<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR370421_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Coördinatieverordening Wro Steenwijkerland 2015</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Steenwijkerland</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-11-21</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Steenwijkerland</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Gemeenteblad 2015, nr. 60991</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Coördinatieverordening Wro Steenwijkerland 2015</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Gemeentewet, art. 147</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet ruimtelijke ordening, art. 3.30, eerste lid</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>ruimtelijke ordening, verkeer en vervoer</dcterms:subject><dcterms:issued>2015-06-23</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2015-07-08</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>2015/49</overheidrg:kenmerk></cvdripm></meta><body><intitule>Coördinatieverordening Wro Steenwijkerland 2015</intitule><regeling><aanhef><preambule><al/><al/><al><vet>Raadsbesluit</vet></al><al/><al>Steenwijk, 23-6-2015</al><al>Nummer: 2015/49</al><al/><al/><al/><al/><al>De raad van de gemeente Steenwijkerland;</al><al/><al>gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 19-5-2015, nummer
                        2015/49;</al><al/><al>gelet op artikel 147 van de Gemeentewet en artikel 3.30, eerste lid, van de
                        Wet ruimtelijke ordening;</al><al/><al>b e s l u i t :</al><al/><al>vast te stellen de volgende Coördinatieverordening Wro Steenwijkerland
                        2015.</al></preambule></aanhef><regeling-tekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="1."><al>Wabo: Wet algemene bepalingen omgevingsrecht;</al></li><li nr="2."><al>Wro: Wet ruimtelijke ordening.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Reikwijdte van de verordening</titel></kop><al>Deze verordening is van toepassing op het coördineren van de
                            voorbereiding en bekendmaking van besluiten voor zover de
                            verwezenlijking van een onderdeel van het gemeentelijk ruimtelijk beleid
                            dat wenselijk maakt en het betreft de volgende categorieën van
                            gevallen:</al><lijst><li nr="a."><al>de bouw van één of meer woningen;</al></li><li nr="b."><al>de vestiging of uitbreiding van een agrarisch bedrijf;</al></li><li nr="c."><al>de uitbreiding van een agrarisch handels- of hulpbedrijf;</al></li><li nr="d."><al>beëindiging van een agrarisch bedrijf waarbij dit bedrijf wordt
                                    vervangen door een woon- en/of bedrijfsfunctie dan wel een
                                    andere functie die in overeenstemming is met het gemeentelijke
                                    beleid voor vrijkomende agrarische bebouwing;</al></li><li nr="e."><al>de vestiging of uitbreiding van verblijfsrecreatieve
                                    voorzieningen of verblijfsrecreatieterreinen;</al></li><li nr="f."><al>de uitbreiding van horeca-accommodaties;</al></li><li nr="g."><al>uitbreiding van overige bedrijfsfuncties.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Gevallen waarin besluiten worden gecoördineerd</titel></kop><al>Burgemeester en wethouders kunnen, als zij hebben vastgesteld dat de
                            besluiten gecoördineerd kunnen worden voorbereid en dat zich geen
                            belemmering voordoet, waarbij de gevallen genoemd in artikel 4 in ieder
                            geval als belemmering worden aangemerkt, overgaan over tot een
                            gecoördineerde voorbereiding en bekendmaking van besluiten als bedoeld
                            in artikel 2 als aan de volgende voorwaarden is voldaan:</al><lijst><li nr="a."><al>van de te coördineren besluiten maken in ieder geval deel uit
                                    een besluit ter vaststelling, uitwerking of wijziging van een
                                    bestemmingsplan en een daarmee samenhangend besluit omtrent een
                                    omgevingsvergunning, en;</al></li><li nr="b."><al>de aanvrager heeft zich schriftelijk akkoord verklaard met de
                                    gecoördineerde voorbereiding en met de gevolgen die dat voor hem
                                    heeft.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Gevallen waarin geen coördinatie op grond van deze verordening
                                plaatsvindt</titel></kop><al>In de volgende gevallen is een gecoördineerde voorbereiding op grond van
                            deze verordening niet mogelijk:</al><lijst><li nr="a."><al>er moet op grond van artikel 7, tweede lid, van de Wet
                                    milieubeheer een milieueffectrapport worden opgesteld en het
                                    betreft geen deelproject van een grotere ontwikkeling waarvoor
                                    al een milieueffectrapport is opgesteld;</al></li><li nr="b."><al>er moet op grond van artikel 6.12, eerste lid, van de Wro een
                                    exploitatieplan worden opgesteld en er kan geen toepassing
                                    worden gegeven aan artikel 6.12, tweede lid, van de Wro;</al></li><li nr="c."><al>de aanvrager is niet bereid een schriftelijke overeenkomst te
                                    ondertekenen waarmee geregeld wordt dat hij eventuele schade als
                                    bedoeld in artikel 6.1 van de Wro voor zijn rekening neemt,
                                    of;</al></li><li nr="d."><al>er voor een besluit een verklaring van geen bedenking als
                                    bedoeld in artikel 2.27, eerste lid, van de Wabo nodig is.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Procedureregeling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Voordat wordt besloten om besluiten gecoördineerd voor te bereiden
                                worden in overleg met de aanvrager afspraken gemaakt over de in te
                                dienen stukken en over welke besluiten gecoördineerd worden
                                voorbereid.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Op de voorbereiding van besluiten als bedoeld in deze verordening
                                zijn de artikelen, 3:24, eerste en tweede lid en 3:25 van de
                                Algemene wet bestuursrecht overeenkomstig van toepassing.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Als een aanvrager overeenkomstig artikel 4:5, eerste lid, van de
                                Algemene wet bestuursrecht in de gelegenheid is gesteld de aanvraag
                                aan te vullen worden de besluiten waarmee het nemen van het
                                betreffende besluit wordt gecoördineerd niet behandeld totdat de
                                aanvraag is aangevuld of totdat de gestelde termijn is
                                verstreken.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Als overeenkomstig artikel 4:5, eerste lid, van de Algemene wet
                                bestuursrecht besloten wordt een aanvraag van één van de te nemen
                                besluiten die worden gecoördineerd niet te behandelen kunnen
                                burgemeester en wethouders besluiten ook de aanvragen van de andere
                                besluiten niet te behandelen.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Als een aanvraag van één van de te nemen besluiten die worden
                                gecoördineerd ontbreekt, stellen burgemeester en wethouders de
                                aanvrager in de gelegenheid om de ontbrekende aanvraag binnen een
                                door burgemeester en wethouders te bepalen termijn in te dienen. Als
                                de ontbrekende aanvraag niet tijdig wordt ingediend, zijn
                                burgemeester en wethouders bevoegd om deze verordening ten aanzien
                                van de andere besluiten buiten toepassing te laten.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen op verzoek van de aanvrager
                                besluiten deze verordening buiten toepassing te verklaren ten
                                aanzien van de verdere behandeling van één of meer van de besluiten
                                die worden gecoördineerd.</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders besluiten binnen acht weken op een
                                verzoek als bedoeld in het vorige lid.</al></lid><lid><lidnr>8.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen besluiten deze verordening buiten
                                toepassing te verklaren ten aanzien van de verdere behandeling van
                                één of meer van de te nemen besluiten die worden gecoördineerd als
                                zij van oordeel zijn dat een meer uitgebreide behandeling van één
                                van de aanvragen zich verzet tegen de voortzetting van de
                                gecoördineerde behandeling.</al></lid><lid><lidnr>9.</lidnr><al>In het geval met betrekking tot een aanvraag besloten wordt deze
                                verordening buiten toepassing te verklaren wordt voor de toepassing
                                van bij wettelijk voorschrift geregelde termijnen het tijdstip
                                waarop tot het buiten toepassing verklaren wordt beslist,
                                gelijkgesteld met het tijdstip van ontvangst van de aanvraag.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Inwerkingtreding en citeertitel</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Deze verordening treedt in werking op de dag na de dag van de
                                    bekendmaking.</al></li><li nr="2."><al>Deze verordening is niet van toepassing op een gecoördineerde
                                    voorbereiding van besluiten waarvoor op het moment van
                                    inwerkingtreding door de gemeenteraad al een apart
                                    coördinatiebesluit als bedoeld in artikel 3.30 Wro is
                                    genomen.</al></li><li nr="3."><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Coördinatieverordening
                                    Wro Steenwijkerland 2015.</al><al/></li></lijst></artikel></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>De raad voornoemd,</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>de griffier, A. ten Hoff</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>de voorzitter, M.A.J. van der Tas</ondertekening><ondertekening/><ondertekening/><ondertekening/><ondertekening/><ondertekening/><ondertekening/><ondertekening/></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>Toelichting Coördinatieverordening Wro Steenwijkerland 2015</titel></kop><al/><al/><al>In deze toelichting wordt de bedoeling en werking van de coördinatieverordening
                    artikelsgewijs uitgelegd.</al><tussenkop>Artikel 1</tussenkop><al>In dit artikel worden enkele begrippen gedefinieerd.</al><al/><tussenkop>Artikel 2</tussenkop><al>Artikel 2 geeft aan voor welke situaties een gecoördineerde aanpak van de
                    (ruimtelijke) besluitvorming mogelijk is (de reikwijdte van de
                    coördinatieregeling). Het betreft hier situaties of (bouw)projecten die zich met
                    enige regelmaat in onze gemeente voordoen en waarvoor ruimtelijke beleidskaders
                    zijn vastgesteld. Een gecoördineerde aanpak is voor die situaties aldus in
                    principe goed voorstelbaar. Deze lijst met situaties is mede gebaseerd op de
                    ervaringen die in Steenwijkerland tot dusver met de Wro-coördinatieregeling zijn
                    opgedaan. Zeer bijzondere of zeer grootschalige ontwikkelingen lenen zich,
                    vanwege de daarmee samenhangende complexiteit, niet goed voor een toepassing van
                    de Wro-coördinatieregeling en zijn daarom niet onder de reikwijdte van deze
                    coördinatieverordening opgenomen. Dat laat overigens onverlet dat de
                    gemeenteraad in bijzondere gevallen voor een specifiek project in aanvulling op
                    de verordening op grond van artikel 3.30, eerste lid altijd nog een apart Wro
                    coördinatiebesluit kan nemen.</al><al>Algemene randvoorwaarde is verder dat de gevallen/situaties genoemd in dit
                    artikel in overeenstemming zijn met het gemeentelijke ruimtelijke beleid. De
                    zinsnede “voor zover de verwezenlijking van een onderdeel van het gemeentelijk
                    beleid dat wenselijk maakt” duidt hier op. De coördinatieverordening creëert dus
                    geen extra mogelijkheden om in afwijking van het gemeentelijk ruimtelijk beleid
                    (toch) ruimtelijke medewerking te verlenen aan een project.</al><al/><tussenkop>Artikel 3</tussenkop><al>In artikel 3 zijn voor de in artikel 2 genoemde situaties de randvoorwaarden
                    voor een gecoördineerde besluitvorming vastgelegd. Op grond van artikel 3.31.
                    Wro zijn burgemeester en wethouders hier het bevoegde bestuursorgaan. Uit
                    artikel 3.31 Wro blijkt dat het college niet verplicht is om de
                    coördinatieregeling toe te passen. De wet stelt dat het college coördinatie
                    “bevordert”. Uitgangspunt is dus dat burgemeester en wethouders, waar dat op
                    grond van deze verordening mogelijk is, een gecoördineerde besluitvorming
                    voorstaat. De coördinatieregeling kan echter alleen worden toegepast, als aan
                    alle voorwaarden genoemd in dit artikel is voldaan.</al><al>Coördinatie van besluiten is in de eerste plaats alleen mogelijk indien
                    burgemeester en wethouders hebben vastgesteld dat zich daarvoor geen
                    belemmeringen voordoen. In artikel 4 zijn een aantal gevallen vastgelegd waarbij
                    een gecoördineerde behandeling in ieder geval niet mogelijk is. Maar ook los van
                    de belemmeringen als bedoeld in artikel 4 biedt artikel 3 burgemeester en
                    wethouders de mogelijkheid om op grond van een andere reden/belemmering (toch)
                    af te zien van een gecoördineerde besluitvorming. Bijvoorbeeld wanneer
                    burgemeester en wethouders constateren of inschatten dat de gemeenteraad geen
                    bestemmingsplanwijziging wil, of omdat een project of onderdelen daarvan niet in
                    overeenstemming met gemeentelijke beleidskaders blijken te zijn. Ook kan het
                    zijn dat burgemeester en wethouders weten of verwachten dat een bepaalde
                    ruimtelijke ontwikkeling tot veel en grote bezwaren vanuit de omgeving zal
                    leiden. Ook een dergelijke gevoeligheid of complicatie kan een reden zijn om de
                    coördinatieregeling niet toe te passen. </al><al>Als door burgemeester en wethouders is vastgesteld dat er geen belemmeringen
                    zijn die zich verzetten tegen een gecoördineerde behandeling, kan de
                    coördinatieregeling worden toegepast als aan de voorwaarden genoemd onder a. en
                    b. van artikel 3 is voldaan.</al><tussenkop>Onderdeel a</tussenkop><al>Dit onderdeel vormt de basis van de coördinatieverordening: coördinatie op grond
                    van de coördinatie verordening is alleen mogelijk als tenminste een besluit over
                    een bestemmingsplan (of over een wijzigings- of uitwerkingsplan)
                        <cursief>en</cursief>een besluit over een omgevingsvergunning tot
                    de coördineren besluiten behoren.</al><al>De omgevingsvergunning moet een (bouw)plan betreffen dat op het moment van
                    indienen op grond van artikel 2.10, lid 1, sub c van de Wabo wegens strijd met
                    het bestemmingsplan geweigerd zou moet worden en die slechts op grond van
                    artikel 2.12, lid 1, sub a, onder 3 van de Wabo kan worden verleend. Het
                    (nieuwe) bestemmingsplan dat de coördinatieregeling volgt, moet die strijdigheid
                    opheffen zodat de vergunning verleend kan worden.</al><al>Het coördineren van de procedure van de omgevingsvergunning met een
                    bestemmingsplanprocedure vormt aldus de basis van de gecoördineerde aanpak. Dat
                    laat onverlet dat ook andere besluiten die een relatie hebben met de
                    omgevingsvergunning en/of het bestemmingsplan kunnen aanhaken bij de
                    coördinatie. Vandaar dat in dit onderdeel wordt gesteld dat een bestemmingsplan
                    en een omgevingsvergunning <cursief>in ieder geval</cursief> deel uitmaken van
                    de te coördineren besluiten. Die andere besluiten kunnen besluiten zijn op basis
                    van bijzondere wetten of op basis van gemeentelijke verordeningen. Deze moeten
                    dan wel gericht zijn op de verwezenlijking van het beoogde ruimtelijke beleid.
                    Wat tot de mogelijkheden behoort, is bijvoorbeeld de combinatie van een
                    bestemmingsplan met een omgevingsvergunning bouwen, milieu, kappen, slopen,
                    aanleggen en brandveilig gebruik. Burgemeester en wethouders stellen vast welke
                    voor een project voor een project noodzakelijke besluiten gecoördineerd zullen
                    worden volgens de regels van deze verordening.</al><tussenkop>Onderdeel b</tussenkop><al>Dit onderdeel maakt duidelijk dat de aanvrager en het gemeentebestuur samen de
                    coördinatieregeling moeten willen toepassen. Een aanvrager kan niet gedwongen
                    worden om mee te werken aan een gecoördineerde besluitvorming. Dat zou namelijk
                    inhouden dat de aanvrager gedwongen zou kunnen worden om (op een bepaald moment)
                    een vergunning aan te vragen. De aanvrager kan natuurlijk goede redenen hebben
                    om af te zien van coördinatie Zo kan het zijn dat de aanvrager eerst zeker wil
                    weten dat bestemmingsplanwijziging is doorgevoerd, voordat hij kosten willen
                    maken voor het uitwerken van zijn bouwplan.</al><al/><tussenkop>Artikel 4</tussenkop><al>In artikel 4 wordt aangegeven in welke gevallen coördinatie in ieder geval niet
                    mogelijk is. Het betreft besluiten waarbij de uitkomst van de voorbereiding van
                    die besluiten (nog) onzeker is.</al><tussenkop>Onderdeel a</tussenkop><al>Als voor een project een milieueffectrapportage moet worden uitgevoerd, neemt de
                    complexiteit van dat project toe. Zolang deze rapportage niet is afgerond, is
                    ook niet duidelijk welke locatie- of inrichtingsvariant de voorkeur heeft. Een
                    gecoördineerd besluitvormingstraject waarbij is vereist dat alle besluiten in
                    ontwerp in één keer beschikbaar zijn, ligt dan niet voor de hand.</al><tussenkop>Onderdeel b</tussenkop><al>In de eerste plaats maakt de noodzaak tot het opstellen van een exploitatieplan
                    de procedure ingewikkelder. Het feit dat er een exploitatieplan nodig is,
                    betekent dat er met partijen (nog) geen overeenstemming is over de financiering,
                    wat geen goede basis is voor een gecoördineerde voorbereiding. Er is dan tijd
                    nodig om in een dergelijk geval te proberen om alsnog met partijen
                    overeenkomsten te sluiten, wat niet past bij de voortvarendheid waarmee via de
                    coördinatieregeling uitvoering kan worden voorbereid.</al><tussenkop>Onderdeel c</tussenkop><al>Bij mogelijke planschade moet de aanvrager zich bereid verklaren de kosten
                    daarvan voor zijn rekening te willen nemen. Als de aanvrager dat niet wil, dan
                    zou het financiële risico van het vaststellen van het bestemmingsplan bij de
                    gemeente komen te liggen. Het gemeentebestuur is in beginsel niet bereid tot een
                    dergelijk risico. Daarom is gecoördineerde besluitvorming in zo’n geval dan ook
                    niet wenselijk.</al><tussenkop>Onderdeel d</tussenkop><al>Om de uitvoering van de coördinatieregeling niet te ingewikkeld te maken, is het
                    tenslotte ook de bedoeling dat alleen besluiten worden gecoördineerd die
                    (zelfstandig) door gemeentelijke overheid kunnen worden genomen. Indien deze
                    besluiten (mede) afhankelijk zijn van besluitvorming van andere overheden, via
                    de rechtsfiguur van de verklaring van geen bedenkingen, is een gecoördineerde
                    aanpak vanwege de complexe uitvoeringssituatie geen optie.</al><al/><tussenkop>Artikel 5</tussenkop><al>In artikel 5 zijn de procedurele bepalingen van de coördinatieregeling
                    opgenomen. De belangrijkste coördinatievoorschriften zijn opgenomen in de Wro
                    zelf (artikel 3.31 en 3.32). Artikel 5 van de verordening bevat in dit opzicht
                    een aantal aanvullende regels. Het gaat om een regels met betrekking tot de
                    wijze van indienen en hoe moet worden gehandeld indien aanvraag niet volledig
                    is. Tevens is voorzien in een regeling voor het beëindigen van de
                    coördinatie.</al><al>In dit artikel is ten eerste opgenomen dat er met de aanvrager overleg
                    plaatsvindt over de vraag welke besluiten gecoördineerd worden voorbereid en
                    welke stukken daarvoor zullen aangeleverd en wanneer (dit laat de reguliere
                    wettelijke indieningsvereisten uiteraard onverlet).</al><al>Artikel 3:24, eerste en tweede lid en artikel 3:25 van de Algemene wet
                    bestuursrecht (Awb) zijn van overeenkomstige toepassing op de gecoördineerde
                    voorbereiding van de besluiten. Dat betekent dat de aanvrager de besluiten
                    zoveel mogelijk gelijktijdig aanvraagt met dien verstande dat de laatste
                    aanvraag niet later dan zes weken na ontvangst van de eerste aanvraag wordt
                    ingediend. De beslistermijn voor het nemen van besluiten vangt vervolgens aan
                    met ingang van de dag waarop de laatste aanvraag is ingediend.</al><al>Als een aanvraag voor een van de te coördineren besluiten niet volledig is of
                    zelfs helemaal ontbreekt, wordt de aanvrager eerst in de gelegenheid gesteld om
                    de aanvraag alsnog compleet te maken of in te dienen. Gebeurt dat niet, dan
                    kunnen burgemeester en wethouder besluiten om af te zien van een gecoördineerde
                    aanpak. De (al) ingediende besluiten zullen alsdan via de gebruikelijke
                    procedures apart van elkaar worden afgehandeld.</al><al>Mocht een aanvrager er bij nader inzien wensen dat de besluiten of een deel
                    daarvan voor zijn project toch niet gecoördineerd worden voorbereid, dan kan hij
                    burgemeester en wethouders verzoeken om de coördinatie (gedeeltelijk) te
                    beëindigen. Burgemeester en wethouders beslissen binnen acht weken over een
                    dergelijk verzoek.</al><al>Ook burgemeester en wethouders hebben de mogelijkheid om de gecoördineerde
                    voorbereiding geheel of gedeeltelijk te staken indien zij van oordeel zijn dat
                    de behandeling van één of meer van de aanvragen zich verzet tegen de
                    voortzetting van de gecoördineerde behandeling. Het zal daarbij dan meestal gaan
                    om een aanvraag waarvan achteraf blijkt dat die dusdanig complex is dat daarvoor
                    een aparte behandeling is aangewezen.</al><al>Om onbedoelde en ongewenste termijnoverschrijdingen te voorkomen is in artikel 5
                    tenslotte geregeld dat indien met betrekking tot een aanvraag de gecoördineerde
                    behandeling om welke reden wordt beëindigd, voor de toepassing van die aanvraag
                    geldende wettelijke termijnen het tijdstip van beëindiging van de gecoördineerde
                    behandeling gelijk wordt gesteld met het tijdstip van de ontvangst van de
                    aanvraag.</al><al/><tussenkop>Artikel 6</tussenkop><al>In dit artikel is de inwerkingtreding van de coördinatieverordening en de
                    naamgeving van de verordening geregeld. Ook is in dit artikel een
                    overgangsbepaling opgenomen die er toe strekt dat procedures waarvoor door de
                    gemeenteraad al eerder een apart coördinatiebesluit als bedoeld in artikel 3.30
                    Wro is genomen, buiten het toepassingsbereik van deze verordening vallen.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>