<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR369927_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening Individuele inkomenstoeslag 2015</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Mill en Sint Hubert</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-12-28</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Mill en Sint Hubert</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2015-26459.html?zoekcriteria=%3fzkt%3dUitgebreid%26pst%3dGemeenteblad%26vrt%3d26459%26zkd%3dInDeGeheleText%26dpr%3dAlle%26spd%3d20151224%26epd%3d20151224%26sdt%3dDatumPublicatie%26planId%3d%26pnr%3d1%26rpp%3d10&amp;resultIndex=0&amp;sorttype=1&amp;sortorder=4">Gemeenteblad d.d. 1 april 2015 nr. 26459</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening Individuele inkomenstoeslag 2015</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0015703">Participatiewet</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2015-03-12</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2015-04-02</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:terugwerkendekrachtDatum>2015-01-01</overheidrg:terugwerkendekrachtDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2018-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>Geen</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening Individuele inkomenstoeslag 2015</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente Mill en Sint Hubert</al><al/><al>gezien het voorstel van burgemeester en wethouders d.d. 3 februari 2015</al><al/><al>gezien het advies van de Wmo/WWB-Burgerparticipatieraad gemeente Mill en
                        Sint Hubert d.d. 5 januari 2015</al><al/><al>gezien het advies van de raadscommissie 12 februari 2015</al><al/><al>gelet op artikel 8, eerste lid, aanhef en onderdeel b, en tweede lid van de
                        Participatiewet;</al><al/><al>overwegende dat het noodzakelijk is het verstrekken van een individuele
                        inkomenstoeslagen aan personen van 21 jaar of ouder doch jonger dan de
                        pensioengerechtigde leeftijd bij verordening te regelen</al><al/><al><vet>besluit</vet></al><al/><al>Vast te stellen de navolgende </al><al/><al><vet>Verordening Individuele inkomenstoeslag 2015</vet></al></preambule></aanhef><regeling-tekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Begrippen</titel></kop><al>1.In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>inkomen: totaal van het inkomen, bedoeld in artikel 32 van de
                                Participatiewet, en de algemene bijstand; </al></li><li nr="b."><al>peildatum: datum waartegen een persoon individuele inkomenstoeslag
                                aanvraagt;</al></li><li nr="c."><al>referteperiode: periode van 4 jaar voorafgaand aan de
                                peildatum.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Indienen verzoek</titel></kop><al>Een verzoek als bedoeld in artikel 36, eerste lid, van de Participatiewet,
                        wordt ingediend middels een door het college vastgesteld formulier.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>Uitsluitingsgronden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een persoon komt niet in aanmerking voor een individuele
                            inkomenstoeslag, indien aan deze gedurende het jaar voorafgaande aan de
                            peildatum een maatregel is opgelegd wegens een schending van een
                            arbeids- of re-integratieverplichting als bedoeld in de Participatiewet
                            en/of de Afstemmingsverordening Participatiewet, de IOAW, IOAZ of is
                            opgelegd door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
                            (UWV).</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een persoon welke uit ’s Rijks kas bekostigd onderwijs volgt of tijdens
                            de referteperiode heeft gevolgd, komt niet in aanmerking voor een
                            individuele inkomenstoeslag.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Langdurig laag inkomen</titel></kop><al>Een persoon heeft een langdurig laag inkomen als bedoeld in artikel 36,
                        eerste lid, van de Participatiewet als gedurende de referteperiode het in
                        aanmerking te nemen inkomen niet hoger is dan 100% van de toepasselijke
                        bijstandsnorm.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Hoogte individuele inkomenstoeslag</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een individuele inkomenstoeslag bedraagt per kalenderjaar: </al><lijst><li nr="a."><al>€ 385,00 voor een alleenstaande; </al></li><li nr="b."><al>€ 495,00 voor een alleenstaande ouder; </al></li><li nr="c."><al>€ 550,00 voor gehuwden.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Als één van de gehuwden is uitgesloten van het recht op individuele
                            inkomenstoeslag ingevolge de artikelen 11 of 13, eerste lid, van de
                            Participatiewet, komt de rechthebbende echtgenoot in aanmerking voor een
                            individuele inkomenstoeslag naar de hoogte die voor hem als
                            alleenstaande of alleenstaande ouder zou gelden.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Voor toepassing van het eerste en tweede lid is de situatie op de
                            peildatum bepalend.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De bedragen genoemd in het eerste lid worden jaarlijks geïndexeerd
                            overeenkomstig de ontwikkelingen van de consumentenprijsindex volgens
                            het Centraal Bureau voor de Statistiek. De bedragen worden naar boven
                            afgerond op hele euro’s.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Uitvoering</titel></kop><al>Het college kan beleidsregels vaststellen met betrekking tot de uitvoering
                        van deze verordening.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel>Bijzondere situaties</titel></kop><al>In bijzondere situaties kan het college afwijken van het bepaalde in deze
                        verordening. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.</nr><titel>Inwerkingtreding en citeertitel</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Deze verordening treedt in werking op de eerste dag na die van
                                bekendmaking en werkt terug tot en met 1 januari 2015, behoudens
                                situaties waarbij sprake is van negatieve gevolgen voor de
                                belanghebbende.</al></li><li nr="2."><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening individuele
                                inkomenstoeslag 2015.</al></li><li nr="3."><al>De verordening Langdurigheidstoeslag gemeente Mill en Sint Hubert
                                2012-A, vastgesteld in de vergadering van 13 december 2012 wordt
                                ingetrokken op de dag van inwerkingtreding als bedoeld in het eerste
                                lid.</al></li></lijst></artikel></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus besloten door de raad van de gemeente Mill en Sint Hubert in zijn
                        openbare vergadering van 12 maart 2015.</ondertekening><ondertekening/><ondertekening/><ondertekening>De raad voornoemd,</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>Ing. S.A. de Best – Boere</ondertekening><ondertekening>griffier </ondertekening><ondertekening/><ondertekening>Ing. A.A.M.J. Walraven</ondertekening><ondertekening>voorzitter</ondertekening><ondertekening/></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>Toelichting</titel></kop><tussenkop>Algemeen</tussenkop><al>Aan de bijstand ligt het uitgangspunt ten grondslag dat het normbedrag, bedoeld
                    ter voorziening in de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan met inbegrip
                    van een component reservering, in beginsel toereikend is. Toch kan de financiële
                    positie van mensen die langdurig op een minimuminkomen zijn aangewezen onder
                    druk komen te staan als er na verloop van tijd geen enkel perspectief lijkt te
                    zijn om door inkomen uit arbeid het inkomen te verhogen. Om die reden is bij de
                    invoering van de Wet werk en bijstand (hierna: WWB) in 2004 de
                    langdurigheidstoeslag in het leven geroepen. Sinds 1 januari 2009 is de
                    langdurigheidstoeslag gedecentraliseerd. Ook is de langdurigheidstoeslag sinds
                    die datum een bijzondere vorm van (categoriale) bijzondere bijstand. Per 1
                    januari 2015 vervangt de individuele inkomenstoeslag de langdurigheidstoeslag.
                    Sindsdien is het verlenen van de toeslag geen gebonden bevoegdheid meer, maar
                    een discretionaire bevoegdheid. Dit betekent dat het college een individuele
                    inkomenstoeslag kan verlenen als een persoon voldoet aan de voorwaarden
                    daarvoor. Het college kiest ervoor in deze verordening aan te geven welke
                    groepen niet in aanmerking komen voor individuele inkomenstoeslag en in welke
                    gevallen personen uitzicht hebben op inkomensverbetering. Hierbij kan
                    bijvoorbeeld worden gedacht aan personen aan wie in de referteperiode een
                    maatregel is opgelegd wegens een schending van een arbeidsverplichting of een
                    re-integratieverplichting of aan personen die uit 's Rijks kas bekostigd
                    onderwijs volgen.</al><al/><tussenkop>Vast te leggen regels in verordening</tussenkop><al>De individuele inkomenstoeslag is niet gerelateerd aan bepaalde kosten. Het is
                    een inkomensondersteunende maatregel voor bepaalde personen die langdurig een
                    laag inkomen hebben en daarbij, gelet op de omstandigheden van die persoon, geen
                    uitzicht hebben op inkomensverbetering (artikel 36, eerste lid, van de
                    Participatiewet). Bij verordening moeten regels vastgesteld worden over het
                    verlenen van een individuele inkomenstoeslag als bedoeld in artikel 36 van de
                    Participatiewet. Deze regels moeten in ieder geval betrekking hebben op de wijze
                    waarop invulling wordt gegeven aan de begrippen ‘langdurig’ en ‘laag inkomen’.
                    Op grond van deze verordening is geen sprake van een laag inkomen bij een
                    inkomen hoger dan 100% van de toepasselijke bijstandsnorm. Daarnaast moet bij
                    verordening de hoogte van de individuele inkomenstoeslag bepaald worden. Het
                    college kan in (wetsinterpreterende) beleidsregels aangeven wanneer sprake is
                    van 'geen uitzicht op inkomensverbetering'. Gelet op de tekst van artikel 8,
                    tweede lid, van de Participatiewet hoeft dit criterium niet te worden vastgelegd
                    in de verordening. Bij de beoordeling van het criterium 'geen uitzicht op
                    inkomensverbetering' moet het college rekening houden met de omstandigheden van
                    de persoon. In artikel 36, tweede lid, van de Participatiewet is bepaald dat tot
                    die omstandigheden in ieder geval worden gerekend:</al><lijst><li nr="-"><al>de krachten en bekwaamheden van de persoon, en</al></li><li nr="-"><al>de inspanningen die de persoon heeft verricht om tot inkomensverbetering
                            te komen.</al></li></lijst><al/><tussenkop>Overgangsrecht</tussenkop><al>Per 1 januari 2015 vervangt de individuele inkomenstoeslag de
                    langdurigheidstoeslag. Het is niet nodig om in deze verordening overgangsrecht
                    op te nemen met betrekking tot eerder verstrekte langdurigheidstoeslagen, omdat
                    artikel 78z van de Participatiewet voorziet in algemeen overgangsrecht met
                    betrekking tot de wijzigingen in de Participatiewet als gevolg van de
                    inwerkingtreding van de Invoeringswet Participatiewet en de Wet maatregelen WWB
                    op 1 januari 2015. De individuele inkomenstoeslag en voorheen de
                    langdurigheidstoeslag worden immers toegekend tegen een peildatum. Zaken die na
                    de peildatum gebeuren hebben geen betekenis voor het recht op een dergelijke
                    toeslag. Wie op een datum gelegen vóór 1 januari 2015 op basis van de
                    toepasselijke verordening recht had op langdurigheidstoeslag, behoudt dat
                    onverkort, ongeacht of hij voldoet aan de voorwaarden die per 1 januari 2015
                    zijn gesteld in artikel 36 van de Participatiewet en deze verordening.
                    Toekenning van het recht op individuele inkomenstoeslag tegen een datum gelegen
                    op of ná 1 januari 2015 is uitsluitend mogelijk als wordt voldaan aan de in
                    artikel 36 van de Participatiewet en deze verordening opgenomen voorwaarden. </al><al/><tussenkop>Wijziging leefvorm</tussenkop><al>De leefvorm (alleenstaande, alleenstaande ouder of gehuwd) van een persoon kan
                    wijzigen binnen de referteperiode. Dit is bijvoorbeeld het geval indien gehuwden
                    individuele inkomenstoeslag aanvragen, maar zij over een gedeelte van de
                    referteperiode als alleenstaande moeten worden aangemerkt. Personen moeten dan
                    ook over dat deel van de referteperiode aan de voorwaarden voldoen om voor
                    individuele inkomenstoeslag in aanmerking te komen. Gehuwden moeten immers zowel
                    gezamenlijk als afzonderlijk aan de voorwaarden voldoen.</al><al/><tussenkop>Artikelsgewijze toelichting</tussenkop><al>Enkel die bepalingen die nadere toelichting behoeven worden hier behandeld.</al><al/><tussenkop>Artikel 1. Begrippen</tussenkop><al>Begrippen die al zijn omschreven in de Participatiewet, Algemene wet
                    bestuursrecht (hierna: Awb) of de Gemeentewet worden niet afzonderlijk
                    gedefinieerd in deze verordening. Deze zijn vanzelfsprekend van toepassing op
                    deze verordening.</al><al/><tussenkop>Inkomen</tussenkop><al>Met inkomen wordt bedoeld het inkomen zoals bedoeld in artikel 32 van de
                    Participatiewet. In afwijking hiervan wordt algemene bijstand voor de
                    beoordeling van het recht op individuele inkomenstoeslag ook in aanmerking
                    genomen als inkomen. Bijzondere bijstand kan niet als inkomen in aanmerking
                    worden genomen. Aangezien individuele inkomenstoeslag een vorm van bijzondere
                    bijstand is, is het niet nodig expliciet te bepalen dat een eerder verstrekte
                    individuele inkomenstoeslag buiten beschouwing moet worden gelaten bij de
                    vaststelling van het inkomen. Het wordt niet wenselijk geacht een eerder
                    verstrekte individuele inkomenstoeslag in aanmerking te nemen als inkomen, omdat
                    dit het ongewenst effect kan hebben dat een persoon geen recht op een
                    individuele inkomenstoeslag heeft omdat hij een te hoog inkomen heeft gehad in
                    de referteperiode vanwege een eerder verstrekte toeslag. Wat voor een eerder
                    verstrekte individuele inkomenstoeslag geldt, dat geldt ook voor een eerder
                    verstrekte langdurigheidstoeslag op grond van de WWB zoals die luidde vóór 1
                    januari 2015.</al><al/><tussenkop>Peildatum</tussenkop><al>De peildatum is de datum waartegen een persoon individuele inkomenstoeslag
                    aanvraagt (artikel 1 van deze verordening). Het gaat om de datum waarop een
                    persoon langdurig een laag inkomen heeft, geen in aanmerking te nemen vermogen
                    heeft als bedoeld in artikel 34 van de Participatiewet en, gelet op de
                    omstandigheden van die persoon, geen uitzicht op inkomensverbetering heeft. De
                    peildatum komt meestal overeen met de meldingsdatum. De peildatum kan in
                    beginsel niet liggen vóór de dag waarop een persoon zich heeft gemeld om
                    individuele inkomenstoeslag aan te vragen, tenzij sprake is van bijzondere
                    omstandigheden. Dit volgt uit artikel 44, eerste lid, van de Participatiewet en
                    de jurisprudentie rondom artikel 44 van de Participatiewet.</al><al/><tussenkop>Referteperiode</tussenkop><al>Verder is bepaald wat onder de referteperiode moet worden verstaan: een periode
                    van 4 jaar voorafgaand aan de peildatum. Zie ook de toelichting bij artikel 3
                    onder ‘Langdurig’.</al><al/><tussenkop>Artikel 2. Indienen verzoek</tussenkop><al>De Wet maatregelen WWB heeft artikel 36, eerste lid, van de Participatiewet
                    dusdanig gewijzigd dat een persoon een verzoek tot verlening van individuele
                    inkomenstoeslag kan indienen. Voorheen was de langdurigheidstoeslag alleen op
                    aanvraag verkrijgbaar. Onder aanvraag wordt verstaan: een verzoek van een
                    persoon, een besluit te nemen (artikel 1:3, derde lid, van de Awb). Een aanvraag
                    dient in beginsel schriftelijk te worden ingediend (artikel 4:1 Awb). Om
                    onduidelijkheid te voorkomen over de wijze waarop het verzoek moet worden
                    ingediend, bepaalt artikel 2 van deze verordening dat het verzoek moet worden
                    gedaan middels een door het college vastgesteld formulier. Een verzoek wordt dan
                    gezien als een aanvraag zoals bedoeld in afdeling 4.1.1 van de Awb. Het gaat dan
                    om een schriftelijke aanvraag (artikel 4:1 van de Awb) die wordt ondertekend
                    door de aanvrager en ten minste de naam en het adres van de aanvrager bevat, de
                    dagtekening en een aanduiding van de beschikking die wordt gevraagd (artikel
                    4:2, eerste lid, van de Awb). De aanvrager verschaft ook de gegevens en
                    bescheiden die voor de beslissing op de aanvraag nodig zijn en waarover hij
                    redelijkerwijs de beschikking kan krijgen (artikel 4:2, tweede lid, van de Awb).
                    Een mondeling verzoek kan hiermee dus niet worden aangemerkt als een verzoek om
                    individuele inkomenstoeslag zoals bedoeld in artikel 36 van de
                    Participatiewet.</al><al/><tussenkop>Artikel 3. Uitsluitingsgronden</tussenkop><al/><tussenkop>Lid 1</tussenkop><al>Een belanghebbende aan wie in de referteperiode een maatregel is opgelegd wegens
                    een schending van een arbeids- of re-integratieverplichting heeft in beginsel
                    geen zicht op inkomensverbetering. Het bestuur beoordeelt in dergelijke gevallen
                    niettemin telkens het uitzicht op inkomstenverbetering van belanghebbende als
                    hij zijn verplichtingen niet zou hebben geschonden. Dit is bijvoorbeeld het
                    geval indien belanghebbende een (goede) baan heeft laten lopen. </al><tussenkop>Lid 2</tussenkop><al>Het is toegestaan – nog voordat de verdere toetsing plaatsvindt - de wettelijke
                    doelgroep nader af te bakenen en bijvoorbeeld bepaalde groepen, zoals studenten
                    uit te sluiten. Het gaat hier om personen van wie gesteld kan worden dat een
                    recht op de toeslag niet overeen zou komen met de aard en doelstelling ervan. </al><al>Van studenten kan in het algemeen worden gesteld dat zij een (goed) perspectief
                    hebben op inkomensverbetering. Om te voorkomen dat degene met een baan met een
                    minimum inkomen, die zijn positie middels avondstudie probeert te verbeteren,
                    niet in aanmerking zou komen, is bepalend of de studerende in de referteperiode
                    studiefinanciering heeft genoten. Studiefinanciering is immers alleen mogelijk
                    bij een voltijdstudie en bij studenten beneden een bepaalde leeftijd. </al><al/><tussenkop>Artikel 4. Langdurig laag inkomen</tussenkop><al>Van belang bij het bepalen wat een langdurig laag inkomen is, is wat onder
                    ‘langdurig’ en onder ‘laag’ wordt verstaan. </al><al/><tussenkop>Langdurig </tussenkop><al>De door de gemeenteraad vastgestelde langdurige periode voorafgaand aan de
                    peildatum, wordt aangeduid als referteperiode. De referteperiode is vastgesteld
                    in artikel 1 van deze verordening. </al><al/><tussenkop>Laag inkomen</tussenkop><al>Een inkomen is laag als het niet hoger is dan 100% van de toepasselijke
                    bijstandsnorm.</al><al>De vraag of het inkomen van een persoon gedurende de referteperiode niet hoger
                    is dan het langdurig lage inkomen van 100% van de toepasselijke bijstandsnorm,
                    zal niet al te rigide mogen worden beoordeeld. Een marginale overschrijding van
                    dit lage inkomen moet worden genegeerd.<sup/><sup/>Gaat het inkomen van een
                    persoon gedurende (een deel van) de referteperiode de toepasselijke
                    bijstandsnorm maandelijks met ongeveer € 5 of meer te boven, dan is geen sprake
                    meer van een marginale overschrijding van de bijstandsnorm die niet aan
                    toekenning van een individuele inkomenstoeslag in de weg staat. Er is immers
                    geen sprake van een incidentele geringe overschrijding van de bijstandsnorm of
                    van te verwaarlozen bedragen van enkele eurocenten.<sup/></al><al/><tussenkop>Artikel 5. Hoogte individuele inkomenstoeslag</tussenkop><al>Bij de hoogte van de individuele inkomenstoeslag wordt onderscheid gemaakt
                    tussen een alleenstaande, een alleenstaande ouder en gehuwden. </al><al/><tussenkop>Gehuwden</tussenkop><al>Bij gehuwden moet in het oog worden gehouden dat het recht op individuele
                    inkomenstoeslag de gehuwden gezamenlijk toekomt. Worden personen op de peildatum
                    als gehuwden aangemerkt, dan moeten beide gehuwden voldoen aan de voorwaarden
                    van artikel 36, eerste lid, van de Participatiewet. Voldoet één van hen niet aan
                    deze voorwaarden, dan bestaat voor beiden geen recht op individuele
                    inkomenstoeslag.<sup/></al><al>Is één van de echtgenoten uitgesloten van het recht op individuele
                    inkomenstoeslag, anders dan vanwege het niet voldoen aan de voorwaarden van
                    artikel 36, eerste lid, van de Participatiewet, dan komt de rechthebbende
                    partner wel in aanmerking voor een individuele inkomenstoeslag. Het gaat hier om
                    een partner die op een van de in artikelen 11 of 13, eerste lid, van de
                    Participatiewet genoemde gronden geen recht heeft op bijstand. Als slechts één
                    partner recht heeft op individuele inkomenstoeslag, komt deze rechthebbende
                    partner in aanmerking voor een individuele inkomenstoeslag naar de hoogte die
                    voor hem als alleenstaande of alleenstaande ouder zou gelden. Dat is geregeld in
                    het tweede lid.</al><al/><tussenkop>Indexering</tussenkop><al>In het vierde lid is een indexeringsbepaling opgenomen. Deze bepaling voorkomt
                    dat de verordening telkens opnieuw moet worden vastgesteld, enkel voor indexatie
                    van de bedragen. Het is van belang de nieuwe bedragen (na indexatie) duidelijk
                    te communiceren.</al><al/><tussenkop>Artikel 7. Bijzondere situaties</tussenkop><al>In de verordening zijn de hoofdlijnen voor de inkomenstoeslag vastgelegd. Er
                    kunnen zich echter concrete gevallen voordoen waarin de verordening niet
                    voorziet. Dit artikel bepaalt dat het college in dergelijke situaties beslist in
                    afwijking van de verordening. </al><al>Dit past bij de individualiseringsgedachte van de Participatiewet. Redelijkheid
                    is hierbij het uitgangspunt. Bij de besluitvorming wordt in de geest van de wet
                    en de verordening gehandeld.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>