<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR369607_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Re-integratieverordening Participatiewet 2015</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Grave</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-05-22</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Grave</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2015-26634.html?zoekcriteria=%3fzkt%3dUitgebreid%26pst%3dGemeenteblad%26vrt%3d26634%26zkd%3dInDeGeheleText%26dpr%3dAlle%26spd%3d20151224%26epd%3d20151224%26sdt%3dDatumPublicatie%26planId%3d%26pnr%3d1%26rpp%3d10&amp;resultIndex=0&amp;sorttype=1&amp;sortorder=4">Gemeenteblad d.d. 1 april 2015 nr. 26634</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Re-integratieverordening Participatiewet 2015</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0015703">Participatiewet</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2015-03-10</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2015-04-02</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:terugwerkendekrachtDatum>2015-01-01</overheidrg:terugwerkendekrachtDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2015-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>Geen</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Re-integratieverordening Participatiewet 2015</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente Grave;</al><al/><al>gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 20 januari
                        2015;</al><al/><al>gelet op artikel 147 van de Gemeentewet en gelet op artikel 6, tweede lid
                        van de Participatiewet,</al><al/><al>gelet op de artikelen 8a, eerste lid, aanhef en onder a, c, d en e, en
                        tweede lid, en 10b, vierde lid, van de Participatiewet;</al><al/><al>gezien het advies van de commissie Inwoners en Bestuur van 19 februari
                        2015;</al><al>besluit vast te stellen de</al><al/><al><vet>Re-integratieverordening Participatiewet2015</vet></al><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1.</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Begrippen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>doelgroep: personen als bedoeld in artikel 7, eerste lid,
                                        onder a, van de wet;</al></li><li nr="b."><al>wet: Participatiewet.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Alle niet nader omschreven begrippen die in deze verordening worden
                                gebruikt zoals zij zijn gedefinieerd in de Algemene wet
                                bestuursrecht, de Participatiewet of overige in deze verordening
                                aangehaalde wetten.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Maatwerk</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college houdt bij het aanbieden van de in deze verordening
                                opgenomen voorzieningen rekening met de omstandigheden en
                                functionele beperkingen van een persoon. De omstandigheden hebben in
                                ieder geval betrekking op zorgtaken van die persoon en de
                                mogelijkheid dat hij behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie of
                                gebruik maakt van de voorziening beschut werk. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onder zorgtaken wordt in ieder geval verstaan:</al><lijst><li nr="a."><al>de opvang van ten laste komende kinderen tot vijf jaar,
                                        en</al></li><li nr="b."><al>de noodzakelijkheid van het verrichten van mantelzorg. </al></li></lijst></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2.</nr><titel>Voorzieningen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>Algemene bepalingen over voorzieningen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan een voorziening beëindigen als: </al><lijst><li nr="a."><al>de persoon die aan de voorziening deelneemt zijn
                                        verplichting als bedoeld in de artikelen 9 en 17 van de wet,
                                        de artikelen 13 en 37 van de Wet inkomensvoorziening oudere
                                        en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers of de
                                        artikelen 13 en 37 van de Wet inkomensvoorziening oudere en
                                        gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen niet
                                        nakomt; </al></li><li nr="b."><al>de persoon die aan de voorziening deelneemt niet meer
                                        behoort tot de doelgroep;</al></li><li nr="c."><al>de persoon die aan de voorziening deelneemt algemeen
                                        geaccepteerde arbeid aanvaardt waarbij geen gebruik wordt
                                        gemaakt van een in deze verordening genoemde voorzieningen,
                                        tenzij het betreft een persoon als bedoeld in artikel 7,
                                        eerste lid, onderdeel a, onder <vet>2° </vet>van de
                                        wet;</al></li><li nr="d."><al>naar het oordeel van het college de voorziening onvoldoende
                                        bijdraagt aan een snelle arbeidsinschakeling;</al></li><li nr="e."><al>de voorziening naar het oordeel van het college niet meer
                                        geschikt is voor de persoon die gebruik maakt van de
                                        voorziening;</al></li><li nr="f."><al>de persoon die aan de voorziening deelneemt niet naar
                                        behoren gebruik maakt van de aangeboden voorziening; </al></li><li nr="g."><al>de persoon die aan de voorziening deelneemt niet meer
                                        voldoet aan de voorwaarden die in deze verordening worden
                                        gesteld om in aanmerking te komen voor die voorziening.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan nadere beleidsregels stellen ten aanzien van de
                                aangeboden voorzieningen. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De regels, als bedoeld in het tweede lid, kunnen in ieder geval
                                betrekking hebben op de:</al><lijst><li nr="a."><al>voorwaarden waaronder een voorziening wordt aangeboden;</al></li><li nr="b."><al>weigeringsgronden van een voorziening;</al></li><li nr="c."><al>aanvraag van, en de besluitvorming over een
                                        voorziening;</al></li><li nr="d."><al>betaling van subsidies of andere wijzen van tegemoetkoming
                                        en het verlenen van voorschotten op deze subsidies;</al></li><li nr="e."><al>wijze van verlening en vaststelling van subsidies;</al></li><li nr="f."><al>overige criteria voor het aanbieden van voorzieningen en het
                                        verlenen van subsidies.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college kan bij uitvoeringsbesluit een of meer subsidie- of
                                budgetplafonds vaststellen voor één of meerdere voorzieningen. Het
                                college dient dan na te gaan welke alternatieve voorzieningen er
                                beschikbaar zijn.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Voorzieningen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan, onder andere de volgende voorzieningen gericht op
                                re-integratie en participatie inzetten:</al><lijst><li nr="a."><al>De wettelijke voorzieningen: 1. Participatievoorziening
                                        beschut werk, zoals bedoeld in artikel 10b van de wet; 2.
                                        No-riskpolis, zoals bedoeld in artikel 8a, lid 2 sub b van
                                        de wet; 3. Loonkostensubsidie, zoals bedoeld in artikel 10d
                                        van de wet; 4. Begeleiding op de werkplek zoals bedoeld in
                                        artikel 10 da van de wet; 5. Ondersteuning bij
                                        leer-werktrajecten, zoals bedoeld in artikel 10f van de wet.
                                    </al></li><li nr="b."><al>De (aanvullende) regionale voorzieningen uit het Functioneel
                                        Ontwerp Werkgeversdienstverlening van de regio
                                        Noordoost-Brabant: 1. Werkervaring; 2. Proefplaatsing. </al></li><li nr="c."><al>Overige (aanvullende) lokaal geregelde voorzieningen: 1.
                                        Scholing; 2. Persoonlijke ondersteuning; 3. Sociale
                                        activering; <cursief>4</cursief>. Indienstnemingssubsidie;
                                        </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college stelt beleidsregels vast over de inzet en kaders van in
                                lid 1 genoemde voorzieningen voor zover de wet niet bepaalt dat
                                regels in de verordening moeten.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Voorzieningen die gericht zijn op de arbeidsinschakeling worden
                                alleen ingezet als zonder die inzet het vinden van algemeen
                                geaccepteerde arbeid naar het oordeel van het college niet mogelijk
                                is.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college kan in beleidsregels vastleggen welke niet in deze
                                verordening opgenomen voorzieningen het college aanvullend kan
                                aanbieden.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3.</nr><titel>Bepalingen met betrekking tot in de Participatiewet opgenomen
                            voorzieningen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Participatievoorziening beschut werk</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan de voorziening beschut werk aanbieden aan een
                                persoon uit de doelgroep die door een lichamelijke, verstandelijke
                                of psychische beperking een zodanige mate van begeleiding op en
                                aanpassingen van de werkplek nodig heeft dat van een reguliere
                                werkgever redelijkerwijs niet kan worden verwacht dat hij deze
                                persoon in dienst neemt.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college maakt uit de personen uit de doelgroep een voorselectie
                                en wint bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV)
                                advies in voor de beoordeling of zij uitsluitend in een beschutte
                                omgeving onder aangepaste omstandigheden mogelijkheden tot
                                arbeidsparticipatie hebben.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Om de in artikel 10b, eerste lid, van de Participatiewet, bedoelde
                                werkzaamheden mogelijk te maken zet het college de volgende
                                ondersteunende voorzieningen in: fysieke aanpassingen van de
                                werkplek of de werkomgeving, uitsplitsing van taken of aanpassingen
                                in de wijze van werkbegeleiding, werktempo of arbeidsduur, een en
                                ander uitgezonderd van voorzieningen die door het UWV worden
                                vergoed.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college bepaalt jaarlijks de omvang van het aanbod beschut werk
                                en legt vast hoeveel plekken voor beschut werk de gemeente
                                beschikbaar stelt<vet>.</vet></al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Scholing</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan een persoon die behoort tot de doelgroep een
                                scholingstraject aanbieden gericht op arbeidsinschakeling.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het scholingstraject heeft tot doel de afstand tot het verkrijgen
                                van algemeen geaccepteerde arbeid te verkleinen of te
                                overbruggen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het eerste lid is niet van toepassing op personen als bedoeld in
                                artikel 7, derde lid, onderdeel a van de wet.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel>Persoonlijke ondersteuning</titel></kop><al>Aan een persoon of via de werkgever van de persoon die behoort tot de
                            doelgroep kan het college persoonlijke ondersteuning bij het verrichten
                            van de aan die persoon opgedragen taken aanbieden in de vorm van
                            (structurele) begeleiding als hij naar het oordeel van het college
                            zonder persoonlijke ondersteuning niet in staat is de aan hem opgedragen
                            taken te verrichten.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.</nr><titel>No-riskpolis</titel></kop><al>Werkgevers kunnen in 2015 bij ziekte van de werknemer gebruik maken van
                            de no-riskpolis die het UWV aanbiedt voor de gemeentelijke doelgroep van
                            de banenafspraak in het kader van de Participatiewet.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.</nr><titel>Vaststelling wie tot doelgroep loonkostensubsidie behoort</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college stelt vast of een persoon behoort tot de doelgroep
                                loonkostensubsidie..</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Hierbij neemt het college de volgende criteria in acht:</al><lijst><li nr="a."><al>een persoon moet behoren tot de doelgroep zoals omschreven
                                        in artikel 7, eerste lid, onderdeel a, van de
                                        Participatiewet en</al></li><li nr="b."><al>die persoon is niet in staat met voltijdse arbeid het
                                        wettelijk minimumloon te verdienen en</al></li><li nr="c."><al>die persoon heeft mogelijkheden tot arbeidsparticipatie
                                        en</al></li><li nr="d."><al>de criteria die zijn opgenomen in het landelijke besluit
                                        loonkostensubsidie Participatiewet.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.</nr><titel>Vaststelling loonwaarde</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college gebruikt een door het regionale werkbedrijf van de
                                arbeidsmarktregio Noordoost-Brabant vastgesteld instrument voor het
                                vaststellen van de loonwaarde van een persoon.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Zolang er door het regionale werkbedrijf geen instrument is
                                vastgesteld, maakt de gemeente tijdelijk gebruik van een instrument
                                dat voldoet aan de eisen van het Besluit Loonkostensubsidie</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4.</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11.</nr><titel>Uitvoering</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college draagt zorg voor de uitvoering van deze verordening.
                            </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college stelt voor de uitvoering van deze verordening
                                beleidsregels vast. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.Bijzondere</nr><titel>situaties.</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In bijzondere situaties kan het college afwijken van het bepaalde in
                                deze verordening.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In alle gevallen waarin deze verordening niet voorziet beslist het
                                college.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13.</nr><titel>Intrekken oude verordening en overgangsrecht</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De Verordening Re-integratie WWB, IOAW en IOAZ 2013 wordt per 1
                                januari 2015 ingetrokken.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een persoon die gebruik maakt van een toegekende voorziening op
                                grond van de Verordening Re-integratie WWB, IOAW en IOAZ 2013 , die
                                moet worden beëindigd op grond van deze verordening, behoudt deze
                                voorziening voor zover wordt voldaan aan de voorwaarden uit de
                                Verordening Re-integratie WWB, IOAW en IOAZ 2013 voor de duur van de
                                ingezette voorziening, doch niet langer 12 maanden.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college kan na afloop van de in het tweede lid bedoelde periode,
                                besluiten of een voorziening wordt voortgezet.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De Verordening Re-integratie WWB, IOAW en IOAZ 2013 blijft van
                                toepassing ten aanzien van een voortgezette voorziening als bedoeld
                                in het tweede lid.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14.</nr><titel>Inwerkingtreding en citeertitel</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Deze verordening treedt in werking op de eerste dag na die van
                                    bekendmaking en werkt terug tot en met 1 januari 2015.</al></li><li nr="2."><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Re-integratieverordening
                                    Participatiewet 2015.</al></li></lijst><al/><al/><al/></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus besloten door de raad van de gemeente Grave in zijn openbare
                        vergadering </ondertekening><ondertekening>van 10 maart 2015, </ondertekening><ondertekening/><ondertekening/><ondertekening>De raad voornoemd,</ondertekening><ondertekening/><ondertekening/><ondertekening>M.L.A. Vermaaten</ondertekening><ondertekening>plv. griffier </ondertekening><ondertekening/><ondertekening>A.M.H. Roolvink</ondertekening><ondertekening>voorzitter</ondertekening><ondertekening/><ondertekening/><ondertekening/></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>Toelichting</titel></kop><tussenkop>Algemeen</tussenkop><al>Het kabinet wil dat alle mensen als volwaardige burgers mee kunnen doen aan onze
                    samenleving. Bij voorkeur via een reguliere baan, maar als dat (nog) een brug te
                    ver is, door op een andere manier te participeren in de samenleving. Het kabinet
                    wil kansen creëren, ook voor mensen met een arbeidsbeperking. </al><al>Er is gekozen voor een algemene, globale verordening. Dit heeft te maken met de
                    aard van de opdracht die de raad heeft gekregen, te weten het bij verordening
                    regels stellen waarin het beleid van de gemeente ten aanzien van haar
                    re-integratietaak wordt neergelegd. Hieruit moet onder andere aandacht blijken
                    voor de in de Participatiewet onderscheiden doelgroepen en de daarbinnen te
                    onderscheiden subgroepen. Dit leent zich niet tot het formuleren van
                    gedetailleerde regels die op iedere situatie van toepassing zijn. Immers,
                    re-integratie is maatwerk. Het is helemaal afhankelijk van iemands mogelijkheden
                    en beperkingen wat in het concrete geval een passend re-integratietraject is.
                    Daarom wordt aan het college de bevoegdheid gegeven om op een aantal punten
                    eigen afwegingen te maken. Artikel 10 van de Participatiewet bepaalt dat
                    personen uit de doelgroep aanspraak hebben op ondersteuning bij de
                    arbeidsinschakeling en de door het college noodzakelijk geachte voorziening
                    binnen de kaders van de re-integratieverordening. Daarom is ervoor gekozen in de
                    verordening de voorzieningen vast te leggen die het college in ieder geval kan
                    aanbieden. </al><al>Met betrekking tot de volgende voorzieningen is de gemeenteraad verplicht om
                    regels op te nemen in deze verordening: </al><lijst><li nr="·"><al>persoonlijke ondersteuning (artikelen 8a, eerste lid, onderdeel a, en
                            10, eerste lid, van de Participatiewet); </al></li><li nr="·"><al>scholing of opleiding als bedoeld in artikel 10a, vijfde lid, van de
                            Participatiewet (artikel 8a, eerste lid, onderdeel c, en tweede lid,
                            onderdeel c, van de Participatiewet); </al></li><li nr="·"><al>participatievoorziening beschut werk als bedoeld in artikel 10b van de
                            Participatiewet (artikelen 8a, eerste lid, onderdeel e, en 10b, vierde
                            lid, van de Participatiewet), en</al></li><li nr="·"><al>no-riskpolis (artikel 8a, tweede lid, onderdeel b, van de
                            Participatiewet).</al><al/></li></lijst><tussenkop>Artikelsgewijze toelichting</tussenkop><al>Enkel die bepalingen die verdere toelichting behoeven worden hieronder
                    behandeld.</al><al/><tussenkop>Artikel 1. Begrippen</tussenkop><al>Begrippen die al zijn omschreven in de Participatiewet, Algemene wet
                    bestuursrecht of de Gemeentewet worden niet afzonderlijk gedefinieerd in deze
                    verordening. Deze zijn vanzelfsprekend van toepassing op deze verordening. </al><al/><al><cursief>Doelgroep</cursief></al><al>De doelgroep wordt gevormd door personen zoals bedoeld in artikel 7, eerste lid,
                    onder a, van de Participatiewet. Het betreft personen:</al><lijst><li nr="·"><al>die algemene bijstand ontvangen;</al></li><li nr="·"><al>als bedoeld in artikel 34a, vijfde lid onderdelen b en c, van de Wet
                            werk en inkomen naar arbeidsvermogen (hierna: WIA), artikel 35, vierde
                            lid, onderdelen b en c, van de WIA en artikel 36, derde lid, onderdelen
                            b en c, van de WIA tot het moment dat het inkomen uit arbeid in
                            dienstbetrekking gedurende twee aaneengesloten jaren ten minste het
                            minimumloon bedraagt en ten behoeve van die persoon in die twee jaren
                            geen loonkostensubsidie als bedoeld in artikel 10d van de
                            Participatiewet is verleend;</al></li><li nr="·"><al>als bedoeld in artikel 10, tweede lid, van de Participatiewet;</al></li><li nr="·"><al>met een nabestaanden- of wezenuitkering op grond van de Algemene
                            nabestaandenwet (hierna: ANW);</al></li><li nr="·"><al>met een uitkering ingevolge de Wet inkomensvoorziening oudere en
                            gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (hierna: IOAW);</al></li><li nr="·"><al>met een uitkering ingevolge de Wet inkomensvoorziening oudere en
                            gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (hierna:
                            IOAZ);</al></li><li nr="·"><al>zonder uitkering</al></li><li nr="·"><al>en, die voor de arbeidsinschakeling zijn aangewezen op een door het
                            college aangeboden voorziening.</al><al/></li></lijst><tussenkop>Artikel 2. Maatwerk </tussenkop><al>Op grond van artikel 8a, tweede lid, onderdeel a, van de Participatiewet moet de
                    gemeenteraad in de verordening aangeven welke voorzieningen worden ingezet,
                    waarbij rekening wordt gehouden met de omstandigheden en de functionele
                    beperkingen van die personen. Hierin ligt besloten dat de gemeenteraad ook
                    rekening houdt met de omstandigheden en functionele beperkingen van personen met
                    een handicap. Dit is in overeenstemming met het VN-verdrag inzake de rechten van
                    personen met een handicap. De doelstelling van dit verdrag is het bevorderen,
                    beschermen en waarborgen van het volledige genot door alle personen met een
                    handicap van alle mensenrechten en fundamentele vrijheden op voet van gelijkheid
                    en het bevorderen van de eerbiediging van hun inherente waardigheid. In dit
                    artikel is aan het voorgaande uitvoering gegeven.</al><al/><tussenkop>Rekening houden met omstandigheden en beperkingen</tussenkop><al>Het college moet bij de inzet van de voorzieningen rekening houden met de
                    omstandigheden en functionele beperkingen van een persoon. In artikel 2, tweede
                    lid, is opgenomen waarmee het college in ieder geval rekening moet houden.</al><al/><tussenkop>Artikel 3. Algemene bepalingen over voorzieningen</tussenkop><al>De Participatiewet schrijft niet uitputtend voor welke voorzieningen het college
                    aan moet bieden. Het enige criterium is dat de voorziening gericht moet zijn op
                    de arbeidsinschakeling en moet bijdragen aan het (op termijn) mogelijk maken van
                    reguliere arbeid door een persoon. Al naar gelang de afstand van een persoon tot
                    de arbeidsmarkt kan een voorziening gericht zijn op bijvoorbeeld sociale
                    activering en het voorkomen van een isolement (zoals het doen van
                    vrijwilligerswerk met behoud van uitkering), het leren van vaardigheden of
                    kennis, of het opdoen van werkervaring (bijvoorbeeld via een
                    werkervaringsplaats).</al><al/><tussenkop>Beëindigingsgronden</tussenkop><al>Het eerste lid geeft aan dat het college een voorziening kan beëindigen en in
                    welke gevallen het dat kan doen. Onder beëindigen wordt hierbij ook verstaan het
                    stopzetten van de subsidie aan een werkgever of het opzeggen van de
                    arbeidsovereenkomst bij detachering. Bij deze laatste wijze van beëindigen
                    dienen vanzelfsprekend de toepasselijke bepalingen uit het arbeidsrecht en de
                    eventueel aanwezige rechtspositieregeling in acht te worden genomen.</al><al>Het college kan een voorziening beëindigen in de gevallen zoals opgenomen in
                    artikel 3, eerste lid, van deze verordening. Een voorziening wordt bijvoorbeeld
                    beëindigd als een persoon algemeen geaccepteerde arbeid aanvaardt. Voor de
                    persoon zoals bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a onder 2, van de
                    Participatiewet wordt op dit punt een uitzondering gemaakt. Het gaat om de
                    persoon zoals bedoeld in artikel 34a, vijfde lid, onderdelen b en c, 35, vierde
                    lid, onderdelen b en c en 36, derde lid, onderdelen b en c, van de WIA tot het
                    moment dat het inkomen uit arbeid in dienstbetrekking gedurende twee
                    aaneengesloten jaren ten minste het minimumloon bedraagt en ten behoeve van die
                    persoon in die twee jaren geen loonkostensubsidie als bedoeld in artikel 10d is
                    verleend. Voor deze doelgroep geldt dat het college ondersteuning bij de
                    arbeidsinschakeling moet bieden gedurende twee aaneengesloten jaren ten minste
                    het minimumloon bedraagt en ten behoeve van die persoon in die twee jaren geen
                    loonkostensubsidie is verstrekt. </al><al>De Participatiewet voorziet niet in een terugvorderingsgrond van
                    re-integratiekosten die onnodig zijn gemaakt. Noch van een bijstandsgerechtigde,
                    noch van een niet bijstandsgerechtigde kunnen die kosten worden teruggevorderd.
                    Terugvordering dient te geschieden op grond van het Burgerlijk Wetboek.</al><al>In lid 4 staat dat de gemeente, om de financiële risico’s te beheersen, een
                    verdeling kan maken van de middelen over de verschillende voorzieningen. Het
                    uitgeput zijn van begrotingsposten kan echter nooit een reden zijn om aanvragen
                    voor voorzieningen te weigeren. Om dat wel mogelijk te maken kan de gemeente bij
                    verordening subsidie- en budgetplafonds instellen. </al><al>Het ontbreken van financiële middelen alleen kan geen reden zijn voor de
                    afwijzing van een aanvraag. De gemeente dient dan na te gaan welke andere,
                    goedkopere alternatieven er beschikbaar zijn. Dit houdt dus in dat er geen
                    algemeen plafond ingesteld kan worden. Wat wel kan is dat per voorziening een
                    plafond ingebouwd wordt; dit laat de mogelijkheid open dat er naar een ander
                    instrument wordt uitgeweken. Het college zal hier terughoudend mee zijn, omdat
                    het perspectief van de belanghebbende voorop moet staan. </al><al>Een budgetplafond geldt voor de uitgaven die het college doet in het kader van
                    voorzieningen. Een subsidieplafond geldt voor voorzieningen die subsidies
                    inhouden. Een subsidieplafond dient wel bekendgemaakt te worden vóór de periode
                    waarvoor deze geldt ( art. 4:27 lid 1 Awb).</al><al/><tussenkop>Artikel 4. Voorzieningen</tussenkop><al>In dit artikel wordt aangegeven welke instrumenten het college onder andere in
                    kan zetten ter bevordering van re-integratie en participatie. In lid 2 staat dat
                    het college beleidsregels vaststelt over de inzet en kaders van de in dit
                    artikel genoemde voorzieningen als de wet niet voorschrijft dat dit in de
                    verordening moet. Als de wet dit wel voorschrijft zijn deze regels in de
                    verordening opgenomen. </al><al>Dat betekent concreet dat regels over beschut werk, scholing, persoonlijke
                    ondersteuning en de no-riskpolis zijn opgenomen in de verordening. Van de
                    overige voorzieningen zijn nadere regels, voor zover aan de orde, in de
                    beleidsregels opgenomen.</al><al/><tussenkop>Artikel 5. Participatievoorziening beschut werk</tussenkop><al>Het college kan de voorziening beschut werk aanbieden aan een persoon uit de
                    doelgroep die door een lichamelijke, verstandelijke of psychische beperking een
                    zodanige mate van begeleiding op en aanpassingen van de werkplek nodig heeft dat
                    niet van een reguliere werkgever redelijkerwijs niet kan worden verwacht dat hij
                    deze in dienst neemt (eerste lid).</al><al/><tussenkop>Stap 1: voorselectie</tussenkop><al>Ten behoeve van de participatievoorziening beschut werk voert de gemeente een
                    voorselectie uit. Tijdens de voorselectie bepaalt het college welke mensen in
                    aanmerking kunnen komen voor beschut werk, en op welk moment. In het tweede lid
                    is bepaald dat het college uitsluitend personen met een grote afstand tot de
                    arbeidsmarkt selecteert voor de beoordeling of zij uitsluitend in een beschutte
                    omgeving mogelijkheden tot arbeidsparticipatie hebben. Voor dit criterium is
                    gekozen omdat personen met een korte afstand tot de arbeidsmarkt veelal niet
                    uitsluitend in een beschutte omgeving mogelijkheden tot arbeidsparticipatie
                    hebben. Onder de personen met een grote afstand tot de arbeidsmarkt is het
                    aannemelijk dat daartoe personen behoren die uitsluitend in een beschutte
                    omgeving kunnen werken. </al><al>Het college kan ambtshalve vaststellen of een persoon uitsluitend in een
                    beschutte omgeving onder aangepaste omstandigheden mogelijkheden tot
                    arbeidsparticipatie heeft (artikel 10b, eerste lid, van de Participatiewet).
                    Hiervoor is dus geen aanvraag van een persoon nodig. Het college maakt uit de
                    personen uit de doelgroep een voorselectie. Het college moet bij het
                    Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) advies inwinnen voor de
                    beoordeling of de geselecteerde personen uitsluitend in een beschutte omgeving
                    onder aangepaste omstandigheden mogelijkheden tot arbeidsparticipatie hebben. </al><al/><tussenkop>Stap 2: advies Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
                    (UWV)</tussenkop><al>Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen adviseert het college met
                    betrekking tot het oordeel of een persoon tot de doelgroep beschut werk behoort.
                    Het UWV voert op basis van landelijke criteria een beoordeling uit (artikel 10b,
                    tweede lid, van de Participatiewet). </al><al/><tussenkop>Stap 3: besluit gemeente</tussenkop><al>Op basis van het advies van het UWV beslist de gemeente of iemand tot de
                    doelgroep 'beschut werk' behoort. Alleen als sprake is van een onzorgvuldige
                    totstandkoming van het advies van het UWV, kan de gemeente besluiten het advies
                    niet te volgen.<sup/></al><al/><tussenkop>Stap 4: dienstbetrekking 'beschut werk'</tussenkop><al>Nadat is vastgesteld dat iemand tot de doelgroep 'beschut werk' behoort, zorgt
                    de gemeente ervoor dat deze persoon in een dienstbetrekking onder beschutte
                    omstandigheden aan de slag gaat (artikel 10b, derde lid, van de
                    Participatiewet). Het kan dan gaan om een privaatrechtelijke of een
                    publiekrechtelijke dienstbetrekking (artikel 6, eerste lid, onderdeel f, van de
                    Participatiewet). Hoe de dienstbetrekking wordt georganiseerd, behoort tot de
                    beleidsvrijheid van gemeenten. Een dienstbetrekking kan bijvoorbeeld worden
                    georganiseerd via een gemeentelijke dienst, NV, BV of stichting. Ook kunnen
                    personen (via detachering) in een beschutte omgeving bij reguliere werkgevers
                    werken.<sup/></al><al/><tussenkop>Omvang beschut werk </tussenkop><al>In het regionale beleidskader Participatiewet vastgesteld door de gemeenteraad
                    in maart 2015 staat dat de gemeenten in de arbeidsmarktregio Noordoost-Brabant
                    aansluiten bij de aantallen beschut werk die het Rijk voor ogen heeft en
                    waarvoor het Rijk (fictief) middelen ter beschikking stelt.</al><al/><tussenkop>Artikel 6. Scholing </tussenkop><al>Scholing is bij uitstek een maatwerkinstrument, waarbij het moeilijk is vooraf
                    algemene richtlijnen te geven. Wel spreekt voor zich dat het moet gaan om
                    scholing die gericht is op arbeidsinschakeling of op een verbetering van de
                    uitgangspositie op de arbeidsmarkt (eerste en tweede lid). Normaal gesproken zal
                    de scholing deel uitmaken van een integraal re-integratietraject.</al><al>Personen jonger dan 27 jaar die nog mogelijkheden hebben binnen het uit 's Rijks
                    kas bekostigde onderwijs kunnen sinds 1 juli 2012 geen voorziening ontvangen die
                    hen ondersteunt bij de arbeidsinschakeling (artikel 7, derde lid, onderdeel a,
                    van de Participatiewet). Dit is voor de volledigheid opgenomen in het derde
                    lid.</al><al/><tussenkop>Artikel 7. Persoonlijke ondersteuning</tussenkop><al>In artikel 7 wordt de voorziening persoonlijke ondersteuning nader geduid. Het
                    gaat dan om begeleiding waarbij de werknemer op vaste tijden en gedurende een
                    langere periode ondersteund wordt bij het verrichten van zijn taken. Het moet
                    ook gaan om een systematische ondersteuning. Daarnaast moet de ondersteuning
                    noodzakelijk zijn in die zin, dat de werknemer zonder die ondersteuning in
                    redelijkheid niet zijn werkzaamheden zou kunnen verrichten.</al><al/><tussenkop>Artikel 8. No-riskpolis </tussenkop><al>Met de no-riskpolis zijn werkgevers die iemand uit de doelgroep van de
                    banenafspraak verzekerd voor de verplichting om loon door te betalen bij ziekte.
                    Voor de jaren 2016 en verder is er een wetsvoorstel in voorbereiding waardoor de
                    no-riskpolis landelijk wordt geregeld.</al><al/><tussenkop>Artikel 9. Vaststelling wie tot doelgroep loonkostensubsidie
                    behoort</tussenkop><al>In artikel 10c van de Participatiewet is geregeld wanneer wordt vastgesteld of
                    een persoon tot de doelgroep loonkostensubsidie behoort: op schriftelijke
                    aanvraag of ambtshalve. Ambtshalve vaststelling is alleen mogelijk bij:</al><lijst><li nr="·"><al>personen die algemene bijstand ontvangen;</al></li><li nr="·"><al>personen als bedoeld in artikel 34a, vijfde lid, onderdelen b en c, van
                            de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (hierna: WIA), artikel 35,
                            vierde lid onderdelen b en c, van de WIA en artikel 36, derde lid,
                            onderdelen b en c, van de WIA tot het moment dat het inkomen uit arbeid
                            in dienstbetrekking gedurende twee aaneengesloten jaren ten minste het
                            minimumloon bedraagt en ten behoeve van die persoon in die twee jaren
                            geen loonkostensubsidie als bedoeld in artikel 10d van de
                            Participatiewet is verleend;</al></li><li nr="·"><al>personen als bedoeld in artikel 10, tweede lid, van de
                            Participatiewet;</al></li><li nr="·"><al>personen met een uitkering op grond van de Wet inkomensvoorziening
                            oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers, en</al></li><li nr="·"><al>personen met een uitkering op grond van de Wet inkomensvoorziening
                            oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen.</al></li></lijst><al>In artikel 10c van de Participatiewet is ook bepaald dat het aan het college is
                    om vast te stellen of een persoon tot de doelgroep loonkostensubsidie behoort.
                    Binnen de kaders van de wet is het aan de gemeente om vast te stellen op welke
                    wijze zij bepalen of mensen tot de doelgroep loonkostensubsidie behoren en of
                    loonkostensubsidie voor hen wordt ingezet (zie Kamerstukken II 2013/14, 33 161,
                    nr. 107, blz. 62). In artikel 6, tweede lid, is vastgelegd welke criteria
                    daarbij in acht genomen worden. Deze cumulatieve criteria zijn ontleend aan
                    artikel 6, eerste lid, onderdeel e, van de Participatiewet en het landelijke
                    besluit loonkostensubsidie Participatiewet. Daarin is immers wettelijk de
                    doelgroep loonkostensubsidie vastgelegd.</al><al>Wij kennen geen loonkostensubsidie toe aan niet-uitkeringsgerechtigden,
                    optioneel kan het college dit wel doen aan kwetsbare jongeren zonder
                    uitkering.</al><al/><tussenkop>Artikel 10. Vaststelling loonwaarde</tussenkop><al>In artikel 10d, eerste lid, van de Participatiewet is bepaald dat als een
                    persoon behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie en een werkgever voornemens
                    is een dienstbetrekking aan te gaan met die persoon, het college de loonwaarde
                    van die persoon vaststelt. Hiervoor is geen aanvraag vereist. De vastgestelde
                    loonwaarde legt het college vast in een beschikking waartegen zowel de betrokken
                    persoon als diens (potentiële) werkgever bezwaar en beroep kunnen instellen. </al><al>Het instrument dat het college gebruikt om de loonwaarde van die persoon te
                    bepalen is het instrument dat is vastgesteld door het regionale werkbedrijf van
                    de arbeidsmarktregio Noordoost-Brabant. Dit instrument zal voldoen aan de
                    minimumeisen van het Besluit Loonkostensubsidie.</al><al>De planning van het regionale werkbedrijf in oprichting is dat er voor 1 januari
                    2016 een beslissing zal worden genomen over dit instrument. Op dit moment wordt
                    er in de arbeidsmarktregio gebruik gemaakt van verschillende instrumenten.</al><al>Zolang er door het regionale werkbedrijf geen instrument is vastgesteld, maakt
                    de gemeente tijdelijk gebruik van een instrument dat voldoet aan de eisen van
                    het Besluit Loonkostensubsidie.</al><al/><tussenkop>Artikel 13. Intrekken oude verordening en overgangsrecht</tussenkop><al>In artikel 10 is onder andere het overgangsrecht neergelegd. Het kan voorkomen
                    dat personen een voorziening toegekend hebben gekregen op grond van de oude
                    re-integratieverordening, die niet meer voldoet aan de voorwaarden uit deze
                    verordening. Hierbij kan worden gedacht aan de situatie waarin de oude
                    re-integratieverordening voorzieningen bevat die na inwerkingtreding van deze
                    verordening niet meer worden verstrekt. Ook is het denkbaar dat een persoon op
                    grond van de oude re-integratieverordening wel in aanmerking zou komen voor een
                    voorziening, maar door inwerkingtreding van deze verordening niet meer. De
                    toegekende voorziening zou dan op grond van artikel 3,eerste lid, van deze
                    verordening moeten worden beëindigd. Om dit te voorkomen is in artikel 10,
                    tweede lid, geregeld dat dergelijke voorzieningen worden behouden voor een
                    bepaalde duur. Een dergelijke voorzieningen wordt behouden voor ten hoogste de
                    duur van 12 maanden of - als dit eerder is - voor de duur dat deze is verstrekt.
                    Dit uiteraard voor zover wordt voldaan aan de voorwaarden uit de Verordening
                    Re-integratie WWB, IOAW en IOAZ 2013 . Wordt niet meer aan die voorwaarden
                    voldaan, dan moet de voorziening worden beëindigd, bijvoorbeeld als een
                    belanghebbende geen aanspraak meer heeft op ondersteuning bij de
                    arbeidsinschakeling. De periode van 12 maanden begint te lopen vanaf het moment
                    van inwerkingtreding van deze verordening.</al><al/><tussenkop>Voortzetten toegekende voorzieningen</tussenkop><al>Toegekende voorzieningen op grond van de Verordening Re-integratie WWB, IOAW en
                    IOAZ 2013 worden dus in beginsel behouden tot 12 maanden na inwerkingtreding van
                    deze verordening. Na afloop van die periode kan het college besluiten of een
                    voorziening wordt voortgezet (artikel 10, derde lid). Hierbij kan het college
                    rekening houden met al gesloten overeenkomsten. Voortzetting van een voorziening
                    ligt bijvoorbeeld voor de hand als het college is gehouden de kosten van een
                    dergelijke voorziening te voldoen, ongeacht of een persoon nog gebruik maakt van
                    de voorziening. Lopende re-integratievoorzieningen kunnen in beginsel ná
                    inwerkingtreding van deze verordening worden afgerond conform de
                    overeenkomst.</al><al/><tussenkop>Voortzetting is niet mogelijk</tussenkop><al>Voortzetting van een toegekende voorziening na 12 maanden is niet mogelijk als
                    de voorziening binnen die periode is beëindigd wegens het niet meer voldoen aan
                    de voorwaarden voor die voorziening op grond van de Verordening Re-integratie
                    WWB, IOAW en IOAZ 2013 of als de voorziening is toegekend voor een kortere duur
                    dan 12 maanden na inwerkingtreding van de verordening. Een voorziening dient
                    immers niet langer te worden voortgezet dan de duur van de oorspronkelijke
                    toekenning. </al><al>Ten aanzien van de voortgezette voorziening blijft de Verordening Re-integratie
                    WWB, IOAW en IOAZ 2013 van toepassing (artikel 13, vierde lid, van deze
                    verordening). </al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>