<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR369856_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Gewijzigde Verordening maatschappelijke ondersteuning Montferland 2015</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Montferland</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-10-17</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Montferland</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Gemeenteblad, 22 juni 2015</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Gewijzigde Verordening maatschappelijke ondersteuning Montferland 2015</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">artikelen 2.1.3, 2.1.4, eerste, tweede, derde en zevende lid, 2.1.5, eerste lid, 2.1.6 en 2.6.6, eerste lid, van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">artikel 156 van de Gemeentewet</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2015-05-28</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2015-07-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2017-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>geen</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Deze regeling vervangt de Verordening maatschappelijke ondersteuning Montferland 2015 van 26 februari 2015</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Gewijzigde Verordening maatschappelijke ondersteuning Montferland 2015</intitule><regeling><aanhef><preambule><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>1</nr><titel>- ALGEMENE BEPALINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.1</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In de verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan
                                onder:</al><lijst><li nr="a."><al>Algemeen gebruikelijke voorziening: een voorziening die niet
                                        speciaal bedoeld is voor mensen met een beperking, die
                                        algemeen verkrijgbaar is en die niet aanzienlijk duurder is
                                        dan vergelijkbare producten;</al></li><li nr="b."><al>Algemeen gebruikelijk: naar geldende maatschappelijke normen
                                        tot het gangbare gebruiks- dan wel bestedingspatroon van een
                                        persoon als de aanvrager behorend;</al></li><li nr="c."><al>Beperking: aan de persoon verbonden factoren die er toe
                                        leiden dat deze niet of onvoldoende in staat is tot
                                        zelfredzaamheid en participatie;</al></li><li nr="d."><al>Besluit: Besluit maatschappelijke ondersteuning Montferland
                                        2015;</al></li><li nr="e."><al>Collectieve maatwerkvoorziening: een maatwerkvoorziening die
                                        individueel wordt toegekend maar door meerdere personen
                                        tegelijk kan worden gebruikt;</al></li><li nr="f."><al>Gebruikelijke hulp: hulp die naar algemeen aanvaarde
                                        opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht van de
                                        echtgenoot, ouders, inwonende kinderen of andere huisgenoten
                                        die een leefeenheid vormen;</al></li><li nr="g."><al>Gemeenschappelijke ruimten: gedeelte(n) van een woongebouw,
                                        niet behorende tot de onderscheiden woningen, bestemd en
                                        noodzakelijk om de woonruimte van de cliënt waar deze zijn
                                        hoofdverblijf heeft vanaf de toegang tot het woongebouw te
                                        bereiken;</al></li><li nr="h."><al>Groepsondersteuning: structurele tijdsbesteding met een
                                        welomschreven doel (dagbesteding);</al></li><li nr="i."><al>Huisgenoot: de persoon die met de cliënt gemeenschappelijk
                                        een woning bewoont, anders dan door een commerciële
                                        huurders- of kostgangersrelatie;</al></li><li nr="j."><al>Hulpvraag: de behoefte aan maatschappelijke ondersteuning,
                                        niet zijnde informatie en advies waarvoor een melding wordt
                                        gedaan;</al></li><li nr="k."><al>Hoofdverblijf: de woonruimte, bestemd en geschikt voor
                                        permanente bewoning, waar de cliënt zijn vaste woon- en
                                        verblijfplaats heeft of zal hebben en op welk adres hij in
                                        de Basisregistratie personen (BRP) ingeschreven staat of zal
                                        staan. Indien de cliënt met een briefadres in de BRP
                                        ingeschreven staat, gaat het om het feitelijk
                                        woonadres;</al></li><li nr="l."><al>Instelling: volgens de Wet toelating zorginstellingen, een
                                        ziekenhuis of kleinschalig wooninitiatief als bedoeld in de
                                        Wet langdurige zorg, dan wel een door het college
                                        goedgekeurde accommodatie van een aanbieder;</al></li><li nr="m."><al>Leefeenheid: de echtgenoot, ouders, inwonende kinderen of
                                        andere huisgenoten waarmee de cliënt gemeenschappelijk een
                                        woning bewoont en gezamenlijk een huishouden voert;</al></li><li nr="n."><al>Meerkosten: kosten, niet zijnde de kosten als bedoeld in
                                        artikel 2.1.7 van de wet, die uitgaan boven de kosten die
                                        als algemeen gebruikelijk zijn te beschouwen;</al></li><li nr="o."><al>Normale gebruik van de woning: het kunnen verrichten van de
                                        elementaire woonfuncties (eten, slapen, lichaamsreiniging,
                                        koken), het verrichten van belangrijke huishoudelijke taken,
                                        horizontale en verticale verplaatsingen in en om de woning
                                        waaronder ook de toegang tot de woning;</al></li><li nr="p."><al>Onverwijld: zo spoedig mogelijk, doch in ieder geval binnen
                                        zeven werkdagen;</al></li><li nr="q."><al>Persoonlijk plan: een door de cliënt, al dan niet tezamen
                                        met zijn persoonlijke netwerk, opgesteld plan met zijn
                                        persoonlijk arrangement over de omstandigheden als bedoeld
                                        in artikel 2.3.2, vierde lid, onderdelen a tot en met e van
                                        de wet;</al></li><li nr="r."><al>Spoedeisend geval: een onvoorziene situatie die geen uitstel
                                        verdraagt;</al></li><li nr="s."><al>Vervoersvoorziening: een voorziening, al dan niet
                                        gemotoriseerd, waarmee de cliënt zich in zijn leefomgeving
                                        kan verplaatsen;</al></li><li nr="t."><al>Voorliggende voorziening: een aanspraak op grond van een
                                        andere wettelijke regeling waar de cliënt mede in het kader
                                        van diens eigen verantwoordelijkheid een beroep op kan doen
                                        met het oog op zijn behoefte aan maatschappelijke
                                        ondersteuning. Onder omstandigheden kan daar ook een
                                        privaatrechtelijke regeling onder worden verstaan;</al></li><li nr="u."><al>Wet: Wet maatschappelijke ondersteuning 2015;</al></li><li nr="v."><al>Woning: een woonruimte voor permanente bewoning bestemd en
                                        geschikt en waarbij geen wezenlijke woonfuncties, zoals
                                        woon- en slaapruimte, was en kookgelegenheid en toilet met
                                        andere woningen worden gedeeld. Hieronder begrepen een
                                        woonschip en een woonwagen mits geschikt én bestemd voor
                                        permanent bewoning;</al></li><li nr="w."><al>Woonvoorziening: een woningaanpassing of hulpmiddel gericht
                                        op het normale gebruik in de woning.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en niet nader
                                worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de wet, het
                                Uitvoeringsbesluit maatschappelijke ondersteuning 2015 en de
                                Algemene wet bestuursrecht.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.2</nr><titel>Reikwijdte verordening</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Deze verordening heeft betrekking op de maatschappelijke
                                ondersteuning in de zin van de wet, ten behoeve van ingezetenen van
                                de gemeente Montferland.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Als ingezetene wordt aangemerkt degene die zijn hoofdverblijf heeft
                                of zal hebben in de gemeente Montferland.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Voor ingezetenen met een behoefte aan maatschappelijke ondersteuning
                                in de vorm van beschermd wonen of opvang geldt dat zij zich melden
                                en de daarmee verband houdende aanvraag indienen in de
                                centrumgemeenten Doetinchem en Arnhem. Het college draagt zorg voor
                                een zorgvuldige overdracht.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>2</nr><titel>- PROCEDUREGELS</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1</nr><titel>De melding van de hulpvraag</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Een hulpvraag kan door of namens een cliënt bij het college
                                    worden gemeld.</al></li><li nr="2."><al>Het college bevestigt de ontvangst van een melding
                                    schriftelijk.</al></li><li nr="3."><al>In spoedeisende gevallen als bedoeld in artikel 2.3.3 van de wet
                                    treft het college na de melding</al></li></lijst><al>een tijdelijke maatwerkvoorziening in afwachting van de uitkomst van het
                            onderzoek.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.2</nr><titel>Cliëntondersteuning</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college zorgt ervoor dat ingezetenen een beroep kunnen doen op
                                kosteloze cliëntondersteuning en dat op ieder moment van de dag
                                telefonisch of elektronisch anoniem een luisterend oor en advies
                                beschikbaar is, waarbij het belang van de cliënt uitgangspunt
                                is.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college wijst de cliënt en zijn mantelzorger voorafgaand het
                                onderzoek, bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, van de wet, op de
                                mogelijkheid om gebruik te maken van gratis cliëntondersteuning en
                                op het feit dat op ieder moment van de dag telefonisch of
                                elektronisch anoniem een luisterend oor en advies beschikbaar
                                is.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.3</nr><titel>Persoonlijk plan</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college informeert de cliënt over de mogelijkheid tot het
                                indienen van een persoonlijk plan en stelt hem gedurende zeven dagen
                                na de melding in de gelegenheid het plan te overhandigen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college betrekt het persoonlijk plan bij het onderzoek als
                                bedoeld in artikel 2.5 van de verordening.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4</nr><titel>Informatie en identificatie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De cliënt dan wel diens vertegenwoordiger verschaft het college de
                                gegevens en bescheiden die voor het onderzoek nodig zijn en waarover
                                hij redelijkerwijs de beschikking kan krijgen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Bij het onderzoek, bedoeld in artikel 2.5 van de verordening, stelt
                                het college de identiteit van de cliënt vast aan de hand van een
                                document als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de
                                identificatieplicht.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college is tevens bevoegd de identiteit van de vertegenwoordiger
                                of mantelzorger van de cliënt vast te stellen aan de hand van een
                                document als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de
                                identificatieplicht.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5</nr><titel>Het onderzoek</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een gesprek maakt deel uit van het onderzoek. Het gesprek wordt
                                gevoerd met de cliënt, dan wel zijn vertegenwoordiger, zijn
                                mantelzorger en/of personen uit zijn sociale netwerk.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college informeert de cliënt over de gang van zaken bij het
                                gesprek, diens rechten en plichten en de vervolgprocedure en vraagt
                                de cliënt toestemming om zijn persoonsgegevens te verwerken.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De onderwerpen, genoemd in artikel 2.3.2, vierde lid, van de wet
                                vormen de basis van het gesprek als bedoeld in het eerste lid.
                                Daarnaast wordt het persoonlijk plan betrokken bij het
                                onderzoek.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Tijdens het gesprek wordt aan de cliënt dan wel diens
                                vertegenwoordiger in begrijpelijke bewoordingen medegedeeld welke
                                mogelijkheden bestaan om te kiezen voor een persoonsgebonden budget
                                en wat de gevolgen van die keuze zijn.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Als de hulpvraag genoegzaam bekend is, kan het college in
                                overeenstemming met de cliënt afzien van een gesprek.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.6</nr><titel>Verslag van het onderzoek</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college stelt na het gesprek een verslag op en verstrekt dat aan
                                de cliënt.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Opmerkingen of aanvullingen van de cliënt op het verslag als bedoeld
                                in het eerste lid kunnen aan het verslag worden toegevoegd.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.7</nr><titel>Advisering bij melding of aanvraag</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan om deskundigenadvies vragen indien:</al><lijst><li nr="a."><al>het een melding of aanvraag betreft van een persoon aan wie
                                        nog niet eerder een maatwerkvoorziening is toegekend dan wel
                                        met wie nog niet eerder een gesprek als bedoeld in artikel
                                        2.5 van de verordening is gevoerd;</al></li><li nr="b."><al>het een melding of aanvraag betreft van een persoon aan wie
                                        wel eerder een maatwerkvoorziening is toegekend of een
                                        gesprek zoals bedoeld in artikel 2.5 van de verordening is
                                        gevoerd, maar waarvan de (medische) omstandigheden zodanig
                                        zijn veranderd dat die wijzigingen het vaststellen van de
                                        noodzaak van (de soort) de maatwerkvoorziening kunnen
                                        beïnvloeden;</al></li><li nr="c."><al>het college dat overigens gewenst vindt.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college is bevoegd om, voor zover dit van belang is voor de
                                beoordeling van de aanspraak op een maatwerkvoorziening, de cliënt
                                of in geval van gebruikelijke hulp zijn huisgenoten:</al><lijst><li nr="a."><al>uit te nodigen in persoon te verschijnen op een door het
                                        college te bepalen plaats en tijdstip en hem te
                                        bevragen;</al></li><li nr="b."><al>op een door het college te bepalen plaats en tijdstip door
                                        een of meer daartoe aangewezen deskundigen te doen bevragen
                                        en/of onderzoeken.</al></li></lijst></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>3</nr><titel>AANVRAAG EN BESCHIKKING</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.1</nr><titel>De aanvraag</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een aanvraag voor een maatwerkvoorziening kan pas worden gedaan
                                nadat het onderzoek is uitgevoerd, tenzij het onderzoek niet is
                                uitgevoerd binnen zes weken na de melding.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een aanvraag voor een maatwerkvoorziening kan door of namens een
                                cliënt schriftelijk bij het college worden ingediend. Een aanvraag
                                wordt ingediend door middel van een door het college vastgesteld
                                aanvraagformulier.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Een ondertekend verslag van het gesprek kan, indien de cliënt dit
                                aangeeft, worden beschouwd als aanvraagformulier.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De aanvraag als bedoeld in het eerste lid wordt gedaan binnen twee
                                maanden nadat het schriftelijk verslag door de cliënt is verkregen.
                                De aanvraag die na twee maanden wordt ingediend wordt aangemerkt als
                                een melding als bedoeld in artikel 2.1 van de verordening.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De cliënt die een aanvraag doet voor een maatwerkvoorziening,
                                verstrekt het college desgevraagd terstond een document als bedoeld
                                in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Het college is bevoegd de beslistermijn als bedoeld in artikel
                                2.3.5, tweede lid, van de wet op te schorten indien nog een
                                deskundigenadvies nodig is voor de beoordeling van de aanspraak op
                                een voorziening, dan wel voor de beoordeling welke
                                maatwerkvoorziening de goedkoopst passende bijdrage levert.</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>De bevoegdheid als bedoeld in het vorige lid is ook van toepassing
                                indien de cliënt geen of onvoldoende gegevens, die nodig zijn voor
                                de beoordeling van de aanspraak, heeft verstrekt als bedoeld in
                                artikel 2.3.2, zevende lid, van de wet.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.2</nr><titel>Inhoud beschikking</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In de beschikking tot verstrekking van een maatwerkvoorziening,
                                wordt aangegeven of deze in natura of als persoonsgebonden budget
                                wordt verstrekt.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening in natura vermeldt
                                de beschikking in ieder geval:</al><lijst><li nr="a."><al>welke maatwerkvoorziening verstrekt wordt en wat het beoogde
                                        resultaat daarvan is;</al></li><li nr="b."><al>hoe de maatwerkvoorziening wordt verstrekt;</al></li><li nr="c."><al>de ingangsdatum en eventueel de duur van de
                                        verstrekking;</al></li><li nr="d."><al>of een bijdrage in de kosten verschuldigd is en de daarbij
                                        door het college gehanteerde uitgangspunten, zoals de
                                        kostprijs van de maatwerkvoorziening; en</al></li><li nr="e."><al>indien van toepassing: welke andere voorzieningen relevant
                                        zijn of kunnen zijn.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening in de vorm van een
                                persoonsgebonden budget vermeldt de beschikking in ieder geval:</al><lijst><li nr="a."><al>aan welk resultaat het persoonsgebonden budget kan worden
                                        besteed;</al></li><li nr="b."><al>welke kwaliteitseisen gelden voor de besteding van het
                                        persoonsgebonden budget;</al></li><li nr="c."><al>wat de hoogte van het persoonsgebonden budget is en hoe dit
                                        tot stand is gekomen;</al></li><li nr="d."><al>wat de ingangsdatum en de duur van de verstrekking is;</al></li><li nr="e."><al>de wijze van verantwoording van de besteding van het
                                        persoonsgebonden budget, en</al></li><li nr="f."><al>of een bijdrage in de kosten verschuldigd is en de daarbij
                                        door het college gehanteerde uitgangspunten, zoals de
                                        kostprijs van de maatwerkvoorziening.</al></li></lijst></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>4</nr><titel>- BEOORDELING VAN DE AANSPRAAK</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.1</nr><titel>Algemene criteria maatwerkvoorziening</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Een cliënt die zijn hoofdverblijf heeft of zal hebben in de
                                    gemeente Montferland komt in aanmerking voor een
                                    maatwerkvoorziening ter compensatie van de beperkingen in de
                                    zelfredzaamheid of participatie die de cliënt ondervindt, voor
                                    zover de cliënt deze beperkingen naar het oordeel van het
                                    college niet:</al><lijst><li nr="a."><al>op eigen kracht;</al></li><li nr="b."><al>met gebruikelijke hulp;</al></li><li nr="c."><al>met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn
                                            sociale netwerk; dan wel</al></li><li nr="d."><al>met gebruikmaking van algemene voorzieningen,</al></li></lijst></li></lijst><al>kan verminderen of wegnemen.</al><al>2.De maatwerkvoorziening als bedoeld in het eerste lid levert, rekening
                            houdend met het verslag als bedoeld in artikel 2.6 van de verordening en
                            indien aanwezig het persoonlijk plan, een passende bijdrage aan het
                            realiseren van een situatie waarin de cliënt in aanvaardbare mate in
                            staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid of participatie mede met het oog
                            op lang mogelijk op verantwoorde wijze in de eigen leefomgeving kunnen
                            blijven wonen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.2</nr><titel>Specifieke criteria maatwerkvoorziening</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Er bestaat slechts aanspraak op een maatwerkvoorziening voor
                                zover:</al><lijst><li nr="a."><al>deze noodzakelijk is om de cliënt in aanvaardbare mate in
                                        staat te stellen tot zelfredzaamheid en participatie mede
                                        met het oog op het zo lang mogelijk op verantwoorde wijze in
                                        de eigen leefomgeving kunnen blijven wonen;</al></li><li nr="b."><al>deze als goedkoopst passende bijdrage aan te merken is;</al></li><li nr="c."><al>deze in overwegende mate op de cliënt gericht is;</al></li><li nr="d."><al>de cliënt, gelet op de noodzaak tot maatschappelijke
                                        ondersteuning, geen aanspraak kan maken op een voorliggende
                                        voorziening.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Geen aanspraak op een maatwerkvoorziening bestaat:</al><lijst><li nr="a."><al>indien de beperkingen van de cliënt met een voor hem als
                                        algemeen gebruikelijk te beschouwen voorziening kunnen
                                        worden opgelost dan wel verminderd;</al></li><li nr="b."><al>voor zover er aan de zijde van de cliënt geen sprake is van
                                        aantoonbare meerkosten in vergelijking met de situatie
                                        voorafgaand aan diens behoefte aan maatschappelijke
                                        ondersteuning;</al></li><li nr="c."><al>indien een maatwerkvoorziening als die waarop de aanvraag
                                        betrekking heeft reeds in het kader van enige wettelijke
                                        bepaling of regeling is verleend en daarvan de normale
                                        afschrijvingstermijn nog niet is verstreken, tenzij de
                                        eerder vergoede of verleende voorziening verloren is gegaan
                                        als gevolg van omstandigheden die niet aan de cliënt zijn
                                        toe te rekenen.</al></li><li nr="d."><al>indien de cliënt in redelijkheid van hem te vergen
                                        mogelijkheden heeft om zelf of met hulp van anderen voor een
                                        passende oplossing te zorgen voor de beperkingen in diens
                                        zelfredzaamheid en participatie.</al></li><li nr="e."><al>indien de noodzaak tot ondersteuning is ontstaan als gevolg
                                        van omstandigheden die in de risicosfeer van de cliënt
                                        liggen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De aanvraag om een maatwerkvoorziening dan wel persoonsgebonden
                                budget wordt in ieder geval geweigerd indien de maatwerkvoorziening
                                is gerealiseerd vóór de melding dan wel de aanvraag.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De aanvraag om een maatwerkvoorziening dan wel persoonsgebonden
                                budget kan (deels) worden geweigerd indien de maatwerkvoorziening
                                nog niet is gerealiseerd vóór de melding dan wel aanvraag, tenzij de
                                noodzaak achteraf door het college nog kan worden vastgesteld.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.3</nr><titel>Gebruikelijk hulp</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De cliënt komt niet in aanmerking voor maatwerkvoorziening indien
                                tot de leefeenheid van de cliënt één of meer personen behoren die
                                naar oordeel van het college gebruikelijke hulp kunnen
                                verlenen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onder gebruikelijke hulp wordt in ieder geval verstaan:</al><lijst><li nr="a."><al>het overnemen van of ondersteunen bij het uitvoeren van
                                        huishoudelijke taken;</al></li><li nr="b."><al>het overnemen van of ondersteunen bij het uitvoeren van de
                                        (financiële) administratie;</al></li><li nr="c."><al>het bieden van ondersteuning bij activiteiten of bezigheden
                                        die volgens algemene maatstaven tot de levenssfeer van
                                        personen van de leefeenheid behoren.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Bij het oordeel van het college of gebruikelijke hulp kan worden
                                gevergd, wordt in ieder geval rekening gehouden met:</al><lijst><li nr="a."><al>de aard, de omvang en de duur van de ondersteuningsbehoefte
                                        van de cliënt;</al></li><li nr="b."><al>de aard van de relatie van de persoon binnen de leefeenheid
                                        met de cliënt;</al></li><li nr="c."><al>de leeftijd en ontwikkelingsfase van inwonende
                                        kinderen;</al></li><li nr="d."><al>de leerbaarheid van de cliënt en/of de personen van wie
                                        gebruikelijke hulp kan worden gevergd.</al></li></lijst></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>5</nr><titel>- MAATSCHAPPELIJKE ONDERSTEUNING</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.1</nr><titel>Maatschappelijke ondersteuning</titel></kop><al>Onder maatschappelijke ondersteuning wordt in ieder geval verstaan:</al><lijst><li nr="a."><al>ondersteuning bij het verrichten van de noodzakelijke algemene
                                    dagelijkse levensverrichtingen;</al></li><li nr="b."><al>ondersteuning bij het voeren van een gestructureerd
                                    huishouden;</al></li><li nr="c."><al>ondersteuning bij deelname aan het maatschappelijke
                                    verkeer;</al></li><li nr="d."><al>ondersteuning gericht op het ontlasten van de mantelzorger;</al></li><li nr="e."><al>tijdelijke ondersteuning aan huisgenoten en/of het sociale
                                    netwerk van de cliënt gericht op het leren omgaan met de
                                    beperkingen van de cliënt, mits gericht op diens zelfredzaamheid
                                    en participatie.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.2</nr><titel>Primaat en kortdurende maatschappelijke ondersteuning</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan maatschappelijke ondersteuning verlenen als
                                collectieve - en individuele maatwerkvoorziening. Daarbij ligt het
                                primaat bij de collectieve maatwerkvoorziening, tenzij dat niet als
                                goedkoopst passende bijdrage kan worden aangemerkt.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan een maatwerkvoorziening als bedoeld in het eerste
                                lid kortdurend verlenen indien de cliënt of de personen van wie
                                gebruikelijke hulp kan worden gevergd leerbaar zijn.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De maatschappelijke ondersteuning als bedoeld in het tweede lid is
                                gericht op het versterken of verbeteren van de zelfredzaamheid en
                                participatie van de cliënt. Daaronder kan ook toeleiding naar
                                algemene voorzieningen of voorliggende voorzieningen worden
                                verstaan.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>6</nr><titel>- PERSOONSGEBONDEN BUDGET</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.1</nr><titel>Criteria aanspraak en verplichtingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college verstrekt een persoonsgebonden budget in overeenstemming
                                met artikel 2.3.6 van de wet.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Aan het recht op een persoonsgebonden budget zijn de volgende
                                verplichtingen verbonden:</al><lijst><li nr="a."><al>het persoonsgebonden budget mag niet worden besteed aan een
                                        voorziening die voor de cliënt algemeen gebruikelijk wordt
                                        geacht;</al></li><li nr="b."><al>uit het persoonsgebonden budget mogen in ieder geval geen
                                        administratieve bemiddelingsbureaus, andere tussenpersonen
                                        of belangbehartigers worden betaald;</al></li><li nr="c."><al>het persoonsgebonden budget wordt binnen zes maanden na
                                        toekenning aangewend voor de bekostiging van het resultaat
                                        waarvoor de verlening heeft plaatsgevonden. Voor
                                        woningaanpassingen kan het college een langere termijn
                                        hanteren;</al></li><li nr="d."><al>de cliënt die is aangewezen op maatschappelijke
                                        ondersteuning besteedt het persoonsgebonden budget niet aan
                                        een persoon welke tot zijn leefeenheid behoort die feitelijk
                                        gebruikelijke hulp op zich moet nemen, maar daartoe niet in
                                        staat is wegens (dreigende) overbelasting.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De cliënt aan wie een persoonsgebonden budget is toegekend voor de
                                inkoop van diensten komt met de degene die de diensten levert in een
                                schriftelijke overeenkomst overeen, waarin ten minste afspraken zijn
                                opgenomen over de kwaliteit en het resultaat van de maatschappelijke
                                ondersteuning en de wijze van declareren. De cliënt maakt daarbij in
                                principe gebruik van de overeenkomsten die de Sociale
                                verzekeringsbank ter beschikking stelt.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college kan andere eisen stellen aan de in het vorige lid
                                bedoelde overeenkomst indien het persoonsgebonden budget wordt
                                besteed aan een persoon uit het sociale netwerk van de cliënt of aan
                                een persoon die niet als beroepskracht wordt aangemerkt.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het college stelt in het Besluit nadere regels waaronder in ieder
                                geval voorwaarden indien het persoonsgebonden budget aan een
                                hulpmiddel, vervoersvoorziening of woningaanpassing wordt besteed.
                                Deze voorwaarden kunnen ook van toepassing zijn indien een
                                maatwerkvoorziening in natura wordt verleend.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.2</nr><titel>Vaststellen hoogte persoonsgebonden budget</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De hoogte van het persoonsgebonden budget voor
                                vervoersvoorzieningen, hulpmiddelen en woningaanpassingen bedraagt
                                in ieder geval niet meer dan de aanschafprijs of huurprijs van de
                                goedkoopst passende bijdrage, waaronder gerekend onderhoud,
                                reparatie en verzekering zoals het college die aan de aanbieder
                                verschuldigd is.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien de naturaverstrekking als bedoeld in het vorige lid een
                                tweedehands maatwerkvoorziening betreft, wordt de hoogte van het
                                persoonsgebonden budget daarop gebaseerd. Het persoonsgebonden
                                budget, heeft een looptijd gelijk aan de verkorte termijn waarbinnen
                                de maatwerkvoorziening economisch is afgeschreven. Het college houdt
                                daarbij rekening met de bijkomende kosten als genoemd in het vorige
                                lid.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college kan de hoogte van het persoonsgebonden budget als
                                bedoeld in het eerste lid vaststellen op basis van een offerte.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De hoogte van het persoonsgebonden budget voor diensten is afgeleid
                                van de tarieven waarvoor het college deze diensten heeft
                                gecontracteerd.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het persoonsgebonden budget is toereikend om maatschappelijke
                                ondersteuning in te kunnen kopen welke voldoet aan de
                                kwaliteitseisen als bedoeld in de wet en in redelijkheid geschikt
                                voor het doel waarvoor het persoonsgebonden budget wordt
                                toegekend.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Het college stelt in het Besluit nadere regels over de hoogte van
                                het persoonsgebonden budget.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.3</nr><titel>Controle</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college onderzoekt, al dan niet steekproefsgewijs, of verstrekte
                                persoonsgebonden budgetten worden gebruikt of besteed ten behoeve
                                van het doel waarvoor ze verstrekt zijn.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan in het Besluit nadere regels stellen met betrekking
                                tot de controle op de besteding.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>7</nr><titel>- ONDERSTEUNING BIJ EEN SCHOON EN LEEFBAAR HUIS</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.1</nr><titel>Maatschappelijke ondersteuning</titel></kop><al>Het college kan aan de cliënt die aanspraak heeft op maatschappelijke
                            ondersteuning een maatwerkvoorziening verlenen in de vorm van hulp bij
                            het huishouden.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.2</nr><titel>Algemene criteria</titel></kop><al>Het college stemt de hulp bij het huishouden in ieder geval af op eigen
                            kracht, vrijwilligers en/of ondersteuning vanuit het sociaal
                            netwerk.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.3</nr><titel>Specifieke criteria</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Hulp bij het huishouden bestaat uit het overnemen van en/of
                                ondersteunen bij het uitvoeren van lichte en/of zware huishoudelijke
                                taken (HH1 en HH2).</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De lichte en/of zware huishoudelijke taken voor een schoon en
                                leefbaar huis worden slechts geboden indien deze betrekking hebben
                                op de ruimten die in gebruik zijn gericht op het normale gebruik van
                                de woning.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Hulp bij het huishouden kan bestaan uit:</al><lijst><li nr="a."><al>de bereiding van broodmaaltijden;</al></li><li nr="b."><al>de bereiding van warme maaltijden, tenzij de cliënt gebruik
                                        kan maken van een maaltijdservice en/of
                                        kant-en-klaarmaaltijden;</al></li><li nr="c."><al>het kunnen beschikken over normaal benodigde boodschappen,
                                        tenzij de cliënt gebruik kan maken van een
                                        boodschappendienst;</al></li><li nr="d."><al>het aanwezig zijn van gewassen en zo nodig opgevouwen of
                                        opgehangen kleding of ander linnengoed, indien (medisch)
                                        noodzakelijk gestreken.</al></li><li nr="e."><al>de dagelijkse gebruikelijke zorg voor de in het huishouden
                                        aanwezige minderjarige kinderen, tenzij de cliënt gebruik
                                        kan maken van voor-, tussen- en naschoolse opvang,
                                        kinderopvang of andere opvangmogelijkheden.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Een cliënt komt niet in aanmerking voor hulp bij het huishouden
                                indien tot de leefeenheid van de cliënt één of meer personen behoren
                                die naar oordeel van het college gebruikelijk hulp kunnen
                                verlenen.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>8</nr><titel>- ONDERSTEUNING GERICHT OP ZELFREDZAAMHEID EN KORTDUREND VERBLIJF IN
                            EEN INSTELLING</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.1</nr><titel>Maatschappelijke ondersteuning</titel></kop><al>Het college kan aan de cliënt die aanspraak heeft op maatschappelijke
                            ondersteuning een maatwerkvoorziening verlenen in de vorm van:</al><lijst><li nr="a."><al>Individuele ondersteuning bij het in staat stellen tot algemeen
                                    dagelijkse levensverrichtingen en een gestructureerd huishouden
                                    te kunnen voeren;</al></li><li nr="b."><al>Groepsondersteuning voor een zinvolle dagbesteding waaronder zo
                                    nodig het noodzakelijke vervoer naar de locatie waar deze wordt
                                    geboden;</al></li><li nr="c."><al>Arbeidsmatige dagbesteding als ondersteuning naar de
                                    arbeidsmarkt;</al></li><li nr="d."><al>Kortdurend verblijf in een instelling om de mantelzorger te
                                    ontlasten.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.2</nr><titel>Algemene criteria</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college stemt de maatschappelijke ondersteuning als bedoeld in
                                dit hoofdstuk in ieder geval af op eigen kracht, vrijwilligers en/of
                                ondersteuning vanuit het sociaal netwerk;</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voor de maatschappelijke ondersteuning als bedoeld in artikel 8.1
                                van de verordening geldt het principe van het primaat van de
                                collectieve maatwerkvoorziening, tenzij dat niet als goedkoopst
                                passende bijdrage kan worden aangemerkt.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.3</nr><titel>Specifieke criteria</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De cliënt komt niet in aanmerking voor individuele- en/of
                                groepsondersteuning indien tot de leefeenheid van de cliënt één of
                                meer personen behoren die naar oordeel van het college gebruikelijke
                                hulp kunnen verlenen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De cliënt komt in aanmerking voor kortdurende individuele- en/of
                                groepsondersteuning ter versterking of verbetering van zijn
                                zelfredzaamheid indien de cliënt naar oordeel van het college
                                leerbaar is. Daaronder kan ook de toeleiding naar algemene
                                voorzieningen of voorliggende voorzieningen worden verstaan.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De cliënt kan in aanmerking komen voor individuele- en/of
                                groepsondersteuning indien dat bijdraagt aan het versterken,
                                verbeteren of behouden van diens zelfredzaamheid en participatie.
                                Daaronder wordt in ieder geval verstaan ondersteuning in:</al><lijst><li nr="a."><al>de sociale redzaamheid;</al></li><li nr="b."><al>het bewegen en verplaatsen;</al></li><li nr="c."><al>het psychisch functioneren;</al></li><li nr="d."><al>het geheugen en de oriëntatie; of</al></li><li nr="e."><al>het bijsturen van matig of zwaar probleemgedrag.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college kan een maatwerkvoorziening voor het noodzakelijke
                                vervoer naar de locatie waar de groepsondersteuning wordt geboden
                                verlenen zodat de cliënt gebruik kan maken van de
                                groepsondersteuning.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het vervoer als bedoeld in het vorige lid wordt in ieder geval
                                noodzakelijk geacht indien:</al><lijst><li nr="a."><al>de cliënt niet in staat is zelfstandig lopend, al dan niet
                                        met een algemeen gebruikelijk loophulpmiddel, of zelfstandig
                                        met een algemeen gebruikelijk vervoermiddel te reizen, de
                                        locatie waar de groepsondersteuning wordt geboden kan
                                        bereiken;</al></li><li nr="b."><al>de cliënt (nog) niet zelfstandig of met beschikbare hulp van
                                        personen uit diens sociale netwerk of vrijwilligers kan
                                        reizen of op een andere manier door hen kan worden
                                        begeleid.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.4</nr><titel>Individuele- en groepsondersteuning</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De individuele ondersteuning wordt slechts geboden indien deze
                                gericht is op:</al><lijst><li nr="a."><al>het zo lang mogelijk op verantwoorde wijze zelfstandig in de
                                        eigen leefomgeving kunnen blijven wonen; en</al></li><li nr="b."><al>het zoveel mogelijk op aanvaarbare wijze met anderen kunnen
                                        meedoen in de maatschappij.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De groepsondersteuning wordt slechts geboden indien deze gericht is
                                op:</al><lijst><li nr="a."><al>het zo lang mogelijk op verantwoorde wijze in de eigen
                                        leefomgeving kunnen blijven wonen; en</al></li><li nr="b."><al>het zoveel mogelijk op aanvaarbare wijze met anderen kunnen
                                        meedoen in de maatschappij.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.5</nr><titel>Specifiek criterium arbeidsmatige dagbesteding</titel></kop><al>De ondersteuning in artikel 8.1 onder c van de verordening kan slechts
                            worden toegekend aan de cliënt die niet beschikt over arbeidsvermogen in
                            de zin van de Participatiewet, tenzij de cliënt niet onder de doelgroep
                            van die wet valt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.6</nr><titel>Specifieke criteria kortdurend verblijf in een instelling</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De cliënt kan slechts in aanmerking komen voor kortdurend
                                    verblijf in een instelling indien:</al><lijst><li nr="a."><al>het kortdurend verblijf noodzakelijk is om de
                                            mantelzorger te ontlasten; en</al></li><li nr="b."><al>de cliënt in dat geval aangewezen is op ondersteuning en
                                            eventueel zorg die gepaard gaat met het overnemen van
                                            toezicht,</al></li></lijst></li></lijst><al>met het oog op het zo lang mogelijk op verantwoorde wijze in de eigen
                            leefomgeving kunnen laten wonen van de cliënt.</al><lijst><li nr="2."><al>Het kortdurend verblijf in als bedoeld in het eerste lid omvat
                                    een etmaal per week. Het college kan het kortdurend verblijf ook
                                    voor een aaneengesloten periode per kalenderjaar verlenen.</al></li><li nr="3."><al>Het college kan in individuele gevallen afwijken van het
                                    gestelde in het vorige lid.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>9</nr><titel>- ONDERSTEUNING GERICHT OP HET WONEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.1</nr><titel>Maatschappelijke ondersteuning</titel></kop><al>Het college kan aan de cliënt, die aanspraak heeft op een
                            maatwerkvoorziening, deze verlenen in de vorm van:</al><lijst><li nr="a."><al>woonvoorzieningen;</al></li><li nr="b."><al>maatwerkvoorzieningen om zich in en om de woning te
                                    verplaatsen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.2</nr><titel>Woonvoorzieningen</titel></kop><al>Woonvoorzieningen worden slechts geboden indien deze zijn gericht op het
                            kunnen gebruiken van de noodzakelijke gebruiksruimte(n) in verband met
                            het normale gebruik van de woning waar de cliënt zijn hoofdverblijf
                            heeft of zal hebben.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.3</nr><titel>Criterium primaat van verhuizen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Voor zover de cliënt kan verhuizen naar een geschikte woning of een
                                gemakkelijker geschikt te maken woning, welke verhuizing kan leiden
                                tot het te bereiken resultaat als bedoeld in artikel 9.2 van de
                                verordening, zal deze mogelijkheid eerst beoordeeld worden om het
                                bedoelde resultaat te bereiken. Deze beoordeling vindt alleen plaats
                                indien de kosten van het aanpassen van de woning het in het Besluit
                                genoemde bedrag te boven gaan.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De cliënt kan voor een woningaanpassing in aanmerking komen indien
                                blijkt dat verhuizen als bedoeld in het eerste lid niet binnen een
                                redelijke en/of medische aanvaardbare termijn mogelijk is.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.4</nr><titel>Specifieke criteria woonvoorzieningen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een woningaanpassing wordt slechts verleend:</al><lijst><li nr="a."><al>indien de cliënt zijn hoofdverblijf heeft of zal hebben in
                                        de woning waaraan de maatwerkvoorziening wordt
                                        getroffen;</al></li><li nr="b."><al>er sprake is van een zelfstandige woning;</al></li><li nr="c."><al>de aan te passen woning in de gemeente Montferland
                                        staat.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Met het oog op het normale gebruik van de woning kan een
                                maatwerkvoorziening worden getroffen ten aanzien van de
                                bereikbaarheid, toe- en doorgankelijkheid en bruikbaarheid van de
                                woning.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De bepalingen van dit hoofdstuk zijn niet van toepassing op:</al><lijst><li nr="a."><al>het treffen van maatwerkvoorzieningen ten behoeve van
                                        hotels/pensions, trekkerswoonwagens, kloosters, tweede
                                        woningen, vakantie- en recreatiewoningen ADL-clusterwoningen
                                        en gehuurde kamers, met uitzondering van een voorziening
                                        voor verhuizing en inrichting;</al></li><li nr="b."><al>het treffen van woonvoorzieningen in specifiek op mensen met
                                        beperkingen gerichte woongebouwen, voor zover het
                                        maatwerkvoorzieningen in gemeenschappelijke ruimten betreft
                                        dan wel maatwerkvoorzieningen die bij nieuwbouw of renovatie
                                        zonder noemenswaardige meerkosten kunnen of hadden kunnen
                                        worden meegenomen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De aanvraag voor een woningaanpassing kan in ieder geval worden
                                geweigerd indien:</al><lijst><li nr="a."><al>de noodzaak tot het treffen van de woonvoorziening het
                                        gevolg is van een verhuizing waartoe op grond van
                                        belemmeringen in het normale gebruik van de woning ten
                                        gevolge van beperkingen geen aanleiding bestond en er geen
                                        andere dringende reden aanwezig was;</al></li><li nr="b."><al>de cliënt niet is verhuisd naar de voor zijn of haar
                                        beperkingen op dat moment beschikbare meest geschikte
                                        woning, tenzij daarvoor vooraf schriftelijk toestemming is
                                        verleend door het college;</al></li><li nr="c."><al>deze betrekking heeft op maatwerkvoorzieningen als bedoeld
                                        in artikel 9.1 onder a van de verordening in
                                        gemeenschappelijke ruimten anders dan voor zover het
                                        maatwerkvoorzieningen in gemeenschappelijke ruimten betreft,
                                        anders dan automatische deuropeners, hellingbanen, het
                                        verbreden van gemeenschappelijke toegangsdeuren, het
                                        aanbrengen van drempelhulpen of vlonders of het aanbrengen
                                        van een opstelplaats bij de toegangsdeur van de
                                        gemeenschappelijke ruimte, met uitzondering van een
                                        voorziening voor verhuizing en inrichting;</al></li><li nr="d."><al>verhuisd naar een woonruimte die niet bestemd en of geschikt
                                        is om het gehele jaar door bewoond te worden;</al></li><li nr="e."><al>de ondervonden problemen bij het normale gebruik van de
                                        woning voortvloeien uit de aard van de in de woning
                                        gebruikte materialen;</al></li><li nr="f."><al>voor zover de aangevraagde voorzieningen betrekking hebben
                                        op een hoger niveau dan het uitrustingsniveau voor sociale
                                        woningbouw;</al></li><li nr="g."><al>de noodzaak tot het treffen van een maatwerkvoorziening het
                                        gevolg is van achterstallig onderhoud dan wel slechts strekt
                                        ter renovatie van de woning of om deze in overeenstemming te
                                        brengen met de eisen die redelijkerwijs aan de woning mogen
                                        worden gesteld.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het college stelt in het Besluit nadere regels over
                                afschrijftermijnen als bedoeld in het vorige lid onderdeel g.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.5</nr><titel>Zich verplaatsen in en om de woning</titel></kop><al>Maatwerkvoorzieningen voor het zich verplaatsen in en om de woning
                            worden slechts geboden indien deze zijn gericht de cliënt in staat te
                            stellen de noodzakelijke gebruiksruimten te bereiken ten behoeve van het
                            normale gebruik van de woning.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.6</nr><titel>Specifieke criteria zich verplaatsen in en om de woning</titel></kop><al>Met het oog op het verplaatsen in en om de woning kan het college:</al><lijst><li nr="a."><al>een rolstoel voor dagelijks zittend gebruik verlenen;</al></li><li nr="b."><al>een traplift verlenen die noodzakelijk is om de cliënt in staat
                                    te stellen ruimten te bereiken in verband met het normale
                                    gebruik van de woning, tenzij er sprake is van tijdelijke niet
                                    ongebruikelijke redelijkerwijs van de cliënt en/of zijn
                                    huisgenoten te vergen maatregelen.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>10</nr><titel>- ONDERSTEUNING BIJ DEELNAME AAN HET MAATSCHAPPELIJK VERKEER</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.1</nr><titel>Maatschappelijke ondersteuning</titel></kop><al>Het college kan aan de cliënt die aanspraak heeft op maatschappelijke
                            ondersteuning maatwerkvoorzieningen toekennen in de vorm van een
                            vervoersvoorziening voor het zich kunnen verplaatsen in de leefomgeving
                            gericht op zelfredzaamheid en participatie.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.2</nr><titel>Specifieke criteria</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Met het oog op het zich verplaatsen, kan een maatwerkvoorziening
                                worden getroffen voor het zich verplaatsen over de korte afstand
                                rond de woning en het verplaatsen over de langere afstand binnen de
                                leefomgeving van de cliënt.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college hanteert in principe het primaat van de collectieve
                                verstrekking zoals de Regiotaxi.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De cliënt is voor het gebruik van de Regiotaxi een ritbijdrage
                                verschuldigd.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college bepaalt in het Besluit de hoogte van de ritbijdrage als
                                bedoeld in het vorige lid.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.3</nr><titel>Het zich kunnen verplaatsen in de leefomgeving</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het zich kunnen verplaatsen, gericht op zelfredzaamheid en
                                participatie, bestaat in ieder geval uit:</al><lijst><li nr="a."><al>het kunnen bereiken van winkels en andere noodzakelijke
                                        voorzieningen;</al></li><li nr="b."><al>het kunnen onderhouden van sociale contacten;</al></li><li nr="c."><al>het deelnemen aan activiteiten, waaronder begrepen
                                        groepsondersteuning, binnen de leefomgeving van de
                                        cliënt.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onder de leefomgeving in het vorige lid wordt 15 tot 20 kilometer
                                rondom de woning verstaan. Dit komt overeen met vijf zones (openbaar
                                vervoer).</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het te bereiken resultaat als bedoeld in het eerste lid onder a, b
                                en c (tezamen) maakt participatie mogelijk met een omvang van
                                1500-2000 kilometer per jaar.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college kan in individuele gevallen afwijken van het gestelde in
                                het tweede en/of derde lid.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>11</nr><titel>- BIJDRAGE IN DE KOSTEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11.1</nr><titel>Maatwerkvoorziening</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De cliënt is een bijdrage in de kosten van een maatwerkvoorziening
                                verschuldigd, zolang hij van de maatwerkvoorziening in natura
                                gebruik maakt of gedurende de periode waarvoor het persoonsgebonden
                                budget is toegekend. De bijdrage in kosten is verschuldigd
                                overeenkomstig het bepaalde in het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 en is
                                afhankelijk van het inkomen en vermogen van de cliënt en zijn
                                echtgenoot.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien een maatwerkvoorziening dan wel persoonsgebonden budget wordt
                                verstrekt ten behoeve van een woningaanpassing voor een minderjarige
                                cliënt, is de bijdrage verschuldigd door:</al><lijst><li nr="a."><al>de onderhoudsplichtige ouders, daaronder begrepen degene
                                        tegen wie een op artikel 394 van Boek 1 van het Burgerlijk
                                        Wetboek gegrond verzoek is afgewezen; en</al></li><li nr="b."><al>degene die anders dan als ouder samen met de ouder het gezag
                                        uitoefent over een cliënt.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De aanbieder van een maatwerkvoorziening kan van de cliënt om
                                betaling vragen ter hoogte van de algemeen gebruikelijke kosten die
                                door de cliënt worden uitgespaard omdat hij gebruik maakt van de
                                maatwerkvoorziening.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>In afwijking van het eerste lid kan het college in het Besluit
                                nadere regels stellen in welke gevallen een bijdrage in de kosten
                                van de maatwerkvoorziening dan wel persoonsgebonden budget is
                                verschuldigd en wat de omvang daarvan is met inachtneming van het
                                Uitvoeringsbesluit Wmo 2015.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De bijdrage voor de opvang wordt geïnd door de aanbieder die de
                                opvang biedt.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11.2</nr><titel>Algemene voorziening</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De cliënt is een bijdrage in de kosten verschuldigd voor het gebruik
                                van een algemene voorziening, niet zijnde cliëntondersteuning.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De cliënt is de bijdrage verschuldigd aan de aanbieder.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De aanbieder van een algemene voorziening kan van de cliënt om
                                betaling vragen ter hoogte van de algemeen gebruikelijke kosten die
                                door de cliënt worden uitgespaard omdat hij gebruik maakt van de
                                algemene voorziening.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college kan in het Besluit nadere regels stellen waaronder voor
                                welke algemene voorzieningen een bijdrage geldt en welke groepen een
                                korting kunnen krijgen op de bijdrage.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11.3</nr><titel>Kostprijs</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De kostprijs van een maatwerkvoorziening is gelijk aan de prijs
                                waarvoor de gemeente de maatwerkvoorziening afneemt van een
                                (gecontracteerde) aanbieder, inclusief de eventueel bijkomende
                                kosten.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De kostprijs van een persoonsgebonden budget is gelijk aan het
                                bedrag van het persoonsgebonden budget.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Onverminderd artikel 11.2 derde lid van de verordening bedraagt de
                                kostprijs van een algemene voorziening, niet zijnde
                                cliëntondersteuning, nooit meer dan een kostendekkende
                                bijdrage.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>12</nr><titel>- NIEUWE FEITEN EN OMSTANDIGHEDEN, HERZIENING, INTREKKING,
                            TERUGVORDERING EN TERUGBETALING</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.1</nr><titel>Beëindiging</titel></kop><al>Onverminderd artikel 2.3.10 van de wet kan het college een toegekende
                            aanspraak op een maatwerkvoorziening dan wel persoonsgebonden budget
                            geheel of gedeeltelijk beëindigen, indien:</al><lijst><li nr="a."><al>niet wordt voldaan aan de voorwaarden gesteld bij of krachtens
                                    de wet of de verordening;</al></li><li nr="b."><al>de cliënt wordt opgenomen in een instelling;</al></li><li nr="c."><al>de cliënt zich niet houdt aan de verplichtingen verbonden aan
                                    het gebruik van de maatwerkvoorziening;</al></li><li nr="d."><al>de cliënt is overleden waarbij het persoonsgebonden budget in
                                    principe eindigt twee weken na de dag van overlijden.</al></li><li nr="e."><al>indien de cliënt vanwege een verhuizing geen woonplaats meer
                                    heeft in de gemeente Montferland.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.2</nr><titel>Herziening of intrekking</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Onverminderd artikel 2.3.8 van de wet doet een cliënt aan het
                                college desgevraagd of onverwijld uit eigen beweging mededeling van
                                alle feiten en omstandigheden, waarvan hem redelijkerwijs duidelijk
                                moet zijn dat deze aanleiding kunnen zijn tot een heroverweging van
                                de beslissing als bedoeld in artikel 2.3.5 of 2.3.6 van de wet.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een besluit tot verlening van een persoonsgebonden budget kan worden
                                herzien of ingetrokken indien blijkt dat de cliënt niet heeft
                                voldaan aan de verplichtingen als bedoeld in artikel 6.1 van de
                                verordening.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.3</nr><titel>Terugvordering en verrekenen</titel></kop><al>Onverminderd artikel 2.4.1 van de wet kan het college nadat het besluit
                            tot toekenning van een maatwerkvoorziening dan wel persoonsgebonden
                            budget is herzien of ingetrokken:</al><lijst><li nr="a."><al>het ten onrechte of tot een te hoog bedrag genoten aan
                                    persoonsgebonden budget terugvorderen;</al></li><li nr="b."><al>de geldswaarde van een maatwerkvoorziening in natura
                                    terugvorderen;</al></li><li nr="c."><al>de wijze waarop de terugvordering wordt geïnd, kan verrekening
                                    zijn. De hoogte van het (periodieke) bedrag van verrekening moet
                                    in redelijke verhouding staan tot de ondersteuning in de
                                    zelfredzaamheid en participatie.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.4</nr><titel>Terugbetaling bij verkoop</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan van de cliënt die (mede)eigenaar is van een woning,
                                aan wie die krachtens de verordening een woningaanpassing (in natura
                                of in de vorm van een persoonsgebonden budget) voor die woning is
                                toegekend, overgaan tot terugvordering van de kosten indien de
                                aangepaste woning binnen zeven jaar na gereedmelding is of wordt
                                verkocht.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De cliënt dient de verkoop van de woning als bedoeld in het eerste
                                lid onverwijld aan het college te melden.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college gaat over tot terugvordering als bedoeld in het eerste
                                lid indien sprake is van een waardestijging van de woning en/of het
                                perceel van 10% of meer van de waarde onmiddellijk voorafgaand aan
                                de gereedmelding van de woningaanpassing.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het bedrag voor de aanpassing aan de woning dient te worden
                                terugbetaald volgens het in het Besluit vastgelegde
                                afschrijvingsschema onder aftrek van de verschuldigde bijdrage in de
                                kosten.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>13</nr><titel>- BESTRIJDING MISBRUIK OF ONEIGENLIJK GEBRUIK</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13.1</nr><titel>Fraudepreventie</titel></kop><al>Het college zet in op fraudepreventie. Onderdeel daarvan is in ieder
                            geval:</al><lijst><li nr="a."><al>voorlichting geven aan ingezetenen waaronder in het bijzonder
                                    aan cliënten;</al></li><li nr="b."><al>de wijze waarop het college cliënten informeert over de rechten
                                    en plichten die aan het ontvangen van een maatwerkvoorziening
                                    dan wel persoonsgebonden budget zijn verbonden en over de
                                    consequenties van misbruik en oneigenlijk gebruik;</al></li><li nr="c."><al>het aanwijzen van toezichthouders en deze -indien wenselijk-
                                    betrekken bij gesprekken met cliënten;</al></li><li nr="d."><al>vroegtijdige opsporing van misbruik of oneigenlijk gebruik.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13.2</nr><titel>Controle</titel></kop><al>Het college beoordeelt, al dan niet steekproefsgewijs, de besteding van
                            de persoonsgebonden budgetten als bedoeld in artikel 6.1 van de
                            verordening. Tevens beoordeelt het college of de cliënt nog voldoet aan
                            de criteria om voor een persoonsgebonden budget in aanmerking te
                            komen.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>14</nr><titel>- OVERIGE BEPALINGEN</titel></kop><paragraaf><kop><label>§</label><nr>1.</nr><titel>Jaarlijkse blijk waardering mantelzorgers</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14.1</nr><titel>De wijze van waardering</titel></kop><al>Het college draagt jaarlijks zorg voor een blijk van waardering voor
                                mantelzorgers.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>§</label><nr>2.</nr><titel>Klachtenregeling en medezeggenschap</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14.2</nr><titel>Klachtenregeling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Aanbieders dienen te beschikken over een regeling voor de
                                    afhandeling van klachten van cliënten ten aanzien van alle
                                    maatwerkvoorzieningen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe
                                    op de naleving van deze eisen door periodieke overleggen met de
                                    aanbieders en een jaarlijks cliëntervaringsonderzoek.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14.3</nr><titel>Regeling voor medezeggenschap</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Aanbieders dienen te beschikken over een regeling voor de
                                    medezeggenschap van cliënten over voorgenomen besluiten van de
                                    aanbieder die voor de gebruikers van belang zijn ten aanzien van
                                    alle maatwerkvoorzieningen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe
                                    op de naleving van deze eisen door periodieke overleggen met de
                                    aanbieders en een jaarlijks cliëntervaringsonderzoek.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>§</label><nr>3.</nr><titel>Kwaliteit</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14.4</nr><titel>Kwaliteitseisen maatschappelijke ondersteuning</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Aanbieders zorgen voor een goede kwaliteit van voorzieningen,
                                    waaronder voldoende deskundigheid van beroepskrachten daaronder
                                    begrepen, door:</al><lijst><li nr="a."><al>het afstemmen van voorzieningen op de persoonlijke
                                            situatie van de cliënt;</al></li><li nr="b."><al>het afstemmen van voorzieningen op andere vormen van
                                            zorg;</al></li><li nr="c."><al>erop toe te zien dat beroepskrachten tijdens hun
                                            werkzaamheden in het kader van het leveren van
                                            voorzieningen handelen in overeenstemming met de
                                            professionele standaard.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan nadere regels stellen over verdere eisen aan de
                                    kwaliteit van voorzieningen, eisen met betrekking tot de
                                    deskundigheid en het kunnen overleggen van een verklaring
                                    omtrent het gedrag van beroepskrachten daaronder begrepen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe
                                    op de naleving van deze eisen door periodieke overleggen met de
                                    aanbieders, een jaarlijks cliëntervaringsonderzoek en het zo
                                    nodig in overleg met de cliënt ter plaatse controleren van de
                                    geleverde voorzieningen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14.5</nr><titel>Verhouding prijs en kwaliteit levering voorziening door
                                    derden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college houdt in het belang van een goede
                                    prijs-kwaliteitverhouding bij de vaststelling van de tarieven
                                    die het hanteert voor door derden te leveren diensten, in ieder
                                    geval rekening met:</al><lijst><li nr="a."><al>de aard en omvang van de te verrichten taken;</al></li><li nr="b."><al>de voor de sector toepasselijke CAO-schalen in relatie
                                            tot de zwaarte van de functie;</al></li><li nr="c."><al>de redelijke toeslag voor overheadkosten;</al></li><li nr="d."><al>een voor de sector reële mate van non-productiviteit van
                                            het personeel als gevolg van verlof, ziekte, scholing en
                                            werkoverleg; en</al></li><li nr="e."><al>kosten voor bijscholing van personeel.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college houdt in het belang van een goede
                                    prijs-kwaliteitverhouding bij de vaststelling van de tarieven
                                    die het hanteert voor door derden te leveren overige
                                    voorzieningen, in ieder geval rekening met:</al><lijst><li nr="a."><al>de marktprijs van de voorziening, en</al></li><li nr="b."><al>de eventuele extra taken die in verband met de
                                            voorziening van de leverancier worden gevraagd,
                                            zoals:</al></li><li nr="i."><al>aanmeten, leveren en plaatsen van de voorziening;</al></li><li nr="ii."><al>instructie over het gebruik van de voorziening;</al></li><li nr="iii."><al>onderhoud van de voorziening, en</al></li><li nr="iv."><al>verplichte deelname in bepaalde
                                            samenwerkingsverbanden.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14.6</nr><titel>Meldingsregeling calamiteiten en geweld</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college treft een regeling voor het melden van calamiteiten
                                    en geweldsincidenten bij de levering van een maatwerkvoorziening
                                    door een aanbieder en wijst een toezichthoudend ambtenaar
                                    aan.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Aanbieders melden iedere calamiteit en ieder geweldsincident dat
                                    zich heeft voorgedaan bij de verstrekking van een voorziening
                                    onverwijld aan de toezichthoudend ambtenaar.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De toezichthoudend ambtenaar, bedoeld in artikel 6.1, van de
                                    wet, doet onderzoek naar de calamiteiten en geweldsincidenten en
                                    adviseert het college over het voorkomen van verdere
                                    calamiteiten en het bestrijden van geweld.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>§</label><nr>4.</nr><titel>Betrekken van ingezetenen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14.7</nr><titel>Betrekken van ingezetenen bij het beleid</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college betrekt ingezetenen van de gemeente, waaronder in
                                    ieder geval de Sociale Raad, cliënten of hun vertegenwoordigers,
                                    bij de voorbereiding van het beleid betreffende maatschappelijke
                                    ondersteuning, overeenkomstig de krachtens artikel 150 van de
                                    Gemeentewet gestelde regels met betrekking tot de wijze waarop
                                    inspraak wordt verleend.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college stelt ingezetenen vroegtijdig in de gelegenheid
                                    voorstellen voor het beleid betreffende maatschappelijke
                                    ondersteuning te doen, advies uit te brengen bij de
                                    besluitvorming over verordeningen en beleidsvoorstellen
                                    betreffende maatschappelijke ondersteuning, en voorziet hen van
                                    ondersteuning om hun rol effectief te kunnen vervullen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college zorgt ervoor dat ingezetenen kunnen deelnemen aan
                                    periodiek overleg, waarbij zij onderwerpen voor de agenda kunnen
                                    aanmelden, en dat zij worden voorzien van de voor een adequate
                                    deelname aan het overleg benodigde informatie en
                                    ondersteuning.</al></lid></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>15</nr><titel>- SLOTBEPALINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15.1</nr><titel>Hardheidsclausule</titel></kop><al>Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de belanghebbende
                            afwijken van de bepalingen van de Verordening indien toepassing van de
                            verordening tot onbillijkheden van overwegende aard leidt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15.2</nr><titel>Indexering</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan jaarlijks per 1 januari (vanaf 1 januari 2016) de in
                                het kader van deze verordening en het op deze verordening berustende
                                Besluit geldende bedragen verhogen of verlagen, waaronder begrepen
                                de verschuldigde ritbijdrage voor de Regiotaxi.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voor diensten wordt de indexering gebaseerd op basis van het door
                                CBS bekend gemaakte indexcijfer waaronder de cao-lonen in de
                                gezondheids- en welzijnszorg.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15.3</nr><titel>Evaluatie</titel></kop><al>Het door het gemeentebestuur gevoerde beleid wordt eenmaal per jaar
                            geëvalueerd. Het college zendt hiertoe telkens 1 jaar na de
                            inwerkingtreding van de verordening aan de gemeenteraad een verslag over
                            de doeltreffendheid en de effecten van de verordening in de
                            praktijk.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15.4</nr><titel>Overgangsrecht</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college heeft de bevoegdheid een besluit op grond van de
                                Verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning Montferland
                                2013 in te trekken met toepassing van deze verordening. Het college
                                kan daarvoor een ander besluit in de plaats stellen met toepassing
                                van deze verordening.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Aanvragen die zijn ingediend onder de Verordening voorzieningen
                                maatschappelijke ondersteuning Montferland 2013 en waarop nog niet
                                is beslist worden afgehandeld krachtens de gewijzigde Verordening
                                voorzieningen maatschappelijke ondersteuning Montferland 2015.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Aanvragen die zijn ingediend onder de Verordening voorzieningen
                                maatschappelijke ondersteuning Montferland 2015 en waarop nog niet
                                is beslist worden afgehandeld krachtens de gewijzigde Verordening
                                voorzieningen maatschappelijke ondersteuning Montferland 2015.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Beslissen op bezwaarschriften tegen een besluit op grond van de
                                Verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning Montferland
                                2013 en of Verordening maatschappelijke ondersteuning Montferland
                                2015, geschiedt op grond van die verordeningen die ten aanzien van
                                de betreffende zaak hun rechtskracht behouden.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Van het in het tweede, derde en vierde lid gestelde kan ten gunste
                                van de cliënt worden afgeweken.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15.5</nr><titel>Inwerkingtreding en citeerartikel</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Deze verordening treedt in werking op 1 juli 2015 onder
                                    gelijktijdige intrekking van de Verordening maatschappelijke
                                    ondersteuning Montferland 2015 vastgesteld op 30 oktober 2014 en
                                    aangepast vastgesteld op 26 februari 2015.</al></li><li nr="2."><al>Deze verordening wordt aangehaald als gewijzigde Verordening
                                    maatschappelijke ondersteuning Montferland 2015.</al><al/></li></lijst></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Vastgesteld in de openbare vergadering van de Gemeenteraad van 28 mei
                        2015.</ondertekening><ondertekening>...........................................
                        ............................................... </ondertekening><ondertekening>de griffier de voorzitter</ondertekening><ondertekening/></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>TOELICHTING </titel></kop><al>Artikelsgewijze toelichting op de Gewijzigde Verordening maatschappelijke
                    ondersteuning Montferland 2015</al><tussenkop>Algemeen</tussenkop><al>Deze verordening geeft uitvoering aan de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015
                    (hierna: Wmo 2015). De Wmo 2015 maakt onderdeel uit van de bestuurlijke en - met
                    toepassing van een budgetkorting - financiële decentralisatie naar gemeenten van
                    een aantal taken uit de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (hierna: AWBZ).
                    Deze taken worden toegevoegd aan het takenpakket dat al bij gemeenten lag onder
                    de ‘oude’ Wet maatschappelijke ondersteuning (hierna: Wmo 2007). Hierbij wordt
                    deels voortgeborduurd op de weg die met die wet al was ingezet.</al><tussenkop>Opdracht Wmo 2015 aan de gemeente</tussenkop><al>De Wmo 2015 draagt gemeenten op zorg te dragen voor maatschappelijke
                    ondersteuning en de kwaliteiten en continuïteit van voorzieningen. Onder
                    maatschappelijke ondersteuning (art. 1.1.1, eerste lid, van de wet) wordt
                    verstaan:</al><lijst><li nr="1."><al>bevorderen van de sociale samenhang, de mantelzorg en vrijwilligerswerk,
                            de toegankelijkheid van voorzieningen, diensten en ruimten voor mensen
                            met een beperking, de veiligheid en leefbaarheid in de gemeente, alsmede
                            voorkomen en bestrijden van huiselijk geweld,</al></li><li nr="2."><al>ondersteunen van de zelfredzaamheid en de participatie van personen met
                            een beperking of met chronische psychische of psychosociale problemen
                            zoveel mogelijk in de eigen leefomgeving,</al></li><li nr="3."><al>bieden van beschermd wonen en opvang.</al></li></lijst><al>Onder voorzieningen worden algemene voorzieningen en maatwerkvoorzieningen
                    verstaan (art. 1.1.1, eerste lid, van de wet). De regels over kwaliteit en
                    continuïteit zijn neergelegd in hoofdstuk 3 van de wet. Het bieden van beschermd
                    wonen en opvang wordt gedaan door centrumgemeenten. Voor de gemeente Montferland
                    zijn dat respectievelijk de gemeenten Doetinchem en Arnhem. De verordening heeft
                    dan ook voornamelijk betrekking op de maatschappelijke ondersteuning genoemd
                    onder punt 2.</al><tussenkop>Geen ongeclausuleerd recht</tussenkop><al>De vanzelfsprekendheid dat mensen in de eerste plaats zelf verantwoordelijkheid
                    dragen voor de wijze waarop zij hun leven inrichten en deelnemen aan de
                    samenleving, is in de Wmo 2015 expliciet verankerd. Tot die eigen
                    verantwoordelijkheid behoort ook dat hij een beroep doet op familie en vrienden
                    - het eigen sociale netwerk - alvorens hij bij de gemeente aanklopt voor
                    ondersteuning. Het is immers heel normaal dat mensen iets doen voor hun partner,
                    familielid of goede vriend als die niet geheel op eigen kracht kan deelnemen aan
                    de samenleving. Als uitgangspunt geldt dus dat zelfredzaamheid en meedoen in de
                    samenleving een verantwoordelijkheid is van mensen zelf. De Wmo 2015 biedt
                    verder meer mogelijkheden dan de Wmo 2007 om cliënten maatschappelijk te
                    ondersteunen zonder dat dit hoeft te leiden tot het verstrekken van een
                    (individuele) maatwerkvoorziening. Daarmee is er geen sprake van een
                    ongeclausuleerd recht op een maatwerkvoorziening. </al><tussenkop>Modelverordening Vereniging Nederlandse gemeenten</tussenkop><al>Deze verordening is, in afwijking van de voorgaande verordeningen, nog maar
                    gedeeltelijk gebaseerd op de modelverordening van de Verenging voor Nederlandse
                    Gemeenten. Gekozen is vanwege de leesbaarheid en kenbaarheid om een indeling aan
                    te houden in hoofdstukken vooral als het gaat om de aanspraak op
                    maatschappelijke ondersteuning. Om dezelfde reden zijn de onderwerpen of
                    artikelen uit de VNG-verordening, al dan niet in aangepaste vorm en
                    noodzakelijkerwijs aangevuld, geclusterd in het betreffende hoofdstuk. Verder is
                    zo min mogelijk letterlijk uit de wet geciteerd, maar wordt juist uitgelegd wat
                    de gemeente Montferland verstaat onder de niet bij wet gedefinieerde begrippen
                    en wat in ieder geval concreet onder maatschappelijke ondersteuning wordt
                    verstaan. Soms zijn daarbij normstellende kaders geformuleerd die mede zijn
                    gebaseerd op de vier taakvelden die golden onder de Wmo 2007. Uit de
                    parlementaire behandeling van de Wmo 2015 blijkt namelijk dat het college nog
                    steeds de plicht heeft op deze vier taakvelden ondersteuning te bieden in de
                    vorm van een maatwerkvoorziening, als dat vanzelfsprekend nodig blijkt. In de
                    toelichting van deze verordening worden dan ook uitspraken aangehaald van de
                    Centrale Raad van Beroep waarvan wordt aangenomen dat deze hun gelding behouden
                    onder de Wmo 2015. Nadrukkelijk wordt nog opgemerkt dat de inhoud van deze
                    verordening maatwerk op geen enkele manier in de weg staat.</al><tussenkop>Verordening is essentieel</tussenkop><al>De verordening is een essentieel document voor de concrete uitwerking van de
                    beleidsvoornemens van de gemeente Montferland zoals opgenomen in het Beleidsplan
                    Wmo 2015 - 2016. De verordening is dan ook zo opgesteld dat het de benodigde
                    waarborgen biedt die burgers van de gemeente Montferland mogen verwachten.
                    Daarmee wordt ook het voorzieningenniveau op grond van de Wmo 2007 bedoeld
                    zonder daarbij het beoogde maatwerk en eigen verantwoordelijkheid van burgers
                    uit het oog te verliezen die onder de Wmo 2015 is aangescherpt. Uit de
                    toelichting op artikel 2.1.3 van de wet (verordeningsplicht) blijkt dat de
                    gemeenteraad naast het beleidsplan - mede met het oog op duidelijkheid voor de
                    burger over de van de overheid te verwachten prestaties en de rechtszekerheid -
                    bij verordening een aantal zaken moet regelen die noodzakelijk zijn om de wet en
                    het beleidsplan uit te kunnen voeren. Bij het verstrekken van een
                    maatwerkvoorziening komt het op maatwerk aan. In artikel 1.2.1 van de wet is
                    slechts in algemene termen omschreven in welke gevallen iemand in aanmerking
                    komt voor de verschillende maatwerkvoorzieningen (zie hoofdstuk 4 van de
                    verordening).</al><al>Naast de bedoelde aanspraken zijn ook criteria geformuleerd waaronder het
                    college maatwerkvoorziening kan weigeren of welke beperkende voorwaarden daarbij
                    kunnen gelden. De bepalingen in deze verordening geven geen antwoord op de vraag
                    hoe het college in het individuele geval tot het oordeel komt of iemand in
                    aanmerking komt voor een maatwerkvoorziening. Slechts de criteria oftewel de
                    inhoudelijke randvoorwaarden zoals de gemeenteraad die als democratisch
                    gelegitimeerd orgaan moet en mag stellen zijn opgenomen. Daarmee treedt de
                    gemeenteraad nadrukkelijk niet in de beslisruimte die het college heeft op grond
                    van artikel 2.3.5 van de wet (de aanvraag). Immers, binnen de kaders biedt de
                    wet zeer uiteenlopende beslismogelijkheden. De verordening zoals die thans
                    voorligt doet recht aan de bedoeling van de wetgever en biedt burgers de
                    rechtszekerheid die zij verdienen als het hen - naar oordeel van het college -
                    niet lukt om zelf, dan wel met hulp van anderen zelfredzaam te zijn en te kunnen
                    participeren.</al><tussenkop>Scheiding melding, onderzoek en aanvraag</tussenkop><al>De Wmo 2015 regelt dat voordat iemand een aanvraag om een maatwerkvoorziening
                    kan doen, hij eerst zijn ondersteuningsbehoefte bij het college moet melden. In
                    principe bestaat er dan aanspraak op een gesprek. Het college kan op deze manier
                    in samenspraak met de cliënt en zijn eventuele mantelzorger eerst zorgvuldig de
                    ondersteuningsbehoefte en de mogelijkheden om daaraan tegemoet te komen in kaart
                    brengen. Pas na verstrekking van een verslag van dat onderzoek (gesprek) kan een
                    aanvraag voor een maatwerkvoorziening worden gedaan, tenzij het onderzoek
                    (gesprek) niet binnen zes weken is uitgevoerd. Een uitzondering wordt gemaakt
                    ingeval van een spoedeisende situatie. Is daarvan sprake, dan treft het college
                    een maatwerkvoorziening in afwachting van de resultaten van het gesprek.</al><al>Op basis van het verslag dat de cliënt na afronding van het gesprek ontvangt,
                    kan hij de afweging maken om al dan niet een maatwerkvoorziening aan te vragen.
                    Het voordeel daarvan is dat de cliënt op basis van de uitkomsten van het gesprek
                    daar een bewuste afweging in maakt. De Wmo 2015 kent een gelimiteerde termijn
                    van zes weken voor het uitvoeren van het onderzoek en daarna nog twee weken voor
                    het nemen van een beslissing op een aanvraag. Die limitering is opgenomen ter
                    rechtsbescherming van de cliënt. De totale termijn voor het onderzoek, het
                    gesprek, het verslag en beslissing op de aanvraag is acht weken en daarmee
                    gelijk aan de redelijke beslistermijn die in de Algemene wet bestuursrecht (Awb)
                    is opgenomen voor het nemen van een besluit op aanvraag.</al><tussenkop>Naar oordeel van het college</tussenkop><al>Wanneer iemand naar het oordeel van het college niet in staat is tot
                    zelfredzaamheid of participatie en onvoldoende is geholpen met de inzet van
                    eigen kracht, gebruikelijke hulp, mantelzorg of hulp van andere personen uit
                    zijn sociale netwerk dan wel met gebruikmaking van algemene voorzieningen,
                    beslist het college tot het verstrekken van een (individuele)
                    maatwerkvoorziening. Ook indien gebruik gemaakt kan worden van een algemeen
                    gebruikelijke voorziening geldt, net als onder de Wmo 2007, dat het college niet
                    gehouden is een maatwerkvoorziening te verlenen. De maatwerkvoorziening is
                    aanvullend op wat iemand zelf kan bijdragen en vormt samen met de inzet van
                    eigen kracht of, indien van toepassing, gebruikelijke hulp of mantelzorg een
                    samenhangend ondersteuningsaanbod, ofwel maatwerk. Wanneer mensen voldoen aan de
                    voorwaarden, hebben zij het recht om te kiezen voor een persoonsgebonden budget
                    waarmee zij zelf de ondersteuning kunnen regelen die tot de maatwerkvoorziening
                    behoort.</al><tussenkop>Uitvoerbaar</tussenkop><al>Een ander aspect is de uitvoerbaarheid van de wet en de daarbij behorende
                    verordening. Het college die de aanvragen moet beoordelen is ook gehouden de
                    bepalingen van de verordening in acht te nemen. Met het bieden van de eerder
                    genoemde duidelijkheid voor burgers wordt niet alleen een kader geboden maar ook
                    de grondslagen waarop de beslissing op de aanvraag kan en mag rusten. Dat brengt
                    mee dat toepassing van deze verordening naar verwachting minder zware
                    administratieve belasting geeft op de uitvoeringsorganisatie, daaronder begrepen
                    bezwaar en beroep.</al><tussenkop>HOOFDSTUK 1 - ALGEMENE BEPALINGEN</tussenkop><tussenkop>Artikel 1.1 lid 1 onder a en b: algemeen gebruikelijk en algemeen
                    gebruikelijke voorziening</tussenkop><al>De begripsbepalingen zijn enerzijds van belang om te kunnen beoordelen of de
                    cliënt zijn beperkingen met een dergelijke voorziening kan oplossen dan wel
                    verminderen. Anderzijds is van belang dat het aannemelijk is dat de cliënt over
                    een (gevraagde) voorziening zou hebben kunnen beschikken omdat die naar geldende
                    maatschappelijke opvattingen tot diens gangbare gebruiks- dan wel
                    bestedingspatroon van een persoon als de cliënt behoort. Zie verdere uitwerking
                    bij artikel 4.2, tweede lid onder a, van de verordening.</al><tussenkop>Artikel 1.1 lid 1 onder c: beperking</tussenkop><al>Het kan bij een beperking gaan om diverse factoren, waaronder beperkingen van
                    medische aard, welke aanleiding is voor de behoefte van de cliënt aan
                    maatschappelijke ondersteuning.</al><tussenkop>Artikel 1.1 lid 1 onder d: Besluit</tussenkop><al>Spreekt voor zich, behoeft geen toelichting.</al><tussenkop>Artikel 1.1 lid 1 onder e: collectieve maatwerkvoorziening</tussenkop><al>Dit is een maatwerkvoorziening die individueel wordt verstrekt maar wel door
                    meerdere personen tegelijk wordt gebruikt. Voorbeeld daarvan zijn de Regiotaxi
                    en groepsondersteuning.</al><tussenkop>Artikel 1.1 lid 1 onder f: gebruikelijke hulp</tussenkop><al>Het gaat om de wettelijke definitie waarbij het college beoordeelt of van de
                    genoemde personen gebruikelijke hulp kan worden verlangd. Het begrip is
                    aangevuld met het begrip leefeenheid. Zie ook de begripsbepaling van leefeenheid
                    in dit artikel.</al><tussenkop>Artikel 1.1 lid 1 onder g: gemeenschappelijke ruimten</tussenkop><al>De begripsbepaling geeft het verschil aan tussen de woonruimte van een cliënt en
                    de delen van het (woon)gebouw waar de cliënt woont, die ook door anderen worden
                    of kunnen worden gebruikt. Er is sprake van een gemeenschappelijke ruimte als de
                    cliënt alleen middels deze ruimte zijn woning kan bereiken of betreden. De
                    gemeente vergoedt slechts een limitatief aantal aanpassingen (woonvoorzieningen)
                    aan gemeenschappelijke ruimten. Zie hoofdstuk 9 van de verordening.</al><tussenkop>Artikel 1.1 lid 1 onder h: groepsondersteuning</tussenkop><al>Aan de cliënt kan een maatwerkvoorziening worden toegekend in de vorm van
                    groepsondersteuning. Het gaat over tijdsbesteding van de dag of een dagdeel met
                    een welomschreven doel. Zie hoofdstuk 8 van de verordening.</al><tussenkop>Artikel 1.1 lid 1 onder i: huisgenoot</tussenkop><al>Met deze begripsbepaling wordt beoogd aan te geven dat alleen van de persoon die
                    gezamenlijk met de cliënt een woning bewoont gebruikelijke hulp kan worden
                    verlangd. Of er sprake is van een commerciële relatie moet blijken uit feiten en
                    omstandigheden zoals een huur- of kostgangersovereenkomst.</al><tussenkop>Artikel 1.1 lid 1 onder j: hulpvraag</tussenkop><al>Onder een hulpvraag wordt een verzoek om maatschappelijke ondersteuning verstaan
                    waarbij het college een onderzoek doet. Zie artikel 2.5 van de verordening. Dit
                    verzoek kan door of namens de cliënt worden gedaan. Een verzoek om informatie
                    en/of advies wordt niet als hulpvraag aangemerkt. Zo kan het college iemand
                    verwijzen naar algemene voorzieningen of op een andere manier informatie
                    verstrekken. Deze werkwijze voorkomt onnodige bureaucratie.</al><tussenkop>Artikel 1.1 lid 1 onder k: hoofdverblijf</tussenkop><al>Het gaat om de woning (bestemd én geschikt voor permanente bewoning) waar de
                    cliënt zijn vaste woon- en verblijfplaats heeft of zal hebben en op welk adres
                    hij in de BRP ingeschreven staat of zal staan, dan wel het feitelijk woonadres
                    indien de cliënt met een briefadres in de BRP ingeschreven staat of zal staan.
                    De toevoeging ‘zal hebben’ is opgenomen om cliënten niet de mogelijkheid te
                    ontnemen naar de gemeente Montferland te kunnen verhuizen. Wel zal de cliënt bij
                    de keuze van een woning nadrukkelijk rekening moeten houden met de diens
                    beperkingen. Dat valt onder zijn eigen verantwoordelijkheid. Zie verder artikel
                    9.4 van de verordening.</al><tussenkop>Artikel 1.1 lid 1 onder l: instelling</tussenkop><al>De wet definieert (mogelijk onbedoeld) niet wat onder een instelling wordt
                    verstaan. Afhankelijk van het individuele geval kan het college ook kortdurend
                    verblijf verlenen in een accommodatie van een aanbieder. Het spreekt voor zich
                    dat dit wel een door het college goedgekeurde accommodatie is, waar de
                    noodzakelijke kwalitatieve ondersteuning en/of zorg wordt geboden. Ook kan
                    (tijdelijk) verblijf in een instelling ertoe leiden dat een maatwerkvoorziening
                    (tijdelijk) wordt beëindigd. Zie artikel 12.1 van de verordening.</al><tussenkop>Artikel 1.1 onder m: leefeenheid</tussenkop><al>De begripsbepaling vloeit voort uit de bepaling over gebruikelijk hulp. Het gaat
                    om de genoemde personen die gemeenschappelijk een woning bewonen en gezamenlijk
                    een huishouden voeren. Het college kan tot het oordeel komen dat van hen
                    gebruikelijke hulp kan worden gevergd.</al><tussenkop>Artikel 1.1 lid 1 onder n: meerkosten</tussenkop><al>Deze begripsbepaling is relevant voor de toepassing van artikel 4.2, tweede lid
                    onder b, van de verordening. Een persoon zonder beperkingen heeft de hier
                    bedoelde ‘meerkosten’ van een voorziening niet. Dat betekent dat in voorkomende
                    gevallen slechts het ‘meerdere’ voor verstrekking van een maatwerkvoorziening of
                    persoonsgebonden budget in aanmerking kan komen als dat noodzakelijk blijkt om
                    de cliënt in staat te stellen tot zelfredzaamheid en participatie (in
                    aanvaardbare mate).</al><tussenkop>Artikel 1.1 lid 1 onder o: normale gebruik van de woning</tussenkop><al>De begripsbepaling is van belang bij het verlenen van woningaanpassingen,
                    hulpmiddelen of ondersteuning bij een schoon en leefbaar huis. Deze
                    maatwerkvoorzieningen zijn slechts gericht op het normale gebruik van de
                    woning.</al><tussenkop>Artikel 1.1 lid 1 onder p: onverwijld</tussenkop><al>Spreekt voor zich, behoeft geen toelichting.</al><tussenkop>Artikel 1.1 lid 1 onder q: persoonlijk plan</tussenkop><al>In een persoonlijk plan beschrijft de cliënt welke maatschappelijke
                    ondersteuning volgens hem het meest is aangewezen als passende bijdrage,
                    eventueel in aanvulling op eigen oplossingen, die nodig is/zijn om in
                    aanvaardbare mate zelfredzaam te zijn en te kunnen participeren.</al><tussenkop>Artikel 1.1 lid 1 onder r: spoedeisend geval</tussenkop><al>Het is aan de cliënt om te stellen en te onderbouwen dat sprake is van een
                    spoedeisende situatie. Het is dan ter beoordeling aan het college of een
                    maatwerkvoorziening in natura moet worden ingezet, dit in afwachting van de
                    resultaten van het gesprek. Gelet op het spoedeisende karakter is (nog) geen
                    sprake van het toekennen van een persoonsgebonden budget.</al><tussenkop>Artikel 1.1 lid 1 onder s: vervoersvoorziening</tussenkop><al>Spreekt voor zich. Voorbeelden zijn een scootmobiel of een driewielfiets.</al><tussenkop>Artikel 1.1 lid 1 onder t: voorliggende voorziening</tussenkop><al>Er bestaat geen aanspraak op maatschappelijke ondersteuning voor zover met
                    betrekking tot de problematiek, die in het gegeven geval aanleiding geeft voor
                    de noodzaak tot de ondersteuning, een voorziening bestaat op grond van een
                    andere wettelijke regeling. Het behoort tot de eigen verantwoordelijkheid van de
                    aanvrager daar ook daadwerkelijk een beroep op te doen. Daaronder kan ook een
                    privaatrechtelijke regeling worden verstaan. Denk bijvoorbeeld aan het afsluiten
                    van een aanvullende zorgverzekering.</al><tussenkop>Artikel 1.1 lid 1 onder u: Wet</tussenkop><al>Spreekt voor zich, behoeft geen toelichting.</al><tussenkop>Artikel 1.1 lid 1 onder v: woning</tussenkop><al>Onder een woning wordt een zelfstandige woonruimte verstaan bestemd én geschikt
                    voor permanente bewoning. Dat blijkt in ieder geval uit het hebben van een eigen
                    toegang en dat verder geen wezenlijke woonfuncties met andere woningen worden
                    gedeeld. Kamerhuur valt niet onder het begrip woning. Een woonschip en een
                    woonwagen kunnen ook als woning worden aangemerkt. Verder geldt voor een woning
                    wat daar naar algemeen maatschappelijke aanvaarde maatstaven onder wordt
                    verstaan. Een woning voldoet (minimaal) aan het niveau van sociale woningbouw,
                    hetgeen betekent dat de woning moet zijn voorzien van een woonkamer, een keuken,
                    inpandige sanitaire ruimten (badkamer en toilet) en voldoende slaapkamers voor
                    alle gezinsleden. Woningen waarin de cliënt woonachtig is en beschikt over een
                    persoonlijke gedoogverklaring worden gelijkgesteld met permanente bewoning.</al><tussenkop>Artikel 1.1 lid 1 onder w: woonvoorziening</tussenkop><al>De wet geeft geen definitie van een woonvoorziening. Dat kan een
                    woningaanpassing of hulpmiddel zijn met betrekking tot de ondersteuning gericht
                    op het wonen. Soms wordt in de verordening de wettelijke definitie
                    woningaanpassing gebruikt.</al><tussenkop>Artikel 1.1 lid 2</tussenkop><al>Spreekt voor zich, behoeft geen toelichting.</al><tussenkop>Artikel 1.2 lid 1 en 2</tussenkop><al>Het bieden van maatschappelijke ondersteuning heeft betrekking op ingezetenen
                    van de gemeente Montferland. Het tweede lid bepaalt wie als ingezetene worden
                    aangemerkt.</al><tussenkop>Artikel 1.2 lid 3</tussenkop><al>Onder maatschappelijke ondersteuning valt ook het bieden van beschermd wonen en
                    opvang. Hoewel in de Wmo 2015, in tegenstelling tot de Wmo 2007, geen
                    centrumgemeenten zijn aangewezen zijn het wel deze gemeenten die de hiervoor
                    genoemde maatwerkvoorzieningen bieden. Daarvoor ontvangen zij ook de middelen
                    van het Rijk. Voor de gemeente Montferland treedt de gemeente Doetinchem op als
                    centrumgemeente voor beschermd wonen en de gemeente Arnhem voor opvang. Middels
                    mandaatbesluiten worden door de gemeente Doetinchem de meldingen en bijbehorende
                    aanvragen om beschermd wonen en opvang uitgevoerd en door de gemeente Arnhem
                    hetzelfde voor opvang. Er vindt zonodig een zorgvuldige overdracht plaats naar
                    de gemeenten.</al><tussenkop>HOOFDSTUK 2 PROCEDUREGELS</tussenkop><al>In dit hoofdstuk van de verordening worden de procedureregels beschreven. Het
                    gaat om de manier waarop het college om gaat met de melding van cliënten en hoe
                    het onderzoek wordt gedaan en afgerond. De wettelijke termijn waarbinnen de
                    procedure moet zijn afgerond is zes weken. De regels van de Algemene wet
                    bestuursrecht zijn niet (direct) van toepassing op de procedure. Het college
                    moet het onderzoek wel op zorgvuldige wijze uitvoeren. De rechtsbescherming van
                    de cliënt is gelegen in het feit dat zes weken na de melding in ieder geval een
                    aanvraag kan worden ingediend (art. 2.3.2, negende lid, van de wet).</al><tussenkop>Artikel 2.1 lid 1 en 2</tussenkop><al>Een ieder kan zich bij het college melden. In de meeste gevallen zal dat door de
                    cliënt zelf al dan niet samen met zijn mantelzorger of een andere persoon uit
                    zijn sociaal netwerk gebeuren. Ook kan sprake zijn van een vertegenwoordiger als
                    bedoeld in artikel 1.1.1, tweede lid, van de wet. Om te spreken van een melding
                    wordt onderscheid gemaakt tussen een verzoek om informatie en advies en een
                    melding. Verwezen wordt naar de begripsbepaling van de verordening. Dit is van
                    belang omdat een melding leidt tot een gesprek, zie artikel 2.3 van de
                    verordening. Zoals bij wet is voorgeschreven bevestigt het college de ontvangst
                    van de melding aan de cliënt. Het tweede lid bepaalt dat het college dat
                    schriftelijk doet. Na de melding start het college het onderzoek als bedoeld in
                    artikel 2.3.2 van de wet: er vindt een gesprek plaats (zie verder artikel 2.3
                    van de verordening).</al><tussenkop>Artikel 2.1 lid 3</tussenkop><al>De hoofdregel is dat het college na de melding eerst een gesprek voert met de
                    cliënt. Een uitzondering geldt voor spoedeisende situaties, zie begripsbepaling
                    van de verordening. Het ligt op de weg van degene die zich meldt het
                    spoedeisende karakter van de situatie aannemelijk te maken. Het college zet in
                    voorkomende gevallen direct een maatwerkvoorziening in, dit in afwachting van de
                    uitkomsten van het gesprek. Dit zal zich in de praktijk echter niet snel
                    voordoen.</al><tussenkop>Artikel 2.2 lid 1 en 2</tussenkop><al>Artikel 2.2.4 van de wet draagt het college op in ieder te geval te zorgen voor
                    twee vormen van maatschappelijke ondersteuning. Het gaat om cliëntondersteuning
                    en een anoniem luisterend oor en advies. Het gaat in alle gevallen om
                    onafhankelijke ondersteuning ten behoeve de cliënt waarbij zijn belang het
                    uitgangspunt moet zijn. Cliëntondersteuning is overigens domeinoverstijgend en
                    hoeft niet alleen betrekking te hebben op de Wmo. Dit maakt integrale
                    dienstverlening aan cliënten en/of burgers nog beter mogelijk. Voorafgaande aan
                    het gesprek informeert het college de cliënt en/of diens mantelzorger over deze
                    mogelijkheden. Het college kan deze cliëntondersteuning aanbieden, maar cliënten
                    moeten zich ook kunnen laten bijstaan door andere (externe) ondersteuners. Denk
                    aan een bestaande cliënten- of belangenorganisatie. Van belang is verder nog dat
                    de gemeente er zorg voor moet dragen dat cliëntondersteuning en het beslissen op
                    een aanvraag niet in één hand kunnen liggen. De cliëntondersteuner dient immers
                    onpartijdig te zijn en alleen in het belang van de cliënt te handelen.</al><tussenkop>Artikel 2.3 lid 1 en 2</tussenkop><al>Nadat de cliënt zich heeft gemeld wijst het college op de mogelijkheid om een
                    persoonlijk plan in te dienen (zie begripsbepaling van de verordening). De wet
                    bepaalt dat een persoonlijk plan zeven dagen na de melding bij het college kan
                    worden ingediend. Het spreekt voor zich dat het college dat plan betrekt bij het
                    onderzoek na de melding van de hulpvraag.</al><tussenkop>Artikel 2.4 lid 1</tussenkop><al>Het is van groot belang dat het onderzoek in goede samenspraak met de cliënt
                    plaatsvindt; alleen dan kan goed in kaart worden gebracht wat iemands problemen
                    zijn, wat zijn leefomstandigheden en zijn sociale omgeving (gezin en sociaal
                    netwerk) zijn en wat de mogelijke oplossingen daarvoor zijn. Daarom wordt het
                    gesprek ook zoveel mogelijk bij de cliënt thuis gedaan.</al><al>Daarbij is het natuurlijk ook nodig dat de cliënt over zichzelf en zijn situatie
                    zo volledig mogelijke gegevens aan het college verstrekt. Analoog aan artikel
                    4:2 van de Awb is wettelijk bepaald dat de cliënt daartoe ook in de
                    onderzoeksfase gehouden is. Van de cliënt die zich heeft gemeld, wordt
                    vanzelfsprekend verwacht dat hij meewerkt aan de uitvoering van het
                    noodzakelijke onderzoek en daarvoor ook de noodzakelijke informatie verstrekt.
                    Daarbij neemt het college vanzelfsprekend de persoonlijke situatie in
                    ogenschouw. In principe zal de cliënt het college actief moeten informeren over
                    personen die onderdeel uitmaken van zijn sociale netwerk en over wat deze
                    personen al dan niet bij de maatschappelijke ondersteuning voor hem zouden
                    kunnen betekenen. Daarnaast kan het beschikken over persoonsgegevens
                    noodzakelijk zijn om tot een goede uitvoering van het onderzoek te komen. Dit
                    kunnen, gelet op de wettelijke opdracht om tot een zo integraal mogelijke
                    benadering te komen, ook gegevens van zorgverzekeraars, zorgaanbieders,
                    jeugdhulp, onderwijs en werk en inkomen. Het is van belang dat de cliënt tijdens
                    het onderzoek op de hoogte wordt gesteld van de verwerking en verstrekking van
                    deze gegevens en dat het college daarvoor aan de cliënt toestemming vraagt. </al><tussenkop>Artikel 2.4 lid 2 en 3</tussenkop><al>Bij wet is geregeld dat de cliënt gehouden is zich desgevraagd te legitimeren
                    (art. 2.3.4, tweede lid, van de wet). Voor de mantelzorger en de
                    vertegenwoordiger van de cliënt is dat niet het geval. Uit het oogpunt van
                    zorgvuldigheid is de bevoegdheid daartoe bij verordening bepaald.</al><tussenkop>Artikel 2.5 lid 1</tussenkop><al>Na bevestiging van hulpvraag wordt een afspraak gemaakt voor een gesprek. Op
                    voorhand bepaalt de verordening niet precies wanneer deze afspraak wordt
                    gemaakt. Afhankelijk van de hulpvraag kan het namelijk zijn dat het college
                    eerst gegevens wil verzamelen voor een goede voorbereiding op het gesprek.
                    Daarvoor kan, zoals gezegd, ook medewerking van de cliënt nodig zijn. Bij het
                    gesprek kunnen ook andere personen dan de cliënt aanwezig zijn. Denk
                    bijvoorbeeld aan de mantelzorger of andere personen uit diens sociale netwerk.
                    In het gesprek wordt in samenspraak met de cliënt bekeken welk resultaat hij wil
                    bereiken ten aanzien van zijn zelfredzaamheid en participatie en welke
                    oplossingen daarvoor mogelijk zouden kunnen zijn. Daarbij staat zijn belang
                    voorop. Het spreekt voor zich dat aanwezigheid van personen uit het sociale
                    netwerk van een cliënt een meerwaarde hebben. Denk ook aan de oplossingen die
                    zij geheel of gedeeltelijk zouden kunnen bieden waarmee de zelfredzaamheid van
                    de cliënt wordt versterkt of zal verbeteren. In geval van mantelzorg wordt de
                    mantelzorger altijd uitgenodigd voor het gesprek. Het is namelijk van belang te
                    weten of de mantelzorger ondersteuning behoeft in verband met het verlenen van
                    mantelzorg. Dat is overigens een wettelijke opdracht van het college.</al><tussenkop>Artikel 2.5 lid 2</tussenkop><al>Om duidelijkheid aan de cliënt te verschaffen geeft het college informatie over
                    de procedure en vraagt de cliënt toestemming om zijn persoonsgegevens te
                    verwerken.</al><tussenkop>Artikel 2.5 lid 3 en 4</tussenkop><al>De wet bepaalt welke onderwerpen tijdens het onderzoek aan bod dienen te komen.
                    Het spreekt voor zich dat het persoonlijk plan en de ondersteuningsbehoefte van
                    de mantelzorger onderdeel uitmaken van het onderzoek. Daarbij wordt gekeken naar
                    de behoeften, mogelijkheden en belastbaarheid van de mantelzorger en het sociale
                    netwerk. Met het indienen van een persoonlijk plan is overigens niet gezegd dat
                    het college gehouden is, indien een aanvraag wordt ingediend, (volledig)
                    tegemoet te komen aan de wensen zoals die in dat plan zijn beschreven. Dat zal
                    het college in voorkomende gevallen wel nader dienen te motiveren bij de
                    besluitvorming.</al><al>Verder heeft het college de wettelijke informatieplicht om in begrijpelijke
                    bewoordingen uit te leggen welke mogelijkheden er zijn om te kiezen voor een
                    persoonsgebonden budget en wat de gevolgen van die keuze zijn.</al><tussenkop>Artikel 2.5 lid 5</tussenkop><al>Het kan voorkomen dat de situatie van cliënt ten aanzien van zijn
                    ondersteuningsbehoefte voldoende bekend is bij het college. Het uitvoeren van
                    een gesprek in het kader van het onderzoek kan daar in die gevallen mogelijk
                    niets toevoegen. Alleen in overeenstemming met de cliënt kan dan worden afzien
                    van een gesprek. Denk bijvoorbeeld aan de melding van een reparatie aan een
                    rolstoel. Er kan zonodig een kort verslag worden opgesteld welke door het
                    college kan worden aangemerkt als aanvraag indien de cliënt dat aangeeft.</al><tussenkop>Artikel 2.6 lid 1 en 2</tussenkop><al>Overeenkomstig artikel 2.3.2, vijfde lid, van de wet wordt van het gesprek een
                    verslag opgesteld dat aan de cliënt verstrekt wordt. Daarin staan het in
                    samenspraak met de cliënt, en indien aanwezig de mantelzorger en andere personen
                    uit het sociale netwerk, tot stand gekomen oplossingen. Het spreekt voor zich
                    dat het persoonlijk plan en de ondersteuningsbehoefte van de mantelzorger
                    onderdeel uitmaken van het verslag. Het verslag vormt de belangrijkste basis
                    voor de beslissing op de eventueel in te dienen aanvraag. Nadat de cliënt
                    beschikt over het verslag is het zijn verantwoordelijkheid, al dan niet in
                    samenspraak met diens mantelzorger, om zelf te beslissen of een aanvraag wordt
                    ingediend. Ook de cliëntondersteuner kan hierbij een rol spelen. Soms kan een
                    verslag al direct worden meegegeven, maar vaak zal het moeten worden uitgewerkt.
                    Ook kan het zijn dat de cliënt na het gesprek nog informatie of gegevens moet
                    aanleveren. Zie ook de toelichting bij artikel 2.4, eerste lid, van de
                    verordening.</al><tussenkop>Artikel 2.6 lid 3</tussenkop><al>Het kan voorkomen dat de cliënt opmerkingen of aanvullingen heeft op het verslag
                    zoals het college dat heeft verstrekt. Deze kunnen van belang zijn voor de
                    beslissing op de eventueel in te dienen aanvraag. Daarom kan het college deze
                    toevoegen aan het verslag.</al><tussenkop>Artikel 2.7 lid 1</tussenkop><al>Voor de uitvoering van de wet vraagt het college advies als het zelf niet ter
                    zake deskundig is. Dat kan het geval zijn tijdens de melding of nadat de
                    aanvraag is ingediend. Aanspraak op een maatwerkvoorziening bestaat indien de
                    cliënt beperkingen ondervindt die objectiveerbaar zijn, vast te stellen aan de
                    hand van reguliere onderzoeksmethoden (vergelijk CRVB:2009:BK4567 en
                    CRVB:2012:BY0324). In het eerste lid zijn voorbeelden genoemd wanneer het
                    college daartoe kan overgaan.</al><tussenkop>Artikel 2.7 lid 2</tussenkop><al>Uit de artikel 2.3.8, derde lid, van de wet vloeit voort dat de cliënt
                    medewerking verleent aan het onderzoek door gehoor te geven aan een oproep van
                    de medisch adviseur of het -via een machtiging- toestemming verlenen om medische
                    informatie te mogen inwinnen bij de huisarts of specialist. Wordt de bedoelde
                    medewerking niet verleend, dan kan dat tot gevolg hebben dat het college het
                    recht op een maatwerkvoorziening niet kan vaststellen. Daarbij geldt wel dat het
                    college het recht op een maatwerkvoorziening niet op andere wijze dan door het
                    verlenen van de medewerking en/of de bedoelde machtiging kan vaststellen
                    (CRVB:2012:BY0448). De hier bedoelde plicht geldt ook voor de huisgenoten als
                    aannemelijk is dat door hen geen of slechts beperkt gebruikelijke hulp kan
                    worden verleend. Naast het oproepen van de cliënt of zijn huisgenoot kan het
                    college ook deskundigen raadplegen op het gebied van bijvoorbeeld een
                    woningaanpassing.</al><tussenkop>HOOFDSTUK 3 AANVRAAG EN BESCHIKKING</tussenkop><al>Vanaf het moment dat de cliënt een aanvraag indient voor een
                    maatwerkvoorziening, is er sprake van enige vorm van juridisering. Dat is een
                    onvermijdelijk gevolg van het aanvragen van de maatwerkvoorziening en heeft met
                    name tot doel om de rechtszekerheid van de cliënt te waarborgen. Het college
                    beslist in principe binnen twee weken op de aanvraag.</al><tussenkop>Artikel 3.1 lid 1, 2 en 3</tussenkop><al>Pas na verstrekking van een schriftelijk verslag van het onderzoek naar
                    aanleiding van de melding kan een aanvraag voor een maatwerkvoorziening worden
                    gedaan, tenzij het onderzoek niet binnen zes weken is uitgevoerd (art. 2.3.2,
                    negende lid, van de wet). De aanvraag wordt in principe ingediend op een door
                    het college beschikbaar gesteld formulier. Om administratieve lasten te
                    voorkomen kan het verslag ook als aanvraag worden aangemerkt indien de cliënt
                    dat schriftelijk aangeeft.</al><tussenkop>Artikel 3.1 lid 4</tussenkop><al>De wet bepaalt niet wanneer de cliënt zijn aanvraag moet indienen. Strikt
                    genomen betekent dit dat bijvoorbeeld zes maanden, nadat het college het verslag
                    aan de cliënt heeft verstrekt, de aanvraag nog kan worden gedaan terwijl de
                    feiten en omstandigheden gewijzigd zouden kunnen zijn. De wetgever meent evenwel
                    dat het tot de verordenende bevoegdheid van de gemeenteraad valt om te bepalen
                    tot wanneer de aanvraag kan worden ingediend. Later dan twee maanden wordt ‘de
                    aanvraag’ als melding van een hulpvraag aangemerkt als bedoeld in artikel 2.1
                    van de verordening.</al><tussenkop>Artikel 3.1 lid 5</tussenkop><al>Spreekt voor zich, behoeft geen toelichting. Het gaat om een wettelijke
                    verplichting (art. 2.3.4, tweede lid, van de wet).</al><tussenkop>Artikel 3.1 lid 6 en 7</tussenkop><al>Artikel 2.3.5, tweede lid, van de wet bepaalt dat het college binnen twee weken
                    na ontvangst van de aanvraag dient te beslissen. Het kan echter voorkomen dat
                    het college in verband met de zorgvuldige voorbereiding van dat besluit een
                    deskundigenadvies nodig heeft zoals bedoeld in artikel 2.7 van de verordening.
                    Het behoeft geen toelichting dat het college doorgaans niet over een dergelijk
                    advies zal kunnen beschikken binnen de genoemde termijn. Het college heeft de
                    bevoegdheid de beslistermijn van de aanvraag op te schorten onder toepassing van
                    artikel 4:14 Awb. Uit de wet vloeit voort dit ook te doen indien de cliënt niet
                    de benodigde gegevens, bescheiden of medewerking heeft verleend aan het
                    onderzoek (als bedoeld in art. 2.3.2, vierde lid, van de wet) voor zover dat van
                    belang is voor het beoordelen van de aanspraak. Dit gebeurt dan onder toepassing
                    van artikel 4:15 Awb.</al><tussenkop>Artikel 3.2</tussenkop><al>De cliënt dient op basis van de toekenningsbeschikking die hij ontvangt de
                    informatie krijgen die nodig is om zijn rechtspositie te bepalen en te
                    begrijpen. Hiervoor is nodig dat de beschikking de cliënt goed en volledig
                    informeert. Mede met het oog op het te leveren maatwerk zijn in dit artikel de
                    onderwerpen opgenomen die in ieder geval in de beschikking dienen te worden
                    opgenomen.</al><tussenkop>HOOFDSTUK 4 BEOORDELING VAN DE AANSPRAAK</tussenkop><tussenkop>Artikel 4.1 lid 1 aanhef</tussenkop><al>In dit artikel zijn voor de kenbaarheid de algemene criteria van artikel 2.3.5,
                    derde lid, van de wet opgenomen voor de beoordeling van de aanspraak door het
                    college. Het verstrekken van een maatwerkvoorziening is in het kader van de wet
                    zoals ook bedoeld in dit hoofdstuk nadrukkelijk de hekkensluiter. Dit neemt
                    overigens niet weg dat het de cliënt altijd vrij staat om een aanvraag in te
                    dienen nadat het gesprek (het onderzoek) is afgerond. Het college kan die
                    aanvraag onder toepassing van de wet of bepalingen in de verordening afwijzen
                    maar ook indien het van oordeel is dat de cliënt niet is aangewezen op een
                    maatwerkvoorziening gelet op het bepaalde in de wet zoals hier bedoeld.</al><tussenkop>Artikel 4.1 lid 1 aanhef en onder a</tussenkop><al>Een belangrijk onderdeel van die beoordeling is de eigen kracht. Daaronder wordt
                    dat verstaan wat binnen het vermogen van de cliënt ligt om zelf tot verbetering
                    van zijn zelfredzaamheid of participatie te komen. De cliënt zal zich -in een
                    door het college te bepalen mate- moeten inspannen om dat aan te wenden wat
                    binnen zijn eigen bereik ligt om zelf in zijn behoefte op het gebied van
                    maatschappelijke ondersteuning te voorzien. Zo zou iemand bijvoorbeeld
                    maatschappelijk nuttige activiteiten kunnen verrichten om zijn
                    participatieprobleem aan te pakken. Het verrichten van dergelijke activiteiten
                    is onder de Wmo niet verplicht. Onder eigen kracht kan ook letterlijk eigen
                    kracht worden verstaan. Denk bijvoorbeeld aan het in staat zijn om bepaalde
                    huishoudelijke taken zelf uit te voeren. Daarbij zal het college bijvoorbeeld
                    rekening kunnen houden met een (rustiger) tempo waarbinnen dat gebeurt maar ook
                    met redelijkerwijs in acht te nemen leefregels waardoor de huishoudelijke taken
                    verspreid over de week zelf kunnen worden uitgevoerd.</al><al>Onder eigen kracht wordt ook het aanspreken van het sociale netwerk verstaan.
                    Cliënten vinden het niet altijd makkelijk of zijn niet (meer) gewend om een
                    ander te vragen iets voor hen te doen. Dit terwijl mensen in het netwerk vaak
                    best bereid zijn iets voor een ander te betekenen. Dit zal ook onderwerp zijn
                    van het gesprek, waarbij het college personen uit de sociale omgeving kan
                    betrekken. Zoals gezegd kunnen deze personen ook worden uitgenodigd bij het
                    gesprek (zie art. 2.5 van de verordening). Van de cliënt mag in principe worden
                    verwacht dat hij personen uit zijn sociale netwerk vraagt om hulp. Zie ook het
                    bepaalde onder c van dit artikel.</al><tussenkop>Artikel 4.1 lid 1 aanhef en onder b</tussenkop><al>Gebruikelijke hulp heeft alleen betrekking op personen die binnen de leefeenheid
                    van de cliënt vallen (zie begripsbepaling van de verordening). Indien naar
                    oordeel van het college gebruikelijke hulp kan worden verlangd, bestaat er geen
                    aanspraak op een maatwerkvoorziening. Zie ook toelichting bij artikel 4.3 van de
                    verordening.</al><tussenkop>Artikel 4.1 lid 1 aanhef en onder c</tussenkop><al>Mantelzorg is niet afdwingbaar. Maar het ontvangen van mantelzorg kan bijdragen
                    aan het in staat zijn tot zelfredzaamheid en participatie. Het is daarom van
                    groot belang dat het college tijdens het onderzoek nagaat of, en zo ja welke
                    ondersteuningsbehoefte de mantelzorger heeft zodat de taken kunnen worden
                    volgehouden.</al><al>Ook het bieden van ondersteuning door personen uit het sociale netwerk is niet
                    afdwingbaar. Wel is het zo dat het in principe aan cliënt is om zijn sociale
                    netwerk te vragen of zij hem kunnen en willen ondersteunen opdat zijn
                    beperkingen in de zelfredzaamheid en participatie worden verminderd of
                    weggenomen. Zie ook de toelichting bij het bepaalde onder a van dit
                    artikel.</al><tussenkop>Artikel 4.1 lid 1 aanhef en onder d</tussenkop><al>Uit de systematiek van de wet vloeit voort dat als de cliënt gebruik kan maken
                    van algemene voorzieningen die de beperkingen in de zelfredzaamheid en
                    participatie kunnen verminderen of wegnemen, er geen taak is voor het college
                    een maatwerkvoorziening te verlenen. </al><tussenkop>Artikel 4.1 lid 2</tussenkop><al>Het tweede lid van dit artikel is de wettelijke weergave van de tweede volzin
                    van artikel 2.3.5, derde lid, van de wet. Zie verder de toelichting hierna.</al><tussenkop>Artikel 4.2 lid 1 aanhef en onder a</tussenkop><al>Hierin is bepaald dat de maatwerkvoorziening de cliënt in staat moet stellen tot
                    zelfredzaamheid en participatie. Het begrip ‘zelfredzaamheid’ bevat twee
                    elementen: het uitvoeren van de noodzakelijke algemene dagelijkse
                    levensverrichtingen en het voeren van een gestructureerd huishouden. Het begrip
                    wordt gebruikt om te bepalen in hoeverre iemand zelfredzaam is. Voor de
                    zelfredzaamheid van mensen zijn de volgende algemene dagelijkse
                    levensverrichtingen van belang: in en uit bed komen, aan- en uitkleden, bewegen,
                    lopen, gaan zitten en weer opstaan, lichamelijke hygiëne, toiletbezoek,
                    eten/drinken, medicijnen innemen, ontspanning, sociaal contact. Ondersteuning
                    met het oog op het voeren van een gestructureerd huishouden omvat bijvoorbeeld
                    hulp bij contacten met officiële instanties, hulp bij het aanbrengen van
                    structuur in het huishouden, hulp bij het leren om zelfstandig te wonen, hulp
                    bij het omgaan met onverwachte gebeurtenissen die de dagelijkse structuur
                    doorbreken of hulp bij het omgaan met geld. Bij ‘participatie’ gaat het om het
                    deelnemen aan het maatschappelijke verkeer, dit wil zeggen dat iemand, ondanks
                    zijn lichamelijke of geestelijke beperkingen, op gelijke voet met anderen in
                    redelijke mate mensen kan ontmoeten, contacten kan onderhouden, boodschappen kan
                    doen en aan maatschappelijke activiteiten kan deelnemen. Daarvoor is het ook een
                    vereiste dat de cliënt zich kan verplaatsen.</al><al>In welke mate iemand zelfredzaam moet kunnen zijn en kan participeren is niet in
                    de wet bepaald omdat het, vanzelfsprekend, mede afhankelijk is van de
                    individuele situatie van de cliënt. Wel bepaalt de wet dat de
                    maatwerkwerkvoorziening daar een passende bijdrage aan dient te leveren. Wat
                    passend is, is strikt genomen een open norm. De verplichting om een
                    maatwerkvoorziening te verstrekken, gaat echter niet zo ver dat de aanvrager in
                    exact dezelfde of wellicht zelfs betere positie wordt gebracht dan waarin hij
                    verkeerde voor hij de ondersteuning nodig had. De gevraagde ondersteuning dient
                    in een redelijke verhouding te staan tot wat de situatie van de aanvrager was
                    voor hij ondersteuning nodig had. In het artikel is daarom toegevoegd dat het in
                    het algemeen om een aanvaardbaar niveau dient te gaan. Een voorbeeld daarvan is
                    dat onder deelname aan het maatschappelijk verkeer (hoofdstuk 10 van de
                    verordening) in ieder geval 1500-2000 kilometer zich kunnen verplaatsen wordt
                    verstaan. Dit geldt vanzelfsprekend alleen als de cliënt zijn
                    participatieprobleem niet ‘zelf of met hulp van anderen’ kan oplossen. Tevens is
                    opgenomen dat de maatwerkvoorziening wordt verleend mede met het oog op het zo
                    lang mogelijk in de eigen leefomgeving kunnen blijven wonen. Dit kan alleen van
                    het college worden gevergd als dat ook op een verantwoorde wijze kan. Deze
                    toevoeging heeft te maken met de mogelijke aanspraak die een cliënt kan hebben
                    op toegang tot de Wet langdurige zorg (zie artikel 2.3.5, zesde lid, van de
                    wet). In 2015 geldt voor het beslissen op aanvragen om hulpmiddelen en
                    woningaanpassingen wel overgangsrecht (zie art. 2.3.5, zevende lid, van de wet
                    en art. 8.6a van de wet).</al><tussenkop>Artikel 4.2 lid 1 aanhef en onder b</tussenkop><al>Het college is in voorkomende gevallen slechts gehouden de naar objectieve
                    maatstaven gemeten goedkoopst passende bijdrage te bieden. Deze voorwaarde komt
                    overeen met de ‘goedkoopst compenserende voorziening’ zoals in de Wmo 2007 wordt
                    gehanteerd. Maatwerkvoorzieningen die kostenverhogend werken zonder dat zij de
                    maatwerkvoorziening passender maken, komen in principe niet voor toekenning in
                    aanmerking.</al><tussenkop>Artikel 4.2 lid 1 aanhef en onder c</tussenkop><al>Omdat een maatwerkvoorziening een individuele voorziening is, spreekt het voor
                    zich dat deze ook in overwegende mate op de cliënt gericht is. Zie echter ook
                    artikel 5.1, aanhef onder e, van de verordening. Daar is bepaald dat tijdelijke
                    ondersteuning aan huisgenoten en/of het sociale netwerk van de cliënt ook tot de
                    mogelijkheden behoort.</al><tussenkop>Artikel 4.2 lid 1 aanhef en onder d</tussenkop><al>De Wmo 2015 kent, in tegenstelling tot de Wmo 2007, geen specifieke bepaling
                    waarin het college in ieder geval niet gehouden is een maatwerkvoorziening te
                    verlenen. Echter valt niet in te zien waarom het college gehouden is een
                    maatwerkvoorziening te verlenen indien een andere wettelijke regeling kan
                    voorzien in de behoefte aan maatschappelijke ondersteuning. Vanwege het
                    ontbreken van een generieke weigeringsgrond lijkt de Wmo 2015 een complementair
                    karakter te hebben. Echter de eigen verantwoordelijkheid van de cliënt speelt in
                    de Wmo 2015 een hele belangrijke rol. Dat brengt mee dat het in principe onder
                    de eigen verantwoordelijkheid van de cliënt valt een beroep te doen op een
                    ‘andere wettelijke regeling’ die een aanspraak meebrengt met het oog op de
                    behoefte aan maatschappelijke ondersteuning. Denk aan het afsluiten van en/of
                    gebruik te maken van een aanvullende zorgverzekering (vergelijk CRVB:2011:BT7241
                    en CRVB:2013:CA1427), ook al is die niet in alle gevallen dekkend. Daaronder
                    valt ook de inzet van gelden uit een dergelijke aanspraak met het oog op een
                    specifieke bestemming. Denk bijvoorbeeld aan een vervoerskostenvergoeding op
                    grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (vergelijk
                    CRVB:2012:BV9433) of de inzet van het persoonsgebonden budget op grond van de
                    Wet langdurige zorg voor hulp bij het huishouden (vergelijk CRVB:2013:CA2974 en
                    CRVB:2014:3947).</al><al>Het is aan het college om te onderzoeken en zich op het standpunt te stellen dat
                    een dergelijk aanspraak bestaat of zou kunnen bestaan en dat het in het kader
                    van de eigen verantwoordelijkheid van de aanvrager kan worden gevergd dat daar
                    een beroep op wordt gedaan.</al><tussenkop>Artikel 4.2 lid 2</tussenkop><al>In dit lid zijn situaties opgenomen waaronder geen aanspraak op een
                    maatwerkvoorziening bestaat of kan bestaan. In de meeste van deze bepalingen
                    ligt het beginsel van de eigen verantwoordelijkheid van de cliënt besloten. In
                    de Wmo 2015 is de eigen verantwoordelijkheid van burgers nog meer verankerd dan
                    in de Wmo 2007. Indien de aanvraag voor een maatwerkvoorziening naar oordeel van
                    het college het gevolg is van niet dan wel onvoldoende nemen van de eigen
                    verantwoordelijkheid, dan kan het college de aanvraag afwijzen (vergelijk
                    CRVB:2012:BW6810 en CRVB:2013:776).</al><tussenkop>Artikel 4.2 lid 2 aanhef en onder a</tussenkop><al>In de lijn met de jurisprudentie die onder de Wet voorzieningen gehandicapten
                    (WVG) en Wmo 2007 tot stand is gekomen is het college ook onder de Wmo 2015 niet
                    gehouden voorzieningen te verlenen die voor de cliënt als algemeen gebruikelijk
                    zijn te beschouwen (vergelijk CRVB:2009:BK5657, CRVB:2010:BN1265, CRVB:2015:87
                    en RBSGR:2011:BQ5651). Verwezen wordt naar de begripsbepaling in de verordening. </al><al>Deze bepaling heeft dan ook als doel te voorkomen dat een voorziening wordt
                    verstrekt waarvan, gelet op de omstandigheden van de cliënt met beperkingen,
                    aannemelijk is dat deze daarover zou (hebben kunnen) beschikken als hij geen
                    beperkingen zou hebben gehad. Een voorziening is algemeen gebruikelijk als
                    deze:</al><lijst><li nr="1."><al>normaal in de handel verkrijgbaar is; en</al></li><li nr="2."><al>niet specifiek is bedoeld voor mensen met beperkingen; en</al></li><li nr="3."><al>niet substantieel duurder is dan vergelijkbare producten.</al></li></lijst><al>Het is ter beoordeling aan het college of er sprake is van een voorziening die
                    naar geldende maatschappelijke opvattingen tot het gangbare gebruiks- dan wel
                    bestedingspatroon van een persoon als de cliënt behoort. Hierbij is het inkomen
                    van belanghebbende in principe niet van belang (vergelijk RBARN:2012:BX8032).
                    Uitzonderingen zijn mogelijk als de voorziening vanwege omstandigheden van de
                    cliënt toch niet algemeen gebruikelijk zijn. Het gaat dan bijvoorbeeld om een
                    plotseling optredende beperking waardoor algemeen gebruikelijke voorzieningen
                    eerder dan normaal moeten worden vervangen. Voorzieningen die zijn afgeschreven
                    worden algemeen gebruikelijk geacht en als renovatie aangemerkt. Voorbeelden
                    zijn badkamers, sanitair, keuken, kranen, e.d..</al><tussenkop>Artikel 4.2 lid 2 aanhef en onder b</tussenkop><al>In sommige gevallen gebruiken mensen al jaren door hen zelf bekostigde
                    voorzieningen en melden zich voor een aanspraak op een maatwerkvoorziening na
                    het optreden van een beperking. In voorkomende gevallen kan dat leiden tot de
                    conclusie dat het optreden van die beperking geen meerkosten met zich meebrengt.
                    Denk bijvoorbeeld aan iemand die al geruime tijd een eigen auto tot zijn
                    beschikking heeft waarmee wordt voorzien in de verplaatsingsbehoefte mede gelet
                    op de beperkingen. Of iemand die al geruime tijd de beschikking had over hulp
                    bij het huishouden. Het begrip meerkosten hangt dan ook nauw samen met het
                    begrip algemeen gebruikelijk. Gewezen wordt op de begripsbepaling hieromtrent in
                    de verordening. </al><tussenkop>Artikel 4.2 lid 2 aanhef en onder c</tussenkop><al>Als de beoordeling van de aanvraag betrekking heeft op reeds eerder in het kader
                    van deze of hieraan voorafgaande verordeningen is verstrekt en de normale
                    afschrijvingstermijn daarvan nog niet is verstreken, dan wordt de aanvraag
                    afgewezen. Hierop kan een uitzondering worden gemaakt als de eerder vergoede of
                    verstrekte voorziening verloren is gegaan als gevolg van omstandigheden die niet
                    aan de cliënt zijn toe te rekenen, of tenzij de cliënt geheel of gedeeltelijk
                    tegemoetkomt in de veroorzaakte kosten. Hieronder wordt ook verstaan het risico
                    dat verzekerd kan worden met bijvoorbeeld de opstalverzekering. Verder geldt dat
                    als de cliënt een voorziening meeneemt op vakantie naar het buitenland, dat mag
                    worden verwacht dat daarvoor een adequate verzekering wordt afgesloten in geval
                    van schade of verlies. Voor zover een derde verantwoordelijk kan worden geacht
                    voor de schade, zal de cliënt deze derde aansprakelijk moeten stellen. Dat valt
                    onder de eigen verantwoordelijkheid van de cliënt.</al><tussenkop>Artikel 4.2 lid 2 aanhef en onder d</tussenkop><al>Met het oog op te verlenen maatwerkvoorzieningen mag het college ook rekening
                    houden met redelijkerwijs te vergen medewerking van de cliënt, diens
                    huisgenoten, zijn mantelzorger of aanbieder of van anderen uit diens sociale
                    netwerk. Zie ook het bepaalde in hoofdstuk 4 van de verordening. Op voorhand kan
                    niet worden gesteld wanneer daarvan sprake, dat is afhankelijk van de
                    individuele situatie. Te denken valt aan het reorganiseren van taken in het
                    huishouden opdat geen (volledige) aanpassing van de keuken nodig is. Ook kan
                    bijvoorbeeld worden gevergd dat de woning anders wordt ingericht of het
                    huishouden anders wordt georganiseerd opdat geen woonvoorziening hoeft te worden
                    verleend (vergelijk CRVB:2011:BQ8290). Er zijn uiteraard meer voorbeelden
                    denkbaar.</al><tussenkop>Artikel 4.2 lid 2 aanhef en onder e</tussenkop><al>Het is niet mogelijk limitatief te bepalen wanneer sprake is van omstandigheden
                    die als ‘risicosfeer’ worden aangemerkt en daarmee voor rekening dienen te
                    blijven van de cliënt. In voorkomende gevallen betekent dit concreet dat de
                    aanvraag om een maatwerkvoorziening wordt afgewezen. Het gaat in ieder geval
                    over (onomkeerbare) keuzes die de cliënt maakt of heeft gemaakt die hem door het
                    college kunnen worden tegengeworpen (vergelijk CRVB:2014:1161 en
                    CRVB:2013:BZ7735). In hoofdstuk 9 van de verordening is nader invulling gegeven
                    aan de bedoelde omstandigheden die betrekking hebben op de risicosfeer van de
                    cliënt in geval van aanvragen om woningaanpassingen.</al><tussenkop>Artikel 4.2 lid 3</tussenkop><al>De Wmo 2015 strekt er niet toe dat het college gehouden is om een
                    maatwerkvoorziening te verlenen als de (gevraagde) maatwerkvoorziening al vóór
                    de melding of de aanvraag gerealiseerd is. Met het realiseren hiervan is geen
                    sprake meer van het ondervinden van beperkingen in de zelfredzaamheid of
                    participatie (vergelijk RBOBR:2014:3092). Feitelijk volgt deze bepaling
                    rechtstreeks voort uit de wet. Onbekendheid van een cliënt met de terzake
                    geldende regelingen komen voor diens eigen rekening en risico (vergelijk
                    CRVB:1993:ZB2748).</al><tussenkop>Artikel 4.2 lid 4</tussenkop><al>In tegenstelling tot het bepaalde in het derde lid is hier sprake van een nog
                    niet gerealiseerde maatwerkvoorziening vóór de melding of de aanvraag. Dat
                    betekent dat er nog beperkingen (kunnen) worden ondervonden in de
                    zelfredzaamheid of participatie. Wel kan er in deze gevallen nog steeds sprake
                    zijn van omstandigheden die in principe in de risicosfeer liggen van de cliënt.
                    Door zich niet eerder te melden met het oog op een aanvraag in te dienen
                    ontneemt de cliënt het college de mogelijkheid te beoordelen of, en zo ja welke
                    aanspraak bestaat die als goedkoopste passende bijdrage kan gelden. Kan het
                    college de noodzaak nog wel vaststellen, dan kan worden overgegaan tot het
                    verlenen van een maatwerkvoorziening die als goedkoopst passende bijdrage wordt
                    aangemerkt (vergelijk CRVB:2012:BV5418).</al><tussenkop>Artikel 4.3 lid 1</tussenkop><al>Er is geen plaats voor het verlenen van een maatwerkvoorziening indien tot de
                    leefeenheid van de cliënt één of meer personen behoren die naar oordeel van het
                    college gebruikelijke hulp kunnen verlenen.</al><tussenkop>Artikel 4.3 lid 2 aanhef onder a, b en c</tussenkop><al>Het behoort tot de verordenende bevoegdheid van de gemeenteraad te bepalen wat
                    in ieder geval onder gebruikelijk hulp wordt verstaan. Het gaat over het
                    overnemen van of begeleiding bij het uitvoering van taken of
                    activiteiten/bezigheden. Wat volgens algemene maatstaven tot de levenssfeer van
                    personen van de leefeenheid behoort is deels afhankelijk van het individuele
                    geval. Maar in het kader van de eigen verantwoordelijkheid kunnen de volgende
                    voorbeelden worden genoemd. Van echtgenoten (of daarmee gelijkgestelden) ten
                    opzichte van elkaar mag worden verwacht dat zij elkaar bijstaan in bijvoorbeeld
                    begeleiding bij een huisartsenbezoek, het afleggen van familiebezoekjes, het
                    aansporen tot zelfzorg of innemen van medicatie. Ook geldt in het algemeen dat
                    kinderen -ongeacht het hebben van beperkingen- zijn aangewezen op zorg van hun
                    ouder(s). Er zijn vanzelfsprekend meer voorbeelden denkbaar. Zie verder onder
                    het derde lid van dit artikel.</al><tussenkop>Artikel 4.3 lid 3 aanhef</tussenkop><al>Bij het oordeel of gebruikelijke hulp van de betrokken huisgenoot kan worden
                    gevergd houdt het college rekening met de in dit artikel bepaalde feiten en
                    omstandigheden.</al><tussenkop>Artikel 4.3 lid 3 aanhef en onder a, b, c en d</tussenkop><al>Bij de beoordeling of gebruikelijke hulp kan worden gevergd van huisgenoten
                    hanteert het college een beoordelingsstructuur die gebaseerd is op de aard, de
                    omvang en de (te verwachten) duur van de ondersteuningsbehoefte van de cliënt
                    (onder a). Het college houdt daarbij rekening met de omstandigheden zoals
                    genoemd onder b, c en d. Verwezen wordt naar de begripsbepalingen van
                    gebruikelijke hulp, leefeenheid en huisgenoot van de verordening.</al><tussenkop>HOOFDSTUK 5 MAATSCHAPPELIJKE ONDERSTEUNING</tussenkop><tussenkop>Artikel 5.1</tussenkop><al>In dit hoofdstuk van de verordening wordt bepaald wat in ieder geval onder
                    maatschappelijke ondersteuning wordt verstaan. De opsomming komt voort uit (de
                    toelichting van) de wet. De maatwerkvoorziening gericht op het ontlasten van de
                    mantelzorger is bedoeld om te zorgen, onverminderd artikel 2.3.5, zesde lid, van
                    de wet, dat de cliënt zolang mogelijk op verantwoorde wijze in zijn eigen
                    leefomgeving kan blijven wonen. Onder omstandigheden kan een maatwerkvoorziening
                    ook een op maat van de persoon gesneden afgestemd geheel van maatregelen zijn,
                    vandaar ook de toevoeging ‘in ieder geval’. Daarbij kan het gaan om vormen van
                    hulp die beschikbaar zijn ter ondersteuning van verschillende cliënten, maar ook
                    om op maat voor iemand bedachte oplossingen. Deze kunnen ook betrekking hebben
                    op de afstemming als bedoeld in artikel 2.3.5, vijfde lid, van de wet.</al><tussenkop>Artikel 5.2 lid 1</tussenkop><al>De hoofdregel volgens de verordening is dat het primaat van de collectieve
                    maatwerkvoorziening geldt, zoals collectief vervoer (Regiotaxi) of
                    groepsondersteuning. Bij de beoordeling of het primaat kan worden toegepast
                    wordt altijd gekeken naar de individuele omstandigheden van het geval. Het
                    primaat van de Regiotaxi is al bekend onder de Wet voorzieningen gehandicapten
                    (WVG) en de Wmo 2007. Het spreekt voor zich dat het college zich op het
                    standpunt moet kunnen stellen dat een collectieve verstrekking een passende
                    bijdrage levert aan de zelfredzaamheid en participatie van de cliënt.</al><tussenkop>Artikel 5.2 lid 2 en 3</tussenkop><al>Verder is het zo dat de maatwerkvoorziening voor een kortdurende periode kan
                    worden verleend. De maatwerkvoorziening wordt dan ontwikkelingsgericht ingezet
                    hetgeen aansluit bij de bedoeling van de wetgever. Met ontwikkelingsgerichte
                    ondersteuning wordt beoogd de zelfredzaamheid en participatie van de cliënt te
                    versterken of verbeteren. Dat is (indirect) ook het geval als tijdelijk
                    maatwerkvoorziening wordt verleend omdat degene van wie gebruikelijke hulp wordt
                    gevergd dat (nog) niet kan maar dat wel kan leren. Onder het bepaalde in dit
                    artikel kan ook toeleiding naar algemene voorzieningen of voorliggende
                    voorzieningen worden verstaan.</al><tussenkop>HOOFDSTUK 6 PERSOONSGEBONDEN BUDGET</tussenkop><al>In dit hoofdstuk van de verordening zijn criteria opgenomen over de aanspraak,
                    bijbehorende verplichtingen verbonden aan het persoonsgebonden budget en regels
                    over het vaststellen van de hoogte van het persoonsgebonden budget.</al><tussenkop>Artikel 6.1 lid 1</tussenkop><al>De beoordeling of er recht bestaat op een persoonsgebonden budget is op grond
                    van artikel 2.3.6, tweede lid, van de wet voorbehouden aan het college. De
                    aanspraak op een persoonsgebonden budget is wettelijk bepaald voor de cliënt die
                    dat wenst. Daarmee is echter niet zonder meer gezegd dat er ook recht bestaat op
                    een persoonsgebonden budget. Het college beoordeelt of aan de voorwaarden wordt
                    voldaan. Opgemerkt wordt dat het college ook nog op grond van artikel 2.3.6,
                    vijfde lid onder b, van de wet bevoegd is het persoonsgebonden budget te
                    weigeren.</al><tussenkop>Artikel 6.1 lid 2 aanhef</tussenkop><al>In dit artikel zijn criteria (lees ook voorwaarden) opgenomen die verbonden
                    (kunnen) zijn als het college het recht op een persoonsgebonden budget heeft
                    vastgesteld. Deze bevoegdheid van de gemeenteraad vloeit voort uit de wettelijke
                    opdracht van artikel 2.1.3 om criteria vast te stellen voor de door het college
                    te nemen besluiten zonder dat de gemeenteraad treedt in de bevoegdheden van de
                    college als bedoeld in artikel 2.3.6 van de wet.</al><tussenkop>Artikel 6.1 lid 2 aanhef en onder a</tussenkop><al>Een persoonsgebonden budget mag niet worden besteed aan een voorziening die voor
                    de cliënt als algemeen gebruikelijk wordt aangemerkt. Dit is in lijn met het
                    bepaalde in artikel 4.2, tweede lid aanhef en onder a, van de verordening.</al><tussenkop>Artikel 6.1 lid 2 aanhef en onder b</tussenkop><al>De wetgever heeft met de invoering van het trekkingsrecht nadrukkelijk de
                    bedoeling gehad om uitbetaling van persoonsgebonden budgetten niet meer toe te
                    staan aan bemiddelingsbureaus, andere tussenpersonen of belangbehartigers.
                    Persoonsgebonden budgetten worden in principe door de Sociale verzekeringsbank
                    (in opdracht van het college) uitbetaald aan derden.</al><tussenkop>Artikel 6.1 lid 2 aanhef en onder c</tussenkop><al>In deze bepaling is aangegeven dat het persoonsgebonden budget binnen zes
                    maanden na toekenning dient te zijn aangewend waarvoor het is verleend. In
                    voorkomende gevallen kan het college gebruik maken van de bevoegdheid het
                    toekenningsbesluit in te trekken. Zie verder hoofdstuk 12 van deze verordening.
                    Voor woningaanpassingen kan een langere termijn gelden omdat het realiseren
                    daarvan meer tijd in beslag kan nemen.</al><tussenkop>Artikel 6.1 lid 2 aanhef en onder d</tussenkop><al>Deze bepaling spreekt voor zich. In geval een huisgenoot naar oordeel van het
                    college wordt geacht gebruikelijke hulp te kunnen bieden mag het
                    persoonsgebonden budget niet aan die huisgenoot worden besteed en uitbetaald
                    voor geleverde of te leveren maatschappelijke ondersteuning.</al><tussenkop>Artikel 6.1 lid 3</tussenkop><al>In dit artikel wordt onder meer aangegeven dat de cliënt met degene die de
                    diensten levert altijd een schriftelijke overeenkomst aangaat waarin de genoemde
                    onderdelen van dit artikel in ieder geval zijn opgenomen. Deze voorwaarde is ook
                    een concrete uitwerking van de wens van de regering om het misbruik van
                    persoonsgebonden budgetten voorkomen.</al><tussenkop>Artikel 6.1 lid 4</tussenkop><al>Het college kan aan de overeenkomst als bedoeld in het derde lid andere eisen
                    stellen. Denk bijvoorbeeld aan de persoon uit het sociale netwerk. Ook kan het
                    zijn dat de ondersteuning al dan niet tijdelijk door een andere
                    niet-beroepskracht wordt geboden. Denk aan een student met een bijbaan. Ook in
                    die gevallen kan het college andere eisen stellen aan de overeenkomst.</al><tussenkop>Artikel 6.1 lid 5</tussenkop><al>Indien aan de cliënt een persoonsgebonden is verleend worden daar afhankelijk
                    van de maatwerkvoorziening die daarmee zal worden aangeschaft verplichtingen
                    verbonden. Het college heeft in dat kader eerst de zelfstandige bevoegdheid te
                    beoordelen of voldoende is gewaarborgd dat de betreffende maatwerkvoorziening
                    veilig, doeltreffend en cliëntgericht worden verstrekt (art. 2.3.6, tweede lid,
                    onder c van de wet). Daarnaast oordeelt het college of de kwaliteit daarvan in
                    redelijkheid geschikt is met het oog op het doel waarvoor het persoonsgebonden
                    budget is verstrekt (art. 2.3.6, derde lid, van de wet). Om dat oordeel kracht
                    bij te zetten bepaalt dit lid dat het college hierover nadere regels stelt in
                    het Besluit zonder dat de gemeenteraad daarmee treedt in de bevoegdheden van het
                    college zoals hier bedoeld. Welke voorwaarden kunnen gelden is vanzelfsprekend
                    afhankelijk van de soort maatwerkvoorziening.</al><tussenkop>Artikel 6.2 lid 1, 2 en 3</tussenkop><al>Voor vervoersvoorzieningen, hulpmiddelen en woningaanpassingen geldt dat het
                    persoonsgebonden budget in ieder geval niet meer bedraagt dan het bedrag welke
                    het college zelf verschuldigd zou zijn, waaronder inbegrepen de genoemde kosten.
                    Dit is in overeenstemming met artikel 2.3.6, vijfde lid onder a, van de wet
                    (vergelijk ook CRVB:2012:BX8897). De hoogte van het persoonsgebonden budget kan
                    daarom ook afhankelijk zijn van de afschrijvingstermijnen die het college
                    overeen is gekomen met de leverancier die de betreffende maatwerkvoorziening in
                    natura levert of als het college de maatwerkvoorziening zelf in eigendom heeft
                    en daarmee als bruikleenverstrekker optreedt. Het college kan de hoogte van het
                    persoonsgebonden budget ook vaststellen op basis van een offerte. Het kan gaan
                    om een offerte die het college zelf opvraagt, maar ook een offerte die de cliënt
                    zelf aan het college overhandigt.</al><tussenkop>Artikel 6.2 lid 4</tussenkop><al>Voor de vaststellen van de hoogte van het persoonsgebonden budget voor diensten
                    zijn de tarieven waarvoor het college de diensten heeft gecontracteerd bepalend;
                    het gaat om een afgeleide daarvan. De hoogte kan bijvoorbeeld een percentage van
                    dat tarief zijn of een vast gemiddeld tarief.</al><tussenkop>Artikel 6.2 lid 5</tussenkop><al>Artikel 2.1.3, tweede lid onder b, van de wet schrijft voor dat het
                    persoonsgebonden budget toereikend dient te zijn om daarmee de maatschappelijke
                    ondersteuning in te kunnen kopen. Deze ondersteuning moet ook voldoen aan de
                    kwaliteit met betrekking tot het doel waarvoor het persoonsgebonden budget is
                    verstrekt.</al><tussenkop>Artikel 6.2 lid 6</tussenkop><al>Spreekt voor zich, behoeft geen nadere toelichting.</al><tussenkop>Artikel 6.3 lid 1 en 2</tussenkop><al>Mede met het oog op de kwaliteit, onderzoekt het college (steekproefsgewijs) de
                    bestedingen van de persoonsgebonden budgetten.</al><tussenkop>HOOFDSTUK 7 ONDERSTEUNING BIJ EEN SCHOON EN LEEFBAAR HUIS</tussenkop><al>In dit hoofdstuk van de verordening zijn de mogelijkheden opgenomen over de
                    aanspraak op maatschappelijke ondersteuning aan cliënten die niet zelf in staat
                    zijn (zoals bedoeld in hoofdstuk 4 van deze verordening) tot het zelfstandig
                    uitvoeren van huishoudelijke taken.</al><tussenkop>Artikel 7.1</tussenkop><al>Het college kan hulp bij het huishouden toekennen. Deze maatwerkvoorziening kan
                    betrekking hebben op het overnemen van huishoudelijke taken maar kan ook worden
                    ingezet bij het ondersteunen van de uitvoering daarvan. Daarmee is hulp bij het
                    huishouden bestemd voor cliënten die niet zelf schoonmaakwerkzaamheden kunnen
                    uitvoeren door bijvoorbeeld een lichamelijke beperking (HH1) of voor cliënten
                    die dat niet (altijd) zelf kunnen omdat zij (ook) ondersteuning nodig hebben in
                    de organisatie van het huishouden (HH2). Dit om te voorkomen dat het huishouden
                    ontregeld raakt. Ook ingeval van een ontregeld huishouden kan hulp bij het
                    huishouden al dan niet tijdelijk worden ingezet.</al><tussenkop>Artikel 7.2</tussenkop><al>Zoals ook bij de toelichting van de bepaling van hoofdstuk 4 van de verordening
                    is aangegeven is het in de Wmo 2015 van groot belang dat het college op
                    zorgvuldige wijze vaststelt of de cliënt is aangewezen op een
                    maatwerkvoorziening. De eigen kracht van de cliënt maar ook ondersteuning door
                    personen uit diens sociale netwerk zijn daarbij cruciaal. Daaronder wordt ook
                    mantelzorg gerekend. Het kan ook zijn dat de inzet van vrijwilligers (algemene
                    voorziening) een rol speelt bij de beoordeling van de aanspraak op hulp bij het
                    huishouden.</al><tussenkop>Artikel 7.3 lid 1 en 2</tussenkop><al>Het eerste lid bepaalt waaruit hulp bij het huishouden kan bestaan. Het tweede
                    lid bepaalt dat slechts een maatwerkvoorziening voor lichte en/of zware
                    huishoudelijke taken wordt toegekend indien deze gericht zijn op het kunnen
                    wonen in een huis dat schoon en leefbaar is én betrekking heeft op de ruimten
                    die in gebruik zijn gericht op het normale gebruik van de woning. De
                    huishoudelijke taken voor een schoon huis zijn gericht op de hygiëne van de
                    woning. Leefbaar staat voor opgeruimd en functioneel, bijvoorbeeld om vallen te
                    voorkomen. </al><tussenkop>Artikel 7.3 lid 3</tussenkop><al>Het derde lid bepaalt de overige zaken die onder hulp bij huishouden kunnen
                    vallen waarop de cliënt naar oordeel van het college kan zijn aangewezen. Het
                    gaat om een aantal ‘basale taken’ waarvan gesteld wordt dat indien deze op geen
                    enkele andere wijze dan met een maatwerkvoorziening kunnen worden opgelost, de
                    cliënt uiteindelijk niet in staat wordt gesteld om zo lang mogelijk in zijn
                    eigen leefomgeving te kunnen blijven wonen. Dit betekent echter niet dat een
                    maatwerkvoorziening in alle gevallen snel binnen het bereik hoeft te liggen. In
                    de meeste gevallen die worden genoemd kunnen er namelijk veel andere
                    oplossingsmogelijkheden zijn of worden aangedragen die redelijkerwijs van de
                    cliënt kunnen worden gevergd.</al><tussenkop>Artikel 7.3 lid 4</tussenkop><al>Net als onder Wmo 2007 het geval was wordt geen hulp bij het huishouden verleend
                    indien sprake is van gebruikelijke hulp. Zie ook artikel 4.4 van de verordening.
                    Verder wordt verwezen naar de begripsbepalingen van gebruikelijke hulp,
                    leefeenheid en huisgenoot in de verordening. Indien gezamenlijk een huishouden
                    wordt gevoerd kan het college de gebruikelijk hulp bij het huishouden snel
                    aannemen. Dat is lijn met de vaste jurisprudentie zoals die onder Wmo 2007 tot
                    stand is gekomen en waarvan wordt aangenomen dat deze zijn gelding behoudt onder
                    de Wmo 2015.</al><tussenkop>HOOFDSTUK 8 ONDERSTEUNING GERICHT OP ZELFREDZAAMHEID EN KORTDUREND
                    VERBLIJF IN EEN INSTELLING</tussenkop><al>In dit hoofdstuk van de verordening zijn de mogelijkheden opgenomen over de
                    aanspraak op maatschappelijke ondersteuning aan cliënten die vanwege hun
                    beperkingen niet zelf, zoals bedoeld in hoofdstuk 4 van de verordening, in staat
                    zijn tot zelfredzaamheid. Daarnaast kan maatschappelijk ondersteuning zijn
                    aangewezen in de vorm van kortdurend verblijf in een instelling.</al><tussenkop>Artikel 8.1</tussenkop><al>In dit artikel staat welke vorm van maatschappelijke ondersteuning verleend
                    kunnen worden op basis van dit hoofdstuk.</al><tussenkop>Artikel 8.2 lid 1</tussenkop><al>Zoals ook bij de toelichting van de bepaling van hoofdstuk 4 van de verordening
                    is aangegeven is het in de Wmo 2015 van groot belang dat het college op
                    zorgvuldige wijze vaststelt of de cliënt is aangewezen op een
                    maatwerkvoorziening. De eigen kracht van de cliënt maar ook ondersteuning door
                    personen uit diens sociale netwerk zijn daarbij cruciaal. Daaronder wordt ook
                    mantelzorg gerekend. Het kan ook zijn dat de inzet van vrijwilligers een rol
                    speelt bij de beoordeling van de aanspraak.</al><tussenkop>Artikel 8.2 lid 2</tussenkop><al>In aansluiting op het bepaalde van artikel 5.2, tweede lid, van de verordening
                    geldt het primaat van de collectieve maatwerkvoorziening, mits dat een passende
                    bijdrage is gelet op de omstandigheden van het individuele geval. Zo gaat
                    groepsondersteuning in principe vóór op individuele ondersteuning. Dit sluit aan
                    op het uitgangspunt dat het college slechts gehouden is een maatwerkvoorziening
                    te verlenen die als goedkoopst passende bijdrage kan gelden (art. 4.2, eerste
                    lid aanhef en onder b, van de verordening).</al><tussenkop>Artikel 8.3 lid 1</tussenkop><al>Er wordt geen groepsondersteuning verleend indien sprake is van gebruikelijke
                    hulp. Zie ook artikel 4.3 van de verordening. Verder wordt verwezen naar de
                    begripsbepalingen van gebruikelijke hulp, leefeenheid en huisgenoot in de
                    verordening.</al><tussenkop>Artikel 8.3 lid 2</tussenkop><al>In aansluiting op het bepaalde van artikel 5.2, tweede lid, van de verordening
                    geldt dat de cliënt in aanmerking kan worden gebracht voor kortdurende
                    maatschappelijke ondersteuning ter versterking of verbetering van zijn
                    zelfredzaamheid indien de cliënt naar oordeel van het college leerbaar is.
                    Daaronder kan ook de toeleiding naar algemene voorzieningen of voorliggende
                    voorzieningen worden verstaan.</al><tussenkop>Artikel 8.3 lid 3</tussenkop><al>Het derde lid van artikel 8.3 bepaalt een aantal ‘levensgebieden’ waar de cliënt
                    ondersteuning bij mag verwachten indien hij is aangewezen op een
                    maatwerkvoorziening.</al><tussenkop>Artikel 8.3 lid 4 en 5</tussenkop><al>De cliënt kan in aanmerking worden gebracht voor het vervoer naar de locatie
                    waar de groepsondersteuning wordt geboden. Het vijfde lid bepaalt wanneer dat in
                    ieder geval noodzakelijk wordt geacht.</al><tussenkop>Artikel 8.4 lid 1 en 2</tussenkop><al>Dit artikel bepaalt waar de ondersteuning op gericht dient te zijn.</al><tussenkop>Artikel 8.5</tussenkop><al>Arbeidsmatige dagbesteding kan worden verleend aan de cliënt die niet beschikt
                    over arbeidsvermogen in de zin van de Participatiewet (Paw). Dit leidt tot
                    uitzondering indien de cliënt niet onder de doelgroep van die wet valt (zie art.
                    7, eerste lid onder a, Paw). Wat onder arbeidsvermogen wordt verstaan is
                    neergelegd in het Besluit loonkostensubsidie Participatiewet (Stb. 2014,
                    349).</al><tussenkop>Artikel 8.6 lid 1</tussenkop><al>Kortdurend verblijf in een instelling om de mantelzorger te ontlasten is
                    onderdeel van de wettelijke definitie van een maatwerkvoorziening (art. 1.1.1,
                    eerste lid, van de wet). Nadat is vastgesteld dat de mantelzorger moet worden
                    ontlast geldt nog een ander specifiek criterium om in aanmerking te komen voor
                    deze maatwerkvoorziening. De cliënt is voorkomende gevallen door het
                    (tijdelijk/deels) wegvallen van de mantelzorg aangewezen op ondersteuning en/of
                    zorg welke gepaard gaat met permanent toezicht. In dat geval kan kortdurend
                    verblijf voor een etmaal worden geboden, waarbij geldt dat het college kan
                    afwijken van de gestelde norm. Is de cliënt daarentegen niet aangewezen op
                    permanent toezicht, dan zou bijvoorbeeld groepsondersteuning uitkomst kunnen
                    bieden. Het te bereiken resultaat van kortdurend verblijf in een instelling
                    wordt slechts geboden indien deze, zoals gezegd, gericht is op het ontlasten van
                    de mantelzorger met het oog op het zo lang mogelijk op verantwoorde wijze in de
                    eigen leefomgeving kunnen laten wonen van de cliënt. Verwezen wordt tevens naar
                    de begripsbepaling van een instelling in de verordening.</al><tussenkop>Artikel 8.6 lid 2 en 3</tussenkop><al>De omvang van het kortdurend verblijf omvat in principe een etmaal per week.
                    Daarbij kan (of moet) het college in individuele gevallen afwijken van het
                    gestelde in het vorige lid. Het kan ook voorkomen dat de mantelzorger niet voor
                    een etmaal per week ontlast moet worden, maar dat gedurende een periode van twee
                    weken geen mantelzorg geboden kan worden vanwege bijvoorbeeld vakantie. In
                    voorkomende gevallen kan een nader te bepalen aantal etmalen jaarlijks worden
                    opgespaard.</al><tussenkop>HOOFDSTUK 9 ONDERSTEUNING GERICHT OP HET WONEN</tussenkop><al>In dit hoofdstuk van de verordening zijn de mogelijkheden opgenomen over de
                    aanspraak op ondersteuning aan cliënten die niet (zelf) in staat zijn, zoals
                    bedoeld in hoofdstuk 4 van de verordening, beperkingen op het gebied van wonen
                    te verminderen of weg te nemen. Verder zijn bepalingen opgenomen waarin het
                    college aanvragen kan weigeren. Deze zijn in overstemming met het beleid dat
                    onder de Wmo 2007 werd gevoerd en waarvan wordt aangenomen dat dit niet strijdig
                    is met de Wmo 2015. </al><tussenkop>Artikel 9.1 en 9.2</tussenkop><al>De artikelen beschrijven de vormen van maatschappelijke ondersteuning die het
                    college kan verlenen, de reikwijdte daarvan en de te bereiken resultaten die
                    daarbij gelden. Het te bereiken resultaat bestaat uit het normaal gebruik kunnen
                    maken van de woning waar de cliënt zijn hoofdverblijf heeft (of zal hebben). Dit
                    zijn de ruimtes waarop de cliënt is aangewezen voor het verrichten van
                    elementaire woonfuncties. Onder omstandigheden kan het te bereiken resultaat
                    tevens betrekking hebben op de berging, de toegang tuin of balkon van de woning.
                    Verwezen wordt naar de begripsbepalingen van een woning en het normale gebruik
                    van de woning in de verordening.</al><tussenkop>Artikel 9.3 lid 1 en 2</tussenkop><al>Volgens dit artikel geldt als hoofdregel het principe van het primaat van
                    verhuizen. Deze beoordeling wordt gedaan indien de kosten van de
                    woningaanpassing meer bedraagt dan het in het Besluit bepaalde bedrag. Kan de
                    cliënt binnen een redelijke en/of medisch aanvaardbare termijn niet verhuizen,
                    dan bestaat er aanspraak op een woningaanpassing.</al><tussenkop>Artikel 9.4 lid 1 aanhef en onder a</tussenkop><al>Het spreekt voor zich dat de reikwijdte van de verordening bij het verlenen van
                    een woningaanpassing zich beperkt tot de woning waar de cliënt zijn
                    hoofdverblijf heeft. De toevoeging ‘zal hebben’ is opgenomen om cliënten niet de
                    mogelijkheid te ontnemen naar de gemeente Montferland te kunnen verhuizen. Wel
                    zal de cliënt bij de keuze van een woning nadrukkelijk rekening moeten houden
                    met zijn/haar beperkingen. Zie verder artikel 9.4, vierde lid, van de
                    verordening.</al><tussenkop>Artikel 9.4 lid 1 aanhef en onder b en c</tussenkop><al>Woningaanpassingen worden slechts toegekend aan een zelfstandige woning die in
                    de gemeente Montferland staat. Zie begripsbepaling van de verordening.</al><tussenkop>Artikel 9.4 lid 2</tussenkop><al>Met het oog op het normale gebruik van de woning kan, zoals gezegd, een
                    maatwerkvoorziening worden getroffen ten aanzien van de bereikbaarheid,
                    toegankelijkheid en bruikbaarheid van de woning. Denk bijvoorbeeld ook aan het
                    verbreden van een toegangspad of toegangsdeur. Het moet daarbij gaan om het
                    kunnen uitvoeren van elementaire woonfuncties gericht op het opheffen of
                    verminderen van problemen bij het normale gebruik van de woning.</al><tussenkop>Artikel 9.4 lid 3 aanhef onder a en b</tussenkop><al>Door dit artikel zijn enerzijds alle woonsituaties die niet gericht zijn op een
                    permanent zelfstandig hoofdverblijf uitgesloten. Anderzijds zijn er situaties
                    genoemd die tot een weigering van maatwerkvoorziening kunnen leiden waarbij
                    gezien de aard van het soort gebouw verondersteld mag worden dat bepaalde
                    woonvoorzieningen standaard aanwezig zijn. Uitzonderingen kunnen worden gemaakt
                    voor woonvoorzieningen ten behoeve van gemeenschappelijke ruimten als bedoeld in
                    het vierde lid onder c zonder welke de woning van de cliënt met beperkingen
                    onbereikbaar is. Een woonvoorziening wordt alleen verstrekt als het woonruimten
                    betreft die als zelfstandige woonruimte in het kader van de Wet op de
                    huurtoeslag ook als zodanig aangemerkt worden. Kamers (onzelfstandige
                    woonruimten) die verhuurd worden vallen daar niet onder.</al><al>Of woongebouwen voor mensen met beperkingen- en/of ouderen zijn bedoeld, blijkt
                    niet alleen uit de bestemming, maar ook uit de bewoners zelf. Indien een gebouw
                    voornamelijk wordt bewoond door ouderen en/of mensen met beperkingen kan die
                    bestemming aangenomen worden. Dit kan het geval zijn wanneer meer dan de helft
                    van de bewoners ouder is dan 55 jaar en/of beperkingen heeft. Uit de
                    jurisprudentie blijkt wel dat er zware eisen kunnen gelden om aan te nemen dat
                    een woongebouw specifiek is gericht op mensen met beperkingen (vergelijk
                    bijvoorbeeld CRVB:2009:BI9087).</al><tussenkop>Artikel 9.4 lid 4 aanhef en onder a</tussenkop><al>Het kan voorkomen dat de cliënt is verhuisd terwijl daar gelet op de beperkingen
                    in het normale gebruik van de woning geen aanleiding voor was. Een ander
                    voorbeeld is als wordt verhuisd van een adequate naar een -gelet op de te
                    voorziene beperkingen in het normale gebruik van de woning -inadequate woning.
                    Is de verhuizing geen gevolg van het ondervinden van beperkingen in het normale
                    gebruik van de woning en bestond er geen belangrijke reden om toch te verhuizen,
                    dan weigert het college een maatwerkvoorziening. Als belangrijke redenen kunnen
                    worden aangemerkt: samenwoning, huwelijk of het aanvaarden van werk. In geval
                    van samenwoning of huwelijk houdt het college ook rekening met de keuze die de
                    cliënt maakt in welke woning men gaat samenwonen. Ook in dat geval moet er een
                    belangrijke reden zijn waarom naar de woning wordt verhuisd waar mogelijk meer
                    aanpassingen moeten worden verricht. Het college betrekt daarbij ook de
                    mogelijkheden die van de ‘partner’ van de cliënt kunnen worden gevergd.</al><tussenkop>Artikel 9.4 lid 4 aanhef en onder b</tussenkop><al>Is de cliënt niet verhuisd naar de voor hem beschikbare meest geschikte woning,
                    dan wordt de maatwerkvoorziening in beginsel afgewezen. Het college wordt in
                    voorkomende gevallen namelijk de mogelijkheid ontnomen om nog te kunnen bepalen
                    wat de goedkoopst passende bijdrage had kunnen zijn. Onder deze bepaling zijn
                    ook begrepen de aankoop van een woning of een kavel dan wel andere onomkeerbare
                    handelingen zonder dat -voorafgaande daaraan- contact is opgenomen met het
                    college. Door dat na te laten, bijvoorbeeld bij het college te informeren over
                    de mogelijkheden tot maatschappelijke ondersteuning, brengt de cliënt zich in
                    een lastige bewijspositie. De aantoonplicht dat er geen (andere) geschiktere
                    beschikbare woningen waren, ligt in eerste instantie bij de cliënt; het behoort
                    tot zijn rekening en risico. Zonder dat aan te tonen kan het college de aanvraag
                    om een woningaanpassing afwijzen (vergelijk CRVB:2011:BQ2868 en
                    CRVB:2012:BY5215). Deze afwijzing leidt dus tot uitzondering als het college
                    vooraf schriftelijk toestemming heeft verleend om te verhuizen naar de
                    betreffende inadequate woning.</al><tussenkop>Artikel 9.4 lid 4 aanhef en onder c</tussenkop><al>De gemeenteraad is bevoegd om te bepalen dat aanpassingen aan gemeenschappelijke
                    ruimten gelimiteerd worden (vergelijk CRVB:2011:BU4344-T). Andere dan de
                    limitatief opgesomde voorzieningen hoeven niet verstrekt te worden. Verder geldt
                    een uitzondering voor de vergoeding voor verhuizing en inrichting.</al><tussenkop>Artikel 9.4 lid 4 aanhef en onder d</tussenkop><al>Woningen die niet geschikt of beschikbaar zijn om het gehele jaar te bewonen
                    kunnen niet dienen als hoofdverblijf als bedoeld in de begripsbepaling van de
                    verordening. Daarom worden voor woningen die niet geschikt zijn om het gehele
                    jaar te bewonen geen woningaanpassingen verstrekt (vergelijk bijvoorbeeld
                    CRVB:2011:BR4180).</al><tussenkop>Artikel 9.4 lid 4 onder e</tussenkop><al>Deze afwijzingsgrond is bedoeld voor situaties waarin gebruikte materialen of de
                    slechte staat van onderhoud aan de woning voor problemen zorgen. Hieraan ligt
                    het beginsel van de eigen verantwoordelijkheid ten grondslag. Denk bijvoorbeeld
                    aan de constructie van een houten vloer in de woning (vergelijk
                    CRVB:2003:AM5445).</al><tussenkop>Artikel 9.4 lid 4 onder f</tussenkop><al>Het uitrustingsniveau voor de sociale woningbouw is neergelegd in het
                    Bouwbesluit. Woonvoorzieningen die op dat niveau worden verleend zijn van
                    voldoende kwaliteit. Verder geldt dat woningen op dit niveau voldoende zijn qua
                    omvang gelet op wat nodig is voor het kunnen uitvoeren van elementaire
                    woonfuncties.</al><tussenkop>Artikel 9.4 lid 4 onder g</tussenkop><al>Aan deze afwijzingsgrond(en) ligt het beginsel van de eigen verantwoordelijkheid
                    ten grondslag. Net als ieder ander is de cliënt verantwoordelijk om zaken als
                    achterstallig onderhoud aan diens woning zelf op te lossen. Iedereen zal
                    onderhoud moeten plegen aan zijn (eigen) woning, hoe kostbaar dat soms ook kan
                    zijn. Daaronder worden ook de eisen verstaan die redelijkerwijs aan een woning
                    mogen worden gesteld. Indien het een eigen woning betreft spreekt dat voor zich.
                    Ingeval van een huurwoning ligt het op de weg van de cliënt de verhuurder
                    hiervoor aansprakelijk te stellen. Het college mag daarbij een hoge mate van
                    inspanningsverplichting verwachten van de cliënt.</al><tussenkop>Artikel 9.4 lid 5</tussenkop><al>Spreekt voor zich, behoeft geen toelichting.</al><tussenkop>Artikel 9.5</tussenkop><al>Dit artikel geeft de reikwijdte aan van het verlenen van voorzieningen gericht
                    op het zich verplaatsen in en om de woning met betrekking tot het in staat zijn
                    de noodzakelijke gebruiksruimten te bereiken gericht op het normale gebruik van
                    de woning.</al><tussenkop>Artikel 9.6 aanhef en onder a en b</tussenkop><al>Dit artikel noemt voorbeelden van maatwerkvoorziening die het college kan
                    verlenen. Bij het verlenen van een traplift kan het college rekening houden met
                    te vergen maatregelen. Denk bijvoorbeeld aan plaatsen van een hoog/laag bed in
                    de woonkamer indien de cliënt slechts voor een korte periode niet of niet
                    zelfstandig gebruik kan maken van de trap om de slaapkamer te bereiken. Het
                    college houdt in voorkomende gevallen vanzelfsprekend ook rekening met de
                    mogelijkheid van de cliënt om gebruik te kunnen maken van
                    lichaamsreiniging.</al><tussenkop>HOOFDSTUK 10 ONDERSTEUNING BIJ DEELNAME AAN HET MAATSCHAPPELIJK
                    VERKEER</tussenkop><al>In dit hoofdstuk van de verordening zijn de mogelijkheden opgenomen over de
                    aanspraak op ondersteuning aan cliënten die niet (zelf) in staat zijn, zoals
                    bedoeld in hoofdstuk 4 van de verordening, deel te nemen aan het maatschappelijk
                    verkeer.</al><tussenkop>Artikel 10.1</tussenkop><al>Omdat de cliënt zich in voorkomende gevallen moet kunnen verplaatsen bepaalt het
                    eerste lid dat de verplaatsingen betrekking kunnen hebben op de korte afstand en
                    over de langere afstand binnen de leefomgeving van de cliënt. Het kan voorkomen
                    dat een cliënt op de korte afstand zijn beperkingen niet zelf kan oplossen maar
                    op de langere afstand wel.</al><tussenkop>Artikel 10.2 lid 1, 2 en 3</tussenkop><al>Het eerste lid bepaalt waar het te bereiken resultaat ten aanzien van het zich
                    kunnen verplaatsen in ieder geval op gericht is. Het college kan een
                    vervoersvoorziening verlenen voor ‘de korte afstand’ en voor de wat ‘langere
                    afstand’ binnen de leefomgeving van de cliënt. Het verschil hiertussen is
                    doorgaans gelegen in de vraag of het gerichte of ongerichte bestemmingen
                    betreft. Zoals in de toelichting bij artikel 5.2 van de verordening al is
                    vermeld geldt de hoofdregel van het primaat van de collectieve
                    maatwerkvoorziening, zoals de Regiotaxi. De Regiotaxi geldt als aanvullend
                    openbaar vervoer en zal in de meeste gevallen als passende bijdrage kunnen
                    worden aangemerkt. De cliënt die gebruik maakt van de Regiotaxi is daarvoor een
                    ritbijdrage verschuldigd. Het gaat om algemeen gebruikelijke kosten omdat
                    iedereen die gebruik maakt van het Openbaar Vervoer daarvoor ook moet
                    betalen.</al><tussenkop>Artikel 10.3 lid 1, 2 en 3</tussenkop><al>Met het zich kunnen verplaatsen in de leefomgeving wordt de cliënt in de
                    gelegenheid gesteld tot participatie, zoals in het eerste lid is aangegeven.
                    Daaronder kan ook deelname aan groepsondersteuning vallen. Onder de leefomgeving
                    in het kader van dit hoofdstuk wordt 15 tot 20 kilometer rondom de woning
                    verstaan (vergelijk CRVB:2009:BH4270 en CRVB:2010:BL4037). Het uitgangspunt qua
                    omvang is bepaald op 1500-2000 kilometer per jaar. Hiermee wordt de lijn zoals
                    die gold onder de Wmo 2007 geborgd. Dit betekent echter niet dat er in het
                    individuele geval niet meer of minder mogelijk zou kunnen zijn. Het college is
                    immers gehouden maatwerk te leveren en is daarom bevoegd in individuele gevallen
                    om af te wijken. Dat zou bijvoorbeeld (ook) het geval kunnen zijn als er meer
                    dan één vervoersvoorziening wordt verleend en met deze voorzieningen tezamen
                    1500 tot 2000 kilometer op jaarbasis kunnen reizen bereikt kan worden. </al><tussenkop>HOOFDSTUK 11 BIJDRAGE IN DE KOSTEN</tussenkop><al>In dit hoofdstuk van de verordening zijn de regels neergelegd over het
                    verschuldigd zijn van een bijdrage in de kosten voor de gebruikers van
                    maatwerkvoorzieningen, ontvangers van een persoonsgebonden budget en gebruikers
                    van algemene voorzieningen.</al><tussenkop>Artikel 11.1 lid 1 en 2</tussenkop><al>Als hoofdregel geldt dat een bijdrage in de kosten voor de maatwerkvoorziening
                    en persoonsgebonden budget is verschuldigd. In tegenstelling tot de Wmo 2007
                    biedt de Wmo 2015 de mogelijkheid een bijdrage te vragen indien een
                    woningaanpassing (in natura of als persoonsgebonden budget) wordt verleend ten
                    behoeve van een minderjarige.</al><tussenkop>Artikel 11.1 lid 3</tussenkop><al>De aanbieder kan een betaling vragen voor bijvoorbeeld het gebruik van koffie of
                    thee of een maaltijd. Het bedrag dat daarmee door de cliënt wordt uitgespaard
                    geldt als algemeen gebruikelijk.</al><tussenkop>Artikel 11.1 lid 4 en 5</tussenkop><al>De aard van de bevoegdheid verzet zich niet tegen delegatie om -in de lijn met
                    de Wmo 2007- het college hierover nadere regels te laten vaststellen. Het CAK is
                    verantwoordelijk bestuursorgaan voor het vaststellen en innen van de bijdrage in
                    de kosten met uitzondering van de bijdrage voor opvang.</al><tussenkop>Artikel 11.2 lid 1, 2 en 3</tussenkop><al>De cliënt is in principe een kostendekkende bijdrage in de kosten verschuldigd
                    aan de aanbieder voor het gebruik van een algemene voorziening. Voor
                    cliëntondersteuning mag geen bijdrage in de kosten worden gevraagd. De aanbieder
                    kan ook een betaling vragen voor bijvoorbeeld het gebruik van koffie of thee of
                    een maaltijd. Het bedrag dat daarmee door de cliënt wordt uitgespaard geldt als
                    algemeen gebruikelijk.</al><tussenkop>Artikel 11.2 lid 4</tussenkop><al>Spreekt voor zich, behoeft geen toelichting.</al><tussenkop>Artikel 11.3</tussenkop><al>Dit artikel bepaalt wat onder de kostprijs van een maatwerkvoorziening,
                    persoonsgebonden budget en een algemene voorziening wordt verstaan. De kostprijs
                    is bepalend voor de hoogte van de bijdrage in de kosten die de cliënt
                    verschuldigd is.</al><tussenkop>HOOFDSTUK 12 NIEUWE FEITEN EN OMSTANDIGHEDEN, HERZIENING, INTREKKING,
                    TERUGVORDERING EN TERUGBETALING</tussenkop><al>In dit hoofdstuk van de verordening zijn bepalingen opgenomen over het aantasten
                    van rechten van cliënten. Daarvoor kan rechtvaardiging worden gevonden indien
                    sprake is van de situaties zoals genoemd. Deze hebben onder meer betrekking op
                    het -door de cliënt- verstrekken van onjuiste inlichtingen. Het gaat in alle
                    gevallen om een bevoegdheid van het college (kan-bepaling). Bij de toepassing
                    van de bepalingen van dit hoofdstuk hoort een afweging tussen de bij het te
                    nemen besluit betrokken belangen.</al><tussenkop>Artikel 12.1</tussenkop><al>Er wordt gesproken van beëindiging als de inwerkingtreding van het besluit
                    ingaat vanaf het heden of naar de toekomst toe. Beëindiging heeft dus, in
                    tegenstelling tot een herziening/intrekking, geen terugwerkende kracht. Het
                    artikel benoemt situaties waarin het college kan overgaan tot beëindiging van de
                    maatwerkvoorziening dan wel persoonsgebonden budget. In geval van overlijden van
                    de cliënt is de termijn van de beëindiging van het persoonsgebonden budget
                    bepaald.</al><tussenkop>Artikel 12.2 lid 1 en 2</tussenkop><al>Voor de cliënt geldt een wettelijke plicht op grond van artikel 2.3.8 tot het
                    desgevraagd of onverwijld mededeling doen van feiten of omstandigheden die van
                    belang zijn voor de voortzetting van het recht op een maatwerkvoorziening dan
                    wel persoonsgebonden budget. Het (deels) ongedaan maken van een aanspraak over
                    een periode in het verleden, wordt herzien/intrekken genoemd.
                    Herziening/intrekking van het bedoelde besluit is het met terugwerkende kracht
                    opnieuw beslissen over de aanspraak over een periode in het verleden, waarbij de
                    aanspraak afwijkend wordt vastgesteld of er in het geheel geen aanspraak heeft
                    bestaan. Een reden om tot herziening of intrekking over te gaan heeft te maken
                    van het verstrekken van onjuiste inlichtingen die tot een andere besluit zou
                    hebben geleid indien de cliënt wel de juiste inlichtingen had verstrekt. Ook kan
                    het niet of niet volledig voldoen aan de gestelde verplichtingen aan het
                    persoonsgebonden budget (hoofdstuk 6 van de verordening) leiden tot herziening
                    of intrekking van het toekenningsbesluit.</al><tussenkop>Artikel 12.3 onder a, b en c</tussenkop><al>In de wet is slechts één terugvorderingsgrond opgenomen ten aanzien van
                    cliënten. Namelijk indien de cliënt opzettelijk onjuiste of onvolledige gegevens
                    heeft verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een
                    andere beslissing zou hebben geleid. Daarmee heeft de wetgever verzuimd om in
                    gevallen waarin anderszins ten onrechte een maatwerkvoorziening wordt verleend
                    of tot een hoog bedrag in de vorm van een persoonsgebonden budget is betaald
                    niet kan worden teruggevorderd. Voor die gevallen is een bevoegdheid neergelegd
                    in dit artikel. Uit CRVB:2006:AX5819 kan onder meer worden afgeleid dat in zo’n
                    geval het ontbreken van een wettelijke bepaling op grond waarvan van de cliënt
                    kan worden teruggevorderd, niet aan terugvordering in de weg staat, nu (ook) in
                    het publiekrecht als in het algemeen rechtsbewustzijn levend beginsel is
                    aanvaard, dat een zonder rechtsgrond verrichte betaling ongedaan moet worden
                    gemaakt. Onder een zonder rechtsgrond verrichte betaling worden ook de
                    (gemaakte) kosten van een maatwerkvoorziening in natura verstaan. Daarmee wordt
                    aangesloten bij de wettelijke mogelijkheid van het vorderen van de geldswaarde.
                    Uit de jurisprudentie die onder de Wmo 2007 tot stand is gekomen blijkt dat een
                    terugvorderingsbepaling in de verordening voldoende grondslag biedt om tot
                    terugvordering over te gaan. Of sprake is van onverschuldigde betaling (artikel
                    6:203 e.v. BW) zal in de praktijk geen problemen opleveren, mits het college een
                    herzienings- of intrekkingsbesluit neemt. Dit artikel biedt ook de bevoegdheid
                    om over te gaan tot verrekening.</al><tussenkop>Artikel 12.4</tussenkop><al>De bepalingen van dit artikel regelt een andere terugvorderingsbevoegdheid voor
                    het college. Het gaat om het terugvorderen van de woningeigenaar van het bedrag,
                    op basis van een afschrijvingsschema, van een deel van de kosten van aanpassing
                    van de woning. Alleen in gevallen indien de betreffende woning binnen de
                    bepaalde termijn na oplevering met een meerwaarde als gevolg van de aanpassing
                    wordt verkocht. In het Besluit worden hierover nadere regels gesteld.</al><tussenkop>HOOFDSTUK 13 BESTRIJDING MISBRUIK OF ONEIGENLIJK GEBRUIK</tussenkop><tussenkop>Artikel 13.1</tussenkop><al>Het behoort tot de gemeentelijke verantwoordelijkheid misbruik van de geboden
                    voorzieningen te voorkomen en, waar nodig, op te treden tegen onterecht gebruik
                    van maatwerk-voorzieningen of persoonsgebonden budgetten. Een zorgvuldig gebruik
                    van collectieve middelen is wezenlijk voor het draagvlak daarvan. De regering
                    vindt het namelijk van groot belang dat misbruik en oneigenlijk gebruik van
                    Wmo-voorzieningen zoveel mogelijk wordt voorkomen. Het college zet daarom in op
                    fraudepreventie. Denk daarbij vooral aan goede voorlichting over de rechten en
                    plichten die aan het ontvangen van een maatwerkvoorziening dan wel
                    persoonsgebonden budget zijn verbonden en over de consequenties van misbruik en
                    oneigenlijk gebruik.</al><al>Er geldt op grond van artikel 6.1 van de wet een wettelijke plicht om
                    toezichthouders aan te stellen. Het toezicht strekt in meer algemene zin tot het
                    bewaken van de belangen van een goede ondersteuning en van de cliënten voor
                    zover die belangen uitstijgen boven het belang van de individuele cliënt. Het
                    past bij het decentrale karakter van de Wmo 2015 om het toezicht op de naleving
                    van de wet en de gemeentelijke regels die op basis van de wet worden gesteld,
                    ook aan de gemeente over te laten. Deze plicht omvat niet alleen de in de Wmo
                    2015 neergelegde regels en de regels die in een gemeentelijke verordening zijn
                    opgenomen, maar ook voorwaarden die het college ter voldoening aan de wettelijke
                    regels en verordeningen mogelijk in overeenkomsten met aanbieders heeft
                    opgenomen (zie ook artikel 14.6 van de verordening). Toezichthouders kunnen een
                    rol hebben bij het voorkomen van misbruik of oneigenlijk gebruik van de wet. Dat
                    kan met hun aanwezigheid tijdens de gesprekken met cliënten, maar dat zal in het
                    algemeen niet voor de hand liggen. Het college zal bij het gebruikmaken van de
                    inzet van toezichthouders en de daarmee verband houdende onderzoeksbevoegdheden
                    vanzelfsprekend altijd het proportionaliteitsbeginsel en subsidiariteitsbeginsel
                    in acht moeten nemen.</al><tussenkop>Artikel 13.2</tussenkop><al>Het college beoordeelt steekproefsgewijs de besteding van de persoonsgebonden
                    budgetten als bedoeld in artikel 6.1 van de verordening. Het college is
                    overigens verplicht te heroverwegen of de cliënt nog voldoet aan de criteria om
                    voor een persoonsgebonden budget in aanmerking te komen (art. 2.3.9 van de
                    wet).</al><tussenkop>HOOFDSTUK 14 OVERIGE BEPALINGEN</tussenkop><tussenkop>Artikel 14.1</tussenkop><al>Spreekt voor zich, behoeft geen nadere toelichting.</al><tussenkop>Artikel 14.2 </tussenkop><al>Dit artikel bepaalt dat aanbieders van maatwerkvoorzieningen een regeling moeten
                    treffen voor de behandeling van klachten van cliënten ten aanzien van
                    gedragingen van de aanbieder jegens een cliënt. De gemeente laat de aanbieders
                    vrij om de regeling vorm te geven. Het college ziet er op toe dat aanbieders een
                    regeling in het leven hebben geroepen. Dat kan het college doen op de manieren
                    zoals in het artikel zijn bepaald.</al><tussenkop>Artikel 14.3</tussenkop><al>Dit artikel geeft uitvoering aan artikel 2.1.3, tweede lid onder f, van de wet.
                    In het eerste lid is dit uitgewerkt door te bepalen dat aanbieders van
                    maatwerkvoorzieningen een regeling voor medezeggenschap dienen vast te stellen.
                    De aanbieder is ten aanzien van maatwerkvoorzieningen verplicht een
                    medezeggenschapsregeling op te stellen (artikel 3.2, eerste lid onder b, van de
                    wet). In dit artikel gaat het dus om medezeggenschap van cliënten tegenover de
                    aanbieder. Voorheen moest de aanbieder voldoen aan de in de Wet klachtrecht
                    cliënten en de Wet medezeggenschap cliënten zorginstellingen (Wmcz) gestelde
                    regels. Onder de Wmcz werd inspraak tegenover de aanbieder reeds verwezenlijkt
                    via de cliëntenraad. Onder de Wmo 2015 is het stellen van regels geheel aan
                    gemeenten overgelaten. Dat kan het college doen op de manieren zoals in het
                    tweede lid zijn bepaald.</al><tussenkop>Artikel 14.4 en 14.5</tussenkop><al>De Wmo 2015 maakt de gemeenten integraal verantwoordelijk voor de kwaliteit van
                    de maatschappelijke ondersteuning, de handhaving en het toezicht. De wet bevat
                    een basisnorm voor kwaliteit van voorzieningen die aanbieders direct bindt (zie
                    hoofdstuk 3 van de wet), waaronder begrepen de eisen over de deskundigheid van
                    beroepskrachten. De eis dat een voorziening van goede kwaliteit wordt verleend,
                    biedt veel ruimte voor de gemeente om in overleg met organisaties van cliënten
                    en aanbieders te werken aan kwaliteitsstandaarden voor de ondersteuning. Die
                    standaarden kunnen als richtinggevend kader voor gemeenten dienen. Uitgangspunt
                    hierbij is dat deze standaarden de benodigde ruimte voor maatwerk, om goed in te
                    kunnen spelen op de situatie van de cliënt, intact laten. Er is een aantal voor
                    de hand liggende kwaliteitseisen in de artikelen uitgewerkt. Het jaarlijkse
                    verplichte cliëntervaringsonderzoek draagt eraan bij dat het college kan toezien
                    op de kwaliteit. Ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor
                    de levering van een voorziening of diensten gelden eisen die worden gesteld aan
                    de kwaliteit daarvan. Daarbij moet in ieder geval rekening worden gehouden met
                    de deskundigheid van de beroepskrachten en de arbeidsvoorwaarden. Om te
                    voorkomen dat alleen gekeken wordt naar de laagste prijs voor de uitvoering
                    wordt ook een aantal andere aspecten genoemd waarmee het college bij het
                    vaststellen van tarieven rekening moet houden. Hiermee wordt bereikt dat een
                    beter beeld ontstaat van reële kostprijs voor de activiteiten die het college
                    door aanbieders wil laten uitvoeren. Uitgangspunt is dat de aanbieder deskundig
                    personeel inzet tegen de arbeidsvoorwaarden die passen bij de vereiste
                    vaardigheden. Hiervoor is ten minste een beeld nodig van de vereiste
                    activiteiten en de arbeidsvoorwaarden die daarbij horen. Dit biedt een waarborg
                    voor werknemers dat hun werkzaamheden aansluiten bij de daarvoor geldende
                    arbeidsvoorwaarden. Bij de prijs kwaliteitsverhouding kunnen eventuele extra
                    taken in verband met de maatwerkvoorziening een rol spelen.</al><tussenkop>Artikel 14.6</tussenkop><al>In artikel 3.4, eerste lid, van de wet is bepaald dat de aanbieder bij de
                    toezichthoudend ambtenaar, bedoeld in artikel 6.1 van de wet onverwijld melding
                    doet van iedere calamiteit die bij de verstrekking van een voorziening heeft
                    plaatsgevonden en van geweld bij de verstrekking van een voorziening. In artikel
                    6.1 van de wet is bepaald dat het college personen aanwijst die zijn belast met
                    het houden van toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens de wet.
                    In aanvulling op het vorenstaande regelt dit artikel dat er door het college een
                    regeling wordt opgesteld over het doen van meldingen en dat de toezichthoudend
                    ambtenaar deze meldingen onderzoekt en het college adviseert over het voorkomen
                    van verdere calamiteiten en het bestrijden van geweld.</al><tussenkop>Artikel 14.7</tussenkop><al>In dit artikel wordt verwezen naar de krachtens artikel 150 van de Gemeentewet
                    vastgestelde inspraakverordening. Op deze manier wordt gewaarborgd dat er voor
                    het Wmo-beleid eenzelfde inspraakprocedure geldt als op andere terreinen. De
                    inspraak geldt voor alle ingezetenen. Dit is uitdrukkelijk de bedoeling van de
                    wetgever, omdat iedereen op enig moment aangewezen kan raken op
                    ondersteuning.</al><tussenkop>HOOFDSTUK 15 SLOTBEPALINGEN</tussenkop><tussenkop>Artikel 15.1</tussenkop><al>Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de cliënt afwijken van de
                    bepalingen van de verordening. Dit afwijken kan alleen maar ten gunste en nooit
                    ten nadele van de cliënt. Het gebruik maken van de hardheidsclausule moet
                    nadrukkelijk worden beschouwd als een uitzondering. Bij de beoordeling van de
                    aanvraag zou het college zelf aanleiding kunnen zien om de hardheidsclausule toe
                    te passen. In het algemeen geldt echter dat de cliënt gemotiveerd moet aangeven
                    dat zijn situatie bijzonder is en zal dat voor het overige ook nader moeten
                    onderbouwen.</al><tussenkop>Artikel 15.2</tussenkop><al>Spreekt voor zich, behoeft geen toelichting.</al><tussenkop>Artikel 15.3</tussenkop><al>Spreekt voor zich, behoeft geen toelichting.</al><tussenkop>Artikel 15.4 lid 1</tussenkop><al>Het eerste lid geeft het college de bevoegdheid om terug te komen van besluiten
                    die op grond van de Wmo 2007 zijn genomen. De wet biedt zelf namelijk geen
                    grondslag.</al><tussenkop>Artikel 15.4 lid 2, 3, 4 en 5</tussenkop><al>Op aanvragen die zijn ingediend maar waar het college nog niet heeft besloten
                    geldt dat hierop wordt besloten met toepassing van deze verordening. Dit leidt
                    tot uitzondering indien de voorafgaande verordening(en) tot een gunstiger
                    besluit zouden leiden. Voor het beslissen op bezwaarschriften geldt de wet. Dit
                    betekent dat de Verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning
                    Montferland 2013 of Verordening maatschappelijke ondersteuning Montferland 2015
                    van toepassing is. Ten gunste van de cliënt kan hiervan worden afgeweken.</al><tussenkop>Artikel 15.5 </tussenkop><al>Spreekt voor zich, behoeft geen toelichting.</al></nota-toelichting><bijlage><kop><titel>Inhoud</titel></kop><al>HOOFDSTUK 1 - ALGEMENE BEPALINGEN 5</al><al>Artikel 1.1 Begripsomschrijvingen 5</al><al>Artikel 1.2 Reikwijdte verordening 6</al><al>HOOFDSTUK 2 - PROCEDUREGELS 6</al><al>Artikel 2.1 De melding van de hulpvraag 6</al><al>Artikel 2.2 Cliëntondersteuning 6</al><al>Artikel 2.3 Persoonlijk plan 6</al><al>Artikel 2.4 Informatie en identificatie 6</al><al>Artikel 2.5 Het onderzoek 7</al><al>Artikel 2.6 Verslag van het onderzoek 7</al><al>Artikel 2.7 Advisering bij melding of aanvraag 7</al><al>HOOFDSTUK 3 AANVRAAG EN BESCHIKKING 7</al><al>Artikel 3.1 De aanvraag 7</al><al>Artikel 3.2 Inhoud beschikking 8</al><al>HOOFDSTUK 4 - BEOORDELING VAN DE AANSPRAAK 8</al><al>Artikel 4.1 Algemene criteria maatwerkvoorziening 8</al><al>Artikel 4.2 Specifieke criteria maatwerkvoorziening 8</al><al>Artikel 4.3 Gebruikelijk hulp 9</al><al>HOOFDSTUK 5 - MAATSCHAPPELIJKE ONDERSTEUNING 9</al><al>Artikel 5.1 Maatschappelijke ondersteuning 9</al><al>Artikel 5.2 Primaat en kortdurende maatschappelijke ondersteuning 10</al><al>HOOFDSTUK 6 - PERSOONSGEBONDEN BUDGET 10</al><al>Artikel 6.1 Criteria aanspraak en verplichtingen 10</al><al>Artikel 6.2 Vaststellen hoogte persoonsgebonden budget 10</al><al>Artikel 6.3 Controle 11</al><al>HOOFDSTUK 7 - ONDERSTEUNING BIJ EEN SCHOON EN LEEFBAAR HUIS 11</al><al>Artikel 7.1 Maatschappelijke ondersteuning 11</al><al>Artikel 7.2 Algemene criteria 11</al><al>Artikel 7.3 Specifieke criteria 11</al><al>HOOFDSTUK 8 - ONDERSTEUNING GERICHT OP ZELFREDZAAMHEID EN KORTDUREND VERBLIJF IN
                    EEN INSTELLING 12</al><al>Artikel 8.1 Maatschappelijke ondersteuning 12</al><al>Artikel 8.2 Algemene criteria 12</al><al>Artikel 8.3 Specifieke criteria 12</al><al>Artikel 8.4 Individuele- en groepsondersteuning 12</al><al>Artikel 8.5 Specifiek criterium arbeidsmatige dagbesteding 13</al><al>Artikel 8.6 Specifieke criteria kortdurend verblijf in een instelling 13</al><al>HOOFDSTUK 9 - ONDERSTEUNING GERICHT OP HET WONEN 13</al><al>Artikel 9.1 Maatschappelijke ondersteuning 13</al><al>Artikel 9.2 Woonvoorzieningen 13</al><al>Artikel 9.3 Criterium primaat van verhuizen 13</al><al>Artikel 9.4 Specifieke criteria woonvoorzieningen 13</al><al>Artikel 9.5 Zich verplaatsen in en om de woning 14</al><al>Artikel 9.6 Specifieke criteria zich verplaatsen in en om de woning 14</al><al>HOOFDSTUK 10 - ONDERSTEUNING BIJ DEELNAME AAN HET MAATSCHAPPELIJK VERKEER
                    14</al><al>Artikel 10.1 Maatschappelijke ondersteuning 14</al><al>Artikel 10.2 Specifieke criteria 15</al><al>Artikel 10.3 Het zich kunnen verplaatsen in de leefomgeving 15</al><al>HOOFDSTUK 11 - BIJDRAGE IN DE KOSTEN 15</al><al>Artikel 11.1 Maatwerkvoorziening 15</al><al>Artikel 11.2 Algemene voorziening 15</al><al>Artikel 11.3 Kostprijs 16</al><al>HOOFDSTUK 12 - NIEUWE FEITEN EN OMSTANDIGHEDEN, HERZIENING, INTREKKING,
                    TERUGVORDERING EN TERUGBETALING 16</al><al>Artikel 12.1 Beëindiging 16</al><al>Artikel 12.2 Herziening of intrekking 16</al><al>Artikel 12.3 Terugvordering en verrekenen 16</al><al>Artikel 12.4 Terugbetaling bij verkoop 16</al><al>HOOFDSTUK 13 - BESTRIJDING MISBRUIK OF ONEIGENLIJK GEBRUIK 17</al><al>Artikel 13.1 Fraudepreventie 17</al><al>Artikel 13.2 Controle 17</al><al>HOOFDSTUK 14 - OVERIGE BEPALINGEN 17</al><al>§ 1. Jaarlijkse blijk waardering mantelzorgers 17</al><al>Artikel 14.1 De wijze van waardering 17</al><al>§ 2. Klachtenregeling en medezeggenschap 17</al><al>Artikel 14.2 Klachtenregeling 17</al><al>Artikel 14.3 Regeling voor medezeggenschap 17</al><al>§ 3. Kwaliteit 17</al><al>Artikel 14.4 Kwaliteitseisen maatschappelijke ondersteuning 17</al><al>Artikel 14.5 Verhouding prijs en kwaliteit levering voorziening door derden
                    18</al><al>Artikel 14.6 Meldingsregeling calamiteiten en geweld 18</al><al>§ 4. Betrekken van ingezetenen 18</al><al>Artikel 14.7 Betrekken van ingezetenen bij het beleid 18</al><al>HOOFDSTUK 15 - SLOTBEPALINGEN 19</al><al>Artikel 15.1 Hardheidsclausule 19</al><al>Artikel 15.2 Indexering 19</al><al>Artikel 15.3 Evaluatie 19</al><al>Artikel 15.4 Overgangsrecht 19</al><al>Artikel 15.5 Inwerkingtreding en citeerartikel 19</al></bijlage></regeling></body></cvdr>