<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.92--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR370244_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening individuele inkomenstoeslag 2015 gemeente Oldebroek</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Oldebroek</dcterms:creator><dcterms:modified>2015-01-01</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Oldebroek</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Gemeenteblad, 09-12-2014</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening individuele inkomenstoeslag 2015</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Participatiewet, artikel 8., lid 1., aanhef en onderdeel b.</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Participatiewet, artikel 8., lid 2.</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2014-11-27</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2015-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2023-10-11</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend.</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen.</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening individuele inkomenstoeslag 2015 gemeente Oldebroek</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>Verordening individuele inkomenstoeslag 2015</al><al/><al>Kenmerk: 184268</al><al/><al/><al>De raad van de gemeente Oldebroek;</al><al/><al>gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 14 oktober
                        2014;</al><al/><al>gelet op artikel 8, eerste lid, aanhef en onderdeel b en tweede lid van de
                        Participatiewet;</al><al/><al>B E S L U I T:</al><al/><al>vast te stellen de Verordening individuele inkomenstoeslag 2015 gemeente
                        Oldebroek:</al><al/><al/><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>1.</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Begrippen</titel></kop><al>1. Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en die niet
                            nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de
                            Participatiewet, de Algemene wet bestuursrecht of de Gemeentewet.</al><al>2. In deze verordening wordt verstaan onder:</al><al>a. inkomen: totaal van het inkomen, bedoeld in artikel 32 van de
                            Participatiewet en de algemene bijstand; </al><al>b. peildatum: datum waartegen een persoon individuele inkomenstoeslag
                            aanvraagt;</al><al>c. referteperiode: periode van 3 jaar voorafgaand aan de peildatum.</al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Indienen verzoek</titel></kop><al>1. Een verzoek als bedoeld in artikel 36, eerste lid van de
                            Participatiewet wordt ingediend door middel van een door het college
                            beschikbaar gesteld formulier.</al><al>2. Het college kan bij het beoordelen van vervolgrechten ambtshalve
                            beslissen.</al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>Langdurig laag inkomen</titel></kop><al>Een persoon heeft een langdurig laag inkomen als bedoeld in artikel 36,
                            eerste lid van de Participatiewet als gedurende de referteperiode het in
                            aanmerking te nemen inkomen niet hoger is dan 120% van de toepasselijke
                            bijstandsnorm.</al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Hoogte individuele inkomenstoeslag</titel></kop><al>1. Een individuele inkomenstoeslag bedraagt per kalenderjaar: </al><al>a. € 370,00 voor een alleenstaande (ouder); </al><al>b. € 530,00 voor gehuwden.</al><al>2. Als één van de gehuwden is uitgesloten van het recht op individuele
                            inkomenstoeslag ingevolge de artikelen 11 of 13, eerste lid van de
                            Participatiewet, komt de rechthebbende echtgenoot in aanmerking voor een
                            individuele inkomenstoeslag naar de hoogte die voor hem als
                            alleenstaande (ouder) zou gelden.</al><al>3. Voor toepassing van het eerste en tweede lid is de situatie op de
                            peildatum bepalend.</al><al>4. De bedragen genoemd in het eerste lid worden jaarlijks geïndexeerd
                            overeenkomstig de ontwikkelingen van de consumentenprijsindex volgens
                            het Centraal Bureau voor de Statistiek. De bedragen worden naar boven
                            afgerond op hele euro’s.</al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Beperking doelgroep</titel></kop><al>Uitgesloten van het recht op een individuele inkomenstoeslag zijn:</al><al>1. Personen aan wie in de referteperiode een maatregel is opgelegd
                            wegens een schending van een arbeids- of re-integratieverplichting;</al><al>2. Personen die door het rijk bekostigd onderwijs volgen of tijdens de
                            referteperiode hebben gevolgd.</al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Inwerkingtreding en intrekking oude verordening</titel></kop><al>1. Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2015. </al><al>2. De Verordening langdurigheidstoeslag 2013-A gemeente Oldebroek wordt
                            ingetrokken per 1 januari 2015.</al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening individuele
                            inkomenstoeslag 2015.</al><al/></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus besloten in de openbare vergadering</ondertekening><ondertekening>van de gemeenteraad van Oldebroek</ondertekening><ondertekening>op 27 november 2014.</ondertekening><ondertekening/><ondertekening/><ondertekening> , voorzitter mr. A. Hoogendoorn,</ondertekening><ondertekening/><ondertekening/><ondertekening/><ondertekening> , griffier J. Tabak.</ondertekening><ondertekening/><ondertekening/><ondertekening/><ondertekening/><ondertekening/><ondertekening/><ondertekening/></regeling-sluiting><nota-toelichting><al>Algemene toelichting</al><al/><al>Algemeen</al><al>Aan de bijstand ligt het uitgangspunt ten grondslag dat het normbedrag,
                            bedoeld ter voorziening in de algemeen noodzakelijke kosten van het
                            bestaan met inbegrip van een component reservering, in beginsel
                            toereikend is. Toch kan de financiële positie van mensen die langdurig
                            op een minimuminkomen zijn aangewezen onder druk komen te staan als er
                            na verloop van tijd geen enkel perspectief lijkt te zijn om door inkomen
                            uit arbeid het inkomen te verhogen. Om die reden is bij de invoering van
                            de Wet werk en bijstand (hierna: WWB) in 2004 de langdurigheidstoeslag
                            in het leven geroepen. Sinds 1 januari 2009 is de langdurigheidstoeslag
                            gedecentraliseerd. Ook is de langdurigheidstoeslag sinds die datum een
                            bijzondere vorm van (categoriale) bijzondere bijstand. Per 1 januari
                            2015 vervangt de individuele inkomenstoeslag de langdurigheidstoeslag.
                            Vanaf dat moment is het verlenen van de toeslag geen gebonden
                            bevoegdheid meer, maar een discretionaire bevoegdheid. Dit betekent dat
                            het college een individuele inkomenstoeslag kan verlenen als een persoon
                            voldoet aan de voorwaarden daarvoor. Het college kan in beleidsregels
                            aangeven welke groepen niet in aanmerking komen voor individuele
                            inkomenstoeslag en in welke gevallen personen uitzicht hebben op
                            inkomensverbetering. Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan
                            personen aan wie in de referteperiode een maatregel is opgelegd wegens
                            een schending van een arbeidsverplichting of een
                            re-integratieverplichting of aan personen die uit 's Rijks kas bekostigd
                            onderwijs volgen.</al><al/><al>Vast te leggen regels in verordening</al><al>De individuele inkomenstoeslag is niet gerelateerd aan bepaalde kosten.
                            Het is een inkomensondersteunende maatregel voor bepaalde personen die
                            langdurig een laag inkomen hebben en daarbij, gelet op de omstandigheden
                            van die persoon, geen uitzicht hebben op inkomensverbetering (artikel
                            36, eerste lid van de Participatiewet). Bij verordening moeten regels
                            vastgesteld worden over het verlenen van een individuele inkomenstoeslag
                            als bedoeld in artikel 36 van de Participatiewet. Deze regels moeten in
                            ieder geval betrekking hebben op de wijze waarop invulling wordt gegeven
                            aan de begrippen ‘langdurig’ en ‘laag inkomen’. Op grond van deze
                            verordening is geen sprake van een laag inkomen bij een inkomen hoger
                            dan 120% van de toepasselijke bijstandsnorm. Daarnaast moet bij
                            verordening de hoogte van de individuele inkomenstoeslag bepaald worden. </al><al/><al>Overgangsrecht</al><al>Per 1 januari 2015 vervangt de individuele inkomenstoeslag de
                            langdurigheidstoeslag. Het is niet nodig om in deze verordening
                            overgangsrecht op te nemen met betrekking tot eerder verstrekte
                            langdurigheidstoeslagen, omdat artikel 78z van de Participatiewet
                            voorziet in algemeen overgangsrecht met betrekking tot de wijzigingen in
                            de Participatiewet als gevolg van de inwerkingtreding van de
                            Invoeringswet Participatiewet en de Wet maatregelen WWB op 1 januari
                            2015. De individuele inkomenstoeslag en voorheen de
                            langdurigheidstoeslag worden immers toegekend tegen een peildatum. Zaken
                            die na de peildatum gebeuren hebben geen betekenis voor het recht op een
                            dergelijke toeslag. Wie op een datum gelegen vóór 1 januari 2015 op
                            basis van de toepasselijke verordening recht had op
                            langdurigheidstoeslag, behoudt dat onverkort, ongeacht of hij voldoet
                            aan de voorwaarden die per 1 januari 2015 zijn gesteld in artikel 36 van
                            de Participatiewet en deze verordening. Toekenning van het recht op
                            individuele inkomenstoeslag tegen een datum gelegen op of ná 1 januari
                            2015 is uitsluitend mogelijk als wordt voldaan aan de in artikel 36 van
                            de Participatiewet en deze verordening opgenomen voorwaarden. </al><al/><al>Wijziging leefvorm</al><al>De leefvorm (alleenstaande, alleenstaande ouder of gehuwd) van een
                            persoon kan wijzigen binnen de referteperiode. Dit is bijvoorbeeld het
                            geval indien gehuwden individuele inkomenstoeslag aanvragen, maar zij
                            over een gedeelte van de referteperiode als alleenstaande moeten worden
                            aangemerkt. Personen moeten dan ook over dat deel van de referteperiode
                            aan de voorwaarden voldoen om voor individuele inkomenstoeslag in
                            aanmerking te komen. Gehuwden moeten immers zowel gezamenlijk als
                            afzonderlijk aan de voorwaarden voldoen.</al><al/><al>Artikelsgewijze toelichting</al><al>Enkel die bepalingen die nadere toelichting behoeven worden hier
                            behandeld.</al><al/><al>Artikel 1. Begrippen</al><al>Begrippen die al zijn omschreven in de Participatiewet, Algemene wet
                            bestuursrecht (hierna: Awb) of de Gemeentewet worden niet afzonderlijk
                            gedefinieerd in deze verordening. Deze zijn vanzelfsprekend van
                            toepassing op deze verordening.</al><al/><al>Inkomen</al><al>Met inkomen wordt bedoeld het inkomen zoals bedoeld in artikel 32 van de
                            Participatiewet. In afwijking hiervan wordt algemene bijstand voor de
                            beoordeling van het recht op individuele inkomenstoeslag ook in
                            aanmerking genomen als inkomen. Bijzondere bijstand kan niet als inkomen
                            in aanmerking worden genomen. Aangezien individuele inkomenstoeslag een
                            vorm van bijzondere bijstand is, is het niet nodig expliciet te bepalen
                            dat een eerder verstrekte individuele inkomenstoeslag buiten beschouwing
                            moet worden gelaten bij de vaststelling van het inkomen. Het wordt niet
                            wenselijk geacht een eerder verstrekte individuele inkomenstoeslag in
                            aanmerking te nemen als inkomen, omdat dit het ongewenst effect kan
                            hebben dat een persoon geen recht op een individuele inkomenstoeslag
                            heeft omdat hij een te hoog inkomen heeft gehad in de referteperiode
                            vanwege een eerder verstrekte toeslag. Wat voor een eerder verstrekte
                            individuele inkomenstoeslag geldt, dat geldt ook voor een eerder
                            verstrekte langdurigheidstoeslag op grond van de WWB zoals die luidde
                            vóór 1 januari 2015.</al><al/><al>Peildatum</al><al>De peildatum is de datum waartegen een persoon individuele
                            inkomenstoeslag aanvraagt (artikel 1 van deze verordening). Het gaat om
                            de datum waarop een persoon langdurig een laag inkomen heeft, geen in
                            aanmerking te nemen vermogen heeft als bedoeld in artikel 34 van de
                            Participatiewet en, gelet op de omstandigheden van die persoon, geen
                            uitzicht op inkomensverbetering heeft. De peildatum komt meestal overeen
                            met de meldingsdatum. De peildatum kan in beginsel niet liggen vóór de
                            dag waarop een persoon zich heeft gemeld om individuele inkomenstoeslag
                            aan te vragen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. Dit volgt
                            uit artikel 44, eerste lid van de Participatiewet en de jurisprudentie
                            rondom artikel 44 van de Participatiewet.</al><al/><al>Referteperiode</al><al>Verder is bepaald wat onder de referteperiode moet worden verstaan: een
                            periode van 36 maanden voorafgaand aan de peildatum. Zie ook de
                            toelichting bij artikel 3 onder ‘Langdurig’.</al><al/><al>Artikel 2. Indienen verzoek</al><al>De Wet maatregelen WWB heeft artikel 36, eerste lid van de
                            Participatiewet dusdanig gewijzigd dat een persoon een verzoek tot
                            verlening van individuele inkomenstoeslag kan indienen. Voorheen was de
                            langdurigheidstoeslag alleen op aanvraag verkrijgbaar. Onder aanvraag
                            wordt verstaan: een verzoek van een persoon een besluit te nemen
                            (artikel 1:3, derde lid van de Awb). Een aanvraag dient in beginsel
                            schriftelijk te worden ingediend (artikel 4:1 Awb).</al><al/><al>Om onduidelijkheid te voorkomen over de wijze waarop het verzoek moet
                            worden ingediend, bepaalt artikel 2 van deze verordening dat het verzoek
                            moet worden gedaan middels een door het college ter beschikking gesteld
                            formulier. Een verzoek wordt dan gezien als een aanvraag zoals bedoeld
                            in afdeling 4.1.1 van de Awb. Het gaat dan om een schriftelijke aanvraag
                            (artikel 4:1 van de Awb) die wordt ondertekend door de aanvrager en ten
                            minste de naam en het adres van de aanvrager bevat, de dagtekening en
                            een aanduiding van de beschikking die wordt gevraagd (artikel 4:2,
                            eerste lid van de Awb). De aanvrager verschaft ook de gegevens en
                            bescheiden die voor de beslissing op de aanvraag nodig zijn en waarover
                            hij redelijkerwijs de beschikking kan krijgen (artikel 4:2, tweede lid
                            van de Awb). Een mondeling verzoek kan hiermee dus niet worden
                            aangemerkt als een verzoek om individuele inkomenstoeslag zoals bedoeld
                            in artikel 36 van de Participatiewet.</al><al>Is er na een jaar sprake van ongewijzigde omstandigheden en bestaat er
                            volgens de gemeente opnieuw een aanspraak op een bijdrage, dan kan deze
                            bijdrage ambtshalve worden verleend. Dit beperkt de administratieve
                            lasten en bevordert een snelle afhandeling. </al><al/><al>Artikel 3. Langdurig laag inkomen</al><al>Van belang bij het bepalen wat een langdurig laag inkomen is, is wat
                            onder ‘langdurig’ en onder ‘laag’ wordt verstaan. </al><al/><al>Langdurig </al><al>De door de gemeenteraad vastgestelde langdurige periode voorafgaand aan
                            de peildatum, wordt aangeduid als referteperiode. De referteperiode is
                            vastgesteld in artikel 1 van deze verordening. </al><al/><al>Laag inkomen</al><al>Een inkomen is laag als het niet hoger is dan 120% van de toepasselijke
                            bijstandsnorm.</al><al/><al>De vraag of het inkomen van een persoon gedurende de referteperiode niet
                            hoger is dan het langdurig lage inkomen van 120% van de toepasselijke
                            bijstandsnorm, zal niet al te rigide mogen worden beoordeeld. Een
                            marginale overschrijding van dit lage inkomen moet worden genegeerd (zie
                            CRvB 19-08-2008, nrs. 06/1163 WWB e.a., ECLI:NL:CRVB:2008:BE8918 en CRvB
                            15-02-2011, nr. 08/5141 WWB, ECLI:NL:CRVB:2011:BP5532).</al><al>Gaat het inkomen van een persoon gedurende (een deel van) de
                            referteperiode de toepasselijke bijstandsnorm maandelijks met ongeveer €
                            5 of meer te boven, dan is geen sprake meer van een marginale
                            overschrijding van de bijstandsnorm die niet aan toekenning van een
                            individuele inkomenstoeslag in de weg staat. Er is immers geen sprake
                            van een incidentele geringe overschrijding van de bijstandsnorm of van
                            te verwaarlozen bedragen van enkele eurocenten(zie CRvB 27-03-2012, nr.
                            10/2488 WWB, ECLI:NL:CRVB:2012:BW0068 en CRvB 31-07-2012, nr. 12/1825
                            WWB, ECLI:NL:CRVB:2012:BX7178).</al><al/><al>Beoordeling zicht op inkomensverbetering</al><al>De beoordeling door het college of er al dan niet sprake is van “zicht
                            op inkomensverbetering” moet aan de hand van de individuele
                            omstandigheden van het geval plaats vinden. Het college moet in ieder
                            geval de individuele omstandigheden zoals genoemd in artikel 36, lid 2
                            Participatiewet betrekken bij de beoordeling van het recht op een
                            individuele inkomenstoeslag. Dit betreft:</al><al>• de krachten en bekwaamheden van de persoon; en</al><al>• de inspanningen die de persoon heeft verricht om tot
                            inkomensverbetering te komen.</al><al/><al>Artikel 4. Hoogte individuele inkomenstoeslag</al><al>Bij de hoogte van de individuele inkomenstoeslag wordt onderscheid
                            gemaakt tussen een alleenstaande (ouder) en gehuwden. De in het eerste
                            lid genoemde bedragen zijn het (afgeronde) resultaat van het toepassen
                            van het onder de Verordening Langdurigheidstoeslag gebruikte percentage
                            van 38,5% op de per 1 juli 2014 geldende bijstandsnorm van resp. een
                            alleenstaande en gehuwden. Deze berekening is dan als volgt:</al><al>- Alleenstaande € 951,64 x 38,5% is afgerond € 370,00;</al><al>- Gehuwden € 1.359,49 x 38,5% is afgerond € 530,00. </al><al>De aparte norm voor alleenstaande ouder is niet langer opgenomen in de
                            Participatiewet. Om deze reden wordt ook bij de individuele
                            inkomenstoeslag niet langer een aparte norm gehanteerd voor een
                            alleenstaande ouder. Er wordt net als bij de vaststelling van de
                            bijstandsnorm aangesloten bij de norm voor een alleenstaande.</al><al/><al>Gehuwden</al><al>Bij gehuwden moet in het oog worden gehouden dat het recht op
                            individuele inkomenstoeslag de gehuwden gezamenlijk toekomt. Worden
                            personen op de peildatum als gehuwden aangemerkt, dan moeten beide
                            gehuwden voldoen aan de voorwaarden van artikel 36, eerste lid van de
                            Participatiewet. Voldoet één van hen niet aan deze voorwaarden, dan
                            bestaat voor beiden geen recht op individuele inkomenstoeslag. </al><al>Is één van de echtgenoten uitgesloten van het recht op individuele
                            inkomenstoeslag, anders dan vanwege het niet voldoen aan de voorwaarden
                            van artikel 36, eerste lid van de Participatiewet, dan komt de
                            rechthebbende partner wel in aanmerking voor een individuele
                            inkomenstoeslag. Het gaat hier om een partner die op een van de in
                            artikelen 11 of 13, eerste lid van de Participatiewet genoemde gronden
                            geen recht heeft op bijstand. Als slechts één partner recht heeft op
                            individuele inkomenstoeslag, komt deze rechthebbende partner in
                            aanmerking voor een individuele inkomenstoeslag naar de hoogte die voor
                            hem als alleenstaande of alleenstaande ouder zou gelden. Dat is geregeld
                            in het tweede lid.</al><al/><al>Indexering</al><al>In het vierde lid is een indexeringsbepaling opgenomen. Deze bepaling
                            voorkomt dat de verordening telkens opnieuw moet worden vastgesteld,
                            enkel voor indexatie van de bedragen. Het is van belang de nieuwe
                            bedragen (na indexatie) duidelijk te communiceren.</al><al/><al>Artikel 5. Beperking doelgroep</al><al>Discretionaire bevoegdheid</al><al>Voor de huidige langdurigheidstoeslag geldt dat het college de
                            langdurigheidstoeslag moet verlenen wanneer een belanghebbende voldoet
                            aan de voorwaarden daarvoor. Onder de Participatiewet kan het college
                            een individuele inkomenstoeslag verlenen. Het verlenen van een
                            individuele inkomenstoeslag is een discretionaire bevoegdheid van het
                            college. Dit betekent dat het college aan personen die voldoen aan de
                            voorwaarden van artikel 36 van de Participatiewet een individuele
                            inkomenstoeslag kan verlenen, maar hiertoe niet is gehouden.</al><al/><al>Personen aan wie in de referteperiode een maatregel is opgelegd wegens
                            een schending van een arbeids- of re-integratieverplichting</al><al>Gesteld kan worden dat een uitkeringsgerechtigde zelf onvoldoende
                            inspanningen heeft gedaan heeft om zijn perspectief te verbeteren,
                            wanneer hem in de referteperiode een maatregel is opgelegd wegens het
                            schenden van de arbeids- of re-integratieverplichting. In tegendeel,
                            door zijn verwijtbaar handelen heeft hij zelf schuld aan het ontbreken
                            van zicht op inkomensverbetering. De boordeling hiervan is echter
                            gecompliceerder dan het in eerste instantie lijkt. De volgende zaken
                            spelen ook een rol. Een belanghebbende aan wie in de referteperiode een
                            maatregel is opgelegd wegens een schending van een arbeids- of
                            re-integratieverplichting heeft in beginsel geen zicht op
                            inkomstenverbetering (zie ook CRvB 17-12-2013, nr. 12/83 WWB,
                            ECLI:NL:CRVB:2013:2842). Het college beoordeelt in dergelijke gevallen
                            niettemin telkens het uitzicht op inkomstenverbetering van
                            belanghebbende als hij zijn verplichtingen niet zou hebben geschonden
                            (zie ook Rechtbank Rotterdam 20-06-2013, nr. ROT 12/520,
                            ECLI:NL:RBROT:2013:CA3895). </al><al>Het enkele feit dat een belanghebbende zijn arbeids- of
                            re-integratieverplichting heeft geschonden, vooronderstelt niet dat hij,
                            als hij zijn verplichtingen niet had geschonden, wel uitzicht op
                            inkomstenverbetering zou hebben gehad. Dit is mogelijk wel het geval
                            indien belanghebbende een (goede) baan heeft laten lopen, maar als hij
                            enkel onvoldoende heeft meegewerkt aan een re-integratieactiviteit,
                            hoeft geen sprake te zijn van geen zicht op inkomstenverbetering. Daarom
                            moet het college dit telkens individueel beoordelen.</al><al/><al>Personen die door het rijk bekostigd onderwijs volgen of tijdens de
                            referteperiode hebben gevolgd.</al><al>In het algemeen heeft een student een (goed) perspectief op
                            inkomensverbetering. Toch moet er ook bij deze toets oog worden gehouden
                            voor de uitzonderingsgevallen waarin dat niet zo is.</al><al/><al/></nota-toelichting><bijlage/></regeling></body></cvdr>