<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR37242_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Wierden 2008</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Wierden</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-09-12</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Wierden</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">De Driehoek, datum onbekend</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Wierden 2008</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Gemeentewet, art. 149</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet maatschappelijke ondersteuning, art. 5</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2008-09-30</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2008-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:terugwerkendekrachtDatum>2008-01-01</overheidrg:terugwerkendekrachtDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2015-01-14</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Vervangt Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Wierden 2007</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>2008-0080</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Wierden 2008</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente Wierden;</al><al>Gezien het voorstel van het college van Burgemeester en Wethouders; </al><al>Gelet op artikel 149 Gemeentewet en artikel 5 van de Wet maatschappelijke
                        ondersteuning:</al><al>B e s l u i t</al><al>vast te stellen de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente
                        Wierden 2008</al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1</nr><titel>- Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.1</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>In deze verordening en de daarop gebaseerde nadere regelgeving wordt
                            verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al><vet>wet</vet>: Wet maatschappelijke ondersteuning;</al></li><li nr="b."><al><vet>compensatiebeginsel</vet>: de algemene verplichting aan het
                                    college van burgemeester en wethouders om personen met
                                    beperkingen door het treffen van voorzieningen een zodanige
                                    uitgangspositie te verschaffen zodat zij in aanvaardbare mate
                                    zelfredzaam zijn en in staat tot maatschappelijke
                                    participatie;</al></li><li nr="c."><al><vet>beperkingen</vet>: moeilijkheden en/of belemmeringen die
                                    een persoon aantoon heeft met het uitvoeren van activiteiten op
                                    het gebied van het voeren van het huishouden , bij het normale
                                    gebruik van de woning, bij het verplaatsen in de woning, bij het
                                    zich lokaal verplaatsen per vervoermiddel en bij het ontmoeten
                                    van medemensen en het op basis daarvan aangaan van sociale
                                    verbanden;</al></li><li nr="d."><al><vet>mantelzorger</vet>: een persoon, die mantelzorg verleent
                                    als bedoeld in de wet;</al></li><li nr="e."><al><vet>zelfredzaamheid</vet>: het lichamelijke, verstandelijke,
                                    geestelijke of financiële vermogen om zelf voorzieningen te
                                    treffen die maatschappelijke participatie mogelijk maken;</al></li><li nr="f."><al><vet>maatschappelijke participatie</vet>: normale deelname aan
                                    het maatschappelijke verkeer, te weten het voeren van een
                                    huishouden, het normale gebruik van de woning; het zich in en om
                                    de woning verplaatsen; het zich zodanig verplaatsen dat
                                    aansluiting wordt gevonden bij regionale, bovenregionale en
                                    landelijke vervoersystemen; het ontmoeten van andere mensen en
                                    het aangaan en onderhouden van sociale verbanden om op die
                                    manier deel te nemen aan het lokale maatschappelijke leven;</al></li><li nr="g."><al><vet>individuele voorziening</vet>: een voorziening die
                                    individueel wordt aangeboden indien een algemene voorziening
                                    geen adequate oplossing biedt. Een individuele voorziening kan
                                    bestaan uit:</al><lijst><li nr="1."><al><vet>hulp bij het huishouden</vet>: het ondersteunen bij
                                            of het overnemen van activiteiten op het gebied van het
                                            verzorgen van het huishouden van een persoon dan wel van
                                            de leefeenheid waartoe een persoon behoort;</al></li><li nr="2."><al><vet>woonvoorziening</vet>: een voorziening, niet zijnde
                                            een huishoudelijke voorziening of een
                                            rolstoelvoorziening die een persoon met beperkingen in
                                            staat stelt tot het normale gebruik van de woning;</al></li><li nr="3."><al><vet>vervoersvoorziening</vet>: een voorziening die een
                                            persoon met beperkingen in staat stelt zich lokaal te
                                            verplaatsen per vervoermiddel;</al></li><li nr="4."><al><vet>rolstoelvoorziening</vet>: een voorziening die een
                                            persoon met beperkingen in staat stelt zich in en om de
                                            woning te verplaatsen en waarvan het rijdend de primaire
                                            functie is.</al></li></lijst></li><li nr="h."><al><vet>eigen bijdrage of eigen aandeel in de kosten</vet>: een
                                    door het college vast te stellen bijdrage, die bij
                                    respectievelijk de verstrekking van een voorziening in natura,
                                    een persoonsgebonden budget (een eigen bijdrage) of een
                                    financiële tegemoetkoming (een eigen aandeel) betaald moet
                                    worden en waarop de regels van het landelijke Besluit
                                    maatschappelijke ondersteuning van toepassing zijn;</al></li><li nr="i."><al><vet>voorziening in natura</vet>: een voorziening die in
                                    eigendom, in bruikleen, in huur of in de vorm van persoonlijke
                                    dienstverlening wordt verstrekt;</al></li><li nr="j."><al><vet>persoonsgebonden budget</vet>: een geldbedrag waarmee de
                                    aanvrager een of meer aan hem te verlenen voorzieningen kan
                                    verwerven en waarop de in deze verordening en het Wmo-besluit te
                                    stellen regels van toepassing zijn;</al></li><li nr="k."><al><vet>financiële tegemoetkoming</vet>: een tegemoetkoming in de
                                    kosten van een voorziening welke kan worden afgestemd op het
                                    inkomen van de aanvrager;</al></li><li nr="l."><al><vet>forfaitaire vergoeding</vet>: een financiële tegemoetkoming
                                    ineens die onafhankelijk van de werkelijke kosten van een
                                    voorziening wordt verstrekt, al dan niet met inachtneming van
                                    een inkomensgrens en waarop de regels van het Wmo-besluit van
                                    toepassing zijn.</al></li><li nr="m."><al><vet>besparingsbijdrage</vet>: een bijdrage die kan worden
                                    afgestemd op de kosten die worden bespaard door het verkrijgen
                                    van een vervoersvoorziening in natura en waarop de regels van
                                    het Wmo-besluit van toepassing zijn.</al></li><li nr="n."><al><vet>algemeen gebruikelijk</vet>: naar geldende maatschappelijke
                                    normen tot het gangbare gebruiks- dan wel bestedingspatroon van
                                    een persoon als de aanvrager behorend;</al></li><li nr="o."><al><vet>meerkosten</vet>: kosten van een mogelijk krachtens de wet
                                    te verlenen voorziening, voor zover dit deel van de kosten
                                    uitgaat boven voor die persoon als algemeen gebruikelijk te
                                    beschouwen kosten van een dergelijke voorziening;</al></li><li nr="p."><al><vet>budgethouder</vet>: een persoon aan wie ingevolge deze
                                    verordening een persoonsgebonden budget is toegekend en die aan
                                    het college verantwoording verschuldigd is over de besteding van
                                    het persoonsgebonden budget;</al></li><li nr="q."><al><vet>college</vet>: het college van burgemeester en wethouders
                                    van Wierden;</al></li><li nr="r."><al><vet>Wmo-besluit</vet>: Het Besluit maatschappelijke
                                    ondersteuning gemeente Wierden;</al></li><li nr="s."><al><vet>Wmo-handboek</vet>: door het college vastgestelde
                                    beleidsregels over de uitvoering van de Wet maatschappelijke
                                    ondersteuning.</al></li><li nr="t."><al><vet>ICF (International Classification of Functions,
                                        Disabilities and Impairments)</vet>: De ICF is een
                                    classificatie voor het beschrijven van het functioneren van
                                    mensen inclusief factoren die op dat functioneren van invloed
                                    zijn.</al></li><li nr="u."><al><vet>aanvrager</vet>: de persoon met een beperking die voor
                                    zichzelf een individuele voorziening aanvraagt als bedoeld in
                                    artikel 1:3, sub 3, van de Algemene wet bestuursrecht;</al></li><li nr="v."><al><vet>leefeenheid</vet>: alle bewoners van één adres die samen
                                    duurzaam een huishouden voeren niet zijnde kamerbewoners of
                                    personen die vanwege een zorgbehoefte op één adres ieder
                                    zelfstandig wonen;</al></li><li nr="w."><al><vet>gebruikelijke zorg</vet>: de normale dagelijkse zorg die
                                    partners of ouders en inwonende kinderen geacht worden elkaar
                                    onderling te bieden omdat ze als leefeenheid een gezamenlijk
                                    huishouden voeren en op die grond een gezamenlijke
                                    verantwoordelijkheid hebben voor het functioneren van dat
                                    huishouden.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.2</nr><titel>Beperkingen (in het toekennen), weigeringsgronden en
                                voorwaarden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een voorziening kan slechts worden toegekend voor zover:</al><lijst><li nr="a."><al>deze langdurig noodzakelijk is om de beperkingen op te
                                        heffen of te verminderen:</al><lijst><li nr="-"><al>op het gebied van het voeren van het
                                                huishouden;</al></li><li nr="-"><al>op het gebied van het verplaatsen in en om de
                                                woning;</al></li><li nr="-"><al>op het gebied van het zich lokaal verplaatsen per
                                                vervoermiddel en;</al></li><li nr="-"><al>bij het ontmoeten van medemensen en op basis daarvan
                                                sociale verbanden aangaan;</al></li></lijst></li><li nr="b."><al>deze, naar objectieve maatstaven gemeten, als de goedkoopst
                                        adequate voorziening kan worden aangemerkt en;</al></li><li nr="c."><al>deze in overwegende mate op het individu is gericht.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Geen voorziening wordt toegekend:</al><lijst><li nr="a."><al>indien de voorziening voor een persoon als de aanvrager
                                        algemeen gebruikelijk is;</al></li><li nr="b."><al>indien de aanvrager niet woonachtig is in de gemeente
                                        Wierden;</al></li><li nr="c."><al>voor zover er aan de zijde van de aanvrager geen sprake is
                                        van aantoonbare meerkosten in vergelijking met de situatie
                                        voorafgaand aan het optreden van de beperkingen waarvoor de
                                        voorziening wordt aangevraagd;</al></li><li nr="d."><al>voor zover de aanvraag een voorziening betreft die de
                                        aanvrager vóór de beschikking op de aanvraag heeft
                                        gerealiseerd of geaccepteerd of waarvoor de aanvrager is
                                        begonnen met de werkzaamheden voor realisatie, tenzij het
                                        college daarvoor schriftelijk toestemming heeft
                                        verleend;</al></li><li nr="e."><al>indien een voorziening als die, waarop de aanvraag
                                        betrekking heeft, reeds eerder krachtens deze, dan wel
                                        krachtens de aan deze verordening voorafgaande Verordening
                                        voorzieningen gehandicapten is verstrekt en de normale
                                        afschrijvingstermijn van de voorziening nog niet is
                                        verstreken, tenzij de eerder vergoede of verstrekte
                                        voorziening verloren is gegaan als gevolg van omstandigheden
                                        die niet aan de aanvrager zijn toe te rekenen.</al></li></lijst></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2</nr><titel>- Vorm van te verstrekken individuele voorzieningen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1</nr><titel>Keuzevrijheid</titel></kop><al>Een individuele voorziening kan verstrekt worden in natura, als
                            financiële tegemoetkoming en als persoonsgebonden budget. Het college
                            stelt in het Wmo-besluit vast in welke situaties de bij wet verplichte
                            keuze tussen een voorziening in natura en een persoonsgebonden budget
                            niet wordt geboden.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.2</nr><titel>Voorziening in natura</titel></kop><al>Bij verstrekking van een voorziening in natura worden de toepasselijke
                            voorwaarden, zoals genoemd in het Wmo-besluit, in de beschikking
                            opgenomen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.3</nr><titel>Financiële tegemoetkoming</titel></kop><al>Bij verstrekking van een financiële tegemoetkoming worden de
                            toepasselijke voorwaarden zoals genoemd in het Wmo-besluit in de
                            beschikking opgenomen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4</nr><titel>Persoonsgebonden budget</titel></kop><al>Op het persoonsgebonden budget zoals genoemd in wet, zijn de volgende
                            voorwaarden van toepassing:</al><lijst><li nr="a."><al>Een persoonsgebonden budget wordt alleen verstekt ten aanzien
                                    van individuele voorzieningen;</al></li><li nr="b."><al>De omvang van het persoonsgebonden budget is de tegenwaarde van
                                    de in de betreffende situatie goedkoopst adequate te verstrekken
                                    voorziening in natura, indien nodig aangevuld met een vergoeding
                                    voor instandhoudingskosten, zoals vastgelegd in het Wmo-besluit
                                    ;</al></li><li nr="c."><al>De wijze waarop en de voorwaarden waaronder het persoonsgebonden
                                    budget wordt vastgesteld wordt vastgelegd in het
                                    Wmo-besluit;</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5</nr><titel>Eigen bijdragen en eigen aandeel</titel></kop><al>Bij het verstrekken van individuele voorzieningen op grond van de wet is
                            de aanvrager een eigen bijdrage verschuldigd of wordt de financiële
                            tegemoetkoming afgestemd op het inkomen. De omvang van deze eigen
                            bijdrage of financiële tegemoetkoming wordt vastgelegd in het
                            Wmo-besluit.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3</nr><titel>- Hulp bij het huishouden</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.1</nr><titel>Vormen van hulp bij het huishouden</titel></kop><al>De door het college, ter compensatie van beperkingen ten gevolge van
                            ziekte of gebrek bij het voeren van een huishouden, te verstrekken
                            voorziening kan bestaan uit:</al><lijst><li nr="a."><al>hulp bij het huishouden in natura;</al></li><li nr="b."><al>een persoonsgebonden budget te besteden aan hulp bij het
                                    huishouden.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.2</nr><titel>Doelgroep hulp bij het huishouden</titel></kop><al>Een persoon met beperkingen kan voor hulp bij het huishouden in
                            aanmerking worden gebracht indien het zelf uitvoeren van een of meer
                            huishoudelijke taken onmogelijk is op grond van:</al><lijst><li nr="a."><al>aantoonbare beperkingen op grond van ziekte of gebrek of</al></li><li nr="b."><al>problemen bij het uitvoeren van de mantelzorg</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.3</nr><titel>Uitzondering op langdurig noodzakelijk</titel></kop><al>In afwijking van artikel 1.2 lid 1, onder a, kan het college ook hulp
                            bij het huishouden verstrekken indien er geen langdurige noodzaak
                            is.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.4</nr><titel>Omvang van de hulp bij het huishouden</titel></kop><al>De omvang van de hulp bij het huishouden wordt uitgedrukt in eenheden,
                            zoals nader te bepalen in het Wmo-besluit.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.5</nr><titel>Omvang van het persoonsgebonden budget</titel></kop><al>Het bedrag, dat per eenheid in de vorm van een persoonsgebonden budget
                            wordt verstrekt, wordt vastgelegd in het Wmo-besluit.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.6</nr><titel>Weigeringsgronden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In afwijking van het gestelde in artikel 3.2 komt een persoon met
                                beperkingen niet in aanmerking voor hulp bij het huishouden als er
                                sprake is van gebruikelijke zorg. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Geen voorziening wordt verstrekt voor zover de aangevraagde
                                voorzieningen betrekking hebben op een hoger niveau dan het
                                uitrustingsniveau voor sociale woningbouw.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Er wordt geen hulp bij het huishouden ingezet ten behoeve van
                                personen in AWBZ-instellingen, hotels/pensions, trekkerswoonwagens,
                                kloosters, tweede woningen, vakantiewoningen, recreatiewoningen,
                                ADL-clusterwoningen, kamerverhuur en specifiek op gehandicapten en
                                ouderen gerichte woongebouwen.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4</nr><titel>- Woonvoorzieningen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.1</nr><titel>Vormen van woonvoorzieningen</titel></kop><al>De door het college, ter compensatie van beperkingen bij het voeren van
                            een huishouden, te verstrekken woonvoorziening kan bestaan uit:</al><lijst><li nr="a."><al>een woonvoorziening in natura;</al></li><li nr="b."><al>een persoonsgebonden budget te besteden aan een
                                    woonvoorziening;</al></li><li nr="c."><al>een financiële tegemoetkoming in de kosten van een
                                    woonvoorziening.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.2</nr><titel>Doelgroep individuele voorzieningen</titel></kop><al>Een persoon met beperkingen kan voor de in artikel 4.1 vermelde
                            voorziening in aanmerking worden gebracht indien aantoonbare beperkingen
                            een aanpassing aan de woning noodzakelijk maken.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.3</nr><titel>Soorten individuele woonvoorzieningen</titel></kop><al>De in artikel 4.1 genoemde voorzieningen kunnen bestaan uit:</al><lijst><li nr="a."><al>een financiële tegemoetkoming in de verhuis- en
                                    herinrichtingskosten;</al></li><li nr="b."><al>een bouwkundige of woontechnische woonvoorziening;</al></li><li nr="c."><al>een niet bouwkundige of niet woontechnische
                                    woonvoorziening;</al></li><li nr="d."><al>een uitraasruimte.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.4</nr><titel>Een bouwkundige of woontechnische woonvoorziening</titel></kop><al>In afwijking van het gestelde in artikel 4.1 en 4.3 wordt een
                            bouwkundige of woontechnische woonvoorziening, met uitzondering van een
                            (trap)lift, uitsluitend verstrekt in de vorm van een financiële
                            tegemoetkoming.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.5</nr><titel>Primaat van de verhuizing en voorwaarden
                                woonvoorzieningen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een persoon met beperkingen kan voor een voorziening als bedoeld in
                                artikel 4.3, onder a, in aanmerking worden gebracht indien
                                aantoonbare beperkingen het normale gebruik van de woning
                                belemmeren.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een persoon met beperkingen kan voor een voorziening als bedoeld in
                                artikel 4.3, onder b en c, in aanmerking worden gebracht indien de
                                in het eerste lid genoemde voorziening niet mogelijk is of niet de
                                goedkoopst adequate voorziening is.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Een persoon met beperkingen kan voor een voorziening, als bedoeld in
                                artikel 4.3, onder d, in aanmerking worden gebracht indien sprake is
                                van een op basis van aantoonbare beperkingen aanwezige
                                gedragsstoornis met ernstig ontremd gedrag tot gevolg waarbij alleen
                                het zich kunnen afzonderen kan leiden tot een situatie waarin deze
                                persoon tot rust kan komen.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>In afwijking van het gestelde onder het eerste lid van dit artikel
                                kan het college een voorziening genoemd in artikel 4.3, onder a,
                                verlenen aan een persoon die op verzoek van de gemeente ten behoeve
                                van een persoon met beperkingen de woning ontruimt.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.6</nr><titel>Aanvullende voorwaarden tegemoetkoming in de verhuis- en
                                herinrichtingskosten</titel></kop><al>Een financiële tegemoetkoming in de verhuis- en herinrichtingskosten,
                            als bedoeld in art. 4.3, onder a, wordt uitsluitend verstrekt als:</al><lijst><li nr="a."><al>de aanvraag is ingediend voordat de verhuizing heeft
                                    plaatsgevonden;</al></li><li nr="b."><al>de persoon met beperkingen niet voor het eerst zelfstandig gaat
                                    wonen;</al></li><li nr="c."><al>de persoon met beperkingen niet verhuist vanuit of naar een
                                    woonruimte die niet geschikt en bestemd is om het hele jaar te
                                    worden bewoond;</al></li><li nr="d."><al>de persoon met beperkingen niet verhuist naar een
                                    AWBZ-instelling;</al></li><li nr="e."><al>in de te verlaten woonruimte beperkingen zijn ondervonden en de
                                    nieuw te betrekken woonruimte goedkoper is aan te passen dan de
                                    te verlaten woonruimte, voor een bedrag dat minimaal de
                                    financiële tegemoetkoming in de verhuis- en inrichtingskosten
                                    bedraagt.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.7</nr><titel>Frequentie van woningaanpassingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college verleent een financiële tegemoetkoming in de kosten van
                                een woonvoorziening, als bedoeld in artikel 4.1 indien de noodzaak
                                van het treffen van deze woonvoorziening het gevolg is van een
                                verhuizing waartoe op grond van de beperkingen bij het normale
                                gebruik van de woning geen aanleiding bestond.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een woonvoorziening, als bedoeld in het eerste lid, kan maximaal
                                eenmaal in de 10 jaar worden verstrekt.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.8</nr><titel>Uitsluitingen</titel></kop><al>De bepalingen van dit hoofdstuk zijn niet van toepassing op het treffen
                            van voorzieningen aan hotels/pensions, trekkerswoonwagens, kloosters,
                            tweede woningen, vakantiewoningen, recreatiewoningen,
                            ADL-clusterwoningen, kamerverhuur en specifiek op gehandicapten en
                            ouderen gerichte woongebouwen voor wat betreft voorzieningen in
                            gemeenschappelijke ruimten of voorzieningen die bij nieuwbouw of
                            renovatie zonder noemenswaardige meerkosten meegenomen kunnen
                            worden.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.9</nr><titel>Hoofdverblijf</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een woonvoorziening wordt slechts verleend indien de aanvrager zijn
                                hoofdverblijf heeft of zal hebben in de woonruimte waaraan de
                                voorziening wordt getroffen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In afwijking van het gestelde in het eerste lid kan een
                                woonvoorziening getroffen worden voor het bezoekbaar maken van één
                                woonruimte, indien de aanvrager zijn hoofdverblijf heeft in een
                                AWBZ-instelling.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De aanvraag voor het bezoekbaar maken wordt ingediend in de gemeente
                                waar de aan te passen woning staat.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De woonvoorziening betreft slechts het bezoekbaar maken van de in
                                het tweede lid bedoelde woonruimte met een in het Wmo-besluit vast
                                te leggen maximumbedrag.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Onder bezoekbaar maken wordt uitsluitend verstaan dat de aanvrager
                                de woonruimte, de woonkamer en een toilet kan bereiken.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.10</nr><titel>Beperkingen</titel></kop><al>De aanvraag voor een woonvoorziening als bedoeld in dit hoofdstuk wordt
                            afgewezen indien:</al><lijst><li nr="a."><al>de noodzaak tot het treffen van de woonvoorziening het gevolg is
                                    van een verhuizing waartoe op grond van belemmeringen bij het
                                    normale gebruik van de woning geen aanleiding bestond en er geen
                                    andere belangrijke reden aanwezig was;</al></li><li nr="b."><al>de aanvrager niet is verhuisd naar de voor zijn of haar
                                    beperkingen op dat moment beschikbare meest geschikte woning,
                                    tenzij daarvoor tevoren schriftelijk toestemming is verleend
                                    door het college;</al></li><li nr="c."><al>deze betrekking heeft op voorzieningen in gemeenschappelijke
                                    ruimten anders dan automatische deuropeners, hellingbanen en
                                    extra trapleuningen;</al></li><li nr="d."><al>de woonvoorziening aangevraagd wordt op een moment dat op basis
                                    van leeftijd, gezinssituatie of woonsituatie te voorzien was dat
                                    deze voorziening noodzakelijk zou zijn en er geen sprake is van
                                    een onverwacht optredende noodzaak of;</al></li><li nr="e."><al>de aanvrager voor het eerst zelfstandig gaat wonen, verhuisd is
                                    vanuit of naar een woonruimte die niet geschikt is het gehele
                                    jaar door bewoond te worden, verhuisd is naar een
                                    AWBZ-instelling of een andere instelling gericht op het
                                    verstrekken van zorg, of er in de verlaten woonruimte geen
                                    problemen met het normale gebruik van de woning zijn
                                    ondervonden;</al></li><li nr="f."><al>de aangevraagde voorzieningen betrekking hebben op een hoger
                                    niveau dan het uitrustingsniveau voor sociale woningbouw;</al></li><li nr="g."><al>de ondervonden problemen bij het normale gebruik van de woning
                                    voortvloeien uit de aard van de in de woning gebruikte
                                    materialen; </al></li><li nr="h."><al>de beperkingen niet in de woning zelf worden ondervonden,
                                    waartoe ook de toegankelijkheid van de woning moet worden
                                    begrepen </al></li><li nr="i."><al>er geen rechtstreeks oorzakelijk verband bestaat tussen de
                                    ondervonden beperkingen en een of meer bouwkundige of
                                    woontechnische kenmerken van de door de persoon met beperkingen
                                    bewoonde woning;</al></li><li nr="j."><al>de kosten van de voorziening gelijk zijn aan of meer bedragen
                                    dan € 47.118,-, tenzij weigering van die voorziening gelet op
                                    het belang dat de wet beoogt te beschermen zou leiden tot
                                    onbillijkheden van overwegende aard.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.11</nr><titel>Terugbetaling bij verkoop</titel></kop><al>De eigenaar-bewoner, die krachtens deze verordening een woonvoorziening
                            heeft ontvangen, die meer bedraagt dan een in het Wmo-besluit
                            vastgesteld bedrag, dient bij verkoop van deze woning binnen een periode
                            van 10 jaar na gereedmelding van de voorziening, deze verkoop van de
                            woning schriftelijk mee te delen aan het college. De financiële
                            tegemoetkoming in de kosten van het treffen van een woonvoorziening
                            dient volgens het in het Wmo-besluit vastgelegde afschrijvingsschema te
                            worden terugbetaald.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>5</nr><titel>- Het zich lokaal verplaatsen per vervoermiddel</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.1</nr><titel>Vormen van vervoersvoorzieningen</titel></kop><al>De door het college, ter compensatie van beperkingen bij het zich lokaal
                            verplaatsen te verstrekken voorziening kan bestaan uit:</al><lijst><li nr="a."><al>een collectieve vervoersvoorziening;</al></li><li nr="b."><al>een vervoersvoorziening in natura;</al></li><li nr="c."><al>een persoonsgebonden budget te besteden aan een
                                    vervoersvoorziening;</al></li><li nr="d."><al>een financiële tegemoetkoming in de kosten van een
                                    vervoersvoorziening</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.2</nr><titel>Doelgroep vervoersvoorziening</titel></kop><al>Een persoon met beperkingen kan voor de in artikel 5.1 vermelde
                            voorziening in aanmerking worden gebracht indien aantoonbare beperkingen
                            het gebruik of het bereiken van het openbaar vervoer onmogelijk
                            maken.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.3</nr><titel>Het primaat van het collectief vervoer</titel></kop><al>Een persoon met beperkingen kan voor de in artikel 5.1, onder b en c en
                            d, vermelde voorziening in aanmerking worden gebracht indien:</al><lijst><li nr="a."><al>aantoonbare beperkingen het gebruik van een collectief systeem,
                                    als bedoeld in artikel 5.1, onder a, onmogelijk maken dan
                                    wel;</al></li><li nr="b."><al>een collectief systeem als bedoeld in artikel 5.1, onder a, niet
                                    aanwezig is.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.4</nr><titel>Algemeen gebruikelijke vervoersvoorzieningen</titel></kop><al>Indien het inkomen van een ongehuwde persoon of het gezamenlijk inkomen
                            van gehuwde personen meer bedraagt dan een in het Wmo-besluit vast te
                            stellen inkomensgrens wordt een voorziening, als bedoeld in artikel 5.1,
                            onder a en d, algemeen gebruikelijk geacht en niet verstrekt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.5</nr><titel>Omvang in gebied en in kilometers</titel></kop><al>Bij de te verstrekken vervoersvoorziening wordt ten aanzien van de
                            vervoersbehoefte ten behoeve van maatschappelijke participatie
                            uitsluitend rekening gehouden met de verplaatsingen in de directe woon-
                            en leefomgeving in het kader van het leven van alledag, tenzij zich een
                            uitzonderingssituatie voordoet waarbij het gaat om een bovenregionaal
                            contact, dat uitsluitend door de aanvrager zelf bezocht kan worden,
                            terwijl het bezoek voor de aanvrager noodzakelijk is om dreigende
                            vereenzaming te voorkomen.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>6</nr><titel>- Verplaatsen in en rond de woning</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.1</nr><titel>Vormen van rolstoelvoorzieningen</titel></kop><al>De door het college, ter compensatie van beperkingen bij het verplaatsen
                            in en om de woning dan wel voor sportbeoefening te verstrekken
                            voorziening kan bestaan uit:</al><lijst><li nr="a."><al>een rolstoelvoorziening in natura;</al></li><li nr="b."><al>een persoonsgebonden budget te besteden aan een
                                    rolstoelvoorziening;</al></li><li nr="c."><al>een financiële tegemoetkoming voor een sportrolstoel.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.2</nr><titel>Doelgroep rolstoelvoorziening</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een persoon met beperkingen kan voor de in artikel 6.1, onder a en
                                b, vermelde voorziening in aanmerking worden gebracht indien
                                aantoonbare beperkingen incidenteel dagelijks zittend verplaatsen in
                                en rond de woning noodzakelijk maken en hulpmiddelen, die verstrekt
                                worden op grond van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten of een
                                andere wettelijke regeling, geen adequate oplossing bieden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een persoon met beperkingen kan voor de in artikel 6.1, onder c,
                                vermelde voorziening in aanmerking worden gebracht indien
                                aantoonbare beperkingen op grond van ziekte of gebrek
                                sportbeoefening zonder sportrolstoel onmogelijk maken.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.3</nr><titel>Aanspraak op rolstoelvoorzieningen voor AWBZ-bewoners</titel></kop><al>In uitzondering op het gestelde in artikel 6.1, lid 1, komt een persoon,
                            die verblijft in een op grond van artikel 5 van de Wet toelating
                            zorginstellingen erkende instelling, uitsluitend voor een rolstoel in
                            aanmerking indien hij geen recht heeft op een rolstoel, verstrekt op
                            grond van de AWBZ.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>7</nr><titel>- Verkrijgen van voorzieningen en het motiveren van besluiten</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.1</nr><titel>Gebruik aanvraagformulier</titel></kop><al>Een aanvraag dient te worden ingediend door middel van een door het
                            college ter beschikking gesteld formulier.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.2</nr><titel>Indentificatieplicht</titel></kop><al>De aanvrager dient zich desgevraagd te identificeren door een
                            identiteitsbewijs te overleggen als bedoeld in artikel 1, lid 1 onder 1
                            tot en met 3, van de Wet op de identificatieplicht.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.3</nr><titel>Relatie met de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten</titel></kop><al>De aanvraag wordt ingediend bij het door het college aan te wijzen
                            loket. Naast het aanvragen van Wmo-voorzieningen kunnen ook aanvragen
                            krachtens de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten worden ingediend </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.4</nr><titel>Inlichtingen, onderzoek, advies, motiveren besluit</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college is bevoegd om, voor zover dit van belang kan zijn voor
                                de beoordeling van het recht op een voorziening, degene door wie een
                                aanvraag is ingediend:</al><lijst><li nr="a."><al>op te roepen in persoon te verschijnen op een door het
                                        college te bepalen plaats en tijdstip en hem te
                                        ondervragen;</al></li><li nr="b."><al>op een door het college te betalen plaats en tijdstip door
                                        één of meer daartoe aangewezen deskundigen te doen
                                        ondervragen en/of onderzoeken.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college vraagt het Centrum Indicatiestelling Zorg (C.I.Z.) of
                                een andere deskundige partij om advies indien:</al><lijst><li nr="a."><al> aanvullende informatie nodig is om de aanvraag te kunnen
                                        beoordelen;</al></li><li nr="b."><al>het college dat overigens gewenst vindt.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Een aanvrager is verplicht aan het college of de door hem aangewezen
                                adviesinstantie die gegevens te verschaffen of te doen verschaffen
                                die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van de aanvraag.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Bij de advisering, zoals genoemd in het eerste lid, wordt door de
                                adviseur gebruik gemaakt van de systematiek, zoals neergelegd in de
                                ICF.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het college motiveert bij het verstrekken van een voorziening op
                                welke wijze het genomen besluit bijdraagt aan het behouden en
                                bevorderen van de zelfredzaamheid en de normale maatschappelijke
                                participatie van mensen met een beperking.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.5</nr><titel>Samenhangende afstemming</titel></kop><al>Het college legt in het Wmo-besluit regels vast omtrent de wijze waarop
                            de verkrijging van individuele voorzieningen samenhangend wordt
                            afgestemd op de situatie van de aanvrager.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.6</nr><titel>Wijzigingen in de situatie</titel></kop><al>Degene aan wie krachtens deze verordening een voorziening is verstrekt,
                            is verplicht aan het college direct uit eigen beweging mededeling te
                            doen van feiten en omstandigheden, waarvan redelijkerwijs duidelijk moet
                            zijn dat deze van invloed kunnen zijn op het recht op een
                            voorziening.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.7</nr><titel>Intrekking van een voorziening</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan een besluit, genomen op grond van deze verordening,
                                geheel of gedeeltelijk intrekken indien:</al><lijst><li nr="a."><al>niet is voldaan c.q. niet langer wordt voldaan aan de
                                        voorwaarden gesteld bij of krachtens deze verordening;</al></li><li nr="b."><al>op grond van gegevens beschikt is en gebleken is dat de
                                        gegevens zodanig onjuist waren dat, waren de juiste gegevens
                                        bekend geweest, een andere beslissing zou zijn genomen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een besluit tot verlening van een financiële tegemoetkoming of een
                                persoonsgebonden budget kan worden ingetrokken indien blijkt dat de
                                tegemoetkoming of het budget binnen zes maanden na uitbetaling niet
                                is aangewend voor de bekostiging van het middel waarvoor de
                                verlening heeft plaatsgevonden.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.8</nr><titel>Terugvordering</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Ingeval een voorziening is ingetrokken kan een op basis daarvan
                                reeds uitbetaalde financiële tegemoetkoming of persoonsgebonden
                                budget worden teruggevorderd. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In geval het recht op een in eigendom verstrekte voorziening is
                                ingetrokken kan deze voorziening worden teruggevorderd indien de
                                voorziening is verleend op basis van valselijk verstrekte
                                gegevens.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>8</nr><titel>- Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.1</nr><titel>Hardheidsclausule</titel></kop><al>Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de persoon met
                            beperkingen, mantelzorger of de woningeigenaar afwijken van hetgeen bij
                            of krachtens deze verordening is bepaald, indien strikte toepassing
                            daarvan tot onbillijkheden van overwegende aard leidt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.2</nr><titel>Gevallen waarin deze verordening niet voorziet</titel></kop><al>In gevallen, de uitvoering van deze verordening betreffende, waarin deze
                            verordening niet voorziet, beslist het college. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.3</nr><titel>Indexering</titel></kop><al>Het college kan jaarlijks de in het kader van deze verordening en het op
                            deze verordening berustende Wmo-besluit geldende bedragen verhogen of
                            verlagen conform de ontwikkelingen van de CBS-prijsindex voor
                            gezinsconsumptie.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.4</nr><titel>Nadere regels</titel></kop><al>Het college stelt nadere regels vast voor de uitvoering van deze
                            verordening en de controle op de uitvoering in het Wmo-besluit en het
                            Wmo-handboek.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.5</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 januari 2008 onder
                            gelijktijdige intrekking van de Verordening maatschappelijke
                            ondersteuning gemeente Wierden 2007.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.6</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening maatschappelijke
                            ondersteuning gemeente Wierden 2008.</al><al/></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Wierden, 30 september 2008.</ondertekening><ondertekening>De raad voornoemd,</ondertekening><ondertekening>De griffier de voorzitter</ondertekening><ondertekening>Drs. HR. Lanning L.B. Kobes</ondertekening><ondertekening/></regeling-sluiting></regeling></body></cvdr>