<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR371941_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Re-integratieverordening Participatiewet gemeente Marum 2015</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Marum</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-12-28</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Marum</dcterms:spatial><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Marum</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">AchtDorpenNieuws 9 julie en digitaal gemeenteblad van 13 juli 2015</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Re-integratieverordening gemeente Marum 2015</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Participatiewet, art 8a, lid 1</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet IOAW, art. 36</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet IOAZ, art. 36</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Participatiewet, art. 8a, lid 1, aanhef en onder a, c, d en e en tweede lid, en artikel 10b vierde lid</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2015-07-01</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2015-07-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2017-11-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Wijziging als gevolg van de inwerkingtreding Participatiewet als opvolger van de Wet Werk en Bijstand.</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>15.05.13</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen.</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Deze regeling vervangt de Re-integratieverordening WWB, IOAW en IOAZ, vastgesteld op 3 november 2008.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Re-integratieverordening Participatiewet gemeente Marum 2015</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>Nr. 13-2</al><al/><al>De raad van de gemeente Marum;</al><al/><al>gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 18 juni 2015, nr.
                        15.05.13.;</al><al/><al>gezien het advies van de gezamenlijke Wmo-adviesraden van de
                        Westerkwartiergemeenten d.d. </al><al>29 april 2015; </al><al/><al>gelet op artikel 8a, eerste lid, aanhef en onder a, c, d en e, en tweede
                        lid, en 10b, vierde lid, van de Participatiewet, artikel 36 van de Wet
                        inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze
                        werknemers (IOAW) en artikel 36 van de Wet inkomensvoorziening oudere en
                        gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen(IOAZ);</al><al/><al/><al>besluit vast te stellen de</al><al><vet>RE-INTEGRATIEVERORDENING PARTICIPATIEWET GEMEENTE MARUM 2015
                        </vet></al><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>1</nr><titel>ALGEMENE BEPALINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begrippen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="•"><al>doelgroep: personen als bedoeld in artikel 7, eerste
                                            lid, onder a, van de wet;</al></li><li nr="•"><al>grote afstand tot de arbeidsmarkt: deelname aan de
                                            arbeidsmarkt is redelijkerwijs niet mogelijk binnen één
                                            jaar;</al></li><li nr="•"><al>korte afstand tot de arbeidsmarkt: deelname aan de
                                            arbeidsmarkt is redelijkerwijs mogelijk binnen één
                                            jaar;</al></li><li nr="•"><al>wet: Participatiewet.</al></li><li nr="•"><al>bestuur: het bestuur van de Intergemeentelijke Sociale
                                            Dienst (ISD)</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Voor zover niet anders is bepaald, worden begrippen in deze
                                    verordening gebruikt in dezelfde betekenis als in de wet.</al><al/></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>2</nr><titel>BELEID EN FINANCIËN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:1</nr><titel>Evenwichtige verdeling</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het bestuur kan de voorzieningen, bedoeld in artikel 4:2, 4:4 en
                                    4:5 aanbieden aan personen die behoren tot de doelgroep met
                                    korte afstand tot de arbeidsmarkt.</al></li><li nr="2."><al>Het bestuur kan de voorzieningen, bedoeld in de artikelen 4:2,
                                    4:3, 4:4, 4:5 en 4:6 aanbieden aan personen die behoren tot de
                                    doelgroep met een grote afstand tot de arbeidsmarkt.</al></li><li nr="3."><al>Het bestuur houdt bij het aanbieden van de in deze verordening
                                    opgenomen voorzieningen rekening met de omstandigheden en
                                    functionele beperkingen van een persoon. De omstandigheden
                                    hebben in ieder geval betrekking op zorgtaken van die persoon en
                                    de mogelijkheid dat hij behoort tot de doelgroep
                                    loonkostensubsidie of gebruik maakt van de voorziening beschut
                                    werk. Onder zorgtaken wordt in ieder geval verstaan:</al><lijst><li nr="a"><al>de opvang van ten laste komende kinderen tot vijf jaar,
                                            en</al></li><li nr="b"><al>de noodzakelijkheid van het verrichten van mantelzorg. </al><al/></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:2</nr><titel>Budget- en subsidieplafonds</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het bestuur kan bij uitvoeringsbesluit een of meer subsidie- of
                                    budgetplafonds vaststellen voor de verschillende voorzieningen.
                                    Een door het bestuur ingesteld subsidie- of budgetplafond vormt
                                    een weigeringsgrond bij de aanspraak op een specifieke
                                    voorziening.</al></li><li nr="2."><al>Het bestuur kan bij uitvoeringsbesluit een plafond instellen
                                    voor het aantal personen dat in aanmerking komt voor een
                                    specifieke voorziening.</al><al/></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>3</nr><titel>VERPLICHTINGEN BELANGHEBBENDE</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:1</nr><titel>Verplichtingen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Een belanghebbende aan wie door het bestuur een voorziening
                                    wordt aangeboden is verplicht hiervan gebruik te maken.</al></li><li nr="2."><al>Een belanghebbende die deelneemt aan een voorziening is gehouden
                                    aan de verplichtingen die voortvloeien uit de wet, de Wet
                                    structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, deze
                                    verordening alsmede aan de verplichtingen die het bestuur aan de
                                    aangeboden voorziening heeft verbonden. </al></li><li nr="3."><al>Indien een belanghebbende niet zijnde een uitkeringsgerechtigde,
                                    die gebruik maakt van een voorziening, niet voldoet aan het
                                    gestelde in het tweede lid, kan het bestuur de kosten van de
                                    voorziening dan wel de subsidie geheel of gedeeltelijk
                                    terugvorderen. </al><al/></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>4</nr><titel>VOORZIENINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:1</nr><titel>Algemene bepalingen over voorzieningen</titel></kop><al>Het bestuur kan een voorziening beëindigen als: </al><lijst><li nr="a."><al>de persoon die aan de voorziening deelneemt zijn verplichting
                                    als bedoeld in de artikelen 9 en 17 van de wet, de artikelen 13
                                    en 37 van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                                    arbeidsongeschikte werkloze werknemers of de artikelen 13 en 37
                                    van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                                    arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen niet nakomt; </al></li><li nr="b."><al>de persoon die aan de voorziening deelneemt niet meer behoort
                                    tot de doelgroep;</al></li><li nr="c."><al>de persoon die aan de voorziening deelneemt algemeen
                                    geaccepteerde arbeid aanvaardt waarbij geen gebruik wordt
                                    gemaakt van een in deze verordening genoemde voorzieningen,
                                    tenzij het betreft een persoon als bedoeld in artikel 7, eerste
                                    lid, onderdeel a, onder 2°, van de wet;</al></li><li nr="d."><al>naar het oordeel van het bestuur de voorziening onvoldoende
                                    bijdraagt aan een snelle arbeidsinschakeling;</al></li><li nr="e."><al>de voorziening naar het oordeel van het bestuur niet meer
                                    geschikt is voor de persoon die gebruik maakt van de
                                    voorziening;</al></li><li nr="f."><al>de persoon die aan de voorziening deelneemt niet naar behoren
                                    gebruik maakt van de aangeboden voorziening;</al></li><li nr="g."><al>de persoon die aan de voorziening deelneemt niet meer voldoet
                                    aan de voorwaarden die in deze verordening worden gesteld om in
                                    aanmerking te komen voor die voorziening.</al><al/></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:2</nr><titel>Werkstage</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het bestuur kan een persoon een werkstage gericht op
                                    arbeidsinschakeling aanbieden als deze behoort tot de
                                    doelgroep.</al></li><li nr="2."><al>Het doel van een werkstage is het opdoen van werkervaring of het
                                    leren functioneren in een arbeidsrelatie. </al></li><li nr="3."><al>Het bestuur plaatst de persoon uitsluitend als hierdoor de
                                    concurrentieverhoudingen niet onverantwoord worden beïnvloed en
                                    er geen verdringing op de arbeidsmarkt plaatsvindt. </al></li><li nr="4."><al>De werkstage duurt maximaal zes maanden en vindt als de persoon
                                    algemene bijstand ontvangt, plaats met behoud van uitkering. Een
                                    werkstage kan eenmaal met een zelfde periode worden verlengd
                                    indien dit noodzakelijk is voor arbeidsinschakeling.</al></li><li nr="5."><al>De werkstage wordt vastgelegd in een schriftelijke
                                    overeenkomst.</al></li><li nr="6."><al>Gedurende de werkstage vindt begeleiding plaats.</al><al/></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:3</nr><titel>Sociale activering</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het bestuur kan een persoon die behoort tot de doelgroep
                                    activiteiten aanbieden in het kader van sociale activering voor
                                    zover de mogelijkheid bestaat dat hij op enig moment algemeen
                                    geaccepteerde arbeid kan verkrijgen waarbij geen gebruik wordt
                                    gemaakt van een voorziening. </al></li><li nr="2."><al>Het bestuur stemt de duur van de in het eerste lid bedoelde
                                    activiteiten af op de mogelijkheden en capaciteiten van die
                                    persoon.</al><al/></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:4</nr><titel>Detacheringsbaan</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het bestuur kan zorgen voor toeleiding van een persoon die
                                    behoort tot de doelgroep naar een dienstverband met een
                                    werkgever, gericht op arbeidsinschakeling.</al></li><li nr="2."><al>De werknemer wordt voor het verrichten van arbeid gedetacheerd
                                    bij een onderneming. De detachering wordt vastgelegd in een
                                    schriftelijke overeenkomst tussen zowel de werkgever en
                                    inlenende organisatie als tussen de werknemer en inlenende
                                    organisatie.</al></li><li nr="3."><al>Een werknemer wordt uitsluitend geplaatst als hierdoor de
                                    concurrentieverhoudingen niet onverantwoord worden beïnvloed en
                                    er geen verdringing op de arbeidsmarkt plaatsvindt.</al></li><li nr="4."><al>Het bestuur kan formeel als werkgever van de werknemer optreden,
                                    dan wel een organisatie aanwijzen die in opdracht van de
                                    gemeente formeel als werkgever van de werknemer, bedoeld in het
                                    eerste lid, optreedt.</al><al/></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:5</nr><titel>Scholing</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het bestuur kan een persoon die behoort tot de doelgroep een
                                    scholingstraject aanbieden.</al></li><li nr="2."><al>Een scholingstraject voldoet in ieder geval aan de volgende
                                    eisen:</al><lijst><li nr="a"><al>is noodzakelijk voor de toeleiding naar de arbeidsmarkt,
                                            en</al></li><li nr="b"><al>duurt niet langer dan een jaar.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Het eerste lid is niet van toepassing op personen als bedoeld in
                                    artikel 7, derde lid, onderdeel a, van de wet.</al><al/></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:6</nr><titel>Participatieplaats</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het bestuur kan een persoon van 27 jaar of ouder met recht op
                                    algemene bijstand overeenkomstig artikel 10a van de wet
                                    onbeloonde additionele werkzaamheden laten verrichten. </al></li><li nr="2."><al>Een participatieplaats duurt maximaal zes maanden. Een
                                    participatieplaats kan maximaal driemaal met een zelfde periode
                                    worden verlengd tot in totaal vierentwintig maanden, indien dit
                                    noodzakelijk is voor een grotere kans op arbeidsinschakeling.
                                    Het deelnemen aan een participatieplaats wordt schriftelijk aan
                                    de persoon bevestigd. </al></li><li nr="3."><al>Gedurende de periode waarin een persoon op een
                                    participatieplaats werkzaamheden verricht, vindt begeleiding
                                    plaats.</al></li><li nr="4."><al>De premie, bedoeld in artikel 10a, zesde lid, van de wet
                                    bedraagt € 600 per zes maanden, mits in die zes maanden
                                    voldoende is meegewerkt aan het vergroten van de kans op
                                    inschakeling in het arbeidsproces. De toekenning hiervan wordt
                                    schriftelijk aan de persoon meegedeeld.</al><al/></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:7</nr><titel>Participatievoorziening beschut werk</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het bestuur kan aan een persoon die behoort tot de doelgroep de
                                    voorziening beschut werk aanbieden als hij door een
                                    lichamelijke, verstandelijke of psychische beperking een
                                    zodanige mate van begeleiding op en aanpassingen van de werkplek
                                    nodig heeft dat van een reguliere werkgever redelijkerwijs niet
                                    kan worden verwacht dat hij deze persoon in dienst neemt. </al></li><li nr="2."><al>Het bestuur maakt uit de personen die behoren tot de doelgroep
                                    een voorselectie en wint bij het Uitvoeringsinstituut
                                    werknemersverzekeringen (UWV) advies in voor de beoordeling of
                                    zij uitsluitend in een beschutte omgeving onder aangepaste
                                    omstandigheden mogelijkheden tot arbeidsparticipatie hebben. Het
                                    bestuur maakt voor de voorselectie gebruik van het reguliere
                                    instroom- en diagnoseproces zoals dat in de dienstverleningslijn
                                    wordt toegepast, tenzij dit gelet op de aard en ernst van de
                                    arbeidsbeperking niet mogelijk is. In dat geval wordt gebruik
                                    gemaakt van een op de situatie van de persoon aangepaste
                                    methodiek. </al></li><li nr="3."><al>Om de in artikel 10b, eerste lid, van de wet, bedoelde
                                    werkzaamheden mogelijk te maken zet het bestuur de volgende
                                    ondersteunende voorzieningen in: fysieke aanpassingen van de
                                    werkplek of de werkomgeving, uitsplitsing van taken of
                                    aanpassingen in de wijze van werkbegeleiding, werktempo of
                                    arbeidsduur.</al></li><li nr="4."><al>Het bestuur bepaalt de omvang van het aanbod beschut werk en
                                    legt vast hoeveel plekken voor beschut werk beschikbaar worden
                                    gesteld. In verband hiermee overlegt het bestuur met het
                                    Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, aan de gemeente
                                    gelieerde bedrijven en andere reguliere werkgevers.</al><al/></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:8</nr><titel>Ondersteuning bij leer-werktraject</titel></kop><al>Het bestuur kan ondersteuning als bedoeld in artikel 10f van de wet
                            aanbieden bij het volgen van een leer-werktraject als het bestuur van
                            oordeel is dat een leer-werktraject nodig is. Ondersteuning wordt alleen
                            aangeboden als deze nodig is voor het volgen van een leer-werktraject en
                            het personen betreft:</al><lijst><li nr="a."><al>van zestien of zeventien jaar van wie de leerplicht of de
                                    kwalificatieplicht, bedoeld in de Leerplichtwet 1969, nog niet
                                    is geëindigd, of</al></li><li nr="b."><al>van achttien tot 27 jaar die nog geen startkwalificatie hebben
                                    behaald.</al><al/></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:9</nr><titel>Persoonlijke ondersteuning</titel></kop><al>Aan een persoon die behoort tot de doelgroep kan het bestuur
                            persoonlijke ondersteuning bij het verrichten van de aan die persoon
                            opgedragen taken aanbieden in de vorm van structurele begeleiding indien
                            hij zonder persoonlijke ondersteuning niet in staat is de aan hem
                            opgedragen taken te verrichten. Persoonlijke ondersteuning wordt in
                            ieder geval aangeboden als de werkgever ten behoeve van de werknemer een
                            loonkostensubsidie als bedoeld in artikel 10d van de wet ontvangt of als
                            de persoon die op een detacheringsbaan werkzaam is, behoort tot de
                            doelgroep loonkostensubsidie in de zin van artikel 6, eerst lid sub e
                            van de wet. </al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:10</nr><titel>No-riskpolis</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het bestuur kan werkgevers de kosten van de tijdelijke
                                    no-riskpolis UWV 2015 vergoeden als:</al><lijst><li nr="a"><al>de werkgever voor tenminste de duur van zes maanden een
                                            arbeidsovereenkomst aangaat met een werknemer;</al></li><li nr="b"><al>de werknemer voorafgaand aan de aanvraag van de arbeid
                                            behoort tot de doelgroep;</al></li><li nr="c"><al>de werkgever ten behoeve van de werknemer een
                                            loonkostensubsidie als bedoeld in artikel10d van de wet
                                            ontvangt;</al></li><li nr="d"><al>artikel 29b van de Ziektewet niet van toepassing is,
                                            en</al></li><li nr="e"><al>de werknemer zijn woonplaats heeft binnen de gemeente.
                                        </al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Deze regeling geldt tot 1 januari 2016. </al><al/></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:11</nr><titel>Werkgeversarrangement</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het bestuur kan met een werkgever een overeenkomst sluiten over
                                    een pakket voorzieningen gericht op re-integratie ten behoeve
                                    van de arbeidsinschakeling van een of meer personen die behoren
                                    tot de doelgroep. Dit pakket kan bestaan uit verschillende
                                    voorzieningen zoals die in de verordening of de krachtens deze
                                    verordening genomen uitvoeringsbesluiten zijn vastgelegd.</al></li><li nr="2."><al>Het bestuur kan in de overeenkomst afwijken van hetgeen in deze
                                    verordening of de krachtens deze verordening genomen
                                    uitvoeringsbesluiten is bepaald, voor zover dit de
                                    arbeidsinschakeling van een of meer personen als bedoeld in het
                                    eerste lid bevordert.</al><al/></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:12</nr><titel>Nazorg</titel></kop><al>Het bestuur kan voorzieningen bieden gericht op nazorg aan een werkgever
                            die een persoon die behoort tot de doelgroep in dienst neemt voor het
                            verrichten van algemeen geaccepteerde arbeid, waarbij geen sprake is van
                            een voorziening.</al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:13</nr><titel>Loonkostensubsidies</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het bestuur kan een subsidie verstrekken aan werkgevers die met
                                    een tot de doelgroep behorende persoon een arbeidsovereenkomst
                                    sluiten, gericht op het opdoen van werkervaring en het
                                    bevorderen van de arbeidsinschakeling.</al></li><li nr="2."><al>Bij uitvoeringsbesluit stelt het bestuur regels ten aanzien van
                                    de hoogte en de duur van de subsidie, alsmede de verplichtingen
                                    die aan de subsidie worden verbonden. </al></li><li nr="3."><al>De loonkostensubsidie wordt niet verstrekt als de werkgever op
                                    grond van een andere regeling aanspraak maakt op financiële
                                    tegemoetkomingen in verband met de het afsluiten van de in het
                                    eerste lid bedoelde arbeidsovereenkomst. </al></li><li nr="4."><al>Indien de in het eerste lid bedoelde arbeidsovereenkomst wordt
                                    ontbonden binnen de wettelijke proeftijd, wegens dringende of
                                    gewichtige redenen of met een ontslagvergunning wegens
                                    bedrijfseconomische redenen, wordt de subsidie naar rato lager
                                    vastgesteld.</al></li><li nr="5."><al>De subsidie wordt alleen verstrekt indien hierdoor de
                                    concurrentieverhoudingen niet onverantwoord worden beïnvloed en
                                    er geen verdringing van reguliere arbeid plaatsvindt.</al></li><li nr="6."><al>De loonkostensubsidie wordt niet verstrekt indien de werkgever
                                    op grond van een andere regeling aanspraak maakt op financiële
                                    tegemoetkomingen in verband met de indiensttreding van de
                                    werknemer. </al><al/></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:14</nr><titel>Uitstroompremie</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het bestuur kan aan eenmalig een uitstroompremie toekennen aan
                                    een langdurig werkloze die duurzaam uitstroomt naar algemeen
                                    geaccepteerde arbeid en daardoor niet langer recht heeft op
                                    algemene bijstand. </al></li><li nr="2."><al>De premie kan worden aangevraagd vanaf de 7e maand na de
                                    indiensttreding.</al></li><li nr="3."><al>De hoogte van de te verstrekken premie wordt door het bestuur
                                    vastgelegd in een uitvoeringsbesluit. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:15</nr><titel>Overige vergoedingen</titel></kop><al>Een persoon die behoort tot de doelgroep kan in aanmerking komen voor
                            vergoeding van kosten die naar het oordeel van het bestuur noodzakelijk
                            zijn in het kader van de voorziening waarvan die persoon gebruik
                            maakt.</al><al/></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>5</nr><titel>SLOTBEPALINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:1</nr><titel>Onvoorzien en nadere regels</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>In gevallen waarin deze verordening niet voorziet, beslist het
                                    bestuur.</al></li><li nr="2."><al>Het bestuur kan nadere regels stellen over de uitvoering van
                                    deze verordening.</al><al/></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:2</nr><titel>Intrekken oude verordening en overgangsrecht</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De Re-integratieverordening WWB, IOAW en IOAZ, vastgesteld bij
                                    raadsbesluit van 3 november 2008 wordt ingetrokken. </al></li><li nr="2."><al>Een persoon die gebruik maakt van een toegekende voorziening op
                                    grond van de Re-integratieverordening Wet werk en bijstand, die
                                    moet worden beëindigd op grond van deze verordening, behoudt
                                    deze voorziening voor zover wordt voldaan aan de voorwaarden uit
                                    de Re-integratieverordening Wet werk en bijstand voor de
                                    duur:</al><lijst><li nr="a"><al>van een periode van twaalf maanden gerekend vanaf de
                                            inwerkingtreding van deze verordening, of</al></li><li nr="b"><al>van een periode waarvoor deze voorziening bij besluit is
                                            verstrekt, als dat korter is dan de periode als bedoeld
                                            in het tweede lid, onderdeel a.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Het bestuur kan na afloop van de in het tweede lid, onderdeel a,
                                    bedoelde periode, besluiten of een voorziening wordt
                                    voortgezet.</al></li><li nr="4."><al>De Re-integratieverordening Wet werk en bijstand blijft van
                                    toepassing ten aanzien van een voorziening als bedoeld in het
                                    tweede en derde lid. </al><al/></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:3</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening treedt in werking op 1 juli 2015.</al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:4</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als Re-integratieverordening gemeente
                            Marum 2015.</al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld in de openbare </ondertekening><ondertekening>vergadering van 1 juli 2015, </ondertekening><ondertekening/><ondertekening> , voorzitter.</ondertekening><ondertekening/><ondertekening> , griffier. </ondertekening></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>ALGEMENE TOELICHTING</titel></kop><al/><al>Er is gekozen voor een algemene, globale verordening. Dit heeft te maken
                            met de aard van de opdracht die de raad heeft gekregen, te weten het bij
                            verordening regels stellen waarin het beleid van de gemeente ten aanzien
                            van haar re-integratietaak wordt neergelegd. Hieruit moet onder andere
                            aandacht blijken voor de in de Participatiewet onderscheiden doelgroepen
                            en de daarbinnen te onderscheiden subgroepen. Dit leent zich niet tot
                            het formuleren van gedetailleerde regels die op iedere situatie van
                            toepassing zijn. Immers, re-integratie is maatwerk. Het is helemaal
                            afhankelijk van iemands mogelijkheden en beperkingen wat in het concrete
                            geval een passend re-integratietraject is. Daarom wordt aan het bestuur
                            de bevoegdheid gegeven om op een aantal punten eigen afwegingen te
                            maken. Artikel 10 van de Participatiewet bepaalt dat personen uit de
                            doelgroep aanspraak hebben op ondersteuning bij de arbeidsinschakeling
                            en de door het bestuur noodzakelijk geachte voorziening binnen de kaders
                            van de re-integratieverordening. Daarom is ervoor gekozen in de
                            verordening de voorzieningen vast te leggen die het bestuur in ieder
                            geval kan aanbieden.</al><al/><al>Met betrekking tot de volgende voorzieningen is de gemeenteraad
                            verplicht om regels op te nemen in deze verordening:</al><lijst><li nr="•"><al>scholing of opleiding, bedoeld in artikel 10a, vijfde lid, van
                                    de Participatiewet (artikelen 8a, eerste lid, onderdeel c, en
                                    tweede lid, onderdeel c, van de Participatiewet);</al></li><li nr="•"><al>de premie, bedoeld in artikel 10a, zesde lid, Participatiewet
                                    (artikelen 8a, eerste lid, onderdeel d, en tweede lid, onderdeel
                                    c, van de Participatiewet);</al></li><li nr="•"><al>participatievoorziening beschut werk, bedoeld in artikel 10b van
                                    de Participatiewet (artikelen 8a, eerste lid, onderdeel e, en
                                    10b, vierde lid, van de Participatiewet), en</al></li><li nr="•"><al>no riskpolis (artikel 8a, tweede lid, onderdeel b, van de
                                    Participatiewet).</al></li></lijst></nota-toelichting><nota-toelichting><kop><titel>ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING</titel></kop><al/><al>Enkel die bepalingen die verdere toelichting behoeven worden hieronder
                            behandeld.</al><al/><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>1:1</nr><titel>Begrippen</titel></kop><al>Begrippen die al zijn omschreven in de Participatiewet worden niet
                            afzonderlijk gedefinieerd in deze verordening. Deze zijn vanzelfsprekend
                            van toepassing op deze verordening. </al><al>De doelgroep wordt gevormd door personen zoals bedoeld in artikel 7,
                            eerste lid, onder a, van de Participatiewet. Het betreft:</al><lijst><li nr="•"><al>personen die algemene bijstand ontvangen;</al></li><li nr="•"><al>personen als bedoeld in de artikelen 34a, vijfde lid onderdeel
                                    b,35, vierde lid, onderdeel b, en 36, derde lid, onderdeel b,
                                    van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (hierna: WIA)
                                    tot het moment dat het inkomen uit arbeid in dienstbetrekking
                                    gedurende twee aaneengesloten jaren ten minste het minimumloon
                                    bedraagt en ten behoeve van die persoon in die twee jaren geen
                                    loonkostensubsidie als bedoeld in artikel 10d van de
                                    Participatiewet is verleend;</al></li><li nr="•"><al>personen als bedoeld in artikel 10, tweede lid, van de
                                    Participatiewet;</al></li><li nr="•"><al>personen met een nabestaanden- of wezenuitkering op grond van de
                                    Algemene nabestaandenwet (hierna: ANW);</al></li><li nr="•"><al>personen met een uitkering ingevolge de Wet inkomensvoorziening
                                    oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers
                                    (hierna: IOAW);</al></li><li nr="•"><al>personen met een uitkering ingevolge de Wet inkomensvoorziening
                                    oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen
                                    (hierna: IOAZ);</al></li><li nr="•"><al>personen zonder uitkering, en </al></li><li nr="•"><al>die voor de arbeidsinschakeling zijn aangewezen op een door het
                                    bestuur aangeboden voorziening.</al><al/><al><cursief>Korte afstand tot de arbeidsmarkt</cursief></al><al>Onder een korte afstand tot de arbeidsmarkt wordt verstaan dat
                                    een persoon redelijkerwijs binnen één jaar geschikt is voor
                                    deelname aan de arbeidsmarkt. Zie verder de toelichting bij
                                    artikel 2.</al><al/><al><cursief>Grote afstand tot de arbeidsmarkt</cursief></al><al>Onder een grote afstand tot de arbeidsmarkt wordt verstaan dat
                                    een persoon redelijkerwijs niet binnen één jaar geschikt is voor
                                    deelname aan de arbeidsmarkt. Zie verder de toelichting bij
                                    artikel 2.</al><al/></li></lijst></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>2:1</nr><titel>Evenwichtige verdeling</titel></kop><al>Op grond van artikel 8a, tweede lid, onderdeel a, van de Participatiewet
                            moet de gemeenteraad in de verordening de verdeling van de voorzieningen
                            over personen vastleggen, waarbij rekening wordt gehouden met de
                            omstandigheden en de functionele beperkingen van die personen. Hierin
                            ligt besloten dat de gemeenteraad ook rekening houdt met de
                            omstandigheden en functionele beperkingen van personen met een handicap.
                            Dit is in overeenstemming met het VN-verdrag inzake de rechten van
                            personen met een handicap. De doelstelling van dit verdrag is het
                            bevorderen, beschermen en waarborgen van het volledige genot door alle
                            personen met een handicap van alle mensenrechten en fundamentele
                            vrijheden op voet van gelijkheid en het bevorderen van de eerbiediging
                            van hun inherente waardigheid. In dit artikel is aan het voorgaande
                            uitvoering gegeven.</al><al/><al><cursief>Korte afstand tot arbeidsmarkt</cursief></al><al>Het bestuur kan de voorziening zoals bedoeld in artikel 5, 7 en 8
                            aanbieden aan personen die behoren tot de doelgroep met een korte
                            afstand tot de arbeidsmarkt. De doelgroep is gedefinieerd in artikel 1. </al><al/><al><cursief>Grote afstand tot arbeidsmarkt</cursief></al><al>Het bestuur kan voorzieningen als bedoeld in de artikelen 5, 6, 7, 8 en
                            9 aanbieden aan personen aan die behoren tot de doelgroep met een grote
                            afstand tot de arbeidsmarkt. De doelgroep is gedefinieerd in artikel 1. </al><al/><al>Het aanbieden van een voorziening is maatwerk. Om die reden kunnen
                            dezelfde voorzieningen in veel gevallen zowel aan personen met een korte
                            als aan personen met een grote afstand tot de arbeidsmarkt worden
                            aangeboden. Door de invulling van de voorziening wordt deze ‘op maat
                            gemaakt’ voor de persoon die het betreft.</al><al/><al><cursief>Overige voorzieningen</cursief></al><al>Voor de overige voorzieningen, volgt al uit de doelgroepomschrijving aan
                            wie het bestuur deze voorzieningen kan aanbieden. Het gaat om: beschut
                            werk (artikel 4:7), ondersteuning bij leer-werktrajecten (artikel 4:8),
                            persoonlijke ondersteuning (artikel 4:9) en de no-riskpolis (artikel
                            4:10). </al><al/><al><cursief>Rekening houden met omstandigheden en
                            beperkingen</cursief></al><al>Het bestuur moet bij de inzet van de voorzieningen rekening houden met
                            de omstandigheden en functionele beperkingen van een persoon. In artikel
                            2, derde lid, is opgenomen waarmee het bestuur in ieder geval rekening
                            moet houden.</al><al/></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>2:2</nr><titel>Budget- en subsidieplafonds</titel></kop><al>De gemeentelijke middelen voor re-integratie zijn beperkt. Om financiële
                            risico’s te beheersen kan het bestuur een verdeling maken van de
                            middelen over de verschillende voorzieningen, bijvoorbeeld in de
                            programmabegroting of een beleidsplan. Het uitgeput zijn van
                            begrotingsposten kan echter geen reden zijn om aanvragen voor een
                            voorziening in zijn algemeenheid te weigeren. Door het instellen van een
                            budget- of subsidieplafond kunnen financiële risico’s worden voorkomen
                            en behoudt het bestuur de mogelijkheid om bij het bereiken van het
                            plafond naar alternatieven te zoeken.</al><al/><al>Bij dit artikel wordt uitgegaan van de bevoegdheid van het bestuur om
                            plafonds in te stellen. Een mogelijkheid is dat bij de vaststelling van
                            de plafonds wordt verwezen naar de bedragen die in een beleidsplan of in
                            de begroting voor de verschillende voorzieningen worden
                            gereserveerd.</al><al/><al>Een budgetplafond geldt voor de uitgaven die het bestuur doet in het
                            kader van voorzieningen. Een subsidieplafond geldt voor voorzieningen
                            die subsidies inhouden. Een subsidieplafond moet wel bekendgemaakt
                            worden vóór de periode waarvoor deze geldt (art. 4:27 lid 1 Algemene wet
                            bestuursrecht). </al><al/></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>3:1</nr><titel>Verplichtingen</titel></kop><al>In de Participatiewet staan uitgebreid de verplichtingen vermeld die
                            gelden bij het recht op een uitkering. In dit artikel wordt dan ook de
                            link gelegd tussen de wet en deze verordening. De wet geldt echter
                            alleen voor bijstandsgerechtigden. Daarom is in het vierde lid de
                            mogelijkheid opgenomen om van niet-uitkeringsgerechtigden (een deel van)
                            de kosten van de voorziening of van de verstrekte subsidie terug te
                            vorderen, wanneer de niet-uitkeringsgerechtigde zich niet houdt aan de
                            verplichtingen. </al><al/></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>4:1</nr><titel>Algemene bepalingen over voorzieningen</titel></kop><al>De Participatiewet schrijft niet uitputtend voor welke voorzieningen het
                            bestuur aan moet bieden. Het enige criterium is dat de voorziening
                            gericht moet zijn op de arbeidsinschakeling en moet bijdragen aan het
                            (op termijn) mogelijk maken van reguliere arbeid door een persoon. Al
                            naar gelang de afstand van een persoon tot de arbeidsmarkt kan een
                            voorziening gericht zijn op bijvoorbeeld sociale activering en het
                            voorkomen van een isolement (zoals het doen van vrijwilligerswerk met
                            behoud van uitkering), het leren van vaardigheden of kennis, of het
                            opdoen van werkervaring (bijvoorbeeld via gesubsidieerd werk). Ook is
                            het mogelijk dat een gemeente in individuele gevallen een
                            persoonsgebonden re-integratiebudget ter beschikking stelt.</al><al/><al><cursief>Beëindigingsgronden</cursief></al><al>Het artikel geeft aan dat het bestuur een voorziening kan beëindigen en
                            in welke gevallen het dat kan doen. Onder beëindigen wordt hierbij ook
                            verstaan het stopzetten van de subsidie aan een werkgever of het
                            opzeggen van de arbeidsovereenkomst bij een detacheringsbaan. Bij deze
                            laatste wijze van beëindigen dienen vanzelfsprekend de toepasselijke
                            bepalingen uit het arbeidsrecht en de eventueel aanwezige
                            rechtspositieregeling in acht te worden genomen.</al><al/><al>Het bestuur kan een voorziening beëindigen in de gevallen zoals
                            opgenomen in artikel 4, tweede lid van deze verordening. Een voorziening
                            wordt bijvoorbeeld beëindigd als een persoon algemeen geaccepteerde
                            arbeid aanvaardt. Voor de persoon zoals bedoeld in artikel 7, eerste
                            lid, onderdeel a onder 2, van de Participatiewet wordt op dit punt een
                            uitzondering gemaakt. Het gaat om de persoon zoals bedoeld in artikel
                            34a, vijfde lid, onderdeel b, 35, vierde lid, onderdeel b, en 36, derde
                            lid, onderdeel b, van de WIA tot het moment dat het inkomen uit arbeid
                            in dienstbetrekking gedurende twee aaneengesloten jaren ten minste het
                            minimumloon bedraagt en ten behoeve van die persoon in die twee jaren
                            geen loonkostensubsidie als bedoel in artikel 10d is verleend. Voor deze
                            doelgroep geldt dat het bestuur ondersteuning bij de arbeidsinschakeling
                            moet bieden gedurende twee aaneengesloten jaren tot het moment dat het
                            inkomen uit arbeid in dienstbetrekking gedurende twee aaneengesloten
                            jaren ten minste het minimuminkomen bedraagt en ten behoeve van die
                            persoon in die twee jaren geen loonkostensubsidie als bedoeld in artikel
                            10d van de Participatiewet is verstrekt. </al><al/><al>De Participatiewet voorziet niet in een terugvorderingsgrond van
                            re-integratiekosten die onnodig zijn gemaakt. Noch van een
                            bijstandsgerechtigde, noch van een niet- bijstandsgerechtigde kunnen die
                            kosten worden teruggevorderd.1 Terugvordering dient te geschieden op
                            grond van het Burgerlijk Wetboek.</al><al/></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>4:2</nr><titel>Werkstage</titel></kop><al>Een werkstage onderscheidt zich van een gewone arbeidsovereenkomst. Bij
                            een beoordeling of er al dan niet sprake is van een arbeidsovereenkomst
                            toetst de rechter aan de drie criteria voor het bestaan van een
                            arbeidsovereenkomst: persoonlijk verrichten van arbeid, loon en
                            gezagsverhouding. Daarbij wordt gekeken naar een aantal aspecten zoals
                            de bedoeling van de partijen en wat al dan niet schriftelijk is
                            overeengekomen. De rechter besteedt vooral aandacht aan de feitelijke
                            invulling van de overeenkomst.</al><al/><al><cursief>Werkstage is gericht op uitbreiden kennis en
                            ervaring</cursief></al><al>De Hoge Raad heeft bepaald dat er bij werkstages weliswaar sprake is van
                            het persoonlijk verrichten van arbeid, maar dat dit overwegend gericht
                            is op het uitbreiden van de kennis en ervaring van de werknemer.
                            Daarnaast is bij een werkstage in de regel geen sprake van beloning.
                            Terughoudend zijn met het verstrekken van een gerichte stagevergoeding
                            ligt daarom voor de hand. Er kan wel een onkostenvergoeding worden
                            gegeven, mits er daadwerkelijk sprake is van een vergoeding van gemaakte
                            kosten.</al><al/><al><cursief>Doelgroep aanbieden werkstage</cursief></al><al>Het bestuur kan een persoon die behoort tot de doelgroep een werkstage
                            aanbieden. Het gaat hierbij om een soort scholingsinstrument: niet de
                            arbeid zelf, maar het leren werken staat centraal.</al><al/><al><cursief>Doel van de werkstage</cursief></al><al>Het tweede lid geeft nog eens specifiek aan wat het doel is van de
                            werkstage, om het verschil met een normale arbeidsverhouding aan te
                            geven. Dit is vooral van belang om te voorkomen dat een persoon claimt
                            dat sprake is van een arbeidsovereenkomst en bij de rechter loonbetaling
                            afdwingt.</al><al>De werkstage kan twee doelen hebben. Op de eerste plaats kan het gaan om
                            het opdoen van specifieke werkervaring. Dit is vergelijkbaar met de
                            zogenaamde ‘snuffelstage’, waarbij een persoon de gelegenheid krijgt om
                            te bezien of het soort werk als passend kan worden beschouwd. Op de
                            tweede plaats kan het gaan om het leren werken in een arbeidsrelatie. In
                            de werkstage kan een persoon wennen aan aspecten als gezag, op tijd
                            komen, werkritme en samenwerken met collega’s.</al><al><cursief>Geen verdringing</cursief></al><al>In het derde lid is bepaald dat de werkstage uitsluitend wordt verstrekt
                            als er geen verdringing van de arbeidsmarkt plaatsvindt. Het opvullen
                            van een vacature is alleen toegestaan als de vacature niet is ontstaan
                            door afvloeiing, maar door ontslag op grond van een van de volgende
                            redenen:</al><lijst><li nr="•"><al>eigen initiatief van de werknemer;</al></li><li nr="•"><al>handicap;</al></li><li nr="•"><al>ouderdomspensioen;</al></li><li nr="•"><al>vermindering van werktijd op initiatief van de werknemer,
                                    of</al></li><li nr="•"><al>gewettigd ontslag om dringende redenen.</al><al/><al><cursief>Duur werkstage:</cursief></al><al>Het vierde lid geeft de maximale duur van de werkstage aan. In
                                    beginsel gaat het daarbij om een periode van zes maanden. Dit is
                                    bedoeld om ervoor te zorgen dat de re-integratieactiviteiten
                                    gericht blijven op de inschakeling in de arbeid en dat wordt
                                    voorkomen dat er vormen van productieve arbeid ontstaan. In
                                    sommige gevallen kan een verlenging van deze periode
                                    noodzakelijk zijn om de kans op werk te vergroten. Bij een
                                    verlenging wordt uitdrukkelijk getoetst of deze noodzakelijk is
                                    om kennis en vaardigheden gericht op arbeidsinschakeling van de
                                    belanghebbende te vergroten.</al><al/><al><cursief>Schriftelijke overeenkomst:</cursief></al><al>Om alle afspraken voor alle partijen helder te hebben en om
                                    misverstanden te voorkomen, is het wenselijk dat de afspraken in
                                    een schriftelijke overeenkomst worden vastgelegd. </al><al/><al><cursief>Begeleiding:</cursief></al><al>Een werkstage vindt plaats met een vorm van begeleiding. Dit is
                                    in het vijfde lid bepaald. Hiermee wordt nog eens onderstreept
                                    dat het bij een werkstage niet gaat om een reguliere
                                    arbeidsverhouding.</al><al/></li></lijst></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>4:3</nr><titel>Sociale activering</titel></kop><al>Volgens de Participatiewet dient ook sociale activering uiteindelijk
                            gericht te zijn op arbeidsinschakeling. Voor bepaalde doelgroepen is
                            arbeidsinschakeling echter een te hoog gegrepen doel. Voor deze personen
                            staat dan ook niet re-integratie, maar participatie voorop.
                                <cursief>Begrip sociale activering</cursief></al><al>Onder 'sociale activering' wordt verstaan: het verrichten van onbeloonde
                            maatschappelijk zinvolle activiteiten gericht op arbeidsinschakeling of,
                            als arbeidsinschakeling nog niet mogelijk is, op zelfstandige
                            maatschappelijke participatie (artikel 6, eerste lid, onderdeel c,
                            Participatiewet). Bij activiteiten in het kader van sociale activering
                            kan worden gedacht aan het zelfstandig, zonder externe begeleiding,
                            verrichten van vrijwilligerswerk of deelnemen aan activiteiten in de
                            wijk of buurt.2</al><al/><al><cursief>Doelgroep sociale activering</cursief></al><al>Het bestuur kan aan een persoon die behoort tot de doelgroep
                            activiteiten aanbieden in het kader van sociale activering voor zover de
                            mogelijkheid bestaat dat hij op enig moment algemeen geaccepteerde
                            arbeid kan verkrijgen waarbij geen gebruik wordt gemaakt van een
                            voorziening (artikel 6, eerste lid).</al><al/><al>Voor de verplichting op grond van artikel 9, eerste lid, onderdeel b,
                            van de Participatiewet gebruik te maken van een voorziening gericht op
                            sociale activering is vereist dat de mogelijkheid bestaat dat een
                            persoon op enig moment algemeen geaccepteerde arbeid kan verkrijgen
                            waarbij geen gebruik wordt gemaakt van een voorziening. Bestaat die
                            mogelijkheid niet, dan kan een persoon niet worden verplicht gebruik te
                            maken van een dergelijke voorziening. Sociale activering heeft tot doel
                            personen met een grote afstand tot de arbeidsmarkt terug te leiden naar
                            de arbeidsmarkt, of als dit nog niet mogelijk is, als tussendoel te
                            bevorderen dat personen zelfstandig kunnen deelnemen aan het
                            maatschappelijk leven. Hieruit volgt dat als het einddoel,
                            arbeidsinschakeling, niet kan worden bereikt, er geen grond is die
                            persoon te verplichten om gebruik te maken van een voorziening gericht
                            op sociale activering.3</al><al><cursief>Bestuur stemt duur activiteiten af op de persoon</cursief></al><al>Het tweede lid geeft het bestuur de mogelijkheid om de duur van
                            activiteiten in het kader van sociale activering nader te bepalen. Het
                            bestuur moet de duur afstemmen op de mogelijkheden en capaciteiten van
                            een persoon. Gezien de mogelijk sterk verschillende behoeften op dit
                            gebied, zal een al te rigide termijn moeilijk zijn.</al><al/><al><cursief>Geen verdringing</cursief></al><al>Zie wat hierover is opgemerkt bij artikel 4:2.</al><al/></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>4:4</nr><titel>Detacheringsbaan</titel></kop><al>De Participatiewet biedt de mogelijkheid personen uit de doelgroep een
                            dienstverband aan te bieden om op detacheringsbasis werkervaring op te
                            doen. In de verordening zijn de randvoorwaarden vastgelegd waarbinnen de
                            banen vormgegeven worden. </al><al> Het eerste lid biedt de mogelijkheid tot het aangaan van het
                            dienstverband. Het bestuur zorgt ervoor dat een persoon een
                            dienstverband krijgt aangeboden door een derde, de werkgever. Die derde
                            kan bijvoorbeeld een detacheringsbureau zijn. In het tweede lid wordt
                            bepaald dat het gaat om detachering. Daarbij worden op twee vlakken
                            afspraken gemaakt. Ten eerste tussen het inlenende bedrijf en de
                            werkgever. Hierin worden zaken geregeld als de verhouding tot de
                            werkgever, de hoogte van de inleenvergoeding en de wijze waarop de
                            begeleiding wordt vormgegeven. In de overeenkomst tussen werknemer en
                            inlener worden afspraken gemaakt over werktijden, verlof en de inhoud
                            van het werk. In het vierde lid is een regeling opgenomen die al bestond
                            onder toepassing van de Re-integratieverordening Wet werk en bijstand.
                            In het kader van de detachering kan het bestuur zelf als formeel
                            werkgever optreden dan wel een andere organisatie aanwijzen die deze rol
                            vervult. Het dienstverband bestaat in dat geval tussen deze organisatie
                            en de persoon uit de doelgroep. Deze organisatie kan een organisatie
                            zijn waarop het bestuur beslissende invloed uitoefent of een organisatie
                            die geheel zelfstandig opereert zonder directe of indirecte banden met
                            de gemeente. Onder organisatie kan ook een uitzendorganisatie
                            vallen.</al><al/></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>4:5</nr><titel>Scholing</titel></kop><al><cursief>Startkwalificatie</cursief></al><al>Onder startkwalificatie wordt verstaan een HAVO- of VWO-diploma of een
                            diploma van het middelbaar beroepsonderwijs (mbo), niveau twee. Scholing
                            kan worden aangeboden aan personen met of zonder een dergelijke
                            startkwalificatie. Vooral voor personen zonder startkwalificatie kan
                            scholing noodzakelijk zijn voor de re-integratie.</al><al/><al><cursief>Jongeren</cursief></al><al>Personen jonger dan 27 jaar die nog mogelijkheden hebben binnen het uit
                            's Rijks kas bekostigde onderwijs kunnen sinds 1 juli 2012 geen
                            voorziening ontvangen die hen ondersteunt bij de arbeidsinschakeling
                            (artikel 7, derde lid, onderdeel a, van de Participatiewet). Dit is voor
                            de volledigheid opgenomen in het derde lid.</al><al/><al><cursief>Scholing in combinatie met participatieplaats</cursief></al><al>Wanneer een persoon die in aanmerking is gebracht voor een
                            participatieplaats niet over een startkwalificatie beschikt, dient het
                            bestuur aan deze persoon scholing of opleiding aan te bieden. Dit geldt
                            vanaf zes maanden na aanvang van de werkzaamheden op de
                            participatieplaats. De scholing of opleiding moet zijn gericht zijn
                            vergroting van de kansen op de arbeidsmarkt. Het bestuur hoeft aan een
                            persoon alleen geen scholing of opleiding aan te bieden als dergelijke
                            scholing of opleiding naar zijn oordeel de krachten of bekwaamheden van
                            de persoon te boven gaan of als naar zijn oordeel scholing of opleiding
                            niet bijdraagt aan vergroting van de kans op inschakeling in het
                            arbeidsproces van de persoon. Dit volgt uit artikel 10a, vijfde lid, van
                            de Participatiewet.</al><al>Zie artikel 4:6 van deze verordening over de voorziening
                            participatieplaatsen. </al><al/></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>4:6</nr><titel>Participatieplaats</titel></kop><al>Een participatieplaats is bedoeld voor personen met een grotere afstand
                            tot de arbeidsmarkt. Voor personen jonger dan 27 jaar is ondersteuning
                            in de vorm van een participatieplaats niet mogelijk (artikel 7, achtste
                            lid, van de Participatiewet). Het bestuur kan dan ook enkel aan personen
                            van 27 jaar of ouder met recht op algemene bijstand een
                            participatieplaats aanbieden.</al><al><cursief>Additionele werkzaamheden</cursief></al><al>Op een participatieplaats worden additionele werkzaamheden verricht.
                            Niet de te verrichten werkzaamheden staan centraal maar het leren werken
                            of het (opnieuw) wennen aan werken. Aspecten als omgaan met gezag, op
                            tijd komen, werkritme en samenwerking met collega’s zijn allemaal zaken
                            waaraan in een participatieplaats gewerkt kan worden. Ook kan hiermee
                            worden beoordeeld of het werkterrein past bij de capaciteiten van de
                            uitkeringsgerechtigde, zodat een persoon bijvoorbeeld een opleiding op
                            het betreffende terrein kan gaan volgen en daarmee voor zichzelf een
                            duurzaam perspectief op arbeid kan realiseren. De duur van de
                            participatieplaats is wettelijk beperkt tot maximaal vier jaar (artikel
                            10a van de Participatiewet). Na negen maanden wordt beoordeeld door het
                            bestuur of de participatieplaats de kans op arbeidsinschakeling heeft
                            vergroot (artikel 10a, achtste lid, van de Participatiewet). Zo niet dan
                            wordt de participatieplaats beëindigd. Uiterlijk 24 maanden na aanvang
                            van de participatieplaats wordt opnieuw beoordeeld of de
                            participatieplaats wordt voorgezet. Als de gemeente concludeert dat
                            voortzetting van de participatieplaats met het oog op in de persoon
                            gelegen factoren aanmerkelijk bijdraagt tot de arbeidsinschakeling, dan
                            kan de participatieplaats nog één jaar verlengd worden. Echter in dat
                            geval dient een andere werkomgeving geboden te worden (artikel 10a,
                            negende lid, van de Participatiewet). Na 36 maanden vindt opnieuw een
                            dergelijke beoordeling plaats (artikel 10a, tiende lid, van de
                            Participatiewet).</al><al/><al>In het tweede lid is opgenomen dat een participatieplaats maximaal 24
                            maanden (4 x 6 maanden) kan duren. Dit was vastgelegd in de
                            Re-integratieverordening Wet werk en bijstand en is ongewijzigd
                            overgenomen.</al><al/><al><cursief>Rangorde voorziening</cursief></al><al>In vergelijking tot de werkstage (artikel 5) is gemeenschappelijk dat
                            het uiteindelijke doel het verkrijgen van regulier werk is. Waarin deze
                            voorziening met de werkstage verschilt, is dat de inzet van de
                            participatieplaats de doorgroei van de persoon die behoort tot de
                            doelgroep naar een volgende fase richting arbeidsmarkt beoogt. In de
                            volgende fase zal het accent dan meer liggen op arbeidsactivering
                            (zoals: leerwerktrajecten, scholing, taalcursussen) of arbeidstoeleiding
                            (zoals: bemiddeling, sollicitatiecursus) en uiteindelijk reguliere
                            arbeid. De participatieplaatsen dienen perspectief te bieden aan
                            personen uit de doelgroep die nog niet bemiddelbaar zijn voor regulier
                            werk.</al><al/><al><cursief>Premie</cursief></al><al>De persoon die werkzaamheden verricht op een participatieplaats heeft
                            recht op een premie voor het eerst na zes maanden en vervolgens iedere
                            zes maanden na aanvang van de additionele werkzaamheden (artikel 10a,
                            zesde lid, van de Participatiewet). Voorwaarde is dat de persoon naar
                            het oordeel van het bestuur voldoende heeft meegewerkt aan het vergroten
                            van zijn kansen op de arbeidsmarkt. De hoogte van de premie moet in de
                            verordening vastgelegd worden (artikel 8a, eerste lid, onderdeel d, van
                            de Participatiewet). De premie wordt vrijgelaten op grond van artikel
                            31, tweede lid, onderdeel j, van de Participatiewet. In verband hiermee
                            is de hoogte van de premie begrensd door het in de vrijlatingsbepaling
                            genoemde bedrag. Daarnaast moet bij het bepalen van de hoogte van de
                            premie ook de risico's van de armoedeval worden betrokken.4 </al><al>Er is gekozen voor een premie van telkens € 600 per zes maanden.</al><al>Bij het bepalen van de hoogte van de premie in relatie tot de armoedeval
                            is gebruik gemaakt van rekenvoorbeelden van de regering (Tweede Kamer,
                            vergaderjaar 2008-2009,31577, nr. 6, p. 28-29)</al><al>Wanneer deze rekenvoorbeelden worden afgezet tegen de hoogte van de
                            premie van de gemeente dan blijkt dat hier geen armoedeval valt te
                            verwachten.</al><al/></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>4:7</nr><titel>Participatievoorziening beschut werk</titel></kop><al>Het bestuur kan de voorziening beschut werk aanbieden aan een persoon
                            uit de doelgroep die door een lichamelijke, verstandelijke of psychische
                            beperking een zodanige mate van begeleiding op en aanpassingen van de
                            werkplek nodig heeft dat niet van een reguliere werkgever redelijkerwijs
                            niet kan worden verwacht dat hij deze in dienst neemt (eerste lid).</al><al/><al><cursief>Stap 1: voorselectie</cursief></al><al>Ten behoeve van de participatievoorziening beschut werk voert de
                            gemeente een voorselectie uit. Tijdens de voorselectie bepaalt het
                            bestuur welke mensen in aanmerking kunnen komen voor beschut werk, en op
                            welk moment. In de verordening moet vastgelegd worden hoe zij deze
                            voorselectie uitvoeren.5 Daarom is in het tweede lid bepaald dat het
                            bestuur zo mogelijk van het reguliere instroom- en diagnoseproces zoals
                            dat in de dienstverleningslijn wordt toegepast gebruik maakt om tot een
                            voorselectie te komen. Is het doorlopen van het reguliere proces gelet
                            op de aard en ernst van de arbeidsbeperkingen van belanghebbende niet
                            mogelijk, dan wordt bekeken welk onderzoek door welke (gespecialiseerde)
                            medewerkers nodig is om in het individuele geval tot een juiste diagnose
                            te komen. Zo wordt bij belanghebbenden die afkomstig zijn van de Pro Vso
                            scholen voorzien in een warme overdracht door al op de scholen zelf te
                            beginnen met een indicatiestelling. Deze warme overdracht wordt zoveel
                            mogelijk uitgevoerd conform de methodiek Werkschool 2.0. zoals
                            afgesproken in arbeidsregio-verband. Vervolgens wordt, in alle gevallen
                            waar het vermoeden bestaat dat belanghebbende uitsluitend in een
                            beschutte omgeving mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft, door de
                            Unit Maatschappelijke Participatie een (bindend) advies gegeven over de
                            mogelijkheid om binnen de bestaande voorzieningen een passende plek aan
                            te kunnen bieden.</al><al/><al>Het bestuur kan ambtshalve vaststellen of een persoon uitsluitend in een
                            beschutte omgeving onder aangepaste omstandigheden mogelijkheden tot
                            arbeidsparticipatie heeft (artikel 10b, eerste lid, van de
                            Participatiewet). Hiervoor is dus geen aanvraag van een persoon nodig.
                            Het bestuur maakt uit de personen uit de doelgroep een voorselectie. Het
                            bestuur moet bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen advies
                            inwinnen voor de beoordeling of de geselecteerde personen uitsluitend in
                            een beschutte omgeving onder aangepaste omstandigheden mogelijkheden tot
                            arbeidsparticipatie hebben. </al><al/><al><cursief>Stap 2: advies Uitvoeringsinstituut
                                werknemersverzekeringen</cursief></al><al>Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen adviseert het bestuur
                            met betrekking tot het oordeel of een persoon tot de doelgroep beschut
                            werk behoort. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen voert op
                            basis van de criteria, zoals vastgelegd in de algemene maatregel van
                            bestuur van 11 december 2014 (Staatsblad 2014 / 515) “Besluit advisering
                            Beschut”, een beoordeling uit (artikel 10b, tweede lid, van de
                            Participatiewet). <cursief>Stap 3: besluit gemeente</cursief></al><al>Op basis van het advies van het Uitvoeringsinstituut
                            werknemersverzekeringen beslist de gemeente of iemand tot de doelgroep
                            'beschut werk' behoort. Alleen als sprake is van een onzorgvuldige
                            totstandkoming van het advies van het Uitvoeringsinstituut
                            werknemersverzekeringen, kan de gemeente besluiten het advies niet te
                            volgen.6</al><al/><al><cursief>Stap 4: dienstbetrekking “beschut werk”</cursief></al><al>Nadat is vastgesteld dat iemand tot de doelgroep “beschut werk” behoort,
                            zorgt de gemeente ervoor dat deze persoon in een dienstbetrekking onder
                            beschutte omstandigheden aan de slag gaat (artikel 10b, derde lid, van
                            de Participatiewet). Het kan dan gaan om een privaatrechtelijke of een
                            publiekrechtelijke dienstbetrekking (artikel 6, eerste lid, onderdeel f,
                            van de Participatiewet). Hoe de dienstbetrekking wordt georganiseerd,
                            behoort tot de beleidsvrijheid van gemeenten. Een dienstbetrekking kan
                            bijvoorbeeld worden georganiseerd via een gemeentelijke dienst, NV, BV
                            of stichting. Ook kunnen personen (via detachering) in een beschutte
                            omgeving bij reguliere werkgevers werken.7</al><al/><al>Naast het bepalen van wie in aanmerking kan komen voor beschut is in
                            deze verordening vastgelegd welke voorzieningen voor arbeidsinschakeling
                            ingezet worden om deze dienstbetrekking mogelijk te maken (derde lid).
                            Tevens is in deze verordening vastgelegd op welke wijze de gemeente de
                            omvang van het aanbod van beschut werk, het aantal beschikbare plekken,
                            vaststelt. Gemeenten kunnen het werk zelf organiseren via bijvoorbeeld
                            een aan de gemeente gelieerd bedrijf zoals een SW-bedrijf. Ook kunnen
                            zij afspraken maken met andere reguliere werkgevers over de voorwaarden
                            waarop zij deze mensen een dergelijke dienstbetrekking aanbieden.8</al><al><cursief>Omvang beschut werk</cursief></al><al>De gemeenten in het Westerkwartier en de gemeente Noordenveld hebben de
                            omvang van het aanbod beschut werk in beginsel vastgelegd. Het gaat
                            jaarlijks om maximaal 10 personen uit de vijf genoemde gemeenten.
                            Waarbij de totale omvang op maximaal 125 medewerkers wordt gesteld. Een
                            aanvraag voor een participatieplaats beschut werken kan dus worden
                            geweigerd als de maximale omvang van het aanbod beschut werken in het
                            aanvraagjaar is bereikt. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>4:8</nr><titel>Ondersteuning bij leer-werktraject</titel></kop><al>Personen die behoren tot de doelgroep kunnen in aanmerking komen voor de
                            voorziening ondersteuning bij leer-werktrajecten. Het bestuur moet dan
                            wel van oordeel zijn dat een leer-werktraject nodig is en de
                            ondersteuning nodig moet zijn voor het volgen van dat leer-werktraject.
                            Dit is geregeld in artikel 10 en volgt uit artikel 10f van de
                            Participatiewet.</al><al/><al>Artikel 10f van de Participatiewet bepaalt voorts dat het bestuur
                            uitsluitend ondersteuning bij een leer-werktraject kan aanbieden aan
                            personen:</al><al>van zestien of zeventien jaar van wie de leerplicht of de
                            kwalificatieplicht, bedoeld in de Leerplichtwet 1969, nog niet is
                            geëindigd, of</al><al>van achttien tot 27 jaar die nog geen startkwalificatie hebben
                            behaald.</al><al/><al>De voorziening ondersteuning bij leer-werktrajecten is inzetbaar voor
                            jongeren van zestien of zeventien jaar oud die dreigen uit te vallen uit
                            school, maar middels een leer/werktraject alsnog een startkwalificatie
                            kunnen behalen. Om te voorkomen dat jongeren onnodig uitvallen, wordt de
                            mogelijkheid geboden extra ondersteuning te bieden. Deze voorziening kan
                            ook worden ingezet ter voorkoming van schooluitval bij jongeren van
                            achttien tot 27 jaar die door een leer-werktraject alsnog een
                            startkwalificatie kunnen behalen.</al><al/><al>Bijstandsgerechtigden jonger dan 27 jaar die uit 's Rijks kas bekostigd
                            onderwijs kunnen volgen, zijn uitgesloten van ondersteuning op grond van
                            artikel 7, derde lid, onder a, van de Participatiewet. Voor de conclusie
                            dat een jongere uit 's Rijks kas bekostigd onderwijs kan volgen is
                            vereist dat de jongere uit 's Rijks kas bekostigd onderwijs volgt of
                            daarvoor in aanmerking komt.9 In het kader van artikel 7, derde lid,
                            onder a, van de Participatiewet betekent dit dat het bestuur vanaf het
                            moment dat de jongere uit 's Rijks kas bekostigd onderwijs volgt of kan
                            volgen geen ondersteuning bij de arbeidsinschakeling kan bieden. </al><al/><al>In artikel 10f van de Participatiewet is bepaald dat het bestuur onder
                            omstandigheden ondersteuning kan bieden aan personen jonger dan achttien
                            jaar en aan personen van achttien tot 27 jaar die nog geen
                            startkwalificatie hebben behaald en voor wie een leer-werktraject nodig
                            is. Er wordt vanuit gegaan dat het mogelijk is een leer-werktraject aan
                            te bieden aan personen die voldoen aan het bepaalde in de artikelen 10
                            en 10f van de Participatiewet, in afwijking van artikel 7, derde lid,
                            onder a, van de Participatiewet.</al><al/></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>4:9</nr><titel>Persoonlijke ondersteuning</titel></kop><al>In artikel 12 wordt de voorziening persoonlijke ondersteuning nader
                            geduid. Het gaat dan om een voorziening zoals een job coach, die op
                            vaste tijden en gedurende een langere periode de werknemer met
                            beperkingen bij het verrichten van zijn taken ondersteunt. Het moet dan
                            ook gaan om een systematische ondersteuning.</al><al/><al>Daarnaast moet de ondersteuning noodzakelijk zijn in die zin, dat de
                            werknemer zonder die ondersteuning in redelijkheid niet zijn
                            werkzaamheden zou kunnen verrichten. Persoonlijke ondersteuning heeft
                            tot doel dat een werknemer wordt begeleid naar een situatie dat hij
                            uiteindelijk zonder begeleiding via een dergelijke voorziening bij een
                            reguliere werkgever werkzaam kan zijn.10</al><al/></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>4:10</nr><titel>No-riskpolis</titel></kop><al>De no-riskpolis kan worden ingezet als ondersteuning bij de
                            arbeidsinschakeling (artikel 8a, tweede lid, onderdeel b, van de
                            Participatiewet). De no-riskpolis is een belangrijk instrument om
                            aarzelingen bij werkgevers weg te nemen om mensen met arbeidsbeperkingen
                            in dienst te nemen. De no-riskpolis zorgt ervoor dat de werkgever
                            compensatie ontvangt voor de loonkosten, wanneer een werknemer met
                            arbeidsbeperkingen ziek wordt. Een werkgever komt niet in aanmerking
                            voor een no-risk polis als artikel 29b van de Ziektewet van toepassing
                            is (artikel 8a, tweede lid, onderdeel b Participatiewet). </al><al/><al>Dit artikel is een uitwerking van afspraken tussen de VNG en het UWV
                            over de no-riskpolis. Zie hierover de ledenbrief van de VNG van 20
                            januari 2015 (kenmerk ECSD/U201500041). Deze regeling geldt enkel voor
                            het jaar 2015. De wetgever beoogt om met een wettelijke regeling vanaf 1
                            januari 2016 de no-riskpolis helemaal via het UWV te beleggen. Dat
                            betekent dat de gemeenten hiervoor in 2016 dan ook geen budget meer voor
                            krijgen in verband met de rechtstreekse verrekening met het UWV.</al><al>Personen die vallen onder de doelgroep van de afspraakbanen in het kader
                            van de Participatiewet kunnen hiervan gebruik maken. De bedoeling is dat
                            door de no-riskpolis werkgevers minder aarzelen om iemand in dienst te
                            nemen omdat ze met deze polis gevrijwaard zijn om loon bij ziekte door
                            te betalen.</al><al/></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>4:11</nr><titel>Werkgeversarrangement</titel></kop><al>De gemeente werkt met de UWV aan een gezamenlijke benadering van
                            werkgevers met het doel afspraken te maken over het inzetten van
                            werkzoekenden bij het vervullen van vacatures. Omdat in veel gevallen
                            een perfecte match nog niet tot stand kan worden gebracht zullen
                            arrangementen met werkgevers (moeten) worden afgesloten. Deze
                            arrangementen kunnen bijvoorbeeld inhouden dat aan personen uit de
                            doelgroep een vorm van scholing wordt aangeboden of extra begeleiding in
                            de eerste periode of dat de kosten en risico’s voor een werkgever
                            gedurende een bepaalde periode worden beperkt. Ook leer-werkconstructies
                            maken hier onderdeel van uit. Dit is in het eerste lid geregeld.</al><al>In het tweede lid wordt de mogelijkheid geboden maatwerkafspraken met
                            werkgevers te maken doordat in bijzondere gevallen kan worden afgeweken
                            van hetgeen in de verordening en de uitvoeringsbesluiten geregeld
                            is.</al><al/></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>4:12</nr><titel>Nazorg</titel></kop><al>Mede gezien de beperkte financiële middelen is het belangrijk ervoor te
                            zorgen dat personen uit de doelgroep na uitstroom niet na een korte
                            periode terugvallen in een uitkering. De gemeente kan ertoe besluiten
                            veel aandacht te besteden aan nazorg, met als doel een werkelijk
                            duurzame plaatsing te realiseren. Bij dit artikel is ervan uitgegaan dat
                            nazorg geboden kan worden ná acceptatie van algemeen geaccepteerde
                            arbeid, dus niet bij gesubsidieerde arbeid. Bij gesubsidieerde arbeid
                            maakt begeleiding en advisering normaal gesproken al onderdeel uit van
                            het traject.</al><al/></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>4:13</nr><titel>Loonkostensubsidies</titel></kop><al>De voorziening loonkostensubsidies is naast de inzet van werkstages en
                            sociale activering een van instrumenten ter bevordering van de
                            arbeidsinschakeling. </al><al/><al><cursief>eerste lid</cursief></al><al>In het eerste lid is vastgelegd dat de loonkostensubsidie wordt
                            verstrekt aan werkgevers in het kader van het afsluiten van
                            arbeidsovereenkomsten met de personen die tot de doelgroep behoren. In
                            tegenstelling tot de wettelijke loonkostensubsidieregeling voor de
                            invulling van de zogenaamde afspraakbanen, kan ook loonkostensubsidie
                            worden verstrekt voor personen die in staat zijn om met voltijdse arbeid
                            het wettelijk minimum loon te verdienen. Het gaat hier om personen die
                            langdurig werkloos zijn en vanwege hun leeftijd, opleidingsniveau of
                            beperkte schoolopleiding een grot afstand hebben tot de
                            arbeidsmarkt.</al><al/><al><cursief>tweede lid</cursief></al><al>Het tweede lid geeft het bestuur de bevoegdheid nadere regels te stellen
                            over de hoogte van de subsidie, de termijn en de praktische
                            uitvoering.</al><al/><al><cursief>derde lid</cursief></al><al>De loonkostensubsidie is aanvullend van karakter. Het derde lid bepaalt
                            dat geen loonkostensubsidie zal worden verstrekt voor kosten waarvoor de
                            werkgever reeds een andere subsidie of vergoeding ontvangt. </al><al/><al><cursief>vierde lid</cursief></al><al>Het ontbinden van arbeidsovereenkomsten is niet vrijblijvend. In het
                            vierde lid is een opsomming gegeven van de situaties waarbij ontbinding
                            van de arbeidsovereenkomst mogelijk is. Bij een voortijdige ontbinding
                            van de arbeidsovereenkomst kan het bestuur, onder toepassing van het
                            vijfde lid, een onderzoek instellen en omtrent het ontslag de nodige
                            informatie opvragen bij de werkgever. Indien voldaan is aan de
                            voorwaarden, zal de loonkosten subsidie naar rato lager worden
                            vastgesteld. </al><al/><al>vijfde lid</al><al>Ook ten aanzien van de uitvoering van het vijfde lid kan het bestuur een
                            nader onderzoek instellen door middel van het opvragen van de relevante
                            informatie bij de werkgever en de ondernemingsraad van de werkgever. Op
                            basis van dit onderzoek dient te worden vastgesteld dat er geen sprake
                            is van de verstoring van concurrentieverhoudingen en verdringen van
                            reguliere arbeid.</al><al/></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>4:14</nr><titel>Uitstroompremie</titel></kop><al>Het bestuur kan eenmalig aan een belanghebbende, die langdurig werkloos
                            is, een uitstroompremie toekennen als die duurzaam uitstroomt naar
                            algemeen geaccepteerde arbeid. In de wet is dit geregeld in artikel 31
                            lid 2 onderdeel j Participatiewet. De premie is onbelast en werkt niet
                            door bij inkomensafhankelijke regelingen. De premie is bedoeld als
                            instrument om algemeen geaccepteerde arbeid te aanvaarden zonder nog een
                            beroep op bijstand te hoeven te doen te stimuleren. </al><al>In een uitvoeringsbesluit kan nader worden uitgewerkt voor welke
                            doelgroepen de premie geldt en onder welke voorwaarden de premie kan
                            worden toegekend; ook de hoogte van de premie zal in het
                            uitvoeringsbesluit beleid worden vastgelegd. </al><al/></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>4:15</nr><titel>Overige vergoedingen</titel></kop><al>Ter stimulering van de arbeidsinschakeling kan het bestuur nog niet
                            nader benoemde kosten vergoeden voor activiteiten die daaraan bijdragen.
                            Daarbij geldt als restrictie dat de kosten niet behoren tot kosten
                            waarvoor een voorliggende voorziening bestaat.</al><al/></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>5:1</nr><titel>Onvoorzien en nadere regels</titel></kop><al>Dit artikel is bedoeld als een vangnetartikel. Waar de verordening
                            onvoldoende aansluit bij een bijzondere situatie uit de praktijk, kan
                            het bestuur een besluit nemen om daarin te voorzien. Dit kan in een
                            individueel geval zijn waarin de verordening niet voorziet. Dit kan ook
                            door het bestuur nadere regels over de uitvoering van deze verordening
                            te laten vaststellen.</al><al/></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>5:2</nr><titel>Intrekken oude verordening en overgangsrecht</titel></kop><al>In artikel 5:2 is onder andere het overgangsrecht neergelegd. Het kan
                            voorkomen dat personen een voorziening toegekend hebben gekregen op
                            grond van de oude re-integratieverordening, die niet meer voldoet aan de
                            voorwaarden uit deze verordening. Hierbij kan worden gedacht aan de
                            situatie waarin de oude re-integratieverordening voorzieningen bevat die
                            na inwerkingtreding van deze verordening niet meer worden verstrekt. Ook
                            is het denkbaar dat een persoon op grond van de oude
                            re-integratieverordening wel in aanmerking zou komen voor een
                            voorziening, maar door inwerkingtreding van deze verordening niet meer.
                            De toegekende voorziening zou dan op grond van artikel 4:1 van deze
                            verordening moeten worden beëindigd. Om dit te voorkomen is in het
                            tweede lid, geregeld dat dergelijke voorzieningen worden behouden voor
                            een bepaalde duur. Een dergelijke voorziening wordt behouden voor ten
                            hoogste de duur van twaalf maanden of - als dit eerder is - voor de duur
                            dat deze is verstrekt. Dit uiteraard voor zover wordt voldaan aan de
                            voorwaarden uit de Re-integratieverordening Wet werk en bijstand. Wordt
                            niet meer aan die voorwaarden voldaan, dan moet de voorziening worden
                            beëindigd, bijvoorbeeld als een belanghebbende geen aanspraak meer heeft
                            op ondersteuning bij de arbeidsinschakeling. De periode van twaalf
                            maanden begint te lopen vanaf het moment van inwerkingtreding van deze
                            verordening. <cursief>Voortzetten toegekende
                            voorzieningen</cursief></al><al>Toegekende voorzieningen op grond van de Re-integratieverordening Wet
                            werk en bijstand worden dus in beginsel behouden tot twaalf maanden na
                            inwerkingtreding van deze verordening. Na afloop van die periode kan het
                            bestuur besluiten of een voorziening wordt voortgezet (artikel 5:2,
                            derde lid). Hierbij kan het bestuur rekening houden met al gesloten
                            overeenkomsten. Voortzetting van een voorziening ligt bijvoorbeeld voor
                            de hand als het bestuur is gehouden de kosten van een dergelijke
                            voorziening te voldoen, ongeacht of een persoon nog gebruik maakt van de
                            voorziening. Lopende re-integratievoorzieningen kunnen in beginsel ná
                            inwerkingtreding van deze verordening worden afgerond conform de
                            overeenkomst.</al><al/><al><cursief>Voortzetting is niet mogelijk</cursief></al><al>Voortzetting van een toegekende voorziening na twaalf maanden is niet
                            mogelijk als de voorziening binnen die periode is beëindigd wegens het
                            niet meer voldoen aan de voorwaarden voor die voorziening op grond van
                            de Re-integratieverordening Wet werk en bijstand of als de voorziening
                            is toegekend voor een kortere duur dan twaalf maanden na
                            inwerkingtreding van de verordening. Een voorziening dient immers niet
                            langer te worden voortgezet dan de duur van de oorspronkelijke
                            toekenning. </al><al/><al>Ten aanzien van de voorzieningen als bedoeld in het tweede en derde lid
                            blijft de Re-integratie-verordening Wet werk en bijstand van toepassing.
                            Dit staat in het vierde lid.</al><al/></divisie></nota-toelichting><bijlage/></regeling></body></cvdr>