<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR371254_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening Re-integratie, Loonkostensubsidie en Studietoeslag Stichtse Vecht 2015</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Stichtse Vecht</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-01-09</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Stichtse Vecht</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Gemeenteblad, 7-7-2015, 60559</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening Re-integratie Stichtse Vecht 2015</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Participatiewet.</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2015-06-30</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2015-07-08</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:terugwerkendekrachtDatum>2015-07-01</overheidrg:terugwerkendekrachtDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2017-11-07</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>SV 184</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Algemene Maatregel van Bestuur (Amvb) 2014-0000178543.</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>N.v.t.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening Re-integratie, Loonkostensubsidie en Studietoeslag Stichtse Vecht
            2015</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente Stichtse Vecht,</al><al>gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 17 maart 2015; </al><al>gehoord de commissie van 14 april 2015;</al><al><vet>besluit</vet></al><al>vast te stellen de</al><al><vet>Verordening re-integratie, loonkostensubsidie en studietoeslag
                            Stichtse Vecht 2015</vet></al><al/><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>1</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begrippen</titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><al>wet : Participatiewet;</al><al>doelgroep : personen als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onder a, van
                            de wet;</al><al>prioritaire doelgroepen : personen als bedoeld in artikel 7, eerste lid,
                            onder a nummer 1 van de wet, die in het beleid zijn omschreven als
                            zijnde doelgroepen waarop de re-integratie zich primair richt voor wat
                            betreft inzet van voorzieningen en/of personeel. </al><al>maatwerk in re-integratie : werkwijze die de inzet van voorzieningen en
                            personeel baseert op de persoonlijke omstandigheden en potentie van de
                            bijstandsgerechtigde voor zover dit naar verwachting niet leidt tot
                            overschrijding van het participatiebudget, ook als dit buiten de
                            gestelde kaders voor de inzet van voorzieningen gebeurt. </al><al>loonwaarde : vastgesteld percentage van het rechtens geldende loon voor
                            de door een persoon, die tot de doelgroep loonkostensubsidie behoort,
                            verrichte arbeid in een functie naar evenredigheid van de
                            arbeidsprestatie in die functie van een gemiddelde werknemer met een
                            soortgelijke opleiding en ervaring, die niet tot de doelgroep
                            loonkostensubsidie behoort.</al><al>mantelzorg<cursief>:</cursief>langdurige zorg die
                            niet in het kader van een hulpverlenend beroep wordt geboden aan een
                            hulpbehoevende door personen uit diens directe omgeving, waarbij
                            zorgverlening rechtstreeks voortvloeit uit de sociale relatie en de
                            gebruikelijke zorg van huisgenoten voor elkaar overstijgt.</al><al>uitkeringsgerechtigde : persoon die algemene bijstand op grond van de
                            Wet ontvangt, dan wel een uitkering ontvangt op grond van de lOAW of de
                            lOAZ, en die niet tevens een uitkering ontvangt van het
                            UWV;</al><al>niet-uitkeringsgerechtigde : de persoon bedoeld in artikel 6, eerste
                            lid, onder a, van de Wet;</al><al>garantiebaan : een baan als bedoeld in de Wet banenafspraak en quotum
                            arbeidsbeperkten;</al><al>beschut werk : werk in beschutte omgeving en onder aangepaste
                            omstandigheden als bedoeld in artikel 10b van de wet.</al><al>De begripsbepalingen van de wet zijn op deze verordening en de daarop
                            berustende bepalingen van toepassing.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>2</nr><titel>Beleid en financiën</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Evenwichtige verdeling en financiering</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan aan een persoon uit de doelgroep een voorziening
                                aanbieden voor zover het college dat noodzakelijk acht. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college richt zich bij de inzet van voorzieningen en personeel
                                primair op de prioritaire doelgroepen, maar kan tevens maatwerk in
                                re-integratie toepassen als de persoonlijke omstandigheden en de
                                verwachte kansen op de arbeidsmarkt hierom vragen. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college stelt bij het aanbieden van voorzieningen aan de
                                doelgroep prioriteiten rekening houdend met haar financiële
                                mogelijkheden.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college houdt bij het aanbieden van de in deze verordening
                                opgenomen voorzieningen rekening met de omstandigheden en
                                functionele beperkingen van een persoon. De omstandigheden hebben in
                                ieder geval betrekking op zorgtaken van die persoon en de
                                mogelijkheid dat hij behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie of
                                gebruik maakt van de voorziening beschut werk. Onder zorgtaken wordt
                                in ieder geval verstaan: </al><lijst><li nr="a."><al>de opvang van ten laste komende kinderen tot vijf jaar, en
                                    </al></li><li nr="b."><al>de noodzakelijkheid van het verrichten van mantelzorg.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het college kan in beleidsregels aanvullende bepalingen vaststellen
                                met betrekking tot de uitvoering van deze verordening;</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Het college zendt periodiek aan de gemeenteraad een verslag over de
                                doeltreffendheid van het beleid.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Budgetplafonds</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan een of meer budgetplafonds vaststellen voor de
                                verschillende voorzieningen. Een door het college ingesteld
                                budgetplafond vormt een weigeringsgrond bij de aanspraak op een
                                specifieke voorziening. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan een plafond instellen voor het aantal personen dat
                                in aanmerking komt voor een specifieke voorziening. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college kan bepalen dat aan niet-uitkeringsgerechtigden zoals
                                bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a 7º, van de
                                Participatiewet een bijdrage in de kosten van de voorziening wordt
                                gevraagd.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>3</nr><titel>Voorzieningen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Algemene bepalingen over voorzieningen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college stelt een beleidsplan vast waarin is vastgelegd welke
                                voorzieningen re-integratie, waaronder ondersteunende voorzieningen,
                                het college in ieder geval kan aanbieden en de voorwaarden die
                                daarbij gelden voor zover daarover in deze verordening geen nadere
                                bepalingen zijn opgenomen. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een re-integratievoorziening is gericht op volledige uitstroom uit
                                de uitkering door het verkrijgen van een betaalde baan dan wel het
                                bereiken van een grotere deelname aan de reguliere arbeidsmarkt.
                            </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Een participatievoorziening is gericht op volledige uitstroom uit de
                                uitkering door het verkrijgen van een betaalde baan dan wel het
                                bereiken van een grotere deelname aan de reguliere arbeidsmarkt en,
                                als dit (nog) niet mogelijk is, een grotere maatschappelijke
                                participatie.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college kan een voorziening beëindigen als: </al><lijst><li nr="a."><al>de persoon die aan de voorziening deelneemt zijn
                                        verplichting als bedoeld in de artikelen 9 en 17 van de wet,
                                        de artikelen 13 en 37 van de Wet inkomensvoorziening oudere
                                        en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers of de
                                        artikelen 13 en 37 van de Wet inkomensvoorziening oudere en
                                        gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen niet
                                        nakomt; </al></li><li nr="b."><al>de persoon die aan de voorziening deelneemt niet meer
                                        behoort tot de doelgroep;</al></li><li nr="c."><al>de persoon die aan de voorziening deelneemt algemeen
                                        geaccepteerde arbeid aanvaardt waarbij geen gebruik wordt
                                        gemaakt van een in deze verordening genoemde voorzieningen,
                                        tenzij het betreft een persoon als bedoeld in artikel 7,
                                        eerste lid, onderdeel a onder 2, van de wet;</al></li><li nr="d."><al>de persoon die aan de voorziening deelneemt niet naar
                                        behoren gebruik maakt van de aangeboden voorziening;</al></li><li nr="e."><al>de voorziening naar het oordeel van het college niet meer
                                        geschikt is voor de persoon die gebruik maakt van de
                                        voorziening;</al></li><li nr="f."><al>de persoon die aan de voorziening deelneemt niet meer
                                        voldoet aan de voorwaarden die in deze verordening worden
                                        gesteld om in aanmerking te komen voor die voorziening.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Maatwerkvoorziening re-integratie gericht op economische
                                zelfredzaamheid</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan een persoon uit de doelgroep een maatwerkvoorziening
                                aanbieden gericht op economische zelfredzaamheid voor zover hij niet
                                in staat is op eigen kracht algemeen geaccepteerde arbeid te
                                verkrijgen, maar daar met ondersteuning wel binnen afzienbare
                                termijn toe in staat is. Deze maatwerkvoorziening kan ook worden
                                aangeboden aan een persoon uit de doelgroep om zijn aanwezige
                                arbeidsvermogen te vergroten.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De duur van het traject is maximaal zes maanden en kan zo nodig
                                verlengd worden met nogmaals drie maanden.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Scholing kan onderdeel uitmaken van de ondersteuning voor zover de
                                scholing naar het oordeel van het college bijdraagt aan het te
                                bereiken resultaat.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Een scholingstraject voldoet in ieder geval aan de volgende
                                eisen:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>zonder inzet van scholing is het verwerven of behouden van arbeid
                                naar het oordeel van het college niet haalbaar;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>de scholing moet aansluiten bij de krachten en bekwaamheden van de
                                persoon;</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>de scholing is gericht op het behalen van een certificaat of diploma
                                tenminste op het niveau van een startkwalificatie, of op een lager
                                niveau als er een hoger niveau voor de persoon niet haalbaar
                                is;</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het derde lid is niet van toepassing op personen die jonger zijn dan
                                27 jaar en uit ’s Rijks kas bekostigd onderwijs kunnen volgen, zoals
                                bedoel in artikel 7, derde lid, onderdeel a, van de wet.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Nazorg kan onderdeel uitmaken van de ondersteuning voor de duur van
                                maximaal twaalf maanden na acceptatie van algemeen geaccepteerde
                                arbeid.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Werkstage</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan een persoon een werkstage gericht op
                                arbeidsinschakeling aanbieden als deze:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>behoort tot de doelgroep, en</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>nog niet actief is geweest op de arbeidsmarkt of een afstand tot de
                                arbeidsmarkt heeft door langdurige werkloosheid.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het doel van een werkstage is het opdoen van werkervaring of het
                                leren functioneren in een arbeidsrelatie. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De duur van het traject is maximaal zes maanden en kan zo nodig
                                verlengd worden met nogmaals maximaal drie maanden.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college plaatst de persoon uitsluitend als hierdoor de
                                concurrentieverhoudingen niet onverantwoord worden beïnvloed en er
                                geen verdringing op de arbeidsmarkt plaatsvindt. </al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>In een schriftelijke overeenkomst wordt in ieder geval
                                vastgelegd:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>het doel van de werkstage, en</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>de wijze waarop de begeleiding plaatsvindt.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Proefplaatsing</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan een persoon als de werkgever twijfelt of de
                                werkzoekende het werk aan kan, een proefplaatsing aanbieden, van
                                maximaal 2 maanden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Tijdens deze proefplaatsing wordt de uitkering doorbetaald. In deze
                                periode zal, in de situatie dat het een garantiebaan betreft, dan
                                wel een persoon betreft behorend tot de doelgroep
                                loonkostensubsidie, ook de loonwaarde worden vastgesteld voor het
                                bepalen van de loonkostensubsidie na de proefplaatsing .</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Begeleiding bij leer-werktraject</titel></kop><al>Het college kan begeleiding aanbieden aan een persoon uit de doelgroep
                            ten aanzien van wie het college van oordeel is dat een leer-werktraject
                            nodig is. Het betreft personen:</al><lijst><li nr="a."><al>van zestien of zeventien jaar van wie de leerplicht of de
                                    kwalificatieplicht, bedoeld in de Leerplichtwet 1969, nog niet
                                    is geëindigd, of</al></li><li nr="b."><al>van achttien tot zevenentwintig jaar die nog geen
                                    startkwalificatie hebben behaald.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Loonkostensubsidie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college stelt een loonkostensubsidie beschikbaar aan werkgevers
                                voor personen die behoren tot de doelgroep loonkostensubsidie als
                                bedoeld in artikel 6, eerste lid, onderdeel e van de
                                Participatiewet.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De loonkostensubsidie die de werkgever ontvangt is het verschil
                                tussen het wettelijk minimumloon en de loonwaarde, vermeerderd met
                                een vergoeding voor de werkgeverslasten. Deze bedraagt per 1 januari
                                2015 maximaal 23% van de loonkosten waarover loonkostensubsidie op
                                grond van artikel 10d, eerste lid, van de Participatiewet wordt
                                verstrekt. (conform AmvB 2014-0000178543). </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De loonkostensubsidie wordt in principe alleen verstrekt bij een
                                loonwaarde van minimaal 40%.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Als het CAO loon hoger is dan het WML, zijn de meerkosten voor
                                rekening van de werkgever.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De duur van de verstrekking van loonkostensubsidie is afhankelijk
                                van de loonwaarde. Elk jaar wordt die opnieuw bepaald. Bij een
                                loonwaarde van 100 % WML stopt de subsidie. Wanneer iemand dat nooit
                                bereikt kan de loonkostensubsidie blijven doorgaan.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>De subsidie wordt uitsluitend verstrekt als hierdoor de
                                concurrentieverhoudingen niet onverantwoord worden beïnvloed en geen
                                verdringing plaatsvindt.</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>De loonkostensubsidie wordt niet verstrekt als de werkgever op grond
                                van een andere regeling aanspraak maakt op financiële
                                tegemoetkomingen in verband met de indiensttreding van de
                                werknemer.</al></lid><lid><lidnr>8.</lidnr><al>Het college kan een loonkostensubsidie verstrekken aan werkgevers
                                die met een kwetsbare, uiterst kwetsbare of gehandicapte werknemer
                                een arbeidsovereenkomst sluiten.</al></lid><lid><lidnr>9.</lidnr><al>Het college kan nadere regels stellen ter uitwerking van deze
                                regeling.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Maatwerkvoorziening participatieplaats</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college biedt aan degene die op grond van artikel 10a van de wet
                                additionele werkzaamheden verricht een voorziening gericht op
                                arbeidsinschakeling aan in de vorm van een scholing of opleiding die
                                de toegang tot de arbeidsmarkt bevordert. Doel van deze scholing of
                                opleiding is het behalen van een diploma of certificaat met minstens
                                het niveau van een startkwalificatie tenzij naar het oordeel van het
                                College een dergelijke scholing of opleiding de krachten of
                                bekwaamheden van de belanghebbende te boven gaat. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De premie, bedoeld in artikel 10a, zesde lid, van de wet bedraagt €
                                300,-- per 6 maanden, mits in die zes maanden voldoende is
                                meegewerkt aan het vergroten van de kans op inschakeling in het
                                arbeidsproces.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Vaststelling loonwaarde</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college bepaalt in een nadere regel de wijze waarop de
                                loonwaarde van een persoon wordt vastgesteld. Daarbij wordt rekening
                                gehouden met de eisen die het Rijk aan loonwaardemeting heeft
                                gesteld.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college maakt gebruik van een gevalideerde
                                loonwaardemethodiek.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Er wordt gewerkt met de methode zoals die door het regionaal
                                werkbedrijf is aangewezen. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Re-integratievoorziening no risk polis</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Werkgevers kunnen voor mensen behorend tot de doelgroep die in
                                aanmerking komt voor een garantiebaan gebruik maken van het
                                instrument no risk polis, door ziektemelding aan het UWV en aan de
                                gemeente.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien de werkgever een beroep doet op de no risk polis, wordt de
                                verstrekking van een eventuele loonkostensubsidie voor die periode
                                stopgezet.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Bij nadere regels kan de gemeente bepalen dat voor overige mensen
                                die niet tot de doelgroep van de garantiebanen behoren, maar wel
                                behoren tot de doelgroep die in aanmerking komt voor een
                                loonkostensubsidie (artikel 10d van de Wet), werkgevers eveneens een
                                beroep kunnen doen op een no risk polis. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>Participatievoorziening beschut werk</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan de voorziening beschut werk, in de zin van artikel
                                10b van de participatiewet, aanbieden aan een persoon uit de
                                doelgroep die door een lichamelijke, verstandelijke of psychische
                                beperking een zodanige mate van begeleiding op en aanpassingen van
                                de werkplek nodig heeft dat van een reguliere werkgever
                                redelijkerwijs niet kan worden verwacht dat hij deze persoon in
                                dienst neemt. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college maakt uit de personen uit de doelgroep een voorselectie
                                en wint bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen advies
                                in voor de beoordeling of zij uitsluitend in een beschutte omgeving
                                onder aangepaste omstandigheden mogelijkheden tot
                                arbeidsparticipatie hebben. Het college selecteert voor deze
                                beoordeling uitsluitend personen met een grote afstand tot de
                                arbeidsmarkt en een grote (structurele) begeleidingsbehoefte van wie
                                kan worden ingeschat dat zij beschikken over een zekere mate van
                                arbeidsvermogen. De wijze van voorselectie is in de toelichting
                                nader uitgewerkt.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Om de in artikel 10b, eerste lid, van de Participatiewet, bedoelde
                                werkzaamheden mogelijk te maken zet het college de volgende
                                ondersteunende voorzieningen in: fysieke aanpassingen van de
                                werkplek of de werkomgeving, uitsplitsing van taken of aanpassingen
                                in de wijze van werkbegeleiding, werktempo of arbeidsduur.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college bepaalt de omvang van het aanbod beschut werk en legt
                                vast hoeveel plekken voor beschut werk de gemeente beschikbaar
                                stelt. In verband hiermee overlegt het college met het
                                Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, aan de gemeente
                                gelieerde bedrijven en andere reguliere werkgevers.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>Maatwerkvoorziening persoonlijke ondersteuning</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Aan een persoon die behoort tot de doelgroep, kan het college
                                persoonlijke ondersteuning bij het verrichten van de aan die persoon
                                opgedragen taken aanbieden in de vorm van structurele begeleiding
                                als hij zonder persoonlijke ondersteuning niet in staat is de aan
                                hem opgedragen taken te verrichten.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan in bijzondere omstandigheden aan personen die met
                                een loonkostensubsidie werkzaam zijn persoonlijke ondersteuning
                                aanbieden ter voorkoming van uitval, voor zover de uitval niet is te
                                relateren aan de aan hem opgedragen taken.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college kan in nadere regels aan de persoonlijke ondersteuning
                                een maximum tijdsduur verbinden.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15</nr><titel>Individuele studietoeslag</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college kan op aanvraag aan personen die voldoen aan het
                                    gestelde in 36b, eerste lid, van de wet, een individuele
                                    studietoeslag verlenen. </al></li><li nr="2."><al>De individuele studietoeslag bedraagt € 100,-- per maand. </al></li><li nr="3."><al>Een individuele studietoeslag wordt per maand uitbetaald.</al></li><li nr="4."><al>De individuele studietoeslag wordt niet eerder toegekend dan vanaf de
                            eerste dag van de maand waarop de aanvraag is ingediend voor de
                            (resterende) duur van het school- of studiejaar. </al></li><li nr="5."><al>De individuele studietoeslag wordt tussentijds beëindigd zodra de
                            studie wordt gestaakt of betrokkene niet langer voldoet aan het gestelde
                            in art. 36b, eerste lid, onder b, van de wet. </al></li><li nr="6."><al>Het college kan nadere regels stellen die betrekking hebben op: </al><lijst><li nr="a."><al>De vaststelling van de doelgroep met name voor de toepassing van
                            artikel 36b onderdeel d van de wet; </al></li><li nr="b."><al>De wijze waarop ten aanzien van de doelgroep invulling wordt gegeven
                            aan paragraaf 3.2 van de wet voor zover daarvan afgeweken wordt; </al></li><li nr="c."><al>De wijze waarop ten aanzien van de doelgroep invulling wordt gegeven
                            aan paragraaf 3.4 van de wet voor zover daarvan afgeweken wordt; </al></li><li nr="d."><al>De verrekening van inkomsten en/of het stellen van een
                            inkomstengrens.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16</nr><titel>Vergoedingen</titel></kop><al>Het college kan aan een belanghebbende die tot de doelgroep behoort een
                            vergoeding verstrekken voor kosten die gemaakt zijn in het kader van de
                            arbeidsinschakeling. Dit wordt in een nadere regel uitgewerkt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17</nr><titel>Persoonlijke voorzieningen bij werk of scholing</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college kan aan de persoon, behorend tot de doelgroep, die
                                    arbeid in dienstbetrekking verricht of gaat verrichten of arbeid
                                    op een proefplaats verricht of gaat verrichten, voorzieningen
                                    toekennen die strekken tot behoud, herstel of bevordering van de
                                    mogelijkheid tot het verrichten van arbeid, het volgen van
                                    scholing of opleiding.</al></li><li nr="2."><al>Onder voorzieningen als bedoeld in het eerste lid worden
                                    uitsluitend verstaan:</al><lijst><li nr="a."><al>vervoersvoorzieningen die er toe strekken dat de belanghebbende
                                    zijn werkplek of opleidingslocatie kan bereiken;</al></li><li nr="b."><al>intermediaire activiteiten ten behoeve van personen met een
                                    visuele, auditieve of motorische handicap;</al></li><li nr="c."><al>meeneembare voorzieningen ten behoeve van de inrichting van de
                                    arbeidsplaats, de productie- en werkmethoden, de inrichting van
                                    de opleidingsplaats of de proefplaats en de bij de arbeid of
                                    opleiding te gebruiken hulpmiddelen, die in overwegende mate op
                                    het individu van de belanghebbende zijn afgestemd;</al></li></lijst><al>en </al></li><li nr="3."><al>Het college kan aan de belanghebbende, bedoeld in het eerste
                                    lid, op aanvraag vervoersvoorzieningen toekennen die strekken
                                    tot verbetering van zijn leefomstandigheden en die deel uitmaken
                                    van dan wel rechtstreeks samenhangen met voorzieningen als
                                    bedoeld in het tweede lid, onderdeel a.</al></li><li nr="4."><al>Het college kan bij nadere regels bepalen dat voor een
                                    voorziening een eigen bijdrage is verschuldigd of dat een
                                    voorziening niet wordt verstrekt of wordt beëindigd indien het
                                    inkomen of vermogen van de belanghebbende meer bedraagt dan een
                                    door het college vast te stellen bedrag.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>4</nr><titel>Overige bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18</nr><titel>Hardheidsclausule</titel></kop><al>Het college kan in bijzondere individuele gevallen ten gunste van de
                            belanghebbende afwijken van de bepalingen in deze verordening als
                            toepassing van deze verordening tot onbillijkheden van overwegende aard
                            leidt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19</nr><titel>Intrekken oude verordening</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De “Re-integratieverordening Stichtse Vecht 2012” wordt ingetrokken
                                ingaande 1 juli 2015.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een persoon die gebruik maakt van een toegekende voorziening op
                                grond van de Re-integratieverordening Stichtse Vecht 2012 die moet
                                worden beëindigd op grond van deze verordening, behoudt deze
                                voorziening voor zover wordt voldaan aan de voorwaarden uit de
                                Re-integratieverordening 2012 en bijbehorende nadere regelgeving
                                voor de duur:</al><lijst><li nr="a."><al>van 12 maanden, gerekend vanaf de inwerkingtreding van deze
                                        verordening, of</al></li><li nr="b."><al>dat deze is verstrekt, als dat korter is dan de periode als
                                        bedoeld in het tweede lid, onderdeel a.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In afwijking van het tweede lid kan het college de toegekende
                                voorziening op grond van de Re-integratieverordening Stichtse Vecht
                                2012 beëindigen indien inzet van een voorziening op grond van deze
                                verordening naar verwachting leidt tot het sneller bereiken van
                                economische zelfredzaamheid. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college kan na afloop van de in het tweede lid, onderdeel a,
                                bedoelde periode, besluiten of een voorziening wordt
                                voortgezet.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De Re-integratieverordening Stichtse Vecht 2012 blijft van
                                toepassing ten aanzien van een voortgezette voorziening als bedoeld
                                in het tweede en vierde lid.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>20</nr><titel>Inwerkingtreding en citeertitel</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Deze verordening treedt in werking op 1 juli 2015.</al></li><li nr="2."><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening Re-integratie
                                    Stichtse Vecht 2015.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>30 juni 2015</ondertekening><ondertekening>Griffier Voorzitter,</ondertekening><ondertekening/><ondertekening/></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>Toelichting</titel></kop><tussenkop>Verordening Re-integratie, Loonkostensubsidie en Studietoeslag Stichtse
                    Vecht 2015</tussenkop><tussenkop>Algemeen</tussenkop><al>Re-integratie is maatwerk. De tijdelijke ondersteuning die de gemeente kan
                    bieden moet worden afgestemd op de mogelijkheden en belemmeringen van
                    belanghebbenden. De ondersteuning van de gemeente is met de invoering van de
                    Participatiewet vanaf januari 2015 voor een deel voorgeschreven door het rijk.
                    Tegelijkertijd zijn de mogelijkheden om te ondersteunen vanaf 2015 verminderd
                    door de verlaging van het beschikbare participatiebudget.</al><al>Er is gekozen voor een algemene, globale verordening. In deze verordening worden
                    regels gesteld waarin het beleid van de gemeente ten aanzien van haar
                    re-integratietaak wordt neergelegd. Hierin moeten onder andere doelgroepen en de
                    daarbinnen te onderscheiden subgroepen worden onderscheiden. Dit leent zich niet
                    tot het formuleren van gedetailleerde regels. Immers, re-integratie is maatwerk.
                    Dit is ook de reden om aan het college de bevoegdheid te geven om op een aantal
                    punten eigen afwegingen te maken. </al><al>Artikel 10 van de Participatiewet bepaalt dat personen uit de doelgroep
                    aanspraak hebben op ondersteuning bij de arbeidsinschakeling en de door het
                    college noodzakelijk geachte voorziening binnen de kaders van de
                    re-integratieverordening. In de verordening is er voor gekozen de voorzieningen
                    vast te leggen die het college in ieder geval kan aanbieden.</al><al>Naast de re-integratieverordening is een verordening Tegenprestatie opgesteld.
                    Het instrument Tegenprestatie is geen re-integratie-instrument. Het opdragen van
                    een tegenprestatie heeft niet primair tot doel de re-integratie van een
                    belanghebbende te bevorderen, maar moet worden gezien als een nuttige bijdrage
                    aan de samenleving. </al><al>De gemeente is verplicht om in deze verordening regels op te nemen met
                    betrekking tot de volgende voorzieningen:</al><lijst><li nr="-"><al>persoonlijke ondersteuning (artikelen 8a, eerste lid, onderdeel a, en
                            10, eerste lid, van de Participatiewet); Dit is opgenomen in artikel
                            18.</al></li><li nr="-"><al>scholing of opleiding als bedoeld in artikel 10a, vijfde lid, van de
                            Participatiewet (artikel 8a, eerste lid, onderdeel c, en tweede lid,
                            onderdeel c, van de Participatiewet); Dit is opgenomen in artikel
                            5.</al></li><li nr="-"><al>de premie, bedoeld in artikel 10a, zesde lid, Participatiewet (artikel
                            8a, eerste lid, onderdeel d, en tweede lid, onderdeel c, van de
                            Participatiewet); Dit is opgenomen in artikel 10 van de
                            verordening.</al></li><li nr="-"><al>participatievoorziening beschut werk als bedoeld in artikel 10b van de
                            Participatiewet (artikelen 8a, eerste lid, onderdeel e, en 10b, vierde
                            lid, van de Participatiewet), en </al></li><li nr="-"><al>no risk polis (artikel 8a, tweede lid, onderdeel b, van de
                            Participatiewet). Dit is opgenomen in artikel 12 en 13.</al></li></lijst><al>Alleen de bepalingen die om een nadere toelichting vragen worden hier behandeld. </al><al>Begrippen die al zijn omschreven in de Participatiewet, de IOAW, de IOAZ, de
                    Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) of de Gemeentewet worden niet
                    afzonderlijk gedefinieerd in deze verordening. </al><tussenkop>Garantiebanen</tussenkop><al>In de verordening zijn diverse voorzieningen/instrumenten opgenomen die ook
                    ingezet worden voor de doelgroep die in aanmerking komt voor garantiebanen.</al><al>De doelgroep voor garantiebanen is landelijk vastgesteld. De gemeente moet
                    hiervoor een voorselectie doen, hetgeen in een nadere regel wordt
                    uitgewerkt.</al><al>De doelgroep van de garantiebanen zijn mensen met een arbeidsbeperking die onder
                    de Participatiewet vallen en die (theoretisch) niet in staat zijn om zelfstandig
                    het wettelijk minimumloon te verdienen, Wajongers met arbeidsvermogen en
                    iedereen die op 1 januari 2015 op de wachtlijst van de Wsw staat.</al><al>Het UWV gaat bepalen wie er in aanmerking komt voor een garantiebaan. Tot 2018
                    is bepaald dat mensen op de WSW-wachtlijst en mensen met een Wajong-uitkering
                    met arbeidsvermogen voorrang krijgen als het gaat om de garantiebanen.</al><tussenkop>Artikelgewijze toelichting</tussenkop><tussenkop>Verordening Re-integratie, Loonkostensubsidie en Studietoeslag Stichtse
                    Vecht 2015</tussenkop><tussenkop>Artikel 1 Begrippen</tussenkop><al><cursief>Doelgroep</cursief>De doelgroep wordt gevormd door personen
                    zoals bedoeld in artikel 7, eerste lid, onder a, van de Participatiewet. Het
                    betreft:</al><lijst><li nr="-"><al>personen die algemene bijstand ontvangen;</al></li><li nr="-"><al>personen met een uitkering ingevolge de Wet inkomensvoorziening oudere
                            en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (hierna:
                            IOAW);</al></li><li nr="-"><al>personen met een uitkering ingevolge de Wet inkomensvoorziening oudere
                            en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (hierna:
                            IOAZ);</al></li><li nr="-"><al>personen die met voorziening van de gemeente aan het werk zijn
                            (geholpen) tot het moment dat het inkomen uit arbeid in dienstbetrekking
                            gedurende twee aaneengesloten jaren ten minste het minimumloon bedraagt
                            en ten behoeve van die persoon in die twee jaren geen loonkostensubsidie
                            als bedoeld in artikel 10d van de Participatiewet is verleend.</al></li><li nr="-"><al>personen met een nabestaanden- of wezenuitkering op grond van de
                            Algemene nabestaandenwet (hierna: ANW);</al></li><li nr="-"><al>personen zonder uitkering, en, die voor de arbeidsinschakeling zijn
                            aangewezen op een door het college aangeboden voorziening;</al></li><li nr="-"><al>personen als bedoeld in artikel 10, tweede lid, van de Participatiewet
                            (personen die vanwege een voorziening gericht op arbeidsinschakeling
                            niet tot een van de bovenstaande groepen behoren).</al><al>Prioritaire doelgroepen</al><al>In de nota participatiewet Stichtse Vecht, Wijdemeren en Weesp van
                            september 2014 is het volgende aangegeven over prioritaire
                            doelgroepen:</al><al>Ons uitgangspunt is om maatschappelijke participatie te bevorderen, in
                            de eerste plaats door middel van een grotere deelname van de doelgroep
                            aan de reguliere arbeidsmarkt. Maar tegelijk realiseren we ons dat werk
                            nog niet direct voor iedereen is weggelegd. Daarom stellen we ook dat
                            voor wie dit (nog) niet mogelijk is, we maatschappelijke participatie
                            bevorderen.</al><al>Bij de inzet van middelen zien we vooral bij categorie 2 en 3 de
                            loonkostensubsidie als belangrijkste instrument, bekostigd vanuit de
                            BUIG middelen, naar voren komen.</al><al>Vanuit de doelstelling om zoveel mogelijk mensen aan regulier werk te
                            helpen, richten we ons primair op de categorieën 2 en 3 (80-100%
                            loonwaarde en 40-80% loonwaarde). De ondergrens van de doelgroep van
                            loonkostensubsidie is 40%. </al><al>Bij categorie 1 (100% loonwaarde) doen we een beroep op de eigen kracht,
                            zetten we in op handhaving en beperkte inzet van de
                            re-integratiemiddelen. </al><table><tgroup cols="4"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="17*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="25*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="33*"/><colspec colname="col4" colnum="4" colwidth="25*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Categorie</al></entry><entry colname="col2"><al>Omschrijving in loonwaarde</al></entry><entry colname="col3"><al>Inzet instrumenten</al></entry><entry colname="col4"><al>Inzet middelen</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>1</al></entry><entry colname="col2"><al>100 % loonwaarde</al></entry><entry colname="col3"><al>Beperkt arbeidsontwikkeling. Vooral handhaving</al></entry><entry colname="col4"><al>Beperkt re-integratiebudget</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>2</al></entry><entry colname="col2"><al>80 – 100%</al></entry><entry colname="col3"><al>Loonkostensubsidie, jobhunting, arbeidsontwikkeling,
                                                SROI, proefplaatsing, Plaatsingssubsidie.</al></entry><entry colname="col4"><al>Re-integratiebudget, BUIG budget </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>3</al></entry><entry colname="col2"><al>40- 80%</al></entry><entry colname="col3"><al>LKS, jobhunting, SROI, no risk polis, jobcoaching,
                                                proefplaatsing, plaatsingssubsidie,
                                                arbeidsontwikkeling, </al></entry><entry colname="col4"><al>BUIG budget. re-integratiebudget, WMO middelen,
                                                Welzijnsmiddelen.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>4</al></entry><entry colname="col2"><al>20 – 40 %</al></entry><entry colname="col3"><al>Beschut werk, sociale activering.</al></entry><entry colname="col4"><al>Re-integratiebudget (beschut), WMO middelen,
                                                welzijnsmiddelen (subsidie)</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>5</al></entry><entry colname="col2"><al>&lt; 20%</al></entry><entry colname="col3"><al>Dagbesteding, sociale activering, zorg, hulp</al></entry><entry colname="col4"><al>WMO middelen, welzijnsmiddelen</al></entry></row></tbody></tgroup></table><lijst><li nr="1."><al>De groep met 100% loonwaarde kent geen aanwijsbare beperkingen
                                    en wordt in principe in staat geacht op eigen kracht werk te
                                    vinden. Daarom is hier beperkt inzet van re-integratiemiddelen
                                    aan de orde, bijvoorbeeld voor de inzet van korte
                                    (groepsgewijze) trainingen. Wel komt hier veel nadruk te liggen
                                    op handhaving: “streng aan de poort”. </al></li><li nr="2."><al>Voor de groep 80 – 100% zijn lichte ondersteuning en
                                    arbeidstraining beschikbaar met het doel na een korte intensieve
                                    periode een match te kunnen maken. Dat betekent beperkte inzet
                                    van het re-integratiebudget. Daarnaast is in een aantal gevallen
                                    ook loonkostensubsidie vereist, te voldoen uit het BUIG budget
                                    of Inkomensdeel. </al></li><li nr="3."><al>De categorie 40 -80% zal ten dele naar vermogen geplaatst kunnen
                                    worden na een periode van arbeidsontwikkeling met inzet vanuit
                                    het re-integratiebudget. Daarna zijn jobcoaching (begeleiding op
                                    de werkplek) aan de orde en instrumenten als een no risk polis,
                                    beide ten laste van het re-integratiebudget. Daarnaast zetten we
                                    loonkostensubsidie in vanuit het BUIG budget. Voor deze groep
                                    bestaat naar verwachting nog een mogelijkheid voor groei van de
                                    loonwaarde. Bovendien is bij deze groep sprake van een
                                        <cursief>financieel voordeel voor de gemeenten t.o.v. de
                                        uitkeringssituatie</cursief>, zoals we hierboven gezien
                                    hebben. In principe behoort ook de zittende groep WSW-ers tot
                                    deze categorie. Het voorbehoud, dat we hierbij maken, zijn de
                                    toekomststrategieën voor de SW bedrijven, die nu in ontwikkeling
                                    zijn. Voor de groep van tussen 40% en 50% moet nadrukkelijk
                                    maatwerk worden verricht; voor een deel is groei in loonwaarde
                                    en mogelijkheden op de arbeidsmarkt te verwachten, voor een
                                    ander deel niet. Dat geldt ook voor de grens aan de
                                    bovenkant.</al></li><li nr="4."><al>De groep van ongeveer 20 - 40% komt naar verwachting deels in
                                    aanmerking voor een beschutte werkplek voor zover het de nieuwe
                                    instroom betreft met inzet van daartoe bestemde middelen, en
                                    deels zullen sociale activering, begeleiding, zorg of
                                    arbeidsmatige dagbesteding aan de orde zijn, waarvoor ook
                                    WMO-budget kan worden ingezet. Plaatsing op de arbeidsmarkt met
                                    loonkostensubsidie betekent een structurele inzet van een hoge
                                    subsidie, geen uitzicht op groei en een financieel nadeel voor
                                    de gemeente. Daarom hanteren we een ondergrens van 40% voor de
                                    inzet van loonkostensubsidie.</al></li><li nr="5."><al>Deze groep heeft geen reëel arbeidsperspectief en is aangewezen
                                    op dagbesteding.</al></li></lijst><al>Zoals uit het overzicht blijkt, zetten we het re-integratiebudget alleen
                            in als werk het perspectief is. Hoe lager de loonwaarde, hoe minder de
                            arbeidsmarkt een realistisch toekomstbeeld is en hoe meer sociale
                            activering, dagbesteding en beschut werk in aanmerking komen. </al><al><cursief>Met de grenzen tussen de verschillende groepen gaan we flexibel
                                om: we kijken naar persoonlijke omstandigheden en de potentie van
                                een cliënt. Het draait om
                            maatwerk</cursief><cursief>.</cursief></al></li></lijst><tussenkop>Artikel 2 Evenwichtige verdeling en financiering </tussenkop><al>Op grond van artikel 8a, tweede lid, onderdeel a, van de Participatiewet moet de
                    gemeenteraad in de verordening de verdeling van de voorzieningen over personen
                    regelen. Daarbij moet de gemeenteraad rekening houdt met de omstandigheden en
                    functionele beperkingen van personen met een handicap. Dit is bepaald in het
                    VN-verdrag inzake de rechten van personen met een handicap. De doelstelling van
                    dit verdrag is het bevorderen, beschermen en waarborgen van het volledige genot
                    door alle personen met een handicap van alle mensenrechten en fundamentele
                    vrijheden op voet van gelijkheid en het bevorderen van de eerbiediging van hun
                    inherente waardigheid. </al><tussenkop>Economische zelfredzaamheid</tussenkop><al>Het college biedt voorzieningen zoals bedoeld in bijvoorbeeld de artikelen 5
                    (maatwerkvoorziening gericht op economische zelfredzaamheid), 13
                    (maatwerkvoorziening beschutte arbeid), 15 (persoonlijke ondersteuning) aan
                    personen aan die behoren tot de doelgroep waarbij het beoogde resultaat
                    economische zelfredzaamheid is. </al><tussenkop>Overige voorzieningen</tussenkop><al>Voor de overige voorzieningen volgt al uit de doelgroepomschrijving en/of de wet
                    aan wie het college deze voorzieningen kan aanbieden. Het gaat om: ondersteuning
                    bij leer-werktrajecten (artikel 8.), no risk polis (artikel 12.). Dit geldt ook
                    voor de loonkostensubsidie (Artikel 10d) en de Individuele studietoeslag
                    (Artikel 15). </al><tussenkop>Rekening houden met omstandigheden en beperkingen</tussenkop><al>Het college moet bij de inzet van de voorzieningen maatwerk leveren en dus ook
                    rekening houden met de omstandigheden en functionele beperkingen van een
                    persoon. In artikel 2, vierde lid, is opgenomen waarmee het college in ieder
                    geval rekening moet houden.</al><al>De rapportage van het college aan de gemeenteraad vormt in beginsel onderdeel
                    van de gemeentelijke informatie- en verantwoordingscyclus. Zo nodig kan het
                    college besluiten aanvullende rapportages op te stellen.</al><tussenkop>Artikel 3 Budgetplafonds</tussenkop><al>Het college kan, om de financiële risico’s te beheersen, een verdeling maken van
                    de </al><al>middelen over de verschillende voorzieningen. Het college moet naar aanleiding
                    van een aanspraak op ondersteuning altijd een individuele afweging maken of zij
                    die aanspraak wil en kan honoreren. In zijn algemeenheid kan het ontbreken van
                    financiële middelen niet de reden zijn om aanvragen op ondersteuning af te
                    wijzen. Wel kan per voorziening een plafond worden ingebouwd. Indien het college
                    hiervoor kiest, dan zal de raad geïnformeerd worden. Het college dient dan na te
                    gaan welke andere, goedkopere alternatieven er beschikbaar zijn. Verder is het
                    uitdrukkelijk aan het college om te beoordelen of er überhaupt ondersteuning
                    noodzakelijk is en welke vorm die moet krijgen, gelet op het te bereiken doel
                    van arbeidsinschakeling, al dan niet op langere termijn.</al><al>Het college kan ook bepalen dat niet-uitkeringsgerechtigden een bijdrage in de
                    kosten moeten leveren in de kosten van de ondersteuning en de voorziening.</al><tussenkop>Artikel 4 Algemene bepalingen over voorzieningen</tussenkop><al>De Participatiewet schrijft niet uitputtend voor welke voorzieningen het college
                    aan moet bieden. Het enige criterium is dat de voorziening gericht is op
                    arbeidsinschakeling en bijdraagt aan het (op termijn) mogelijk maken van bij
                    voorkeur reguliere arbeid door een belanghebbende. Al naar gelang de afstand van
                    een persoon tot de arbeidsmarkt kan een voorziening gericht zijn op bijvoorbeeld
                    sociale zelfredzaamheid (zoals het doen van vrijwilligerswerk met behoud van
                    uitkering), het leren van vaardigheden en kennis, of het opdoen van
                    werkervaring. </al><tussenkop>Beëindigingsgronden</tussenkop><al>Indien tot beëindiging van een maatwerkvoorziening wordt besloten, kan dit ook
                    gevolgen hebben voor een werkgever. In die gevallen moeten de toepasselijke
                    bepalingen uit het arbeidsrecht en de eventuele rechtspositieregeling in acht
                    worden genomen. In de overeenkomst met de werkgever wordt dit opgenomen.</al><al>De Participatiewet voorziet niet in een terugvorderingsgrond van
                    re-integratiekosten die onnodig zijn gemaakt. Noch van een bijstandsgerechtigde,
                    noch van een niet bijstandsgerechtigde kunnen die kosten worden teruggevorderd.
                    Terugvordering dient te geschieden op grond van het Burgerlijk Wetboek.</al><tussenkop>Artikel 5 Maatwerkvoorziening gericht op economische
                    zelfredzaamheid</tussenkop><al>De maatwerkvoorziening gericht op economische zelfredzaamheid heeft primair tot
                    doel personen uit de doelgroep uit te laten stromen naar regulier werk. Als dat
                    niet mogelijk is, is het doel het volledig benutten van het arbeidsvermogen c.q.
                    het realiseren van de zogenoemde loonwaarde indicatie. Tussen resultaten kunnen
                    zijn: het ontwikkelen van loonwaarde-indicatie en competenties. Dit gebeurt bij
                    voorkeur door plaatsing bij reguliere werkgevers.</al><tussenkop>Maatwerk</tussenkop><al>Re-integratie is maatwerk. Het is afhankelijk van de mogelijkheden en
                    belemmeringen van een belanghebbende wat in het concrete geval een passend
                    re-integratietraject is.</al><al>Om dit nog meer tot uitdrukking te brengen wordt in dit artikel gesproken van
                    een maatwerkvoorziening gericht op financiële zelfredzaamheid. Centraal staat
                    het resultaat: financiële zelfredzaamheid. </al><al>Het college moet de inhoud en de duur afstemmen op de mogelijkheden en
                    capaciteiten van een persoon. In deze verordening worden daarom de activiteiten
                    die kunnen bijdragen aan het bereiken van dit resultaat niet apart benoemd. Het
                    staat het college in beginsel vrij om aan de maatwerkvoorziening in een plan van
                    aanpak of het trajectplan zelf invulling te geven en zo nodig specifiek voor de
                    persoon activiteiten te ontwikkelen of te laten ontwikkelen. De activiteiten die
                    voor een persoon bijdragen aan het bereiken van het resultaat worden vastgelegd
                    in een trajectplan. </al><al>Scholing kan onderdeel uitmaken van de maatwerkvoorziening. Vooral voor personen
                    zonder startkwalificatie kan scholing noodzakelijk zijn voor het bereiken van
                    het resultaat. Onder startkwalificatie wordt verstaan een havo of VWO-diploma of
                    een diploma van het middelbaar beroepsonderwijs (mbo), niveau twee of hoger.
                    Personen jonger dan 27 jaar die nog mogelijkheden hebben binnen het uit 's Rijks
                    kas bekostigde onderwijs kunnen sinds 1 juli 2012 geen voorziening ontvangen die
                    hen ondersteunt bij de arbeidsinschakeling (artikel 7, derde lid, onderdeel a,
                    van de Participatiewet). </al><al>Nazorg kan onderdeel uitmaken van de maatwerkvoorziening. Dit wordt met name
                    genoemd omdat een persoon na het aanvaarden van arbeid (en daardoor niet meer is
                    aangewezen op een uitkering) formeel niet langer tot de doelgroep behoort.</al><tussenkop>Artikel 6 Werkstage</tussenkop><al>Een werkstage onderscheidt zich van een gewone arbeidsovereenkomst. Bij een
                    beoordeling of er al dan niet sprake is van een arbeidsovereenkomst toetst de
                    rechter aan de drie criteria voor het bestaan van een arbeidsovereenkomst:
                    persoonlijk verrichten van arbeid, loon en gezagsverhouding. Daarbij wordt
                    gekeken naar een aantal aspecten zoals de bedoeling van de partijen en wat al
                    dan niet schriftelijk is overeengekomen. De rechter besteedt vooral aandacht aan
                    de feitelijke invulling van de overeenkomst.</al><tussenkop>Werkstage is gericht op uitbreiden van kennis en ervaring</tussenkop><al>De Hoge Raad heeft bepaald dat er bij werkstages weliswaar sprake is van het
                    persoonlijk verrichten van arbeid, maar dat dit overwegend gericht is op het
                    uitbreiden van de kennis en ervaring van de werknemer. Daarnaast is bij een
                    werkstage in de regel geen sprake van beloning. Terughoudend zijn met het
                    verstrekken van een gerichte stagevergoeding ligt daarom voor de hand. Er kan
                    wel een onkostenvergoeding worden gegeven, mits er daadwerkelijk sprake is van
                    een vergoeding van gemaakte kosten.</al><tussenkop>Doelgroep aanbieden werkstage</tussenkop><al>Het college kan een persoon die behoort tot de doelgroep een werkstage aanbieden
                    voor zover hij een afstand tot de arbeidsmarkt heeft. Verder is vereist dat een
                    persoon nog niet actief is geweest op de arbeidsmarkt of een afstand tot de
                    arbeidsmarkt heeft door langdurige werkloosheid (artikel 4, eerste lid,
                    onderdeel b, van deze verordening). Van langdurige werkloosheid is sprake als
                    een persoon gedurende twaalf aaneengesloten maanden of langer is aangewezen
                    geweest op een uitkering. In een dergelijk geval kan sprake zijn van een afstand
                    tot de arbeidsmarkt, maar dit hoeft niet altijd het geval te zijn. Heeft een
                    persoon gedurende vijf jaren geen inkomsten uit arbeid verworven, dan kan worden
                    aangenomen dat hij een afstand tot de arbeidsmarkt heeft. In dat geval is het
                    college bevoegd hem een werkstage aan te bieden. </al><tussenkop>Doel van de werkstage</tussenkop><al>Het tweede lid geeft nog eens specifiek aan wat het doel is van de werkstage, om
                    het verschil met een normale arbeidsverhouding aan te geven. Dit is vooral van
                    belang om te voorkomen dat een persoon claimt dat sprake is van een
                    arbeidsovereenkomst en bij de rechter loonbetaling afdwingt.</al><al>De werkstage kan twee doelen hebben. Op de eerste plaats kan het gaan om het
                    opdoen van specifieke werkervaring. Dit is vergelijkbaar met de zogenaamde
                    ‘snuffelstage’, waarbij een persoon de gelegenheid krijgt om te bezien of het
                    soort werk als passend kan worden beschouwd. Op de tweede plaats kan het gaan om
                    het leren werken in een arbeidsrelatie. In de werkstage kan een persoon wennen
                    aan aspecten als gezag, op tijd komen, werkritme en samenwerken met
                    collega’s.</al><tussenkop>Opstellen schriftelijke overeenkomst</tussenkop><al>In het vierde is bepaald dat voor de werkstage een schriftelijke overeenkomst
                    wordt opgesteld. Hierin kan expliciet het doel van de stage worden opgenomen,
                    evenals de wijze van begeleiding. Door deze schriftelijke overeenkomst kan nog
                    eens worden gewaarborgd dat het bij een werkstage niet gaat om een reguliere
                    arbeidsverhouding.</al><tussenkop>Geen verdringing</tussenkop><al>In het derde lid is bepaald dat de werkstage uitsluitend wordt verstrekt als er
                    geen verdringing van de arbeidsmarkt plaatsvindt. Het opvullen van een vacature
                    is alleen toegestaan als de vacature niet is ontstaan door afvloeiing, maar door
                    ontslag op grond van een van de volgende redenen:</al><lijst><li nr="-"><al>eigen initiatief van de werknemer;</al></li><li nr="-"><al>handicap;</al></li><li nr="-"><al>ouderdomspensioen;</al></li><li nr="-"><al>vermindering van werktijd op initiatief van de werknemer,</al></li></lijst><al>of</al><al>-gewettigd ontslag om dringende redenen.</al><tussenkop>Artikel 7 Proefplaatsing</tussenkop><al>Een proefplaatsing is onder andere een instrument bij het komen tot
                    garantiebanen. Van belang is dat in de periode van de proefplaatsing meteen de
                    loonwaarde wordt vastgesteld, daar waar dit aan de orde is.</al><al>Overigens wordt verwacht, dat in de situatie dat een proefplaatsing heeft
                    plaatsgevonden, de werknemer bij het aansluitend in dienst gaan, niet opnieuw
                    een proeftijd heeft. </al><tussenkop>Artikel 8 Ondersteuning Leer-werktraject</tussenkop><al>Personen uit de doelgroep kunnen in aanmerking komen voor de voorziening
                    begeleiding bij leer-werktrajecten. Het college moet dan wel van oordeel zijn
                    dat een leer-werktraject nodig is en de begeleiding nodig moet zijn voor het
                    volgen van dat leer-werktraject. Dit is geregeld in artikel 10 en volgt uit
                    artikel 10f van de Participatiewet.</al><al>Financiering van een leer- werktraject moet elders worden aangevraagd,
                    bijvoorbeeld bij de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO). Ook de
                    financiering van de begeleiding kan alleen plaatsvinden als geen andere
                    financiering mogelijk is zoals in het kader van passend onderwijs of de
                    jeugdwet.</al><al>Artikel 10f van de Participatiewet bepaalt voorts dat het college uitsluitend
                    ondersteuning bij een leer-werktraject kan aanbieden aan personen:</al><al>-van zestien of zeventien jaar van wie de leerplicht of de kwalificatieplicht,
                    bedoeld in de Leerplichtwet 1969, nog niet is geëindigd,</al><al>of</al><al>-van achttien tot 27 jaar die nog geen startkwalificatie hebben behaald.</al><al>De voorziening ondersteuning bij leer-werktrajecten is inzetbaar voor jongeren
                    van zestien of zeventien jaar oud die dreigen uit te vallen uit school, maar
                    middels een leer-werktraject alsnog een startkwalificatie kunnen behalen. Om te
                    voorkomen dat jongeren onnodig uitvallen, wordt de mogelijkheid geboden extra
                    ondersteuning te bieden. Deze voorziening kan ook worden ingezet ter voorkoming
                    van schooluitval bij jongeren van achttien tot 27 jaar die door een
                    leer-werktraject alsnog een startkwalificatie kunnen behalen.</al><al>Bijstandsgerechtigden jonger dan 27 jaar die uit 's Rijks kas bekostigd
                    onderwijs kunnen volgen, zijn uitgesloten van ondersteuning op grond van artikel
                    7, derde lid, onder a, van de Participatiewet. Voor de conclusie dat een jongere
                    uit 's Rijks kas bekostigd onderwijs kan volgen is vereist dat de jongere uit 's
                    Rijks kas bekostigd onderwijs volgt of daarvoor in aanmerking komt. In het kader
                    van artikel 7, derde lid, onder a, van de Participatiewet betekent dit dat het
                    college vanaf het moment dat de jongere uit 's Rijks kas bekostigd onderwijs
                    volgt of kan volgen geen ondersteuning bij de arbeidsinschakeling kan bieden. </al><al>In artikel 10f van de Participatiewet is bepaald dat het college onder
                    omstandigheden begeleiding kan bieden aan personen jonger dan achttien jaar en
                    aan personen van achttien tot 27 jaar die nog geen startkwalificatie hebben
                    behaald en voor wie een leer-werktraject nodig is. Er wordt vanuit gegaan dat
                    het mogelijk is een leer-werktraject aan te bieden aan personen die voldoen aan
                    het bepaalde in de artikelen 10 en 10f van de Participatiewet, in afwijking van
                    artikel 7, derde lid, onder a, van de Participatiewet.</al><tussenkop>Artikel 9 Loonkostensubsidie</tussenkop><al>In artikel 10c van de Participatiewet is geregeld wanneer wordt vastgesteld of
                    een persoon tot de doelgroep loonkostensubsidie behoort: op schriftelijke
                    aanvraag of ambtshalve. Het betreft mensen die niet in staat zijn door hun
                    beperking om zelfstandig het minimumloon te verdienen. Het UWV moet hierin het
                    college adviseren. Ambtshalve vaststelling is alleen mogelijk bij:</al><lijst><li nr="-"><al>personen die algemene bijstand ontvangen;</al></li><li nr="-"><al>personen als bedoeld in artikel 34a, vijfde lid, onderdelen b en c, van
                            de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (hierna: WIA), artikel 35,
                            vierde lid onderdelen b en c, van de WIA en artikel 36, derde lid,
                            onderdelen b en c, van de WIA tot het moment dat het inkomen uit arbeid
                            in dienstbetrekking gedurende twee aaneengesloten jaren ten minste het
                            minimumloon bedraagt en ten behoeve van die persoon in die twee jaren
                            geen loonkostensubsidie als bedoeld in artikel 10d van de
                            Participatiewet is verleend;</al></li><li nr="-"><al>personen als bedoeld in artikel 10, tweede lid, van de
                            Participatiewet;</al></li><li nr="-"><al>personen met een uitkering op grond van de Wet inkomensvoorziening
                            oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers, en</al></li><li nr="-"><al>personen met een uitkering op grond van de Wet inkomensvoorziening
                            oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen.</al></li></lijst><al>In artikel 10c van de Participatiewet is ook bepaald dat het aan college is om
                    vast te stellen of een persoon tot de doelgroep loonkostensubsidie behoort.
                    Binnen de kaders van de wet is het aan de gemeente om vast te stellen op welke
                    wijze zij bepalen of mensen tot de doelgroep loonkostensubsidie behoren en of
                    loonkostensubsidie voor hen wordt ingezet (zie Kamerstukken II 2013/14, 33 161,
                    nr. 107, blz. 62). In artikel 1, tweede lid, is vastgelegd welke criteria
                    daarbij in acht genomen worden. Deze cumulatieve criteria zijn ontleend aan
                    artikel 6, eerste lid, onderdeel e, van de Participatiewet. Daarin is immers
                    wettelijk de doelgroep loonkostensubsidie vastgelegd.</al><al>De in lid 8 van dit artikel in deze verordening geregelde loonkostensubsidie
                    moet worden onderscheiden van de loonkostensubsidie zoals bedoeld in de
                    artikelen 10c en 10d van de Participatiewet. De laatstgenoemde
                    loonkostensubsidie is geïntroduceerd in de Participatiewet door de Invoeringswet
                    Participatiewet en is specifiek bedoeld voor personen met een arbeidsbeperking.
                    De in lid 8 opgenomen loonkostensubsidie is niet noodzakelijk gericht op
                    personen met een arbeidsbeperking, maar ondersteunt personen die kwetsbaar of
                    uiterst kwetsbaar zijn.</al><al>Het gaat hier dus niet om de loonkostensubsidie die verstrekt kan worden aan
                    personen als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a, van de
                    Participatiewet van wie is vastgesteld dat zij met voltijdse arbeid niet in
                    staat zijn tot het verdienen van een wettelijk minimumloon, doch wel
                    mogelijkheden tot arbeidsparticipatie hebben (artikel 6, eerste lid, onderdeel
                    e, van de Participatiewet). In een nadere regel kan deze loonkostensubsidie
                    verder worden uitgewerkt.</al><tussenkop>Artikel 10 Participatieplaats</tussenkop><al>Een participatieplaats is bedoeld voor personen met een grotere afstand tot de
                    arbeidsmarkt. Voor personen jonger dan 27 jaar is ondersteuning in de vorm van
                    een participatieplaats niet mogelijk (artikel 7, achtste lid, van de
                    Participatiewet). Het college kan dan ook enkel aan personen van 27 jaar of
                    ouder met recht op algemene bijstand een participatieplaats aanbieden.</al><tussenkop>Additionele werkzaamheden</tussenkop><al>Op een participatieplaats worden additionele werkzaamheden verricht. Niet de te
                    verrichten werkzaamheden staan centraal, maar het leren werken of het (opnieuw)
                    wennen aan werken. Aspecten als omgaan met gezag, op tijd komen, werkritme en
                    samenwerking met collega’s zijn allemaal zaken waaraan in een participatieplaats
                    gewerkt kan worden. Ook kan hiermee worden beoordeeld of het werkterrein past
                    bij de capaciteiten van de uitkeringsgerechtigde, zodat een persoon bijvoorbeeld
                    een opleiding op het betreffende terrein kan gaan volgen en daarmee voor
                    zichzelf een duurzaam perspectief op arbeid kan realiseren. De duur van de
                    participatieplaats is wettelijk beperkt tot maximaal vier jaar (artikel 10a van
                    de Participatiewet). Na negen maanden wordt beoordeeld door het college of de
                    participatieplaats de kans op arbeidsinschakeling heeft vergroot (artikel 10a,
                    achtste lid, van de Participatiewet). Zo niet dan wordt de participatieplaats
                    beëindigd. Uiterlijk 24 maanden na aanvang van de participatieplaats wordt
                    opnieuw beoordeeld of de participatieplaats wordt voorgezet. Als de gemeente
                    concludeert dat voortzetting van de participatieplaats met het oog op in de
                    persoon gelegen factoren aanmerkelijk bijdraagt tot de arbeidsinschakeling, dan
                    kan de participatieplaats nog één jaar verlengd worden. Echter in dat geval
                    dient een andere werkomgeving geboden te worden (artikel 10a, negende lid, van
                    de Participatiewet). Na 36 maanden vindt opnieuw een dergelijke beoordeling
                    plaats (artikel 10a, tiende lid, van de Participatiewet).</al><tussenkop>Premie</tussenkop><al>De persoon die werkzaamheden verricht op een participatieplaats heeft recht op
                    een premie voor het eerst na zes maanden en vervolgens iedere zes maanden na
                    aanvang van de additionele werkzaamheden (artikel 10a, zesde lid, van de
                    Participatiewet). Voorwaarde is dat de persoon naar het oordeel van het college
                    voldoende heeft meegewerkt aan het vergroten van zijn kansen op de arbeidsmarkt.
                    De hoogte van de premie moet in de verordening vastgelegd worden (artikel 8a,
                    eerste lid, onderdeel d, van de Participatiewet). De premie wordt vrijgelaten op
                    grond van artikel 31, tweede lid, onderdeel j, van de Participatiewet. In
                    verband hiermee is de hoogte van de premie begrensd door het in de
                    vrijlatingsbepaling genoemde bedrag. Daarnaast moet bij het bepalen van de
                    hoogte van de premie ook de risico's van de armoedeval worden betrokken. Er is
                    gekozen voor een premie van telkens € 300 per zes maanden.</al><tussenkop>Artikel 11 Vaststelling loonwaarde</tussenkop><al>In artikel 10d, eerste lid, van de Participatiewet is bepaald dat als een
                    persoon behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie en een werkgever voornemens
                    is een dienstbetrekking aan te gaan met die persoon, het college de loonwaarde
                    van die persoon vaststelt. Hiervoor is geen aanvraag vereist. </al><al>Aan de Utrechtse Werktafel – het Regionaal Werkbedrijf Utrecht-Midden – en in de
                    Werkkamer Gooi en Vechtstreek – formuleren de deelnemers de eisen waaraan een
                    methode ter vaststelling moet voldoen. Er wordt één methodiek gebruikt in de
                    arbeidsmarktregio. </al><al>De eisen die (ook het Rijk) aan loonwaardemeting gesteld worden zijn: </al><lijst><li nr="-"><al>de loonwaarde moet op basis van de feitelijke werkzaamheden op de
                            werkplek worden vastgesteld</al></li><li nr="-"><al>de loonwaarde wordt vastgesteld door of onder verantwoordelijkheid van
                            een deskundige</al></li><li nr="-"><al>de loonwaarde vaststelling moet plaatsvinden op basis van een
                            objectieve, beschreven methode</al></li><li nr="-"><al>de loonwaarde wordt veelal bepaald tijdens de proefplaatsing, die
                            (maximaal) 2 maanden duurt. Er hoeft overigens niet altijd sprake te
                            zijn van een proefplaatsing. Dit is bijvoorbeeld het geval wanneer een
                            stageplek omgezet wordt in een garantiebaan. Er is dan meestal wel al
                            een indicatieve loonwaarde bekend. De loonwaarde kan dan bepaald worden
                            bij de omzetting van de stage-overeenkomst naar het dienstverband. </al></li></lijst><al>Voor het overgangsjaar 2015 heeft de Utrechtse Werktafel een overeenkomst
                    gesloten met CompetenSys. Competensys (“Loonbalans”)is gevalideerd door Blik op
                    Werk. Er wordt, conform wettelijke eisen, gewerkt vanuit een gedegen
                    taakanalyse, waarbij wordt gemeten op Tempo, Kwaliteit en Inzetbaarheid. Ook de
                    definiëring van de normfunctie, het normloon en de additionele kosten worden
                    geheel conform gestelde eisen verwerkt. Dit alles is verwerkt in een systeem dat
                    meerdere gemeenten, UWV en SW-organisaties in onze arbeidsmarktregio in staat
                    stelt om ermee te werken en om langs één gezamenlijke lijn te meten. Dit met als
                    doel om de onderlinge betrouwbaarheid te bevorderen.</al><al>In het tweede kwartaal van 2015 start een aanbestedingsprocedure voor de
                    aanschaf van een loonwaardemethodiek die vanaf 1 januari 2016 gebruikt gaat
                    worden.</al><al>De Werktafel Gooi en Vechtstreek gaat de methodiek nog bepalen. Dit wordt in een
                    nadere regel uitgewerkt. </al><al>De gemeenten in Gooi- en Vecht die niet in het SWW-verband samenwerken hebben de
                    methodiek al bepaald. Er is gekozen voor “de ASML methode van het UWV en/of de
                    methode van Dariuz” of voor “Dariuz”</al><tussenkop>Artikel 12 No risk polis</tussenkop><al>De no risk polis kan worden ingezet als ondersteuning bij de arbeidsinschakeling
                    (artikel 8a, tweede lid, onderdeel b, van de Participatiewet). De no risk polis
                    is een belangrijk instrument om aarzelingen bij werkgevers weg te nemen om
                    mensen met arbeidsbeperkingen in dienst te nemen. De no risk polis zorgt ervoor
                    dat de werkgever compensatie ontvangt voor de loonkosten, wanneer een werknemer
                    met arbeidsbeperkingen ziek wordt. Een werkgever komt niet in aanmerking voor
                    een no risk polis als artikel 29b van de Ziektewet van toepassing is (artikel
                    8a, tweede lid, onderdeel b Participatiewet). </al><al>De no risk polis is een verzekering waarbij de werkgever bij ziekte van de
                    werknemer die een structurele functionele of andere beperking heeft of ten
                    behoeve van wie die werkgever een loonkostensubsidie ontvangt in aanmerking komt
                    voor een vergoeding gedurende de dekkingsperiode van de geleden loonschade. </al><al>Landelijk is afgesproken voor de no risk polis die ingezet kan worden voor de
                    werkgever die een werknemer op een garantiebaan plaatst, de verzekering te laten
                    lopen via het UWV. Voor 2016 volgt hiertoe een wettelijke regeling. </al><al>In een nadere regeling wordt aangegeven wie ook in aanmerking komen voor een no
                    risk polis als het niet om een garantiebaan gaat.</al><al>Indien de werknemer ziek wordt, doet de werkgever melding bij het UWV. In het
                    geval dat het om een arbeidsgehandicapte gaat die onder de Participatiewet valt,
                    wordt er ook melding bij de gemeente gedaan. Het UWV betaalt de
                    Ziektewet-uitkering uit aan de werkgever voor maximaal 2 jaar aaneensluitend.
                    Gemeenten zullen bij ziekte de loonkostensubsidie stopzetten aan de werkgever om
                    de voorkomen dat de werkgever dubbele subsidie krijgt (ziektewet en LKS). In de
                    beschikking aan de werkgever moet hierover duidelijk gecommuniceerd worden.</al><al>Hieronder wordt de betekenis van de wijziging toegelicht aan de hand van een
                    eenvoudig voorbeeld. Daarbij wordt uitgegaan van een persoon die 100% van het
                    WML verdient en een loonwaarde van 50% heeft. Wat gebeurt er bij uitval wegens
                    ziekte?</al><lijst><li nr="-"><al>De werkgever betaalt de werknemer die voor hem werkt 100 % WML</al></li><li nr="-"><al>De gemeente verstrekt de werkgever loonkostensubsidie ad 50 % WML</al></li><li nr="-"><al>De werkgever meldt bij uitval de ziekte aan UWV </al></li><li nr="-"><al>Bij ziekte blijft de werkgever loon aan de werknemer doorbetalen en de
                            gemeente stopt de subsidie aan de werkgever </al></li><li nr="-"><al>UWV beoordeelt de ziekte en betaalt de no risk polis uit. De hoogte
                            daarvan is 100 (dagloon) minus 50 (subsidie) is 50.</al></li></lijst><tussenkop>Artikel 13 Maatwerkvoorziening beschut werk</tussenkop><al>Het college kan de voorziening beschut werk aanbieden aan een persoon uit de
                    doelgroep die door een blijvende lichamelijke, verstandelijke of psychische
                    beperking een zodanige mate van begeleiding op en aanpassingen van de werkplek
                    nodig heeft dat niet van een reguliere werkgever redelijkerwijs niet kan worden
                    verwacht dat hij deze in dienst neemt (eerste lid).</al><tussenkop>Stap 1: voorselectie</tussenkop><al>Ten behoeve van de participatievoorziening beschut werk voert de gemeente een
                    voorselectie uit. Tijdens de voorselectie bepaalt het college welke personen uit
                    de doelgroep in aanmerking kunnen komen voor beschut werk en op welk moment. In
                    de verordening moet vastgelegd worden hoe deze voorselectie wordt
                    uitgevoerd.</al><al>Daarom is in het tweede lid bepaald dat het college uitsluitend personen
                    selecteert die een grote afstand hebben tot de arbeidsmarkt en een (structurele)
                    begeleidingsbehoefte hebben. </al><al>Het college kan ambtshalve vaststellen of een persoon uitsluitend in een
                    beschutte omgeving onder aangepaste omstandigheden mogelijkheden tot
                    arbeidsparticipatie heeft (artikel 10b, eerste lid, van de Participatiewet).
                    Hiervoor is dus geen aanvraag van een persoon nodig. Het college maakt uit de
                    personen uit de doelgroep een voorselectie. Het college moet bij het
                    Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen advies inwinnen voor de beoordeling
                    of de geselecteerde personen uitsluitend in een beschutte omgeving onder
                    aangepaste omstandigheden mogelijkheden tot arbeidsparticipatie hebben. De wijze
                    waarop dit gebeurt kan in een nadere regel worden uitgewerkt.</al><tussenkop>Stap 2: advies Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen</tussenkop><al>Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen adviseert het college met
                    betrekking tot het oordeel of een persoon tot de doelgroep beschut werk behoort.
                    Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen voert op basis van landelijke
                    criteria een beoordeling uit (artikel 10b, tweede lid, van de Participatiewet). </al><tussenkop>Stap 3: besluit gemeente</tussenkop><al>Op basis van het advies van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
                    beslist de gemeente of iemand tot de doelgroep 'beschut werk' behoort. Alleen
                    als sprake is van een onzorgvuldige totstandkoming van het advies van het
                    Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, kan de gemeente besluiten het
                    advies niet te volgen.</al><tussenkop>Stap 4: dienstbetrekking 'beschut werk'</tussenkop><al>Nadat is vastgesteld dat iemand tot de doelgroep 'beschut werk' behoort, zorgt
                    de gemeente ervoor dat deze persoon in een dienstbetrekking onder beschutte
                    omstandigheden aan de slag gaat (artikel 10b, derde lid, van de
                    Participatiewet). Het kan dan gaan om een privaatrechtelijke of een
                    publiekrechtelijke dienstbetrekking (artikel 6, eerste lid, onderdeel f, van de
                    Participatiewet). Hoe de dienstbetrekking wordt georganiseerd, behoort tot de
                    beleidsvrijheid van gemeenten. Een dienstbetrekking kan bijvoorbeeld worden
                    georganiseerd via een gemeentelijke dienst, NV, BV of stichting. </al><al>Naast het bepalen van wie in aanmerking kan komen voor beschut zijn in deze
                    verordening vastgelegd welke voorzieningen voor arbeidsinschakeling ingezet
                    worden om deze dienstbetrekking mogelijk te maken (derde lid). Tevens is in deze
                    verordening vastgelegd op welke wijze de gemeente de omvang van het aanbod van
                    beschut werk, het aantal beschikbare plekken, vaststelt. </al><tussenkop>Omvang beschut werk</tussenkop><al>Het college bepaalt de omvang van het aanbod beschut werk en legt vast hoeveel
                    plekken voor beschut werk de gemeente beschikbaar stelt. Het aanbod is mede
                    afhankelijk van het aantal geschikte en beschikbare plaatsen. Daarom moet het
                    college overleg voeren met partners om de omvang van het aanbod te kunnen
                    bepalen (vierde lid).</al><tussenkop>Artikel 14 Maatwerkvoorziening persoonlijke ondersteuning</tussenkop><al>In dit artikel wordt de voorziening persoonlijke ondersteuning nader geduid. Het
                    gaat dan om een voorziening zoals een jobcoach, die op vaste tijden en gedurende
                    een langere periode de belanghebbende met structurele functionele beperkingen
                    bij het verrichten van zijn taken ondersteunt. Het moet dan ook gaan om een
                    systematische ondersteuning. Daarnaast moet de ondersteuning noodzakelijk zijn
                    in die zin, dat de belanghebbende zonder die ondersteuning in redelijkheid niet
                    zijn werkzaamheden zou kunnen verrichten. Persoonlijke ondersteuning heeft tot
                    doel dat een werknemer wordt begeleid naar een situatie dat hij uiteindelijk
                    zonder begeleiding via een dergelijke voorziening bij een reguliere werkgever
                    werkzaam kan zijn. Het college kan daarom aan de duur van de persoonlijke
                    ondersteuning een maximum verbinden.</al><al>De persoonlijke ondersteuning wordt afgestemd op de begeleidingsbehoefte. Onder
                    begeleidingsbehoefte verstaan we de aard, duur en intensiteit van de begeleiding
                    die de belanghebbende nodig heeft om in een baan te kunnen functioneren. De
                    begeleiding moet ervoor zorgen dat de uitvoering van het werk zo zelfstandig en
                    productief mogelijk gebeurt. Dit gaat verder dan de normale inwerkperiode. Het
                    gaat om systematische begeleiding, die nodig is om iemand goed en duurzaam in
                    het werk te laten functioneren. </al><al>Hierbij gaat het ook om de begeleiding van de werkgever en de collega’s, net
                    zoals de bijdrage aan de coördinatie/afstemming met begeleiders in andere
                    levenssferen.</al><al>In bijzondere omstandigheden kan ten behoeve van een persoon die tot de
                    doelgroep loonkostensubsidie behoort ook persoonlijke ondersteuning anders dan
                    op de werkplek worden ingezet om uitval op het werk te voorkomen. Deze vorm van
                    persoonlijke ondersteuning wordt afgestemd op de verantwoordelijkheden die de
                    werkgever heeft.</al><tussenkop>Jobcoach ten behoeve van Garantiebanen</tussenkop><al>In de arbeidsregio Midden-Utrecht zijn ten behoeve van de inzet van een Jobcoach
                    voor een garantiebaan afspraken gemaakt over duur en intensiteit van de
                    Jobcoach.</al><al>UWV en/of gemeente bepaalt of de inzet van Jobcoach voor een potentiële
                    werknemer vanwege arbeidshandicap noodzakelijk is.</al><al>De Jobcoach wordt ingezet vanaf moment van plaatsing op regulier werk (vanaf de
                    eerste dag dat het arbeidscontract inwerking treedt). De Jobcoach kan ook
                    ingezet worden bij een proefplaatsing. </al><al>Iemand uit de doelgroep heeft recht op maximaal 52 uur jobcoaching per jaar voor
                    maximaal 2 jaar. Er zijn twee begeleidingsniveau jobcoaching die kunnen worden
                    toegekend; licht en midden begeleidingsniveau waarvoor maximaal middelen of uren
                    beschikbaar zijn. Ieder half jaar wordt geëvalueerd of jobcoaching nog langer
                    noodzakelijk is.</al><al>Naast inzet van Jobcoach door UWV of gemeente kan er ook gekozen worden voor
                    financiële tegemoetkoming om als werkgever zelf een Jobcoach aan te stellen (de
                    zogeheten interne Jobcoach).</al><al>Hiermee wordt tegemoet gekomen aan de wens om bij meerdere werknemers een en
                    dezelfde Jobcoach te kunnen aanstellen.</al><tussenkop>Artikel 15 Individuele Studietoeslag</tussenkop><al>De Invoeringswet Participatiewet introduceert een studieregeling in de
                    Participatiewet: de individuele studietoeslag. Hiermee krijgt het Dagelijks
                    Bestuur de mogelijkheid mensen, van wie is vastgesteld dat ze niet in staat zijn
                    het minimumloon te verdienen of bij wie een medische urenbeperking is
                    geconstateerd, een individuele studietoeslag te verstrekken als ze studeren. Het
                    afronden van een studie versterkt de positie op de arbeidsmarkt. Een diploma is
                    een bewijs tegenover werkgevers dat iemand gemotiveerd is en veel in zijn mars
                    heeft. </al><al>Mensen met een arbeidshandicap hebben volgens de regering een extra steuntje in
                    de rug nodig als het gaat om studeren. Voor hen is de drempel om te lenen een
                    stuk hoger, omdat de kans op een baan later lager is. Een studieregeling
                    stimuleert mensen om toch de stap te zetten om naar school te gaan of een studie
                    te gaan volgen. Ook biedt het een financiële compensatie voor het feit dat het
                    voor deze groep vaak moeilijk is om de studie te combineren met een bijbaan (TK
                    2013-2014, 33 161, nr. 125, p. 2). </al><al>De individuele studietoeslag moet worden aangemerkt als een vorm van bijzondere
                    bijstand (artikel 5, onderdeel d, van de Participatiewet). De individuele
                    studietoeslag is niet gerelateerd aan bepaalde kosten. Het is een
                    inkomensondersteunende maatregel voor mensen van wie is vastgesteld dat ze niet
                    in staat zijn het minimumloon te verdienen of voor wie een medische
                    urenbeperking geldt. </al><tussenkop>Verlening studietoeslag</tussenkop><al>In het eerste lid wordt nog eens benadrukt dat een aanvrager op datum aanvraag
                    moet voldoen aan de voorwaarden genoemd in artikel 36b, eerste lid van de
                    Participatiewet. Eén van de voorwaarden is dat bij de aanvrager moet worden
                    vastgesteld of hij arbeidsbeperkt is of dat bij hem sprake is van een medische
                    urenbeperking. Dat laatste moet door het UWV worden bepaald. Wie moet
                    vaststellen of een aanvrager arbeidsbeperkingen ondervindt, wordt via nadere
                    regels bepaald. Het zal er waarschijnlijk op neerkomen dat dit hetzelfde orgaan
                    is dat ook vaststelt of iemand die bijstand aanvraagt of ontvangt een
                    arbeidsbeperking heeft.</al><al>Een andere voorwaarde is dat de aanvrager recht moet hebben op
                    studiefinanciering of een Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten.
                    Dit betekent niet dat de aanvrager ook daadwerkelijk studiefinanciering of een
                    tegemoetkoming moet ontvangen. Het recht op studiefinanciering bestaat,
                    afhankelijk van iemands gekozen opleiding, leeftijd en inkomen. Of van dit recht
                    gebruik gemaakt wordt is niet in de Participatiewet geregeld en is geen vereiste
                    voor het ontvangen van een individuele studietoeslag op grond van de
                    Participatiewet. Voor het recht op een individuele studietoeslag is het dan ook
                    voldoende dat een persoon recht heeft op studiefinanciering of een
                    tegemoetkoming. De persoon zal - als aanvrager van de toeslag - aannemelijk
                    moeten maken dat hij recht op studiefinanciering of een tegemoetkoming heeft,
                    bijvoorbeeld door een beschikking van DUO of door een bewijs van inschrijving
                    bij een bepaalde opleiding te overleggen. </al><al>Om onduidelijkheid te voorkomen omtrent de wijze waarop het verzoek als bedoeld
                    in artikel 36b, eerste lid, van de Participatiewet moet worden ingediend, wordt
                    in het derde lid bepaald dat dit moet worden gedaan door middel van een door of
                    namens het college vastgesteld formulier. Een verzoek wordt dan gezien als een
                    aanvraag zoals bedoeld in afdeling 4.1.1 van de Awb. Vandaar ook dat in deze
                    verordening het begrip “aanvraag” wordt gehanteerd en niet “verzoek”. Het gaat
                    dus om een schriftelijke aanvraag (artikel 4:1 van de Awb) die wordt ondertekend
                    door de aanvrager en ten minste de naam en het adres van de aanvrager bevat, de
                    dagtekening en een aanduiding van de beschikking die wordt gevraagd (artikel
                    4:2, eerste lid, van de Awb). De aanvrager verschaft ook de gegevens en
                    bescheiden die voor de beslissing op de aanvraag nodig zijn en waarover hij
                    redelijkerwijs de beschikking kan krijgen (artikel 4:2, tweede lid, van de Awb).
                    Een mondeling verzoek kan hiermee dus niet worden aangemerkt als een verzoek om
                    individuele studietoeslag zoals bedoeld in artikel 36b van de Participatiewet. </al><tussenkop>Hoogte individuele studietoeslag</tussenkop><al>Voor de uitvoerbaarheid is gekozen om een vast bedrag per maand als
                    studietoeslag vast te stellen. </al><tussenkop>Betaling individuele studietoeslag</tussenkop><al>Het ligt voor de hand om de studietoeslag per maand te betalen omdat de toeslag
                    bedoeld is als inkomensaanvullende regeling voor het dekken van algemene kosten
                    van levensonderhoud. Veel van die kosten doen zich maandelijks voor, zoals
                    woonlasten, zorgpremies, etc. Daarnaast vindt betaling vanuit een bijbaan in de
                    regel ook maandelijks plaats. Verder sluit een maandbetaling ook meer aan bij
                    het systeem van in- en uitschrijving bij een studie. Gewoonlijk gebeurt dat per
                    maand (vaak de eerste van de maand).</al><tussenkop>Toekenning en beëindiging van de individuele studietoeslag</tussenkop><al>In het eerste lid is bepaald dat een studietoeslag pas wordt toegekend vanaf de
                    eerste van de maand waarop de aanvraag is ingediend. Het is niet de bedoeling
                    dat een toeslag met terugwerkende kracht, bijvoorbeeld vanaf datum aanvang
                    studiejaar, wordt verstrekt. Bij ongewijzigde omstandigheden loopt de toeslag
                    tot aan het eind van het school- of studiejaar. Belanghebbende kan tegen het
                    einde van school- of studiejaar een nieuwe aanvraag indienen. Het tweede lid
                    maakt duidelijk dat de studietoeslag tussentijds wordt beëindigd zodra de studie
                    wordt gestaakt of belanghebbende niet langer recht heeft op studiefinanciering
                    op grond van de Wet studiefinanciering 2000 of een tegemoetkoming op grond van
                    hoofdstuk 4 van de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten.</al><tussenkop>Artikel 16 Vergoedingen</tussenkop><al>Het vergoeden van kosten die bijdragen aan de inschakeling in het arbeidsproces
                    zijn divers van aard en worden in beleidsregels uitgewerkt.</al><al>In de verordening is niet opgenomen dat er premies kunnen worden verstrekt voor
                    het aan werk gaan. Er is voor gekozen alleen een premie in de vorm van nazorg en
                    persoonlijke begeleiding mogelijk te maken, bv. in de vorm van jobcoaching.</al><tussenkop>Artikel 17 Persoonlijke voorzieningen bij werk of scholing </tussenkop><al>Het gaat hier om werkvoorzieningen voor personen met arbeidsbeperkingen zoals
                    hulpmiddelen en werkplekaanpassingen Persoonlijke ondersteuning door bv. een
                    jobcoach is geregeld in artikel 15. Voor vervoersvoorzieningen wordt zoveel
                    mogelijk aangesloten bij voorzieningen die in het kader van de Wet
                    maatschappelijke ondersteuning zijn georganiseerd.</al><tussenkop>Artikel 18 Intrekken oude verordening en overgangsrecht</tussenkop><al>In dit artikel is onder andere het overgangsrecht neergelegd. Het kan voorkomen
                    dat personen een voorziening toegekend hebben gekregen op grond van de oude
                    re-integratieverordening, die niet meer voldoet aan de voorwaarden uit deze
                    verordening. Hierbij kan worden gedacht aan de situatie waarin de oude
                    re-integratieverordening voorzieningen bevat die na inwerkingtreding van deze
                    verordening niet meer worden verstrekt. Ook is het denkbaar dat een persoon op
                    grond van de oude re-integratieverordening wel in aanmerking zou komen voor een
                    voorziening, maar door inwerkingtreding van deze verordening niet meer. Om te
                    voorkomen dat een voorziening moet worden ingetrokken is in artikel 15, tweede
                    lid van deze verordening, geregeld dat dergelijke voorzieningen worden behouden
                    voor een bepaalde duur. Een dergelijke voorzieningen wordt behouden voor ten
                    hoogste de duur van twaalf maanden of - als dit eerder is - voor de duur dat
                    deze is verstrekt. Dit uiteraard voor zover wordt voldaan aan de voorwaarden uit
                    de Re-integratieverordening Stichtse Vecht 2012. Wordt niet meer aan die
                    voorwaarden voldaan, dan moet de voorziening worden beëindigd, bijvoorbeeld als
                    een belanghebbende geen aanspraak meer heeft op ondersteuning bij de
                    arbeidsinschakeling. De periode van twaalf maanden begint te lopen vanaf het
                    moment van inwerkingtreding van deze verordening.</al><tussenkop>Voortzetten toegekende voorzieningen</tussenkop><al>Toegekende voorzieningen op grond van de “Reïntegratieverordening Stichtse Vecht
                    2012” worden in beginsel behouden tot twaalf maanden na inwerkingtreding van
                    deze verordening. Na afloop van die periode kan het college besluiten of een
                    voorziening wordt voortgezet. Hierbij kan het college rekening houden met al
                    gesloten overeenkomsten. Voortzetting van een voorziening ligt bijvoorbeeld voor
                    de hand als het college is gehouden de kosten van een dergelijke voorziening te
                    voldoen, ongeacht of een persoon nog gebruik maakt van de voorziening. Lopende
                    re-integratievoorzieningen kunnen in beginsel ná inwerkingtreding van deze
                    verordening worden afgerond conform de overeenkomst.</al><al>Indien het resultaat economische zelfredzaamheid sneller kan worden bereikt
                    bijvoorbeeld door inzet van nieuwe re-integratievoorzieningen (bijv.
                    loonkostensubsidie) dan kan het college besluiten de voorziening wel te
                    beëindigen.</al><tussenkop>Voortzetting is niet mogelijk</tussenkop><al>Voortzetting van een toegekende voorziening na twaalf maanden is niet mogelijk
                    als de voorziening binnen die periode is beëindigd wegens het niet meer voldoen
                    aan de voorwaarden voor die voorziening op grond van de “Reïntegratieverordening
                    Stichtse Vecht 1212” of als de voorziening is toegekend voor een kortere duur
                    dan twaalf maanden na inwerkingtreding van de verordening. Een voorziening dient
                    immers niet langer te worden voortgezet dan de duur van de oorspronkelijke
                    toekenning. </al><al>Ten aanzien van die voorziening blijft de “Reïntegratieverordening Stichtse
                    Vecht 2012” van toepassing.</al><al>-.-.-.-.-.-.-.-.-.-</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>