<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR37142_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Re-integratieverordening WWB</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Dinkelland</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-02-13</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Dinkelland</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">DinkellandVisie 27 september 2007</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Re-integratieverordening WWB</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">artikelen 7, 8 en 10 Wet werk en bijstand, artikelen 34, 35 en 36 van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers, de artikelen 34, 35 en 36 Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen, de Algemene wet bestuursrecht, de Gemeentewet;</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2007-09-18</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2007-10-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2012-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Onbekend</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Re-integratieverordeing WWB</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente Dinkelland;</al><al/><al>gezien het voorstel van burgemeester en wethouders van 10 juli 2007;</al><al/><al>gelet op de artikelen 7, 8 en 10 van de Wet werk en bijstand, de artikelen
                        34, 35 en 36 van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                        arbeidsongeschikte werkloze werknemers, de artikelen 34, 35 en 36 van de Wet
                        inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen
                        zelfstandigen, de Algemene wet bestuursrecht en de Gemeentewet;</al><al/><al>mede gelet op het beleidsadvies van het Ministerie van Sociale Zaken en
                        Werkgelegenheid inzake Europese richtlijnen en
                        concurrentieverhoudingen;</al><al/><al>overwegende dat de gemeenteraad, op grond van artikel 7 van de Wet werk en
                        bijstand, verplicht is bij verordening regels te stellen met betrekking tot
                        het ondersteunen bij arbeidsinschakeling en het aanbieden van voorzieningen,
                        gericht op arbeidsinschakeling, als bedoeld in artikel 7, eerste lid,
                        aanhef, sub a van de Wet werk en bijstand;</al><al/><al><cursief><vet><onderstreept>besluit</onderstreept></vet></cursief></al><al/><al/><al>vast te stellen de navolgende Re-integratieverordening WWB.</al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>1</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><al>a. de wet: de Wet werk en bijstand (WWB, Stb. 2003, 375);</al><al>b. beleidsregels: de Beleidsregels Re-integratieverordening
                                WWB;</al><al>c. uitkeringsgerechtigde: persoon met recht op een uitkering
                                ingevolge de WWB, IOAW dan wel IOAZ van de gemeente Dinkelland;</al><al>d. belanghebbende: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit
                                op grond van deze verordening is betrokken;</al><al>e. voorziening: een voorziening als bedoeld in artikel 7, eerste
                                lid, aan- hef, sub a van de wet;</al><al>f. inlener: organisatie aan wie een persoon in het kader van een
                                voorziening ter beschikking wordt gesteld;</al><al>g. inleenvergoeding: vergoeding die een inlener betaalt voor de
                                plaatsing van een persoon via een voorziening;</al><al>h. loonkostensubsidie: subsidie aan een werkgever die een
                                bijstandsgerechtig- de, met enige tot grote afstand tot de
                                arbeidsmarkt, in dienst neemt;</al><al>i. traject: vorm(en) van ondersteuning, gericht op arbeidsinschake-
                                ling, waarbij indien noodzakelijk tevens voorzieningen worden
                                ingezet;</al><al>j. trajectplan: een individueel stappenplan, waarin trajectafspraken
                                zijn opgenomen die noodzakelijk zijn voor activering naar reguliere
                                arbeid;</al><al>k. algemeen geaccepteerde arbeid: arbeid als bedoeld in artikel 9,
                                eerste lid, sub a van de wet alsmede arbeid in de Wsw-organisatie op
                                verzoek van de belanghebbende;</al><al>l. reguliere arbeid: niet-gesubsidieerde arbeid in loondienst dan
                                wel niet gesubsidieerde arbeid als zelfstandige;</al><al>m. vrijwilligerswerk: het werken, zonder beloning, bij uitsluitend
                                non-profit organisaties;</al><al>n. ondersteuning: het geheel van activiteiten, waaronder begrepen de
                                inzet van voorzieningen;</al><al>o. college: het college van burgemeester en wethouders van de ge-
                                meente Dinkelland.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De in deze verordening gehanteerde begrippen en begripsbepalingen
                                hebben dezelfde betekenis als bedoeld in de wet, de Wet
                                inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte
                                werkloze werknemers (IOAW), de Wet inkomensvoorziening oudere en
                                gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (IOAZ) en de
                                Algemene wet bestuursrecht, tenzij daarvan uitdrukkelijk in deze
                                verordening wordt afgeweken.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Opdracht college</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college biedt aan uitkeringsgerechtigden tot 65 jaar,
                                niet-uitkeringsgerechtigden als bedoeld in artikel 6 van de wet en
                                personen als bedoeld in artikel 7 van de wet met een nabestaanden-
                                of halfwezenuitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet,
                                ondersteuning bij de arbeidsinschakeling en, voorzover het college
                                dat noodzakelijk acht, een voorziening gericht op die
                                arbeidsinschakeling.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Bij de keuze van de mogelijkheden van ondersteuning wordt door het
                                college een afweging gemaakt, waarbij gekeken wordt of de
                                ondersteuning, gelet op de mogelijkheden en capaciteiten van een
                                persoon, het meest doelmatig is met het oog op
                                arbeidsinschakeling.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college draagt zorg voor voldoende diversiteit in het aanbod aan
                                ondersteuning.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Aanspraak op ondersteuning</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De personen als bedoeld in artikel 2, eerste lid, hebben aanspraak
                                op ondersteuning bij arbeidsinschakeling en op de naar het oordeel
                                van het college noodzakelijk geachte voorzieningen gericht op
                                arbeidsinschakeling.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Aan de personen als bedoeld in het eerste lid doet het college door
                                middel van een trajectplan een aanbod dat past binnen de criteria
                                zoals gesteld in deze verordening.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Personen als bedoeld in artikel 6 van de wet met een hoger netto
                                inkomen dan twee maal de toepasselijke bijstandsnorm of een hoger
                                vermogen als bedoeld in artikel 34 van de wet zijn uitgesloten van
                                aanspraak op ondersteuning. Hierbij wordt geen rekening gehouden met
                                het gestelde in artikel 34, lid 2, onder d van de wet.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Verplichtingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De personen als bedoeld in artikel 2, eerste lid, zijn verplicht om
                                naar vermogen algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen,
                                aanvaarden of behouden en gebruik te maken van een door het college
                                aangeboden traject, alsmede mee te werken aan een onderzoek naar hun
                                mogelijkheden tot arbeidsinschakeling.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De personen die deelnemen aan een traject zijn gehouden aan de
                                verplichtingen die voortvloeien uit de wet, de Wet structuur
                                uitvoeringsorganisatie werk en inkomen en deze verordening, alsmede
                                aan de verplichtingen die het college aan de aangeboden voorziening
                                heeft verbonden.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien een uitkeringsgerechtigde niet voldoet aan het gestelde in
                                het eerste of het tweede lid, is de Maatregelenverordening WWB
                                gemeente Dinkelland 2004 van toepassing, dan wel de artikelen 20 en
                                20a tot en met 20f van de IOAW of de IOAZ.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Indien een persoon, als bedoeld in artikel 2, eerste lid, die
                                gebruik maakt van een traject, niet voldoet aan het gestelde in het
                                tweede lid van dit artikel, kan het college de kosten van het
                                traject geheel of gedeeltelijk van hem terugvorderen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Trajectplan</titel></kop><al>De in het kader van een trajectplan gemaakte afspraken worden vastgelegd
                            in een beschikking.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Subsidieplafonds</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan één of meer subsidieplafonds vaststellen voor de
                                verschillende voorzieningen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan, indien een specifieke voorziening als gevolg van
                                het gestelde in het eerste lid moet worden geweigerd, een wachtlijst
                                instellen.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>2</nr><titel>Voorzieningen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Algemene bepalingen voorzieningen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan, in aanvulling op de verplichtingen die voortvloeien
                                uit de wet en deze verordening, aan een voorziening nadere
                                verplichtingen verbinden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan een voorziening beëindigen:</al><al>a. indien een persoon die aan een voorziening deelneemt zijn
                                verplichtingen als bedoeld in de wet, deze verordening dan wel het
                                trajectplan niet nakomt;</al><al>b. indien een persoon die aan een voorziening deelneemt niet meer
                                behoort tot de doelgroep van de wet of deze verordening;</al><al>c. indien een persoon algemeen geaccepteerde arbeid aanvaardt dan
                                wel aanspraak maakt op algemeen geaccepteerde arbeid, waarbij geen
                                gebruik wordt gemaakt van een voorziening;</al><al>d. indien naar het oordeel van het college de voorziening
                                onvoldoende bijdraagt aan een snelle, doelmatige arbeidsinschakeling
                                van de belanghebbende.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college plaatst de persoon die aan een voorziening deelneemt
                                alleen bij een organisatie indien door zijn plaatsing de
                                concurrentieverhoudingen niet onverantwoord worden beïnvloed en
                                indien door zijn plaatsing geen verdringing op de arbeidsmarkt
                                plaatsvindt.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De voorziening genoemd in artikel 9 geldt niet voor
                                niet-uitkeringsgerechtigden als bedoeld in artikel 6 van de wet en
                                personen als bedoeld in artikel 7 van de wet met een nabestaanden-
                                of halfwezenuitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Werk met behoud van uitkering</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan personen, als bedoeld in artikel 2, eerste lid, een
                                stage of vrijwilligerswerk aanbieden, gericht op
                                arbeidsinschakeling.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het doel van de stage of vrijwilligerswerk is arbeidsoriëntatie, het
                                opdoen van werkervaring dan wel het leren functioneren in een
                                arbeidsrelatie.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Bij werken met behoud van uitkering is in beginsel geen sprake van
                                een arbeidsovereenkomst.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De individuele doelstelling van de stage of het vrijwilligerswerk
                                wordt vastgelegd in een beschikking.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De stage of vrijwilligerswerk duurt maximaal drie maanden, met de
                                mogelijkheid van een verlenging met maximaal drie maanden, indien de
                                doelstelling na drie maanden nog niet bereikt is.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Loonkostensubsidie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan aan werkgevers die een arbeidsovereenkomst sluiten
                                met een persoon als bedoeld in artikel 2, eerste lid voor een
                                periode van maximaal drie jaar een loonkostensubsidie
                                verstrekken.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Loonkostensubsidie is bedoeld als opstap naar regulier werk.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Personen voor wie een loonkostensubsidie wordt verstrekt, dienen
                                binnen maximaal drie jaar uit te stromen naar reguliere arbeid.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Detacheringsbanen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan personen, als bedoeld in artikel 2, eerste lid, de
                                voorziening detacheringsbaan aanbieden als onderdeel van een traject
                                voor de duur van maximaal één jaar.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De voorziening als bedoeld in het eerste lid wordt aangeboden als
                                een dienstverband, gericht op het opdoen van werkervaring.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De persoon als bedoeld in het eerste lid wordt gedetacheerd bij een
                                werkgever als plaatsing niet leidt tot onverantwoorde beïnvloeding
                                van concurrentieverhoudingen of verdringing van een arbeidsplaats of
                                arbeidsplaatsen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Participatiebanen</titel></kop><al>Het college kan personen, als bedoeld in artikel 2, eerste lid, met een
                            grote tot zeer grote afstand tot de arbeidsmarkt, het instrument
                            participatiebanen voor maximaal vier jaar aanbieden.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Persoonsgebonden re-integratiebudget</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan personen, als bedoeld in artikel 2, eerste lid, het
                                instrument persoonsgebonden re-integratiebudget aanbieden. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Aan de hoogte van het persoonsgebonden re-integratiebudget wordt
                                door het college een subsidieplafond ingesteld als bedoeld in
                                artikel 6 van deze verordening.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>Overige voorzieningen</titel></kop><al>Het college kan personen, als bedoeld in artikel 2, eerste lid, de
                            volgende specifieke voorzieningen aanbieden als onderdeel van een
                            traject:</al><al>a. sociale activering: het verrichten van maatschappelijk nuttige
                            activiteiten als voorbereiding op een traject gericht op werk of gericht
                            op het voorkomen van sociaal isolement;</al><al>b. scholing: het opdoen van kennis en vaardigheden (competenties) met
                            als doel het vergroten van de kansen op werk;</al><al>c. duale trajecten: gecombineerd leren en werken, waardoor het tekort
                            aan scholing en werkervaring wordt aangepakt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>Deeltijd- en stimuleringspremie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan een deeltijdpremie verstrekken aan
                                uitkeringsgerechtigden, die geheel of gedeeltelijk zijn ontheven van
                                de arbeidsverplichting en reguliere arbeid in deeltijd
                                verrichten.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan een stimuleringspremie verstrekken aan personen, die
                                met goed gevolg een (deel)traject hebben afgesloten, als bedoeld in
                                de artikelen 11 en 13.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15</nr><titel>Onkostenvergoeding</titel></kop><al>Het college kan een vergoeding verstrekken voor kosten die in het kader
                            van een traject worden gemaakt, waaronder begrepen reiskosten, kosten
                            voor kinderopvang, kosten voor middelen ten behoeve van scholing,
                            representatiekosten (kapper- en kledingkosten), tenzij voor deze kosten
                            van een voorliggende voorziening gebruik kan worden gemaakt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16</nr><titel>No-riskpolis en premiekorting</titel></kop><al>Het college kan ten behoeve van personen, als bedoeld in artikel 2,
                            eerste lid het instrument no-riskpolis, als bedoeld in artikel 29b van
                            de Ziektewet en het instrument premiekorting, als bedoeld in artikel 49
                            van de Wet financiering sociale verzekeringen inzetten.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>3</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17</nr><titel>Uitvoering verordening</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college is belast met de uitvoering van het bepaalde in deze
                                verordening.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college is bevoegd om nadere regels te stellen met betrekking
                                tot de uitvoering van deze verordening, in gevallen waarin deze
                                verordening niet voorziet.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18</nr><titel>Hardheidsclausule</titel></kop><al>Voorzover toepassing van deze verordening tot een onbillijkheid van
                            overwegende aard leidt kan het college in bijzondere gevallen afwijken
                            van het in deze verordening bepaalde en ter zake, op individuele
                            gronden, een nadere beslissing nemen. Aan het desbetreffende van de
                            verordening afwijkende besluit van het college dient een op de
                            individuele situatie afgestemde motivering ten grondslag te liggen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19</nr><titel>Evaluatie</titel></kop><al>Het college brengt periodiek verslag uit aan de raad inzake de
                            uitvoering van deze verordening.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>20</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening kan worden aangehaald als: Re-integratieverordening
                            WWB.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>21</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 oktober
                                2007.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Met ingang van de in het eerste lid vermelde datum vervalt de
                                “Reïntegratieverordening WWB gemeente Dinkelland 2004”.</al><al/></lid></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van de raad van 18 september
                        2007.</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>De griffier, De voorzitter,</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>Mr. O.J.R.J. Huitema Mr. F.P.M. Willeme</ondertekening><ondertekening/></regeling-sluiting><nota-toelichting><tussenkop>Toelichting Re-integratieverordening WWB</tussenkop><al/><al/><tussenkop>HOOFDSTUK 1 Algemene bepalingen</tussenkop><al/><tussenkop><vet>Artikel 1 Begripsbepalingen</vet></tussenkop><tussenkop>Artikel 1, lid 1</tussenkop><al>De begrippen die in de verordening worden gebruikt, sluiten zoveel mogelijk aan
                    en hebben zoveel mogelijk een gelijkluidende betekenis als de omschrijving
                    hiervan in de relevante wetgeving. Dit is mede vastgelegd in het tweede lid van
                    dit artikel. De in het eerste lid vermelde omschrijvingen spreken voor zich, met
                    uitzondering van de volgende twee omschrijvingen:</al><tussenkop>k. algemeen geaccepteerde arbeid</tussenkop><al>Onder algemeen geaccepteerde arbeid wordt verstaan gangbare arbeid die algemeen
                    maatschappelijk aanvaard is. Personen kunnen bezwaar maken tegen arbeid die zij
                    niet geaccepteerd achten op basis van principiële bezwaren uit levensovertuiging
                    dan wel om religieuze redenen.</al><tussenkop>n. ondersteuning</tussenkop><al>Het begrip ondersteuning is breder dan het aanbieden van een voorziening in de
                    zin van de verordening gericht op arbeidsinschakeling. Onder ondersteuning
                    worden tevens verstaan alle activiteiten, al dan niet in de vorm van een
                    traject, gericht op sociale activering dan wel hulp of zorg (bijvoorbeeld
                    praktische hulp, advies, doorverwijzing naar andere instanties). Ondersteuning
                    hoeft niet altijd te bestaan uit een door derden uit te voeren traject, met één
                    of meerdere voorzieningen.</al><tussenkop>Artikel 1, lid 2</tussenkop><al>In het belang van volledige afstemming van de begrippen met de relevante
                    wetgeving is hier bepaald dat de begrippen in deze verordening, tenzij daarvan
                    uitdrukkelijk wordt afgeweken, dezelfde betekenis hebben als in de in dit lid
                    vermelde wetten.</al><al/><tussenkop>Artikel 2 Opdracht college</tussenkop><al>Behoeft geen nadere toelichting.</al><al/><tussenkop>Artikel 3 Aanspraak op ondersteuning</tussenkop><al>Behoeft geen nadere toelichting.</al><al/><tussenkop>Artikel 4 Verplichtingen</tussenkop><tussenkop>Artikel 4, lid 4</tussenkop><al>Wanneer een voorziening gericht op arbeidsinschakeling is verstrekt aan een
                    persoon en deze voorziening blijkt bij nader inzien ten onrechte te zijn
                    verstrekt, dan dient de voorziening van de persoon te worden teruggevorderd. Dit
                    kan bijvoorbeeld het geval zijn als de belanghebbende onjuiste inlichtingen
                    heeft verstrekt of een verplichting verbonden aan de voorziening niet is
                    nagekomen.</al><al>De terugvorderingsbepalingen in de WWB (artikelen 58 tot en met 60) hebben
                    uitsluitend betrekking op een door het college verleende bijstandsuitkering. Er
                    is in dat geval geen sprake van een privaatrechtelijke overeenkomst met de
                    persoon. Om die reden dient de terugvordering te worden gebaseerd op de
                    zogeheten ‘onverschuldigde betaling’ van een verleende subsidie met inachtneming
                    van het volgende.</al><al>Allereerst dient het college als bestuursorgaan de belanghebbende schriftelijk
                    mede te delen dat deze ten onrechte een subsidie voor een
                    re-integratievoorziening heeft ontvangen. Tegelijkertijd dient het eerder
                    genomen besluit tot toekenning van de voorziening te worden ingetrokken. Deze
                    mededeling levert een besluit als bedoeld in de Algemene wet bestuursrecht (Awb)
                    op waartegen de belanghebbende bezwaar kan maken.</al><al> Intrekking of herziening van een subsidiebeschikking heeft tot gevolg dat
                    betalingen (al dan niet gedeeltelijk) ‘onverschuldigd’ hebben
                    plaatsgevonden.</al><al>Ingevolge artikel 4:57 van de Awb kunnen onverschuldigd betaalde
                    subsidiebedragen en voorschotten van de belanghebbende worden teruggevorderd.
                    Deze terugvordering kan tot maximaal 5 jaar na de vaststelling van de subsidie
                    plaatsvinden.</al><al>Ingeval de subsidieontvanger één of meer aan de subsidie verbonden
                    verplichtingen niet nakomt, gaat deze termijn van 5 jaar in op het moment dat
                    een verplichting niet wordt nagekomen. Het besluit tot terugvordering van (een
                    deel van) de verstrekte subsidie heeft geen executoriale werking.</al><al/><tussenkop>Artikel 5 Trajectplan</tussenkop><al>Behoeft geen nadere toelichting.</al><al/><tussenkop>Artikel 6 Subsidieplafonds</tussenkop><al>Een door het college ingesteld subsidieplafond vormt een weigeringsgrond bij de
                    aanspraak op een specifieke voorziening. Er kan een andere voorziening worden
                    aangeboden en/of de persoon kan op een wachtlijst geplaatst worden om alsnog
                    deel te nemen aan de betreffende voorziening.</al><al/><al/><tussenkop>HOOFDSTUK 2 Voorzieningen</tussenkop><al/><tussenkop>Artikel 7 Algemene bepalingen voorzieningen</tussenkop><tussenkop>Artikel 7, lid 2</tussenkop><al>Deze bepaling geeft aan in welke gevallen het college een voorziening kan
                    beëindigen. Onder beëindigen wordt hierbij ook verstaan het stopzetten van een
                    loonkostensubsidie aan een werkgever of het opzeggen van de arbeidsovereenkomst
                    ingevolge een detacheringsbaan of participatiebaan. Bij deze laatste wijze van
                    beëindigen worden de toepasselijke bepalingen uit het arbeidsrecht en de
                    eventueel aanwezige rechtspositieregeling in acht genomen.</al><al>Indien sprake is van verhuizing van de persoon naar een andere gemeente zal
                    overleg plaatsvinden met de betreffende gemeente met betrekking tot het
                    eventueel kunnen overnemen van de voorziening of het laten overvloeien in een
                    andere voorziening conform de re-integratieverordening van de betreffende
                    gemeente.</al><tussenkop>Artikel 7, lid 3</tussenkop><al>De hoogte van de eventuele loonkostensubsidie dan wel inleenvergoeding wordt
                    afgestemd op de loonwaarde van de persoon die ter beschikking wordt gesteld aan
                    de werkgever of inlener. Op die manier kunnen de concurrentieverhoudingen niet
                    nadelig worden beïnvloed.</al><al/><tussenkop>Artikel 8 Werken met behoud van uitkering</tussenkop><al>De instrumenten stage en vrijwilligerswerk zijn kortdurend en bedoeld als
                    arbeidsoriëntatie of het opdoen van arbeidsritme dan wel werkervaring. De
                    deelnemers mogen niet gezien worden als goedkope arbeidskrachten. Ook zijn deze
                    instrumenten en met name de stage niet bedoeld als proeftijd voor een reguliere
                    plaatsing. Eventueel wordt de stageplaats omgezet in een loonkostensubsidie, om
                    concurrentieverstoring te voorkomen.</al><al>Omdat de stage een voorportaal is voor reguliere arbeid en gericht dient te zijn
                    op de toekomstige arbeidsmogelijkheden, kan het instrument niet beperkt worden
                    tot de non-profit sector. Plaatsing in de profit sector verdient juist de
                    voorkeur, omdat er in die sector meer uitstroommogelijkheden zijn. Het
                    instrument stage onderscheidt zich daarbij wezenlijk van vrijwilligerswerk en
                    maatschappelijke participatie. Hierbij is vaak sprake van plaatsing bij
                    non-profit organisaties of vanwege de gemeente gesubsidieerde instellingen.</al><al/><tussenkop>Artikel 9 Loonkostensubsidie</tussenkop><al>De gesubsidieerde arbeid in het kader van de WWB in de gemeente Dinkelland zal
                    voornamelijk via loonkostensubsidies tot stand komen. Dit houdt in dat personen
                    bij reguliere werkgevers in dienst komen, waarbij de werkgevers een
                    loonkostensubsidie krijgen afhankelijk van loonwaarde, functieloon en uiteraard
                    de deeltijdfactor. Belangrijk hierbij is dat de hoogte van de subsidie zodanig
                    is dat de concurrentieverhoudingen niet verstoord worden.</al><al>Plaatsing met behulp van een loonkostensubsidie is een instrument gericht op
                    arbeidsinschakeling en vormt derhalve als zodanig in de re-integratieketen geen
                    eindstation voor de belanghebbende.</al><al/><tussenkop>Artikel 10 Detacheringsbanen</tussenkop><al>Het instrument detacheringsbaan is bedoeld om personen die niet in aanmerking
                    komen voor bijvoorbeeld het instrument loonkostensubsidie de mogelijkheid te
                    bieden om gedurende maximaal één jaar deel te nemen aan het reguliere
                    arbeidsproces. Dit instrument kan worden ingezet bij belanghebbenden die als
                    gevolg van te weinig werkervaring veelal (nog) niet interessant genoeg zijn voor
                    een werkgever om een arbeidsovereenkomst aan te gaan.</al><al>Via het instrument detacheringsbaan is het mogelijk om, door tussenkomst van een
                    re-integratiebe-drijf een persoon te plaatsen. Het re-integratiebedrijf treedt
                    in dat geval op als juridisch werkgever en biedt de belanghebbende een
                    arbeidsovereenkomst aan voor maximaal één jaar. Gedurende deze periode wordt
                    verwacht dat door de persoon voldoende werkervaring kan worden opgedaan om uit
                    te stromen naar regulier werk. De gemeente vergoedt bij toepassing van dit
                    instrument vanuit het Werkdeel van de WWB de loonkosten op basis van het
                    wettelijk minimumloon.</al><al>De begeleiding en plaatsing bij een reguliere werkgever wordt uitgevoerd door
                    het re-integratiebedrijf. Dit houdt in dat de reguliere werkgever veelal
                    gehouden zal zijn om een inleen-/detacheringsvergoe-ding aan het
                    re-integratiebedrijf te betalen.</al><al/><tussenkop>Artikel 11 Participatiebanen</tussenkop><al>Maatschappelijke participatie kan ingezet worden voor uitkeringsgerechtigden met
                    een zeer grote afstand tot de arbeidsmarkt. Het verschil met vrijwilligerswerk
                    is, dat de gemeente maatschappelijke participatie bewust inzet als langdurig
                    activeringsinstrument en waarbij het traject door de gemeentelijke
                    accountmanager geregisseerd en gevolgd wordt. Het in staat zijn tot
                    vrijwilligerswerk kan aanknopingspunten geven tot de inzet van het instrument
                    participatiebaan. Maatschappelijke participatie is één van de schakels in de
                    keten die kan leiden naar regulier werk. Een maatschappelijke participatiebaan
                    is een activeringsinstrument dat kan worden geplaatst tussen vrijwilligerswerk
                    en werken met een loonkostensubsidie. Bij dit instrument is de doelstelling dat
                    personen uiteindelijk weer via tijdelijk en additioneel werk een gewone baan
                    krijgen, ook als hun kansen op werk gering zijn, zodat ze niet meer van een
                    uitkering afhankelijk zijn.</al><al>Onder participatiebanen wordt verstaan: banen bij instellingen die afhankelijk
                    zijn van subsidie of andere vormen van financiering door de overheid. Om voor
                    toepassing van dit instrument in aanmerking te kunnen komen moeten deze
                    instellingen kunnen aantonen dat zij niet over de middelen beschikken om een
                    reguliere arbeidskracht voor de functie(s) te kunnen aannemen.</al><al>Bij toepassing van dit instrument worden belanghebbenden voor een bepaalde tijd
                    door de instelling in dienst genomen en wel voor maximaal vier jaar. Gedurende
                    die tijd kan de persoon aan een terugkeer op de arbeidsmarkt werken. De
                    belanghebbende ontvangt gedurende die periode een WWB-uitkering. De
                    belanghebbende wordt hiermee de kans gegeven te participeren in de maatschappij
                    en de uitkeringsgelden worden ten behoeve van het maatschappelijk belang en
                    dienstverlening aan burgers ingezet. Van de instelling kan een
                    werkgeversbijdrage/inleenvergoeding worden gevraagd van minimaal € 1.500,00 per
                    jaar. De uitkeringsgerechtigde kan een premie participatiebaan ontvangen.</al><tussenkop>Aanvullende voorwaarden</tussenkop><al>Voor het instrument gelden de volgende aanvullende voorwaarden: de
                    belanghebbende heeft een grote tot zeer grote afstand tot de arbeidsmarkt en het
                    betreft additionele werkzaamheden in een non-profit organisatie (om misbruik van
                    goedkope arbeidskrachten te voorkomen).</al><al/><tussenkop>Artikel 12 Persoonsgebonden
                    re-integratiebudget</tussenkop><al>Het persoonsgebonden re-integratiebudget (Prb) wordt bij beschikking aan de
                    belanghebbende beschikbaar gesteld. Niet de gemeente maar belanghebbende zelf
                    geeft daarmee opdracht tot het uitvoeren van een voorziening.</al><al>De belanghebbende kan een vrije keuze maken uit een door de gemeente
                    geselecteerd en beschikbaar gesteld aanbod van voorzieningen. Daarmee houdt de
                    gemeente een lichte vorm van regie op de keuze van de persoon. Dit om te
                    voorkomen dat de keuze van de belanghebbende niet in overeenstemming is met de
                    gediagnosticeerde mogelijkheden, dan wel dat de keuze van de belanghebbende tot
                    beperkingen leidt die de terugkeer van de belanghebbende op de arbeidsmarkt
                    kunnen belemmeren.</al><al>Het Prb is vooral bedoeld voor personen die gemotiveerd zijn, alsmede over
                    doorzettingsvermogen en goede sociale vaardigheden beschikken. Door
                    belanghebbenden meer zeggenschap te geven over hun eigen re-integratie zal de
                    motivatie om het traject tot een succes te maken toenemen. Daarnaast is bij een
                    Prb van te voren bekend welke kosten met het traject gemoeid zijn. Bij een Prb
                    is de rol van de gemeente voornamelijk beperkt tot begeleiding van het
                    traject.</al><al>Voor de hoogte van een Prb kan een subsidieplafond worden ingesteld.</al><al/><tussenkop>Artikel 13 Overige voorzieningen</tussenkop><al>Er zijn nog tal van overige voorzieningen die bij de wensen en mogelijkheden van
                    belanghebbende personen aansluiten. Hierbij kan gedacht worden aan trajecten die
                    gericht kunnen zijn op het doorbreken of voorkomen van een isolement, het
                    opbouwen van arbeidsritme, het opdoen van werkervaring, het verkennen van de
                    arbeidsmarkt, het stellen van een diagnose ten aanzien van mogelijkheden en
                    belemmeringen, het versterken van mogelijkheden en/of het opheffen dan wel
                    compenseren van bepaalde belemmeringen. Deze trajecten vinden met behoud van
                    uitkering plaats.</al><al>Deze trajecten kunnen op zichzelf staan of aangeboden worden in combinatie met
                    een ander re-integratie instrument. Voorop staat dat het traject een vooraf
                    bepaald (sub)doel heeft en de arbeidsmarktmogelijkheden van de belanghebbende
                    daarmee worden vergroot.</al><al>Ook scholing staat meestal niet op zichzelf en is derhalve vaak een onderdeel
                    van een traject. Scholing kan in principe naast ieder ander re-integratie
                    instrument ingezet worden.</al><al/><tussenkop>Artikel 14 Deeltijd- en stimuleringspremie</tussenkop><tussenkop>Artikel 14, lid 1</tussenkop><al>Voor de persoon die deeltijdarbeid verricht en daarnaast recht heeft op
                    aanvullende bijstand staat de mogelijkheid open voor een deeltijdpremie. De
                    deeltijdpremie wordt jaarlijks ambtshalve toegekend en uitbetaald. Voorwaarde
                    voor de toekenning is dat de belanghebbende geheel of gedeeltelijk is ontheven
                    van de arbeidsverplichting en minimaal zes maanden heeft gewerkt.</al><tussenkop>Artikel 14, lid 2</tussenkop><al>Voor de persoon die overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 11 of 13 een
                    traject volgt, staat de mogelijkheid open van een stimuleringspremie. De
                    stimuleringspremie wordt ambtshalve per traject toegekend en uitbetaald.
                    Voorwaarde voor de toekenning is dat de persoon het traject met goed gevolg
                    heeft afgerond en dat aansluitend een vervolgtraject wordt ingezet. De trajecten
                    vormen als zodanig een keten om te komen tot uitstroom naar reguliere arbeid van
                    de belanghebbende.</al><al/><tussenkop>Artikel 15 Onkostenvergoeding</tussenkop><al>Behoeft geen nadere toelichting.</al><al/><tussenkop>Artikel 16 No-riskpolis en premiekorting</tussenkop><al>Het instrument no-riskpolis, als bedoeld in artikel 29b van de Ziektewet en het
                    instrument premiekorting, als bedoeld in artikel 49 van de Wet financiering
                    sociale verzekeringen kan worden ingezet voor personen die onder de
                    re-integratieverantwoordelijkheid van de gemeente vallen. Het Centrum voor Werk
                    en Inkomen (CWI) beslist of een persoon daarvoor in aanmerking komt. Het gaat
                    daarbij om personen:</al><lijst><li nr="·"><al>met een structurele functionele beperking, en</al></li><li nr="·"><al>van wie voldoende aannemelijk is dat zij tengevolge van ziekte of gebrek
                            geen functie met een werktijd van meer dan 65% van een reguliere voltijd
                            functie met een werktijd van 40 uur per week kunnen vervullen, en</al></li><li nr="·"><al>die al twee jaar onder verantwoordelijkheid van de gemeente vallen,
                            en</al></li><li nr="·"><al>die twee jaar onafgebroken als werkzoekende bij het CWI ingeschreven
                            staan.</al></li></lijst><al>De gemeente moet over de beperkingen een verklaring van een deskundige bij de
                    aanvraag voegen.</al><al/><al/><tussenkop>HOOFDSTUK 3 Slotbepalingen</tussenkop><al/><tussenkop>Artikel 17 Uitvoering verordening</tussenkop><tussenkop>Artikel 17, lid 1</tussenkop><al>Dat het college is belast met de uitvoering van de verordening is wettelijk
                    bepaald. Overeenkomstig hetgeen hierover wettelijk is geregeld en met
                    inachtneming van het gemeentelijke mandaatbesluit, kan het college deze
                    bevoegdheid mandateren aan gemeenteambtenaren, zulks onder eventueel nader door
                    het college te stellen regels en onder behoud van de verantwoordelijkheid van
                    het college van de door de gemeenteambtenaren terzake namens het college genomen
                    besluiten.</al><tussenkop>Artikel 17, lid 2</tussenkop><al>Voor een juiste uitvoering van de verordening kan het noodzakelijk zijn dat
                    nadere uitvoeringsregels worden vastgesteld. Op grond van het bepaalde in dit
                    tweede lid heeft het college de bevoegdheid om dergelijke regels vast te
                    stellen.</al><al/><tussenkop>Artikel 18 Hardheidsclausule</tussenkop><al>Op grond van dit artikel kan het college in niet krachtens deze verordening
                    voorziene situaties en voorzover toepassing van deze verordening tot een
                    onbillijkheid van overwegende aard leidt, op individuele basis naar bevind van
                    zaken handelen en beslissen. Aan de desbetreffende, van de verordening
                    afwijkende beslissing van het college dient een op de individuele situatie
                    afgestemde motivering ten grondslag te liggen, waaruit duidelijk moet blijken
                    waarom de hardheidsclausule in de concrete situatie is toegepast. In de
                    beschikking dient de nadere aanduiding van de bijzondere situatie en de
                    motivering die op grond hiervan tot de van de in de verordening afwijkende
                    beslissing heeft geleid te worden vermeld. Het gebruik maken van de
                    hardheidsclausule moet als een uitzondering en niet als een
                    regelwordenbeschouwd.</al><al/><tussenkop>Artikel 19 Evaluatie</tussenkop><al>Op grond van dit artikel wordt het door het gemeentebestuur op grond van deze
                    verordening gevoerde beleid periodiek geëvalueerd. Daarbij worden ten minste de
                    navolgende onderwerpen betrokken: het aantal trajecten en het aantal
                    uitgestroomde uitkeringsgerechtigden op jaarbasis als gevolg van de toepassing
                    van deze verordening. Indien de evaluatie daartoe aanleiding geeft, dient de
                    evaluatie te leiden tot aanpassing van de verordening en/of van de
                    beleidsregels.</al><al/><tussenkop>Artikel 20 Citeertitel</tussenkop><al>Behoeft geen nadere toelichting.</al><al/><tussenkop>Artikel 21 Inwerkingtreding</tussenkop><al>Behoeft geen nadere toelichting.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>