<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR369697_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Afstemmingsverordening Participatiewet, IOAW en IOAZ 2015</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Grave</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-05-22</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Grave</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2015-26643.html?zoekcriteria=%3fzkt%3dUitgebreid%26pst%3dGemeenteblad%26vrt%3d26643%26zkd%3dInDeGeheleText%26dpr%3dAlle%26spd%3d20151224%26epd%3d20151224%26sdt%3dDatumPublicatie%26planId%3d%26pnr%3d1%26rpp%3d10&amp;resultIndex=0&amp;sorttype=1&amp;sortorder=4">Gemeenteblad d.d. 1 april 2015, nr. 26643</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Afstemmingsverordening Participatiewet, IOAW en IOAZ 2015</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0015703">Participatiewet</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0004044">Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0004163">Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2015-03-10</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2015-04-02</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:terugwerkendekrachtDatum>2015-01-01</overheidrg:terugwerkendekrachtDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2016-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>Geen</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Afstemmingsverordening Participatiewet, IOAW en IOAZ 2015</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente Grave</al><al/><al>gezien het voorstel van burgemeester en wethouders d.d. 20 januari
                        2015.</al><al/><al>gezien het advies van de Burgerparticipatieraad Wmo d.d. 5 januari 2015</al><al/><al>gezien het advies van de raadscommissie 19 februari 2015</al><al/><al>gelet op artikel 8, eerste lid, aanhef en onderdeel c van de
                        Participatiewet;</al><al/><al>gelet op artikel 8, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van de
                        Participatiewet, artikel 35 van de Wet inkomensvoorziening oudere en
                        gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers en artikel 35 van de Wet
                        inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen
                        zelfstandigen;</al><al/><al>overwegende dat het noodzakelijk is de verlaging of weigering van bijstand
                        of uitkering bij wijze van sanctie bij verordening te regelen en in
                        overeenstemming te brengen met de Wet maatregelen WWB;</al><al/><al><vet>besluit</vet></al><al/><al>Vast te stellen de navolgende </al><al/><al><vet>AFSTEMMINGSVERORDENING PARTICIPATIEWET, IOAW EN IOAZ 2015</vet></al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1.</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Begrippen</titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="1."><al>benadelingsbedrag: netto-uitkering waarop eerder, langer of tot
                                    een hoger bedrag een beroep wordt of is gedaan ten gevolge van
                                    tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de
                                    voorziening in het bestaan;</al></li><li nr="2."><al>bijstandsnorm: </al><lijst><li nr="a."><al>1° toepasselijke bijstandsnorm als bedoeld in artikel 5,
                                            onderdeel c, van de Participatiewet, of</al></li><li nr="b."><al>2° grondslag van de uitkering als bedoeld in artikel 5
                                            van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                                            arbeidsongeschikte werkloze werknemers of artikel 5 van
                                            de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                                            arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen voor zover
                                            sprake is van een uitkering op grond van de Wet
                                            inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                                            arbeidsongeschikte werkloze werknemers of de Wet
                                            inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                                            arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen;</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>uitkering: algemene bijstand op grond van de Participatiewet of
                                    een uitkering op grond van de Wet inkomensvoorziening oudere en
                                    gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers of de Wet
                                    inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte
                                    gewezen zelfstandigen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Het besluit tot opleggen van een verlaging</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In het besluit tot het opleggen van een verlaging van de uitkering
                                als bedoeld in artikel 18, tweede, vijfde en zesde lid, van de
                                Participatiewet, de artikelen 20 en 38, twaalfde lid, van de Wet
                                inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte
                                werkloze werknemers en de artikelen 20 en 38, twaalfde lid, van de
                                Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte
                                gewezen zelfstandigen worden in ieder geval vermeld: </al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>de reden van de verlaging;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>de duur van de verlaging; </al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>het bedrag of percentage waarmee de uitkering wordt verlaagd,
                                en</al></lid><lid><lidnr>d.</lidnr><al>indien van toepassing, de reden om af te wijken van de
                                standaardverlaging. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>Horen van belanghebbende</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Voordat een maatregel wordt opgelegd wordt een belanghebbende in
                                    de gelegenheid gesteld zijn zienswijze naar voren te
                                    brengen.</al></li><li nr="2."><al>Het horen van een belanghebbende kan achterwege blijven
                                    als:</al><lijst><li nr="a."><al>de vereiste spoed zich daartegen verzet;</al></li><li nr="b."><al>belanghebbende al eerder in de gelegenheid is gesteld
                                            zijn zienswijze naar voren te brengen en zich sindsdien
                                            geen nieuwe feiten of omstandigheden hebben
                                            voorgedaan;</al></li><li nr="c."><al>het college het horen niet nodig acht voor het
                                            vaststellen van de ernst van de gedraging of de mate van
                                            verwijtbaarheid, of</al></li><li nr="d."><al>belanghebbende aangeeft hiervan geen gebruik te willen
                                            maken.</al></li></lijst></li></lijst><al/><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Afzien van verlaging</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college ziet af van een verlaging als:</al><lijst><li nr="a."><al>elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt;</al></li><li nr="b."><al>de gedraging meer dan drie jaar voor constatering daarvan
                                        door het college heeft plaatsgevonden en voor die gedraging
                                        een verlaging van € 340 of minder kan worden opgelegd,
                                        of</al></li></lijst><al/></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan afzien van een verlaging als het daarvoor dringende
                                redenen aanwezig acht.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Als het college afziet van een verlaging op grond van dringende
                                redenen, wordt een belanghebbende hiervan schriftelijk op de hoogte
                                gesteld.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Ingangsdatum en tijdvak van een verlaging</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een verlaging wordt toegepast op de uitkering of bijzondere bijstand
                                die is verleend met toepassing van artikel 12 van de Participatiewet
                                over de kalendermaand volgend op de maand waarin het besluit tot het
                                opleggen van de verlaging aan een belanghebbende is bekendgemaakt.
                                Daarbij wordt uitgegaan van de op dat tijdstip voor die
                                belanghebbende geldende bijstandsnorm.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Als een verlaging niet of niet geheel ten uitvoer kan worden gelegd
                                als gevolg van de beëindiging of intrekking van de uitkering, wordt
                                de verlaging of dat deel van de verlaging dat nog niet is
                                uitgevoerd, alsnog opgelegd als belanghebbende binnen de termijn,
                                bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel b, opnieuw een uitkering
                                ontvangt.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Berekeningsgrondslag</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een verlaging wordt berekend over de bijstandsnorm.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In afwijking van het eerste lid kan een verlaging worden toegepast
                                op bijzondere bijstand als:</al><lijst><li nr="a."><al>aan belanghebbende bijzondere bijstand wordt verleend met
                                        toepassing van artikel 12 van de Participatiewet, of</al></li><li nr="b."><al>de verwijtbare gedraging van belanghebbende in relatie met
                                        zijn recht op bijzondere bijstand daartoe aanleiding
                                        geeft.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Bij toepassing van het tweede lid, onderdeel a, moet in de
                                hoofdstukken 2, 3 en 4 ‘bijstandsnorm’ worden gelezen als
                                ‘bijstandsnorm inclusief de op grond van artikel 12 van de
                                Participatiewet verleende bijzondere bijstand’.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Bij toepassing van het tweede lid, onderdeel b, moet in de
                                hoofdstukken 2, 3 en 4 ‘bijstandsnorm’ worden gelezen als ‘de
                                verleende bijzondere bijstand’. </al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2.</nr><titel>Niet nakomen van de niet geüniformeerde verplichtingen met betrekking
                            tot de arbeidsinschakeling</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel>Gedragingen Participatiewet</titel></kop><al>Gedragingen van een belanghebbende waardoor algemeen geaccepteerde
                            arbeid niet wordt verkregen of een verplichting op grond van de
                            artikelen 9, 9a en 55 van de Participatiewet niet of onvoldoende wordt
                            nagekomen, worden onderscheiden in de volgende categorieën:</al><lijst><li nr="a."><al>eerste categorie: het zich niet tijdig laten registreren als
                                    werkzoekende bij het Uitvoeringsinstituut
                                    werknemersverzekeringen of het niet tijdig laten verlengen van
                                    de registratie;</al></li><li nr="b."><al>tweede categorie:</al><lijst><li nr="i."><al>het niet of onvoldoende meewerken aan het opstellen,
                                            uitvoeren en evalueren van een plan van aanpak als
                                            bedoeld in artikel 44a van de Participatiewet;</al></li><li nr="ii."><al>het onvoldoende nakomen van verplichtingen als bedoeld
                                            in de artikelen 9, eerste lid, of 55 van de
                                            Participatiewet, gedurende vier weken na een melding als
                                            bedoeld in artikel 43, vierde en vijfde lid, van de
                                            Participatiewet, voor zover deze verplichtingen niet
                                            worden genoemd in artikel 18, vierde lid, van de
                                            Participatiewet;</al></li><li nr="iii."><al>het niet of onvoldoende verrichten van een door het
                                            college opgedragen tegenprestatie naar vermogen als
                                            bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel c, van de
                                            Participatiewet;</al></li></lijst></li><li nr="c."><al>derde categorie: het niet naar vermogen proberen algemeen
                                    geaccepteerde arbeid te verkrijgen in de gemeente van inwoning
                                    voor zover dit niet voortvloeit uit een gedraging als bedoeld in
                                    artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.</nr><titel>Gedragingen IOAW en IOAZ</titel></kop><al>Gedragingen van een belanghebbende waardoor algemeen geaccepteerde
                            arbeid niet wordt verkregen of een verplichting op grond van de
                            artikelen 37 en 38 van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                            arbeidsongeschikte werkloze werknemers of de artikelen 37 en 38 van de
                            Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte
                            gewezen zelfstandigen niet of onvoldoende wordt nagekomen, worden
                            onderscheiden in de volgende categorieën:</al><lijst><li nr="a."><al>eerste categorie: het zich niet tijdig laten registreren als
                                    werkzoekende bij het Uitvoeringsinstituut
                                    werknemersverzekeringen of het niet tijdig laten verlengen van
                                    de registratie;</al></li><li nr="b."><al>tweede categorie:</al><lijst><li nr="i."><al>het niet of in onvoldoende mate meewerken aan een
                                            onderzoek naar de mogelijkheden tot
                                            arbeidsinschakeling;</al></li><li nr="ii."><al>het niet of onvoldoende gebruik maken van een door het
                                            college aangeboden voorziening als bedoeld in de
                                            artikelen 36, eerste lid, en 37, eerste lid, onderdeel
                                            e, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                                            arbeidsongeschikte werkloze werknemers of de artikelen
                                            36, eerste lid, en artikel 37, eerste lid, onderdeel e,
                                            van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                                            arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen, voor zover dit
                                            niet heeft geleid tot het geen doorgang vinden of tot
                                            voortijdige beëindiging van die voorziening;</al></li><li nr="iii."><al>het uit houding en gedrag ondubbelzinnig laten blijken
                                            de verplichtingen als bedoeld in artikel 37, eerste lid,
                                            onderdeel e, van de Wet inkomensvoorziening oudere en
                                            gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers of
                                            artikel 37, eerste lid, onderdeel e, van de Wet
                                            inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                                            arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen niet te willen
                                            nakomen, wat heeft geleid tot het intrekken van de
                                            ontheffing van de arbeidsplicht voor een alleenstaande
                                            ouder als bedoeld in artikel 38, eerste lid, van de Wet
                                            inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                                            arbeidsongeschikte werkloze werknemers of artikel 38,
                                            eerste lid, van de Wet inkomensvoorziening oudere en
                                            gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen
                                            zelfstandigen;</al></li><li nr="iv."><al>het niet of onvoldoende verrichten van een door het
                                            college opgedragen tegenprestatie naar vermogen als
                                            bedoeld in artikel 37, eerste lid, onderdeel f, van de
                                            Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                                            arbeidsongeschikte werkloze werknemers of artikel 37,
                                            eerste lid, onderdeel f, van de Wet inkomensvoorziening
                                            oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen
                                            zelfstandigen;</al></li></lijst></li><li nr="c."><al>derde categorie:</al><lijst><li nr="i."><al>het niet naar vermogen proberen algemeen geaccepteerde
                                            arbeid te verkrijgen;</al></li><li nr="ii."><al>het niet aanvaarden van algemeen geaccepteerde
                                            arbeid;</al></li><li nr="iii."><al>het door eigen toedoen niet behouden van algemeen
                                            geaccepteerde arbeid;</al></li><li nr="iv."><al>het niet of onvoldoende gebruik maken van een door het
                                            college aangeboden voorziening gericht op
                                            arbeidsinschakeling als bedoeld in de artikelen 36,
                                            eerste lid, en 37, eerste lid, onderdeel e, van de Wet
                                            inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                                            arbeidsongeschikte werkloze werknemers en de artikelen
                                            36, eerste lid, en 37, eerste lid, onderdeel e, van de
                                            Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                                            arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen, voor zover dit
                                            heeft geleid tot het geen doorgang vinden of tot
                                            voortijdige beëindiging van die voorziening.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.</nr><titel>Hoogte en duur van de verlaging</titel></kop><al>De verlaging, bij gedragingen als bedoeld in de artikelen 7 en 8, wordt
                            vastgesteld op:</al><lijst><li nr="a."><al>10% van de bijstandsnorm gedurende één maand bij gedragingen van
                                    de eerste categorie;</al></li><li nr="b."><al>20% van de bijstandsnorm gedurende één maand bij gedragingen van
                                    de tweede categorie;</al></li><li nr="c."><al>100% van de bijstandsnorm gedurende één maand bij gedragingen
                                    van de derde categorie.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3.</nr><titel>Niet nakomen van de geüniformeerde verplichtingen met betrekking tot
                            de arbeidsinschakeling</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.</nr><titel>Duur verlaging bij schending geüniformeerde
                                arbeidsverplichting</titel></kop><al>Als een belanghebbende een verplichting als bedoeld in artikel 18,
                            vierde lid, van de Participatiewet niet of onvoldoende nakomt, bedraagt
                            de verlaging 100 procent van de bijstandsnorm gedurende:</al><lijst><li nr="a."><al><vet>één maand</vet>, bij gedragingen als bedoeld in artikel 18,
                                    vierde lid, onderdeel b, f en g, van de Participatiewet;</al></li><li nr="b."><al><vet>twee maanden</vet>, bij gedragingen als bedoeld in artikel
                                    18, vierde lid, onderdeel a, c, d, e en h, van de
                                    Participatiewet.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11.</nr><titel>Verrekenen verlaging</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het bedrag van de verlaging, bedoeld in artikel 10, wordt toegepast
                                over de maand van oplegging van de maatregel en de volgende twee
                                maanden als bijzondere omstandigheden dit rechtvaardigen. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Bij een verlaging als bedoeld in artikel 10, onderdeel a, kan de
                                verlaging worden toegepast over twee maanden waarbij zowel aan de
                                maand van oplegging als aan de daaropvolgende maand de helft van de
                                verlaging wordt toebedeeld.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Bij een verlaging als bedoeld in artikel 10, onderdeel b, kan de
                                verlaging worden toegepast over drie maanden waarbij zowel aan de
                                maand van oplegging als aan de twee daaropvolgende maanden een derde
                                van de verlaging wordt toebedeeld. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Als sprake is van een verlaging op grond van artikel 18, vierde lid,
                                onderdeel a, van de Participatiewet, vindt geen verrekening als
                                bedoeld in het eerste lid plaats.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4.</nr><titel>Overige gedragingen die leiden tot een verlaging</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.</nr><titel>Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een verlaging wegens tekortschietend besef van verantwoordelijkheid
                                voor de voorziening in het bestaan als bedoeld in artikel 18, tweede
                                lid, van de Participatiewet wordt afgestemd op het
                                benadelingsbedrag.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De verlaging wordt vastgesteld op:</al><lijst><li nr="a."><al><vet>10%</vet> van de bijstandsnorm gedurende één maand bij
                                        een benadelingsbedrag tot € 1000;</al></li><li nr="b."><al><vet>20%</vet> van de bijstandsnorm gedurende één maand bij
                                        een benadelingsbedrag vanaf € 1000 tot € 2000;</al></li><li nr="c."><al><vet>40%</vet> van de bijstandsnorm gedurende één maand bij
                                        een benadelingsbedrag vanaf € 2000 tot € 4000;</al></li><li nr="d."><al><vet>100%</vet> van de bijstandsnorm gedurende één maand bij
                                        een benadelingsbedrag van € 4000 of meer.</al></li><li nr="e."><al><vet>20%</vet> van de bijstandsnorm gedurende het aantal
                                        maanden dat eerder een beroep op bijstand is gedaan, bij een
                                        benadelingsbedrag hoger dan € 10.000,- in die gevallen
                                        waarbij sprake is van onverantwoord interen van vermogen.
                                    </al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13.</nr><titel>Zeer ernstige misdragingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Als een belanghebbende zich zeer ernstig misdraagt tegenover
                                personen en instanties die zijn belast met de uitvoering van de
                                Participatiewet als bedoeld in artikel 9, zesde lid, van die wet,
                                wordt een verlaging opgelegd van <vet>50%</vet> van de bijstandsnorm
                                gedurende <vet>één maand</vet>.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Als een belanghebbende zich zeer ernstig misdraagt tegenover het
                                college of zijn ambtenaren, onder omstandigheden die rechtstreeks
                                verband houden met de uitvoering van de Wet inkomensvoorziening
                                oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers of Wet
                                inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte
                                gewezen zelfstandigen, wordt een verlaging opgelegd van
                                    <vet>50%</vet> van de bijstandsnorm gedurende <vet>één
                                    maand</vet>.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14.</nr><titel>Niet nakomen van overige verplichtingen</titel></kop><al>Als een belanghebbende een door het college opgelegde verplichting als
                            bedoeld in artikel 55 van de Participatiewet niet of onvoldoende nakomt,
                            wordt een verlaging toegepast. De verlaging wordt vastgesteld op:</al><lijst><li nr="a."><al><vet>20%</vet> van de bijstandsnorm gedurende één maand, bij het
                                    niet of onvoldoende nakomen van verplichtingen die strekken tot
                                    arbeidsinschakeling;</al></li><li nr="b."><al><vet>20%</vet> van de bijstandsnorm gedurende één maand, bij het
                                    niet of onvoldoende nakomen van verplichtingen die verband
                                    houden met de aard en het doel van een bepaalde vorm van
                                    bijstand;</al></li><li nr="c."><al><vet>40%</vet> van de bijstandsnorm gedurende één maand, bij het
                                    niet of onvoldoende nakomen van verplichtingen die strekken tot
                                    vermindering van de bijstand;</al></li><li nr="d."><al><vet>100%</vet> van de bijstandsnorm gedurende één maand, bij
                                    het niet of onvoldoende nakomen van verplichtingen die strekken
                                    tot beëindiging van de bijstand.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>5.</nr><titel>Samenloop en recidive</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15.</nr><titel>Samenloop van gedragingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Als sprake is van één gedraging die schending oplevert van meerdere
                                in deze verordening of artikel 18, vierde lid, van de
                                Participatiewet genoemde verplichtingen, wordt één verlaging
                                opgelegd. Voor het bepalen van de hoogte en duur van de verlaging
                                wordt uitgegaan van de gedraging waarop de hoogste verlaging is
                                gesteld.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Als sprake is van meerdere gedragingen die schending opleveren van
                                één of meerdere in deze verordening of artikel 18, vierde lid, van
                                de Participatiewet genoemde verplichtingen, wordt voor iedere
                                gedraging een afzonderlijke verlaging opgelegd. Deze verlagingen
                                worden gelijktijdig opgelegd, tenzij dit gelet op de ernst van de
                                gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de omstandigheden van de
                                belanghebbende niet verantwoord is.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Als sprake is van één gedraging die schending oplevert van zowel een
                                in deze verordening of artikel 18, vierde lid, van de
                                Participatiewet genoemde verplichting als een in artikel 17, eerste
                                lid, van de Participatiewet genoemde verplichting, wordt geen
                                verlaging opgelegd, voor zover voor die schending een bestuurlijke
                                boete wordt opgelegd. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Als sprake is van meerdere gedragingen die schending opleveren van
                                zowel een in deze verordening of artikel 18, vierde lid, van de
                                Participatiewet genoemde verplichting als een in artikel 17, eerste
                                lid, van de Participatiewet genoemde verplichting, waarvoor een
                                bestuurlijke boete kan worden opgelegd, wordt voor iedere gedraging
                                een afzonderlijke verlaging opgelegd, tenzij dit gelet op de ernst
                                van de gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de omstandigheden
                                van de belanghebbende niet verantwoord is.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16.</nr><titel>Recidive</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Als een belanghebbende zich binnen twaalf maanden na bekendmaking
                                van een besluit waarmee een verlaging is toegepast vanwege een
                                gedraging als bedoeld in de artikelen 7 sub b of c, 8 sub b of c,
                                12, eerste lid, of 14 opnieuw schuldig maakt aan eenzelfde
                                verwijtbare gedraging, wordt telkens de duur van de oorspronkelijke
                                verlaging verdubbeld.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Als een belanghebbende zich binnen twaalf maanden na bekendmaking
                                van een besluit waarmee een verlaging is toegepast vanwege een
                                gedraging als bedoeld in de artikelen 7, eerste lid, 8, eerste lid
                                of 13 opnieuw schuldig maakt aan eenzelfde verwijtbare gedraging,
                                wordt telkens de hoogte van de oorspronkelijke verlaging
                                verdubbeld.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Als een belanghebbende zich binnen twaalf maanden na bekendmaking
                                van een besluit waarmee een verlaging is toegepast vanwege een
                                gedraging als bedoeld in artikel 18, vierde lid, van de
                                Participatiewet, opnieuw schuldig maakt aan een verwijtbare
                                gedraging als bedoeld in artikel 18, vierde lid, van de
                                Participatiewet, bedraagt de verlaging honderd procent van de
                                bijstandsnorm gedurende <vet>drie maanden</vet>.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>6.</nr><titel>Blijvende of tijdelijke weigering IOAW/IOAZ</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17.</nr><titel>Samenloop bij weigeren uitkering IOAW/IOAZ</titel></kop><al>Als het college de uitkering op grond van artikel 20, eerste lid, van de
                            Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte
                            werkloze werknemers of artikel 20, tweede lid, van de Wet
                            inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen
                            zelfstandigen blijvend of tijdelijk weigert en de gedraging die tot deze
                            weigering heeft geleid tevens op grond van deze verordening tot een
                            verlaging zou kunnen leiden, blijft een verlaging ter zake van die
                            gedraging achterwege.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>7.</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18</nr><titel>Inwerkingtreding en citeertitel</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Deze verordening treedt in werking op de eerste dag na die van
                                    bekendmaking en werkt terug tot en met 1 januari 2015, behoudens
                                    situaties waarbij sprake is van negatieve gevolgen voor de
                                    belanghebbende.</al></li><li nr="2."><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Afstemmingsverordening
                                    Participatiewet, IOAW en IOAZ 2015. </al></li><li nr="3."><al>De Afstemmingsverordening WWB, IOAW en IOAZ 2013, vastgesteld in
                                    de vergadering van 10 juni 2013 wordt ingetrokken op de dag van
                                    inwerkingtreding als bedoeld in het eerste lid.</al></li></lijst><al/><al/></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus besloten door de raad van de gemeente Grave in zijn openbare
                        vergadering </ondertekening><ondertekening>van 10 maart 2015.</ondertekening><ondertekening/><ondertekening/><ondertekening>De raad voornoemd,</ondertekening><ondertekening/><ondertekening/><ondertekening>M.L.A. Vermaaten</ondertekening><ondertekening>plv. griffier </ondertekening><ondertekening/><ondertekening>A.M.H. Roolvink</ondertekening><ondertekening>voorzitter</ondertekening><ondertekening/></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>Toelichting</titel></kop><tussenkop>Algemeen</tussenkop><al/><tussenkop>Rechten en plichten in de Participatiewet</tussenkop><al>De gemeente heeft een verantwoordelijkheid met betrekking tot de invulling van
                    de rechten en plichten van bijstandsgerechtigden. Mede gelet op de
                    rechtszekerheid van een bijstandsgerechtigde moet het gemeentelijk beleid
                    vastgelegd worden in een verordening. Rechten en plichten zijn echter twee
                    kanten van één medaille. Het recht op algemene bijstand is altijd verbonden aan
                    de plicht zich in te zetten om weer onafhankelijk te worden van de
                    uitkering.</al><al>Artikel 18, eerste lid, van de Participatiewet spreekt over het afstemmen van de
                    bijstand en de daaraan verbonden verplichtingen op de omstandigheden,
                    mogelijkheden en middelen van een belanghebbende. In deze bepaling wordt
                    benadrukt dat het vaststellen van de hoogte van de uitkering en de daaraan
                    verbonden verplichtingen voor bijstandsgerechtigden maatwerk is. Daarbij moet
                    recht worden gedaan aan de individuele situatie en de persoonlijke
                    omstandigheden van bijstandsgerechtigden. Artikel 18, tweede lid, van de
                    Participatiewet legt een directe koppeling tussen de rechten en plichten van
                    uitkeringsgerechtigden: het recht op een uitkering is altijd verbonden aan de
                    plicht zich in te zetten om weer onafhankelijk te worden van de uitkering. Dit
                    betekent dat de vaststelling van de hoogte van de uitkering niet alleen afhangt
                    van de toepasselijke uitkeringsnorm en de beschikbare middelen van de
                    bijstandsgerechtigde, maar ook van de mate waarin de verplichtingen worden
                    nagekomen. De inspanningen die van de bijstandsgerechtigde naar vermogen kunnen
                    worden verwacht, spelen ook een rol.</al><al>Wanneer het college tot het oordeel komt dat een bijstandsgerechtigde zijn
                    verplichtingen niet of in onvoldoende mate nakomt, verlaagt het de uitkering. Er
                    is dus geen sprake van een bevoegdheid, maar van een verplichting. Alleen
                    wanneer iedere vorm van verwijtbaarheid ontbreekt, ziet het college af van een
                    dergelijke verlaging. Het college moet niettemin bij de vaststelling van de
                    verlaging rekening houden met de persoonlijke omstandigheden en de individueel
                    vastgestelde verplichtingen. Het college kan dan ook van een verlaging afzien
                    als het college daartoe zeer dringende reden aanwezig acht.</al><al>Met ingang van 1 januari 2015 zijn in artikel 18, vierde lid, van de
                    Participatiewet geüniformeerde arbeidsverplichtingen opgenomen. Voor schending
                    van deze verplichting geldt dat de bijstand in beginsel moet worden verlaagd met
                    honderd procent gedurende één tot drie maanden. In de verordening de duur van de
                    verlaging vastgelegd (artikel 18, vijfde lid, van de Participatiewet).</al><al>Is afgezien van een verlaging wegens het ontbreken van elke vorm van
                    verwijtbaarheid, dan is het niet mogelijk om bij toepassing van bepalingen ten
                    aanzien van recidive deze gedraging mee te tellen. Is vanwege de afstemming op
                    grond van artikel 18, eerste lid, van de Participatiewet of vanwege dringende
                    redenen afgezien van het opleggen van een verlaging, dan is daarin geen reden
                    gelegen om de betreffende gedraging buiten beschouwing te laten in geval van
                    recidive.</al><al>Het college beoordeelt uiterlijk drie maanden na de datum van de beschikking of
                    de omstandigheden en het gedrag van belanghebbende aanleiding geven de
                    beslissing te herzien (artikel 18, derde lid, van de Participatiewet). Bij een
                    dergelijke herbeoordeling hoeft niet opnieuw een besluit te worden genomen,
                    waarbij alle feiten en omstandigheden opnieuw tegen het licht worden gehouden.
                    Het heeft slechts als doel vast te stellen of belanghebbende tussentijds (binnen
                    de periode waarover de verlaging zich uitstrekt) blijk heeft gegeven van een
                    zodanige gedragsverandering of dat sprake is van een zodanige wijziging van
                    omstandigheden, dat aanleiding bestaat de eerder opgelegde verlaging in zwaarte
                    of duur bij te stellen.<sup/> Artikel 18, derde lid, van de Participatiewet is
                    naar oordeel van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid niet van
                    toepassing als sprake is van schending van een van de geüniformeerde
                    arbeidsverplichtingen (artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet). Ten
                    aanzien van geüniformeerde arbeidsverplichtingen is artikel 18, elfde lid, van
                    de Participatiewet van toepassing. Verschil tussen artikel 18, derde lid, en
                    artikel 18, elfde lid, van de Participatiewet is dat artikel 18, elfde lid, pas
                    wordt toegepast als belanghebbende daarom vraagt.</al><al>Een verlaging krachtens de afstemmingsverordening is een punitieve sanctie voor
                    zover de verlaging wordt opgelegd omdat belanghebbende zich zeer ernstig heeft
                    misdragen.<sup/> Als een betreffende gedraging ook een strafbaar feit oplevert,
                    kan belanghebbende hier strafrechtelijk voor worden vervolgd. Deze verlaging en
                    de strafvervolging kunnen alleen naast elkaar bestaan als sprake is van
                    juridisch te onderscheiden feiten. Bijvoorbeeld: belanghebbende beledigt
                    opzettelijk een ambtenaar. Strafrechtelijk bezien kan een geldboete worden
                    opgelegd of een gevangenisstraf van ten hoogste drie maanden. Daarnaast is
                    sprake van zich zeer ernstig misdragen zoals bedoeld in artikel 9, zesde lid,
                    van de Participatiewet op grond waarvan de bijstand kan worden verlaagd.</al><al>In andere gevallen waarin een verlaging wordt opgelegd krachtens de
                    afstemmingsverordening is sprake van een reparatoire sanctie (bijvoorbeeld bij
                    schending arbeidsverplichting). Als een betreffende gedraging ook een strafbaar
                    feit oplevert, kan belanghebbende hier strafrechtelijk voor worden vervolgd. De
                    verlaging en de strafvervolging kunnen naast elkaar bestaan omdat het hier gaat
                    om een reparatoire maatregel en een punitieve sanctie. Afstemmen in de IOAW en
                    de IOAZ</al><al>Sinds 1 juli 2010 heeft het college de mogelijkheid een uitkering op grond van
                    de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze
                    werknemers (hierna: IOAW) of Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                    arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (hierna: IOAZ) te verlagen of te
                    weigeren als een belanghebbende de aan het recht op uitkering verbonden
                    verplichtingen niet of onvoldoende nakomt (artikel 20 van de IOAW en artikel van
                    de 20 IOAZ). Het gemeentelijk beleid moet vastgelegd worden in een verordening
                    (artikel van de 35 IOAW en artikel 35 van de IOAZ).</al><al>De verlaging van de uitkering komt in de plaats van het boeten- en
                    maatregelenregime, waarbij moet worden opgemerkt dat de mogelijkheid om een
                    boete op te leggen al per 1 januari 2010 was vervallen.</al><al/><tussenkop>Niet verlenen van medewerking</tussenkop><al>Het niet verlenen van medewerking zal niet snel aanleiding geven tot verlaging
                    van de bijstand. Het belangrijkste voorbeeld van de medewerkingsplicht is het
                    toestaan van een huisbezoek. In de praktijk zal het niet toestaan van een
                    huisbezoek echter leiden tot beëindiging of intrekking van het recht op bijstand
                    omdat het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. Het verlagen van de
                    bijstand is in dat geval niet aan de orde. Het niet voldoen aan een oproep om op
                    een bepaalde plaats en tijd te verschijnen in verband met arbeidsinschakeling
                    valt ook onder het niet voldoen aan de medewerkingsplicht. In de praktijk
                    betreft het echter veelal oproepen voor gesprekken om bepaalde inlichtingen te
                    verstrekken zodat het niet verschijnen dan wordt gezien als het niet nakomen van
                    de inlichtingenplicht. Daarom is ervoor gekozen het niet verlenen van
                    medewerking zoals bedoeld in artikel 17, tweede lid, van de Participatiewet niet
                    als verlagingswaardige gedraging op te nemen in deze verordening.</al><al/><tussenkop>Schenden van de inlichtingenplicht</tussenkop><al>De bestuurlijke boete is per 1 januari 2013 opnieuw ingevoerd in de Wet werk en
                    bijstand (hierna: WWB) (thans: Participatiewet), IOAW en IOAZ. Deze moet worden
                    opgelegd bij een schending van de inlichtingenplicht en komt in de plaats van de
                    verlaging van de bijstand.</al><al/><tussenkop>Verrekening bestuurlijke boete bij recidive</tussenkop><al>De Participatiewet verplicht in een verordening nadere regels te stellen over de
                    bevoegdheid de beslagvrije voet tijdelijk buiten werking te stellen bij
                    verrekening van de recidiveboete. Gemeenten hebben daarmee de ruimte een
                    afweging te maken van situaties of omstandigheden waarin het buiten werking
                    stellen van de beslagvrije voet niet proportioneel wordt geacht. Het is mogelijk
                    deze regels onder te brengen in de afstemmingsverordening. De gemeenteraad heeft
                    er echter voor gekozen deze regels niet in deze verordening op te nemen omdat
                    deze verordening een gecombineerde Participatiewet, IOAW en IOAZ
                    afstemmingsverordening is. De regels over de bevoegdheid om de beslagvrije voet
                    tijdelijk buiten werking te stellen bij verrekening van de recidiveboete zijn
                    neergelegd in de <vet>Verordening verrekening bestuurlijke boete bij recidive
                        201</vet><vet>5</vet><vet>.</vet></al><al/><tussenkop>Artikelsgewijze toelichting</tussenkop><al>Enkel die bepalingen die nadere toelichting behoeven worden hier behandeld.</al><al/><al><cursief>Artikel 1. Begrippen</cursief></al><al>Begrippen die al zijn omschreven in de Participatiewet, de IOAW, de IOAZ, de
                    Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) of de Gemeentewet worden niet
                    afzonderlijk gedefinieerd in deze verordening. Deze zijn vanzelfsprekend van
                    toepassing op deze verordening.</al><al/><tussenkop>Bijstandsnorm</tussenkop><al>Onder de ‘bijstandsnorm’ wordt in deze verordening verstaan de in de situatie
                    van belanghebbende geldende bijstandsnorm. Dit is de toepasselijke norm,
                    vermeerderd met toeslagen, en verminderd met verlagingen, alles inclusief
                    vakantietoeslag. Voor zover sprake is van een uitkering op grond van de IOAW of
                    de IOAZ wordt onder bijstandsnorm verstaan de toepasselijke grondslag zoals
                    bedoeld in artikel 5 van de IOAW en artikel 5 van de IOAZ.</al><al/><tussenkop>Benadelingsbedrag</tussenkop><al>Het benadelingsbedrag is de netto-uitkering waarop eerder, langer of tot een
                    hoger bedrag een beroep wordt of is gedaan ten gevolge van tekortschietend besef
                    van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan. Voor het bepalen
                    van het benadelingsbedrag wordt uitgegaan van het nettobedrag van de uitkering,
                    zoals ook het geval is bij het benadelingsbedrag in het kader van de
                    bestuurlijke boete.<sup/></al><al/><tussenkop>Artikel 2. Het besluit tot opleggen van een verlaging</tussenkop><al>Het verlagen van een uitkering op grond van deze verordening vindt plaats door
                    middel van een besluit. Tegen dit besluit kan een belanghebbende bezwaar en
                    beroep indienen. In dit artikel is aangegeven wat in het besluit in ieder geval
                    moet worden vermeld. Deze eisen vloeien rechtstreeks voort uit de Awb en dan
                    vooral uit het motiveringsvereiste. Het motiveringsvereiste houdt onder andere
                    in dat een besluit kenbaar is en van een deugdelijke motivering is
                    voorzien.</al><al/><tussenkop>Artikel 3. Horen van belanghebbende</tussenkop><al>Op grond van afdeling 4.1.2. van de Awb (Algemene wet bestuursrecht) is in een
                    aantal gevallen het horen van belanghebbende verplicht bij de voorbereiding van
                    beschikkingen. Deze hoorplicht geldt echter niet bij de voorbereiding van
                    beschikkingen die betrekking hebben op een financiële aanspraak (artikel 4:12
                    Awb). In dit artikel wordt het horen van de belanghebbende voordat een maatregel
                    wordt opgelegd in beginsel voorgeschreven. </al><al>Het tweede lid bevat een aantal uitzonderingen op deze hoorplicht. De onderdelen
                    a. en b. staan ook genoemd in artikel 4:11 van de Awb. Onderdeel c. is niet van
                    toepassing indien de belanghebbende aangeeft gehoord te willen worden.</al><al/><tussenkop>Artikel 4. Afzien van verlaging</tussenkop><al/><tussenkop>Afzien van verlagen</tussenkop><al>Het afzien van het opleggen van een verlaging “indien elke vorm van
                    verwijtbaarheid ontbreekt", is overgenomen uit artikel 18, negende lid, van de
                    Participatiewet, respectievelijk artikel 20, derde lid, van de IOAW en artikel
                    20, derde lid, van de IOAZ. Aangenomen moet worden dat hiervan uitsluitend
                    sprake is bij evidente afwezigheid van verwijtbaarheid.<sup/><sup/>Het is aan
                    het college te beoordelen of elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt aan het
                    betreffende gedrag. Is vanwege de afwezigheid van elke vorm van verwijtbaarheid
                    afgezien van een verlaging, dan is het niet mogelijk om bij toepassing van
                    recidive deze gedraging mee te tellen (zie artikel 16 van deze verordening). Is
                    vanwege de afstemming op grond van artikel 18, eerste lid, van de
                    Participatiewet van een verlaging afgezien dan is daarin geen reden gelegen om
                    de betreffende gedraging buiten beschouwing te laten in geval van recidive.</al><al>Een andere reden om af te zien van het opleggen van een verlaging is dat de
                    gedraging te lang geleden heeft plaatsgevonden (verjaring). Omwille van de
                    effectiviteit (“lik op stuk”) is het nodig dat een verlaging spoedig nadat de
                    gedraging heeft plaatsgehad, wordt opgelegd. </al><al>Het college kan geen verlaging opleggen voor gedragingen die langer dan drie
                    jaar geleden hebben plaatsgevonden. Hiermee wordt aangesloten bij de
                    vervaltermijn zoals genoemd in artikel 5:45, tweede lid, van de Awb. Op grond
                    van dat artikellid vervalt de bevoegdheid tot het opleggen van een bestuurlijke
                    boete drie jaar nadat de overtreding heeft plaatsgevonden als een bestuurlijke
                    boete van € 340 of minder kan worden opgelegd. Deze verjaringstermijn laat
                    overigens onverlet dat het vanuit het oogpunt van effectiviteit (“lik op stuk”)
                    nastrevenswaardig wordt geacht zo spoedig mogelijk een verlaging op te leggen
                    nadat de gedraging heeft plaatsgevonden. Dat heeft bovendien als voordeel dat
                    een uitkeringsgerechtigde niet te lang in onzekerheid wordt gehouden over de
                    vraag of de gemeente overgaat tot het opleggen van een verlaging.</al><al/><tussenkop>Afzien van verlagen in verband met dringende redenen</tussenkop><al>In het tweede lid is geregeld dat kan worden afgezien van het opleggen van een
                    verlaging als daarvoor dringende redenen aanwezig zijn. De verordening stelt een
                    algemene verplichting tot het opleggen van een verlaging voorop. Uitzonderingen
                    moeten echter mogelijk zijn als voor de belanghebbende onaanvaardbare
                    consequenties zouden optreden. Uit het woord "dringend" blijkt dat er wel iets
                    heel bijzonders en uitzonderlijks aan de hand moet zijn, wil een afwijking van
                    het algemene principe gerechtvaardigd zijn. Wat dringende redenen zijn, is
                    afhankelijk van de concrete situatie en kan dus niet op voorhand worden
                    vastgelegd. Er kan worden gedacht aan enerzijds een mindere mate van
                    verwijtbaarheid ten aanzien van de gedraging en anderzijds aan de financiële of
                    sociale gevolgen voor belanghebbende en/of diens gezin. Daarbij moet worden
                    opgemerkt dat ernstige financiële gevolgen op zichzelf geen reden zijn om van
                    een verlaging af te zien, omdat dit inherent is aan het verlagen van een
                    uitkering.</al><al/><tussenkop>Afzien verlagen ook mogelijk bij geüniformeerde
                    arbeidsverplichtingen</tussenkop><al>De wet schrijft bij overtreding van een geüniformeerde arbeidsverplichting een
                    afstemming voor van honderd procent van de bijstand gedurende één tot drie
                    maanden. Op grond van artikel 18, tiende lid, van de Participatiewet moet het
                    college een op te leggen maatregel of een opgelegde maatregel afstemmen op de
                    omstandigheden van een belanghebbende en diens mogelijkheden om middelen te
                    verwerven. Dit als - volgens het college - dringende redenen daartoe noodzaken,
                    gelet op bijzondere omstandigheden. Op grond van bijzondere omstandigheden kan
                    het college besluiten de maatregel op een lager niveau, voor een kortere duur of
                    op nul vast te stellen. </al><al/><tussenkop>Schriftelijke mededeling in verband met recidive</tussenkop><al>Het doen van een schriftelijke mededeling in een beschikking dat het college
                    afziet van het opleggen van een verlaging wegens dringende redenen is van belang
                    in verband met eventuele recidive (artikel 4, derde lid). Het opleggen van een
                    verlaging bij recidive is geregeld in artikel 16.</al><al/><tussenkop>Artikel 5. Ingangsdatum en tijdvak van een verlaging</tussenkop><al>Het verlagen van de uitkering die in de nabije toekomst wordt verstrekt, is de
                    gemakkelijkste methode van het opleggen van een verlaging. Dan hoeft niet te
                    worden overgegaan tot herziening van de uitkering en terugvordering van het te
                    veel betaalde bedrag. In de praktijk zal dit meestal inhouden dat een verlaging
                    wordt opgelegd met ingang van de eerste dag van de kalendermaand, die volgt op
                    de kalendermaand waarin het besluit bekend is gemaakt. Voor de berekening van de
                    hoogte van de verlaging moet worden uitgegaan van de voor die maand geldende
                    bijstandsnorm.</al><al/><tussenkop>Verlaging uitvoeren op nieuwe uitkering (derde lid)</tussenkop><al>Een verlaging kan niet los worden gezien van het recht op bijstand. Het opleggen
                    van een verlaging is niet mogelijk als een belanghebbende geen recht op bijstand
                    (meer) heeft.<sup/> Als een verlaging niet of niet geheel ten uitvoer kan worden
                    gelegd als gevolg van de beëindiging of intrekking van de uitkering, is het ook
                    mogelijk om de verlaging of dat deel van de verlaging dat nog niet is
                    uitgevoerd, alsnog op te leggen als belanghebbende binnen een bepaalde termijn
                    na beëindiging van de uitkering opnieuw een uitkering op grond van de wet
                    ontvangt. Het college moet wel rekening houden met de vervaltermijn voor het
                    opleggen van een maatregel zoals bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel b. </al><al>Een dergelijke maatregel kan vanwege de samenhang met het recht op bijstand niet
                    bij voorbaat worden opgelegd. Het college moet bij het opnieuw toekennen van het
                    recht op bijstand beoordelen in hoeverre er nog aanleiding bestaat om een
                    verlaging toe te passen. Pas dan is sprake van een afstemmingsbesluit en staat
                    de mogelijkheid van bezwaar tegen de maatregel open.<sup/></al><al/><al><cursief>Artikel 6. Berekeningsgrondslag </cursief></al><al/><al><cursief>Bijstandsnorm</cursief></al><al>In het eerste lid is het uitgangspunt vastgelegd dat een verlaging wordt
                    berekend over de bijstandsnorm. Onder de bijstandsnorm wordt verstaan de
                    wettelijke norm, inclusief gemeentelijke toeslag of verlaging en inclusief
                    vakantietoeslag. Bij een uitkering op grond van de IOAW of de IOAZ wordt gekeken
                    naar de grondslag als bedoeld in artikel 5 van de IOAW respectievelijk van de
                    IOAZ.</al><al/><tussenkop>Bijzondere bijstand</tussenkop><al>In het tweede lid is bepaald dat een verlaging ook kan worden toegepast op de
                    bijzondere bijstand als aan een belanghebbende bijzondere bijstand wordt
                    verleend met toepassing van artikel 12 van de Participatiewet. Personen tussen
                    de 18 en 21 jaar ontvangen een lage jongerennorm, die indien noodzakelijk wordt
                    aangevuld door middel van aanvullende bijzondere bijstand in de kosten van
                    levensonderhoud. Als een verlaging uitsluitend op de lage jongerennorm wordt
                    opgelegd, zou dit leiden tot rechtsongelijkheid ten opzichte van de 21-jarigen.
                    Daarom is in het derde lid, onderdeel a, geregeld dat de berekeningsgrondslag in
                    dat geval bestaat uit de bijstandsnorm inclusief de verleende bijzondere
                    bijstand op grond van artikel 12 van de Participatiewet.</al><al>Op grond van het tweede lid, onderdeel b, is het mogelijk dat het college in
                    incidentele gevallen een verlaging oplegt over de bijzondere bijstand. Er moet
                    dan wel een verband bestaan tussen de gedraging van een belanghebbende en zijn
                    recht op bijzondere bijstand. Een verlaging kan uitsluitend worden opgelegd als
                    daadwerkelijk bijzondere bijstand is verstrekt. </al><al>De verordening biedt geen ruimte om een verlaging toe te passen op een
                    individuele inkomenstoeslag.</al><al/><tussenkop>Artikel 7. Gedragingen Participatiewet</tussenkop><al>De artikelen 7 en 9 moeten in onderlinge samenhang worden gelezen. In artikel 7
                    worden schendingen van verplichtingen uit de Participatiewet geformuleerd. De
                    verwijtbare gedragingen die zijn genoemd in artikel 7 zijn ondergebracht in
                    categorieën. Aan die categorieën wordt in artikel 9 een gewicht toegekend in de
                    vorm van een verlagingspercentage. De categorieën zijn gerangschikt naar
                    toenemende zwaarte. Een gedraging wordt ernstiger geacht naarmate de gedraging
                    meer concrete gevolgen heeft voor het niet verkrijgen of behouden van betaalde
                    arbeid.</al><al/><tussenkop>Niet of onvoldoende nakomen van verplichtingen</tussenkop><al>De verwijtbare gedragingen omvatten zowel het niet als het onvoldoende nakomen
                    van diverse verplichtingen. Artikel 18, tweede lid, van de WWB zoals dat luidde
                    vóór 1 januari 2015 bepaalt dat het college moest afstemmen als een
                    belanghebbende de verplichtingen "niet of onvoldoende nakomt". Met het huidige
                    artikel 18, tweede lid, van de Participatiewet wordt dit gewijzigd in "het niet
                    nakomen van de verplichtingen". Het woord "onvoldoende" valt hiermee weg.
                    Gemeend wordt dat de wetgever hiermee echter geen inhoudelijke wijziging heeft
                    beoogd en dat dit moet worden gelezen als het niet of onvoldoende nakomen van
                    verplichtingen. Om onduidelijkheid hierover te voorkomen is daarom in artikel 7
                    neergelegd dat sprake is van een verwijtbare gedraging bij het niet of
                    onvoldoende nakomen van de verplichtingen. </al><al/><tussenkop>Het niet naar vermogen proberen algemeen geaccepteerde arbeid te
                    verkrijgen (onderdeel c)</tussenkop><al>Deze verwijtbare gedraging is niet aan de orde voor zover het gaat om het niet
                    naar vermogen proberen te verkrijgen van algemeen geaccepteerde arbeid als dit
                    het gevolg is van een gedraging zoals bedoeld in artikel 18, vierde lid, van de
                    Participatiewet. In artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet staan de
                    geüniformeerde arbeidsverplichtingen. Voor schending van een geüniformeerde
                    arbeidsverplichting geldt een apart afstemmingsregime: verlaging van de bijstand
                    met honderd procent gedurende een in de afstemmingsverordening vastgelegde duur
                    van ten minste een maand en ten hoogste drie maanden (artikel 18, vijfde lid,
                    van de Participatiewet). In deze verordening is de duur vastgelegd in artikel
                    10. Er is dus geen sprake van een verwijtbare gedraging zoals bedoeld in artikel
                    7, derde lid, als het niet naar vermogen proberen te verkrijgen van algemeen
                    geaccepteerde arbeid voortvloeit uit een gedraging zoals bedoeld in artikel 18,
                    vierde lid, van de Participatiewet zoals: </al><lijst><li nr="-"><al>het niet verkrijgen of niet behouden van kennis en vaardigheden die
                            noodzakelijk zijn voor het verkrijgen van algemeen geaccepteerde arbeid,
                            en</al></li><li nr="-"><al>het belemmeren van het verkrijgen van algemeen geaccepteerde arbeid door
                            kleding, gebrek aan persoonlijke verzorging en gedrag.</al><al/></li></lijst><tussenkop>Inspanningen in eerste vier weken na de melding</tussenkop><al>De plicht tot arbeidsinschakeling geldt vanaf datum melding (zie artikel 9,
                    eerste lid, van de Participatiewet). Specifiek voor personen jonger dan 27 jaar
                    geldt dat zij worden beoordeeld op hun inspanningen in de eerste vier weken na
                    de melding (artikel 43, vierde en vijfde lid, van de Participatiewet). Is geen
                    enkele inspanning verricht, dan bestaat op grond van artikel 13, tweede lid,
                    onderdeel d, van de Participatiewet geen recht op bijstand. Zijn er wel
                    inspanningen verricht, maar naar het oordeel van het college onvoldoende, dan
                    verlaagt het college de uitkering. De verlaging kan in principe al worden
                    toegepast op basis van de grondslagen zoals genoemd in artikel 6 van deze
                    verordening. Een aparte grondslag is strikt genomen niet noodzakelijk. Het zou
                    wellicht zelfs tot verwarring kunnen leiden als het bijvoorbeeld gaat om een
                    belanghebbende die in de vijfde of zesde week na de melding de fout in gaat.
                    Desalniettemin is het niet of onvoldoende verrichten van inspanningen vanwege de
                    herkenbaarheid toch als aparte gedraging genoemd opgenomen in de
                    afstemmingsverordening (zie artikel 7 sub b).</al><al/><tussenkop>Artikel 8. Gedragingen IOAW en IOAZ</tussenkop><al>De artikelen 8 en 9 moeten in onderlinge samenhang worden gelezen. In artikel 8
                    worden schendingen van verplichtingen uit de IOAW en IOAZ geformuleerd. De
                    verwijtbare gedragingen die zijn genoemd in artikel 8, zijn ondergebracht in
                    categorieën. Aan die categorieën wordt in artikel 9 een gewicht toegekend in de
                    vorm van een verlagingspercentage. De categorieën zijn gerangschikt naar
                    toenemende zwaarte. Een gedraging wordt ernstiger geacht naarmate de gedraging
                    meer concrete gevolgen heeft voor het niet aanvaarden, verkrijgen of behouden
                    van betaalde arbeid.</al><al/><al><cursief>Artikel 9. Hoogte en duur van de verlaging</cursief></al><al>Zie voor de verlagingswaardige gedragingen de toelichting bij de artikelen 7 en
                    8.</al><al>Er is gekozen voor een afstemmingsregime bij gedragingen zoals bedoeld in de
                    artikelen 7 en 8 dat afwijkt van de maatregel bij schending van de
                    geüniformeerde arbeidsverplichtingen als bedoeld in artikel 18, vierde lid, van
                    de Participatiewet. Dit ondanks dat enkele van de in de artikelen 7 en 8
                    genoemde gedragingen verwant zijn aan de geüniformeerde
                    arbeidsverplichtingen.</al><al/><tussenkop>Artikel 10. Duur verlaging bij schending geüniformeerde
                    arbeidsverplichting</tussenkop><al>De eerste keer dat het college een verwijtbaar niet naleven van een
                    geüniformeerde arbeidsverplichting vaststelt, bedraagt de verlaging honderd
                    procent van de bijstandsnorm gedurende een bij deze verordening vastgestelde
                    periode (artikel 18, vijfde lid, eerste volzin, van de Participatiewet). </al><al>Bij het vaststellen van de duur van de verlaging is de ernst van de gedraging
                    leidend. Voor lichte overtredingen (overtreding van de in artikel 18, vierde
                    lid, onderdeel b, f en g, van de Participatiewet genoemde verplichtingen)
                    bedraagt de duur <vet>één maand</vet>. Voor zware overtredingen (overtreding van
                    de in artikel 18, vierde lid, onderdeel a, c, d, e en h, van de Participatiewet)
                    bedraagt de duur <vet>twee maanden</vet>.</al><al/><tussenkop>Artikel 11. Verrekenen verlaging</tussenkop><al>Het college heeft de mogelijkheid bij verlaging van de bijstand wegens schending
                    van een geüniformeerde arbeidsverplichting, de verlaging te verrekenen. Dit over
                    de maand van oplegging van de maatregel en ten hoogste over de twee volgende
                    maanden. Over de eerste maand moet minimaal een derde van het bedrag van de
                    verlaging worden verrekend (artikel 18, vijfde lid, tweede volzin, van de
                    Participatiewet). Wanneer belanghebbende tot inkeer komt, wordt de verlaging
                    stopgezet en ontvangt belanghebbende weer de volledige uitkering (artikel 18,
                    elfde lid, van de Participatiewet). </al><al/><tussenkop>Verrekenen bij bijzondere omstandigheden</tussenkop><al>Er is voor gekozen gebruik te maken van de mogelijkheid tot het verrekenen van
                    het bedrag van de verlaging bij een eerste schending van een geüniformeerde
                    arbeidsverplichting (of een herhaalde schending buiten de recidivetermijn) als
                    bijzondere omstandigheden dit rechtvaardigen. Hierbij kan worden gedacht
                    aan:</al><lijst><li nr="-"><al>vergroting schuldenproblematiek;</al></li><li nr="-"><al>(dreigende) huisuitzetting;</al></li><li nr="-"><al>afsluiting van gas en elektriciteit.</al><al>De maand van oplegging</al><al>In het eerste, tweede en derde lid wordt gesproken over de "maand van
                            oplegging". Deze term is overgenomen uit artikel 18, vijfde lid, van de
                            Participatiewet. Met de "maand van oplegging" wordt in deze verordening
                            bedoeld: de maand waarin het besluit aan belanghebbende is bekend
                            gemaakt. </al><al>Toedeling over twee maanden bij lichte overtredingen</al><al>Is sprake van een lichte overtreding van een geüniformeerde
                            arbeidsverplichting, dan kan worden verrekend over twee maanden. Van een
                            lichte overtreding is sprake bij schending van een gedraging zoals
                            bedoeld in artikel 18, vierde lid, onderdelen b, f en g, van de
                            Participatiewet. Bij een dergelijke overtreding wordt de bijstand
                            verlaagd met honderd procent gedurende <vet>één maand</vet>. Aan de
                            maand van oplegging en aan de daaropvolgende maand wordt de helft van
                            het bedrag van de verlaging wordt toebedeeld. Dit betekent dat in de
                            maand van oplegging van de maatregel en de daaropvolgende maand de
                            inhouding in beginsel vijftig procent bedraagt (artikel 11, tweede lid,
                            van deze verordening). </al><al>Toedeling over drie maanden bij zware overtredingen</al><al>Is sprake van een zware overtreding van een geüniformeerde
                            arbeidsverplichting, dan kan worden verrekend over drie maanden. Van een
                            zware overtreding is sprake bij schending van een gedraging zoals
                            bedoeld in artikel 18, vierde lid, onderdeel a, c, d, e en h, van de
                            Participatiewet. Bij een dergelijke overtreding wordt de bijstand
                            verlaagd met honderd procent gedurende twee maanden. Aan de maand van
                            oplegging en aan de twee daaropvolgende maanden wordt een derde van het
                            bedrag van de verlaging wordt toebedeeld. Dit betekent dat in de maand
                            van oplegging van de maatregel en de daaropvolgende maanden de inhouding
                            in beginsel 66,67 procent bedraagt (artikel 11, derde lid, van deze
                            verordening).</al><al> Geen verrekening bij niet aanvaarden of behouden algemeen geaccepteerde
                            arbeid</al><al>In het vierde lid is bepaald dat als sprake is van een verlaging op
                            grond van artikel 18, vierde lid, onderdeel a, van de Participatiewet,
                            geen verrekening plaatsvindt zoals bedoeld in artikel 11, eerste lid.
                            Het betreft het niet aanvaarden of behouden van algemeen geaccepteerde
                            arbeid. Deze keuze is gebaseerd op de zwaarte van de gedraging.</al><al/><al><cursief>Geen verrekening bij recidive</cursief></al><al>Is sprake van een tweede of volgende schending van een geüniformeerde
                            arbeidsverplichting binnen de recidivetermijn, dan is verrekenen van de
                            maatregel niet mogelijk. Artikel 11 bepaalt immers dat verrekenen
                            uitsluitend mogelijk is bij een gedraging zoals bedoeld in artikel 10
                            van deze verordening én als sprake is van bijzondere omstandigheden.
                            Recidive is niet geregeld in artikel 10, maar in artikel 16, derde lid,
                            van deze verordening en artikel 18, zesde, zevende en achtste lid, van
                            de Participatiewet. Daarom is verrekenen bij recidive niet mogelijk. </al><al>Geen verrekening bij maatregel wegens schending andere gedragingen
                            Verrekening bij maatregelen voor schendingen van andere gedragingen dan
                            de geüniformeerde arbeidsverplichtingen, is niet mogelijk. Dit volgt uit
                            artikel 11 van deze verordening en artikel 18, vijfde lid, van de
                            Participatiewet.</al><al/></li></lijst><tussenkop>Artikel 12. Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid</tussenkop><al>Aan de Participatiewet ligt het beginsel ten grondslag dat iedereen in eerste
                    instantie in zijn eigen bestaan(skosten) dient te voorzien. Pas wanneer dat niet
                    mogelijk is, kan men een beroep doen op bijstand. Hoofdregel is dus dat iedereen
                    alles zal moeten doen en nalaten om een beroep op bijstand te voorkomen. Leidt
                    een gedraging ertoe dat belanghebbende eerder, langer of voor een hoger bedrag
                    is aangewezen op bijstand, dan is veelal sprake van een tekortschietend besef
                    van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan. Hiervan is in ieder
                    geval sprake bij de volgende gedragingen (als die er toe leiden dat
                    belanghebbende eerder, langer of voor een hoger bedrag is aangewezen op
                    bijstand):</al><lijst><li nr="-"><al>het te snel interen van vermogen;</al></li><li nr="-"><al>het door eigen schuld verliezen van het recht op een uitkering;</al></li><li nr="-"><al>het door eigen schuld te laat aanvragen van een voorliggende
                            voorziening.</al></li></lijst><al>Het door eigen toedoen niet behouden van algemeen geaccepteerde arbeid moet
                    worden aangemerkt als een geüniformeerde arbeidsverplichting (zie de artikelen
                    9, eerste lid, onderdeel a, en 18, vierde lid, onderdeel g, van de
                    Participatiewet). Is sprake van het door eigen toedoen niet behouden van
                    algemeen geaccepteerde arbeid, dan moet afstemming plaatsvinden volgens de
                    regels van artikel 18 van de Participatiewet en artikel 10 en 16, derde lid, van
                    deze verordening.</al><al> Op grond van artikel 12 van deze verordening kan een verlaging worden opgelegd
                    wegens het betonen van tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de
                    voorziening in het bestaan. De ernst van de gedraging komt tot uitdrukking in de
                    hoogte van het benadelingsbedrag. Dat is in dit geval het gedeelte van de
                    uitkering waarop eerder, langer of tot een hoger bedrag een beroep wordt gedaan. </al><al/><tussenkop>Onverantwoord interen van vermogen</tussenkop><al>Een tekortschietend besef van de verantwoordelijkheid voor de voorziening in het
                    bestaan kan bestaan uit het veel te snel interen van vermogen. Bij deze
                    beoordeling wordt onder verantwoorde besteding verstaan 1½ maal de toepasselijke
                    bijstandsnorm per maand. Deze stelregel is afgeleid van constante
                    Jurisprudentie.</al><al>Bij te snel interen op vermogen wordt bij een benadelingsbedrag vanaf € 10.000,-
                    de afstemming gezocht in een verlaging met 20% gedurende de periode dat te vroeg
                    een beroep op bijstand is gedaan. Een langere periode van verlaging is sluit in
                    die situatie beter aan bij de ernst van het feit. Tot € 10.000,- is de
                    maatregelduur standaard 1 maand met een oplopend percentage afhankelijk van het
                    benadelingsbedrag. </al><al/><tussenkop>Bijstand in de vorm van een geldlening</tussenkop><al>Als sprake is van tekortschietend besef van verantwoordelijkheid kan het college
                    tevens besluiten de bijstand in de vorm van een geldlening te verstrekken. Dit
                    volgt uit artikel 48, tweede lid, onderdeel b, van de Participatiewet. Als het
                    college besluit beide instrumenten te gebruiken (leenbijstand én verlaging) moet
                    het wel voldoende acht slaan op het totale effect hiervan voor de
                    bijstandsgerechtigde.<sup/></al><al/><tussenkop>Artikel 13. Zeer ernstige misdragingen</tussenkop><al/><tussenkop>Participatiewet (eerste lid)</tussenkop><al>Onder de term 'zeer ernstige misdraging' dient in elk geval te worden verstaan:
                    elke vorm van ongewenst en agressief fysiek contact met een persoon of het
                    ondernemen van pogingen daartoe. Hieronder valt bijvoorbeeld schoppen, slaan of
                    het (dreigen met) gooien van voorwerpen naar een persoon. Ook het toebrengen van
                    schade aan een gebouw of inventarisonderdeel, evenals het ondernemen van
                    pogingen daartoe in enige vorm wordt als zeer ernstige misdraging gezien.
                    Handelingen die door hun grote en mogelijk blijvende impact op de desbetreffende
                    persoon of personen grote invloed hebben zoals het opzetten van gerichte
                    lastercampagnes, seksuele intimidatie, het tonen van steek en/of vuurwapens
                    evenals (pogingen tot) opsluiting in een ruimte zijn eveneens als zeer ernstige
                    misdraging te beschouwen.<sup/> Ook verbaal geweld valt onder de noemer 'zeer
                    ernstige misdraging'.<sup/></al><al>Het gaat dus om alle vormen van zeer ernstige misdragingen tegenover de met de
                    uitvoering van de Participatiewet belaste personen en instanties (college, SVB
                    en re-integratiebedrijven) tijdens het verrichten van hun werkzaamheden.<sup/>
                    Met de zinsnede 'tijdens het verrichten van de werkzaamheden' wordt aangegeven
                    dat de misdraging dient plaats te vinden in het kader van de uitvoering van de
                    Participatiewet. Dat is anders als betrokkenen elkaar buiten werktijd tegen
                    komen: dan is alleen het strafrecht van toepassing.<sup/></al><al>Met ingang van 1 januari 2015 is de verplichting om zich te onthouden van zeer
                    ernstige misdragingen een zelfstandige verplichting die is opgenomen in artikel
                    9, zesde lid, van de Participatiewet. Deze verplichting staat dus op zichzelf.
                    Vóór 1 januari 2015 was dit een onzelfstandige verplichting. Om een
                    belanghebbende te sanctioneren wegens zeer ernstige misdragingen, moest sprake
                    zijn van een samenhang tussen de zeer ernstige misdragingen met het niet nakomen
                    van een of meer verplichtingen die voortvloeien uit de toenmalige WWB, IOAW of
                    IOAZ.<sup/></al><tussenkop>IOAW en IOAZ (tweede lid)</tussenkop><al>Onder de term ‘zeer ernstige misdragingen’ kunnen diverse vormen van agressie
                    worden verstaan, zij het dat er sprake moet zijn van verwijtbaarheid en van
                    gedrag dat in het normale menselijke verkeer in alle gevallen als onacceptabel
                    wordt beschouwd. Ook verbaal geweld valt onder de noemer 'zeer ernstige
                    misdraging'.<sup/> Het college kan alleen een verlaging opleggen als er een
                    verband bestaat tussen de ernstige misdraging en (mogelijke) belemmeringen bij
                    het vaststellen van het recht op een uitkering. De IOAW en IOAZ bevatten immers
                    geen afzonderlijke plicht tot het nalaten van zeer ernstige misdragingen. Het
                    recht op uitkering kan daarom alleen worden afgestemd wegens het zich zeer
                    ernstig misdragen als dit heeft plaatsgevonden bij het (niet) nakomen van een
                    (andere) aan de uitkering verbonden verplichting. Vandaar dat in het tweede lid
                    wordt bepaald dat de zeer ernstige misdragingen moeten hebben plaatsgevonden
                    onder omstandigheden die rechtstreeks verband houden met de uitvoering van IOAW
                    of IOAZ. Als een belanghebbende zich zeer ernstig misdraagt, geheel los van een
                    (andere) aan de uitkering verbonden verplichting - hij komt bijvoorbeeld uit
                    eigen beweging stennis maken - dan is binnen de IOAW en IOAZ tegen deze
                    gedraging geen sanctie mogelijk.</al><al/><tussenkop>Artikel 14. Niet nakomen van overige verplichtingen</tussenkop><al>De Participatiewet geeft het college de bevoegdheid om personen verplichtingen
                    op te leggen die volledig individueel bepaald zijn. Artikel 55 van de
                    Participatiewet biedt daartoe de mogelijkheid en beperkt deze tot een viertal
                    categorieën, te weten:</al><lijst><li nr="1."><al>verplichtingen die strekken tot arbeidsinschakeling;</al></li><li nr="2."><al>verplichtingen die verband houden met de aard en het doel van een
                            bepaalde vorm van bijstand;</al></li><li nr="3."><al>verplichtingen die strekken tot vermindering van de bijstand, en</al></li><li nr="4."><al>verplichtingen die strekken tot beëindiging van de bijstand.</al></li></lijst><al>De hoogte van de verlaging is in deze verordening per categorie verschillend
                    vastgesteld. Omdat de verplichtingen die het college op grond van artikel 55 van
                    de Participatiewet kan opleggen een zeer individueel karakter hebben, kan het
                    voorkomen dat de in de verordening vastgestelde verlaging niet is afgestemd op
                    de individuele omstandigheden van een belanghebbende. Het college zal daarom
                    altijd rekening moeten houden met de individualiseringsbepaling van artikel 18,
                    eerste lid, van de Participatiewet. Deze bepaling verplicht het college de
                    bijstand af te stemmen op de omstandigheden, mogelijkheden en middelen van een
                    belanghebbende. In individuele gevallen kan dus worden afgeweken van de in dit
                    artikel vastgestelde verlaging.</al><al/><tussenkop>Artikel 15. Samenloop van gedragingen</tussenkop><tussenkop>Samenloop bij één gedraging waardoor meerdere verplichtingen worden
                    geschonden</tussenkop><al>Het eerste lid regelt samenloop als sprake is van één gedraging die schending
                    oplevert van meerdere verplichtingen, die zijn genoemd in deze verordening,
                    artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet of in beide regelingen. In dat
                    geval wordt één verlaging opgelegd. Voor het bepalen van de hoogte en de duur
                    van de verlaging wordt uitgegaan van de gedraging waarop de hoogste verlaging is
                    gesteld.</al><al/><tussenkop>Samenloop bij meerdere gedraging waardoor één of meerdere verplichtingen
                    worden geschonden</tussenkop><al>Het tweede regelt samenloop als sprake is van meerdere gedraging die schending
                    opleveren van één of meerdere verplichtingen, die zijn genoemd in deze
                    verordening, artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet of in beide
                    regelingen. Dit wordt 'meerdaadse samenloop' genoemd. In dat geval wordt voor
                    iedere gedraging een afzonderlijke verlaging toegepast. Deze verlagingen worden
                    in principe gelijktijdig opgelegd. Dit is anders als dit niet verantwoord is.
                    Hierbij spelen factoren zoals de ernst van de gedraging, de mate van
                    verwijtbaarheid en de omstandigheden van een belanghebbende een rol. Daarvoor
                    moet altijd gekeken worden naar de individuele omstandigheden. De verlaging
                    wordt dan over meerdere maanden uitgesmeerd.</al><al/><tussenkop>Samenloop met een bestuurlijke boete</tussenkop><al>Het derde en vierde lid regelen in hoeverre een verlaging kan worden opgelegd
                    als sprake is van een verlagingswaardige gedraging die tevens een boetewaardige
                    gedragingen is. </al><al>Als sprake is van één gedraging die zowel schending van een in deze verordening
                    opgenomen verplichting als schending van de inlichtingenplicht oplevert, kan de
                    schending van deze verplichtingen niet gezamenlijk worden afgedaan, omdat
                    schending van de inlichtingenplicht (wettelijk) is geregeld in de vorm van een
                    bestuurlijke boete. In het geval zich de situatie voordoet dat er sprake is van
                    samenloop tussen de bestuurlijke boete en afstemming dient het college in het
                    individuele geval te beoordelen welke sanctie wordt opgelegd. Bij eendaadse
                    samenloop ligt het voor de hand één sanctie op te leggen. Het college bepaalt of
                    al dan niet een boete wordt opgelegd. Is dit het geval, dan wordt geen verlaging
                    meer opgelegd (derde lid).</al><al>Bij meerdaadse samenloop ligt het voor de hand de gedraging te sanctioneren door
                    het opleggen van een bestuurlijke boete voor zover sprake is van een gedraging
                    waarin ook een beboetbare gedraging zit. Daarnaast kan het college in dit geval
                    nog een of meer maatregelen opleggen, waarbij bij de hoogte van de afstemming zo
                    nodig rekening kan worden gehouden met de boete en de eventuele andere
                    maatregelen (vierde lid).</al><al>Als sprake is van één gedraging die zowel schending van een in artikel 18,
                    vierde lid, van de Participatiewet benoemde verplichting als schending van de
                    inlichtingenplicht oplevert, is het voorgaande ook van toepassing.</al><al/><tussenkop>Artikel 16. Recidive</tussenkop><al/><tussenkop>Verdubbeling duur verlaging</tussenkop><al>Als binnen twaalf maanden na een eerste verwijtbare gedraging wederom sprake is
                    van een verwijtbare gedraging waarmee dezelfde verplichting wordt geschonden,
                    wordt de grotere mate van verwijtbaarheid tot uitdrukking gebracht in een
                    verdubbeling van de hoogte of duur van de verlaging. Een verlaging kan nooit
                    hoger zijn dan honderd procent. Daarom is bij gedragingen waar relatief zware
                    verlagingen voor gelden, gekozen voor een verdubbeling van de duur van de
                    maatregel in plaats van de hoogte. Met de eerste verwijtbare gedraging wordt de
                    eerste gedraging bedoeld die aanleiding is geweest tot een verlaging, ook als
                    wegens dringende redenen – op grond van artikel 4, tweede lid, van deze
                    verordening en eventueel 18, tiende lid, van de Participatiewet – is afgezien
                    van het opleggen van een verlaging. Dit geldt ook als van afstemming op grond
                    van artikel 18, eerste lid, van de Participatiewet is afgezien van het opleggen
                    van een verlaging. Is vanwege de afwezigheid van elke vorm van verwijtbaarheid
                    afgezien van een verlaging, dan is het niet mogelijk om bij toepassing van
                    recidive deze gedraging mee te tellen. Voor het bepalen van de aanvang van de
                    termijn van twaalf maanden, geldt het tijdstip waarop het besluit waarmee de
                    verlaging is opgelegd, is verzonden.</al><al/><tussenkop>Verdubbeling hoogte verlaging</tussenkop><al>Als binnen twaalf maanden na een eerste verwijtbare gedraging wederom sprake is
                    van een verwijtbare gedraging waarmee dezelfde verplichting wordt geschonden,
                    wordt de grotere mate van verwijtbaarheid tot uitdrukking gebracht in een
                    verdubbeling van de hoogte of duur van de verlaging. Voor lichte verlagingen is
                    gekozen voor een verdubbeling van de hoogte van de verlaging.</al><al/><tussenkop>Recidive op recidive bij niet geüniformeerde
                    arbeidsverplichtingen</tussenkop><al>Ook in het geval dat een belanghebbende voor een derde of volgende keer een niet
                    geüniformeerde arbeidsverplichting schendt, is de recidivebepaling van artikel
                    16, eerste of tweede lid, van deze verordening van toepassing. Dit wordt tot
                    uitdrukking gebracht door het woord "telkens" in de recidivebepaling. Voor
                    toepassing van de recidivebepaling is vereist dat het opnieuw schenden van
                    dezelfde verplichting plaatsvindt binnen twaalf maanden na bekendmaking van het
                    vorige besluit waarmee een verlaging is toegepast. </al><al>Is sprake van een derde of volgende schending, dan geldt – evenals bij de eerste
                    keer recidive – dat ofwel de hoogte ofwel de duur van de oorspronkelijke
                    verlaging wordt verdubbeld. Bij lichte gedragingen geldt een verdubbeling van de
                    hoogte van de verlaging. Bij zware gedragingen geldt een verdubbeling van de
                    duur van de verlaging.</al><al>Telkens wordt de hoogte of de duur van de oorspronkelijke verlaging verdubbeld.
                    Dit is de verlaging die geldt bij een eerste schending van de verplichting. Er
                    is expliciet niet voor gekozen de hoogte of de duur van de vorige verlaging te
                    verdubbelen. Uitgangspunt is verdubbeling van de hoogte of de duur van de
                    oorspronkelijke verlaging. Hiermee wordt stapeling van verdubbeling van de
                    verlaging voorkomen. </al><al>Voor recidive als bedoeld in het eerste en tweede lid is vereist dat sprake moet
                    zijn van "eenzelfde verwijtbare gedraging" als de gedraging waarvoor de eerste
                    verlaging is opgelegd. Voorwaarde is dus dat dezelfde verplichting wordt
                    geschonden. Is dit niet het geval, dan moet de verwijtbare gedraging worden
                    aangemerkt als een eerste schending van een verplichting. Heeft een persoon zich
                    zeer ernstig misdragen (artikel 13) binnen twaalf maanden nadat een verlaging is
                    opgelegd wegens het zich niet tijdig laten registreren als werkzoekende bij
                    Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (artikel 7, eerste lid), dan is
                    geen sprake van recidive aangezien het niet "eenzelfde gedraging" betreft.
                    Evenmin is sprake van recidive als een belanghebbende niet meewerkt aan het
                    opstellen van een plan van aanpak (artikel 7, tweede lid, onderdeel a) en
                    vervolgens een opgedragen tegenprestatie niet verricht (artikel 7, tweede lid,
                    onderdeel d). Ook dan is geen sprake van eenzelfde gedraging aangezien twee
                    verschillende verplichtingen zijn geschonden. </al><al/><tussenkop>Recidive schending geüniformeerde arbeidsverplichting</tussenkop><al>Is sprake van het niet of onvoldoende nakomen van een geüniformeerde
                    arbeidsverplichting binnen twaalf maanden nadat aan een belanghebbende een
                    eerste maatregel is opgelegd wegens schending van een geüniformeerde
                    arbeidsverplichting, dan bedraagt de verlaging honderd procent gedurende
                        <vet>drie maanden</vet>. Dit valt binnen de in artikel 18, zesde lid, van de
                    Participatiewet gegeven marges.</al><al>Bij een derde, vierde en volgende schending van een geüniformeerde
                    arbeidsverplichting, telkens binnen twaalf maanden na oplegging van de vorige
                    maatregel, bedraagt de verlaging honderd procent gedurende drie maanden (artikel
                    18, zevende en achtste lid, van de Participatiewet).</al><al/><tussenkop>Artikel 17. Samenloop bij weigeren uitkering IOAW/IOAZ</tussenkop><al>Het college is op grond van artikel 20 van de IOAW en artikel 20 van de IOAZ
                    bevoegd de uitkering blijvend of tijdelijk te weigeren als een belanghebbende,
                    kort gezegd, inkomen uit arbeid had kunnen verwerven, maar dit nalaat. Dit is
                    een discretionaire bevoegdheid van het college. De vraag of een verlaging moet
                    worden toegepast, zal pas aan de orde komen als het college zich een oordeel
                    heeft gevormd over de eventuele weigering van de uitkering. Deze beoordeling
                    gaat in beginsel voor. Pas als het college concludeert dat van een weigering
                    geen sprake is, kan op grond van deze verordening een verlaging worden
                    toegepast. Artikel 17 van deze verordening is derhalve bedoeld om samenloop te
                    voorkomen.</al><al/><al/></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>