<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR37201_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening voor periodiek onderzoek door het college naar de doelmatigheid en doeltreffendheid van het door het college gevoerde bestuur van de gemeente Korendijk</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Korendijk</dcterms:creator><dcterms:modified>2019-03-19</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Korendijk</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Gemeenteblad, 2008,02</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening onderzoeken doelmatigheid en doeltreffendheid van de gemeente Korendijk 2008</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Gemeentewet, art. 213a</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>bestuur en recht</dcterms:subject><dcterms:issued>2008-04-22</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2008-06-06</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:terugwerkendekrachtDatum>2008-01-01</overheidrg:terugwerkendekrachtDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2019-03-29</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Onbekend</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>2008/10</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>bestuur en recht</overheidrg:onderwerp><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening voor periodiek onderzoek door het college naar de doelmatigheid en doeltreffendheid van het door het college gevoerde bestuur van de gemeente Korendijk</intitule><regeling><aanhef><preambule><al><vet><onderstreept>RAADSVOORSTEL</onderstreept></vet></al><al>22 april 2008 2008/10 9.5</al><al><vet>Datum:</vet> 19 februari 2008 <vet>Verzonden:</vet> 10 april 2008</al><al>Aan de gemeenteraad.</al><al><vet>Onderwerp:</vet></al><al>Actualisering Verordening onderzoeken doelmatigheid en doeltreffendheid ex
                        artikel 213a Gemeentewet</al><al>Eind 2003 is de nu geldende Verordening onderzoeken doelmatigheid en
                        doeltreffendheid van de gemeente Korendijk vastgesteld. Met deze verordening
                        stelt de raad op hoofdlijnen de regels vast voor de wijze waarop het college
                        periodiek onderzoek verricht naar de doelmatigheid en de doeltreffendheid
                        van het door het college gevoerde bestuur. </al><al>In het nu voorliggende concept zijn de volgende aanpassingen verwerkt:</al><lijst><li nr="-"><al>In artikel 2 is de bepaling dat ieder gemeentelijk onderdeel
                                minimaal eens in de acht jaar aan een toets wordt onderworpen,
                                geschrapt. Periodieke heroverweging van taken/ producten bij
                                begrotingsbehandelingen en ambtelijke reorganisaties hebben de in de
                                verordening opgenomen termijn van 8 jaar achterhaald. Daarmee is het
                                noemen van een dergelijke termijn overbodig gebleken.</al></li><li nr="-"><al>De bepaling dat er jaarlijks minimaal 2 onderzoeken plaatsvinden
                                naar de doeltreffendheid van programma’s dan wel paragrafen is
                                aangepast. Gelet op de toegenomen interne controle op basis van het
                                interne controleplan kan worden volstaan met een lagere frequentie
                                en een lager aantal onderzoeken. Gemiddeld kan worden volstaan met 1
                                onderzoek per jaar. Indien mogelijk wordt in dit onderzoek dan zowel
                                de doelmatigheid als doeltreffendheid beoordeeld.</al></li><li nr="-"><al>In artikel 3 is nu opgenomen dat het college jaarlijks een
                                onderzoeksplan aan de raad toezendt. Dit was eerst 1 november
                                voorafgaand aan het jaar waarin de controles plaatsvinden, maar door
                                het vereiste besluitvormingsproces in relatie tot het vergaderschema
                                van de raad, blijkt deze datum niet altijd haalbaar.</al></li><li nr="-"><al>In de nieuwe programmabegroting 2008 zijn maatschappelijke effecten
                                en doelstellingen omschreven. Mocht uit de uitkomsten van een
                                onderzoek blijken dat bijstelling van deze effecten c.q.
                                doelstellingen nodig is, dan kan het college op grond van het nieuwe
                                3<sup>e</sup> lid van artikel 5 hiertoe een voorstel aan de raad
                                doen.</al></li></lijst><al>De conceptverordening is 4 februari 2008 behandeld in de auditcommissie en
                        gaf geen aanleiding tot het maken van op- of aanmerkingen.</al><al>Wij stellen u voor te besluiten overeenkomstig het hierna onder opgenomen
                        ontwerpbesluit.</al><al>Hoogachtend,</al><al>Burgemeester en wethouders van Korendijk,</al><al>de secretaris, de burgemeester,</al><al>A.M. Weststrate R.W.J. Melissant-Briene</al><al><vet>Nummer: </vet> 2008/10</al><al>De raad der Gemeente Korendijk;</al><al>Gezien het voorstel van het college van burgemeester en wethouders d.d. 19
                        februari 2008 inzake de actualisering Verordening onderzoeken doelmatigheid
                        en doeltreffendheid ex artikel 213a Gemeentewet;</al><al>gelet op artikel 213 a Gemeentewet,</al><al><vet>besluit:</vet></al><al>vast te stellen:</al><al>Verordening voor periodiek onderzoek door het college naar de doelmatigheid
                        en doeltreffendheid van het door het college gevoerde bestuur, van de
                        gemeente Korendijk</al><al/><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Definities</titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><al>a.<cursief>Doelmatigheid</cursief></al><al>De mate waarin de gewenste prestaties en beoogde maatschappelijke effecten
                        worden gerealiseerd met een zo beperkt mogelijke inzet van middelen, of met
                        de beschikbare middelen zo veel mogelijk resultaat wordt bereikt.</al><al>b.<cursief>Doeltreffendheid</cursief></al><al>De mate waarin de gewenste prestaties en beoogde maatschappelijke
                        effecten van het beleid daadwerkelijk worden behaald.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Onderzoeksfrequentie</titel></kop><al>Het college verricht gedurende de collegeperiode een viertal onderzoeken op
                        de doelmatigheid dan wel doeltreffendheid van één of meerdere onderdelen of
                        taken van de gemeente. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Onderzoeksplan</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college zendt uiterlijk in het vierde kwartaal een onderzoeksplan
                            naar de raad voor de in het er op volgende jaar te verrichten interne
                            onderzoeken naar de doelmatigheid en de doeltreffendheid. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In het onderzoeksplan wordt per intern onderzoek globaal
                            aangegeven:</al><lijst><li nr="a."><al>het object van onderzoek</al></li><li nr="b."><al>de reikwijdte van het onderzoek</al></li><li nr="c."><al>de onderzoeksmethode</al></li><li nr="d."><al>doorlooptijd van het onderzoek</al></li><li nr="e."><al>de wijze van uitvoering</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In het jaarplan wordt aangegeven welke budgetten in de begroting zijn
                            opgenomen voor de uitvoering van de onderzoeken.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Voortgang onderzoeken</titel></kop><al>Het college rapporteert in de bedrijfsvoeringparagraaf van de begroting en
                        jaarstukken over de voortgang van de onderzoeken naar de doelmatigheid en
                        doeltreffendheid en de uitputting van bijbehorende budgetten.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Rapportage en gevolgtrekking</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De uitkomsten van een onderzoek worden vastgelegd in een rapportage.
                            Elke rapportage bevat tenminste een analyse van de onderzoeksresultaten
                            en indien nodig aanbevelingen voor verbeteringen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Op basis van de resultaten van ieder onderzoek stelt het college indien
                            nodig een plan van verbetering op. De rapportage en het plan van
                            verbetering worden ter kennisgeving aan de raad aangeboden. Het college
                            neemt op basis van het plan van verbetering organisatorische
                            maatregelen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien het onderzoek aanleiding geeft tot het bijstellen van of
                            herformuleren van doelstellingen en/of maatschappelijke effecten in enig
                            programma, doet het college hiertoe een voorstel aan de raad
                            gelijktijdig met het aanbieden van de rapportage als bedoeld in lid
                            1.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Deze verordening treedt in werking met ingang van 23 april 2008.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De verordening heeft terugwerkende kracht tot en met 1 januari
                            2008.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening kan worden aangehaald als: "Verordening onderzoeken
                        doelmatigheid en doeltreffendheid van de gemeente Korendijk 2008".</al></artikel></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus besloten in de openbare vergadering van de raad van de gemeente
                        Korendijk </ondertekening><ondertekening>d.d. 22 april 2008</ondertekening><ondertekening>de griffier, de voorzitter,</ondertekening><ondertekening>A.van Walsum-Goslings R.W.J. Melissant-Briene</ondertekening><ondertekening/><ondertekening/></regeling-sluiting><nota-toelichting><tussenkop>Toelichting op de modelverordening artikel 213 a GW </tussenkop><tussenkop>Algemeen</tussenkop><al>Artikel 213a Gemeentewet (zie onderstaande tekst) verplicht tot periodiek
                    onderzoek naar de doelmatigheid en doeltreffendheid van het door het college
                    gevoerde bestuur. Anders dan het onderzoek door de rekenkamer gaat het hierbij
                    om een zelfonderzoek. Toetsing op doelmatigheid en doeltreffendheid van het
                    gemeentelijk beleid is van groot belang voor de algemene oordeelsvorming over
                    het gevoerde beleid. Met de instelling van de onderzoeken wordt beoogd de
                    transparantie van gemeentelijk handelen te vergroten, en daardoor doelmatiger en
                    doeltreffender te werken en de publieke verantwoording daarover te versterken.
                    Alle zaken die voor een doelmatig en doeltreffend bestuur van belang zijn kunnen
                    daarbij aan de orde komen.</al><tussenkop>Artikel 213 a Gemeentewet</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>Het college verricht periodiek onderzoek naar de doelmatigheid en de
                            doeltreffendheid van het door hem gevoerde bestuur. De raad stelt bij
                            verordening regels hierover.</al></li><li nr="2."><al>Het college brengt schriftelijk verslag uit aan de raad van de
                            resultaten van de onderzoeken.</al></li><li nr="3."><al>Het college stelt de rekenkamer of, indien geen rekenkamer is ingesteld,
                            personen die de rekenkamerfunctie uitoefenen, tijdig op de hoogte van de
                            onderzoeken die hij doet instellen en zendt (hem) haar,
                            onderscheidenlijk hen, een afschrift van een verslag als bedoeld in het
                            tweede lid.</al></li></lijst><tussenkop>Periodiek onderzoek</tussenkop><al>Het college moet periodiek toetsen of bij de uitvoering van het gemeentelijk
                    beleid - bijvoorbeeld op het gebied van milieu, leefbaarheid, openbaar vervoer
                    en huisvesting - wordt voldaan aan de eisen van doelmatig en doeltreffend
                    bestuur. Ook dient het college periodiek te onderzoeken of de inrichting van de
                    gemeentelijke organisatie (in brede zin, de personeelsformatie, de
                    informatievoorziening, de administratieve organisatie) en het gemeentelijk
                    middelenbeheer aan de gestelde eisen voldoet. Het interne functioneren van
                    derden die betrokken zijn bij de uitvoering van het gemeentelijk beleid
                    (bijvoorbeeld een gemeenschappelijke regeling of een privaatrechtelijke
                    rechtspersoon waarin de gemeente deelneemt, of een gesubsidieerde instelling of
                    opdrachtnemer die taken uitoefent) valt niet onder de reikwijdte van artikel
                    213a Gemeentewet; wél kan vanuit het oogpunt van de gemeente in het kader van
                    artikel 213a de vraag aan de orde zijn of de gekozen wijze van taakuitoefening
                    doeltreffend en doelmatig is.</al><al>Het is in de nieuwe Gemeentewet de verantwoordelijkheid van de raad om regels te
                    stellen die waarborgen dat deze onderzoeksverplichting op een zinvolle wijze
                    wordt ingevuld.</al><tussenkop>Relatie met rekenkamercommissie Hoeksche
                    Waard</tussenkop><al>Het verkrijgen van inzicht in de doelmatigheid en doeltreffendheid vereist
                    voortdurend informatie en aandacht. Om onderzoek naar een doelmatig en
                    doeltreffend beheer mogelijk te maken, dient het college een aantal
                    (organisatorische) maatregelen te treffen.</al><al>De controle op en de evaluatie van de doelmatigheid en doeltreffendheid van het
                    beleid en het beheer geschieden dus primair door de raad en het college zelf.
                    Daarnaast doet de rekenkamercommissie onderzoek naar de doelmatigheid en
                    doeltreffendheid van het beleid en het beheer. De rekenkamer kan op grond van
                    het gestelde in artikel 213a Gemeentewet gebruik maken van de resultaten van de
                    onderzoeken van het college. Ook kan de rekenkamer zonodig een tweede oordeel
                    geven, als ze van mening is dat over een bepaald onderwerp een onafhankelijk
                    oordeel moet worden gegeven.</al><tussenkop>Regels voor periodiek onderzoek</tussenkop><al>Het college is verplicht de onderzoeken te verrichten en hiervan verslag uit te
                    brengen. De rol van de raad bij deze onderzoeken is een kaderstellende. De
                    verordening die de raad vaststelt, conform artikel 213a Gemeentewet, bevat deze
                    kaders. De raad bepaalt de regels in deze verordening, waaraan het college op
                    hoofdlijnen moet voldoen. De raad stelt ook vast hoe hij bij de onderzoeken
                    betrokken wordt en daarover geïnformeerd wordt. </al><tussenkop>Toelichting op de artikelen</tussenkop><tussenkop>Artikel 2 Onderzoeksfrequentie</tussenkop><al>In artikel 2 wordt het college opgedragen onderzoek te doen naar de
                    doelmatigheid en de doeltreffendheid van het gevoerde bestuur. De raad eist een
                    minimaal aantal uit te voeren interne onderzoeken van het college. Hierbij wordt
                    een scheiding aangebracht tussen onderzoeken naar de doelmatigheid en
                    onderzoeken naar de doeltreffendheid.</al><al>Gelet op de omvang van onze gemeente en de verdere inrichting van de interne
                    controle die vanaf 2008 plaatsvindt, stellen wij de raad voor het aantal
                    onderzoeken te beperken tot gemiddeld één per jaar waarbij dan wel een
                    combinatie plaatsvindt van zowel de doelmatigheidsaspecten als
                    doeltreffendheidaspecten van een gekozen onderwerp.</al><al>De onderzoeken naar de doelmatigheid betreffen onderzoeken naar de uitvoering
                    van het beleid en het beheer van middelen. De uitvoering wordt gedaan door ten
                    eerste de gemeentelijke organisatie, zodat deze onderzoeken zich ten eerste
                    richten op de organisatie-eenheden van de gemeente. Een tweede ingang voor de
                    doelmatigheidsonderzoeken is de procesgang. Hiervoor kan men kijken naar de
                    gemeentelijke taken. Het voordeel hiervan is dat ook de doelmatigheid van de
                    uitvoering van gemeentelijk beleid en het beheer van middelen door derden wordt
                    onderzocht.</al><al>De onderzoeken naar de doeltreffendheid vinden plaats op basis van het in de
                    programma's of paragrafen van de begroting geformuleerde beleid. Dit beleid kan
                    gehele begrotingsprogramma's omvatten of delen daarvan. Ook kan het paragrafen
                    van de begroting en jaarstukken of delen daarvan omvatten.</al><al>De onderwerpen van het onderzoek moeten zoveel mogelijk aansluiten op de dan
                    geldende actualiteit bijvoorbeeld aan de hand van actuele bevindingen van de
                    accountant of interne controle dan wel bestuurlijke relevantie</al><tussenkop>Artikel 3 Onderzoeksplan</tussenkop><al>De beslissing wat te onderzoeken is aan het college. Vanzelfsprekend zal de raad
                    willen weten wat de plannen zijn, en ook gelegenheid willen hebben om deze te
                    bespreken en als hij dat nodig acht invloed uit te oefenen. Hierin voorziet het
                    onderzoeksplan. </al><al>Het onderzoeksplan moet een volledig beeld geven van de voorgenomen onderzoeken,
                    zij het uiteraard nog globaal.</al><al>De onderzoeken in het onderzoeksplan worden per onderzoek uitgewerkt. Het
                    onderzoeksplan wordt aangeboden aan de raad, en de raad kan het ter bespreking
                    agenderen, maar het wordt door het college vastgesteld. In de verordening kan
                    worden aangegeven wat in een onderzoeksplan in ieder geval moet worden
                    opgenomen. De onderwerpen genoemd in het tweede lid kunnen als volgt worden
                    toegelicht:</al><lijst><li nr="a."><al>Het object van een onderzoek wordt dusdanig omschreven dat duidelijk
                            aangegeven is wat de afbakening van het onderzoek is. Daarbij worden bij
                            de doelmatigheidsonderzoeken duidelijk de scheidslijnen aangegeven ten
                            aanzien van de te onderzoeken procedures en instrumenten. Bij de
                            doeltreffendheidonderzoeken worden duidelijk de scheidslijnen met andere
                            beleidsvelden aangegeven.</al></li><li nr="b."><al>De reikwijdte van ieder onderzoek strekt zich in beginsel uit over alle
                            organen (raad, college), organisatie-eenheden en instellingen waarvoor
                            de gemeente bestuurlijk verantwoordelijk is of waarvan de activiteiten
                            geheel of in belangrijke mate door de gemeente worden bekostigd. De
                            reikwijdte kan in het onderzoeksplan worden ingeperkt door het aangeven
                            van het te onderzoeken tijdsvak en de te onderzoeken organen,
                            organisatie-eenheden en instellingen. De reikwijdte van onderzoeken moet
                            van te voren duidelijk worden aangegeven. Aangegeven moet worden welk
                            tijdvak wordt onderzocht en welke organisatie-eenheden en niet
                            gemeentelijke instellingen bij het onderzoek worden betrokken.</al></li><li nr="c."><al> Hier wordt aangegeven welke methoden gebruikt zullen worden
                            (benchmarking, enquête, enzovoorts).</al></li><li nr="d."><al>Een inschatting van de duur van het onderzoek, eventueel onderverdeeld
                            in fasen.</al></li><li nr="e."><al>Onderzoeken kunnen in opdracht van het college worden uitgevoerd door
                            het ambtelijke apparaat (al of niet met inbreng van deskundigheid van
                            derden) of door derden. Indien de ambtelijke organisatie de onderzoeken
                            uitvoert zullen in de onderzoeksopzet waarborgen dienen te worden
                            ingebouwd, waarmee de onafhankelijkheid van de analyse en/of adviezen
                            ter verbeteringen worden gegarandeerd. Dat betekent dat van het
                            onderzoek wel mag worden uitgevoerd door functionarissen die in hun
                            dagelijks werk betrokken zijn bij het onderzoeksobject. De analyse en de
                            aanbevelingen tot verbetering echter moeten zoveel als mogelijk
                            onafhankelijk tot stand komen en uitgevoerd worden door functionarissen
                            die niet in hun dagelijks werk betrokken zijn bij het
                            onderzoeksobject.</al></li></lijst><tussenkop>Artikel 4 Voortgang onderzoek </tussenkop><al>De bedrijfsvoeringparagraaf van de begroting en jaarstukken dient inzicht te
                    geven in de stand van zaken en de beleidsvoornemens betreffende de
                    bedrijfsvoering. Daarbij dient een relatie te worden gelegd met de inhoud van de
                    programma's van de begroting en jaarstukken. Het ligt voor de hand om in deze
                    paragaaf eveneens te rapporteren over de stand van zaken bij de interne
                    onderzoeken naar de doelmatigheid en doeltreffendheid van het gevoerde
                    bestuur.</al><tussenkop>Artikel 5 Rapportage en gevolgtrekking</tussenkop><al>Met de instelling van de onderzoeken beoogt de gemeente de transparantie van
                    gemeentelijk handelen te vergroten en de publieke verantwoording daarover te
                    versterken. De bevindingen van de onderzoeken worden dan ook neergelegd in
                    rapporten voor de raad, zoals voorgeschreven in artikel 213a, tweede lid, van de
                    Gemeentewet. De rapporten dienen volgens artikel 197 tweede lid van de
                    Gemeentewet te worden gevoegd bij de jaarrekening en het jaarverslag. Dat
                    betreft uiteraard de verslagen die lopende het verslagjaar zijn afgerond. Dat
                    sluit echter niet uit dat de raad, als hij dat wenst, de rapporten ontvangt
                    zodra ze zijn vastgesteld.</al><al>Systematische aandacht voor doelmatigheid en doeltreffendheid impliceert ook het
                    doel om te leren, om te denken over en te streven naar verbetering, daarom is in
                    deze modelverordening opgenomen dat evaluatie en aanbevelingen voor verbetering
                    onderdeel zijn van de rapportage, en dat zo nodig door middel van een plan van
                    verbetering het vervolgtraject moet worden ingezet. De bedrijfsvoering is een
                    zaak van het college. Het is dan ook het college dat maatregelen moet nemen tot
                    verbetering. Het college moet een plan van verbetering opstellen en uitvoeren.
                    Het plan van verbetering wordt uiteraard ook ter kennisgeving aan de raad
                    gestuurd.</al><tussenkop>Artikel 7 Citeertitel</tussenkop><al>In dit artikel wordt de naam gegeven waarmee in gemeentelijke stukken naar deze
                    verordening kan worden verwezen.</al><al/><al>De nieuwe verordening 213a Gemeentewet moet binnen twee weken na vaststelling
                    door het college naar gedeputeerde staten worden verzonden (artikel 214
                    Gemeentewet).</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>