<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR370134_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening verrekening bestuurlijke boete bij recidive gemeente Tynaarlo 2015</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Tynaarlo</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-09-26</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Tynaarlo</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2015-38225.html?zoekcriteria=%3fzkt%3dUitgebreid%26pst%3dGemeenteblad%26dpr%3dAlle%26sdt%3dDatumPublicatie%26rbk%3dVerordeningen%26org%3dTynaarlo%26orgt%3dgemeente%26planId%3d%26pnr%3d2%26rpp%3d10%26_page%3d1%26sorttype%3d1%26sortorder%3d4&amp;resultIndex=7&amp;sorttype=1&amp;sortorder=4">Gemeenteblad Nr. 38225</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening verrekening bestuurlijke boete bij recidive gemeente Tynaarlo 2015</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Artikel 147, eerste lid van de Gemeentewet en gelet op artikel 8 lid 1 sub d van de Participatiewet</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2014-12-09</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2015-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2017-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>Verrekening bestuurlijke boete bij recedive gemeente Tynaarlo 2015</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule> Verordening verrekening bestuurlijke boete bij recidive gemeente Tynaarlo
                2015 </intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente Tynaarlo;</al><al>gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van
                        Tynaarlo; </al><al>gelet op artikel 147, eerste lid van de Gemeentewet en gelet op artikel 8
                        lid 1 sub d van de Participatiewet en overwegende dat het noodzakelijk is de
                        wijze waarop handhaving met betrekking tot de uitvoering van de
                        Participatiewet plaatsvindt bij verordening te regelen; </al><al><vet>B E S L U I T:</vet></al><al>in te trekken:</al><al>Verordening verrekening bestuurlijke boete bij recidive gemeente Tynaarlo
                        2013</al><al>vast te stellen:</al><al><vet>Verordening verrekening bestuurlijke boete bij recidive</vet><vet>
                            gemeente Tynaarlo </vet><vet> 201</vet><vet>5</vet></al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>1.</nr><titel>ALGEMENE BEPALINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Begripsomschrijving</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al> De wet: de Participatiewet;</al></li><li nr="b."><al> Algemene bijstand: de bijstand bedoeld in artikel 5,
                                        onderdeel b, van de wet;</al></li><li nr="c."><al> Bijzondere bijstand: de bijstand bedoeld in artikel 5,
                                        onderdeel d, van de wet;</al></li><li nr="d."><al> Bijstand: algemene en bijzondere bijstand;</al></li><li nr="e."><al> Bijstandsnorm: de bijstandsnorm bedoeld in artikel 5,
                                        onderdeel c, van de wet;</al></li><li nr="f."><al> Verlaging: het verlagen van de bijstand of de
                                        langdurigheidstoeslag op grond van artikel 18, tweede lid,
                                        van de wet; </al></li><li nr="g."><al> Inlichtingenplicht: als bedoeld in artikel 17 van de
                                        wet;</al></li><li nr="h."><al> Benadelingsbedrag: de als gevolg van het niet of niet
                                        behoorlijk nakomen van de inlichtingenverplichting ten
                                        onrechte of tot een te hoog bedrag betaalde bijstand
                                        verhoogd met de loonbelasting en de premies
                                        volksverzekeringen, alsmede met de daarover door de
                                        belanghebbende verschuldigde premies volksverzekeringen dan
                                        wel een inhouding die met een of meer van deze premies
                                        overeenkomt alsmede de inkomensafhankelijke bijdrage,
                                        bedoeld in artikel 43 van de Zorgverzekeringswet, voor zover
                                        deze belasting en premies niet verrekend kunnen worden met
                                        de belastingdienst en het Uitvoeringsinstituut
                                        werknemersverzekeringen. </al></li><li nr="i."><al> Het college: het college van burgemeester en wethouders van
                                        de gemeente Assen.</al></li><li nr="j."><al> beslagvrije voet: beslagvrije voet als bedoeld in de
                                        artikelen 475c tot en met 475e van het Wetboek van
                                        Burgerlijke Rechtsvordering;</al></li><li nr="k."><al> recidiveboete: bestuurlijke boete als bedoeld in artikel
                                        18a, vijfde lid, van de wet;</al></li><li nr="l."><al> bezit: waarde van de bezittingen waarover belanghebbende of
                                        diens gezin beschikt of redelijkerwijs kan beschikken, met
                                        uitzondering van het in de woning met bijbehorend erf
                                        gebonden vermogen, bedoeld in artikel 50, eerste lid, van de
                                        wet; </al></li><li nr="m."><al> verrekenen: verrekening als bedoeld in artikel 60, vierde
                                        lid, van de wet</al></li></lijst></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2:</nr><titel>Bescherming beslagvrije voet bij verrekening wegens recidive</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Verrekenen met beslagvrije voet bij voldoende bezit</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien het bezit van een belanghebbende ten minste driemaal de
                                toepasselijke bijstandsnorm bedraagt, verrekent het college de
                                recidiveboete zonder inachtneming van de beslagvrije voet.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De verrekening, bedoeld in het eerste lid, geschiedt gedurende een
                                tijdvak van drie maanden vanaf het moment van de dagtekening waarop
                                de bestuurlijke boete is opgelegd. De verrekening gaat in vanaf de
                                eerstvolgende gehele kalendermaand na dagtekening van het besluit.
                            </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>Verrekenen bij geen of onvoldoende bezit</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien het bezit van een belanghebbende niet ten minste driemaal de
                                toepasselijke bijstandsnorm bedraagt, verrekent het college de
                                recidiveboete gedurende één maand zonder inachtneming van de
                                beslagvrije voet. De verrekening geschiedt vanaf het moment van de
                                dagtekening waarop de bestuurlijke boete is opgelegd.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Aansluitend op verrekening als bedoeld in het eerste lid, verrekenen
                                burgemeester en wethouders de recidiveboete in de daarop volgende
                                twee maanden op een dusdanige wijze dat belanghebbende blijft
                                beschikken over een inkomen ter hoogte van 80% van de toepasselijke
                                bijstandsnorm.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Tot het inkomen, bedoeld in het tweede lid, worden ook middelen
                                gerekend als bedoeld in artikel 31, tweede lid, onderdelen n en r,
                                van de wet. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Verrekenen met inachtneming beslagvrije voet</titel></kop><al>In afwijking van de artikelen 2 en 3 kan het college de recidiveboete
                            met inachtneming van de beslagvrije voet verrekenen indien:</al><lijst><li nr="a."><al>aannemelijk is dat verrekening op de wijze, bedoeld in de
                                    artikelen 2 of 3, zou leiden tot huisuitzetting van
                                    belanghebbende en diens gezin; of</al></li><li nr="b."><al>anderszins sprake is van dringende redenen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Eerder opgelegde bestuurlijke boetes</titel></kop><al><vet>Artikel 5. Eerder opgelegde bestuurlijke boetes</vet> De artikelen
                            2, 3 en 4 zijn van overeenkomstige toepassing op de verrekening van de
                            bestuurlijke boete, bedoeld in artikel 18a, eerste lid, van de wet,
                            indien en voor zover deze boete nog niet is betaald op het moment van
                            verrekening van de recidiveboete.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als <vet>Verordening verrekening
                                bestuurlijke boete bij recidive</vet><vet> gemeente Tynaarlo
                                </vet><vet> 2015</vet>entreedt in werking op 1 januari
                            2015.</al><al/></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Vries, 9 december 2014</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>De raad voornoemd,</ondertekening><ondertekening>P.Adema, voorzitter</ondertekening><ondertekening>J.L. de Jong, griffier</ondertekening></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>Toelichting</titel></kop><tussenkop>Algemeen deel</tussenkop><al>De Participatiewet verplicht de gemeenteraad in een verordening nadere regels te
                    stellen over de bevoegdheid de beslagvrije voet tijdelijk buiten werking te
                    stellen bij verrekening van de recidiveboete. Gemeenten krijgen daarmee de
                    ruimte een afweging te maken van situaties of omstandigheden waarin het buiten
                    werking stellen van de beslagvrije voet niet proportioneel wordt geacht. </al><al>De bevoegdheid van de gemeenteraad strekt zich slechts uit over het al dan niet
                    in acht nemen van de beslagvrije voet bij verrekening van de recidiveboete. Daar
                    waar terugvordering en invordering niet door de wetgever is verplicht, blijft
                    sprake van een bevoegdheid van het college. Het is derhalve aan het college op
                    deze onderdelen nadere (beleids)regels vast te stellen.</al><al>In het kader van pseudoverrekening kunnen gemeenten te maken krijgen met
                    verzoeken van andere gemeenten om een door hen opgelegde recidiveboete te
                    verrekenen. Het college dat de boete heeft opgelegd zal in dat geval aangeven in
                    hoeverre het de beslagvrije voet in acht wil nemen (volgens de regels van de
                    gemeentelijke verordening). De gemeente die de uitkering verstrekt, moet in
                    beginsel gehoor geven aan dit verzoek. Mocht de beslagvrije voet niet
                    gerespecteerd worden, dan kan de belanghebbende het college waarvan hij
                    uitkering ontvangt, verzoeken de beslagvrije voet toch in acht te nemen. In
                    artikel 60b, tweede lid, van de WWB is geregeld dat het college die de uitkering
                    verstrekt, de bevoegdheid heeft aan dit verzoek van belanghebbende tegemoet te
                    komen. Het ligt voor de hand dat het college bij de beslissing op dat verzoek
                    handelt analoog aan de regels die in de eigen gemeentelijke verordening zijn
                    vastgelegd.</al><tussenkop>Artikelsgewijze toelichting</tussenkop><tussenkop><vet>Artikel 1. Begrippen</vet></tussenkop><al> In deze bepaling zijn een aantal begrippen nader omschreven. De meeste behoeven
                    geen nadere toelichting.</al><al><cursief>Bezit</cursief>De verordening kent een definitie van het
                    begrip bezit. Het gaat daarbij om (de waarde van) alle bezittingen waarover een
                    belanghebbende of diens gezinsleden beschikken of redelijkerwijs kunnen
                    beschikken. Bezittingen kunnen zowel bestaan uit geld als op geld waardeerbare
                    goederen. </al><al>Bij het begrip bezit zoals dat in deze verordening wordt gebruikt, gaat het
                    nadrukkelijk niet om vermogen als bedoeld in artikel 34 van de wet. Eventueel
                    aanwezige schulden spelen immers geen rol en worden dus ook niet op het bezit in
                    mindering gebracht. Ook de vermogensvrijlatingen van artikel 34, tweede lid, van
                    de wet zijn hier niet van toepassing. Een belanghebbende die vanwege de
                    volledige verrekening met de beslagvrije voet zonder inkomsten komt te zitten,
                    zal de bezittingen waarover hij beschikt of redelijkerwijs kan beschikken,
                    volledig moeten aanwenden om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te
                    kunnen voorzien. Een uitzondering is gemaakt voor het in de woning gebonden
                    vermogen van de door belanghebbende en zijn gezin bewoonde (eigen) woning.</al><al><cursief>Verrekenen</cursief>De wet kent een ruimer begrip van
                    verrekenen dan het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Voor de
                    duidelijkheid is daarom een aparte begripsbepaling opgenomen in de
                    verordening.</al><tussenkop><vet>Artikel 2. Verrekenen met beslagvrije voet bij voldoende
                    bezit</vet></tussenkop><al>Uitgangspunt van deze verordening is dat volledige verrekening met de
                    beslagvrije voet plaats vindt voor de maximale termijn van drie maanden als een
                    belanghebbende over voldoende bezittingen beschikt om dit op te kunnen vangen.
                    Dat uitgangspunt is vastgelegd in artikel 2 van deze verordening. Van voldoende
                    bezit is sprake als de waarde van de bezittingen waarover belanghebbende
                    beschikt (of redelijkerwijs kan beschikken), ten minste driemaal de
                    toepasselijke bijstandsnorm bedraagt. Immers, bij aanwending of tegeldemaking
                    van deze bezittingen, zou een periode van drie maanden overbrugd moeten kunnen
                    worden. </al><al><cursief>Artikel 3. Verrekenen bij geen of onvoldoende bezit</cursief></al><al>Heeft een belanghebbende onvoldoende bezittingen om een periode van drie maanden
                    volledige verrekening met de beslagvrije voet te kunnen overbruggen, dan
                    verrekent het college slechts één maand zonder inachtneming van de beslagvrije
                    voet. Voor de overige twee maanden vindt weliswaar verrekening met de
                    beslagvrije voet plaats, maar niet volledig. Belanghebbende blijft beschikken
                    over een inkomen ter hoogte van 80% van de toepasselijke bijstandsnorm. </al><al>Voor het percentage van 80% is aansluiting gezocht bij de
                    invorderingsmogelijkheden die de Belastingdienst heeft bij notoire wanbetalers.
                    Onder omstandigheden kan deze de beslagvrije voet (90% van de toepasselijke
                    bijstandsnorm) verlagen met 10% op grond van artikel 19, eerste lid, van de
                    Invorderingswet 1990. </al><al>Met de gekozen opzet wordt enerzijds uiting gegeven aan het principe dat fraude
                    niet mag lonen. Het gaat hier immers om belanghebbenden die herhaaldelijk hun
                    inlichtingenplicht hebben geschonden. Daar mag een duidelijk signaal tegenover
                    staan. Anderzijds wordt rekening gehouden met de zorgplicht. Het volledig buiten
                    werking stellen van de beslagvrije voet gedurende drie maanden kan kwalijke
                    maatschappelijke consequenties hebben. Dat moet voorkomen worden, nu de regeling
                    daarmee zijn doel voorbij zou schieten.</al><al>Een belanghebbende kan inkomsten uit arbeid hebben die op grond van artikel 31,
                    tweede lid, onderdelen n of r, van de wet worden vrijgelaten voor de algemene
                    bijstand. Bij verrekening van een recidiveboete tot 80% van de bijstandsnorm,
                    tellen deze inkomsten echter gewoon mee. Het college laat deze inkomsten dus
                    niet buiten beschouwing bij de beoordeling van de vraag of een belanghebbende
                    nog over voldoende inkomen beschikt. Dat is geregeld in lid 3.</al><tussenkop>Artikel 4. Verrekenen met inachtneming beslagvrije voet</tussenkop><al>Hoewel het hier gaat om een herhaaldelijke schending van de inlichtingenplicht,
                    zijn situaties denkbaar waarin volledige verrekening met de beslagvrije voet
                    niet aanvaardbaar wordt geacht. Die situaties komen aan de orde in artikel 4.
                    Het gaat daarbij altijd om individuele omstandigheden waaraan het college zal
                    moeten toetsen.</al><al>In onderdeel a is geregeld dat het college kan besluiten in afwijking van de
                    artikelen 2 en 3 toch de beslagvrije voet te respecteren wanneer volledige
                    verrekening waarschijnlijk leidt tot huisuitzetting van belanghebbende en diens
                    gezin. Voorkomen moet worden dat een belanghebbende door de volledige
                    verrekening op straat komt te staan, nu dit de problematiek alleen maar
                    verergert, met alle maatschappelijke kosten van dien. </al><al>Een dreigende huisuitzetting wordt in deze verordening gezien als een dringende
                    reden om van verrekening met de beslagvrije voet af te zien. Dat volgt uit het
                    woord 'anderszins' in onderdeel b. Ook bij aanwezigheid van andere dringende
                    redenen dan een dreigende huisuitzetting, kan het college rekening houden met de
                    bescherming van de beslagvrije voet. Van dringende redenen is niet snel sprake.
                    Het gaat slechts om incidentele gevallen, waarbij de behoeftige omstandigheden
                    waarin de belanghebbende en diens gezinsleden verkeren op geen enkele andere
                    wijze te verhelpen zijn. Het enkele feit dat het belanghebbende door de
                    verrekening aan middelen ontbreekt om in het bestaan te voorzien, is op zich
                    geen voldoende voorwaarde om te kunnen spreken van dringende redenen.
                        <cursief>Artikel 5. Eerder opgelegde bestuurlijke boetes</cursief></al><al>In artikel 60b, derde lid, van de wet is bepaald dat de bevoegdheid
                    om te verrekenen met de beslagvrije voet ook van toepassing is op eerder
                    opgelegde bestuurlijke boetes voor zover op het moment van verrekening van de
                    recidiveboete, die eerdere boetes nog niet zijn betaald. Mocht het college die
                    eerdere, nog openstaande boetes gaan verrekenen, dan regelt artikel 5 dat de
                    bepalingen in deze verordening van overeenkomstige toepassing zijn.</al><tussenkop>Artikel 6. Inwerkingtreding </tussenkop><al>Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>