<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.92--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR372160_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Participatieverordening Werk en Inkomen Lekstroom</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:RegionaalSamenwerkingsorgaan">Werk en Inkomen Lekstroom</dcterms:creator><dcterms:modified>2015-07-18</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Lopik</dcterms:spatial><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">IJsselstein</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Blad gemeenschappelijke regeling 17 juli 2015</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Participatieverordening WIL</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">artikel 8a en artikel 10b, vierde lid Participatiewet</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanRegionaalSamenwerkingsorgaan">algemeen bestuur</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2015-06-24</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2015-07-18</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:terugwerkendekrachtDatum>2015-01-01</overheidrg:terugwerkendekrachtDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2023-07-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>2015-29628</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Besluit Participatievoorzieningen Werk en Inkomen Lekstroom</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Participatieverordening Werk en Inkomen Lekstroom</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>Het algemeen bestuur van de Gemeenschappelijke regeling Werk en Inkomen
                        Lekstroom;</al><al/><al>gelet op artikel 4, tweede lid en artikel 5, eerste tot en met derde lid van
                        de Gemeenschappelijke regeling Werk en Inkomen Lekstroom;</al><al/><al>gelet op artikel 8a en artikel 10b, vierde lid van de Participatiewet; </al><al/><al>gezien het voorstel van het dagelijks bestuur van de Gemeenschappelijke
                        regeling Werk en Inkomen Lekstroom d.d. 25 maart 2015;</al><al/><al>besluit </al><al/><al>vast te stellen de </al><al>Participatieverordening Werk en Inkomen Lekstroom</al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1.</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Begrippen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>wet: Participatiewet;</al></li><li nr="b."><al>belanghebbende: persoon tot de pensioengerechtigde
                                            leeftijd met een uitkering ingevolge de Participatiewet,
                                            de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                                            arbeidsongeschikte werkloze werknemers (IOAW) of de Wet
                                            inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                                            arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (IOAZ);</al></li><li nr="c."><al>WIL: Gemeenschappelijke regeling Werk en Inkomen
                                            Lekstroom;</al></li><li nr="d."><al>AB: algemeen bestuur WIL;</al></li><li nr="e."><al>DB: dagelijks bestuur WIL;</al></li><li nr="f."><al>poort en schouwperiode: intensieve en kortdurende
                                            periode waarin het recht op bijstand wordt beoordeeld en
                                            een goed beeld ontstaat van het meest passende
                                            ondersteuningsaanbod voor een belanghebbende binnen
                                            WIL;</al></li><li nr="g."><al>WML: wettelijk minimumloon;</al></li><li nr="h."><al>loonwaarde: het gedeelte dat de belanghebbende kan
                                            verdienen ten opzichte van een niet arbeidsbeperkte
                                            medewerker, uitgedrukt in een percentage. De loonwaarde
                                            wordt op de werkplek bepaald en is context
                                            afhankelijk;</al></li><li nr="i."><al>arbeidsvermogen: geeft aan of iemand kan werken en is
                                            een theoretische schatting van de belasting die werk
                                            stelt op het fysieke en psychische vlak en de mate
                                            waarin de belanghebbende in staat is werk uit te voeren
                                            (belastbaarheid van belanghebbende). Dit wordt
                                            uitgedrukt in een inschatting van de loonwaarde
                                            (verdeling: &gt; 80%WML, 20%-80% WML en &lt; 20% WML) en
                                            is persoonsgebonden;</al></li><li nr="j."><al>klantgroep: een groep belanghebbenden die aan de
                                            criteria van een klantgroep voldoen;</al><lijst><li nr="i."><al>klantgroep 1: klanten die jobready zijn, met een
                                                  loonwaarde van (meer dan) 100% van het WML;</al></li><li nr="ii."><al>klantgroep 2: klanten die nog niet jobready
                                                  zijn, met een loonwaarde van (meer dan) 80% van
                                                  het WML ;</al></li><li nr="iii."><al>klantgroep 3: klanten met een arbeidsbeperking
                                                  en perspectief op arbeid, met een loonwaarde
                                                  tussen de 20% en 80% van het WML;</al></li><li nr="iv."><al>klantgroep 4: klanten met perspectief op
                                                  maatschappelijke participatie en een loonwaarde
                                                  van (minder dan) 20% van het WML. </al></li></lijst></li><li nr="k."><al>Anw-er: een persoon met een uitkering ingevolge de
                                            Algemene nabestaandenwet.</al></li><li nr="l."><al>doelgroepenregister: het doelgroepenregister van het
                                            Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen waarin
                                            personen met een arbeidsbeperking geregistreerd staan
                                            die wel kunnen werken, maar niet zelfstandig het
                                            minimumloon kunnen verdienen. </al></li><li nr="m."><al>Lekstroomgemeenten: de gemeenten Houten, IJsselstein,
                                            Lopik, Nieuwegein, Vianen</al></li><li nr="n."><al>Arbeidsmarktregio Midden-Utrecht: Bunnik, De Bilt,
                                            Houten, IJsselstein, Lopik, Montfoort, Nieuwegein,
                                            Oudewater, Stichtse Vecht, Utrecht (centrumgemeente),
                                            Utrechtse Heuvelrug, Vianen, Wijk bij Duurstede,
                                            Woerden, Zeist.</al></li><li nr="o."><al>BUIG: de Wet bundeling van uitkeringen
                                            inkomensvoorziening aan gemeenten.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en niet
                                    nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de
                                    Participatiewet, de IOAW , de IOAZ en de Algemene wet
                                    bestuursrecht (Awb).</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2.</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><label>Nadere regels en beleidsregels</label></kop><al>Het DB kan nadere regels en beleidsregels vaststellen.</al></artikel><artikel><kop><nr>Artikel 3. Dienstverlening WIL</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De belanghebbende die behoort tot klantgroep 1, 2 of 3 valt voor de
                                participatiebegeleiding</al><al>onder de dienstverlening van WIL.</al><al/></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De belanghebbende die behoort tot klantgroep 4 valt voor de
                                participatiebegeleiding onder de dienstverlening van de gemeente
                                waar hij woonachtig is.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4. Ondersteuning aan niet uitkeringsgerechtigden</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een persoon die geen recht heeft op een uitkering of een persoon met
                                een uitkering in het kader van de Anw, heeft recht op ondersteuning
                                indien het inkomen van deze persoon niet boven 110% WML is.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien sprake is van gehuwden wordt naar het gezamenlijk inkomen
                                gekeken. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De duur van de dienstverlening aan een persoon die geen recht heeft
                                op een uitkering en een Anw-er bedraagt maximaal vier weken.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Geen recht op een voorziening of ondersteuning bestaat indien sprake
                                is van een voorliggende voorziening welke naar de mening van het DB
                                in voldoende mate bijdraagt aan de participatie van die
                                persoon.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het DB kan, om een betere afweging te kunnen maken omtrent de
                                voorziening die het meest geschikt is, een niet
                                uitkeringsgerechtigde persoon en een Anw-er, verplichten mee te
                                werken aan een onderzoek naar de mogelijkheden van die persoon op de
                                arbeidsmarkt. </al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Indien een niet uitkeringsgerechtigde persoon, die gebruik maakt van
                                een voorziening, verwijtbaar niet voldoet aan de voor hem geldende
                                afspraken, kan het DB de gemaakte kosten van het traject of de
                                voorziening terugvorderen. </al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>Indien een persoon geen recht heeft op een uitkering, jonger is dan
                                27 jaar en geregistreerd staat in het doelgroepenregister, is het
                                derde lid van dit artikel niet van toepassing. Die persoon kan
                                aanspraak maken op de voorzieningen zoals bedoeld in hoofdstuk 4 van
                                deze verordening.</al></lid><lid><lidnr>8.</lidnr><al>Het DB kan ondersteuning bij een leer-werktraject aanbieden aan
                                personen die:</al><lijst><li nr="a."><al>16 of 17 jaar zijn en van wie de leerplicht of de
                                        kwalificatieplicht, zoals bedoeld in de Leerplichtwet, nog
                                        niet geëindigd is, of;</al></li><li nr="b."><al>18 tot 27 jaar zijn en die nog geen startkwalificatie
                                        behaald hebben. </al></li></lijst><al/></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Beëindiging, weigering en anticumulatie van voorzieningen
                            </titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het DB kan een voorziening beëindigen of weigeren indien:</al><lijst><li nr="a."><al>de belanghebbende zijn verplichtingen als bedoeld in artikel
                                        9 of 17 van de wet, 13 en 37 IOAW en 13 en 37 IOAZ niet of
                                        in onvoldoende mate nakomt;</al></li><li nr="b."><al>de belanghebbende niet of niet langer tot een van de
                                        klantgroepen behoort;</al></li><li nr="c."><al>de belanghebbende algemeen geaccepteerde arbeid aanvaardt,
                                        waarbij geen gebruik wordt gemaakt van deze
                                        voorziening;</al></li><li nr="d."><al>het DB een andere voorziening aanbiedt die naar haar oordeel
                                        passender is;</al></li><li nr="e."><al>naar het oordeel van het DB de voorziening niet of niet
                                        langer dan wel in onvoldoende mate bijdraagt aan
                                        arbeidsinschakeling.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In het geval van een werkgever kunnen voorzieningen uit hoofdstuk 4
                                niet gecombineerd worden met voorzieningen uit hoofdstuk 3 ten
                                behoeve van dezelfde belanghebbende. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het DB stelt in nadere regels vast op welke voorzieningen uit
                                hoofdstuk 3 een anticumulatie van toepassing is. </al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3.</nr><titel>Voorzieningen voor klantgroep 1, 2 en 3</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Detacheringsbaan</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het DB kan zorgen voor toeleiding van een belanghebbende naar een
                                dienstverband met een werkgever, gericht op arbeidsinschakeling via
                                detachering.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De detachering wordt vastgelegd in een schriftelijke overeenkomst
                                tussen zowel de werkgever en inlenende organisatie als tussen de
                                belanghebbende (werknemer) en inlener. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Een belanghebbende wordt uitsluitend geplaatst als hierdoor de
                                concurrentieverhoudingen niet onverantwoord worden beïnvloed en er
                                geen verdringing op de arbeidsmarkt plaatsvindt.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel>Startersbonus</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het DB kan een startersbonus verstrekken aan werkgevers die met een
                                belanghebbende een arbeidsovereenkomst sluiten.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het DB stelt nadere regels vast ten aanzien van de hoogte van de
                                startersbonus en de voorwaarden en verplichtingen die aan de
                                startersbonus worden verbonden. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.</nr><titel>Scholing</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het DB kan een belanghebbende scholing aanbieden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het DB stelt nadere regels vast ten aanzien van de voorwaarden en
                                verplichtingen die aan de scholing worden verbonden. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het eerste lid is niet van toepassing op personen als bedoeld in
                                artikel 7, derde lid, onderdeel a van de wet.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.</nr><titel>Werkervaringsplaats</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het DB kan een belanghebbende een werkervaringsplaats gericht op
                                arbeidsinschakeling aanbieden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het doel van een werkervaringsplaats is het opdoen van werkervaring
                                en/of het leren functioneren in een arbeidsrelatie. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De duur van een werkervaringsplaats is drie maanden met de
                                mogelijkheid deze met drie maanden te verlengen. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het DB plaatst de belanghebbende uitsluitend als hierdoor de
                                concurrentieverhoudingen niet onverantwoord worden beïnvloed en er
                                geen verdringing op de arbeidsmarkt plaatsvindt. </al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>In een schriftelijke overeenkomst wordt in ieder geval
                                vastgelegd:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>het doel van de werkervaringsplaats, en</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>de wijze waarop de begeleiding plaatsvindt.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.</nr><titel>Participatieplaats</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het DB kan een belanghebbende van 27 jaar of ouder met recht op
                                algemene bijstand overeenkomstig artikel 10a van de wet onbeloonde
                                additionele werkzaamheden laten verrichten. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het DB zorgt ervoor dat de te verrichten additionele werkzaamheden
                                worden vastgelegd in een schriftelijke overeenkomst die wordt
                                ondertekend door het DB, de organisatie en de belanghebbende die de
                                additionele werkzaamheden gaat verrichten.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het DB verstrekt aan de belanghebbende, telkens nadat hij gedurende
                                zes maanden additionele werkzaamheden heeft verricht, een premie als
                                bedoeld in artikel 31, tweede lid, onderdeel j van de wet indien
                                belanghebbende naar het oordeel van het DB in die zes maanden
                                voldoende heeft meegewerkt aan het vergroten van zijn kans op
                                inschakeling in het arbeidsproces. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De hoogte van de premie, zoals bedoeld in het derde lid van dit
                                artikel, bedraagt 10% van het maximale bedrag zoals genoemd in
                                artikel 31, tweede lid, onder j van de wet. </al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De premie zoals bedoeld in het derde lid van dit artikel wordt
                                geweigerd indien bij de beoordeling blijkt dat belanghebbende de aan
                                de participatieplaats verbonden verplichtingen in de voorafgaande
                                zes maanden heeft geschonden.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Het DB biedt na zes maanden een voorziening gericht op
                                arbeidsinschakeling aan in de vorm van scholing of opleiding die de
                                toegang tot de arbeidsmarkt bevordert. Geen scholing of opleiding
                                wordt aangeboden indien dit naar het oordeel van het DB niet
                                bijdraagt aan vergroting van de kans op inschakeling in het
                                arbeidsproces van belanghebbende.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Sociale activering</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het DB kan een belanghebbende activiteiten aanbieden in het kader
                                van sociale activering voor zover de mogelijkheid bestaat dat hij op
                                enig moment algemeen geaccepteerde arbeid kan verkrijgen waarbij
                                geen gebruik wordt gemaakt van een voorziening. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het DB stemt de duur van de in het eerste lid bedoelde activiteiten
                                af op de mogelijkheden en capaciteiten van die persoon.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Tegenprestatie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het DB bevordert dat mensen naar vermogen meedoen in de samenleving
                                door te werken en/of door maatschappelijk nuttige activiteiten te
                                verrichten. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het DB kan, ter ondersteuning van dit uitgangspunt, een
                                belanghebbende stimuleren tot het verrichten van een tegenprestatie.
                            </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Belanghebbende bepaalt zelf de inhoud van de tegenprestatie. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>Nazorg</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het DB kan aan de werkgever bij wie een belanghebbende algemeen
                                geaccepteerde arbeid heeft aanvaard, gedurende maximaal twaalf
                                maanden nazorg bieden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De nazorg is gericht op het bestendig maken van de arbeidsrelatie
                                van belanghebbende en betrokken werkgever.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>Reiskostenvergoeding in relatie tot arbeidstoeleiding en
                                arbeidsparticipatie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het DB kan in de periode voorafgaand op plaatsing op een betaalde
                                baan, reiskosten vergoeden als de enkele reisafstand meer dan tien
                                kilometer bedraagt.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het DB kan van het bepaalde in het eerste lid afwijken bij
                                uitzonderlijke omstandigheden waardoor belanghebbende niet in staat
                                is met eigen vervoer te reizen en er geen alternatieven voorhanden
                                zijn. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15.</nr><titel>No-risk polis algemeen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een werkgever kan in aanmerking komen voor een no-riskpolis als hij
                                een dienstverband aangaat met een belanghebbende. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het DB stelt nadere regels vast ten aanzien van de duur van de
                                polis, de aard en de hoogte van de kosten die vergoed worden en ten
                                aanzien van de verplichtingen die aan de no-risk polis worden
                                verbonden.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16.</nr><titel>Loonkostentegemoetkoming, uitsluitend voor klantgroep 2 en
                                3</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het DB kan een loonkostentegemoetkoming (anders dan de
                                loonkostensubsidie zoals bedoeld in artikel 10c van de wet)
                                verstrekken aan werkgevers die met een belanghebbende een
                                arbeidsovereenkomst sluiten.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het DB stelt nadere regels vast ten aanzien van de duur en de hoogte
                                van de loonkostentegemoetkoming en ten aanzien van de verplichtingen
                                die aan de loonkostentegemoetkoming worden verbonden.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De loonkostentegemoetkoming wordt alleen verstrekt indien hierdoor
                                de concurrentieverhoudingen niet onverantwoord worden beïnvloed en
                                er geen verdringing op de arbeidsmarkt plaatsvindt.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17.</nr><titel>Participatievoorziening beschut werk</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het DB kan de voorziening beschut werk aanbieden aan een
                                belanghebbende uit klantgroep 3 die door een lichamelijke,
                                verstandelijke of psychische beperking een zodanige mate van
                                begeleiding op en aanpassing van de werkplek nodig heeft dat van een
                                reguliere werkgever redelijkerwijs niet kan worden verwacht dat hij
                                deze persoon in dienst neemt. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het DB maakt uit klantgroep 3 een voorselectie en wint zo nodig bij
                                het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen advies in voor de
                                beoordeling of zij uitsluitend in een beschutte omgeving onder
                                aangepaste omstandigheden mogelijkheden tot arbeidsparticipatie
                                hebben. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Om de in artikel 10b, eerste lid van de wet, bedoelde werkzaamheden
                                mogelijk te maken zet het DB de volgende ondersteunende
                                voorzieningen in: fysieke aanpassingen van de werkplek of de
                                werkomgeving, uitsplitsing van taken of aanpassingen in de wijze van
                                werkbegeleiding, werktempo of arbeidsduur.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het DB bepaalt de omvang van het aanbod beschut werk en de wijze
                                waarop de voorselectie plaatsvindt. </al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4.</nr><titel>Voorzieningen voor arbeidsgehandicapten</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18.</nr><titel>Loonkostensubsidie BUIG</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het DB stelt vast of een persoon behoort tot de doelgroep
                                loonkostensubsidie BUIG.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Hierbij neemt het DB de volgende criteria in acht:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>een persoon moet behoren tot de doelgroep zoals omschreven in
                                artikel 7, eerste lid, onderdeel a van de wet, en</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>die persoon is niet in staat met voltijdse arbeid het wettelijk
                                minimumloon te verdienen, en</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>die persoon heeft mogelijkheden tot arbeidsparticipatie.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19.</nr><titel>Vaststelling loonwaarde</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het DB gebruikt een gevalideerde methode om de loonwaarde van een
                                persoon die staat geregistreerd in het doelgroepenregister vast te
                                stellen. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De loonwaardebepaling wordt conform de ministeriële regeling
                                ‘Regeling loonkostensubsidie Participatiewet’ uitgevoerd. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het DB kan ten behoeve van het vaststellen van de loonwaarde een
                                proefplaatsing bieden aan de werkgever, met een maximale duur van
                                twee maanden.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>20.</nr><titel>Persoonlijke ondersteuning</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Aan een werkgever die een dienstverband aan gaat met een persoon die
                                staat geregistreerd in het doelgroepenregister kan het DB
                                persoonlijke ondersteuning bieden bij het verrichten van de aan die
                                persoon opgedragen taken in de vorm van structurele begeleiding als
                                hij zonder persoonlijke ondersteuning niet in staat is de aan hem
                                opgedragen taken te verrichten.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het DB stelt nadere regels vast ten aanzien van de omvang en de duur
                                van deze voorziening, als mede ten aanzien van de voorwaarden en
                                verplichtingen die aan deze voorziening worden verbonden.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>21.</nr><titel>No-riskpolis banenafspraak</titel></kop><al>Het DB kan aan een werkgever die een dienstverband aangaat met een
                            persoon die geregistreerd staat in het doelgroepenregister, een no-risk
                            polis aanbieden conform de afspraken zoals die gelden in de
                            arbeidsmarktregio Midden-Utrecht. </al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>5.</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>22</nr><titel>Hardheidsclausule en onvoorziene situaties</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In gevallen waarin deze verordening niet voorziet, beslist het
                                DB.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het DB kan in bijzondere gevallen afwijken van de bepalingen in deze
                                verordening indien toepassing van de verordening leidt tot
                                onbillijkheden van overwegende aard.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>23</nr><titel>Inwerkingtreding, intrekking en overgangsbepaling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Deze verordening treedt in werking met ingang van de dag na
                                bekendmaking en heeft terugwerkende kracht tot 1 januari 2015.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Met ingang van inwerkingtreding van deze verordening wordt de
                                Participatieverordening Werk en Inkomen Lekstroom zoals vastgesteld
                                in het AB van 19 december 2013 ingetrokken.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Voorzieningen die toegekend zijn op grond van de verordening genoemd
                                in het tweede lid blijven van kracht tot de voorziening is afgerond.
                            </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>24</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als Participatieverordening WIL.</al><al/></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van het algemeen bestuur
                            van de Gemeenschappelijke regeling Werk en Inkomen Lekstroom, gehouden
                            op 24 juni 2015.</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>de secretaris, de voorzitter, </ondertekening><ondertekening>R.Esser C. van Dalen</ondertekening></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>Toelichting </titel></kop><al/><al><vet>Leeswijzer</vet></al><al><vet>De Participatieverordening WIL is als volgt opgebouwd: in hoofdstuk
                        1 worden de bepalingen gedefinieerd die in de verordening gebruikt worden.
                        De begrippen van de Participatiewet en aanverwante regelgeving van het Rijk
                        worden aangehouden, maar ook specifieke begrippen die WIL gebruikt, worden
                        in dit hoofdstuk gedefinieerd. Hoofdstuk 2 is een kort hoofdstuk met
                        algemene bepalingen. In hoofdstuk 3 komen de voorzieningen aan bod die WIL
                        beschikbaar stelt aan klantgroep 1, 2 en 3. Dit zijn de
                        voorzieningen/instrumenten die WIL inzet om de re-integratie te bevorderen.
                        Hoofdstuk 4 gaat specifiek over de voorzieningen die gericht zijn op de
                        garantiebanen, de zogeheten banenafspraak. In het Sociaal Akkoord hebben de
                        sociale partners afgesproken extra banen te gaan realiseren voor mensen met
                        een arbeidsbeperking. Deze extra banen staan bekend onder de term
                        banenafspraak, maar in de arbeidsmarktregio Midden-Utrecht wordt gesproken
                        over garantiebanen. Het laatste hoofdstuk, hoofdstuk 5, bevat de
                        slotbepalingen. </vet></al><al/><al><vet>De Participatiewet</vet></al><al><vet>Eén regeling voor mensen met arbeidsvermogen</vet></al><al>De doelstelling van de Participatiewet is om iedereen met arbeidsvermogen naar
                    werk toe teleiden, bij voorkeur naar regulier werk. De Participatiewet draagt zo
                    bij aan de ambitie van hetkabinet om zoveel mogelijk mensen mee te laten doen
                    aan de maatschappij. Werk biedt de bestesociale zekerheid. Het is bovendien meer
                    dan een inkomen; het biedt kansen op zelfontplooiing,geeft mensen eigenwaarde en
                    zorgt voor sociale contacten. De doelgroep van de wet bestaat uitmensen met
                    arbeidsvermogen die zijn aangewezen op (tijdelijke) ondersteuning om inhun
                    bestaan te voorzien en/of op ondersteuning om aan het werk te komen.</al><al>Het streven is om te komen tot een inclusieve arbeidsmarkt. Een arbeidsmarkt die
                    plaats biedt voor jongeren en ouderen en voor mensen met en zonder beperking.
                    Het is essentieel om mensen tot hun recht te laten komen en ze in staat te
                    stellen zo veel mogelijk zelfstandig mee te doen aan de samenleving.
                    Participatie, bij voorkeur via werk, zorgt voor sociale, economische
                    enfinanciële zelfstandigheid, draagt bij aan het gevoel van eigenwaarde en
                    levert een bijdrage aan desociale cohesie en de economie. In zo’n samenleving
                    kan iedereen bijdragen aan het versterkenvan de economische en sociale kracht
                    van Nederland.</al><al/><al>Met de Participatiewet wordt het principe van één regeling consequent
                    doorgevoerd vooriedereen die in staat is om te werken, ook voor de mensen met
                    een arbeidsbeperking die aangewezen zijn op ondersteuning. Voor iedereen uit
                    deze doelgroep gelden nu dezelfde rechten enplichten. Jongeren met een
                    arbeidsbeperking maar met arbeidsmogelijkheden, komen nietlanger in de Wajong
                    terecht, maar horen tot de doelgroep van de Participatiewet. Mensen die nu aleen
                    Wajonguitkering hebben, worden beoordeeld op arbeidsvermogen. Als zij
                    arbeidsvermogenhebben en aangewezen zijn op ondersteuning, behoren zij tot de
                    doelgroep van de Participatiewet.</al><al>De Wsw is met ingang van 1 januari 2015 afgesloten voor nieuwe instroom. Voor
                    sommigemensen zal het nodig blijven om in een beschutte werkomgeving te werken.
                    Een van de afspraken uit het sociaal akkoord was om het instrument
                    loondispensatie dat in de Wet Werken naar Vermogen als instrument was opgenomen,
                    te vervangen door een nieuwe vorm van loonkostensubsidie.</al><al>Deze nieuwe vorm van loonkostensubsidie is niet per definitie tijdelijk, maar
                    kan zo nodig voor eenlangere periode worden ingezet en is gericht op mensen met
                    een arbeidsbeperking die niet hetwettelijk minimumloon (WML) kunnen verdienen.
                    Mensen met een arbeidsbeperking die met</al><al>loonkostensubsidie aan de slag gaan bij een werkgever krijgen loon conform de
                    geldendecollectieve arbeidsovereenkomst (cao). Mensen komen daardoor eerder uit
                    de uitkering. Ook leidt loonkostensubsidie tot een vermindering van de
                    administratieve lasten bij gemeenten.</al><al/><al>Belangrijke uitgangspunten bij de uitwerking van de Participatiewet zijn
                    voldoende beleidsruimte voor gemeenten en geen onnodige bureaucratie. De
                    doelstelling van de Participatiewet is helder. Mensen die nu nog aan de kant
                    staan, krijgen meer kansen. Meer kansen op werk of meer kansen om op een andere
                    manier mee te doen aan de samenleving. De doelstelling van de Participatiewet en
                    de belangrijkste uitgangspunten heeft WIL vertaald en neergelegd in de
                    onderstaande missie en visie.</al><al/><al><vet>Missie</vet></al><al>WIL gaat er voor dat alle burgers in de Lekstroom die dat kunnen naar vermogen
                    (economisch) participeren en sociale uitsluiting, schulden en armoede voorkomen
                    wordt. Degenen die dat nodig hebben krijgen (extra) inkomensondersteuning dan
                    wel een rechtmatige uitkering. Deze (extra) ondersteuning en/of
                    uitkeringsafhankelijkheid is zo kort mogelijk en mensen worden hierin zo goed
                    als mogelijk ondersteund. WIL gaat uit van de kracht van mensen zelf en werk
                    boven een uitkering.</al><al>Drie kernwaarden zijn daarbij richtinggevend voor ons handelen: meedoen,
                    ontwikkelen en presteren. We spiegelen ons daarbij aan onze klanten, want wat we
                    van hen verwachten, verwachten we ook van onszelf en van onze bestuurders.</al><al/><al><vet>Strategische visie</vet></al><al>De vijf Lekstroom gemeenten staan voor een welvarende regio waar het goed wonen,
                    werken en leven is voor al haar inwoners met een uitstekende arbeidsmarkt. Een
                    arbeidsmarkt waar geen structurele of substantiële krapte is aan geschikt
                    personeel, zowel kwantitatief als kwalitatief, al hebben we dat voor een
                    belangrijk deel niet in de hand. De werkgelegenheid is voldoende divers en
                    ontwikkeld om de regionale beroepsbevolking een leven lang aan het werk te
                    houden. Met werkzekerheid boven baanzekerheid en volledige werkgelegenheid,
                    waarbij iedereen die redelijkerwijs economisch actief kan zijn naar vermogen
                    participeert. Samenwerking is hiervoor essentieel, of het nu gaat om
                    intergemeentelijke samenwerking of samenwerking in de keten.</al><al/><al><vet>Operationele visie</vet></al><al>We willen dat burgers die zich bij ons melden, verantwoordelijkheid (kunnen)
                    nemen voor hun eigen leven. Het gaat er niet alleen om werkzoekenden aan het
                    werk te krijgen, maar ook om voorzieningen te bieden die de burger in staat
                    stellen zo lang mogelijk op volwaardige wijze zelfstandig deel te nemen aan de
                    maatschappij. Wanneer er belemmeringen zijn (financieel, fysiek of psychisch)
                    die klanten verhinderen om te werken, kijken wij welke mogelijkheden er wél
                    zijn. Zo nodig bieden we een passende voorziening aan. Inkomensondersteuning is
                    in principe tijdelijk en ondersteunend aan een (re-integratie)traject. Voor al
                    onze klanten willen we zelfstandigheid en zelfredzaamheid bevorderen om daardoor
                    de participatie in de samenleving te verhogen.</al><al>Een verantwoordelijke klant vraagt om een verantwoordelijke dienstverlener en
                    mag daar ook van uit gaan. De dienstverlening van Werk en Inkomen Lekstroom is
                    laagdrempelig, professioneel en deskundig, Wederzijdse rechten, plichten en
                    verantwoordelijkheden zijn daarbij het uitgangspunt. Wij stellen wederzijds
                    respect voorop en komen onze afspraken na. De lijn die is uitgezet in het
                    dienstverleningsconcept ‘De Klant Centraal’, is vanaf de start gevolgd. Er zijn
                    al flinke stappen gezet en dat blijven we ook doen. Tegelijkertijd blijven we
                    waakzaam voor het ontstaan van bedrijfsblindheid en onnodig ingewikkelde
                    procedures en bureaucratie.</al><al>Werk en Inkomen Lekstroom werkt als ‘partner in business’ met de andere
                    stakeholders op de arbeidsmarkt en in het sociale domein aan haar missie.
                    Niemand kan het alleen. Werk en Inkomen Lekstroom is een proactieve organisatie
                    die blijvend inspeelt op nieuwe ontwikkelingen in de samenleving en binnen de
                    regio. </al><al/><al><vet>Toelichting op de verordening</vet></al><al/><al><vet>Algemeen</vet></al><al>Er is gekozen voor een algemene verordening. Dit heeft te maken met de aard van
                    de opdracht die de gemeenteraad van Nieuwegein en Houten alsmede het AB voor de
                    gemeenten Vianen, IJsselstein en Lopik gekregen heeft, te weten het bij
                    verordening regels stellen waarin het beleid van het DB ten aanzien van haar
                    re-integratietaak wordt neergelegd. Hieruit moet onder andere aandacht blijken
                    voor de in de Participatiewet onderscheiden doelgroepen en de daarbinnen te
                    onderscheiden subgroepen. </al><al>De Participatiewet biedt gemeenten de ruimte om zelf te bepalen welke
                    ondersteuning mensen nodig hebben zonder dat de wet hen hindert met overbodige
                    bepalingen. Dit leent zich niet tot het formuleren van gedetailleerde regels die
                    op iedere situatie van toepassing zijn. Immers, re-integratie is maatwerk. Het
                    is helemaal afhankelijk van iemands mogelijkheden en beperkingen wat in diens
                    persoonlijke situatie een passend re-integratietraject is. </al><al/><al><vet>Artikelsgewijze toelichting</vet></al><al>Enkel die bepalingen die verdere toelichting behoeven worden hieronder
                    behandeld.</al><al/><al><vet>Artikel 1. Begrippen</vet></al><al>Begrippen die al zijn omschreven in de Participatiewet, Algemene wet
                    bestuursrecht of de Gemeentewet worden niet afzonderlijk gedefinieerd in deze
                    verordening. Deze zijn vanzelfsprekend van toepassing op deze verordening.</al><al/><al><vet>Artikel 2. Nadere regels en beleidsregels </vet></al><al>Door het DB de mogelijkheid te geven nadere regels en beleidsregels vast te
                    stellen, is het mogelijk om de verordening zelf algemeen te houden. De hoogte,
                    de voorwaarden en de duur van bepaalde – in de verordening omschreven –
                    voorzieningen worden in een nadere regeling (het Besluit
                    Participatievoorzieningen Werk en Inkomen Lekstroom) uitgewerkt. Hierdoor kan
                    optimaal ingespeeld worden op ontwikkelingen in de arbeidsmarkt.</al><al/><al><vet>Artikel 3. Dienstverlening WIL</vet></al><al>Er wordt aan alle klanten van WIL ondersteuning geboden. Echter ten behoeve van
                    klantgroep 4 worden geen re-integratiemiddelen ingezet.</al><al>De intensiteit van de ondersteuning en het soort voorziening wat ingezet wordt,
                    is in beginsel afhankelijk van de klantgroep waartoe belanghebbende behoort en
                    het feit of een belanghebbende geregistreerd staat in het doelgroepenregister.
                    Daarnaast is er altijd sprake van maatwerk.</al><al/><al><vet>Artikel 4. Ondersteuning aan niet uitkeringsgerechtigden</vet></al><al>Het DB biedt ook ondersteuning aan niet uitkeringsgerechtigden. Deze
                    ondersteuning is wel beperkt in duur. Ook mag het (gezamenlijk) inkomen niet
                    hoger zijn dan 110% van het WML. </al><al>Op grond van het vijfde lid kan het DB een persoon zonder uitkering verplichten
                    mee te werken aan een onderzoek naar diens mogelijkheden en beperkingen,
                    teneinde de juiste voorziening aan te bieden en/of subsidie vast te stellen dan
                    wel af te zien van het aanbieden van een voorziening en/of subsidie.</al><al>De Afstemmingsverordening Participatiewet regelt het opleggen van een maatregel
                    indien een uitkeringsgerechtigde niet aan zijn verplichtingen voldoet. Echter,
                    voor personen zonder uitkering, Anw-ers en personen in gesubsidieerde arbeid kan
                    het DB de uitkering niet verlagen als maatregel. Daarom is in het zesde lid de
                    mogelijkheid opgenomen dat in die gevallen het DB (een deel van) de kosten die
                    gemaakt zijn kan terugvorderen. Daartoe is het noodzakelijk dat afspraken
                    hierover schriftelijk worden vastgelegd. Terugvordering dient te geschieden op
                    grond van het burgerlijk recht.</al><al>Er wordt in lid 7 een uitzondering gemaakt voor personen tot 27 jaar die geen
                    recht op een uitkering hebben, maar die wel geregistreerd staan in het
                    doelgroepenregister. Het gaat hier voornamelijk om een heel specifieke groep
                    jongeren van wie al op relatief jonge leeftijd bekend is dat zij een
                    arbeidsbeperking hebben en niet zonder ondersteuning aan het werk kunnen. Deze
                    jongeren zitten bijvoorbeeld op het speciaal onderwijs en krijgen vaak de kans
                    om in dienst te treden bij het bedrijf waar zij stage hebben gelopen. Echter,
                    dit gaat vaak gepaard met het verstrekken van loonkostensubsidie en jobcoaching
                    aan de betreffende werkgever. Lid 7 van dit artikel maakt het mogelijk om aan
                    deze specifieke groep niet-uitkeringsgerechtigden een aantal specifieke
                    voorzieningen beschikbaar te stellen. Als deze persoon nog niet in het
                    doelgroepenregister geregistreerd staat, kan het DB voor deze persoon ook zelf
                    een doelgroepenverklaring aanvragen.</al><al>Lid 8 van dit artikel maakt het mogelijk om 16 of 17- jarigen ondersteuning aan
                    te bieden. Een vorm van ondersteuning bij leer-werktrajecten is inzetbaar voor
                    jongeren van 16 of 17 jaar oud die dreigen uit te vallen uit school, maar door
                    middel van een leer-werktraject alsnog een startkwalificatie kunnen behalen. Om
                    te voorkomen dat jongeren onnodig uitvallen, wordt de mogelijkheid geboden extra
                    ondersteuning te bieden. </al><al>Het DB kan ook een uitzondering maken ter voorkoming van schooluitval bij
                    jongeren van 18 tot 27 jaar die nog geen startkwalificatie behaald hebben en die
                    door een leer-werktraject alsnog een startkwalificatie kunnen behalen. Artikel
                    10f van de Participatiewet maakt het mogelijk deze uitzondering te maken.
                    Normaal gesproken zijn personen jonger dan 27 jaar die uit 's Rijks kas
                    bekostigd onderwijs kunnen volgen namelijk uitgesloten van ondersteuning bij
                    arbeidsinschakeling. </al><al/><al><vet>Artikel 5. Beëindiging, weigering en anticumulatie van
                    voorzieningen</vet></al><al>Lid 1 behoeft geen nadere toelichting.</al><al>Met het bepaalde in lid 2 voorkomen we expliciet dat een werkgever zowel op
                    voorzieningen in het kader van de banenafspraak (hoofdstuk 4) aanspraak kan
                    maken als op de overige voorzieningen zoals genoemd in hoofdstuk 3.</al><al>Met het bepaalde in lid 3 krijgt het DB de beleidsvrijheid om
                    anticumulatiebepalingen vast te stellen voor de voorzieningen uit hoofdstuk 3.
                    Hierbij kan gedacht worden aan een anticumulatie van voorzieningen waar een
                    werkgever aanspraak op kan maken. We willen voorkomen dat een werkgever
                    bijvoorbeeld aanspraak kan maken op een startersbonus én een
                    loonkostentegemoetkoming voor dezelfde belanghebbende. Niettemin kan er op grond
                    van voortschrijdend inzicht behoefte ontstaan om ook een andere anticumulatie
                    vast te stellen. Om te voorkomen dat om die reden de verordening gewijzigd zou
                    moeten worden, wordt ervoor gekozen om het DB dit in nadere regels te laten
                    vaststellen.</al><al/><al><vet>Artikel 6. Detacheringsbaan</vet></al><al>De Participatiewet biedt de mogelijkheid om een belanghebbende een dienstverband
                    aan te bieden om op detacheringsbasis werkervaring op te doen. Het eerste lid
                    biedt de mogelijkheid tot het aangaan van het dienstverband. Het DB zorgt ervoor
                    dat een persoon een dienstverband krijgt aangeboden door een derde, de
                    werkgever. Die derde kan bijvoorbeeld een detacheringsbureau zijn. Daarbij
                    worden op twee vlakken afspraken gemaakt. Ten eerste tussen het inlenende
                    bedrijf en de werkgever. Hierin worden zaken geregeld als de verhouding tot de
                    werkgever, de hoogte van de inleenvergoeding en de wijze waarop de begeleiding
                    wordt vormgegeven. In de overeenkomst tussen werknemer en inlener worden
                    afspraken gemaakt over werktijden, verlof en de inhoud van het werk.
                    </al><al/><al><vet>Artikel 7. Startersbonus</vet></al><al>De startersbonus kan een instrument zijn om een werkgever te stimuleren om een
                    uitkeringsgerechtigde een dienstverband aan te bieden. De bonus is bedoeld als
                    eenmalige compensatie voor de eventuele verminderde productiviteit en extra
                    begeleiding tijdens de eerste periode van het dienstverband. Ook kan de bonus
                    gebruikt worden voor eventuele extra kosten waar een werkgever mee
                    geconfronteerd wordt bij het aangaan van het dienstverband. </al><al>In nadere regels zijn de voorwaarden en de verplichtingen vastgelegd die aan de
                    startersbonus verbonden zijn. </al><al/><al><vet>Artikel 8. Scholing</vet></al><al>Soms kan het noodzakelijk zijn dat een belanghebbende eerst een scholingstraject
                    volgt, waardoor iemands mogelijkheden op arbeidsinschakeling aanzienlijk kunnen
                    toenemen. Scholing kan worden aangeboden aan personen met of zonder een
                    startkwalificatie. Maar vooral voor personen zonder startkwalificatie kan
                    scholing (anders dan uit 's Rijks kas bekostigd onderwijs) noodzakelijk zijn
                    voor de re-integratie. <cursief>Jongeren</cursief> Personen jonger dan 27 jaar
                    die nog mogelijkheden hebben binnen het uit 's Rijks kas bekostigde onderwijs
                    kunnen sinds 1 juli 2012 geen voorziening ontvangen die hen ondersteunt bij de
                    arbeidsinschakeling (artikel 7, derde lid, onderdeel a van de Participatiewet).
                    Dit is voor de volledigheid opgenomen in het derde lid. In nadere regels zijn de
                    voorwaarden en de verplichtingen vastgesteld die aan de scholing verbonden zijn. </al><al>Dit artikel heeft geen betrekking op de verplichting scholing aan te bieden
                    zoals bedoeld in artikel 10a, vijfde lid van de Participatiewet. </al><al/><al><vet>Artikel 9. Werkervaringsplaats</vet></al><al>Een werkervaringsplaats onderscheidt zich van een gewone arbeidsovereenkomst.
                    Bij een beoordeling of er al dan niet sprake is van een arbeidsovereenkomst
                    toetst de rechter aan de drie criteria voor het bestaan van een
                    arbeidsovereenkomst: persoonlijk verrichten van arbeid, loon en
                    gezagsverhouding. Daarbij wordt gekeken naar een aantal aspecten zoals de
                    bedoeling van de partijen en wat al dan niet schriftelijk is overeengekomen. De
                    rechter besteedt vooral aandacht aan de feitelijke invulling van de
                    overeenkomst.</al><al/><al><vet>Werkervaringsplaats is gericht op uitbreiden kennis
                        en ervaring</vet></al><al>De Hoge Raad heeft bepaald dat er bij een
                    werkervaringsplaats weliswaar sprake is van het persoonlijk verrichten van
                    arbeid, maar dat dit overwegend gericht is op het uitbreiden van de kennis en
                    ervaring van de werknemer. Daarnaast is bij een werkervaringsplaats in de regel
                    geen sprake van beloning. Terughoudend zijn met het verstrekken van een gerichte
                    stagevergoeding ligt daarom voor de hand. Er kan wel een onkostenvergoeding
                    worden gegeven, mits er daadwerkelijk sprake is van een vergoeding van gemaakte
                    kosten.</al><al/><al><vet>Doel van de werkervaringsplaats</vet></al><al>Het tweede lid geeft nog eens specifiek aan wat het doel is van de
                    werkervaringsplaats, om het verschil met een normale arbeidsverhouding aan te
                    geven. Dit is vooral van belang om te voorkomen dat een persoon claimt dat
                    sprake is van een arbeidsovereenkomst en bij de rechter loonbetaling
                    afdwingt.</al><al>De werkervaringsplaats kan twee doelen hebben. Op de eerste plaats kan het gaan
                    om het opdoen van specifieke werkervaring. Dit is vergelijkbaar met de
                    zogenaamde ‘snuffelstage’, waarbij een persoon de gelegenheid krijgt om te
                    bezien of het soort werk als passend kan worden beschouwd. Op de tweede plaats
                    kan het gaan om het leren werken in een arbeidsrelatie. In de
                    werkervaringsplaats kan een persoon wennen aan aspecten als gezag, op tijd
                    komen, werkritme en samenwerken met collega’s.</al><al/><al><vet>Opstellen schriftelijke overeenkomst</vet></al><al>In het vijfde lid is bepaald dat voor de werkervaringsplaats een schriftelijke
                    overeenkomst wordt opgesteld. Hierin kan expliciet het doel van de
                    werkervaringsplaats worden opgenomen, evenals de wijze van begeleiding. Door
                    deze schriftelijke overeenkomst kan nog eens worden gewaarborgd dat het bij een
                    werkervaringsplaats niet gaat om een reguliere arbeidsverhouding.</al><al/><al><vet>Artikel 10. Participatieplaats</vet></al><al>Een participatieplaats is bedoeld voor personen met een grotere afstand tot de
                    arbeidsmarkt. Voor personen jonger dan 27 jaar is ondersteuning in de vorm van
                    een participatieplaats niet mogelijk. Dit volgt uit artikel 7, achtste lid van
                    de Participatiewet. Het DB kan dan ook enkel aan personen van 27 jaar of ouder
                    met recht op algemene bijstand een participatieplaats aanbieden.</al><al> Op een participatieplaats worden additionele werkzaamheden verricht. Niet de te
                    verrichten werkzaamheden staan centraal maar het leren werken of het (opnieuw)
                    wennen aan werken. Aspecten als omgaan met gezag, op tijd komen, werkritme en
                    samenwerking met collega’s zijn allemaal zaken waaraan in een participatieplaats
                    gewerkt kan worden. Ook kan hiermee worden beoordeeld of het werkterrein past
                    bij de capaciteiten van de belanghebbende, zodat een persoon bijvoorbeeld een
                    opleiding op het betreffende terrein kan gaan volgen en daarmee voor zichzelf
                    een duurzaam perspectief op arbeid kan realiseren. De duur van de
                    participatieplaats is wettelijk beperkt tot maximaal vier jaar (artikel 10a van
                    de Participatiewet). Na negen maanden wordt beoordeeld door het DB of de
                    participatieplaats de kans op arbeidsinschakeling heeft vergroot (artikel 10a,
                    achtste lid van de Participatiewet). Zo niet dan wordt de participatieplaats
                    beëindigd. Uiterlijk 24 maanden na aanvang van de participatieplaats wordt
                    opnieuw beoordeeld of de participatieplaats wordt voorgezet. Als het DB
                    concludeert dat voortzetting van de participatieplaats met het oog op in de
                    persoon gelegen factoren aanmerkelijk bijdraagt tot de arbeidsinschakeling, dan
                    kan de participatieplaats nog één jaar verlengd worden. Echter in dat geval
                    dient een andere werkomgeving geboden te worden (artikel 10a, negende lid van de
                    Participatiewet). Na 36 maanden vindt opnieuw een dergelijke beoordeling plaats
                    (artikel 10a, tiende lid van de Participatiewet).</al><al/><al><vet>Premie</vet></al><al>De persoon die werkzaamheden verricht op een participatieplaats heeft recht op
                    een premie voor het eerst na zes maanden en vervolgens iedere zes maanden na
                    aanvang van de additionele werkzaamheden (artikel 10a, zesde lid van de
                    Participatiewet). Voorwaarde is dat de persoon naar het oordeel van het DB
                    voldoende heeft meegewerkt aan het vergroten van zijn kansen op de arbeidsmarkt.
                    De hoogte van de premie moet in de verordening vastgelegd worden (artikel 8a,
                    eerste lid, onderdeel d van de Participatiewet). De premie wordt vrijgelaten op
                    grond van artikel 31, tweede lid, onderdeel j van de Participatiewet. </al><al>De premie wordt uitgedrukt in een percentage van het maximale bedrag zoals
                    genoemd in de Participatiewet. Het DB is van mening dat de premie bedoeld is om
                    eventuele onkosten (reiskosten uitgezonderd) van belanghebbende als gevolg van
                    de participatieplaats te compenseren. Het DB ziet 10% van het maximale bedrag
                    dan ook als een redelijk bedrag. </al><al/><al><vet>Artikel 11. Sociale activering</vet></al><al>Volgens de Participatiewet dient ook sociale activering uiteindelijk gericht te
                    zijn op arbeidsinschakeling. Voor bepaalde personen is arbeidsinschakeling
                    echter een te hoog gegrepen doel. Voor deze personen staat dan ook niet
                    re-integratie, maar participatie voorop. </al><al/><al><vet>Begrip sociale activering</vet></al><al>Onder 'sociale activering' wordt verstaan: het verrichten van onbeloonde
                    maatschappelijk zinvolle activiteiten gericht op arbeidsinschakeling of, als
                    arbeidsinschakeling nog niet mogelijk is, op zelfstandige maatschappelijke
                    participatie (artikel 6, eerste lid, onderdeel c Participatiewet). Bij
                    activiteiten in het kader van sociale activering kan worden gedacht aan het
                    zelfstandig, zonder externe begeleiding, verrichten van vrijwilligerswerk of
                    deelnemen aan activiteiten in de wijk of buurt.</al><al/><al><vet>Doelgroep sociale activering</vet></al><al> Het DB kan aan een persoon activiteiten aanbieden in het kader van sociale
                    activering voor zover de mogelijkheid bestaat dat hij op enig moment algemeen
                    geaccepteerde arbeid kan verkrijgen waarbij geen gebruik wordt gemaakt van een
                    voorziening (artikel 17, eerste lid).</al><al>Sociale activering heeft tot doel een belanghebbende met een afstand tot de
                    arbeidsmarkt terug te leiden naar de arbeidsmarkt, of als dit nog niet mogelijk
                    is, als tussendoel te bevorderen dat personen zelfstandig kunnen deelnemen aan
                    het maatschappelijk leven. Hieruit volgt dat als het einddoel,
                    arbeidsinschakeling, niet kan worden bereikt, er geen grond is die persoon te
                    verplichten om gebruik te maken van een voorziening gericht op sociale
                    activering.</al><al/><al><vet>Artikel 12. Tegenprestatie</vet></al><al>Basisgedachte van de tegenprestatie is ‘meedoen naar vermogen’. Daarbij hanteren
                    wij de volgende uitgangspunten:</al><al>• Wij bevorderen dat mensen naar vermogen meedoen in de samenleving door te
                    werken, door werk te zoeken, door gebruik te maken van ondersteuning en/of door
                    maatschappelijk nuttige activiteiten te verrichten.</al><al>• We voorkomen dat mensen in een isolement geraken. Juist bij mensen die
                    (tijdelijk) niet deelnemen aan het arbeidsproces ligt dat risico op de loer. De
                    afstand tot de arbeidsmarkt is hierbij niet bepalend.</al><al>• Het verrichten van onbeloonde maatschappelijk nuttige activiteiten ondersteunt
                    deze uitgangspunten. Zowel voor mensen met een korte als mensen met een langere
                    afstand tot de arbeidsmarkt.</al><al>• Tegenprestatie definiëren wij als ‘het vanuit een collectief verrichten van
                    onverplicht en onbetaald werk’. Hierbij sluiten wij aan op de gangbare definitie
                    voor vrijwilligerswerk, zoals die ook wordt gehanteerd in de VNG
                    Vrijwilligersverzekering. Daar vallen alle vrijwilligers in de gemeente onder
                    (met uitzondering van vrijwillige brandweer en vrijwillige politie). </al><al>• Alle bijstandsgerechtigden worden aangesproken op het leveren van een
                    tegenprestatie en door WIL actief geïnformeerd over en verwezen naar
                    vrijwilligerswerk. Het ontsluiten en invullen van dit vrijwilligerswerk is
                    evenwel aan de Lekstroom gemeenten en vrijwilligersorganisaties zelf.</al><al>• Mensen bepalen zelf de inhoud van de tegenprestatie en vullen die ook zelf in.
                    Hierdoor wordt optimaal aangesloten op talenten, capaciteiten en
                    (mantel)zorgtaken van de klant. Ook wordt aangesloten op eventuele
                    arbeidsbeperkingen van de klant.</al><al>• WIL bespreekt met de klant het nut van de tegenprestatie (eigen ontwikkeling,
                    leveren van een bijdrage, voorkomen van isolement) en verkent de mogelijkheden
                    met de klant. Ook kan WIL verwijzen naar vindplaatsen voor vrijwilligerswerk
                    zoals verenigingen en steunpunten voor vrijwilligerswerk.</al><al>• Door deze insteek is verdringing op de arbeidsmarkt feitelijk uitgesloten. De
                    activiteiten behoren per definitie niet tot de arbeidsmarkt. Illegale
                    activiteiten en betaalde activiteiten vallen niet onder de tegenprestatie.
                    Arbeidsplicht en re-integratieplicht hebben altijd prioriteit boven de
                    tegenprestatie.</al><al>• Eventuele onkostenvergoedingen die de klant ontvangt voor het verrichten van
                    vrijwilligerswerk worden (tot een maximumbedrag) vrijgelaten.</al><al>• In het kader van de tegenprestatie gaat WIL in 2015 haar klanten vooral
                    verleiden om vrijwilligerswerk te doen. In het reguliere uitvoeringsproces wordt
                    dit onderwerp met de klant besproken tijdens de verschillende contactmomenten. </al><al/><al><vet>Artikel 13. Nazorg</vet></al><al>In dit artikel wordt het bieden van nazorg mogelijk gemaakt. Het is belangrijk
                    ervoor te zorgen dat een belanghebbende na uitstroom niet na een korte periode
                    terugvalt in de uitkering. Nazorg moet onderscheiden worden van de voorziening
                    ‘persoonlijke ondersteuning’ zoals bedoeld in artikel 20 van deze verordening.
                    Nazorg is veel meer gericht op relatiebeheer, zowel de relatie tussen
                    belanghebbende en de werkgever als de relatie tussen de werkgever en de
                    arbeidsmakelaar. </al><al/><al><vet>Artikel 14. Reiskostenvergoeding</vet></al><al>Financiële achteruitgang mag nooit een belemmering zijn voor arbeidstoeleiding
                    en/of arbeidsparticipatie. Daarom heeft het DB de mogelijkheid om reiskosten aan
                    een belanghebbende te vergoeden. Deze reiskostenvergoeding kan worden verstrekt
                    zolang belanghebbende nog in traject zit. </al><al/><al><vet>Artikel 15. No-risk polis algemeen</vet></al><al>Een no-riskpolis is een belangrijk instrument om aarzelingen bij werkgevers weg
                    te nemen om mensen met een (lange) afstand tot de arbeidsmarkt in dienst te
                    nemen. De no-riskpolis zorgt ervoor dat de werkgever compensatie ontvangt voor
                    de loonkosten, wanneer een werknemer ziek wordt. Een werkgever komt niet in
                    aanmerking voor een no-risk polis als artikel 29b van de Ziektewet van
                    toepassing is (artikel 8a, tweede lid, onderdeel b Participatiewet). </al><al>Het DB sluit de verzekering af en treedt daardoor op als verzekeringnemer en
                    betaalt de verzekeringspremie. De nieuwe werkgever is de verzekerde; het loon
                    van de werknemer vormt het verzekerde risico. De werkgever is samen met de
                    werknemer verantwoordelijk voor re-integratie. Dit</al><al>betekent onder andere dat de werkgever voor verzuimbegeleiding afspraken maakt
                    met de arbodienstof gecertificeerde bedrijfsarts. Een belangrijke voorwaarde is
                    dat de werkgever een contract heeft met</al><al>een arbodienst of gecertificeerde bedrijfsarts. Daarnaast mag de nieuwe
                    werknemer bij aanvang vande polis niet ziek zijn.</al><al/><al>De dekkingsduur van de no-riskpolis bedraag zes of twaalf maanden en de
                    eigenrisicoperiode is twee weken per verzuimperiode. Wanneer de
                    bijstandsgerechtigde werknemer wordt en daarna onverwacht uitvalt door ziekte of
                    een ongeval, dan vergoedt de verzekeraar de kosten van loon-doorbetaling,
                    inclusief 15% aan werkgeverslasten. Als de werknemer door ziekte of een ongeval
                    overlijdt kan met de no-riskpolis ook de wettelijke uitkering die verschuldigd
                    is aan de nabestaande(n) volledig worden</al><al>gedeclareerd. </al><al/><al><vet>Artikel 16. Loonkostentegemoetkoming (klantgroep 2 en 3) </vet></al><al>De in dit artikel opgenomen loonkostentegemoetkoming is niet gericht op personen
                    met een arbeidsbeperking, maar ondersteunt personen met een lange afstand tot de
                    arbeidsmarkt. De in dit artikel geregelde loonkostentegemoetkoming moet dus
                    worden onderscheiden van de loonkostensubsidie zoals bedoeld in de artikelen 10c
                    en 10d van de Participatiewet.</al><al/><al>Het doel van de loonkostentegemoetkoming is het bieden van compensatie voor het
                    feit dat voor een persoon ten minste het wettelijk minimumloon moet worden
                    betaald, terwijl de werkgever een persoon (nog) niet ten volle kan inzetten. Zo
                    kan het DB een loonkostentegemoetkoming aan de werkgever verstrekken om
                    tijdelijk het verschil in arbeidsproductiviteit te compenseren en zo de
                    re-integratie van de bijstandsgerechtigde met een lange afstand tot de
                    arbeidsmarkt bewerkstelligen. </al><al>In nadere regels zijn de voorwaarden en de verplichtingen vastgesteld die aan de
                    loonkostentegemoetkoming verbonden zijn. </al><al/><al><vet>Artikel 17. Participatievoorziening beschut werk</vet></al><al>Beschut werk is een instrument dat het DB met de Participatiewet ter beschikking
                    krijgt voor de inzet van mensen die uitsluitend in een beschutte omgeving onder
                    aangepaste omstandigheden mogelijkheden hebben om te werken in een
                    dienstbetrekking. Het DB is verantwoordelijk voor het selecteren van
                    belanghebbenden die in aanmerking komen voor een beschutte werkomgeving en/of
                    voor wie een indicatie wordt aangevraagd. Het DB neemt daarbij minimaal het
                    volgende criterium in acht:</al><al>-het gaat om een belanghebbende die door lichamelijke, verstandelijke of
                    psychische beperking een zodanige mate van begeleiding en aanpassingen van de
                    werkplek nodig heeft, dat niet van een reguliere werkgever mag worden verwacht
                    dat hij deze belanghebbende in dienst neemt.</al><al/><al>Via het gebundeld re-integratiebudget ontvangen gemeenten (beperkt) middelen
                    voor het realiseren van deze beschutte plaatsen. Beschut werken is geen doel op
                    zich en ook binnen de Participatiewet niet verplicht voor gemeenten. Gemeenten
                    kunnen het instrument inzetten om mensen te activeren, met het doel dat ze gaan
                    participeren. Als iemand een indicatie voor beschut werk heeft, dan is het aan
                    de gemeente (of een door de gemeente aangewezen partij) om een ‘sociale’
                    werkgever te vinden die bereid is een dienstverband aan te gaan. Als dat niet
                    lukt, ligt een dienstverband met de gemeente zelf in het verschiet.</al><al/><al><vet>Artikel 18. Loonkostensubsidie BUIG</vet></al><al>In de Participatiewet wordt de loonkostensubsidie geïntroduceerd. Deze is
                    bedoeld voor personen van wie is vastgesteld dat zij met voltijdse arbeid niet
                    in staat zijn tot het verdienen van het wettelijk minimumloon, doch wel
                    mogelijkheden tot arbeidsparticipatie hebben. Anders gezegd, deze personen
                    hebben vanwege een functiebeperking verminderde loonwaarde. De
                    loonkostensubsidie compenseert de werkgever voor het verlies aan productiviteit
                    van een werknemer. De werknemer ontvangt minimaal het wettelijk minimumloon van
                    de werkgever. De werkgever ontvangt loonkostensubsidie van het DB. De hoogte van
                    de loonkostensubsidie is het verschil tussen het wettelijk minimumloon en de
                    loonwaarde, vermeerderd met een opslag voor de werkgeverslasten. </al><al/><al><vet>Artikel 19. Vaststelling loonwaarde</vet></al><al>In artikel 10d, eerste lid, van de Participatiewet is bepaald dat als een
                    persoon behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie en een werkgever voornemens
                    is een dienstbetrekking aan te gaan met die persoon, het DB de loonwaarde van
                    die persoon vaststelt. De vastgestelde loonwaarde legt het DB vast in een
                    beschikking waartegen zowel de betrokken persoon als diens (potentiële)
                    werkgever bezwaar en beroep kunnen instellen. </al><al/><al><vet>Proefplaatsing </vet></al><al>De loonwaarde kan pas gemeten worden als er sprake is van een werkplek. Om in
                    het begin een goed beeld van de loonwaarde te krijgen is het mogelijk om
                    werknemers een tijdje onbeloonde werkzaamheden te laten verrichten op een
                    proefplaats. De proefplaatsing dient zo kort als mogelijk doch tot maximaal twee
                    maanden te worden ingezet, met behoud van uitkering. </al><al/><al><vet>Artikel 20. Persoonlijke ondersteuning</vet></al><al>In dit artikel wordt de voorziening persoonlijke ondersteuning nader geduid. Het
                    gaat dan om een voorziening zoals bijvoorbeeld een jobcoach, die op vaste tijden
                    en gedurende een langere periode de werknemer met beperkingen bij het verrichten
                    van zijn taken ondersteunt. De persoonlijke ondersteuning moet noodzakelijk zijn
                    in die zin, dat de werknemer zonder die ondersteuning in redelijkheid niet zijn
                    werkzaamheden zou kunnen verrichten. Persoonlijke ondersteuning heeft tot doel
                    dat een werknemer wordt begeleid naar een situatie dat hij uiteindelijk zonder
                    begeleiding via een dergelijke voorziening bij een reguliere werkgever werkzaam
                    kan zijn.</al><al>In beleidsregels zijn bepalingen rondom de omvang en de duur van deze
                    voorziening vastgelegd, alsmede de voorwaarden en de verplichtingen vastgesteld
                    die aan deze voorziening verbonden zijn. </al><al/><al><vet>Artikel 21. No-riskpolis banenafspraak</vet></al><al>De no-riskpolis BUIG is een belangrijk instrument om aarzelingen bij werkgevers
                    weg te nemen om mensen met arbeidsbeperkingen in dienst te nemen. De
                    no-riskpolis zorgt ervoor dat de werkgever compensatie ontvangt voor de
                    loonkosten, wanneer een werknemer met arbeidsbeperkingen ziek wordt. Een
                    werkgever komt niet in aanmerking voor een no-risk polis als artikel 29b van de
                    Ziektewet van toepassing is (artikel 8a, tweede lid, onderdeel b
                    Participatiewet). </al><al/><al><vet>Artikel 22. Hardheidsclausule en onvoorziene situaties</vet></al><al>Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.</al><al/><al><vet>Artikel 23. Inwerkingtreding, intrekking en
                    overgangsbepaling</vet></al><al>In de Participatiewet is een overgangstermijn gegeven van een half jaar
                    (derhalve tot 30 juni 2015) om bij verordening regels te stellen waarin het
                    beleid van het DB ten aanzien van haar re-integratietaak wordt neergelegd. Omdat
                    er in deze verordening ook regels worden gesteld ten aanzien van enkele nieuwe
                    taken en het DB in de periode januari tot juni 2015 voortvarend aan de slag is
                    gegaan met de uitvoering van deze nieuwe taken, is het van belang terugwerkende
                    kracht aan de verordening te verbinden.</al><al>Voorzieningen die zijn toegekend op grond van de Participatieverordening die in
                    december 2013 is vastgesteld blijven van kracht op basis van die betreffende
                    verordening. Eventuele verlengingen worden beoordeeld op basis van deze nieuwe
                    verordening, om te voorkomen dat de oude verordening nog lang kan
                    doorwerken.</al><al/><al><vet>Artikel 24. Citeertitel</vet></al><al>Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>