<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR372780_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Re-integratieverordening Participatiewet gemeente Delft 2015</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Delft</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-01-05</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Delft</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Gemeenteblad, 23-06-2015, nr 55829</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Re-integratieverordening Participatiewet gemeente Delft 2015</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">art. 8a Participatiewet</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2015-06-04</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2015-06-24</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:terugwerkendekrachtDatum>2015-01-01</overheidrg:terugwerkendekrachtDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2018-01-06</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Onbekend</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Re-integratieverordening Participatiewet gemeente Delft 2015</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente Delft;</al><al>heeft het voorstel gelezen van burgemeester en wethouders dd. 31 maart
                        2015;</al><al>en houdt rekening met artikel 6, 8 en 8a van de Participatiewet, artikel 35
                        van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte
                        werknemers, artikel 35 van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                        arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen </al><al>en</al><al>en houdt rekening met de Verordening (EG) Nr. 8000/2008 van de Europese
                        Commissie van 6 augustus 2008, betreffende de toepassing van artikelen 87 en
                        88 van het EG-verdrag van werkgelegenheidssteun</al><al>en besluit</al><al>de ‘Re-integratieverordening Participatiewet gemeente Delft 2015’ vast te
                        stellen</al><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>1</nr><titel>ALGEMENE BEPALINGEN.</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsbepalingen .</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Deze verordening verstaat onder:</al><lijst><li nr="a."><al>de wet: Participatiewet; </al></li><li nr="b."><al>het college: het college van burgemeester en wethouders
                                            van de gemeente Delft; </al></li><li nr="c."><al>de doelgroep: personen als bedoeld in artikel 7, eerste
                                            lid onder a van de wet. </al></li><li nr="d."><al>een uitkeringsgerechtigde: persoon vanaf 18 jaar tot de
                                            pensioengerechtigde leeftijd, die algemene bijstand
                                            ontvangt, ingevolge de wet, de Wet inkomensvoorziening
                                            oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze
                                            werknemers (Ioaw) of de Wet inkomensvoorziening oudere
                                            en gedeeltelijk arbeids-ongeschikte gewezen
                                            zelfstandigen (Ioaz); </al></li><li nr="e."><al>een niet-uitkeringsgerechtigde: persoon, jonger dan de
                                            pensioengerechtigde leeftijd, die geen recht heeft op
                                            een uitkering of arbeidsondersteuning op grond van de
                                            wet, of op grond van de overige wetten, zoals opgenomen
                                            in artikel 6, eerste lid onderdeel a van de wet. Met een
                                            niet-uitkeringsgerechtigde wordt gelijkgesteld de
                                            persoon die arbeid verricht waarmee volledig in de
                                            kosten van het bestaan kan worden voorzien, doch
                                            waarvoor een vorm van subsidie aan de werkgever wordt
                                            verleend. Van toepassing is artikel 10, tweede lid van
                                            de wet; </al></li><li nr="f."><al>een Anw-gerechtigde: persoon die een nabestaanden- of
                                            halfwezen uitkering ontvangt op grond van de Algemene
                                            nabestaandenwet (Anw); </al></li><li nr="g."><al>een belanghebbende: persoon die overeenkomstig artikel
                                            10 van de wet aanspraak kan maken op een voorziening;
                                        </al></li><li nr="h."><al>een arbeidsbeperkte: persoon van wie door het
                                            Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV) is
                                            vastgesteld dat hij niet in staat is tot het verdienen
                                            van het wettelijke minimumloon; </al></li><li nr="i."><al>de loonwaarde: waarde van de prestatie die de werknemer
                                            levert op de werkvloer in verhouding tot die van een
                                            reguliere werknemer in dezelfde functie. Van toepassing
                                            is artikel 6, eerste lid onderdeel g van de wet;</al></li><li nr="j."><al>een participatieplaats: een participatieplaats als
                                            bedoeld in artikel 10a van de wet; </al></li><li nr="k."><al>beschut werk: werk in een beschutte omgeving en onder
                                            aangepaste omstandigheden als bedoeld in artikel 10b van
                                            de wet;</al></li><li nr="l."><al>sociale activering: het verrichten van onbeloonde
                                            maatschappelijk zinvolle activiteiten gericht op
                                            arbeidsinschakeling of, als arbeidsinschakeling nog niet
                                            mogelijk is, op zelfstandige maatschappelijke
                                            participatie.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Alle begrippen die in deze verordening staan en die niet
                                            nader zijn omschreven, hebben dezelfde betekenis als in
                                            de Participatiewet, de Algemene wet bestuursrecht of de
                                            overige in deze verordening aangehaalde wetten.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Opdracht aan het college.</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college ondersteunt de doelgroep en biedt een voorziening die
                                gericht is op arbeidsinschakeling of, als dat doel niet of nog niet
                                bereikbaar is, sociale activering. Artikel 40, lid 1 van de wet en
                                artikel 11 van de IOAW/IOAZ is hierop ook van toepassing.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Bij het aanbieden van een voorziening maakt het college een
                                afweging, waarbij het beoordeelt of de voorziening het doelmatigst
                                is met het oog op arbeidsinschakeling. Hierbij houdt het college
                                rekening met de mogelijkheden en capaciteiten van de
                                belanghebbende.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college houdt bij het aanbieden van de in deze verordening
                                opgenomen voorzieningen rekening met de omstandigheden en
                                functionele beperkingen van de belanghebbende. De omstandigheden
                                hebben in ieder geval betrekking op zorgtaken van die belanghebbende
                                en de mogelijkheid dat hij behoort tot de doelgroep
                                loonkostensubsidie, zoals bedoeld in artikel 9, of gebruik maakt van
                                de voorziening beschut werk, zoals bedoeld in artikel 13. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college stelt nadere regels vast wat wordt verstaan onder
                                zorgtaken als bedoeld in het derde lid.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het college kan bij het bepalen van de wijze waarop de ondersteuning
                                aan belanghebbenden wordt vormgegeven, prioriteiten stellen in
                                verband met de beschikbare financiële middelen en de
                                maatschappe-lijke, economische en conjuncturele ontwikkelingen.
                            </al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Uitvoering van dit artikel vindt plaats binnen de middelen die de
                                raad daarvoor beschikbaar stelt.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>Aanspraak.</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De doelgroep heeft aanspraak op ondersteuning bij
                                arbeidsinschakeling en op een voorziening, als het college de inzet
                                daarvan noodzakelijk acht. Het college bepaalt welke voorziening of
                                combinatie van voorzieningen wordt aangeboden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het eerste lid is in de eerste vier weken na de melding om bijstand
                                aan te vragen, bedoeld in artikel 44 van de wet, niet van toepassing
                                op belanghebbenden zoals bedoeld in artikel 41, vierde lid,
                                onderdeel a of b van de wet.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De aanspraak op een voorziening is beperkt tot personen die
                                woonplaats hebben in de gemeente Delft. Wijzigt de woonplaats van de
                                belanghebbende na aanvang van een voorziening, dan is het college
                                bevoegd te bepalen of de voorziening toch kan worden voortgezet. Van
                                toepassing is artikel 40, eerste lid van de wet en artikel 11 van de
                                IOAW/IOAZ.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Er bestaat geen aanspraak op ondersteuning of een voorziening, als
                                er sprake is van een voorliggende voorziening die naar het oordeel
                                van het college in voldoende mate bijdraagt aan de re-integratie van
                                de aanvrager.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het college kan een of meer subsidie- of budgetplafonds vaststellen
                                voor de verschillende voorzieningen. Een door het college ingesteld
                                subsidie- of budgetplafond kan een reden zijn om aanspraak op een
                                specifieke voorziening te weigeren.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Beleidskaders.</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Periodiek, maar ten minste één keer per vier jaar, legt het college
                                beleidskaders voor aan de raad om vast te stellen. Daarin komen in
                                ieder geval de aard, de omvang en het financiële kader van de aan te
                                bieden voorzieningen aan de orde.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Periodiek, maar ten minste één keer per vier jaar, rapporteert het
                                college aan de raad over de wijze waarop, en de mate waarin
                                beleidskaders, zoals bedoeld in het eerste lid, zijn
                                uitgevoerd.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>2.</nr><titel>VOORZIENINGEN.</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Algemene bepalingen over voorzieningen.</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In de beleidskaders zoals bedoeld in artikel 4 wordt vastgelegd
                                welke voorzieningen het college in ieder geval kan aanbieden. Ook
                                staan hierin de voorwaarden die daarbij gelden voor zover daarover
                                in deze verordening geen nadere bepalingen zijn opgenomen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een voorziening wordt alleen ingezet, als het volgens het college
                                niet mogelijk is zonder die voorziening algemeen geaccepteerde
                                arbeid te vinden of terug te keren naar onderwijs dat het Rijk
                                bekostigt.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Bij de inzet van voorzieningen kiest het college voor die
                                voorziening die beschikbaar, adequaat en toereikend is voor het doel
                                dat daarmee beoogd wordt.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college kan een voorziening beëindigen, als:</al><lijst><li nr="a."><al>de persoon die aan de voorziening deelneemt, zijn
                                        verplichtingen zoals bedoeld in artikel 9 en 17 van de wet,
                                        artikelen 13 en 37 van de IOAW/IOAZ niet nakomt;</al></li><li nr="b."><al>de persoon die deelneemt aan de voorziening, niet meer
                                        behoort tot de doelgroep van de wet, de IOAW of de
                                        IOAZ;</al></li><li nr="c."><al>de persoon algemeen geaccepteerde arbeid aanvaardt en
                                        hierdoor niet meer afhankelijk is van een uitkering;</al></li><li nr="d."><al>naar het oordeel van het college de voorziening onvoldoende
                                        bijdraagt aan de arbeidsinschakeling.</al></li><li nr="e."><al>de voorziening niet langer noodzakelijk is voor
                                        arbeidsinschakeling of daaraan niet blijkt bij te
                                        dragen;</al></li><li nr="f."><al>belanghebbende of werkgever onvoldoende medewerking verleent
                                        aan de tenuitvoerlegging van de voorziening;</al></li><li nr="g."><al>de voorziening anderszins niet langer noodzakelijk is. </al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Proefplaatsing.</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan aan een belanghebbende toestaan om, indien van
                                toepassing met behoud van uitkering, op proef werkzaamheden te laten
                                verrichten bij een werkgever, die daadwerkelijk de intentie heeft om
                                een dienstverband met de belanghebbende aan te gaan, maar die in de
                                dagelijkse praktijk wil toetsen of de belanghebbende geschikt
                                is.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college stelt nadere regels vast voor de voorwaarden die aan de
                                proefplaatsing zijn verbonden.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel>Werken met behoud van uitkering.</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan aan een belanghebbende toestaan met behoud van
                                uitkering activiteiten te verrichten bij een werkgever.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college stelt nadere regels vast voor de voorwaarden die aan het
                                werken met behoud van uitkering zijn verbonden.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.</nr><titel>Werkgeverscheque.</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan een financiële tegemoetkoming in de vorm van een
                                werkgeverscheque verstrekken aan werkgevers, die met een
                                belanghebbende een arbeidsovereenkomst sluiten die gericht is op
                                arbeids-inschakeling in een reguliere setting. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college stelt nadere regels vast voor de uitvoering van het
                                bepaalde in het eerste lid. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.</nr><titel>Loonwaarde en loonkostensubsidie.</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan ambtshalve of naar aanleiding van een schriftelijke
                                aanvraag vaststellen of de belang-hebbende die arbeidsmogelijkheden
                                heeft, niet in staat is het wettelijk minimumloon te verdienen en
                                daarmee behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie, als bedoeld in
                                artikel 6, eerste lid, onderdeel e van de wet. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan advies inwinnen over het oordeel of de
                                belanghebbende tot de doelgroep Loonkosten-subsidie behoort. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college stelt de loonwaarde van de belanghebbende vast, indien
                                een werkgever voornemens is met deze persoon een dienstbetrekking
                                aan te gaan.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Bij de vaststelling van de loonwaarde neemt het college in
                                aanmerking of sprake is van beperkingen van lichamelijke,
                                verstandelijke, psychische of andere aard, die naar verwachting
                                leiden tot een arbeids-prestatie met een loonwaarde van niet meer
                                dan 80% van het wettelijk minimumloon. </al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Bij de vaststelling van de loonwaarde betrekt het college opgaven en
                                inlichtingen van de belanghebbende en de werkgever, en/of de
                                praktijkervaringen van de belanghebbende, bijvoorbeeld tijdens een
                                stage of proefplaatsing, indien deze vooraf zijn gegaan aan de
                                arbeidsovereenkomst bij dezelfde werkgever.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Het college maakt gebruik van een objectief loonwaardenmeetsysteem
                                voor het beoordelen of de belanghebbende tot de doelgroep
                                loonkostensubsidie behoort. </al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>Het college bepaalt de loonkostensubsidie nadat de hoogte van de
                                loonwaarde is vastgesteld. </al></lid><lid><lidnr>8.</lidnr><al>De loonkostensubsidie bedraagt het verschil tussen de loonwaarde en
                                het wettelijk minimumloon en bedraagt maximaal 70% van het wettelijk
                                minimum loon, vermeerderd met een bij ministeriële regeling nader te
                                bepalen vergoeding voor werkgeverslasten. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.</nr><titel>Begeleiding op de werkplek.</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Belanghebbenden die behoren tot de doelgroep van de
                                loonkostensubsidie, zoals bedoeld in artikel 6, eerste lid,
                                onderdeel e van de wet, hebben op grond van artikel 10da van de wet
                                aanspraak op begeleiding op de werkplek. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college geeft, in overleg met de werkgever, nadere invulling aan
                                de vorm en inhoud van deze begeleiding. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11.</nr><titel>No-riskpolis.</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan een werkgever in aanmerking laten komen voor een
                                verzekeringspolis, die de loonkosten dekt over een periode waarin de
                                werknemer arbeidsongeschikt is, indien deze werkgever een werknemer
                                in dienst neemt die behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie, of
                                die een verhoogd risico heeft op verzuim, voor zover belanghebbende
                                niet in aanmerking komt voor de no-riskpolis van het UWV. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college stelt nadere regels vast voor de uitvoering van het
                                bepaalde in het eerste lid. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.</nr><titel>Werkvoorzieningen.</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan aan de belanghebbende, die arbeid verricht of gaat
                                verrichten, werkvoorzieningen toekennen die strekken tot behoud,
                                herstel of bevordering van de mogelijkheid tot het verrichten van
                                arbeid. Onder werkvoorzieningen worden verstaan:</al><lijst><li nr="a."><al>vervoersvoorzieningen die er toe strekken dat de
                                        belanghebbende zijn werkplek kan bereiken;</al></li><li nr="b."><al>hulpmiddelen voor belanghebbenden met o.a. een visuele, of
                                        motorische handicap;</al></li><li nr="c."><al>hulpmiddelen voor het geschikt maken van de arbeidsplaats,
                                        voorzieningen ten behoeve van de productie- en werkmethoden
                                        en op het individu afgestemde hulpmiddelen;</al></li><li nr="d."><al>jobcoaching bij het verrichten van de aan belanghebbende
                                        opgedragen taken.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan nadere regels stellen inzake de aard, inhoud en
                                omvang van de voorzieningen. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13.</nr><titel>Beschut werk.</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan de voorziening beschut werk aanbieden aan de
                                belanghebbende die door een lichamelijke, verstandelijke of
                                psychische beperking een zodanige mate van begeleiding op en
                                aanpassingen van de werkplek nodig heeft, dat van een reguliere
                                werkgever niet kan worden verwacht dat hij deze belanghebbende in
                                dienst neemt. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college maakt ter uitvoering van het eerste lid van dit artikel
                                een voorselectie uit de groep belang-hebbenden, zoals bedoeld in
                                artikel 3, derde lid van deze verordening. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college vraagt, indien uitzicht bestaat op een dienstbetrekking
                                in het kader van beschut werk, op grond van artikel 10b, tweede lid
                                van de wet, het UWV om een advies of de belanghebbende uitsluitend
                                in een beschutte omgeving onder aangepaste omstandigheden
                                mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De voorzieningen, genoemd in de artikelen 11 en 12, kunnen tezamen
                                met de voorziening beschut werk worden aangeboden. </al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het college stelt jaarlijks het aantal te realiseren beschutte
                                werkplekken en de benodigde financiering vast. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14.</nr><titel>Participatieplaats.</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan een belanghebbende van 27 jaar of ouder,
                                overeenkomstig artikel 10a van de wet onbeloonde additionele
                                werkzaamheden laten verrichten. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college stelt nadere regels vast ter uitvoering van lid 1. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15.</nr><titel>Persoonsgebonden Re-integratiebudget.</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan aan personen die behoren tot de doelgroep, een
                                subsidie verstrekken in de vorm van een op arbeidsinschakeling
                                gericht persoonsgebonden re-integratiebudget.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college stelt nadere regels vast voor de uitvoering van dit
                                artikel.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>3.</nr><titel>OVERIGE BEPALINGEN.</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16.</nr><titel>Premies.</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan een premie toekennen aan personen die behoren tot de
                                doelgroep.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college stelt nadere regels vast voor de hoogte en de
                                verplichtingen die aan de premie worden verbonden.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17.</nr><titel>Eigen bijdrage.</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan bepalen dat een persoon die geen
                                uitkeringsgerechtigde is, een eigen bijdrage moet betalen voor de
                                ondersteuning en voorziening die hij ontvangt. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college stelt de wijze waarop vast, de gevallen waarin en de
                                voorwaarden waaronder het deze eigen bijdrage oplegt.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18.</nr><titel>Terugvordering.</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien het college een voorziening heeft aangeboden aan een
                                niet-uitkeringsgerechtigde of een Anw-gerechtigde, kan het college
                                de kosten van de voorziening geheel of gedeeltelijk van de
                                belanghebbende terugvorderen, indien:</al><lijst><li nr="a."><al>de voorziening is verleend op basis van onjuist verstrekte
                                        gegevens; of</al></li><li nr="b."><al>de belanghebbende zijn verplichtingen niet is nagekomen;
                                        of</al></li><li nr="c."><al>de voorziening anderszins naar het oordeel van het college
                                        onverschuldigd is betaald. </al></li></lijst></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>4.</nr><titel>SLOTBEPALINGEN.</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19.</nr><titel>Bevoegdheid college.</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In alle gevallen waarin deze verordening niet voorziet, beslist het
                                college.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan in bijzondere gevallen afwijken van deze
                                verordening, als zij vindt dat de strikte toepassing ervan
                                onrechtvaardig is. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>20.</nr><titel>Hardheidsclausule.</titel></kop><al>1.Het college kan in individuele gevallen afwijken van de bepalingen in
                            deze verordening. Dit kan als de toepassing daarvan tot onbillijkheden
                            leidt. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>21.</nr><titel>Intrekken oude verordening en overgangsrecht.</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Per 1 januari 2015 komt de ‘Re-integratieverordening WWB, IOAW en
                                IOAZ 2012’ te vervallen. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De belanghebbende houdt recht op lopende voorzieningen verstrekt op
                                grond van de ‘Re-integratie-verordening WWB, IOAW en IOAZ 2012’,
                                totdat het college in het individuele geval een nieuw besluit heeft
                                genomen. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>22.</nr><titel>Ingangsdatum en citeertitel.</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Deze verordening gaat in op de dag na bekendmaking en werkt
                                    terug tot en met 1 januari 2015.</al></li><li nr="2."><al>Deze verordening kan worden aangehaald als
                                    ‘Re-integratieverordening Participatiewet gemeente Delft 2015’.
                                </al></li></lijst></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 4 juni 2015.</ondertekening><ondertekening>mr. drs. G.A.A. Verkerk ,burgemeester.</ondertekening><ondertekening>drs. R.G.R. Jeene ,griffier.</ondertekening></regeling-sluiting><nota-toelichting><al><vet>ALGEMENE TOELICHTING</vet></al><al>Het college is verantwoordelijk voor de re-integratie van
                            uitkeringsgerechtigden, niet-uitkerings-gerechtigden en
                            Anw-gerechtigden. Het nieuwe artikel 8a van de Participatiewet verplicht
                            de raad bij verordening regels vast te stellen over welke voorzieningen
                            het college aanbiedt en wie onder welke voorwaarden voor die
                            voorzieningen in aanmerking komen. De raad is verplicht in ieder geval
                            regels te stellen met betrekking tot:</al><lijst><li nr="·"><al>de scholing of opleiding, zoals bedoel in artikel 10a, vijfde
                                    lid van de Participatiewet; </al></li><li nr="·"><al>de premie, bedoeld in artikel 10a, zesde lid van de
                                    Participatiewet;</al></li><li nr="·"><al>de participatievoorziening beschut werk, zoals bedoeld in
                                    artikel 10b van de Participatiewet; en</al></li><li nr="·"><al>voor welke vergoedingen naar hoogte en duur een werkgever in
                                    aanmerking komt bij ziekte van de werknemer die een structurele
                                    functionele of andere beperking heeft of ten behoeve van wie die
                                    werkgever een loonkostensubsidie als bedoeld in artikel 10d
                                    ontvangt (de no-riskpolis). </al></li></lijst><al/><al>Daarnaast verplicht artikel 6, tweede lid van de Participatiewet de raad
                            bij verordening regels te stellen over de doelgroep loonkostensubsidie
                            en de loonwaarde. Deze regels bepalen in ieder geval de wijze waarop
                            wordt vastgesteld wie er tot de doelgroep loonkostensubsidie behoort en
                            de wijze waarop de loonwaarde wordt vastgesteld. Gekozen is deze regels
                            met betrekking tot de loonkostensubsidie en de loonwaarde integraal op
                            te nemen in de re-integratieverordening. </al><al/><al>Het ondersteunen bij de arbeidsinschakeling en het zo nodig aanbieden
                            van voorzieningen is gericht op de kortste weg naar algemeen
                            geaccepteerde arbeid. Het college stelt vast welke voorziening voor wie
                            het meest geschikt is om het beoogde doel te behalen. Het uitgangspunt
                            is een evenwichtige inzet van instrumenten, met lichtere instrumenten
                            voor degenen met een korte afstand tot de arbeidsmarkt en zwaardere
                            instrumenten voor diegenen, die deze het meeste nodig hebben. Voor de
                            belanghebbenden die niet binnen redelijke termijn bemiddeld kunnen
                            worden naar algemene geaccepteerde arbeid, zet het college in op
                            duurzaam participeren in de maatschappij, bijvoorbeeld door het
                            verrichten van vrijwilligerswerk. </al><al>Bij de inzet van de re-integratievoorzieningen is er aandacht voor alle
                            in de Participatiewet te onderscheiden doelgroepen en de daarbinnen te
                            onderscheiden subgroepen. Dit leent zich niet voor het formuleren van
                            gedetailleerde regels die op iedere situatie van toepassing zijn. Het is
                            afhankelijk van iemands mogelijkheden en beperkingen wat in het concrete
                            geval een passend re-integratietraject is. Verder speelt een rol dat de
                            arbeidsmarkt niet statisch is. Er doen zich continu ontwikkelingen voor,
                            die om flexibele inzet van re-integratievoorzieningen vragen. Daarom
                            wordt in deze verordening in diverse onderdelen opgenomen dat het
                            college de bevoegdheid heeft om nadere regels te maken bij het inzetten
                            van deze voorzieningen.</al><al/><al>De wetgever heeft bepaald dat binnen elke arbeidsmarktregio een set aan
                            basisvoorzieningen moet komen, voor ondersteuning aan werkgevers en
                            werkzoekenden bij de plaatsing op een baan. Delft maakt samen met de
                            gemeenten Den Haag, Rijswijk, Midden-Delfland en Westland onderdeel uit
                            van de arbeidsmarktregio Haaglanden. Binnen deze arbeidsmarktregio is
                            het geheel aan voorzieningen die aan werkgevers kunnen worden toegekend,
                            gezamenlijk vormgegeven in de regionale toolbox. Hierbij is tevens de
                            afstemming gezocht met de aangrenzende arbeidsmarktregio
                            Zuid-Holland-Centraal (ZHC) en zijn de voorzieningen waar mogelijk
                            afgestemd met die van het Uitvoeringsinstituut Werknemers-verzekeringen
                            (hierna: UWV). Zie voor meer informatie over de regionale toolbox de
                            toelichting op artikel 5.</al><al/><al><vet>ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING</vet></al><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Begrippen.</titel></kop><al>Begrippen die al omschreven zijn in de Participatie-wet en de Algemene
                            wet bestuursrecht worden niet afzonderlijk toegelicht in deze
                            verordening. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Opdracht aan het college.</titel></kop><al>Het college is verantwoordelijk voor het geven van
                            re-integratieondersteuning gericht op arbeids-inschakeling. Dit is alle
                            hulp die het college een persoon kan bieden om (weer) aan het werk te
                            komen. Voor iemand die jonger is dan 27 jaar, kan dat ook hulp zijn om
                            terug naar school te gaan. Het gaat dan om onderwijs dat door het Rijk
                            wordt gefinancierd. Deze ondersteuning legt het college vast in een
                            traject: een route om (weer) aan het werk of terug naar school te gaan.
                            Het college is uiteindelijk verantwoordelijk voor de inhoud van het
                            traject.</al><al>Belanghebbenden hebben recht op re-integratie-ondersteuning, maar het
                            college bepaalt op welke manier en met welke middelen zij die
                            onder-steuning geeft. Het college moet ervoor zorgen dat er middelen
                            zijn om (weer) aan het werk of terug naar school te gaan
                            (re-integratie-instrumenten). Daarbij houdt het college rekening met het
                            beschikbare budget en met factoren zoals hoe de economie ervoor staat en
                            of er veel of weinig werk is.</al><al>Het college zet re-integratie-instrumenten alleen in als iemand zonder
                            die inzet geen algemeen geaccepteerd werk kan vinden of terug kan naar
                            school. Ook moet uit onderzoek blijken dat diegene hiermee
                            (uiteindelijk) aan het werk kan gaan of teruggaat naar school.
                            Re-integratie moet de kortste weg zijn naar werk of school. Dat
                            betekent: de minste tijd kosten om (weer) te gaan werken of terug te
                            gaan naar school. Ook de inspanningen die het college levert om dat doel
                            te bereiken, behoren daartoe.</al><al>Is werken (nog) geen mogelijkheid? Dan kan het college als doel
                            ‘zelfstandige maatschappelijke participatie’ hebben. Dat wil zeggen: het
                            streven om zo veel mogelijk zelfstandig mee te kunnen doen in de
                            maatschappij. Ook hiervoor geldt dat het college een
                            re-integratie-instrument alleen inzet, als zij verwacht dat het effect
                            heeft.</al><al>Het college verdeelt de beschikbare financiën over de instrumenten die
                            zij kan inzetten. Zij maakt hier jaarlijks een begroting voor, waarin
                            zij de </al><al>beschikbare gelden verdeelt over de verschillende
                            re-integratie-instrumenten. Is er niet voldoende geld beschikbaar voor
                            het gevraagde re-integratie-instrument? Dan is dat geen reden om een
                            aanvraag af te wijzen. Het kan wel een reden zijn om een specifieke
                            voorziening af te wijzen. Het college moet dan kijken naar
                            alternatieven.</al><al>Het college is er verantwoordelijk voor dat de beschikbare
                            re-integratie-instrumenten zo goed en effectief mogelijk worden
                            gebruikt. Bij de inzet ervan wil het college zo veel mogelijk rekening
                            houden met de omstandigheden van de belanghebbende. Hierbij wordt
                            specifiek gekeken of de belanghebbende tot de doelgroep
                            loonkostensubsidie of beschut werk kan behoren. Ook worden de zorgtaken
                            die een belanghebbende uitvoert hierbij betrokken. Wat het college
                            precies onder zorgtaken verstaat wordt vastgelegd in een beleidsregel. </al><al>In artikel 40, eerste lid van de wet staat dat de aanspraak op
                            voorzieningen (re-integratie-instrumenten) alleen geldt voor inwoners
                            van Delft.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>Aanspraak</titel></kop><al>Het college moet voorzieningen aanbieden om (weer) aan het werk of terug
                            naar school te gaan. Dit is haar verantwoordelijkheid. Bovendien staat
                            er in de wet dat belanghebbenden aanspraak kunnen maken op
                            re-integratieondersteuning van het college. Belanghebbenden mogen dus
                            gebruikmaken van de re-integratie-ondersteuning die het college
                            aanbiedt. Dat stimuleert de eigen verantwoordelijkheid.</al><al>Personen tot 27 jaar die zich hebben gemeld voor een bijstandsuitkering,
                            kunnen pas vier weken na die melding aanspraak maken op
                            re-integratie-ondersteuning van het college.</al><al>Het college beoordeelt het verzoek van iemand om gebruik te maken van
                            re-integratieondersteuning en beoordeelt ook welk instrument zij daarbij
                            inzet. Het college houdt daarbij zo veel mogelijk rekening met de wensen
                            van de persoon:</al><al>Het college bekijkt eerst of ondersteuning om (weer) aan het werk of
                            terug naar school te gaan nodig is. Daarna bepaalt het college uit welke
                            onderdelen de ondersteuning bestaat. Het uiteindelijke aanbod van het
                            college moet passen binnen de regels van deze re-integratie-verordening.
                            Daarbij moet het college er ook rekening mee houden of er voldoende
                            budget voor is. Of dat een belanghebbende aanspraak heeft op een andere
                            regeling (<cursief>voorliggende voorziening</cursief>) om zijn
                            re-integratie te financieren, bijvoorbeeld studiefinanciering.</al><al>De gemeente kan, om financiële risico’s te beheersen, een verdeling
                            maken van de middelen over de verschillende voorzieningen. Hierbij kan
                            de gemeente bij verordening subsidie- en budget-plafonds instellen. Als
                            bij een bepaalde voorziening een plafond is bereikt zal de gemeente wel
                            moeten bezien op welke andere wijze ondersteuning gegeven kan
                            worden.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Beleidskaders.</titel></kop><al>De raad stelt minimaal een keer per vier jaar een beleidsplan vast,
                            waarin zij richtlijnen stelt voor de re-integratie van de doelgroep. In
                            het beleidsplan wordt vastgelegd welke doelen de raad nastreeft en welke
                            voorzieningen ingezet kunnen worden voor welke groepen. Dat is inclusief
                            de financiële gevolgen daarvan. </al><al>Het tweede lid schrijft voor dat het college periodiek aan de raad
                            rapporteert over de wijze waarop en de mate waarin de beleidskaders zijn
                            uitgevoerd. Door het college periodiek verant-woording te laten afleggen
                            over de effectiviteit van het beleid, ziet de raad wat de effecten zijn
                            en kan de raad waar nodig bijstellen. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Algemene bepalingen over voorzieningen.</titel></kop><al>In dit artikel zijn een aantal algemene bepalingen opgenomen, die van
                            toepassing zijn op alle voorzieningen die in deze verordening staan
                            vermeld. Deze bepalingen gelden ook voor re-integratievoorzieningen, die
                            niet specifiek in de verordening zijn opgenomen, maar zijn vastgelegd in
                            de onderliggende beleidsregels. </al><al>Het college zet alleen re-integratievoorzieningen in, als de
                            belanghebbende zonder deze voor-ziening(en) geen algemeen geaccepteerde
                            arbeid kan vinden. Voor belanghebbenden jonger dan 27 jaar kan het
                            college ook voorzieningen inzetten die gericht zijn op terugkeer naar
                            school. </al><al>Waar nodig zet het college tevens voorzieningen in zoals
                            sociaal-medische advisering, (taal)scholing, kinderopvang en flankerende
                            hulpverlening zoals schuldhulpverlening, indien dit bijdraagt aan het
                            vergroten van de kans op succesvolle re-integratie. </al><al>Het college wil re-integratievoorzieningen zo efficiënt en effectief
                            mogelijk inzetten. Om dit mogelijk te maken is het soms wenselijk om
                            specifieke verplichtingen te stellen. In het eerste lid wordt deze
                            mogelijkheid aan het college geboden. </al><al>In het vierde lid van artikel 5 is vastgelegd dat het college een
                            voorziening kan beëindigen en in welke situaties het dat kan doen. Onder
                            het beëindigen van een voorziening valt ook het stopzetten van de
                            loonkostensubsidie aan een werkgever. </al><al>Een voorziening wordt ook beëindigd, indien de belanghebbende algemeen
                            geaccepteerde arbeid aanvaardt. Voor de persoon zoals bedoeld in artikel
                            7, eerste lid, onderdeel a onder 2 van de Participatiewet wordt op dit
                            punt een uitzondering gemaakt. Het gaat om de persoon zoals bedoeld in
                            artikel 34a, vijfde lid, onderdelen b en c, artikel 35, vierde lid,
                            onderdelen b en c en artikel 36, derde lid, onderdelen b en c van de Wet
                            werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA). Voor deze doelgroep geldt
                            dat het college ondersteuning bij de arbeidsinschakeling moet bieden
                            gedurende twee aaneengesloten jaren tot het moment dat het inkomen uit
                            arbeid ten minste het minimum-loon bedraagt en ten behoeve van die
                            persoon in die twee jaren geen loonkostensubsidie is verstrekt. </al><al>De Participatiewet schrijft niet uitdrukkelijk voor welke voorzieningen
                            het college moet aanbieden. Het enige criterium is dat de voorziening
                            gericht moet zijn op de arbeidsinschakeling en moet bijdragen aan het
                            (op termijn) mogelijk maken van reguliere arbeid door een persoon. Al
                            naar gelang de afstand van een persoon tot de arbeidsmarkt, maakt het
                            college onderscheid tussen voorzieningen:</al><lijst><li nr="·"><al>gericht op het plaatsen bij een werkgever;</al></li><li nr="·"><al>gericht op het toeleiden naar de arbeidsmarkt; </al></li><li nr="·"><al>gericht op het sociaal activeren van de belanghebbende. </al></li></lijst><al><cursief>Voorzieningen, gericht op plaatsing bij een werkgever
                            </cursief></al><al>Het college zet deze voorzieningen in, om plaatsing van de
                            belanghebbende bij de werkgever mogelijk te maken. Deze voorzieningen
                            zijn in het kader van de eenduidige werkgeversdienstverlening binnen
                            Haaglanden en Zuid-Holland Centraal regionaal afgestemd en opgenomen in
                            de regionale toolbox. </al><al>Voorbeelden hiervan zijn:</al><al>Werkgeverscheque: financiële tegemoetkoming aan werkgevers bij het in
                            dienstnemen van iemand met een grote afstand tot de arbeidsmarkt.</al><al>Begeleiding: inzet van jobcoach capaciteit.</al><al><cursief>Voorzieningen, gericht op het toeleiden naar de arbeidsmarkt
                            </cursief></al><al>Het college kan diverse voorzieningen inzetten, die de kans op uitstroom
                            naar algemeen geaccep-teerde arbeid vergroten. Voorbeelden hiervan
                            zijn:</al><lijst><li nr="·"><al>direct werktraject: een traject, bedoeld voor belanghebbenden
                                    met een korte afstand tot de reguliere arbeidsmarkt (uitstroom
                                    mogelijk binnen één tot drie maanden). Het direct werktraject
                                    bestaat onder andere uit (sollicitatie) trainingen en directe
                                    bemiddeling naar algemeen geaccepteerde arbeid door tussenkomst
                                    van het Werkgevers-servicepunt (WSP). </al></li><li nr="·"><al>assessment: een kortdurend traject waarin de belanghebbende
                                    enkele weken werkzaam-heden verricht binnen een
                                    productie-omgeving. Gedurende deze periode worden de
                                    werknemers-vaardigheden van de belang-hebbende in kaart
                                    gebracht. De uitkomsten van het assessment worden onder andere
                                    gebruikt bij het vaststellen van het vervolg-traject. </al></li><li nr="·"><al>werkervaringsplaatsen: op een werkervarings-plaats werkt de
                                    belanghebbende een aantal uren per week met behoud van uitkering
                                    en neemt daarnaast deel aan trainingsmodules, waarin gewerkt
                                    wordt aan zijn werknemers-vaardigheden. Doel van het traject is
                                    werk-ervaring opdoen, om zo de kans op uitstroom naar reguliere
                                    arbeid te vergroten. </al></li><li nr="·"><al>individueel re-integratietraject: het college kan de
                                    belanghebbende op individuele gronden een re-integratietraject
                                    aanbieden als dat in die specifieke situatie het best passend
                                    is. Denk hierbij bijvoorbeeld aan een kortdurend
                                    scholingstraject met daaraan gekoppeld een baangarantie of een
                                    traject waarbij specifiek rekening gehouden wordt met de
                                    beperkingen van een kandidaat. </al></li><li nr="·"><al>overige trajecten: bijvoorbeeld (taal)scholing, gericht op werk.
                                </al></li></lijst><al><cursief>Voorzieningen, gericht op het sociaal activeren van de
                                belanghebbende </cursief></al><al>Het college kan voorzieningen inzetten om belanghebbende te activeren,
                            maatschappelijk nuttige activiteiten te laten verrichten of sociaal
                            isolement te voorkomen.</al><al>Voorbeelden hiervan zijn:</al><lijst><li nr="·"><al>Aan de slag trajecten: Hierbij gaan deelnemers maatschappelijk
                                    nuttige activiteiten verrichten waarbij verwacht wordt dat er
                                    doorstroom-mogelijkheden naar werktrajecten zijn .</al></li><li nr="·"><al>Sociale activeringstrajecten: deelnemen aan klussendienst,
                                    sociaal restaurant, recylcling en upcycling projecten, etc.</al></li></lijst><al>Het college stelt nadere regels vast over de aard, inhoud en omvang van
                            de voorzieningen, voor zover deze niet zijn opgenomen in deze
                            verordening. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Proefplaatsing.</titel></kop><al>Dit artikel geeft het college de mogelijkheid iemand met behoud van
                            uitkering werkactiviteiten te laten verrichten, die er op gericht zijn
                            (weer) aan het werk te gaan. De belanghebbende doet op deze wijze
                            arbeidsritme en ervaring op en de werkgever kan toetsen of de
                            belanghebbende geschikt is voor de functie. De proefplaatsing kan worden
                            ingezet bij een werkgever, die daad-werkelijk de intentie heeft de
                            belanghebbende in dienst te nemen. De proefplaatsing duurt niet lager
                            dan strikt noodzakelijk. In de regionale toolbox worden hier nadere
                            afspraken over gemaakt. De proefplaatsing wort ook ingezet als er een
                            loon-waardenmeeting op de werkplek wordt toegepast. </al><al>Op grond van artikel 10a, derde lid van de Participatiewet bedraagt de
                            maximale duur van de proefplaatsing zes maanden. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel>Werken met behoud van uitkering.</titel></kop><al>Dit artikel geeft het college de mogelijkheid iemand met behoud van
                            uitkering werkactiviteiten te laten doen, die erop gericht zijn (weer)
                            aan het werk te gaan. Het doel hiervan is dat iemand daarmee zo veel
                            mogelijk in een werkritme komt/blijft en zijn kans op terugkeer naar de
                            arbeidsmarkt vergroot. Een belanghebbende is verplicht om te blijven
                            solliciteren. Bovendien kan het college hem begeleiden of een opleiding
                            laten volgen. Het college legt de afspraken voor werken met behoud van
                            uitkering vast in een overeen-komst. Hierin staan onder meer het doel
                            van de activiteiten, de manier waarop een belang-hebbende wordt begeleid
                            en de aansprakelijkheid.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>8.</nr><titel>Werkgeverscheque.</titel></kop><al>Het college kan aan de werkgever een subsidie (werkgeverscheque)
                            verstrekken, als er extra kosten gemaakt moeten worden bij het
                            aanstellen van een voorgedragen kandidaat. Deze werk-geverscheque kan
                            worden aangeboden ter compensatie van kosten die samenhangen met
                            bijvoorbeeld scholing, tijdelijk lagere arbeids-productiviteit of
                            begeleiding. In de regionale toolbox worden hier nadere afspraken over
                            gemaakt.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>9.</nr><titel>Loonwaarde en loonkostensubsidie.</titel></kop><al>Dit artikel geeft uitvoering aan het gestelde in artikel 6, tweede lid
                            van de Participatiewet. Overeenkomstig dit artikel dient de raad bij
                            verordening regels vast te stellen over de doelgroep loonkostensubsidie
                            en de loonwaarde. Deze regels dienen in ieder geval te bepalen:</al><al>de wijze waarop wordt vastgesteld wie tot de doelgroep
                            loonkostensubsidie behoort en </al><al>de wijze waarop de loonwaarde wordt vastgesteld. </al><al>Het college kan naar aanleiding van een schriftelijke aanvraag of
                            ambtshalve vaststellen wie tot de doelgroep loonkostensubsidie behoort
                            (artikel 10c van de Participatiewet). Tot de doelgroep
                            loonkostensubsidie behoren belang-hebbenden, die mogelijkheden tot
                            arbeids-participatie hebben en van wie is vastgesteld dat zij met
                            voltijdse arbeid niet in staat zijn het wettelijke minimum loon (WML) te
                            verdienen. Loonkostensubsidie kan worden ingezet bij:</al><lijst><li nr="·"><al>beschut werk; </al></li><li nr="·"><al>banen in het kader van de baanafspraak; </al></li><li nr="·"><al>niet-geïndiceerden met een lage loonwaarde.</al></li></lijst><al>Als het college heeft vastgesteld dat een belang-hebbende behoort tot de
                            doelgroep loon-kostensubsidie en er is een werkgever voornemens met deze
                            belanghebbende een dienstbetrekking aan te gaan, dan moet het college in
                            beginsel de loonwaarde van de belanghebbende vaststellen (artikel 10d,
                            eerste lid Participatiewet). De loon-waarde is een vastgesteld
                            percentage van het rechtens geldende loon voor de door een persoon uit
                            de doelgroep loonkostensubsidie verrichte arbeid in een functie. De
                            loonkosten-subsidie is gebaseerd op de loonwaarde die de belang-hebbende
                            heeft. Als de loonwaarde bijvoorbeeld wordt vastgesteld op 60% in
                            vergelijking met andere (nieuwe) werknemers in dezelfde functie, dan
                            heeft de werkgever recht op een loon-kostensubsidie van 40% van het WML
                            plus een bij een ministeriële regeling vastgestelde tegemoet-koming in
                            de werkgeverslasten. </al><al>Het college bepaalt de manier waarop de loonwaarde wordt vastgesteld
                            wanneer een werkgever voornemens is de belanghebbende in dienst te
                            nemen. Binnen de arbeidsmarktregio moeten gemeenten en het UWV met
                            eenzelfde meetmethodiek werken. Binnen de arbeidsmarkt-regio Haaglanden
                            en ZHC is op basis van een Europese aanbesteding voor eenzelfde
                            objectief loonwaardenmeetsysteem gekozen. </al><al>De loonwaardemeting vindt plaats in een praktijksituatie, bijvoorbeeld
                            tijdens een proef-plaatsing of participatieplaats bij dezelfde
                            werkgever. Bij de meting worden zowel de belanghebbende als de werkgever
                            betrokken. Van beiden wordt medewerking verwacht aan het onderzoek. Het
                            college legt de vastgestelde loonwaarde en de daaraan gekoppelde
                            loon-kostensubsidie vast in een beschikking, waartegen zowel de
                            betrokken belanghebbende als diens (potentiële) werkgever bezwaar en
                            beroep kunnen instellen. Het meten van de loonwaarde dient jaarlijks
                            plaats te vinden, in geval van beschut werk volstaat een
                            loonwaardenmeting om de drie jaar. De loonkostensubsidie kan zo nodig
                            structureel worden ingezet.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>10.</nr><titel>Begeleiding op de werkplek.</titel></kop><al>Werknemers die behoren tot de doelgroep loonkostensubsidie hebben
                            wettelijk aanspraak op begeleiding op de werkplek (artikel 10da
                            Participatiewet). De ondersteuning moet nood-zakelijk zijn in die zin,
                            dat de werknemer zonder die ondersteuning in redelijkheid niet zijn
                            werk-zaamheden zou kunnen verrichten. </al><al>Persoonlijke ondersteuning heeft tot doel dat een werknemer wordt
                            begeleid naar een situatie dat hij uiteindelijk zonder begeleiding via
                            een dergelijke voorziening bij een reguliere werkgever werkzaam kan
                            zijn. Verstrekking aan de werknemer of de werkgever kan plaatsvinden in
                            natura of geld. </al><al>Het kan hierbij bijvoorbeeld gaan om de inzet een jobcoach, die op vaste
                            tijden en gedurende een langere periode de werknemer met beperkingen bij
                            het verrichten van zijn taken ondersteunt.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>11.</nr><titel>No-riskpolis.</titel></kop><al>Het college kan ten behoeve van belanghebbenden die een lagere
                            loonwaarde hebben dan het WML of waarbij sprake is van situationeel en
                            verwacht hoog ziekteverzuim, een no-riskpolis inzetten. De no-riskpolis
                            beperkt het risico voor de werkgever bij ziekte of uitval van de
                            werknemer. </al><al>De no-riskpolis wordt naar verwachting met ingang van 1 januari 2016
                            ondergebracht bij het UWV. Nieuwe wetgeving is hiervoor in de maak.
                            Vooruitlopend op deze nieuwe wetgeving biedt het UWV in 2015 uitsluitend
                            de no-riskpolis aan voor arbeidsbeperkten die geplaatst worden op een
                            baan volgens de baanafspraak van het Sociaal Akkoord. Voor de doelgroep
                            die zonder indicatie ‘arbeidsbeperkt’ van het UWV, maar die wel een
                            lagere loonwaarde hebben en met een loonkosten-subsidie bij een
                            werkgever worden geplaatst geldt deze no-riskpolis (vooralsnog) niet.
                            Dit geldt ook voor plaatsing op een beschut werkplek. </al><al>Het college kan voor deze groep ook zelf een contract met een
                            verzekeraar afsluiten, maar op moment van schijven zijn er geen
                            aanbieders in de markt die een dergelijk product aanbieden.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>12.</nr><titel>Werkvoorzieningen.</titel></kop><al>Werkvoorzieningen zijn bedoeld voor belang-hebbenden met een
                            arbeidshandicap, die een voorziening nodig hebben om te kunnen werken.
                            Hierbij kan men denken aan:</al><lijst><li nr="·"><al>aanpassen werkplek door middel van meeneembare of niet
                                    meeneembare voorzieningen;</al></li><li nr="·"><al>intermediaire voorzieningen; en </al></li><li nr="·"><al>vervoersvoorzieningen. </al></li></lijst><al>De verstrekking van de intermediaire voorziening ‘doventolk’ wordt
                            landelijk uitgevoerd. Voor de organisatie van andere hulpmiddelen
                            bestaan (nog) geen landelijke afspraken. Binnen de arbeids-marktregio
                            Haaglanden is besloten in 2015 ervaring op te gaan doen met deze
                            voorzieningen. Dit geldt ook voor de vervoersvoorziening. Met betrekking
                            tot deze voorziening zal onderzocht worden of aansluiting bij de
                            vervoersvoorziening vanuit de SW-bedrijven, het leerlingenvervoer en/of
                            de regiotaxi tot de mogelijkheden behoort. </al><al>Bij de invulling van de jobcoachvoorziening wordt, binnen de financiële
                            kaders, zoveel mogelijk regionaal afgestemd. Het uitgangspunt is dat
                            deze voorziening doelgericht en efficiënt wordt ingezet en dat de
                            begeleiding van de werknemer zo snel mogelijk door de werkgever wordt
                            overgenomen. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>13.</nr><titel>Beschut werk.</titel></kop><al>Beschut werk is een nieuwe voorziening, bedoeld voor personen met een
                            beperkt arbeidsvermogen, die alleen in een beschutte omgeving, met
                            structurele begeleiding en/of een grote mate van werkplekaanpassing,
                            werkzaamheden kunnen verrichten. </al><al>Het UWV adviseert het college met betrekking tot het oordeel of een
                            persoon tot de doelgroep beschut werk behoort. Het advies van het UWV is
                            nagenoeg bindend: alleen als sprake is van een onzorgvuldige
                            totstandkoming van het advies, kan het college besluiten het advies niet
                            te volgen. </al><al>Het college voert eerst een voorselectie uit waarmee zij bepaalt welke
                            personen in aanmerking kunnen komen voor een indicatie beschut werk.
                            Hierbij maakt het college gebruik van een objectief meetinstrument. Het
                            college maakt een voor-selectie uit belanghebbenden met een grote
                            afstand tot de arbeidsmarkt. Bij deze voorselectie geeft het college in
                            2015 en 2016 prioriteit aan personen die tot 1 januari 2015 op de
                            wachtlijst voor de Wet sociale werkvoorziening (Wsw) stonden en jongeren
                            die voor 1 januari 2015 zouden zijn ingestroomd in de Wajong. </al><al>Wanneer het college – op basis van het UWV-advies – heeft vastgesteld
                            dat iemand behoort tot de doelgroep beschut werk, moet het college er
                            zorg voor dragen dat hij of zij ook daadwerkelijk een dienstverband
                            krijgt, waar in een beschutte werkomgeving en onder aangepaste
                            omstandig-heden wordt gewerkt. Dit heeft tot gevolg dat het college
                            alleen een indicatie aanvraagt bij het UWV, als er beschutte werkplekken
                            beschikbaar zijn en de belanghebbende daadwerkelijk plaatsbaar is. </al><al>Het college bepaalt de omvang van het aanbod beschut werk en legt vast
                            hoeveel plekken voor beschut werk de gemeente beschikbaar stelt. Het
                            aanbod is mede afhankelijk van het beschikbare budget en van het aantal
                            geschikte en beschikbare plaatsen bij werkgevers. </al><al/></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>Participatieplaats</titel></kop><al>en participatieplaats is bedoeld voor uitkerings-gerechtigden met een
                            grotere afstand tot de arbeidsmarkt. Voor uitkeringsgerechtigden, jonger
                            dan 27 is ondersteuning in de vorm van een participatieplaats niet
                            mogelijk (artikel 7, achtste lid van de Participatiewet). </al><al>Op een participatieplaats worden additionele werkzaamheden verricht.
                            Onder deze additionele werkzaamheden zoals bedoeld in artikel 10a
                            Participatiewet wordt verstaan: primair op de arbeidsinschakeling
                            gerichte werkzaamheden, verricht naast of in aanvulling op de arbeid en
                            die niet leiden tot verdringing op de arbeidsmarkt. </al><al>Gedurende de participatieplaats staan niet de te verrichten
                            werkzaamheden centraal, maar het leren werken of het (opnieuw) wennen
                            aan werken. Aspecten als omgaan met gezag, op tijd komen, werkritme en
                            samenwerken met collega’s zijn allemaal zaken waaraan gedurende de
                            participatieplaats gewerkt kan worden. De duur van de participatieplaats
                            is wettelijk beperkt tot maximaal vier jaar (artikel 10a van de
                            Participatie-wet).</al><al>Participatieplaatsen onderscheiden zich van andere
                            re-integratie-instrumenten door de grote afstand van de
                            uitkeringsgerechtigde tot de arbeidsmarkt, het tijdsbeslag van de
                            activiteiten en de duur van het traject. Uitkeringsgerechtigden die
                            werkzaamheden verrichten op een participatie-plaats hebben op grond van
                            de Participatiewet voor het eerst zes maanden na aanvang en vervolgens
                            iedere zes maanden na aanvang recht op een premie. Voorwaarde hiervoor
                            is dat de uitkeringsgerechtigde naar oordeel van het college voldoende
                            heeft meegewerkt aan het vergroten van zijn kansen op de arbeidsmarkt. </al><al>Het college stelt nadere regels vast omtrent de hoogte van de premie,
                            dit in relatie met beschikbare budgetten, andere instrumenten en
                            doelgroepen en de inzet van scholing als dat aan de orde is voor
                            deelnemers die nog niet beschikken over een startkwalificatie.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>15</nr><titel>Persoonsgebonden re-integratiebudget</titel></kop><al>Het college kan een persoonsgebonden re-integratiebudget (PGB) geven aan
                            een belang-hebbende. Met een PGB bepaalt iemand zelf hoe hij (weer) aan
                            het werk gaat. De persoon krijgt hiermee dus meer eigen
                            verantwoordelijkheid. Het college maakt wel regels over het gebruik van
                            een PGB.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>16.</nr><titel>Premies.</titel></kop><al>Het college kan een premie toekennen aan personen om deze personen te
                            stimuleren een bepaald re-integratie instrument te volgen of te belonen
                            bij een succesvolle afronding van het instrument. Het college stelt
                            nadere regels vast voor de hoogte en de verplichtingen die aan een
                            dergelijke premie worden verbonden.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>17.</nr><titel>Eigen bijdrage.</titel></kop><al>Het college kan aan niet-uitkeringsgerechtigden en nabestaanden een
                            eigen bijdrage vragen voor de re-integratievoorziening, gericht op het
                            toeleiden naar werk. Dit om te stimuleren dat zij het
                            re-integratietraject ook afmaken. Het college stelt nadere regels vast
                            over de wijze waarop deze eigen bijdrage wordt berekend. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>18.</nr><titel>Terugvordering.</titel></kop><al>Het college kan de kosten van een voorziening terugvorderen van een
                            niet-uitkeringsgerechtigde of nabestaande, indien:</al><lijst><li nr="·"><al>de voorziening is verleend op basis van onjuist verstrekte
                                    gegevens;</al></li><li nr="·"><al>de niet-uitkeringsgerechtigde of nabestaande zijn verplichtingen
                                    niet is nagekomen; of</al></li><li nr="·"><al>de voorziening anderszins naar het oordeel van het college
                                    onverschuldigd is betaald.</al></li></lijst><al>De Participatiewet voorziet niet in een terugvorderingsgrond van een
                            re-integratie-voorziening. Terugvordering dient in voorkomende gevallen
                            te geschieden op grond van het Burgerlijk Wetboek. </al><al>Het college kan geen kosten terugvorderen van een uitkeringsgerechtigde.
                            Als de uitkerings-gerechtigde zich niet aan zijn verplichtingen houdt,
                            vindt verlaging van de uitkering plaats volgens de wet en de geldende
                            maatregelverordening Participatiewet, IOAW en IOAZ.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>19.</nr><titel>Bevoegdheid college.</titel></kop><al>In dit artikel staat dat het college besluit in alle gevallen die niet
                            in deze verordening zijn geregeld. Ook kan het college bij uitzondering
                            besluiten deze verordening niet toe te passen (artikel 18, eerste lid
                            van de wet).</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>20.</nr><titel>Hardheidsclausule.</titel></kop><al>Dit artikel behoeft geen nadere toelichting. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>21.</nr><titel>Intrekken oude verordening en overgangsrecht.</titel></kop><al>Indien aan een belanghebbende een re-integratie-voorziening is toegekend
                            op grond van de ‘Re-integratieverordening WWB, IAOW en IAOZ 2012’,
                            behoudt de belanghebbende zijn recht op deze voorziening, totdat het
                            college een nieuw besluit heeft genomen. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>22.</nr><titel>Ingangsdatum en citeertitel.</titel></kop><al>Dit artikel behoeft geen nadere toelichting. </al></divisie></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>