief>Sub o</cursief></al><al>De gemeentelijke beleidsadvieskaart kan een praktische oplossing bieden in het
                    geval dat nog geen Malta-proof bestemmingsplan is vastgesteld. In dat geval
                    kunnen gebieden op een dergelijke beleidsadvieskaart worden opgenomen, indien
                    blijkt dat daar op grond van gemeentelijk historisch onderzoek mogelijk
                    archeologische sporen in de bodem kunnen worden aangetroffen.</al><al/><al><cursief>Sub p</cursief></al><al>Zoals ook in de algemene toelichting is aangegeven is de hoofdregel dat
                    burgemeester en wethouders van de gemeente waar het project zich in hoofdzaak
                    afspeelt het bevoegd gezag is. Voor een verdere toelichting wordt verwezen naar
                    de algemene toelichting behorend bij deze verordening.</al><al/><al><cursief>Sub r</cursief></al><al>De overige begripsbepalingen zijn in hun definitie al ruim omschreven, zodat
                    deze geen nadere toelichting behoeven. Wat nog wel een nadere toelichting
                    behoeft is het bouwhistorisch onderzoek:</al><al>het bouwhistorisch onderzoek; deze rapportage maakt formeel niet langer deel uit
                    van de verordening (het oude artikel 3, waarin was bepaald dat het college ten
                    behoeve van de aanwijzing tot monument een bouwhistorisch onderzoek kon laten
                    verrichten). Bij de aanwijzing tot monument kan de eigenaar/gebruiker echter
                    niet gedwongen worden een dergelijk onderzoek te verrichten, voornamelijk
                    vanwege de kosten. Daarnaast is dwang ook niet mogelijk wegens het ontbreken van
                    de mogelijkheid om binnen te kunnen treden puur in het geval dat een dergelijk
                    onderzoek gewenst is. Bij niet-woningen is dat wel mogelijk, maar bij woningen
                    is binnentreden gebonden aan het Huisvrederecht. De strenge eisen die hieraan
                    verbonden zijn, maken het niet mogelijk dat voor slechts een bouwhistorisch
                    onderzoek bij de aanwijzing tot monument wordt binnengetreden. Dat is wezenlijk
                    anders dan wanneer wordt binnengetreden in het kader van toezicht op de naleving
                    van de verordening. Het ontbreken van de mogelijkheid om een bouwhistorisch
                    onderzoek bij de aanwijzing af te dwingen kan worden ondervangen nadat een
                    woning is aangewezen tot monument. De voorwaarden die de gemeente betreffende de
                    afhandeling van aanvragen om een beschikking (in casu de monumentenvergunning)
                    op grond van artikel 4:5 Awb kan stellen, bieden voldoende houvast. Argument
                    hierbij is dat inzicht in de cultuurhistorische waarde van een gebouw bij de
                    beoordeling van de aanvraag tot wijziging van een monument van belang is. De
                    gemeente bepaalt dan dat (de uitkomst van) een bouwhistorisch onderzoek tot de
                    noodzakelijke gegevens behoort om tot een beoordeling van de aanvraag te komen.
                    Hierbij moet wel sprake zijn van evenredigheid wat betreft de omvang van de
                    wijziging van het monument in relatie tot de omvang van het onderzoek en de
                    daaraan verbonden kosten. </al><al/><al><vet>Hoofdstuk 2. Aanwijzing gemeentelijke monumenten </vet></al><al/><al>De Wabo is niet van toepassing op dit hoofdstuk. De Wabo ziet alleen op
                    toestemmingstelsels (vergunningen en ontheffingen). Hierdoor blijft het college
                    van burgemeester en wethouders bevoegd gezag betreffende de aanwijzing van
                    gemeentelijke monumenten.</al><al>Artikel 2. Het gebruik van een monument </al><al>Het betreft hier vooral de gebruiksmogelijkheden die de eigenaar/gebruiker zelf
                    aan het object toekent. Deze gebruiksmogelijkheden slaan op de constructie en de
                    ligging van het object, maar ook het feitelijke gebruik van het object
                    zelf.</al><al/><al><vet>Artikel 3. De aanwijzing tot gemeentelijk monument</vet></al><al><cursief>Lid 1</cursief></al><al>De aanwijzing tot gemeentelijk monument en het plaatsen op de monumentenlijst
                    zijn twee zaken met verschillend rechtsgevolg. De aanwijzing heeft rechtsgevolg,
                    het daarna registreren op de gemeentelijke monumentenlijst is slechts een
                    administratieve handeling.</al><al>Het besluit tot aanwijzing is een discretionaire bevoegdheid van het college. Na
                    afweging van alle betrokken belangen kan tot aanwijzing worden besloten. De
                    afweging van de belangen van de rechthebbende ten opzichte van de te beschermen
                    monumentale waarden moet uitdrukkelijk gemotiveerd in het besluit naar voren
                    komen (de redengeving). De aanwijzing geeft geen recht op schadevergoeding. De
                    aanwijzing verandert immers over het algemeen niets aan het bestaande gebruik
                    van het monument.</al><al>Een aanwijzing heeft echter wel gevolgen voor de mogelijkheden wat betreft het
                    toekomstige gebruik van een monumentaal object. Immers, de monumentaal
                    aangewezen onderdelen mogen slechts met een vergunning (zie art. 10, tweede lid)
                    of slechts op grond van de nadere regels (zie</al><al>art. 10, vierde lid) worden gewijzigd. Het wijzigen van niet-monumentale
                    onderdelen is alleen vergunningvrij wanneer ook geen omgevingsvergunning voor
                    het bouwen is vereist. Om deze, weliswaar toekomstige, last voor de burger in te
                    perken, dient bij de aanwijzing in de redengevende omschrijving zorgvuldig
                    bekeken te worden wat wel en wat niet van het object tot monumentaal
                    beschermingswaardig onderdeel wordt aangewezen en voor welk deel een
                    vergunningplicht achterwege kan blijven. Mogelijke afweging kan zijn om alleen
                    de vanuit openbare ruimten zichtbare bijzondere onderdelen tot monument aan te
                    wijzen, zodat bijvoorbeeld voor wijzigingen aan de achterkant en het interieur
                    in dat geval geen omgevingsvergunning voor monumenten is vereist maar
                    bijvoorbeeld alleen een omgevingsvergunning voor het bouwen.</al><al/><al><cursief>Lid 2</cursief></al><al>Het college moet het advies inwinnen van de commissie ruimtelijke kwaliteit als
                    bedoeld onder artikel 1, sub e. De verordening bindt het advies niet aan
                    bepaalde voorschriften over vorm en inhoud. Een regeling die de taak en
                    werkwijze van de commissie ruimtelijke kwaliteit bepaalt, is daarvoor de
                    aangewezen plaats.</al><al>In de verordening is geen bepaling opgenomen dat, voordat het college over een
                    aanwijzing een besluit neemt de aanvrager en andere belanghebbenden worden
                    gehoord. Dit is namelijk al geregeld in (de artikelen 4:8 en 4:9 van) de
                    Algemene wet bestuursrecht (Awb).</al><al/><al><cursief>Lid 3</cursief></al><al>Dit lid is nodig ondanks het bepaalde in artikel 4:8 Awb dat belanghebbenden
                    zienswijzen naar voren kunnen brengen. Overleg is immers meer dan het naar voren
                    kunnen brengen van zienswijzen.</al><al/><al><cursief>Lid 4</cursief></al><al>Monumenten die op grond van een aanwijzing door het Rijk of provincie al op een
                    monumentenlijst zijn geplaatst, komen niet voor aanwijzing als gemeentelijk
                    monument in aanmerking.</al><al/><al><vet>Artikel 4. Voorbescherming</vet></al><al>Dit artikel regelt de voorbescherming voor toekomstige gemeentelijke monumenten,
                    zoals die ook voor rijksmonumenten geldt. Dat betekent dat in de periode van
                    kennisgeving van het voornemen van het college om een monument op de
                    gemeentelijke monumentenlijst te plaatsen tot het daadwerkelijke
                    aanwijzingsbesluit (dit kan ook een afwijzing zijn), de artikelen 10 tot en met
                    15 van deze verordening van toepassing zijn. Dat betekent onder andere dat een
                    monument tijdens de aanwijzingsprocedure tot gemeentelijk monument niet mag
                    worden afgebroken, gewijzigd, verplaatst (etc.) zonder een omgevingsvergunning
                    voor monumenten of anders dan de bij nadere regels opgestelde wijze. Het gebruik
                    van de voorbeschermingsprocedure is gebonden aan een motivatieplicht, aangezien
                    hieraan voor de eigenaar/gebruiker financiële consequenties zijn verbonden.
                    Immers, gedurende de voorbescherming dienen bouwactiviteiten te worden
                    opgeschort.</al><al>Het inroepen van de voorbescherming van een object is een publiekrechtelijke
                    beperking en een beperkingenbesluit in de zin van artikel 1, onder a, sub 1
                    juncto artikel 1, onder b, sub 5 van de Wet kenbaarheid publiekrechtelijke
                    beperkingen onroerende zaken. Daarmee is ook onder andere artikel 13 van deze
                    wet van toepassing wat betreft de aansprakelijkheid van gemeenten voor geleden
                    schade. Daarom moet een gemeente gegronde redenen kunnen aanvoeren voor het
                    inroepen van de voorbescherming. Zie hiertoe ook de toelichting bij artikel 6
                    van deze verordening.</al><al/><al><vet>Artikel 5. Termijnen advies en aanwijzingsbesluit </vet></al><al>In dit artikel worden de termijnen genoemd waarbinnen de commissie ruimtelijke
                    kwaliteit moet adviseren (lid 1) en het college een beslissing moet nemen (lid
                    2). Door de besluitvorming aan een termijn te binden, weten alle belanghebbenden
                    waar ze aan toe zijn. In het kader van de vermindering van administratieve
                    lasten dient goed nagedacht te worden over de specifieke invulling met
                    betrekking tot de duur van de termijnen. Over het algemeen geldt hoe korter de
                    termijnen zijn, des te minder zijn de administratieve lasten voor de
                    burger.</al><al>Het bepaalde in lid 2 heeft tot gevolg dat, wanneer de commissie ruimtelijke
                    kwaliteit niet tijdig adviseert, het college de volgende keuze kan maken: zonder
                    advies een beslissing nemen, of besluiten om een (te laat uitgebracht advies als
                    bedoeld in het eerste lid) toch in hun overwegingen te betrekken. Als het
                    college niet tijdig beslist, is op grond van de Awb sprake van een fictieve
                    weigering. Ingevolge artikel 6:2 staat voor de aanvrager dan de mogelijkheid van
                    bezwaar of administratief beroep open die ook tegen een reëel besluit open zou
                    staan.</al><al>Het artikel bevat geen bepalingen over bekendmaking van het besluit, omdat de
                    Awb dat afdoende regelt (afdeling 3.6).</al><al/><al><vet>Artikel 6. Mededeling aanwijzingsbesluit </vet></al><al>De ontvangst van de (veelal aangetekende) mededeling (zijnde een afschrift van
                    de inschrijving) van het college is voor alle aan het monumentale object
                    verbonden zakelijk gerechtigden van essentieel belang. De kenbaarheid van de
                    aanwijzing tot monumentaal object is ook te herleiden tot artikel 1, onder a,
                    sub 1 juncto artikel 1, onder b, sub 6 van de Wet kenbaarheid publiekrechtelijke
                    beperkingen onroerende zaken. Daarmee zijn de voorschriften uit deze wet ook van
                    toepassing op een aanwijzingsbesluit als bedoeld in artikel 6 van deze
                    verordening.</al><al>Dit artikel regelt overigens niet specifiek dat de aanwijzing wordt
                    bekendgemaakt aan de eigenaar en de aanvrager, omdat de Awb dat al bepaalt
                    (afdeling 3.6). Indien artikel 4:8 Awb is toegepast (horen van geadresseerde en
                    derdebelanghebbenden) dan dienen de betrokkenen op grond van het bepaalde in
                    artikel 3:43 Awb eveneens een mededeling te ontvangen.</al><al/><al><vet>Artikel 7. Registratie op de gemeentelijke monumentenlijst</vet></al><al>De registratie van de aanwijzing is een administratieve handeling (en geen
                    besluit). De bedoeling van de bij te houden monumentenlijst is om een ieder snel
                    inzicht te geven in welke zaken als gemeentelijk monument zijn aangewezen en de
                    redengeving daartoe. Wat betreft dit laatste aspect zij tevens verwezen naar de
                    toelichting bij artikel 3, eerste lid (aanwijzing).</al><al/><al><vet>Artikel 8. Wijziging van de aanwijzing</vet></al><al>Op grond van dit artikel is het mogelijk om de aanwijzing van gemeentelijke
                    monumenten te wijzigen (lid 1). Hiervoor geldt dezelfde voorbereidingsprocedure
                    als voor de aanwijzing zelf (lid 2), tenzij de wijziging van ondergeschikte
                    betekenis is (lid 3). Wijzigingen van de aanwijzing worden doorgevoerd op de
                    gemeentelijke monumentenlijst (lid 4).</al><al/><al><vet>Artikel 9. Intrekken van de aanwijzing</vet></al><al>Dit artikel geeft de mogelijkheid om de aanwijzing van gemeentelijke monumenten
                    in te trekken (lid 1). Voor intrekking van de aanwijzing is het advies van de
                    commissie ruimtelijke kwaliteit nodig. Monumenten op de gemeentelijke
                    monumentenlijst waarvan de aanwijzing is ingetrokken (omdat ze zijn gesloopt of
                    anderszins volledig teloor gegaan), worden door het college van de
                    monumentenlijst gehaald.</al><al>Het kan zinvol zijn om voor een gebouw, waarvoor een aanvraag tot intrekking van
                    de aanwijzing loopt een (uitvoerige) documentatie te eisen. Enerzijds kan deze
                    voor een goede afweging van de aanvraag dienen, anderzijds wordt het gebouw
                    voorafgaand aan de sloop voor de lokale geschiedenis gedocumenteerd.</al><al/><al><vet>Hoofdstuk 3. Instandhouding van gemeentelijke monumentale zaken </vet></al><al/><al><vet>Artikel 10. Instandhoudingbepaling </vet></al><al>De verbodsbepaling in het eerste lid van artikel 10 vertoont gelijkenis met
                    artikel 2.2, eerste lid, onder f van de Wabo waarbij het gaat om de beschermde
                    monumenten uit de Monumentenwet 1988. In dit artikel gaat het alleen over
                    gemeentelijke monumenten. Ten aanzien van de omgevingsvergunningaanvraag voor
                    gemeentelijke monumenten is van belang dat het verkrijgen van gegevens en
                    ontbrekende gegevens geregeld is in de Awb (artikel 4:2 respectievelijk 4:5 en
                    4:15). In het kader van de Wabo dient de gemeente een aanvraag langs
                    elektronische weg mogelijk te maken. Een schriftelijke aanvraag wordt ingediend
                    met behulp van een door de Minister van VROM vastgesteld formulier.</al><al>De Mor voorziet in nadere regels met betrekking tot de indieningsvereisten voor
                    de aanvragen voor een omgevingsvergunning. In paragraaf 5.2 van de Mor zijn
                    specifieke indieningsvereisten opgenomen voor activiteiten met betrekking tot
                    monumenten. De aard, de omvang en de locatie van de werkzaamheden bepalen welke
                    indieningsvereisten gelden. Het bevoegd gezag heeft niet de mogelijkheid van
                    deze indieningsvereisten af te wijken. In het kader van de vermindering van
                    administratieve lasten voor burgers en bedrijven dienen de indieningsvereisten
                    bij de vergunningaanvraag zo beperkt mogelijk gehouden te worden. Zo kan het
                    overleggen van bouwtekeningen worden beperkt tot 1 exemplaar.</al><al>In lid 4 van artikel 10 wordt de mogelijkheid geschapen voor het college om
                    nadere regels te stellen die in de plaats kunnen worden gesteld van het verbod
                    uit het eerste lid en de vergunningplicht uit het tweede lid. De Wabo ziet
                    alleen op vergunningen en ontheffingen. Deze bepaling over het stellen van
                    nadere regels valt daarom buiten de Wabo. Het college blijft hiervoor het
                    bevoegde gezag. Het zal hierbij over het algemeen gaan om wijzigingen aan
                    gemeentelijke monumenten die niet van ingrijpende aard zijn. Voornamelijk het
                    reguliere onderhoud kan in vastomlijnde regels worden opgenomen, zodat burgers
                    niet voor relatief eenvoudige wijzigingen (bijvoorbeeld met betrekking tot
                    kleurstelling of het gebruik van identieke materialen) worden geconfronteerd met
                    een vergunningprocedure. In deze nadere regels kunnen dan expliciet die
                    situaties worden benoemd waarin de burger geen vergunning hoeft aan te vragen.
                    Indien echter duidelijk is wat het toetsingskader is voor grote (niet-reguliere)
                    wijzigingen aan een monument, kan ook dit toetsingskader in algemene regels
                    worden opgenomen, zodat burgers nog minder met administratieve lasten worden
                    geconfronteerd.</al><al>In de nadere regels (uitvoeringsrichtlijnen of programma´s van eisen) kunnen de
                    uitgangspunten, functionele toetsen en aanwijzingen in het kader van de
                    monumentenzorg worden opgenomen. Hierbij dient de bouwkundige en monumentale
                    kwaliteit (behoudtechnische optiek) voorop te staan. Voorts staat het voeren van
                    (voor)overleg centraal bij dit artikel, zodat maatwerk kan worden geleverd.
                    Praktisch gezien gaat een medewerker monumentenzorg van de gemeente, op locatie
                    en gezamenlijk met de initiatiefnemer, onderzoeken welke aanpassingen mogelijk
                    zijn aan de hand van de algemene regels, zodat de monumentale waarde van het
                    object niet of zo min mogelijk wordt aangetast.</al><al>In lid 5 is de bepaling betreffende de religieuze monumenten teruggeplaatst. Is
                    er sprake van een vergunning voor het monument dan is overeenstemming tussen de
                    eigenaar en de vergunningverlener nodig. Overleg en overeenstemming betreffen de
                    wezenlijke belangen van de godsdienstuitoefening in het religieuze monument. Dat
                    betekent dat voor bijvoorbeeld een pastorie of catechisatieruimte deze bepaling
                    dan ook niet geldt.</al><al/><al><vet>Artikel 11. De schriftelijke aanvraag</vet></al><al>Een aanvraag voor een omgevingsvergunning kan op grond van het Bor zowel
                    digitaal als op papier worden ingediend. Een burger heeft de keuze tussen het
                    digitaal dan we schriftelijk aanvragen van de omgevingsvergunning. Voor
                    ondernemingen en personen met een zelfstandig beroep geldt in beginsel geen
                    keuzevrijheid, zij kunnen uitsluitend een aanvraag langs digitale weg indienen.
                    aangezien een aantal, met name kleinere, bedrijven nog niet over de benodigde
                    voorzieningen beschikken om een aanvraag digitaal in te dienen is in overleg met
                    diverse brancheorganisaties besloten om de verplichting na verloop van twee
                    jaren in werking te laten treden.</al><al>Het Bor bepaalt dat in het kader van de vermindering van de administratieve
                    lasten voor burgers en bedrijven het bevoegd gezag bij een schriftelijke
                    aanvraag maar maximaal 4 exemplaren van de aanvraag en de daarbij behorende
                    bescheiden mag opvragen. In bepaalde gevallen kan op grond van het derde lid van
                    artikel 4.2 Bor hiervan worden afgeweken. Er moet dan sprake zijn van twee of
                    meer adviezen of verklaringen van geen bedenkingen.</al><al/><al><vet> Artikel 12. Termijnen advies en vergunningverlening</vet></al><al>Op grond van artikel 3.7 Wabo is voor de voorbereiding van een
                    omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 10 de reguliere
                    voorbereidingsprocedure van toepassing. Het betreft hier een wijziging ten
                    opzichte van de oude model Erfgoedverordening. Op basis hiervan was op de
                    voorbereiding van deze vergunningaanvraag de uitgebreide openbare
                    voorbereidingsprocedure uit de Awb van toepassing verklaard. Op grond van de
                    Wabo is deze procedure niet meer nodig geacht voor de vergunning betreffende de
                    gemeentelijke monumenten. Echter indien er meerdere activiteiten voor het
                    project moeten worden uitgevoerd en voor één van de andere activiteiten de
                    uitgebreide openbare voorbereidingsprocedure op grond van de Wabo gevolg moet
                    worden dan wordt voor het hele project de uitgebreide openbare
                    voorbereidingsprocedure gevolgd. Uitgangspunt van de Wabo is dat altijd maar één
                    procedure geldt. Indien er sprake is van een samenloop van procedure geldt de
                    zwaarste procedure (de uitgebreide openbare voorbereidingsprocedure).</al><al>Aangezien veelal de reguliere procedure gevolgd zal worden is ervoor gekozen om
                    deze hieronder nader toe te lichten.</al><al>De reguliere voorbereidingsprocedure komt tegemoet aan één van de doelen van de
                    Wabo, namelijk het bevorderen van een snelle besluitvorming.</al><al>De reguliere voorbereidingsprocedure sluit voor het overgrote deel aan bij titel
                    4.1 van de Awb. De procedure vangt aan met een verplichte ontvangstbevestiging
                    van het indienen van een aanvraag. Het bevoegd gezag zendt de aanvrager nadat
                    het de aanvraag heeft ontvangen een bericht waarin het vermeldt dat zij bevoegd
                    gezag is, welke procedure zal worden doorlopen, de beslistermijn en de
                    beschikbare rechtsmiddelen en indien de reguliere procedure wordt gevolgd
                    vermeldt het bevoegd gezag tevens dat een beslissing van rechtswege is gegeven,
                    indien niet tijdig op de aanvraag is beslist. Indien de verstrekte gegevens en
                    bescheiden onvoldoende zijn voor de beoordeling van de aanvraag, stelt het
                    bevoegd gezag de aanvrager in de gelegenheid de aanvraag binnen de door hem
                    gestelde termijn aan te vullen. Het bevoegd gezag geeft van de aanvraag met
                    vermelding van de ontvangstdatum kennis in een of meer dag, nieuws- of
                    huis-aan-huisbladen of op een andere geschikte wijze. Het bevoegd gezag moet op
                    grond van artikel 3.9 Wabo binnen 8 weken een beslissing op de aanvraag nemen.
                    In deze periode moet het bevoegd orgaan eventuele belanghebbenden de
                    mogelijkheid geven om zienswijzen in te brengen (artikel 4:8 Awb).</al><al>Het bestuursorgaan kan bij verordening op grond van artikel 2.26, derde lid,
                    Wabo ‘andere instanties’ aanwijzen die in de gelegenheid worden gesteld advies
                    uit te brengen. Hierbij kan onder meer gedacht worden aan de commissie
                    ruimtelijke kwaliteit.</al><al>Voor het uitbrengen van advies is geen termijn opgenomen. Van belang is dat de
                    adviseur in de gelegenheid moet worden gesteld om advies uit te brengen. Het is
                    echter aan de adviseur om te bepalen of hij van deze gelegenheid gebruik wil
                    maken. Het uitbrengen van een advies staat het nemen van een besluit niet in de
                    weg. Wordt het advies niet binnen de gestelde termijn gegeven dan kan het
                    bevoegd gezag de procedure vervolgen. Het bevoegd gezag dient altijd de termijn
                    van 8 weken in acht te nemen. De termijn van 8 weken kan met ten hoogste zes
                    weken worden verlengd. Het bevoegde gezag dient hiervan op dezelfde manier
                    mededeling te doen als van de kennisgeving van de aanvraag. Deze verlenging van
                    6 weken is voornamelijk bedoeld om de adviseur meer tijd te geven voor het
                    uitbrengen van een advies.</al><al>Op grond van artikel 3.6 Awb dient het bestuursorgaan zelf een termijn te
                    stellen voor het uitbrengen van advies, indien dit niet reeds bij wettelijk
                    voorschrift is bepaald. Deze termijn mag niet zodanig kort zijn, dat de adviseur
                    zijn taak niet naar behoren kan vervullen. Gelet op de beslistermijn dient het
                    uitbrengen van het advies door de commissie ruimtelijke kwaliteit parallel te
                    lopen aan de beoordeling van de aanvraag door het bevoegde gezag. Dit parallel
                    lopen van het advies en de beoordeling gebeurt ook al in het kader van de
                    verlening van de evenementenvergunning waarbij een advies van de brandweer is
                    vereist.</al><al>Het definitieve besluit wordt gepubliceerd en zes weken ter inzage gelegd
                    waarbij het wordt opengesteld voor het indienen van bezwaar. Het besluit treedt
                    in werking met ingang van de dag na haar bekendmaking en wordt opgeschort totdat
                    de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift is verstreken.</al><al>In lid 3 van artikel 3.9 van de Wabo is een positieve fatale beslistermijn
                    opgenomen. Deze positieve fatale beslistermijn houdt in dat de overschrijding
                    van de beslistermijn leidt tot een omgevingsvergunning van rechtswege. De
                    omgevingsvergunning wordt conform de aanvraag verleend. Men spreekt ook wel van
                    de fictieve vergunningverlening. De bepalingen uit paragraaf 4.1.3.3 van de Awb
                    zijn van toepassing verklaard, met uitzondering van artikel 4:20b, derde lid en
                    4:20f. De van rechtswege verleende vergunning treedt in werking met ingang van
                    de dag na de bekendmaking en wordt opgeschort totdat de termijn voor het
                    indienen van een bezwaarschrift is verstreken of indien bezwaar is gemaakt, op
                    dit bezwaar is beslist.</al><al/><al><vet>Artikel 13. Weigeringsgronden </vet></al><al>De omgevingsvergunning wordt geweigerd, indien er strijd is met één van de
                    toetsingscriteria uit het bestaande toetsingskader. De afzonderlijke
                    toetsingskaders zijn onder de Wabo namelijk blijven bestaan. In het kader van
                    dit artikel moet worden afgewogen in hoeverre het belang van monumenten in het
                    geding is. Inhoudelijk kan aangegeven worden dat het belang van de
                    monumentenzorg zwaarder weegt dan andere belangen (bijvoorbeeld het economisch
                    belang). De tekst van het artikel geeft namelijk aan dat het belang van de
                    monumentenzorg zich niet tegen de vergunningverlening mag verzetten. Hierdoor
                    wordt de monumentenzorg centraal gesteld. De vergunning moet op grond van dit
                    artikel worden verleend in de gevallen dat het niet strijdig is met het belang
                    van de monumentenzorg.</al><al/><al><vet>Artikel 14. Intrekken van de vergunning</vet></al><al>Dit artikellid bevat de mogelijke gronden om een vergunning in te trekken. De
                    bepaling onder b heeft de volgende achtergrond: als de omstandigheden bij de
                    vergunninghouder ten aanzien van het monument wijzigen, dan zou het zo kunnen
                    zijn dat als er een nieuwe belangenafweging zou kunnen plaatsvinden, de belangen
                    van het monument behoren voor te gaan. In dat geval moet het bevoegd gezag
                    mogelijkheden hebben om de vergunning in te trekken.</al><al/><al><vet>Hoofdstuk 5. Instandhouding van archeologische terreinen</vet></al><al><vet>Artikel20. Instandhoudingbepaling</vet></al><al>De Wet op de archeologische monumentenzorg verplicht de raad om, bij de
                    vaststelling van een bestemmingsplan als bedoeld in artikel 3.1 van de Wet
                    ruimtelijke ordening, rekening te houden met de in de grond aanwezige dan wel te
                    verwachten monumenten. Het uitgangspunt van deze wet (voortvloeiend uit het
                    Verdrag van Malta) en daarmee ook van deze verordening, is daarom primair dat in
                    het bestemmingsplan, door middel van een gemeentelijke archeologische
                    waardenkaart, wordt vastgelegd waar zich archeologische waarden in de bodem
                    kunnen bevinden. Dit artikel voorziet in de behoefte aan een overgangsperiode
                    tot het moment dat een bestemmingplan ´Malta-proof´ is.</al><al/><al><cursief>Lid 1</cursief></al><al>Tot het moment dat een ´Malta-proof´-bestemmingsplan kan worden vastgesteld,
                    biedt deze verordening bij wijze van artikel 20 de nodige bescherming aan
                    archeologische waarden in de bodem. Het eerste lid van artikel 20 biedt
                    bescherming door het opgenomen verbod om dieper dan 50 cm de bodem te verstoren. </al><al/><al><cursief>Lid 2</cursief></al><al>In het tweede lid van artikel 20 worden een vijftal uitzonderingsmogelijkheden
                    gegeven op het eerste lid. Onderdeel a is niet van toepassing, indien de
                    verstoring plaats vindt in een archeologisch monument of verwachtingsgebied als
                    aangegeven op de landelijk of een provinciale archeologische waardenkaart. Een
                    gemeente kan van deze kaarten gebruik maken, indien het zelf nog niet beschikt
                    over een gemeentelijke archeologische waardenkaart. Deze waardenkaarten hanteren
                    over het algemeen een driedeling wat betreft de mate waarin archeologische
                    waarden in de bodem kunnen worden aangetroffen. Deze archeologische
                    verwachtingswaarden zijn vervolgens gekoppeld aan een aantal m2 te verstoren
                    verwachtingsgebied. Hoe lager de verwachte archeologische waarden, hoe groter
                    het aantal m2 kan zijn waarbinnen een verstoring mag plaatsvinden. Bij een hoge
                    verwachtingswaarde zal het aantal m2 waarbinnen een verstoring mag plaatsvinden
                    echter aanzienlijk kleiner zijn. Bij de bepaling van deze grenzen dient
                    voldoende rekening gehouden te worden met de vraag wat er binnen het
                    verwachtingsgebied aan archeologische sporen kan worden aangetroffen. In ieder
                    geval moet binnen de gehanteerde oppervlakte dusdanig zijn dat voldoende
                    informatie verkregen kan worden over de aard, het karakter en de datering van de
                    (mogelijk) in de bodem aan te treffen archeologische sporen. Om dezelfde reden
                    als in het eerste lid zijn ook in dit onderdeel geen standaardwaarden opgenomen,
                    zodat de lokale situatie hieraan een invulling moet geven.</al><al>Onderdeel b ziet op de situatie dat het bestemmingsplan wel up-to-date is als
                    bedoeld in de inleidende toelichting bij dit artikel. In dat geval biedt het
                    bestemmingplan, aan de hand van een bijbehorende archeologische waardenkaart,
                    voldoende bescherming aan de in de bodem aanwezige of te verwachten
                    archeologische waarden.</al><al>In onderdeel c worden een aantal mogelijkheden genoemd die voorheen in de Wet
                    ruimtelijke ordening waren opgenomen en nu in artikel 2.12 Wabo. Het gaat hier
                    om het oude projectbesluit, de oude binnenplanse ontheffing, de oude tijdelijke
                    ontheffing en de oude buitenplanse ontheffing (voorheen de artikelen 3.10, 3.22
                    en 3.23 Wro) Deze bepalingen zijn met de Invoeringswet Wabo komen te
                    vervallen.</al><al>Wel geldt nog steeds dat dergelijke besluiten tot stand kunnen komen doordat bij
                    de aanvraag voorschriften kunnen worden opgenomen met betrekking tot
                    archeologische waarden in het gebied waarvoor de aanvraag geldt. Aan de aanvraag
                    kan dan de voorwaarde worden verbonden dat een rapportage wordt overlegd waarin
                    de archeologische waarden van het te verstoren terrein in voldoende mate is
                    vastgesteld.</al><al>Onderdeel e ziet op situaties buiten de aanvraag als bedoeld in onderdeel c. Het
                    gaat hier in de eerste plaats om een verkapt vergunningstelsel ten behoeve van
                    het realiseren van een fysiek project. Er is voor gekozen om deze bepaling dan
                    ook onder de Wabo te laten vallen. Op grond van artikel 22 zijn de bepalingen
                    uit hoofdstuk 3 van overeenkomstige toepassing verklaard op de beoordeling van
                    het rapport door het bevoegd gezag.</al><al>Dit rapport kan ook in de nadere regels onder d worden gevraagd en komt overeen
                    met de mogelijkheid in artikel 39, lid 2, van de Monumentenwet 1988 in geval van
                    een bestemmingsplan in de geest van het Verdrag van Malta.</al><al>Als laatste wordt in het rijtje het onderdeel d toegelicht. Op grond van dit
                    artikel kan het college nadere regels stellen wat betreft de eisen aan de
                    uitvoering van de bodemverstorende werkzaamheden in een archeologisch monument
                    of verwachtingsgebied. Vooruitlopend op een ´Malta-proof’ bestemmingsplan´
                    kunnen deze nadere regels inhoudelijk aansluiten op de situatie dat (in een
                    bestemmingsplan waarin een archeologische paragraaf is opgenomen) de verstorende
                    werkzaamheden worden uitgevoerd aan de hand van een aanlegvergunning, waarin
                    vereisten betreffende de bescherming van archeologische waarden zijn opgenomen,
                    een en ander conform de handreiking van de VNG ‘Verder met Valletta’.</al><al/><al><vet>Artikel 21. Opgravingen en begeleiding </vet></al><al>Om de regierol goed te kunnen uitoefenen dient het college een programma van
                    eisen op te stellen waarmee de kaders worden gesteld voor het ontwerp en de
                    uitvoering van archeologisch onderzoek (lid 1, onder a). Vervolgens wordt van de
                    opgraver verwacht dat hij in een plan van aanpak weergeeft hoe hij specifiek de
                    gestelde kaders, zoals omschreven in het programma van eisen, denkt te gaan
                    invullen (lid 1, onder b). Ook hier is sprake van een verkapt vergunningstelsel
                    ten behoeve van de realisering van een fysiek project. Net als bij onderdeel e,
                    van het tweede lid van artikel 20 is ervoor gekozen om deze bepaling onder de
                    werking van de Wabo te laten vallen. Op grond van de leden 2 en 3 kunnen
                    vervolgens nadere regels worden gesteld met betrekking tot de feitelijke
                    uitvoering (en het toezicht daarop) en de beoordeling van het plan van
                    aanpak.</al><al/><al><vet>Artikel 22. Procedure </vet></al><al> Zoals hierboven al is aangegeven is er bij artikel 20, tweede lid, onder e en
                    artikel 21, eerste lid, onder b sprake van een verkapt vergunningstelsel en de
                    uitvoering van een fysiek project. Om deze reden is de Wabo van toepassing
                    verklaard. De bepalingen uit de artikelen 11, 12, 13, 14 en 15, welke zien op de
                    verlening van de omgevingsvergunning voor gemeentelijke monumenten, kunnen
                    derhalve van overeenkomstige toepassing worden verklaard. Voor de toelichting
                    wordt verwezen naar de artikelgewijze toelichting bij deze artikelen.</al><al/><al/><al><vet>Hoofdstuk 6. Overige bepalingen </vet></al><al><vet>Artikel 23. Tegemoetkoming in schade </vet></al><al>De Afdeling rechtspraak van de Raad van State heeft uitgemaakt dat de
                    Erfgoedverordening zonder een schadevergoedingsregeling rechtsgeldig is (BR
                    86,604). Voor het archeologische deel van de verordening dient echter, op grond
                    van de Wet op de Archeologische monumentenzorg, wel een
                    schadevergoedingsregeling in de verordening opgenomen te worden. De
                    rijksregeling voor excessieve opgravingkosten is ingaande 2009 niet meer van
                    toepassing. Het veroorzaker-betaalt- principe, zoals dat in de memorie van
                    toelichting van de Wet op de Archeologische monumentenzorg is verwoord, staat
                    bij de afweging tot toekenning van schadevergoeding voorop en geldt voor alle
                    genoemde onderdelen (a t/m e). De gemeente zal zelf per geval moeten afwegen wat
                    ‘redelijk’ of ‘buitenproportioneel’ is. In deze modelverordening is gekozen voor
                    een schadevergoedingsbepaling, waarin de specifieke gevallen zijn opgenomen op
                    grond waarvan het bevoegd gezag mogelijk een schadevergoeding aan een
                    belanghebbende dient toe te kennen.</al><al>Lid 2 van deze bepaling is ten opzichte van de vorige model-erfgoedverordening
                    geschrapt. Er is geen procedure voorgeschreven voor het bepalen van de
                    tegemoetkoming. De procedure op grond van afdeling 6.1 Wro jo. afdeling 6.1 Bro
                    kan worden toegepast, echter alvorens daartoe te besluiten is het zinvol een
                    inschatting te maken van de schade ten opzichte van de kosten en omvang van deze
                    procedure.</al><al/><al><vet>Artikel 24. Strafbepaling </vet></al><al>Deze strafbepaling is met de komst van de Wabo alleen nog van toepassing op de
                    nadere voorschriften die het college kan stellen op grond van artikel 10, derde
                    lid en artikel 20, met uitzondering van het tweede lid, onder e. De
                    strafbaarstelling van de omgevingsvergunning voor gemeentelijke monumenten is
                    geregeld in de Wet economische delicten (Wed). Het handelen zonder vereiste
                    omgevingsvergunning of in strijd met de voorschriften daarvan wordt aangemerkt
                    als economisch delict.</al><al>Voor de strafbaarstelling van de nadere regels geldt dat artikel 154, lid 1, van
                    de Gemeentewet aan de raad een keuzemogelijkheid laat om op overtreding van
                    verordeningen straf te stellen, maar geen andere of zwaardere dan hechtenis van
                    ten hoogste drie maanden of geldboete van de tweede categorie, al dan niet met
                    openbaarmaking van de rechterlijke uitspraak. In artikel 23 van het Wetboek van
                    Strafrecht zijn de geldboetecategorieën opgenomen. De op te leggen boete voor
                    strafbare feiten in de eerste categorie is maximaal € 370,- (januari 2008); in
                    de tweede categorie maximaal € 3700,- (januari 2008). Het is de gemeente niet
                    toegestaan om een hogere geldboete op te nemen dan in genoemde categorieën.</al><al>Op gemeentelijk niveau is, gelet op de ernst van dit vergrijpen de wens om enige
                    preventieve werking te bereiken, de keuze voor de geldboete van de tweede
                    categorie of een hechtenis van drie maanden voor het overtreden van de nadere
                    regels voor de hand liggend.</al><al/><al><vet>Artikel 25. Toezichthouders </vet></al><al>In dit artikel worden toezichthouders aangewezen overeenkomstig modelbepaling
                    90.M van de Aanwijzingen voor de decentrale regelgeving. Het is de bedoeling dat
                    bij het eerste lid, onder a en b, functies van de ambtenaren die belast zijn met
                    de opsporing worden ingevuld. Het aanwijzen van toezichthouders ingevolge het
                    tweede lid kan door het college geschieden. Deze aanwijzingsbevoegdheid staat
                    los van de vergunningverlening en valt derhalve buiten het bereik van de
                    Wabo.</al><al>De basis voor deze aanwijzingsbevoegdheid wordt gevonden in hoofdstuk 5 van de
                    Awb, waarin algemene regels worden gegeven voor de bestuursrechtelijke
                    handhaving van algemeen geldende rechtsregels en individueel geldende
                    voorschriften. Toezichthouders worden in artikel 5:11 Awb omschreven als zijnde
                    personen, die bij of krachtens wettelijk voorschrift belast zijn met het houden
                    van toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens enig wettelijk
                    voorschrift, zodat de aanwijzing van toezichthouders derhalve in de
                    Erfgoedverordening kan plaatsvinden.</al><al>In artikel 5:13 Awb is het evenredigheidsbeginsel neergelegd, wat inhoudt dat
                    een toezichthouder zijn bevoegdheid slechts mag uitoefenen voor zover dit
                    redelijkerwijs voor de vervulling van zijn taak noodzakelijk is. Een
                    toezichthouder kan daarom niet te allen tijde gebruik maken van alle
                    bevoegdheden die in de Awb standaard aan toezichthouders worden toegekend.
                    Steeds zal de afweging gemaakt moeten worden of het voor de vervulling van zijn
                    taak redelijkerwijs noodzakelijk is. Bepalend hiervoor is de aard van het
                    voorschrift op de naleving waarvan een toezichthouder moet toezien.</al><al>Op basis van artikel 5:15 Awb is een toezichthouder bevoegd elke plaats te
                    betreden met uitzondering van woningen zonder toestemming van de bewoner.
                    'Plaatsen' is daarbij een ruim begrip en omvat niet alleen erven en andere
                    terreinen, maar ook gebouwen (niet-woningen). Nadrukkelijk zij hier vermeld dat
                    het college op grond van dit artikel niet zelf opsporingsambtenaren aanwijst als
                    bedoeld in artikel 141 Strafvordering. Dat kan en hoeft het college ook niet te
                    doen aangezien artikel 142 lid 1 sub c Wetboek van Strafvordering regelt dat bij
                    verordening aangewezen toezichthouders ook opsporingsbevoegdheid toekomt. Deze
                    buitengewone opsporingsambtenaren hebben in de regel een opsporingsbevoegdheid
                    voor een beperkt aantal strafbare feiten</al><al/><al><vet>Hoofdstuk 7. Slotbepalingen </vet></al><al/><al><vet>Artikel 26. Intrekken oude regeling </vet></al><al>Dit artikel regelt de intrekking van de oude monumentenverordening, zodat niet
                    twee verordeningen van kracht zijn die hetzelfde onderwerp regelen. Het
                    uitdrukkelijk intrekken van een oude regeling mag niet achterwege worden gelaten
                    met een beroep op het beginsel dat een vroegere regeling ter zijde wordt gesteld
                    door een latere regeling.</al><al/><al><vet>Artikel 27. Overgangsrecht</vet></al><al>In de praktijk blijkt het overgangsrecht vaak problemen te geven. Indien
                    bijvoorbeeld een regeling wordt ingetrokken, is het niet altijd duidelijk welke
                    gevolgen de intrekking moet hebben voor op die regeling gebaseerde
                    beschikkingen. Vanwege de rechtszekerheid en de eerbiediging van bestaande
                    rechten is daarom in deze verordening een overgangsbepaling opgenomen. De
                    bestaande rechten betreffen in dit geval de aanwijzing tot monument (artikel 3)
                    en de vergunning verlening (artikel 10).</al><al>In het eerste lid worden de op grond van de oude verordening op de gemeentelijke
                    monumentenlijst voorkomende monumenten geacht te zijn aangewezen en
                    geregistreerd overeenkomstig deze nieuwe verordening. In het tweede lid is
                    geregeld dat aanvragen om een omgevingsvergunning voor gemeentelijke monumenten,
                    die zijn ingediend vóór het van kracht worden van deze verordening, worden
                    afgehandeld op grond van de oude verordening. Voor een bepaalde overgangsperiode
                    zullen er dus twee procedures gelden. </al><al/><al><vet>Artikel 28. Inwerkingtreding </vet></al><al>De inwerkingtreding van deze verordening en het vervallen van de oude
                    verordening is op 1 november 2015.</al><al/><al><vet>Artikel 29. Citeertitel </vet></al><al>Dit artikel noemt de naam van de verordening.</al><al/><al/></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>