<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidop="http://standaarden.overheid.nl/oep/meta/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export1.6--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR369632_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Participatieverordening gemeente Hellevoetsluis 2015</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Hellevoetsluis</dcterms:creator><dcterms:modified>2015-01-01</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Hellevoetsluis</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="http://www.officielebekendmakingen.nl">GVOP</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Participatieverordening gemeente Hellevoetsluis 2015</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">artikel 8a en artikel 10b, vierde lid van de Participatiewet</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">artikel 35, eerste lid, onderdeel a van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">artikel 35, eerste lid, onderdeel a van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2014-12-18</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
          databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2015-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:terugwerkendekrachtDatum>2015-01-01</overheidrg:terugwerkendekrachtDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2025-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>18-12-14/09B</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Onbekend</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Participatieverordening gemeente Hellevoetsluis 2015</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>Nummer: 18-12-14/09B</al><al/><al>De raad der gemeente Hellevoetsluis;</al><al>gehoord de commissie zorg, welzijn en onderwijs;</al><al>gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 11 november 2014,
                        nummer: 18-12-14/09;</al><al/><al>gelet op artikel 8a en artikel 10b, vierde lid van de Participatiewet,
                        artikel 35, eerste lid, onderdeel a van de Wet inkomensvoorziening oudere en
                        gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers en artikel 35, eerste
                        lid, onderdeel a van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                        arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen;</al><al/><al> besluit:</al><al/><al>vast te stellen de Participatieverordening gemeente Hellevoetsluis
                        2015.</al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1.</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Begrippen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en die niet
                                nader zijn omschreven hebben dezelfde betekenis als in de
                                Participatiewet, de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                                arbeidsongeschikte werkloze werknemers (IOAW), de Wet
                                inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte
                                gewezen zelfstandigen (IOAZ) en de Algemene wet bestuursrecht
                                (Awb).</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In deze verordening wordt verstaan onder: </al><lijst><li nr="a."><al><onderstreept>startkwalificatie</onderstreept>: een diploma
                                        van een opleiding als bedoeld in artikel 7.2.2, eerste lid,
                                        onderdelen b tot en met e, van de Wet educatie en
                                        beroepsonderwijs, of een diploma van het Hoger
                                        beroepsonderwijs (Hbo) of een diploma van het
                                        Wetenschappelijk onderwijs (Wo);</al></li><li nr="b."><al><onderstreept>college</onderstreept>: het college van
                                        burgemeester en wethouders van de gemeente
                                        Hellevoetsluis;</al></li><li nr="c."><al><onderstreept>doelgroep</onderstreept>: personen als bedoeld
                                        in artikel 7 lid 1 sub a van de wet;</al></li><li nr="d."><al><onderstreept>IOAW</onderstreept>: Wet inkomensvoorziening
                                        oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze
                                        werknemers;</al></li><li nr="e."><al><onderstreept>IOAZ</onderstreept>: Wet inkomensvoorziening
                                        oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen
                                        zelfstandigen;</al></li><li nr="f."><al><onderstreept>jobcoach</onderstreept>: een jobcoach
                                        ondersteunt/begeleidt een persoon (werknemer) met een
                                        structurele functionele beperking op zijn/haar
                                        werkplek;</al></li><li nr="g."><al><onderstreept>no-riskpolis</onderstreept>: een verzekering
                                        waarbij een werkgever compensatie ontvangt voor de
                                        loonkosten wanneer een werknemer met arbeidsbeperkingen ziek
                                        wordt;</al></li><li nr="h."><al><onderstreept>participatie</onderstreept>: het deelnemen aan
                                        de samenleving door middel van betaald werk (in
                                        dienstverband of als zelfstandige) of, indien dit niet
                                        mogelijk is, door middel van vrijwilligerswerk, mantelzorg
                                        of andere maatschappelijk nuttige activiteiten;</al></li><li nr="i."><al><onderstreept>participatievoorziening</onderstreept>: de
                                        instrumenten die kunnen worden ingezet voor participatie van
                                        de doelgroep waaronder in ieder geval de voorzieningen,
                                        bedoeld in de artikelen 10a, 10b, 10d, 10da en artikel 10f
                                        van de Participatiewet;</al></li><li nr="j."><al><onderstreept>reguliere arbeid</onderstreept>: algemeen
                                        geaccepteerde arbeid, waarvoor loon wordt ontvangen, niet
                                        zijnde gesubsidieerde arbeid en niet zijnde een voorziening
                                        als bedoeld in de artikelen 9, 10, 13 en 15 van deze
                                        verordening;</al></li><li nr="k."><al><onderstreept>re-integratie</onderstreept>: het proces dat
                                        moet leiden tot participatie;</al></li><li nr="l."><al><onderstreept>traject</onderstreept>: in een plan
                                        vastgelegde bundeling van activiteiten gericht op
                                        participatie;</al></li><li nr="m."><al><onderstreept>uitkeringsgerechtigde</onderstreept>: degene
                                        die een periodieke uitkering voor levensonderhoud ontvangt
                                        op grond van de Participatiewet, IOAW en IOAZ;</al></li><li nr="n."><al><onderstreept>UWV</onderstreept>: het Uitvoeringsinstituut
                                        werknemersverzekeringen;</al></li><li nr="o."><al><onderstreept>Wet</onderstreept>: de Participatiewet.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Opdracht aan het college</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Aan de gemeenteraad wordt jaarlijks een voortgangsrapportage
                                gezonden m.b.t. de uitvoering van de verordening;</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college stelt de in lid 1 genoemde voortgangsrapportage vast
                                alvorens deze aan de raad wordt aangeboden;</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De voortgangsrapportage zoals bedoeld in lid 1 bevat het oordeel van
                                de Cliëntenraad;</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college houdt bij het aanbieden van de in deze verordening
                                opgenomen voorzieningen rekening met de omstandigheden en
                                functionele beperkingen van een persoon. De omstandigheden hebben in
                                ieder geval betrekking op zorgtaken van de persoon en de
                                mogelijkheid dat hij behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie of
                                gebruik maakt van de voorziening beschut werken. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>Algemene bepalingen over voorzieningen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In het door het college vastgestelde participatiebeleid wordt
                                vastgelegd welke voorzieningen het college in ieder geval kan
                                aanbieden alsmede de voorwaarden die daarbij gelden voor zover
                                daarover in deze verordening geen nadere bepalingen zijn
                                opgenomen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan een participatievoorziening beëindigen, weigeren of
                                intrekken indien:</al><al/><lijst><li nr="a."><al>belanghebbende zijn verplichtingen herhaaldelijk en
                                        verwijtbaar niet nakomt;</al></li><li nr="b."><al>een persoon die deelneemt aan een participatievoorziening
                                        niet meer tot de doelgroep;</al></li><li nr="c."><al>het college een andere participatievoorziening aanbiedt die
                                        naar zijn oordeel passender is;</al></li><li nr="d."><al>naar het oordeel van het college de participatievoorziening
                                        niet, niet langer dan wel in onvoldoende mate bijdraagt aan
                                        de participatie van belanghebbende.</al></li></lijst></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2.</nr><titel>Tegenprestatie naar vermogen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>De tegenprestatie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden,
                                die additioneel van aard zijn, inzetten als tegenprestatie en die
                                werkzaamheden:</al><lijst><li nr="a."><al>naar zijn aard niet zijn gericht op toeleiding tot de
                                        arbeidsmarkt; en</al></li><li nr="b."><al>niet zijn bedoeld als re-integratieinstrument; en</al></li><li nr="c."><al>worden verricht naast of in aanvulling op reguliere arbeid
                                        in de organisatie waarin ze worden verricht; en</al></li><li nr="d."><al>niet leiden tot verdringing.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college stelt nadere regels vast welke aanvullende werkzaamheden
                                in ieder geval kunnen worden aangeboden.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Het opleggen van een tegenprestatie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan een tegenprestatie opleggen welke is gericht op het
                                versterken van de eigen kracht en/of sociaal netwerk voor zover het
                                college deze van toepassing acht. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Geen tegenprestatie wordt opgelegd aan:</al><lijst><li nr="a."><al>inwoners die enkel bijzondere bijstand ontvangen;</al></li><li nr="b."><al>alleenstaande ouders die op grond van artikel 9a
                                        Participatiewet op eigen verzoek een ontheffing van de
                                        arbeidsverplichtingen hebben, omdat zij de volledige zorg
                                        hebben voor een kind tot vijf;</al></li><li nr="c."><al>uitkeringsgerechtigden die volledig en duurzaam
                                        arbeidsongeschikt zijn en grond daarvan volledig zijn
                                        vrijgesteld van arbeids- en re-integratieverplichting;</al></li><li nr="d."><al>de uitkeringsgerechtigde verricht parttime werk voor
                                        minimaal 20 uur per week, dan wel het naar vermogen maximaal
                                        haalbare uren;</al></li><li nr="e."><al>de uitkeringsgerechtigde neemt deel aan een
                                        re-integratietraject, waarmee op de korte of lange termijn
                                        wordt toegewerkt naar het kunnen gaan verrichten van
                                        algemeen geaccepteerde arbeid;</al></li><li nr="f."><al>de uitkeringsgerechtigde verricht vrijwilligerswerk voor
                                        minimaal 16 uur per week;</al></li><li nr="g."><al>de uitkeringsgerechtigde verricht mantelzorg voor minimaal
                                        16 uur per week;</al></li><li nr="h."><al>uitkeringsgerechtigden waarbij er sprake is van
                                        multiproblematiek en het opleggen van een tegenprestatie
                                        niet redelijk wordt geacht. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De tegenprestatie wordt qua invulling en duur afgestemd op de
                                mogelijkheden van de uitkeringsgerechtigde en op de wensen en
                                mogelijkheden van de organisatie die de maatschappelijke activiteit
                                aanbiedt.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Duur en omvang van de tegenprestatie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De omvang van de tegenprestatie kan variëren van een eenmalige
                                activiteit tot een substantieel aantal uren per maand.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De duur van de tegenprestatie bedraagt maximaal twaalf maanden.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel>Keuze invulling van de tegenprestatie</titel></kop><al>De keuze voor de invulling van de tegenprestatie wordt in de volgende
                            volgorde uitgevoerd: </al><lijst><li nr="a."><al>de uitkeringsgerechtigde zoekt zelf aantoonbaar een activiteit
                                    en organisatie;</al></li><li nr="b."><al>de gemeente zorgt voor de beschikbaarheid van activiteiten bij
                                    organisaties en de uitkeringsgerechtigde maakt hieruit een
                                    keuze;</al></li><li nr="c."><al>de gemeente zorgt voor de beschikbaarheid van activiteiten bij
                                    organisaties en maakt hieruit een keuze voor de
                                    uitkeringsgerechtigde;</al></li><li nr="d."><al>indien de uitkeringsgerechtigde zelf een activiteit en/of
                                    organisatie aandraagt als bedoeld in het eerste lid onderdeel a
                                    van dit artikel, wordt deze getoetst op de criteria als bedoeld
                                    in artikel vier, eerste lid en artikel vijf, derde lid van de
                                    verordening.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.</nr><titel>Geen werkzaamheden voorhanden</titel></kop><al>Het college legt geen tegenprestatie op indien geen werkzaamheden
                            voorhanden zijn die kunnen worden ingezet als tegenprestatie.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3.</nr><titel>Participatievoorzieningen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.</nr><titel>Werkstages</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan een persoon met een Participatiewet-, IOAW-, IOAZ-
                                of Anw- uitkering, niet-uitkeringsgerechtigden dan wel personen
                                zoals bedoeld in artikel 10 lid 2 Participatiewet die gedurende vijf
                                jaren geen inkomsten uit arbeid hebben verworven, een werkstage,
                                gericht op arbeidsinschakeling, aanbieden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het doel van de werkstage zonder vergoeding of loon is het opdoen
                                van werkervaring dan wel het leren functioneren in een
                                arbeidsrelatie.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De werkstage duurt maximaal 6 maanden.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Voor het deelnemen aan een werkstage wordt geen vergoeding of loon
                                uitgekeerd.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het college plaatst de persoon alleen indien door zijn plaatsing de
                                concurrentieverhoudingen niet onverantwoord worden beïnvloed en
                                indien door zijn plaatsing geen verdringing plaatsvindt.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>In een schriftelijke overeenkomst wordt tenminste vastgelegd het
                                doel van de werkstage, alsmede de wijze waarop de begeleiding
                                plaatsvindt.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.</nr><titel>Sociale activering</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan aan personen met een Participatiewet-, IOAW-, IOAZ-
                                of Anw- uitkering, niet-uitkeringsgerechtigden dan wel personen
                                zoals bedoeld in artikel 10 lid 2 Participatiewet activiteiten
                                aanbieden in het kader van sociale activering.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onder sociale activering wordt verstaan het onbetaald verrichten van
                                maatschappelijk nuttige activiteiten of vrijwilligerswerk ter
                                voorbereiding op een traject gericht op arbeidsinschakeling of
                                gericht op het voorkomen van sociaal isolement.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college stemt de duur van de in het eerste lid bedoelde
                                activiteiten af op de mogelijkheden en capaciteiten van
                                belanghebbende.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11.</nr><titel>Detacheringsbanen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan aan personen met een Participatiewet-, IOAW-, IOAZ-
                                of Anw- uitkering, niet-uitkeringsgerechtigden dan wel personen
                                zoals bedoeld in artikel 10 lid 2 Participatiewet een dienstverband
                                aanbieden, gericht op arbeidsinschakeling.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De werknemer wordt voor het verrichten van arbeid gedetacheerd bij
                                een onderneming. De detachering wordt vastgelegd in een
                                schriftelijke overeenkomst tussen zowel werkgever en inlenende
                                organisatie als tussen werknemer en inlenende organisatie.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Een werknemer wordt alleen geplaatst indien door zijn plaatsing de
                                concurrentieverhoudingen niet worden beïnvloed en indien door zijn
                                plaatsing geen verdringing plaatsvindt.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Op het dienstverband zoals bedoeld in het eerste lid is de
                                arbeidsvoorwaardenregeling van de gemeente Hellevoetsluis van
                                toepassing.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het college kan een organisatie aanwijzen die in opdracht van of
                                namens de gemeente het werkgeverschap voor de banen, zoals bedoeld
                                in het eerste lid, uitvoert.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.</nr><titel>Scholing</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien een persoon met een Participatiewet-, IOAW-, IOAZ- of Anw-
                                uitkering, een niet- uitkeringsgerechtigde dan wel een persoon zoals
                                bedoeld in artikel 10 lid 2 Participatiewet niet beschikt over een
                                startkwalificatie, kan een scholings- of opleidingstraject worden
                                aangeboden die tot die kwalificatie leidt.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Lid 1 is niet van toepassing op personen als bedoeld in artikel 7
                                lid 3 onderdeel a Participatiewet.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Als een persoon additionele werkzaamheden verricht als bedoeld in
                                artikel 10a Participatiewet en niet beschikt over een
                                startkwalificatie, bekijkt het college na een periode van zes
                                maanden na aanvang van die werkzaamheden in hoeverre scholing of
                                opleiding de toegang tot de arbeidsmarkt kan bevorderen. Geen
                                scholing of opleiding wordt aangeboden als dit naar het oordeel van
                                het college de krachten of bekwaamheden van belanghebbende te boven
                                gaat of niet bijdraagt aan vergroting van de kans op inschakeling in
                                het arbeidsproces.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13.</nr><titel>Participatieplaats</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan aan personen van 27 jaar of ouder met recht op
                                algemene bijstand een participatieplaats aanbieden zoals bedoeld in
                                artikel 10a Participatiewet.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het doel van een participatieplaats is personen die vooralsnog niet
                                bemiddelbaar zijn middels het aanbieden van additioneel werk een
                                stap richting arbeidsinschakeling te laten zetten.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Ter uitvoering van het bepaalde in het eerste lid dient een
                                belanghebbende onder verantwoordelijkheid van de gemeente
                                additionele werkzaamheden te verrichten.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college draagt er zorg voor dat de participatieplaats wordt
                                vastgelegd in een schriftelijke overeenkomst die zowel door het
                                college, de werkgever als een belanghebbende wordt getekend.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Er kan door het college na een periode van drie maanden een
                                vergoeding in rekening worden gebracht.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Het college verstrekt aan belanghebbende, telkens nadat hij
                                gedurende zes maanden op grond van dit artikel additionele
                                werkzaamheden heeft verricht, een premie van maximaal € 200,--
                                indien hij naar het oordeel van het college in die zes maanden
                                voldoende heeft meegewerkt aan het vergroten van zijn kans op
                                inschakeling in het arbeidsproces.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14.</nr><titel>Jobcoaching</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan de voorziening jobcoaching aanbieden indien deze
                                ondersteuning noodzakelijk is in die zin, dat de werknemer zonder
                                die ondersteuning in redelijkheid zijn/haar werkzaamheden niet zou
                                kunnen verrichten en die persoon:</al><lijst><li nr="a."><al>behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie, of;</al></li><li nr="b."><al>een structurele beperking heeft en niet behoort tot de
                                        doelgroep loonkostensubsidie, maar voor wie de inzet van
                                        jobcoaching wel noodzakelijk is.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De noodzaak voor de inzet van de voorziening jobcoaching wordt ieder
                                half jaar opnieuw beoordeeld. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15.</nr><titel>Beschut werken</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan, gelet op het bepaalde in artikel 2 lid 4, de
                                voorziening beschut werken aanbieden aan een belanghebbende die door
                                een lichamelijke, verstandelijke of psychische beperking een
                                zodanige mate van begeleiding op en aanpassingen van de werkplek
                                nodig heeft dat van een reguliere werkgever redelijkerwijs niet kan
                                worden verwacht dat hij deze persoon, zonder begeleiding op en
                                aanpassingen van de werkplek, in dienst neemt. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college maakt uit de personen uit de doelgroep een voorselectie
                                en wint bij het UWV advies in voor de beoordeling of zij uitsluitend
                                in een beschutte omgeving. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Om te bepalen aan welke personen uit de doelgroep namens het college
                                van voorziening beschut werken wordt aangeboden, geldt de volgorde
                                van plaatsing op de wachtlijst, waarbij de datum waarop het UWV een
                                positief advies heeft afgegeven, bepalend is. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Om de in artikel 10b lid 1 van de Participatiewet bedoelde
                                werkzaamheden mogelijk te maken zet het college de volgende
                                ondersteunende voorzieningen in:</al><lijst><li nr="a."><al>fysieke aanpassingen van de werkplek of de
                                        werkomgeving;</al></li><li nr="b."><al>aanpassing van taken, werktempo of werkomgeving;</al></li><li nr="c."><al>begeleiding op de werkplek / jobcoaching.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het college stelt jaarlijks maximaal 1/3<sup>e</sup> van de
                                vrijkomende arbeidsplaatsen, als gevolg van beëindigde
                                Wsw-dienstbetrekkingen, beschikbaar voor de voorziening beschut
                                werken. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16.</nr><titel>Nazorg</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan aan ondernemingen waarbij personen met een
                                Participatiewet-, IOAW-, IOAZ- of Anw- uitkering,
                                niet-uitkeringsgerechtigden dan wel personen zoals bedoeld in
                                artikel 10 lid 2 Participatiewet algemeen geaccepteerde arbeid
                                hebben aanvaard, welke geen voorziening inhoudt, gedurende maximaal
                                12 maanden nazorg bieden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De nazorg is gericht op het bestendig maken van de arbeidsrelatie
                                van belanghebbende en betrokken onderneming</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4.</nr><titel>Werkgeversvoorzieningen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17.</nr><titel>Werkgeverssubsidie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Dit artikel is van toepassing indien een regulier dienstverband
                                wordt aangegaan met een uitkeringsgerechtigde zonder
                                arbeidshandicap;</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan aan een zelfstandig ondernemer die als werkgever een
                                dienstverband voor reguliere arbeid aangaat met een
                                uitkeringsgerechtigde als bedoeld in het eerste lid, éénmalig een
                                werkgeverssubsidie en/of scholingsbudget bieden in de vorm van een
                                bedrag om niet, niet zijnde de subsidie als bedoeld in artikel 10d
                                van de Participatiewet;</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Aan de toekenning van de werkgeverssubsidie verbindt het college
                                tenminste de navolgende voorwaarden:</al><lijst><li nr="a."><al>Het dienstverband voor reguliere arbeid wordt aangegaan voor
                                        tenminste zes aaneengesloten maanden;</al></li><li nr="b."><al>Het dienstverband voor reguliere arbeid genereert
                                        uitkeringsonafhankelijkheid of dit beslaat het maximaal
                                        aantal uren per week dat de persoon op grond van een
                                        medisch-arbeidsdeskundig onderzoek mag werken;</al></li><li nr="c."><al>De ondernemer is op het moment van de aanvraag en voor de
                                        duur van de voorziening ingeschreven bij de Kamer van
                                        Koophandel. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De subsidie wordt alleen verstrekt indien hierdoor de
                                concurrentieverhoudingen niet onverantwoord worden beïnvloed en er
                                geen verdringing plaatsvindt. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18.</nr><titel>Doelgroep loonkostensubsidie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan aan een zelfstandig ondernemer die als werkgever een
                                dienstverband aangaat met een belanghebbende een loonkostensubsidie
                                verstrekken ten behoeve van deze persoon, die:</al><lijst><li nr="a."><al>een uitkering ontvangt op grond van de Participatiewet;
                                        en</al></li><li nr="b."><al>van wie is vastgesteld dat hij/ zij met voltijdse arbeid
                                        niet in staat is tot het verdienen van het wettelijk
                                        minimumloon, maar wel mogelijkheden heeft tot
                                        arbeidsparticipatie.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Om te bepalen ten behoeve van welke personen uit de doelgroep als
                                bedoeld in het eerste lid een loonkostensubsidie wordt verstrekt,
                                geldt de onderstaande volgorde:</al><lijst><li nr="a."><al>de prioritaire doelgroepen van de garantiebanen;</al></li><li nr="b."><al>wanneer er wel een garantiebaan beschikbaar is, maar geen
                                        match kan worden gemaakt met een persoon uit de prioritaire
                                        doelgroep garantiebanen, een werkzoekende met een
                                        arbeidsbeperking en arbeidsvermogen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De hoogte van de loonkostensubsidie bedraagt maximaal 70% van het
                                wettelijk minimumloon.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19.</nr><titel>Loonwaardebepaling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Voor de vaststelling van de loonwaarde maakt het college gebruik van
                                een gevalideerde loonwaardemeting welke ten minste aan de
                                onderstaande vereisten voldoet. De loonwaardebepaling:</al><lijst><li nr="a."><al>heeft alleen betrekking op het prestatieniveau van de
                                        werknemer;</al></li><li nr="b."><al>is transparant en objectief;</al></li><li nr="c."><al>wordt professionele en deskundig uitgevoerd;</al></li><li nr="d."><al>is toegankelijk en uitlegbaar.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Ter bepaling van de loonwaarde kan worden ingestemd met een
                                proefperiode van maximaal twee maanden.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>20.</nr><titel>No-risk polis</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een werkgever komt in aanmerking voor een no-riskpolis wanneer:</al><lijst><li nr="a."><al>de werkgever een dienstverband aangaat met een werknemer;
                                        en</al></li><li nr="b."><al>deze werknemer voorafgaand aan de arbeidsovereenkomst
                                        behoort tot de doelgroep; en</al></li><li nr="c."><al>de werknemer een structurele functionele of andere beperking
                                        heeft; of</al></li><li nr="d."><al>de werkgever ten behoeve van de werknemer een
                                        loonkostensubsidie ontvangt, bedoeld in artikel 10d van de
                                        Participatiewet; en</al></li><li nr="e."><al>de werknemer zijn woonplaats heeft binnen de gemeente.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De no-riskpolis geeft een vergoeding van:</al><lijst><li nr="a."><al>het loon van de werknemer tot 100% procent van het wettelijk
                                        minimumloon; en</al></li><li nr="b."><al>15% procent boven de dekking voor extra
                                        werkgeverslasten.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Om de werkgever een no-riskpolis te kunnen verstrekken sluit het de
                                gemeente een verzekering af en treedt op als verzekeringsnemer. De
                                begunstigde is de werkgever.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De duur van de no-riskpolis is gelijk aan de duur van het
                                dienstverband, gerekend vanaf de ingangsdatum van de
                                arbeidsovereenkomst, met een maximum van 24 maanden. </al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>5.</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>21.</nr><titel>Overgangsrecht</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een persoon die gebruik maakt van een toegekende voorziening op
                                grond van de Re-integratieverordening Wwb, Ioaw en Ioaz 2012
                                gemeente Hellevoetsluis, behoudt deze voorziening voor zover wordt
                                voldaan aan de voorwaarden uit de Re-integratieverordening Wwb, Ioaw
                                en Ioaz 2012 gemeente Hellevoetsluis:</al><lijst><li nr="a."><al>De duur van zes maanden, of;</al></li><li nr="b."><al>De resterende duur van het traject, voor zover deze korter
                                        is dan zes maanden. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan na afloop van de in het eerste lid bedoelde periode
                                besluiten of een voorziening wordt voortgezet.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>22.</nr><titel>Hardheidsclausule</titel></kop><al>Het college kan in bijzondere gevallen, ten gunste van belanghebbende,
                            afwijken van de bepalingen in deze verordening indien toepassing van
                            deze verordening leidt tot onredelijkheid en onbillijkheid van
                            overwegende aard. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>23.</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2015;</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De Re-integratieverordening Wwb, Ioaw en Ioaz 2012 gemeente
                                Hellevoetsluis wordt gelijktijdig ingetrokken. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>24.</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als de Participatieverordening
                            gemeente Hellevoetsluis 2015.</al><al/></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 18 december 2014.</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>De raad voornoemd,</ondertekening><ondertekening>De griffier,</ondertekening><ondertekening>H.J. van der Wel.</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>De voorzitter,</ondertekening><ondertekening>Ir. W.J. Tempel.</ondertekening></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel><vet>ALGEMENE TOELICHTING </vet></titel></kop><al>Met ingang van 1 januari 2015 treedt de Participatiewet in werking. Met de
                    invoering van de Participatiewet worden verschillende doelstellingen beoogd. Het
                    belangrijkste doel is om alle mensen, óók mensen met een arbeidsbeperking, als
                    volwaardige burgers mee te laten doen in de samenleving. Voor veel mensen is
                    meedoen een vanzelfsprekendheid, maar voor anderen kan dit een grote opgave
                    zijn. Een te grote groep werkt momenteel niet of is niet werkzaam in een
                    reguliere baan, terwijl zij wel mogelijkheden hebben. Het kabinet wil deze
                    mensen kansen bieden en hen zo veel als mogelijk laten participeren. Hetzij via
                    een reguliere baan, hetzij op andere wijze. Het moet normaal worden dat mensen
                    met een beperking deel uitmaken van het arbeidsproces. In de Participatiewet
                    staat de eigen kracht van mensen centraal. Ondersteuning dient alleen geboden te
                    worden als dit echt nodig is. </al><al/><al>Het sociale zekerheidsstelsel kende verschillende regelingen die diverse
                    doelgroepen voorzien in inkomens- en re-integratieondersteuning. In deze
                    regelingen was weinig samenhang. De regelingen zijn verschillend in rechten,
                    plichten, de hoogte van de uitkering etc. Met de invoering van de
                    Participatiewet streeft het Kabinet ernaar om regelingen meer op één lijn te
                    brengen. De Participatiewet betreft een (gedeeltelijke) samenvoeging van de Wet,
                    werk en bijstand (Wwb), de Wet sociale werkvoorziening en de Wet werk en
                    arbeidsondersteuning jonggehandicapten (Wajong). Hierbij krijgen gemeenten
                    nieuwe taken en de verantwoordelijkheid voor een nieuwe doelgroep. De
                    Participatiewet is hiermee bedoeld voor alle personen die arbeidsvermogen hebben
                    en (inkomens)ondersteuning nodig hebben van de gemeente. Met ‘arbeidsvermogen’
                    wordt bedoeld dat iemand in staat moet zijn om minimaal 20% van het wettelijk
                    minimumloon (Wml) te verdienen. </al><al/><al>Ook nieuw is dat de Participatiewet een aantal nieuwe elementen introduceert. Zo
                    is er een aantal ondersteunende instrumenten beschikbaar die moeten bijdragen
                    aan het aan het werk helpen van mensen met een arbeidsbeperking zoals de inzet
                    van loonkostensubsidie, jobcoaching, no-risk polis en de studietoelage. Maar ook
                    de inzet van garantiebanen zijn nieuwe elementen. Daarnaast introduceert de
                    Participatiewet de verplichte ‘tegenprestatie naar vermogen’. De
                    Participatiewet, Ioaw en Ioaz biedt ondersteuning bekostigd uit de algemene
                    middelen die worden opgebracht door de samenleving. De tegenprestatie dient om
                    te zorgen dat bijstandsontvangers die een beroep doen op de solidariteit van de
                    samenleving hiervoor iets terug doen en daarmee invulling geven aan hun
                    maatschappelijke betrokkenheid. </al><al/><al>Als gevolg van deze ontwikkelingen dient de huidige re-integratieverordening,
                    waarmee uitvoering wordt gegeven aan het participatiebeleid, te worden
                    gewijzigd. Deze wijzigingen zijn opgenomen in de onderhavige
                    Participatieverordening. Hierbij heeft de gemeenteraad heeft gekozen voor een
                    algemene, globale verordening. Immers, participatie en re-integratie zijn
                    maatwerk. Het is helemaal afhankelijk van iemands mogelijkheden en beperkingen
                    wat in het concrete geval een passend participatie of re-integratietraject is.
                    Daarom wordt aan het college de bevoegdheid gegeven om op een aantal punten
                    eigen afwegingen te maken. Artikel 10 Participatiewet bepaalt dat personen uit
                    de doelgroep aanspraak hebben op ondersteuning bij de arbeidsinschakeling en de
                    door het college noodzakelijk geachte voorziening binnen de kaders van de
                    Participatieverordening. Daarom is ervoor gekozen in de verordening de
                    voorzieningen vast te leggen die het college in ieder geval kan aanbieden. In de
                    onderliggende beleidsnota Participatiewet zijn de diverse keuzes omtrent de
                    participatievoorzieningen nader toegelicht. </al><al/><al>Met betrekking tot de volgende voorzieningen is de gemeenteraad verplicht om
                    regels op te nemen in deze verordening:</al><lijst><li nr="-"><al> scholing of opleiding, bedoeld in artikel 10a, vijfde lid, van de
                            Participatiewet (artikelen 8a, eerste lid, onderdeel c, en tweede lid,
                            onderdeel c, van de Participatiewet);</al></li><li nr="-"><al> de premie, bedoeld in artikel 10a, zesde lid, Participatiewet
                            (artikelen 8a, eerste lid, onderdeel d, en tweede lid, onderdeel c, van
                            de Participatiewet);</al></li><li nr="-"><al> participatievoorziening beschut werk, bedoeld in artikel 10b van de
                            Participatiewet (artikelen 8a, eerste lid, onderdeel e, en 10b, vierde
                            lid, van de Participatiewet), en</al></li><li nr="-"><al> no-riskpolis (artikel 8a, tweede lid, onderdeel b, van de
                            Participatiewet).</al></li></lijst></nota-toelichting><nota-toelichting><kop><titel>ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING</titel></kop><al><vet>Artikel 1. Begrippen</vet></al><al>In dit artikel wordt een aantal begrippen omschreven, dat meer dan eens voorkomt
                    en waarvan het van belang is dat er telkens hetzelfde onder wordt verstaan. In
                    een aantal gevallen wordt verwezen naar definities in de Participatiewet om
                    ervoor te zorgen dat er zoveel mogelijk aansluiting blijft bij de wetgeving die
                    van toepassing is.</al><al/><al>Het begrip ‘participatievoorziening’, zoals genoemd onder i. strekt verder dan
                    de term ‘voorziening’ zoals deze wordt gehanteerd in de Participatiewet.
                    Participatievoorzieningen zijn veel omvattender dan voorzieningen die gericht
                    zijn op de arbeidsinschakeling (artikelen 10a, 10b, 10d, 10da en 10f van de
                    Participatiewet).</al><al/><al><vet>Artikel 2. Opdracht aan het college</vet></al><al>Artikel 2 lid 1 van deze verordening biedt de basis voor de verantwoording van
                    het beleid. Op deze wijze wordt ook de beleidsnota Participatiewet (deels)
                    geëvalueerd. </al><al/><al>Lid 2 regelt de betrokkenheid van de cliëntenraad bij de vaststelling van en de
                    verantwoording over het beleid. Hier kan ook een relatie gelegd worden met de
                    verordening cliëntenparticipatie, die de gemeente op grond van artikel 47
                    Participatiewet verplicht is op te stellen.</al><al/><al><vet>Artikel 3. Algemene bepalingen over voorzieningen</vet></al><al>De Participatiewet schrijft niet uitputtend voor welke voorzieningen het college
                    aan moet bieden. Het enige criterium is dat de voorziening gericht moet zijn op
                    de arbeidsinschakeling en moet bijdragen aan het (op termijn) mogelijk maken van
                    reguliere arbeid door een persoon. Al naar gelang de afstand van een persoon tot
                    de arbeidsmarkt kan een voorziening gericht zijn op bijvoorbeeld sociale
                    activering en het voorkomen van een isolement (zoals het doen van
                    vrijwilligerswerk met behoud van uitkering), het leren van vaardigheden of
                    kennis, of het opdoen van werkervaring (bijvoorbeeld via gesubsidieerd werk).
                    Ook is het mogelijk dat een gemeente in individuele gevallen een
                    persoonsgebonden re-integratiebudget ter beschikking stelt.</al><al/><al><onderstreept>Beëindigingsgronden</onderstreept></al><al>Het college kan een voorziening beëindigen in de gevallen zoals opgenomen in
                    artikel 3, tweede lid, van deze verordening. Een voorziening wordt bijvoorbeeld
                    beëindigd als een persoon algemeen geaccepteerde arbeid aanvaardt. Voor de
                    persoon zoals bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a onder 2, van de
                    Participatiewet wordt op dit punt een uitzondering gemaakt. Het gaat om de
                    persoon zoals bedoeld in artikel 34a, vijfde lid, onderdelen b en c, 35, vierde
                    lid, onderdelen b en c en 36, derde lid, onderdelen b en c, van de WIA. Voor
                    deze doelgroep geldt dat het college ondersteuning bij de arbeidsinschakeling
                    moet bieden gedurende twee aaneengesloten jaren ten minste het minimumloon
                    bedraagt en ten behoeve van die persoon in die twee jaren geen
                    loonkostensubsidie is verstrekt. Onder beëindigen wordt hierbij ook verstaan het
                    stopzetten van de subsidie aan een werkgever of het opzeggen van de
                    arbeidsovereenkomst bij een detacheringsbaan. Bij deze laatste wijze van
                    beëindigen dienen vanzelfsprekend de toepasselijke bepalingen uit het
                    arbeidsrecht en de eventueel aanwezige rechtspositieregeling in acht te worden
                    genomen.</al><al/><al>De Participatiewet voorziet niet in een terugvorderingsgrond van
                    re-integratiekosten die onnodig zijn gemaakt. Noch van een bijstandsgerechtigde,
                    noch van een niet bijstandsgerechtigde kunnen die kosten worden teruggevorderd.<noot id="d11372e952"><noot.nr> 1 </noot.nr><noot.al>Rechtbank Arnhem 14-09-2006, nr. AWB 06/999,
                            ECLI:NL:RBARN:2006:AZ3540.</noot.al></noot> Terugvordering dient te geschieden op grond van het Burgerlijk
                    Wetboek.</al><al/><al><vet>Artikel 4. De tegenprestatie</vet></al><al>Het primaire doel van de tegenprestatie is dat iemand maatschappelijk nuttige
                    activiteiten verricht. Niet elke activiteit kan als verplichting worden
                    opgelegd. Activiteiten moeten een legitiem doel hebben, qua omvang aansluiten op
                    de capaciteiten van de uitkeringsgerechtigde, mogen geen disproportioneel
                    belastend karakter hebben en geen veiligheids- of gezondheidsrisico met zich
                    meebrengen. Ook moeten de werkzaamheden beperkt zijn in omvang en in tijdsduur.
                    Het kan gaan om activiteiten die nuttig zijn voor de lokale omgeving, de
                    gemeente, of voor de ontwikkeling van de uitkeringsgerechtigde zelf. De concrete
                    invulling is mede afhankelijk van de specifieke situatie, de lokale
                    omstandigheden en de omvang en de duur van de activiteiten (maatwerk).</al><al/><al>De tegenprestatie is geen re-integratieinstrument. Het opdragen van een
                    tegenprestatie heeft niet primair tot doel de re-integratie van een
                    belanghebbende te bevorderen, maar moet worden gezien als een nuttige bijdrage
                    aan de samenleving. De tegenprestatie is daarom naar zijn aard niet gericht op
                    toeleiding tot de arbeidsmarkt en is niet bedoeld als re-integratieinstrument.
                    Voorts mag een tegenprestatie het accepteren van passende arbeid of van
                    re-integratie-inspanningen niet belemmeren. Immers, als uitgangspunt geldt werk
                    boven uitkering. </al><al/><al>Reguliere werkzaamheden kunnen daarom niet als tegenprestatie worden ingezet. De
                    tegenprestatie mag het accepteren van passende arbeid of van
                    re-integratie-inspanningen niet belemmeren. De maatschappelijk nuttige
                    werkzaamheden moeten zich onderscheiden van werkzaamheden die door de reguliere
                    arbeidsmarkt verricht worden. Het onderscheid tussen betaalde en onbetaalde
                    werkzaamheden is afhankelijk van o.a. economische factoren en van keuzes die
                    mede op basis daarvan door het bedrijfsleven en/of de overheid worden
                    gemaakt.</al><al/><al>De tegenprestatie mag niet leiden tot verdringing op de arbeidsmarkt. Dit
                    betekent dat er geen vacature mag openstaan voor dezelfde of vergelijkbare
                    activiteiten en/of beloning mag plaatsvinden van een ander die dezelfde
                    werkzaamheden verricht of waarvoor korter dan een jaar geleden betaald
                    werd.</al><al/><al>Het college kan hiermee bij de afweging of een activiteit als tegenprestatie mag
                    worden beschouwd, arbeidsverdringing zoveel mogelijk voorkomen. Er kunnen echter
                    geen garanties worden gegeven dat het in de praktijk helemaal niet zal
                    voorkomen. Het college toetst op een aantal criteria, maar zal niet altijd
                    volledig op de hoogte kunnen zijn van de bedrijfsvoering en
                    bezuinigingsmaatregelen in organisaties. Hierdoor is het college deels
                    afhankelijk van de integriteit van werkgevers en organisaties. </al><al/><al>Het college moet bij de afweging of een activiteit als tegenprestatie mag worden
                    beschouwd, arbeidsverdringing zoveel mogelijk voorkomen. Er kunnen echter geen
                    garanties worden gegeven dat het in de praktijk helemaal niet zal voorkomen. Het
                    college toetst op een aantal criteria, maar zal niet altijd volledig op de
                    hoogte kunnen zijn van de bedrijfsvoering en bezuinigingsmaatregelen in
                    organisaties. Hierdoor is het college deels afhankelijk van de integriteit van
                    werkgevers en organisaties. Om dit risico te beperken wordt de werkgever
                    verzocht om hierover een verklaring te ondertekenen. Hiervoor kan gebruik worden
                    gemaakt van het door de afdeling Werk ontworpen formulier.</al><al/><al>In het beleidsnota Participatiewet heeft het college vastgelegd welke
                    werkzaamheden in ieder geval als tegenprestatie kunnen worden ingezet (zie
                    bijlage 1 van de beleidsnota). Het betreft hier een niet limitatieve opsomming
                    van werkzaamheden welke volgens het Rijk als tegenprestatie ingezet kunnen
                    worden. </al><al/><al><vet>Artikel 5. Het opleggen van een tegenprestatie</vet></al><al>De tegenprestatie is gericht op het versterken van de eigen kracht en/of sociaal
                    netwerk. Wat de uitkeringsgerechtigde zelf kan, doet hij ook zelf. De gemeente
                    heeft een faciliterende rol.</al><al/><al>Het opleggen van de tegenprestatie betekent maatwerk. De gemeente bepaalt aan de
                    hand van de individuele omstandigheden en de beschikbare onbeloonde
                    maatschappelijk nuttige activiteiten, de aard, duur en omvang van de
                    tegenprestatie. Dat betekent dat rekening moet worden gehouden met een aantal
                    factoren, zoals lichamelijke en psychische beperkingen, zorgtaken, kennis en
                    kunde, maar ook met de mogelijkheden van de begeleidende organisaties. </al><al/><al><vet>Artikel 6. Duur en omvang van een tegenprestatie</vet></al><al>Het is aan de gemeenteraad om de omvang en duur van de tegenprestatie te
                    bepalen. Omdat het opleggen van de tegenprestatie tot nu toe een mogelijkheid
                    was voor gemeenten en nog geen verplichting, is er nog niet veel jurisprudentie
                    beschikbaar. Wel heeft de rechter bepaald dat er een maximum geldt van 20 uur
                    per week gedurende zes maanden. In dit geval worden de activiteiten door de
                    rechter beschouwd als re-integratie, vrijwilligerswerk of reguliere arbeid. </al><al/><al>De omvang van de tegenprestatie kan variëren van een eenmalige activiteit van
                    enkele dagen tot een substantieel aantal uren per maand. Het zijn activiteiten
                    voor enkele weken tot maximaal twaalf maanden. De tegenprestatie moet in
                    principe elk jaar worden geleverd. </al><al/><al><vet>Artikel 7. Keuze invulling van een tegenprestatie</vet></al><al>De gemeente gaat uit van de eigen kracht en eigen verantwoordelijkheid van de
                    uitkeringsgerechtigden. We sluiten zo veel mogelijk aan op de interessegebieden
                    van de uitkeringsgerechtigden. Daarmee wordt de motivatie tot het uitvoeren van
                    de tegenprestatie vergroot. Tegelijk is de tegenprestatie niet
                    vrijblijvend.</al><al/><al>Draagt de uitkeringsgerechtigde zelf een activiteit aan, dan toetst het college
                    deze op additionaliteit en op haalbaarheid c.q. wenselijkheid. Hierbij wordt
                    o.a. gebruik gemaakt van het competentieprofiel uit Dariuz. Zeker als het gaat
                    om iemand met forse psychische beperkingen, is het belangrijk om niet alleen te
                    kijken wat de uitkeringsgerechtigde zelf kan, maar ook wat de organisatie aan
                    kan en te kijken naar de veiligheid voor de omgeving. </al><al/><al>Heeft iemand lichamelijke en/of psychische beperkingen, dan kan een
                    arbeidsmedisch onderzoek worden uitgevoerd om te bepalen wat de mogelijkheden
                    zijn. Voor de uitvoering van de tegenprestatie wordt de gemeente niet
                    gecompenseerd. Om de kosten zoveel mogelijk te beperken, wordt daarom in eerste
                    instantie met de uitkeringsgerechtigde samen gekeken naar activiteiten die
                    binnen zijn of haar mogelijkheden liggen. Pas als dit geen uitkomst biedt, wordt
                    een arbeidsmedisch onderzoek ingezet en aan de hand van de uitkomst van het
                    onderzoek gekeken naar een passende activiteit. </al><al/><al><vet>Artikel 8. Geen werkzaamheden voorhanden</vet></al><al>In dit artikel wordt bepaald dat geen tegenprestatie wordt opgedragen indien
                    geen onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden voorhanden zijn. Hiervan
                    is sprake wanneer er geen maatschappelijk nuttige werkzaamheden binnen de eigen
                    gemeentegrenzen voorhanden zijn. De Participatiewet verplicht gemeenten niet om
                    buiten de eigen gemeentegrens een tegenprestatie te laten verrichten.</al><al/><al><vet>Artikel 9. Werkstages</vet></al><al>Een werkstage onderscheidt zich van een gewone arbeidsovereenkomst. Bij een
                    beoordeling of er al dan niet sprake is van een arbeidsovereenkomst toetst de
                    rechter aan de drie criteria voor het bestaan van een arbeidsovereenkomst:
                    persoonlijk verrichten van arbeid, loon en gezagsverhouding. Daarbij wordt
                    gekeken naar een aantal aspecten zoals de bedoeling van de partijen en wat al
                    dan niet schriftelijk is overeengekomen. De rechter besteedt vooral aandacht aan
                    de feitelijke invulling van de overeenkomst.</al><al/><al><onderstreept>Werkstage is gericht op uitbreiden kennis en
                        ervaring</onderstreept></al><al>De Hoge Raad heeft bepaald dat er bij werkstages weliswaar sprake is van het
                    persoonlijk verrichten van arbeid, maar dat dit overwegend gericht is op het
                    uitbreiden van de kennis en ervaring van de werknemer. Daarnaast is bij een
                    werkstage in de regel geen sprake van beloning. Terughoudend zijn met het
                    verstrekken van een gerichte stagevergoeding ligt daarom voor de hand. Er kan
                    wel een onkostenvergoeding worden gegeven, mits er daadwerkelijk sprake is van
                    een vergoeding van gemaakte kosten.</al><al/><al><onderstreept>Doelgroep aanbieden werkstage</onderstreept></al><al>Het college kan een persoon die behoort tot de doelgroep een werkstage aanbieden
                    voor zover hij een afstand tot de arbeidsmarkt heeft. Van langdurige
                    werkloosheid is sprake als een persoon gedurende twaalf aaneengesloten maanden
                    of langer is aangewezen geweest op een uitkering. In een dergelijk geval kan
                    sprake zijn van een afstand tot de arbeidsmarkt, maar dit hoeft niet altijd het
                    geval te zijn. Heeft een persoon gedurende vijf jaren geen inkomsten uit arbeid
                    verworven, dan kan worden aangenomen dat hij een afstand tot de arbeidsmarkt
                    heeft. In dat geval is het college bevoegd hem een werkstage aan te bieden.</al><al/><al><onderstreept>Doel van de werkstage</onderstreept></al><al>Het tweede lid geeft nog eens specifiek aan wat het doel is van de werkstage, om
                    het verschil met een normale arbeidsverhouding aan te geven. Dit is vooral van
                    belang om te voorkomen dat een persoon claimt dat sprake is van een
                    arbeidsovereenkomst en bij de rechter loonbetaling afdwingt. De werkstage kan
                    twee doelen hebben. Op de eerste plaats kan het gaan om het opdoen van
                    specifieke werkervaring. Dit is vergelijkbaar met de zogenaamde ‘snuffelstage’,
                    waarbij een persoon de gelegenheid krijgt om te bezien of het soort werk als
                    passend kan worden beschouwd. Op de tweede plaats kan het gaan om het leren
                    werken in een arbeidsrelatie. In de werkstage kan een persoon wennen aan
                    aspecten als gezag, op tijd komen, werkritme en samenwerken met collega’s.</al><al/><al><onderstreept>Geen verdringing</onderstreept></al><al>In het vijfde lid is bepaald dat de werkstage uitsluitend wordt verstrekt als er
                    geen verdringing van de arbeidsmarkt plaatsvindt. Het opvullen van een vacature
                    is alleen toegestaan als de vacature niet is ontstaan door afvloeiing, maar door
                    ontslag op grond van een van de volgende redenen:</al><al> - eigen initiatief van de werknemer;</al><al> - handicap;</al><al> - ouderdomspensioen;</al><al> - vermindering van werktijd op initiatief van de werknemer, of</al><al> - gewettigd ontslag om dringende redenen.</al><al/><al><onderstreept>Opstellen schriftelijke overeenkomst</onderstreept></al><al>In het zesde lid is bepaald dat voor de werkstage een schriftelijke overeenkomst
                    wordt opgesteld. Hierin kan expliciet het doel van de stage worden opgenomen,
                    evenals de wijze van begeleiding. Door deze schriftelijke overeenkomst kan nog
                    eens worden gewaarborgd dat het bij een werkstage niet gaat om een reguliere
                    arbeidsverhouding.</al><al/><al><vet>Artikel 10. Sociale activering</vet></al><al>Volgens de Participatiewet dient ook sociale activering uiteindelijk gericht te
                    zijn op arbeidsinschakeling. Voor bepaalde doelgroepen is arbeidsinschakeling
                    echter een te hoog gegrepen doel. Voor deze personen staat dan ook niet
                    re-integratie, maar participatie voorop. </al><al/><al>Onder 'sociale activering' wordt verstaan: het verrichten van onbeloonde
                    maatschappelijk zinvolle activiteiten gericht op arbeidsinschakeling of, als
                    arbeidsinschakeling nog niet mogelijk is, op zelfstandige maatschappelijke
                    participatie (artikel 6, eerste lid, onderdeel c, Participatiewet). Bij
                    activiteiten in het kader van sociale activering kan worden gedacht aan het
                    zelfstandig, zonder externe begeleiding, verrichten van vrijwilligerswerk of
                    deelnemen aan activiteiten in de wijk of buurt.<noot id="d11372e1079"><noot.nr> 2 </noot.nr><noot.al>Kamerstukken II 2002/03 28870, nr. 3, blz. 35.</noot.al></noot></al><al/><al>Voor de verplichting op grond van artikel 9, eerste lid, onderdeel b, van de
                    Participatiewet gebruik te maken van een voorziening gericht op sociale
                    activering is vereist dat de mogelijkheid bestaat dat een persoon op enig moment
                    algemeen geaccepteerde arbeid kan verkrijgen waarbij geen gebruik wordt gemaakt
                    van een voorziening. Bestaat die mogelijkheid niet, dan kan een persoon niet
                    worden verplicht gebruik te maken van een dergelijke voorziening. Sociale
                    activering heeft tot doel personen met een grote afstand tot de arbeidsmarkt
                    terug te leiden naar de arbeidsmarkt, of als dit nog niet mogelijk is, als
                    tussendoel te bevorderen dat personen zelfstandig kunnen deelnemen aan het
                    maatschappelijk leven. Hieruit volgt dat als het einddoel, arbeidsinschakeling,
                    niet kan worden bereikt, er geen grond is die persoon te verplichten om gebruik
                    te maken van een voorziening gericht op sociale activering.<noot id="d11372e1087"><noot.nr> 3 </noot.nr><noot.al>CRvB
                            24-04-2012, nr. 11/2062 WWB, ECLI:NL:CRVB:2012:BW4400.</noot.al></noot></al><al/><al>Het derde lid geeft het college de mogelijkheid om de duur van activiteiten in
                    het kader van sociale activering nader te bepalen. Het college moet de duur
                    afstemmen op de mogelijkheden en capaciteiten van een persoon. Gezien de
                    mogelijk sterk verschillende behoeften op dit gebied, zal een al te rigide
                    termijn moeilijk zijn.</al><al/><al><vet>Artikel 11. Detacheringsbanen</vet></al><al>De Participatiewet biedt de mogelijkheid personen uit de doelgroep een
                    dienstverband aan te bieden om op detacheringsbasis werkervaring op te doen. In
                    de verordening zijn de randvoorwaarden vastgelegd waarbinnen de banen
                    vormgegeven worden. </al><al/><al><vet>Artikel 12. Scholing </vet></al><al>Onder startkwalificatie wordt verstaan een havo of vwo-diploma of een diploma
                    van het middelbaar beroepsonderwijs (mbo), niveau twee. Scholing kan uitsluitend
                    worden aangeboden aan personen zonder een dergelijke startkwalificatie. Voor
                    deze personen kan scholing noodzakelijk zijn voor de re-integratie. Op grond van
                    lid twee kunnen personen, jonger dan 27 jaar die nog mogelijkheden hebben binnen
                    het uit 's Rijks kas bekostigde onderwijs, geen voorziening ontvangen die hen
                    ondersteunt bij de arbeidsinschakeling (artikel 7, derde lid, onderdeel a, van
                    de Participatiewet).</al><al/><al><onderstreept>Scholing in combinatie met participatieplaats</onderstreept></al><al>Wanneer een persoon die in aanmerking is gebracht voor een participatieplaats
                    niet over een startkwalificatie beschikt, dient het college aan deze persoon
                    scholing of opleiding aan te bieden. Dit geldt vanaf zes maanden na aanvang van
                    de werkzaamheden op de participatieplaats. De scholing of opleiding moet zijn
                    gericht zijn vergroting van de kansen op de arbeidsmarkt. Het college hoeft aan
                    een persoon alleen geen scholing of opleiding aan te bieden als dergelijke
                    scholing of opleiding naar zijn oordeel de krachten of bekwaamheden van de
                    persoon te boven gaan of als naar zijn oordeel scholing of opleiding niet
                    bijdraagt aan vergroting van de kans op inschakeling in het arbeidsproces van de
                    persoon. Dit volgt uit artikel 10a, vijfde lid, van de Participatiewet.</al><al/><al><vet>Artikel 13. Participatieplaats</vet></al><al>Op een participatieplaats worden tijdelijke, onbeloonde en additionele
                    werkzaamheden verricht met behoud van uitkering, door uitkeringsgerechtigden die
                    vooralsnog niet bemiddelbaar zijn op de arbeidsmarkt. Er gelden twee
                    voorwaarden:</al><lijst><li nr="-"><al> Er moet sprake zijn van re-integratie. De toenadering tot de
                            arbeidsmarkt staat voorop; de uitkeringsgerechtigde moet baat hebben bij
                            het opdoen van werkervaring of tijd nodig hebben om te wennen aan
                            werk-gerelateerde aspecten, zoals regelmaat.</al></li><li nr="-"><al> Het moet gaan om een additionele functie. Dat wil zeggen een speciaal
                            gecreëerde functie of een al bestaande functie die een
                            uitkeringsgerechtigde alleen met speciale begeleiding kan verrichten.
                        </al></li></lijst><al/><al>Inzet van een participatieplaats voor de jongere is niet mogelijk. Dit valt op
                    te maken uit de memorie van toelichting op het wetsvoorstel tot wijziging van de
                    Wet werk en bijstand en samenvoeging met de Wij (2012) en is eveneens van
                    toepassing op de Participatiewet. Hierin is gesteld dat bij de jongeren de
                    situatie waarin de afstand tot de arbeidsmarkt dusdanig groot is dat die alleen
                    met de maximale drie jaar additionele arbeid te overbruggen is, zich niet in die
                    mate voordoet dat de regering participatieplaatsen in de vorm van artikel 10a
                    Participatiewet noodzakelijk acht.</al><al/><al><vet>Artikel 14. Jobcoaching</vet></al><al>De voorziening persoonlijke ondersteuning (jobcoaching) heeft ten doel dat een
                    werknemer wordt begeleid naar een situatie dat hij uiteindelijk zonder
                    begeleiding via een dergelijke voorziening bij een reguliere werkgever werkzaam
                    kan zijn. Aan het einde van een geslaagde jobcoaching kan de werknemer
                    zelfstandig zijn werk uitvoeren en/of is de werkgever zelf in staat de werknemer
                    te begeleiden op zijn werkplek. Jobcoaching heeft tot doel om de werknemer te
                    ondersteunen bij het verrichten van de aan de persoon opgedragen taken. De
                    bedoeling is om mensen met beperkingen te ondersteunen bij het behouden van
                    werk.</al><al/><al>De jobcoach wordt ingezet vanaf moment van plaatsing op regulier werk (vanaf de
                    eerste dag dat het arbeidscontract inwerking treedt). Het is uiteraard
                    toegestaan dat de jobcoach vooraf, ter voorbereiding van de eerste werkdag,
                    contact heeft met de werknemer om zaken af te stemmen, eventueel een
                    begeleidingsplan op te stellen en kennis te maken. </al><al/><al>Aanvullend op bovenstaande is het ook mogelijk, indien van toepassing, de
                    jobcoach in te zetten bij een proefplaatsing. Dit wordt ook aangeraden vanuit de
                    ervaring dat hierdoor de kans op succes en daarmee doorstroming naar regulier
                    werk toeneemt.</al><al/><al><vet>Artikel 15. Beschut werken</vet></al><al>Met de invoering van de Participatiewet komt de sociale werkvoorziening op grond
                    van de Wet sociale werkvoorziening te vervallen. Dit betekent dat er vanaf 1
                    januari 2015 geen nieuwe instroom in de Wet sociale werkvoorziening meer zal
                    plaatsvinden. De Wet sociale werkvoorziening blijft echter wel bestaan voor de
                    personen die voor 1 januari 2015 al in een WSW-dienstbetrekking werkzaam zijn. </al><al/><al>Om mensen met een arbeidshandicap ook na 1 januari 2015 aan de slag te helpen,
                    krijgen gemeenten de mogelijkheid om mensen te plaatsen in de nieuwe voorziening
                    beschut werken. De opbouw van het beschut werken ‘nieuwe stijl’ loopt parallel
                    aan de afbouw van de Wsw-plekken. Beschut werken ‘nieuwe stijl’ is nieuwe
                    voorziening in de Participatiewet. Deze voorziening is bedoeld voor mensen die
                    door hun lichamelijke, verstandelijke of psychische beperking een zodanige mate
                    van begeleiding en aanpassingen van de werkplek nodig hebben, dat niet van een
                    reguliere werkgever mag worden verwacht dat hij deze mensen in dienst neemt. </al><al/><al>Gemeenten zijn verplicht om beleid voor beschut werk vorm te geven en vast te
                    leggen in een verordening. Met de voorziening beschut werk kan de gemeente
                    mensen met een arbeidsbeperking een dienstbetrekking aanbieden. Dit betekent dan
                    ook dat aan het beschut werken ‘nieuwe stijl’ een cao wordt verbonden en dat aan
                    degenen die op een beschut werkenplek werken een salaris wordt betaald ter
                    hoogte van het wettelijke minimumloon (Wml). </al><al/><al>Voordat de gemeente beschut werk in kan zetten, moet de gemeente personen waar
                    zij beschut werk voor in willen zetten voor een beoordeling beschut werk aan UWV
                    voordragen. De gemeente besluit op basis van een voorselectie wie zij voordragen
                    voor een beoordeling aan UWV. Alleen de gemeente kan iemand voordragen voor de
                    beoordeling beschut werk door UWV. Een burger kan niet zelfstandig naar UWV voor
                    een beoordeling. Het UWV beoordeelt vervolgens, in opdracht van de gemeente, op
                    basis van landelijke criteria of mensen tot de doelgroep beschut werk behoren en
                    adviseert de gemeente daarover. Is de beoordeling beschut werk afgegeven door
                    UWV, dan is de gemeente ook verplicht een dienstverband beschut werk aan te
                    bieden. De beoordeling is dus niet vrijblijvend. Wel moet de gemeente beoordelen
                    of het advies op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen. Als dat niet het geval
                    blijkt te zijn, is er geen reden om het advies (integraal) over te nemen.</al><al/><al>Hierbij geldt dat de datum van besluitvorming door het UWV leidend is voor het
                    aanbieden van een voorziening beschut werken nieuwe stijl. Doordat jaarlijks een
                    beperkt aantal voorzieningen beschut werken ‘nieuwe stijl’ wordt aangeboden, kan
                    er een wachtlijst ontstaan. Aan de Welplaat wordt gevraagd deze wachtlijst te
                    beheren. </al><al/><al>Om beschut werken mogelijk te maken kunnen voorzieningen beschikbaar worden
                    gesteld waaronder aanpassing van de werkplek, begeleiding op de werkvloer, en/of
                    aanpassing in taken, werktempo of arbeidsduur.</al><al/><al><vet>Artikel 16. Nazorg</vet></al><al>Nazorg vormt veelal onderdeel van een participatievoorziening als beschreven in
                    dit hoofdstuk. Waar het geen onderdeel vormt, zal het wenselijk zijn om toch
                    begeleiding en nazorg te kunnen bieden. Vandaar dat nazorg ook als aparte
                    voorziening is opgenomen. </al><al/><al>Onder nazorg valt daarnaast de activiteiten van de klantmanager die gericht zijn
                    op regievoering bij re-integratie. Het monitoren van de voortgang van
                    re-integratie, ook indien belanghebbende een extern uitgevoerd traject volgt, is
                    noodzakelijk. Het blijven motiveren van belanghebbende, het in een vroeg stadium
                    signaleren en helpen oplossen van knelpunten, het constateren en actie
                    ondernemen bij non-coöperatief gedrag, etc. vallen binnen begeleiding.</al><al/><al>Nazorg is een vorm van begeleiding, in de periode nadat het traject van
                    belanghebbende vanwege aanvaarding van arbeid is beëindigd. Het betreft hier
                    ondersteuning van de belanghebbende, en eventueel diens werkgever, teneinde de
                    duurzaamheid van de arbeidsinschakeling te bevorderen.</al><al/><al><vet>Artikel 17. Werkgeverssubsidie</vet></al><al>De werkgeverssubsidie wordt ter beschikking gesteld in de vorm van een bedrag
                    ‘om niet’ wanneer de werkgever een dienstverband voor reguliere arbeid aangaat.
                    Het college stelt nadere voorwaarden aan de werkgeverssubsidie. </al><al/><al><vet>Artikel 18. Doelgroep loonkostensubsidie</vet></al><al>In de Participatiewet wordt een specifieke vorm van loonkostensubsidie
                    geïntroduceerd. Deze loonkostensubsidie is bestemd voor werkgevers om
                    participatie van personen met een arbeidsbeperking mogelijk te maken.</al><al/><al>Een werkgever kan voor een werknemer met een arbeidsbeperking die hij in dienst
                    neemt een loonkostensubsidie ontvangen voor het verschil tussen de loonwaarde
                    van de werknemer en het wettelijk minimumloon. De loonkostensubsidie mag
                    maximaal 70% van het Wml bedragen. Om de hoogte van deze loonkostensubsidie te
                    bepalen, moet de loonwaarde van de werknemer gemeten worden. De loonwaarde is
                    het percentage van het geldende loon voor de persoon die tot de doelgroep van
                    loonkostensubsidie behoort, in vergelijking met iemand zonder arbeidsbeperking
                    die dezelfde functie verricht. In de optimale situatie groeit een werknemer toe
                    naar een baan waarmee hij het minimumloon kan verdienen. Jaarlijks wordt de
                    loonwaarde herbepaald. De gemeente mag geen beperking aanbrengen in de duur van
                    de verstrekking van de loonkostensubsidie. </al><al/><al>Tot 2017 is er sprake van prioritaire doelgroepen voor de garantiebanen,
                    namelijk de groep op de SW wachtlijst en de groep met Wajong uitkering. De
                    verwachting is dat per 2017 een groter aantal garantiebanen
                    gecreëerd/beschikbaar is. Het lijkt daarom reëel om per 2017 de doelgroep
                    garantiebanen te verbreden met de overige doelgroepen van de gemeenten, waarbij
                    de hoogte van de loonwaarde uitgangspunt wordt. </al><al/><al><vet>Artikel 19. Loonwaardebepaling</vet></al><al>Om de hoogte van een loonkostensubsidie te bepalen, is de loonwaarde van een
                    werknemer bepalend. Om deze vast te stellen dient de loonwaarde gemeten te
                    worden. De loonwaardemeting vindt plaats op het moment dat de werkzoekende een
                    relatie heeft (of aangaat) met een werkgever. De loonwaarde moet op de werkplek
                    gemeten worden. De loonwaarde is het percentage van het geldende loon voor de,
                    door een persoon die tot de doelgroep loonkostensubsidie behoort, verrichte
                    arbeid in een functie naar evenredigheid van de arbeidsprestatie van een
                    werknemer in dezelfde functie die niet tot de doelgroep loonkostensubsidie
                    behoort. Wanneer iemand bijvoorbeeld 40% loonwaarde heeft, is hij in staat om
                    40% van het voor hem geldende loon te verdienen, afgezet tegen dat van iemand
                    die zonder beperking diezelfde functie verricht: de norm functie. In de
                    Werkkamer is vastgesteld dat een loonwaardebepaling aan minimumvereisten moet
                    voldoen.</al><al/><al>Als instrument kan de gemeente de proefplaatsing inzetten. Deze is gekoppeld aan
                    de loonkostensubsidie. Een proefplaatsing houdt in dat de werkgever een
                    werknemer (met een beperking) voor een beperkte periode met behoud van uitkering
                    werk aanbiedt. Deze proefplaatsing mag niet langer duren dan twee maanden. Met
                    behoud van uitkering werkt de werknemer tijdens de proefplaatsing bij de
                    werkgever die kan bezien welke ondersteuning eventueel moet worden geboden en
                    wat de loonwaarde van iemand is. Gemeenten kunnen dit instrument inzetten voor
                    mensen uit de gemeentelijke doelgroep.</al><al/><al><vet>Artikel 20. No-risk polis</vet></al><al>De no-riskpolis is een verzekering waarbij de werkgever bij ziekte van de
                    werknemer die een structurele functionele of andere beperking heeft of ten
                    behoeve van wie die werkgever een loonkostensubsidie in aanmerking komt voor de
                    no-riskpolis. Deze polis kan worden ingezet als ondersteuning bij de
                    arbeidsinschakeling. De no-riskpolis is een belangrijk instrument om aarzelingen
                    bij werkgevers weg te nemen om mensen met arbeidsbeperkingen in dienst te nemen.
                    De no-riskpolis zorgt ervoor dat de werkgever compensatie ontvangt voor de
                    loonkosten, wanneer een werknemer met arbeidsbeperkingen ziek wordt. Een
                    werkgever komt niet in aanmerking voor een no-risk polis als artikel 29b van de
                    Ziektewet van toepassing is. </al><al/><al>De werkgever komt in aanmerking voor een no-riskpolis wanneer hij een
                    dienstverband aangaat met een persoon die behoort de doelgroep en hij/zij een
                    structurele functionele of andere beperking heeft of ten behoeve van hem de
                    werkgever een loonkostensubsidie als bedoeld in artikel 10d van de
                    Participatiewet ontvangt. Ook ligt voor de hand dat de werknemer zijn woonplaats
                    moet hebben binnen de gemeente. De gemeente Hellevoetsluis zal voor het jaar
                    2015 de no-riskpolis inkopen bij de gemeente Spijkenisse. De gemeente
                    Spijkenisse heeft dergelijke polissen reeds ingekocht bij
                    verzekeringsmaatschappij Achmea. </al><al/><al>Het college vergoedt de no-riskpolis tot 24 maanden na indiensttreding van de
                    werknemer bij de werkgever. De no-riskpolis kan maximaal voor de duur van twee
                    jaar worden ingezet. Nadat betrokkene twee jaar zelfstandig het minimumloon
                    heeft verdiend, dus zonder loonkostensubsidie, gaat de verantwoordelijkheid voor
                    de no-riskpolis over naar Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen en kan
                    artikel 29b van de Ziektewet van toepassing zijn.</al><al/><al>Geen aanspraak op een no-riskpolis bestaat indien sprake is van een voorliggende
                    voorziening welke naar het oordeel van het college in voldoende mate bijdraagt
                    aan de participatie van belanghebbende.</al><al/><al><vet>Artikel 21 t/m 24</vet></al><al>Deze artikelen behoeven geen nadere toelichting.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>