<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR372110_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening woonruimtebemiddeling regio Rotterdam 2015</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Ridderkerk</dcterms:creator><dcterms:modified>2015-07-10</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Ridderkerk</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2015-58451.html">Elektronisch gemeenteblad, 2015, 58451</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening Woonruimtebemiddeling 2015</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0035303&amp;artikel=4">Huisvestingswet 2014, art. 4</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0005416">Gemeentewet</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>volkshuisvesting en woningbouw</dcterms:subject><dcterms:issued>2015-06-25</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2015-07-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2019-07-03</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend.</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>volkshuisvesting en woningbouw</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen.</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Deze verordening treedt in werking per 1 juli 2015.</al><al>Deze verordening vervalt na een termijn van vier jaar na haar inwerkingtreding.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening woonruimtebemiddeling regio Rotterdam 2015</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeenteRidderkerk,</al><al/><al>gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 19 mei 2015, nummer
                        161340.</al><al/><al>overwegende dat:</al><lijst><li nr="-"><al>de Eerste Kamer op 3 juni 2014 een nieuwe Huisvestingswet heeft
                                vastgesteld;</al></li><li nr="-"><al>de Huisvestingswet 2014 een nieuw kader biedt voor de verdeling van
                                schaarse woonruimte;</al></li><li nr="-"><al>binnen de gemeenten die deel uitmaken van de stadsregio Rotterdam
                                sprake is van schaarste van woonruimte met onevenwichtige en
                                onrechtvaardige effecten en een stagnerende doorstroming op de
                                woningmarkt, zoals ook blijkt uit de regionale woonvisie,</al></li><li nr="-"><al>het hierom noodzakelijk is om de binnen de stadsregio Rotterdam
                                beschikbaar komende woonruimte evenwichtig, rechtvaardig, doelmatig
                                en transparant te verdelen;</al><al/></li></lijst><al>gelet op artikel 4 van de Huisvestingswet waarin de mogelijkheid wordt
                        geboden om een huisvestingsverordening vast te stellen,</al><al/><al>gelet op de Gemeentewet;</al><al/><al><vet>BESLUIT:</vet></al><al/><lijst><li nr="1."><al>de verordening ‘Woonruimtebemiddeling regio Rotterdam 2015’ versie
                                22 april 2015 vast te stellen;</al></li><li nr="2."><al>de verordening per 1 juli 2015 in werking te laten treden.</al></li></lijst></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1.</nr><titel>Algemeen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.1</nr><titel>Definities</titel></kop><al>In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan
                        onder:</al><lijst><li nr="a."><al>aanbodinstrument: het aanbodinstrument bedoeld in artikel
                                2.2.2;</al></li><li nr="b."><al>bemiddelingsmodel: het bemiddelingsmodel bedoeld in artikel
                                2.2.4;</al></li><li nr="c."><al>corporatie: de instelling als bedoeld in artikel 70 van de
                                Woningwet, voor zover deze instelling actief is in één of meer van
                                de gemeenten waar deze verordening van kracht is;</al></li><li nr="d."><al>dagelijks bestuur: het dagelijks bestuur van de stadsregio
                                Rotterdam;</al></li><li nr="e."><al>directe aanbieding: directe aanbieding bedoeld in artikel
                                2.2.3;</al></li><li nr="f."><al>economische binding: economische binding als bedoeld in artikel 14
                                lid 3 van de wet;</al></li><li nr="g."><al>gebouw: elk bouwwerk dat een voor mensen toegankelijke overdekte,
                                geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt;</al></li><li nr="h."><al>gelabelde woonruimte: woonruimte behorende tot een categorie genoemd
                                in kolom 1 van de in artikel 2.3.9. lid 2 opgenomen tabel;</al></li><li nr="i."><al>herhuisvestingsverklaring: urgentieverklaring, verleend wegens de
                                toepasselijkheid van de in artikel 5.8 van Bijlage I bij deze
                                verordening genoemde urgentiegrond;</al></li><li nr="j."><al>huishouden: </al><lijst><li nr="1."><al>alleenstaande; of,</al></li><li nr="2."><al>samenwonenden, zijnde twee personen die hoofdverblijf hebben
                                        in dezelfde woning en blijk geven zorg te dragen voor
                                        elkaar, dan wel personen die dit willen gaan doen; of,</al></li><li nr="3."><al>de alleenstaande of samenwonenden en de kinderen van de
                                        alleenstaande of tenminste één van de samenwonenden, voor
                                        zover die kinderen hoofdverblijf hebben in de woning van de
                                        alleenstaande of samenwonenden en de leeftijd van 27 jaar
                                        niet hebben bereikt;</al></li><li nr="4."><al>de alleenstaande of samenwonenden en het kind van de
                                        alleenstaande of tenminste één van de samenwonenden, voor
                                        zover het kind hoofdverblijf heeft in de woning van de
                                        alleenstaande of samenwonenden, de leeftijd van 27 jaar
                                        heeft bereikt en er tussen het kind en de alleenstaande of
                                        tenminste één van de samenwonenden een zorgrelatie bestaat
                                        die tot gevolg heeft dat de zorgontvanger zonder de uit
                                        hoofde van die relatie ontvangen zorg redelijkerwijs niet in
                                        zijn of haar huidige woonsituatie kan blijven wonen;</al></li></lijst></li><li nr="k."><al>huurprijsgrens: de huurprijsgrens als bedoeld in artikel 5 van de
                                Wet op de huurtoeslag;</al></li><li nr="l."><al>indicatie: een door een onafhankelijke, ter zake deskundig persoon
                                of orgaan opgesteld document waaruit de specifieke fysieke of andere
                                beperkingen van een woningzoekende blijken en waarin is of op basis
                                waarvan kan worden bepaald hoe de huisvesting van de woningzoekende
                                daarop dient te worden afgestemd;</al></li><li nr="m."><al>inkomensgrens: het in artikel 4 lid 1 van de Tijdelijke regeling
                                diensten van algemeen economisch belang toegelaten instellingen
                                volkshuisvesting genoemde maximale huishoudinkomen of, als
                                Herzieningswet toegelaten instellingen volkshuisvesting (kamerstuk
                                dossiernummer 32769) in werking is getreden: de inkomensgrens
                                bedoeld in artikel 48, eerste lid, van de Woningwet;</al></li><li nr="n."><al>maatschappelijke binding: maatschappelijke binding als bedoeld in
                                artikel 14 lid 3 van de wet; </al></li><li nr="o."><al>referentiewoning: een representatief voorbeeld van de te huur aan te
                                bieden zelfstandige woonruimte;</al></li><li nr="p."><al>regio: de woningmarktregio;</al></li><li nr="q."><al>regiogemeenten: de gemeenten die deel uitmaken van de
                                woningmarktregio;</al></li><li nr="r."><al>schaarse woonruimte: woonruimte die naar het oordeel van de
                                gemeenteraad in de betreffende gemeente, na afstemming met de in
                                zijn gemeente werkzame corporaties, schaars is;</al></li><li nr="s."><al>studentenwoning: zelfstandige woonruimte die door de verhuurder
                                bestemd is voor de verhuur aan studenten in de zin van de Wet
                                studiefinanciering 2000 of aan personen die onderwijs ingevolge de
                                Wet educatie en beroepsonderwijs volgen; </al><lijst><li nr="a)"><al>uitverhuisperiode: de periode gelegen tussen het moment waarop de
                                herhuisvestingsverklaring is afgegeven en het moment waarop de
                                bewoning van de woonruimte gestaakt moet zijn in verband met de
                                ingreep;</al></li></lijst></li><li nr="t."><al>urgentieverklaring: de urgentieverklaring als bedoeld in artikel 2.1
                                van Bijlage I zijnde de beschikking waarmee de indeling van
                                woningzoekenden in een urgentiecategorie als bedoeld in artikel 12
                                lid 2 van de wet plaatsvindt;</al></li><li nr="u."><al>voorrangscategorie: een categorie woningzoekende die op grond van
                                het bepaalde in artikel 2.3.9 of artikel 2.3.10 met voorrang in
                                aanmerking komt voor een huisvestingsvergunning;</al></li><li nr="v."><al>wet: de Huisvestingswet 2014;</al></li><li nr="w."><al>woning: zelfstandige woonruimte;</al></li><li nr="x."><al>woningmarktregio: de woningmarktregio die gevormd wordt door de
                                gemeenten Albrandswaard, Barendrecht, Brielle, Capelle aan den
                                IJssel, Hellevoetsluis, Krimpen aan den IJssel, Lansingerland,
                                Maassluis, Nissewaard, Ridderkerk, Rotterdam, Schiedam, Vlaardingen
                                en Westvoorne.</al></li><li nr="y."><al>woningruil: een overeenkomst tussen twee huishoudens, gesloten met
                                instemming van de corporatie of corporaties van wie zij woonruimte
                                huren, op grond waarvan zij de door hen bewoonde woonruimte
                                ruilen;</al></li><li nr="z."><al>woningzoekende: een huishouden dat op zoek is naar woonruimte;</al><lijst><li nr="aa."><al>woongroep: het bewonen van een zelfstandige woonruimte door een
                                groep huurders (inclusief hun kinderen), die geen gemeenschappelijke
                                huishouding voeren, geen onderlinge huurrelatie hebben, maar wel op
                                basis van eigen initiatief kiezen om samen te wonen ;</al></li><li nr="bb."><al>woonplaats: woonplaats als bedoeld in de artikelen 10, eerste lid,
                                en 11 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek;</al></li><li nr="cc."><al>woonruimte: besloten ruimte die, al dan niet tezamen met een of meer
                                andere ruimten, bestemd of geschikt is voor bewoning door een
                                huishouden;</al></li><li nr="dd."><al>zelfstandige woonruimte: woonruimte met een eigen, afsluitbare,
                                toegang welke door een huishouden kan worden bewoond zonder dat dit
                                huishouden daarbij afhankelijk is van wezenlijke voorzieningen zoals
                                badkamer, toilet en keuken buiten de woonruimte.</al></li></lijst></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2.</nr><titel>Woonruimtebemiddeling</titel></kop><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2.1.</nr><titel>Algemeen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.1.</nr><titel>Reikwijdte</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Dit hoofdstuk is uitsluitend van toepassing op alle van corporaties
                                of van gemeenten voor verhuur vrijkomende of beschikbare
                                zelfstandige woonruimten onder de huurprijsgrens.</al></li><li nr="2."><al>In afwijking van het bepaalde in het eerste lid is hoofdstuk 2 van
                                deze verordening niet van toepassing op:</al><lijst><li nr="a."><al>woonwagens;</al></li><li nr="b."><al>woonschepen;</al></li><li nr="c."><al>studentenwoningen;</al></li><li nr="d."><al>woonruimte die met toepassing van het bepaalde in de
                                        Leegstandwet verhuurd wordt; </al></li><li nr="e."><al>woonruimte die in verband met aanstaande sloop of
                                        ingrijpende renovatie op basis van een tijdelijke huur- of
                                        gebruiksovereenkomst in gebruik wordt genomen voor
                                        bewoning.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Het in dit hoofdstuk bepaalde is van overeenkomstige toepassing op
                                het in gebruik geven en te huur aanbieden van ingevolge het eerste
                                lid aangewezen woonruimten van gemeenten.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.2.</nr><titel>Eisen aan de
                            woningzoekende</titel></kop><al>Voor een huisvestingsvergunning komen in aanmerking woningzoekenden waarvan
                        het huishouden voldoet aan de volgende eisen:</al><lijst><li nr="a."><al>tenminste één van de leden van het huishouden is niet minderjarig
                                als bedoeld in artikel 1:233 van het Burgerlijk Wetboek en</al></li><li nr="b."><al>de leden van het huishouden bezitten de Nederlandse nationaliteit of
                                worden op grond van een wettelijke bepaling als Nederlander
                                behandeld of zijn vreemdelingen en verblijven rechtmatig in
                                Nederland als bedoeld in artikel 8, onderdelen a tot en met e en l
                                van de Vreemdelingenwet 2000.</al></li></lijst></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2.2.</nr><titel>Aanbieden en bemiddelen van
                        woonruimte</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.2.1.</nr><titel>Het aanbieden van
                            woonruimte</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Corporaties bieden woonruimte te huur aan via openbaar aanbod of via
                                een directe aanbieding.</al></li><li nr="2."><al>Het openbaar aanbod wordt gedaan via het aanbodinstrument.</al></li><li nr="3."><al>Bij een directe aanbieding biedt een corporatie woonruimte
                                rechtstreeks aan een specifieke woningzoekende te huur aan. Deze
                                aanbieding geschiedt niet via het aanbodinstrument.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.2.2.</nr><titel>Openbaar aanbod en het
                            aanbodinstrument</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Corporaties stellen gezamenlijk voor de gehele regio een
                                aanbodinstrument in en houden dit in stand. </al></li><li nr="2."><al>Via het aanbodinstrument bieden corporaties hun voor verhuur
                                vrijkomende of beschikbare woonruimte aan. Voor zover het
                                bemiddelingsmodel daartoe aanleiding geeft, kunnen zij woonruimte te
                                huur aanbieden door middel van een referentiewoning.</al></li><li nr="3."><al>Het aanbodinstrument voldoet in ieder geval aan de volgende
                                eisen:</al><lijst><li nr="a."><al>het is gebruiksvriendelijk en toegankelijk,</al></li><li nr="b."><al>het biedt woningzoekenden de mogelijkheid hun belangstelling
                                        kenbaar te maken op de door corporaties te huur aangeboden
                                        woonruimte,</al></li><li nr="c."><al>het informeert woningzoekenden op uniforme en transparante
                                        wijze over de op grond van het toepasselijke
                                        bemiddelingsmodel geldende volgorde, waarin de
                                        woningzoekenden die hun belangstelling voor de woonruimte
                                        kenbaar hebben gemaakt, voor de huur in aanmerking komen
                                        en</al></li><li nr="d."><al>het informeert woningzoekenden op uniforme en transparante
                                        wijze over de voorwaarden waaraan zij moeten voldoen om in
                                        aanmerking te komen voor huur van de aangeboden
                                        woonruimten.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.2.3.</nr><titel>Directe
                        aanbieding.</titel></kop><al>De corporatie kan in de volgende omstandigheden woonruimte te huur aanbieden
                        via een directe aanbieding aan een woningzoekende: </al><lijst><li nr="a."><al>de woningzoekende is een houder van een urgentie- of
                                herhuisvestingsverklaring;</al></li><li nr="b."><al>de woningzoekende heeft een uitdrukkelijke woonwens die aansluit bij
                                een bijzondere vorm van bewoning van de aangeboden woonruimte zoals
                                het geval is bij atelierwoningen en woongroepen;</al></li><li nr="c."><al>de woningzoekende heeft als gevolg van specifieke persoonlijke
                                omstandigheden welke hem of haar onderscheiden van het overgrote
                                deel van de woningzoekenden, een zeer geringe kans om zelfstandig
                                binnen een redelijke termijn woonruimte te vinden;</al></li><li nr="d."><al>het is, gelet op specifieke persoonlijke omstandigheden van de
                                woningzoekende, noodzakelijk om hem of haar niet zelf woonruimte te
                                laten vinden;</al></li><li nr="e."><al>het is, gelet op het belang van het bevorderen van doorstroming,
                                wenselijk om een woningzoekende een zeer specifiek aanbod aan
                                woonruimte te kunnen doen.</al></li><li nr="f."><al>de woningzoekende beschikt als gevolg van een acute en onvoorziene
                                omstandigheid niet meer over zelfstandige woonruimte en zou in
                                verband daarmee in aanmerking komen voor een urgentieverklaring,
                                maar het is om humanitaire redenen onwenselijk om te wachten totdat
                                hij of zij met die urgentieverklaring woonruimte zou vinden;</al></li><li nr="g."><al>de woningzoekende moet als gevolg van een uitspraak van een
                                burgerlijke rechter of het advies van een klachtencommissie over een
                                geschil inzake woonruimtebemiddeling, door een corporatie gehuisvest
                                worden;</al></li><li nr="h."><al>de woningzoekende wil in het kader van woningruil woonruimte
                                betrekken.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.2.4.</nr><titel>Bemiddelingsmodellen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Een bemiddelingsmodel beschrijft de regels aan de hand waarvan de
                                volgorde blijkt waarin woningzoekenden voor de huur van via het
                                aanbodinstrument aangeboden woonruimte in aanmerking komen, wanneer
                                zij daarvoor hun belangstelling kenbaar hebben gemaakt.</al></li><li nr="2."><al>Corporaties stellen gezamenlijk de binnen de regio toe te passen
                                bemiddelingsmodellen vast.</al></li><li nr="3."><al>De vast te stellen bemiddelingsmodellen voldoen aan de volgende
                                eisen:</al><lijst><li nr="a."><al>bemiddelingsmodellen ontnemen woningzoekenden niet de
                                        mogelijkheid om op te huur aangeboden woonruimte te
                                        reageren;</al></li><li nr="b."><al>bemiddelingsmodellen dienen uitsluitend aan de hand van
                                        objectieve en rechtmatige criteria de volgorde te bepalen
                                        waarin woningzoekenden voor de te huur aangeboden woonruimte
                                        in aanmerking komen;</al></li><li nr="c."><al>de bemiddelingsmodellen zijn transparant;</al></li><li nr="d."><al>er wordt voorzien in bijzondere volgorderegels voor die
                                        gevallen waarin meer dan één huishouden op grond van de
                                        reguliere volgorderegels voor de huur van de woonruimte in
                                        aanmerking zouden komen.</al></li></lijst></li></lijst></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2.3.</nr><titel>De huisvestingsvergunning</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.3.1.</nr><titel>Vergunningvereiste</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden zonder een huisvestingsvergunning woonruimte,
                                aangewezen in artikel 2.1.1., eerste lid, in gebruik te nemen voor
                                bewoning.</al></li><li nr="2."><al>Het is verboden om de in het vorige lid bedoelde woonruimte in
                                gebruik te geven voor bewoning aan een persoon die niet beschikt
                                over een huisvestingsvergunning.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.3.2.</nr><titel>De bevoegdheid tot verlening,
                            weigering, wijziging en intrekking van de huisvestingsvergunning</titel></kop><al>Het college van burgemeester en wethouders beslist tot verlening, weigering,
                        wijziging en intrekking van de huisvestingsvergunning.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.3.3.</nr><titel>De aanvraag om een
                            huisvestingsvergunning</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Bij de aanvraag om een huisvestingsvergunning verstrekt de aanvrager
                                in ieder geval de volgende informatie en de volgende gegevens en
                                bescheiden:</al><lijst><li nr="a."><al>de samenstelling van het huishouden dat de woonruimte wil
                                        betrekken;</al></li><li nr="b."><al>het adres van de woonruimte waar de aanvraag betrekking op
                                        heeft;</al></li><li nr="c."><al>voor zover dat niet uit de in het tweede lid bedoelde
                                        legitimatiebewijzen blijkt: bewijsstukken waaruit blijkt dat
                                        het huishouden voldoet aan de in artikel 2.1.2. opgenomen
                                        eisen;</al></li><li nr="d."><al>stukken waaruit blijkt dat het aannemelijk is dat het
                                        huishouden van de aanvrager na verlening van de aangevraagde
                                        huisvestingsvergunning de woonruimte ook daadwerkelijk in
                                        gebruik kan nemen.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>De aanvrager kan verzocht worden om diens legitimatiebewijs en dat
                                van de leden van diens huishouden te tonen.</al></li><li nr="3."><al>Op een aanvraag om huisvestingsvergunning wordt binnen zeven dagen
                                na de dag van ontvangst daarvan beslist. </al></li><li nr="4."><al>De in het vorige lid bedoelde termijn kan éénmaal met ten hoogste
                                zeven dagen verlengd worden.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.3.4.</nr><titel>De inhoud van de
                            huisvestingsvergunning</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De huisvestingsvergunning bevat de volgende informatie:</al><lijst><li nr="a."><al>het adres van de woonruimte waarop zij betrekking heeft;
                                        en,</al></li><li nr="b."><al>de naam van de persoon of namen van de personen die als
                                        vergunninghouder worden aangemerkt.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>In een huisvestingsvergunning kan een voorschrift worden opgenomen
                                op grond waarvan de vergunninghouder de woonruimte enkel binnen de
                                in de vergunning genoemde termijn in gebruik kan nemen. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.3.5.</nr><titel>Beoordeling van de aanvraag om
                            huisvestingsvergunning</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De huisvestingsvergunning wordt geweigerd indien:</al><lijst><li nr="a."><al>het huishouden van de aanvrager niet aan de in artikel 2.1.2
                                        genoemde eisen voldoet;</al></li><li nr="b."><al>de aanvrager niet op het grond van het bepaalde in het
                                        tweede en derde lid voor de huisvestingsvergunning in
                                        aanmerking komt; of,</al></li><li nr="c."><al>het niet aannemelijk is dat het huishouden van de aanvrager
                                        na verlening van de aangevraagde huisvestingsvergunning de
                                        woonruimte ook daadwerkelijk in gebruik kan nemen.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Indien woonruimte te huur wordt aangeboden via een openbaar aanbod,
                                wordt de volgorde waarin aanvragers in aanmerking komen voor een
                                huisvestingsvergunning bepaald overeenkomstig het bepaalde in de
                                artikelen 2.3.6. tot en met 2.3.10.</al></li><li nr="3."><al>Indien woonruimte te huur wordt aangeboden via directe aanbieding,
                                wordt met inachtneming van het bepaalde in de artikelen 2.3.8. tot
                                en met 2.3.10. bepaald aan welke aanvrager de huisvestingsvergunning
                                verleend wordt.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.3.6.</nr><titel>Groepen
                        woningzoekenden</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Bij het beoordelen van de aanvragen om huisvestingsvergunning worden
                                de woningzoekenden die een aanvraag hebben ingediend onderverdeeld
                                in de in de volgende leden genoemde drie groepen.</al></li><li nr="2."><al>Tot groep 1 behoren de woningzoekenden die in het bezit zijn van een
                                geldige urgentie- of herhuisvestingsverklaring met een voor de
                                desbetreffende woonruimte passend zoekprofiel en die tevens behoort
                                tot alle eventueel van toepassing zijnde voorrangcategorieën.</al></li><li nr="3."><al>Tot groep 1 behoren tevens de houders van een urgentieverklaring,
                                verleend op grond van artikel 5.5 of artikel 5.6 van Bijlage I
                                alsmede houders van een verblijfsvergunning, voor zover die behoren
                                tot de op grond van artikel 2.3.9. van toepassing zijnde
                                voorrangcategorieën. Zij hoeven niet te behoren tot op grond van
                                artikel 2.3.10 van toepassing zijnde voorrangcategorieën.</al></li><li nr="4."><al>Tot groep 2 behoren de overige woningzoekenden die behoren tot de
                                eventueel op grond van de artikelen 2.3.9. en 2.3.10. van toepassing
                                zijnde voorrangcategorieën.</al></li><li nr="5."><al>Tot groep 3 behoren de overige woningzoekenden.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.3.7.</nr><titel>Rangorde en het regionaal
                        aanbodinstrument</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Als eerste komt voor de verlening van de huisvestingsvergunning in
                                aanmerking de woningzoekende behorend tot groep 1, die in het bezit
                                is van de urgentie- of herhuisvestingsverklaring die als eerste is
                                verlopen of verloopt. </al></li><li nr="2."><al>Vervolgens komt voor de verlening van de huisvestingsvergunning in
                                aanmerking de woningzoekende die:</al><lijst><li nr="a."><al>behoort tot groep 2 en</al></li><li nr="b."><al>op basis van het door de corporatie toegepaste
                                        bemiddelingsmodel als eerste voor de huur van de woonruimte
                                        in aanmerking komt.</al></li><li nr="3."><al>Vervolgens komt voor de verlening van de huisvestingsvergunning in
                                aanmerking de woningzoekende die:</al><lijst><li nr="a."><al>behoort tot groep 3 en</al></li><li nr="b."><al>op basis van het door de corporatie toegepaste
                                        bemiddelingsmodel als eerste voor de huur van de woonruimte
                                        in aanmerking komt.</al></li></lijst></li><li nr="4."><al>Voor wat betreft de toepassing van het eerste lid wordt de
                                urgentieverklaring, verleend vanwege de toepasselijkheid van een
                                urgentiegrond opgenomen in artikel 5.1 tot en met 5.7 van deze
                                Bijlage, geacht te zijn verlopen op het moment dat de eerste fase
                                van de urgentie als bedoeld in artikel 4.2, eerste fase, van Bijlage
                                I eindigt.</al></li><li nr="5."><al>Voor wat betreft de toepassing van het eerste lid wordt
                                herhuisvestingsverklaring geacht te verlopen op het moment dat de
                                eerste fase van de urgentie als bedoeld in artikel 6.3, eerste lid,
                                van Bijlage I eindigt.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.3.8.</nr><titel>Voorrang voor bezitters van een
                            urgentie- of herhuisvestingsverklaring</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Een huishouden dat wegens een persoonlijke noodsituatie of wegens
                                sloop of ingrijpende verbetering van zijn woonruimte een (andere)
                                woonruimte nodig heeft en geen gebruik kan maken van een
                                voorliggende voorziening, kan in aanmerking komen voor een
                                urgentieverklaring, dan wel een herhuisvestingsverklaring.</al></li><li nr="2."><al>In Bijlage I bij deze verordening is aangegeven:</al><lijst><li nr="a."><al>door wie, bij wie en de wijze waarop de in het vorige lid
                                        bedoelde verklaringen kunnen worden aangevraagd,</al></li><li nr="b."><al>door wie en de gronden waarop deze verklaringen worden
                                        verstrekt,</al></li><li nr="c."><al>de inhoud van deze verklaringen en </al></li><li nr="d."><al>de gevolgen die deze verklaringen hebben voor de positie op
                                        de woningmarkt van de bezitter ervan. </al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.3.9.</nr><titel>Voorrang voor woningzoekenden in
                            verband met de passendheid van de woonruimte</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Als categorieën woonruimte als bedoeld in artikel 11 van de wet
                                worden aangewezen de categorieën <cursief>woonruimte</cursief>
                                beschreven in kolom 1 van de in het tweede lid opgenomen tabel. Als
                                gedeelte van de categorieën <cursief>woningzoekenden</cursief> als
                                bedoeld in artikel 11 van de wet worden aangewezen de categorieën
                                woningzoekenden beschreven in de kolom 2 van de in het tweede lid
                                opgenomen tabel. </al></li><li nr="2."><al>Bij het verlenen van een huisvestingsvergunning voor schaarse
                                woonruimte die behoort tot een in onderstaande tabel genoemde
                                categorie woonruimte, wordt voorrang gegeven aan woningzoekenden die
                                behoren tot een in die tabel achter de desbetreffende categorie
                                woonruimte genoemde categorie woningzoekenden.</al></li></lijst><table><tgroup cols="3"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="11*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="46*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="44*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al><cursief>Rij-nummer</cursief></al></entry><entry colname="col2"><al><cursief>Kolom 1: Categorie woonruimte (gelabelde
                                                woonruimte)</cursief></al></entry><entry colname="col3"><al><cursief>Kolom 2: Categorie woningzoekenden
                                                (voorrangscategorie)</cursief></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>1</al></entry><entry colname="col2"><al>Woonruimte geschikt voor de huisvesting van
                                            senioren</al></entry><entry colname="col3"><al>Huishoudens waarvan tenminste één lid de leeftijd van 55
                                            jaar, of een hogere, nader te bepalen leeftijd, heeft
                                            bereikt </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>2</al></entry><entry colname="col2"><al>Woonruimte in het bijzonder geschikt voor de huisvesting
                                            van jongeren</al></entry><entry colname="col3"><al>Huishoudens waarvan alle leden niet ouder zijn dan 27
                                            jaar, of een lagere, nader te bepalen, leeftijd hebben
                                        </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>3</al></entry><entry colname="col2"><al>Woonruimte in het bijzonder geschikt voor de huisvesting
                                            van starters</al></entry><entry colname="col3"><al>Huishoudens die geen zelfstandige woonruimte
                                            achterlaten</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>4</al></entry><entry colname="col2"><al>Woonruimte in het bijzonder geschikt voor de huisvesting
                                            van doorstromers</al></entry><entry colname="col3"><al>Huishoudens die een zelfstandige woonruimte
                                            achterlaten</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>5</al></entry><entry colname="col2"><al>Woonruimte in het bijzonder geschikt en nodig voor
                                            bewoners met een beperking</al></entry><entry colname="col3"><al>Huishoudens in het bezit van een indicatie</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>6</al></entry><entry colname="col2"><al>Woonruimte in het bijzonder geschikt voor gezinnen</al></entry><entry colname="col3"><al>Huishoudens bestaande uit tenminste één volwassene en
                                            één kind jonger dan 18 jaar</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>7</al></entry><entry colname="col2"><al>Woonruimte in het bijzonder geschikt voor grote
                                            huishoudens</al></entry><entry colname="col3"><al>Huishoudens bestaande uit tenminste vijf personen</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>8</al></entry><entry colname="col2"><al>Woonruimte in het bijzonder geschikt voor huishoudens
                                            met een laag inkomen</al></entry><entry colname="col3"><al>Huishoudens met een bij de woonruimte passend, nader te
                                            bepalen, inkomen</al></entry></row></tbody></tgroup></table></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.3.10.</nr><titel>Voorrang voor woningzoekenden met regionale of
                            lokale binding</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Bij de verlening van huisvestingsvergunningen wordt voor ten hoogste
                                50 procent van de in artikel 2.1.1., eerste lid, aangewezen
                                categorieën woonruimte, voorrang gegeven worden aan huishoudens die
                                economisch of maatschappelijk gebonden zijn aan de woningmarktregio,
                                zoals bedoeld in artikel 14, derde lid, van de wet.</al></li><li nr="2."><al>Voor ten hoogste de helft van het in het eerste lid genoemde
                                percentage mag bij de verlening van huisvestingsvergunningen
                                voorrang worden gegeven aan woningzoekenden die economisch of
                                maatschappelijk gebonden zijn aan een tot de gemeente behorende kern
                                als bedoeld in artikel 14, tweede lid, van de wet.</al></li></lijst></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2.4.</nr><titel>Experimenten</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.1.</nr><titel>Experimenten</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Bij een experiment worden de effecten onderzocht van een wijze van
                                in gebruik geven van woonruimte, welke niet in of op grond van deze
                                verordening is geregeld maar wel in een op grond van de
                                Huisvestingswet 2014 vast te stellen verordening geregeld zou kunnen
                                worden.</al></li><li nr="2."><al>De wijze van in gebruik geven van woonruimte als bedoeld in het
                                eerste lid staat ten dienste van een rechtvaardige, doelmatige,
                                evenwichtige en transparante verdeling van woonruimte.</al></li><li nr="3."><al>Een experiment heeft een maximale duur van twee jaar, doch kan niet
                                langer duren dan het moment waarop deze verordening ingevolge
                                artikel 3.5, twee lid, vervalt. </al></li><li nr="4."><al>Een experiment wordt georganiseerd door één of meer corporaties in
                                samenwerking met één of meer gemeenten. Zij sluiten daartoe een
                                experimentenovereenkomst, welke tenminste het volgende bevat:</al><lijst><li nr="a."><al>een beschrijving van het doel en de inhoud van het
                                        experiment; en,</al></li><li nr="b."><al>het toepassingsbereik van het experiment; en,</al></li><li nr="c."><al>de tijdsduur van het experiment; en,</al></li><li nr="d."><al>de wijze van begeleiding van het experiment gedurende de
                                        duur van het experiment; en,</al></li><li nr="e."><al>de wijze en punten waarop het experiment geëvalueerd
                                        wordt.</al></li></lijst></li><li nr="5."><al>Een experiment begint pas nadat het college van burgemeester en
                                wethouders van de gemeente waar het experiment plaats zal vinden na
                                afstemming met de overige gemeenten van de subregio de
                                experimentenovereenkomst is aangegaan. Bij zijn beslissing tot goed-
                                dan wel afkeuring van de experimentenovereenkomst neemt het college
                                van burgemeester en wethouders de belangen van een evenwichtige,
                                rechtvaardige, doelmatige en transparante verdeling van woonruimte
                                in acht.</al></li></lijst></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2.5.</nr><titel>Monitoring</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.1.</nr><titel>Registratie en monitoring</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Corporaties en de colleges van burgemeester en wethouders van de
                                regiogemeenten dragen gezamenlijk zorg voor de registratie van
                                vraag, aanbod en verhuringen van de onder de werking van hoofdstuk 2
                                van deze verordening vallende woonruimte.</al></li><li nr="2."><al>Het in artikel 2.5.2. bedoelde overleg bepaalt in welke gegevens en
                                ontwikkelingen, te herleiden uit de in het eerste lid bedoelde
                                registratie, per kalenderjaar middels het document "Monitor
                                woonruimtebemiddeling regio Rotterdam" inzicht wordt geboden. </al></li><li nr="3."><al>Corporaties en de colleges van burgemeester en wethouders van de
                                regiogemeenten dragen gezamenlijk zorg voor de samenstelling van de
                                in lid 2 bedoelde "Monitor woonruimtebemiddeling regio Rotterdam".
                                De monitor van het afgelopen kalenderjaar wordt uiterlijk op:</al><lijst><li nr="a."><al>1 april van het daarop volgende jaar toegezonden aan de
                                        corporaties, de colleges van burgemeester en wethouders van
                                        de regiogemeenten, het college van gedeputeerde staten van
                                        de provincie Zuid-Holland en het dagelijks bestuur van
                                        stadsregio Rotterdam; en,</al></li><li nr="b."><al>1 april van het daarop volgende jaar gepubliceerd op de
                                        website van de corporaties of van een door hen aan te wijzen
                                        partij of orgaan.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.2.</nr><titel>Overleg naar aanleiding van monitoring</titel></kop><al>Corporaties gezamenlijk en de colleges van burgemeester en wethouders van de
                        regiogemeenten voeren tenminste één maal per kalenderjaar overleg over de in
                        artikel 2.5.1, tweede lid, bedoelde monitor. Het college van gedeputeerde
                        staten van de provincie Zuid-Holland wordt uitgenodigd zich daarbij te laten
                        vertegenwoordigen.</al></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3.</nr><titel>Overgangs- en slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.1.</nr><titel>Overgangsrecht urgentie- en
                            herhuisvestingsverklaringen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Urgentieverklaringen en herhuisvestingsverklaringen die zijn
                                afgegeven vóór het moment van inwerkingtreding van deze verordening,
                                worden gelijkgesteld met de op grond van artikel 2.1, eerste lid,
                                van Bijlage I van deze verordening af te geven verklaringen.</al></li><li nr="2."><al>De in lid 1 bedoelde verklaringen zijn:</al><lijst><li nr="a."><al>de urgentieverklaring als bedoeld in artikel 11 van de
                                        Huisvestingsverordening stadsregio Rotterdam 2006; deze
                                        wordt gelijkgesteld met de urgentieverklaring als bedoeld in
                                        de onderhavige verordening;</al></li><li nr="b."><al>de herhuisvestingsverklaring als bedoeld in artikel 12 van
                                        de Huisvestingsverordening stadsregio Rotterdam 2006; deze
                                        wordt gelijkgesteld met een herhuisvestingsverklaring als
                                        bedoeld in de onderhavige verordening.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.2.</nr><titel>Overgangsrecht
                            sanctiebesluiten</titel></kop><al>Het recht zoals dat gold onmiddellijk voor het tijdstip van inwerkingtreding
                        van deze verordening blijft van kracht op de voorbereiding en vaststelling
                        van besluiten tot oplegging van een herstelsanctie of een bestraffende
                        sanctie als bedoeld in artikel 5:2, eerste lid onder a en b van de Algemene
                        wet bestuursrecht, indien deze besluiten worden voorbereid of opgelegd
                        wegens een overtreding van het bepaalde bij of krachtens de
                        Huisvestingsverordening stadsregio Rotterdam 2006. De voorbereiding van in
                        een in de eerste zin bedoeld besluit wordt geacht te zijn aangevangen na
                        constatering van een in de eerste zin bedoelde overtreding door een
                        toezichthouder of een opsporingsambtenaar.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.3.</nr><titel>Evaluatie van de verordening</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Deze verordening wordt uiterlijk drie jaar na haar inwerkingtreding
                                geëvalueerd door de colleges van burgemeester en wethouders van de
                                regiogemeenten, in overleg met regio actieve corporaties .</al></li><li nr="2."><al>Het evaluatieverslag wordt op schrift gesteld en bevat in ieder
                                geval een onderbouwd oordeel over de doelmatigheid van de
                                verordening.</al></li><li nr="3."><al>Het evaluatieverslag bevat vervolgens een onderbouwd oordeel over de
                                doelmatigheid van de op grond van deze verordening toegepaste
                                woonruimtebemiddelingsmodellen.</al></li><li nr="4."><al>Het evaluatieverslag wordt toegezonden aan het college van
                                gedeputeerde staten van de provincie Zuid-Holland en gepubliceerd op
                                de website van de regiogemeenten en de website van de
                                Maaskoepel.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.4.</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening Woonruimtebemiddeling
                        2015.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.5.</nr><titel>Inwerkingtreding en vervallen van
                            de verordening</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 juli 2015.</al></li><li nr="2."><al>Deze verordening vervalt na een termijn van vier jaar na haar
                                inwerkingtreding.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus besloten in de openbare vergaderingvan de raad van de gemeente
                        Ridderkerkvan 25 juni 2015.</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>De griffier,</ondertekening><ondertekening>mr. J.G. van Straalen</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>De voorzitter,</ondertekening><ondertekening>mw. A. Attema</ondertekening></regeling-sluiting><bijlage><al><vet>Bijlage I: Urgentie- en herhuisvestingssysteem</vet></al><al><vet>Paragraaf 1. Algemeen</vet></al><al><cursief>Artikel 1.1. Definities</cursief></al><al>In deze Bijlage en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan
                        onder:</al><lijst><li nr="a)"><al>herhuisvestingsverklaring: een urgentieverklaring verleend vanwege
                                de toepasselijkheid van de urgentiegrond, opgenomen in artikel
                                5.8;</al></li><li nr="b)"><al>indicatie: een door een onafhankelijke, ter zake deskundig persoon
                                of orgaan opgesteld document waaruit de specifieke fysieke of andere
                                beperkingen van een woningzoekende blijken en waarin is of op basis
                                waarvan kan worden bepaald hoe de huisvesting van de woningzoekende
                                daarop dient te worden afgestemd;</al></li><li nr="c)"><al>mantelzorg: zorg die om-niet en niet in het kader van een
                                hulpverlenend beroep op structurele basis wordt gegeven aan een
                                hulpbehoevende door één of meer leden van diens directe sociale
                                omgeving, waarbij de zorgverlening direct voortvloeit uit de sociale
                                relatie; </al></li><li nr="d)"><al>urgentiegronden: de in de artikel 5.1 tot en met 5.8 van deze
                                Bijlage genoemde urgentiegronden, zijnde de urgentiecategorieën als
                                bedoeld in artikel 12, tweede lid, van de Huisvestingswet 2014;</al></li><li nr="e)"><al>urgentieverlener: het bestuursorgaan dat beslist op de aanvraag om
                                een urgentieverklaring;</al></li><li nr="f)"><al>vergunninghouder: de vergunninghouder als bedoeld in artikel 1,
                                eerste lid, aanhef en onder g van de wet;</al></li><li nr="g)"><al>verordening: de verordening waar deze bijlage deel van
                                uitmaakt;</al></li><li nr="h)"><al>voorkeurssubregio: de voorkeurssubregio als bedoeld in artikel 3.2,
                                vierde lid, van deze Bijlage;</al></li><li nr="i)"><al>voorliggende voorziening: een publiekrechtelijke regeling, anders
                                dan de wet of deze verordening, die gezien haar aard en doel voor de
                                desbetreffende woningzoekende toereikend en passend moet worden
                                geacht voor het voorkomen of oplossen van zijn of haar
                                huisvestingsprobleem;</al></li><li nr="j)"><al>zoekprofiel: het zoekprofiel als bedoeld in artikel 3.2 van deze
                                Bijlage.</al></li></lijst><al><cursief>Artikel 1.2. Verhouding tot artikel 12 van de wet</cursief></al><al>De in paragraaf 5 van deze Bijlage opgenomen urgentiegronden betreffen de
                        criteria als bedoeld in artikel 12, tweede lid, van de Huisvestingswet
                        2014.</al><al><vet>Paragraaf 2. Procedure urgentieverklaring</vet></al><al><cursief>Artikel 2.1. Bevoegdheid tot verlening van een urgentieverklaring
                        </cursief></al><lijst><li nr="1."><al>Op een aanvraag om een urgentieverklaring beslist het college van
                                burgemeester en wethouders bij wie de aanvraag ingevolge artikel
                                2.2, tweede lid, van deze Bijlage ingediend moet worden.</al></li><li nr="2."><al>In afwijking van het bepaalde in het eerste lid beslist in plaats
                                van het college van burgemeester en wethouders van de gemeenten
                                Maassluis, Vlaardingen, Rotterdam en Schiedam het bestuur van de
                                Stichting Urgentiebepaling Woningzoekenden Rijnmond.</al></li><li nr="3."><al>De colleges van burgemeester en wethouders van de regiogemeenten
                                dragen zorg voor een eenduidige uitvoering van het in deze paragraaf
                                bepaalde. Eventuele beleidsregels aangaande de uitvoering van de in
                                deze paragraaf genoemde bevoegdheden, stellen de colleges in
                                gezamenlijkheid en na overleg met de corporaties, vast.</al></li><li nr="4."><al>Elk college van burgemeester en wethouders genoemd in het tweede lid
                                kan besluiten om de in het eerste lid bedoelde bevoegdheid zelf uit
                                te oefenen. Daarbij kan een college besluiten dat het bestuur van de
                                Stichting Urgentiebepaling Woningzoekenden Rijnmond niet meer tot
                                uitoefening van de in lid 1 bedoelde bevoegdheid bevoegd is. </al></li><li nr="5."><al>In afwijking van het bepaalde in het eerste lid wordt een
                                herhuisvestingsverklaring verleend door de corporatie in wier
                                woonruimte de woningzoekende op het moment van verlening van de
                                herhuisvestingsverklaring woonachtig is. </al></li></lijst><al><cursief>Artikel 2.2. Aanvraag om een urgentieverklaring</cursief></al><lijst><li nr="1."><al>Voor een urgentieverklaring komen uitsluitend in aanmerking
                                huishoudens met een inkomen onder de inkomensgrens. </al></li><li nr="2."><al>Het huishouden vraagt een urgentieverklaring aan:</al><lijst><li nr="a."><al>bij het college van burgemeester en wethouders van de
                                        regiogemeente waar het huishouden woont, of</al></li><li nr="b."><al>voor zover het huishouden niet in een regiogemeente woont,
                                        bij het college van burgemeester en wethouders van de
                                        regiogemeente waar hij wil gaan wonen;</al></li><li nr="c."><al>bij de corporatie van wie het zijn huidige woonruimte huurt,
                                        indien het een aanvraag om een herhuisvestingsverklaring
                                        betreft.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Het bestuursorgaan dat op de aanvraag om een urgentieverklaring moet
                                beslissen, kan de aanvrager een vergoeding voor het behandelen van
                                de aanvraag in rekening brengen.</al></li><li nr="4."><al>De in het vorige lid bedoelde vergoeding bedraagt ten hoogste €
                                50,-. Dit bedrag mag vermeerderd worden met de kosten die gemoeid
                                zijn met het door het bestuursorgaan inschakelen van externe
                                adviseurs ten behoeve van de beoordeling van de aanvraag.</al></li><li nr="5."><al>De aanvrager van een urgentieverklaring verstrekt bij de aanvraag in
                                ieder geval elk van de volgende gegevens en bescheiden:</al><lijst><li nr="a."><al>informatie over de aard en de oorsprong van het
                                        huisvestingsprobleem dat aan de aanvraag ten grondslag
                                        ligt,</al></li><li nr="b."><al>informatie over het inkomen en het vermogen van het
                                        huishouden en</al></li><li nr="c."><al>de voorkeurssubregio waar de houder van de
                                        urgentieverklaring wil wonen. Daartoe kiest de aanvrager een
                                        voorkeurssubregio uit de subregio’s genoemd in Bijlage II
                                        bij de verordening.</al></li></lijst></li><li nr="6."><al>Indien het bestuur van de Stichting Urgentiebepaling Woningzoekenden
                                Rijnmond ingevolge artikel 2.1, tweede lid, van deze Bijlage bevoegd
                                is op een aanvraag te beslissen, dient het huishouden de aanvraag om
                                een urgentieverklaring in bij een corporatie.</al></li></lijst><al><cursief>Artikel 2.3. Weigeringsgronden urgentieverklaring</cursief></al><lijst><li nr="1."><al>Het bepaalde in dit artikel is niet van toepassing op een aanvraag
                                om een herhuisvestingsverklaring.</al></li><li nr="2."><al>Het bestuursorgaan dat bevoegd is te beslissen op een aanvraag om
                                urgentieverklaring, weigert de urgentieverklaring indien sprake is
                                van één of meerdere van de volgende omstandigheden:</al></li><li nr="a."><al>de aanvrager kan het huisvestingsprobleem redelijkerwijs op een
                                andere wijze oplossen;</al></li><li nr="b."><al>het huishouden van aanvrager voldoet niet aan de in artikel 2.1.2.
                                van de verordening genoemde eisen;</al></li><li nr="c."><al>het inkomen van het huishouden van aanvrager ligt boven de
                                inkomensgrens;</al></li><li nr="d."><al>de aanvraag is ingediend binnen twee jaar nadat een eerder aan
                                aanvrager of een lid van zijn of haar huishouden verleende
                                urgentieverklaring is ingetrokken met toepassing van artikel 2.4,
                                eerste lid, aanhef en onder a tot en met d, van deze bijlage;</al></li><li nr="e."><al>er is geen sprake van een urgent huisvestingsprobleem;</al></li><li nr="f."><al>het aan de aanvraag ten grondslagliggende huisvestingsprobleem is
                                ontstaan als gevolg van naar het oordeel van het bestuursorgaan
                                verwijtbaar doen of nalaten van aanvrager of een lid van het
                                huishouden voor zover dit verwijtbare doen of nalaten niet langer
                                dan twee jaar voor het indienen van aanvraag plaatsvond;</al></li><li nr="g."><al>het aan de aanvraag ten grondslagliggende huisvestingsprobleem is
                                ontstaan omdat aanvrager of een lid van zijn of haar huishouden geen
                                gebruik heeft gemaakt van een voorliggende voorziening;</al></li><li nr="h."><al>de aanvrager niet woonachtig is binnen de regio.</al></li><li nr="3."><al>Het bestuursorgaan dat bevoegd is te beslissen op een aanvraag om
                                urgentieverklaring weigert vervolgens het aangevraagde indien geen
                                van de in artikel 5.1 tot en met 5.8 van deze Bijlage genoemde
                                urgentiegronden zich voordoet.</al></li><li nr="4."><al>De in het tweede lid, aanhef en onder h, bedoelde weigeringsgrond is
                                niet van toepassing indien dit uit de toepasselijke urgentiegrond
                                voortvloeit.</al></li><li nr="5."><al>Het bestuursorgaan dat bevoegd is te beslissen op een aanvraag om
                                urgentieverklaring kan zich ter voorbereiding van de beslissing op
                                de aanvraag laten adviseren door een ter zake deskundige
                                persoon.</al></li></lijst><al><cursief>Artikel 2.4. Intrekking en wijziging de
                            urgentieverklaring</cursief></al><lijst><li nr="1."><al>Het bestuursorgaan dat de urgentieverklaring heeft verleend, trekt
                                de urgentieverklaring in, indien zich tenminste één van de volgende
                                omstandigheden voordoet:</al><lijst><li nr="a."><al>nadat de houder van de urgentieverklaring gedurende de
                                        eerste fase van de urgentie twee aanbiedingen van
                                        woonruimte, gedaan naar aanleiding van een reactie van de
                                        houder van de urgentieverklaring op via het regionaal
                                        aanbodinstrument aangeboden woonruimte, welke tenminste
                                        voldeden aan het voor de eerste fase geldende kamertal en
                                        woonruimtetype, heeft afgewezen; of,indien na afloop van de
                                        eerste fase van de urgentie is vastgesteld dat de houder van
                                        de urgentieverklaring niet tenminste drie maal gereageerd
                                        heeft op drie verschillende, via het aanbodinstrument
                                        aangeboden woonruimten, welke voldoen aan het voor de eerste
                                        fase geldende kamertal en woonruimtetype en gelegen zijn in
                                        de voorkeurssubregio, genoemd in de urgentieverklaring;</al></li><li nr="b."><al>de houder van de urgentieverklaring heeft gedurende de
                                        tweede fase van de urgentie een via directe aanbieding
                                        aangeboden woonruimte, welke tenminste voldeed aan het voor
                                        de tweede fase geldende woonruimtetype en gelegen was in de
                                        voorkeurssubregio, genoemd in de urgentieverklaring,
                                        afgewezen;</al></li><li nr="c."><al>bij de aanvraag zijn onjuiste of onvolledige gegevens
                                        verstrekt en, indien juiste of volledige gegevens verstrekt
                                        zouden zijn geweest, was er anders op de aanvraag was
                                        besloten;</al></li><li nr="d."><al>de gronden tot toekenning van de urgentieverklaring zijn
                                        thans niet meer aanwezig;</al></li><li nr="e."><al>de houder van de urgentieverklaring verzoekt om intrekking
                                        daarvan;</al></li><li nr="f."><al>bij verhuizing naar een zelfstandige woonruimte tenzij de
                                        houder van de urgentieverklaring binnen dertig dagen na de
                                        verhuizing verzoekt tot handhaving van de urgentieverklaring
                                        en daarbij onderbouwd aangeeft dat het huisvestingsprobleem
                                        niet is opgelost;</al></li><li nr="g."><al>het huisvestingsprobleem dat ten tijde van verlening van de
                                        urgentieverklaring bestond, bestaat niet meer.</al></li></lijst></li></lijst><lijst><li nr="2."><al>Het bestuursorgaan dat de urgentieverklaring heeft verleend, kan
                                besluiten tot wijziging van de urgentieverklaring: </al><lijst><li nr="a."><al>indien bij de aanvraag onjuiste of onvolledige gegevens zijn
                                        verstrekt en er, indien juiste of volledige gegevens waren
                                        verstrekt, anders op de aanvraag was besloten; </al></li><li nr="b."><al>of, indien de omstandigheden die leidden tot toekenning van
                                        de urgentieverklaring zodanig gewijzigd zijn, dat zij nopen
                                        tot wijziging van de urgentieverklaring.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>De urgentieverklaring vervalt bij verhuizing naar een in de eerste
                                of tweede fase aangeboden zelfstandige woonruimte waarmee het aan de
                                urgentie ten grondslagliggende huisvestingsprobleem geacht wordt te
                                zijn opgelost.</al></li><li nr="4."><al>Het bestuursorgaan dat bevoegd is tot intrekking of wijziging van de
                                urgentieverklaring kan zich ter voorbereiding van een beslissing tot
                                wijziging of intrekking laten adviseren door een ter zake deskundig
                                persoon.</al></li></lijst><al><cursief>Artikel 2.5. Hardheidsclausule</cursief></al><lijst><li nr="1."><al>Het bestuursorgaan dat belast is met het beslissen op aanvragen om
                                een urgentieverklaring is, indien strikte toepassing van deze zou
                                leiden tot weigering van een urgentieverklaring, bevoegd om toch een
                                urgentieverklaring toe te kennen indien:</al></li><li nr="a."><al>weigering van een urgentieverklaring leidt tot een schrijnende
                                situatie; en,</al></li><li nr="b."><al>sprake is van bijzondere, bij het vaststellen van de verordening
                                onvoorziene, omstandigheden die gelet op het doel van de verordening
                                redelijkerwijs toch tot een grond voor de verlening van een
                                urgentieverklaring zouden kunnen zijn.</al></li><li nr="2."><al>Het in het eerste lid bedoelde bestuursorgaan registreert de
                                gevallen waarin met toepassing van het in het eerste lid bepaalde
                                een urgentieverklaring wordt verleend. De registratie bevat
                                tenminste de datum waarop de urgentieverklaring wordt verleend en de
                                specifieke omstandigheden van het geval die leiden tot de verlening
                                van de urgentieverklaring. De registraties worden besproken in het
                                in artikel 2.5.2. van de verordening bedoelde overleg.</al></li></lijst><al><cursief>Artikel 2.6. Interbestuurlijk informeren over
                        afhandeling</cursief></al><lijst><li nr="1."><al>Indien de huisvesting van de houder van een urgentieverklaring is
                                overgenomen door een ander college van burgemeester en wethouders
                                dan dat welke de urgentieverklaring heeft verleend, informeert
                                eerstbedoeld college het laatstbedoeld college over de huisvesting
                                van de houder en de eventuele aanwezigheid van gronden tot
                                intrekking of wijziging van de urgentieverklaring.</al></li><li nr="2."><al>Indien de urgentieverklaring is afgegeven door de Stichting
                                Urgentiebepaling Woningzoekenden Rijnmond, informeert het college
                                van burgemeester en wethouders dat de huisvesting van de houder van
                                de urgentieverklaring ter hand heeft genomen de Stichting
                                Urgentiebepaling Woningzoekenden Rijnmond over de huisvesting en de
                                eventuele aanwezigheid van gronden tot intrekking of wijziging van
                                de urgentieverklaring.</al></li></lijst><al><vet>Paragraaf 3. Inhoud van een urgentieverklaring </vet></al><al><cursief>Artikel 3.1. Reikwijdte van deze paragraaf</cursief></al><al>Het bepaalde in deze paragraaf is niet van toepassing op de
                        herhuisvestingsverklaring</al><al><cursief>Artikel 3.2. Onderdelen urgentieverklaring</cursief></al><lijst><li nr="1."><al>De urgentieverklaring bevat een zoekprofiel voor woonruimte.</al></li><li nr="2."><al>Het zoekprofiel voor woonruimte bevat een woonruimtetype en een
                                zoekgebied.</al></li><li nr="3."><al>Het in het zoekprofiel op te nemen zoekgebied omvat de gehele
                                regio.</al></li><li nr="4."><al>De urgentieverklaring bevat naast het zoekgebied een
                                voorkeurssubregio, waar de houder van de urgentieverklaring wil
                                wonen. </al></li><li nr="5."><al>De urgentieverklaring vermeldt in welke bemiddelingsmodellen de
                                urgentieverklaring voorrang geeft</al></li><li nr="6."><al>In afwijking van het bepaalde in het tweede lid kan het in het
                                zoekprofiel op te nemen zoekgebied slechts één regiogemeente
                                omvatten, wanneer dat naar het oordeel van het bestuursorgaan dat de
                                urgentieverklaring verleent noodzakelijk is om het
                                huisvestingsprobleem op te lossen. </al></li></lijst><al><cursief>Artikel 3.3. Het woonruimtetype</cursief></al><lijst><li nr="1."><al>In het zoekprofiel wordt het woonruimtetype opgenomen dat nodig is
                                voor de oplossing van het huisvestingsprobleem.</al></li><li nr="2."><al>Het woonruimtetype bevat in ieder geval de volgende elementen:</al><lijst><li nr="a."><al>het kamertal van de woonruimte, geldig gedurende de eerste
                                        fase van de urgentie,</al></li><li nr="b."><al>het kamertal van de woonruimte, geldig gedurende de tweede
                                        fase van de urgentie en</al></li><li nr="c."><al>de typering van de woonruimte;</al></li><li nr="d."><al>de maximale huurprijs waarbij woonruimte passend wordt
                                        geacht voor het huishoudinkomen van aanvrager.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>De typering van de woonruimte wordt dusdanig gekozen dat de houder
                                met de urgentieverklaring geen wooncarrière kan maken, tenzij het
                                maken van wooncarrière uitsluitend het gevolg is van het afhankelijk
                                zijn van een woonruimtetype dat noodzakelijk is voor het oplossen
                                van het huisvestingsprobleem. Onder wooncarrière wordt verstaan: het
                                verhuizen naar een type woonruimte dat naar de maatstaf van een
                                redelijk handelend woningzoekende als gewilder beschouwd moet
                                worden.</al></li><li nr="4."><al>De typering van de woonruimte wordt dusdanig gekozen dat sprake is
                                van een standaard woonruimtetype. Dit betekent: alle woonruimtetypen
                                met uitzondering van eengezinswoningen, benedenwoningen, woningen
                                bereikbaar met lift. </al></li><li nr="5."><al>Indien de toepasselijke urgentiegrond of de samenstelling van het
                                ingevolge artikel 2.1.1 van de verordening aangewezen deel van de
                                woonruimtevoorraad daartoe naar het oordeel van het college van
                                burgemeester en wethouders dat op de aanvraag om urgentieverklaring
                                beslist aanleiding geeft, kan naast het in het vorige lid bedoelde
                                woonruimtetype een tweede woonruimtetype in het zoekprofiel worden
                                opgenomen. Dit tweede woonruimtetype is alleen van toepassing in de
                                tweede fase van de urgentie en bovendien op woonruimte gelegen in de
                                gemeente van het college van burgemeester en wethouders dat de
                                urgentieverklaring verleend heeft.</al></li></lijst><al><cursief>Artikel 3.4. Kamertal eerste fase en tweede fase</cursief></al><al>1.Het in het woonruimtetype op te nemen kamertal voor de eerste fase van de
                        urgentie wordt bepaald aan de hand van de grootte en samenstelling van het
                        huishouden dat houder is van de urgentieverklaring, overeenkomstig de
                        onderstaande tabel.</al><table><tgroup cols="3"><colspec colname="col1" colwidth="33*"/><colspec colname="col2" colwidth="33*"/><colspec colname="col3" colwidth="33*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al><cursief>Aantal personen dat deel uitmaakt van het
                                                huishouden</cursief></al></entry><entry colname="col2"><al><cursief>Nadere beschrijving van de samenstelling van
                                                het huishouden</cursief></al></entry><entry colname="col3"><al><cursief>Kamertal</cursief></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>1</al></entry><entry colname="col2"><al>-</al></entry><entry colname="col3"><al>1 tot en met 3</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>2</al></entry><entry colname="col2"><al>2 volwassenen</al></entry><entry colname="col3"><al>2 tot en met 3</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>2</al></entry><entry colname="col2"><al>1 ouder* en kind</al></entry><entry colname="col3"><al>3</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>3</al></entry><entry colname="col2"><al>2 ouders* en kind</al></entry><entry colname="col3"><al>3</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>3</al></entry><entry colname="col2"><al>1 ouder* en 2 kinderen</al></entry><entry colname="col3"><al>4</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>4</al></entry><entry colname="col2"><al>2 ouders* en 2 kinderen</al></entry><entry colname="col3"><al>4</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>4</al></entry><entry colname="col2"><al>1 ouder* en 3 kinderen</al></entry><entry colname="col3"><al>4 tot en met 5</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>5</al></entry><entry colname="col2"><al>2 ouders* en 3 kinderen</al></entry><entry colname="col3"><al>4 tot en met 5</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>5</al></entry><entry colname="col2"><al>1 ouder* en 4 kinderen</al></entry><entry colname="col3"><al>5 of meer</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>6 of meer</al></entry><entry colname="col2"><al>-</al></entry><entry colname="col3"><al>5 of meer</al></entry></row><row><entry colname="col1" nameend="col3" namest="col1"><al>* of daaraan, gelet op de zorg van het inwonende kind of
                                            de inwonende kinderen, gelijk te stellen persoon of
                                            personen zoals voogd, pleeg- of stiefouder.</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>2.Het in het woonruimtetype op te nemen kamertal voor de tweede fase van de
                        urgentie wordt bepaald aan de hand van de grootte van het huishouden dat
                        houder is van de urgentieverklaring, overeenkomstig het hieronder
                        bepaalde:</al><lijst><li nr="a."><al>Als kamer wordt aangemerkt: een woonkamer en een slaapkamer.</al></li><li nr="b."><al>Alleen kinderen van gelijk geslacht kunnen een slaapkamer
                                delen.</al></li><li nr="c."><al>Het maximum aantal kinderen per slaapkamer bedraagt in beginsel
                                twee. Hiervan kan worden afgeweken gelet op het te verwachten aanbod
                                van woonruimten.</al></li><li nr="d."><al>Indien een huishouden uit meer dan zeven personen bestaat, bedraagt
                                het kamertal tenminste vijf.</al></li></lijst><al><vet>Paragraaf 4. Zoeken door en bemiddeling van de houder van een
                            urgentieverklaring</vet></al><al><cursief>Artikel 4.1. Reikwijdte van deze paragraaf</cursief></al><al>Het bepaalde in deze paragraaf is niet van toepassing op de
                        herhuisvestingsverklaring.</al><al><cursief>Artikel 4.2. Fasen van de urgentie: start en einde</cursief></al><lijst><li nr="1."><al>De eerste fase van de urgentie begint op het moment dat de
                                urgentieverklaring verleend is en duurt drie maanden.</al></li><li nr="2."><al>De tweede fase van de urgentie begint op het moment dat de eerste
                                fase eindigt.</al></li></lijst><al><cursief>Artikel 4.3. Hoe werken de fasen: zelfzoekperiode en bemiddeling
                            van houders van de urgentieverklaring</cursief></al><lijst><li nr="1."><al>De houder van de urgentieverklaring doet al hetgeen redelijkerwijs
                                van hem gevergd kan worden om het aan de verlening van de
                                urgentieverklaring ten grondslagliggende huisvestingsprobleem op te
                                lossen.</al></li><li nr="2."><al>Gedurende de eerste fase van de urgentie moet de houder van de
                                urgentieverklaring zelf via het aanbodinstrument zoeken naar
                                woonruimte.</al></li><li nr="3."><al>Gedurende de tweede fase dragen de corporaties in gezamenlijkheid
                                verantwoordelijkheid voor het aanbieden van woonruimte aan van de
                                houder van de urgentieverklaring. Hiertoe doen zij de houder één
                                directe aanbieding van een in de voorkeurssubregio, genoemd in de
                                huisvestingsverklaring, gelegen woonruimte, welke past binnen het
                                voor de tweede fase van de urgentie geldende kamertal en
                                woonruimtetype. </al></li><li nr="4."><al>Indien een urgentieverklaring verleend wordt omdat de in artikel 5.7
                                van deze Bijlage bedoelde urgentiegrond zich voordoet en de houder
                                van de urgentieverklaring zorg of nazorg behoeft, kan worden bepaald
                                dat direct na verlening van de urgentieverklaring de tweede fase
                                start. Daarbij kan eveneens worden bepaald dat de houder van de
                                urgentieverklaring niet zelf of via het aanbodinstrument naar
                                woonruimte kan zoeken. </al></li><li nr="5."><al>Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente waartoe
                                de kern waar aanvrager woont behoort, kan bij de verlening van de
                                urgentieverklaring bepalen dat de houder van urgentieverklaring
                                reeds vanaf het begin van de eerste fase van de urgentie een directe
                                aanbieding kunnen krijgen:</al><lijst><li nr="a."><al>de aanvraag van de urgentieverklaring of leden van diens
                                        huishouden in zodanige mate afhankelijk zijn van zorg-,
                                        onderwijs- of dagbestedingsinstellingen binnen die kern dat
                                        redelijkerwijs niet kan worden gevergd dat aanvrager buiten
                                        de huidige woonplaats gaat wonen; en,</al></li><li nr="b."><al>gelet op de samenstelling en mutatiegraad van de
                                        woonruimtevoorraad in die kern redelijkerwijs verwacht moet
                                        worden dat de houder van de urgentieverklaring niet
                                        gedurende de eerste fase van de urgentie zelf woonruimte
                                        overeenkomstig het in de urgentieverklaring voor de eerste
                                        fase op te nemen zoekprofiel zou kunnen vinden.</al></li></lijst></li><li nr="6."><al>Indien het college van burgemeester en wethouders gebruik maakt van
                                de in het vorige lid genoemde bevoegdheid, wordt in het in de
                                urgentieverklaring op te nemen zoekprofiel als zoekgebied opgenomen
                                de gemeente waartoe de in het vorige lid bedoelde kern behoort.</al></li></lijst><al><cursief>Artikel 4.4. Vergunninghouders </cursief></al><lijst><li nr="1."><al>Een vergunninghouder wordt gelijkgesteld met de houder van een
                                urgentieverklaring vanaf het moment waarop de vergunninghouder
                                ingevolge de in artikel 28 van de wet bedoelde taakstelling
                                gehuisvest dient te worden door een regiogemeente tot het moment
                                waarop de vergunninghouder gehuisvest is.</al></li><li nr="2."><al>Gedurende de termijn dat een vergunninghouder ingevolge het eerste
                                lid gelijkgesteld is met de houder van een urgentieverklaring, geldt
                                voor de vergunninghouder als zoekgebied de regiogemeente die de
                                vergunninghouder dient te huisvesten.</al></li></lijst><al><cursief>Artikel 4.5. Bijzonderheden over de voorrang van houders van een
                            urgentieverklaring </cursief></al><al>Bij de verlening van een urgentieverklaring kan worden bepaald dat bij
                        toepassing van bepaalde bemiddelingsmodellen de houder van de
                        urgentieverklaring niet in groep 1 zoals bedoeld in artikel 2.3.6 van de
                        verordening wordt ingedeeld.</al><al><vet>Paragraaf 5. De urgentiegronden</vet></al><al><cursief>Artikel 5.1. Medische noodzaak</cursief></al><al>De in de titel van dit artikel bedoelde urgentiegrond doet zich voor als de
                        aanvrager of een lid van zijn of haar huishouden:</al><lijst><li nr="a."><al>bewoont thans rechtmatig zelfstandige woonruimte; en,</al></li><li nr="b."><al>heeft medische problemen, welke tot gevolg hebben dat de huidige
                                zelfstandige woonruimte in ernstige mate duurzaam ongeschikt is voor
                                bewoning door het huishouden van aanvrager.</al></li></lijst><al><cursief>Artikel 5.2. Onbewoonbaarheid </cursief></al><al>De in de titel van dit artikel bedoelde urgentiegrond doet zich voor als de
                        aanvrager:</al><lijst><li nr="a."><al>bewoonde direct voorafgaand aan het onbewoonbaar worden van die
                                woonruimte rechtmatig zelfstandige woonruimte ; en</al></li><li nr="b."><al>zijn woonruimte feitelijk onbewoonbaar is, hetgeen blijkt uit een
                                verklaring van het bestuursorgaan dat toeziet op de naleving van
                                publiekrechtelijke bouwregelgeving, dan wel ten gevolge van een
                                calamiteit acuut feitelijk onbewoonbaar is geworden en
                                redelijkerwijs niet binnen drie maanden te herstellen is.</al></li></lijst><al><cursief>Artikel 5.3. Woonlasten</cursief></al><lijst><li nr="1."><al> De in de titel van dit artikel bedoelde urgentiegrond doet zich
                                voor als de aanvrager thans rechtmatig zelfstandige woonruimte
                                bewoont en één of meerdere van de volgende omstandigheden zich
                                voordoen:</al></li><li nr="a."><al>aanvrager heeft door het bestuursorgaan dat de Participatiewet
                                uitvoert in het kader van die wet in verband met de woonlasten een
                                verhuisverplichting opgelegd gekregen welke thans nog van kracht
                                is;</al></li><li nr="b."><al>de woonlasten zijn onevenredig hoog in relatie tot het
                                huishoudinkomen of de andere mogelijkheden van het huishouden om in
                                die lasten te voorzien.</al></li><li nr="2."><al>Indien de in het eerste lid, aanhef en onder b, genoemde
                                omstandigheid het gevolg is van echtscheiding of beëindiging
                                samenwoning, of deze situatie dreigt te ontstaan als gevolg van
                                voorgenomen echtscheiding of beëindiging samenwoning, kan een
                                urgentieverklaring op deze grond slechts worden verstrekt aan één
                                van beide partners, op voorwaarde dat tot zijn of haar huishouding
                                na de echtscheiding of de beëindiging samenwoning één of meer
                                minderjarige kinderen behoren. De (voorgenomen) echtscheiding of
                                beëindiging samenwoning moet ten genoegen van het in het eerste lid
                                bedoelde bestuursorgaan met officiële bewijsstukken worden
                                aangetoond.</al></li><li nr="3."><al>Onder woonlasten als bedoeld in het eerste lid wordt verstaan alle
                                kosten die het bewonen van woonruimte met zich meebrengt en die naar
                                het oordeel van het bestuursorgaan direct te koppelen zijn aan het
                                in eigendom hebben van woonruimte dan wel het huren van
                                woonruimte.</al></li></lijst><al><cursief>Artikel 5.4. Geweld en bedreiging</cursief></al><lijst><li nr="1."><al>De in de titel van dit artikel bedoelde urgentiegrond doet zich voor
                                als aanvrager of een lid van zijn of haar huishouden:</al></li><li nr="a."><al>bewoont thans rechtmatig een zelfstandige woonruimte binnen de
                                regio; en,</al></li><li nr="b."><al>er is sprake van ernstig psychisch geweld of fysiek geweld, of
                                bedreiging daarmee, wat tot gevolg heeft dat de aanvrager
                                redelijkerwijs niet langer in zijn of haar huidige woonruimte kan
                                blijven wonen.</al></li><li nr="2."><al>Het in het eerste lid, aanhef onder b, bedoelde geweld of de in het
                                eerste lid, aanhef onder b, bedoelde bedreiging daarmee moet zich
                                hebben voorgedaan binnen de regio.</al></li><li nr="3."><al>Het in het eerste lid, aanhef en onder b bedoelde geweld of de in
                                het eerste lid, aanhef en onder b bedoelde bedreiging daarmee moet
                                aannemelijk gemaakt worden met een schriftelijke verklaring van de
                                politie waaruit blijkt dat de aanvrager vanwege veiligheidsredenen
                                niet meer in de huidige zelfstandige woonruimte kan blijven
                                wonen.</al></li></lijst><al><cursief>Artikel 5.5. Uitstroom uit voorziening voor tijdelijke opvang van
                            personen die in verband met problemen van relationele aard of geweld hun
                            woonruimte hebben verlaten</cursief></al><al>De in de titel van dit artikel bedoelde urgentiegrond doet zich voor als de
                        aanvrager:</al><lijst><li nr="a."><al>verblijft in een voorziening voor tijdelijke opvang van personen die
                                in verband met problemen van relationele aard of geweld hun
                                woonruimte hebben verlaten; en,</al></li><li nr="b."><al>in verband met de aanstaande uitstroom uit die voorziening dringend
                                behoefte heeft aan woonruimte en daarbij heeft aangegeven woonruimte
                                te zoeken binnen een regiogemeente.</al></li></lijst><al><cursief>Artikel 5.6. Mantelzorg</cursief></al><lijst><li nr="1."><al>De in de titel van dit artikel bedoelde urgentiegrond doet zich voor
                                als de aanvrager;</al><lijst><li nr="a."><al>naar het oordeel van het bestuursorgaan dringend behoefte
                                        heeft aan woonruimte binnen de regio omdat hij of een lid
                                        van zijn huishouden mantelzorg ontvangt van of verleent aan
                                        een inwoner van de regio; of,</al></li><li nr="b."><al>naar het oordeel van het bestuursorgaan dringend behoefte
                                        heeft aan woonruimte binnen de regio omdat hij of een lid
                                        van zijn huishouden duurzaam afhankelijk is van directe zorg
                                        geboden door een instelling. </al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Bij zijn beoordeling of sprake is van een dringende behoefte als
                                bedoeld in het vorige lid, betrekt het bestuursorgaan de mate waarin
                                de mantelzorg of de door de instelling geboden zorg noodzakelijk is
                                voor het duurzaam zelfstandig of in diens huishouden laten wonen van
                                de ontvanger van de mantelzorg of zorg.</al></li></lijst><al><cursief>Artikel 5.7. Doorstroming vanuit opvanginstellingen</cursief></al><lijst><li nr="1."><al>De in de titel van dit artikel bedoelde urgentiegrond doet zich voor
                                indien:</al><lijst><li nr="a."><al>aanvrager een door een instelling verzorgd traject doorloopt of
                                heeft doorlopen dat naar het oordeel van het bestuursorgaan in
                                voldoende mate gericht is op re-integratie in de eigen of nieuwe
                                sociale omgeving van aanvrager; en,</al></li><li nr="b."><al>aanvrager direct voorafgaand aan het traject een aansluitend
                                woonverleden heeft in een gemeente binnen de regio; en,</al></li><li nr="c."><al>er sprake was van zelfstandige woonruimte die door of tijdens de
                                problematiek die leidde tot het traject verloren is gegaan of
                                terugkeer naar het laatste (in)woonadres op basis van een indicatie
                                niet mogelijk is.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>In afwijking van het bepaalde in het eerste lid, aanhef en onder b,
                                kan een aanvrager met aansluitend woonverleden in een gemeente
                                buiten de regio ook voor een urgentieverklaring in aanmerking komen
                                indien:</al><lijst><li nr="a."><al>het door de instelling verzorgde traject binnen de regio doorlopen
                                is; en,</al></li><li nr="b."><al>terugkeer naar de desbetreffende gemeente buiten de regio op grond
                                van een indicatie niet mogelijk is; en,</al></li><li nr="c."><al>aan de overige voorwaarden genoemd in het eerste lid is
                                voldaan.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Het in het eerste en tweede lid bedoelde traject:</al><lijst><li nr="a."><al>is afgerond en er is geen zorg of nazorg nodig. Aanvrager is in dit
                                geval in staat zelfstandig een huishouden te voeren; of,</al></li><li nr="b."><al>bestaat uit het verlenen van zorg of nazorg. Aanvrager is in dit
                                geval wel in staat zelfstandig een huishouden te voeren, maar met
                                begeleiding.</al></li></lijst></li><li nr="4."><al>De in het eerste en tweede lid bedoelde instelling stelt een
                                rapportage op waarin een beschrijving wordt gegeven van het
                                doorlopen of door te lopen traject en, voor zover de zorg of nazorg
                                nog voortduurt, waaruit blijkt waaruit de te verlenen zorg of nazorg
                                bestaat. Het bestuursorgaan kent bij zijn beslissing op de aanvraag
                                om urgentieverklaring zwaarwegend gewicht toe aan de
                                rapportage.</al></li><li nr="5."><al>De indicatie als bedoeld in het eerste en tweede lid wordt afgegeven
                                door de in het eerste of tweede lid bedoelde instelling of door een
                                adviseur als bedoeld in artikel 2.4, vierde lid, van deze
                                Bijlage..</al></li></lijst><al><cursief>Artikel 5.8. Herhuisvesting in verband met sloop of ingrijpende
                            verbetering</cursief></al><al>De in de titel van dit artikel bedoelde urgentiegrond doet zich voor indien
                        het huisvestingsprobleem van aanvrager wordt veroorzaakt door de aanstaande
                        sloop of ingrijpende renovatie van de huidige woonruimte van aanvrager of de
                        aanstaande herstructurering van het gebied waarin deze woonruimte is
                        gelegen, waardoor aanvrager redelijkerwijs niet meer in diens woonruimte kan
                        blijven wonen indien aannemelijk is dat de sloop of ingrijpende renovatie
                        binnen 18 maanden zal plaatsvinden.</al><al><vet>Paragraaf 6. De herhuisvestingsverklaring</vet></al><al><cursief>Artikel 6.1. Reikwijdte van deze paragraaf</cursief></al><al>Het bepaalde in deze paragraaf is uitsluitend van toepassing op de
                        herhuisvestingsverklaring.</al><al><cursief>Artikel 6.2. Inhoud van de herhuisvestingsverklaring</cursief></al><lijst><li nr="1."><al>De herhuisvestingsverklaring bevat een zoekprofiel voor
                                woonruimte.</al></li><li nr="2."><al>Het zoekprofiel voor woonruimte bevat een woonruimtetype dat
                                gelijkwaardig is aan dat van de huidige woning van aanvrager.</al></li><li nr="3."><al>Het zoekprofiel bevat een zoekgebied. Het in het zoekprofiel op te
                                nemen zoekgebied omvat de gehele regio.</al></li><li nr="4."><al>De herhuisvestingsverklaring vermeldt in welke bemiddelingsmodellen
                                de urgentieverklaring voorrang geeft.</al></li><li nr="5."><al>De herhuisvestingsverklaring vermeldt de uitverhuisperiode.</al></li></lijst><al><cursief>Artikel 6.3. Fasen van de urgentie in geval van een
                            herhuisvestingsverklaring</cursief></al><lijst><li nr="1."><al>De eerste fase van de urgentie begint op het moment waarop de
                                urgentieverklaring is verleend en eindigt als de helft van de
                                uitverhuisperiode is verstreken.</al></li><li nr="2."><al>De tweede fase van de urgentie begint als de eerste fase eindigt en
                                eindigt als een derde deel van de uitverhuisperiode resteert.</al></li><li nr="3."><al>De derde fase van de urgentie begint als de tweede fase eindigt en
                                eindigt als een zesde deel van de uitverhuisperiode resteert.</al></li></lijst><al><cursief>Artikel 6.4. Zoeken door en bemiddelen van houders van een
                            herhuisvestingsverklaring</cursief></al><lijst><li nr="1."><al>De houder van een herhuisvestingsverklaring zoekt zelf via het
                                aanbodinstrument naar woonruimte. De houder van de
                                urgentieverklaring reageert daarbij op aangeboden woonruimte die
                                voldoet aan het in zijn herhuisvestingsverklaring opgenomen
                                zoekprofiel.</al></li><li nr="2."><al>Zodra de tweede fase van de urgentie is aangevangen, doet een
                                corporatie de houder van de herhuisvestingsverklaring een aanbod. De
                                aangeboden woonruimte voldoet aan het in de
                                herhuisvestingsverklaring opgenomen zoekprofiel.</al></li></lijst><al><vet>Bijlage II: Subregio's</vet></al><al><cursief>Artikel 1.</cursief></al><al>De regio heeft zes subregio's.</al><al><cursief>Artikel 2.</cursief></al><lijst><li nr="1."><al>De subregio Waterweg bestaat uit de gemeenten Maassluis, Schiedam,
                                Vlaardingen en het gebied dat samenvalt met de voormalige
                                Rotterdamse deelgemeenten Hoek van Holland en Delfshaven. </al></li><li nr="2."><al>De subregio Noord bestaat uit de gemeente Lansingerland en het
                                gebied dat samenvalt met de voormalige Rotterdamse deelgemeenten
                                Overschie en Hilligersberg-Schiebroek. </al></li><li nr="3."><al>De subregio Oost bestaat uit de gemeenten Capelle aan den IJssel,
                                Krimpen aan den IJssel en het gebied dat samenvalt met de voormalige
                                Rotterdamse deelgemeente Alexander. </al></li><li nr="4."><al>De subregio Zuidrand bestaat uit de gemeenten Barendrecht,
                                Albrandswaard, Ridderkerk en het gebied dat samenvalt met de
                                voormalige Rotterdamse deelgemeenten Charlois, Feijenoord, Hoogvliet
                                en IJsselmonde. </al></li><li nr="5."><al>De subregio Voorne-Putten Rozenburg bestaat uit de gemeenten
                                Westvoorne, Brielle, Hellevoetsluis, Nissewaard en het gebied dat
                                samenvalt met de voormalige Rotterdamse deelgemeente Rozenburg.
                            </al></li><li nr="6."><al>De subregio Hart van Rotterdam bestaat uit die delen van de gemeente
                                Rotterdam die geen onderdeel zijn van een andere subregio.</al></li></lijst></bijlage></regeling></body></cvdr>