<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR37058_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Handhavingsplan sociale zaken 2005</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Midden-Delfland</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-03-06</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Midden-Delfland</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Gemeenteblad, 2004, 6</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Handhavingsplan sociale zaken 2005</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Onbekend</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">college van burgemeester en wethouders</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2004-11-23</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2004-11-25</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2014-01-02</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Geen</overheidrg:kenmerk><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Handhavingsplan sociale zaken 2005</intitule><regeling><aanhef><preambule><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Afdeling</label><nr>1.</nr><titel>Fraudebestrijding</titel></kop><paragraaf><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1.</nr><titel>Inleiding</titel></kop><artikel><kop><label>1.1 Fraudebestrijding, rechtmatigheid en
                                    doelmatigheid</label></kop><al>Burgemeester en wethouders zijn verantwoordelijk voor een doelmatige
                                en rechtmatige uitvoering van de Wet werk en bijstand. Voorkomen en
                                bestrijden van uitkeringsfraude maakt integraal onderdeel uit van
                                het bijstandsbeleid. Minimalisatie van de fraudemogelijkheden heeft
                                niet alleen een positief effect op de bijstandsuitgaven maar
                                appelleert ook aan het rechtvaardigheidsgevoel binnen de samenleving
                                en draagt daarmee ook in belangrijke mate bij aan de
                                maatschappelijke legitimatie van de bijstandsverlening. Overigens is
                                altijd sprake van een spanningsveld tussen maximale controle,
                                uitvoerbaarheid en leefbaarheid. Fraudebeleid is daarom altijd een
                                compromis tussen deze drie aspecten, een compromis overigens, dat
                                onder invloed van de “tijdgeest” steeds aan verschuivingen
                                onderhevig is.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2.</nr><titel>Fraude</titel></kop><artikel><kop><label>2.1 Definitie van fraude</label></kop><al>Alvorens tot een uitwerking te komen van het fraudepreventiebeleid
                                en het fraude- bestrijdingsbeleid, dient eerst het begrip fraude te
                                zijn afgebakend. De term fraude is geen juridisch begrip. Tevens
                                zijn er verschillende opvattingen ten aanzien van fraude en de
                                daarbij behorende definities. </al><al>De definitie welke door de gemeente Midden-Delfland wordt gehanteerd
                                luidt:</al><al><onderstreept>Fraude:</onderstreept> Het bewust niet, onvolledig of
                                onjuist verstrekken van gegevens die ingevolge de wet (kunnen)
                                dienen ter vaststelling van een aanspraak op een uitkering, met als
                                oogmerk of als (mogelijk) gevolg het ontstaan of vergroten van een
                                aanspraak op een uitkering, danwel het verminderen of te niet gaan
                                van een afdrachtplicht.</al></artikel><artikel><kop><label>2.2 Soorten fraude</label></kop><al>De fraude kan in grote lijnen worden verdeeld in 3 categorieën, te
                                weten:</al><lijst><li nr="-"><al>woon- en leefvormenfraude;</al></li><li nr="-"><al>vermogensfraude;</al></li><li nr="-"><al>inkomensfraude; deze valt uiteen in twee soorten: witte
                                        fraude en zwarte fraude.</al></li></lijst><al>Onder witte fraude wordt verstaan de benadeling welke ontstaat door
                                het verzwijgen van inkomsten verkregen uit loon of andere uitkering
                                die in aanmerking worden genomen door inkomstenbelasting. Zwarte
                                fraude betreft de benadeling welke ontstaat door het verzwijgen van
                                inkomsten welke verkregen worden uit werkzaamheden die niet in
                                aanmerking worden genomen door de inkomstenbelasting.</al></artikel><artikel><kop><label>2.3 Preventie van fraude</label></kop><al>De belangrijkste doelstelling van het fraudebeleid is in feite de
                                preventie van fraude met uitkeringen. Het achteraf moeten reageren
                                op gepleegde fraude moet zoveel mogelijk worden voorkomen. Wordt de
                                fraude (te) laat ontdekt dan zijn de benadelingsbedragen al snel zo
                                hoog dat terugbetaling van het totale ten onrechte ontvangen bedrag
                                de belanghebbende in een uitzichtloze situatie kan brengen.
                                Preventie is een doelstelling die niet los te denken is van de hele
                                wijze van uitvoering van de Wet werk en bijstand. </al><al>Het betreft o.a. de verificatie van gegevens bij belanghebbenden en
                                bij andere instanties en ook de administratieve organisatie van
                                Sociale Zaken zelf, waarbij gedacht moet worden aan interne
                                procedures, richtlijnen e.d. Tevens dienen instrumenten aanwezig te
                                zijn om fraude, die ontstaat tijdens de uitkering, tijdig te
                                ontdekken. </al><al>Verder kunnen contacten met de belanghebbende als preventief middel
                                worden gebruikt. De medewerkers van Sociale Zaken hebben een
                                belangrijke taak in de uitvoering van het beleid ter voorkoming van
                                fraude, onder meer door een adequate vastlegging van gemaakte
                                afspraken. Verder dient voorlichting plaats te vinden over
                                wederzijdse rechten en plichten en het sanctie-instrumentarium.</al></artikel><artikel><kop><label>2.4 Opsporing van fraude</label></kop><al>Fraude kan op verschillende manieren opgespoord worden, in de meeste
                                gevallen op individuele basis maar ook op projectmatige basis zoals
                                bijvoorbeeld middels specifieke controle van doelgroepen,
                                steekproefsgewijze controle op bijvoorbeeld bedrijfstakgerichte
                                opsporing. De samenwerking met andere instanties is van belang zowel
                                voor de gegevensuitwisseling als voor de daadwerkelijke opsporing.
                                Daarbij is ook de samenwerking met het Openbaar Ministerie
                                belangrijk. De sociaal rechercheur is hierbij een schakel.
                                Fraude-alertheid blijft een aanhoudende zorg.</al></artikel><artikel><kop><label>2.5 Repressie van fraude</label></kop><al>De gemeente heeft verschillende mogelijkheden om te reageren op
                                fraude:</al><lijst><li nr="1."><al>de bestuurlijke reactie: dit houdt de aanpassing van de
                                        uitkering in. Afhankelijk van het soort fraude kan dat
                                        betekenen een verlaging of intrekking van de uitkering.</al></li><li nr="2."><al>de strafrechtelijke reactie: dit houdt aangifte bij het
                                        Openbaar Ministerie in met als doel de verdachte
                                        strafrechtelijk te doen vervolgen.</al></li></lijst><al>Beide reacties leiden altijd tot terugvordering van de ten onrechte
                                ontvangen uitkering.</al></artikel><artikel><kop><label>2.6 Registratie en analyse van fraude</label></kop><al>Sociale Zaken dient te beschikken over een frauderegistratiesysteem
                                waarin gegevens met betrekking tot fraude en de daaropvolgende
                                afhandeling worden geregistreerd en ten behoeve van de
                                fraudestatistiek worden verstrekt aan het Centraal Bureau voor de
                                Statistiek. De frauderegistratie is een onmisbaar instrument om
                                inzicht te krijgen in de omvang en ontwikkeling van de fraude om
                                zodoende een adequaat beleid op te kunnen stellen.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3.</nr><titel>Voorlichting</titel></kop><artikel><kop><label>3.1 Algemeen</label></kop><al>Een belangrijk aspect in het voorkomen en bestrijden van fraude is
                                algemene voorlichting. Bij fraude spelen omgevingsfactoren een niet
                                onbelangrijke rol. Een belanghebbende wordt gestimuleerd tot het
                                plegen van fraude indien mensen in zijn/haar omgeving twijfelen aan
                                zijn/haar houding ten opzichte van en/of aan de noodzakelijkheid van
                                het op correcte wijze verstrekken van inkomens- en of
                                vermogensopgave. Daarentegen wordt een belanghebbende geremd om
                                fraude te plegen indien mensen in zijn/haar omgeving wijzen op het
                                risico van het verzwijgen van inkomsten of de samenwoning (pakkans).
                                Zoals de burger voorgelicht wordt over de rechten, welke men in het
                                kader van het sociaal zekerheidsstelsel heeft, zal ook gewezen
                                moeten worden op verplichtingen en consequenties van het niet
                                nakomen daarvan. Met goede voorlichting kunnen misverstanden worden
                                voorkomen, en kan terugvordering van ten onrechte ontvangen
                                uitkering verminderd worden. Goede voorlichting heeft een
                                preventieve werking.</al><al>Regelmatige publicaties van fraudezaken die zijn ontdekt kunnen
                                zowel een positief als een negatief effect hebben. Enerzijds wordt
                                duidelijk gemaakt dat fraude niet onopgemerkt blijft, anderzijds kan
                                het beeld ontstaan dat de gemeente Midden-Delfland kan worden
                                misleid en bestaat het risico van negatieve beeldvorming. Algemene
                                voorlichting over fraudebestrijding dient daarom gedoseerd en
                                functioneel gebracht te worden. Bijvoorbeeld bij de publicatie van
                                een jaarverslag, bij de presentatie van een beleidsnota, bij
                                wijzigingen in het beleid of in de algemene voorlichting aan de
                                daarvoor in aanmerking komende doelgroepen.</al><al>In de voorlichting dient de nadruk te liggen op het feit dat de door
                                de belanghebbenden verstrekte informatie wordt geverifieerd middels
                                inlevering van bewijsstukken en gegevensuitwisseling met andere
                                instanties. Uitgelegd dient te worden dat er procedureafspraken
                                bestaan met de Belastingdienst, en dat informatie omtrent loon of
                                uitkering kan worden opgevraagd bij werkgevers, bedrijfsverenigingen
                                e.d. Er moet op gewezen worden dat men, indien er duidelijke
                                aanwijzingen van misbruik of oneigenlijk gebruik zijn, het risico
                                loopt geconfronteerd te worden met een (justitieel) onderzoek door
                                de sociaal rechercheur.</al><al>Als een bijstandsaanvraag wordt ingediend moet een belanghebbende
                                niet alleen geïnformeerd worden over de hoogte van de uitkering maar
                                ook hoe omgegaan moet worden met regels. Men moet weten welke
                                informatie, op welk moment en op welke wijze aan de gemeente
                                Midden-Delfland moet worden verstrekt en welke afspraken men dient
                                na te komen. Ook door gerichte publicaties (via folders en media)
                                over het beleidsplan, wettelijke bepalingen, en middels gedoseerde
                                publiciteit over fraudezaken, opgespoord door de sociale recherche,
                                kunnen belanghebbenden gewezen worden op hun verplichtingen.</al></artikel><artikel><kop><label>3.1.1 Resultaatsverplichtingen</label></kop><al>Bij de aanvraag worden door de klantmanager de wederzijdse rechten
                                en verplichtingen besproken. Bij ieder eerste contact wordt aan de
                                belanghebbende voorlichtingsmateriaal uitgereikt. </al><al>Actieve voorlichting over het gehele bijstandsbeleid wordt
                                verzorgd.</al></artikel><artikel><kop><label>3.1.2 Te bereiken resultaten</label></kop><al>Een preventieverhogende uitwerking naar de belanghebbende toe.</al><al>Meer betrokkenheid van de uitvoerders bij het beleid.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4.</nr><titel>Gegevensverzameling en verificatie</titel></kop><artikel><kop><label>4.1 Algemeen</label></kop><al>In het kader van fraudepreventie dient voorts nadruk te worden
                                gelegd op de gegevensverzameling en verificatie van gegevens door de
                                gemeente Midden-Delfland. Bij aanvragen om een uitkering en ook
                                tijdens de uitkering is het steeds van belang te onderzoeken of
                                informatie die door de belanghebbende zelf is verstrekt ook juist en
                                volledig is. Verder kan door stelselmatig gegevens te verifiëren bij
                                andere instanties fraude worden voorkomen. Verificatie geeft inzicht
                                in de juistheid en volledigheid van gegevens die door de
                                belanghebbende zijn verstrekt. Wij hanteren voor dit begrip het
                                vaststellen van de juistheid en volledigheid van de al dan niet
                                verstrekte gegevens en onderzoek naar en vergelijking van gegevens
                                bij andere instanties. </al></artikel><artikel><kop><label>4.2 Gegevensverzameling</label></kop><al>Bij de indiening van aanvragen of bij heronderzoeken vindt een
                                gesprek plaats tussen de belanghebbende en de intaker van het CWI
                                dan wel de klantmanager. Aanvragers moeten zich identificeren aan de
                                hand van een geldig identiteitsbewijs. Gegevens zoals naam, adres,
                                burgerlijke staat, nationaliteit, en woonsituatie worden middels de
                                gemeentelijke basis administratie (GBA) geverifieerd. Gegevens
                                omtrent de verblijfstitel worden eveneens uit het GBA gehaald. De
                                belanghebbende wordt onder andere gevraagd recente bank- en/of
                                giroafschriften over te leggen, en bewijsstukken te tonen met
                                betrekking tot andere inkomensbronnen, zoals bijvoorbeeld
                                correspondentie van de UWV, loongegevens of beëindiging van een
                                eerdere uitkering. Voorts dienen gegevens te worden opgevraagd met
                                betrekking tot ondernomen pogingen tot inschakeling in het
                                arbeidsproces en toegepaste maatregelen tijdens de uitkeringsperiode
                                bij de UWV. Wanneer een uitkering wordt beëindigd wegens
                                werkaanvaarding wordt de ingangsdatum daarvan gecontroleerd bij het
                                beëindigingonderzoek. De belanghebbende moet een arbeidsovereenkomst
                                overleggen of er wordt navraag gedaan bij de werkgever zelf. De
                                verrekening van inkomsten tijdens de uitkeringsperiode vindt plaats
                                aan de hand van de ingeleverde periodieke verklaringen, waarbij als
                                bewijsstukken loonstroken e.d. worden gevraagd. </al></artikel><artikel><kop><label>4.3 Gegevensuitwisseling</label></kop><al>Voor wat betreft gegevensuitwisseling met andere instanties zijn met
                                name de afspraken met het Inlichtingenbureau van belang. Bij de
                                belastingsignalen van de Belastingdienst werd na afloop van het
                                kalenderjaar aan de hand van opgave door deze dienst, nagegaan of
                                belanghebbende naast de uitkering nog andere inkomsten heeft
                                genoten, welke niet zijn opgegeven. De gegevensuitwisseling via het
                                Inlichtingenbureau geeft sneller informatie over (vermeende)
                                samenloop. De bestandsvergelijking wordt uitgevoerd door de gemeente
                                en in overleg met de sociaal rechercheurs wordt besloten of nadere
                                stappen ondernomen moeten worden. Door de aansluiting op het
                                landelijke Inlichtingenbureau is sprake van elektronische
                                gegevensuitwisseling tussen uitkeringsorganen. Hierdoor is sneller
                                dan voorheen informatie bekend inzake samenloop van uitkeringen
                                en/of loon. De verplichting tot het verstrekken van gegevens door
                                derden is in de wet opgenomen. </al></artikel><artikel><kop><label>4.3.1 Resultaatsverplichtingen</label></kop><lijst><li nr="-"><al>De verkregen gegevens worden uitputtend geverifieerd met
                                        gebruikmaking van de mogelijkheden die er zijn voor
                                        gegevensuitwisseling. Dit wordt gewaarborgd door het
                                        hanteren van een inlichtingen- en rapportageformulier aan de
                                        hand waarvan aan het gegevensverkeer met derden gestalte
                                        wordt gegeven en waardoor alle verificaties zichtbaar worden
                                        in het dossier.</al></li><li nr="-"><al>De periodieke verklaringen zullen betrokken worden bij de
                                        heronderzoeken.</al></li><li nr="-"><al>Ten aanzien van de verificatie van gegevens wordt vastgelegd
                                        welke gegevens op welk moment, van welke belanghebbende zijn
                                        geverifieerd en bij welke instanties dit heeft plaats
                                        gevonden. Dit wordt zichtbaar in het persoonsdossier.</al></li><li nr="-"><al>Zowel tijdens het entreeonderzoek als tijdens heronderzoeken
                                        zullen de afschriften van de bekend zijnde bank- en/of
                                        girorekeningen gecontroleerd worden over een periode van
                                        tenminste 3 voorafgaande maanden.</al></li><li nr="-"><al>Indien de gevraagde inlichtingen tegenstrijdig of
                                        onduidelijk zijn, wordt nadere informatie gevraagd. Zolang
                                        er geen duidelijkheid is verschaft, wordt de uitkering
                                        opgeschort dan wel beëindigd.</al></li><li nr="-"><al>Indien bij verificatie blijkt dat de door de belanghebbende
                                        geleverde informatie onjuist is, wordt deze in de
                                        gelegenheid gesteld om aan te tonen dat de geleverde
                                        informatie wel juist is.</al></li><li nr="-"><al>Met de instanties die de gegevens kunnen leveren ter
                                        verificatie van informatie die van de belanghebbende werd
                                        verkregen, worden afspraken gemaakt met het doel ervoor zorg
                                        te dragen hoe en op welke wijze, alsmede binnen welke
                                        termijn de gemeente Midden-Delfland de gewenste informatie
                                        verkrijgt. Tevens worden afspraken gemaakt op welke wijze en
                                        wanneer mededeling wordt gedaan aan de gemeente over
                                        tussentijdse wijzigingen in de reeds eerder gemelde
                                        gegevens.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>4.3.2 Te bereiken resultaten</label></kop><lijst><li nr="-"><al>Bereikt moet worden dat in een zo vroeg mogelijk stadium
                                        correct wordt vastgesteld of en in hoeverre het recht op
                                        uitkering bestaat.</al></li><li nr="-"><al>Er moeten afspraken met andere instellingen worden gemaakt,
                                        zodat de informatieverstrekking zo snel mogelijk kan
                                        plaatsvinden.</al></li></lijst></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>5.</nr><titel>Onderzoeksmethoden</titel></kop><artikel><kop><label>5.1 Algemeen</label></kop><al>De juistheid en volledigheid van de verkregen gegevens dient
                                onderzocht te worden en zonodig wordt een onderzoek ingesteld naar
                                andere gegevens die noodzakelijk zijn voor de verlening dan wel van
                                de voortzetting van de bijstand.</al></artikel><artikel><kop><label>5.2 Entreeonderzoek</label></kop><al>Het doel van een entreeonderzoek is na te gaan of, en zo ja in
                                hoeverre, een belanghebbende recht heeft op bijstand. In dit
                                onderzoek wordt nagegaan of alle van belang zijnde informatie door
                                de belanghebbende is geleverd en of deze inlichtingen ook juist en
                                volledig zijn. Het doel is een zo volledig mogelijke beschouwing van
                                de situatie van de belanghebbende te verkrijgen.</al></artikel><artikel><kop><label>5.2.1 Resultaatsverplichtingen</label></kop><lijst><li nr="-"><al>Er wordt een aanvraagprocedure gehanteerd waarbij de
                                        behandelend klantmanager door middel van een verplicht
                                        inlichtingenformulier langs alle voor het recht op bijstand
                                        vast te stellen, relevante vragen wordt geleid; bij
                                        onduidelijkheid m.b.t. de woon- of leefsituatie wordt altijd
                                        een huisbezoek afgelegd.</al></li><li nr="-"><al>Bij weigering tot medewerking wordt geen bijstand
                                        verstrekt.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>5.2.2 Te bereiken resultaten</label></kop><lijst><li nr="-"><al>Het voorkomen van toekenningen van bijstand op basis van
                                        onvolledige gegevens.</al></li><li nr="-"><al>Het voorkomen van uitkeringssituaties waarin aan de hand van
                                        nadere gegevens met betrekking tot de woon- en leefsituatie
                                        later moeten worden overgegaan tot terugvordering van de
                                        verleende bijstand.</al></li><li nr="-"><al>Het voorkomen van misbruik en oneigenlijk gebruik van de
                                        bijstand.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>5.3 Het rechtmatigheidsonderzoeksformulier (rof)</label></kop><al>Aan de belanghebbende wordt maandelijks een rof toegestuurd welke
                                volledig ingevuld, gedagtekend en ondertekend moet worden ingeleverd
                                op een vastgestelde datum. De controle heeft mede tot doel de
                                belanghebbende te herinneren aan de inlichtingenverplichting en deze
                                ertoe te brengen melding te maken van ontvangen inkomsten, verkregen
                                vermogen en alle andere opgetreden wijzigingen in omstandigheden
                                welke relevant zijn voor de (her-)beoordeling van het recht op
                                bijstand.</al></artikel><artikel><kop><label>5.3.1 Resultaatsverplichtingen</label></kop><al>De controle van een rof dient er in te resulteren dat tijdig kan
                                worden beoordeeld of (nog) recht op bijstand bestaat.</al></artikel><artikel><kop><label>5.3.2 Te bereiken resultaten</label></kop><al>Het tijdig opsporen van ten onrechte ontvangen bijstand alsmede het
                                terugdringen van het misbruik en oneigenlijk gebruik. </al><al>Het bereiken van minder terugvorderingen, minder maatregelen, minder
                                aangiften bij het Openbaar Ministerie, lagere
                                terugvorderingsbedragen en bevordering van de fraude-alertheid van
                                de klantmanager.</al></artikel><artikel><kop><label>5.4 Heronderzoek</label></kop><al>Regelmatig wordt een heronderzoek gehouden naar de gegevens die van
                                belang zijn voor het opnieuw vaststellen van het recht op bijstand
                                en de naleving van de aan de bijstand verbonden verplichtingen.
                                Tevens wordt er beoordeeld of er aanleiding bestaat de
                                verplichtingen aan te vullen dan wel te wijzen. De frequentie van
                                heronderzoeken van de belanghebbende van de gemeente Midden-Delfland
                                is vastgelegd in afdeling 2 van dit handhavingsplan.</al></artikel><artikel><kop><label>5.4.1 Resultaatsverplichtingen</label></kop><al>Een heronderzoek vindt in ieder geval plaats indien daartoe
                                aanwijsbare redenen zijn zoals bij vermeende fraude of indien de
                                periodieke verklaring daartoe aanleiding geeft dan wel een andere
                                reden welke een onderzoek rechtvaardigen. Bij een integraal
                                heronderzoek wordt gebruik gemaakt van een vastgesteld formulier,
                                vergelijkbaar met het formulier zoals dit gebruikt wordt bij een
                                entreeonderzoek. Bij een buiten de risicogroep vallende
                                belanghebbende wordt deze van tevoren op de hoogte gebracht van de
                                voor het heronderzoek van belang zijnde inlichtingen en bescheiden
                                welke ter verificatie dienen te worden overgelegd. Bij een
                                heronderzoek worden alle formulieren, welke sinds de aanvraag of
                                sinds het vorige heronderzoek zijn verstrekt, in het onderzoek
                                betrokken. Bij ieder heronderzoek wordt de burgerlijke staat van
                                belanghebbende middels de gemeentelijke basisadministratie (de GBA)
                                gecontroleerd. Alle gegevens van het heronderzoek, al dan niet tot
                                wijziging leidend, moeten bij registratie worden vastgelegd. De bij
                                het heronderzoek geverifieerde gegevens worden in het
                                persoonsdossier vastgelegd en voorzien van data.</al></artikel><artikel><kop><label>5.4.2 Te bereiken resultaten</label></kop><al>Het tijdig opsporen van onregelmatigheden met alle hieraan
                                gekoppelde positieve effecten.</al><al>Een efficiënte wijze van verificatie ter bevordering van de
                                zelfcontrole.</al></artikel><artikel><kop><label>5.5 Huisbezoek</label></kop><al>Doorgaans is de situatie van de belanghebbende voldoende duidelijk
                                aan de hand van gesprekken, formulieren, bewijsstukken en gegevens
                                van derden. Wanneer ondanks het gebruik van deze mogelijkheden toch
                                nog onduidelijkheid blijft bestaan over de woon- en leefsituatie van
                                betrokkene, wordt een huisbezoek afgelegd. Het afleggen van een
                                huisbezoek als middel in de bevordering van de rechtmatigheid is dus
                                eerder uitzondering dan regel. Een huisbezoek kan aangekondigd of
                                onaangekondigd plaatsvinden. Het hanteren van huisbezoek als middel
                                kent vier begrenzingen:</al><lijst><li nr="-"><al>de zorgvuldigheid moet in acht worden genomen, daarbij
                                        lettend op de feiten en omstandigheden in het individuele
                                        geval;</al></li><li nr="-"><al>de gemeente moet oog hebben voor de privacy van de
                                        belanghebbende en dat er niet binnen getreden wordt tegen de
                                        wil van de belanghebbende;</al></li><li nr="-"><al>op een verzoek daartoe aan de legitimatieverplichting wordt
                                        voldaan;</al></li><li nr="-"><al>uit een oogpunt van efficiency moet Sociale Zaken afwegen in
                                        welke gevallen huisbezoek aangewezen is.</al></li></lijst><al>Dit houdt in dat bij de beslissing de belanghebbende, dan wel
                                aangekondigd of onaangekondigd, thuis te bezoeken, gelet dient te
                                worden op de ernst van de situatie, aangezien de persoonlijke
                                levenssfeer van de belanghebbende geëerbiedigd dient te worden.</al><al>De gemeente kan huisbezoeken uitvoeren in de volgende gevallen:</al><lijst><li nr="-"><al>bij onduidelijkheid omtrent de woonleefsituatie;</al></li><li nr="-"><al>in het geval van in- of externe signalen dat mogelijk
                                        misbruik of oneigenlijk gebruik wordt gemaakt van een
                                        voorziening;</al></li><li nr="-"><al>indien er een aanvraag om leenbijstand voor woninginrichting
                                        of vervanging van duurzame gebruiksgoederen is gedaan;</al></li><li nr="-"><al>bij entree- of heronderzoek.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>5.5.1 Resultaatsverplichtingen</label></kop><al>Bij een (onaangekondigd) huisbezoek vindt legitimatie en
                                doelvermelding plaats. Van ieder afgelegd huisbezoek wordt een
                                rapport opgemaakt, met hierin de bevindingen gedurende het
                                huisbezoek en het resultaat van de bespreking van de bevindingen met
                                de belanghebbende. Een huisbezoek wordt aangekondigd afgelegd,
                                indien tijdens het entreeonderzoek of bij de verwerking van de
                                periodieke verklaring blijkt dat het noodzakelijk is dat de
                                thuissituatie wordt bekeken. Het huisbezoek wordt zo spoedig
                                mogelijk na het bekend worden van de noodzaak daartoe gehouden. Een
                                huisbezoek wordt onaangekondigd gehouden, indien er op enig moment
                                aanwijzing verkregen wordt dat er mogelijk sprake zou zijn van
                                misbruik of oneigenlijk gebruik. Met betrekking tot een
                                onaangekondigd huisbezoek wordt indien nodig overleg gevoerd met de
                                sociaal rechercheur, ter bepaling van de grens tussen controle en
                                opsporing. In het geval er slechts een aanwijzing bestaat, wordt het
                                huisbezoek afgelegd door de klantmanager en in het geval dat er
                                verdenking is van een vervolgbaar strafbaar feit, wordt het
                                onderzoek verricht door de sociaal rechercheur.</al></artikel><artikel><kop><label>5.5.2 Te bereiken resultaten</label></kop><al>De preventie in het bijzonder van woon- en leefvormfraude en het
                                bestrijden van zwart werk. De ernst van de aanwijzing wordt
                                afgewogen tegen de inbreuk op de privacy, die onaangekondigde
                                huisbezoeken met zich meebrengen. Het vragen van inlichtingen wordt
                                op een correcte manier afgescheiden van het afnemen van een
                                verhoor.</al></artikel><artikel><kop><label>5.6 Beëindigingsonderzoek</label></kop><al>Bij beëindiging van de bijstand moeten, na onderzoek, burgemeester
                                en wethouders tijdig een besluit nemen met betrekking tot de
                                wederzijdse resterende verplichtingen tussen de gemeente en de
                                belanghebbende en de afwikkeling daarvan. In het bijzonder moet
                                aandacht besteedt worden aan het correct vaststellen van de
                                beëindigingdatum en dat de belanghebbende in de totale
                                bijstandsperiode aan uitkering heeft ontvangen waarop hij/zij in die
                                periode recht op kon doen gelden. </al></artikel><artikel><kop><label>5.6.1 Resultaatsverplichting</label></kop><al>Een beëindigingprocedure te hanteren waarbij de behandelend
                                klantmanager aan de hand van een formulier tot beëindiging van de
                                bijstand, geleid wordt langs alle relevante vragen voor de
                                beëindiging van de bijstand. Er wordt verificatie uitgevoerd van en
                                gerapporteerd over:</al><lijst><li nr="-"><al>de juiste data van werkaanvaarding, aanspraken op
                                        voorliggende voorzieningen;</al></li><li nr="-"><al>de juiste datum van beëindiging van de bijstand;</al></li><li nr="-"><al>de eventuele vorderingen op de belanghebbende en de
                                        afwikkeling hiervan;</al></li><li nr="-"><al>de eventuele rechten op nabetaling.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>5.6.2 Te bereiken resultaten</label></kop><al>Het voorkomen van oneigenlijke terugvorderingen, repressieve
                                handhaving en een zuiver debiteurenbestand.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>6.</nr><titel>Overleg met het Openbaar Ministerie</titel></kop><artikel><kop><label>6.1 Algemeen</label></kop><al>De doelstelling van het overleg met het Openbaar Ministerie is om te
                                komen tot een eenduidig fraudebeleid bij zowel justitie als Sociale
                                Zaken. Deze doelstelling wordt bereikt door het voeren van overleg
                                met het Openbaar Ministerie.</al></artikel><artikel><kop><label>6.2 Overleg met het Openbaar Ministerie</label></kop><al>Het Openbaar Ministerie (OM) is een belangrijke gesprekspartner. De
                                reden is gelegen in het belang van afstemming van beleid en
                                capaciteit. Daartoe wil de regering het structureel overleg tussen
                                het OM en de uitvoeringsorganisatie bevorderen en structureren. De
                                gemeente Midden-Delfland heeft, tezamen met de gemeenten Delft en
                                Pijnacker-Nootdorp, periodiek overleg met de Parketsecretarissen van
                                het Arrondissement Den Haag.</al></artikel><artikel><kop><label>6.2.1 Resultaatsverplichtingen</label></kop><al>Een afstemming bereiken tussen het beleid van de gemeente
                                Midden-Delfland met het beleid van het Openbaar Ministerie.</al><al>Een invulling geven aan de beleidsruimte die het aangiftebeleid
                                biedt.</al></artikel><artikel><kop><label>6.2.2 Te bereiken resultaten</label></kop><al>De wederzijdse activiteiten worden op elkaar afgestemd.</al><al>Er ontstaat een duidelijk en goed functionerend beleidskader.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>7.</nr><titel>Fraude opsporing, -registratie en analyse</titel></kop><artikel><kop><label>7.1 Fraudeopsporing</label></kop><al>Het onderzoek naar de financiële en andere voor de uitkering
                                relevante omstandigheden van belanghebbenden wordt in beginsel
                                gedaan door de klantmanagers. Ook als ten onrechte uitkering is
                                verstrekt in de sfeer van onwetendheid of vergissingen behoort het
                                onderzoek tot het taakgebied van de klantmanagers. Alleen in
                                situatie dat er een aanwijzing bestaat dat met opzet getracht is ten
                                onrechte een uitkering te verkrijgen of ten onrechte wordt
                                verkregen, wordt de sociaal rechercheur ingeschakeld. </al><al>De doelstelling van de sociale recherche is: </al><lijst><li nr="-"><al>doelgericht onderzoek afgestemd op de aard van de
                                        fraude;</al></li><li nr="-"><al>het opsporen van misbruik/oneigenlijk gebruik van de door de
                                        gemeente uit te voeren sociale wetten;</al></li><li nr="-"><al>de werkzaamheden van de sociale recherche zijn in beginsel
                                        preventief ter ondersteuning van de doelmatige en
                                        rechtmatige uitvoering van de wet;</al></li><li nr="-"><al>het repressieve optreden van de sociale recherche wordt
                                        ingezet als uiterste middel.</al></li></lijst><al>Bij de opsporing en vervolging van fraude worden de Richtlijnen van
                                het Openbaar Ministerie inzake Sociale Zekerheidsfraude in acht
                                genomen en op basis van deze richtlijnen vindt zonodig aangifte van
                                fraude plaats bij het Openbaar Ministerie. Of daadwerkelijk
                                vervolging plaatsvindt wordt bepaald door het Openbaar
                                Ministerie.</al><al>In het algemeen kan worden geconstateerd dat het bestrijden van
                                fraude al jaren ruime aandacht krijgt. Indien er sprake is van een
                                gegrond vermoeden van fraude wordt een opdracht verstrekt aan de
                                sociaal rechercheur, waarna vervolgens een onderzoek wordt
                                ingesteld. Hierbij wordt een eenduidige en consistente lijn gevolgd,
                                waardoor in de afgelopen jaren een structureel goede benadering is
                                gegroeid. De sociale recherche kan ondersteunende werkzaamheden
                                verrichten bij de “samenlooponderzoeken” waarbij de gegevens van
                                belanghebbenden met door het Inlichtingenbureau verkregen gegevens
                                worden vergeleken.</al></artikel><artikel><kop><label>7.1.1 Verantwoordelijkheid</label></kop><al>De zorg voor een rechtmatige en doelmatige uitvoering van de Wwb is
                                een taak voor de gehele afdeling Sociale Zaken. Het voorkomen en
                                bestrijden van fraude vereist een goede onderlinge afstemming van
                                alle onderdelen van het uitkeringsproces en alle procedures binnen
                                de organisatie. In het verlengde hiervan ligt dat de grenzen van
                                verantwoordelijkheid duidelijk worden omschreven op dat het
                                uitvoeringsproces overzichtelijk en eenduidig wordt. Vastgelegd
                                dient te worden wat wiens verantwoordelijkheid is en door wie welke
                                onderzoeken worden ingesteld. Het voorkomen en bestrijden van fraude
                                vereist een goede onderlinge afstemming van onderdelen van het
                                uitkeringsproces in de organisatie. Een goede administratieve
                                organisatie is van groot belang voor de rechtmatige verstrekking van
                                uitkeringen. Interne controle is nodig voor controle op de juistheid
                                en volledigheid van de uitkering. Tevens is interne controle ook een
                                onmisbaar element om greep te houden op het complexe
                                uitkeringsproces.</al><al>Betrouwbaarheid van gegevens en de verwerking daarvan zijn
                                essentieel bij de uitvoering van de dagelijkse werkzaamheden in het
                                uitkeringsproces, de administratie en de daaruit af te leiden
                                verantwoordingen zoals de jaarrekening en de jaaropgave. Uitvoerende
                                en controlerende taken zijn over verschillende functionarissen
                                verdeeld. Dit voorkomt misbruik dan wel oneigenlijk gebruik van
                                regelgeving binnen de organisatie.</al><al>De beoordeling van de rechtmatigheid van te verstrekken en
                                verstrekte uitkeringen gebeurt zowel bij de aanvraag als bij het
                                heronderzoek. Dit hoort primair tot de taak van de klantmanager. De
                                sociaal rechercheur heeft in deze een ondersteunende rol naar de
                                klantmanager. De bepaling of er voldoende aanwijzingen zijn en de
                                weging van deze met betrekking tot het inschakelen van de sociaal
                                rechercheur kunnen zijn: na een uitvoerig gesprek met belanghebbende
                                blijven er twijfels over de juistheid en volledigheid van de
                                verstrekte gegevens; het noodzakelijk onderzoek vraagt de specifieke
                                deskundigheid en/of bevoegdheden van de sociaal rechercheur; directe
                                inschakeling van de sociaal rechercheur indien er redenen zijn om
                                aan te nemen dat het gesprek met de belanghebbende niet tot gevolg
                                zal hebben dat de fraude definitief wordt beëindigd.</al><al>Concluderend: De onderzoeken met een bestuursrechtelijke afloop,
                                m.u.v. de bestuurlijke boete, kunnen door alle medewerkers worden
                                ingesteld terwijl daarentegen een onderzoek met duidelijk
                                strafrechtelijke afloop ingesteld dient te worden door de sociaal
                                rechercheur. Ondanks deze afbakening is onderling overleg en
                                informatie verstrekking van groot belang.</al></artikel><artikel><kop><label>7.1.2 Resultaatsverplichtingen </label></kop><al>Er moet aan de hierboven bedoelde vaste criteria worden voldaan om
                                een zaak in handen van de sociaal rechercheur te geven en de
                                beslissing in deze is aan het afdelingshoofd. </al><al>De richtlijnen met betrekking tot (anonieme) informatie i.c. de
                                tips, dienen te worden gevolgd.</al><al>Een scheiding wordt gemaakt in de verantwoordelijkheden van de
                                betrokken medewerkers, welke dienen te worden nageleefd.</al></artikel><artikel><kop><label>7.1.3 Te bereiken resultaten</label></kop><al>Het verkrijgen van een duidelijk inzicht in de hoeveelheid
                                informatie en tevens bij welke personen of instanties het binnen
                                komt en de correcte behandeling van deze informatie.</al><al>Het verbeteren van de interne controleerbaarheid.</al></artikel><artikel><kop><label>7.2 Fraude-alertheid</label></kop><al>De gedachte dat fraude voorkomen kan worden door zowel bij de
                                aanvraag om bijstand, gedurende de bijstandsperiode en bij het
                                beëindigen van de bijstand de juiste controles uit te voeren en
                                adequaat te reageren op mogelijke fraude signalen, is juist. Van
                                groot belang hierbij is de wijze waarop de controles worden
                                uitgevoerd en de signalen worden behandeld. Het is derhalve van
                                belang dat er training plaatsvindt om de waarneming van aanwijzingen
                                van mogelijk onrechtmatig gebruik van de bijstand of een poging
                                hiertoe en de situaties waarin dit zich voor kan doen, te herkennen.
                                De medewerkers zullen in toenemende mate moeten functioneren in een
                                organisatie die van de belanghebbende verantwoording vraagt over hun
                                gedragingen. De medewerkers zullen daarom moeten worden getraind in
                                het herkennen en opsporen van misbruik of oneigenlijk gebruik van de
                                regelgeving.</al></artikel><artikel><kop><label>7.2.1 Resultaatsverplichtingen</label></kop><al>Er wordt intern voorlichting verstrekt om de fraudealertheid te
                                vergroten, dit kan worden gerealiseerd door de sociaal rechercheur.
                                De sociaal rechercheur heeft tot taak (gevraagd en ongevraagd) de
                                zogenoemde consultfunctie voor de medewerkers uit te oefenen.</al></artikel><artikel><kop><label>7.2.2 Te bereiken resultaten</label></kop><al>Bijstand moet slechts verstrekt worden in geval dit noodzakelijk is.
                                Alle andere gevallen worden uitgesloten van bijstand.</al></artikel><artikel><kop><label>7.3 Gebruik van tips</label></kop><al>Tipgebruik bij de bestrijding van misbruik en oneigenlijk gebruik is
                                een onmisbaar instrument en op het gebruik ervan rust geen wettelijk
                                verbod. De grondwettelijke waarborg (artikel 10, lid 1 van de
                                Grondwet) dient echter geëerbiedigd te worden. Bij de behandeling
                                van ontvangen tips (schriftelijk of mondeling) over bijstandsfraude
                                moeten de belangen van zowel de tipgever als de belanghebbende en
                                maatschappelijke belangen niet uit het oog worden verloren. Het in
                                gang gezette beleid op dit terrein van (anonieme) tips heeft nimmer
                                tot enige onduidelijkheid geleid. Het beleid ten aanzien van de
                                (anonieme) tips is in bijlage 1 weergegeven. De informatie uit de
                                samenleving moet worden gerespecteerd mede omdat van deze informatie
                                in veel gevallen een preventieve werking uitgaat.</al></artikel><artikel><kop><label>7.3.1 Resultaatsverplichting</label></kop><al>Het huidige beleid ten aanzien van het tipgebruik wordt
                                gehandhaafd.</al></artikel><artikel><kop><label>7.3.2 Te bereiken resultaat</label></kop><al>In een zo vroeg mogelijk stadium reageren op een signaal van
                                misbruik of oneigenlijk gebruik.</al></artikel><artikel><kop><label>7.4 Registratie van tips</label></kop><al>Het is van belang om de ingekomen tips te registreren. Het betreft
                                hier elke manier waarop de tip ontvangen kan worden, schriftelijk of
                                mondeling, anoniem of niet. Dit geeft zicht op de manier waarop de
                                meeste tips worden ontvangen alsmede de betrouwbaarheid en
                                detaillering afgezet kan worden tegen over de manier van
                                ontvangst.</al></artikel><artikel><kop><label>7.4.1 Resultaatsverplichtingen</label></kop><al>Er wordt een registratie bijgehouden van alle ingekomen tips naar
                                wijze van ontvangst, detaillering en betrouwbaarheid.</al><al>Alle ingekomen tips worden geregistreerd en beoordeeld op de inhoud,
                                detaillering en betrouwbaarheid.</al></artikel><artikel><kop><label>7.4.2 Te bereiken resultaten</label></kop><al>Het vaststellen van de diverse fraudesoorten en de categorisering
                                hiervan voor fraudebestrijdingdoeleinden.</al><al>Het op een juiste en correcte manier vastleggen, registreren, kennis
                                geven en verbeteren van (persoons)gegevens.</al></artikel><artikel><kop><label>7.5 Frauderegistratie</label></kop><al>De sociale recherche beschikt over een eigen
                                frauderegistratiesysteem waarin gegevens over geconstateerde fraude
                                en de afhandeling daarvan worden geregistreerd. Deze gegevens worden
                                tevens doorgegeven aan het CBS ten behoeve van de
                                fraudestatistiek.</al></artikel><artikel><kop><label>7.5.1 Resultaatverplichting</label></kop><al>Het bijhouden van een frauderegistratiesysteem voor alle
                                fraudegevallen.</al></artikel><artikel><kop><label>7.5.2 Te bereiken resultaten</label></kop><al>Het volgen van de ontwikkeling van de fraude.</al><al>Het verkrijgen van een duidelijk inzicht in de hoeveelheid
                                informatie en tevens bij welke personen of instanties het
                                binnenkomt.</al><al>De handhaving van een correct recidivesysteem.</al></artikel><artikel><kop><label>7.6 De analyse van de bestanden</label></kop><al>Ten behoeve van de Wwb-statistiek en de fraudestatistiek worden door
                                Sociale Zaken en het Rijk respectievelijk CBS wel gegevens verzameld
                                maar deze zijn nog niet voldoende combineerbaar en
                                relateerbaar.</al><al>Fraudeurs vormen echter blijkens landelijke onderzoeken geen
                                doorsnede van het belanghebbendenbestand van Sociale Zaken. Het is
                                niet mogelijk rechtstreeks op basis van leeftijd, geslacht,
                                uitkeringstype, uitkeringsduur e.d. potentiële fraudeurs uit het
                                bestand te selecteren. Het rechtstreeks aanwijzen van risicogroepen
                                evenmin. Het is wel mogelijk om te zoeken naar kenmerken die in de
                                meeste fraudegevallen indicaties hadden kunnen opleveren van
                                misbruik of oneigenlijk gebruik. Deze informatie kan dan afgezet
                                worden tegen het belanghebbendenbestand.</al><al>Frauderegistratie is onmisbaar om de ontwikkelingen in de fraude te
                                volgen, te registreren, op welke wijze fraude gesignaleerd en
                                geconstateerd wordt, risicogroepen te identificeren en het eigen
                                gemeentelijk fraudebeleid te toetsen.</al></artikel><artikel><kop><label>7.6.1 Resultaatsverplichtingen</label></kop><al>Het vaststellen van de kenmerken van risicogroepen aan de hand van
                                een analyse van zowel het belanghebbendenbestand als het
                                fraudebestaand.</al><al>De resultaten van de analyse worden gebruikt voor het te voeren
                                fraudebeleid.</al></artikel><artikel><kop><label>7.6.2 Te bereiken resultaten</label></kop><al>Het selecteren van risicogroepen aan de hand van binnen gekomen
                                informatie.</al><al>Het identificeren van risicogroepen welke kennelijk meer controle
                                behoeven.</al><al>Het toetsen van het eigen gemeentelijk beleid.</al><al>Het traceren van zwakke plekken binnen de eigen organisatie.</al><al>Een tijdige bijstelling van procedures voor de afhandeling van
                                werkzaamheden welke betrekking hebben op het verstrekken en toetsen
                                van uitkeringen.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>8.</nr><titel>Middelen</titel></kop><structuurtekst><al><vet>Personeelsformatie</vet></al><al>Via het samenwerkingsverband met de gemeente Delft wordt gebruik
                                maakt van de inzet van sociaal rechercheurs. Zij verrichten de
                                werkzaamheden welke verband houden met de opsporing en controle naar
                                uitkeringsfraude binnen Sociale Zaken. De financiële vergoeding is
                                daarbij gebaseerd op een afzonderlijk op te stellen overeenkomst. De
                                sociaal rechercheurs zijn in dienst van de gemeente Delft.</al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><label/><nr/><titel>Bijlage bij Afdeling 1 Fraudebestrijding</titel></kop><structuurtekst><al><vet>Richtlijn met betrekking tot het afhandelen van (anoniem)
                                    ontvangen tips</vet></al><al/><al>Eén van de belangrijkste overwegingen met betrekking tot de Wwb en
                                de hieruit voortvloeiende geïntensiveerde fraudebestrijding is het
                                feit dat voorkomen moet worden dat de belanghebbenden a-priori als
                                fraudeurs worden gezien door de poortwachter. In dit kader moet dan
                                ook zeer wel overwogen omgegaan worden met de ontvangen (anonieme)
                                tips.</al><al/><al>Primair is voor de goede uitvoering door de betreffende instantie
                                een vertrouwensrelatie nodig tussen de belanghebbende en de
                                klantmanager. </al><al/><al>Vanuit deze optiek moet voorkomen worden dat het onderzoek, volgend
                                op elke (anonieme) tip, naar het handelen van de belanghebbende deze
                                vertrouwensrelatie ondermijnd. Tevens dient rekening te worden
                                gehouden met het privacyrecht van de belanghebbende, aangezien een
                                onderzoek naar zijn/haar gedragingen en handelen hierop een inbreuk
                                maakt.</al><al/><al>Een andere reden om (anonieme) tips met de nodige omzichtigheid te
                                behandelen is het feit dat het eenzijdige informatie kan betreffen
                                vaak zonder een deugdelijke argumentatie. Dit maakt dat de verkregen
                                informatie zeer dubieus kan zijn. Te denken valt aan een ruzie
                                tussen twee personen waarvan de één een tip aan Sociale Zaken geeft
                                uit rancune. Een (anonieme) tip op zich is geen bewijs. Dit houdt in
                                dat Sociale Zaken zelf bewijs zal moeten verzamelen indien de
                                ontvangen informatie juist blijkt te zijn. Ontvangen tips kunnen op
                                zichzelf nooit een directe aanleiding zijn om de uitkering aan te
                                passen of te beëindigen.</al><al/><al>De handelwijze ten aanzien van (anonieme) tips is als volgt: al dan
                                niet anonieme tips worden getoetst op hun inhoud, gedetailleerdheid
                                en betrouwbaarheid door de sociaal rechercheur; de ontvangst van de
                                informatie wordt geregistreerd en beschreven naar inhoud,
                                detaillering, betrouwbaarheid en indien mogelijk naar herkomst.</al><al/><al>De gegevens van de betrokkene worden middels een administratief
                                dossieronderzoek gecontroleerd en met de ontvangen informatie
                                vergeleken. Aan de hand van het resultaat van de hierboven genoemde
                                handelingen wordt in overleg met de coördinator en eventueel
                                afdelingshoofd beslist of nader onderzoek nodig is en zo ja wie
                                bevoegd is het onderzoek uit te voeren, te weten de klantmanager of
                                de sociaal rechercheur.</al><al/><al>De zwaarte van de informatie bepaalt of er direct een onderzoek
                                wordt ingezet of bij de eerstvolgende heronderzoek. Niet in alle
                                gevallen wordt de belanghebbende direct met de ontvangen informatie
                                geconfronteerd, indien het aannemelijk is dat dit de bewijsvoering
                                zou kunnen belemmeren. Indien de ontvangen informatie geen
                                aanleiding geeft tot verder onderzoek of actie, wordt dit
                                vernietigd. </al><al/><al>Indien de ontvangen informatie voor Sociale Zaken niet van belang is
                                maar echter wel voor een andere instantie wordt de informatie
                                doorgezonden aan deze instantie. In het persoonsdossier wordt
                                melding gemaakt van het onderzoek.</al></structuurtekst></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Afdeling</label><nr>2.</nr><titel>Heronderzoeken</titel></kop><paragraaf><kop><label/><nr>1.</nr><titel>Inleiding</titel></kop><structuurtekst><al>Een periodiek heronderzoek, verplicht op grond van de tot 2004
                                geldende Algemene bijstandswet, is er op gericht het recht op
                                uitkering opnieuw vast te stellen. Daarmee wordt primair het
                                rechtmatigheidsbeginsel gediend. Het heronderzoek wordt tevens
                                aangewend om de mogelijkheden van de cliënt om door arbeid
                                zelfstandig in het bestaan te voorzien, in beschouwing te nemen en
                                te beoordelen. Hiermee wordt uitvoering gegeven aan het
                                doelmatigheidsbeginsel en de uitstroombevordering. In de Wet werk en
                                bijstand (Wwb) wordt deze verplichting niet meer op deze wijze
                                geregeld. De gemeente is immers zelf financieel verantwoordelijk
                                voor de uitvoering van de wet.</al><al>Gekozen is voor een heronderzoeksperiodiciteit die aansluit bij de
                                tot nog toe gehanteerde intervallen. De periodes zijn gerelateerd
                                aan de afstand tot de arbeidsmarkt, en sluiten aan bij de criteria
                                die worden gehanteerde bij de fase-indeling bij het Cwi. Dit deel
                                van het Handhavingsplan heeft niet alleen betrekking op de Wet werk
                                en bijstand. Ook de Wet Inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                                arbeidsongeschikte Werknemers (Ioaw) en de Wet Inkomensvoorziening
                                oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen
                                (Ioaz) zijn hierin betrokken, voorzover het de uitvoering van
                                heronderzoeken betreft.</al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><label/><nr>2.</nr><titel>Bijzondere bijstand en heronderzoek</titel></kop><structuurtekst><al>De verplichting uit de RAU (oud) om periodiek heronderzoek te
                                verrichten is ook van kracht in situaties waarin uitsluitend
                                periodieke bijzondere bijstand wordt verleend. In de praktijk van de
                                gemeente Midden-Delfland is dit niet aan de orde, omdat periodieke
                                bijzondere bijstand wordt toegekend voor ten hoogste 12 maanden. Na
                                verloop van die periode wordt de situatie opnieuw beoordeeld op
                                basis van een nieuwe aanvraag.</al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><label/><nr>3.</nr><titel>Wijze van afdoening van een heronderzoek</titel></kop><structuurtekst><al>Bij een heronderzoek wordt gebruik gemaakt van een speciaal daarvoor
                                bestemd inlichtingenformulier. Een heronderzoek gaat gepaard met een
                                persoonlijk contact. Hiervan kan alleen op basis van een individuele
                                afweging worden afgeweken. Een heronderzoek zonder persoonlijk
                                contact zal derhalve slechts incidenteel voorkomen. De cliënt wordt
                                uitgenodigd in het gemeentehuis van De gemeente Midden-Delfland te
                                verschijnen. Alleen als de belanghebbende niet in staat is dit te
                                doen, vindt het heronderzoek bij de cliënt thuis plaats. Als de
                                cliënt zonder deugdelijke reden geen gevolg geeft aan oproepen om op
                                een aangegeven datum en tijd te verschijnen, wordt het recht op
                                bijstand opgeschort. Van de opschorting wordt schriftelijk
                                mededeling gedaan aan de belanghebbende, vergezeld van de
                                uitnodiging om het verzuim binnen een bepaalde termijn te
                                herstellen. Als daaraan niet binnen de hersteltermijn wordt voldaan,
                                wordt de bijstand beëindigd.</al><al>Een heronderzoek wordt voorbereid door belangrijke aandachtspunten
                                uit de voorafgaande periode te inventariseren. Op te bepalen punten
                                vindt verificatie plaats. Tevens wordt gecontroleerd of de
                                administratieve verwerking van de uitkering en eventuele vorderingen
                                correct heeft plaatsgevonden in de periode die is verstreken sinds
                                de aanvang van de uitkering of het vorige heronderzoek. Het
                                resultaat van die voorbereiding wordt betrokken bij het
                                heronderzoek. De bedoeling is dat een zo actueel en zo volledig
                                mogelijk beeld ontstaat van de uitkeringsgerechtigde en diens - voor
                                de bijstandsverlening relevante - omstandigheden. </al><al>De bij het heronderzoek eventueel naar voren gekomen wijzigingen in
                                de situatie van de cliënt worden bij de registratie daarvan steeds
                                van een datum voorzien. Toekomstige, veelal voorzienbare wijzigingen
                                in (de hoogte van) de uitkering in de periode gelegen tussen twee
                                heronderzoeken, worden door middel van een deelonderzoek
                                ondervangen.</al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><label/><nr>4.</nr><titel>Cliëntcategorieën en heronderzoekstermijnen</titel></kop><structuurtekst><al>Voor iedere cliënt met een periodieke uitkering is of wordt de
                                afstand tot de arbeidsmarkt vastgesteld. Voor de vaststelling van de
                                criteria is uitgegaan van de zogenaamde fase-indeling (artikel 4
                                Uniforme beoordeling positie werkzoekenden op de arbeidsmarkt, uit
                                de wettelijke Samenwerkingregeling SWI). Daarnaast is een categorie
                                “nvt” opgenomen, waarin onder andere opgenomen de (aanvullende)
                                bijstandsverlening aan personen van 65-jaar en ouder en de
                                periodieke bijzondere bijstandsverlening. Ook deze
                                bijstandsverlening is niet gericht op uitstroom en is weinig
                                “veranderingsgevoelig”. Ook sluit de draagkrachtvaststelling van een
                                jaar goed aan bij het advies om de heronderzoekstermijn op 12
                                maanden te stellen. In onderstaande tabel zijn deze indelingen nader
                                uitgewerkt.</al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colwidth="30*"/><colspec colname="col2" colwidth="70*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>fase 1</al></entry><entry colname="col2"><al>De werkzoekende voor wie de
                                                  arbeidsmarktinstrumenten beschikbaar zijn gericht
                                                  op directe bemiddeling of terugkeer naar de
                                                  arbeidsmarkt.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>fase 2</al></entry><entry colname="col2"><al>De werkzoekende voor wie
                                                  arbeidsmarktinstrumenten inzetbaar zijn gericht op
                                                  een zodanige verbetering van zijn kans op werk,
                                                  dat hij binnen een tijdsbestek van maximaal één
                                                  jaar als werkzoekende bemiddelbaar is op de
                                                  arbeidsmarkt.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>fase 3</al></entry><entry colname="col2"><al>De werkzoekende voor wie
                                                  arbeidsmarktinstrumenten inzetbaar zijn gericht op
                                                  een zodanige verbetering van zijn kans op werk,
                                                  dat hij na een tijdsbestek van meer dan één jaar
                                                  als werkzoekende bemiddelbaar is op de
                                                  arbeidsmarkt. Onderscheid wordt gemaakt naar
                                                  bemiddelbaar voor tenminste enkele uren per week
                                                  op lange (3a) of zeer lange (3b) termijn.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>fase 4</al></entry><entry colname="col2"><al>De werkzoekende die tengevolge van zware
                                                  persoonlijke (werk)belemmeringen is aangewezen op
                                                  hulp en zorg. Naar verwachting zal deze persoon
                                                  niet binnen een periode van 5 jaar kunnen worden
                                                  toegeleid tot arbeid voor 8 uren per week of meer.
                                                  Een arbeidsverplichting geldt voor deze categorie
                                                  niet.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Categorie nvt:</al></entry><entry colname="col2"><al>Het gaat hier om diverse soorten van
                                                  (aanvullende) bijstandsverlening, onder
                                                  andere:</al><al>zak- en kleedgeld bij verblijf in
                                                  inrichting</al><al>aanvulling op Aow voor personen boven de 65-jaar
                                                  en</al><al>periodieke bijzondere bijstandsverlening.</al><al>Uitstroom en activering is in deze gevallen niet
                                                  aan de orde. De gegeven omstandigheden zijn weinig
                                                  veranderingsonderhevig. Bij de bijzondere
                                                  bijstandsverlening gaat het vaak ook om een
                                                  draagkrachtvaststelling voor de duur van één
                                                  jaar.</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>De fase-indeling is uitgangspunt voor de heronderzoekstermijn:</al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colwidth="24*"/><colspec colname="col2" colwidth="76*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Fase</al></entry><entry colname="col2"><al>Heronderzoekstermijn</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>1</al><al>2</al><al>3</al><al>4</al><al>Nvt (*)</al></entry><entry colname="col2"><al> 6 maanden</al><al> 8 maanden</al><al> 8 maanden</al><al>12 maanden</al><al>12 maanden</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>* De categorie nvt betreft cliënten die geen arbeidsverplichting
                                hebben</al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><label/><nr>5.</nr><titel>Vaststelling en vastlegging van heronderzoeksdata</titel></kop><structuurtekst><al>De eerstvolgende heronderzoeksdatum wordt vermeld in het rapport op
                                basis waarvan een besluit is genomen en, indien noodzakelijk, een
                                beschikking is verzonden. De termijn is, zoals hiervoor is vermeld,
                                vastgesteld op grond van de 'fase-indeling', dat wil zeggen de
                                afstand tot de arbeidsmarkt. </al><al>Vanaf de ingangsdatum van de uitkering vindt registratie van de
                                heronderzoeksdatum plaats in het agenderingssysteem van de
                                geautomatiseerde uitkeringenadministratie. De termijn tot de
                                eerstvolgende heronderzoeksdatum is eveneens gekoppeld aan de
                                fase-indeling. De fasering wordt per heronderzoek opnieuw
                                vastgesteld en indien noodzakelijk per cliënt gewijzigd in het
                                uitkeringssysteem. Bij ongewijzigde omstandigheden wordt de
                                heronderzoeksperiode verlengd met dezelfde termijn.</al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><label/><nr>6.</nr><titel>Deelonderzoek</titel></kop><structuurtekst><al>Binnen de hierboven genoemde termijnen kan om meerdere redenen
                                tussentijds een deelonderzoek plaatsvinden, gericht op een
                                doelmatigheidsaspect, een rechtmatigheidsaspect of beide. Als
                                voorbeelden kunnen worden genoemd:</al><al/><al><vet><cursief>1. Doelmatigheidsonderzoek</cursief></vet></al><al>In verband met de doelmatigheid van de verlening van uitkering
                                liggen de accenten vooral op:</al><al>a. de poortwachtersfunctie</al><al>Is er direct werk te verkrijgen voor deze persoon? </al><al>Is directe melding voor arbeidsinschakeling mogelijk en
                                gewenst?</al><al>Is er een voorliggende voorziening?</al><al>Zijn de voorliggende voorzieningen voldoende onderzocht en
                                benut?</al><al>Middels onderzoek, verwijzing, bemiddeling, hulp, hand- en
                                spandiensten enzovoort, moet gestalte worden gegeven aan de
                                poortwachtersfunctie.</al><al/><al>b. de uitstroomactiviteiten</al><al>Het verblijf in de uitkering moet zo kort mogelijk gehouden worden. </al><al>De acties gericht op uitstroom moeten dan ook continuïteit en
                                adequaat handelen waarborgen.</al><al/><al><vet><cursief>2. Doeltreffendheidsonderzoek</cursief></vet></al><al>Iedere actie met betrekking tot aanvraag, heronderzoek,
                                maatregelonderzoek, hersteltermijnen enzovoort dient te leiden tot
                                het beoogde doel. Op microniveau kan de poortwachtersfunctie, het
                                benutten van een voorliggende voorzieningen, uitstroom, acties ter
                                voorkoming van een sociaal isolement of ter voorkoming van
                                ongewenste omstandigheden, zoals schulden, als doel worden beoogd.
                                In individuele gevallen waarin door de gegeven omstandigheden
                                vaststaat dat het beoogde doel niet middels wettelijke maatregelen
                                kan worden bereikt dient deze maatregel dan ook achterwege te
                                blijven of op andere manier vorm te worden gegeven.</al><al/><al><vet><cursief>3. Rechtmatigheid</cursief></vet></al><al>Onder een rechtmatigheidsonderzoek wordt verstaan een controle van
                                de gegevens die benodigd zijn om de noodzaak van (recht op) en de
                                omvang van algemene dan wel bijzondere bijstand dan wel uitkering
                                ingevolge de Ioaw/Ioaz (opnieuw) te kunnen vaststellen.</al><al>Bij een rechtmatigheidsonderzoek wordt - afgezien van specifieke
                                aandachtspunten (zoals bijvoorbeeld de individuele
                                trajectbemiddeling, activering, aflossing vorderingen, verhaal
                                onderhoudsbijdrage, uitstroompremie) in ieder geval onderzoek gedaan
                                naar de volgende gegevens:</al><al/><al>a<cursief>.
                                    Identiteitsbewijs/legitimatiebewij</cursief><cursief>s</cursief></al><al>Bij de aanvraag voor een uitkering dient een geldig
                                identiteitsbewijs te worden overgelegd. Hieronder wordt
                                verstaan:</al><lijst><li nr="-"><al>een (geldig) paspoort,</al></li><li nr="-"><al>een Europese identiteitskaart,</al></li><li nr="-"><al>een toeristenkaart,</al></li><li nr="-"><al>een document waarover een vreemdeling volgens de
                                        Vreemdelingenwet moet beschikken.</al></li></lijst><al>Bij een heronderzoek wordt de identiteit van cliënt vastgesteld aan
                                de hand van het in het dossier aanwezige kopie-identiteitsbewijs en
                                het identiteitsbewijs dat bij heronderzoek getoond dient te
                                worden.</al><al/><al><cursief>b. Verblijfsstatus</cursief></al><al>Bij een cliënt, die niet de Nederlandse nationaliteit bezit, wordt
                                bij ieder onderzoek de geldigheid van een verblijfsstatus
                                gecontroleerd. </al><al>Als verblijfsstatus worden, afhankelijk van de hiermee samenhangende
                                GBA-code, voor het recht op bijstandsverlening geaccepteerd:</al><lijst><li nr="-"><al>verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd regulier (document
                                        II),</al></li><li nr="-"><al>verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd asiel (document
                                        IV),</al></li><li nr="-"><al>verblijfsvergunning voor bepaalde tijd regulier (document
                                        I),</al></li><li nr="-"><al>verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd asiel (document
                                        III),</al></li><li nr="-"><al>verblijfsvergunning voor EG-onderdaan (document
                                        EU/EER).</al></li></lijst><al>Indien blijkt dat de status afwijkt van de GBA-gegevens of
                                anderszins de status niet duidelijk is (bijvoorbeeld bij
                                verlating/echtscheiding indien er sprake is van voorwaarden die
                                verbonden zijn aan de status) wordt de Vreemdelingendienst verzocht
                                de standaardverklaring op grond van de Koppelingswet te overleggen
                                en de gemeente te informeren indien de status wijzigt.</al><al/><al><cursief>c. Sofi-nummer</cursief></al><al>Als schriftelijk bewijs van het sofi-nummer wordt geaccepteerd:
                                ieder schrijven van de belastingdienst waarop het sofi-nummer staat
                                vermeld. </al><al>Een schrijven van de Informatie Beheer Groep, betreffende de
                                toepassing van de Wet op de studiefinanciering wordt eveneens als
                                bewijs van sofi-nummer geaccepteerd. </al><al>Tevens wordt een geldig identiteitsbewijs waarop het sofi-nummer
                                staat afgedrukt als bewijs geaccepteerd. </al><al>Tevens wordt een origineel document van een uitvoeringsorganisatie
                                sociale zekerheidswetten, waarop het sofinummer staat vermeld,
                                geaccepteerd.</al><al/><al><cursief>d. Adres en woonsituatie</cursief></al><al>Een uittreksel bevolkingsregister (Gemeentelijke Basis Administratie
                                (GBA)) wordt bijgevoegd ter verificatie van adres, woonsituatie,
                                opgegeven bewoners en hun burgerlijke staat. </al><al>Zonodig vindt onderzoek, mede in verband met het onder e. gestelde,
                                plaats op basis van het Besluit aanwijzing registraties gezamenlijke
                                huishouding en worden de desbetreffende bewijsstukken gevraagd. </al><al>De GBA gegevens vermelden bij personen met een andere dan de
                                Nederlandse nationaliteit eveneens nationaliteit en
                                verblijfsstatus.</al><al/><al><cursief>e. Gezinssituatie</cursief></al><al>Aan de hand van het uittreksel bevolkingsregister kan geverifieerd
                                worden wie er op het gegeven adres wonen. </al><al>Aan de hand hiervan dient nagegaan te worden óf er sprake is
                                gedeelde lasten en in hoeverre. Dit in verband met de toepassing van
                                de gemeentelijke verordening Toeslagen en Verlagingen Abw).</al><al>Indien van toepassing worden registraties opgevraagd ex artikel 3, 4
                                en 5e lid Abw.</al><al/><al><cursief>f. Woonlasten</cursief></al><al>Een betalingsbewijs van de woonlasten of huurcontract dient, voor
                                zover van toepassing, getoond te worden. Indien er sprake is van een
                                eigen woning dienen alle bewijsstukken in verband met de eigen
                                woning en de lasten hiervan overgelegd te worden. </al><al>Aktes van eigendom, hypotheek, bankafschriften en betalingsbewijzen
                                van de lasten.</al><al/><al><cursief>g. Vermogen</cursief></al><al>Teneinde het vermogen te kunnen vaststellen wordt inzage gevraagd in
                                de bank- en Postbankafschriften en spaarrekeningen van de cliënt (en
                                zijn/haar kinderen jonger dan 18 jaar). </al><al>Van eventuele andere vermogensbestanddelen dienen eveneens bewijzen
                                overgelegd te worden. Voorbeelden: effecten, auto, caravan, eigen
                                woning, andere woning, woning in het buitenland. Indien nodig wordt
                                een kopie van de belastingaangifte gevraagd.</al><al>In de gemeente Midden-Delfland is het de richtlijn, dat van iedere
                                bank/Postbankrekening ten minste de afschriften van de laatste 3
                                maanden ter inzage wordt gevraagd. </al><al>Indien nodig wordt over een langere periode inzage gevraagd. </al><al>Van de ingekeken afschriften worden het eerste en het laatste
                                afschrift in het dossier geborgen.</al><al/><al><cursief>h. Inkomsten</cursief></al><al>Onderzocht dient te worden of een cliënt inkomsten heeft ontvangen
                                naast de bijstandsuitkering. </al><al>Alle gegevens met betrekking tot het inkomen dient cliënt te
                                overleggen. </al><al>De inkomsten kunnen betrekking hebben op:</al><lijst><li nr="-"><al>inkomsten uit arbeid;</al></li><li nr="-"><al>alimentatie</al></li><li nr="-"><al>andere uitkeringen;</al></li><li nr="-"><al>inkomsten uit eigen bedrijf/beroep;</al></li><li nr="-"><al>inkomsten uit vermogen;</al></li><li nr="-"><al>onderhuur/kostganger/bijdrage inwonend werkend kind
                                        (lastendeling in de nieuwe Abw).</al></li></lijst><al>Zonodig wordt de werkgever een zogenaamd Looninformatieformulier
                                toegezonden, waarbij gewezen wordt op de verplichting op grond van
                                artikel 121 Abw resp. 44/45 Ioaw/z.</al><al/><al><cursief>i. Inschrijving Centrum Werk en Inkomen</cursief></al><al>Indien de arbeidsverplichting is gesteld dient het inschrijfbewijs
                                van het CWI getoond te worden en gecontroleerd te worden op z'n
                                geldigheid. </al><al>Ook vindt een onderzoek plaats naar de fase-indeling. Indien blijkt
                                dat de fase-indeling niet (meer) overeenkomt met de fase-indeling
                                zoals deze door de welzijnsconsulent is vastgesteld, vindt
                                terugkoppeling plaats naar het CWI.</al><al/><al><cursief>j. Voorliggende voorzieningen</cursief></al><al>Van alle genoten of niet genoten mogelijke voorliggende
                                voorzieningen dient de correspondentie overgelegd te worden. </al><al>Het kan hier gaan om een bericht omtrent de maximale
                                uitkeringstermijn ingevolge de Werkloosheidswet (WW), een afwijzing
                                WW of op grond van de Ziektewet of Wet
                                Arbeidsongeschiktheidsverzekering (Wao/Waz/Wajong) of andere volks-
                                of werknemersverzekeringen, eventueel aangevuld met een uitkering op
                                grond van de Toeslagenwet (TW). In principe dient van iedere
                                mogelijke voorliggende voorziening correspondentie – hetzij een
                                toekenningsbrief of een weigeringsbrief – overgelegd te worden. </al><al>Onder de voorliggende voorzieningen wordt eveneens de
                                onderhoudsbijdrage bedoeld. </al><al>Ook hiervan dienen de mogelijke bewijsstukken (vonnissen,
                                convenanten, briefwisseling advocaten, bankafschriften, bewijzen
                                kinderbijslag enz.) overgelegd te worden.</al><al/><al><cursief>k. Arbeidsverplichting</cursief></al><al>Indien de arbeidsverplichting is gesteld dient in een heronderzoek
                                tevens een onderzoek (afgezien van de eventuele incidentele
                                onderzoeken in verband met de individuele trajectbemiddeling) plaats
                                te vinden naar het al dan niet nakomen van deze verplichting. </al><al>De sollicitatieopgaven op de inkomstenverklaringen sinds het
                                voorgaande heronderzoek dienen hierbij betrokken te worden.</al><al/><al><cursief>l. Rechtmatigheidsonderzoeksformulieren</cursief></al><al>Maandelijks worden de rechtmatigheidsonderzoeksformulieren doorlopen
                                op melding van eventuele wijzigingen, de periode waarop de
                                mededeling betrekking heeft, van woon- en gezinsomstandigheden,
                                lastendeling, arbeidsaanvaarding, inschrijving arbeidsvoorziening,
                                verrichten van arbeid, de genoten inkomsten, vrijwilligerswerk,
                                vermogensontvangsten, sollicitatie-activiteiten, verblijfsstatus,
                                verblijf in buitenland, mogelijke wijzigingen et cetera.</al><al/><al><cursief>m. Vorderingen</cursief></al><al>In alle gevallen dient nagegaan te worden of er sprake is van een
                                schuld aan de gemeente. Ingeval een cliënt een schuld aan de
                                gemeente heeft, wordt een debiteurenonderzoek uitgevoerd. </al><al/><al><cursief>o. Andere verplichtingen</cursief></al><al>Indien aan de verlening van de uitkering verplichtingen zijn
                                verbonden (bijvoorbeeld het instellen van een onderhoudsbijdrage, de
                                gemeente op de hoogte houden van een beslissing op een aanvraag van
                                een voorliggende voorziening, de arbeidsverplichting voor de
                                belanghebbenden en eventuele partner) dient het nakomen hiervan bij
                                een heronderzoek onderzocht te worden. </al><al>Belanghebbende dient bewijzen hiervan te overleggen.</al><al>Het voldoen aan de arbeidsverplichting strekt verder dan de
                                constatering dat al dan niet voldaan wordt aan de verplichting. </al><al>De rol van de gemeente hierin is actief, stimulerend, en zonodig
                                sturend, waarbij gebruik wordt gemaakt van de diverse
                                uitstroominstrumenten.</al><al/><al><cursief>p. Verificatie</cursief></al><al>Alle gegevens worden met schriftelijke bewijzen gestaafd, tenzij
                                individuele omstandigheden aanleiding geven dit niet te doen.
                                Ingeval van ontbreken van schriftelijke bewijzen wordt de reden
                                hiervan in de rapportage opgenomen en dient de cliënt, indien nodig,
                                aangeschreven te worden de gevraagde informatie alsnog te
                                overleggen, onder de mededeling, dat het niet voldoen aan de
                                gestelde voorwaarden, kan leiden tot beëindiging van de uitkering
                                levensonderhoud. </al><al>Ingeval van een aanvraag kan besloten worden de aanvraag niet in
                                behandeling te nemen indien niet de benodigde informatie is
                                overgelegd. </al><al>Bij een heronderzoek komen al deze elementen aan de orde
                                (doelmatigheid, doeltreffend-heid en rechtmatigheidselementen).
                            </al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><label/><nr>7.</nr><titel>Debiteurenonderzoek</titel></kop><structuurtekst><al>Doel van een debiteurenonderzoek is na te gaan of er sprake is van
                                een wijziging in de financiële omstandigheden van de cliënt die
                                aanleiding kan geven de opgelegde betalings- en
                                aflossingsverplichting(en) aan te passen. De verplichting uit de RAU
                                tot het instellen van een debiteurenonderzoek was overigens beperkt
                                tot de algemene bijstand die bij het rijk wordt gedeclareerd.</al><al>De RAU bood de mogelijkheid een debiteurenonderzoek achterwege te
                                laten als de betalings- en aflossingstermijn korter is dan vijf jaar
                                én de belanghebbende zijn verplichtingen nakomt. In zo'n situatie is
                                de gemeente niet verplicht een periodiek debiteurenonderzoek in te
                                stellen. Het beleid in de gemeente Midden-Delfland is er op gericht
                                adequaat te kunnen handelen wanneer aanpassing van de
                                betalingsverplichting nodig is of wanneer deze niet correct wordt
                                nageleefd. Hiertoe vallen alle categorieën debiteuren onder het
                                regime van periodieke heronderzoeken.</al><al>Beleidsuitgangspunt is dat ten onrechte ontvangen uitkering wordt
                                teruggevorderd met dien verstande dat vanaf 1 augustus 1998 rekening
                                wordt gehouden met de op die datum in werking getreden verruiming
                                van buiten-invorderingstelling van vorderingen ingevolge de Wet
                                herziening debiteuren.</al><al>Vanaf 1 juli 1997 levert een besluit tot terugvordering een
                                executoriale titel op, die met toepassing van het Wetboek van
                                Burgerlijke Rechtsvordering ten uitvoer kan worden gelegd. Dit geldt
                                overigens alleen voor besluiten die betrekking hebben op vorderingen
                                ontstaan na die datum. Wanneer een terugbetalingsregeling niet of in
                                onvoldoende mate wordt nagekomen, wordt de betreffende debiteur
                                aangemaand dat alsnog te doen. Wordt aan een (herhaalde) aanmaning
                                geen gevolg gegeven, dan volgt zo nodig incasso of beslag. Wanneer
                                een betalingsregeling naar aanleiding van een besluit genomen vóór 1
                                juli 1997, ook na herhaalde aanmaningen, niet wordt nagekomen, dan
                                dient dit via een gerechtelijke procedure te worden afgedwongen (de
                                vordering wordt vastgelegd bij de kantonrechter).</al><al>De volgende debiteurenonderzoeken zijn mogelijk:</al><lijst><li nr="-"><al>vorderingen welke zijn vastgelegd bij de kantonrechter;</al></li><li nr="-"><al>vorderingen inzake leenbijstand;</al></li><li nr="-"><al>vorderingen welke (nog) niet zijn vastgelegd bij de
                                        kantonrechter; hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen
                                        vorderingen:</al></li><li nr="-"><al>ontstaan voor 1 juli 1997, waarbij de betalingsverplichting
                                        wordt nageleefd;</al></li><li nr="-"><al>ontstaan voor 1 juli 1997, waarbij de betalingsverplichting
                                        nog moet worden vastgesteld danwel niet correct wordt
                                        nageleefd en die eventueel moeten worden vastgelegd;</al></li><li nr="-"><al>ontstaan na 1 juli 1997, waarbij de betalingsverplichting
                                        nog moet worden vastgesteld, of niet correct wordt
                                        nageleefd;</al></li><li nr="-"><al>ontstaan na 1 juli 1997, waarbij de betalingsverplichting
                                        correct wordt nageleefd.</al></li></lijst></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><label/><nr>8.</nr><titel>Heronderzoek en deelonderzoek bij onderhoudsplichtigen</titel></kop><structuurtekst><al>Doel van het heronderzoek bij onderhoudsplichtigen is na te gaan of
                                er zich in de persoonlijke en financiële omstandigheden van de
                                onderhoudsplichtige zodanige wijzigingen hebben voorgedaan, dat er
                                aanleiding is alsnog tot het vaststellen van een verhaalsbijdrage
                                over te gaan, danwel een eerder opgelegde verhaalsbijdrage te
                                wijzigen. Ervaring wijst uit dat de onderhoudsplichtigen globaal in
                                twee groepen zijn te onderscheiden.</al></structuurtekst><artikel><kop><label>8.1 Onderhoudsplichtigen die in een stabiele situatie
                                    verkeren</label></kop><al>Bij onderhoudsplichtigen uit deze categorie worden binnen een
                                tijdsbestek van 24 maanden geen relevante wijzigingen in de
                                persoonlijke en/of financiële situatie verwacht.</al><al>Kenmerken voor een stabiele situatie zijn onder andere:</al><lijst><li nr="-"><al>vast salaris zonder wisselende emolumenten;</al></li><li nr="-"><al>geen schulden;</al></li><li nr="-"><al>aflossing op schulden langer dan 36 maanden;</al></li><li nr="-"><al>in de eerste drie jaar worden geen wijzigingen in de leef-
                                        of gezinssituatie van de bijstandscliënt verwacht, waardoor
                                        de van toepassing zijnde norm en/of toeslag kan
                                        veranderen;</al></li><li nr="-"><al>in de eerste twee jaar worden geen wijzigingen in de
                                        gezinssituatie van de onderhoudsplichtige verwacht, waardoor
                                        het van toepassing zijnde bedrag voor levensonderhoud en het
                                        voor verhaal beschikbare percentage van de draagkrachtruimte
                                        kan veranderen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>8.2 Onderhoudsplichtigen die in een niet-stabiele situatie
                                    verkeren</label></kop><al>Bij onderhoudsplichtigen uit deze categorie worden binnen een
                                tijdsbestek van 24 maanden wijzigingen in hun persoonlijke en/of
                                financiële situatie verwacht, die van invloed zijn op de hoogte van
                                een op te leggen of reeds opgelegde verhaalsbijdrage. Kenmerken van
                                een niet-stabiele situatie zijn onder andere:</al><lijst><li nr="-"><al>onbekend adres en onbekende persoonlijke en/of financiële
                                        gegevens van de onderhoudsplichtige;</al></li><li nr="-"><al>onregelmatig inkomen (van bijvoorbeeld zelfstandigen,
                                        oproep- en uitzendkrachten, seizoenarbeiders, structurele
                                        doch sterk in omvang wisselende inkomsten uit
                                        overwerk);</al></li><li nr="-"><al>sociale zekerheidsuitkering (bijvoorbeeld ZW, WW,
                                        AAW/WAO);</al></li><li nr="-"><al>er is sprake van een procedure in verband met verkrijging of
                                        behoud van een sociale zekerheidsuitkering;</al></li><li nr="-"><al>de onderhoudsplichtige heeft na verlating van/door de
                                        ex-partner nog niet de beschikking over zelfstandige
                                        woonruimte.</al></li></lijst><al>In het geval van een stabiele situatie wordt een heronderzoek
                                eenmaal per 24 maanden verricht. Wordt een niet-stabiele situatie
                                aangenomen, dan wordt een heronderzoek verricht al naar gelang de
                                wijziging die wordt verwacht, doch minstens eenmaal per 24
                                maanden.</al><al>Bovendien kan in alle gevallen een deelonderzoek op specifieke
                                onderdelen worden verricht, indien de omstandigheden daartoe
                                aanleiding geven en indien dat vóór het periodieke heronderzoek
                                noodzakelijk wordt geacht. </al><al>Hiervan kan onder meer sprake zijn wanneer:</al><lijst><li nr="-"><al>er een wijziging wordt verwacht in de persoonlijke en/of
                                        financiële omstandigheden van de bijstandscliënt, waardoor
                                        de van toepassing zijnde norm en/of toeslag kan veranderen
                                        (voor zover die wijzigingen naar verwachting gevolgen hebben
                                        voor de onderhoudsplicht en/of hoogte van het vastgestelde
                                        of nog vast te stellen verhaalsbedrag);</al></li><li nr="-"><al>er een wijziging wordt verwacht in de leef- of
                                        gezinssituatie van de onderhoudsplichtige, waardoor het van
                                        toepassing zijnde bedrag voor levensonderhoud en het voor
                                        verhaal beschikbare percentage van de draagkrachtruimte kan
                                        veranderen;</al></li><li nr="-"><al>schulden, waarmee in de draagkrachtberekening rekening is
                                        gehouden, bij een regelmatig aflossingspatroon binnen 36
                                        maanden afgelost kunnen zijn;</al></li><li nr="-"><al>de maximale termijn van verhaal binnen 24 maanden wordt
                                        bereikt;</al></li><li nr="-"><al>de rechterlijke uitspraken met betrekking tot echtscheiding,
                                        voogdij en/of alimentatie moeten worden opgevraagd;</al></li><li nr="-"><al>er tijdelijk is afgezien van verhaal op grond van dringende
                                        redenen;</al></li><li nr="-"><al>de onderhoudsplichtige de lasten van de voormalige
                                        echtelijke woning nog voor zijn rekening neemt;</al></li><li nr="-"><al>er al dan niet tijdelijk rekening is gehouden met een
                                        extreem hoge huur.</al></li></lijst><al>Er wordt géén heronderzoek verricht als het gaat om een vordering
                                waarvan de betalings- en aflossingstermijnen een periode van vijf
                                jaar, te rekenen vanaf de eerste dag van de maand waarin de eerste
                                aflossingstermijn voldaan moet zijn, niet wordt overschreden
                                (artikel 4, vierde lid, Rau 1996). Het betalingsverloop wordt in die
                                gevallen bewaakt door middel van een deelonderzoek en de
                                aanmaningsprocedures.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label/><nr>9.</nr><titel>Categorieën vorderingen en heronderzoekstermijnen</titel></kop><structuurtekst><al>Voor zover ze onder het RAU-regime vielen, zijn de volgende
                                categorieën en daaraan verbonden heronderzoekstermijnen te
                                onderscheiden (vorderingen inzake leenbijstand zijn hierin dus niet
                                opgenomen).</al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colwidth="72*"/><colspec colname="col2" colwidth="28*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Categorie</al></entry><entry colname="col2"><al>termijn</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Vordering die bij correct naleven van de
                                                  terugbetalingsverplichting een looptijd heeft van
                                                  minder dan vijf jaar</al></entry><entry colname="col2"><al>Geen</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Vordering op een cliënt bij wie de
                                                  aannemelijkheid is vastgesteld dat het inkomen
                                                  niet in bijzondere mate zal wijzigen, ongeacht de
                                                  looptijd van de vordering</al></entry><entry colname="col2"><al>24 maanden </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Vordering die een looptijd heeft van minder dan
                                                  vijf jaar, maar waarbij niet correct aan de
                                                  terugbetalingsverplichting is voldaan</al></entry><entry colname="col2"><al>24 maanden</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Vordering die bij correct naleven van de
                                                  terugbetalingsverplichting een looptijd heeft van
                                                  meer dan vijf jaar</al></entry><entry colname="col2"><al>24 maanden</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Vordering op grond van het Besluit
                                                  bijstandsverlening zelfstandigen</al></entry><entry colname="col2"><al>12 maanden</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Vordering waarvoor nog geen
                                                  terugbetalingsregeling is getroffen</al></entry><entry colname="col2"><al>24 maanden</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Vordering op onderhoudsplichtige in stabiele
                                                  situatie</al></entry><entry colname="col2"><al>24 maanden</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Vordering op onderhoudsplichtige in niet
                                                  stabiele situatie</al></entry><entry colname="col2"><al>Afhankelijk van de te verwachten wijzigingen,
                                                  maar tenminste één keer per 24 maanden</al></entry></row></tbody></tgroup></table></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><label/><nr/><titel>Bijlage bij Afdeling 2 Heronderzoeken</titel></kop><structuurtekst><al>Begripsbepaling/ afbakening heronderzoeken:</al><al>De uit te voeren onderzoeken zijn te onderscheiden in:</al><lijst><li nr="1."><al>entree-onderzoeken</al></li><li nr="2."><al>heronderzoeken</al></li><li nr="3."><al>onderzoeken naar aanleiding van de
                                        inkomstenverklaringen</al></li><li nr="4."><al>overige onderzoeken (hierna te noemen
                                        vervolgonderzoeken)</al></li><li nr="5."><al>heronderzoeken bijzondere bijstandsverlening</al></li><li nr="6."><al>beëindigingsonderzoeken</al></li><li nr="7."><al>debiteurenonderzoeken</al></li></lijst></structuurtekst><artikel><kop><label>1. Entree-onderzoek</label></kop><al>Hieronder wordt het onderzoek verstaan dat wordt verricht naar
                                aanleiding van de indiening van een aanvraag om uitkering. Indien
                                duidelijk is dat de persoon voor de voorziening in het bestaan
                                aangewezen is op arbeid in loondienst, dan wordt in eerste instantie
                                bezien in hoeverre er direct werk beschikbaar is. Indien mogelijk
                                vindt directe verwijzing naar een uitzendbureau plaats. Instroom van
                                jongeren tot 23-jaar en/of schoolverlaters is in principe volstrekt
                                ongewenst. In voorkomende gevallen vindt verwijzing naar
                                uitzendbureaus, vacaturebank of Wiw plaats. </al></artikel><artikel><kop><label>2. Heronderzoek</label></kop><al>In de toelichting op het RAU 1996 werd als doel van een heronderzoek
                                genoemd: "Het uitvoerings- en handhavingsproces van de
                                respectievelijke wetten te ondersteunen en daarmee de rechtmatigheid
                                te vergroten, bovendien de minister in staat te stellen adequaat
                                verantwoording af te leggen over het krachtens de Abw, de Ioaw en de
                                Ioaz gevoerde beleid en over de daarop betrekking hebbende uitgaven
                                en inkomsten".</al><al>Als criteria voor de optimale invulling van het heronderzoek werd
                                reeds in het BVVU opgemerkt dat: "In ieder geval wordt aan de
                                volgende criteria recht gedaan:</al><lijst><li nr="1."><al>in het heronderzoek moet een mondeling contact met de cliënt
                                        zijn inbegrepen.</al></li><li nr="2."><al>het heronderzoek dient aan te sluiten bij het eerste
                                        onderzoek of het vorige heronderzoek, de gegevens over de
                                        tussenliggende periode die ondermeer zijn opgenomen in de
                                        ingevulde inkomstenverklaringen worden uiteraard in het
                                        heronderzoek betrokken;</al></li><li nr="3."><al>de resultaten van het mondelinge contact, de gegevens die in
                                        het heronderzoek zijn gebleken en de stukken met betrekking
                                        tot de verificatie moeten in het dossier worden opgenomen
                                        evenals de gemaakte afspraken met de cliënt;</al></li><li nr="4."><al>tijdens het heronderzoek moet uitdrukkelijk aandacht worden
                                        besteed aan de inspanningen van de cliënt t.a.v. de
                                        arbeidsmarkt."</al></li></lijst><al>Het RAU 1996 werd hieraan nog toegevoegd "dat met een adequaat
                                controlespoor een kwaliteitseis aan de uitvoering wordt gesteld,
                                waarmede een waarborg wordt beoogd voor een rechtmatige
                                wetsuitvoering en rechtmatig verstrekte uitkeringen”.</al><al>Een onderzoek dat aan deze criteria voldoet wordt onderstaand als
                                heronderzoek aangemerkt. Overigens voldoen de heronderzoeken in de
                                gemeente Midden-Delfland ruimschoots aan deze norm. </al><al>De uitvoering van deze heronderzoeken dient steeds binnen acht
                                maanden plaats te vinden (in de uitvoeringspraktijk is dit 6 maanden
                                met een uitloop naar 8 maanden). Dit om overschrijdingen te kunnen
                                ondervangen).</al></artikel><artikel><kop><label>3. Onderzoek naar aanleiding van de
                                    rechtmatigheidsonderzoeksformulieren</label></kop><al>Over dit onderwerp stelde het BVVU reeds: "Niet alleen de
                                verificatie van gegevens omtrent het vaststellen van het recht op
                                uitkering is van essentieel belang, evenzo het continueren van het
                                recht op uitkering mag niet buiten beschouwing gelaten worden. Het
                                is van essentieel belang, dat met grote regelmaat wordt nagegaan of
                                het recht op uitkering kan worden gecontinueerd. Hiervoor dient het
                                rechtmatigheidsonderzoeksformulier, dat door de cliënt ingevuld en
                                ondertekend, te worden ingeleverd. Daarin moet niet alleen worden
                                gevraagd naar de genoten inkomsten, maar ook naar andere
                                omstandigheden die van belang zijn voor het al dan niet gewijzigd
                                voortzetten van de uitkering, daaronder begrepen de verrichte
                                sollicitatieactiviteiten en andere activiteiten die zijn gericht op
                                de (her)intreding in het arbeidsproces." Deze onderzoeken worden
                                maandelijks uitgevoerd.</al></artikel><artikel><kop><label>4. Overige onderzoeken (vervolgonderzoeken)</label></kop><al>Een vervolgonderzoek - in de gemeente Midden-Delfland veelal
                                incidenteel heronderzoek genoemd - is bedoeld als aanvulling op het
                                heronderzoek, om specifieke aandacht aan een bepaald onderwerp te
                                besteden. Als voorbeelden zijn te noemen: nader onderzoek vermogen /
                                boedelscheiding, woonkostentoeslag, uitstroom, fraude, voorliggende
                                voorzieningen, inkomstenonderzoek, verblijf in het buitenland enz.
                                Deze onderzoeken kunnen niet aangemerkt worden als een heronderzoek
                                zoals bedoeld in de RAU 1996. Naast deze onderzoeken zullen de
                                heronderzoeken moeten plaatsvinden.</al></artikel><artikel><kop><label>5. Bijzondere bijstand</label></kop><al>Op grond van de gemeentelijke richtlijn dient telkens voor de
                                periode van 12 maanden de draagkracht vastgesteld te worden. Om die
                                reden dient er eens per 12 maanden een onderzoek ingesteld te worden
                                naar de financiële omstandigheden van die cliënt. Het is derhalve
                                doelmatig om het heronderzoek voor deze cliënten bij het
                                draagkrachtjaar te laten aansluiten. Overigens, in veel gevallen
                                vinden tussentijds al meerdere onderzoeken plaats in verband met
                                nieuwe aanvragen om bijzondere bijstand. Deze onderzoeken kunnen het
                                heronderzoek echter niet vervangen, omdat bij tussentijdse aanvragen
                                het lopende draagkrachtjaar nog van toepassing is. Tenzij er een
                                aanmerkelijke wijziging in inkomen/vermogen of persoonlijke
                                omstandigheden heeft plaatsgevonden en er derhalve aanleiding is de
                                draagkracht te herzien. Ook deze heronderzoeken dienen steeds binnen
                                acht maanden plaats te vinden. Het is echter doelmatiger deze
                                heronderzoeken eens per 12 maanden te verrichten.</al></artikel><artikel><kop><label>6. Beëindigingsonderzoek</label></kop><al>Bij of na beëindiging van een uitkering wordt binnen 6 maanden een
                                onderzoek ingesteld en vindt besluitvorming plaats met betrekking
                                tot de wederzijdse verplichtingen: verificatie werkaanvaarding,
                                eventuele vaststelling van teveel betaalde bijstand of bepaling van
                                de verplichtingen in verband met nog openstaande vorderingen. In
                                artikel 3 van het RAU 1996 werd deze onderzoekstermijn eveneens
                                bepaald op 6 maanden. Er is geen behoefte hierin een wijziging aan
                                te brengen.</al></artikel><artikel><kop><label>7. Debiteurenonderzoek</label></kop><al>Dit soort onderzoek spreekt voor zich. Het gaat altijd om een
                                vordering of verhaalsactie. In artikel 4 van het RAU 1996 is deze
                                onderzoekstermijn bepaald op 12 maanden, tenzij hiervan in een
                                heronderzoeksplan wordt afgeweken. Het debiteurenbeleid is sinds
                                jaren “strak” geregeld. De praktijk leert echter dat er na een
                                periode van 12 maanden een nieuwe periode zonder wijzigingen wordt
                                voorgesteld. Bij deze vorderingen kan de termijn worden verlengd tot
                                24 maanden, hetgeen middels dit plan wordt gerealiseerd.</al></artikel></paragraaf></hoofdstuk></regeling-tekst></regeling></body></cvdr>