<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR370235_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening individuele studietoeslag 2015 gemeente Oldebroek</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Oldebroek</dcterms:creator><dcterms:modified>2015-06-23</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Oldebroek</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Gemeenteblad, 04-12-2014</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening individuele studietoeslag 2015</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Participatiewet, artikel 8., lid 1., onderdeel c.</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Participatiewet, artikel 8., lid 3.</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Participatiewet, artikel 36.b.</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2014-11-27</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2015-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2022-04-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend.</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen.</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening individuele studietoeslag 2015 gemeente Oldebroek</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>Verordening individuele studietoeslag 2015</al><al/><al>Kenmerk: 184267</al><al/><al>De raad van de gemeente Oldebroek;</al><al/><al>gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 14 oktober
                        2014;</al><al/><al>gelet op artikel 8, eerste lid, onderdeel c en derde lid en artikel 36b van
                        de Participatiewet;</al><al/><al>B E S L U I T:</al><al/><al>vast te stellen de Verordening individuele studietoeslag 2015 gemeente
                        Oldebroek:</al><al/><al/><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Begrippen</titel></kop><al>Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en die niet nader
                        worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de Participatiewet, de
                        Algemene wet bestuursrecht en de Gemeentewet. </al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Indienen verzoek</titel></kop><al>1. Een verzoek als bedoeld in artikel 36b, eerste lid van de Participatiewet
                        wordt ingediend door middel van een door het college beschikbaar gesteld
                        formulier.</al><al>2. De aanspraak op een individuele studietoeslag ontstaat niet eerder dan de
                        dag van aanvraag.</al><al>3. Het college kan bij het beoordelen van vervolgrechten ambtshalve
                        beslissen.</al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>Advies over oordeel verdienen wettelijk minimumloon</titel></kop><al>Het college kan advies inwinnen over het oordeel of een persoon niet in
                        staat is tot het verdienen van het wettelijk minimumloon, maar wel
                        mogelijkheden heeft tot arbeidsparticipatie overeenkomstig het gestelde in
                        artikel 36b van de Participatiewet. </al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Aanspraak op individuele studietoeslag</titel></kop><al>1. Een persoon kan slechts eenmaal in een studiejaar in aanmerking komen
                        voor een individuele studietoeslag.</al><al>2. Het studiejaar bedoeld in het eerste lid loopt van 1 augustus tot 1
                        augustus. </al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Hoogte individuele studietoeslag</titel></kop><al>1. Een individuele studietoeslag bedraagt € 1.200,00 per studiejaar.</al><al>2. Indien ten tijde van de aanvraag over een gedeelte van een studiejaar
                        aanspraak bestaat op een studietoeslag, is de hoogte van de studietoeslag
                        naar rato.</al><al>3. Het bedrag genoemd in het eerste lid wordt jaarlijks geïndexeerd
                        overeenkomstig de ontwikkelingen van de consumentenprijsindex volgens het
                        Centraal Bureau voor de Statistiek. De bedragen worden naar boven afgerond
                        op hele euro’s. </al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Betaling individuele studietoeslag</titel></kop><al>1. De studietoeslag wordt in twee gedeelten verdeeld over het studiejaar
                        uitbetaald. </al><al>2. Voor de betaling van de tweede termijn wordt beoordeeld of de aanvrager
                        nog tot de doelgroep behoort.</al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel>Afwijken individueel geval</titel></kop><al>Het college kan in bijzondere gevallen afwijken van de bepalingen in deze
                        verordening, indien onverkorte toepassing daarvan zou leiden tot
                        onredelijkheid of onbillijkheid.</al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.</nr><titel>Inwerkingtreding en intrekking oude verordening</titel></kop><al>Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2015.</al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening individuele studietoeslag
                        2015.</al><al/></artikel></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus besloten in de openbare vergadering</ondertekening><ondertekening>van de gemeenteraad van Oldebroek</ondertekening><ondertekening>op 27 november 2014.</ondertekening><ondertekening/><ondertekening/><ondertekening> , voorzitter mr. A. Hoogendoorn,</ondertekening><ondertekening/><ondertekening/><ondertekening/><ondertekening> , griffier J. Tabak.</ondertekening><ondertekening/><ondertekening/><ondertekening/><ondertekening/><ondertekening/><ondertekening/><ondertekening/><ondertekening/></regeling-sluiting><nota-toelichting><al>Algemene toelichting</al><al/><al>Algemeen</al><al>De invoeringswet Participatiewet introduceert een studieregeling in de
                        Participatiewet: de individuele studietoeslag. Hiermee krijgt het college de
                        mogelijkheid mensen, van wie is vastgesteld dat ze niet in staat zijn het
                        minimumloon te verdienen, een individuele studietoeslag te verstrekken als
                        ze studeren. Het afronden van een studie versterkt de positie op de
                        arbeidsmarkt. Een diploma is een bewijs tegenover werkgevers dat iemand
                        gemotiveerd is en veel in zijn mars heeft. </al><al/><al>Mensen met een arbeidshandicap hebben volgens de regering een extra steuntje
                        in de rug nodig als het gaat om studeren. Voor hen is de drempel om te lenen
                        een stuk hoger, omdat de kans op een baan later lager is. Een studieregeling
                        stimuleert mensen om toch de stap te zetten om naar school te gaan of een
                        studie te gaan volgen. Ook biedt het een financiële compensatie voor het
                        feit dat het voor deze groep vaak moeilijk is om de studie te combineren met
                        een bijbaan (TK 2013-2014, 33 161, nr. 125, p.2). </al><al/><al>De individuele studietoeslag moet worden aangemerkt als een vorm van
                        bijzondere bijstand (artikel 5, onderdeel d, van de Participatiewet). De
                        individuele studietoeslag is niet gerelateerd aan bepaalde kosten. Het is
                        een inkomensondersteunende maatregel voor mensen van wie is vastgesteld dat
                        ze niet in staat zijn het minimumloon te verdienen. </al><al/><al>Verordeningsplicht</al><al>De Invoeringswet Participatiewet legt de gemeenteraad de verplichting op in
                        een verordening regels te stellen over het verlenen van een individuele
                        studietoeslag. Deze verordeningsopdracht is neergelegd in artikel 8, eerste
                        lid, onderdeel c van de Participatiewet. De regels moeten in ieder geval
                        betrekking hebben op de hoogte en de frequentie van de betaling van de
                        individuele studietoeslag (artikel 8, derde lid van de Participatiewet). </al><al/><al>Doelgroep</al><al>In artikel 36b, eerste lid van de Participatiewet is omschreven wie tot de
                        doelgroep wordt gerekend, namelijk de persoon die op de datum van de
                        aanvraag:</al><al>• 18 jaar of ouder is; </al><al>• recht heeft op studiefinanciering op grond van de Wet studiefinanciering
                        2000 of recht heeft op een tegemoetkoming op grond van hoofdstuk 4 van de
                        Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten; </al><al>• geen in aanmerking te nemen vermogen als bedoeld in artikel 34 heeft; en </al><al>• een persoon is van wie is vastgesteld dat hij niet in staat is tot het
                        verdienen van het wettelijk minimumloon met arbeid, doch wel mogelijkheden
                        tot arbeidsparticipatie heeft. </al><al>Deze afbakening geldt als geheel, zodat aan elke voorwaarde moet zijn
                        voldaan. Beschikt iemand bijv. over meer vermogen dan het in artikel 34 van
                        de Participatiewet vrij gelaten vermogen, dan voldoet hij dus niet aan alle
                        voorwaarden en behoort daarmee niet tot de doelgroep.</al><al/><al>Bij de vaststelling van deze verordening is in de wet nog expliciet
                        opgenomen dat iemand niet in staat moet zijn om met voltijdse arbeid het
                        minimumloon te verdienen. Inmiddels is een amendement aangenomen en heeft de
                        staatssecretaris toegezegd voor de inwerkingtreding van de Participatiewet
                        bepalingen in de wet op te nemen , waarbij ook rekening gehouden wordt met
                        personen met een medische urenbeperking. De exacte uitwerking in de wet is
                        op dit moment nog onbekend. Door de huidige omschrijving in artikel 3 en de
                        verwijzing van de wet is geregeld dat deze verordening te allen tijde
                        aansluit op de bepalingen in de wet. </al><al/><al>Artikelsgewijze toelichting</al><al/><al>Artikel 1. Begrippen</al><al>Begrippen die al zijn omschreven in de Participatiewet, Algemene wet
                        bestuursrecht (hierna: Awb) of de Gemeentewet worden niet afzonderlijk
                        gedefinieerd in deze verordening. Deze zijn vanzelfsprekend van toepassing
                        op deze verordening. </al><al/><al>Artikel 2. Indienen verzoek</al><al>In de wet is vastgelegd dat een persoon een verzoek tot verlening van een
                        individuele studietoeslag kan indienen. </al><al>Om onduidelijkheid te voorkomen over de wijze waarop het verzoek moet worden
                        ingediend, bepaalt artikel 2, eerste lid, van deze verordening dat het
                        verzoek moet worden gedaan middels een door het college ter beschikking
                        gesteld formulier. Een verzoek wordt dan gezien als een aanvraag zoals
                        bedoeld in afdeling 4.1.1 van de Awb. Het gaat dan om een schriftelijke
                        aanvraag (artikel 4:1 van de Awb) die wordt ondertekend door de aanvrager en
                        ten minste de naam en het adres van de aanvrager bevat, de dagtekening en
                        een aanduiding van de beschikking die wordt gevraagd (artikel 4:2, eerste
                        lid van de Awb). De aanvrager verschaft ook de gegevens en bescheiden die
                        voor de beslissing op de aanvraag nodig zijn en waarover hij redelijkerwijs
                        de beschikking kan krijgen (artikel 4:2, tweede lid van de Awb).</al><al/><al>De aanspraak op een individuele studietoeslag ontstaat niet eerder dan op de
                        datum van aanvraag.</al><al>Op deze wijze kan het college de actuele situatie onderzoeken en daarmee
                        beoordelen of aan alle gestelde voorwaarden wordt voldaan.</al><al/><al>Artikel 3. Advies over oordeel verdienen wettelijk minimumloon</al><al>Artikel 36b, eerste lid van de Participatiewet regelt in welke gevallen het
                        college op verzoek van een persoon, gelet op diens individuele
                        omstandigheden, een individuele toeslag kan verlenen. In de algemene
                        inleiding is op de doelgroep nader ingegaan.</al><al>Als het college op basis van overgelegde stukken of uit bij de gemeente al
                        bekende informatie al kan bepalen dat een persoon tot de doelgroep behoort,
                        is een aanvullend of extern onderzoek niet noodzakelijk. In sommige gevallen
                        is het inwinnen van een extern advies gewenst. Dit artikel biedt hiervoor de
                        basis.</al><al/><al>Artikel 4. Aanspraak op individuele studietoeslag</al><al>Een persoon kan slechts eenmaal binnen een studiejaar in aanmerking komen
                        voor een individuele studietoeslag. Voor de begripsbepaling is aangesloten
                        bij het gebruikelijke studiejaar, dat loopt van 1 augustus tot 1
                        augustus.</al><al/><al>Artikel 5. Hoogte individuele studietoeslag</al><al>In dit artikel is de hoogte van de individuele studietoeslag geregeld.
                        Hierbij wordt de studietoeslag per persoon die voldoet aan de voorwaarden
                        toegekend. De toeslag bedraagt € 1.200,00 per studiejaar. Wanneer het
                        studiejaar bij de aanvraag al gedeeltelijk is verstreken dan bestaat er –
                        mits aan de voorwaarden wordt voldaan – aanspraak op de toeslag naar
                        rato.</al><al>Deze omrekening naar rato wordt niet gedaan bij beëindiging van de toeslag.
                        Wanneer iemand recht heeft per 1 augustus en vervolgens stopt met zijn
                        studie wordt niet teruggevorderd. Twee maal per jaar namelijk op 1 augustus
                        en op 1 februari wordt beoordeeld of een persoon aan de voorwaarden
                        voldoet.</al><al/><al>De hoogte van de individuele studietoeslag is niet in de Participatiewet
                        voorgeschreven. Het UWV hanteert als norm 25% van het minimumjeugdloon. In
                        den lande komen verschillende bedragen voor, variërend van € 68,00 tot €
                        375,00 per maand. </al><al>Voor het bepalen van de hoogte van de individuele studietoeslag is gezocht
                        naar een bedrag dat een substantiële bijdrage vormt, maar niet
                        buitenproportioneel is. Wanneer we kijken naar de bandbreedte van de
                        bijstandsnorm dan loopt dit op dit moment van ongeveer € 235 (voor een
                        thuiswonende jongere van 18 tot en met 20 jaar) tot ongeveer € 680 (voor een
                        uitwonende alleenstaande schoolverlater van 23 jaar of ouder).</al><al>Om de administratieve lasten te beperken wordt gekozen voor een vast
                        jaarbedrag en geen percentage van bijvoorbeeld de uitkeringsnorm of het
                        minimumloon. Het substantiële bedrag hebben wij gevonden door driemaal de
                        individuele inkomenstoeslag te nemen voor een alleenstaande en dit naar
                        boven af te ronden op een honderdtal. </al><al/><al>Is sprake van gehuwden die allebei afzonderlijk voldoen aan de voorwaarden
                        voor een individuele studietoeslag, dan komen zij afzonderlijk in aanmerking
                        voor de toeslag. </al><al/><al>In het derde lid is een indexeringsbepaling opgenomen. Deze bepaling
                        voorkomt dat de verordening telkens opnieuw moet worden vastgesteld, enkel
                        voor indexatie van de bedragen. </al><al/><al>Artikel 6. Betaling individuele studietoeslag</al><al>In dit artikel wordt de frequentie van de betaling van de individuele
                        toeslag geregeld. </al><al/><al>Nadat positief op het verzoek om een individuele studietoeslag is beslist,
                        wordt het in artikel 5 genoemde bedrag halfjaarlijks uitbetaald. Dit gebeurt
                        gewoonlijk in september en maart. De toeslag betreft eenmalige bijzondere
                        bijstand. Eenmalige bijzondere bijstand is onbelast en de toeslag heeft
                        daardoor geen gevolgen voor andere inkomensafhankelijke toeslagen zoals
                        huurtoeslag en zorgtoeslag. </al><al/><al>Doorgaans kan een persoon ook tussentijds starten met een opleiding. Voor de
                        beoordeling of hij in aanmerking komt voor een individuele studietoeslag
                        wordt de situatie op de datum van de aanvraag beoordeeld (artikel 36b,
                        eerste lid van de Participatiewet). Om die reden is in het tweede lid van
                        dit artikel van de verordening geregeld dat voordat tot een tweede
                        uitbetaling wordt overgegaan, onderzocht wordt of de persoon in kwestie nog
                        voldoet aan de voorwaarden van artikel 36b, eerste lid van de
                        Participatiewet. </al><al/><al>Artikel 7, 8. en 9.</al><al>Deze artikelen behoeven geen nadere toelichting.</al><al/><al/></nota-toelichting><bijlage/></regeling></body></cvdr>