<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR37236_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening Wet inburgering gemeente Wierden</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Wierden</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-09-29</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Wierden</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">De Driehoek, datum onbekend</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>VeVerordening Wet inburgering gemeente Wierdenrordening Wet inburgering gemeente Wierden</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet inburgering, art. 8, 19, vijfde lid, 23, derde lid, 24a, lid vijf, 24f en 35</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Besluit inburgering, art. 4.27, derde lid</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2010-02-22</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2010-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:terugwerkendekrachtDatum>2010-01-01</overheidrg:terugwerkendekrachtDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2017-09-29</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Onbekend</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>2009-40</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>VERORDENING WET INBURGERING GEMEENTE WIERDEN 2010</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente Wierden;</al><al>gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van
                        Wierden</al><al>gelet op de artikelen 8, 19, vijfde lid, 23, derde lid, 24a, vijfde lid, 24f
                        en 35 van de Wet inburgering en artikel 4.27, derde lid, van het besluit
                        inburgering;</al><al>Besluit vast te stellen de volgende verordening:</al><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>de wet: de Wet inburgering</al></li><li nr="b."><al>het college: het college van burgemeester en wethouders van
                                        de gemeente Wierden;</al></li><li nr="c."><al>voorziening: een (duale) inburgeringsvoorziening of
                                        taalkennisvoorziening.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De begripsomschrijving in de wet en de daarop berustende regelingen
                                zijn van toepassing op de begrippen die in deze verordening worden
                                gebruikt. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>De informatieverstrekking aan
                                inburgeringsplichtigen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college draagt er zorg voor dat de inburgeringsplichtigen en de
                                vrijwillige inburgeraars op een doeltreffende en doelmatige wijze
                                worden geïnformeerd over hun rechten en plichten uit hoofde van de
                                wet en over het aanbod van en de toegang tot een voorzieningen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college maakt bij de informatieverstrekking aan de
                                inburgeringsplichtigen en vrijwillige inburgeraars in ieder geval
                                gebruik van de volgende middelen:</al><lijst><li nr="a."><al>Foldermateriaal; gemeentelijke website en
                                        gemeentepagina;</al></li><li nr="b."><al>Individuele klantcontacten;</al></li><li nr="c."><al>Informatieverstrekking door derden;</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college beoordeelt tenminste eens in de drie jaren de
                                doeltreffendheid en doelmatigheid van de informatieverstrekking aan
                                de inburgeringsplichtigen en de vrijwillige inburgeraars, en
                                rapporteert daarover aan de raad.</al><al>Hoofdstuk 2 Het aanbieden van een voorziening aan
                                inburgeringsplichtigen</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Aanwijzen van de doelgroepen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Aan groepen inburgeringsplichtigen als bedoeld in artikel 19, lid
                                twee van de wet, biedt het college een inburgeringsvoorziening
                                aan.</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>asielgerechtigde inburgeringsplichtigen;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>geestelijke bedienaren;</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college wijst de groepen inburgeringsplichtigen aan waaraan hij
                                bij voorrang een voorziening kan aanbieden op basis van de volgende
                                criteria: </al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>Uitkeringsgerechtigden met een uitkering op grond van de Wet Werk en
                                Bijstand, een inkomensvoorziening op grond van de Wet investeren in
                                jongeren of een uitkering op grond van een andere sociale
                                zekerheidswetten of met een reïntegratietraject;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>Opvoeders met kinderen in de leeftijd van 0 tot 18 jaar;</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>De samenstelling van de voorzieningen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college stemt de voorziening, met uitzondering van de
                                inburgeringsvoorziening aan geestelijke bedienaren, af op het
                                startniveau en de vaardigheden, de persoonlijke omstandigheden en de
                                maatschappelijke positie van de inburgeringsplichtige.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een voorziening kan, naast datgene dat in de wet is geregeld, een of
                                meer van de volgende onderdelen bevatten:</al></lid><lid><lidnr>-</lidnr><al>het aanbieden van trajectbegeleiding;</al></lid><lid><lidnr>-</lidnr><al>het houden van voortgangsgesprekken.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>De procedure van het doen van een
                                aanbod</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college doet het aanbod, bedoeld in artikel 19, eerste of tweede
                                lid, van de wet schriftelijk. Het aanbod wordt gezonden naar het
                                adres waar de inburgeringsplichtige in de gemeentelijke
                                basisadministratie is ingeschreven.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In het aanbod wordt een omschrijving gegeven van de voorziening die
                                wordt aangeboden en worden de rechten en verplichtingen vermeld die
                                aan die voorziening worden verbonden.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De inburgeringsplichtige, aan wie een aanbod wordt gedaan, deelt
                                binnen vier weken het college schriftelijk mee of hij het aanbod al
                                dan niet aanvaardt.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Als de inburgeringsplichtige het aanbod aanvaardt, neemt het college
                                binnen acht weken na ontvangst van deze mededeling het besluit tot
                                vaststelling van de voorziening overeenkomstig het gedane
                                aanbod.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Als de inburgeraar het aanbod weigert is hij zelf verantwoordelijk
                                voor zijn voorbereiding op het inburgeringsexamen of het
                                staatsexamen Nederlands als tweede taal I of II. Het college zal
                                binnen 3 weken na weigering een handhavingsbeschikking versturen
                                waarmee de termijn aanvangt waarbinnen de inburgeringsplichtige het
                                inburgeringsexamen moet hebben behaald</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>De voorziening in de vorm van een persoonlijk
                                inburgeringsbudget</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college behandelt het verzoek van de inburgeringsplichtige
                                    om in aanmerking te komen voor een voorziening in de vorm van
                                    een persoonlijk inburgeringsbudget op de volgende wijze: </al></li><li nr="-"><al>het verzoek moet schriftelijk worden ingediend;</al></li><li nr="-"><al>de inburgeringsplichtige dient binnen een termijn van 8 weken op
                                    te zoek te gaan naar een inburgeringsbedrijf dat past bij zijn
                                    voorkeur en ambities;</al></li><li nr="2."><al>Het college keurt het voorstel van de inburgeringsplichtige voor
                                    het volgen van een (duaal) inburgeringsprogramma goed, indien
                                    dit programma: </al></li><li nr="-"><al>naar het oordeel van het college passend is om hem voor te
                                    bereiden op en toe te leiden naar het inburgeringsexamen of
                                    staatsexamen Nederlands als tweede taal I of II; en</al></li><li nr="-"><al>wordt verzorgd door een inburgeringsbedrijf dat voldoet aan de
                                    volgende vereisten:</al></li><li nr="a."><al>ingeschreven zijn bij de Kamer van Koophandel;</al></li><li nr="b."><al>beschikken over het keurmerk inburgering;</al></li><li nr="c."><al>beschikken over aantoonbare ervaring en deskundigheid op het
                                    gebied van het verzorgen van inburgeringsprogramma’s .</al></li><li nr="3."><al>Het college keurt het voorstel van de inburgeringsplichtige voor
                                    het volgen van een taalkennisvoorziening goed, indien deze
                                    taalkennisvoorziening: Naar het oordeel van het college passend
                                    is om hem de kennis van de Nederlandse taal te laten verwerven
                                    die noodzakelijk is voor het kunnen afronden van een
                                    mbo-opleiding op niveau 1 of 2; en wordt verzorgd door een
                                    inburgeringsbedrijf dat voldoet aan de volgende vereisten: </al></li></lijst><lijst><li nr="a."><al>ingeschreven zijn bij de Kamer van Koophandel;</al></li><li nr="b."><al>beschikken over een keurmerk van de brancheorganisatie;</al></li><li nr="c."><al>beschikken over aantoonbare ervaring en deskundigheid op het
                                    gebied van het verzorgen van inburgeringsprogramma’s of
                                    taalkennisvoorzieningen.</al></li><li nr="4."><al>Als het college de voorziening in de vorm van een persoonlijk
                                    inburgeringsbudget heeft vastgesteld, sluiten het college en de
                                    inburgeringsplichtigeeen overeenkomst met het
                                    inburgeringsbedrijf.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>De inning van de eigen bijdrage</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De eigen bijdrage bedoeld in artikel 23, tweede lid, van de wet
                                wordt in beginsel in één keer en ten hoogste in 10 maandelijkse
                                termijnen betaald.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college legt in de beschikking tot vaststelling van een
                                voorziening de termijnen van betaling vast. Indien het college de
                                eigen bijdrage verrekent met de algemene bijstand op grond van de
                                WWB of met de inkomensvoorziening op grond van de WIJ, wordt dat in
                                de beschikking vastgelegd;</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In afwijking van artikel 24, eerste lid, van de wet, zijn
                                vrijwillige inburgeraars géén eigen bijdrage verschuldigd.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>De inhoud van de beschikking</titel></kop><al>Het besluit tot toekenning van een inburgeringsvoorziening of
                            taalkennisvoorziening bevat in ieder geval:</al><lijst><li nr="a."><al>een beschrijving van de inburgeringsvoorziening of
                                    taalkennisvoorziening;</al></li><li nr="b."><al>de duur van de inburgeringsvoorziening of
                                    taalkennisvoorziening;</al></li><li nr="c."><al>de datum waarop het inburgeringsexamen of staatsexamen
                                    Nederlands als tweede taal I of II moet zijn behaald;</al></li><li nr="d."><al>de termijnen en wijze van betaling van de eigen bijdrage;</al></li><li nr="e."><al>een opgave van de rechten en verplichtingen van de
                                    inburgeringsplichtige;</al></li><li nr="f."><al>de mogelijkheid van sancties;</al></li><li nr="g."><al>ingeval van een oudkomer: de datum waarop de termijn van
                                    handhaving van de inburgeringsplicht, bedoeld in artikel 26 van
                                    de wet, aanvangt. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9 Opleggen van verplichtingen</titel></kop><al>Het college kan een inburgeringsplichtige bij beschikking één of meer
                            van de volgende verplichtingen opleggen:</al><lijst><li nr="a."><al>het deelnemen aan de voorziening c.q. onafhankelijke
                                    diagnosestelling;</al></li><li nr="b."><al>het deelnemen aan gesprekken met de trajectbegeleider;</al></li><li nr="c."><al>het deelnemen aan voortgangsgesprekken;</al></li><li nr="d."><al>voor de eerste maal deelnemen aan het inburgeringsexamen of
                                    staatsexamen Nederlands als tweede taal I of II op een, door het
                                    college te bepalen, tijdstip;</al></li><li nr="e."><al>het melden indien door ziekte dan wel door andere relevante
                                    omstandigheden niet aan de verplichtingen in de beschikking kan
                                    worden voldaan;</al></li></lijst><al>het meewerken aan een onderzoek wanneer door persoonlijke omstandigheden
                            de inburgeringsplichtige niet in staat is deel te nemen aan het
                            inburgeringstraject en/of inburgeringsexamen of het staatsexamen
                            Nederlands als tweede taal I of II.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel><cursief>Hoofdstuk 3 De bestuurlijke boete</cursief></titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>De hoogte van de bestuurlijke boetes voor de
                                verschillende overtredingen</titel></kop><lijst><li nr=""><lijst><li nr="1."><al>De bestuurlijke boete bedraagt ten hoogste € 100,00,
                                            indien de inburgeringsplichtige of de persoon ten
                                            aanzien van wie het college op redelijke gronden kan
                                            vermoeden dat deze inburgeringsplichtig is geen of
                                            onvoldoende medewerking verleent aan het onderzoek,
                                            bedoeld in artikel 25, vierde lid, van de wet.</al></li><li nr="2."><al>De bestuurlijke boete bedraagt ten hoogste € 200,00,
                                            indien de inburgeringsplichtige geen of onvoldoende
                                            medewerking verleent aan de uitvoering van de voor hem
                                            vastgestelde voorziening, bedoeld in artikel 23, eerste
                                            lid, van de wet of aan de verplichtingen, bedoelt in
                                            artikel 9 van deze verordening.</al></li><li nr="3."><al>De bestuurlijke boete bedraagt ten hoogste € 300,00,
                                            indien de inburgeringsplichtige niet binnen de in
                                            artikel 7, eerste lid, van de wet bedoelde termijn of
                                            binnen de door het college op grond van artikel 31,
                                            tweede lid, onderdeel a, van de wet, verlengde termijn
                                            het inburgeringsexamen of het staatsexamen Nederlands
                                            als tweede taal I of II heeft behaald.</al></li><li nr="4."><al>De in het eerste, tweede en derde lid bedoelde
                                            bestuurlijke boete bedraagt maximaal het daarvoor in
                                            artikel 34 van de wet, genoemde bedrag.</al></li></lijst></li><li nr="5."><al>Geen bestuurlijke boete wordt opgelegd indien voor dezelfde
                                    gedraging de bijstand op grond van</al></li></lijst><al> artikel 18, lid 2 van de WWB kan worden verlaagd dan wel een boete of
                            maatregel kan of moet</al><al> worden opgelegd op grond van bij algemene maatregel van bestuur aan te
                            wijzen sociale</al><al> zekerheidswetten of sociale zekerheidsregelingen. In ieder geval wordt
                            geen boete opgelegd als</al><al> de overtreding niet verwijtbaar is. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Verhoging van de bestuurlijke boete bij
                                herhaling van de overtreding</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De bestuurlijke boete voor overtredingen, bedoeld in artikel 10,
                                    eerste lid van deze verordening, bedraagt ten hoogste € 200,00,
                                    indien de inburgeringsplichtige zich binnen twaalf maanden na de
                                    vorige als verwijtbaar aangemerkte overtreding opnieuw schuldig
                                    maakt aan dezelfde overtreding.</al></li><li nr="2."><al>De bestuurlijke boete voor overtredingen, bedoeld in artikel 10,
                                    tweede lid van deze verordening, bedraagt ten hoogste € 400,00
                                    indien de inburgeringsplichtige zich binnen twaalf maanden na de
                                    vorige als verwijtbaar aangemerkte overtreding opnieuw schuldig
                                    maakt aan dezelfde overtreding.</al></li><li nr="3."><al>De bestuurlijke boete bedraagt ten hoogste € 600,00 indien de
                                    inburgeringsplichtige niet binnen de door het college op grond
                                    van artikel 32 van de wet vastgestelde termijn het
                                    inburgeringsexamen of het staatsexamen Nederlands als tweede
                                    taal I of II heeft behaald.</al></li><li nr="4."><al>De bestuurlijke boete bedraagt ten hoogste € 1.000,00 voor de
                                    duur van twee maanden indien de inburgeringsplichtige niet
                                    binnen de door het college op grond van artikel 33 van de wet
                                    vastgestelde termijn het inburgeringsexamen of het staatsexamen
                                    Nederlands als tweede taal I of II heeft behaald.</al></li><li nr="5."><al>Geen bestuurlijke boete wordt opgelegd indien voor dezelfde
                                    gedraging de bijstand op grond van</al></li></lijst><al> artikel 18, lid 2 van de WWB kan worden verlaagd dan wel een boete of
                            maatregel kan of moet</al><al> worden opgelegd op grond van bij algemene maatregel van bestuur aan te
                            wijzen sociale</al><al> zekerheidswetten of sociale zekerheidsregelingen. In ieder geval wordt
                            geen boete opgelegd als</al><al> de overtreding niet verwijtbaar is. </al><al>6.De in het eerste, tweede en derde lid bedoelde bestuurlijke boete
                            bedraagt maximaal het daarvoor</al><al> in artikel 34 van de wet, genoemde bedrag.</al><al>Hoofdstuk 4 Het aanbieden van een voorziening aan vrijwillige
                            inburgeraars</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Aanwijzen van de doelgroepen</titel></kop><al>Het college wijst de groepen vrijwillige inburgeraars aan waaraan hij
                            bij voorrang een voorziening kan aanbieden op basis van de volgende
                            criteria:</al><lijst><li nr="a."><al>Uitkeringsgerechtigden met een uitkering op grond van de Wet
                                    Werk en Bijstand, een inkomensvoorziening op grond van de Wet
                                    investeren in jongeren of een uitkering op grond van een andere
                                    sociale zekerheidswetten of met een reïntegratietraject;</al></li><li nr="b."><al>Opvoeders met kinderen in de leeftijd van 0 tot 18 jaar;</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>De samenstelling van de voorziening</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>het college bepaalt in overleg met de vrijwillige inburgeraar,
                                uitgezonderd geestelijke bedienaren, de samenstelling van de
                                voorziening. De voorziening wordt afgestemd op het startniveau en de
                                vaardigheden, de persoonlijke omstandigheden en de maatschappelijke
                                positie van de vrijwillige inburgeraar.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>een voorziening kan, naast datgene dat in de wet is geregeld, één of
                                meer van de volgende onderdelen bevatten: </al></lid><lid><lidnr>1.</lidnr><al>het aanbieden van trajectbegeleiding;</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>het houden van voortgangsgesprekken.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>De voorziening in de vorm van een persoonlijk
                                inburgeringsbudget</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college behandelt het verzoek van de vrijwillige inburgeraar
                                    om in aanmerking te komen voor een voorziening in de vorm van
                                    een persoonlijk inburgeringsbudget op de volgende wijze:</al></li><li nr="-"><al>het verzoek moet schriftelijk worden ingediend;</al></li><li nr="-"><al>de inburgeringsplichtige dient binnen een termijn van 8 weken op
                                    te zoek te gaan naar een inburgeringsbedrijf dat past bij zijn
                                    voorkeur en ambities;</al></li><li nr="2."><al>Het college keurt het voorstel van de vrijwillige inburgeraar
                                    voor het volgen van een (duaal) inburgeringsprogramma goed,
                                    indien dit programma:</al></li><li nr="-"><al>naar het oordeel van het college passend is om hem voor te
                                    bereiden op en toe te leiden naar het inburgeringsexamen of
                                    staatsexamen Nederlands als tweede taal I of II; en</al></li><li nr="-"><al>wordt verzorgd door een inburgeringsbedrijf dat voldoet aan de
                                    volgende vereisten:</al></li><li nr="a."><al>ingeschreven zijn bij de Kamer van Koophandel;</al></li><li nr="b."><al>beschikken over het keurmerk inburgering;</al></li><li nr="c."><al>beschikken over aantoonbare ervaring en deskundigheid op het
                                    gebied van het verzorgen van inburgeringsprogramma’s .</al></li><li nr="3."><al>Het college keurt het voorstel van de vrijwillige inburgeraar
                                    voor het volgen van een taalkennisvoorziening goed, indien deze
                                    taalkennisvoorziening:</al></li><li nr="-"><al>naar het oordeel van het college passend is om hem de kennis van
                                    de Nederlandse taal te l aten verwerven die noodzakelijk is voor
                                    het kunnen afronden van een mbo-opleiding op niveau 1 of 2;
                                    en</al></li><li nr="-"><al>wordt verzorgd door een inburgeringsbedrijf dat voldoet aan de
                                    volgende vereisten:</al></li><li nr="a."><al>ingeschreven zijn bij de Kamer van Koophandel;</al></li><li nr="b."><al>beschikken over een keurmerk van de brancheorganisatie;</al></li><li nr="c."><al>beschikken over aantoonbare ervaring en deskundigheid op het
                                    gebied van het verzorgen van inburgeringsprogramma’s of
                                    taalkennisvoorzieningen</al></li></lijst><al>4 Als het college de voorziening in de vorm van een persoonlijk
                            inburgeringsbudget heeft vastgesteld, sluiten het college en de
                            vrijwillige inburgeraareen overeenkomst met het inburgeringsbedrijf.
                        </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15</nr><titel>De inning van de eigen bijdrage</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De eigen bijdrage bedoeld in artikel 23, tweede lid, van de wet
                                wordt in beginsel in één keer en ten hoogste in 10 maandelijkse
                                termijnen betaald. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college legt in de beschikking tot toekenning van een
                                inburgeringsvoorziening de termijnen van betaling vast. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De wijze van inning van de eigen bijdrage en verrekening met
                                algemene bijstand zullen in door het college vast te stellen
                                beleidsregels worden opgenomen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16</nr><titel>Opleggen van verplichtingen</titel></kop><al>Het college neemt in de overeenkomst met de vrijwillige inburgeraar,
                            bedoeld in artikel 24d, tweede lid, van de wet een of meer van de
                            volgende verplichtingen op:</al><lijst><li nr="a."><al>het deelnemen aan de voorziening;</al></li><li nr="b."><al>het deelnemen aan gesprekken met de trajectbegeleider;</al></li><li nr="c."><al>het deelnemen aan voortgangsgesprekken;</al></li><li nr="d."><al>voor de eerste maal deelnemen aan het inburgeringsexamen of
                                    staatsexamen Nederlands als tweede taal I of II op een tijdstip
                                    dat in de overeenkomst wordt neergelegd; </al></li><li nr="e."><al>het melden indien door ziekte dan wel door andere relevante
                                    omstandigheden niet aan de verplichtingen in de overeenkomst kan
                                    worden voldaan;</al></li><li nr="f."><al>het meewerken aan een onderzoek wanneer door persoonlijke
                                    omstandigheden de inburgeringsplichtige niet in staat is deel te
                                    nemen aan het inburgeringstraject en/of inburgeringsexamen of
                                    het staatsexamen Nederlands als tweede taal I of II.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17</nr><titel>De inhoud van de overeenkomst</titel></kop><al>De overeenkomst met de vrijwillige inburgeraar, bedoeld in artikel 24d,
                            tweede lid, van wet bevat in ieder geval: </al><lijst><li nr="a."><al>een beschrijving van de voorziening;</al></li><li nr="b."><al>een opgave van de rechten en verplichtingen van de vrijwillige
                                    inburgeraar;</al></li><li nr="c."><al>de datum waarop aan het inburgeringsexamen of staatsexamen
                                    Nederlands als tweede taal I of II moet zijn deelgenomen; </al></li><li nr="d."><al>de sancties die kunnen worden toegepast wanneer de
                                    verplichtingen niet worden nagekomen, en indien van
                                    toepassing:</al></li><li nr="e."><al>de termijnen en wijze van betaling van de eigen bijdrage</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18</nr><titel>Sancties bij niet-nakoming van de
                                overeenkomst</titel></kop><al>Indien de vrijwillige inburgeraar de verplichtingen die zijn neergelegd
                            in de overeenkomst niet of in onvoldoende nakomt:</al><lijst><li nr="a."><al>kan het gevolgen hebben voor de hoogte van de WWB-uitkering van
                                    de deelnemer;</al></li><li nr="b."><al>kunnen de kosten ten behoeve van het inburgeringsprogramma voor
                                    rekening van de deelnemer komen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19</nr><titel>Het vaststellen van de identiteit van de
                                vrijwillige inburgeraar</titel></kop><al>Het college stelt de identiteit van de vrijwillige inburgeraar vast aan
                            de hand van een document als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de
                            identificatieplicht.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>5</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>20</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening treedt in werking op de dag, volgend op die van haar
                            bekendmaking en werkt terug </al><al>tot en met 1 januari 2010.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>21</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>De verordening wordt aangehaald als: Verordening Wet Inburgering
                            gemeente Wierden 2010</al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus besloten in de openbare vergadering van de gemeenteraad d.d. </ondertekening><ondertekening>De raad voornoemd,</ondertekening><ondertekening>De griffier, de voorzitter,</ondertekening><ondertekening>drs. W.H.J. Wienk J.G. Kristen </ondertekening><ondertekening/></regeling-sluiting><nota-toelichting><tussenkop>Toelichting bij de gewijzigde voorbeeldverordening </tussenkop><al>Op 18 december 2009 is een wijziging van de Wet inburgering (WI) gepubliceerd.
                    Het gaat om de volgende wijzigingen: </al><lijst><li nr=""><lijst><li nr="-"><al>De vrijwillige inburgering wordt in de wet geregeld.
                                    (inwerkingtreding 1 januari </al><al> 2010)</al></li><li nr="-"><al>De mogelijkheid om op verzoek van de inburgeringsplichtige of
                                    vrijwillige </al><al> inburgeraar een inburgeringvoorziening of taalkennisvoorziening
                                    aan te bieden </al><al> in de vorm van een persoonlijk inburgeringsbudget wordt in de
                                    wet opgenomen. </al><al> (inwerkingtreding 19 december 2009 resp. 1 januari 2010)</al></li></lijst></li><li nr="-"><al>De twee handhavingstermijnen die in de wet zijn opgenomen worden</al><al> geharmoniseerd. Voor alle inburgeringsplichtigen geldt dezelfde termijn </al><al> waarbinnen het inburgeringsexamen moet zijn behaald. Deze termijn is </al><al> drieënhalf jaar. (inwerkingtreding 19 december 2009)</al></li><li nr="-"><al>De eenmalige verlenging van de handhavingstermijn met ten hoogste
                            tweeënhalf</al><al> jaar voor inburgeringsplichtigen die een alfabetiseringcursus volgen of
                            hebben </al><al> gevolgd. (inwerkingtreding 19 december 2009)</al></li><li nr="-"><al>De mogelijkheid voor gemeenten om zelf te bepalen of (bepaalde
                            groepen)</al><al> vrijwillige inburgeraars een eigen bijdrage moeten betalen.
                            (inwerkingtreding 1 </al><al> januari 2010)</al></li></lijst><al>De wijzigingen in de voorbeeldverordening hebben betrekking op de onderwerpen
                    persoonlijk inburgeringsbudget en vrijwillige inburgeraars. </al><al>Gemeenten moeten in hun verordening regels opnemen die betrekking hebben op het
                    aanbieden van een inburgeringsvoorziening of taalkennisvoorziening in de vorm
                    van een persoonlijk inburgeringsbudget (artikel 19, vijfde lid, WI). </al><al>Ten aanzien van de vrijwillige inburgeraars moeten gemeenten in de verordening
                    het volgende vastleggen: </al><al>1.</al><al> regels die betrekking hebben op het aanbieden van een inburgeringsvoorziening
                    of </al><al> taalkennisvoorziening aan een vrijwillige inburgeraar, inclusief de
                    mogelijkheid om deze voorzieningen </al><al> aan te bieden in de vorm van een persoonlijk inburgeringsbudget (artikel 24a,
                    vijfde lid, WI);</al><al>2.</al><al>regels over de informatieverstrekking door de gemeente aan vrijwillige
                    inburgeraars ter zake van hun rechten en plichten uit hoofde van deze wet, de
                    niet-nakoming van de overeenkomst alsmede het vaststellen van de identiteit van
                    de vrijwillige inburgeraar (artikel 24f WI);</al><al>3.</al><al>bepalen dat voor alle vrijwillige inburgeraars geen eigen bijdrage is
                    verschuldigd </al><al> Algemene toelichting</al><al>De WI regelt de inburgeringsplicht voor in beginsel alle onderdanen van
                    derdelanden van 18 tot 65 jaar die duurzaam in Nederland willen en mogen
                    verblijven. Bij het invulling geven aan de inburgeringsverplichting staat de
                    eigen verantwoordelijkheid (ook in financiële zin) van de inburgeringsplichtige
                    centraal. De inburgeringsplichtige kan naar eigen inzicht bepalen hoe hij zich
                    wil voorbereiden op het inburgeringsexamen. Aan de inburgeringsverplichting is
                    voldaan wanneer het inburgeringsexamen is behaald (een resultaatsverplichting). </al><al>Daarnaast is in de WI ook de vrijwillige inburgering geregeld. De bepalingen in
                    de wet over vrijwillige inburgering zijn zoveel mogelijk geformuleerd
                    overeenkomstig de bepalingen die gelden voor de inburgeringsplichtigen. </al><al>Gemeenten krijgen in de WI een aantal belangrijke taken toebedeeld. Zo hebben
                    gemeenten de opdracht om de inburgeringsplichtigen en de vrijwillige
                    inburgeraars in de gemeente goed te informeren over de rechten en plichten die
                    voortvloeien uit deze wet. </al><al>Daarnaast hebben gemeenten de taak aan inburgeringsplichtigen en vrijwillige
                    inburgeraars die daarvoor op grond van de wet of het gemeentelijk beleid in
                    aanmerking komen een inburgeringsvoorziening of taalkennisvoorziening aan te
                    bieden. Een inburgeringsvoorziening leidt toe naar het inburgeringsexamen of het
                    staatsexamen Nederlands als tweede taal. In plaats van een
                    inburgeringsvoorziening mogen gemeenten aan inburgeringsplichtigen en
                    vrijwillige inburgeraars die een mbo-opleiding op niveau 1 of 2 volgen of gaan
                    volgen een taalkennisvoorziening aanbieden. </al><al>In de verordening wordt gesproken over ‘voorziening’. Hieronder wordt zowel de
                    inburgeringsvoorziening als de taalkennisvoorziening begrepen. </al><al>Ook moeten gemeenten de inburgeringsplicht van inburgeringsplichtigen handhaven.
                    Het college moet een bestuurlijke boete opleggen als een inburgeringplichtige
                    zich verwijtbaar niet houdt aan de verplichtingen die voor hem gelden. Het ligt
                    voor de hand dat het college ook toezicht houdt of de overeenkomst door de
                    vrijwillige inburgeraar wordt nagekomen en indien dat niet het geval is zo nodig
                    maatregelen neemt. </al><al>In verband met deze taken draagt de WI gemeenten op om bij verordening regels te
                    stellen over de volgende onderwerpen:</al><lijst><li nr="1."><al>De informatieverstrekking door de gemeente aan inburgeringsplichtigen en
                            vrijwillige inburgeraars (artikel 8 en artikel 24f WI). </al></li><li nr="2."><al>Het aanbieden van een voorziening en de rechten en plichten van de
                            inburgeringsplichtige voor wie een voorziening is vastgesteld (artikel
                            19, vijfde lid, en artikel 23, derde lid, WI).</al></li><li nr="3."><al>Het vaststellen van het bedrag van de bestuurlijke boete die voor de
                            verschillende overtredingen kan worden opgelegd (artikel 35 WI).</al></li><li nr="4."><al>Facultatief: bepalen dat het college een voorziening kan vaststellen,
                            zonder dat eerst een aanbod wordt gedaan (artikel 19a, eerste lid,
                            WI).</al></li><li nr="5."><al>Het aanbieden van een voorziening aan vrijwillige inburgeraars (artikel
                            24a tot en met 24f WI). </al></li><li nr="6."><al>Het persoonlijk inburgeringsbudget (artikel 19, tweede lid en artikel
                            24a, tweede lid, WI). </al></li></lijst><tussenkop>Het aanbodstelsel ten behoeve van
                    inburgeringsplichtigen</tussenkop><al>In deze versie van de voorbeeldverordening is géén gebruik gemaakt van de
                    mogelijkheid die artikel 19a van de WI biedt om het college de bevoegdheid te
                    geven de voorzieningen vast te stellen, zonder dat eerst een aanbod aan de
                    inburgeringsplichtigen wordt gedaan. In deze voorbeeldverordening wordt het
                    aanbodstelsel gehandhaafd. Dit stelsel houdt in dat het college de
                    inburgeringsplichtige een aanbod doet en de voorziening vaststelt overeenkomstig
                    het aanbod als de inburgeringsplichtige het aanbod heeft aanvaard. Als een
                    gemeente kiest voor het vaststellingstelsel, kan zij gebruik maken van de
                    voorbeeldverordening, versie vaststellingstelsel. </al><tussenkop>De informatieverstrekking aan inburgeringsplichtigen en
                    vrijwillige inburgeraars</tussenkop><al>Artikel 8 en 24f WI bepalen dat de gemeenteraad bij verordening regels vaststelt
                    over de informatieverstrekking door de gemeente aan respectievelijk
                    inburgeringsplichtigen en vrijwillige inburgeraars over de rechten en plichten
                    uit hoofde van de wet. </al><tussenkop>Het aanbieden van voorzieningen aan
                    inburgeringsplichtigen</tussenkop><al>Het uitgangspunt van de wet is de eigen verantwoordelijkheid van de
                    inburgeringsplichtige om te bepalen hoe hij zich voorbereidt op het
                    inburgeringsexamen. Gemeenten kunnen inburgeringsplichtigen ondersteunen door
                    het aanbieden van een inburgeringsvoorziening of een taalkennisvoorziening. Alle
                    inburgeringsplichtigen kunnen in beginsel in aanmerking komen voor een
                    voorziening. De gemeenteraad bepaalt welke groepen inburgeringsplichtigen bij
                    voorrang in aanmerking komen voor een voorziening en welke groepen op eigen
                    kracht dienen in te burgeren. Deze keuze dient te berusten op objectieve
                    criteria die in de verordening worden vastgelegd. </al><al>Een inburgeringsvoorziening leidt toe naar het inburgeringsexamen of het
                    staatsexamen Nederlands als tweede taal I of II en omvat het eenmaal kosteloos
                    afleggen van dat examen. Een inburgeringsvoorziening kan ook een duale
                    inburgeringsvoorziening zijn. Dit is een inburgeringsvoorziening die met het oog
                    op de actieve deelname van de inburgeringsplichtige aan de Nederlandse
                    samenleving mede voorziet in activiteiten die in samenhang, en ten minste voor
                    een deel gelijktijdig, met het verwerven van mondelinge en schriftelijke
                    vaardigheden in de Nederlandse taal en kennis van de Nederlandse samenleving
                    worden uitgevoerd. Een taalkennisvoorziening is gericht op de verwerving van de
                    kennis van de Nederlands taal die noodzakelijk is voor het kunnen afronden van
                    een mbo-opleiding op niveau 1 of 2 (artikel 19, derde lid, WI). </al><al>De inburgeringsplichtige is verplicht een eigen bijdrage van € 270 te betalen
                    voor de voorziening.</al><al>Voor asielgerechtigde inburgeringsplichtigen bestaat een voorziening ook uit
                    maatschappelijke begeleiding (artikel 19, zesde lid, WI). </al><al>De WI draagt de gemeenteraden op om bij verordening regels te stellen met
                    betrekking tot het aanbieden van een voorziening. In de wet is ook vastgelegd
                    over welke onderwerpen in ieder geval regels moeten worden gesteld: </al><lijst><li nr="-"><al>De procedure die door het college wordt gevolgd voor het doen van een
                            aanbod aan inburgeringsplichtigen (artikel 19, vijfde lid, onderdeel a,
                            WI).</al></li><li nr="-"><al>De criteria die worden gehanteerd bij het doen van een aanbod aan
                            inburgeringsplichtigen (artikel 19, vijfde lid, onderdeel a, WI).</al></li><li nr="-"><al>De vaststelling door het college van een passende voorziening, met
                            inbegrip van de totstandkoming en de samenstelling van die voorziening
                            (artikel 19, vijfde lid, onderdeel b, WI).</al></li><li nr="-"><al>De rechten en plichten van de inburgeringsplichtige voor wie een
                            voorziening is vastgesteld. Deze regels hebben in ieder geval betrekking
                            op de inning van de eigen bijdrage door het college en de mogelijkheid
                            van betaling in termijnen (artikel 23, derde lid, WI). </al></li></lijst><tussenkop>Het vaststellen van het bedrag van de bestuurlijke boete </tussenkop><al>Artikel 35 WI draagt gemeenten op bij verordening de hoogte van de bestuurlijke
                    boete vast te stellen die voor de verschillende overtredingen kan worden
                    opgelegd. Artikel 34 van de wet bepaalt het bedrag dat ten hoogste als
                    bestuurlijke boete kan worden opgelegd.</al><tussenkop>Het aanbieden van voorzieningen aan vrijwillige
                    inburgeraars </tussenkop><al>De bepalingen in de wet over vrijwillige inburgering zijn zoveel mogelijk
                    geformuleerd overeenkomstig de bepalingen die gelden voor de
                    inburgeringsplichtigen. In artikel 24a van de WI wordt geregeld dat het college
                    aan de vrijwillige inburgeraar een aanbod kan doen voor een (duale)
                    inburgeringsvoorziening die toe leidt naar het inburgeringsexamen of het
                    staatsexamen Nederlands als tweede taal I en II, of een taalkennisvoorziening. </al><al>Artikel 24d van de wet regelt dat indien een vrijwillige inburgeraar in
                    aanmerking komt voor een voorziening, het college een aanbod doet aan de
                    vrijwillige inburgeraar. Als de vrijwillige inburgeraar het aanbod voor een
                    voorziening aanvaardt, sluit het college met hem een overeenkomst. </al><al>De gemeenteraad stelt in een verordening in ieder geval regels over de procedure
                    die het college volgt voor het doen van een aanbod en de criteria die daarbij
                    worden gehanteerd, de wijze waarop met de vrijwillige inburgeraar in overleg
                    wordt getreden om te komen tot een passende voorziening, met inbegrip van de
                    totstandkoming en samenstelling van die voorziening (artikel 24a, vijfde lid,
                    WI). </al><al>Op grond van artikel 24e WI is de vrijwillige inburgeraar met wie een
                    voorziening is overeengekomen de in artikel 23, tweede lid vastgestelde eigen
                    bijdrage verschuldigd. Vrijwillige inburgeraars die een gecombineerde
                    voorziening als bedoeld in artikel 24b, eerste lid, van de wet, moeten volgen,
                    hoeven geen eigen bijdrage te betalen (artikel 24<sup/>e, derde lid, WI). </al><al>De gemeenteraad kan bij verordening bepalen dat alle of bepaalde categorieën
                    vrijwillige inburgeraars geen eigen bijdrage hoeven te betalen of een lager
                    bedrag dan het bedrag dat in de wet is vastgelegd (artikel 24<sup/>e, tweede
                    lid, WI). Artikel 24f WI draagt gemeenten op om bij verordening regels te
                    stellen over de informatieverstrekking door de gemeente aan vrijwillige
                    inburgeraars ter zake van hun rechten en plichten uit hoofde van deze wet, de
                    inning van de eigen bijdrage door het college en de mogelijkheid van betaling in
                    termijnen, de niet-nakoming van de overeenkomst alsmede het vaststellen van de
                    identiteit van de vrijwillige inburgeraar. </al><tussenkop>Het persoonlijk inburgeringsbudget</tussenkop><al>Op grond van artikel 19, tweede lid en artikel 24a, tweede lid, WI kan het
                    college een (duale) inburgeringsvoorziening of taalkennisvoorziening aanbieden
                    in de vorm van een persoonlijk inburgeringsbudget als de inburgeringsplichtige
                    respectievelijk de vrijwillige inburgeraar daarom verzoekt. </al><al>Een inburgeringsplichtige of een vrijwillige inburgeraar kan niet zonder meer
                    aanspraak doen op een persoonlijk inburgeringsbudget. Hij dient daartoe een
                    verzoek te doen aan het college. De inburgeringsplichtige of vrijwillige
                    inburgeraar zal in beginsel zelf op zoek moeten naar een inburgeringsbedrijf dat
                    een inburgeringsprogramma kan bieden dat past bij zijn voorkeur en ambities. Het
                    college heeft als taak de inburgeringsplichtigen en vrijwillige inburgeraars bij
                    de vormgeving van hun inburgering en de keuze van een inburgeringsbedrijf te
                    begeleiden (artikel 4.27, eerste lid, Besluit inburgering). De
                    inburgeringsplichtige of vrijwillige inburgeraar moet een voorstel voor een
                    inburgeringsprogramma bij het college indienen. Het voorstel van de
                    inburgeringsplichtige of de vrijwillige inburgeraar behoeft de goedkeuring van
                    het college (artikel 4.27, tweede lid, Besluit inburgering). Het college
                    beoordeelt het voorstel voor het inburgeringsprogramma of het geschikt is om de
                    betrokkene voor te bereiden op en toe te leiden naar het inburgeringsexamen of
                    het staatsexamen Nederlands als tweede taal I of II, en in het geval van een
                    taalkennisvoorziening of deze geschikt is om de betrokkene kennis van de
                    Nederlandse taal te laten verwerven die noodzakelijk is voor het kunnen afronden
                    van een mbo-opleiding op niveau 1 of 2. Het inburgeringsbedrijf dient te voldoen
                    aan de eisen die in de verordening zijn gesteld.</al><al>De inburgeringsplichtige of vrijwillige inburgeraar krijgt geen geld in handen.
                    Het geld voor het betalen van de inburgeringscursus gaat rechtstreeks van de
                    gemeente naar het inburgeringsbedrijf. </al><al>Gemeenten moeten in hun verordening regels opnemen die betrekking hebben op het
                    aanbieden van een inburgeringsvoorziening of taalkennisvoorziening in de vorm
                    van een persoonlijk inburgeringsbudget (artikel 19, vijfde lid, WI en artikel
                    24a, vijfde lid. WI).</al><al> Artikelgewijze toelichting</al><tussenkop>Artikel 1 Begripsomschrijvingen</tussenkop><al>Omwille van leesbaarheid van de verordening wordt het begrip ‘voorziening’
                    gebruikt (eerste lid, onderdeel c). Een voorziening kan zowel een (duale)
                    inburgeringsvoorziening als een taalkennisvoorziening inhouden. </al><al>Het tweede lid geeft aan dat de omschrijvingen van de begrippen die worden
                    gebruikt in respectievelijk de Wet inburgering, het Besluit inburgering en de
                    Regeling inburgering ook van toepassing zijn op deze verordening.</al><tussenkop>Artikel 2 De informatieverstrekking aan
                    inburgeringsplichtigen en vrijwillige inburgeraars </tussenkop><al>De gemeente heeft als taak de inburgeringsplichtigen en de vrijwillige
                    inburgeraars in haar gemeente goed te informeren over de rechten en plichten die
                    voortvloeien uit de Wet inburgering. De wet laat gemeenten vrij om zelf te
                    bepalen op welke wijze de informatievoorziening wordt georganiseerd. Wel bepalen
                    de artikelen 8 WI en 24f WI dat de gemeenteraad bij verordening regels
                    vaststellen over de informatieverstrekking door de gemeente aan respectievelijk
                    inburgeringsplichtigen en vrijwillige inburgeraars ter zake van hun rechten en
                    plichten uit hoofde van deze wet. Ten aanzien van inburgeringsplichtigen dienen
                    ook regels te worden vastgesteld ter zake van het aanbod van en de toegang tot
                    inburgeringsvoorzieningen.</al><al>Dit artikel in de verordening vormt de uitwerking van deze verplichting.
                    Gemeenten kunnen er voor kiezen om in de verordening alleen de kaders vast te
                    stellen voor een adequate informatievoorziening door het college aan de
                    inburgeringsplichtigen en vrijwillige inburgeraars. In dat geval kan met opnemen
                    van het eerste en derde lid in de verordening worden volstaan. Er kan ook voor
                    worden gekozen om in de verordening vast te leggen welke middelen het college
                    (in ieder geval) moet aanwenden om de informatievoorziening te organiseren. In
                    dat geval moet het tweede lid in de verordening worden opgenomen, waarbij tevens
                    een keuze moet worden gemaakt voor de instrumenten die daarbij worden ingezet. </al><al>Overeenkomstig de rolverdeling tussen raad en college, stelt de raad in dit
                    artikel de kaders vast voor een adequate informatievoorziening aan de
                    inburgeringsplichtigen en vrijwillige inburgeraars. Het college is belast met de
                    organisatie van de informatieverstrekking en legt daarover (periodiek)
                    verantwoording af aan de raad. </al><al>De informatievoorziening aan inburgeringsplichtigen en vrijwillige inburgeraars
                    kan op allerlei manieren worden vormgegeven. Zo kunnen gemeenten een apart
                    informatiepunt inrichten (het inburgeringsloket) al dan niet in combinatie met
                    een digitaal loket. Het is ook mogelijk om de informatievoorziening onder te
                    brengen bij een centraal informatiepunt (bijvoorbeeld het zorgloket). Ook kunnen
                    gemeenten bepaalde organisaties (bijvoorbeeld educatie-instellingen,
                    bibliotheken, moskeeën of andere zelforganisaties) een rol geven bij de
                    informatievoorziening aan inburgeringsplichtigen en vrijwillige inburgeraars. </al><al>In het tweede lid geeft de raad het college de opdracht om (in ieder geval) een
                    aantal middelen te gebruiken om de informatieverstrekking aan
                    inburgeringsplichtigen en vrijwillige inburgeraars vorm te geven. Daarbij kan
                    bijvoorbeeld worden gedacht aan: </al><lijst><li nr="a."><al>het inrichten van een informatiepunt in het gemeentehuis;</al></li><li nr="b."><al>het toezenden van schriftelijk voorlichtingsmateriaal aan personen ten
                            aanzien van wie al dan niet op grond van gegevens uit het Bestand
                            Potentiële Inburgeringsplichtigen redelijkerwijs kan worden aangenomen
                            dat zij inburgeringsplichtig zijn;</al></li><li nr="c."><al>het verstrekken van schriftelijk voorlichtingsmateriaal bij aanvragen om
                            uitkeringen;</al></li><li nr="d."><al>het organiseren van voorlichtingsbijeenkomsten;</al></li><li nr="e."><al>het inrichten van een digitaal informatiepunt op de gemeentelijke
                            website.</al></li></lijst><al>Het derde lid verplicht het college de raad periodiek te rapporteren over de
                    doeltreffendheid en doelmatigheid van de informatieverstrekking. Om aan deze
                    verplichting efficiënt te kunnen voldoen, zou een informatieplan kunnen worden
                    opgesteld waarvan de informatieverstrekking onderdeel is. Een dergelijk
                    informatieplan zou vervolgens door de raad getoetst kunnen worden waarbij
                    eventuele verbeteringen kunnen worden opgenomen. Om efficiënt aan de
                    verplichting van het tweede lid te kunnen voldoen, is wellicht ook aansluiting
                    mogelijk bij de uitvoering van de actieve informatieplicht van het college aan
                    de raad op grond van artikel 169, tweede lid, van de Gemeentewet.</al><tussenkop>Artikel 3 Aanwijzen van de doelgroepen</tussenkop><al>Het college kan aan alle inburgeringsplichtigen een aanbod doen voor een
                    inburgeringsvoorziening of taalkennisvoorziening (artikel 19, eerste lid, WI).
                    Het college is echter verplicht een inburgeringsvoorziening of
                    taalkennisvoorziening aan te bieden aan asielgerechtigden en een
                    inburgeringsvoorziening aan geestelijke bedienaren. </al><al>Op grond van artikel 19, vijfde lid, onderdeel a, WI moet de gemeenteraad bij
                    verordening regels stellen met betrekking tot de criteria die worden gehanteerd
                    bij het doen van een aanbod aan inburgeringsplichtigen. Dit artikel vormt de
                    uitwerking van deze verplichting. In dit artikel wordt het college opgedragen om
                    vast te stellen aan welke groepen inburgeringsplichtigen bij voorrang een
                    voorziening kan worden aangeboden. Bovendien wordt in dit artikel vastgelegd
                    binnen welke kaders het college tot zijn keuze van doelgroepen moet komen. Het
                    is van belang dat deze kaders (in casu het aanwijzen van groepen waaraan een
                    voorziening wordt aangeboden) niet te eng te definiëren. Het college zal binnen
                    deze kaders gedurende een aantal jaren groepen moeten kunnen aanwijzen. Het
                    alternatief is dat de verordening op dit onderdeel steeds opnieuw moet worden
                    gewijzigd. Een andere reden om de kaders niet te strak vast te stellen is dat
                    gemeenten op dit moment wellicht geen duidelijk zicht hebben op de precieze
                    omvang van bepaalde mogelijke doelgroepen (bijvoorbeeld oudkomers zonder werk of
                    uitkering). Te strenge criteria zouden wel eens kunnen leiden tot het niet
                    benutten van de beschikbare middelen voor het aanbieden van voorzieningen. </al><al>Dit artikel regelt dat de groepen die het college aanwijst <cursief>bij voorrang
                    </cursief>een voorziening krijgen aangeboden. Dit betekent dat het college de
                    ruimte heeft om in bepaalde gevallen ook een voorziening aan te bieden aan
                    inburgeringsplichtigen die niet behoren tot de groep of groepen die hij heeft
                    aangewezen. Om te voorkomen dat inburgeringsplichtigen die behoren tot de groep
                    of groepen die het college heeft aangewezen aan deze aanwijzing een recht gaan
                    ontlenen op het krijgen van een aanbod, bepaalt dit artikel dat het college aan
                    de groepen die hij aanwijst een voorziening <cursief>kan</cursief> aanbieden. </al><al>Voorbeelden van criteria die in de verordening kunnen worden neergelegd en op
                    basis waarvan het college de doelgroep(en) kan aanwijzen, zijn: </al><lijst><li nr="-"><al>hebben van een opvoedingstaak;</al></li><li nr="-"><al>hebben van een relatief korte afstand tot de arbeidsmarkt; </al></li><li nr="-"><al>een wijkgerichte aanpak;</al></li><li nr="-"><al>een bepaalde inkomensgrens;</al></li><li nr="-"><al>het ontvangen van een bepaalde uitkering;</al></li><li nr="-"><al>bevordering van emancipatie van vrouwen.</al></li></lijst><al>Gemeenten zouden er ook voor kunnen kiezen om geen voorrang te geven aan
                    specifieke groepen, maar in plaats daarvan prioriteit te geven aan oud- en
                    nieuwkomers die graag voor een voorziening in aanmerking willen komen
                    (bijvoorbeeld voorrang op basis van eigen aanmelding of motivatie). Criteria op
                    basis waarvan het college doelgroepen aanwijst, kunnen ook worden ontleend aan
                    andere beleidsterreinen, zoals bijvoorbeeld ‘leefbaar, sociaal en veilig’.
                    Daarmee kan de uitvoering van de WI een onderdeel vormen van een integrale
                    aanpak van sociaal beleid. </al><al>Op grond van de actieve informatieplicht van het college aan de raad (artikel
                    169, tweede lid, Gemeentewet) ligt het voor de hand dat het college zijn besluit
                    aan welke groepen inburgeringsplichtigen bij voorrang een aanbod zal worden
                    gedaan ter kennisname aan de raad aanbiedt. </al><tussenkop>Artikel 4 De samenstelling van de voorziening</tussenkop><al>In de verordening dienen regels te worden gesteld met betrekking tot de
                    vaststelling door het college van een passende (duale) inburgeringsvoorziening
                    of taalkennisvoorziening, met inbegrip van de totstandkoming en samenstelling
                    van die voorziening (artikel 19, vijfde lid, onderdeel b, WI). In dit artikel
                    worden de kaders vastgesteld waarbinnen het college de opdracht heeft voor
                    iedere inburgeringsplichtige die daarvoor in aanmerking komt, een op de persoon
                    toegesneden voorziening samen te stellen. </al><al>In het eerste lid wordt aangegeven op welke wijze het college een passende
                    voorziening moet vaststellen. Bij het bepalen van de passendheid van een
                    voorziening kunnen de volgende factoren een rol spelen:</al><lijst><li nr="-"><al>De kennis van de inburgeringsplichtige van de Nederlandse taal en de
                            Nederlandse samenleving en zijn of haar leercapaciteit.</al></li><li nr="-"><al>De maatschappelijke rol die de inburgeringsplichtige vervult of gaat
                            vervullen in de Nederlandse samenleving. Daarbij kan worden gedacht aan
                            het verrichten van betaalde arbeid of het opvoeden van kinderen.</al></li><li nr="-"><al>De persoonlijke situatie van de inburgeringsplichtige. Daarbij kan
                            bijvoorbeeld worden gedacht aan eventuele zorgtaken die de
                            inburgeringsplichtige moet vervullen. </al></li></lijst><al>Voor de mogelijkheden van het aanbieden van duale inburgeringsvoorzieningen
                    wordt verwezen naar de toelichting bij het Besluit inburgering.</al><al>De samenstelling van de inburgeringsvoorziening voor geestelijke bedienaren
                    wordt geregeld bij ministeriële regeling. Gemeenten hebben dus niet de
                    mogelijkheid om de inburgeringsvoorziening die zij aan geestelijke bedienaren
                    aanbieden naar eigen inzicht vorm te geven.</al><al>In geval van uitkeringsgerechtigde inburgeringsplichtigen die een voorziening
                    gericht op arbeidsinschakeling ontvangen, kan het voordelen opleveren de
                    voorziening daarmee te combineren. </al><al>De Wet inburgering bepaalt dat de voorziening gecombineerd
                        <onderstreept>moet</onderstreept> worden met een voorziening gericht op
                    arbeidsinschakeling (reïntegratievoorziening) als een voorziening wordt
                    aangeboden aan een inburgeringsplichtige die bijstandsgerechtigd is of een
                    uitkering ontvangt op grond van een andere socialezekerheidswet of
                    socialezekerheidsregeling én deze verplicht is om arbeid te verkrijgen of te
                    aanvaarden (artikel 20, eerste lid, WI). Het college is verantwoordelijk voor
                    het aanbieden van de gecombineerde voorziening (artikel 20, tweede lid, WI). </al><al>Artikel 19, vierde lid, WI draagt het college op om er voor te zorgen dat de
                    voorziening wordt afgestemd op de mogelijkheden van betrokkene tot
                    arbeidsinschakeling. De voorziening dient dus te worden afgestemd op de
                    reïntegratievoorziening. Aangezien de reïntegratievoorziening in het kader van
                    de uitkeringsverstrekking op grond van socialezekerheidswetten of –regelingen
                    ook door andere partijen dan het college wordt verstrekt, zal het college
                    afspraken moeten maken met de verantwoordelijke uitvoerders van de
                    socialezekerheidswet of –regeling: het Uitvoeringsinstituut
                    werknemersverzekeringen (UWV), eigenrisicodragers of overheidswerkgevers
                    (artikel 21 WI). </al><al>Het tweede lid regelt de bijkomende faciliteiten die het college als onderdeel
                    van de inburgeringsvoorziening of taalkennisvoorziening kan opnemen. In de wet
                    is geregeld waaruit een inburgeringsvoorziening in ieder geval moet bestaan: een
                    cursus die toe leidt naar het inburgeringsexamen of het staatsexamen Nederlands
                    als tweede taal I of II en het eenmaal kosteloos afleggen van het desbetreffende
                    examen (artikel 19, derde lid, WI). </al><al>Voor asielgerechtigde inburgeringsplichtigen (oud- én nieuwkomers) maakt ook
                    maatschappelijke begeleiding een verplicht onderdeel uit van de voorziening
                    (artikel 19, zesde lid, WI). Wat betreft de bijkomende faciliteiten die het
                    college als onderdeel van de voorziening voor inburgeringsplichtigen kan
                    opnemen, kan worden gedacht aan trajectbegeleiding of het (periodiek) houden van
                    voortgangsgesprekken met de inburgeringsplichtigen. Ook kan worden gedacht aan
                    een uitbreiding van de opleiding, bijvoorbeeld in de vorm van een
                    maatschappelijke stage of een aparte module die gericht is op het verwerven van
                    kennis van de Nederlandse samenleving. </al><al>Trajectbegeleiding en het houden van voortgangsgesprekken zullen vooral van
                    belang zijn bij inburgeringsplichtigen die geen voorziening in combinatie met
                    een voorziening gericht op arbeidsinschakeling krijgen. Bij voorzieningen
                    gericht op arbeidsinschakeling vormen dergelijke faciliteiten reeds een vast
                    onderdeel. </al><al>Ten overvloede wordt gewezen op het feit dat het inburgeringsexamen ook een
                    praktijkgericht deel omvat, waarin de praktische (taal)vaardigheden worden
                    getoetst. Het is vanzelfsprekend dat bij de samenstelling van de voorziening ook
                    rekening wordt gehouden met de ontwikkeling van deze vaardigheden. Daarbij zal
                    de inzet van duale trajecten een belangrijke rol vervullen.</al><tussenkop>Artikel 5 De procedure van het doen van een aanbod </tussenkop><al>Dit artikel bevat enkele procedurele bepalingen die er voor moeten zorgen dat
                    het doen van een aanbod op zorgvuldige wijze gebeurt. Dit is van belang omdat
                    zo’n aanbod de start is van een procedure die – als het goed is – leidt tot een
                    besluit tot het toekennen van een inburgeringsvoorziening of
                    taalkennisvoorziening. </al><al>In het eerste lid van dit artikel wordt geregeld dat het college het aanbod van
                    een voorziening aan de inburgeringsplichtige op schriftelijke wijze doet en dat
                    het aanbod wordt toegestuurd naar het adres waar de inburgeringsplichtige staat
                    ingeschreven in de GBA. Op deze wijze kan er geen onduidelijk ontstaan over het
                    feit dat het college de inburgeringsplichtige een aanbod heeft gedaan. </al><al>Het aanbod zal inhoudelijk dezelfde strekking moeten hebben als de uiteindelijke
                    beschikking (het tweede lid). Hierdoor kan de instemming met het aanbod tevens
                    worden opgevat als instemming met de beschikking tot het vaststellen van de
                    voorziening (die eenzijdig door de gemeente wordt opgelegd). Deze beschikking
                    moet dan wel dezelfde inhoud hebben als het aanbod (het vierde lid). </al><al>De zorgvuldigheid van de procedure gebiedt dat als de inburgeringsplichtige het
                    aanbod aanvaardt of weigert, hij of zij dit schriftelijk aan de gemeente
                    meedeelt (het derde lid). Het meest praktisch is dat deze schriftelijke
                    mededeling geschiedt in de vorm van het laten ondertekenen door de
                    inburgeringsplichtige van een verklaring die door de gemeente is opgesteld. </al><al>Het kan natuurlijk voorkomen dat een inburgeringsplichtige aan de gemeente meldt
                    dat hij wel een voorziening wil, maar dat hij gelet op zijn situatie bepaalde
                    wijzigingen aangebracht zou willen zien in het aanbod van de gemeente. Als de
                    gemeente hierop positief reageert, zal ze het gedane aanbod moeten aanpassen. </al><al>Een inburgeringsplichtige hoeft een aanbod niet te accepteren. Weigert de
                    inburgeringsplichtige het aanbod, dan zal hij zich zelfstandig moeten
                    voorbereiden op het inburgeringsexamen. Gaat het om een oudkomer, dan is er geen
                    termijn vastgesteld waarbinnen de betreffende persoon het inburgeringsexamen
                    moet hebben behaald. Het ligt voor de hand dat het college in een dergelijke
                    situatie een handhavingsbeschikking neemt: een besluit op grond van artikel 26
                    WI waarmee de termijn van start gaat waarbinnen de inburgeringsplichtige het
                    inburgeringsexamen moeten hebben behaald (vijf jaar na aanvang van deze
                    termijn). Het verdient de aanbeveling dat het college deze handelwijze vastlegt
                    in beleidsregels, zodat tevoren voor betrokkenen duidelijk is (of zou kunnen
                    zijn) wat de gevolgen zijn van het weigeren van een aanbod voor een voorziening. </al><tussenkop>Artikel 6 De voorziening in de vorm van een persoonlijk
                    inburgeringsbudget</tussenkop><al>Op grond van artikel 19, tweede lid, WI kan het college de voorziening aanbieden
                    in de vorm van een persoonlijk inburgeringsbudget als de inburgeringsplichtige
                    daarom verzoekt. Op grond van het vijfde lid van artikel 19 WI moet de
                    gemeenteraad bij verordening regels stellen over de procedure die door het
                    college wordt gevolgd bij het behandelen van verzoeken om een persoonlijk
                    inburgeringsbudget en de criteria die worden gehanteerd bij het toekennen van
                    een persoonlijk inburgeringsbudget. </al><al>In het eerste lid legt de gemeente vast op welke wijze verzoeken van
                    inburgeringsplichtigen om toekenning van een persoonlijk inburgeringsbudget
                    worden behandeld. In de verordening kunnen de volgende onderwerpen worden
                    geregeld:</al><lijst><li nr="-"><al>De wijze waarop het verzoek moet worden ingediend: schriftelijk of ook
                            mondeling.</al></li><li nr="-"><al>De wijze van begeleiding door de gemeente van de inburgeringsplichtige
                            bij vormgeving van zijn inburgering en de keuze van een
                            inburgeringsbedrijf. Op grond van artikel 4.27, eerste lid, Besluit
                            inburgering moet het college deze taak op zich nemen. </al></li><li nr="-"><al>De termijn die de inburgeringsplichtige krijgt om op zoek te gaan naar
                            een inburgeringsbedrijf dat past bij zijn voorkeur en ambities. </al></li></lijst><al>Op grond van artikel 4.27, tweede lid, Besluit inburgering moet het college het
                    voorstel van de inburgeringsplichtige voor het volgen van een
                    inburgeringsprogramma of taalkennisvoorziening goedkeuren. Dit voorstel zal in
                    de praktijk worden opgesteld door het inburgeringsbedrijf. Het tweede en derde
                    lid van dit artikel leggen de twee criteria vast aan de hand waarvan het college
                    het voorstel voor het volgen van respectievelijk een inburgeringsprogramma en
                    een taalkennisvoorziening goedkeurt. De eerste eis is dat het
                    inburgeringsprogramma naar het oordeel van het college passend is om de
                    inburgeringsplichtige voor te bereiden op en toe te leiden naar het
                    inburgeringsexamen of staatsexamen Nederlands als tweede taal I of II. De
                    taalkennisvoorziening dient gericht te zijn op de verwerving van de kennis van
                    de Nederlandse taal die noodzakelijk is voor het kunnen afronden van een
                    beroepsopleiding (MBO 1 en 2).</al><al>Het tweede vereiste is dat het inburgeringsprogramma of de taalkennisvoorziening
                    wordt verzorgd door een inburgeringsbedrijf dat voldoet aan de eis of de eisen
                    die de verordening aan inburgeringsbedrijven stelt. Daarbij kan bijvoorbeeld
                    worden gedacht aan een of meer van de volgende voorwaarden: </al><lijst><li nr="-"><al>ingeschreven zijn bij de Kamer van Koophandel;</al></li><li nr="-"><al>beschikken over een keurmerk van de brancheorganisatie;</al></li><li nr="-"><al>beschikken over aantoonbare ervaring en deskundigheid op het gebied van
                            het verzorgen van inburgeringsprogramma’s of taalkennisvoorzieningen.
                        </al></li></lijst><al>Artikel 4.27, derde lid, Besluit inburgering bepaalt dat de gemeenteraad bij
                    verordening bepaalt wie met het inburgeringsbedrijf een overeenkomst met
                    betrekking tot de inburgering van de inburgeringsplichtige sluit. Dit kan de
                    inburgeringsplichtige zijn, het college,het college en de inburgeringsplichtige,
                    een andere partij of een combinatie van de hiervoor genoemde partijen.
                    gezamenlijk. In het vierde lid van dit artikel wordt dit geregeld, waarbij de
                    raad zelf een keuze zal moeten maken. Het kan van belang zijn de partijen in de
                    verordening niet te eng te definieren. Dat kan bijvoorbeeld van belang zijn ,
                    indien de gemeente samen met werkgevers inburgering op de werkvloer organiseert
                    of wil gaan organiseren.</al><tussenkop>Artikel 7 De inning van de eigen bijdrage </tussenkop><al>In de verordening moeten regels worden gesteld die betrekking hebben op de
                    inning van de eigen bijdrage van de inburgeringsplichtige door het college en de
                    mogelijkheid van betaling in termijnen (artikel 23, derde lid, WI). De hoogte
                    van de eigen bijdrage is vastgelegd in de wet en bedraagt € 270. Dit bedrag kan
                    bij algemene maatregel van bestuur worden gewijzigd (artikel 23, tweede lid,
                    WI). </al><al>In dit artikel van de verordening wordt geregeld dat de inburgeringsplichtige
                    het recht heeft de eigen bijdrage in een aantal termijnen te betalen. Artikel
                    24, eerste lid, WI maakt het bij inburgeringsplichtigen die algemene bijstand
                    ontvangen mogelijk dat het college de eigen bijdrage verrekent met deze
                    uitkering. Als het college wil overgaan tot verrekening, moet dat worden
                    vastgelegd in de beschikking tot vaststelling van de voorziening. </al><al>Als de inburgeringsplichtige een uitkering van het UWV ontvangt, kan het college
                    het UWV verzoeken de eigen bijdrage te verrekenen met of in te houden op de
                    uitkering van het UWV (artikel 24, tweede lid, WI). In dit geval int het UWV de
                    eigen bijdrage ten behoeve van de gemeente. Deze wijze van verrekening geschiedt
                    door het UWV en niet door de gemeente, en wordt dus niet in deze verordening
                    geregeld. </al><tussenkop>Artikel 8 Opleggen van verplichtingen</tussenkop><al>Dit artikel vormt de uitwerking van artikel 23, derde lid, WI dat bepaalt dat de
                    gemeenteraad bij verordening regels stelt over de rechten en plichten van de
                    inburgeringsplichtige voor wie een voorziening is vastgesteld. Dit artikel
                    delegeert de bevoegdheid aan het college om de verplichtingen die in het artikel
                    worden genoemd aan inburgeringsplichtigen in het kader van een voorziening op te
                    leggen. Het college legt in de beschikking tot de vaststelling van de
                    voorziening deze verplichtingen vast. </al><tussenkop>Artikel 9 De inhoud van de beschikking</tussenkop><al>Het besluit tot het vaststellen van een voorziening is een beschikking. Dit
                    betekent dat de inburgeringsplichtige de mogelijkheid heeft tegen dit besluit in
                    bezwaar en beroep te gaan. In dit artikel wordt geregeld welke onderwerpen in
                    ieder geval in de beschikking moeten worden neergelegd.</al><al>In de beschikking zullen de toegekende voorziening en de daaraan verbonden
                    rechten en plichten van de inburgeringsplichtige nauwkeurig moeten worden
                    vermeld (onderdelen a en b). De inburgeringsplichtige is verplicht zijn
                    medewerking te verlenen aan de uitvoering van de voorziening (artikel 23, eerste
                    lid, WI). Handhaving hiervan is alleen mogelijk als de verplichtingen van de
                    inburgeringsplichtige duidelijk zijn omschreven en aan de betrokkene (onder
                    andere door middel van de beschikking) bekend zijn gemaakt. </al><al>De termijn waarbinnen een inburgeringsplichtige het inburgeringsexamen moet
                    hebben behaald, ligt vast in de wet. Deze termijn is drieënhalf jaar (artikel 7,
                    eerste lid, WI). In de beschikking hoeft (en kan) van deze termijn alleen
                    melding worden gemaakt (onderdeel c). </al><al>Onderdeel d bepaalt dat in beschikking moet worden vastgelegd in hoeveel
                    termijnen de eigen bijdrage kan worden betaald en op welke wijze de betaling
                    plaatsvindt (al dan niet op basis van verrekening met de bijstandsuitkering).
                    Dit is geregeld in artikel 7 van de verordening.</al><al>Onderdeel e heeft betrekking op beschikkingen voor inburgeringsplichtige
                    oudkomers. Indien het college een voorziening vaststelt voor een oudkomer, dan
                    moet het college in de betreffende beschikking ook de dag opnemen waarop de
                    termijn van handhaving van de inburgeringsplicht van start gaat (artikel 22,
                    tweede lid, juncto artikel 26 WI). Binnen drieënhalf jaar ná deze datum moet de
                    betreffende oudkomer het inburgeringexamen hebben behaald. Het college kan zelf
                    bepalen wanneer de termijn van handhaving van de inburgeringsplicht van start
                    gaat. Het ligt voor de hand om deze termijn direct te laten ingaan (en
                    bijvoorbeeld niet te koppelen aan de datum waarop de voorziening van start
                    gaat). De precieze datum waarop de voorziening van start gaat, zal niet altijd
                    bekend zijn op het moment dat deze wordt toegekend. Bovendien past het
                    vaststellen van een datum van aanvang van handhaving van de inburgeringsplicht,
                    onafhankelijk van het moment waarop met de voorziening kan worden begonnen bij
                    het uitgangspunt van de wet dat de betreffende persoon als oudkomer
                    inburgeringsplichtig is en in beginsel zelf verantwoordelijk is voor voldoen aan
                    de inburgeringsplicht. </al><tussenkop>Artikel 10 De hoogte van de bestuurlijke boetes voor de
                    verschillende overtredingen</tussenkop><al>Artikel 35 WI draagt de gemeenteraad op bij verordening de hoogte van de
                    bestuurlijke boete vast te stellen die voor de verschillende overtredingen kan
                    worden opgelegd. In artikel 34 WI zijn voor de verschillende overtredingen de
                    maximumbedragen van de bestuurlijke boete vastgelegd. De gemeente kan deze
                    boetebedragen in haar verordening overnemen, maar ze kan ook lagere bedragen
                    vaststellen. </al><al>De boetebedragen die in de verordening worden opgenomen zijn maximumbedragen en
                    géén gefixeerde bedragen. Het college zal bij elke overtreding de bestuurlijke
                    boete moeten afstemmen op de ernst van de overtreding en de mate waarin deze aan
                    de overtreder kan worden verweten. Bovendien moet het college daarbij ook
                    zonodig rekening houden met de omstandigheden waaronder de overtreding is
                    gepleegd (artikel 5:46, tweede lid, Algemene wet bestuursrecht). Deze bepaling
                    brengt met zich mee dat het college bij elke op te leggen bestuurlijke boete zal
                    moeten nagaan welke boete passend is, gelet op de individuele omstandigheden van
                    de betrokken inburgeringsplichtige.</al><al>In het kader van een de uitvoering van een gecombineerde reïntegratie- en
                    inburgeringsvoorziening kan het voorkomen dat dezelfde gedraging (bijvoorbeeld
                    het niet voldoen aan een oproep om te verschijnen en gegevens te verstrekken)
                    zowel aanleiding kan zijn voor het opleggen van een bestuurlijke boete als voor
                    het verlagen van de bijstand (een maatregel op grond van artikel 18, tweede lid,
                    Wet werk en bijstand) of het opleggen van een boete of maatregel op grond van
                    een andere scocialezekerheidswet of – regeling. Artikel 37 WI bevat een regeling
                    voor deze samenloop. In dit artikel wordt bepaald dat het college in dat geval
                    géén bestuurlijke boete kan opleggen. </al><tussenkop>Artikel 11 Verhoging van de bestuurlijke boete bij
                    herhaling van de overtreding</tussenkop><al>Dit artikel biedt het college de mogelijkheid om bij herhaling van de
                    overtreding een hogere boete op te leggen dan op grond van artikel 10 mogelijk
                    is. Het eerste en tweede lid kunnen alleen de verordening worden opgenomen als
                    in artikel 10, eerste en tweede lid, lagere maximumboetebedragen zijn opgenomen
                    dan de maximumbedragen in de wet. De verhoogde boetebedragen ingeval van
                    herhaling van de overtreding mogen uiteraard niet hoger zijn dan de
                    maximumbedragen die in artikel 34 WI worden genoemd. </al><al>Om te kunnen spreken van een herhaling van een overtreding, moeten de
                    overtredingen zich wel binnen een bepaalde tijdspanne voordoen, bijvoorbeeld 12
                    maanden. Gemeenten kunnen een kortere of langere termijn vaststellen. </al><al>Artikel 34, onderdeel d, WI biedt de mogelijkheid voor gemeenten om de
                    bestuurlijke boete te verhogen van maximaal € 500 naar maximaal € 1000 in het
                    geval dat de inburgeringsplichtige bij herhaling niet voldoet aan de
                    verplichting binnen de gestelde termijn het inburgeringsexamen te behalen. Dit
                    is geregeld in het derde en vierde lid van dit artikel. </al><al>Als de inburgeringsplichtige niet binnen de voor hem geldende termijn het
                    inburgeringsexamen heeft behaald, dan legt het college hem een bestuurlijke
                    boete op. De maximumboete die kan worden opgelegd, is neergelegd in artikel 10,
                    derde lid, van de verordening. Op grond van artikel 32 WI moet het college in de
                    boetebeschikking een nieuwe termijn vaststellen waarbinnen de
                    inburgeringsplichtige alsnog het inburgeringsexamen moet behalen. Als de
                    inburgeringsplichtige ook binnen deze nieuwe termijn het inburgeringsexamen niet
                    heeft behaald, maakt het derde lid het mogelijk dat het college een hogere boete
                    vaststelt. Het wettelijk maximum bedraagt € 1000 (artikel 34, onderdeel d, WI).
                    Ook in dat geval zal in de boetebeschikking een nieuwe termijn moeten worden
                    opgenomen waarbinnen de inburgeringsplichtige het inburgeringsexamen moet
                    behalen. </al><al>Als de inburgeringsplichtige ook binnen deze (derde) termijn het
                    inburgeringsexamen niet heeft behaald, regelt het vierde lid dat het college
                    wederom een hogere bestuurlijke boete kan opleggen. De maximumboete in het
                    vierde lid geldt ook voor alle hierop volgende overschrijdingen van termijnen
                    door de inburgeringsplichtige. </al><al>Het vierde lid kan alleen in de verordening worden opgenomen als in het derde
                    lid niet het wettelijk maximum van € 1000 is vastgesteld. Alleen in dat geval is
                    er ruimte voor het verhogen van het maximumbedrag van de bestuurlijke boete (tot
                    maximaal € 1000). </al><al>Als in het derde lid het wettelijk maximum van € 1000 is opgenomen of als de
                    gemeente er geen behoefte aan heeft om een hogere maximumboetebedrag vast te
                    stellen wanneer termijnen bij herhaling worden overschreden, kan het vierde lid
                    worden geschrapt en dient het derde lid als volgt te luiden: </al><tussenkop>De bestuurlijke boete bedraagt ten hoogste &lt;BEDRAG VAN
                    MAXIMAAL € 1000&gt; indien de inburgeringsplichtige niet binnen de door het
                    college op grond van artikel 32 of 33 van de wet vastgestelde termijn het
                    inburgeringsexamen heeft behaald. </tussenkop><al>De artikelen 10 en 11 bieden in de vorm van het vaststellen van maximumbedragen
                    het kader voor het college bij het vaststellen van de hoogte van de bestuurlijke
                    boetes in individuele gevallen. Het college zal binnen deze kaders zelf een
                    beleid moeten ontwikkelen. Het is aan te bevelen dat het college in
                    beleidsregels vastlegt hoe dat beleid er uit ziet: welke boete wordt in beginsel
                    opgelegd bij welke overtreding en met welk bedrag wordt de boete in beginsel
                    verhoogd als de betrokken inburgeringsplichtige dezelfde overtreding nogmaals
                    pleegt. </al><tussenkop>Artikel 12 Aanwijzen van de doelgroepen</tussenkop><al>In dit artikel worden de criteria genoemd op grond waarvan het college
                    categorieën vrijwillige inburgeraars kan aanwijzen die bij voorrang in
                    aanmerking komen voor een inburgeringsvoorziening of taalkennisvoorziening. Het
                    ligt voor de hand om bij vrijwillige inburgeraars dezelfde criteria te hanteren
                    als bij inburgeringsplichtigen (artikel 3 van de verordening). </al><tussenkop>Artikel 13 De samenstelling van de
                    voorziening</tussenkop><al>Zie de toelichting bij artikel 4 van de verordening. </al><tussenkop>Artikel 14 De voorziening in de vorm van een persoonlijk
                    inburgeringsbudget</tussenkop><al>Zie de toelichting bij artikel 6 van de verordening.</al><tussenkop>Artikel 15 De inning van de eigen bijdrage </tussenkop><al>Op grond van artikel 24e WI is de vrijwillige inburgeraar met wie een
                    inburgeringsvoorziening of taalkennisvoorziening is overeengekomen een eigen
                    bijdrage verschuldigd. De hoogte van deze bijdrage is geregeld in artikel 23,
                    tweede lid, WI. Artikel 24f bepaalt dat de gemeenteraad bij verordening regels
                    moet stellen over de eventuele inning van de eigen bijdrage door het college en
                    de mogelijkheid van betaling in termijnen. Artikel 15 van deze verordening is de
                    uitwerking van deze verplichting. </al><al>Alternatieve bepaling: </al><tussenkop>Artikel 15 Geen eigen bijdrage</tussenkop><al>De gemeenteraad kan bij verordening bepalen dat vrijwillige inburgeraars geen
                    eigen bijdrage hoeven te betalen (artikel 24e, tweede lid, WI). Dit is geregeld
                    in de alternatieve bepaling van dit artikel. </al><al>Op grond van artikel 24e, tweede lid, WI is het ook mogelijk bij verordening te
                    regelen dat de vrijwillige inburgeraars een lagere eigen bijdrage betalen dan
                    het wettelijk geregelde bedrag of dat bepaalde categorieën vrijwillige
                    inburgeraars geen eigen bijdrage betalen of een lager bedrag. </al><al>Dit kan op de volgende manieren worden geregeld: </al><tussenkop>De volgende categorieën vrijwillige inburgeraars zijn
                    geen eigen bijdrage, bedoeld in artikel 23, tweede lid, van de wet verschuldigd: </tussenkop><lijst><li nr="a."><al><cursief>p.m.</cursief></al></li><li nr="b."><al><cursief>p.m.</cursief></al></li><li nr="c."><al><cursief>p.m.</cursief></al></li></lijst><tussenkop>óf: </tussenkop><tussenkop>De vrijwillige inburgeraar is een eigen bijdrage
                    verschuldigd die … % bedraagt van het bedrag, genoemd in artikel 23, tweede lid,
                    van de wet. </tussenkop><tussenkop>óf: </tussenkop><tussenkop>De volgende categorieën vrijwillige inburgeraars zijn een
                    eigen bijdrage verschuldigd die …% bedraagt van het bedrag, genoemd in artikel
                    23, tweede lid, van de wet.</tussenkop><lijst><li nr="a."><al><cursief>p.m </cursief></al></li><li nr="b."><al><cursief>p.m.</cursief></al></li><li nr="c."><al><cursief>p.m.</cursief></al></li></lijst><tussenkop>Artikel 16 Opleggen van verplichtingen</tussenkop><al>In dit artikel zijn de verplichtingen voor een vrijwillige inburgeraar
                    neergelegd die het college kan opnemen in de overeenkomst met een vrijwillige
                    inburgeraar. Het gaat om dezelfde verplichtingen als de verplichtingen die het
                    college kan opnemen in de beschikking waarmee een voorziening voor een
                    inburgeringsplichtige wordt vastgesteld (zie artikel 8 van de verordening). </al><tussenkop>Artikel 17 De inhoud van de overeenkomst</tussenkop><al>De overeenkomst met de vrijwillige inburgeraar over het toekennen van een
                    voorziening zal dezelfde onderwerpen bevatten als de beschikking tot het
                    vaststellen van een voorziening voor inburgeringsplichtigen. </al><tussenkop>Artikel 18 Sancties bij niet-nakoming van de overeenkomst </tussenkop><al>Op grond van artikel 24f moet de raad bij verordening regels stellen over de
                    niet-nakoming van de overeenkomst. In dit artikel legt de raad de sancties vast
                    die het college kan toepassen als de vrijwillige inburgeraar de verplichtingen
                    die zijn neergelegd in de overeenkomst niet nakomt. Gedacht kan worden aan de
                    volgende soorten sancties: </al><lijst><li nr="-"><al>een maximale boete, waarbij het bedrag van de boete vergelijkbaar is met
                            of lager dan de bestuurlijke boetes die het college kan opleggen als een
                            inburgeringsplichtige de verschillende verplichtingen niet nakomt;</al></li><li nr="-"><al>een maximale boete in de vorm van een bepaald percentage van de kosten
                            van de voorziening, waarbij de maximale hoogte van de boetebedragen
                            vergelijkbaar is met of lager dan de bestuurlijke boetes die het college
                            kan opleggen als een inburgeringsplichtige de verschillende
                            verplichtingen niet nakomt. </al></li></lijst><al>Naast het opleggen van sancties, hebben gemeenten ook de mogelijkheid om
                    prestaties te belonen, bijvoorbeeld in de vorm van een bonus als een vrijwillige
                    inburgeraar aan het inburgeringsexamen of staatsexamen heeft deelgenomen of
                    daarvoor geslaagdis. Ook de bonussen kunnen in de overeenkomst worden opgenomen. </al><tussenkop>Artikel 19 Het vaststellen van de identiteit van de
                    vrijwillige inburgeraar</tussenkop><al>Artikel 24f WI draagt de gemeenteraad op om bij verordening regels te stellen
                    over het vaststellen van de identiteit van de vrijwillige inburgeraar. Dit
                    artikel van de verordening is een uitwerking van deze verplichting. Dit artikel
                    is gelijk aan artikel 27 WI, waarin is geregeld op welke wijze het college de
                    identiteit van een inburgeringsplichtige vaststelt. </al><tussenkop>Artikel 20 Inwerkingtreding </tussenkop><al>Dit artikel spreekt voor zich. </al><tussenkop>Artikel 21 Citeertitel </tussenkop><al>Dit artikel spreekt voor zich.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>