<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR370255_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening tegenprestatie Participatiewet 2015</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Oldebroek</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-12-05</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Oldebroek</dcterms:spatial><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Oldebroek</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Gemeenteblad, 04-12-2014</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening tegenprestatie Participatiewet 2015</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Participatiewet, artikel 8.a., lid 1. onder b.</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2014-11-27</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2015-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend.</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen.</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening tegenprestatie Participatiewet 2015</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>Verordening tegenprestatie Participatiewet 2015 </al><al/><al>Kenmerk: 183277</al><al/><al/><al/><al>De raad van de gemeente Oldebroek;</al><al/><al>gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 14 oktober
                        2014;</al><al/><al>gelet op artikel 8a, eerste lid, onder b van de Participatiewet;</al><al/><al>overwegende dat de raad bij verordening regels stelt met betrekking tot het
                        opdragen van een </al><al>tegenprestatie;</al><al/><al>B E S L U I T:</al><al/><al>vast te stellen de Verordening tegenprestatie Participatiewet 2015 gemeente
                        Oldebroek:</al><al/><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1.</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Begrippen</titel></kop><al>1. Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en die niet
                            nader worden omschreven, hebben dezelfde betekenis als in de
                            Participatiewet, de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en de
                            Gemeentewet.</al><al>2. In deze verordening wordt verstaan onder: </al><al>a. de wet: de Participatiewet</al><al>b. het college: het college van burgemeester en wethouders van de
                            gemeente Oldebroek</al><al>c. de raad: de gemeenteraad van de gemeente Oldebroek</al><al>d. belanghebbende: degene die aanspraak maakt of wenst te maken op een
                            uitkering of voorziening op grond van de wet, de Wet inkomensvoorziening
                            oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (IOAW) of
                            de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte
                            gewezen zelfstandigen (IOAZ)</al><al>e. mantelzorg: definitie als beschreven in artikel 1.1.1 eerste lid van
                            de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 </al><al>f. vrijwilligerswerk: werk dat in enig verband onverplicht en onbetaald
                            wordt verricht, voor anderen of de samenleving in het algemeen.</al><al/></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2.</nr><titel>De tegenprestatie naar vermogen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Inhoud van een tegenprestatie</titel></kop><al>1. Als tegenprestatie gelden onbeloonde maatschappelijk nuttige
                            werkzaamheden, die additioneel van aard zijn, voor zover die
                            werkzaamheden: </al><al>a. naar zijn aard niet zijn gericht op toeleiding tot de arbeidsmarkt; </al><al>b. niet zijn bedoeld als re-integratie-instrument; </al><al>c. worden verricht naast of in aanvulling op reguliere arbeid in de
                            organisatie waarin ze </al><al>worden verricht; en </al><al>d. niet leiden tot verdringing.</al><al>2. Het college stelt ter nadere uitvoering van deze verordening
                            beleidsregels vast waarin in ieder geval de duur en omvang van de
                            tegenprestatie wordt aangegeven en wanneer sprake is van verdringing op
                            de arbeidsmarkt.</al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>Het opleggen van een tegenprestatie</titel></kop><al>1. Het college kan een belanghebbende een tegenprestatie opleggen. </al><al>2. Bij het opdragen van een tegenprestatie houdt het college rekening
                            met de volgende factoren: </al><al>a. Het vermogen om een tegenprestatie te verrichten;</al><al>b. De persoonlijke situatie en individuele omstandigheden;</al><al>c. Het verrichten van mantelzorg of vrijwilligerswerk.</al><al>3. Een belanghebbende dient zelf een passende tegenprestatie te
                            zoeken.</al><al>4. Indien een belanghebbende dit nalaat bepaalt het college zelf de
                            inhoud van de tegenprestatie.</al><al/></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3.</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 januari 2015. </al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening tegenprestatie
                            Participatiewet 2015.</al><al/><al/></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus besloten in de openbare vergadering</ondertekening><ondertekening>van de gemeenteraad van Oldebroek</ondertekening><ondertekening>op 27 november 2014.</ondertekening><ondertekening/><ondertekening/><ondertekening> , voorzitter mr. A. Hoogendoorn,</ondertekening><ondertekening/><ondertekening/><ondertekening/><ondertekening> , griffier J. Tabak.</ondertekening><ondertekening/><ondertekening/><ondertekening/></regeling-sluiting><nota-toelichting><al>Algemene toelichting</al><al/><al>Het college is bevoegd een belanghebbende te verplichten naar vermogen
                            een tegenprestatie te ver¬richten. Een belanghebbende van achttien jaar
                            of ouder doch jonger dan de pensioengerechtigde leeftijd is vanaf de dag
                            van melding gehouden naar vermogen een tegenprestatie te verrichten. Dit
                            is vastgelegd in artikel 9, eerste lid, onderdeel c, van de
                            Participatiewet. De tegenprestatie is:</al><al>• naar vermogen onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden te
                            verrichten, </al><al>• naast of in aanvulling op reguliere arbeid en </al><al>• die niet leiden tot verdringing op de arbeidsmarkt. </al><al/><al>Individuele omstandigheden </al><al>Het college bepaalt aan de hand van de individuele omstandigheden en de
                            voorhanden zijnde onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden, de
                            aard, de duur en de omvang van de aan een persoon op te leggen
                            tegenprestatie. Hierbij moet het college de in deze verordening
                            neergelegde criteria in acht nemen. Als het college een tegenprestatie
                            vraagt van belanghebbende, moet het een duidelijke omschrijving geven
                            van de te verrichten werkzaamheden. Het moet voor een belanghebbende
                            immers duidelijk zijn welke tegenprestatie van hem verwacht wordt (zie
                            Rechtbank Zeeland-West-Brabant 25-02-2013, nr. 12/3649,
                            ECLI:NL:RBZWB:2013:BZ5171). </al><al/><al>Geen tegenprestatie </al><al>Indien daarvoor dringende redenen - zoals zorgtaken - aanwezig zijn, kan
                            het college in individuele gevallen tijdelijk ontheffing verlenen van de
                            plicht tot het verrichten van een tegenprestatie (artikel 9, tweede lid,
                            van de Participatiewet). De plicht tot tegenprestatie is niet van
                            toepassing op:</al><al>• een belanghebbende die volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is als
                            bedoeld in artikel 4 van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen
                            (artikel 9, vijfde lid, van de Participatiewet). </al><al>• een alleenstaande ouder die in het bezit is van een ontheffing als
                            bedoeld in artikel 9a, eerste lid, van de Participatiewet (artikel 9,
                            zevende lid, van de Participatiewet). </al><al/><al>Tegenprestatie is géén re-integratie-instrument </al><al>De tegenprestatie heeft tot doel om maatschappelijk nuttige
                            werkzaamheden te doen in de samenleving als tegenprestatie voor het
                            ontvangen van een uitkering. Het opleggen van een tegenprestatie heeft
                            niet tot doel de re-integratie van een belanghebbende te bevorderen,
                            maar moet worden gezien als een nuttige bijdrage aan de samenleving (TK
                            2013-2014, 33 801, nr. 7, p. 49-50). </al><al>De tegenprestatie is daarom naar zijn aard niet gericht op toeleiding
                            tot de arbeidsmarkt en is niet bedoeld als re-integratie-instrument en
                            daarom ook geen onderdeel van de Re-integratie¬verorde-ning
                            Participatiewet en ook niet gelijk aan re-integratie-instrumenten als
                            vrijwilligerswerk of sociale activering. Voorts mag een tegenprestatie
                            het accepteren van passende arbeid niet belem-me¬ren. Immers, als
                            uitgangspunt geldt werk boven uitkering.</al><al/><al>Afstemmen </al><al>Net als bij het niet nakomen van de arbeids- en
                            re-integratieverplichting geldt voor het niet nakomen van de
                            tegenprestatie dat de bijstand kan worden afgestemd overeenkomstig de
                            gemeentelijke afstemmingsverordening. </al><al/><al>Verordeningsplicht </al><al>De Wet maatregelen WWB legt de gemeenteraad de verplichting op om bij
                            verordening regels vast te stellen over het opdragen van een
                            tegenprestatie aan mensen met een bijstandsuitkering in de leeftijd van
                            18 jaar tot de pensioengerechtigde leeftijd. Deze verordeningsplicht is
                            neergelegd in artikel 8a, eerste lid, onderdeel b Participatiewet. Het
                            is aan de gemeente om de duur, omvang en inhoud van de tegenprestatie te
                            regelen (zie TK 2013-2014, 33 801, nr. 24, p. 6). </al><al/><al/><al/><al>Ontwikkelen beleid door college </al><al>Het college heeft de opdracht beleid te ontwikkelen ten behoeve van het
                            verrichten van een tegenprestatie en het uitvoeren ervan overeenkomstig
                            de verordening tegenprestatie. Dit volgt uit artikel 7, eerste lid,
                            onderdeel c, van de Participatiewet.</al><al/><al/><al/><al>Artikelsgewijze toelichting</al><al/><al>Artikel 1. Begrippen </al><al>Begrippen die al zijn omschreven in de Participatiewet, de Algemene wet
                            bestuursrecht of de Gemeente¬wet worden niet afzonderlijk gedefinieerd
                            in deze verordening. Deze zijn vanzelfsprekend van toepassing op deze
                            verordening. </al><al/><al>Mantelzorg </al><al>In artikel 1 van deze verordening is de definitie opgenomen van
                            mantelzorg. Deze begripsbepaling is gebaseerd op het begrip zoals dat
                            wordt gehanteerd in artikel 1.1.1, eerste lid van de Wet
                            maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo): </al><al>“Zorg ten behoeve van zelfredzaamheid, participatie, beschermd wonen,
                            opvang, jeugdhulp, het opvoeden en opgroeien van jeugdigen en zorg en
                            overige diensteen als bedoeld in de Zorgverzekeringswet, die
                            rechtstreeks voortvloeit uit een tussen personen bestaande sociale
                            relatie en die niet wordt verleend in het kader van een hulpverlenend
                            beroep.” </al><al/><al>Het begrip 'mantelzorg' is van belang omdat artikel 3 van deze
                            verordening bepaalt dat het college bij het opleggen van een
                            tegenprestatie rekening houdt met mantelzorg voor zover het verrichten
                            van mantelzorg naar het oordeel van het college redelijkerwijs
                            noodzakelijk is. </al><al/><al>Uit kamerstukken met betrekking tot het begrip 'mantelzorg' zoals
                            neergelegd in de Wmo volgt dat de vier belangrijkste kenmerken van
                            mantelzorg zijn: </al><al>• er is een bestaande sociale relatie tussen de zorgvrager en de
                            zorgverlener; </al><al>• mantelzorg wordt niet verricht in een georganiseerd verband; </al><al>• het verrichten van mantelzorg is veelal geen bewuste keuze; </al><al>• het verlenen van mantelzorg is nooit afdwingbaar. </al><al>Deze kenmerken zijn ontleend aan diverse kamerstukken zoals TK
                            2004-2005, 30 169, nr. 1 (Notitie "De mantelzorger in beeld") en TK
                            2005-2006, 30 131, nr. C. </al><al/><al>Voor de uitvoering van de Wmo hanteren gemeenten veelal het protocol
                            Gebruikelijke Zorg van het Centrum Indicatiestelling Zorg om vast te
                            stellen of sprake is van gebruikelijke zorg. Voor de uitleg van wat
                            onder gebruikelijke zorg kan worden aangesloten bij de definitie van
                            gebruikelijke zorg in het protocol Gebruikelijke Zorg. Gebruikelijke
                            zorg wordt in dat Protocol als volgt omschreven: de normale, dagelijkse
                            zorg die partners of ouders en inwonende kinderen geacht worden elkaar
                            onderling te bieden omdat ze als leefeenheid een gezamenlijk huishouden
                            voeren en op die grond een gezamenlijke verantwoordelijkheid hebben voor
                            het functioneren van dat huishouden. </al><al/><al>Vrijwilligerswerk</al><al>In artikel 1 van deze verordening is de definitie opgenomen van
                            vrijwilligerswerk. Onder vrijwilligerswerk wordt in het algemeen
                            verstaan: werk dat in enig verband onverplicht en onbetaald wordt
                            verricht, voor anderen of de samenleving (vergelijk TK 2005-2006, 30
                            334, nr. 1, p. 2). </al><al>Deze begripsbepaling is gebaseerd op de zogenaamde draaischijf van
                            Movisie, waarnaar de VNG verwijst. Movisie heeft een draaischrijf
                            ontwikkeld waaraan een gemeente aan de hand van acht onderdelen de
                            definitie kan bepalen. Zie hiervoor: www.movisie.nl/draaischijf.</al><al>Artikel 2. Inhoud van een tegenprestatie </al><al>Het college bepaalt aan de hand van de individuele omstandigheden en de
                            voorhanden zijnde onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden, de
                            aard, de duur en de omvang van de aan een persoon op te leggen
                            tegenprestatie. Hierbij moet het college de in deze verordening
                            neergelegde criteria in acht nemen. </al><al/><al>Additionele onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden </al><al>In artikel 2, eerste lid, van deze verordening is bepaald dat de
                            tegenprestatie onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden
                            betreffen die additioneel van aard zijn. De maatschappelijk nuttige
                            werkzaamheden in het kader van de tegenprestatie dienen zich te
                            onderscheiden van werkzaamheden die door de reguliere arbeidsmarkt
                            verricht worden. Het onderscheid tussen betaalde en onbetaalde
                            werkzaamheden is afhankelijk van onder meer economische factoren en van
                            keuzes die mede op basis daarvan door het bedrijfsleven en/of de
                            overheid worden gemaakt (TK 2013-2014, 33 801, nr. 3, p. 30). </al><al/><al>Als tegenprestatie gelden onbeloonde maatschappelijk nuttige
                            werkzaamheden, die additioneel van aard zijn, voor zover die
                            werkzaamheden voldoen aan de in artikel 2, eerste lid, van deze
                            verordening genoemde voorwaarden. Dit betekent dat de als tegenprestatie
                            in te zetten werkzaamheid: </al><al>a. naar zijn aard niet is gericht op toeleiding tot de arbeidsmarkt; </al><al>b. niet is bedoeld als re-integratieinstrument; </al><al>c. wordt verricht naast of in aanvulling op reguliere arbeid in de
                            organisatie waarin deze worden verricht; en </al><al>d. niet leidt tot verdringing. </al><al/><al>Deze voorwaarden zijn gebaseerd op de belangrijkste kenmerken van de
                            tegenprestatie die volgen uit de parlementaire geschiedenis (zie TK
                            2010-2011, 32 815, nr. 3, p. 14). </al><al/><al>Tegenprestatie mag niet leiden tot verdringing </al><al>De tegenprestatie mag niet worden ingezet in het kader van de
                            re-integratie. De tegenprestatie mag bovendien niet direct gericht zijn
                            op toeleiding naar de arbeidsmarkt en is dan ook niet bedoeld als
                            re-integratieinstrument. Het betreffen werkzaamheden die worden verricht
                            naast of in aanvulling op reguliere arbeid en die niet mogen leiden tot
                            verdringing op de arbeidsmarkt. Reguliere werkzaamheden kunnen daarom
                            niet als tegenprestatie worden ingezet. De tegenprestatie mag het
                            accepteren van passende arbeid of van re-integratie-inspanningen niet
                            belemmeren. Het uitgangspunt werk boven uitkering staat voorop. Dit
                            volgt uit artikel 9, eerste lid, onderdeel c, van de Participatiewet en
                            de parlementaire geschiedenis (zie TK 2010-2011, 32 815, nr. 3, p. 14). </al><al/><al>In een beleidsregel legt het college de duur en omvang van een
                            tegenprestatie vast en hoe vaak deze opgelegd kan worden. Daarnaast legt
                            het college vast welke werkzaamheden in ieder geval als tegenprestatie
                            kunnen worden ingezet (artikel 2, tweede lid, van deze verordening) en
                            welke niet. Deze werkzaamheden voldoen aan de in dit artikel gestelde
                            voorwaarden. </al><al/><al>Artikel 3. Het opleggen van een tegenprestatie</al><al>Artikel 3 van deze verordening stelt voorwaarden ten aanzien van de
                            inhoud van de tegenprestatie. </al><al>Het college heeft beleidsvrijheid om een tegenprestatie op te leggen.
                            Het college bepaalt uiteindelijk of, en zo ja welke tegenprestatie wordt
                            opgedragen. Tegen een besluit tot het opdragen van een tegenprestatie
                            kan bezwaar en beroep worden aangetekend (TK 2013-2014, 33 801, nr. 7,
                            p. 49). </al><al>Het college dient echter wel maatwerk toe te passen bij het opleggen van
                            een tegenprestatie. Rekening moet worden gehouden met de individuele
                            omstandigheden van belanghebbende, waaronder leeftijd, opleiding,
                            werkervaring en andere relevante persoonlijke omstandigheden. De
                            werkzaamheden worden immers opgedragen ‘naar vermogen’. Het is dus van
                            belang dat belanghebbende ook in staat is de werkzaamheden te verrichten
                            (zie Rechtbank Zeeland-West-Brabant 25-02-2013, nr. 12/3649,
                            ECLI:NL:RBZWB:2013:BZ5171). </al><al>a. Tegenprestatie 'naar vermogen' </al><al>De werkzaamheden die als tegenprestatie ingezet worden, moeten naar
                            vermogen door een belanghebbende verricht kunnen worden. De term 'naar
                            vermogen' heeft betrekking op de mogelijkheden waarover een
                            belanghebbende beschikt om deze werkzaamheden te verrichten. Immers,
                            niet alle onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden kunnen worden
                            opgedragen aan elke uitkeringsgerechtigde (TK 2013-2014, 33 801, nr. 3,
                            p. 30).</al><al>b. Persoonlijke situatie en individuele omstandigheden </al><al>Bij het opdragen van de tegenprestatie houdt het college rekening met de
                            persoonlijke situatie en individuele omstandigheden van een
                            belanghebbende, waaronder leeftijd, opleiding en werkervaring (Rechtbank
                            Zeeland-West-Brabant 25-02-2013, nr. 12/3649,
                            ECLI:NL:RBZWB:2013:BZ5171). Hierbij wordt rekening gehouden met het
                            fysieke en psychische vermogen van een belanghebbende. Voorts wordt bij
                            opdragen van een tegenprestatie rekening gehouden met praktische
                            omstandigheden zoals reistijd, beschikbaarheid van kinderopvang.</al><al>c. Mantelzorg of vrijwilligerswerk door belanghebbende</al><al> Het college houdt er bij het opdragen van de plicht tot tegenprestatie
                            rekening met het eventuele gegeven dat een belanghebbende al
                            maatschappelijk actief is (TK 2013-2014, 33 801, nr. 24, p. 6). Indien
                            een belanghebbende al een maatschappelijke activiteit verricht, kan het
                            college in bepaalde gevallen besluiten deze maatschappelijke activiteit
                            aan te merken als tegenprestatie. Ook kan de omstandigheid dat een
                            belanghebbende maatschappelijke activiteit verricht, ertoe leiden dat
                            hiermee rekening wordt gehouden bij het vaststellen van de
                            tegenprestatie, met name de duur en de omvang van de tegenprestatie. Een
                            voorbeeld van maatschappelijke activiteiten zijn: de zorg voor een ouder
                            of een gehandicapt kind. Het college beoordeelt de maatschappelijke
                            activiteiten en houdt daarbij rekening met de duur en omvang. </al><al/><al>In eerste instantie verwachten wij van een belanghebbende dat hij zelf
                            een passende tegenprestatie zoekt. Mocht dit uiteindelijk niet gebeuren,
                            omdat iemand niet kan of niet wil, dan bepaalt het college wat de
                            tegenprestatie moet zijn. In dat geval moet het college een duidelijke
                            omschrijving geven van de te verrichten werkzaamheden. Het moet voor een
                            belanghebbende immers duidelijk zijn welke tegenprestatie van hem wordt
                            verwacht (zie Rechtbank Zeeland-West-Brabant 25-02-2013, nr. 12/3649,
                            ECLI:NL:RBZWB:2013:BZ5171). </al><al/><al>Samenwerking met maatschappelijke organisaties: </al><al>De gemeente werkt voor het invullen van de tegenprestatie samen met
                            maatschappelijke organisaties zoals: welzijnsinstellingen,
                            vrijwilligerswerkorganisaties, buurthuizen en/of sportvoorzieningen. </al><al>De belanghebbende wordt geacht zelf, op eigen kracht, bij de
                            maatschappelijke organisatie de tegenprestatie in te gaan vullen. Lukt
                            dit binnen een bepaalde termijn niet, dan kan het college een concrete
                            invulling van een tegenprestatie opleggen.</al><al/><al>Geen tegenprestatie </al><al>De verplichting tot het verrichten van een tegenprestatie is niet van
                            toepassing op:</al><al>• een belanghebbende die volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is, als
                            bedoeld in artikel 4 van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen
                            (artikel 9, vijfde lid, van de Participatiewet)</al><al>• een alleenstaande ouder die in het bezit is van een ontheffing als
                            bedoeld in artikel 9a, eerste lid, van de Participatiewet (artikel 9,
                            zevende lid, van de Participatiewet). </al><al/><al>Weigering tegenprestatie </al><al>Het college dient bij weigering van belanghebbende om de tegenprestatie
                            te verrichten, conform de Maatregelenverordening te handelen.</al><al/><al>Artikel 4. Inwerkingtreding </al><al>Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 januari 2015. Vanaf
                            die datum is in artikel 8a, eerste lid, onderdeel b, van de
                            Participatiewet de verordeningsplicht voor de gemeenteraad neergelegd om
                            regels in de verordening vast te stellen over het opdragen van een
                            tegenprestatie. </al><al/><al>Artikel 5. Citeertitel </al><al>In dit artikel is de citeertitel van deze verordening neergelegd. </al><al/><al/><al/></nota-toelichting><bijlage/></regeling></body></cvdr>