<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR370427_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Re-integratieverordening Participatiewet</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Den Helder</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-03-20</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Den Helder</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Stadsnieuws 2015, 26</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Re-integratieverordening Participatiewet</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Artikel 8a eerste en tweede lid van de Participatiewet</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Artikel 10 eerste lid van de Participatiewet</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2015-06-15</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2015-06-29</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:terugwerkendekrachtDatum>2015-01-01</overheidrg:terugwerkendekrachtDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2017-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Wijziging van de regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>RB15.0028</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Re-integratieverordening Participatiewet</intitule><regeling><aanhef><preambule><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsomschrijving</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en niet nader
                                worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de
                                Participatiewet en de Algemene wet bestuursrecht.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>het college: het college van burgemeester en wethouders van
                                        Den Helder;</al></li><li nr="b."><al>de gemeenteraad: de gemeenteraad van Den Helder;</al></li><li nr="c."><al>de wet(ten): de Participatiewet, de Wet inkomensvoorziening
                                        oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze
                                        werknemers (Ioaw) en de Wet inkomensvoorziening oudere en
                                        gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen
                                        (Ioaz);</al></li><li nr="d."><al>doelgroep: personen als bedoeld in artikel 7, eerste lid,
                                        onder a, van de wet;</al></li><li nr="e."><al>belanghebbende: het lid van de doelgroep dat aanspraak maakt
                                        op ondersteuning of aan wie ondersteuning wordt
                                        aangeboden;</al></li><li nr="f."><al>mantelzorg: langdurige zorg die niet in het kader van een
                                        hulpverlenend beroep wordt geboden aan een hulpbehoevende
                                        door personen uit diens directe omgeving, waarbij
                                        zorgverlening rechtstreeks voortvloeit uit de sociale
                                        relatie en de gebruikelijke zorg van huisgenoten voor elkaar
                                        overstijgt;</al></li><li nr="g."><al>re-integratie-instrumenten: de instrumenten die het college
                                        ter beschikking heeft voor het bieden van ondersteuning als
                                        bedoeld in artikel 7 van de wet;</al></li><li nr="h."><al>traject: gecombineerde inzet c.q. aaneenschakeling van
                                        re-integratie-instrumenten ten behoeve van leden van de
                                        doelgroep;</al></li><li nr="i."><al>voorzieningen: regelingen c.q. maatregelen ter ondersteuning
                                        van de re-integratie-instrumenten;</al></li><li nr="j."><al>algemeen geaccepteerde arbeid: alle maatschappelijk
                                        aanvaardbare arbeid. De werkzaamheden die niet algemeen
                                        geaccepteerd zijn of ingaan tegen de integriteit van de
                                        persoon zijn uitgesloten;</al></li><li nr="k."><al>Wet SUWI: Wet Structuur Uitvoeringsorganisatie Werk en
                                        Inkomen;</al></li><li nr="l."><al>UWV: Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen;</al></li><li nr="m."><al>uitkeringsgerechtigde: degene(n) die een periodieke
                                        uitkering voor levensonderhoud ontvangt op grond van de wet.
                                        Met degene die een uitkering ontvangt wordt gelijk gesteld
                                        degene die een uitkering ontvangt op grond van de Wet
                                        Inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                                        arbeidsongeschikte werkloze werknemers (Ioaw) of op grond
                                        van de Wet Inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                                        arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen; (Ioaz);</al></li><li nr="n."><al>niet-uitkeringsgerechtigde: een persoon die geen uitkering
                                        ontvangt;</al></li><li nr="o."><al>werknemer: lid van de doelgroep dat een dienstverband heeft
                                        met een werkgever;</al></li><li nr="p."><al>werkgever: contractuele wederpartij van de werknemer waarmee
                                        een arbeidsovereenkomst is afgesloten. </al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Opdracht aan het college</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college is verantwoordelijk voor het ondersteunen van
                                uitkeringsgerechtigden, niet-uitkerings-gerechtigde werkzoekenden
                                (nuggers) en personen met een uitkering in het kader van de Algemene
                                Nabestaandenwet (Anw-ers) bij het verkrijgen van algemeen
                                geaccepteerde arbeid en, voor zover nodig, het aanbieden van
                                voorzieningen gericht op arbeidsinschakeling. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college zorgt voor een voldoende gevarieerd aanbod van
                                re-integratie-instrumenten. Het college houdt daarbij rekening met
                                de aard en omvang van door het college te bepalen doelgroepen en de
                                instrumenten die het meest geschikt zijn voor de leden van die
                                doelgroepen. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college kan bij het bepalen van het aanbod aan
                                re-integratie-instrumenten prioriteiten stellen in verband met de
                                financiële mogelijkheden en met maatschappelijke, economische en
                                conjuncturele ontwikkelingen.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college bevordert de beschikbaarheid van voorzieningen voor de
                                opvang van kinderen jonger dan 12 jaar voor leden van de doelgroep,
                                voor zover die opvang nodig is voor het volgen van een traject of
                                voor deelname aan re-integratie-instrument, of voor het bereiken van
                                het doel van een traject of een re-integratie-instrument. </al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2</nr><titel>Doel en ondersteuning</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Doel</titel></kop><al>Het college streeft actief naar deelname aan het arbeidsproces c.q.
                            maatschappelijk proces van de doelgroep, zoals die is gedefinieerd in
                            artikel 7 eerste lid onder a van de wet.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Uitvoeringsplan</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college stelt ter nadere uitvoering van deze verordening
                                jaarlijks een uitvoeringsplan vast, waarin beleidsprioriteiten
                                worden aangegeven.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het uitvoeringsplan als bedoeld in het eerste lid bevat het oordeel
                                van de cliëntenadviesraad of diens rechtsopvolger.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college verantwoordt via de jaarrekening aan de gemeenteraad
                                over de rechtmatigheid, doeltreffendheid en de effecten van het
                                beleid. .</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Vorm van ondersteuning</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Ondersteuning kan worden geboden door het aanbieden van een traject,
                                waarbij zonodig re-integratie-instrumenten kunnen worden ingezet, of
                                door het bieden van praktische hulp, advies of doorverwijzing naar
                                andere instanties.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Bij de inzet van re-integratie-instrumenten wordt gekozen voor dat
                                instrument dat</al><al> beschikbaar is en dat adequaat en toereikend is voor het doel dat
                                beoogd wordt.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Re-integratie-instrumenten die gericht zijn op arbeidsinschakeling
                                worden alleen ingezet als zonder die inzet het vinden van algemeen
                                geaccepteerde arbeid niet mogelijk is.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Verplichtingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De belanghebbende die door het college een re-integratie-instrument
                                en/of een hierop afgestemde voorziening wordt aangeboden is
                                verplicht hiervan gebruik te maken.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De belanghebbende die deelneemt aan een traject is gehouden aan de
                                verplichtingen die gelden op grond van de wet, de Wet SUWI, deze
                                verordening alsmede aan de nader op te leggen verplichtingen die het
                                college aan het aangeboden traject en/of voorziening heeft
                                verbonden, waaronder in ieder geval:</al><lijst><li nr="a."><al>het verstrekken van de inlichtingen aan het college die
                                        nodig zijn voor het bepalen van een geschikt traject,
                                        geschikt re-integratie-instrument en/of een geschikte
                                        voorziening;</al></li><li nr="b."><al> het verlenen van medewerking aan een onderzoek als bedoeld
                                        in artikel 9 van deze verordening;</al></li><li nr="c."><al> het naar vermogen uitvoering geven aan de verschillende
                                        onderdelen van het traject;</al></li><li nr="d."><al> na te laten hetgeen de realisatie van het doel van het
                                        traject of van de re-integratie- instrumenten
                                        belemmert.</al></li></lijst><al/></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien een uitkeringsgerechtigde die deelneemt aan een traject en
                                /of voorziening, niet voldoet aan het gestelde in het tweede lid,
                                dan kan het college de uitkering verlagen, conform hetgeen hierover
                                is bepaald in de Afstemmingsverordening Participatiewet.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Indien de belanghebbende, niet zijnde een uitkeringsgerechtigde, die
                                gebruik maakt van een traject en/of een voorziening, niet voldoet
                                aan het gestelde in het tweede lid, kan het college de kosten van
                                het traject en/of de voorziening dan wel de verstrekte subsidie
                                geheel of gedeeltelijk terugvorderen op grond van het Burgerlijk
                                Wetboek Boek 6 artikel 203..</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Evenwichtige verdeling en financiering</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college houdt bij het aanbieden van de in deze verordening
                                opgenomen voorzieningen rekening met de omstandigheden en
                                functionele beperkingen van een persoon. De omstandigheden hebben in
                                ieder geval betrekking op zorgtaken van die persoon en de
                                mogelijkheid dat hij behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie of
                                gebruik maakt van de voorziening beschut werk. Onder zorgtaken wordt
                                in ieder geval verstaan: </al><lijst><li nr="a."><al> de opvang van ten laste komende kinderen tot vijf jaar;
                                    </al></li><li nr="b."><al> de noodzakelijkheid van het verrichten van mantelzorg</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Personen met een inkomen dat hoger is dan de voor hen geldende
                                bijstandsnormen zoals bepaald in de wet en een vermogen hoger dan de
                                vermogensgrenzen zoals bepaald in de wet kunnen geen aanspraak maken
                                op ondersteuning bij arbeidsinschakeling. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Algemene bepalingen over voorzieningen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan een voorziening beëindigen als: </al><lijst><li nr="a."><al>de persoon die aan de voorziening deelneemt zijn
                                        verplichting als bedoeld in de artikelen 9 en 17 van de
                                        Participatiewet en de op grond van artikel 55 van de
                                        Participatiewet opgelegde bijzondere verplichtingen, niet
                                        nakomt; of</al></li><li nr="b."><al> de persoon die aan de voorziening deelneemt niet meer
                                        behoort tot de doelgroep; of</al></li><li nr="c."><al> de persoon die aan de voorziening deelneemt algemeen
                                        geaccepteerde arbeid aanvaardt waarbij geen gebruik wordt
                                        gemaakt van een in deze verordening genoemde voorzieningen,
                                        tenzij het betreft een persoon als bedoeld in artikel 7,
                                        eerste lid, onderdeel a, van de wet; of</al></li><li nr="d."><al> naar het oordeel van het college de voorziening onvoldoende
                                        bijdraagt aan een snelle arbeidsinschakeling; of</al></li><li nr="e."><al> de voorziening naar het oordeel van het college niet meer
                                        geschikt is voor de persoon die gebruik maakt van de
                                        voorziening; of</al></li><li nr="f."><al> de persoon die aan de voorziening deelneemt niet naar
                                        behoren gebruik maakt van de aangeboden voorziening; of</al></li><li nr="g."><al> de persoon die aan de voorziening deelneemt niet meer
                                        voldoet aan de voorwaarden die in deze verordening worden
                                        gesteld om in aanmerking te komen voor die voorziening.
                                    </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De aangeboden voorziening moet leiden tot de kortste weg naar
                                betaald werk. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college kan voorzieningen aanbieden die niet in de verordening
                                zijn genoemd indien dit een meer passende weg is naar
                                arbeidsinschakeling.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3</nr><titel>Voorzieningen voor de doelgroep</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Onderzoek</titel></kop><al>Het college kan, voordat besloten wordt tot een traject of tot de inzet
                            van re-integratie-instrumenten, een onderzoek (laten) doen naar de
                            mogelijkheden van de belanghebbende en naar de geschiktheid voor hem van
                            de re-integratie-instrumenten of andere vormen van begeleiding. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Werkstage</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan een persoon een werkstage gericht op
                                arbeidsinschakeling aanbieden als deze: </al><lijst><li nr="a."><al> behoort tot de doelgroep; en </al></li><li nr="b."><al> nog niet actief is geweest op de arbeidsmarkt of een
                                        afstand tot de arbeidsmarkt heeft door langdurige
                                        werkloosheid. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het doel van een werkstage is het opdoen van werkervaring of het
                                leren functioneren in een arbeidsrelatie. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De duur van de werkstage is maximaal zes maanden met eventueel een
                                verlenging van nogmaals maximaal zes maanden.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Uitkeringsgerechtigden verrichten de werkstage met behoud van
                                uitkering.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het college plaatst de persoon uitsluitend als hierdoor de
                                concurrentieverhoudingen niet onverantwoord worden beïnvloed en er
                                geen verdringing op de arbeidsmarkt plaatsvindt. </al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>In een schriftelijke overeenkomst wordt in ieder geval
                                vastgelegd:</al><lijst><li nr="a."><al>het doel van de werkstage; en </al></li></lijst><lijst><li nr="b."><al>de wijze waarop de begeleiding plaatsvindt. </al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Sociale activering</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan een persoon die behoort tot de doelgroep
                                activiteiten aanbieden in het kader van sociale activering voor
                                zover de mogelijkheid bestaat dat hij op enig moment algemeen
                                geaccepteerde arbeid kan verkrijgen waarbij geen gebruik wordt
                                gemaakt van een voorziening. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Sociale activering heeft als doel de belanghebbende, door het
                                aanbieden van onbetaalde werkzaamheden, werkritme op te laten doen
                                en/of te laten behouden</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Werkzaamheden in het kader van sociale activering worden alleen
                                verricht bij organisaties zonder winstoogmerk. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college kan gedurende maximaal zes maanden de in het eerste lid
                                bedoelde activiteiten aanbieden aan de belanghebbende.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Scholing</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan een persoon die behoort tot de doelgroep een
                                scholingstraject aanbieden. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De duur van het scholingstraject is maximaal twee jaar.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Een scholingstraject voldoet in ieder geval aan de volgende eisen: </al><lijst><li nr="a."><al>het scholingstraject leidt op tot een erkend diploma of
                                        certificaat; en </al></li><li nr="b."><al>het scholingstraject vergroot de kansen van de
                                        belanghebbende op de arbeidsmarkt; en </al></li><li nr="c."><al>het scholingstraject is afgestemd op de mogelijkheden van de
                                        belanghebbende</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>Participatieplaats</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan een persoon van 27 jaar of ouder met recht op
                                algemene bijstand overeenkomstig artikel 10a van de wet onbeloonde
                                additionele werkzaamheden laten verrichten. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college zorgt ervoor dat de te verrichten additionele
                                werkzaamheden worden vastgelegd in een schriftelijke overeenkomst
                                die wordt ondertekend door het college, de werkgever en de persoon
                                die de additionele werkzaamheden gaat verrichten. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De premie, bedoeld in artikel 10a, zesde lid, van de wet bedraagt €
                                100, - per zes maanden, mits in die zes maanden voldoende is
                                meegewerkt aan het vergroten van de kans op inschakeling in het
                                arbeidsproces. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13a</nr><titel>Beschut werk</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan de voorziening beschut werk aanbieden aan een
                                persoon uit de doelgroep die door een lichamelijke, verstandelijke
                                of psychische beperking een zodanige mate van begeleiding op en
                                aanpassingen van de werkplek nodig heeft dat van een reguliere
                                werkgever redelijkerwijs niet kan worden verwacht dat hij deze
                                persoon in dienst neemt. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Nadat het college heeft vastgesteld dat de voorziening beschut werk
                                voor de persoon de geëigende voorziening is en nadat gebleken is dat
                                op afzienbare termijn ruimte komt voor instroom in beschut werk,
                                vraagt het college bij het UWV een indicatie voor de beoordeling of
                                de persoon uitsluitend in een beschutte omgeving onder aangepaste
                                omstandigheden mogelijkheden heeft tot arbeidsparticipatie. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college bepaalt de omvang van het aanbod beschut werk op basis
                                van het aantal werknemers dat uitstroomt met een dienstverband op
                                grond van de Wet sociale werkvoorziening.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>Ondersteuning bij leer-werktraject</titel></kop><al>Het college kan ondersteuning aanbieden aan een persoon uit de doelgroep
                            ten aanzien van wie het college van oordeel is dat een leer-werktraject
                            nodig is, voor zover deze ondersteuning nodig is voor het volgen van een
                            leer-werktraject en het personen betreft: </al><lijst><li nr="a."><al>van 16 of 17 jaar van wie de leerplicht of de
                                    kwalificatieplicht, bedoeld in de Leerplichtwet 1969, nog niet
                                    is geëindigd; of</al></li><li nr="b."><al>van 18 tot 27 jaar die nog geen startkwalificatie hebben
                                    behaald.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14a</nr><titel>Persoonlijke ondersteuning</titel></kop><al>Aan een persoon die behoort tot de doelgroep biedt het college
                            persoonlijke ondersteuning bij het verrichten van de aan die persoon
                            opgedragen taken aan in de vorm van structurele begeleiding als hij
                            zonder persoonlijke ondersteuning niet in staat is de aan hem opgedragen
                            taken te verrichten.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15</nr><titel>Proefplaatsing</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Bemiddeling naar een proefplaatsing kan een onderdeel zijn van een
                                traject gericht op arbeidsinschakeling.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De proefplaatsing heeft als doel de belanghebbende, door het
                                aanbieden van onbetaald werk, te laten wennen aan aspecten die
                                samenhangen met het verrichten van betaalde arbeid.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Dit instrument kan ingezet worden wanneer door het college aan de
                                hand van een onderzoek is vastgesteld dat de belanghebbende op korte
                                of (middel)lange termijn een reëel perspectief heeft op regulier
                                werk en een proefplaatsing geïndiceerd is.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De proefplaatsing kan maximaal drie maanden duren.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16</nr><titel>Uitstroompremie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan eenmalig een uitstroompremie toekennen aan een
                                langdurig werkloze die duurzaam uitstroomt naar algemeen
                                geaccepteerde arbeid en daardoor niet langer recht heeft op algemene
                                bijstand. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een langdurig werkloze in de zin van het eerste lid is een persoon
                                die gedurende een aaneengesloten periode van twaalf maanden of
                                langer op een uitkering aangewezen is of is geweest. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Om in aanmerking te komen voor de premie bedraagt het salaris van de
                                belanghebbende het wettelijk minimumloon bij aanvaarding van
                                werk.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De premie kan worden aangevraagd vanaf de 13<sup>de</sup> maand na
                                de indiensttreding.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De hoogte van de premie bedraagt € 750, -.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>De belanghebbende die een uitstroompremie heeft ontvangen kan
                                gedurende 36 maanden na de nieuwe ingangsdatum van de uitkering niet
                                opnieuw in aanmerking komen voor een uitstroompremie.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17</nr><titel>Vergoeding voor kosten</titel></kop><al>Het college kan een vergoeding verstrekken aan een lid van de doelgroep
                            voor noodzakelijke kosten die gemaakt worden in het kader van
                            re-integratie of voor noodzakelijke kosten die gemaakt moeten worden bij
                            indiensttreding. </al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4</nr><titel>Voorzieningen voor werkgevers</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18</nr><titel>Compensatie loonkosten</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan een compensatie van de loonkosten, in de vorm van
                                een loonkostensubsidie, verstrekken aan een werkgever die met een
                                belanghebbende een arbeidsovereenkomst sluit.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Iedere werkgever kan in aanmerking komen voor een compensatie van de
                                loonkosten ongeacht de vestigingsplaats. Als werkgever wordt
                                eveneens aangemerkt een uitzendbureau of re-integratiebedrijf dat
                                een belanghebbende in dienst neemt en detacheert naar een reguliere
                                werkgever.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De compensatie van de loonkosten wordt verstrekt voor een duur van
                                minimaal zes maanden en maximaal twaalf maanden. Bij een duur van
                                zes maanden bedraagt de compensatie € 6000, - en bij een duur van
                                twaalf maanden bedraagt de compensatie van de loonkosten € 12.000,
                                -.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college kan nadere regels vaststellen over de voorwaarden om in
                                aanmerking te komen voor een compensatie voor de loonkosten en over
                                de wijze betaling. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18a</nr><titel>No-riskpolis</titel></kop><al>Een werkgever komt in aanmerking voor een no-riskpolis als:</al><lijst><li nr="a."><al>de werkgever voor ten minste de duur van een half jaar een
                                    arbeidsovereenkomst aangaat met de werknemer;</al></li><li nr="b."><al>de werknemer voorafgaande aan de aanvang van de arbeid behoort
                                    tot de doelgroep;</al></li><li nr="c."><al>de werknemer een structurele functionele of andere beperking
                                    heeft of de werkgever ten behoeve van de werknemer een
                                    loonkostensubsidie als bedoelt in artikel 10d van de wet
                                    ontvangt;</al></li><li nr="d."><al>de werknemer zijn woonplaats heeft binnen de gemeente.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>5</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19</nr><titel>Hardheidsclausule</titel></kop><al>Het college kan in individuele bijzondere situaties ten gunste van de
                            belanghebbende afwijken van de bepalingen van deze verordening, indien
                            toepassing van deze verordening tot onbillijkheden van overwegende aard
                            leidt. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>20</nr><titel>Overgangsrecht</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een persoon die gebruik maakt van een toegekende voorziening op
                                grond van de Participatieverordening, die moet worden beëindigd op
                                grond van deze verordening, behoudt deze voorziening voor zover
                                wordt voldaan aan de voorwaarden uit de Participatieverordening voor
                                de duur: </al><lijst><li nr="a."><al>van 6 maanden, gerekend vanaf de inwerkingtreding van deze
                                        verordening, of </al></li></lijst><lijst><li nr="b."><al> dat deze is verstrekt, als dat korter is dan de periode als
                                        bedoeld in het eerste lid, onderdeel a.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan na afloop van de in het eerste lid, onderdeel a,
                                bedoelde periode, besluiten of een voorziening wordt voortgezet.
                            </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De Participatieverordening blijft van toepassing ten aanzien van een
                                voortgezette voorziening als bedoeld in het eerste lid.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>21</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als Re-integratieverordening
                            Participatiewet.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>22</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Deze verordening treedt na publicatie in werking met ingang van
                                    1 januari 2015.</al></li><li nr="2."><al>Gelijktijdig met de inwerkingtreding van deze verordening wordt
                                    de Participatieverordening, door de raad vastgesteld in zijn
                                    vergadering van 19 december 2011, ingetrokken.</al><al/></li></lijst></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus besloten in de raadsvergadering van 15 juni 2015.</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>Koen Schuiling, voorzitter</ondertekening><ondertekening>Mr. drs. M. Huisman, griffier</ondertekening></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>Toelichting</titel></kop><tussenkop>Algemeen</tussenkop><al>Deze verordening regelt de ondersteuning die de gemeente biedt bij de
                    arbeidsinschakeling van werklozen die horen tot de doelgroep. De opdracht om die
                    ondersteuning te bieden is geregeld in artikel 7 van de Participatiewet. Het
                    voorschrift om een verordening vast te stellen waarin deze ondersteuning nader
                    vorm gegeven wordt volgt uit artikel 8a van de Participatiewet. </al><al/><al>De Participatiewet is er met name op gericht om mensen terug te leiden naar de
                    arbeidsmarkt. De ondersteuning die de gemeente Den Helder biedt aan de
                    belanghebbende dient ook daar op gericht te zijn. Daarom is ervoor gekozen om in
                    deze verordening telkens de term ‘re-integratie’ te gebruiken in plaats van de
                    term ‘participatie’.</al><al/><tussenkop>Artikelsgewijs</tussenkop><al/><tussenkop>Artikel 1 Begripsomschrijving</tussenkop><al>Begrippen die al zijn omschreven in de Participatiewet, de Algemene wet
                    bestuursrecht of de Gemeentewet worden niet afzonderlijk gedefinieerd in deze
                    verordening. Deze zijn vanzelfsprekend van toepassing op deze verordening.</al><al/><tussenkop>Artikel 2 Opdracht aan het college</tussenkop><al>De Participatiewet geeft aan het college de verantwoordelijkheid voor het bieden
                    van ondersteuning. Hoewel belanghebbenden aanspraak kunnen maken op
                    ondersteuning, is er geen afdwingbaar recht op ondersteuning. Het is aan het
                    college om te zorgen voor een voldoende aanbod van re-integratie-instrumenten,
                    maar daarbij heeft het college wel te maken met beperkte middelen. </al><al/><tussenkop>Artikel 3 Doel</tussenkop><al>Het bevorderen van uitstroom uit de inkomensvoorziening en reductie van de
                    uitkeringsduur wordt gerealiseerd door een kwalitatief aanbod van
                    re-integratie-instrumenten. De instrumenten en/of voorzieningen zijn gericht op
                    verbetering van de kans op werk en maatschappelijke participatie in een
                    samenhangende aanpak; het wegnemen van eventuele belemmeringen en het bieden van
                    begeleiding, scholing, zorg, bemiddeling en nazorg.</al><al/><tussenkop>Artikel 4 Uitvoeringsplan</tussenkop><al>De Participatiewet vraagt aan de gemeenteraad om het re-integratiebeleid in een
                    verordening vast te leggen. Gekozen is voor een kaderstellende verordening. Deze
                    bevat de wettelijke bepalingen en procedures, maar geen invulling van het
                    beleid. Het beleid is vastgelegd in het bij de verordening behorende
                    uitvoeringsplan dat jaarlijks door het college wordt vastgesteld. Het voordeel
                    van een kaderstellend ingerichte verordening is flexibiliteit: het beleid kan
                    verder ontwikkeld en/of bijgesteld worden zonder dat de verordening aangepast
                    hoeft te worden.</al><al/><al>In het tweede lid is geregeld dat de cliëntenadviesraad of diens rechtsopvolger
                    nadrukkelijk is betrokken bij de vaststelling van het uitvoeringsplan. En het
                    derde lid biedt de basis voor de verantwoording van het beleid. Het college
                    verantwoordt via de jaarrekening aan de gemeenteraad over de rechtmatigheid,
                    doeltreffendheid en de effecten van het beleid.</al><al/><tussenkop>Artikel 5 Vorm van ondersteuning</tussenkop><al>Re-integratie-instrumenten en eventueel daarop gebaseerde voorzieningen worden
                    alleen ingezet als zonder die inzet het vinden van algemeen geaccepteerde arbeid
                    niet mogelijk is. Bovendien worden de instrumenten alleen ingezet als aan de
                    hand van onderzoek is gebleken dat door de inzet van die instrumenten het vinden
                    van algemeen geaccepteerde arbeid binnen afzienbare tijd mogelijk wordt.</al><al/><al>Alleen als arbeidsinschakeling binnen afzienbare termijn niet tot de
                    mogelijkheden behoort, kan zelfstandige maatschappelijke participatie een doel
                    van de inzet van re-integratie-instrumenten zijn. Ook in dat geval geldt dat het
                    instrument beschikbaar moet zijn en adequaat en toereikend moet zijn. De
                    uiteindelijke verantwoordelijkheid voor de inhoud van het traject ligt bij het
                    college. Binnen de grenzen van die verantwoordelijkheid wordt rekening gehouden
                    met de persoonlijke omstandigheden van de belanghebbende.</al><al/><tussenkop>Artikel 6 Verplichtingen</tussenkop><al>In de Participatiewet zijn de verplichtingen die gelden bij het recht op een
                    uitkering uitgebreid opgenomen. Voor alle duidelijkheid zijn in het eerste lid
                    en in het tweede lid de verplichtingen in het kader van de re-integratie
                    nogmaals opgenomen. Bijstandsgerechtigden zijn reeds door het ontvangen van een
                    uitkering aan bepaalde verplichtingen gehouden. Voor degenen zonder uitkering
                    moeten voorwaarden aan het re-integratietraject worden gekoppeld, welke
                    uiteraard ook voor bijstandsgerechtigden gelden. Het niet nakomen van de
                    verplichtingen geeft de mogelijkheid om een traject af te breken of de gevraagde
                    ondersteuning te weigeren.</al><al/><al>In de Participatiewet is geregeld dat het college de bijstand verlaagt indien
                    een belanghebbende zijn verplichtingen, zoals die zijn genoemd in artikel 18 lid
                    4 van de Participatiewet niet nakomt. Het gaat hier om de zogenoemde
                    geüniformeerde arbeidsverplichtingen. Indien een belanghebbende andere opgelegde
                    verplichtingen dan de in artikel 18 lid 4 genoemde verplichtingen, niet nakomt
                    kan het college het derde lid van artikel 6 een maatregel opleggen op grond van
                    de Afstemmingsverordening Participatiewet. Deze maatregel bestaat uit het
                    verlagen van de uitkering met een bepaald percentage. </al><al/><al>Aan de ondersteuning op arbeidsinschakeling aan een persoon zonder uitkering of
                    aan een Anw-er ligt een overeenkomst ten grondslag. Wanneer belanghebbenden
                    (personen zonder uitkering of Anw-ers) zich niet houden aan de opgelegde
                    verplichtingen kan het college niet de uitkering verlagen met een maatregel.
                    Daarom is in het vierde lid van artikel 6 de mogelijkheid opgenomen dat in die
                    gevallen dat sprake is van verwijtbaar handelen waardoor een traject en/of
                    geboden voorziening niet tot het gewenste resultaat leidt, de gemeente (een deel
                    van) de kosten die gemaakt zijn kan terugvorderen. Deze terugvordering is op
                    grond van het Burgerlijk Wetboek, Boek 6, artikel 203.</al><al/><tussenkop>Artikel 7 Evenwichtige verdeling en financiering </tussenkop><al>Op grond van artikel 8a, tweede lid onderdeel a van de Participatiewet moet de
                    gemeenteraad in de verordening de verdeling van de voorzieningen over personen,
                    waarbij rekening wordt gehouden met de omstandigheden en de functionele
                    beperkingen van die personen bepalen. Hierin ligt besloten dat de gemeenteraad
                    ook rekening houdt met de omstandigheden en functionele beperkingen van personen
                    met een handicap.</al><al/><al>Aan personen met een inkomen dat hoger is dan het voor hen geldende
                    bijstandsniveau en aan personen met een vermogen dat boven de grenzen valt zoals
                    in de wet is opgenomen biedt het college geen re-integratievoorziening aan.</al><al/><tussenkop>Artikel 8 Algemene bepalingen over voorzieningen</tussenkop><al>Het college kan een voorziening beëindigen in de gevallen zoals opgenomen in dit
                    artikel. Voor de persoon zoals bedoeld in artikel 7, eerste lid onderdeel a
                    onder 2, van de Participatiewet wordt hierop een uitzondering gemaakt. </al><al>In de artikelen 9 t/m 18 van deze verordening worden voorzieningen genoemd die
                    het college kan aanbieden. Deze opsomming is niet limitatief, indien er een
                    andere voorziening is die een grotere bijdrage levert aan de arbeidsinschakeling
                    kan het college ook voor die voorziening kiezen.</al><al/><tussenkop>Artikel 9 Onderzoek</tussenkop><al>Voordat tot de inzet van re-integratie-instrumenten wordt besloten, kan een
                    advies worden gevraagd van een organisatie die gespecialiseerd is in het stellen
                    van een diagnose. Eventueel kan na een zelf verricht onderzoek besloten worden
                    alsnog advies van derden in te winnen. Ook is denkbaar dat uit het eigen
                    onderzoek al blijkt dat een diagnose door derden en/of de inzet van
                    re-integratie-instrumenten niet nodig is. </al><al/><tussenkop>Artikel 10 Werkstage </tussenkop><al>De werkstage is gericht op het uitbreiden van kennis en ervaring. Daarnaast is
                    bij een werkstage geen sprake van beloning. Er kan wel een onkostenvergoeding
                    worden gegeven, mits daadwerkelijk sprake is van een vergoeding van gemaakte
                    kosten. </al><al/><al>Het college kan een persoon die behoort tot de doelgroep een werkstage aanbieden
                    voor zover hij een afstand tot de arbeidsmarkt heeft. Verder is vereist dat een
                    persoon nog niet actief is geweest op de arbeidsmarkt of een afstand tot de
                    arbeidsmarkt heeft door langdurige werkloosheid (artikel 10, eerste lid,
                    onderdeel b, van deze verordening).</al><al/><al>De werkstage heeft twee doelen. In de eerste plaats gaat het om het opdoen van
                    specifieke werkervaring. En in de tweede plaats kan een persoon aan de hand van
                    een werkstage wennen aan aspecten als gezag, op tijd komen, werkritme en
                    samenwerken met collega’s. </al><al/><tussenkop>Artikel 11 Sociale activering </tussenkop><al>Sociale activering dient uiteindelijk gericht te zijn op arbeidsinschakeling. De
                    trajecten hebben een duur van maximaal zes maanden. Voor bepaalde doelgroepen is
                    arbeidsinschakeling echter een te hoog gegrepen doel. Voor deze personen staat
                    dan ook niet re-integratie, maar participatie voorop. Indien belanghebbende niet
                    in staat wordt geacht om na afronding van het traject sociale activering te
                    beginnen met re-integratie dan ligt plaatsing op een participatieplaats voor de
                    hand.</al><al/><al>Bij activiteiten in het kader van sociale activering kan worden gedacht aan het
                    zelfstandig, zonder externe begeleiding, verrichten van vrijwilligerswerk of
                    deelnemen aan activiteiten in de wijk of buurt.</al><al/><al>Sociale activering heeft tot doel personen met een grote afstand tot de
                    arbeidsmarkt terug te leiden naar de arbeidsmarkt, of als dit nog niet mogelijk
                    is, als tussendoel te bevorderen dat personen zelfstandig kunnen deelnemen aan
                    het maatschappelijk leven. Hieruit volgt dat als het einddoel,
                    arbeidsinschakeling, niet kan worden bereikt, er geen grond is die persoon te
                    verplichten om gebruik te maken van een voorziening gericht op sociale
                    activering.</al><al/><tussenkop>Artikel 12 Scholing </tussenkop><al>De scholing of opleiding moet zijn gericht op vergroting van de kansen op de
                    arbeidsmarkt en is in duur beperkt tot maximaal twee jaar. Het college hoeft aan
                    een persoon geen scholing of opleiding aan te bieden als dergelijke scholing of
                    opleiding naar zijn oordeel de krachten of bekwaamheden van de persoon te boven
                    gaan of als naar zijn oordeel scholing of opleiding niet bijdraagt aan
                    vergroting van de kans op inschakeling in het arbeidsproces van de persoon.
                    Daarnaast moet de scholing opleiden tot een erkend certificaat of diploma. Het
                    diploma of certificaat moet erkend zijn door het Ministerie van Onderwijs,
                    Cultuur en Wetenschap of door een branche-organisatie.</al><al/><al>Er wordt vanuit gegaan dat een persoon bij het hebben van een startkwalificatie
                    redelijke kansen heeft op de arbeidsmarkt. Onder startkwalificatie wordt
                    verstaan een havo of VWO-diploma of een diploma van het middelbaar
                    beroepsonderwijs (mbo), niveau twee. Scholing kan worden aangeboden aan personen
                    met of zonder een dergelijke startkwalificatie Voor personen zonder
                    startkwalificatie kan scholing noodzakelijk zijn voor de re-integratie. </al><al/><al>Personen jonger dan 27 jaar die nog mogelijkheden hebben binnen het uit 's Rijks
                    kas bekostigde onderwijs kunnen sinds 1 juli 2012 geen voorziening ontvangen die
                    hen ondersteunt bij de arbeidsinschakeling (artikel 7 derde lid onderdeel a van
                    de Participatiewet). </al><al/><tussenkop>Artikel 13 Participatieplaats </tussenkop><al>Een participatieplaats is bedoeld voor personen met een grote afstand tot de
                    arbeidsmarkt. Voor personen jonger dan 27 jaar is ondersteuning in de vorm van
                    een participatieplaats niet mogelijk (artikel 7 achtste lid van de
                    Participatiewet).. </al><al>Op een participatieplaats worden additionele werkzaamheden verricht. Niet de te
                    verrichten werkzaamheden staan centraal maar het leren werken of het (opnieuw)
                    wennen aan werken. Aspecten als omgaan met gezag, op tijd komen, werkritme en
                    samenwerking met collega’s zijn allemaal zaken waaraan in een participatieplaats
                    gewerkt kan worden. Ook kan hiermee worden beoordeeld of het werkterrein past
                    bij de capaciteiten van de uitkeringsgerechtigde, zodat een persoon bijvoorbeeld
                    een opleiding op het betreffende terrein kan gaan volgen en daarmee voor
                    zichzelf een duurzaam perspectief op arbeid kan realiseren. </al><al/><al>De duur van de participatieplaats is wettelijk beperkt tot maximaal 2 jaar met
                    eventueel een verlening van nogmaals maximaal 2 jaar (artikel 10a van de
                    Participatiewet). Na 9 maanden wordt door het college beoordeeld of de
                    participatieplaats de kans op arbeidsinschakeling heeft vergroot (artikel 10a
                    achtste lid van de Participatiewet). Zo niet dan wordt de participatieplaats
                    beëindigd. Uiterlijk 24 maanden na aanvang van de participatieplaats wordt
                    opnieuw beoordeeld of de participatieplaats wordt voorgezet. Als de gemeente
                    concludeert dat voortzetting van de participatieplaats met het oog op in de
                    persoon gelegen factoren aanmerkelijk bijdraagt tot de arbeidsinschakeling, dan
                    kan de participatieplaats nog één jaar verlengd worden. Echter in dat geval
                    dient een andere werkomgeving geboden te worden (artikel 10a negende lid van de
                    Participatiewet). Na 36 maanden vindt opnieuw een dergelijke beoordeling plaats
                    (artikel 10a tiende lid van de Participatiewet) en wordt beoordeeld of de
                    participatieplaats nogmaals wordt voortgezet voor maximaal één jaar. </al><al/><al>De persoon die werkzaamheden verricht op een participatieplaats heeft recht op
                    een premie voor het eerst na 6 maanden en vervolgens iedere 6 maanden na aanvang
                    van de additionele werkzaamheden (artikel 10a zesde lid van de Participatiewet).
                    Voorwaarde is dat de persoon naar het oordeel van het college voldoende heeft
                    meegewerkt aan het vergroten van zijn kansen op de arbeidsmarkt. De premie wordt
                    vrijgelaten op grond van artikel 31 tweede lid onderdeel j van de
                    Participatiewet. In verband hiermee is de hoogte van de premie begrensd door het
                    in de vrijlatingsbepaling genoemde bedrag. Er is gekozen voor een premie van
                    telkens € 100, - per zes maanden. </al><al/><tussenkop>Artikel 13a Beschut werk</tussenkop><al>De voorzienig beschut werk wordt uitgevoerd door de Gemeenschappelijke Regeling
                    Gesubsidieerde Arbeid Kop van Noord-Holland. Dat betekent feitelijk dat de
                    mensen die worden geplaatst in de voorziening beschut werk, te werk worden
                    gesteld bij door dit orgaan aangewezen uitvoeringsorganisatie Noorderkwartier
                    NV.</al><al/><al>In de wet is verplicht voorgeschreven dat er aan het UWV een indicatie gevraagd
                    wordt over de plaatsing bij beschut werken. Op basis van dat advies neemt de
                    gemeente een beslissing. Voordat een indicatie gevraagd wordt aan het UWV is het
                    belangrijk om zorgvuldig te beoordelen of de betreffende persoon tot de
                    doelgroep behoort. De instroom in beschut werk is om budgettaire redenen
                    beperkt. Het uitgangspunt is dat er één plaats beschut vrij komt nadat er drie
                    werknemers uitgestroomd zijn uit de WSW. Hierdoor kan een wachtlijst ontstaan
                    voor toelating tot beschut. Er is voor gekozen om een indicatie van het UWV te
                    vragen op het moment dat er op redelijke termijn een plaats beschikbaar komt.
                    Hiermee wordt voorkomen dat er onnodige indicaties gevraagd worden, die niet
                    meer bruikbaar zijn op het moment van plaatsing. In een werkprocesbeschrijving
                    is de werkwijze en taakverdeling beschreven.</al><al/><tussenkop>Artikel 14 Ondersteuning bij leer-werktraject </tussenkop><al>Personen uit de doelgroep kunnen in aanmerking komen voor de voorziening
                    ondersteuning bij leer-werktrajecten. Dit is geregeld in dit artikel en volgt
                    uit artikel 10f van de Participatiewet. </al><al/><al>De ondersteuning bij leer-werktrajecten is inzetbaar voor jongeren van 16 of 17
                    jaar oud die dreigen uit te vallen uit school, maar middels een leer/werktraject
                    alsnog een startkwalificatie kunnen behalen. Deze voorziening kan ook worden
                    ingezet ter voorkoming van schooluitval bij jongeren van 18 tot 27 jaar die door
                    een leer-werktraject alsnog een startkwalificatie kunnen behalen.
                    Bijstandsgerechtigden jonger dan 27 jaar die uit 's Rijks kas bekostigd
                    onderwijs kunnen volgen, zijn uitgesloten van ondersteuning op grond van artikel
                    7 derde lid onder a van de Participatiewet. </al><al/><tussenkop>Artikel 14a Persoonlijke ondersteuning </tussenkop><al>In dit artikel wordt de voorziening persoonlijke ondersteuning nader geduid. Het
                    gaat dan om een voorziening zoals een jobcoach, die op vaste tijden en gedurende
                    een langere periode de werknemer met beperkingen bij het verrichten van zijn
                    taken ondersteunt. Het moet dan ook gaan om een systematische ondersteuning.
                    Daarnaast moet de ondersteuning noodzakelijk zijn in die zin, dat de werknemer
                    zonder die ondersteuning in redelijkheid niet zijn werkzaamheden zou kunnen
                    verrichten. Persoonlijke ondersteuning heeft tot doel dat een werknemer wordt
                    begeleid naar een situatie dat hij uiteindelijk zonder begeleiding via een
                    dergelijke voorziening bij een reguliere werkgever werkzaam kan zijn.</al><al/><tussenkop>Artikel 15 Proefplaatsing</tussenkop><al>De proefplaatsing heeft als doel het wennen aan aspecten die samenhangen met
                    betaald werk. Het instrument kan worden ingezet voor leden van de doelgroep met
                    een perspectief op betaald werk op korte, middellange of lange termijn.</al><al/><al>De proefplaatsing duurt maximaal drie maanden, en kan verlengd worden met
                    nogmaals maximaal drie maanden. Deze termijn is voldoende om het doel zoals
                    omschreven in het tweede lid van dit artikel te bereiken.</al><al/><tussenkop>Artikel 16 Uitstroompremie</tussenkop><al>Het verstrekken van een uitstroompremie is alleen mogelijk als een persoon die
                    algemene bijstand ontving, uitstroomt. De premie kan worden aangevraagd vanaf de
                    13<sup>de</sup> maand nadat de persoon is uitgestroomd en hij op dat moment
                    reguliere arbeid verricht. </al><al/><al>Onder langdurig werkloze wordt verstaan een persoon die gedurende een
                    aaneengesloten periode van twaalf maanden of langer aangewezen is (geweest) op
                    een uitkering. In de Participatiewet is geregeld dat jaarlijks een eenmalige
                    premie kan worden verstrekt (artikel 31 tweede lid onderdeel j van de
                    Participatiewet). De premie bedraagt € 750,- per kalenderjaar. Voor personen
                    jonger dan 27 jaar is deze premie niet van toepassing (artikel 31 zevende lid
                    van de Participatiewet).</al><al/><tussenkop>Artikel 17 Vergoeding voor kosten</tussenkop><al>In dit artikel is opgenomen dat het college een vergoeding kan verstrekken voor
                    de noodzakelijk te maken kosten in het kader van re-integratie (waaronder ook
                    het aanvaarden van werk). Hierbij kan gedacht worden aan een vergoeding voor
                    reiskosten, kosten voor werkkleding of kosten voor andere aan te schaffen zaken
                    die noodzakelijk zijn voor re-integratie. Vorenstaande is niet limitatief en
                    maatwerk is vereist. </al><al/><tussenkop>Artikel 18 Compensatie loonkosten</tussenkop><al>De Compensatie loonkosten is een instrument voor werkgevers om een
                    belanghebbende in dienst te nemen. Onder de Wet werk en bijstand werd dit
                    instrument ook reeds gebruikt onder de naam loonkostensubsidie. Om verwarring te
                    voorkomen met de loonkostensubsidie op grond van artikel 10c van de
                    Participatiewet is ervoor gekozen om voor dit instrument een andere naam te
                    kiezen. Het doel en de werking is hetzelfde.</al><al/><al>Werkgevers kunnen een aanvraag indien voor compensatie van loonkosten voor een
                    periode van minimaal zes maanden en maximaal twaalf maanden. Indien de duur zes
                    maanden is dan ontvangt de werkgever een bedrag van € 6000, - en indien de duur
                    twaalf maanden is dan ontvangt de werkgever € 12.000, -. Is de periode tussen
                    zes en twaalf maanden dan ontvangt de werkgever een bedrag naar rato. Nadere
                    regels over voorwaarden waaraan een werkgever moet voldoen om in aanmerking te
                    komen voor de compensatie en over de betaling zijn uitgewerkt in de Beleidsregel
                    W011 Compensatie loonkosten.</al><al/><tussenkop>Artikel 18a No-riskpolis</tussenkop><al>De no-riskpolis is een belangrijk instrument om aarzelingen bij werkgevers weg
                    te nemen om mensen met arbeidsbeperkingen in dienst te nemen. Het gaat dan om
                    mensen die als gevolg van een arbeidsbeperking niet in staat zijn het wettelijk
                    minimumloon te verdienen en een doelgroepverklaring van UWV hebben. Deze
                    personen worden gerekend tot de gemeentelijke doelgroep banenafspraak.</al><al/><al>De no-riskpolis zorgt ervoor dat de werkgever compensatie ontvangt voor de
                    loonkosten, wanneer een werknemer met arbeidsbeperkingen ziek wordt. Met de
                    no-riskpolis zijn werkgevers die iemand uit de doelgroep aannemen, gevrijwaard
                    van de verplichting om loon door te betalen bij ziekte. In geval van ziekte van
                    de werknemer is de werkgever verplicht de ziek- en betermelding te melden bij de
                    gemeente zodat de loonkostensubsidie over de ziekteperiode stopgezet kan worden.
                    Het UWV voert de no-riskpolis namens de gemeente(n) uit. Een werkgever komt niet
                    in aanmerking voor een no-risk polis als artikel 29b van de Ziektewet van
                    toepassing is (artikel 8a, tweede lid, onderdeel b, van de Participatiewet). </al><al/><tussenkop>Artikel 19 t/m 22 </tussenkop><al>Behoeven geen verdere toelichting.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>