<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR370758_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs gemeente Montfoort 2015</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Montfoort</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-03-27</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Montfoort</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">IJsselbode, 30-06-2015</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs gemeente Montfoort 2015</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet op het primair onderwijs, art. 102</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet op de expertisecentra, art. 100</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet op het voortgezet onderwijs, art. 76m</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Gemeentewet, art. 149</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>onderwijs</dcterms:subject><dcterms:issued>2015-06-22</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2015-07-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>145808</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs gemeente Montfoort
            2015</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente Montfoort;</al><al/><al>gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 12 mei 2015
                        zaaknummer 145808</al><al/><al>gelezen het gevoerde op overeenstemming gerichte overleg met de
                        vertegenwoordigers van de bevoegde gezagsorganen;</al><al/><al>gelet op artikel 149 van de Gemeentewet, artikel 102 van de Wet op het
                        primair onderwijs, artikel 100 van de Wet op de expertisecentra en artikel
                        76m van de Wet op het voortgezet onderwijs;</al><al/><al>gezien het advies van het Forum Samenleving</al><al/><al>besluit:</al><al>vast te stellen de Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs gemeente
                        Montfoort 2015.</al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1.</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="-"><al>aanvraag: verzoek om het bekostigen van een voorziening -
                                    aanvrager: het bevoegd gezag dat een aanvraag indient;</al></li><li nr="-"><al>advies Onderwijsraad: advies van de Onderwijsraad als bedoeld in
                                    artikel 95, negende lid, van de Wet op het primair onderwijs,
                                    artikel 93, negende lid, van de Wet op de expertisecentra of
                                    artikel 76f, negende lid, van de Wet op het voortgezet
                                    onderwijs;</al></li><li nr="-"><al>bevoegd gezag: bevoegd gezag van een volgens de Wet op het
                                    primair onderwijs, de Wet op de expertisecentra of de Wet op het
                                    voortgezet onderwijs bekostigde openbare of bijzondere school
                                    die geheel of gedeeltelijk gehuisvest is in een gebouw dat zich
                                    bevindt op het grondgebied van de gemeente;</al></li><li nr="-"><al>bouwheerovereenkomst: overeenkomst tussen gemeente en
                                    schoolbestuur waarin na de goedkeuring van een aanvraag de
                                    nadere afspraken over het vervolgtraject worden vastgelegd.</al></li><li nr="-"><al>lokaal bewegingsonderwijs: ruimte die geschikt is voor het
                                    bewegingsonderwijs;</al></li><li nr="-"><al>minister: minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap;</al></li><li nr="-"><al>nevenvestiging: deel van een school dat door de minister op
                                    grond van artikel 85 van de Wet op het primair onderwijs, de
                                    artikelen 76a of 76b van de Wet op de expertisecentra of artikel
                                    16, tweede en derde lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs
                                    voor bekostiging in aanmerking is gebracht;</al></li><li nr="-"><al>overzicht: overzicht als bedoeld in artikel 96 van de Wet op het
                                    primair onderwijs, artikel 94 van de Wet op de expertisecentra
                                    of artikel 76g van de Wet op het voortgezet onderwijs;-
                                    permanent gebouw: ruimte die door de keuze van het ontwerp en de
                                    aard van de constructie en materialen ten minste 60 jaar als
                                    volwaardige huisvesting voor het onderwijs kan
                                    functioneren;</al></li><li nr="-"><al>programma: programma als bedoeld in artikel in artikel 95 Wet op
                                    het primair onderwijs, artikel 93 Wet op de expertisecentra en
                                    artikel 76f van de Wet op het voortgezet onderwijs;</al></li><li nr="-"><al>school:</al><al>1°. school voor basisonderwijs: basisschool of speciale school
                                    voor basisonderwijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op het
                                    primair onderwijs;</al><al>2°. school voor speciaal onderwijs of voortgezet speciaal
                                    onderwijs: school voor speciaal onderwijs, school voor speciaal
                                    en voortgezet speciaal onderwijs, of school voor voortgezet
                                    speciaal onderwijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de
                                    expertisecentra, een instelling voor speciaal en voortgezet
                                    speciaal onderwijs als bedoeld in artikel 8 van de Wet op de
                                    expertisecentra en een school voor voortgezet speciaal onderwijs
                                    als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de expertisecentra; </al><al>3°. school voor voortgezet onderwijs: school of
                                    scholengemeenschap voor voorbereidend wetenschappelijk
                                    onderwijs, voor hoger en middelbaar algemeen voortgezet
                                    onderwijs, voor voorbereidend beroepsonderwijs en voor
                                    praktijkonderwijs als bedoeld in de artikelen 1, 2 en 5 van de
                                    Wet op het voortgezet onderwijs;</al></li><li nr="-"><al>renovatie: aanpassing van een schoolgebouw, waardoor de
                                    levensduur van het gebouw significant wordt verlengd. De inhoud
                                    en uitwerking van het begrip renovatie wordt nader uitgewerkt in
                                    beleid</al></li><li nr="-"><al>tijdelijk gebouw: al dan niet verplaatsbare ruimte die door de
                                    keuze van het ontwerp en de aard van de constructie en
                                    materialen minstens 15 jaar als volwaardige huisvesting voor het
                                    onderwijs kan functioneren;</al></li><li nr="-"><al>tijdelijke nevenvestiging: een tijdelijke nevenvestiging als
                                    bedoeld in artikel 16, derde lid, van de Wet op het voortgezet
                                    onderwijs;</al></li><li nr="-"><al>verhuur: gebruik van een onderwijsgebouw door derden, niet
                                    zijnde onderwijsgebruik of gebruik voor culturele,
                                    maatschappelijke of recreatieve doeleinden;</al></li><li nr="-"><al>voor blijvend gebruik bestemde voorziening: voorziening die
                                    volgens de uitkomst van de prognose als bedoeld in bijlage II
                                    minimaal 15 jaar noodzakelijk is;</al></li><li nr="-"><al>voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening: voorziening die
                                    volgens de uitkomst van de prognose als bedoeld in bijlage II
                                    maximaal 15 jaar noodzakelijk is;</al></li><li nr="-"><al>voorziening: voorzieningen in de huisvesting als bedoeld in
                                    artikel 2.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Omschrijving voorzieningen in de huisvesting</titel></kop><al>Bij het toepassen van deze verordening worden de volgende voorzieningen
                            onderscheiden:</al><lijst><li nr="a."><al>voor blijvend of voor tijdelijk gebruik bestemde voorzieningen,
                                    bestaande uit:</al><al>1°. nieuwbouw voor een school die voor het eerst door het rijk
                                    voor bekostiging in aanmerking is gebracht, of nieuwbouw om een
                                    gebouw waarin een school is gehuisvest geheel of gedeeltelijk te
                                    vervangen, al dan niet op dezelfde locatie;</al><al>2°. uitbreiding van een gebouw waarin een school is
                                    gehuisvest;</al><al>3°. het geheel of gedeeltelijk in gebruik nemen van een bestaand
                                    gebouw voor het huisvesten van een school;</al><al>4°. verplaatsing van een of meer bestaande tijdelijke gebouwen
                                    voor het huisvesten van een school; </al><al>5°. terrein voor zover nodig voor het realiseren van een
                                    voorziening als bedoeld in 1° tot en met 4°;</al><al>6°. inrichting met onderwijsleerpakket of met leer- en
                                    hulpmiddelen voor zover deze nog niet eerder door het rijk of de
                                    gemeente is bekostigd;</al><al>7°. inrichting met meubilair voor zover dit nog niet eerder door
                                    het rijk of de gemeente is bekostigd;</al><al>8°. medegebruik van een ruimte voor het onderwijs in een gebouw
                                    dat al bij een andere school in gebruik is of van een lokaal
                                    bewegingsonderwijs </al></li><li nr="b."><al>herstel van constructiefouten bestaande uit schade aan een
                                    gebouw veroorzaakt door eigen gebrek of eigen bederf, evenals
                                    uit kosten gemoeid met het voorkomen van nog niet zichtbare
                                    materiële schade onmiddellijk voortvloeiend uit ontwerpfouten,
                                    uitvoeringsfouten of wanprestatie;</al></li><li nr="c."><al>herstel en vervanging in verband met schade aan gebouw,
                                    onderwijsleerpakket, leer- en hulpmiddelen of meubilair ingeval
                                    van bijzondere omstandigheden;</al></li><li nr="d."><al>huur van een sportterrein, dat niet in eigendom is van een
                                    bevoegd gezag, voor een school voor voortgezet onderwijs voor
                                    het onderwijs in lichamelijke oefening.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>Voorbereidingskrediet</titel></kop><al>Vervallen (zit in artikel 4 lid 3: bouwheerovereenkomst)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Vaststellen vergoeding voorzieningen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Voor voorzieningen als bedoeld in artikel 2, onderdeel a, onder
                                    6 en 7 wordt de vergoeding vastgesteld overeenkomstig de in
                                    bijlage IV opgenomen normbedragen.</al></li><li nr="2."><al>Voor andere voorzieningen dan bedoeld in het eerste lid wordt de
                                    vergoeding vastgesteld op de feitelijke kosten.</al></li><li nr="3."><al>De inhoudelijke toets van de voorziening bedoeld in het tweede
                                    lid wordt vergezeld van een toets van de stichtingskosten van de
                                    brutovloeroppervlakte door een onafhankelijk, in scholenbouw
                                    gerenommeerd, bouwkostenmanagementbureau</al></li><li nr="4."><al>De vergoeding wordt gebaseerd op het plan en het gemeentelijk
                                    aanbestedingsbeleid, opgenomen in een bouwheerovereenkomst
                                    tussen het schoolbestuur en de gemeente. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Informatieverstrekking</titel></kop><al>Het bevoegd gezag verstrekt aan het college de gegevens die noodzakelijk
                            zijn voor het uitvoeren van het bepaalde in deze verordening. Hierbij
                            wordt gebruik gemaakt van een door het college vastgesteld
                            formulier.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2.</nr><titel>Programma en overzicht</titel></kop><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2.1</nr><titel>Aanvragen programma</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Indienen aanvraag</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Een aanvraag om opname van een voorziening op het programma
                                        wordt door het bevoegd gezag bij het college ingediend en
                                        moet uiterlijk 31 januari van het jaar waarin van het
                                        betreffende programma wordt vastgesteld zijn ontvangen.
                                        Hierbij wordt gebruik gemaakt van een door het college
                                        vastgesteld formulier.</al></li><li nr="2."><al> Aanvragen die na deze datum worden ontvangen neemt het
                                        college niet in behandeling.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel>Inhoud aanvraag; gelegenheid tot aanvullen aanvraag; niet
                                    behandelen onvolledige aanvraag</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Een aanvraag vermeldt in ieder geval:</al><lijst><li nr="a."><al>de naam en het adres van de aanvrager;</al></li><li nr="b."><al>de dagtekening;</al></li><li nr="c."><al>de naam van de school en, als dit van toepassing is,
                                                het gebouw waarvoor de voorziening is bestemd;</al></li><li nr="d."><al>de voorziening die wordt aangevraagd;</al></li><li nr="e."><al>de onderbouwing van de noodzaak en de omvang van de
                                                gewenste voorziening, bestaande uit:</al><al>1°. een prognose van het te verwachten aantal
                                                leerlingen van de school voor basisonderwijs[, de
                                                speciale school voor basisonderwijs, de school voor
                                                speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs
                                                of de school voor voortgezet onderwijs,] als het
                                                betreft een aanvraag voor een voorziening als
                                                bedoeld in artikel 2, onderdeel a, onder 1°, 2°,
                                                3°,en f 8°, onder de voorwaarde dat de prognose
                                                overeenkomstig bijlage II is vastgesteld, tenzij
                                                door het college, al dan niet in samenwerking met de
                                                bevoegde gezagsorganen van een school voor
                                                basisonderwijs, een actuele prognose is opgesteld,
                                                welke door het bevoegd gezag wordt
                                                onderschreven;</al><al>2°. als de aanvraag betrekking heeft op het geheel
                                                of gedeeltelijk bekostigen van vervangende nieuwbouw
                                                van een gebouw als bedoeld in artikel 2, onderdeel
                                                a, onder 1°, of herstel van een constructiefout als
                                                bedoeld in artikel 2, onderdeel b, een bouwkundige
                                                rapportage die voldoet aan de eisen NEN 2767, zodat
                                                de noodzaak van de gevraagde voorziening kan worden
                                                vastgesteld;</al><al>3°. als de aanvraag betrekking heeft op het
                                                bekostigen van een voorziening waarvoor de
                                                vergoeding wordt vastgesteld op de feitelijke
                                                kosten, een begroting van de noodzakelijke kosten
                                                voor het bekostigen van de voorziening </al></li><li nr="f."><al>de geplande aanvangsdatum van uitvoering van de
                                                voorziening, en</al></li><li nr="g."><al>als het een voorziening betreft als bedoeld in
                                                artikel 2, onderdeel a, onder 1° tot en met 5°, de
                                                aanduiding van de gewenste plaats waar de
                                                voorziening moet worden gerealiseerd.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Het college stelt de aanvrager voor 15 februari schriftelijk
                                        op de hoogte als gegevens als bedoeld in het eerste of
                                        tweede lid ontbreken. De aanvrager heeft tot 15 maart (de
                                        hersteldatum) de gelegenheid de ontbrekende gegevens aan te
                                        vullen. Als dit niet gebeurt, neemt het college de aanvraag
                                        niet in behandeling.</al></li><li nr="3."><al>Als een door het college in behandeling genomen aanvraag
                                        mede is gebaseerd op het aantal leerlingen van de betrokken
                                        school op 1 oktober van het jaar waarin het programma wordt
                                        vastgesteld, is de aanvrager verplicht dat aantal voor 15
                                        oktober te registeren in de Basisregistratie Onderwijs bij
                                        de Dienst Uitvoering Onderwijs. Heeft aanvrager de
                                        registratie niet binnen de gestelde termijn gerealiseerd,
                                        dan deelt het college dit schriftelijk mede aan de aanvrager
                                        en heeft de aanvrager de gelegenheid dit alsnog te doen
                                        binnen drie dagen na de datum van ontvangst van de
                                        mededeling. Als de registratie niet alsnog binnen drie dagen
                                        is verstrekt, neemt het college de aanvraag niet in
                                        behandeling.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.</nr><titel>Opgave ingediende aanvragen</titel></kop><al>Het college verstrekt aan de bevoegde gezagsorganen voor
                                    15 mei een opgave van de aanvragen die
                                overeenkomstig artikel 6 zijn ingediend en geeft daarbij aan welke
                                niet in behandeling worden genomen.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2.2</nr><titel>Overleg voorafgaand aan vaststellen programma en
                                overzicht</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.</nr><titel>Toelichting aanvraag; overleg over ingediende
                                    begroting</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college of een aanvrager kan verzoeken een aanvraag
                                        nader toe te lichten. Dit overleg vindt plaats binnen 2
                                            maandenna de hersteldatum, bedoeld in
                                        artikel 7, tweede lid.</al></li><li nr="2."><al>Het college treedt in overleg met de aanvrager als de
                                        aanvraag betrekking heeft op een voorziening waarvoor de
                                        vergoeding wordt vastgesteld op de feitelijke kosten en het
                                        college van oordeel is dat de door de aanvrager overgelegde
                                        kostenbegroting moet worden aangepast.</al></li><li nr="3."><al>Het college vermeldt in het voorstel tot het vaststellen van
                                        het bekostigingsplafond, het programma en het overzicht,
                                        bedoeld in paragraaf 2.3:</al><lijst><li nr="a."><al>de hoogte van het geraamde bedrag, waarvan voor de
                                                aangevraagde voorziening wordt uitgegaan, en</al></li><li nr="b."><al>als dit van toepassing is, de redenen waarom in het
                                                overleg geen overeenstemming is bereikt over de
                                                hoogte van het geraamde bedrag.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.</nr><titel>Overleg programma en overzicht; advies Onderwijsraad</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Voordat het college het programma en het overzicht
                                        vaststelt, worden de bevoegde gezagsorganen in een overleg
                                        in de gelegenheid gesteld hun zienswijze over de voorgenomen
                                        inhoud van dat voorstel naar voren te brengen.</al></li><li nr="2."><al>Dit overleg vindt plaatst uiterlijk 1 oktober
                                        van het jaar voorafgaand aan het jaar waarop het vast te
                                        stellen programma betrekking heeft. De bevoegde
                                        gezagsorganen worden ten minste 2 wekenvoor de
                                        door het college vastgestelde datum schriftelijk in kennis
                                        gesteld van het tijdstip van het overleg en de voorgenomen
                                        inhoud van het voorstel.</al></li><li nr="3."><al>De bevoegde gezagsorganen die niet deelnemen aan het overleg
                                        kunnen voor het overleg hun zienswijzen schriftelijk kenbaar
                                        maken aan het college. Het college stelt de deelnemers aan
                                        het overleg van deze zienswijzen in kennis.</al></li><li nr="4."><al>Het college maakt een verslag van de in het overleg door de
                                        bevoegde gezagsorganen naar voren gebrachte zienswijzen. De
                                        overeenkomstig het vorige lid ingediende zienswijzen en de
                                        reactie van het college hierop worden opgenomen in het
                                        verslag. Het verslag wordt binnen een maand na het overleg
                                        toegezonden aan alle bevoegde gezagsorganen.</al></li><li nr="5."><al>Een bevoegd gezag en het college kunnen de Onderwijsraad
                                        verzoeken een advies uit te brengen over het
                                        conceptprogramma. Het verzoek bevat een schriftelijk
                                        gemotiveerde omschrijving van de onderwerpen waarover advies
                                        wordt verwacht. Het advies dient betrekking te hebben op de
                                        relatie tussen de voorgenomen inhoud van het programma en de
                                        vrijheid van richting en inrichting. Het verzoek en de
                                        daarover naar voren gebrachte zienswijzen worden opgenomen
                                        in het verslag, bedoeld in het vierde lid.</al></li><li nr="6."><al>Het college is belast met het indienen van een verzoek om
                                        advies bij de Onderwijsraad. Het college zorgt ervoor dat de
                                        Onderwijsraad alle stukken ontvangt die nodig zijn voor het
                                        beoordelen van het verzoek, waaronder het verslag, bedoeld
                                        in het vierde lid.</al></li><li nr="7."><al>Een afschrift van het door de Onderwijsraad uitgebrachte
                                        advies wordt zo spoedig mogelijk door het college
                                        toegezonden aan de bevoegde gezagsorganen. Als het advies
                                        zou leiden tot één of meer inhoudelijke bijstellingen van de
                                        voorgenomen inhoud van het programma worden de bevoegde
                                        gezagsorganen door het college bij het toezenden van het
                                        afschrift van het advies uitgenodigd voor een nader overleg.
                                        In alle andere gevallen beoordeelt het college of nader
                                        bestuurlijk overleg over het advies van de Onderwijsraad
                                        noodzakelijk is. Het college geeft dit aan bij het toezenden
                                        van het afschrift van het advies.</al></li><li nr="8."><al>Nader overleg als bedoeld in het vorige lid vindt plaats
                                        binnen 2 weken nadat het advies van de
                                        Onderwijsraad aan de bevoegde gezagsorganen is gezonden. Het
                                        college maakt van dit overleg een verslag en voegt dit toe
                                        aan het verslag, bedoeld in het vierde lid.</al></li></lijst></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2.3</nr><titel>Vaststellen bekostigingsplafond, programma en overzicht</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11.</nr><titel>Tijdstip vaststellen bekostigingsplafond, programma en
                                    overzicht</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college stelt het bekostigingsplafond vast voor de
                                        vergoeding van de aangevraagde voorzieningen. Hierbij kan
                                        onderscheid gemaakt worden naar onderwijssoort of per
                                        voorziening.</al></li><li nr="2."><al>Het programma en het overzicht worden vastgesteld op
                                        uiterlijk 31 december voorafgaande aan het jaar waarop het
                                        programma betrekking heeft.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.</nr><titel>Bekendmaken besluiten vaststellen bekostigingsplafond,
                                    programma en overzicht</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De besluiten tot het vaststellen van het
                                        bekostigingsplafond, het programma en het overzicht worden
                                        door het college binnen 2 weken na de datum waarop het
                                        besluit is genomen bekend gemaakt door het toezenden of
                                        uitreiken van het besluit aan de aanvragers. Gelijktijdig
                                        stelt het college de overige bevoegde gezagsorganen
                                        schriftelijk in kennis van de genomen besluiten.</al></li><li nr="2."><al>De besluiten worden gelijktijdig met de bekendmaking ter
                                        inzage gelegd.</al></li></lijst></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2.4</nr><titel>Uitvoeren programma</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13.</nr><titel>Overleg wijze van uitvoering</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Binnen vier weken nadat het programma is vastgesteld treedt
                                        het college in overleg met de aanvrager over de wijze waarop
                                        de op het programma geplaatste voorziening wordt uitgevoerd.
                                        In dit overleg wordt alle informatie verstrekt die nodig is
                                        voor het uitvoeren van de voorziening en worden, voor zover
                                        van toepassing, afspraken gemaakt over:</al><lijst><li nr="a."><al>het bouwheerschap, bedoeld in artikel 103 van de Wet
                                                op het primair onderwijs, artikel 101 van de Wet op
                                                de expertisecentra en artikel 76n van de Wet op het
                                                voortgezet onderwijs;</al></li><li nr="b."><al>het tijdstip waarop het bouwplan en de begroting
                                                door de aanvrager worden ingediend; </al></li><li nr="c."><al>als dit van toepassing is, een andere wijze waarop
                                                de toegekende voorziening wordt uitgevoerd, met
                                                inachtneming van het beschikbaar te stellen
                                                bedrag;</al></li><li nr="d."><al>de wijze waarop het college het bouwplan en de
                                                begroting toetst, en of het naar het oordeel van het
                                                college noodzakelijk is bij het toetsen van het
                                                bouwplan en de begroting rekening te houden met
                                                feiten en omstandigheden die gewijzigd zijn ten
                                                opzichte van het moment waarop het programma is
                                                vastgesteld, waardoor het eerder genomen besluit kan
                                                worden herzien;</al></li><li nr="e."><al>de controle op en het afleggen van verantwoording
                                                over het besteden van de beschikbaar te stellen
                                                middelen;</al></li><li nr="f."><al>de wijze waarop de aanbesteding plaatsvindt;</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>De inhoud van de afspraken of het feit dat het overleg niet
                                        tot overeenstemming heeft geleid legt het college
                                        schriftelijk vast in een verslag. De aanvrager ontvangt het
                                        verslag binnen4 weken na het overleg. Als de
                                        aanvrager niet binnen 2 weken nadat het verslag is ontvangen
                                        schriftelijk reageert, wordt, afhankelijk van de inhoud van
                                        het vastgestelde verslag, geacht overeenstemming of geen
                                        overeenstemming te zijn bereikt.</al></li><li nr="3."><al>Bij het toepassen van artikel 14, tweede lid, neemt het
                                        college binnen 4 weken nadat overeenstemming is bereikt een
                                        beslissing over het tijdstip waarop de bekostiging aanvangt.
                                        Het bepaalde in artikel 15 is daarbij van overeenkomstige
                                        toepassing.</al></li><li nr="4."><al>Als in het overleg geen overeenstemming is bereikt, deelt
                                        het college dit binnen 4 weken nadat het verslag is
                                        vastgesteld schriftelijk mede aan de aanvrager en vermeldt
                                        gelijktijdig dat het bekostigen van de uitvoering van de
                                        voorziening wordt opgeschort.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14.</nr><titel>Instemmen bouwplannen en begroting; tijdstip aanvang
                                    bekostiging; toetsen wettelijke voorschriften en nieuwe feiten
                                    en omstandigheden; overleggen offertes</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Nadat overeenstemming als bedoeld in artikel 13, tweede lid,
                                        is bereikt dient het bevoegd gezag het bouwplan en, als de
                                        voorziening wordt bekostigd op basis van de feitelijke
                                        kosten, de bijbehorende begroting in bij het college. Het
                                        bevoegd gezag houdt daarbij rekening met de hierover
                                        gemaakte afspraken, bedoeld in artikel 13, eerste lid
                                        (Bouwheerovereenkomst) Gelijktijdig vermeldt het bevoegd
                                        gezag het tijdstip waarop de bekostiging kan starten. Het
                                        college moet instemmen met het bouwplan en de begroting
                                        voordat een bouwopdracht wordt verleend.</al></li><li nr="2."><al>Het college beslist binnen 8 weken nadat de
                                        stukken zijn ontvangen over de bouwplannen, de
                                        desbetreffende begroting en het tijdstip waarop de
                                        bekostiging start. Het college kan, onder mededeling daarvan
                                        aan de aanvrager, deze termijn verlengen met 4 weken. Als
                                        niet binnen de gestelde termijn is besloten, wordt geacht
                                        instemming te zijn verleend met de bouwplannen en de
                                        begroting en start de bekostiging op het door de aanvrager
                                        aangegeven tijdstip. Het college stelt de aanvrager binnen
                                            2 weken na de datum van de beslissing over
                                        het bouwplan, de desbetreffende begroting en het tijdstip
                                        waarop de bekostiging start respectievelijk na de datum
                                        waarop de instemming geacht wordt te zijn verleend hiervan
                                        schriftelijk in kennis.</al></li><li nr="3."><al>De vergoeding op basis van de feitelijke kosten wordt
                                        vastgesteld op basis van de economisch meest voordelige
                                        inschrijving.</al></li><li nr="4."><al>De economisch meest voordelige inschrijving wordt
                                        vastgesteld nadat het vastgestelde gemeentelijke
                                        inkoopbeleid is gevolgd. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15.</nr><titel>Aanvang bekostiging</titel></kop><al>Het college kan bij de beslissing over het tijdstip waarop de
                                bekostiging start bepalen dat de gelden in termijnen betaald worden.
                                Het betalen van de gelden vindt telkens plaats op een zodanig
                                tijdstip dat de aanvrager kan voldoen aan de financiële
                                verplichtingen die voortkomen uit het realiseren van de op het
                                programma geplaatste voorziening. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16.</nr><titel>Vervallen aanspraak op bekostiging</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Voor 1 oktober van het jaar waarop het programma betrekking
                                        heeft geeft de aanvrager een bouwopdracht of sluit hij een
                                        koop-, huur- of erfpachtovereenkomst af. Hiervan zendt hij
                                        voor 15 oktober een afschrift aan het college.
                                        De aanspraak op bekostiging vervalt als niet aan deze
                                        verplichtingen wordt voldaan.</al></li><li nr="2."><al>De in het eerste lid bedoelde:</al><lijst><li nr="a."><al>bouwopdrachten en overeenkomsten zijn
                                                onherroepelijk;</al></li><li nr="b."><al>bouwopdrachten vermelden de aanvangsdatum van het
                                                werk en de termijn, uitgedrukt in het aantal
                                                werkbare dagen, waarbinnen het werk wordt
                                                opgeleverd;</al></li><li nr="c."><al>huur- of erfpachtovereenkomsten vermelden de datum
                                                van inwerkingtreding, alsmede de duur van de
                                                overeenkomst;</al></li><li nr="d."><al>koopovereenkomsten vermelden de datum van
                                                aankoop.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>De aanspraak op bekostiging vervalt niet als het
                                        overschrijden van de in het eerste lid bedoelde termijn
                                        veroorzaakt wordt door:</al><lijst><li nr="a."><al>bijzondere omstandigheden die niet aan de aanvrager
                                                zijn toe te rekenen, en</al></li><li nr="b."><al>de aanvrager voor 1 septembereen
                                                schriftelijk gemotiveerd verzoek tot het verlengen
                                                van de termijn heeft ingediend bij het college.</al></li></lijst></li><li nr="4."><al>Het college beslist voor 15 septemberop een
                                        verzoek tot het verlengen van de termijn. Bij inwilliging
                                        van het verzoek wordt in het besluit aangegeven tot welke
                                        datum de termijn wordt verlengd.</al></li></lijst></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3.</nr><titel>Aanvragen met spoedeisend karakter</titel></kop><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>3.1</nr><titel>Aanvraag</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17.</nr><titel>Indienen aanvraag</titel></kop><al>Een aanvraag tot het bekostigen van een voorziening die gelet op de
                                voortgang van het onderwijs geen uitstel kan lijden, wordt binnen 2
                                weken na het ontstaan van de calamiteit ingediend bij het college.
                            </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18.</nr><titel>Inhoud aanvraag</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Een aanvraag als bedoeld in artikel 17 vermeldt naast de
                                        gegevens genoemd in artikel 7, eerste lid, de omstandigheden
                                        waarom de voorziening spoedeisend wordt geacht.</al></li><li nr="2."><al>Het college stelt de aanvrager binnen 2 weken na de datum
                                        waarop de aanvraag is ingediend schriftelijk op de hoogte
                                        als gegevens als bedoeld in het eerste lid ontbreken. De
                                        aanvrager heeft vervolgens 2 weken om de ontbrekende
                                        gegevens aan te vullen. Als dit niet gebeurt, neemt het
                                        college de aanvraag niet in behandeling.</al></li></lijst></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>3.2</nr><titel>Beoordelen aanvraag; uitvoeren besluit</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19.</nr><titel>Tijdstip beslissing</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college beslist binnen 4 weken nadat de
                                        aanvraag is ontvangen of, binnen 4 weken nadat
                                        de aanvullende gegevens zijn verstrekt of hadden moeten zijn
                                        verstrekt. </al></li><li nr="2."><al>Als een beschikking niet binnen de gestelde termijn kan
                                        worden gegeven, deelt het college dit aan de aanvrager
                                        schriftelijk mede en noemt daarbij een redelijke termijn
                                        waarbinnen de beschikking wel tegemoet kan worden
                                        gezien.</al></li><li nr="3."><al>Het college stelt de aanvrager binnen 2 weken na
                                        de datum van de beslissing schriftelijk van de beslissing in
                                        kennis.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>20.</nr><titel>Uitvoeren beslissing</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Na het bekendmaken van een beslissing als bedoeld in artikel
                                        19, eerste lid, waarbij een vergoeding is toegewezen, treedt
                                        het college zo spoedig mogelijk in overleg met de aanvrager
                                        over de wijze waarop de voorziening wordt uitgevoerd. Het
                                        bepaalde in de artikelen 13, 14, 15 en 16, tweede tot en met
                                        vierde lid, is daarbij van overeenkomstige toepassing, met
                                        dien verstande dat in plaats van de termijn, bedoeld in
                                        artikel 14, tweede lid, eerste volzin, een termijn van
                                            3 weken geldt.</al></li><li nr="2."><al>Binnen 3 maanden na bekendmaking van een
                                        beslissing als bedoeld in het eerste lid geeft de aanvrager
                                        een bouwopdracht of sluit hij een koop-, huur- of
                                        erfpachtovereenkomst af. Hiervan zendt hij binnen
                                            2 weken een afschrift aan het college. De
                                        aanspraak op bekostiging vervalt als niet aan deze
                                        verplichtingen wordt voldaan.</al></li></lijst></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4.</nr><titel>Medegebruik en verhuur</titel></kop><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>4.1</nr><titel>Medegebruik voor onderwijs of educatie</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>21.</nr><titel>Aanduiden omstandigheden</titel></kop><al>Het college kan overgaan tot het vorderen van een gedeelte van een
                                voor een school bestemd gebouw of terrein als:</al><lijst><li nr="a."><al>door medegebruik aan de behoefte aan huisvesting kan worden
                                        voorzien van een school waarbij overeenkomstig bijlage III,
                                        deel C, een aanvullende ruimtebehoefte is vastgesteld en het
                                        bevoegd gezag van die school een aanvraag als bedoeld in de
                                        artikelen 6 of 17 heeft ingediend;</al></li><li nr="b."><al>sprake is van een tekort aan huisvestingscapaciteit bij een
                                        andere school of een instelling als bedoeld in de Wet
                                        educatie en beroepsonderwijs, vastgesteld aan de hand van de
                                        voor die school of instelling gangbare
                                        berekeningswijze;</al></li><li nr="c."><al>leegstand is vastgesteld in een lesgebouw van een
                                        school;</al></li><li nr="d."><al>leegstand is vastgesteld in een lokaal bewegingsonderwijs
                                        van een school. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>22.</nr><titel>Omschrijving leegstand</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Er is sprake van leegstand in een schoolgebouw als
                                        overeenkomstig bijlage III, deel C, is vastgesteld dat de
                                        vastgestelde capaciteit van het gebouw groter is dan de
                                        vastgestelde ruimtebehoefte. </al></li><li nr="2."><al>Er is sprake van leegstand in een lokaal bewegingsonderwijs
                                        als: </al><lijst><li nr="a."><al>het lokaal wordt gebruikt door een of meer scholen
                                                voor basisonderwijs, speciaal basisonderwijs,
                                                speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs,
                                                en de som van het aantal klokuren gebruik dat door
                                                het college is vastgesteld minder is dan 40
                                                klokuren; </al></li><li nr="b."><al>het lokaal wordt gebruikt door een of meer scholen
                                                voor voortgezet onderwijs en uit de overeenkomstig
                                                bijlage III, deel B, vastgestelde ruimtebehoefte
                                                blijkt dat het lokaal minder dan 40 lesuren wordt
                                                gebruikt, tenzij het bevoegd gezag op basis van het
                                                lesrooster of de lesroosters voor het lopende of
                                                eerstkomende schooljaar aantoont dat dit niet het
                                                geval is;</al></li><li nr="c."><al>het lokaal wordt gebruikt door een of meer scholen
                                                voor basisonderwijs, speciaal basisonderwijs,
                                                speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs
                                                of voortgezet onderwijs, en de som van de
                                                berekeningswijzen, bedoeld onder a en b, minder is
                                                dan 40 klokuren. </al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>23.</nr><titel>Nalaten vorderen</titel></kop><al>Het college vordert geen medegebruik als het bevoegd gezag de
                                leegstand van het gebouw waarin het beoogde medegebruik moet
                                plaatsvinden, in gebruik heeft gegeven aan een andere school of
                                scholen voor het onderwijs aan die school of scholen, tenzij dat
                                gebruik kan plaatsvinden in de voor die scholen al beschikbare
                                huisvestingscapaciteit.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>24.</nr><titel>Overleg en mededeling</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Voordat het college overgaat tot vorderen in het kader van
                                        een aanvraag als bedoeld in artikel 6 overlegt het daarover
                                        met de betrokken bevoegde gezagsorganen tijdens het overleg
                                        als bedoeld in artikel 10.</al></li><li nr="2."><al>Voordat het college overgaat tot vorderen in het kader van
                                        een aanvraag als bedoeld in artikel 17 overlegt het daarover
                                        zo spoedig mogelijk met de betrokken bevoegde
                                        gezagsorganen.</al></li><li nr="3."><al>Binnen 4 weken nadat het programma is vastgesteld of binnen
                                            2 weken na het overleg, bedoeld in het
                                        vorige lid, deelt het college het bevoegd gezag waarvan
                                        gevorderd wordt schriftelijk mede dat gevorderd wordt.</al></li><li nr="4."><al>De schriftelijke mededeling van het college bevat in ieder
                                        geval:</al><lijst><li nr="a."><al>de naam van de school en het bevoegd gezag waarvoor
                                                wordt gevorderd;</al></li><li nr="b."><al>een aanduiding van het aantal leerlingen waarvoor
                                                gevorderd wordt of, als het betreft het
                                                bewegingsonderwijsonderwijs, het aantal klokuren dat
                                                gevorderd wordt;</al></li><li nr="c."><al>het gebouw waarop de vordering betrekking
                                                heeft;</al></li><li nr="d."><al>het aantal vierkante meters bruto vloeroppervlakte
                                                dat gevorderd wordt;</al></li><li nr="e."><al>de periode waarvoor gevorderd wordt, en </al></li><li nr="f."><al>de ingangsdatum van het medegebruik.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>25.</nr><titel>Vergoeding</titel></kop><al>De betrokken bevoegde gezagsorganen stellen in onderling overleg de
                                vergoeding voor het medegebruik vast. Hierbij wordt als uitgangspunt
                                genomen dat de vergoeding kostendekkend dient te zijn. Als geen
                                overeenstemming wordt bereikt stellen partijen in onderling overleg
                                vast welke handelswijze wordt gevolgd.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>4.2</nr><titel>Medegebruik voor culturele, maatschappelijke of recreatieve
                                doeleinden</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>26.</nr><titel>Overleg en mededeling</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Voordat het college overgaat tot vorderen overlegt het
                                        college met het bevoegd gezag.</al></li><li nr="2."><al>In het overleg komt in ieder geval aan de orde:</al><lijst><li nr="a."><al>voor welke activiteit of activiteiten gevorderd
                                                wordt;</al></li><li nr="b."><al>of die activiteit of activiteiten zich verdragen met
                                                het onderwijs aan de in het gebouw gevestigde
                                                school;</al></li><li nr="c."><al>of maatregelen noodzakelijk zijn om te voorkomen dat
                                                het onderwijs aan de in het gebouw gevestigde school
                                                hinder van het medegebruik ondervindt;</al></li><li nr="d."><al>wat naar oordeel van het college en het bevoegd
                                                gezag een redelijke vergoeding voor het medegebruik
                                                is;</al></li><li nr="e."><al>de datum waarop het medegebruik redelijkerwijs
                                                aanvang kan nemen.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Binnen 4 wekenna het overleg deelt het college
                                        het bevoegd gezag waarvan medegebruik gevorderd wordt
                                        schriftelijk mede dat gevorderd wordt. Als het overleg heeft
                                        geleid tot afspraken, worden ook deze opgenomen in de
                                        schriftelijke mededeling. Als het overleg niet tot volledige
                                        overeenstemming heeft geleid, dan bevat de mededeling de
                                        beslissing van het college over de punten waarover geen
                                        overeenstemming was bereikt. </al></li></lijst></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>4.3</nr><titel>Verhuur</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>27.</nr><titel>Verzoek toestemming college</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het bevoegd gezag verzoekt het college schriftelijk om
                                        toestemming als bedoeld in artikel 108, eerste lid, van de
                                        Wet op het primair onderwijs, artikel 106, eerste lid, van
                                        de Wet op de expertisecentra of artikel 76s, eerste lid, van
                                        de Wet op het voortgezet onderwijs voordat een
                                        huurovereenkomst wordt gesloten. </al></li><li nr="2."><al>Het verzoek bevat een aanduiding van de huurder en van de
                                        bestemming van de te verhuren ruimte.</al></li><li nr="3."><al>Het college kan aan de toestemming de voorwaarde verbinden
                                        dat voor de verhuur een huur is verschuldigd.</al></li></lijst></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>5.</nr><titel>Einde gebruik gebouwen en terreinen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>28.</nr><titel>Staat van onderhoud</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Als het bevoegd gezag aan het college schriftelijk meldt dat een
                                    gebouw of terrein niet meer nodig is voor het huisvesten van een
                                    school stelt het college vast of er mogelijk sprake is van
                                    achterstallig onderhoud aan het gebouw of terrein.</al></li><li nr="2."><al>Als het college vaststelt dat er sprake is van achterstallig
                                    onderhoud wordt voordat de eigendomsoverdracht plaatsvindt een
                                    staat van onderhoud opgemaakt.</al></li><li nr="3."><al>De staat van onderhoud wordt na overleg met het bevoegd gezag
                                    opgemaakt in opdracht van het college.</al></li><li nr="4."><al>Over de staat van onderhoud wordt overleg gevoerd met het
                                    bevoegd gezag. </al></li><li nr="5."><al>Als uit de staat van onderhoud blijkt dat sprake is van
                                    achterstallig onderhoud wordt in het overleg vastgesteld welk
                                    deel hiervan voor rekening van het bevoegd gezag komt en of het
                                    bevoegd gezag opdracht verstrekt voor het uitvoeren van de
                                    werkzaamheden, of dat het bevoegd gezag een in overleg vast te
                                    stellen bedrag aan het college betaalt. Als geen overeenstemming
                                    wordt bereikt, stellen partijen vast welke handelwijze verder
                                    gevolgd wordt.</al></li><li nr="6."><al>Het opmaken van een staat van onderhoud blijft achterwege als
                                    dit naar het oordeel van het college niet nodig is. </al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>6.</nr><titel>Gebruik lokaal bewegingsonderwijs door speciaal basisonderwijs en
                            (voortgezet) speciaal onderwijs</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>29.</nr><titel>Mutaties aantal klokuren binnen beschikbare capaciteit,
                                inroosteren en gebruik</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college stelt jaarlijks voor 15 decembervoorlopig vast het aantal klokuren bewegingsonderwijs
                                    waarop een school voor basisonderwijs[, een speciale school voor
                                    basisonderwijs, een school voor speciaal onderwijs, een school
                                    voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs of een school
                                    voor voortgezet speciaal onderwijs] in het daaropvolgende
                                    schooljaar aanspraak maakt.</al></li><li nr="2."><al>Grondslag voor het berekenen van het aantal klokuren is het
                                    aantal leerlingen dat op 1 oktober van het lopende schooljaar op
                                    de school staat ingeschreven.</al></li><li nr="3."><al>Op basis van het aantal klokuren stelt het college 31 december
                                    een rooster op voor het gebruik van de lokalen
                                    bewegingsonderwijs, waarbij het college rekening houdt met de
                                    volgende uitgangspunten:</al><lijst><li nr="a."><al>de afstanden in relatie tot de omvang van het
                                            onderwijsgebruik van een lokaal bewegingsonderwijs,
                                            bedoeld in bijlage I, deel B;</al></li><li nr="b."><al>een school waarvan het bevoegd gezag eigenaar is van het
                                            lokaal bewegingsonderwijs wordt voor de school als
                                            eerste ingeroosterd voor het lokaal bewegingsonderwijs,
                                            en</al></li><li nr="c."><al>het bewegingsonderwijs van een school wordt zoveel
                                            mogelijk ingeroosterd in één lokaal
                                            bewegingsonderwijs.</al></li></lijst></li><li nr="4."><al>Het college stelt het bevoegd gezag, nadat het rooster voorlopig
                                    is vastgesteld, voor 15 januariin kennis van het
                                    rooster. Hierbij worden per school de volgende gegevens
                                    vermeld:</al><lijst><li nr="a."><al>het aantal klokuren waarvoor de school wordt
                                            ingeroosterd;</al></li><li nr="b."><al>het lokaal bewegingsonderwijs dat voor het
                                            bewegingsonderwijs is toegewezen, en</al></li><li nr="c."><al>de lestijden gedurende welke het onderwijsgebruik
                                            plaatsvindt.</al></li></lijst></li><li nr="5."><al>De bevoegde gezagsorganen kunnen tot 1 maart reageren op het
                                    voorstel.</al></li><li nr="6."><al>Op verzoek van de bevoegde gezagsorganen kan het college een
                                    overleg over het voorstel plannen. Dit overleg vindt plaats voor
                                    15 februari. In het overleg kunnen de vertegenwoordigers van de
                                    bevoegde gezagsorganen reageren op het voorstel.</al></li><li nr="7."><al>Het college stelt het rooster voor 15 maart definitief vast en
                                    houdt hierbij rekening met de reacties van de bevoegde
                                    gezagsorganen.</al></li><li nr="8."><al>Het bevoegd gezag kan het college verzoeken meer klokuren in te
                                    roosteren dan het aantal klokuren dat door het college is
                                    vastgesteld.</al></li><li nr="9."><al>Het college neemt een verzoek als bedoeld in het vorige lid
                                    uitsluitend in behandeling als daarvoor nog capaciteit
                                    beschikbaar is. Het aantal klokuren dat door het college extra
                                    wordt ingeroosterd komt voor rekening van het bevoegd gezag van
                                    de school. </al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>7.</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>30.</nr><titel>Beslissing college in gevallen waarin de verordening niet
                                voorziet</titel></kop><al>In gevallen die de uitvoering van deze verordening betreffen en waarin
                            deze verordening niet voorziet beslist het college. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>31.</nr><titel>Indexering</titel></kop><al>Het college stelt jaarlijks de in het kader van deze verordening
                            gehanteerde normbedragen voor de vergoeding van voorzieningen bij op
                            basis van de in bijlage IV opgenomen systematiek van
                            prijsbijstelling.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>32.</nr><titel>Intrekken oude verordening</titel></kop><al>De verordening voorzieningen huisvesting onderwijs gemeente Montfoort
                            wordt ingetrokken.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>33.</nr><titel>Inwerkingtreding en citeertitel</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Deze verordening treedt in werking op 1 juli 2015.</al></li><li nr="2."><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening voorzieningen
                                    huisvesting onderwijs gemeente Montfoort 2015. </al></li></lijst><al/><al/></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 22 juni 2015</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>de griffier, </ondertekening><ondertekening/><ondertekening/><ondertekening> de voorzitter, </ondertekening><ondertekening/></regeling-sluiting><bijlage><kop><label>Bijlage</label><nr>I</nr><titel>Beoordelingscriteria noodzaak aangevraagde voorzieningen</titel></kop><tussenkop><vet>Deel A - Lesgebouwen</vet></tussenkop><al>De voorzieningen genoemd onder A.2 (vervangende bouw), A.3.1 (uitbreiding met
                    één of meer leslokalen) en A.3.2 (uitbreiding met een speellokaal) worden niet
                    noodzakelijk geacht voor dislocaties met een permanente bouwaard. Slechts in
                    bijzondere omstandigheden kan dit, na overleg met het bevoegd gezag en ter
                    beoordeling van het college plaatsvinden.</al><al/><tussenkop><vet>A.1 Nieuwbouw</vet></tussenkop><al>Noodzaak van nieuwbouw is aanwezig als:</al><lijst><li nr="a."><al>de minister de desbetreffende school voor het eerst voor bekostiging in
                            aanmerking brengt;</al></li><li nr="b."><al>de te huisvesten leerlingen aanwezig zijn of kunnen worden verwacht
                            en:</al><al>1°. als het een voor blijvend gebruik bestemde voorziening betreft een
                            overeenkomstig bijlage II opgestelde prognose aantoont dat deze
                            leerlingen gedurende ten minste 15 jaar kunnen worden verwacht, of</al><al>2°. als het een voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening betreft een
                            overeenkomstig bijlage II opgestelde prognose aantoont dat deze
                            leerlingen gedurende ten minste 4 jaar kunnen wor­den verwacht, en</al></li><li nr="c."><al>geen gebouw beschikbaar is of komt dat geschikt is of geschikt te maken
                            is als passende huisvesting voor de school, en</al></li><li nr="d."><al>het onmogelijk is om door medegebruik een passende huis­vesting voor de
                            school te realiseren. </al></li></lijst><tussenkop><vet>A.2 Vervangende bouw</vet></tussenkop><al>De noodzaak van vervangende bouw is aanwezig als:</al><lijst><li nr="a."><al>op grond van een overeenkomstig NEN 2767 opgestelde bouwkundige
                            rapportage wordt vastgesteld dat onderhoud of aanpassen niet zal leiden
                            tot de gewenste levensduurverlenging van ten minste <vet>20</vet>
                            jaar</al></li><li nr="b."><al>dit het gevolg is van een herschikkingsoperatie;</al></li><li nr="c."><al>dit het gevolg is van ontwikkelingen in de ruimtelijke ordening en:</al><al>1°. als het een voor blijvend gebruik bestemde voorziening betreft een
                            overeenkomstig bijlage II opgestelde prognose aantoont dat dit aantal
                            leerlingen gedurende ten minste 15 jaar aanwezig zijn of kunnen worden
                            verwacht, of</al><al>2°. als het een voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening betreft een
                            overeenkomstig bijlage II opgestelde prognose aantoont dat dit aantal
                            leerlingen gedurende ten minste 4 jaar aanwezig zijn of kunnen worden
                            verwacht, en</al></li><li nr="e."><al>geen gebouw beschikbaar is of komt dat geschikt is of geschikt te maken
                            is als passende huisvesting voor de school, en</al></li><li nr="f."><al>het onmogelijk is om door medegebruik een passende huis­vesting voor de
                            school te realiseren.</al></li></lijst><tussenkop><vet>A.3 Uitbreiding</vet></tussenkop><tussenkop>A.3.1 Uitbreiding schoolgebouw</tussenkop><al>De noodzaak van het uitbreiden van een schoolgebouw is aanwezig als:</al><lijst><li nr="a."><al>de overeenkomstig bijlage III, deel A, vastgestelde capaciteit van een
                            schoolgebouw van een school voor basisonderwijs[<cursief>, een speciale
                                school voor basisonderwijs, een school voor speciaal of voortgezet
                                speciaal onderwijs of voortgezet onderwijs</cursief>] kleiner is dan
                            de overeenkomstig bijlage III, deel B, vastgestelde ruimtebehoefte en
                            het verschil tussen de capaciteit en de
                                ruimtebehoeftevoor een school voor
                                basisonderwijs[<cursief>, een speciale school voor basisonderwijs,
                                of een school voor speciaal onderwijs of voortgezet speciaal
                                onderwijs of een voortgezet onderwijs,</cursief>] gelijk of groter
                            is dan de drempelwaarde, bedoeld in bijlage III, deel C, en</al></li><li nr="b."><al>daarnaast:</al><al>1°. als het een voor blijvend gebruik bestemde voorziening betreft een
                            overeenkomstig bijlage II opgestelde prognose aantoont dat dit aantal
                            leerlingen gedurende minstens vijftien jaar kunnen worden verwacht, </al><al>2°. als het een voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening betreft een
                            overeenkomstig bijlage II opgestelde prognose aantoont dat dit aantal
                            leerlingen gedurende minstens vier jaar aanwezig zijn of kunnen worden
                            verwacht, of</al><al>3°. de prognose op basis van de laatste teldatum voor het indienen van
                            de aanvraag aantoont dat het aantal leerlingen dat aanwezig is niet voor
                            ten hoogste vier jaar binnen het gebouw of de gebouwen kunnen worden
                            gehuisvest, en</al></li><li nr="c."><al>geen gebouw beschikbaar is of komt dat geschikt is of geschikt te maken
                            is als passende huisvesting voor de school, en</al></li><li nr="d."><al>het onmogelijk is om door medegebruik een passende huis­vesting voor de
                            school te realiseren.</al></li></lijst><tussenkop>[A.3.2 Uitbreiding speciale school voor basisonderwijs en school voor
                    speciaal onderwijs met een speellokaal</tussenkop><al><cursief>De noodzaak van het uitbreiden met een speellokaal is aanwezig
                        als:</cursief></al><lijst><li nr="a."><al><cursief>tot een school voor speciaal basisonderwijs minstens twaalf
                                kinderen jonger dan zes jaar of tot een school of afdeling van een
                                school voor speciaal onderwijs kinderen jonger dan zes jaar worden
                                toegelaten;</cursief></al></li><li nr="b."><al><cursief>de school volgens een overeenkomstig bijlage II opgestelde
                                prognose aantoont dat de school minstens vijftien jaar zal blijven
                                bestaan;</cursief></al></li><li nr="c."><al><cursief>in het schoolgebouw geen speellokaal aanwezig
                            is;</cursief></al></li><li nr="d."><al><cursief>medegebruik van een speellokaal of lokaal bewegingsonderwijs
                                binnen <vet>300 meter hemelsbreed</vet> onmogelijk is,
                            en</cursief></al></li><li nr="e."><al><cursief>het naar oordeel van het college onmogelijk is om tegen
                                redelijke kosten inpandig een speellokaal te realiseren door gebruik
                                te maken van een bestaand verschil tussen de overeenkomstig bijlage
                                III, deel A, vastgestelde capaciteit en de overeenkomstig bijlage
                                III, deel B, vastgestelde ruimtebehoefte.</cursief>]</al></li></lijst><tussenkop><vet>A.4 In gebruik <cursief>nemen</cursief> van een bestaand
                        gebouw</vet></tussenkop><al>De noodzaak van het in gebruik nemen van een gebouw is aanwezig als:</al><lijst><li nr="a."><al>de minister de desbetreffende school voor het eerst voor bekostiging in
                            aanmerking brengt of als het huidige gebouw moet worden vervangen of
                            uitgebreid;</al></li><li nr="b."><al>de te huisvesten leerlingen aanwezig zijn of kunnen worden verwacht
                            en:</al><al>1°. als het een voor blijvend gebruik bestemde voorziening betreft een
                            overeenkomstig bijlage II opgestelde prognose aantoont dat deze
                            leerlingen gedurende minstens vijftien jaar kunnen worden verwacht,
                            of</al><al>2°. als het een voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening betreft een
                            overeenkomstig bijlage II opgestelde prognose aantoont dat deze
                            leerlingen gedurende minstens vier jaar kunnen wor­den verwacht, en</al></li><li nr="c."><al>geen gebouw beschikbaar is of komt dat geschikt is of geschikt te maken
                            is als passende huisvesting voor de school;</al></li><li nr="d."><al>het onmogelijk is om door medegebruik een passende huis­vesting voor de
                            school te realiseren, en</al></li><li nr="e."><al>de kosten van het in gebruik nemen en aanpassen naar oordeel van het
                            college in redelijke verhouding staan tot de kosten van vervan­gende
                            bouw of uitbreiding.</al></li></lijst><tussenkop><vet>A.5 Verplaatsen tijdelijk gebouw</vet></tussenkop><al>De noodzaak van het verplaatsen van een tijdelijk gebouw is aanwezig als:</al><lijst><li nr="a."><al>er op basis van een overeenkomstig bijlage II opgestelde prognose een
                            tijdelijke behoefte aan huisvesting voor minstens vier jaar is, waarin
                            een beschikbaar leeg of leegkomend tijdelijk gebouw kan voorzien;</al></li><li nr="b."><al>geen gebouw beschikbaar is of komt dat geschikt is of geschikt te maken
                            is als passende huisvesting voor de school; </al></li><li nr="c."><al>het onmogelijk is om door medegebruik een passende huis­vesting voor de
                            school te realiseren, en</al></li><li nr="d."><al>de kosten van het verplaatsen naar oordeel van het college in redelijke
                            verhouding staan tot de kosten van een nieuwe tijdelijke voor­ziening
                            voor hetzelfde aantal leerlingen en voor dezelfde tijdsduur.</al></li></lijst><tussenkop><vet>A.6 Terrein</vet></tussenkop><al>De noodzaak van het verwerven of uitbreiden van een terrein of een deel daarvan
                    is aanwezig als het college heeft ingestemd met een voorziening als bedoeld in
                    artikel 2, onderdeel a, onder 1° tot en met 4°, en de oppervlakte van het
                    bestaande terrein niet voldoende is om deze voorziening te realiseren. De
                    oppervlakte van het terrein moet voldoen aan de minimumnormen, bedoeld in
                    bijlage III, deel D.</al><al/><tussenkop><vet>A.7 Eerste inrichting</vet></tussenkop><lijst><li nr="1."><al>De noodzaak van de eerste aanschaf van onderwijsleerpakket en meubilair
                                [<cursief>of leer- en hulpmiddelen</cursief>]ontstaat wanneer een voorziening wordt toegekend die
                            uitbreiding van de totale huisvestingscapaciteit van de school tot
                            gevolg heeft en deze niet voor <vet>1 januari 2015</vet> is
                            bekostigd.</al></li><li nr="[2."><al><cursief>De noodzaak van eerste inrichting met onderwijsleerpakket en
                                meubilair van een speellokaal is aanwezig als een speciale school
                                voor basisonderwijs of een speciale school wordt uitgebreid met een
                                speellokaal.</cursief>]</al></li><li nr="3."><al>Bij fusie van scholen wordt uitsluitend uitbreiding van eerste aanschaf
                            van onderwijsleerpakket, meubilair [<cursief>of leer‑ en
                                hulpmiddelen</cursief>] toegekend als het aantal leerlingen na de
                            fusie groter is dan het totaal aantal leerlingen van de afzonderlijk aan
                            de fusie deelnemende scholen.</al></li></lijst><tussenkop><vet>A.8 Medegebruik</vet></tussenkop><lijst><li nr="1."><al>De noodzaak van medegebruik van een school voor basisonderwijs
                                [<cursief>,</cursief><cursief>een</cursief><cursief>speciale school voor basisonderwijs of </cursief>een
                                s<cursief>chool voor speciaal onderwijs of voortgezet speciaal
                                onderwijs, of</cursief><cursief>een school</cursief><cursief>voortgezet onderwijs,</cursief>]is aanwezig
                            als het verschil tussen de overeenkomstig bijlage III, deel A,
                            vastgestelde capaciteit en de overeenkomstig bijlage III, deel B,
                            vastgestelde ruimtebehoefte: </al><lijst><li nr="a."><al>gelijk of groter is dan de drempelwaarde, bedoeld in bijlage
                                    III, deel C, en</al></li><li nr="b."><al>een overeenkomstig bijlage II opgestelde prognose aantoont dat
                                    de overeenkomstig bijlage III, deel C, vastgestelde aanvullende
                                    ruimtebehoefte voor minimaal <vet>4 jaar</vet> noodzakelijk
                                    is.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Bepalend bij het beoordelen van de beschikbaarheid van een gebouw of
                            ruimte voor medegebruik is een afstand van ten hoogste <vet>2 km</vet>,
                            gemeten langs de kortste voor de leerling voldoende begaanbare en
                            veilige weg.</al></li><li nr="3."><al><cursief>Medegebruik blijft beperkt tot ten hoogste <vet>twee)</vet>]
                                gebouwen.</cursief></al></li></lijst><tussenkop><vet>A.9 Herstel van constructiefouten</vet></tussenkop><al>De noodzaak van herstel van constructiefouten is aanwezig als een bouwkundige
                    rapportage uitwijst dat het gaat om constructiefouten die hersteld moeten
                    worden.</al><al/><tussenkop><vet>A.10 Vervangen of herstel van schade aan gebouw, onderwijsleerpakket
                        en [ en leer-en hulpmiddelen] in geval van bijzondere
                    omstandigheden</vet></tussenkop><al>De noodzaak van vervangen of herstel van een gebouw, onderwijsleerpakket of
                    meubilair [<cursief>en leer- en hulpmiddelen</cursief>] als gevolg van schade
                    daaraan is aanwezig als door de opgetreden bijzondere omstan­digheid het
                    onderwijs in het desbetreffende gebouw wordt gehinderd.</al><al/><tussenkop><vet>Deel B- Voorzieningen voor lokalen
                    bewegingsonderwijs</vet></tussenkop><tussenkop><vet>B.1. Nieuwbouw, vervangende nieuwbouw, uitbreiding en
                        ingebruikneming.</vet></tussenkop><al>De noodzaak van:</al><lijst><li nr="a."><al>nieuwbouwis aanwezig als de minister de desbetreffende
                            school voor het eerst voor bekostiging in aanmerking brengt;</al></li><li nr="b."><al>vervangende nieuwbouw is aanwezig op grond van een overeenkomstig NEN
                            2767 opgestelde bouwkundige rapportage wordt vastgesteld dat onderhoud
                            of aanpassen niet zal leiden tot de gewenste levensduurverlenging van
                                <vet>20</vet> jaar of dit het gevolg is van een
                            herschikkingsoperatie;</al></li><li nr="c."><al>uitbreiding van een lokaal bewegingsonderwijs is aanwezig als de
                            oppervlakte van de zaal kleiner is dan 140 vierkante meters en het
                            effectief gebruik van het lokaal daardoor belemmerd wordt, of</al></li><li nr="d."><al>het in gebruik nemen van een lokaal bewegingsonderwijs is aanwezig
                            als:</al><al>1°. de minister de school voor het eerst voor bekostiging in aanmerking
                            brengt;</al><al>2°. het huidige gebouw overeenkomstig onderdeel b voor vervanging in
                            aanmerking komt; of</al><al>3°. de kosten van het in gebruik nemen en aanpassen naar oordeel van het
                            college in redelijke verhouding staan tot de kosten van vervan­gende
                            bouw, en</al></li><li nr="e."><al>het onmogelijk is gebruik te maken van één of meer lokalen
                            bewegingsonderwijs of van binnen een redelijke termijn beschikbaar
                            komende lokalen bewegingsonderwijs voor:</al><al>1°. een school voorbasisonderwijs<cursief>of
                                speciaal basisonderwijs</cursief>, bij noodzakelijk gebruik
                            van:</al><lijst><li nr="a."><al>ten minste <vet> 20</vet> klokuren binnen <vet>1 km </vet>
                                    gemeten langs de kortste voor de leerling voldoende begaanbare
                                    en veilige weg ; b. ten minste <vet> 15 </vet> klokuren binnen
                                        <vet> 3,5 km </vet> gemeten langs de kortste voor de
                                    leerling voldoende begaanbare en veilige weg , of</al></li><li nr="c."><al>ten minste <vet> 5 </vet> klokuren binnen <vet> 7,5 km</vet>,
                                    gemeten langs de kortste voor de leerling voldoende begaanbare
                                    en veilige weg of</al></li></lijst><al><cursief>2°. een school voor speciaal onderwijs, speciaal en voortgezet
                                speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs, bij
                                noodzakelijk gebruik van:</cursief></al><lijst><li nr="a."><al><cursief>ten minste <vet> 10</vet> groepen speciaal
                                        onderwijs binnen <vet> 1km</vet> gemeten langs de kortste
                                        voor de leerling voldoende begaanbare en veilige weg
                                    </cursief></al></li><li nr="b."><al><cursief>ten minste <vet>10</vet> groepen voortgezet speciaal
                                        onderwijs binnen <vet>2 km</vet> gemeten langs de kortste
                                        voor de leerling voldoende begaanbare en veilige weg
                                        ;</cursief></al></li><li nr="c."><al><cursief>ten minste <vet>6 </vet>groepen speciaal onderwijs
                                        binnen <vet>3,5 km</vet> gemeten langs de kortste voor de
                                        leerling voldoende begaanbare en veilige weg ,
                                    of</cursief></al></li><li nr="d."><al><cursief>ten minste <vet>3</vet> groepen speciaal onderwijs
                                        binnen <vet>7,5 km</vet> gemeten langs de kortste voor de
                                        leerling voldoende begaanbare en veilige weg],
                                    of</cursief></al></li></lijst><al><cursief>3°. een school voor voortgezet onderwijs binnen <vet> 2
                                    km</vet> gemeten langs de kortste voor de leerling voldoende
                                begaanbare weg en veilige</cursief>, en een overeenkomstig bijlage
                            II opgestelde prognose aantoont dat gedurende ten minste vijftien
                                jaarde groepen leerlingen waarvoor het door het
                            college vastgestelde aantal klokuren noodzakelijk is, aanwezig zijn of
                            verwacht kunnen worden.</al></li></lijst><tussenkop><vet>B.2 Terrein</vet></tussenkop><al>De noodzaak van het verwerven of uitbreiden van een terrein of een deel daarvan
                    is aanwezig als voor het realiseren van de nieuwbouw of de uitbreiding geen of
                    onvoldoende terrein aanwezig is.</al><al/><tussenkop><vet>B.3 Eerste inrichting</vet></tussenkop><al>De noodzaak van eerste inrichting bewegingsonderwijs is aanwezig als:</al><lijst><li nr="a."><al>nieuwbouw, uitbreiding of ingebruikneming bestaand lokaal
                            bewegingsonderwijs voor de school is goedgekeurd, en </al></li><li nr="b."><al>voor de desbetreffende groepen leerlingen van het
                                basisonderwijs<cursief>, speciaal basisonderwijs, speciaal onderwijs
                                of voortgezet speciaal onderwijs</cursief> nog niet eerder
                            bekostiging eerste inrichting bewegingsonderwijs is verstrekt
                                <cursief>of voor de desbetreffende leerlingen van het voortgezet
                                onderwijs nog niet eerder bekostiging eerste inrichting
                                bewegingsonderwijs is verstrekt</cursief>.</al></li></lijst><tussenkop><vet>B.4 Huur van een sportterrein school voor voortgezet
                    onderwijs</vet></tussenkop><al><cursief>De noodzaak van huur van een sportveld is aanwezig als het lesrooster
                        buitensport vermeldt, het bevoegd gezag niet beschikt over een eigen
                        sportveld en medegebruik van een sportveld van een ander bevoegd gezag
                        onmogelijk is.</cursief></al><al/><tussenkop><vet>B.5 Medegebruik</vet></tussenkop><al>De noodzaak van medegebruik is aanwezig als het door de gemeente vastgestelde
                    aantal klokuren bewegingsonderwijs zodanig is dat daarvoor binnen de op dat
                    moment in gebruik zijnde lokalen bewegingsonderwijs geen plaats is.</al><al/><tussenkop><vet>B.6 Herstel constructiefouten</vet></tussenkop><al>De noodzaak van herstel van constructiefouten is aanwezig als een bouwkundige
                    rapportage uitwijst dat het gaat om constructiefouten die hersteld moeten
                    worden. </al><al/><tussenkop><vet>B.7 Herstel of vervanging van schade aan gebouw, onderwijsleerpakket
                        en meubilair in geval van bijzondere omstandigheden</vet></tussenkop><al>De noodzaak van vervangen of herstel van een gebouw, onderwijsleerpakket of
                    meubilair als gevolg van schade daaraan is aanwezig als door de opgetreden
                    bijzondere omstan­digheid het onderwijs in het desbetreffende gebouw wordt
                    gehinderd.</al><al/></bijlage><bijlage><kop><label>Bijlage</label><nr>II</nr><titel>Prognosecriteria</titel></kop><tussenkop><vet>A. Algemeen</vet></tussenkop><lijst><li nr="1."><al>Een prognose van het aantal te verwachten leerlingen van een school voor
                                basisonderwijs<cursief>, een speciale school voor basisonderwijs,
                                een school voor speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs
                                of voor voortgezet onderwijs </cursief>wordt gemaakt voor een
                            periode van minstens vijftien jaar, met als eerste jaar het jaar waarin
                            de start van de bekostiging wordt gewenst (de prognoseperiode).</al></li><li nr="2."><al>De prognose omvat gegevens voor minstens een periode van zes jaar (de
                            analyseperiode) met als laatste jaar het jaar dat voorafgaat aan het
                            indienen van de aanvraag. De prognose is niet meer dan twee jaar oud.
                            Als basis voor de prognose mag gebruik gemaakt worden van de omvang van
                            de basisgeneratie voor het basisonderwijs zoals het meest recent
                            berekend door het Centraal Bureau voor de Statistiek of het ministerie
                            van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap.</al></li><li nr="3."><al>Een prognose wordt schriftelijk aangeleverd en bevat in ieder geval de
                            relevante gegevens en berekeningen over de analyse- en prognoseperiode,
                            een beschrijving van de gebruikte programmatuur en een onderbouwing van
                            de aannames waarop de prognose is gebaseerd.</al></li></lijst><tussenkop><vet>B. Voedingsgebied</vet></tussenkop><lijst><li nr="1."><al>Het voedingsgebied van een school omvat het gebied waaruit het overgrote
                            deel van de leerlingen afkomstig is of zal zijn. </al></li><li nr="2."><al>De prognose voor een basisschool bevat in ieder geval een beschrijving
                            van het voedingsgebied op wijkniveau. <cursief>Bij een</cursief><cursief>speciale school voor basisonderwijs en een school voor speciaal
                                onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs of voortgezet onderwijs
                                kan, als het voedingsgebied zich over de gemeentegrens uitstrekt,
                                worden volstaan met een opsomming van de gemeenten die tot het
                                voedingsgebied worden gerekend</cursief>.</al></li><li nr="3."><al>Voor zover het voedingsgebied kleiner is dan de hele gemeente wordt
                            beredeneerd aangegeven welke berekeningen op de basisgeneratie zijn
                            toegepast.</al></li></lijst><tussenkop><vet>C. Prognose school voor basisonderwijs</vet></tussenkop><al>De prognose van een school voor basisonderwijs geeft per jaar inzicht in het te
                    verwachten aantal leerlingen van de school of nevenvestiging waarbij rekening
                    wordt gehouden met:</al><lijst><li nr="a."><al>het voedingsgebied;</al></li><li nr="b."><al>de bevolking in het voedingsgebied, verdeeld in relevante
                            leeftijdsgroepen;</al></li><li nr="c."><al>de woningvoorraad en wijzigingen daarin, inclusief een eventuele
                            wijziging van het voedingsgebied;</al></li><li nr="d."><al>veranderingen als gevolg van migratie, sterfte en geboorte in de
                            leeftijdsgroepen, bedoeld onder b;</al></li><li nr="e."><al>veranderingen in de bevolking als gevolg van wijzigingen in de
                            woningvoorraad;</al></li><li nr="f."><al>de verdeling van de leerlingen als gevolg van de belangstelling voor de
                            basisschool, en</al></li><li nr="g."><al>het onderwijs dat wordt gegeven.</al></li></lijst><tussenkop><vet>D. Prognose speciale school voor basisonderwijs en school voor
                        speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs</vet></tussenkop><al><cursief>De prognose van een speciale school voor basisonderwijs en een school
                        voor speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs moet inzicht geven
                        in:</cursief></al><lijst><li nr="a."><al><cursief>het voedingsgebied;</cursief></al></li><li nr="b."><al><cursief>de plaats waar het onderwijs moet worden
                            gegeven;</cursief></al></li><li nr="c."><al><cursief>de voorgestelde datum van ingang van bekostiging,
                            en</cursief></al></li><li nr="d."><al><cursief>als het een school voor meervoudig gehandicapte kinderen
                                betreft, de handicaps van de leerlingen waarvoor de school bestemd
                                is.</cursief></al></li></lijst><tussenkop>E. Prognose school voor voorgezet onderwijs</tussenkop><al><cursief>De prognose van een school voor voortgezet onderwijs moet inzicht geven
                        in:</cursief></al><lijst><li nr="a."><al><cursief>de gemeente van herkomst van de leerlingen</cursief></al></li><li nr="b."><al><cursief>het voedingsgebied;</cursief></al></li><li nr="c."><al>de verdeling van de leerlingen als gevolg van de belangstelling voor de
                                basisschool<cursief>;</cursief></al></li><li nr="d."><al><cursief>de basisgeneratie 4 tot en met 11 jaar + 30 procent van de 12
                                jarigen, en</cursief></al></li><li nr="e."><al><cursief>de plaats waar het onderwijs moet worden
                            gegeven.</cursief></al></li></lijst></bijlage><bijlage><kop><label>Bijlage</label><nr>III</nr><titel>Criteria vaststellen capaciteit, ruimtebehoefte en aanvullende
                        ruimtebehoefte</titel></kop><tussenkop><vet>Deel A - Vaststellen capaciteit</vet></tussenkop><tussenkop><vet>A.1 Uitgangspunten</vet></tussenkop><al>De capaciteit van gebouwen wordt op basis van onderstaande methodiek
                    vastgesteld. Het college kan in overeenstemming met het bevoegd gezag van een
                    school besluiten tot het verminderen van de met onderstaande methodiek
                    vastgestelde capaciteit, als de hiertoe beschikbaar komende ruimten worden
                    ingezet voor onderwijskundige, culturele, maatschappelijke of recreatieve
                    doeleinden. Als een deel van een gebouw is gerealiseerd met andere dan
                    overheidsmiddelen en hiervoor geen vergoeding wordt genoten, wordt dit deel niet
                    tot de capaciteit van het gebouw gerekend. Dit deel wordt wel
                    geregistreerd.</al><al/><tussenkop>A.1.1 School <vet>voor basisonderwijs<cursief>, speciale school voor
                            basisonderwijs, school voor speciaal onderwijs of voortgezet speciaal
                            onderwijs of voortgezet onderwijs</cursief></vet></tussenkop><lijst><li nr="1."><al>De capaciteit van een gebouw voor een school voor basisonderwijs,
                                <cursief>een speciale school voor basisonderwijs, een school voor
                                speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs, of voortgezet
                                onderwijs</cursief> wordt vastgelegd in de bruto vloeroppervlakte
                            van het gebouw en bepaald overeenkomstig bijlage III, deel E. De
                            capaciteit van ieder gebouw wordt afzonderlijk vastgesteld.</al></li><li nr="2."><al><cursief>Voor een speciale school voor basisonderwijs, een school voor
                                speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs geldt dat een
                                eventueel aanwezig speellokaal niet in de capaciteitsbepaling wordt
                                meegenomen. Als een speellokaal aanwezig is en de noodzaak van het
                                uitbreiden met een speellokaal, bedoeld in bijlage I, onder A.3.2,
                                aanwezig is, wordt op de bruto vloeroppervlakte 90 vierkante meter
                                in mindering gebracht.</cursief></al></li><li nr="3."><al><cursief>De capaciteit van een schoolgebouw wordt verminderd met 90
                                vierkante meter als een ruimte in het schoolgebouw is verhuurd voor
                                het huisvesten van een peuterspeelzaal, buitenschoolse opvang of
                                kinderopvang en het college voor deze verhuur vooraf toestemming
                                heeft verleend</cursief>.</al></li><li nr="4."><al><cursief>De bruto vloeroppervlakte van een schoolgebouw van het
                                voortgezet onderwijs wordt vermeerderd met de bruto vloeroppervlakte
                                van de lokalen bewegingsonderwijs.</cursief></al></li><li nr="5."><al><cursief>Als sprake is van een schoolgebouw met een
                                bruto-netto-verhouding in de oppervlakte die sterk afwijkt van de
                                sinds 1 januari 1997 gerealiseerde schoolgebouwen, kan het
                                schoolbestuur een verzoek indienen tot vaststelling van een fictieve
                                bruto vloeroppervlakte als grondslag voor de
                                capaciteitsbepaling.</cursief></al></li></lijst><tussenkop>A.1.2 Dislocaties, gebouwen met een permanente of tijdelijke
                    bouwaard</tussenkop><al>De capaciteit van dislocaties wordt overeenkomstig bijlage III, deel E,
                    vastgesteld.</al><al/><tussenkop>A.1.3 Rangorde hoofdgebouwen en dislocaties</tussenkop><al>Als een schoolbestuur voornemens is een hoofdvestiging, nevenvestiging of
                    dislocatie af te stoten, wordt in overleg met het college vastgesteld welk
                    gebouw wordt afgestoten.</al><al/><tussenkop>A.1.4 Terrein</tussenkop><al>Het terrein omvat het kadastraal perceel of de kadastrale percelen waarop het
                    schoolgebouw met toebehoren zich bevindt. De terreinoppervlakte is gelijk aan de
                    grootte in de kadastrale registratie van het Kadaster. Als de kadastrale
                    perceelgrenzen niet overeenkomen met de grenzen van het schoolterrein wordt het
                    met overheidsmiddelen bekostigde deel van de terreinoppervlakte vastgelegd.</al><al/><tussenkop>A.1.5 Inventaris</tussenkop><al>Voor de inventaris geldt als uitgangspunt dat op <vet>1 januari 2015</vet> alle
                    scholen voor basisonderwijs<cursief>, speciaal
                        basisonderwijs</cursief>,<cursief> speciaal onderwijs of voortgezet speciaal
                        onderwijs en voortgezet onderwijs</cursief> in de gemeente zijn voorzien van
                    voldoende onderwijsleerpakket en meubilair <cursief>en leer- en
                        hulpmiddelen</cursief>. De bruto vloeroppervlakte van de school is de basis
                    voor het vaststellen van de omvang van de aanwezige inventaris.</al><al/><tussenkop>A.1.6 Lokalen bewegingsonderwijs</tussenkop><tussenkop>A.1.6.1 Lokalen bewegingsonderwijs</tussenkop><al>De capaciteit van een lokaal bewegingsonderwijs bedraagt 40 klokuren.</al><al/><tussenkop>A.1.6.2 Terrein</tussenkop><al>De terreinoppervlakte is de oppervlakte zoals vastgelegd bij het Kadaster.
                    Slechts de terreinoppervlakte van de vrijstaande lokalen bewegingsonderwijs
                    gelegen op eigen terrein, los van het terrein van het lesgebouw, wordt
                    geregistreerd.</al><al/><tussenkop>A.1.6.3 Inventaris</tussenkop><al>De inventaris aanwezig op <vet>1 januari 2015</vet>wordt geacht
                    voldoende te zijn.</al><al/><tussenkop><vet>Deel B - Vaststellen ruimtebehoefte</vet></tussenkop><tussenkop><vet>B.1 Lesgebouwen</vet></tussenkop><al/><tussenkop>B.1.1 School voor basisonderwijs</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>De ruimtebehoefte voor een school voor basisonderwijs wordt bepaald aan
                            de hand van het aantal leerlingen en omvat een speellokaal. De
                            ruimtebehoefte wordt berekend voor elke school met een eigen BRIN-nummer
                            en voor elke nevenvestiging met een eigen vestigingsnummer. Een
                            nevenvestiging wordt voor het berekenen van de ruimtebehoefte beschouwd
                            als een afzonderlijke school. De ruimtebehoefte is opgebouwd uit een
                            basisruimtebehoefte en een toeslag in verband met de gewichtensom.</al></li><li nr="2."><al>De basisruimtebehoefte wordt berekend met de formule:</al><al>B = 200 + 5,03 * L, waarbij:</al><al>B = Basisruimtebehoefte in vierkante meter bruto vloeroppervlakte,
                            afgerond op hele vierkante meter.</al><al>L = Aantal leerlingen dat op 1 oktober voorafgaande aan elk jaar waarop
                            de prognose betrekking heeft op de school zijn ingeschreven.</al></li><li nr="3."><al>De toeslag wordt berekend met de formule:</al><al>T = 1,40 * G, waarbij:</al><al>T = Toeslag in vierkante meter bruto vloeroppervlakte, afgerond op hele
                            vierkante meter.</al><al>G = Gecorrigeerde gewichtensom, welke als volgt wordt bepaald:</al><al>1°. bepaal de (ongecorrigeerde) gewichtensom (= het totaal van alle
                            gewichten van alle ingeschreven leerlingen);</al><al>2°. verminder de ongecorrigeerde gewichtensom met een getal ter grootte
                            van 6 procent van het aantal ingeschreven leerlingen, waarbij de
                            gewichtensom niet kleiner dan 0 mag worden. De uitkomst wordt afgerond
                            op een geheel getal;</al><al>3°. als de dan verkregen gewichtensom meer bedraagt dan 80 procent van
                            het aantal ingeschreven leerlingen wordt de gewichtensom vastgesteld op
                            80 procent van het aantal ingeschreven leerlingen.</al></li></lijst><tussenkop>B.1.2 Speciale school voor basisonderwijs</tussenkop><lijst><li nr="1."><al><cursief>De ruimtebehoefte voor een speciale school voor basisonderwijs
                                wordt bepaald </cursief><cursief>aan de hand van het aantal
                                leerlingen. De ruimtebehoefte wordt berekend voor elke school met
                                een eigen BRIN-nummer en voor elke nevenvestiging met een eigen
                                vestigingsnummer. Een nevenvestiging wordt voor het berekenen van de
                                ruimtebehoefte beschouwd als een afzonderlijke school. De
                                ruimtebehoefte wordt berekend met de
                            formule:</cursief></al><al><cursief>R = 250 + 7,35 * L, waarbij</cursief></al><al><cursief>R = Ruimtebehoefte in </cursief><cursief>vierkante
                                meter bruto vloeroppervlakte, afgerond op hele vierkante
                                meter.</cursief></al><al><cursief>L = Aantal leerlingen dat op 1 oktober voorafgaande aan elk
                                jaar waarop de prognose betrekking heeft op de school zijn
                                ingeschreven.</cursief></al></li><li nr="2."><al><cursief>Een eventueel speellokaal leidt tot een additionele
                                ruimtebehoefte van 90 </cursief><cursief>vierkante
                            meter.</cursief></al></li></lijst><tussenkop>B.1.3 School voor (voortgezet) speciaal onderwijs</tussenkop><lijst><li nr="1."><al><cursief>De ruimtebehoefte voor een school voor speciaal onderwijs of
                                voortgezet onderwijs wordt bepaald aan de hand van de
                                onderwijssoort, de categorie (speciaal of voortgezet speciaal), het
                                type vestiging en het aantal leerlingen. De ruimtebehoefte wordt
                                berekend met de formule:</cursief></al><al><cursief>R = V + f * L, waarbij</cursief></al><al><cursief>R = Ruimtebehoefte in </cursief><cursief>vierkante
                                meter bruto vloeroppervlakte, afgerond op hele vierkante
                                meter.</cursief></al><al><cursief>V = Vaste voet in </cursief><cursief>vierkante meter bruto
                                vloeroppervlakte welke is voor: </cursief></al><lijst><li nr="-"><al><cursief>de hoofdvestigingen voor alle onderwijssoorten,
                                        uitgezonderd VSO-ZMLK, 370 vierkante meter,
                                    en</cursief></al></li><li nr="-"><al><cursief>de hoofdvestiging VSO-ZMLK, 250 vierkante
                                        meter.</cursief></al><al><cursief> Voor nevenvestigingen geldt geen vaste
                                        voet.</cursief></al></li></lijst><al><cursief>f = Factor (vierkante meter bruto vloeroppervlakte
                                per leerling) overeenkomstig tabel 1, waarin is opgenomen
                                </cursief><cursief>een overzicht van f (vierkante meter bruto
                                vloeroppervlakte per leerling), per onderwijssoort.</cursief></al><al><cursief>L = Aantal leerlingen dat op 1 oktober voorafgaande aan elk
                                jaar waarop de prognose betrekking heeft op de school zijn
                                ingeschreven.</cursief></al></li><li nr="2."><al><cursief>Een eventueel speellokaal leidt tot een additionele
                                ruimtebehoefte van 90 vierkante meter.</cursief></al></li></lijst><al/><al><vet><cursief>Tabel 1 – Ruimtebehoefte (v)so</cursief></vet></al><table><tgroup cols="3"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><colspec colname="colC"/><tbody><row><entry><al/><al><vet><cursief>Onderwijssoort</cursief></vet></al></entry><entry><al/><al><vet><cursief>SO</cursief></vet></al></entry><entry><al/><al><vet><cursief>VSO</cursief></vet></al></entry></row><row><entry><al/><al><cursief>Slechthorende kinderen (SH)</cursief></al><al><cursief>Kinderen met ernstige spraakmoeilijkheden die niet
                                            tevens behoren tot dove of slechthorende kinderen
                                            (ES)</cursief></al><al><cursief>Visueel gehandicapten (VISG)</cursief></al><al><cursief>Langdurig zieke kinderen (LZ)</cursief></al><al><cursief>Zeer moeilijk opvoedbare kinderen
                                        (ZMOK)</cursief></al><al><cursief>Kinderen in scholen verbonden aan pedologische
                                            instituten (PI)</cursief></al><al/></entry><entry><al/><al/><al/><al/><al><cursief>8,8</cursief></al></entry><entry><al/><al/><al/><al/><al><cursief>12,2</cursief></al></entry></row><row><entry><al/><al><cursief>Dove kinderen (DO)</cursief></al><al><cursief>Lichamelijk gehandicapte kinderen
                                        LG)</cursief></al><al><cursief>Meervoudig gehandicapte kinderen
                                        (MG)</cursief></al><al/></entry><entry><al/><al/><al><cursief>13,8</cursief></al></entry><entry><al/><al/><al><cursief>15,5</cursief></al></entry></row><row><entry><al/><al><cursief>Zeer moeilijk lerende kinderen
                                        (ZMLK)</cursief></al><al/></entry><entry><al/><al><cursief>8,8</cursief></al></entry><entry><al/><al><cursief>9,2</cursief>]</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al/><tussenkop>B.1.4 School voor voortgezet onderwijs</tussenkop><lijst><li nr="1."><al><cursief>De ruimtebehoefte voor een school voor voortgezet onderwijs
                                wordt bepaald aan de hand van het ruimtebehoeftemodel. De totale
                                ruimtebehoefte van een instelling voor voortgezet onderwijs is het
                                totaal van twee componenten, te weten:</cursief></al><lijst><li nr="a."><al><cursief>een leerlinggebonden component, en</cursief></al></li><li nr="b."><al><cursief>een vaste voet.</cursief></al></li></lijst></li><li nr="2."><al><cursief>De leerlinggebonden component wordt berekend door de in tabel
                                2.a opgenomen bruto vloeroppervlakten per leerling te
                                vermenigvuldigen met het aantal leerlingen dat op de school voor
                                voortgezet onderwijs staat ingeschreven. De leerlinggebonden
                                component is afhankelijk van de soort onderwijs, de leerweg of de
                                sector die de leerling volgt.</cursief></al></li><li nr="3."><al><cursief>De vaste voet is opgenomen in tabel 2.b. De vaste voet voor de
                                hoofdvestiging van de instelling is 980 vierkante meter bruto
                                vloeroppervlakte. Voor een nevenvestiging die op grond van een
                                ministeriële beschikking in aanmerking komt voor aanvullende
                                bekostiging in verband met spreidingsnoodzaak geldt een
                                afzonderlijke vaste voet van 550 vierkante meter bruto
                                vloeroppervlakte. Een tijdelijke nevenvestiging komt niet in
                                aanmerking voor een vaste voet. Naast de vaste voet per instelling
                                wordt per instelling een vaste voet toegekend op de vestiging voor
                                die sectoren waar de beroepsgerichte leerweg(en) wordt aangeboden.
                            </cursief></al></li><li nr="4."><al><cursief>De ruimtebehoefte van een school voor voortgezet onderwijs is
                                de som van:</cursief></al><lijst><li nr="a."><al><cursief>de uitkomst van de vermenigvuldiging van het aantal
                                        leerlingen per onderwijssoort met de bijbehorende
                                        normoppervlakten;</cursief></al></li><li nr="b."><al><cursief>de vaste voet per instelling;</cursief></al></li><li nr="c."><al><cursief>als dit van toepassing is, een vaste voet per sector,
                                        uitgedrukt in bruto vierkante meter, en</cursief></al></li><li nr="d."><al><cursief>als dit van toepassing is, een vaste voet voor een
                                        afdeling praktijkonderwijs.</cursief></al></li></lijst></li><li nr="5."><lijst><li nr=""><al><cursief>De ruimtebehoefte van een school voor
                                        praktijkonderwijs is de som van:</cursief></al><lijst><li nr="a."><al><cursief>de uitkomst van de vermenigvuldiging van het
                                                aantal leerlingen met de bijbehorende
                                                normoppervlakten, en</cursief></al></li><li nr="b."><al><cursief>de vaste voet voor
                                            praktijkonderwijs.</cursief></al></li></lijst></li></lijst></li><li nr="6."><al><cursief>Als dit noodzakelijk is voor het bepalen van de omvang van de
                                toekenning, kan op basis van deze normering de leegstand in
                                onderwijsruimten binnen een gebouw voor voortgezet onderwijs worden
                                bepaald. Het ruimtebehoeftemodel kent geen afzonderlijke normering
                                voor een orthopedagogisch didactisch centrum. </cursief></al></li></lijst><al/><al><vet><cursief>Tabel 2.a – Berekening leerlingafhankelijke ruimtebehoefte
                            voortgezet onderwijs</cursief></vet></al><table><tgroup cols="4"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><colspec colname="colC"/><colspec colname="colD"/><tbody><row><entry><al><cursief>Onderwijssoort</cursief></al></entry><entry><al><cursief>Leerweg</cursief></al><al><cursief>TLW = theoretische leerweg</cursief></al><al><cursief>LWOO = leerwegondersteunend
                                        onderwijs</cursief></al><al><cursief>GLW = gemengde leerweg</cursief></al><al><cursief>BLW = beroepsgerichte leerweg (basis - of
                                            kader-)</cursief></al><al><sup/></al></entry><entry><al><cursief>Ruimtetype</cursief></al></entry><entry><al><cursief>BVO/leerling</cursief></al></entry></row><row><entry><al><cursief>Onderbouw (leerjaar 1 en 2)</cursief></al></entry><entry><al><cursief>-</cursief></al></entry><entry><al><cursief>Algemeen</cursief></al></entry><entry><al><cursief>6,18</cursief></al></entry></row><row><entry><al><cursief>Bovenbouw AVO/VWO</cursief></al></entry><entry><al><cursief>-</cursief></al></entry><entry><al><cursief>Algemeen</cursief></al></entry><entry><al><cursief>5,85</cursief></al></entry></row><row><entry><al><cursief>Bovenbouw theoretische leerweg</cursief></al></entry><entry><al><cursief>TLW</cursief></al></entry><entry><al><cursief>Algemeen</cursief></al></entry><entry><al><cursief>6,41</cursief></al></entry></row><row><entry><al><cursief>-</cursief></al></entry><entry><al><cursief>LWOO</cursief></al></entry><entry><al><cursief>Algemeen</cursief></al></entry><entry><al><cursief>7,07</cursief></al></entry></row><row><entry><al><cursief>Bovenbouw techniek</cursief></al></entry><entry><al><cursief>GLW</cursief></al></entry><entry><al><cursief>Algemeen</cursief></al></entry><entry><al><cursief>5,98</cursief></al></entry></row><row><entry><al><cursief>-</cursief></al></entry><entry><al><cursief>-</cursief></al></entry><entry><al><cursief>Specifiek</cursief></al></entry><entry><al><cursief>5,47</cursief></al></entry></row><row><entry><al><cursief>-</cursief></al></entry><entry><al><cursief>BLW</cursief></al></entry><entry><al><cursief>Algemeen</cursief></al></entry><entry><al><cursief>4,69</cursief></al></entry></row><row><entry><al><cursief>-</cursief></al></entry><entry><al><cursief>-</cursief></al></entry><entry><al><cursief>Specifiek</cursief></al></entry><entry><al><cursief>8,99</cursief></al></entry></row><row><entry><al><cursief>-</cursief></al></entry><entry><al><cursief>LWOO</cursief></al></entry><entry><al><cursief>Algemeen</cursief></al></entry><entry><al><cursief>4,44</cursief></al></entry></row><row><entry><al><cursief>-</cursief></al></entry><entry><al><cursief>-</cursief></al></entry><entry><al><cursief>Specifiek</cursief></al></entry><entry><al><cursief>12,72</cursief></al></entry></row><row><entry><al><cursief>Bovenbouw economie</cursief></al></entry><entry><al><cursief>GLW</cursief></al></entry><entry><al><cursief>Algemeen</cursief></al></entry><entry><al><cursief>5,95</cursief></al></entry></row><row><entry><al><cursief>-</cursief></al></entry><entry><al><cursief>-</cursief></al></entry><entry><al><cursief>Specifiek</cursief></al></entry><entry><al><cursief>0,89</cursief></al></entry></row><row><entry><al><cursief>-</cursief></al></entry><entry><al><cursief>BLW</cursief></al></entry><entry><al><cursief>Algemeen</cursief></al></entry><entry><al><cursief>5,56</cursief></al></entry></row><row><entry><al><cursief>-</cursief></al></entry><entry><al><cursief>-</cursief></al></entry><entry><al><cursief>Specifiek</cursief></al></entry><entry><al><cursief>2,25</cursief></al></entry></row><row><entry><al><cursief>-</cursief></al></entry><entry><al><cursief>LWOO</cursief></al></entry><entry><al><cursief>Algemeen</cursief></al></entry><entry><al><cursief>5,85</cursief></al></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al><cursief>Specifiek</cursief></al></entry><entry><al><cursief>3,06</cursief></al></entry></row><row><entry><al><cursief>Bovenbouw zorg/welzijn</cursief></al></entry><entry><al><cursief>GLW</cursief></al></entry><entry><al><cursief>Algemeen</cursief></al></entry><entry><al><cursief>5,33</cursief></al></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al><cursief>Specifiek</cursief></al></entry><entry><al><cursief>2,10</cursief></al></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al><cursief>BLW</cursief></al></entry><entry><al><cursief>Algemeen</cursief></al></entry><entry><al><cursief>4,71</cursief></al></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al><cursief>Specifiek</cursief></al></entry><entry><al><cursief>4,22</cursief></al></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al><cursief>LWOO</cursief></al></entry><entry><al><cursief>Algemeen</cursief></al></entry><entry><al><cursief>4,85</cursief></al></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al><cursief>Specifiek</cursief></al></entry><entry><al><cursief>5,53</cursief></al></entry></row><row><entry><al><cursief>Bovenbouw landbouw</cursief></al></entry><entry><al><cursief>GLW</cursief></al></entry><entry><al><cursief>Algemeen</cursief></al></entry><entry><al><cursief>5,94</cursief></al></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al><cursief>Specifiek</cursief></al></entry><entry><al><cursief>0,78</cursief></al></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al><cursief>BLW</cursief></al></entry><entry><al><cursief>Algemeen</cursief></al></entry><entry><al><cursief>5,37</cursief></al></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al><cursief>Specifiek</cursief></al></entry><entry><al><cursief>2,34</cursief></al></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al><cursief>LWOO</cursief></al></entry><entry><al><cursief>Algemeen</cursief></al></entry><entry><al><cursief>5,03</cursief></al></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al><cursief>Specifiek</cursief></al></entry><entry><al><cursief>4,69</cursief></al></entry></row><row><entry><al><cursief>Praktijkonderwijs</cursief></al></entry><entry><al/></entry><entry><al><cursief>Algemeen</cursief></al></entry><entry><al><cursief>4,41</cursief></al></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al><cursief>Specifiek</cursief></al></entry><entry><al><cursief>7,72</cursief></al></entry></row></tbody></tgroup></table><al/><al><vet><cursief>Tabel 2.b – Vaste voet per instelling voor het berekenen van de
                            ruimtebehoefte</cursief></vet><vet><cursief> voortgezet
                            onderwijs</cursief></vet></al><table><tgroup cols="3"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><colspec colname="colC"/><tbody><row><entry><al><cursief>Onderwijssoort</cursief></al></entry><entry><al><cursief>Ruimtetype</cursief></al></entry><entry><al><cursief>Vaste voet</cursief></al></entry></row><row><entry><al><cursief>Hoofdvestiging</cursief></al></entry><entry><al><cursief>Algemeen</cursief></al></entry><entry><al><cursief>980</cursief></al></entry></row><row><entry><al><cursief>Nevenvestiging met
                                        spreidingsnoodzaak</cursief></al></entry><entry><al><cursief>Algemeen</cursief></al></entry><entry><al><cursief>550</cursief></al></entry></row><row><entry><al><cursief>Tijdelijke nevenvestiging </cursief></al></entry><entry><al/></entry><entry><al><cursief>0</cursief></al></entry></row><row><entry><al><cursief>VMBO-techniek BLW</cursief></al></entry><entry><al><cursief>Specifiek</cursief></al></entry><entry><al><cursief>299</cursief></al></entry></row><row><entry><al><cursief>VMBO-economie BLW</cursief></al></entry><entry><al><cursief>Specifiek</cursief></al></entry><entry><al><cursief>196</cursief></al></entry></row><row><entry><al><cursief>VMBO-zorg/welzijn BLW</cursief></al></entry><entry><al><cursief>Specifiek</cursief></al></entry><entry><al><cursief>168</cursief></al></entry></row><row><entry><al><cursief>VMBO-landbouw BLW</cursief></al></entry><entry><al><cursief>Specifiek</cursief></al></entry><entry><al><cursief>117</cursief></al></entry></row><row><entry><al><cursief>Praktijkonderwijs</cursief></al></entry><entry><al><cursief>Algemeen</cursief></al></entry><entry><al><cursief>306</cursief>]</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al/><tussenkop><vet>B.2 Lokalen bewegingsonderwijs</vet></tussenkop><lijst><li nr="1."><al>De ruimtebehoefte van een lokaal bewegingsonderwijs wordt
                            vastgesteld:</al><lijst><li nr="a."><al>voor een school voor basisonderwijs, op 1,5 klokuur per week per
                                    groep leerlingen 6 jaar en ouder;</al></li><li nr="[b."><al><cursief>voor een speciale school voor basisonderwijs en een
                                        school voor speciaal onderwijs of voortgezet speciaal
                                        onderwijs, op 2,25 klokuur per week per groep leerlingen 6
                                        jaar en ouder</cursief>], en</al></li><li nr="c."><al>als het schoolgebouw niet beschikt over een speellokaal, op 3,75
                                    klokuur per week voor de leerlingen 4 en 5 jaar.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al><cursief>Bij een school voor voortgezet onderwijs wordt de
                                ruimtebehoefte bepaald op basis van het aantal lestijden
                                bewegingsonderwijs. Hiervoor geldt als maximum het aantal lesuren
                                dat overeenkomstig tabel 3 van het ruimtebehoeftemodel is berekend.
                                Deze berekening is als volgt: (aantal leerlingen * 32 * vierkante
                                meter bruto vloeroppervlakte bewegingsonderwijs per leerling) ÷ 460.
                                Voor het leerwegondersteunend onderwijs en praktijkonderwijs wordt
                                een aangepaste formule gehanteerd: (aantal leerlingen * 32 *
                                vierkante meter bruto vloeroppervlakte bewegingsonderwijs per
                                leerling) ÷ 322.</cursief></al></li></lijst><al/><al><vet><cursief>Tabel 3 – Uitgangspunten vaststellen ruimtebehoefte lokaal
                            bewegingsonderwijs voortgezet onderwijs</cursief></vet></al><al/><table><tgroup cols="3"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><colspec colname="colC"/><tbody><row><entry><al><cursief>Onderwijssoort</cursief></al></entry><entry><al><cursief>Leerweg</cursief></al></entry><entry><al><cursief>BVO per leerling</cursief></al></entry></row><row><entry><al><cursief>Onderbouw (leerjaar 1 en 2)</cursief></al></entry><entry><al><cursief>-</cursief></al></entry><entry><al><cursief>1,66</cursief></al></entry></row><row><entry><al><cursief>Bovenbouw AVO/VWO</cursief></al></entry><entry><al><cursief>-</cursief></al></entry><entry><al><cursief>0,78</cursief></al></entry></row><row><entry><al><cursief>Bovenbouw theoretische leerweg</cursief></al></entry><entry><al><cursief>TLW</cursief></al></entry><entry><al><cursief>1,11</cursief></al></entry></row><row><entry><al><cursief>-</cursief></al></entry><entry><al><cursief>LWOO</cursief></al></entry><entry><al><cursief>1,26</cursief></al></entry></row><row><entry><al><cursief>Bovenbouw techniek</cursief></al></entry><entry><al><cursief>GLW</cursief></al></entry><entry><al><cursief>1,11</cursief></al></entry></row><row><entry><al><cursief>-</cursief></al></entry><entry><al><cursief>BLW</cursief></al></entry><entry><al><cursief>1,38</cursief></al></entry></row><row><entry><al><cursief>-</cursief></al></entry><entry><al><cursief>LWOO</cursief></al></entry><entry><al><cursief>1,57</cursief></al></entry></row><row><entry><al><cursief>Bovenbouw economie</cursief></al></entry><entry><al><cursief>GLW</cursief></al></entry><entry><al><cursief>1,11</cursief></al></entry></row><row><entry><al><cursief>-</cursief></al></entry><entry><al><cursief>BLW</cursief></al></entry><entry><al><cursief>1,38</cursief></al></entry></row><row><entry><al><cursief>-</cursief></al></entry><entry><al><cursief>LWOO</cursief></al></entry><entry><al><cursief>1,57</cursief></al></entry></row><row><entry><al><cursief>Bovenbouw zorg/welzijn</cursief></al></entry><entry><al><cursief>GLW</cursief></al></entry><entry><al><cursief>1,11</cursief></al></entry></row><row><entry><al><cursief>-</cursief></al></entry><entry><al><cursief>BLW</cursief></al></entry><entry><al><cursief>1,38</cursief></al></entry></row><row><entry><al><cursief>-</cursief></al></entry><entry><al><cursief>LWOO</cursief></al></entry><entry><al><cursief>1,57</cursief></al></entry></row><row><entry><al><cursief>Bovenbouw landbouw</cursief></al></entry><entry><al><cursief>GLW</cursief></al></entry><entry><al><cursief>1,11</cursief></al></entry></row><row><entry><al><cursief>-</cursief></al></entry><entry><al><cursief>BLW</cursief></al></entry><entry><al><cursief>1,38</cursief></al></entry></row><row><entry><al><cursief>-</cursief></al></entry><entry><al><cursief>LWOO</cursief></al></entry><entry><al><cursief>1,57</cursief></al></entry></row><row><entry><al><cursief>Praktijkonderwijs</cursief></al></entry><entry><al><cursief>-</cursief></al></entry><entry><al><cursief>1,99</cursief>]</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al/><tussenkop>Deel C - Vaststellen aanvullende ruimtebehoefte</tussenkop><tussenkop><vet>C.1 Voor blijvend gebruik bestemde voorzieningen</vet></tussenkop><al>Er is sprake van een voorziening voor blijvend gebruik als de overeenkomstig
                    deel C vastgestelde ruimtebehoefte gedurende minstens vijftien jaar blijft
                    bestaan.</al><al/><tussenkop>C.1.1 Nieuwbouw, of vervangende nieuwbouw</tussenkop><al>De omvang van de goedgekeurde voor blijvend gebruik bestemde voorziening
                    nieuwbouw of vervangende nieuwbouw wordt overeenkomstig deel B vastgesteld.</al><al/><tussenkop>C.1.2 Overige voor blijvend gebruik bestemde voorzieningen</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>Uitbreiding, uitbreiding ter vervanging van een bestaand gebouw,
                            ingebruikneming of medegebruik wordt voor een:</al><lijst><li nr="a."><al>school voor basisonderwijs[<cursief>, speciaal basisonderwijs,
                                        speciaal onderwijs of voortgezet speciaal
                                        onderwijs</cursief>] vastgesteld als het verschil tussen de
                                    overeenkomstig deel A vastgestelde capaciteit en de
                                    overeenkomstig deel B vastgestelde ruimtebehoefte gelijk of
                                    groter is dan de drempelwaarde van:</al><al>1°. 55 vierkante meter bruto vloeroppervlakte voor een
                                    voorziening basisonderwijs;</al><al><cursief>2°. 50 </cursief>vierkante meter<cursief> bruto
                                        vloeroppervlakte voor een voorziening speciaal
                                        basisonderwijs;</cursief></al><al><cursief>3°. 50 </cursief>vierkante meter<cursief> bruto
                                        vloeroppervlakte voor een voorziening voor een school voor
                                        speciaal onderwijs of voortgezet speciaal
                                        onderwijs</cursief>;</al></li><li nr="b."><al><cursief>school voor voortgezet onderwijs wordt vastgesteld als
                                        het verschil tussen de overeenkomstig deel A vastgestelde
                                        capaciteit en de overeenkomstig deel B vastgestelde
                                        ruimtebehoefte</cursief></al><al><cursief> gelijk of groter is dan tien procent van de
                                        bestaande capaciteit met een minimum van 100 vierkante
                                        meter. Medegebruik wordt vastgesteld op het verschil tussen
                                        de overeenkomstig deel B vastgestelde ruimtebehoefte en de
                                        overeenkomstig deel A vastgestelde capaciteit verhoogd met
                                        10%.</cursief></al></li></lijst></li><li nr="2."><al><cursief>Voor een speciale school voor basisonderwijs en een school voor
                                speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs bedraagt de
                                bruto vloeroppervlakte van een speellokaal, in aanvulling op het
                                aantal meters bruto vloeroppervlakte bedoelt in het eerste lid, 90
                                vierkante meter.</cursief></al></li></lijst><tussenkop><vet>C.2 Voor tijdelijk gebruik bestemde voorzieningen</vet></tussenkop><al>De ruimtebehoefte van een voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening wordt op
                    dezelfde wijze vastgesteld als de ruimtebehoefte voor een voor blijvend gebruik
                    bestemde voorzieningen. Een voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening is voor
                    minstens vier jaar en maximaal vijftien jaar noodzakelijk. Voor het vaststellen
                    van de omvang van een voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening moet het
                        verschil<cursief>:</cursief></al><lijst><li nr="a."><al>bij een school voor basisonderwijs,<cursief> [speciaal basisonderwijs,
                                speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs</cursief>] ten
                            minste 40 vierkante meter bruto vloeroppervlakte bedragen<cursief>,
                                en</cursief></al></li><li nr="b."><al><cursief>bij een school voor voortgezet onderwijs voldoen aan het
                                gestelde onder C.1.2, eerste lid, onder b.</cursief></al></li></lijst><tussenkop><vet>C.3 Overige voor blijvend gebruik of voor tijdelijk gebruik bestemde
                        voorzieningen</vet></tussenkop><al>De omvang van een goedgekeurde voorziening:</al><lijst><li nr="a."><al>voor blijvend of tijdelijk gebruik bestemde voorziening terrein, dan wel
                            uitbreiding van het terrein, wordt bepaald door de minimaal
                            noodzakelijke terreinoppervlakte om het schoolgebouw te realiseren met
                            inachtneming van de bij of krachtens de wet gestelde eisen ten aanzien
                            van de terreinoppervlakte en de minimumnormen, bedoeld in deel D.</al></li><li nr="b."><al>eerste aanschaf van:</al><al>1°. onderwijsleerpakket en meubilair, of uitbreiding van de eerste
                            aanschaf van het onderwijsleerpakket en meubilair voor een school
                                basisonderwijs<cursief>, een speciale school voor basisonderwijs en
                                een school voor speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs,
                                en</cursief></al><al><cursief>2°. leer- en hulpmiddelen en meubilair, of
                                uitbreiding van de eerste aanschaf van leer- en hulpmiddelen en
                                meubilair voor een school voor voortgezet onderwijs,</cursief> is
                            gekopeld aan de omvang van de toegekende voorziening.</al></li><li nr="c."><al><cursief>tegemoetkoming in eerste inrichting leer- en hulpmiddelen en
                                meubilair voor een school voor voortgezet onderwijs als gevolg van
                                een inpandige aanpassing waarbij algemene of specifieke ruimte wordt
                                omgezet in specifieke of werkplaatsruimte bedraagt het verschil
                                tussen de vergoeding voor eerste inrichting van de bestaande ruimte
                                en de vergoeding voor eerste inrichting van de te creëren
                                ruimte.</cursief></al></li><li nr="d."><al>herstel van constructiefouten en herstel van schade aan het gebouw,
                            onderwijsleerpakket, <cursief>leer- en hulpmiddelen</cursief> en
                            meubilair in geval van bijzondere omstandigheden wordt bepaald door de
                            activiteiten die minimaal noodzakelijk zijn voor de voortgang van het
                            onderwijs.</al></li></lijst><tussenkop><vet>C.4 Lokalen bewegingsonderwijs</vet></tussenkop><lijst><li nr="1."><al>De omvang van de goedgekeurde voorziening nieuwbouw, vervangende
                            nieuwbouw en uitbreiding van een lokaal bewegingsonderwijs wordt:</al><lijst><li nr="a."><al>voor een school voor basisonderwijs[,<cursief> een speciale
                                        school voor basisonderwijs, een school voor speciaal
                                        onderwijs of voortgezet speciaal
                                        onderwijs</cursief>]vastgesteld
                                        ophet verschil tussen de overeenkomstig
                                    bijlage III, deel A, vastgestelde capaciteit en het
                                    overeenkomstig B.2, eerste lid, vastgestelde
                                        ruimtebehoefte[<cursief>, en </cursief></al></li><li nr="b."><al><cursief>voor een school voor voortgezet onderwijs vastgesteld
                                        op de overeenkomstig B.2, tweede lid, vastgestelde
                                        ruimtebehoefte als de uitbreiding groter of gelijk is dan
                                        tien procent van de overeenkomstig deel A vastgestelde
                                        capaciteit</cursief>.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>De omvang van de goedgekeurde voorziening aanpassen van een lokaal
                            bewegingsonderwijs van een school voor basisonderwijs[<cursief>,
                                speciaal basisonderwijs,</cursief><cursief>speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs</cursief>]
                            wordt vastgesteld op de minimaal noodzakelijke aanvullende
                            vloeroppervlakte om te kunnen voldoen aan de minimumnormen, bedoeld in
                            deel D, onder D.3. </al></li><li nr="3."><al>De omvang van de goedgekeurde voorziening terrein, of uitbreiding van
                            het terrein, voor een lokaal bewegingsonderwijs wordt vastgesteld op de
                            minimaal noodzakelijke terreinoppervlakte om het lokaal, of de
                            uitbreiding van het lokaal te realiseren. </al></li><li nr="4."><al>De omvang van de goedgekeurde voorziening aanvulling op de eerste
                            aanschaf van het meubilair wordt overeenkomstig bijlage IV bepaald als
                            een lokaal bewegingsonderwijs in gebruik wordt genomen door andere
                            leerlingen dan waarvoor het lokaal oorspronkelijk is bedoeld of wordt
                            uitgebreid.</al></li><li nr="5."><al>De omvang van de goedgekeurde voorziening herstel van constructiefouten
                            en het herstel van schade aan gebouw, onderwijsleerpakket en meubilair
                            in geval van bijzondere omstandigheden, wordt bepaald door de feitelijke
                            kosten voor de activiteiten die minimaal noodzakelijk zijn voor de
                            voortgang van het onderwijs.</al></li></lijst><al/><tussenkop><vet>Deel D - Minimumnormen bij het realiseren van nieuwe
                        voorzieningen</vet></tussenkop><tussenkop><vet>D.1 Terreinoppervlakte</vet></tussenkop><al>Voor een school voor basisonderwijs, <cursief>een speciale school voor
                        basisonderwijs, een school voor speciaal onderwijs of voortgezet speciaal
                        onderwijs of een school voor voortgezet speciaal onderwijs </cursief>geldt
                    voor het verharde gedeelte (speelplaats) een minimum terreinoppervlakte van 3
                    vierkante meter per leerling, met een minimum van 300 vierkant meter netto.
                    Vanaf 200 leerlingen kan worden volstaan met 600 vierkante meter netto.</al><al/><tussenkop><vet>D.2 Speellokaal</vet></tussenkop><al>Een speellokaal heeft een minimum van 90 vierkante meter netto.</al><al/><tussenkop><vet>D.3 Lokaal bewegingsonderwijs</vet></tussenkop><lijst><li nr="1."><al>De netto vloeroppervlakte van een lokaal bewegingsonderwijs is minstens
                            252 vierkante meter netto en de hoogte minstens 5 meter.</al></li><li nr="2."><al>Een lokaal bewegingsonderwijs bevat minstens twee kleedruimten met een
                            was- of douchegelegenheid.</al></li></lijst><al/><tussenkop><vet>Deel E - Meetinstructie voor het vaststellen van de brutooppervlakte
                        van schoolgebouwen</vet></tussenkop><tussenkop><vet>E.1 Meetinstructie voor schoolgebouwen</vet></tussenkop><al>De bruto vloeroppervlakte van een schoolgebouw wordt vastgesteld volgens NEN
                    2580.</al><al/><tussenkop><vet>E.2 Aanvulling op de meetinstructie voor de
                    schoolgebouwen</vet></tussenkop><tussenkop>E.2.1 (Speciaal) basisonderwijs en speciaal onderwijs of voortgezet
                    speciaal onderwijs</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>De in- en aangebouwde fietsenstallingen en bergingen die uitsluitend van
                            buitenaf bereikbaar zijn, worden niet tot de bruto vloeroppervlakte
                            gerekend.</al></li><li nr="2."><al>De oppervlakte van verbindende ruimten tussen in- of aanpandige lokalen
                            bewegingsonderwijs wordt toegekend aan het lesgebouw.</al></li><li nr="3."><al>Bij scheidingswanden tussen lesgebouwen en in- of aanpandige lokalen
                            bewegingsonderwijs wordt de bruto vloeroppervlakte gerekend tot het hart
                            van de scheidingsconstructie.</al></li></lijst><al/><tussenkop>E.2.2 Voortgezet onderwijs</tussenkop><al><cursief>De bruto oppervlakte van een gebouw is de som van de bruto
                        vloeroppervlakte van alle tot het gebouw behorende beloopbare binnenruimten.
                        De bruto vloeroppervlakte wordt gemeten op vloerniveau langs de buitenomtrek
                        van de opgaande buitenconstructies die de ruimten omhullen. Tot de bruto
                        oppervlakte behoren eveneens: </cursief></al><lijst><li nr="a."><al><cursief>de oppervlakte van trapgaten, liftschachten, en
                                leidingschachten op elk vloerniveau, en </cursief></al></li><li nr="b."><al><cursief>de oppervlakte van vrijstaande uitwendige kolommen, voor zover
                                groter dan 0,5 vierkante meter. </cursief></al></li></lijst><al/><tussenkop>E.2.3 Uitzonderingen</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>De oppervlakten van overdekte niet door vaste buitenbegrenzingen
                            omsloten ruimten worden niet tot de bruto vloeroppervlakte gerekend,
                            ongeacht de vloerconstructie of wijze van verharding. Dit betreft in
                            ieder geval luifels, dakoverstekken, de ruimte onder op kolommen staande
                            verdiepingen, fietsenstallingen. </al></li><li nr="2."><al>Open brand-of vluchttrappen aan de buitenzijde van een gebouw worden bij
                            de bepaling van de bruto oppervlakte niet meegerekend.</al></li><li nr="3."><al>Niet beloopbare kelders en zolders worden niet meegerekend.</al></li></lijst><al/><tussenkop><vet>Bijlage IV - Normbedragen voor vergoeding en
                    indexering</vet></tussenkop><tussenkop><vet>Deel A - Indexering</vet></tussenkop><al>De normbedragen in deel B worden jaarlijks aangepast in overeenstemming met de
                    onderstaande systematiek van prijsbijstelling:</al><al/><tussenkop>A.1 Nieuwbouw en uitbreiding</tussenkop><al/><table><tgroup cols="5"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><colspec colname="colC"/><colspec colname="colD"/><colspec colname="colE"/><tbody><row><entry><al>1</al></entry><entry><al/></entry><entry><al>Prijsindexcijfer van de bouwkosten van nieuwe woningen, jaar
                                        t,</al><al>tweede kwartaal (bron: CBS, kerncijfers, bouwnijverheid,
                                        inclusief btw)</al></entry><entry><al/></entry><entry><al>MEV, jaar t+1, bruto investeringen door bedrijven in
                                        woningen (bron: CPB, Middelen en bestedingen)</al></entry></row><row><entry><al>----------------------------------------</al></entry><entry><al>*</al></entry><entry><al>----------------------------------------</al></entry><entry><al>*</al></entry><entry><al>----------------------------------------</al></entry></row><row><entry><al>MEV, jaar t, bruto investeringen door bedrijven in woningen
                                        (bron: CPB, Middelen en bestedingen)</al></entry><entry><al/></entry><entry><al>Prijsindexcijfer van de bouwkosten van nieuwe woningen, jaar
                                        t-1, tweede kwartaal (bron: CBS, kerncijfers,
                                        bouwnijverheid, inclusief btw)</al></entry><entry><al/></entry><entry><al>1</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al/><tussenkop>A.2 Eerste inrichting onderwijsleerpakekt en meubilair</tussenkop><al/><table><tgroup cols="5"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><colspec colname="colC"/><colspec colname="colD"/><colspec colname="colE"/><tbody><row><entry><al>1</al></entry><entry><al/></entry><entry><al>Consumentenprijsindex, alle huishoudens, jaar t, per 1 juli
                                        (bron: CBS, Kerncijfers, cijfer van de maand juni jaar
                                        t)</al></entry><entry><al/></entry><entry><al>MEV, jaar t+1 prijsmutatie netto materiële
                                        overheidsconsumptie (bron: CPB, Kerngegevens collectieve
                                        sector)</al></entry></row><row><entry><al>----------------------------------------</al></entry><entry><al>*</al></entry><entry><al>----------------------------------------</al></entry><entry><al>*</al></entry><entry><al>----------------------------------------</al></entry></row><row><entry><al>MEV, jaar t, prijsmutatie netto materiële
                                        overheidsconsumptie (bron: CPB, Kerngegevens collectieve
                                        sector)</al></entry><entry><al/></entry><entry><al>Consumentenprijsindex, alle huishoudens, jaar t-1, per 1
                                        juli (bron: CBS, Kerncijfers, cijfer van de maand juni jaar
                                        t-1)</al></entry><entry><al/></entry><entry><al>1</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al/><tussenkop><vet>Deel B - Normbedragen</vet></tussenkop><al>Alle in dit deel genoemde bedragen zijn inclusief BTW.</al><al/><tussenkop><vet>A. Nieuwbouw met permanente bouwaard</vet></tussenkop><tussenkop>A.1 Kostencomponenten nieuwbouw</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>De financiële normering voor nieuwbouw valt uiteen in de volgende
                            kostencomponenten:</al><lijst><li nr="a."><al>kosten voor terrein;</al></li><li nr="b."><al>bouwkosten;</al></li><li nr="c."><al>toeslag voor het herstel van terrein en verhuiskosten bij
                                    vervangende bouw;</al></li><li nr="d."><al><cursief>als het een school voor voortgezet onderwijs betreft,
                                        toeslag paalfundering;</cursief></al></li><li nr="e."><al><cursief>als het een speciale school voor basisonderwijs of een
                                        school voor speciaal onderwijs betreft een toeslag voor het
                                        realiseren van een afzonderlijk speellokaal</cursief>,
                                    en</al></li><li nr="f."><al><cursief>als het een school voor speciaal onderwijs of
                                        voortgezet speciaal onderwijs betreft, toeslag voor het
                                        aanbrengen van een liftinstallatie</cursief>.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Als vervangende nieuwbouw wordt gecombineerd met het uitbreiden van een
                            gebouw ter vervanging van een ander gebouw, gelden de bedragen bedoeld
                            in paragraaf B.</al></li></lijst><tussenkop><vet>A.2 Kosten voor terreinen</vet></tussenkop><al>Het benodigde bouwrijpe terrein wordt door de gemeente, eventueel na aankoop, om
                    niet aan het schoolbestuur beschikbaar gesteld en het juridisch eigendom wordt
                    aan hen overgedragen. De kosten van een terrein worden opgenomen op het
                    programma, zowel bij aankoop van een terrein als in de situatie dat de gemeente
                    een terrein beschikbaar stelt. De kosten voor het terrein worden bepaald op de
                    in de gemeente gangbare wijze van waardevaststelling van terreinen. Bij
                    vervangende nieuwbouw op dezelfde plaats als het oude gebouw behoren de kosten
                    voor het slopen van het oude gebouw tot de kosten voor terreinen.</al><al/><tussenkop>A.3.1 Bouwkosten</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>Tot de bouwkosten behoren:</al><lijst><li nr="a."><al>de bouwkosten van het gebouw, inclusief fundering, en</al></li><li nr="b."><al>de kosten van de aanleg en inrichting van het
                                    schoolterrein.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>De vergoeding bestaat uit een startbedrag, inclusief een aantal
                            vierkante meters, en een bedrag per vierkante meter bruto
                            vloeroppervlakte. Met deze vergoedingsbedragen moet de in overeenkomstig
                            bijlage III, deel C, vastgestelde aanvullende ruimtebehoefte worden
                            gerealiseerd.</al></li></lijst><tussenkop>A.3.2 Bouwkosten school voor basisonderwijs</tussenkop><al>De vergoeding voor een basisschool wordt vastgesteld op basis van de volgende
                    bedragen: </al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><tbody><row><entry><al>Startbedrag voor de realisatie van de eerste 350
                                        m<sup>2 </sup>bvo<sup/></al><al/></entry><entry><al>€ 666.689,57</al></entry></row><row><entry><al>Voor elke volgende m<sup>2</sup> bvo</al></entry><entry><al>€ 1.140,89</al></entry></row></tbody></tgroup></table><tussenkop>A.3.3 Bouwkosten speciale school voor basisonderwijs</tussenkop><al><cursief>De vergoeding voor een speciale school voor basisonderwijs wordt
                        vastgesteld op basis van de volgende bedragen: </cursief></al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><tbody><row><entry><al><cursief>Startbedrag voor de realisatie van de eerste 670
                                            m<sup>2 </sup>bvo, waarin niet</cursief></al></entry><entry><al><cursief>€ 1.080.237,73</cursief></al></entry></row><row><entry><al>Voor elke <cursief>volgende m<sup>2 </sup>bvo, waarin niet
                                            begrepen een eventueel speellokaal</cursief></al></entry><entry><al><cursief>€ 1.194,66</cursief></al></entry></row><row><entry><al><cursief>Toeslag voor elk speellokaal</cursief></al></entry><entry><al><cursief>€ 102.495,11</cursief></al></entry></row></tbody></tgroup></table><tussenkop>A.3.4 Bouwkosten school voor speciaal onderwijs of voortgezet speciaal
                    onderwijs</tussenkop><al><cursief>De vergoeding voor een school voor speciaal onderwijs of voortgezet
                        speciaal onderwijs wordt vastgesteld op basis van de volgende
                        bedragen:</cursief></al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><tbody><row><entry><al><cursief>Startbedrag, voor de realisatie van de eerste 677
                                            m<sup>2 </sup>bvo, waarin niet begrepen een eventueel
                                            speellokaal</cursief></al></entry><entry><al><cursief>€ 1.039.554,13</cursief></al></entry></row><row><entry><al>Voor elke <cursief>volgende m<sup>2 </sup>bvo, waarin niet
                                            begrepen een eventueel speellokaal</cursief></al></entry><entry><al><cursief>€ 1.187,58</cursief></al></entry></row><row><entry><al><cursief>Toeslag voor elk speellokaal</cursief></al></entry><entry><al><cursief>€ 102.495,11</cursief></al></entry></row><row><entry><al><cursief>Toeslag liftinstallatie als bij nieuwbouw een
                                            liftinstallatie inclusief een schacht wordt
                                            aangebracht</cursief></al></entry><entry><al><cursief>€ 100.742,02</cursief></al></entry></row></tbody></tgroup></table><tussenkop>A.3.5 Bouwkosten school voor voortgezet onderwijs</tussenkop><lijst><li nr="1."><al><cursief>Er is geen onderscheid in de normbedragen tussen nieuwbouw en
                                uitbreiding. </cursief></al></li><li nr="2."><al><cursief>De sectieafhankelijke kosten bestaan voor projecten vanaf 460
                                vierkante meter bruto vloeroppervlak uit een vast bedrag per
                                voorziening en een vast bedrag per sectie.</cursief></al></li><li nr="3."><al><cursief>Voor projecten kleiner dan 460
                                </cursief><cursief>vierkante meter bruto
                                vloeroppervlakte</cursief><cursief> worden geen sectieafhankelijke
                                kosten per project toegekend. Deze kosten zijn namelijk opgenomen in
                                de bedragen voor de ruimteafhankelijke kosten per vierkante meter
                                bruto vloeroppervlakte.</cursief></al></li><li nr="4."><al><cursief>De bedragen zijn opgenomen in de tabel met vaste bedragen per
                                vierkante meter bruto vloeroppervlakte en vaste bedragen per
                                voorziening.</cursief></al></li><li nr="5."><al><cursief>Voor het berekenen van de vergoeding voor de:</cursief></al><lijst><li nr="a."><al><cursief>ruimteafhankelijke</cursief><cursief> kosten wordt het
                                        overeenkomstig bijlage III, deel C, vastgestelde aantal
                                        vierkante meter per type ruimte van de voorziening,
                                        vermenigvuldigd met onderstaande bedragen per
                                        ruimtesoort:</cursief></al><table><tgroup cols="4"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><colspec colname="colC"/><colspec colname="colD"/><tbody><row><entry><al/></entry><entry><al>&lt; 460 m<sup>2</sup></al></entry><entry><al>&gt; 460 &lt;2.500 m<sup>2</sup></al></entry><entry><al>&gt; 2.500 m<sup>2</sup></al></entry></row><row><entry><al> Algemene en specifieke ruimte</al></entry><entry><al>€ 1.784,94</al></entry><entry><al>€ 1.059,30</al></entry><entry><al>€ 1.033,93</al></entry></row><row><entry><al> Werkplaatsen</al></entry><entry><al>€ 1.743,37</al></entry><entry><al>€ 1.410,24</al></entry><entry><al>€ 1.410,24</al></entry></row><row><entry><al> Werkplaatsen consumptief</al></entry><entry><al>€ 2.116,98</al></entry><entry><al>€ 1.783,86</al></entry><entry><al>€ 1.783,86</al></entry></row></tbody></tgroup></table></li><li nr="b."><al><cursief>sectieafhankelijke kosten wordt de vergoeding voor de
                                        algemene vaste voet of de vaste voet voor de algemene sectie
                                        of de werkplaatssectie, afhankelijk van de secties waaruit
                                        de overeenkomstig bijlage III, deel C, toegekende
                                        voorziening bestaat, verhoogd met de onderstaande
                                        bedragen:</cursief></al></li></lijst></li></lijst><table><tgroup cols="4"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><colspec colname="colC"/><colspec colname="colD"/><tbody><row><entry><al/></entry><entry><al><cursief>&lt;460m2</cursief></al></entry><entry><al><cursief>&gt; 460 &lt;2.500
                                        m<sup>2</sup></cursief></al></entry><entry><al><cursief><onderstreept>&gt;</onderstreept></cursief><cursief>
                                            2.500 m<sup>2</sup></cursief></al></entry></row><row><entry><al><cursief>Algemene en specifieke ruimte</cursief></al></entry><entry><al><cursief>€ 0,00</cursief></al></entry><entry><al><cursief>€ 112.625,40</cursief></al></entry></row><row><entry><al><cursief>Werkplaatsen, exclusief consumptief</cursief></al></entry><entry><al><cursief>€ 0,00</cursief></al></entry><entry><al><cursief>€ 221.075,15</cursief></al></entry><entry><al><cursief>€ 308.617,49</cursief></al></entry></row><row><entry><al><cursief>Werkplaatsen consumptief</cursief></al></entry><entry><al><cursief>€ 0,00</cursief></al></entry><entry><al><cursief>€ 40.877,53</cursief></al></entry></row></tbody></tgroup></table><lijst><li nr="6."><al><cursief>Tot de algemene en specifieke ruimte behoren:</cursief></al><lijst><li nr="a."><al><cursief>(uiterlijke) verzorging/mode en commercie:
                                        huishoudkunde, gezondheidskunde, uiterlijke verzorging, mode
                                        en commercie, en</cursief></al><al><cursief>handel/verkoop/administratie: verkooppraktijk,
                                        kantoorpraktijk, etaleren.</cursief></al></li></lijst></li><li nr="7."><al><cursief>Tot de werkplaatsen behoren:</cursief></al><lijst><li nr="a."><al><cursief>techniek algemeen:</cursief></al><al>1<cursief>°. Bouwtechniek;</cursief></al><al><cursief> 2°. Machinale houtbewerking;</cursief></al><al><cursief> 3°. Meten;</cursief></al><al><cursief>4°. Elektrotechniek;</cursief></al><al><cursief>5°. installatietechniek;</cursief></al><al><cursief>6°. lasserij;</cursief></al><al><cursief>7°. Metaal;</cursief></al><al><cursief>8°. Motorvoertuigentechniek, en</cursief></al><al><cursief>9°. Mechanische techniek;</cursief></al></li><li nr="b."><al><cursief>consumptief: werkplaats consumptieve
                                        techniek;</cursief></al></li><li nr="c."><al><cursief>grafische techniek: werkplaats grafische techniek,
                                        en</cursief></al></li><li nr="d."><al><cursief>landbouw: groen-praktijk.</cursief></al></li></lijst></li><li nr="8."><al><cursief>De overige ruimten behoren tot de categorie algemene
                                ruimte.</cursief></al></li></lijst><al/><tussenkop>A.3.6 Toeslag paalfundering school voor voortgezet onderwijs</tussenkop><lijst><li nr="1."><al><cursief>Voor de school voor voortgezet onderwijs is het bedrag van de
                                normkosten gebaseerd op een standaardlocatie. Voor de volgende
                                aanvullende investeringskosten wordt, indien noodzakelijk, een
                                aanvullend bedrag beschikbaar gesteld:</cursief></al><lijst><li nr="a."><al><cursief>paalfundering, en</cursief></al></li><li nr="b."><al><cursief>bemaling.</cursief></al></li></lijst></li><li nr="2."><al><cursief>De aanvullende vergoeding is afhankelijk van de benodigde
                                paallengte in relatie met de omvang van de bouw in bruto
                                vloeroppervlakte en wordt bepaald op basis van de volgende
                                formules:</cursief></al><table><tgroup cols="1"><colspec colname="colA"/><tbody><row><entry><al>Nieuwbouw en uitbreiding&lt;1000 m<sup>2</sup></al></entry></row><row><entry><al>Paallengte 1 tot 15 meter € 3.283,18 + (€ 17,23 *
                                                A)</al></entry></row><row><entry><al>Paallengte 15 tot 20 meter € 3.495,36 + (€ 29,24 *
                                                A)</al></entry></row><row><entry><al>Paallengte 20 meter of langer € 3.902,46 + (€ 52,14
                                                * A)</al></entry></row><row><entry><al/></entry></row><row><entry><al>Uitbreiding &gt;=1000 m<sup>2</sup></al></entry></row><row><entry><al>Paallengte 1 tot 15 meter € 4.009,36 + (€ 6,03 *
                                                A)</al></entry></row><row><entry><al>Paallengte 15 tot 20 meter € 5.229,55 + (€ 15,66 *
                                                A)</al></entry></row><row><entry><al>Paallengte 20 meter of langer € 7.941,51 + (€ 31,66
                                                * A)</al></entry></row></tbody></tgroup></table></li></lijst><lijst><li nr="3."><al><cursief>ls de grondwaterstand minder dan 1 meter onder het maaiveld
                                ligt, is bemaling noodzakelijk en wordt een aanvullend bedrag per
                                vierkante meter goedgekeurde terreinoppervlakte toegekend. De
                                vergoeding bedraagt € 11,18 per vierkante meter
                            terrein.</cursief></al></li></lijst><al/><tussenkop>A.3.7 <vet>Toeslag voor herstel van terrein en verhuiskosten bij
                        vervangende bouw school voor primair en speciaal of voortgezet speciaal
                        onderwijs.</vet></tussenkop><lijst><li nr="1."><al>Als de vervangende nieuwbouw voor een school voor
                                basisonderwijs[<cursief>, een speciale school voor basisonderwijs,
                                een school voor speciaal onderwijs of voortgezet speciaal
                                onderwijs</cursief>]plaatsvindt op dezelfde
                            plaats, moet het desbetreffende terrein, nadat de bouw is afgerond,
                            worden hersteld en moeten de leerlingen verhuizen naar een tijdelijke,
                            vervangende locatie. De genormeerde vergoeding voor deze kosten is
                            gebaseerd op een vast bedrag per vierkante meter bruto
                            vloeroppervlakte.</al></li><li nr="2."><al>De vergoeding voor een basisschool[<cursief>en een
                                speciale school voor basisonderwijs</cursief>]wordt vastgesteld op basis van de volgende bedragen: </al></li></lijst><table><tgroup cols="2"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><tbody><row><entry><al>Permanente bouw per m<sup>2</sup> bvo</al></entry><entry><al>€ 46,25</al></entry></row><row><entry><al>Tijdelijke bouw per m<sup>2 </sup>bvo</al></entry><entry><al>€ 31,74</al></entry></row></tbody></tgroup></table><lijst><li nr="3."><al><cursief>De vergoeding voor een school voor speciaal onderwijs of
                                voortgezet speciaal onderwijswordt vastgesteld op basis
                                van de volgende bedragen: </cursief></al></li></lijst><table><tgroup cols="2"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><tbody><row><entry><al><cursief>Permanente bouw per
                                        m<sup>2 </sup>bvo</cursief></al></entry><entry><al><cursief>€ 53,05</cursief></al></entry></row><row><entry><al><cursief>Tijdelijke bouw per
                                        m<sup>2 </sup>bvo</cursief></al></entry><entry><al><cursief>€ 26,54</cursief></al></entry></row></tbody></tgroup></table><tussenkop><vet>B. Uitbreiding met permanente bouwaard</vet></tussenkop><tussenkop><vet>B.1 Reikwijdte</vet></tussenkop><al>Deze paragraaf is van toepassing op de uitbreiding van de huisvesting in
                    permanente bouwaard van een school voor basisonderwijs <cursief>of een speciale
                        school voor basisonderwijs</cursief> tot 1035 vierkante meter bruto
                    vloeroppervlakte [<cursief>en van een school voor speciaal onderwijs of
                        voortgezet speciaal onderwijs tot 1000 vierkante meter bruto
                        vloeroppervlakte</cursief>]. Op overige uitbreidingen is paragraaf A
                    overeenkomstig van toepassing.</al><al/><tussenkop><vet>B.2 Kosten terrein</vet></tussenkop><al>Als uitbreiding van het terrein noodzakelijk is, is het bepaalde in A.2
                    overeenkomstig van toepassing op het vaststellen van de kosten voor het voor
                    uitbreiding benodigde terrein.</al><al/><tussenkop>B.3.1 Bouwkosten</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>Tot de bouwkosten behoren:</al><lijst><li nr="a."><al>de bouwkosten van het gebouw, en</al></li><li nr="b."><al>kosten voor extra aanleg en inrichting van een deel van het
                                    schoolterrein.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>De vergoeding bestaat uit een startbedrag, inclusief een aantal
                            vierkante meters, en een bedrag per vierkante meter. Met deze
                            vergoedingsbedragen moet de overeenkomstig bijlage III, deel C,
                            vastgestelde aanvullende ruimtebehoefte worden gerealiseerd.</al></li></lijst><al/><tussenkop>B.3.2 Bouwkosten school voor basisonderwijs</tussenkop><al>De vergoeding voor een basisschool wordt bepaald op basis van de volgende
                    bedragen:</al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><tbody><row><entry><al>Startbedrag bij uitbreidingen van 115 m<sup>2</sup> bvo of
                                        groter</al></entry><entry><al>€ 97.630,04</al></entry></row><row><entry><al>Startbedrag bij uitbreidingen van 55 tot 115 m<sup>2</sup>
                                        bvo</al></entry><entry><al>€ 65.086,70</al></entry></row><row><entry><al>Voor elke volgende m<sup>2</sup> bvo</al></entry><entry><al>€ 1.300,53</al></entry></row></tbody></tgroup></table><tussenkop>B.3.3 Bouwkosten speciale school voor basisonderwijs</tussenkop><al><cursief>De vergoeding voor een speciale school voor basisonderwijs wordt
                        bepaald op basis van de volgende bedragen:</cursief></al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><tbody><row><entry><al><cursief>Startbedrag bij uitbreidingen van 105 m<sup>2</sup>
                                            bvo of groter</cursief></al></entry><entry><al><cursief>€ 100.399,24</cursief></al></entry></row><row><entry><al><cursief>Startbedrag bij uitbreidingen van 50 tot 105
                                            m<sup>2 </sup>bvo</cursief></al></entry><entry><al><cursief>€ 66.932,83</cursief></al></entry></row><row><entry><al>Voor elke<cursief> volgende m<sup>2</sup> bvo, waarin niet
                                            begrepen een eventueel speellokaal</cursief></al></entry><entry><al><cursief>€ 1.326,45</cursief></al></entry></row><row><entry><al><cursief>Toeslag voor elk afzonderlijk speellokaal (90
                                            m<sup>2</sup> bvo) in combinatie met uitbreiding van de
                                            school</cursief></al></entry><entry><al><cursief>€ 117.048,33</cursief></al></entry></row><row><entry><al><cursief>Vergoeding </cursief>voor elk<cursief> afzonderlijk
                                            speellokaal, zonder gelijktijdige uitbreiding van de
                                            school</cursief></al></entry><entry><al><cursief>€ 215.200,42</cursief></al></entry></row></tbody></tgroup></table><tussenkop>B.3.4 Bouwkosten school voor speciaal of voortgezet speciaal
                    onderwijs</tussenkop><al><cursief>De vergoeding voor een school voor speciaal onderwijs of speciaal of
                        voortgezet speciaal onderwijswordt bepaald op basis van de
                        volgende bedragen:</cursief></al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><tbody><row><entry><al><cursief>Startbedrag bij uitbreidingen van 96 m<sup>2</sup>
                                            bvo of groter</cursief></al></entry><entry><al><cursief>€ 90.931,93</cursief></al></entry></row><row><entry><al><cursief>Startbedrag bij uitbreidingen van 50 tot 96
                                            m<sup>2</sup> bvo</cursief></al></entry><entry><al><cursief>€ 60.621,29</cursief></al></entry></row><row><entry><al>Voor elke <cursief>volgende m<sup>2 </sup>bvo, waarin niet
                                            begrepen een eventueel speellokaal</cursief></al></entry><entry><al><cursief>€ 1.329,08</cursief></al></entry></row><row><entry><al><cursief>Toeslag </cursief>voor elk<cursief> afzonderlijk
                                            speellokaal (90 m<sup>2</sup> bvo) in combinatie met
                                            uitbreiding van de school</cursief></al></entry><entry><al><cursief>€ 102.495,11</cursief></al></entry></row><row><entry><al><cursief>Vergoeding voor elk afzonderlijk speellokaal (90
                                            m<sup>2</sup> bvo), zonder gelijktijdige uitbreiding van
                                            de school</cursief></al></entry><entry><al><cursief>€ 215.200,42</cursief></al></entry></row><row><entry><al><cursief>Toeslag liftinstallatie als bij uitbreiding een
                                            liftinstallatie inclusief een schacht wordt
                                            aangebracht</cursief></al></entry><entry><al><cursief>€ 121.090,08</cursief></al></entry></row></tbody></tgroup></table><al/><tussenkop>B.3.5 Toeslag paalfundering school voor voortgezet onderwijs</tussenkop><al><cursief>Het bepaalde in A.3.6 is overeenkomstig van toepassing op het bepalen
                        van de omvang van de vergoeding voor paalfundering en bemaling bij
                        uitbreiding.</cursief></al><al/><tussenkop>B.3.6 <vet>Toeslag voor het herstel van het terrein en verhuiskosten bij
                        vervangende bouw op dezelfde plaats</vet></tussenkop><al>Het bepaalde in A.3.7 is overeenkomstig van toepassing op het bepalen van de
                    omvang van de vergoeding voor het herstel van terrein en verhuizing bij
                    uitbreiding.</al><al/><tussenkop><vet>C. Tijdelijke voorziening</vet></tussenkop><tussenkop><vet>C.1 Vergoedingsbedragen tijdelijke voorzieningen</vet></tussenkop><lijst><li nr="1."><al>De vergoedingsbedragen voor tijdelijke voorzieningen zijn afgestemd op
                            de investeringslasten van voor tijdelijk gebruik bestemde voorzieningen.
                            Hierbij is onderscheid gemaakt tussen:</al><lijst><li nr="a."><al>nieuwbouw van een voor tijdelijk gebruik bestemd gebouw als
                                    hoofdlocatie;</al></li><li nr="b."><al>uitbreiding van een permanente hoofdlocatie met een voor
                                    tijdelijk gebruik bestemd gebouw, en</al></li><li nr="c."><al>uitbreiding van bestaande voor tijdelijk gebruik bestemde
                                    gebouwen.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>In aanvulling op het eerste lid wordt rekening gehouden met het
                            bekostigen van een tijdelijke voorziening door middel van huur van een
                            voor tijdelijk gebruik bestemd gebouw. </al></li></lijst><tussenkop><vet>C.2 Kosten voor terreinen</vet></tussenkop><al>Als een tijdelijke voorziening niet gerealiseerd kan worden op het aanwezige
                    terrein, worden de kosten voor het benodigde terrein bepaald overeenkomstig
                    A.2.</al><al/><tussenkop>C.3.1 <vet>Nieuwbouw als hoofdlocatie/uitbreiding van permanente
                        hoofdlocatie</vet></tussenkop><al>De vergoeding voor een tijdelijke voorziening bestaat uit een startbedrag en een
                    bedrag per vierkante meter. In deze bedragen zijn begrepen de bouwkosten, de
                    kosten van herstel en inrichting van terreinen, de kosten van paalfundering en
                    de eenmalige aansluitkosten op nutsvoorzieningen. </al><al/><tussenkop>C.3.2 Vergoeding basisschool [en speciale school voor
                    basisonderwijs]</tussenkop><al>De vergoeding voor een basisschool [<cursief>en een speciale school voor
                        basisonderwijs</cursief>] wordt vastgesteld op basis van de volgende
                    bedragen:</al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><tbody><row><entry><al>Startbedrag bij nieuwbouw van 80 m<sup>2 </sup>bvo of
                                        groter</al></entry><entry><al>€ 37.966,88</al></entry></row><row><entry><al>Startbedrag bij nieuwbouw van 40 tot 80 m<sup>2</sup>
                                        bvo</al></entry><entry><al>€ 25.311,26</al></entry></row><row><entry><al>Voor elke volgende m<sup>2</sup> bvo</al></entry><entry><al>€ 933,03</al></entry></row></tbody></tgroup></table><tussenkop>C.3.3 Vergoeding school voor speciaal of voortgezet speciaal
                    onderwijs</tussenkop><lijst><li nr="1."><al><cursief>De vergoeding voor een school voor speciaal onderwijs of
                                voortgezet speciaal onderwijs wordt vastgesteld op basis van de
                                volgende bedragen:</cursief></al></li></lijst><table><tgroup cols="2"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><tbody><row><entry><al><cursief>Startbedrag bij nieuwbouw van 80 m<sup>2 </sup>bvo
                                            of groter</cursief></al></entry><entry><al><cursief>€ 39.793,33</cursief></al></entry></row><row><entry><al><cursief>Startbedrag bij nieuwbouw van 40 tot 80
                                            m<sup>2</sup> bvo</cursief></al></entry><entry><al><cursief>€ 26.890,74</cursief></al></entry></row><row><entry><al>Voor elke<cursief> volgende m<sup>2</sup> bvo</cursief></al></entry><entry><al><cursief>€ 914,15</cursief></al></entry></row></tbody></tgroup></table><lijst><li nr="2."><al><cursief>Paragraaf A is overeenkomstig van toepassing op het bepalen van
                                de hoogte van de vergoeding voor sloopkosten van het oude gebouw,
                                herstel en inrichting van terreinen en voor tijdelijke verhuizing
                                van de leerlingen.</cursief></al></li></lijst><tussenkop>C.3.4 Vergoeding school voor voortgezet onderwijs</tussenkop><al><cursief>De vergoeding voor een school voor voortgezet onderwijs wordt bepaald
                        op basis van de vergoedingsformule € 567,99 * A + € 39.049,94, waarbij A het
                        overeenkomstig bijlage III, deel C, bepaalde aantal vierkante meter bruto
                        vloeroppervlakte aan tijdelijke huisvesting is.</cursief></al><al/><tussenkop>C.4.1 <vet>Uitbreiding van bestaande tijdelijke voorzieningen primair en
                        speciaal of voortgezet speciaal onderwijs</vet></tussenkop><lijst><li nr="1."><al>De vergoeding voor uitbreiding bestaande tijdelijke voorziening bestaat
                            uit een startbedrag en een bedrag per vierkante meter. In deze bedragen
                            zijn begrepen de bouwkosten, de toeslag voor paalfundering en de toeslag
                            voor herstel en inrichting van terreinen.</al></li><li nr="2."><al>Paragraaf A is overeenkomstig van toepassing op het bepalen van de
                            hoogte van de vergoeding voor sloopkosten van het oude gebouw, herstel
                            en inrichting van terreinen en voor tijdelijke verhuizing van de
                            leerlingen.</al></li></lijst><tussenkop>C.4.2 Vergoeding basisschool [en speciale school voor
                    basisonderwijs]</tussenkop><al>De vergoeding voor een basisschool [<cursief>en een speciale school voor
                        basisonderwijs</cursief>] wordt vastgesteld op basis van de volgende
                    bedragen:</al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><tbody><row><entry><al>Startbedrag bij uitbreiding van 80 m<sup>2 </sup>bvo of
                                        groter</al></entry><entry><al>€ 21.341,49</al></entry></row><row><entry><al>Startbedrag bij uitbreiding van 40 tot 80
                                        m<sup>2 </sup>bvo</al></entry><entry><al>€ 14.227,66</al></entry></row><row><entry><al>Voor elke volgende m<sup>2</sup> bvo</al></entry><entry><al>€ 977,65</al></entry></row></tbody></tgroup></table><tussenkop>C.4.3 Vergoeding school voor speciaal of voortgezet speciaal
                    onderwijs</tussenkop><al><cursief>De vergoeding voor een school voor speciaal onderwijs of voortgezet
                        speciaal onderwijs wordt vastgesteld op basis van de volgende
                        bedragen:</cursief></al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><tbody><row><entry><al><cursief>Startbedrag bij uitbreiding van 80
                                            m<sup>2 </sup>bvo of groter</cursief></al></entry><entry><al><cursief>€ 21.639,41</cursief></al></entry></row><row><entry><al><cursief>Startbedrag bij uitbreiding van 40 tot 80
                                            m<sup>2</sup> bvo</cursief></al></entry><entry><al><cursief>€ 14.426,27</cursief></al></entry></row><row><entry><al>Voor elke<cursief> volgende m<sup>2 </sup>bvo</cursief></al></entry><entry><al><cursief>€ 966,51</cursief></al></entry></row></tbody></tgroup></table><tussenkop>C.5 Huur van voor tijdelijk gebruik bestemde gebouwen</tussenkop><al>Huur van een voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening en huur van een
                    bestaand gebouw worden vergoed op basis van de werkelijke kosten.</al><al/><tussenkop><vet>D. Eerste inrichting</vet></tussenkop><tussenkop><vet>D.1.1 Uitbreiding onderwijsleerpakket en meubilair</vet></tussenkop><al>Bij uitbreiding met onderwijsleerpakket en meubilair wordt het uit te keren
                    bedrag van de vergoeding bepaald aan de hand van het verschil tussen de al
                    toegekende investeringsbedragen en de nieuw berekende vergoeding.</al><al/><tussenkop>D.1.2 Vergoedingbasisschool</tussenkop><al>De vergoeding voor een basisschool wordt vastgesteld op basis van de volgende
                    bedragen:</al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><tbody><row><entry><al>Startbedrag</al></entry><entry><al>€ 38.300,32</al></entry></row><row><entry><al>Voor elke volgende m<sup>2 </sup>bvo</al></entry><entry><al>€ 133,98</al></entry></row></tbody></tgroup></table><tussenkop>D.1.3 Vergoeding speciale school voor basisonderwijs</tussenkop><al><cursief>De vergoeding voor een speciale school voor basisonderwijs wordt
                        vastgesteld op basis van de volgende bedragen: </cursief></al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><tbody><row><entry><al><cursief>Startbedrag</cursief></al></entry><entry><al><cursief>€ 81.259,53</cursief></al></entry></row><row><entry><al><cursief>Naast het </cursief>startbedrag<cursief> voor elke
                                            volgende m<sup>2</sup> bvo</cursief></al></entry><entry><al><cursief>€ 138,61</cursief></al></entry></row></tbody></tgroup></table><tussenkop>D.1.4 Vergoeding school voor speciaal en voortgezet speciaal
                    onderwijs</tussenkop><al><cursief>De vergoeding voor een school voor speciaal onderwijs of voortgezet
                        speciaal onderwijs wordt bepaald op basis van de volgende bedragen:
                    </cursief></al><table><tgroup cols="3"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><colspec colname="colC"/><tbody><row><entry><al/></entry><entry><al><cursief>Startbedrag</cursief></al></entry><entry><al><cursief>Voor elke volgende m<sup>2</sup> bvo</cursief></al></entry></row><row><entry><al><cursief>SO/VSO-doven</cursief></al></entry><entry><al><cursief>€ 136.914,55</cursief></al></entry><entry><al><cursief>€ 238,99</cursief></al></entry></row><row><entry><al><cursief>SO/VSO-sh</cursief></al></entry><entry><al><cursief>€ 124.375,97</cursief></al></entry><entry><al><cursief>€ 309,74</cursief></al></entry></row><row><entry><al><cursief>SO/V</cursief><cursief>SO-esm</cursief></al></entry><entry><al><cursief>€ 115.897,11</cursief></al></entry><entry><al><cursief>€ 154,02</cursief></al></entry></row><row><entry><al><cursief>SO/VSO-visg</cursief></al></entry><entry><al><cursief>€ 164.481,07</cursief></al></entry><entry><al><cursief>€ 293,96</cursief></al></entry></row><row><entry><al><cursief>SO/VSO-lz</cursief></al></entry><entry><al><cursief>€ 104.887,65</cursief></al></entry><entry><al><cursief>€ 144,84</cursief></al></entry></row><row><entry><al><cursief>SO/VSO-lg</cursief></al></entry><entry><al><cursief>€ 123.482,28</cursief></al></entry><entry><al><cursief>€ 282,37</cursief></al></entry></row><row><entry><al><cursief>SO/VSO-zmlk</cursief></al></entry><entry><al><cursief>€ 103.258,59</cursief></al></entry><entry><al><cursief>€ 122,87</cursief></al></entry></row><row><entry><al><cursief>SO/VSO-zmok</cursief></al></entry><entry><al><cursief>€ 100.790,31</cursief></al></entry><entry><al><cursief>€ 141,25</cursief></al></entry></row><row><entry><al><cursief>SO/VSO-pi</cursief></al></entry><entry><al><cursief>€ 101.681,28</cursief></al></entry><entry><al><cursief>€ 153,39</cursief></al></entry></row><row><entry><al><cursief>SO/VSO-mg</cursief></al></entry><entry><al><cursief>€ 125.025,87</cursief></al></entry><entry><al><cursief>€ 125,29</cursief></al></entry></row></tbody></tgroup></table><tussenkop>D.1.5 Vergoeding speellokaal speciale school voor
                    basisonderwijs</tussenkop><al><cursief>De vergoeding voor onderwijsleerpakket en meubilair voor de inrichting
                        van een speellokaal voor een speciale school voor basisonderwijs en een
                        school voor speciaal onderwijs bedraagt € 7.415,30.</cursief></al><al/><tussenkop>D.2 School voor voortgezet onderwijs</tussenkop><lijst><li nr="1."><al><cursief>De vergoeding voor eerste inrichting leer- en hulpmiddelen en
                                meubilair is gekoppeld aan de toe te kennen voorziening nieuwbouw,
                                niet zijnde vervangende nieuwbouw, uitbreiding en ingebruikneming,
                                niet zijnde ingebruikneming ter vervanging van een bestaand gebouw.
                                Aanspraak op deze vergoeding bestaat als de eerste inrichting nog
                                niet eerder door het rijk of de gemeente is bekostigd. De hoogte van
                                de vergoeding wordt berekend door vast te stellen het verschil
                                tussen de al toegekende vergoeding en de vergoeding die is
                                vastgesteld op basis van de te realiseren bruto vloeroppervlakte per
                                ruimtetype. De hoogte van de vergoeding per ruimtetype wordt bepaald
                                op basis van de volgende bedragen:</cursief></al></li></lijst><table><tgroup cols="3"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><colspec colname="colC"/><tbody><row><entry><al><cursief>Ruimtetype</cursief></al></entry><entry><al><cursief> Functie</cursief></al></entry><entry><al><cursief>m2</cursief></al></entry></row><row><entry><al><cursief> Algemeen</cursief></al></entry><entry><al/></entry><entry><al><cursief> € 158,06</cursief></al></entry></row><row><entry><al><cursief> Specifiek</cursief></al></entry><entry><al><cursief>(Uiterlijke) verzorging/mode en
                                        commercie</cursief></al><al><cursief>Handel/verkoop/administratie</cursief></al><al><cursief>Praktijkonderwijs</cursief></al></entry><entry><al><cursief> € 369,42</cursief></al><al><cursief> € 225,99</cursief></al><al><cursief> € 303,42</cursief></al></entry></row><row><entry><al><cursief> Werkplaatsen</cursief></al></entry><entry><al><cursief>Techniek algemeen</cursief></al><al><cursief>Consumptief</cursief></al><al><cursief>Grafische techniek</cursief></al><al><cursief>Landbouw</cursief></al></entry><entry><al><cursief> € 387,57</cursief></al><al><cursief> € 750,55</cursief></al><al><cursief> € 1.434,94</cursief></al><al><cursief> € 0,00</cursief></al></entry></row></tbody></tgroup></table><lijst><li nr="2."><al><cursief> Als in plaats van uitbreiding van het schoolgebouw medegebruik
                                van een voor een school bestemd gebouw wordt gevorderd, wordt
                                inventaris slechts toegekend als de inventaris in de voor
                                medegebruik aangewezen ruimte ontbreekt of niet geschikt
                                is.</cursief></al></li></lijst><tussenkop><vet>E. Lokalen bewegingsonderwijs</vet></tussenkop><tussenkop>E.1 Bouwkosten nieuwbouw</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>De vergoeding van de bouwkosten voor nieuwbouw van een lokaal
                            bewegingsonderwijs met een netto speeloppervlakte van 252 vierkante
                            meters bedraagt € 700.859,23 als deze op het schoolterrein gerealiseerd
                            kan worden, of € 715.034,52 als deze op een afzonderlijk terrein
                            gerealiseerd wordt. In deze vergoeding zijn opgenomen de kosten van
                            fundering op staal en inrichting van het terrein.</al></li><li nr="2."><al><cursief>Scholen met lichamelijk gehandicapte leerlingen, meervoudig
                                gehandicapte leerlingen of zeer moeilijk lerende leerlingen wordt
                                een toeslag toegekend van 50 vierkante meter. Het normbedrag van
                                deze toeslag is € 70.306,32.</cursief></al></li><li nr="3."><al>Als paalfundering noodzakelijk is wordt een toeslag gegeven op basis van
                            de volgende bedragen:</al></li></lijst><table><tgroup cols="3"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><colspec colname="colC"/><tbody><row><entry><al>Paallengte</al></entry><entry><al>Vergoeding</al></entry><entry><al>Vergoeding bij ruimten LG en MG</al></entry></row><row><entry><al>1&lt;15m</al></entry><entry><al>€ 14.097,01</al></entry><entry><al>€ 17.774,32</al></entry></row><row><entry><al>15&lt;20m</al></entry><entry><al>€ 19.433,46</al></entry><entry><al>€ 24.616,04</al></entry></row><row><entry><al><onderstreept>&gt;</onderstreept>20m</al></entry><entry><al>€ 27.293,44</al></entry><entry><al>€ 35.426,62</al></entry></row></tbody></tgroup></table><tussenkop>E.2 Uitbreiding</tussenkop><al>Het bepaalde in E.1, eerste lid, is overeenkomstig van toepassing op het bepalen
                    van de hoogte van de vergoeding voor uitbreiding van een lokaal
                    bewegingsonderwijs. Bij lokalen bewegingsonderwijs met een oefenvloer van 140
                    vierkante meter netto speeloppervlakte of minder, kan de oefenvloer worden
                    uitgebreid tot een oppervlakte van 252 vierkante meter. De hoogte van de
                    vergoeding wordt bepaald op basis van de volgende bedragen:</al><table><tgroup cols="5"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><colspec colname="colC"/><colspec colname="colD"/><colspec colname="colE"/><tbody><row><entry><al>Uitbreiding</al></entry><entry><al>Normbedrag</al></entry><entry><al>Paallengte</al></entry></row><row><entry><al>1 &lt; 15 meter</al></entry><entry><al>15 &lt; 20 meter</al></entry><entry><al><onderstreept>&gt;</onderstreept> 20 meter</al></entry></row><row><entry><al>112 t/m 120 m<sup>2</sup></al></entry><entry><al>€ 162.835,79</al></entry><entry><al>€ 6.310,99</al></entry><entry><al>€ 10.930,99</al></entry><entry><al>€ 17.870,96</al></entry></row><row><entry><al>121 t/m 150 m<sup>2</sup></al></entry><entry><al>€ 197.949,27</al></entry><entry><al>€ 7.891,30</al></entry><entry><al>€ 13.660,22</al></entry><entry><al>€ 22.338,70</al></entry></row></tbody></tgroup></table><tussenkop>E.3.2 OLP/meubilair school voor basisonderwijs en speciaal
                    basisonderwijs</tussenkop><al>De vergoeding voor de eerste inrichting met onderwijsleerpakket of meubilair
                    voor een lokaal bewegingsonderwijs voor een basisschool <cursief>of een speciale
                        school voor basisonderwijs</cursief> bedraagt € 51.310,54.</al><al/><tussenkop>E.3.3 OLP/meubilair school voor speciaal of voortgezet speciaal
                    onderwijs</tussenkop><al><cursief>De vergoeding voor de eerste inrichting met onderwijsleerpakket of
                        meubilair voor een lokaal bewegingsonderwijs voor een school voor speciaal
                        onderwijs of voor voortgezet speciaal onderwijs wordt bepaald op basis van
                        de volgende bedragen:</cursief></al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><tbody><row><entry><al><cursief>Schoolsoort</cursief></al></entry><entry><al><cursief>Bedrag in euro</cursief></al></entry></row><row><entry><al><cursief>SO-doven</cursief></al></entry><entry><al><cursief> € 40.917,05</cursief></al></entry></row><row><entry><al><cursief>SO-sh/esm</cursief></al></entry><entry><al><cursief> € 40.677,02</cursief></al></entry></row><row><entry><al><cursief>SO-visg</cursief></al></entry><entry><al><cursief> € 49.245,65</cursief></al></entry></row><row><entry><al><cursief>SO-lg/mg</cursief></al></entry><entry><al><cursief> € 53.943,88</cursief></al></entry></row><row><entry><al><cursief>SO-lz/pi</cursief></al></entry><entry><al><cursief> € 38.691,75</cursief></al></entry></row><row><entry><al><cursief>SO-zmlk</cursief></al></entry><entry><al><cursief> € 38.691,75</cursief></al></entry></row><row><entry><al><cursief>SO-zmok</cursief></al></entry><entry><al><cursief> € 38.612,13</cursief></al></entry></row><row><entry><al><cursief>VSO-doven</cursief></al></entry><entry><al><cursief> € 47.970,54</cursief></al></entry></row><row><entry><al><cursief>VSO-sh/esm</cursief></al></entry><entry><al><cursief> € 49.222,23</cursief></al></entry></row><row><entry><al><cursief>VSO-visg</cursief></al></entry><entry><al><cursief> € 58.558,40</cursief></al></entry></row><row><entry><al><cursief>VSO-lg/mg</cursief></al></entry><entry><al><cursief> € 60.075,30</cursief></al></entry></row><row><entry><al><cursief>VSO-lz/pi</cursief></al></entry><entry><al><cursief> € 47.277,37</cursief></al></entry></row><row><entry><al><cursief>VSO-zmlk</cursief></al></entry><entry><al><cursief> € 47.277,37</cursief></al></entry></row><row><entry><al><cursief>VSO-zmok</cursief></al></entry><entry><al><cursief>€ 42.203,87</cursief></al></entry></row><row><entry><al><cursief>SOVSO-doven</cursief></al></entry><entry><al><cursief>€ 49.677,13</cursief></al></entry></row><row><entry><al><cursief>SOVSO-sh/esm</cursief></al></entry><entry><al><cursief>€ 53.253,05</cursief></al></entry></row><row><entry><al><cursief>SOVSO-visg</cursief></al></entry><entry><al><cursief>€ 60.768,46</cursief></al></entry></row><row><entry><al><cursief>SOVSO-lg/mg</cursief></al></entry><entry><al><cursief>€ 61.710,46</cursief></al></entry></row><row><entry><al><cursief>SOVSO-lz/pi</cursief></al></entry><entry><al><cursief>€ 51.307,01</cursief></al></entry></row><row><entry><al><cursief>SOVSO-zmlk</cursief></al></entry><entry><al><cursief>€ 51.307,01</cursief></al></entry></row><row><entry><al><cursief>SOVSO-zmok</cursief></al></entry><entry><al><cursief>€ 42.682,77</cursief></al></entry></row></tbody></tgroup></table><tussenkop>E.3.4 Meubilair/leer-en hulpmiddelen school voor voortgezet
                    onderwijs</tussenkop><al><cursief>De vergoeding voor de eerste inrichting meubilair of leer- en
                        hulpmiddelen voor een lokaal bewegingsonderwijs voor een school voor
                        voortgezet onderwijs wordt bepaald op basis van de volgende
                        bedragen:</cursief></al><table><tgroup cols="4"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><colspec colname="colC"/><colspec colname="colD"/><tbody><row><entry><al/></entry><entry><al><vet><cursief>Meubilair</cursief></vet></al></entry><entry><al><vet><cursief>Leer- en hulpmiddelen</cursief></vet></al></entry><entry><al><vet><cursief>Totaal</cursief></vet></al></entry></row><row><entry><al><cursief> Eerste lokaal</cursief></al><al><cursief> Tweede lokaal</cursief></al><al><cursief> Derde lokaal</cursief></al><al><cursief> Oefenplaats 1</cursief></al><al><cursief> Oefenplaats 2</cursief></al></entry><entry><al><cursief>€ </cursief><cursief>1.083,67</cursief></al><al><cursief>€ </cursief><cursief>1.083,67</cursief></al><al><cursief>€ </cursief><cursief>1.083,67</cursief></al><al><cursief>€ </cursief><cursief>0,00</cursief></al><al><cursief>€ </cursief><cursief>0,00</cursief></al></entry><entry><al><cursief>€ </cursief><cursief>64.621,30</cursief></al><al><cursief>€ </cursief><cursief>50.409,52</cursief></al><al><cursief>€ </cursief><cursief>21.915,70</cursief></al><al><cursief>€ </cursief><cursief>14.271,50</cursief></al><al><cursief>€ </cursief><cursief>1.647,45</cursief></al></entry><entry><al><cursief>€ </cursief><cursief>65.704,97</cursief></al><al><cursief>€ </cursief><cursief>51.393,19</cursief></al><al><cursief>€ </cursief><cursief>22.999,37</cursief></al><al><cursief>€ </cursief><cursief>14.271,50</cursief></al><al><cursief>€ </cursief><cursief>1.647,45</cursief></al></entry></row></tbody></tgroup></table><tussenkop>E.4 Medegebruik/huur van een niet-eigen voorziening</tussenkop><al>Naast bewegingsonderwijs in een eigen lokaal van de school is ook
                    bewegingsonderwijs mogelijk in een bestaand lokaal bewegingsonderwijs door
                    middel van:</al><lijst><li nr="a."><al>medegebruik van een gebouw van een andere school of de gemeente, of</al></li><li nr="b."><al>huur van een gebouw van een commerciële exploitant.</al></li></lijst><tussenkop><vet>F. Vergoedingfeitelijke kosten</vet></tussenkop><al>De vergoeding van de feitelijke kosten als bedoeld in artikel 4, tweede lid,
                    wordt gebaseerd op de door het college goedgekeurde offerte en verhoogd met een
                    overeen te komen bedrag voor de kosten van technische advisering, voor zover het
                    een voorziening betreft als bedoeld in artikel 2, onder b en c.</al><al/><tussenkop><vet>G. Huur sportvelden</vet></tussenkop><lijst><li nr="1."><al><cursief>Een school voor voortgezet onderwijs maakt aanspraak op een
                                vergoeding van de huur van een sportveld voor maximaal 8 weken per
                                jaar. De vergoeding voor deze kosten bedraagt voor de periode van 8
                                weken € 20,94 per klokuur.</cursief></al></li><li nr="2."><al><cursief>Aanspraak op vergoeding als bedoeld in het eerste lid bestaat
                                uitsluitend als de school voor voortgezet onderwijs niet beschikt
                                over een eigen sportveld en geen gebruik maakt van een sportveld dat
                                door de gemeente is gefinancierd.</cursief></al></li></lijst></bijlage><bijlage><kop><label>Bijlage</label><nr>V</nr><titel>Criteria voor het vaststellen van de prioriteit van de aangevraagde
                        voorziening</titel></kop><tussenkop><vet>1. Algemeen</vet></tussenkop><al>Prioriteiten worden vastgesteld als het overeenkomstig artikel 11 vastgestelde
                    bekostigingsplafond onvoldoende is om alle aangevraagde voorzieningen die in
                    aanmerking komen om te worden opgenomen op het programma te honoreren. Op basis
                    van de gestelde prioriteiten wordt een rangorde vastgesteld van de voorzieningen
                    waarvan is vastgesteld dat die voor bekostiging in aanmerking komen. Daarna
                    wordt vastgesteld voor welke voorzieningen het bekostigingsplafond voldoende is
                    en deze voorzieningen worden opgenomen op het programma. De voorzieningen die
                    niet worden opgenomen op het programma worden op het overzicht geplaatst.</al><al/><tussenkop><vet>2. Onderscheid voorzieningen</vet></tussenkop><lijst><li nr="1."><al>Bij het stellen van de prioriteiten wordt onderscheid gemaakt in
                            voorzieningen die noodzakelijk zijn:</al><lijst><li nr="a."><al>om capaciteitstekorten op te heffen, en</al></li><li nr="b."><al>om een adequaat niveau te handhaven.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Voorzieningen als bedoeld in het eerste lid, onder a, vallen onder
                            hoofdprioriteit 1. Het betreft de volgende voorzieningen:</al><lijst><li nr="a."><al>nieuwbouw, inclusief terrein;</al></li><li nr="b."><al>uitbreiding, indien van toepassing, inclusief terrein;</al></li><li nr="c."><al>in gebruik nemen bestaand gebouw, indien van toepassing,
                                    inclusief terrein;</al></li><li nr="d."><al>verplaatsen tijdelijke gebouwen;</al></li><li nr="e."><al>eerste inrichting met onderwijsleerpakket of meubilair
                                        <cursief>of leer- en hulpmiddelen</cursief>;</al></li><li nr="f."><al>uitbreiding eerste inrichting met onderwijsleerpakket en
                                    meubilair <cursief>of leer- en hulpmiddelen</cursief>, en</al></li><li nr="g."><al>medegebruik</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Voorzieningen als bedoeld in het eerste lid, onder b, vallen onder
                            hoofdprioriteit 2. Het betreft de volgende voorzieningen:</al><lijst><li nr="a."><al>vervangende nieuwbouw, indien van toepassing, inclusief
                                    terrein;</al></li><li nr="b."><al>herstel van een constructiefout, en</al></li><li nr="c."><al>herstel en vervanging in verband met schade.</al></li></lijst></li><li nr="4."><al>De onder hoofdprioriteit 2 opgenomen voorziening vervangende nieuwbouw
                            valt onder hoofdprioriteit 1 op het moment dat deze voorziening
                            gecombineerd wordt met een uitbreiding van de capaciteit en de
                            vervangende nieuwbouw noodzakelijk is omdat wordt voldaan aan het
                            criterium genoemd onder in bijlage I, deel A, onder A.2.</al></li></lijst><tussenkop><vet>3. Hoofd- en subprioriteit</vet></tussenkop><lijst><li nr="1."><al>Om te komen tot het vaststellen van de prioriteit wordt een
                            onderverdeling gemaakt in hoofdprioriteit en sub-prioriteit.</al></li><li nr="2."><al>Voor het vaststellen van de prioriteiten wordt voor de onder 2, eerste
                            lid, onder a, genoemde voorzieningen de ruimtebehoefte vastgesteld
                            overeenkomstig bijlage III, deel C. Deze voorzieningen omvatten zowel de
                            schoolgebouwen als de lokalen bewegingsonderwijs.</al></li><li nr="3."><al>Nadat de onderverdeling naar hoofdprioriteiten heeft plaatsgevonden moet
                            worden vastgesteld welke voorzieningen in aanmerking komen om op het
                            programma te worden geplaatst. Dit vindt plaats op basis van het
                            vaststellen van de sub-prioriteit. Bij hoofdprioriteit 1 worden de
                            volgende uitgangspunten gehanteerd om vast te stellen welke
                            voorzieningen voor het plaatsen op het programma in aanmerking
                            komen:</al><lijst><li nr="a."><al>als eerste die voorziening die relatief gezien een zo groot
                                    mogelijk kwantitatief tekort opheft in een situatie met
                                    herschikking van schoolgebouwen;</al></li><li nr="b."><al>vervolgens die voorziening die relatief gezien een zo groot
                                    mogelijk kwantitatief tekort opheft in een situatie zonder
                                    herschikking van schoolgebouwen, en</al></li><li nr="c."><al>vervolgens die voorziening die relatief gezien een zo groot
                                    mogelijk kwantitatief tekort aan lokalen bewegingsonderwijs en
                                    sportterreinen opheft.</al></li></lijst></li></lijst></bijlage><nota-toelichting><kop><label>Toelichting</label></kop><tussenkop>Artikelsgewijze toelichting</tussenkop><al/><tussenkop>Artikel 1. Begripsbepalingen</tussenkop><al>De begripsomschrijving ‘bevoegd gezag’ en ‘aanvrager’ omvatten alle bevoegde
                    gezagsorganen die een volgens de wet bekostigde voorziening onderwijshuisvesting
                    in stand houden die geheel of gedeeltelijk staat op het grondgebied van de
                    gemeente (hoofdvestiging, nevenvestiging, tijdelijke nevenvestiging,
                    dislocatie). Toegevoegd ten opzichte van de Modelverordening van de VNG zijn de
                    begrippen ‘bouwheerovereenkomst’ en ‘renovatie’.</al><al/><tussenkop>Artikel 2. Omschrijvingvoorzieningen in de huisvesting</tussenkop><al>Artikel 2 vermeldt de voorzieningen onderwijshuisvesting die op grond van de Wet
                    op het primair onderwijs (WPO)[<cursief>, </cursief><cursief>Wet op de
                        expertisecentra (</cursief><cursief>WEC) en </cursief><cursief>Wet op het
                        voortgezet onderwijs</cursief><cursief> (WVO)</cursief>] door het bevoegd
                    gezag bij het college kunnen worden aangevraagd. Deze hebben een limitatief
                    karakter. Dit betekent dat het college deze niet kan inperken. Niet alleen voor
                    de schoolgebouwen, maar ook voor de lokalen bewegingsonderwijs kan een
                    voorziening huisvesting onderwijs worden aangevraagd. Voorzieningen die een
                    bevoegd gezag wenst, maar die niet in de onderwijswetten zijn opgenomen, dus
                    geen voorziening in de onderwijshuisvesting zijn, vallen buiten het bereik van
                    deze verordening. Dit gaat om voorzieningen waarvoor het bevoegd gezag een
                    vergoeding van de minister van OCW ontvangt via de rijksvergoeding materiële
                    instandhouding (bijv. onderhoud, aanpassingen, vervangen cv-ketel, meubilair).
                    Het college wijst een dergelijk aangevraagde voorziening af op grond van artikel
                    100, eerste lid, onder a, van de WPO[<cursief>, artikel 98, onder a, van de WEC,
                        artikel 76k, onder a, van de WVO</cursief>].</al><al/><al>In het kader van lokaal maatwerk heeft het college de vrijheid om aanvullende
                    voorzieningen te bekostigen. Daarbij geldt dat de gemeenten geen uitgaven mogen
                    doen voor een niet door de gemeente in stand gehouden school dan op grond van de
                    wet (artikel 6 van de WPO [<cursief>en WEC en artikel 77 van de WVO</cursief>]).
                    Voor het bekostigen van de voorzieningen die geen onderdeel uitmaken van de
                    voorzieningen onderwijshuisvesting moet zodoende een andere juridische basis
                    worden vastgesteld. </al><al><cursief>Onderdeel a. De voor blijvend of voor tijdelijk gebruik bestemde
                        voorzieningen</cursief></al><al>1° Het begrip nieuwbouw omvat tevens het begrip vervangende nieuwbouw.</al><al>2° Uitbreiding is het gevolg van een toename van het aantal leerlingen op de
                    school. Het bevoegd gezag komt voor het bekostigen van uitbreiding in aanmerking
                    als wordt voldaan aan de in bijlage I opgenomen criteria (noodzaak van de
                    voorziening) en de gevraagde uitbreiding gelijk of groter is dan de in bijlage
                    III, deel C, opgenomen drempelwaarde.</al><al>3° Ingebruikgeving kan plaatsvinden als een aanvraag voor het bekostigen van de
                    voorziening (vervangende) nieuwbouw of uitbreiding is ontvangen en het college
                    een bestaand gebouw of een gedeelte daarvan beschikbaar heeft. Het kan gaan om
                    een onderwijsgebouw dat geheel leeg staat en nog een onderwijsbestemming heeft,
                    maar ook om een niet-onderwijsgebouw. Bij ingebruikgeving van een
                    onderwijsgebouw of een niet-onderwijsgebouw moet het gebouw geschikt zijn of
                    geschikt gemaakt worden voor het onderwijs van de betreffende school. Een
                    schoolgebouw van een school voor basisonderwijs is bijv. niet automatisch
                    geschikt voor het huisvesten van een speciale school voor basisonderwijs. Het in
                    gebruik geven van een gebouw moet worden onderscheiden van medegebruik, zie
                    8°.</al><al>4° Verplaatsing is alleen mogelijk van die lokalen die gelet op de bouwaard van
                    het gebouw verplaatst kunnen worden. Dit betreft over het algemeen tijdelijke
                    huisvesting die in semipermanente gebouwen is gerealiseerd.</al><al>5° Terrein is noodzakelijk voor het realiseren van nieuwbouw en kan noodzakelijk
                    zijn bij vervangende nieuwbouw en uitbreiding. Of bij vervangende nieuwbouw en
                    uitbreiding terrein noodzakelijk is, is afhankelijk van de situering van de
                    voorgenomen investering en de oppervlakte van het terrein.</al><al>6°/7° Onderwijsleerpakket en meubilair [<cursief>resp. leer- en
                        hulpmiddelen</cursief>] wordt in principe alleen toegekend op het moment dat
                    ook nieuwbouw (eerste voorziening) en uitbreiding van een schoolgebouw of lokaal
                    bewegingsonderwijs wordt toegekend. Een uitzondering is de situatie dat het
                    college een school heeft gehuisvest in een schoolgebouw dat een grotere
                    capaciteit heeft dan de ruimtebehoefte en de toekenning van de eerste inrichting
                    is gebaseerd op het werkelijk aantal leerlingen vanaf de start van de school. In
                    die situatie heeft het bevoegd gezag nog aanspraak op bekostiging van eerste
                    inrichting bij toename van het aantal leerlingen als wordt voldaan aan de
                    drempelwaarde genoemd in bijlage III, deel C. Bij vervangende nieuwbouw wordt
                    geen eerste inrichting toegekend omdat het bevoegd gezag in het verleden al
                    bekostiging voor de eerste inrichting heeft ontvangen. Zie verder de toelichting
                    in bijlage III, deel C.</al><al>8° Medegebruik is het gebruik van ruimte in een schoolgebouw of lokaal
                    bewegingsonderwijs die het bevoegd gezag, dat juridisch eigenaar is, niet nodig
                    heeft voor het huisvesten van het aantal leerlingen dat op de school staat
                    ingeschreven. Er is dan sprake van ‘leegstand’. Medegebruik is uitsluitend
                    mogelijk als de leegstand hoger is dan de in bijlage III, deel C, opgenomen
                    drempelwaarde resp. het lokaal bewegingsonderwijs niet volledig is
                    ingeroosterd.</al><al/><al><cursief>Onderdeel b. Herstel van constructiefouten</cursief></al><al>Voor de omschrijving van het begrip ‘constructiefouten’ is aangesloten bij een
                    ‘definitie’ die in het verleden door middel van jurisprudentie tot stand is
                    gekomen. Als een constructiefout de voortgang van het onderwijs belemmert kan
                    voor het herstel van de constructiefout de spoedprocedure (artikel 19 e.v.)
                    worden gevolgd. Is er geen sprake van een bedreiging voor de voortgang van het
                    onderwijs, dan kan het herstel worden aangevraagd op grond van de reguliere
                    procedure. Dit betekent dat een constructiefout dan wordt opgenomen op het
                    programma of overzicht, afhankelijk van het feit of deze voorziening past binnen
                    het door het college vastgestelde bekostigingsplafond.</al><al/><al><cursief>Onderdeel c. Herstel in verband met schade</cursief></al><al>In de onderwijswetten is als voorziening huisvesting onderwijs het begrip
                    ‘bijzondere omstandigheden’ opgenomen. Dit begrip is in de verordening niet
                    verder uitgewerkt, omdat ‘bijzondere’ omstandigheden zich niet uitputtend laten
                    beschrijven. Voor het bekostigen van ‘herstel en vervanging in verband met
                    schade aan een gebouw’ geldt de aanvraagprocedure van het programma, of de
                    aanvraagprocedure in het kader van spoedeisendheid (de voortgang van het
                    onderwijs wordt belemmerd door bijv. schade door inbraak of brand). Het college
                    kan zich voor deze zaken verzekeren. Heeft het college geen verzekering
                    afgesloten, dan is sprake van ‘eigen risico’ voor het college. </al><al/><al>[<cursief>Onderdeel d. Huur van een sportterrein</cursief></al><al><cursief>Deze voorziening is noodzakelijk als in de gemeente een school voor
                        voortgezet onderwijs is gevestigd. </cursief><cursief>Onder de voorwaarden
                        genoemd in bijlage I, deel B, onder B.4 en bijlage IV, onder F kan een
                        schoolbestuur in het voortgezet onderwijs aanspraak maken op een vergoeding
                        voor het huren van een sportterrein voor buitensportactiviteiten.</cursief><cursief>Voorwaarde is dat het schoolbestuur niet beschikt over een eigen
                        sportterrein en geen gebruik kan maken van een met gemeentelijke middelen
                        gerealiseerd sportterrein.</cursief>]</al><al/><tussenkop>Artikel 3. Voorbereidingskrediet</tussenkop><al><cursief>Dit artikel is niet opgenomen in de verordening omdat binnen deze
                        organisatie gebruik is dat onder meer het voorbereidingskrediet via de
                        bouwheerovereenkomst tussen gemeente en schoolbestuur wordt geregeld. Voor
                        goed begrip is de toelichting onder artikel 3 gehandhaafd. </cursief></al><al/><al><cursief>Het voorbereidingskrediet kan worden aangevraagd voor zowel de situatie
                        dat de investering wordt bekostigd op basis van de normbedragen als op basis
                        van de feitelijke kosten. Doelstelling van het voorbereidingskrediet is dat
                        het bevoegd gezag vroegtijdig kan starten met de voorbereiding van een
                        bouwplan. Uitgangspunt van het voorbereidingskrediet is dat er een
                        principebesluit ligt dat de voorziening, waarvoor het voorbereidingskrediet
                        wordt aangevraagd, na het indienen van de aanvraag voor het bekostigen van
                        de voorziening op het eerstvolgende programma wordt opgenomen. Het
                        voorbereidingskrediet stelt het bevoegd gezag in de gelegenheid om een voor
                        aanbesteding gereed bouwplan te ontwikkelen resp. een aanbesteding te laten
                        plaatsvinden. Uitsluitend als de investering wordt bekostigd op basis van de
                        feitelijke kosten wordt de op basis van het bouwplan opgestelde kostenraming
                        resp. de uitkomst van de aanbesteding opgenomen op het programma. Heeft
                        voorafgaande aan het vaststellen van het programma nog geen aanbesteding
                        plaatsgevonden, dan kan de aanbesteding of het vragen van offertes
                        plaatsvinden nadat het programma is vastgesteld. Door te werken met een
                        voorbereidingskrediet kan het realiseren van een bouwplan worden bespoedigd.
                        Het beschikbaar gestelde voorbereidingskrediet maakt onderdeel uit van het
                        totale investeringsbedrag en wordt in mindering gebracht op het totaal
                        vastgestelde investeringskrediet.</cursief></al><al/><tussenkop>Artikel 4. Vaststellen vergoeding voorzieningen</tussenkop><al>Dit artikel bepaalt op welke wijze de voorzieningen huisvesting onderwijs worden
                    bekostigd. Dit kan op basis van normbedragen (normatieve kosten) of op basis van
                    feitelijke kosten. De normbedragen voor de diverse voorzieningen die op basis
                    daarvan worden bekostigd zijn opgenomen in bijlage IV, deel B.</al><al/><al>Wordt het normbedrag beschikbaar gesteld, dan heeft het bevoegd gezag aanspraak
                    op het beschikbaar stellen van het volledige normbedrag, onafhankelijk van de
                    werkelijke kosten. Dit betekent dat als de werkelijke kosten hoger of lager zijn
                    dan het normbedrag (= uitkomst aanbesteding) in de ene situatie het
                    schoolbestuur een financieel voordeel heeft en in de andere situatie een
                    financieel nadeel. Bij een financieel voordeel moet het schoolbestuur de
                    beschikbare middelen wel inzetten voor het doel waarvoor het is verstrekt:
                    investeren in de voorziening huisvesting onderwijs</al><al/><al>Het bedrag van de bekostiging, gebaseerd op de feitelijke kosten, wordt
                    vastgesteld op basis van ontvangen offertes (de zgn. offertelijn, zie ook
                    artikel 13, eerste lid). Het 3<sup>e</sup> lid van dit artikel is toegevoegd en
                    bevat de bouwbeheerovereenkomst, waarin onder meer het bouwvoorbereidingskrediet
                    in wordt geregeld</al><al/><tussenkop>Artikel 5. Informatieverstrekking</tussenkop><al>Dit artikel verplicht het bevoegd gezag aan het college alle informatie te
                    verstrekken die noodzakelijk is om de verordening voorzieningen huisvesting
                    onderwijs op een verantwoorde wijze te kunnen uitvoeren (zie artikel 112 van de
                        WPO[<cursief>, artikel 110 van de WEC en artikel 76w van de WVO</cursief>]).
                    Deze informatie staat los van de informatie die wordt gevraagd als onderdeel van
                    een aanvraag voor het bekostigen van een voorziening. Het betreft de actuele
                    gegevens, zoals:</al><lijst><li nr="-"><al> gegevens van het bevoegd gezag (o.a. naam en adres voorzitter en
                            secretaris en bankrekeningnummer);</al></li><li nr="-"><al> gegevens van de school (o.a. naam school, naam directeur, adres school,
                            telefoonnummer);</al></li><li nr="-"><al>bruto vloeroppervlakte schoolgebouw;</al></li><li nr="-"><al> naam contactpersoon;</al></li><li nr="-"><al> medegebruik/verhuur.</al></li></lijst><al>Om deze informatie op een eenduidige wijze te ontvangen stelt het college een
                    formulier vast. Dit formulier wordt aan de bevoegde gezagsorganen toegezonden.
                    Het college kan in dit formulier opnemen de gegevens die al bij het college
                    bekend zijn. Het bevoegd gezag kan zich dan beperken tot het vermelden van de
                    wijzigingen. Beschikt het college over digitale informatievoorziening, dan kan
                    van deze digitale informatievoorziening gebruik worden gemaakt.</al><al/><tussenkop>Artikel 6. Indienen aanvraag</tussenkop><al>Artikel 6 bepaalt dat een aanvraag voor het programma wordt ingediend door
                    middel van een door het college vastgesteld aanvraagformulier. Door te werken
                    met een standaardformulier worden de gegevens die noodzakelijk zijn voor het
                    beoordelen van de aanvraag (zie ook artikel 7) op een eenduidige wijze
                    ontvangen. Dit vergroot de onderlinge vergelijkbaarheid van aanvragen. Voor het
                    overzicht wordt geen aanvraag ingediend. De reden is dat op het overzicht worden
                    opgenomen de aanvragen die zijn ingediend voor het programma, maar niet worden
                    gehonoreerd (zie artikel 96 van de WPO[<cursief>, 94 van de WEC en 76c van de
                        WVO</cursief>] en toelichting bij artikel 13). </al><al/><al>Ook in de situatie dat de gemeenteraad in overleg met de bevoegde gezagsorganen
                    een meerjarig huisvestingsbeleid (Integraal Huisvestingsplan, (IHP)) heeft
                    vastgesteld (het zgn. ‘consensusmodel’) moet een aanvraag wordt ingediend. De
                    reden is dat een IHP geen juridische status heeft.</al><al/><al>Is het college of een bestuurscommissie ex artikel 82 van de Gemeentewet bevoegd
                    gezag van een openbare school (= integraal bestuur) dan gelden dezelfde
                    procedures en termijnen als voor een bestuur van een bijzondere school. In de
                    bestuurspraktijk is het geen unieke situatie dat een college bij het eigen
                    orgaan een verzoek indient (voor het realiseren van een gemeentelijk project -
                    bijv. stadhuis - moet het college bij zichzelf een verzoek om een bouwvergunning
                    indienen). Dit betekent dat het college altijd moet kunnen aantonen dat men de
                    ‘eigen’ aanvragen ook daadwerkelijk in alle opzichten gelijk behandelt ten
                    opzichte van de andere aanvragen. </al><al/><tussenkop>Artikel 7. <vet>Inhoud aanvraag; gelegenheid tot aanvullen aanvraag; niet
                        behandelen onvolledige aanvraag</vet></tussenkop><al><cursief>Lid 1</cursief></al><al>Dit lid bepaalt welke gegevens het bevoegd gezag moet aanleveren wil het college
                    de aanvraag in behandeling kunnen nemen. Naast de gegevens van bevoegd gezag en
                    school moet de aanvraag voor de onderbouwing van de benoemde voorzieningen
                    huisvesting onderwijs worden onderbouwd met een leerlingenprognose en/of een
                    bouwkundige rapportage. Uitgangspunt is dat het bevoegd gezag bij de aanvraag
                    een leerlingenprognose indient.[<cursief>Het college en het
                        bevoegd gezag kunnen overeenkomen dat het college een leerlingenprognose
                        opstelt voor alle basisscholen en dat deze leerlingenprognose dan bepalend
                        is als onderbouwing van de aanvraag. Een bevoegd gezag van een school voor
                        basisonderwijs kan dan afzien van het laten opstellen van een
                        leerlingenprognose.</cursief>]</al><al/><al><cursief>Lid 2</cursief></al><al>Het tweede lid bepaalt dat het college het bevoegd gezag in staat moet stellen,
                    als de ontvangen aanvraag niet volledig is, deze ontbrekende gegevens binnen de
                    in dit lid gestelde termijn aan te vullen. Is de ontvangen aanvraag ook op de
                    hersteldatum niet volledig dan besluit het college de aanvraag niet in
                    behandeling te nemen. Dit besluit is een voor bezwaar en beroep vatbare
                    beslissing.</al><al/><al><cursief>Lid 3</cursief></al><al>Voor het vaststellen van de noodzaak van o.a. de voorzieningen (vervangende)
                    nieuwbouw en uitbreiding is het aantal leerlingen dat op de school staat
                    ingeschreven van wezenlijk belang. Schoolbesturen zijn verplicht deze gegevens
                    aan te leveren via de Basisregistratie Onderwijs (BRON). Omdat de ingediende
                    aanvraag is gebaseerd op het aantal leerlingen dat op de school staat
                    ingeschreven op 1 oktober van het jaar dat voorafgaat aan het indienen van de
                    aanvraag (bijv. bij de aanvraag voor programma 2016 is opgenomen het aantal
                    leerlingen op de teldatum 1 oktober 2014), moet het college tijdig beschikken
                    over het werkelijk aantal ingeschreven leerlingen op de wettelijke teldatum van
                    1 oktober, voorafgaande aan het jaar waarvoor het programma wordt vastgesteld.
                    Met de gegevens van de laatste teldatum kan worden vastgesteld of de eerder
                    aangevraagde voorziening, die mogelijk wordt toegekend omdat aan de in bijlage I
                    tot en met III gestelde criteria is voldaan, op basis van de laatste gegevens
                    ook daadwerkelijk noodzakelijk is. De in het derde lid opgenomen termijn is een
                    fatale termijn. Dit betekent dat als de gevraagde gegevens niet tijdig zijn
                    ontvangen het college besluit om de aanvraag niet te behandelen. Dit besluit is
                    een voor bezwaar en beroep vatbare beslissing.</al><al/><tussenkop>Artikel 8. Opgave ingediende aanvragen</tussenkop><al>Dit artikel verplicht het college om alle bevoegde gezagsorganen een overzicht
                    beschikbaar te stellen van alle ingediende aanvragen. Met dit overzicht hebben
                    alle bevoegde gezagsorganen inzicht in wat er aan aanvragen, zowel vanuit het
                    bijzonder als het openbaar onderwijs is ontvangen en of deze aanvragen al of
                    niet in behandeling worden genomen. Dit betreft algemene informatie en gaat
                    vooraf aan het beoordelen van de aanvragen.</al><al/><tussenkop>Artikel 9. Toelichting aanvraag; overleg over ingediende
                    begroting</tussenkop><al><cursief>Lid 1</cursief></al><al>De mogelijkheid om een nadere toelichting/verduidelijking te vragen of te geven
                    is bedoeld om mogelijke onduidelijkheden over de op zich complete aanvragen te
                    bespreken voordat het programma wordt voorgelegd aan het bestuurlijk overleg
                    (artikel 10). Door een nadere toelichting wordt voorkomen dat het bestuurlijk
                    overleg onnodig belast wordt door allerlei vragen over onduidelijkheden in de
                    aanvragen.</al><al/><al><cursief>Lid 2</cursief></al><al>Voor een voorziening waarvan de vergoeding wordt gebaseerd op de feitelijke
                    kosten wordt bij de aanvraag een kostenraming ingediend. Is het college na het
                    beoordelen van de ontvangen kostenraming van oordeel dat de kostenraming op een
                    of meer onderdelen moet worden bijgesteld dan vindt hierover overleg plaats met
                    het bevoegd gezag. Als in het overleg geen overeenstemming wordt bereikt over de
                    kostenraming bepaalt het college de hoogte van de geraamde kosten die in het
                    kader van het vast te stellen programma worden toegekend. Het college moet in de
                    beschikking wel motiveren waarom op het programma is afgeweken van het bedrag
                    dat door het bevoegd gezag bij de aanvraag is overlegd.</al><al/><al>Ten aanzien van de kwaliteit is in het overleg met de schoolbesturen
                    overeengekomen dat voordat de gemeenteraad een krediet beschikbaar stelt er een
                    onafhankelijke door een gerenommeerd bouwkostenbureau met ervaring in
                    scholenbouw de stichtingskosten per m2 brutovloeroppervlakte wordt getoetst. </al><al/><tussenkop>Artikel 10. Overleg programma en overzicht; advies
                    Onderwijsraad</tussenkop><al><cursief>Lid 1-4</cursief></al><al>Het college is verplicht, voordat het programma en overzicht wordt vastgesteld,
                    overleg te voeren met het onderwijsveld over het voorgenomen besluit. In
                    afwijking van het wettelijke verplichte overleg over het vaststellen of wijzigen
                    van de verordening voorzieningen huisvesting onderwijs (artikel 102 van de
                        WPO[,<cursief>artikel 100 van de WEC en artikel 76m van de WVO</cursief>])
                    is dit overleg geen ‘op overeenstemming gericht overleg’. Uitgangspunt is dat
                    het bedoelde overleg plaatsvindt met alle bevoegde gezagsorganen. In plaats van
                    een overleg met alle bevoegde gezagsorganen kan het college besluiten het
                    overleg in te richten per onderwijssector (primair, (voortgezet) speciaal en
                    voortgezet onderwijs). Het overleg over de voorzieningen huisvesting onderwijs
                    kan ook ingebed worden in een breder gestructureerd overleg in het kader van het
                    lokaal onderwijsbeleid, de zgn. lokaal educatieve agenda. Het staat de aanvrager
                    die niet aan het overleg deelneemt vrij om zijn standpunten schriftelijk kenbaar
                    te maken. Degenen die wel aan het overleg deelnemen, moeten voorafgaande aan het
                    overleg op de hoogte zijn van de schriftelijke ingebrachte standpunten, zodat ze
                    daar in het overleg eventueel op kunnen reageren.</al><al/><al><cursief>Lid 5-8</cursief></al><al>De leden 5-8 zijn gebaseerd op artikel 102, zesde lid, van de WPO[<cursief>,
                        artikel 100, zesde lid, van de WEC en artikel 76m van de WVO</cursief>].
                    Zowel een bevoegd gezag als het college kan de Onderwijsraad advies vragen over
                    het voornemen tot het vaststellen van het programma voorzieningen huisvesting
                    onderwijs. De leden 5 t/m 8 vermelden de procedure die moet worden gevolgd voor
                    het vragen van dit advies. De adviesaanvraag moet betrekking hebben op de
                    relatie tussen het voorgenomen besluit tot het vaststellen van het programma
                    voorzieningen huisvesting onderwijs en de aspecten van vrijheid van richting en
                    vrijheid van inrichting. Het college is in alle gevallen verplicht het verzoek
                    om advies in te dienen bij de Onderwijsraad en dit verzoek goed te documenteren.
                    Daarnaast moet het verzoek vergezeld gaan van alle stukken die relevant (kunnen)
                    zijn voor de adviseur (artikel 3:9 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)). De
                    Onderwijsraad stelt zich namelijk op het standpunt dat de adviestermijn van vier
                    weken start vanaf het moment dat de Onderwijsraad beschikt over de stukken die
                    hij relevant acht voor de advisering. Als de Onderwijsraad om advies wordt
                    gevraagd is het van belang dat het college goed in de gaten houdt dat hierdoor
                    de besluitvorming geen ernstige vertraging oploopt.</al><al/><al>De Onderwijsraad brengt binnen vier weken, nadat de Onderwijsraad alle
                    noodzakelijke informatie heeft ontvangen, zijn advies uit. Het college zendt het
                    advies van de Onderwijsraad daarna zo spoedig mogelijk aan de bevoegde
                    gezagsorganen. Afhankelijk van het ontvangen advies wordt een nieuw bestuurlijk
                    overleg vastgesteld. Op de wijze waarop de Onderwijsraad adviseert is van
                    toepassing wat in algemene zin over het verstrekken van adviezen is geregeld in
                    de Awb. In dit verband is vooral het bepaalde in artikel 3:6, tweede lid,
                    artikel 3:7 en artikel 3:50 van belang. Zo kan op grond van artikel 3:6, tweede
                    lid, het college het programma voorzieningen huisvesting onderwijs vaststellen
                    als de Onderwijsraad het advies niet binnen vier weken nadat de adviesaanvraag
                    volledig is, uitbrengt. Op grond van artikel 3:7 is het college gehouden, al dan
                    niet op verzoek, de gegevens beschikbaar te stellen die de Onderwijsraad nodig
                    heeft voor het uitbrengen van advies. Wanneer het college afwijkt van het advies
                    van de Onderwijsraad worden op grond van artikel 3:50 van de Awb de redenen
                    daarvan vermeld in de motivering. Het vijfde lid bepaalt dat alle deelnemers aan
                    het overleg in de gelegenheid worden gesteld hun zienswijze te geven over de
                    inhoud van een (voorgenomen) verzoek om advies aan de Onderwijsraad. Dit omdat
                    iedereen erbij gebaat is dat duidelijkheid bestaat over de beweegredenen bij
                    een, meer of alle partijen om zich tot de Onderwijsraad te wenden. Dit laat
                    uiteraard onverlet het recht van een individueel schoolbestuur of van het
                    college om de Onderwijsraad in te schakelen als de andere overlegpartners
                    daaraan geen behoefte hebben. De zienswijzen van de schoolbesturen moeten
                    schriftelijk worden vastgelegd omdat de Onderwijsraad bij het vormen van zijn
                    oordeel over een verzoek om advies ook afwijkende meningen zal willen
                    betrekken.</al><al/><al>Van een eventueel overleg, nadat het advies van de Onderwijsraad wordt
                    ontvangen, wordt een afzonderlijk verslag gemaakt dat wordt toegevoegd aan de
                    stukken die moeten leiden tot een besluit van het college.</al><al/><tussenkop>Artikel 11. Tijdstip vaststellen bekostigingsplafond, programma en
                    overzicht</tussenkop><al><cursief>Lid 1</cursief></al><al>Het college is verplicht het bekostigingsplafond dat beschikbaar is voor het
                    honoreren van de aangevraagde voorzieningen vast te stellen. Het vaststellen van
                    het bekostigingsplafond is een afzonderlijk collegebesluit, maar kan in dezelfde
                    vergadering worden genomen als het besluit tot het vaststellen van het programma
                    en overzicht(LJN BG8296, Raad van State, 200803033/1). Het bekostigingsplafond
                    staat los van het totaal van het investeringsbedrag van de aangevraagde
                    voorzieningen. Het bekostigingsplafond is uitsluitend bepalend voor de vraag of
                    alle aangevraagde voorzieningen huisvesting onderwijs ook kunnen worden
                    gehonoreerd. Het college kan een bekostigingsplafond per onderwijssector of per
                    voorziening vaststellen. Achtergrond van deze mogelijkheid is te voorkomen dat
                    één onderwijssector of één bepaalde voorziening structureel voor bekostiging in
                    aanmerking komt, waardoor andere gewenste investeringen niet kunnen worden
                    gehonoreerd. Het onderverdelen van het beschikbare investeringsbedrag voor een
                    specifieke categorie van voorzieningen is een instrument om bepaalde accenten te
                    leggen in de uitvoering van de zorgplicht. Deze onderverdeling kan uitsluitend
                    plaatsvinden op basis van een door de gemeenteraad vastgesteld
                    meerjareninvesteringsplan. </al><al/><al><cursief>Lid 2</cursief></al><al>Uitgangspunt van de verordening is dat het programma en, als dit noodzakelijk
                    is, het overzicht worden vastgesteld voor 31 december van het lopende
                    kalenderjaar. De datum van 31 december is geen fatale termijn. Wordt het
                    programma en overzicht niet voor 31 december vastgesteld dan betekent dit niet
                    dat alle aangevraagde voorzieningen automatisch voor bekostiging in aanmerking
                    komen. Op grond van Artikel 6:2 van de Awb heeft het bevoegd gezag, omdat het
                    college niet tijdig een besluit heeft genomen, de mogelijkheid om in deze
                    situatie de procedure van bezwaar en beroep te volgen. De overschrijding van de
                    termijn heeft dus geen (financiële) gevolgen voor het college.</al><al/><tussenkop>Artikel 12. Bekendmaken besluiten vaststellen bekostigingsplafond,
                    programma en overzicht</tussenkop><al>Artikel 95 van de WPO [<cursief>, 93 van de WEC en 76f van de WVO</cursief>]
                    vermelden de criteria die het college moet hanteren bij het vaststellen van het
                    programma voorziening huisvesting onderwijs. Het uitgangspunt voor het overzicht
                    voorziening huisvesting onderwijs is opgenomen in artikel 96 van de WPO
                        [<cursief>, 94 van de WEC en 76g van de WVO</cursief>]. In dit artikel wordt
                    bepaald op welke wijze het besluit tot het vaststellen van het programma en
                    overzicht aan de bevoegde gezagsorganen wordt bekendgemaakt.</al><al/><al><cursief>Lid 1</cursief></al><al>Het programma en overzicht zijn een bundel beschikkingen. De aanvragers
                    ontvangen deze beschikkingen binnen een termijn van <vet> 2 weken</vet> nadat
                    het programma en overzicht zijn vastgesteld. Voor deze termijn is gekozen omdat
                    de onderwijswetten bepalen (zie toelichting artikel 13, eerste lid) dat binnen
                    vier weken nadat het programma is vastgesteld overleg over de uitvoering van de
                    voorziening moet plaatsvinden met het college. Op grond van artikel 3:43 van de
                    Awb moet het college het besluit meedelen aan degenen die bij de voorbereiding
                    van het besluit hun zienswijze naar voren hebben gebracht. Omdat het programma
                    en overzicht onderdeel uitmaken van het bestuurlijk overleg dat vooraf gaat aan
                    het vaststellen van het programma is in de modelverordening opgenomen dat het
                    besluit aan alle schoolbesturen wordt verzonden. </al><al/><al><cursief>Lid 2</cursief></al><al>De onderwijswetten bepalen alleen iets over het ter inzage leggen van het
                    overzicht. Vanwege de samenhang tussen bekostigingsplafond, programma en
                    overzicht is in de verordening opgenomen dat zowel het programma als overzicht
                    ter inzage wordt gelegd.</al><al/><tussenkop>Artikel 13. Overleg wijze van uitvoering</tussenkop><al>Dit artikel geeft een nadere invulling aan het wettelijk voorgeschreven overleg
                    over het maken van afspraken over de zaken die van belang zijn om te komen tot
                    het beschikbaar stellen van een investeringskrediet voor de voorziening die op
                    het programma is opgenomen. Door het maken van deze afspraken voorafgaande aan
                    de start van de uitvoering van het project worden onduidelijkheden en
                    misverstanden in het verdere uitvoeringstraject voorkomen.</al><al/><al>Een van de afspraken is dat de stichtingskosten voordat een krediet door de
                    gemeenteraad wordt beschikbaar gesteld er een onafhankelijke toetsing
                    plaatsvindt door een gerenommeerd bouwkostenbureau met ervaring in scholenbouw. </al><al/><al><cursief>Lid 1</cursief></al><al>In artikel 95, achtste lid, van de WPO[<cursief>, artikel 93, achtste lid , van
                        de WEC en artikel 76n van de WVO</cursief>] is opgenomen dat het college
                    binnen vier weken met het betrokken bevoegd gezag in overleg treedt over de
                    uitvoering van het programma. De in dit overleg gemaakte afspraken moeten in een
                    verslag worden vastgelegd. De passage ‘voor zover van toepassing’ betekent dat
                    niet alle onderwerpen die in dit lid zijn opgenomen betrekking hebben op alle
                    voorzieningen die op het programma zijn opgenomen (voor bijv. de voorziening
                    eerste inrichting is geen bouwplan noodzakelijk) en het college daarnaast van
                    mening is dat het indienen van het bouwplan en de desbetreffende begroting voor
                    een op het programma opgenomen voorziening achterwege kan blijven. De
                    onderwerpen die besproken moeten worden zijn o.a.:</al><lijst><li nr="-"><al>het bouwheerschap (onderdeel a), met als uitgangspunt dat het bevoegd
                            gezag optreedt als bouwheer, conform het bepaalde in artikel 103, eerste
                            lid , van de WPO[<cursief>, artikel 101, eerste lid , van de WEC en
                                artikel 76n, eerste lid, van de WVO</cursief>]). Het alternatief is
                            dat het college de voorziening tot stand brengt (artikel 103, tweede
                            lid, van de WPO[<cursief>, artikel 101, tweede lid, van de WEC en
                                artikel 76n, tweede lid, van de WVO</cursief>]). In het overleg moet
                            worden vastgesteld of van deze mogelijkheid gebruik wordt gemaakt.
                            Daarnaast kan besproken worden de mogelijkheid dat de bouw van een
                            multifunctionele accommodatie wordt gerealiseerd door een derde
                            partij;</al></li><li nr="-"><al>het bouwplan, dat moet worden getoetst aan de uitgangspunten zoals die
                            op het vastgestelde programma zijn opgenomen (bijv. aantal vierkante
                            meter bruto vloeroppervlakte);</al></li><li nr="-"><al>het feit dat het college in de periode die is verlopen tussen het moment
                            van het vaststellen van het programma en het aanvragen van de
                            goedkeuring van het bouwplan en de kostenraming kan toetsen of zich
                            nieuwe feiten en omstandigheden hebben voorgedaan of voordoen, waardoor
                            het eerder genomen besluit moet worden herzien. In het overleg wordt
                            vastgelegd of het college gebruik maakt van deze mogelijkheid, zodat het
                            college, na ontvangst tot goedkeuring van het bouwplan en de
                            kostenbegroting kan besluiten om de toegekende vergoeding te herzien;
                        </al></li><li nr="-"><al>de wijze waarop de controle en het afleggen van verantwoording over de
                            besteding van de middelen plaatsvindt. De wijze van verantwoording is
                            grotendeels afhankelijk van de omvang het project (zie ook toelichting
                            artikel 15);</al></li><li nr="-"><al>de afspraak over de wijze van aanbesteding. Voor toegekende
                            voorzieningen is de aanvrager verplicht een aanbestedingsprocedure te
                            volgen. Wordt de voorziening bekostigd op basis van de genormeerde
                            vergoeding dan is de uitkomst van de aanbesteding voor het college
                            feitelijk niet relevant, omdat het bevoegd gezag aanspraak maakt op het
                            normbedrag. Wordt de voorziening bekostigd op basis van de feitelijke
                            kosten dan is de uitkomst van de aanbesteding wel relevant voor het
                            bepalen voor de hoogte van het definitieve investeringsbedrag.
                            Uitgangspunt is dat voldaan wordt aan het bepaalde in de
                            Aanbestedingswet 2012 en in relevante Europese regelgeving(Enkele
                            relevante begrippen zijn werken, diensten en leveringen. Onder de
                            definitie ‘werken’ vallen bouwactiviteiten, zoals nieuwbouw, uitbreiding
                            en dergelijke. Bijlage 1 van richtlijn 2004/18/EG is hierbij beslissend.
                            Onder de definitie ‘diensten’ vallen de door opdrachtnemers uit te
                            voeren werkzaamheden als onderhoud en reparatie, vervoer, boekhouding en
                            dergelijke, waarbij een eventuele levering van fysieke producten van
                            bijkomende orde is ten opzichte van de omvang van de uit te voeren
                            werkzaamheden. Bijlage 2 van richtlijn 2004/18/EG is hierbij beslissend.
                            Onder de definitie ‘leveringen’ vallen de door leveranciers te leveren
                            prestaties bij de aankoop, leasing, huur of huurkoop, met of zonder
                            koopoptie, van fysieke producten, zoals meubilair of onderwijsleerpakket
                            en dergelijke. Het gaat daarbij per definitie om activiteiten of
                            werkzaamheden die niet zijn opgenomen in Bijlage 1 en/of Bijlage 2 van
                            richtlijn 2004/18/EG.). Daarnaast is van toepassing wat de gemeenteraad
                            heeft vastgesteld in het gemeentelijk aanbestedingsbeleid over het
                            opvragen van offertes als er geen Europese regelgeving van toepassing
                            is.</al></li></lijst><al>Onderstaand is een tabel opgenomen met een onderscheid naar datgene dat in het
                    gemeentelijke aanbestedingsbeleid is opgenomen voor het opvragen van offertes en
                    wat is opgenomen in de Europese richtlijnen. Bij aanbestedingen van opdrachten
                    onder het Europese drempelbedrag (In de richtlijn 2004/18/EG zijn
                    drempelbedragen opgenomen. Deze drempelbedragen worden eenmaal in de twee jaar
                    opnieuw vastgesteld door de Europese Commissie. Is de geraamde waarde van de
                    opdracht exclusief BTW gelijk aan of hoger dan het vastgestelde drempelbedrag )
                    kan het college op verzoek van het bevoegd gezag besluiten van het bepaalde in
                    de tabel af te wijken.</al><table><tgroup cols="5"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><colspec colname="colC"/><colspec colname="colD"/><colspec colname="colE"/><tbody><row><entry><al><vet>Type opdracht</vet></al></entry><entry><al><vet>Uitgangspunten aanbestedingsprocedure</vet><vet>(genoemde bedragen zijn exclusief BTW)</vet></al></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al>Nationaal</al></entry><entry><al>Europees</al></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al>Onderhandse procedures</al><al>(offerte-traject)</al></entry><entry><al>Openbare procedure of </al><al>niet-openbare procedure met voorafgaande selectie</al></entry><entry><al>Europees verplichte procedures</al></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al>Enkelvoudig</al></entry><entry><al>Meervoudig</al></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al>Werken</al></entry><entry><al>t/m € [<vet>…</vet>]</al></entry><entry><al>vanaf € [<vet>…</vet>] t/m € [<vet>…</vet>]</al></entry><entry><al>vanaf € [<vet>…</vet>] tot de Europese drempel</al></entry><entry><al>vanaf € 5.186.000,00</al></entry></row><row><entry><al>Leveringen</al></entry><entry><al>t/m € [<vet>…</vet>]</al></entry><entry><al>vanaf € [<vet>…</vet>] tot de Europese drempel</al></entry><entry><al/></entry><entry><al>vanaf € 207.000,00</al></entry></row><row><entry><al>A-diensten</al></entry><entry><al>t/m € [<vet>…</vet>]</al></entry><entry><al>vanaf € [<vet>…</vet>] tot de Europese drempel</al></entry><entry><al/></entry><entry><al>vanaf € 207.000,00</al></entry></row><row><entry><al>B-diensten</al></entry><entry><al>t/m € [<vet>…</vet>]</al></entry><entry><al>vanaf € [<vet>…</vet>] tot de Europese drempel</al></entry><entry><al/></entry><entry><al>alléén indien de opdracht grensoverschrijdend is</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>Als sprake is van huur moet de huurovereenkomst met daarin onder meer de
                    overeengekomen huurprijs vooraf aan het college ter goedkeuring worden
                    voorgelegd.</al><al/><al><cursief>Lid 2</cursief></al><al>Om te voorkomen dat in een later stadium misverstanden ontstaan over de
                    afspraken die gemaakt zijn over de uitvoering van de voorziening is bepaald dat
                    de afspraken schriftelijk worden vastgelegd en ter instemming aan de aanvrager
                    worden voorgelegd. Als de aanvrager zijn instemming schriftelijk heeft verleend,
                    dan is daarmee direct vastgelegd dat er overeenstemming bestaat over de wijze
                    van uitvoering van de voorziening. Stemt de aanvrager niet in met het verslag,
                    dan is nader overleg noodzakelijk met als doel alsnog overeenstemming te
                    bereiken. Blijken partijen het ook dan niet eens te kunnen worden over de
                    uitvoering van de voorziening dan wordt dit ook schriftelijk door beide partijen
                    vastgelegd. </al><al/><al><cursief>Lid 3</cursief></al><al>Het college kan in het gevoerde overleg meedelen dat het indienen van een
                    bouwplan en begroting achterwege kan blijven, of dat er geen nadere toetsing aan
                    wettelijke voorschriften of gewijzigde omstandigheden zal plaatsvinden. Over het
                    algemeen betreft het voorzieningen waarvoor in een eerder stadium al een offerte
                    is overgelegd en die weinig of geen voorbereidingstijd meer vergt. Heeft het
                    overleg tot overeenstemming geleid, dan ontvangt de aanvrager binnen vier weken
                    bericht over het moment waarop de bekostiging een aanvang neemt.</al><al/><al><cursief>Lid 4</cursief></al><al>Als blijkt dat in het overleg geen overeenstemming wordt bereikt over de wijze
                    van uitvoering van de voorziening en dit in het vastgestelde verslag is
                    opgenomen dan is het college de instantie die een definitief besluit neemt. Dit
                    besluit deelt het college mee aan het bevoegd gezag. In het besluit zijn
                    opgenomen de overwegingen om niet in te stemmen met de door de aanvrager
                    gewenste wijze van uitvoering van de voorziening. Deze mededeling is een besluit
                    in de zin van de Awb, waartegen dan ook voor aanvrager de mogelijkheid van
                    bezwaar en beroep openstaat.</al><al/><tussenkop>Artikel 14. <vet>Instemmen bouwplannen en begroting; tijdstip aanvang
                        bekostiging; toetsen wettelijke voorschriften en nieuwe feiten en
                        omstandigheden; overleggen offertes</vet></tussenkop><al>De aanvrager kan in principe niet eerder tot aanbesteding overgaan dan nadat het
                    college heeft ingestemd met het bouwplan. Uitsluitend als een dergelijk plan
                    naar het oordeel van college gezien de aard van de voorziening niet vereist is
                    kan de aanvrager voorafgaande aan het goedkeuren van het bouwplan de procedure
                    van aanbesteding volgen (zie ook artikel 13, derde lid). </al><al/><al>Nadat het college de uitkomst van de aanbesteding heeft ontvangen besluit het
                    college tot het vaststellen van het definitieve bedrag van de bekostiging. Basis
                    voor dit bedrag zijn de overgelegde offertes en de afspraken vastgelegd in de
                    bouwheerovereenkomst</al><al/><al><cursief>Lid 1</cursief></al><al>Dit artikel betreft de nadere uitwerking van artikel 103 van de WPO[<cursief>,
                        artikel 101 van de WEC en artikel 76n van de WVO</cursief>] en heeft een
                    relatie met artikel 13, eerste en tweede lid. Op basis van de daar gemaakte
                    afspraken wordt het bouwplan en de kostenbegroting ingediend. Het college
                    toetst, voordat het bouwplan wordt goedgekeurd, aan mogelijk nieuwe
                    ontwikkelingen en stelt het bedrag van de bekostiging vast.</al><lijst><li nr="-"><al>Het goedkeuren van het bouwplan zoals dat in dit artikel wordt bedoeld
                            staat los van de goedkeuring van het bouwplan op grond van de
                            bouwverordening, dus het verlenen van de omgevingsvergunning. Op grond
                            van dit artikel wordt het bouwplan getoetst aan de afgegeven beschikking
                            (toegekend investeringsbedrag bij feitelijke kosten en toegekende
                            bvo).</al></li><li nr="-"><al>De wijze waarop de begroting die is ontvangen wordt getoetst is
                            afhankelijk van de wijze waarop de voorziening wordt bekostigd. Maakt
                            het bevoegd gezag aanspraak op:</al><lijst><li nr="-"><al>de genormeerde vergoeding dan wordt de begroting marginaal
                                    getoetst, omdat het bevoegd gezag aanspraak maakt op het
                                    normbedrag en het college geen hoger bedrag dan het normbedrag
                                    beschikbaar stelt;</al></li><li nr="-"><al>de vergoeding op basis van de feitelijke kosten dan vindt een
                                    inhoudelijke toetsing van de begroting plaats om het definitieve
                                    bedrag van de vergoeding te kunnen vaststellen. De
                                    kostenbegroting die was ingediend bij de aanvraag voor het
                                    programma was namelijk een raming van de kosten. Deze begroting
                                    had toen als functie te komen tot het vaststellen van een bedrag
                                    als onderdeel voor het vaststellen van het programma. Gelet op
                                    het tijdsverloop tussen het ontvangen van de aanvraag en het
                                    besluit tot het vaststellen van het programma kan het
                                    definitieve bedrag van de bekostiging afwijken van de begroting
                                    die is ontvangen als onderdeel van de ingediende aanvraag voor
                                    het programma. Bij de uitvoering van een voorziening die volgens
                                    de offertelijn wordt gerealiseerd, nemen de offertes de rol over
                                    van de begroting. </al></li></lijst></li></lijst><al>Bij het indienen van de stukken vermeldt het bevoegd gezag tevens op welk moment
                    het bevoegd gezag de werkzaamheden wil starten en in relatie daarmee de
                    bekostiging. </al><al/><al><cursief>Lid 2</cursief></al><al>De in dit lid opgenomen termijnen zijn fatale termijnen. Als het college niet
                    binnen de gestelde termijnen beslist, wordt geacht de gevraagde goedkeuring te
                    zijn verleend en vindt de bekostiging plaats op de wijze en het tijdstip zoals
                    door de aanvrager is aangegeven. De aanvrager kan daarna de procedure voor het
                    aanvragen van de omgevingsvergunning starten. De fatale termijn is noodzakelijk
                    met het oog op een goede voortgang van de uitvoering van de voorziening en de
                    duidelijkheid richting aanvrager. Gelijktijdig met het goedkeuren van het
                    bouwplan en begroting stelt het college het tijdstip vast waarop de bekostiging
                    een aanvang neemt, conform het bepaalde in artikel 99, eerste lid van de
                        WPO[<cursief>, artikel 97, eerste lid, van de WEC en artikel 76j van de
                        WVO</cursief>].</al><al/><al><cursief>Lid 3 </cursief></al><al>Derde lid bepaalt dat voor het vaststellen van de vergoeding niet de laagste
                    prijs maar de economisch meest voordelige inschrijving bepalend is. Dit is
                    conform het uitgangspunt van de Aanbestedingswet 2012. Het college kan hiervan
                    gemotiveerd afwijken.</al><al/><tussenkop>Artikel 15. Aanvang bekostiging</tussenkop><al>Dit artikel is de uitwerking van artikel 102, vierde lid, van de WPO[<cursief>,
                        artikel 100, vierde lid, van de WEC en artikel 76m van de WVO</cursief>].
                    Het geeft het college de vrijheid om per voorziening te besluiten op welke wijze
                    het bedrag van de bekostiging beschikbaar wordt gesteld. Deze keuze is sterk
                    afhankelijk van de concrete omstandigheden (o.a. grootte van de opdracht, hoogte
                    van het investeringsbedrag). Uitgangspunt is dat de aanvrager tijdig aan zijn
                    financiële verplichtingen moet kunnen voldoen. [<cursief>Dit betekent
                        bijvoorbeeld dat wordt overeengekomen dat de:</cursief></al><lijst><li nr="-"><al><cursief>vergoeding eerste inrichting als normbedrag in één keer wordt
                                uitbetaald;</cursief></al></li><li nr="-"><al><cursief>vergoedingen voor bouwkundige werkzaamheden in termijnen worden
                                uitbetaald, waarbij wordt aangesloten bij de termijnbetalingen aan
                                de aannemer op basis van de door de aannemer ingediende termijnstaat
                                (automatische verwerking met valutadata in financiële
                                administratie), en</cursief></al></li><li nr="-"><al><cursief>vergoeding op declaratiebasis wordt betaald na ontvangst van de
                                nota’s van het bevoegd gezag.</cursief>]</al></li></lijst><al>De vergoeding wordt rechtstreeks beschikbaar gesteld aan de opdrachtgever,
                    tenzij in het overleg als bedoeld in artikel 13 wordt overeengekomen dat de
                    vergoeding door het college rechtstreeks aan de opdrachtnemer wordt verstrekt.
                    Op grond van de onderwijswetten bestaat er uitsluitend een relatie tussen
                    college en bevoegd gezag. Vanuit dit uitgangspunt is de formele lijn dat het
                    college het bedrag aan het bevoegd gezag betaalt en het bevoegd gezag het bedrag
                    aan de opdrachtnemer. Op deze wijze kan het bevoegd gezag ook verantwoording van
                    de ontvangen middelen afleggen. Gedacht kan worden aan een gespecificeerde
                    verantwoording met als bijlagen alle rekeningen die op het project betrekking
                    hebben, of een accountantsverklaring.</al><al/><tussenkop>Artikel 16. Vervallen aanspraak op bekostiging</tussenkop><al><cursief>Lid 1</cursief></al><al>De data van <vet>1 en 15 oktober)</vet>] zijn gekozen met het oog op het moment
                    dat de gemeentebegroting wordt vastgesteld. Vanuit financieel perspectief is het
                    noodzakelijk om te weten of een via het programma toegekende voorziening in het
                    jaar van toekenning ook daadwerkelijk in dat jaar wordt gerealiseerd, of dat de
                    realisatie in dat jaar door omstandigheden niet mogelijk is. Wordt vastgesteld
                    dat realisatie niet mogelijk is: </al><lijst><li nr="-"><al>in het toegekende programmajaar maar wel in een volgend begrotingsjaar,
                            dan blijft het beschikbaar gestelde krediet gehandhaafd, en</al></li><li nr="-"><al>ook niet in een van de volgende begrotingsjaren dan kan het beschikbaar
                            gestelde krediet worden ingetrokken; het gevolg van dit besluit is dat
                            de aangevraagde voorziening te zijner tijd opnieuw moet worden
                            aangevraagd.</al></li></lijst><al>De bepaling over het toezenden van onder meer de bouwopdracht is van belang voor
                    het college, omdat het college na de genoemde data actie in de richting van de
                    aanvrager kan ondernemen. De term ‘door de aanvrager’ betekent dat, als het
                    college optreedt als bouwheer en de termijn wordt overschreden, het recht op
                    bekostiging niet vervalt. De aanvrager heeft dan immers recht op een
                    voorziening.</al><al/><al><cursief>Lid 3</cursief></al><al>Het kan voorkomen dat het bevoegd gezag niet aan de gestelde termijnen kan
                    voldoen. De overschrijding van de termijn kan het gevolg zijn van diverse
                    omstandigheden die buiten de schuld van de aanvrager liggen. Bijvoorbeeld:</al><lijst><li nr="-"><al>planologische en stedenbouwkundige ontwikkelingen;</al></li><li nr="-"><al>procedures in het kader van de ruimtelijke ordening;</al></li><li nr="-"><al>vervuilde grond.</al></li></lijst><al>Het is dan aan de aanvrager om bij het college een verzoek in te dienen om de
                    gestelde termijnen te verlengen.</al><al/><al><cursief>Lid 4</cursief></al><al>De datum in dit lid heeft een relatie met de data in het eerste lid. Als het
                    verzoek van de aanvrager wordt afgewezen moet een zodanige datum worden gekozen
                    dat de aanvrager in de gelegenheid is om alsnog voor de in het eerste lid
                    genoemde datum een bouwopdracht et cetera te overleggen. Als het college dus
                    niet tijdig beslist is voor de aanvrager de in het eerste lid genoemde datum
                    niet haalbaar.</al><al/><tussenkop>Artikel 17-20. Aanvragen met spoedeisend karakter</tussenkop><al>Er kan zich een calamiteit voordoen waardoor de voortgang van het onderwijs
                    wordt belemmerd. Het bevoegd gezag kan dan op grond van deze artikelen een
                    aanvraag voor het bekostigen van een voorziening huisvesting onderwijs indienen.
                    Het moet duidelijk zijn dat het een calamiteit is die op korte termijn moet
                    worden opgelost en niet kan wachten op de reguliere aanvraagprocedure. Het
                    spoedeisende karakter moet dus duidelijk naar voren komen in de omschrijving van
                    aanvraag. Bij aanvragen met een spoedeisend karakter valt te denken aan:</al><lijst><li nr="-"><al>brand- en stormschade, waardoor het onderwijsproces (tijdelijk) in een
                            andere accommodatie moet plaatsvinden;</al></li><li nr="-"><al>herstel van schade als gevolg van constructiefouten (verwijderen
                            asbest), of</al></li><li nr="-"><al>overige schades (vandalisme, glasbreuk, inbraak).</al></li></lijst><al>De spoedprocedure kan niet worden gebruikt als een soort ‘ontsnappingsroute’
                    voor de reguliere procedure, zoals een situatie:</al><lijst><li nr="-"><al>dat een bevoegd gezag verzuimd heeft tijdig – op grond van artikel 6 van
                            de verordening – een aanvraag in te dienen voor het programma, of</al></li><li nr="-"><al>dat een aangevraagde voorziening niet op het programma is geplaatst
                            wegens het toepassen van de financiële weigeringsgrond omdat het
                            bekostigingsplafond niet toereikend is.</al></li></lijst><tussenkop>Artikel 17. Indienen aanvraag</tussenkop><al>Een aanvraag op basis van de spoedprocedure kan gedurende het hele jaar worden
                    ingediend, omdat het moment waarop de calamiteit zich voordoet niet bij voorbaat
                    bekend is. De calamiteit moet zo spoedig mogelijk (telefonisch) worden gemeld en
                    de noodzakelijke maatregelen moeten worden genomen. Na de melding moet de
                    aanvrager binnen de gestelde termijn de aanvraag indienen. </al><al/><tussenkop>Artikel 18. Inhoud aanvraag</tussenkop><al><cursief>Lid 1</cursief></al><al>Naast de gegevens die noodzakelijk zijn bij het indienen van een aanvraag op
                    grond van de reguliere procedure (artikel 7, eerste lid) is het bevoegd gezag
                    verplicht te motiveren waarom deze voorziening spoedeisend is. Uit de aanvraag
                    moet onomstotelijk blijken dat de aanvraag betrekking heeft op een calamiteit
                    die niet voorzienbaar was en dat het treffen van een voorziening geen uitstel
                    kan lijden, omdat anders het onderwijsproces geen doorgang meer kan vinden.</al><al/><al><cursief>Lid 2</cursief></al><al>Gelet op het spoedeisende karakter van de aanvraag zijn de termijnen voor het
                    aanleveren van aanvullende gegevens kort gehouden.</al><al/><tussenkop>Artikel 19. Tijdstip beslissing</tussenkop><al>Omdat de aanvraag een spoedeisend karakter heeft, wordt ook voor de
                    beslistermijn een korte periode aangehouden. </al><al/><tussenkop>Artikel 20. Uitvoeren beslissing</tussenkop><al>Voor het beoordelen en toekennen van de op grond van de spoedprocedure
                    aangevraagde voorziening gelden de criteria die zijn opgenomen in de bijlagen I
                    tot en met III van de verordening. Als extra toets geldt het element van de
                    spoedeisendheid: het treffen van de voorziening kan geen uitstel lijden in
                    verband met de voortgang van het onderwijs. In tegenstelling tot de reguliere
                    procedure kan het college bij de spoedprocedure geen financiële weigeringsgrond
                    hanteren. Dit blijkt uit de relatie tussen artikel 98, tweede lid, van de WPO en
                    artikel 100, eerste lid, van de WPO[, <cursief>artikel 96, tweede lid, van de
                        WEC en artikel 98, eerste lid, van de WEC en</cursief><cursief>artikel 76i, tweede lid, van de WVO en artikel 76k, eerste lid, van de
                        WVO</cursief>]<cursief>.</cursief></al><al/><al>Op de uitvoering van de beschikking zijn de artikelen 13 tot en met 16 van
                    toepassing.</al><al/><tussenkop>Artikelen 21-27. Medegebruiken verhuur</tussenkop><al>De artikelen 21-27 zijn een nadere uitwerking van artikel 102 van de
                        WPO[<cursief>, artikel 100 van de WEC en artikel 76m van de WVO</cursief>].
                    Op grond hiervan moet de gemeenteraad bij verordening een procedure vaststellen
                    voor het medegebruik en de verhuur. Bij medegebruik en verhuur gaat het
                    nadrukkelijk om delen van lesgebouwen die niet noodzakelijk zijn voor het
                    gebruik door de eigen school.</al><al/><al>De artikelen 21 t/m 26 worden door het college toegepast als het college een
                    aanvraag van een bevoegd gezag voor het bekostigen van een voorziening
                    huisvesting onderwijs heeft ontvangen. Het college kan besluiten dat de
                    aangevraagde voorziening huisvesting wordt afgewezen omdat door middel van
                    medegebruik in de noodzakelijke huisvestingsbehoefte kan worden voorzien.</al><al/><tussenkop>Artikel 21. Aanduiden omstandigheden</tussenkop><al><cursief>Onderdelen a en c</cursief></al><al>Deze bepalingen geven het college de mogelijkheid om leegstand te vorderen op
                    het moment dat het college op grond van artikel 6 of 19 een aanvraag voor het
                    bekostigen van een voorziening huisvesting onderwijs nieuwbouw, vervangende
                    nieuwbouw of uitbreiding voor een school heeft ontvangen. Het college moet twee
                    zaken vaststellen, te weten dat:</al><lijst><li nr="-"><al> de school die de aanvraag heeft ingediend ook daadwerkelijk een tekort
                            aan capaciteit heeft, en</al></li><li nr="-"><al>er leegstand binnen een ander schoolgebouw aanwezig is.</al></li></lijst><al>Het vorderingsrecht op grond van dit artikel heeft betrekking op medegebruik
                    door een school. Dit medegebruik betekent dat het doel van het vorderen (ruimte
                    voor het geven van onderwijs) in principe in overeenstemming is met de
                    bestemming van het schoolgebouw en aanpassingen niet noodzakelijk zijn.</al><al/><al>[<cursief>Onderdeel b</cursief></al><al><cursief>Dit wordt alleen toegepast als een onderwijssector (bijv. voortgezet
                        onderwijs) is ondergebracht bij een instelling die valt onder de Wet
                        educatie en beroepsonderwijs.</cursief>] </al><al/><tussenkop>Artikel 22. Omschrijving leegstand</tussenkop><al><cursief>Lid 1</cursief></al><al>De leegstand is gekoppeld aan het criterium ‘bruto vierkante meters’. De
                    leegstand wordt vastgesteld op basis van het saldo tussen de vastgestelde
                    capaciteit (bijlage III, deel A) en de berekende ruimtebehoefte (bijlage III,
                    deel B). Bij het vaststellen van de leegstand wordt geen rekening gehouden met
                    de drempelwaarde. [<cursief>Bij het vorderen wordt geen onderscheid gemaakt in
                        leegstand bij een school voor basisonderwijs, een speciale school voor
                        basisonderwijs, een school voor speciaal onderwijs of voortgezet speciaal
                        onderwijs of een school voor voortgezet onderwijs</cursief>. <cursief>Dit
                        betekent dat het college kan besluiten leegstand die wordt vastgesteld in
                        een school voor basisonderwijs toe te wijzen aan een speciale school voor
                        basisonderwijs, een school voor speciaal onderwijs of voortgezet speciaal
                        onderwijs, of een school voor voortgezet
                        onderwijs</cursief>]<cursief>.</cursief></al><al/><al>Bij het vaststellen van leegstand worden ook betrokken de zgn. eigendoms- en
                    huurscholen, omdat deze schoolgebouwen behoren tot de voorzieningen huisvesting
                    onderwijs en zodoende vallen onder het vorderingsrecht. Het vorderingsrecht kan
                    ook worden toegepast op de leegstaande capaciteit waaraan een bevoegd gezag een
                    andere bestemming (bijvoorbeeld mediatheek, overblijflokaal) heeft gegeven.
                    Genormeerde leegstand waaraan een bevoegd gezag een andere bestemming heeft
                    gegeven moet wijken voor noodzakelijk onderwijsgebruik.</al><al/><al><cursief>Lid 2</cursief></al><al>Een lokaal bewegingsonderwijs kan maximaal 40 klokuren per week voor
                    bewegingsonderwijs in gebruik worden gegeven. Een school voor
                        basisonderwijs[<cursief>,</cursief><cursief>een speciale school voor basisonderwijs, een school voor speciaal
                        onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs</cursief>]kan
                    op basis van het lesrooster per week maximaal 26 klokuren worden ingeroosterd.
                    Hierdoor wordt voorkomen dat deze scholen buiten hun reguliere lestijden voor
                    het bewegingsonderwijs worden verwezen naar een lokaal bewegingsonderwijs dat
                    nog geen 40 klokuren in gebruik is. </al><al>[<cursief>Voor scholen voor het voortgezet onderwijs wordt voor het inroosteren
                        uitgegaan van minimaal 32 lesuren(</cursief>In het voortgezet onderwijs
                    wordt gehanteerd het begrip lesuren. Hierbij wordt uitgegaan van een lesuur van
                    50 minuten, met daarnaast 10 minuten voor het omkleden c.a. van de leerlingen.
                    Voor het vaststellen van de capaciteit en de ruimtebehoefte van een lokaal
                    bewegingsonderwijs voor het voortgezet onderwijs wordt zodoende gerekend met een
                    klokuur.) <cursief>en maximaal 40 lesuren, omdat voor het voortgezet onderwijs
                        het aantal van 40 lesuren, gelet op de schooltijden voor het voortgezet
                        onderwijs, de maximumgrens vormt. Dit betekent dat als in een lokaal
                        bewegingsonderwijs:</cursief></al><lijst><li nr="-"><al><cursief> voor een school voor basisonderwijs[, een speciale school voor
                                basisonderwijs, een school voor speciaal onderwijs of voortgezet
                                speciaal onderwijs] minder dan 26 klokuren zijn ingeroosterd
                                medegebruik mogelijk is door een andere school voor basisonderwijs[,
                                een speciale school voor basisonderwijs, een school voor speciaal of
                                voortgezet speciaal onderwijs] voor het verschil tussen 26 klokuren
                                en het aantal ingeroosterde klokuren;</cursief></al></li><li nr="-"><al><cursief> voor een school voor basisonderwijs[, een speciale school voor
                                basisonderwijs, een school voor speciaal onderwijs of voortgezet
                                speciaal onderwijs] minder dan 26 klokuren of 26 klokuren zijn
                                ingeroosterd medegebruik mogelijk is door een school voor voortgezet
                                onderwijs voor de resterende klokuren tot een maximum van 40
                                lesuren;</cursief></al></li><li nr="-"><al><cursief> voor een school voortgezet minder dan 40 klokuren ingeroosterd
                                zijn medegebruik mogelijk is door:</cursief></al><lijst><li nr="-"><al><cursief>een school voor basisonderwijs, [(een speciale school
                                        voor basisonderwijs, een school voor speciaal onderwijs of
                                        voortgezet speciaal onderwijs mogelijk als de klokuren
                                        medegebruik passen binnen de 26 klokuren, en</cursief></al></li><li nr="-"><al><cursief>een school voor voortgezet onderwijs mogelijk voor de
                                        resterende klokuren tot een maximum van 40
                                        lesuren.</cursief>]</al></li></lijst></li></lijst><al>Medegebruik kan alleen plaatsvinden binnen de [<cursief>voor de betreffende
                        onderwijssector</cursief>] geldende reële schooltijden.</al><al/><tussenkop>Artikel 23. Nalaten vorderen</tussenkop><al>Dit artikel geeft de bevoegde gezagsorganen de ruimte in onderling overleg
                    medegebruik te regelen. Als de bevoegde gezagsorganen een onderlinge regeling
                    hebben getroffen is er voor het college geen reden om dat te doorkruisen, tenzij
                    het college heeft vastgesteld dat de school die medegebruiker is in de eigen
                    accommodatie voldoende capaciteit heeft om alle leerlingen te huisvesten. Als
                    bevoegde gezagsorganen medegebruik onderling hebben geregeld moet het college
                    hiervan in kennis worden gesteld. Het college moet vaststellen of door het
                    medegebruik de (meest) optimale situatie is gecreëerd. </al><al/><al>Op het moment dat een school is gehuisvest in meerdere schoolgebouwen wordt in
                    onderling overleg vastgesteld in welk schoolgebouw de leegstand wordt gevorderd.
                    Wordt geen overeenstemming bereikt, dan besluit het college zelfstandig in welk
                    schoolgebouw de leegstand wordt gevorderd.</al><al/><tussenkop>Artikel 24. Overleg en mededeling</tussenkop><al><cursief>Lid 1</cursief></al><al>Onderdeel van het vaststellen van het programma is het besluit tot het vorderen
                    voor en toekennen van medegebruik in plaats van het toekennen van bijv. een
                    aangevraagde voorziening 'uitbreiding'. Om deze reden maakt het vorderen voor
                    medegebruik onderdeel uit van het wettelijk verplichte overleg over het
                    programma. Voor beide bevoegde gezagsorganen die betrokken zijn bij het
                    voorgenomen besluit tot medegebruik in het kader van het programma bestaat de
                    mogelijkheid een advies van de Onderwijsraad te vragen. Op het programma wordt
                    niet vermeld het besluit tot vordering, dit is een afzonderlijk besluit van het
                    college.</al><al/><al><cursief>Lid 2</cursief></al><al>Voor het vorderen van leegstand als een aanvraag voor het bekostigen van een
                    voorziening op grond van de spoedprocedure is ontvangen is geen termijn voor het
                    overleg opgenomen. De aard van de aanvragen kan namelijk met zich meebrengen dat
                    een en ander op zeer korte termijn geregeld moet worden. Uiteraard moet ook hier
                    het 'ontvangende' bevoegde gezag redelijkerwijs de gelegenheid hebben om de
                    nodige maatregelen te treffen.</al><al/><al><cursief>Lid 3</cursief></al><al>Een bevoegd gezag waarvan leegstand gevorderd wordt moet de gelegenheid hebben
                    tijdig eventuele (organisatorische) maatregelen te nemen. Daarom is de termijn
                    waarop het besluit tot vorderen bekend moet worden gemaakt zo kort mogelijk
                    gehouden. Voordat het college het besluit tot vorderen heeft genomen heeft over
                    dit besluit over het algemeen al overleg plaatsgevonden met het bevoegd gezag.
                    Dit betekent dat het bevoegd gezag in principe al in de gelegenheid geweest om
                    zich voor te bereiden op het medegebruik.</al><al/><al><cursief>Lid 4</cursief></al><al>Het bevoegd gezag waarvan gevorderd wordt moet weten waar het aan toe is. Om
                    deze reden moeten de in het vierde lid opgenomen elementen in de beschikking
                    worden opgenomen, waarvan vooral de onder ‘e’ genoemde periode gedurende welke
                    de leegstand wordt gevorderd van belang is. De periode kan bijv. worden
                    gebaseerd op de uitkomst van de leerlingenprognose. Het kan wenselijk zijn om in
                    het besluit tot het vorderen van medegebruik op te nemen dat het vorderen voor
                    medegebruik in ieder geval eindigt als de leegstand voor de eigen school
                    noodzakelijk is. Dit is niet strikt noodzakelijk, omdat uitgangspunt van de
                    verordening is dat eigen gebruik voor medegebruik gaat.</al><al/><tussenkop>Artikel 25. Vergoeding</tussenkop><al>Bij medegebruik heeft het bevoegd gezag dat ruimte in medegebruik geeft te maken
                    met exploitatiekosten als gevolg van dit medegebruik. De bevoegde gezagsorganen
                    moeten in onderling overleg de vergoeding voor het medegebruik overeenkomen.
                    Uitgangspunt is dat de werkelijke exploitatiekosten worden vergoedt. Dit is
                    redelijk omdat het bevoegd gezag dat medegebruiker is ook bij het gebruik van de
                    eigen accommodatie de werkelijke kosten moet betalen. Deze werkelijke kosten
                    zijn onafhankelijk van de rijksvergoeding materiële instandhouding die het
                    schoolbestuur ontvangt. Worden de werkelijke kosten niet doorberekend, dan is
                    sprake van een indirecte subsidiëring van de medegebruiker en zet het bevoegd
                    gezag dat een gedeelte van de school in medegebruik heeft geven de ontvangen
                    rijksvergoeding niet in voor het doel waarvoor deze wordt ontvangen. De hoogte
                    van de vergoeding is ook afhankelijk van de afspraken die worden gemaakt over de
                    activiteiten die voor rekening van de school en de medegebruiker komen. Als
                    tussen de betrokkenen geen overeenstemming wordt bereikt dan moeten de partijen
                    vaststellen welke procedure wordt gevolgd om te komen tot het vaststellen van
                    het bedrag van de vergoeding. Overeengekomen kan bijv. worden dat een
                    onafhankelijke derde het definitieve vergoedingsbedrag bepaalt.</al><al/><tussenkop>Artikel 26. Overleg en mededeling</tussenkop><al>Artikel 26 heeft betrekking op het vorderen voor medegebruik voor culturele,
                    maatschappelijke of recreatieve doeleinden. Dit vorderen kan plaatsvinden zowel
                    tijdens als na de schooltijden. Medegebruik voor de genoemde activiteiten kan in
                    overeenstemming zijn met de bestemming van het schoolgebouw (eisen
                    bestemmingsplan), of met het onderwijs dat in het gebouw wordt gegeven, maar dat
                    is niet strikt noodzakelijk. Is het medegebruik niet in overeenstemming met de
                    bestemming van het schoolgebouw, dan betekent dit dat het medegebruik niet
                    eerder kan plaatsvinden dan nadat een wijziging van het bestemmingsplan is
                    vastgesteld. Is medegebruik niet in overeenstemming met het onderwijs van de
                    school dan is het noodzakelijk dat het bevoegd gezag in het overleg met het
                    college de gelegenheid krijgt om specifieke wensen aangaande het medegebruik
                    naar voren te brengen. Voor het bevoegd gezag kan daarbij de vrijheid van
                    richting en inrichting een rol spelen.</al><al/><al>Lid 2 vermeldt de onderwerpen die in het overleg tussen college en bevoegd gezag
                    minimaal moeten worden besproken als medegebruik door een niet
                    onderwijsinstelling aan de orde is. Het bevoegd gezag moet, voordat het instemt
                    met het medegebruik, in het overleg in de gelegenheid gesteld worden zich een
                    oordeel te vormen over de aard van de activiteit en de invloed van die
                    activiteit op het onderwijsproces. Afhankelijk van de uitkomst van het overleg
                    en de activiteiten waarvoor het medegebruik noodzakelijk is, kan het
                    noodzakelijk zijn dat besloten moet worden om bepaalde bouwkundige maatregelen
                    te nemen om hinder te voorkomen. Artikel 26 (bedrag van de vergoeding
                    ‘medegebruik’) is niet van toepassing op medegebruik voor culturele,
                    maatschappelijke of recreatieve doeleinden. Het staat het bevoegd gezag vrij om
                    een ander tarief in rekening te brengen, maar ook aan te sluiten bij de
                    systematiek die is opgenomen in artikel 26.</al><al/><al>Verondersteld wordt dat de beoogde organisatie die medegebruiker wordt in het
                    overleg tussen college en bevoegd gezag wordt vertegenwoordigd door het college.
                    Het is aan het college om te besluiten of de beoogde medegebruiker al of niet
                    deelneemt aan het overleg. Het bevoegd gezag, college en de medegebruiker moeten
                    voor de aanvang van het medegebruik schriftelijk een aantal (praktische)
                    afspraken vastleggen. Het kader voor die afspraken wordt gevormd door het
                    besluit tot vordering door college.</al><al/><al><cursief>Lid 3</cursief></al><al>Als in het overleg geen overeenstemming wordt bereikt, neemt het college een
                    beslissing inzake de openstaande punten. Hiervoor is gekozen om te voorkomen dat
                    door een verschil van mening het vorderingsrecht niet geëffectueerd kan
                    worden.</al><al/><tussenkop>Artikel 27. Verzoek toestemming college</tussenkop><al>Verhuur van een gedeelte van een schoolgebouw kan uitsluitend plaatsvinden door
                    de juridisch eigenaar. Dit betekent dat het college een schoolgebouw waarvan het
                    bevoegd gezag juridisch eigenaar is niet kan vorderen voor verhuur. De afweging
                    om een ruimte te verhuren is uitsluitend de verantwoordelijkheid van het bevoegd
                    gezag. Het bevoegd gezag moet, als het (een gedeelte van) het schoolgebouw wil
                    verhuren, vooraf aan het college toestemming voor de verhuur vragen. Zonder
                    toestemming van het college is een huurovereenkomst strijdig met de wet en dus
                    nietig. Bij het aanvragen van de toestemming voor de verhuur moet het bevoegd
                    gezag het college inzicht geven in de huurder, de te verhuren ruimte, de
                    activiteiten die in de te verhuren ruimte plaatsvinden, de periode van verhuur
                    en de in de komende jaren te verwachten ruimtebehoefte van de school. Daarnaast
                    betrekt het college bij het verlenen van de toestemming ook de te verwachten
                    ruimtebehoefte van de overige scholen. Dit om te voorkomen dat het college
                    toestemming voor de verhuur verleent, maar binnen de verhuurtermijn een aanvraag
                    wordt ontvangen voor bijvoorbeeld uitbreiding van een schoolgebouw.</al><al/><al>Met de door het bevoegd gezag verstrekte informatie toetst het college het
                    verzoek aan wet- en regelgeving. Op grond van artikel 108, eerste lid, van de
                        WPO[<cursief>, artikel 106, eerste lid, van de WEC en artikel 76s van de
                        WVO</cursief>] is het niet toegestaan om een onderwijsgebouw of -terrein te
                    verhuren als:</al><lijst><li nr="-"><al>woon- of bedrijfsruimte als bedoeld in artikel 1623a, tweede lid, en
                            1624, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek, of</al></li><li nr="-"><al>de bestemming zich niet verdraagt met het onderwijs aan de school.</al></li></lijst><al>Het college neemt bij het verlenen van de toestemming in ieder geval de
                    voorwaarde op dat als de te verhuren ruimte op (korte) termijn nodig is voor het
                    onderwijs, dat het college deze ruimte dan vordert. De wet bepaalt dat de
                    risico's voor verhuur en de eventuele schadeplicht die ontstaat bij het
                    voortijdig opzeggen van het huurcontract door het bevoegd gezag, omdat het
                    college gebruik maakt van hun vorderingsrecht, liggen bij het bevoegd
                    gezag.</al><al/><al>Bij verhuur moet een huurovereenkomst worden afgesloten en een huurprijs bepaald
                    worden. Onderscheid moet worden gemaakt in de vergoeding voor de
                    exploitatiekosten (= gebruiksvergoeding) en de vergoeding in de
                    investeringslasten (= huurvergoeding). Het schoolbestuur stelt de hoogte van de
                    component ‘exploitatiekosten’ (beheer en onderhoud van het schoolgebouw) vast.
                    In het derde lid is opgenomen de mogelijkheid voor het college om aan de
                    toestemming tot verhuur de voorwaarde te verbinden dat voor de verhuur een huur
                    is verschuldigd, waarvan de hoogte door het college wordt vastgesteld. Dit lid
                    is een aanvulling op wat in de onderwijswetten is opgenomen. Deze huurvergoeding
                    is wat anders dan de gebruiksvergoeding waarvan de hoogte door het bevoegd gezag
                    wordt vastgesteld en waar het bevoegd gezag aanspraak op maakt. De huurcomponent
                    moet worden afgedragen aan het college als bijdrage in de investeringslasten van
                    het schoolgebouw. Aan het verbinden van de voorwaarde tot het betalen van een
                    huurvergoeding zijn voorwaarden verbonden:</al><lijst><li nr="1."><al>het college moet kunnen aantonen dat door het niet doorbereken van de
                            huur de gemeente een financieel nadeel leidt;</al></li><li nr="2."><al>de huurprijs moet gerelateerd zijn aan de extra kosten of het verlies
                            aan inkomsten door de gemeente en</al></li><li nr="3."><al>de ontvangen huurvergoeding moet rechtstreeks ten goede komen aan
                            onderwijshuisvesting(LJN BK0803, Raad van State, 200901067/1/H2 en
                            201308827/1/A2).</al></li></lijst><al/><al>Dit artikel is juist op deze wijze geredigeerd naar aanleiding van
                    jurisprudentie van de Raad van State. Voor bestaande bouw kan geen huur door de
                    gemeente worden opgelegd. Voor nieuwe schoolgebouwen is dat wel mogelijk indien
                    aan de bovengenoemde voorwaarden wordt voldaan. </al><al>Meest duidelijke voorbeeld is dat in het geval door een schoolbestuur een school
                    wordt gebouwd en de gemeente stelt daarbij extra middelen beschikbaar om
                    bijvoorbeeld een BSO of KDV te vestigen, de gemeente dan ook de huur van de
                    extra investering (stichtingskosten) moet ontvangen. </al><al/><tussenkop>Artikel 28. Staat van onderhoud</tussenkop><al>In artikel 110 van de WPO[<cursief>, artikel 108 van de WEC en artikel 76u van
                        de WVO</cursief>] is geregeld in welke situatie en hoe moet worden omgegaan
                    met de overdracht van een (gedeelte van een) schoolgebouw en -terrein aan het
                    college. Over het algemeen is de overdracht van het hele schoolgebouw en
                    -terrein gekoppeld aan het beëindigen van de bekostiging (bijzonder onderwijs)
                    of het opheffen van de school (openbaar onderwijs) door de minister van OCW.
                    Overdracht door het bevoegd gezag van een schoolgebouw en -terrein aan de
                    gemeente vindt uitsluitend plaats als het bevoegd gezag (bijzonder onderwijs, of
                    verzelfstandigd openbaar onderwijs in bijv. een stichting) juridisch eigenaar is
                    van het schoolgebouw. Is de gemeente juridisch eigenaar van het schoolgebouw en
                    -terrein dan vindt geen overdracht van een (gedeelte van een) schoolgebouw en
                    -terrein plaats. Een overdracht kan ook plaatsvinden als vervangende nieuwbouw
                    op een andere locatie is gerealiseerd. Als dit noodzakelijk is wordt in de door
                    het college en bevoegd gezag gezamenlijk opgestelde en ondertekende acte
                    opgenomen een termijn waarin het schoolgebouw nog kan worden gebruikt. Bij het
                    einde van het gebruik wordt geen onderscheid gemaakt tussen hoofdgebouwen en
                    dislocaties, omdat dit onderscheid bij het einde van het gebruik niet relevant
                    is. Voor alle gebouwen moet duidelijk zijn op welk moment het gebruik uiterlijk
                    beëindigd moet worden. </al><al/><al>De procedure voor het opmaken van een staat van onderhoud bij het beëindigen van
                    het gebruik is gekoppeld aan het beëindigen van het gebruik van een gebouw door
                    het bevoegd gezag. Is sprake van integraal bestuur dan blijft het opmaken van
                    een staat onderhoud achterwege. Vanuit het oogpunt van gelijke behandeling van
                    het openbaar en bijzonder onderwijs kan in materiële zin gekozen worden voor een
                    gelijke handelwijze.</al><al/><al>Met 'achterstallig onderhoud' wordt bedoeld het onderhoud dat het bevoegd gezag,
                    met het oog op de onderhoudsplicht, had moeten uitvoeren. Het gaat er dus niet
                    om dat een gebouw nog een extra opknapbeurt moet krijgen voordat het buiten
                    gebruik wordt gesteld.</al><al>De staat van het onderhoud wordt opgemaakt voordat de eigendomsoverdracht
                    plaatsvindt, omdat alleen voor die tijd nog eenduidig kan worden vastgesteld aan
                    wie het eventueel achterstallig onderhoud is toe te rekenen. De staat van
                    onderhoud maakt ook onderdeel uit van de op te maken akte van overdracht. </al><al/><al><cursief>Lid 3</cursief></al><al>Het college geeft de opdracht voor het opstellen van het rapport met daarin een
                    beschrijving van de staat van onderhoud. Deze opdracht wordt, vanuit het oogpunt
                    van objectiviteit, verstrekt aan een onafhankelijke derde, zoals een bouwkundig
                    adviesbureau. Voordat de opdracht wordt verstrekt heeft het college overleg met
                    het betrokken bevoegd gezag over de inhoud van de opdracht en over de instantie
                    die deze opdracht uitvoert. Hiermee wordt voorkomen dat achteraf onnodige
                    discussies c.q. meningsverschillen ontstaan over de inhoud van de opdracht en
                    over de keuze van de uitvoerder. Op grond van artikel 5 kunnen bepaalde
                    inlichtingen van het bevoegd gezag gevraagd worden (bijv. beschikbaar stellen
                    meerjarenonderhoudsplan en/of bewijsstukken dat er geregeld onderhoud is
                    uitgevoerd).</al><al/><al><cursief>Lid 5</cursief></al><al>Als uit de rapportage van de staat van onderhoud blijkt dat bij het opmaken van
                    de rapportage achterstallig onderhoud is geconstateerd en het bevoegd gezag met
                    deze constatering instemt, kan in het overleg overeengekomen worden dat het
                    bevoegd gezag:</al><lijst><li nr="-"><al>alsnog opdracht verstrekt tot het uitvoeren van het noodzakelijke
                            onderhoud, of</al></li><li nr="-"><al>het bedrag dat gemoeid is met het achterstallig onderhoud aan het
                            college betaalt, waarna het college de opdracht verstrekt.</al></li></lijst><al>Als in het overleg geen overeenstemming wordt bereikt over de uitkomst van de
                    rapportage wordt in het overleg besproken hoe de vervolgprocedure zal zijn. Er
                    kan worden overeengekomen dat arbitrage plaatsvindt, waarbij beide partijen
                    afspreken zich te zullen neerleggen bij de uitkomst daarvan. Alternatief is dat
                    het college zich wendt tot de burgerlijke rechter, op grond van het feit dat het
                    bevoegd gezag een onrechtmatige daad heeft gepleegd door zich niet te houden aan
                    de wettelijke opdracht om een gebouw behoorlijk te gebruiken of te
                    onderhouden.</al><al/><al><cursief>Lid 6</cursief></al><al>Deze bepaling is opgenomen voor de situatie dat er geen enkele aanleiding is om
                    te veronderstellen dat sprake is van achterstallig onderhoud, of een vermoeden
                    over achterstallig onderhoud bestaat, maar er geen reden is om dit nog te laten
                    vastleggen in een rapport. Dit laatste kan zich voordoen als het voornemen
                    bestaat het schoolgebouw dat buiten gebruik wordt gesteld op termijn bijv. te
                    verbouwen voor een andere bestemming of te slopen.</al><al/><tussenkop>Artikel 29. Mutaties aantal klokuren binnen beschikbare capaciteit;
                    inroosteren en gebruik</tussenkop><al>Lokalen bewegingsonderwijs zijn een voorziening huisvesting onderwijs en kunnen
                    juridisch eigendom zijn van de gemeente, het bevoegd gezag of een derde. In het
                    kader van de ruimtebehoefte van de lokalen bewegingsonderwijs is het de
                    verantwoordelijkheid van de gemeenteraad om de criteria vast te stellen voor het
                    vaststellen van de ruimtebehoefte en de aanvullende ruimtebehoefte. Deze
                    criteria zijn opgenomen in bijlage III, deel B. Daarnaast is het de
                    verantwoordelijkheid van het college om een rooster bewegingsonderwijs vast te
                    stellen. De omvang van het gebruik door een school voor
                        basisonderwijs[<cursief>,</cursief><cursief>een speciale school voor basisonderwijs, een school voor speciaal
                        onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs</cursief>] van lokalen
                    bewegingsonderwijs wordt uitgedrukt in het aantal klokuren. Het aantal klokuren
                    is afhankelijk is van het aantal gymgroepen. Omdat het aantal gymgroepen
                    afhankelijk is van het aantal formatieplaatsen en het aantal formatieplaatsen
                    afhankelijk van het aantal leerlingen dat op de school is ingeschreven
                    fluctueert het aantal klokuren jaarlijks als gevolg van mutaties in het aantal
                    leerlingen. Voor het verwerken van de jaarlijkse mutaties is de jaarlijkse
                    procedure tot aanvragen in het kader van het programma en de spoedprocedure niet
                    het geëigende middel. Beide procedures zijn te zwaar en te omslachtig voor het
                    verwerken van de jaarlijkse mutaties in het gebruik van de lokalen
                    bewegingsonderwijs. Dit geldt in ieder geval als het aantal klokuren binnen de
                    bestaande capaciteit kan worden opgevangen en dus niet leidt tot een uitbreiding
                    of nieuwbouw van lokalen bewegingsonderwijs.</al><al>Tegen deze achtergrond is in artikel 30 een afzonderlijke procedure opgenomen.
                    Uitgangspunt van deze procedure is dat het college op basis van het aantal
                    ingeschreven leerlingen op de teldatum 1 oktober het aantal gymgroepen en
                    daarmee het aantal klokuren bewegingsonderwijs vaststelt en op basis van het
                    aantal klokuren het conceptrooster bewegingsonderwijs kan vaststellen. Stelt het
                    college vast dat er te weinig capaciteit is, of dat een lokaal
                    bewegingsonderwijs moet worden vervangen, dan kan het college de procedure voor
                    het aanvragen van bekostiging van een huisvestingsvoorziening starten. Door deze
                    procedure heeft het college, als lokale overheid, tijdig zicht heeft op:</al><lijst><li nr="-"><al>de accommodaties die geschikt zijn voor bewegingsonderwijs, inclusief de
                            accommodaties die op grond van de onderwijswijswetgeving behoren tot de
                            zgn. ‘eigendomsscholen’;</al></li><li nr="-"><al>de capaciteit van de accommodaties bewegingsonderwijs;</al></li><li nr="-"><al>het gebruik van de accommodatie bewegingsonderwijs (welke school geeft
                            bewegingsonderwijs in welk gebouw);</al></li><li nr="-"><al>de tijdstippen en het aantal uren dat het lokaal bewegingsonderwijs
                            gebruikt wordt, en</al></li><li nr="-"><al>het gebruik, waarbij moet worden vastgesteld of het een genormeerd
                            gebruik is of dat het gebruik gebaseerd is op feitelijk gebruik.</al></li></lijst><al/><al>De verordening kent zodoende de volgende stappen:</al><lijst><li nr="1."><al>het college stelt voor 15 december op basis van de teldatum 1 oktober
                            het aantal gymgroepen vast op de datum 1 augustus (start
                            schooljaar);</al></li><li nr="2."><al>het college stelt voor 31 december daaropvolgend een conceptrooster op
                            dat als basis kan dienen het rooster bewegingsonderwijs van het lopende
                            schooljaar en daarin worden de mutaties als gevolg van mutaties in het
                            aantal gymgroepen verwerkt;</al></li><li nr="3."><al>het college stelt de bevoegde gezagsorganen voor 15 januari
                            daaropvolgend in kennis van het voorlopig vastgestelde rooster
                            bewegingsonderwijs voor het komende schooljaar;</al></li><li nr="4."><al>de bevoegde gezagsorganen reageren voor 1 maart op het aangeboden
                            conceptrooster;</al></li><li nr="5."><al>het bevoegd gezag kan het college vragen om voor de datum van 1 maart
                            een overleg over het conceptrooster te beleggen;</al></li><li nr="6."><al>het college stelt het rooster bewegingsonderwijs voor het komende
                            schooljaar vast voor 15 maart.</al></li></lijst><al>De verordening geeft het bevoegd gezag de mogelijkheid om meer klokuren
                    bewegingsonderwijs aan te vragen dan door het college genormeerd is vastgesteld.
                    Het college kan dit verzoek honoreren als binnen de bestaande accommodaties
                    daarvoor ruimte beschikbaar is. Aan het bevoegd gezag worden dan de kosten van
                    deze extra klokuren doorberekend.</al><al/><tussenkop>Artikel 32. Indexering</tussenkop><al>De in bijlage IV, deel B, opgenomen genormeerde vergoedingen moeten jaarlijks
                    worden aangepast aan de prijsontwikkeling. Omdat bijlage IV integraal onderdeel
                    is van de verordening moet op grond van de onderwijswetten een wijziging van de
                    verordening worden vastgesteld door de gemeenteraad. Om deze zware procedure
                    voor uitsluitend het aanpassen van de normbedragen te voorkomen bepaalt dit
                    artikel dat het jaarlijks aanpassen van de normbedragen wordt gedelegeerd aan
                    het college. De uitgangspunten voor de indexering zijn opgenomen in bijlage IV,
                    deel A. Het wettelijk verplichte overleg met het onderwijsveld dat voor een
                    wijziging van de verordening noodzakelijk is, kan plaatsvinden door het
                    toezenden van de voorgenomen prijsbijstellingen en het bieden van de
                    mogelijkheid om hierop te reageren.</al><al/><tussenkop>Bijlage I - Beoordelingscriteria noodzaak aangevraagde
                    voorzieningen</tussenkop><al>In bijlage I zijn opgenomen de criteria die van belang zijn voor het vaststellen
                    van de noodzaak van de aangevraagde voorziening. De bijlage is onderverdeeld in
                    deel A – Lesgebouwen en deel B – Lokalen bewegingsonderwijs. </al><al/><tussenkop>Deel A - Lesgebouwen</tussenkop><tussenkop>Algemeen</tussenkop><al>Per voorziening onderwijshuisvesting zijn de criteria voor het vaststellen van
                    de noodzaak van de aangevraagde voorziening beschreven. </al><al/><al>Een school kan gehuisvest zijn in een hoofdvestiging of een dislocatie. De
                    dislocatie is bedoeld als tijdelijke huisvesting, voor de situatie dat de
                    hoofdvestiging te weinig capaciteit heeft om alle leerlingen te huisvesten. Is
                    het aantal leerlingen zodanig afgenomen dat alle leerlingen weer op de
                    hoofdvestiging kunnen worden gehuisvest, dan wordt de dislocatie afgestoten.
                    Ontvangt het college een aanvraag voor het bekostigen van een voorziening voor
                    een dislocatie, dan stelt het college, voordat het besluit deze aanvraag te
                    honoreren, vast of:</al><lijst><li nr="-"><al>de dislocatie, gelet op het aantal leerlingen, nog als aanvullende
                            huisvesting voor de school noodzakelijk is;</al></li><li nr="-"><al>dat het mogelijk is alle leerlingen in de hoofdvestiging te huisvesten,
                            eventueel met een bouwkundige aanpassing, of</al></li><li nr="-"><al>dat er een andere geschikte of geschikt te maken locatie beschikbaar
                            is.</al></li></lijst><al>Of het bekostigen van de voorziening in/aan de dislocatie wordt toegekend is op
                    basis van het voorgaande een financiële afweging van het college.</al><al/><al>Om de beoordelingscriteria van bijlage I te kunnen toepassen moet het college
                    beschikken over minimaal de volgende gegevens:</al><lijst><li nr="-"><al>het aantal leerlingen dat op de teldatum op de school staat
                            ingeschreven;</al></li><li nr="-"><al>het aantal leerlingen dat op lange termijn wordt verwacht;</al></li><li nr="-"><al>het verschil tussen de bestaande capaciteit (= brutovloeroppervlakte)
                            van het gebouw of de gebouwen die door de school worden gebruikt en de
                            gewenste ruimtebehoefte, en</al></li><li nr="-"><al>zo nodig, de bouwkundige staat van het gebouw of de gebouwen.</al></li></lijst><al/><al>Het vaststellen van de periode waarvoor de voorziening huisvesting onderwijs
                    noodzakelijk is, is nodig om desinvesteringen te voorkomen. Is de (aanvullende)
                    voorziening onderwijshuisvesting voor een korte periode noodzakelijk, dan wordt
                    gekozen voor een ‘voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening’ tenzij een ‘voor
                    blijvend gebruik bestemde voorziening’ voor de periode waarvoor de voorziening
                    noodzakelijk is beschikbaar is. De periode waarvoor de voorziening noodzakelijk
                    is wordt herleid uit de leerlingenprognose. De leerlingenprognose geeft antwoord
                    op de vraag of het aantal leerlingen op de teldatum voorafgaande aan de datum
                    waarop de aanvraag is ingediend ook de komende jaren nog wordt verwacht. Is de
                    uitkomst van de leerlingenprognose dat het aantal leerlingen waarvoor de
                    aangevraagde voorziening huisvesting onderwijs is bedoeld ook de komende jaren
                    aanwezig is en noodzakelijk is voor een periode van:</al><lijst><li nr="-"><al>drie jaar, dan wordt geen voorziening onderwijshuisvesting toegekend
                            omdat wordt verondersteld dat de school de extra ruimtebehoefte voor
                            deze beperkte periode binnen de eigen school kan opvangen. Alleen als
                            wordt vastgesteld dat dit onmogelijk is, wordt een andere voorziening
                            goedgekeurd;</al></li><li nr="-"><al>minimaal vier tot maximaal veertien jaar, dan wordt een voor tijdelijk
                            gebruik bestemde voorziening toegekend en</al></li><li nr="-"><al>minimaal vijftien jaar, dan wordt een voor blijvend gebruik bestemde
                            voorziening onderwijshuisvesting toegekend</al></li></lijst><al>De genoemde termijnen gelden niet voor aanvragen die zijn ontvangen voor het
                    bekostigen van de voorzieningen huisvesting onderwijs constructiefouten en
                    vervanging of herstel van schade in geval van bijzondere omstandigheden.</al><al/><al>Bij het vaststellen van de noodzaak van de aangevraagde voorzieningen
                    huisvesting onderwijs (vervangende) nieuwbouw en uitbreiding speelt,
                    onafhankelijk van de periode waarvoor de voorziening noodzakelijk is, een rol de
                    mogelijkheid van medegebruik of ingebruikname van een bestaand gebouw.</al><al/><tussenkop>A.1 Nieuwbouw</tussenkop><al>Nieuwbouwis noodzakelijk voor het huisvesten van een nieuw instituut
                    of een nieuwe afdeling en heeft dus betrekking op een onderwijsvoorziening die
                    nog niet in de gemeente is gevestigd en voor deze nieuwe voorziening ook geen
                    bestaande accommodatie beschikbaar is.</al><al/><tussenkop>A.2 Vervangende bouw</tussenkop><al>Vervangende nieuwbouwkan het gevolg zijn van een tweetal
                    situaties. Ten eerste vanwege de slechte conditie (bouwkundige staat) van een
                    gebouw. Voor het vaststellen van de bouwkundige staat van het gebouw en om
                    verschillen in de bouwkundige staat tussen verschillende gebouwen in een
                    volgorde te kunnen plaatsen wordt voor de bouwkundige rapportage als eis gesteld
                    een rapportage op grond van NEN 2767.Uitgangspunt van deze methode
                    is dat de onderhoudsscenario's op basis van verschillende keuzes en bevindingen
                    worden doorgerekend en bij het bepalen van de keuzes een afweging plaatsvindt
                    tussen kwaliteit, kosten en risico's. Bij het maken van keuzes met betrekking
                    tot onderhoud is inzicht in de aanwezige en de te bereiken kwaliteit (en de
                    daaraan verbonden kosten) essentieel. Uitgangspunt van de methoude van
                    conditiemeting NEN 2767 is dat voor alle bouwkundige elementen een conditie
                    wordt toegekend. Bij het vaststellen van de condities wordt ook rekening
                    gehouden met de </al><al>noodzaak van het onderhoud binnen een vooraaf vastgestelde periode (in principe
                    3 jaar). Voor het antwoord op de vraag of activiteiten binnen de periode van 3
                    jaar voor het onderhoud in aanmerking komen wordt de ernst, de omvang en de
                    intensiteit van het gebrek vastgesteld. De ernst van het gebrek wordt uitgedrukt
                    in een score, de zgn. 'conditie voor'. Met de 'conditie voor' wordt dus
                    eigenlijk de kwaliteit van het totale schoolgebouw vastgesteld. Deze kwaliteit
                    kan worden onderverdeeld in de volgende conditieschalen:</al><al>Conditie 1 Nieuwbouwkwaliteit of met nieuwbouw vergelijkbare kwaliteit;</al><al>Conditie 2 Een bouw- of installatiedeel vertoont kenmerken van een beginnende
                    veroudering;</al><al>Conditie 3 Het verouderingsproces is duidelijk op gang gekomen;</al><al>Conditie 4 Het verouderingsproces is duidelijk zichtbaar;</al><al>Conditie 5 Het verouderingsproces is niet meer te keren;</al><al>Conditie 6 De bouwkundige staat is zo slecht dat deze niet meer onder conditie 5
                    kan worden gerangschikt. </al><al>Op basis van de vermelde condities wordt inzicht verkregen in de bouwkundige
                    staat en kan worden vastgesteld of vervangende nieuwbouw noodzakelijk is.</al><al/><al>Vervangende nieuwbouw heeft een relatie met onderhoud en aanpassen van het
                    schoolgebouw waarvoor het bevoegd gezag de bekostiging rechtstreeks van de
                    minister van OCW ontvangt. Deze vergoeding is niet alleen bestemd voor
                    activiteiten met een kortlopende cyclus, maar ook met een langlopende cyclus
                    (bijv. vervangen kozijnen, leidingen). Dit betekent dat als sprake is van een
                    bouwkundige rapportage met of conditie 5 of 6 moet worden vastgesteld of in de
                    afgelopen jaren het onderhoud op een verantwoorde wijze heeft plaatsgevonden. Is
                    het schoolbestuur op dit onderdeel nalatig geweest dan kan de aanvraag voor
                    vervangende nieuwbouw worden afgewezen. Wordt in overleg tussen college en
                    bevoegd gezag afgezien van het investeren in onderhoud en aanpassen van het
                    schoolgebouw dan moeten afspraken worden gemaakt over het bekostigen van de
                    totale investering, omdat het bevoegd gezag de voor onderhoud en aanpassen
                    ontvangen rijksvergoeding niet voor dit doel hoeft in te zetten.</al><al/><al>Vervangende nieuwbouwkan ten tweede het gevolg zijn een
                    herschikkingsoperatie. Dit kan zich in meerdere gevallen voordoen:</al><lijst><li nr="-"><al> bevoegde gezagsorganen kunnen overeenkomen om schoolgebouwen te ruilen
                            omdat is vastgesteld dat er voldoende capaciteit voor het huisvesten van
                            de leerlingen beschikbaar is, maar dat het ene schoolgebouw een overmaat
                            aan capaciteit heeft en het andere schoolgebouw een tekort aan
                            capaciteit. Door onderlinge ruil, eventueel met een beperkte bouwkundige
                            aanpassing of uitbreiding bij een bestaand schoolgebouw of in relatie
                            met vervangende nieuwbouw voor een bestaand schoolgebouw kan een
                            efficiënte bezetting van de schoolgebouwen worden gerealiseerd en kan
                            mogelijk een schoolgebouw worden afgestoten;</al></li><li nr="-"><al> fusies van scholen kunnen aanleiding zijn voor een
                            herschikkingsoperatie omdat een fusie op schoolniveau ook gevolgen heeft
                            voor de leerlingenstromen, waardoor mogelijk door een beperkte
                            uitbreiding (= vervangende bouw) van het ene schoolgebouw het andere
                            schoolgebouw kan worden afgestoten;</al></li><li nr="-"><al> vervangende nieuwbouw kan verband houden met ontwikkelingen in de
                            ruimtelijke ordening, als gevolg van bijv. stadsvernieuwing, of het
                            herinrichten van een wijk, waarvoor het noodzakelijk is dat het
                            bestaande schoolgebouw of de bestaande schoolgebouwen vervangen
                            wordt/worden.</al></li></lijst><al>Uitgangspunt van investeringen die het gevolg zijn van een herschikkingsplan is
                    dat een grotere doelmatigheid in het gebruik van de schoolgebouwen wordt bereikt
                    en dat het voor het college een budgettair neutrale investering is, dus voor de
                    gemeente geen extra investeringslasten ontstaan. De budgettaire neutraliteit kan
                    uitsluitend worden gerealiseerd als de investering van de vervangende nieuwbouw
                    kan worden gefinancierd uit de (grond)opbrengst van de verkoop van de bestaande
                    (te vervangen) locatie. Eventueel kunnen, nadat hierover overeenstemming is
                    bereikt met het aanvragende schoolbestuur, gelden die het bevoegd gezag van het
                    rijk ontvangt voor het bekostigen van de exploitatie, het onderhoud, en de
                    aanpassingen schoolbestuur als medefinanciering worden ingezet.</al><al/><tussenkop>A.3 Uitbreiding</tussenkop><al>Uitbreidingwordt toegekend als de bestaande capaciteit van het
                    schoolgebouw of de schoolgebouwen niet voldoende is voor het huisvesten van het
                    aantal leerlingen dat op de school is ingeschreven: de ruimtebehoefte is dan
                    groter dan de beschikbare huisvestingscapaciteit (zie ook bijlage III). Het is
                    aan het college te bepalen op welke wijze de gevraagde extra capaciteit
                    beschikbaar wordt gesteld. Bij het besluit kan het college rekening houden met
                    de eventueel beschikbare capaciteit bij andere schoolgebouwen en als dat
                    mogelijk is in plaats van de gevraagde uitbreiding van het schoolgebouw bijv.
                    medegebruik toekennen.</al><al/><tussenkop>A.4 In gebruik nemen van een bestaand gebouw</tussenkop><al>In gebruik nemenvan een bestaand gebouw of een gedeelte
                    daarvan is afhankelijk van de volgende factoren:</al><lijst><li nr="-"><al> het aspect afstand en bereikbaarheid, waarbij het aspect afstand alleen
                            een rol speelt als het gebouw een dislocatie wordt van een bestaande
                            hoofdvestiging; is het gebouw noodzakelijk voor het huisvesten van een
                            nieuwe school dan is de ligging niet relevant;</al></li><li nr="-"><al> de omvang van het gebouw is van belang om vast te stellen of en zo ja
                            welke in- of uitpandige investeringen noodzakelijk zijn om te zorgen
                            voor voldoende capaciteit voor het huisvesten van de leerlingen.</al></li><li nr="-"><al> de bouwkundige en onderwijskundige kwaliteit van het gebouw is van
                            belang om vast te stellen welke bouwkundige investeringen noodzakelijk
                            zijn om het gebouw bouwkundig en onderwijskundig geschikt te maken als
                            kwalitatief geschikte huisvesting. Het college kan besluiten tot het
                            bekostigen van vervangende nieuwbouw als de investeringskosten om het
                            gebouw voor het onderwijs geschikt te maken, zoals aanpassing,
                            uitbreiding en onderhoud, vermeerderd met (eventuele) kosten van
                            verwerving hoger zijn dan de kosten van volledige nieuwbouw.</al></li></lijst><al>In gebruik nemen is ook mogelijk:</al><lijst><li nr="-"><al> als vervanging van een bestaand gebouw aan de orde is en
                            ingebruikgeving per saldo geen meerkosten met zich meebrengt;</al></li><li nr="-"><al> bij een herschikkingsoperatie;</al></li><li nr="-"><al>als gevolg ontwikkelingen in de ruimtelijke ordening;</al></li><li nr="-"><al>als uitbreiding van het huidige schoolgebouw aan de orde is.</al></li></lijst><al/><tussenkop>A.5 Verplaatsen tijdelijk gebouw</tussenkop><al>Verplaatsen van een tijdelijk gebouw kan alleen als het gebouw niet aard en
                    nagelvast aan de grond is verbonden. Bij het verplaatsen van een tijdelijk
                    gebouw moet rekening worden gehouden met de kosten van verplaatsen (verwijderen
                    en opnieuw plaatsen) en het op termijn opnieuw verwijderen. Op dit punt kan het
                    college een afweging maken tussen het verplaatsen en het bekostigen van een
                    nieuwe voorziening.</al><al/><tussenkop>A.6 Terrein</tussenkop><al>Terreinis een voorziening huisvesting onderwijs die niet automatisch
                    wordt toegekend. Vervangende nieuwbouw of uitbreiding van het schoolgebouw kan
                    bijv. op het bestaande schoolterrein worden gerealiseerd. Als voor het
                    realiseren van de genoemde voorzieningen terrein noodzakelijk is, wordt daar bij
                    de eventuele toestemming voor de huisvestingsvoorziening rekening mee gehouden,
                    deze voorziening wordt opgenomen op het programma.</al><al/><tussenkop>A.7 Eerste inrichting</tussenkop><al>Eerste inrichting onderwijsleerpakket en meubilair wordt bekostigd aan een
                    school voor basisonderwijs[<cursief>, een speciale school voor basisonderwijs,
                        een school voor speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs. Eerste
                        inrichting leer- en hulpmiddelen wordt bekostigd aan een school voor
                        voortgezet onderwijs</cursief>]<cursief>. </cursief>Voor alle
                    onderwijssectoren is de bekostiging van de eerste inrichtinggekoppeld aan het aantal m<sup>2</sup> bruto vloeroppervlakte
                    waarvoor de voorziening nieuwbouw of uitbreiding wordt toegekend.</al><al/><al>Bij fusie van scholen worden twee of meer scholen samengevoegd tot één school.
                    In principe hebben de afzonderlijke scholen tot het moment van fusie ieder voor
                    zich bekostiging voor eerste inrichting ontvangen. Dit betekent dat bij fusie
                    van voorheen afzonderlijke scholen geen aanspraak bestaat op bekostiging van
                    eerste inrichting als de bruto vloeroppervlakte van de gefuseerde scholen minder
                    of gelijk is aan de bruto vloeroppervlakte van de voor de fusie afzonderlijke
                    scholen. Uitbreiding eerste inrichting wordt uitsluitend toegekend in combinatie
                    met uitbreiding van het schoolgebouw. Bij een fusie wordt voor de gefuseerde
                    school geregistreerd de bruto vloeroppervlakte van de schoolgebouwen van de
                    voorheen aan de afzonderlijke scholen is toegekend.</al><al/><tussenkop>A.8 Medegebruik</tussenkop><al>Medegebruik is een belangrijk instrument als het gaat om het realiseren van het
                    doelmatig gebruik van schoolgebouwen en de efficiënte inzet van middelen. </al><al>Voordat het college besluit tot medegebruik is het noodzakelijk om inzicht te
                    hebben:</al><lijst><li nr="-"><al> in de periode waarvoor medegebruik noodzakelijk is (door middel van de
                            leerlingenprognose), en</al></li><li nr="-"><al> de periode van medegebruik in het schoolgebouw waar de leegstand is
                            vastgesteld (wordt op korte termijn een toename van het aantal
                            leerlingen verwacht dan is het de vraag of medegebruik zinvol is).</al></li></lijst><al/><al>De verordening kent geen beperking in het aantal locaties waarnaar bij
                    medegebruik van leegstand kan worden verwezen. Wel hanteert de verordening bij
                    medegebruik een afstandscriterium tussen de hoofdvestiging en de ruimte die in
                    aanmerking komt voor het medegebruik, de zgn. verwijsafstand). In de verordening
                    is als verwijsafstand opgenomen het criterium ‘voor de leerling voldoende
                    begaanbare en veilige weg’. [<cursief>Dit criterium sluit aan bij de
                            <vet>verordening leerlingenvervoer</vet>].</cursief>] </al><al/><al>De verordening maakt geen onderscheid tussen leegstand in een schoolgebouw van
                    scholen van verschillende onderwijssectoren. De leegstand wordt vastgesteld op
                    basis van het verschil tussen de vastgestelde capaciteit (bruto
                    vloeroppervlakte) op grond van bijlage III, deel A, en de voor de school
                    vastgestelde ruimtebehoefte op grond van bijlage III, deel B. Of de berekende
                    genormeerde leegstand ook als leegstaande ruimte geschikt is voor medegebruik
                    wordt afzonderlijk vastgesteld.</al><lijst><li nr="-"><al> Feitelijke leegstand in een school voor
                                basisonderwijs[<cursief>een speciale school voor
                                basisonderwijs, een school voor speciaal onderwijs of voortgezet
                                speciaal onderwijs en een school voor voortgezet
                            onderwijs</cursief>] is per definitie geschikt voor medegebruik.</al></li><li nr="-"><al> Ruimten, die een bevoegd gezag met eigen middelen heeft bekostigd, maar
                            waarvoor het college een vergoeding verstrekt (zogenaamde eigendoms- en
                            huurscholen) maken onderdeel uit van de voorzieningen huisvesting
                            onderwijs en komen in aanmerking voor medegebruik.</al></li><li nr="-"><al> Ruimten die een bevoegd gezag volledig met eigen middelen heeft
                            gerealiseerd en waarvoor geen vergoeding van de overheid is ontvangen
                            kunnen niet in medegebruik worden gegeven omdat deze ruimte geen
                            onderdeel uitmaken van de voor het schoolgebouw vastgestelde capaciteit
                            (bijlage III, deel A).</al></li></lijst><tussenkop>A.4 en A.8 Investeringskosten bij geschikt maken voor nieuwe
                    bewoner</tussenkop><al>In de situatie van het in gebruik nemen van een bestaand gebouw (A.4) en
                    medegebruik (A.8) kan het noodzakelijk zijn dat bouwkundige voorzieningen moeten
                    worden getroffen om het betreffende (school)gebouw geschikt te maken voor de
                    nieuwe bewoner. De investeringskosten van deze investering komen voor rekening
                    van de gemeente.</al><al/><tussenkop>A.9 Herstel van constructiefouten</tussenkop><al>Herstel van constructiefoutenis een voorziening huisvesting
                    onderwijs. Voordat bekostiging voor een constructiefout wordt toegekend is het
                    van belang vast te stellen dat het daadwerkelijk gaat om een constructiefout en
                    wie verantwoordelijk is voor het ontstaan van de constructiefout. Als sprake is
                    van een ontwerpfout o.i.d. kan de veroorzaker van de constructiefout
                    aansprakelijk worden gesteld voor het herstel. In dit verband speelt ook het
                    moment waarop bekostiging voor een constructiefout wordt aangevraagd een rol. In
                    dit verband heeft de Raad van State uitgesproken dat herstel van riolering
                    waarvoor het schoolbestuur verantwoordelijk was (onder schoolterrein) niet als
                    een constructiefout kan worden aangemerkt maar als regulier onderhoud moet
                    worden gezien. Tussen het moment van het aanleggen van de riolering en het
                    aanvragen van bekostiging lag een periode van 28 jaar. De Raad van State was van
                    oordeel dat, gelet op de levensduur, er op dat moment geen sprake meer kan zijn
                    van een constructiefout, maar dat sprake is van regulier onderhoud (LJN BJ7202,
                    Raad van State, 200809152/1/H2.).Het herstel van een constructiefout is eveneens
                    geen voorziening huisvesting onderwijs en komt voor rekening van het bevoegd
                    gezag als de constructiefout het gevolg is van nalatigheid van het bevoegd gezag
                    (artikel 100, tweede lid, van de WPO[<cursief>,</cursief> artikel <cursief>98,
                        tweede lid, van de WEC en artikel 76k, tweede lid, van de WVO</cursief>](
                    BX8979, Raad van State, 20120019/1/A2.) (BX8979, Raad van State,
                    201200195/1/A2)</al><al/><tussenkop>A.10 Vervangen of herstel van schade aan gebouw, onderwijsleerpakket en
                    meubilair in geval van bijzondere omstandigheden </tussenkop><al>Het bekostigen van vervangen of herstel van schade in geval van bijzondere
                        omstandighedenis van toepassing als het bevoegd gezag
                    geconfronteerd wordt met schade als gevolg van bijv. vandalisme, ruitbreuk,
                    storm, inbraak, brand etc. en deze schade niet is te verhalen op een derde
                    (daderaansprakelijkheid). Bij het bepalen van de omvang van de bekostiging wordt
                    rekening gehouden met de situatie van de school. Bij vervanging na brand kan
                    bijvoorbeeld een totaal afgebrande school worden vervangen door een schoolgebouw
                    met minder bruto vloeroppervlakte als de leerlingenprognose daartoe aanleiding
                    geeft. Ook kan het college in plaats van nieuwbouw een ander schoolgebouw
                    toewijzen. Hiervoor geldt eveneens dat als de schade veroorzaakt wordt door
                    nalatigheid van het bevoegd gezag (bijv. inbraak was mogelijk doordat een raam
                    niet was afgesloten) de kosten voor rekening van het bevoegd gezag komen.</al><al/><tussenkop>Deel B - Voorzieningen voor lichamelijke oefening</tussenkop><al>Tot een ruimte voor bewegingsonderwijs wordt niet alleen gerekend het
                    traditionele lokaal bewegingsonderwijs (= gymnastiekruimten), maar ook het
                    gebruik van de (gemeentelijke) sporthal. Een lokaal bewegingsonderwijs kan
                    juridisch eigendom zijn van de gemeente, het bevoegd gezag, of een derde.</al><al/><tussenkop>B.1 Nieuwbouw, vervangende nieuwbouw, uitbreiding of
                    ingebruikgeving</tussenkop><al>Voor het vaststellen van de noodzaak van een van de gevraagde voorzieningen is
                    een relatie gelegd tussen het aantal klokuren dat moet worden ingeroosterd en de
                    afstand tussen het schoolgebouw dat van het lokaal bewegingsonderwijs gebruik
                    moet maken.</al><al/><al>Als vervoer naar een verder weg gelegen lokaal bewegingsonderwijs voor de
                    gemeente financieel een goed alternatief is kan het college besluiten in plaats
                    van een voorziening het vervoer naar het lokaal bewegingsonderwijs te vergoeden.
                    Voordat hierover een besluit wordt genomen voert het college overleg met het
                    bevoegd gezag. </al><al>[<cursief>Voor het (voortgezet) speciaal onderwijs wordt aan een lokaal
                        bewegingsonderwijs gelijkgesteld een lokaal voor motorische therapie en een
                        schoolbad (watergewenningsbad of hydrotherapiebad). Deze laatste twee
                        voorzieningen kunnen uitsluitend worden aangevraagd en bekostigd voor de
                        onderwijssoorten waarvoor een dergelijke ruimte verplicht is:</cursief></al><lijst><li nr="-"><al><cursief> een hydrotherapiebad is noodzakelijk voor een school voor
                                speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs voor lichamelijk
                                gehandicapte kinderen en voor een school voor speciaal onderwijs of
                                voortgezet speciaal onderwijs voor meervoudig gehandicapte kinderen
                                met een lichamelijke handicap, en</cursief></al></li><li nr="-"><al><cursief> een watergewenningsbad is noodzakelijk voor een school voor
                                speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs voor zeer
                                moeilijk lerende kinderen en een school voor speciaal onderwijs of
                                voortgezet speciaal onderwijs voor meervoudig gehandicapten met zeer
                                moeilijk lerende kinderen.</cursief>]</al></li></lijst><tussenkop>B.3 Eerste inrichting</tussenkop><al>Aanvullend meubilairvoor het inrichten van het lokaal
                    bewegingsonderwijs kan als eerste inrichting worden verstrekt als een bestaand
                    lokaal:</al><lijst><li nr="-"><al> met een te kleine oefenzaal wordt uitgebreid waarbij de oefenzaal wordt
                            vergroot, of</al></li><li nr="-"><al> vervangende nieuwbouw wordt gerealiseerd met een groter lokaal
                            bewegingsonderwijs.</al></li></lijst><al>In deze situaties is de eerste inrichting in het verleden bekostigd voor de toen
                    gerealiseerde oppervlakte en voldoet de bestaande eerste inrichting naar
                    verwachting niet aan de gestelde eisen, respectievelijk is voor deze vernieuwde
                    lokalen bewegingsonderwijs niet eerder de volledige bekostiging eerste
                    inrichting verstrekt.</al><al/><tussenkop>B.5 Medegebruik</tussenkop><al>De mogelijkheid van medegebruikin een lokaal
                        bewegingsonderwijswordt vastgesteld op basis van het
                    rooster bewegingsonderwijs dat het college heeft vastgesteld voor de scholen
                    voor primair en speciaal of voortgezet speciaal onderwijs en het rooster
                    bewegingsonderwijs dat het bevoegd gezag van de school voor het voortgezet
                    onderwijs heeft vastgesteld voor de school voor voortgezet onderwijs.</al><al/><tussenkop>Bijlage II - Prognosecriteria</tussenkop><al>Op grond van de artikelen 7, tweede lid, onder a, en 18, eerste lid, is het
                    bevoegd gezag verplicht een leerlingenprognose te overleggen als een aanvraag
                    voor het bekostigen van een voorziening huisvesting onderwijs (vervangende)
                    nieuwbouw, uitbreiding gebouw, eerste inrichting, in gebruik nemen, verplaatsen,
                    terrein en medegebruik wordt ingediend. De leerlingenprognose is de basis voor
                    het beoordelen van de noodzaak van de door de bevoegde gezagsorganen
                    aangevraagde voorziening en van belang voor het vaststellen van de periode
                    waarvoor de voorziening huisvesting onderwijs noodzakelijk is. </al><al/><tussenkop>Bijlage III - Beoordelingscriteria capaciteit, ruimtebehoefte en
                    aanvullende ruimtebehoefte</tussenkop><al>In bijlage III wordt evenals in bijlage I een onderverdeling per voorziening
                    huisvesting onderwijs gehanteerd. Op verschillen tussen de onderwijssectoren
                    wordt bij de sectoren afzonderlijk ingegaan.</al><al/><al>Bij het vaststellen van de onderwijscapaciteit van het schoolgebouw die wordt
                    geregistreerd wordt geen rekening gehouden met de m<sup>2</sup> bruto
                    vloeroppervlakte die een bevoegd gezag voor eigen rekening heeft gerealiseerd,
                    waar dus geen (rijks)vergoeding voor is verstrekt. Deze capaciteit wordt wel
                    geregistreerd.</al><al/><tussenkop>Deel A - Vaststellen capaciteit</tussenkop><al>De capaciteit van een (school)gebouw wordt vastgesteld in m<sup>2</sup> bruto
                    vloeroppervlakte. Op basis van de vastgestelde capaciteit kan worden beoordeeld
                    of het (school)gebouw:</al><lijst><li nr="a."><al>te maken heeft met leegstand, of</al></li><li nr="b."><al>moet worden uitgebreid omdat er een tekort aan capaciteit is
                            (aanvullende ruimtebehoefte, deel C).</al></li></lijst><al>De bruto vloeroppervlakte van het schoolgebouw wordt door het college opgenomen
                    in de gemeentelijke administratie, omdat dit gegeven van wezenlijk belang is
                    voor het uitvoeren van de verordening. Mutaties die plaatsvinden (nieuwbouw,
                    vervangende nieuwbouw, uitbreiding etc.) moeten op grond van artikel 5 van de
                    verordening door de bevoegde gezagsorganen aan het college worden doorgegeven.
                    Door het vastleggen van deze mutaties in de gemeentelijke administratie beschikt
                    het college over de meest actuele bruto vloeroppervlakte van de
                    (school)gebouwen. De bruto vloeroppervlakte is een gegeven dat wordt bepaald aan
                    de hand van deel E, de meetinstructie voor het vaststellen van de bruto
                    vloeroppervlakte van schoolgebouwen.</al><al>Bij het vaststellen van de capaciteit kan vastgesteld worden dat als gevolg van
                    de indeling van het schoolgebouw de vastgestelde capaciteit niet volledig
                    geschikt is voor medegebruik (bijv. een gangenschool). Het schoolgebouw is dan
                    ‘overgedimensioneerd’ als gevolg van een onevenwichtige indeling van het
                    schoolgebouw. Op dat moment kan het bevoegd gezag het college vragen om de
                    capaciteit lager vast te stellen. Het college neemt over dit verzoek een
                    besluit. Besluit het college aan het verzoek van het bevoegd gezag te voldoen,
                    dan registreert het college zowel de totale bruto vloeroppervlakte van het
                    schoolgebouw en de bruto vloeroppervlakte die geschikt is als op minder
                    onderwijscapaciteit. Op het moment dat het college een aanvraag voor het
                    bekostigen van uitbreiding van het schoolgebouw ontvangt stelt het college vast
                    of het mogelijk is de gevraagde uitbreiding geheel of gedeeltelijk inpandig te
                    realiseren waardoor de ‘overdimensionering’ van het schoolgebouw wordt
                    verminderd.</al><al/><tussenkop>A.1.2 en A.1.3 Dislocaties</tussenkop><al>Als de school is gehuisvest in meerdere gebouwen wordt gesproken van huisvesting
                    in een hoofdgebouw en een of meer dislocaties. Daalt het aantal leerlingen
                    zodanig dat het gebruik van een van de locaties kan worden beëindigd, dan is het
                    in eerste instantie aan het bevoegd gezag een besluit te nemen over de locatie
                    die buiten gebruik wordt gesteld en wordt overgedragen aan het college, tenzij
                    een van de locaties een gebouw is waarvoor het college een huurvergoeding
                    betaalt. Een schoolgebouw waarvoor het college een huurvergoeding betaalt wordt
                    als eerste buiten gebruik gesteld. Als het college van mening is dat het buiten
                    gebruik stellen van een ander schoolgebouw de voorkeur heeft, dan vindt overleg
                    plaats tussen het bevoegd gezag en het college.</al><al/><tussenkop>A.1.4 Terrein</tussenkop><al>De terreinoppervlakte waarop het schoolgebouw staat is gelijk aan de grootte van
                    het perceel zoals dit bij het Kadaster is vastgelegd. Het kan voorkomen dat de
                    kadastrale perceelgrenzen niet overeenkomen met de grenzen van het
                    schoolterrein. Oorzaak is vaak dat de terreinoppervlakte van het openbaar groen
                    en eventueel andere openbare gebouwen samen met het schoolterrein als een geheel
                    is geregistreerd. In die situatie wordt voor het schoolgebouw het met
                    overheidsmiddelen bekostigde deel van de terreinoppervlakte vastgelegd.</al><al/><tussenkop>A.1.5 Inventaris</tussenkop><al>Het vaststellen van het aantal leerlingen waarvoor eerste inrichting is
                    bekostigd is noodzakelijk voor het beoordelen van een aanvraag voor het
                    bekostigen uitbreiding van eerste inrichting. Evenals geldt voor het
                    schoolgebouw is de uitbreiding van de eerste inrichting gekoppeld aan de
                    uitbreiding met het aantal m<sup>2</sup> bruto vloeroppervlakte. Uitgangspunt is
                    dat op 1 januari 2015 de eerste inrichting is bekostigd waarop het bevoegd gezag
                    tot die datum aanspraak maakte.</al><al/><tussenkop>A.1.6 Lokalen bewegingsonderwijs</tussenkop><al>Het vaststellen van de capaciteit van het lokaal bewegingsonderwijs is van
                    belang om te kunnen vaststellen of het aantal klokuren voor een school voor
                        basisonderwijs[<cursief>, een speciale school voor basisonderwijs en een
                        school voor speciaal of voortgezet speciaal onderwijs, of het aantal lesuren
                        voor een school voor voortgezet</cursief>] kan worden ingeroosterd.</al><al/><tussenkop>A.1.6.2 Terrein</tussenkop><al>De terreinoppervlaktevan een lokaal bewegingsonderwijs is gelijk aan
                    de grootte van het perceel zoals dit bij het Kadaster is vastgelegd. Of de
                    terreinoppervlakte van het lokaal bewegingsonderwijs afzonderlijk wordt
                    geregistreerd is afhankelijk van de ligging van het lokaal bewegingsonderwijs.
                    Als het lokaal bewegingsonderwijs:</al><lijst><li nr="-"><al>inpandig in het schoolgebouw is gerealiseerd maakt het onderdeel uit van
                            de terreinoppervlakte van het schoolgebouw; </al></li><li nr="-"><al>als aanbouw van het schoolgebouw, of als afzonderlijk gebouw is
                            gerealiseerd op het terrein van het bevoegd gezag wordt het afzonderlijk
                            geregistreerd;</al></li><li nr="-"><al>ligt op een afzonderlijk terrein wordt het afzonderlijk
                            geregistreerd;</al></li><li nr="-"><al>[<cursief>onderdeel uitmaakt van een school voor voortgezet onderwijs en
                                ligt op hetzelfde terrein als het schoolgebouw, dan wordt het niet
                                afzonderlijk geregistreerd.</cursief>]</al></li></lijst><tussenkop>A.1.6.3 Inventaris</tussenkop><al>De eerste inrichting van het lokaal bewegingsonderwijs die bekostigd is wordt
                    geacht voldoende te zijn om te voldoen aan de gesteld eisen van het
                    bewegingsonderwijs.</al><al/><tussenkop>Deel B - Vaststellen ruimtebehoefte</tussenkop><al>Voor het vaststellen van de ruimtebehoefte is bepalend het aantal leerlingen dat
                    op de teldatum 1 oktober voorafgaande aan het indienen van de aanvraag op de
                    school aanwezig is. Op basis van het aantal leerlingen wordt de bruto
                    vloeroppervlakte (= ruimtebehoefte) vastgesteld. Op basis van de uitkomst van de
                    leerlingenprognose wordt vastgesteld voor welke periode deze ruimtebehoefte
                    noodzakelijk is. </al><al/><tussenkop>B.1 Lesgebouwen</tussenkop><al>De ruimtebehoefte voor een school voor basisonderwijs[, <cursief>een speciale
                        school voor basisonderwijs, een school voor speciaal onderwijs of voortgezet
                        speciaal onderwijs en een school voor voortgezet onderwijs</cursief>] wordt
                    gebaseerd op het aantal leerlingen vermenigvuldigd met een m<sup>2</sup> bruto
                    vloeroppervlakte per leerling. [<cursief>Een school voor voortgezet onderwijs
                        maakt daarnaast aanspraak op een vaste voet, die afhankelijk is
                        van:</cursief></al><lijst><li nr="-"><al><cursief> de aard van de vestiging, te weten een hoofd- of een
                                nevenvestiging met spreidingsnoodzaak, en</cursief></al></li><li nr="-"><al><cursief> de leerweg van de school voor vmbo of
                                praktijkschool.</cursief>]</al></li></lijst><tussenkop>B.1.1 School voor basisonderwijs</tussenkop><al>De ruimtebehoefte van de school voor basisonderwijs is opgebouwd uit de
                    basisruimtebehoefte en de aanvullende ruimtebehoefte. De basisruimtebehoefte
                    bestaat uit de vaste voet (200 m<sup>2</sup>) en de som van het aantal ongewogen
                    leerlingen dat op de school voor basisonderwijs is ingeschreven vermenigvuldigd
                    met 5,03 m<sup>2</sup> per leerling. Op aanvullende ruimtebehoefte bestaat
                    aanspraak als op de school ‘gewichtenleerlingen’ staan ingeschreven. De
                    aanvullende ruimtebehoefte is afhankelijk van de ‘gewichtensom’. De som van de
                    basisruimtebehoefte en de aanvullende ruimtebehoefte is de totale
                    ruimtebehoefte. Onderdeel hiervan is een speellokaal.</al><al/><tussenkop>[B.1.2 Speciale school voor basisonderwijs</tussenkop><al><cursief>De basisruimtebehoefte bestaat uit een vaste voet (250 m<sup>2</sup>)
                        en de som van het aantal leerlingen dat op de speciale school voor
                        basisonderwijs is ingeschreven, vermenigvuldigd met 7,35 m<sup>2 </sup>per
                        leerling. Heeft de speciale school voor basisonderwijs aanspraak op een
                        speellokaal, dan wordt de ruimtebehoefte verhoogd met 90
                        m<sup>2</sup>.</cursief>]</al><al/><tussenkop>[B.1.3 School voor (voortgezet) speciaal onderwijs</tussenkop><al><cursief>De ruimtebehoefte van </cursief><cursief>een school voor speciaal
                        onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs bestaat uit een vaste voet en de
                        som van het aantal leerlingen dat op de school is ingeschreven
                        vermenigvuldigd met een m<sup>2</sup> bruto vloeroppervlakte per leerling.
                        Zowel de vaste voet als de m<sup>2</sup> bruto vloeroppervlakte per leerling
                        zijn afhankelijk van de onderwijssoort. Bij het vaststellen van de
                        ruimtebehoefte wordt onderscheid gemaakt in een:</cursief></al><lijst><li nr="-"><al><cursief> school voor speciaal onderwijs (so);</cursief></al></li><li nr="-"><al><cursief> school voor voortgezet speciaal onderwijs
                            (vso);</cursief></al></li><li nr="-"><al><cursief> school voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs
                                (sovso);</cursief></al></li><li nr="-"><al><cursief> school voor speciaal onderwijs met een of meer afdelingen,
                                en</cursief></al></li><li nr="-"><al><cursief> school voor voortgezet speciaal onderwijs met een of meer
                                afdelingen.</cursief></al></li></lijst><al/><al><cursief>De ruimtebehoefte bij een school </cursief><cursief>een school voor
                        speciaal of voortgezet speciaal onderwijs wordt vastgesteld op eenmaal de
                        vaste voet, verhoogd met de uitkomst van de afzonderlijk berekende bruto
                        vloeroppervlakte voor het aantal leerlingen van de so- en de vso-component
                        en van de afdelingen. Is sprake van een of meer afdelingen, dan wordt het
                        aantal leerlingen van een of meer afdelingen bij het aantal leerlingen van
                        de so-component opgeteld.</cursief></al><al/><al><cursief>Heeft de school voor speciaal onderwijs aanspraak op een speellokaal,
                        dan wordt de ruimtebehoefte verhoogd met 90 m<sup>2</sup>.</cursief>]</al><al/><tussenkop>[B.1.4 School voor voortgezet onderwijs</tussenkop><al><cursief>Een school voor voortgezet onderwijs kent uitsluitend de
                        basisruimtebehoefte. De basisruimtebehoefte bestaat uit een vaste voet,
                        vermeerderd met de som van het aantal leerlingen vermenigvuldigd met de
                        m<sup>2</sup> bruto vloeroppervlakte per leerling, die geldt voor de
                        onderwijsrichting waarop de leerling staat ingeschreven. De vaste voet wordt
                        toegekend voor de hoofdvestiging van de school voor voortgezet onderwijs en
                        de nevenvestiging met spreidingsnoodzaak. Daarnaast wordt een vaste voet
                        toegekend voor de afzonderlijke leerwegen in het vmbo. Of sprake is van een
                        nevenvestiging met spreidingsnoodzaak wordt vastgesteld op basis van de door
                        de minister van OCW aan het bevoegd gezag afgegeven beschikking.</cursief></al><al/><al><cursief>Leerwegondersteunend onderwijs (Lwoo) of de gemengde leerweg kan de
                        school voor voortgezet onderwijs uitsluitend aanbieden in relatie met de
                        beroepsgerichte leerweg van een bepaalde afdeling of sector en kan
                        uitsluitend worden aangeboden als de minister van OCW hiervoor toestemming
                        heeft verleend. De school voor voortgezet onderwijs beschikt dan over de
                        betreffende licenties.</cursief>]</al><al/><tussenkop>B.2 Lokalen bewegingsonderwijs</tussenkop><al>De ruimtebehoefte van een lokaal bewegingsonderwijs is afhankelijk van het
                    totaal aantal klokuren of lesuren dat in het lokaal bewegingsonderwijs is
                    ingeroosterd. De ruimtebehoefte van de school voor basisonderwijs[,<cursief>
                        speciale school voor basisonderwijs, school voor speciaal en voortgezet
                        speciaal onderwijs</cursief>] is afhankelijk van het aantal gymgroepen. Het
                    aantal gymgroepen voor de school voor basisonderwijs is afhankelijk van het
                    aantal formatieplaatsen. Om het aantal formatieplaatsen te bepalen wordt de
                    splitsingstabel gehanteerd die het college hanteert bij het vaststellen van de
                    materiele vergoeding. Beschikt de school voor basisonderwijs[<cursief>, speciale
                        school voor basisonderwijs, school voor speciaal en voortgezet speciaal
                        onderwijs</cursief>] niet over een speellokaal, dan bestaat aanspraak op
                    gebruik van een lokaal bewegingsonderwijs door de leerlingen in de leeftijd van
                    4 en 5 jaar. Hierop bestaat geen aanspraak als de school voor basisonderwijs
                    binnen de genormeerde bruto vloeroppervlakte geen speellokaal heeft
                    gerealiseerd.</al><al/><tussenkop>Deel C - Vaststellen aanvullende ruimtebehoefte</tussenkop><al>De aanvullende ruimtebehoefte wordt in de volgende stappen vastgesteld:</al><al>stap 1 vastgestelde capaciteit (deel A)</al><al>stap 2 vastgestelde ruimtebehoefte (deel B)</al><al>stap 3 vaststellen aanvullende ruimtebehoefte = saldo capaciteit – vastgestelde
                    ruimtebehoefte</al><al>stap 4 vaststellen of saldo van stap 3 gelijk of groter is dan de drempelwaarde
                    (Drempelwaarde:</al><lijst><li nr="-"><al>55 m2 bruto vloeroppervlakte voor een permanente voorziening school voor
                            basisonderwijs; </al></li><li nr="-"><al>50 m2 bruto vloeroppervlakte voor een permanente voorziening speciale
                            school voor basisonderwijs of voor een school voor (voortgezet) speciaal
                            onderwijs;</al></li><li nr="-"><al>40 m2 bruto vloeroppervlakte voor een tijdelijke voorziening voor een
                            school voor basisonderwijs, een speciale school voor basisonderwijs en
                            een school voor (voortgezet) speciaal onderwijs, en</al></li><li nr="-"><al>10% van de bestaande capaciteit met een minimum van 100 m2 voor een
                            school voor voortgezet onderwijs.</al></li></lijst><al>stap 5 is de uitkomst van stap 4:</al><al>lager dan de drempelwaarde, dan bestaat geen aanspraak op bekostigen
                    voorziening,</al><al>gelijk of groter dan de drempelwaarde, dan bestaat aanspraak op het bekostigen
                    van een voorziening op basis van de uitkomst van stap 3.</al><al/><al>Een school voor basisonderwijs maakt geen aanspraak op extra bruto
                    vloeroppervlakte voor een speellokaal, omdat deze bruto vloeroppervlakte is
                    geïntegreerd in de vaste voet en bruto vloeroppervlakte per leerling. Heeft de
                    school voor basisonderwijs binnen de genormeerde bruto vloeroppervlakte geen
                    speellokaal gerealiseerd dan bestaat geen aanspraak op gebruik van een lokaal
                    bewegingsonderwijs door de groepen 1 en 2 wegens het ontbreken van een
                    speellokaal. In deze situatie kan de school voor basisonderwijs een lokaal
                    bewegingsonderwijs door de groepen 1 en 2 alleen gebruiken als het college
                    hiervoor toestemming verleend, binnen het lokaal bewegingsonderwijs de
                    noodzakelijke capaciteit beschikbaar is en het bevoegd gezag bereid is een
                    huurvergoeding te betalen. [<cursief>Een speciale school voor basisonderwijs en
                        een school voor speciaal onderwijs maken aanspraak op extra bruto
                        vloeroppervlakte voor een speellokaal als deze scholen worden bezocht door
                        leerlingen in de leeftijd tot zes jaar.</cursief>] </al><al/><al>Bij een aanvraag voor het bekostigen van de voorziening onderwijshuisvesting
                    uitbreiding wordt vastgesteld of gebruik is gemaakt van de mogelijkheid om de
                    capaciteit van het schoolgebouw lager vast te stellen dan de feitelijke bruto
                    vloeroppervlakte van het schoolgebouw (zie toelichting deel A). Heeft deze
                    situatie zich voorgedaan, dan wordt in de berekening voor het vaststellen van
                    het aantal m<sup>2</sup> uitbreiding van het schoolgebouw bekeken of het
                    verschil tussen de feitelijk aanwezige capaciteit en de geregistreerde
                    capaciteit kan worden opgeheven resp. verminderd. Doet deze situatie zich voor,
                    dan geldt als uitgangspunt voor het ontwerpen van een bouwplan dat de toegekende
                    uitbreiding in eerste instantie moet leiden tot het verminderen van de zgn.
                    verschiloppervlakte. Dit kan leiden tot het toekennen van een interne aanpassing
                    of beperkte uitbreiding in combinatie met een interne aanpassing van het
                    schoolgebouw. De definitieve keuze is afhankelijk van de investeringskosten die
                    moeten blijken uit een vergelijking tussen de investeringskosten van uitsluitend
                    de aanpassing en de investeringskosten van een combinatie van aanpassing met een
                    eventuele (beperkte) uitbreiding. Op het moment dat wordt vastgesteld dat de
                    investeringskosten van de aanpassing hoger zijn dan de investeringskosten van
                    een (beperkte) uitbreiding van het gebouw kan worden besloten het gebouw uit te
                    breiden. </al><al/><al>[<cursief>In het voortgezet onderwijs bestaat pas aanspraak op bekostiging van
                        de voorziening uitbreiding van het schoolgebouw als de gevraagde
                        ruimtebehoefte minimaal tien procent hoger is dan de bruto vloeroppervlakte
                        van de bestaande capaciteit. De wijze waarop de ruimtebehoefte wordt
                        vastgesteld is afhankelijk van de onderwijssoort. Bij het toekennen van de
                        voorziening uitbreiding wordt onderscheid gemaakt in de ‘voor blijvend’ en
                        de ‘voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening’. Wordt
                    toegekend:</cursief></al><lijst><li nr="-"><al><cursief>de voor blijvend gebruik bestemde voorziening, dan wordt
                                toegekend de totaal berekende aanvullende ruimtebehoefte, er wordt
                                dus geen rekening gehouden met de drempel van 10%;</cursief></al></li><li nr="-"><al><cursief>de voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening, dan wordt
                                toegekend het aantal m<sup>2</sup> dat de 10% overschrijdt, de
                                aanvullende ruimtebehoefte tot 10% moet het schoolbestuur binnen de
                                bestaande capaciteit opvangen(LJN BW5954, Raad van State,
                                201107376/1/A2).</cursief>]</al></li></lijst><tussenkop>C.1 en C.2 Voor blijvend en tijdelijk gebruik bestemde
                    voorzieningen</tussenkop><al>Bij het toekennen van ruimtebehoefte wordt onderscheid gemaakt in voor tijdelijk
                    gebruik bestemde voorzieningen en voor blijvend gebruik bestemde voorzieningen.
                    De keuze tussen voor tijdelijk of permanent is afhankelijk van de verwachte
                    periode dat de voorziening noodzakelijk is. Bij een periode van:</al><lijst><li nr="-"><al>korter dan 4 jaar, dan in principe geen toekenning;</al></li><li nr="-"><al>4 jaar tot 15 jaar, dan toekennen van voor tijdelijk gebruik bestemde
                            huisvesting;</al></li><li nr="-"><al>langer dan 15 jaar, dan toekennen van voor blijvend gebruik bestemde
                            huisvesting.</al></li></lijst><al/><tussenkop>C.3 Overige voor blijvend gebruik of voor tijdelijk gebruik bestemde
                    voorzieningen</tussenkop><al>De mogelijkheid van ingebruikneming is afhankelijk van de vastgestelde
                    ruimtebehoefte in relatie tot de capaciteit van het schoolgebouw. Afhankelijk
                    van de benodigde capaciteit kan een gebouw volledig dan wel gedeeltelijk in
                    gebruik worden gegeven.</al><al/><al>De mogelijkheid van medegebruik is afhankelijk van de vastgestelde leegstand in
                    het schoolgebouw en in relatie tot de vastgestelde ruimtebehoefte en de afstand
                    tussen de hoofdvestiging en de vestiging waar het medegebruik kan worden
                    gerealiseerd.</al><al/><al>De omvang van het terrein heeft betrekking op zowel de ondergrond van het
                    schoolgebouw als het aangrenzende speelterrein. De minimaal noodzakelijke
                    oppervlakte voor een school voor basisonderwijs[, <cursief>een speciale school
                        voor basisonderwijs, een school voor speciaal onderwijs of school voor
                        voortgezet speciaal onderwijs</cursief>]is opgenomen in
                    deel D. Tot het terrein behoren niet de eventueel noodzakelijke parkeerplaatsen,
                    of de ruimte voor een kiss-en-ride-strook. </al><al/><al>De omvang van de eerste aanschaf van onderwijsleerpakket of de uitbreiding is
                    gekoppeld aan de voorziening nieuwbouw of uitbreiding. Wordt een van deze
                    voorzieningen toegekend, of een alternatief (bijv. ingebruikgeving,
                    medegebruik), dan ontstaat aanspraak op bekostiging van deze voorziening.</al><al/><tussenkop>C.4 Lokalen bewegingsonderwijs</tussenkop><al>De bepalingen rond de verschillende voorzieningen huisvesting onderwijs die
                    betrekking hebben op het lokaal bewegingsonderwijs zijn gelijk aan de bepalingen
                    die van toepassing zijn op het toekennen van voorzieningen voor schoolgebouwen. </al><al/><tussenkop>Deel D - Minimumnormen bij het realiseren van nieuwe
                    voorzieningen</tussenkop><al>In de verordening zijn uitsluitend minimumnormen opgenomen. Het is aan het
                    bevoegd gezag om de ruimten en indeling van het schoolgebouw te bepalen. Daarbij
                    moet het bevoegd gezag wel voldoen aan de eisen van het Bouwbesluit.</al><al/><tussenkop>Bijlage IV - Normbedragen voor vergoeding en indexering</tussenkop><tussenkop>Algemeen</tussenkop><al>Artikel 102, derde lid, van de WPO[<cursief>,</cursief><cursief>artikel 100, derde lid, van de WEC en artikel 76m, derde lid, van de
                        WVO</cursief>]verplichten de gemeenteraad normen vast te
                    stellen voor het bekostigen van de voorzieningen huisvesting onderwijs die
                    worden toegekend. Bijlage IV is de uitwerking van deze artikelen en deze bijlage
                    heeft een relatie met artikel 4 van de verordening, waarin is opgenomen welke
                    voorzieningen worden bekostigd op basis van normbedragen </al><al/><al>Naast het bekostigen van de genoemde voorzieningen onderwijshuisvesting is de
                    gemeente verantwoordelijk voor het bekostigen van de onroerend zaak belasting
                    (artikel 133 van de WPO[<cursief>, artikel 127 van de WEC en artikel 96c.1 van
                        de WVO</cursief>]<cursief>).</cursief> Het bedrag dat de gemeente voor de
                    OZB moet bekostigen is gelijk aan het bedrag van de opgelegde aanslag.</al><al/><tussenkop>Deel A - Indexering</tussenkop><al>De normbedragen moeten jaarlijks worden aangepast aan het dan geldende
                    prijspeil. </al><al>Met het bijstellen aan de hand van een indexcijfer wordt het normbedrag op een </al><al>actueel prijspeil gebracht. De verordening hanteert het MEV-prijsindexcijfer dat
                    jaarlijks, gelijktijdig met de miljoenennota, wordt gepubliceerd. Het
                    vaststellen van de nieuwe normbedragen is door de gemeenteraad gedelegeerd aan
                    het college (artikel 32 van de verordening).</al><al/><tussenkop>Deel B - Normbedragen</tussenkop><tussenkop>Vergoeding voorbereidingskrediet</tussenkop><al>In tegenstelling tot de modelverordening van de VNG wordt een
                    voorbereidingskrediet geregeld in de aan de verordening toegevoegde
                    bouwheerovereenkomst.Nadat het definitieve bedrag van de bekostiging is
                    vastgesteld wordt bij het beschikbaar stellen van de vergoeding het al
                    beschikbaar gestelde voorbereidingskrediet in mindering gebracht op het bedrag
                    van de vastgestelde bekostiging.</al><al/><tussenkop>A en B. Nieuwbouw en uitbreiding met permanente bouwaard</tussenkop><al>De opgenomen normbedragen omvatten alle bijkomende kosten, zoals eventuele
                    kosten voor fundering, aansluitkosten, terreininrichting en dergelijke en zijn
                    incl. BTW.</al><al>De hoogte van de normvergoeding is voor:</al><lijst><li nr="-"><al>een school voor basisonderwijs [,<cursief> een speciale school voor
                                basisonderwijs, een school voor speciaal onderwijs of voortgezet
                                speciaal onderwijs</cursief>]<cursief> opgebouwd </cursief>uit
                            een:</al><lijst><li nr="1)"><al>startbedrag, inclusief een aantal m2 bruto vloeroppervlakte
                                    en</al></li><li nr="2)"><al>bedrag per m2 bruto vloeroppervlakte[, welk bedrag voor een
                                    school voor speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs
                                    afhankelijk is van de onderwijssector].</al></li></lijst></li><li nr="-"><al>een school voor voortgezet onderwijs opgebouwd uit een:</al><lijst><li nr="1)"><al>vaste voet (hoofdvestiging en nevenvestiging met
                                    spreidingsnoodzaak)</al></li><li nr="2)"><al>bedrag per m2 bruto vloeroppervlakte, afhankelijk van de
                                    toegekende bruto vloeroppervlakte en toegekende ruimtesoort
                                    (lokaal specifiek en sectie specifiek).</al></li></lijst></li></lijst><al/><al><cursief>De normvergoeding ‘uitbreiding’ voor een school voor voortgezet
                        onderwijs wordt als volgt vastgesteld:</cursief></al><lijst><li nr="a."><al><cursief>per ruimtesoort bepalen het verschil tussen bestaande
                                capaciteit bruto vloeroppervlakte en toegekende uitbreiding bruto
                                vloeroppervlakte;</cursief></al></li><li nr="b."><al><cursief>per ruimtesoort berekenen de vergoeding op basis van het onder
                                a vastgestelde verschil in capaciteit, en</cursief></al></li><li nr="c."><al><cursief>vaststellen de hoogte van de vergoeding.</cursief></al></li></lijst><al><cursief>Deze berekening is noodzakelijk omdat een uitbreiding van een school
                        voor voortgezet onderwijs enerzijds bestaande ruimten in het schoolgebouw
                        moeten worden uitgebreid en anderzijds mogelijk bestaande ruimten in bruto
                        vloeroppervlakte kunnen worden teruggebracht.</cursief></al><al/><al>Naast de genoemde normbedragen voor de stichtingskosten kunnen, afhankelijk van
                    de toe te kennen voorziening, aanvullende vergoedingen worden toegekend voor
                    bijv. fundering, inrichting van het terrein, het realiseren van een speellokaal
                    en sloopkosten. Kosten voor de verwerving van een terrein zijn niet opgenomen,
                    aangezien deze kosten afhankelijk van de ligging sterk kunnen variëren.</al><al/><tussenkop>A.2 Kosten voor terreinen</tussenkop><al>De gemeente moet de grond bouw- en woonrijp opleveren. Dit betekent dat alle
                    kosten die verband houden met het bouw- en woonrijp maken (aankoop, aanleggen
                    riolering, schoongrond verklaring, bestrating et cetera) voor rekening van de
                    gemeente komen</al><al/><tussenkop>C. Tijdelijke voorziening</tussenkop><al>Een tijdelijk gebouw kan worden gerealiseerd in de vorm van nieuwbouw, of door
                    middel van huur van een tijdelijke voorziening of bestaande huisvesting (een
                    tijdelijke accommodatie kan ook betrekking hebben op een semipermanent gebouw).
                    De keuze tussen aankoop en huur van tijdelijke huisvesting is afhankelijk van
                    aspecten als de verwachte gebruiksduur, verwerving van eigendom en
                    multifunctioneel gebruik. Tijdelijke lokalen kunnen noodzakelijk zijn:</al><lijst><li nr="-"><al>als eerste voorziening (nieuwbouw);</al></li><li nr="-"><al>voor het uitbreiden van een permanent hoofdgebouw, en</al></li><li nr="-"><al>voor het uitbreiden van een bestaande accommodatie.</al></li></lijst><al/><al>De keuze tussen huur of koop van tijdelijke huisvesting in plaats van het
                    realiseren van permanente huisvesting wordt gebaseerd op de uitkomst van een
                    vergelijking tussen de kosten van:</al><lijst><li nr="-"><al>tijdelijke huisvesting in relatie tot de kosten van een permanente
                            voorziening, en</al></li><li nr="-"><al>aankoop van tijdelijke huisvesting in relatie met de kosten van huur van
                            tijdelijke huisvesting,</al></li></lijst><al>waarbij in beide vergelijkingen rekening moet worden gehouden met de kosten van
                    het plaatsen en het in de toekomst verwijderen van de te huren resp. aan te
                    kopen lokalen.</al><al/><al>Afhankelijk van de uitkomst van de berekening kan de conclusie zijn dat gelet op
                    de:</al><lijst><li nr="-"><al>kosten van de tijdelijke huisvesting in vergelijking met de kosten van
                            de permanente huisvesting alsnog bekostiging voor permanente bouw wordt
                            toegekend (dit speelt vooral als de tijdelijke huisvesting naar
                            verwachting voor lange termijn noodzakelijk is);</al></li><li nr="-"><al>korte periode waarvoor de voorziening noodzakelijk is een huurvergoeding
                            wordt toegekend, of</al></li><li nr="-"><al>periode waarvoor de voorziening noodzakelijk is, wordt overgegaan tot
                            koop van een tijdelijk gebouw omdat dit goedkoper is dan huur.</al></li></lijst><tussenkop>D. Eerste inrichting</tussenkop><al>De vergoeding voor de eerste inrichting van een school voor
                        basisonderwijs[,<cursief> een speciale school voor basisonderwijs, een
                        school voor speciaal onderwijs of voortgezet speciaal
                        onderwijs</cursief>]bestaatuit een
                    basisbedrag en een bedrag per m<sup>2</sup>. [<cursief>Bij
                        </cursief><cursief>een school voor speciaal onderwijs of voortgezet speciaal
                        onderwijs wordt zowel bij het basisbedrag als het bedrag per m<sup>2</sup>
                        onderscheid gemaakt naar onderwijssoort.</cursief>]</al><al/><al>[<cursief>Voor het voortgezet onderwijs wordt bij (vervangende) nieuwbouw het
                        bedrag van de bekostiging eerste inrichting waarop de school voor voortgezet
                        onderwijs aanspraak maakt op gelijke wijze berekend als de berekening van
                        vergoeding bouwkosten (vervangende) nieuwbouw. Aanvullende bekostiging
                        eerste inrichting leer- en hulpmiddelen is niet in alle gevallen
                        noodzakelijk:</cursief></al><lijst><li nr="-"><al><cursief>als een school goedkope ruimte (bijv. algemene ruimte) moet
                                ombouwen voor dure ruimte (bijv. werkplaats of specifieke ruimte)
                                wordt het verschil in inventariskosten
                            gecompenseerd;</cursief></al></li><li nr="-"><al><cursief>als een school een werkplaats of specifieke ruimte ombouwt tot
                                algemene ruimte ontstaat de omgekeerde situatie, in principe wordt
                                de school gekort op het bedrag voor inventaris. Als deze situatie
                                zich voordoet wordt vastgesteld dat de</cursief><cursief> school een
                                hoger bedrag aan bekostiging heeft ontvangen dan waarop het volgens
                                de verordening aanspraak maakt. Dit verschil wordt
                                geregistreerd.</cursief>]</al></li></lijst><al/><tussenkop>E. Lokalen bewegingsonderwijs</tussenkop><al>De normbedragen voor de lokalen bewegingsonderwijs zijn onderverdeeld in
                    bedragen voor:</al><lijst><li nr="-"><al>nieuwbouw;</al></li><li nr="-"><al>uitbreiding, en</al></li><li nr="-"><al>eerste inrichting met onderwijsleerpakket/meubilair.</al></li></lijst><al/><al>[<cursief>Daarnaast</cursief><cursief> hebben de scholen voor speciaal onderwijs
                        of voortgezet speciaal onderwijs voor LG- en MG-leerlingen aanspraak op een
                        aanvullende bekostiging voor het vergroten van de entree en de was- en
                        kleedruimte als deze lokalen bewegingsonderwijs niet toegankelijk
                        zijn.</cursief>]</al><al/><tussenkop>F. Vergoeding feitelijke kosten</tussenkop><al>Voor het vaststellen van de vergoeding op basis van de feitelijke kosten wordt
                    onderscheid gemaakt in de voorzieningen genoemd in artikel 2, onder a, en de
                    voorzieningen genoemd in artikel 2, onder b en c. In de kostenbegroting van de
                    eerstgenoemde voorzieningen zijn opgenomen de kosten van de architect en het
                    bouwkundig toezicht. Deze kosten maken geen onderdeel uit van de ontvangen
                    offertes voor het herstel als gevolg van een constructiefout of andere schade.
                    Ook bij het vaststellen van deze niet genormeerde kosten moet rekening worden
                    gehouden met de kosten van technische advisering (BD3606 Raad van State,
                    200705694/1.).</al><al/><tussenkop>[G. Huur sportvelden</tussenkop><al><cursief>Een school voor voortgezet onderwijs maakt aanspraak op een vergoeding
                        van het college voor het gebruik van een sportveld. Op deze vergoeding
                        bestaat uitsluitend aanspraak als het sportveld niet is gerealiseerd met
                        gemeentelijke middelen. De huurvergoeding is een vergoeding in de
                        investeringskosten. Naast de vergoeding voor de investeringskosten die voor
                        rekening van de gemeente komt kan de verhuurder aan de school voor
                        voortgezet onderwijs in rekening brengen een vergoeding voor de
                        exploitatiekosten. De hoogte van de exploitatiekosten wordt vastgesteld door
                        degene die het sportveld beschikbaar stelt en deze kosten komen volledig
                        voor rekening van het bevoegd gezag. </cursief></al><al/><al><cursief>De gemeentelijke vergoeding is gebaseerd op de periode van 8 weken en
                        wordt alleen vermenigvuldigd met het aantal lesuren dat de school voor
                        voortgezet onderwijs van het sportveld gebruik maakt.</cursief>]</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>