<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR369508_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening inzake het kamperen buiten reguliere kampeerterreinen, aan te duiden als de Kampeerverordening 2015</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Veere</dcterms:creator><dcterms:modified>2015-06-15</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Veere</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">GVOP, 17 juni 2015</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening inzake het kamperen buiten reguliere kampeerterreinen, aan te duiden als de Kampeerverordening 2015</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Artikel 147 van de Gemeentewet</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>bestuur en recht</dcterms:subject><dcterms:issued>2015-06-11</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2015-06-18</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2019-10-03</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>15b.01565</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>Kampeerverordening 2015</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Kampeerverordening 2015 </intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente Veere; </al><al>gelezen het voorstel van het college van (12 mei 2015);</al><al>gelet op artikel 147 van de Gemeentewet; </al><al>besluit vast te stellen de: </al><al>Verordening inzake het kamperen buiten reguliere kampeerterreinen, aan te
                        duiden als de Kampeerverordening 2015</al><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>- Algemene begripsbepalingen</titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="1."><al>kleinschalig kampeerterrein: een terrein of plaats gelegen op een
                                (voormalig) agrarisch bouwvlak en/of op direct daaraan grenzende
                                volgens het bestemmingsplan Buitengebied als agrarisch bestemde
                                gronden, geheel of gedeeltelijk ingericht, en blijkens die
                                inrichting bestemd, om daarop gelegenheid te geven tot het plaatsen,
                                of geplaatst houden van kampeermiddelen ten behoeve van recreatief
                                nachtverblijf door personen die hun hoofdverblijf elders hebben, met
                                maximaal 25 standplaatsen. </al></li><li nr="2."><al>landschapscamping: een terrein of plaats behorend bij een agrarisch
                                bedrijf en/of direct daaraan grenzende volgens het bestemmingsplan
                                Buitengebied als agrarisch bestemde gronden, geheel of gedeeltelijk
                                ingericht, en blijkens die inrichting bestemd, om daarop gelegenheid
                                te geven tot het plaatsen, of geplaatst houden van kampeermiddelen
                                ten behoeve van recreatief nachtverblijf door personen die hun
                                hoofdverblijf elders hebben, met maximaal 60 standplaatsen.</al></li><li nr="3."><al>standplaats: deel van een kleinschalig kampeerterrein of
                                landschapscamping ingericht en bestemd voor de plaatsing van een of
                                meer kampeermiddelen.</al></li><li nr="4."><al>kampeermiddel: </al><lijst><li nr="a."><al>tent, tentwagen, kampeerauto of caravan, dan wel enig ander
                                        onderkomen of enig ander voertuig of gewezen voertuig of
                                        gedeelte daarvan, voor zover geen bouwwerk zijnde, ten
                                        behoeve van recreatief nachtverblijf, of </al></li><li nr="b."><al>vast kampeermiddel.</al></li></lijst></li><li nr="5."><al>vast kampeermiddel: een op de grond staand of vast met de grond
                                verbonden bouwwerk ten behoeve van recreatief nachtverblijf,
                                waarvoor ingevolge artikel 3, tweede lid, van Bijlage II behorend
                                bij het Besluit omgevingsrecht geen omgevingsvergunning vereist
                                is.</al></li><li nr="6."><al>kampeerseizoen: de jaarlijkse periode die loopt van 1 maart tot en
                                met 15 november.</al></li><li nr="7."><al>uitbreiding: iedere toename van het aantal standplaatsen,
                                nieuwvestiging daaronder begrepen.</al></li><li nr="8."><al>toezichthouder: degene die het dagelijks toezicht uitoefent over het
                                kleinschalig kampeerterrein en uit dien hoofde verantwoordelijk is
                                voor de wijze waarop de uitoefening van het toezicht
                                plaatsvindt.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>- Vergunningplicht kleinschalig kamperen (kampeervergunning);</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden zonder vergunning van het college een kleinschalig
                            kampeerterrein te exploiteren.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college verleent slechts een vergunning als bedoeld in het eerste
                            lid indien:</al><lijst><li nr="a."><al>de aanvraag voldoet aan de criteria ten aanzien van
                                    kleinschalige kampeerterreinen zoals bepaald in het
                                    bestemmingsplan Buitengebied en</al></li><li nr="b."><al>de aanvrager beschikt over agrarisch bestemde grond, aansluitend
                                    aan het agrarisch bouwvlak, in eigendom of langjarige pacht en
                                    die hij als zodanig in gebruik heeft of laat gebruiken, en</al></li><li nr="c."><al>er sprake is van een goede landschappelijke inpassing die
                                    voldoet aan de in het bestemmingsplan Buitengebied vastgelegde
                                    eisen en</al></li><li nr="d."><al>in het geval geen sprake is van een rechtstreekse aansluiting op
                                    de openbare riolering, een bufferput is aangelegd met een
                                    capaciteit van tenminste 2 m³ en</al></li><li nr="e."><al>het aantal vergunde standplaatsen op kleinschalige
                                    kampeerterreinen binnen de gemeente na verlening van de
                                    vergunning niet meer dan 3.015 bedraagt en het aantal verleende
                                    vergunningen als bedoeld in artikel 2, eerste lid, niet meer dan
                                    171 bedraagt. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college beslist op een aanvraag kampeervergunning binnen acht weken
                            na ontvangst van de aanvraag. Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet
                            bestuursrecht is niet van toepassing.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Indien in verband met de aanvraag tot uitbreiding een
                            omgevingsvergunning is vereist, wordt de aanvraag ter verkrijging van
                            een kampeervergunning aangehouden tot het moment dat de
                            omgevingsvergunning is verleend, of, indien de omgevingsvergunning is
                            geweigerd, binnen 6 weken na het weigeren van de omgevingsvergunning
                            geen bezwaar of beroep is ingesteld dan wel, indien zodanig bezwaar of
                            beroep wel is ingesteld, tegen het besluit tot weigering tevens een
                            verzoek om voorlopige voorziening is ingesteld en dat verzoek is
                            afgewezen. </al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het college kan de kampeervergunning onder voorwaarden verlenen. In dat
                            geval wordt de kampeervergunning voor een bepaalde tijd verleend
                            (tijdelijke kampeervergunning). Na afloop van de in de tijdelijke
                            kampeervergunning opgenomen termijn vervalt deze van rechtswege.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Indien een tijdelijke kampeervergunning is verleend, kan de aanvrager
                            een verzoek indienen tot verkrijging van een kampeervergunning voor
                            onbepaalde tijd. Als aan de voorwaarden verbonden aan de tijdelijke
                            kampeervergunning is voldaan, verleent het college de kampeervergunning.
                            Het derde lid van dit artikel is van overeenkomstige toepassing.</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>Het college kan aan de kampeervergunning voorschriften en nadere eisen
                            verbinden.</al></lid><lid><lidnr>8.</lidnr><al>De vergunning wordt op naam van de aanvrager gesteld. </al></lid><lid><lidnr>9.</lidnr><al>Indien de aanvrager tevens de bewoner is van de woning, welke volgens
                            het bestemmingsplan Buitengebied aanwezig is op en behoort bij het
                            agrarisch bouwvlak, oefent deze het dagelijks toezicht uit op het
                            kleinschalig kampeerterrein.</al></lid><lid><lidnr>10.</lidnr><al>Indien de aanvrager niet tevens de bewoner is van de woning, welke
                            volgens het bestemmingsplan Buitengebied aanwezig is op en behoort bij
                            het agrarisch bouwvlak, vermeldt de kampeervergunning tevens de naam van
                            de door de aanvrager aangestelde toezichthouder. </al></lid><lid><lidnr>11.</lidnr><al>Een toezichthouder als bedoeld in het tiende lid is bewoner van de
                            woning, welke volgens het bestemmingsplan Buitengebied aanwezig is op en
                            behoort bij het agrarisch bouwvlak.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>– Kamperen op kleinschalige kampeerterreinen (minicampings).</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Uitgezonderd vaste kampeermiddelen dienen alle kampeermiddelen buiten
                            het kampeerseizoen van het kampeerterrein volledig te zijn
                            verwijderd.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voor de oppervlakte van vaste kampeermiddelen geldt het maximum als
                            opgenomen in het bestemmingsplan Buitengebied.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De maximale hoogte van kampeermiddelen bedraagt 5,00 meter, tenzij
                            aangetoond wordt dat in het kampeerseizoen 2012 op het desbetreffende
                            kleinschalig kampeerterrein kampeermiddelen met een grotere hoogte zijn
                            geplaatst en voor die plaatsing toestemming is verkregen van het
                            college.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het aantal standplaatsen voor de plaatsing van vaste kampeermiddelen
                            bedraagt ten hoogste 20% van het totaal aantal vergunde standplaatsen.
                            Het aldus bepaalde aantal standplaatsen voor de plaatsing van vaste
                            kampeermiddelen wordt naar beneden afgerond op een heel getal.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het vierde lid is niet van toepassing voor zover op grond van een voor
                            inwerkingtreding van deze verordening verleende vergunning een hoger
                            aantal standplaatsen voor de plaatsing van vaste kampeermiddelen is
                            toegestaan.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Op dezelfde standplaats mogen naast een kampeermiddel twee tenten worden
                            geplaatst met een maximale oppervlakte van ieder 10 m².</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>– Vergunningplicht landschapscampings</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden zonder vergunning van het college een landschapscamping
                            te exploiteren. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan maximaal 5 vergunningen verlenen voor het exploiteren
                            van een landschapscamping. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college verleent slechts een vergunning als bedoeld in het eerste
                            lid indien:</al><lijst><li nr="a."><al>de aanvraag voldoet aan de criteria ten aanzien van
                                    landschapscampings zoals bepaald in het bestemmingsplan
                                    Buitengebied en</al></li><li nr="b."><al>er sprake is van een goede landschappelijke inpassing die
                                    voldoet aan de in het bestemmingsplan Buitengebied vastgelegde
                                    eisen, en</al></li><li nr="c."><al>twee bufferputten zijn aangelegd met een capaciteit van ieder
                                    tenminste 2 m³, en</al></li><li nr="d."><al>door verlening van de vergunning het in het tweede lid genoemde
                                    aantal niet wordt overschreden, en </al></li><li nr="e."><al>indien aan de aanvrager reeds een vergunning is verleend als
                                    bedoeld in artikel 2, eerste lid, deze wordt ingetrokken op het
                                    moment van feitelijke ingebruikname van de landschapscamping.
                                </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college beslist op een aanvraag binnen acht weken na ontvangst van
                            de aanvraag. Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht is niet
                            van toepassing.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De aanvraag wordt aangehouden vanaf het moment dat het college besluit
                            toepassing te geven aan de bevoegdheid als bedoeld in artikel 3.6,
                            eerste lid, onder a van de Wet ruimtelijke ordening, tot het moment dat
                            besloten is het bestemmingsplan te wijzigen, of, indien zodanige
                            wijziging is geweigerd, binnen 6 weken na de weigering geen beroep is
                            ingesteld dan wel, indien zodanig beroep wel is ingesteld, tegen het
                            besluit tot weigering tevens een verzoek om voorlopige voorziening is
                            ingesteld en dat verzoek is afgewezen.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Artikel 2, vijfde tot en met elfde lid, is van overeenkomstige
                            toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>– Kamperen op landschapscampings</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden op een standplaats op een landschapscamping een vast
                            kampeermiddel te plaatsen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Artikel 3, eerste, derde en zesde lid, is van overeenkomstige
                            toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>– Kamperen in het kader van een evenement</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan van het verbod gesteld in artikel 2, eerste lid, en
                            artikel 4, eerste lid, van de verordening ontheffing verlenen tot het
                            plaatsen en gebruiken van kampeermiddelen, indien sprake is van een
                            evenement zoals bedoeld in artikel 2:24 van de Algemene Plaatselijke
                            Verordening, gedurende een in de ontheffing aangegeven, aaneengesloten
                            periode.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan aan een ontheffing als bedoeld in het eerste lid
                            voorschriften en nadere eisen verbinden.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>– Overdraagbaarheid</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan de tenaamstelling van een vergunning wijzigen met
                            toepassing van de in en krachtens dit artikel gestelde regels.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voor het wijzigen van de tenaamstelling van een vergunning als bedoeld
                            in artikel 2, eerste lid, en artikel 4, eerste lid, dient de
                            vergunninghouder tenminste twee maanden voor de beoogde wijziging bij
                            het college een verzoek in, onder vermelding van de bij nadere regels en
                            beleidsregels aangegeven gegevens.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college beslist binnen acht weken na ontvangst van het verzoek.
                            Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht is niet van
                            toepassing.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college wijzigt de tenaamstelling van een vergunning, indien de
                            nieuwe vergunninghouder voldoet aan dezelfde voorschriften en nadere
                            eisen als bedoeld in artikel 2, tweede lid, onderdelen c, d en e en
                            artikel 4, derde lid. </al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Wijziging van de tenaamstelling van een vergunning als bedoeld in het
                            tweede lid vindt slechts plaats aan de eigenaar van de woning, welke
                            volgens het bestemmingsplan Buitengebied aanwezig is op en behoort bij
                            het (voormalig) agrarisch bouwvlak. Artikel 2, negende tot en met elfde
                            lid, is van overeenkomstige toepassing.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Bij wijziging van de tenaamstelling van een vergunning die is verleend
                            voor de inwerkingtreding van de Kampeerverordening 2013 mogen de op dat
                            moment bestaande afwijkingen ten opzichte van de eisen als gesteld in en
                            krachtens artikel 2 en artikel 4 van deze verordening niet worden
                            vergroot. De aanvrager moet dit aantonen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>– Intrekken of opschorten van de vergunning.</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan de onder artikel 2, eerste lid, artikel 4, eerste lid en
                            artikel 6, eerste lid bedoelde vergunning of ontheffing intrekken of de
                            werking ervan tijdelijk geheel of gedeeltelijk opschorten, indien:</al><lijst><li nr="a."><al>de voorschriften of nadere eisen waaronder de vergunning of
                                    ontheffing is verleend niet worden nageleefd, of </al></li><li nr="b."><al>in het geval van een na inwerkingtreding van deze verordening
                                    verleende vergunning, niet wordt voldaan aan de criteria als
                                    bedoeld in artikel 2, 3, 4 of 5, of</al></li><li nr="c."><al>de exploitatie van een kleinschalig kampeerterrein of
                                    landschapscamping gedurende tenminste twee achtereenvolgende
                                    kampeerseizoenen is gestaakt, of</al></li><li nr="d."><al>de vergunninghouder of diens rechtsopvolger hierom
                                    verzoekt.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een besluit tot intrekking op grond van het eerste lid treedt, behoudens
                            bij intrekking op verzoek, niet eerder in werking dan met ingang van het
                            jaar, volgend op het jaar waarin het besluit is genomen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het tweede lid is niet van toepassing indien sprake is van een situatie
                            waarbij de veiligheid in het geding is.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>– Nadere regels en beleidsregels</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan nadere regels en beleidsregels vaststellen voor:</al><lijst><li nr="a."><al>het aanvragen van een kampeervergunning op grond artikel 2 en 4;
                                </al></li><li nr="b."><al>het aanvragen van een ontheffing op grond van artikel 6;</al></li><li nr="c."><al>het wijzigen van de tenaamstelling van een vergunning op grond
                                    van artikel 7;</al></li><li nr="d."><al>het intrekken of opschorten van een vergunning op grond van
                                    artikel 8.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan de eisen die worden gesteld aan de verdeling en
                            toekenning van vergunningen vastleggen in nadere regels en
                            beleidsregels.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college kan een formulier vaststellen voor de aanvragen, bedoeld in
                            het eerste lid onder a, b en c.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>- Boetebepalingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan wegens overtreding van artikel 3 de houder van een
                            kampeervergunning een bestuurlijke boete opleggen van maximaal € 250,-
                            per dag.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan wegens overschrijding van het aantal op grond van de
                            kampeervergunning toegestane kampeermiddelen een bestuurlijke boete
                            opleggen van maximaal € 250,- per kampeermiddel per dag.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college kan voor de toepassing van het eerste en tweede lid
                            beleidsregels vaststellen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>– Strafbepalingen en toezicht</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Overtreding van het bij of krachtens deze verordening bepaalde wordt
                            gestraft met hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van de
                            tweede categorie en kan bovendien worden gestraft met openbaarmaking van
                            de rechterlijke uitspraak.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze
                            verordening zijn, naast de in artikel 141 van het Wetboek van
                            Strafvordering genoemde opsporingsambtenaren, belast: de als
                            buitengewoon opsporingsambtenaar beëdigde ambtenaren.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Voorts zijn met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of
                            krachtens deze verordening belast de bij besluit van het college aan te
                            wijzen personen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>- Overgangsbepalingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Kampeervergunningen en kampeerontheffingen voor het exploiteren van een
                            kleinschalig kampeerterrein, verleend voor het tijdstip van
                            inwerkingtreding van de Kampeerverordening 2013 gelden als
                            kampeervergunning in de zin van artikel 2, eerste lid, voor zover de op
                            het moment van inwerkingtreding van deze verordening bestaande afwijking
                            ten opzichte van de eisen als gesteld in artikel 2 niet wordt
                            vergroot.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Vergunningen voor het exploiteren van een landschapscamping, verleend
                            vóór het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening, gelden als
                            vergunning in de zin van artikel 4, eerste lid, voor zover de op het
                            moment van inwerkingtreding van deze verordening bestaande afwijking ten
                            opzichte van de eisen als gesteld in artikel 4 niet wordt vergroot.
                            Artikel 8 is van overeenkomstige toepassing. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Kampeervergunningen en vergunningen voor het exploiteren van een
                            landschapscamping verleend met toepassing van de Kampeerverordening 2013
                            gelden als een vergunning verleend overeenkomstig deze
                                verordening<cursief>.</cursief></al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Aanvragen voor kampeervergunningen en kampeerontheffingen voor het
                            exploiteren van een kleinschalig kampeerterrein, welke met toepassing
                            van de Kampeerverordening 2013 niet rechtsgeldig konden worden verleend
                            als gevolg van vernietiging van delen van het Bestemmingsplan
                            buitengebied, zoals vastgesteld op 30 mei 2013, worden behandeld als
                            aanvragen, gedaan voor de toepassing van deze verordening. </al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Vergunningen of anderszins door het bevoegd gezag gegeven toestemmingen
                            voor andere vormen van kamperen bij (voormalige) agrarische bedrijven,
                            die niet vallen onder het eerste en tweede lid van dit artikel, blijven
                            van kracht onder de voorwaarden en nadere eisen waaronder deze zijn
                            verleend. Artikel 8 is van overeenkomstige toepassing. </al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Vergunningen als bedoeld in het eerste, tweede en vijfde lid worden
                            geacht voor onbepaalde tijd te zijn verleend.</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>Voorschriften en nadere eisen verbonden aan een tijdelijk verleende
                            vergunning of toestemming als bedoeld in het eerste tot en met derde lid
                            blijven van kracht gedurende de looptijd van de vergunning of
                            toestemming. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>- Intrekking</titel></kop><al>De Kampeerverordening 2013 wordt ingetrokken met ingang van de datum,
                        bedoeld in artikel 14.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>- Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening treedt in werking met ingang van de dag na haar
                        bekendmaking.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15</nr><titel>- Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Kampeerverordening 2015. </al></artikel></regeling-tekst><regeling-sluiting><slotformulering><al>Aldus vastgesteld door de raad van Veere op 11 juni 2015.</al></slotformulering><ondertekening>De voorzitter,</ondertekening><ondertekening>drs. R.J. van der Zwaag</ondertekening><ondertekening>De griffier,</ondertekening><ondertekening>mr. J.C. Waverijn</ondertekening></regeling-sluiting><bijlage><kop><titel>Bijlage Nadere regels en beleidsregels</titel></kop><tussenkop>met betrekking tot het in behandeling nemen, de verdeling, intrekking en
                    overdracht van vergunningen als bedoeld in de Kampeerverordening
                    2015</tussenkop><tussenkop>Artikel 1 – De aanvraag</tussenkop><tussenkop>Artikel 1 – De aanvraag</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>De aanvraag tot verkrijging van een vergunning als bedoeld in artikel 2,
                            eerste lid, en artikel 4, eerste lid, van de verordening wordt gedaan op
                            een vastgesteld aanvraagformulier en gaat vergezeld van:</al><lijst><li nr="a."><al>een situatietekening in tweevoud, op een schaal van tenminste
                                    1:1000, waarop, voor zover van toepassing, is aangegeven:</al><lijst><li nr="1."><al>een kadastrale omschrijving van het perceel;</al></li><li nr="2."><al>de oppervlakte van het kampeerterrein;</al></li><li nr="3."><al>de plaats van de bestaande en op te richten gebouwen en
                                            hun functies;</al></li><li nr="4."><al>de aanwezige en aan te brengen randbeplanting en het
                                            assortiment waaruit de randbeplanting bestaat rekening
                                            houdend met de Leidraad landschappelijke inpassing
                                            “Samenwerken aan een mooier landschap’;</al></li><li nr="5."><al>de ontsluiting van het kampeerterrein en het verloop van
                                            de wegen en de paden op het kampeerterrein;</al></li><li nr="6."><al>de aanwezige en te realiseren parkeervoorzieningen
                                            rekening houdend met de CROW kencijfers parkeren en
                                            verkeersgeneratie;</al></li><li nr="7."><al>de kavelbegrenzing en situering van standplaatsen voor
                                            vaste en andere kampeermiddelen, alsmede de locatie van
                                            eventueel aanwezige overige recreatieverblijven;</al></li><li nr="8."><al>de aanwezige en te realiseren voorzieningen ter
                                            bestrijding van brand;</al></li><li nr="9."><al>de plaats van de aan te brengen bufferput;</al></li></lijst></li><li nr="b."><al>een situatietekening in tweevoud, op een schaal van tenminste
                                    1:2500, waarop is aangegeven: </al><lijst><li nr="1."><al>de ligging van het kadastrale perceel ten opzichte van
                                            omringende kadastrale percelen en de openbare weg;</al></li><li nr="2."><al>de kortste afstand tussen het (te realiseren)
                                            kampeerterrein/ landschapscamping en de als “Wonen”
                                            bestemde gronden;</al></li><li nr="3."><al>de ligging van direct naast het perceel gelegen
                                            bestaande kleinschalige kampeerterreinen;</al></li><li nr="4."><al>de ligging van de op grond van artikel 2 lid 2 sub a en
                                            b vereiste als agrarisch bestemde gronden aansluitende
                                            aan het agrarisch bouwvlak;</al></li></lijst></li><li nr="c."><al>indien van toepassing moet het volgende aangeleverd worden: </al><lijst><li nr="1."><al>pachtovereenkomst(en); </al></li><li nr="2."><al>vereveningsplan met bijbehorende tekeningen;</al></li></lijst></li></lijst></li><li nr="2."><al>Het college kan aan de indiening van de aanvraag aanvullende eisen
                            stellen.</al></li></lijst><tussenkop>Artikel 2 – De procedure voor kleinschalige kampeerterreinen </tussenkop><lijst><li nr="1."><al>Aanvragen worden op volgorde van de datum van ontvangst in behandeling
                            genomen. Als datum van ontvangst geldt de datum van indiening van een
                            ontvankelijke aanvraag. De aanvraag is ontvankelijk na volledige
                            ontvangst van hetgeen vermeldt in artikel 1.</al></li><li nr="2."><al>Bij indiening op dezelfde datum wordt de volgorde door loting bepaald.
                        </al></li><li nr="3."><al>De loting wordt uitgevoerd door de portefeuillehouder Recreatie en
                            Toerisme Aanvragers worden schriftelijk uitgenodigd om bij de loting
                            aanwezig te zijn.</al></li><li nr="4."><al>De aanvrager wordt gedurende een termijn van 4 weken in de gelegenheid
                            gesteld zienswijzen in te dienen tegen een voornemen tot weigering.</al></li><li nr="5."><al>Van besluiten tot verlening of weigering van een kampeervergunning wordt
                            kennis gegeven door publicatie in de het Gemeenschappelijke voorziening
                            officiële publicaties (GVOP).</al></li></lijst><tussenkop>Artikel 3 – De vaststelling van het aantal uit te geven standplaatsen </tussenkop><lijst><li nr="1."><al>Het college houdt doorlopend een register bij en publiceert jaarlijks
                            met het oog op het nieuwe kampeerseizoen voor 1 maart het register met
                            daarin opgenomen de volgende gegevens: </al><lijst><li nr="a."><al>de verleende vergunningen per adres; </al></li><li nr="b."><al>het aantal standplaatsen per vergunning;</al></li><li nr="c."><al>het totaal aantal vergunde en nog uit te geven
                                    standplaatsen;</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Het in het eerste lid bedoelde register en een overzicht van de
                            aangehouden aanvragen kampeervergunning wordt gepubliceerd in het
                            Gemeenschappelijke voorziening officiële publicaties (GVOP).</al></li><li nr="3."><al>Aan de bekendmaking als bedoeld in het tweede lid kunnen geen rechten
                            worden ontleend.</al></li><li nr="4."><al>Doorhaling in het register vindt niet plaats bij een tijdelijke
                            intrekking van een vergunning.</al></li><li nr="5."><al>Indien een vergunning zoals bedoeld in artikel 2, vijfde lid, van de
                            verordening voorbepaalde tijd is verleend en na het verstrijken van de
                            termijn niet aan de voorwaarden is voldaan, vindt doorhaling in het
                            register niet eerder plaats dan een jaar na afloop van die termijn.
                        </al></li><li nr="6."><al>Indien een kampeervergunning op grond van artikel 2, tweede lid, onder e
                            van de verordening niet kan worden verleend, wordt de aanvraag
                            aangehouden. Artikel 2, eerste lid van deze regels, is van
                            overeenkomstige toepassing op de lijst met aanhoudingen.</al></li></lijst><tussenkop>Artikel 4 – De procedure voor landschapscampings </tussenkop><lijst><li nr="1."><al>Aanvragen worden op volgorde van de datum van ontvangst in behandeling
                            genomen. Als datum van ontvangst geldt de datum van indiening van een
                            ontvankelijke aanvraag. De aanvraag is ontvankelijk na volledige
                            ontvangst van hetgeen vermeldt in artikel 1.</al></li><li nr="2."><al>Bij indiening op dezelfde datum wordt de volgorde door loting bepaald.
                            Artikel 2, derde lid, is van overeenkomstige toepassing. </al></li><li nr="3."><al>Indien er geen reden is de aanvraag te weigeren en het aantal op grond
                            van het eerste tot en met het tweede lid van deze regels in behandeling
                            genomen aanvragen ten opzichte van het aantal op grond van artikel 4,
                            tweede lid, van de verordening nog te verlenen vergunningen gelijk of
                            hoger is, wordt de beslissing op de aanvraag aangehouden tot het moment
                            op de hiervoor bedoelde aanvragen is beslist. </al></li><li nr="4."><al>Het college informeert bij de ontvangst van de aanvraag iedere aanvrager
                            over het aantal nog te verlenen vergunningen, de status van de aanvraag
                            en de plaats op de lijst met in behandeling genomen aanvragen, alsmede
                            of sprake is van aanhouding.</al></li></lijst><tussenkop>Artikel 5 – Overdracht van vergunningen</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>De aanvraag tot wijzigingen van de tenaamstelling van een vergunning als
                            bedoeld in artikel 7 van de verordening wordt gedaan op een vastgesteld
                            aanvraagformulier en gaat vergezeld van:</al><lijst><li nr="a."><al>een situatietekening in tweevoud, op een schaal van tenminste
                                    1:1000, waarop, voor zover van toepassing, is aangegeven:</al><lijst><li nr="1."><al>een kadastrale omschrijving van het perceel;</al></li><li nr="2."><al>de oppervlakte van het kampeerterrein;</al></li><li nr="3."><al>de plaats van de gebouwen ten behoeve van het
                                            kleinschalig kamperen;</al></li><li nr="4."><al>de aanwezige randbeplanting, het assortiment waaruit de
                                            randbeplanting bestaat en de goedkeuring van de
                                            aanwezige randbeplanting;</al></li><li nr="5."><al>de ontsluiting van het kampeerterrein en het verloop van
                                            de wegen en de paden op het kampeerterrein;</al></li><li nr="6."><al>de aanwezige parkeervoorzieningen</al></li><li nr="7."><al>de kavelbegrenzing en situering van standplaatsen voor
                                            vaste en andere kampeermiddelen, alsmede de locatie van
                                            eventueel aanwezige overige recreatieverblijven;</al></li><li nr="8."><al>de aanwezige voorzieningen ter bestrijding van
                                            brand;</al></li><li nr="9."><al>aanduiding van de plaats van de bufferput(ten) of
                                            rechtstreekse aansluiting op riolering. </al></li></lijst></li><li nr="b."><al>een situatietekening in tweevoud, op een schaal van tenminste
                                    1:2500, waarop is aangegeven: </al><lijst><li nr="1."><al>de ligging van het kadastrale perceel ten opzichte van
                                            omringende kadastrale percelen en de openbare weg;</al></li><li nr="2."><al>de kortste afstand tussen het
                                            kampeerterrein/landschapscamping en de als “Wonen”
                                            bestemde gronden;</al></li><li nr="3."><al>de ligging van direct naast het perceel gelegen
                                            bestaande kleinschalige
                                            kampeerterreinen/landschapscamping;</al></li></lijst></li><li nr="c."><al>indien van toepassing moet het volgende aangeleverd worden: </al><lijst><li nr="1."><al>aantal en soort permanente kampeermiddelen;</al></li><li nr="2."><al>pachtovereenkomst(en); </al></li><li nr="3."><al>vereveningsplan met bijbehorende tekeningen en
                                            goedkeuring van de verevening;</al></li></lijst></li></lijst></li><li nr="2."><al>Het college kan aan de indiening van de aanvraag aanvullende eisen
                            stellen.</al></li></lijst><tussenkop>Artikel 6 – Intrekken van vergunningen</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>Van de bevoegdheid tot intrekking op grond van artikel 8, eerste lid,
                            onder a, van de verordening wordt in beginsel slechts gebruik gemaakt
                            indien sprake is van een voortdurende en ernstige overtreding van de
                            voorschriften waaraan de vergunning is gebonden.</al></li><li nr="2."><al>Van een staking van de exploitatie als bedoeld in artikel 8, eerste lid
                            onder b, van de verordening wordt geacht sprake te zijn, indien
                            gedurende twee achtereenvolgende jaren geen toeristenbelasting is
                            afgedragen. In dat geval wordt de vergunning geheel ingetrokken.</al></li><li nr="3."><al>Een vergunning kan worden ingetrokken of tijdelijk geheel dan wel
                            gedeeltelijk worden opgeschort als in een jaar tenminste drie maal een
                            boete is opgelegd als bedoeld in artikel 10, tweede lid van de
                            verordening en overschrijding van het maximale aantal toegestane
                            kampeermiddelen niettemin voortduurt. De duur van de tijdelijke
                            intrekking wordt gerelateerd aan aard en ernst van de overtreding.</al></li><li nr="4."><al>De vergunninghouder wordt gedurende een termijn van 4 weken in de
                            gelegenheid gesteld zienswijzen in te dienen tegen het voornemen tot
                            intrekking.</al></li></lijst><tussenkop>Artikel 7 - Inwerkingtreding</tussenkop><al>Deze nadere regels en beleidsregels treden in werking tegelijk met de
                    Kampeerverordening 2015. </al><al>Domburg, 12 mei 2015</al><al>Burgemeester en wethouders van Veere,</al><al>de secretaris, de burgemeester,</al><al>J.F.M. Steinbusch drs. R.J. van der Zwaag </al></bijlage><bijlage><kop><titel>Bijlage Kampeerverordening 2015– Toelichting </titel></kop><tussenkop>Algemeen</tussenkop><al>De uitgangspunten van het kampeerbeleid zijn neergelegd in de kadernotitie
                    ‘kleinschalig kamperen Veere 2012-2017’, welke door de gemeenteraad op 15
                    december 2011 is vastgesteld. Voor wat betreft het doel en de noodzaak van deze
                    verordening volgt dit dan ook primair uit de kadernotitie en de bijbehorende
                    nota van toelichting. De kadernotitie is daarom als bijlage aan deze toelichting
                    gehecht. </al><al>De Kampeerverordening vormt samen met het bestemmingsplan Buitengebied de
                    juridische uitwerking van de beleidsuitgangspunten uit de kadernotitie. Het
                    bestemmingsplan Buitengebied regelt de ruimtelijk relevante aspecten van het
                    kampeerbeleid. Voor een uitwerking van deze aspecten wordt op deze plaats dan
                    ook verwezen naar het bestemmingsplan Buitengebied. De ruimtelijke criteria
                    waaronder de vestiging en de exploitatie van een kleinschalig kampeerterrein en
                    een landschapscamping wordt toegestaan, vormen een limitatieve toetsingsgrond
                    bij de beoordeling van een aanvraag ter verkrijging van een vergunning op grond
                    van de kampeerverordening (zie hiertoe de toelichting bij artikel 2, tweede lid
                    en artikel 4, derde lid).</al><al>Het doel van deze verordening is niet alleen om de niet planologische
                    beleidsuitgangspunten van het kleinschalig kamperen juridisch te borgen, maar
                    tevens om te komen tot deregulering en administratieve lastenverlichting. Het
                    onderscheid tussen regulier kamperen en het kleinschalig kampeerproduct blijft
                    daarbij gehandhaafd. Daarnaast is een toename van het aantal standplaatsen
                    gezien de krimpende kampeermarkt ongewenst, aangezien een (ongelimiteerde)
                    toename van het aanbod tot een kwalitatieve verschraling kan leiden.</al><al>Het is echter niet alleen een krimpende kampeermarkt die leidt tot de noodzaak
                    om het kleinschalig kamperen en de landschapscampings te quoteren. Ook het
                    argument van een goede ruimtelijke ordening speelt hierbij een belangrijke rol.
                    Vanwege het behoud en de bescherming van het kwetsbare landschap, dat immers het
                    belangrijkste kapitaal vormt van de gemeente Veere, is beperking van het aantal
                    kleinschalige kampeerterreinen aangewezen. Daarnaast is een overconcentratie van
                    kleinschalige kampeerterreinen in een bepaald gebied met het oog op het
                    landschappelijk draagvlak en de mobiliteit ongewenst. Bovendien wordt met
                    quotering invulling gegeven aan de Structuurvisie Veere 2025 en het provinciale
                    Omgevingsplan 2012-2018, waarin naar consolidering van het aantal bestaande
                    kampeerplaatsen gestreefd wordt. Het bestemmingsplan Buitengebied geeft de
                    ruimtelijke criteria aan, waaraan aanvragen om een kampeervergunning worden
                    getoetst. </al><al>De gemeenteraad heeft gelet op de hiervoor genoemde argumenten een bovengrens
                    vastgesteld ten aanzien van het totaal aantal standplaatsen binnen het
                    grondgebied van de gemeente. Die bovengrens kan alleen worden gehandhaafd via
                    een stelsel van kampeervergunningen voor kleinschalige kampeerterreinen. Ten
                    aanzien van landschapscampings geldt een soortgelijk vergunningenstelsel, met
                    dien verstande dat alleen een limiet is gesteld aan het aantal uit te geven
                    vergunningen. Binnen de door de gemeenteraad vastgestelde kaders wordt de
                    kampeerondernemer vervolgens zoveel mogelijk vrijheid van ondernemen
                    geboden.</al><al>Deze verordening heeft als onderwerp het kamperen buiten de in het
                    bestemmingsplan als zodanig bestemde reguliere kampeerterreinen. De verordening
                    heeft geen betrekking op het kamperen op de openbare weg of bij de eigen woning,
                    aangezien op beide gevallen (het nieuwe) artikel 4:18 van de Algemene
                    Plaatselijke Verordening van toepassing is. De Verordening kleinschalig kamperen
                    Veere 2008 bevatte met betrekking tot dit onderwerp nog wel een bepaling. De
                    betreffende bepaling is in de Kampeerverordening 2013 komen te vervallen.</al><al>De Kampeerverordening 2013 kende een zorgvuldig voorbereidingstraject. De
                    Verordening kleinschalig kamperen gemeente Veere 2008 is begin 2011 geëvalueerd
                    met onder meer een representatieve vertegenwoordiging van de kampeerondernemers
                    en andere direct betrokken instanties. Naar aanleiding van deze evaluatie is de
                    Kadernotitie kleinschalig kamperen Veere 2012-2017 op 15 december 2011 door de
                    gemeenteraad vastgesteld. Ter uitwerking van de kadernotitie is een concept
                    Kampeerverordening opgesteld, die conform de Inspraakverordening ter inzage
                    heeft gelegen van 15 november 2012 tot en met 27 december 2012. Tijdens de
                    inspraakperiode is met de kampeersector als aanvulling op de terinzagelegging de
                    concept kampeerverordening doorgesproken in een nader overleg. De ontvangen
                    inspraakreacties, voor zover zij betrekking hebben op de Kampeerverordening als
                    zodanig, zijn verwerkt in de nota van zienswijzen, welke als bijlage bij de
                    toelichting Kampeerverordening 2013 was gevoegd. </al><al>Bij het opstellen van deze kampeerverordening is, zoals ook bij de opstelling
                    van de Kampeerverordening 2013, een extern juridisch deskundige op het gebied
                    van wetgevingstechniek geconsulteerd, de heer mr. W.E.H. Sloots.</al><tussenkop>Artikelsgewijs</tussenkop><al>Hieronder wordt voor zover noodzakelijk de verordening per artikel(lid)
                    toegelicht.</al><tussenkop>Artikel 1</tussenkop><al>Helder omschreven begripsbepalingen zijn van groot belang voor de
                    handhaafbaarheid van de verordening. Daarnaast zorgen ze voor homogeniteit in de
                    tekst. Het bestemmingsplan Buitengebied bevat gelijkluidende definities.</al><tussenkop>Vierde lid</tussenkop><al>Er is voor gekozen het begrip ‘stacaravan’ niet meer afzonderlijk te
                    omschrijven. In plaats daarvan wordt gewerkt met het begrip ‘kampeermiddel’. In
                    de praktijk wordt steeds vaker gebruik gemaakt van alternatieve recreatieve
                    onderkomens, zoals lodges, boerenbedtenten, tipi’s etc. Deze kampeermiddelen
                    onderscheiden zich van vaste kampeermiddelen doordat zij buiten het
                    kampeerseizoen van het kampeerterrein (moeten) zijn verwijderd. </al><tussenkop>Vijfde lid</tussenkop><al>Vaste kampeermiddelen zijn door hun locatiegebonden en permanente karakter
                    vrijwel zonder uitzondering aan te duiden als bouwwerk. Op grond van artikel 3,
                    tweede lid van bijlage II behorend bij het Besluit omgevingsrecht kunnen
                    dergelijke bouwwerken zonder omgevingsvergunning geplaatst worden, mits sprake
                    is van gebruik voor recreatief nachtverblijf. Als recreatief nachtverblijf geldt
                    het gebruik van kampeermiddelen door personen die hun hoofdverblijf elders
                    hebben. Vaste kampeermiddelen mogen buiten het kampeerseizoen op het
                    kampeerterrein blijven staan. Via het verbod op winterkamperen (kamperen buiten
                    het kampeerseizoen) wordt het gebruik ten behoeve van recreatief nachtverblijf
                    gewaarborgd. </al><tussenkop>Zevende lid</tussenkop><al>Voor iedere uitbreiding van een kleinschalig kampeerterrein is ongeacht het
                    aantal standplaatsen waarop de uitbreiding betrekking heeft een vergunning nodig
                    op grond van artikel 2, eerste lid van de kampeerverordening. Dit biedt de
                    nodige flexibiliteit ten opzichte van de verordening zoals gold tot de
                    Kampeerverordening 2013, waarin alleen was voorzien in een uitbreiding van 15
                    naar 25 standplaatsen. Daarnaast valt door deze definitie ook nieuwvestiging van
                    een kleinschalig kampeerterrein onder uitbreiding, en dus onder (dezelfde)
                    vergunningplicht. Uit deze definitie volgt bovendien (gelet op de samenhang met
                    het eerste lid), dat nieuwvestiging mogelijk is tot en met 25 standplaatsen
                    ineens.</al><tussenkop>Artikel 2</tussenkop><al>Artikel 2 roept een vergunningplicht in het leven voor kleinschalige
                    kampeerterreinen. Deze vergunningplicht is om twee redenen noodzakelijk. In de
                    eerste plaats kan langs deze weg toezicht en handhaving worden uitgeoefend op de
                    (wijze van) exploitatie van kleinschalige kampeerterreinen. In de tweede plaats
                    kan door het stellen van de vergunningplicht controle worden uitgeoefend op het
                    maximaal aantal standplaatsen binnen de gemeente, zoals vastgesteld door de
                    gemeenteraad. De vergunningplicht ziet zowel op de exploitatie als de
                    uitbreiding van kleinschalige kampeerterreinen. Onder uitbreiding wordt, gelet
                    op artikel 1, zevende lid, ook nieuwvestiging verstaan. Nu het op grond van het
                    bestemmingsplan Buitengebied mogelijk is om zonder meer een kleinschalig
                    kampeerterrein van maximaal 25 standplaatsen te exploiteren (mits wordt voldaan
                    aan de bestemmingsplanvoorschriften), is er niet langer een noodzaak om een
                    ontheffingenstelsel in het leven te roepen voor de uitbreiding van kleinschalige
                    kampeerterreinen. In plaats daarvan kan volstaan worden met de vergunningplicht
                    als bedoeld in het eerste lid.</al><tussenkop>Eerste lid</tussenkop><al>De technische aspecten van de vergunningprocedure worden geregeld in de door het
                    college vast te stellen nadere regels en beleidsregels, die ingevolge artikel 9
                    kunnen worden gesteld. Dit komt de overzichtelijkheid en de leesbaarheid van de
                    verordening ten goede. De verordening is immers niet de plaats om aspecten met
                    betrekking tot de procedure en de uitvoering te regelen. In de tweede plaats kan
                    een bijstelling of aanvulling van deze nadere regels, welke op zeker moment als
                    gevolg van voortschrijdend inzicht noodzakelijk kan worden geacht, op die manier
                    eenvoudiger en sneller worden doorgevoerd. Dit neemt niet weg dat ook (de
                    wijziging van) deze nadere regels moeten voldoen aan de algemene beginselen van
                    behoorlijk bestuur.</al><tussenkop>Tweede lid</tussenkop><al>In het bestemmingsplan Buitengebied zijn de ruimtelijke randvoorwaarden
                    vastgelegd waaraan moet worden voldaan om in aanmerking te komen voor een
                    kampeervergunning op grond van de verordening. De toetsing aan het eerste
                    criterium vindt dus plaats via het bestemmingsplan.</al><al>Voor wat betreft het tweede criterium, neergelegd in onderdeel b, geldt dat
                    hierin uitdrukkelijk is vastgelegd dat de aanvrager van een kampeervergunning
                    eigenaar dient te zijn van agrarische grond of de grond in langjarige pacht
                    heeft, welke grond aan dient te sluiten aan het agrarisch bouwvlak. Hiermee
                    wordt gewaarborgd dat de aanvrager op het moment van toetsing zeggenschap heeft
                    en houdt over het gebruik van die gronden en wordt voorkomen dat kleinschalige
                    kampeerterreinen te dicht in de buurt van andere bestemmingen of ontwikkelingen
                    komen te liggen. Onder langjarige pacht wordt verstaan een pachtovereenkomst die
                    is aangegaan voor een pachtperiode van tenminste 5 jaar. </al><al>Onderdeel c schrijft voor dat sprake is van een landschappelijke inpassing die
                    voldoet aan de in het bestemmingsplan Buitengebied vastgelegde eisen. Nu er op
                    grond van het bestemmingsplan voor uitbreiding van het kampeerterrein geen
                    nadere ruimtelijke besluitvorming vereist is, dient de voorwaarde van een
                    adequate landschappelijke inpassing alsmede de eisen waaraan die inpassing dient
                    te voldoen te worden afgedwongen langs de weg van de Kampeerverordening, onder
                    verwijzing naar de desbetreffende planvoorschriften.</al><al>Onderdeel d regelt de verplichte aanleg van een buffercapaciteit voor alle
                    aanvragers van een kampeervergunning. Ter voorkoming van overbelasting van het
                    lokale rioolstelsel nu en in de toekomst is de tijdelijke opvang van afvalwater
                    op het eigen terrein noodzakelijk. Op het moment dat er weinig aanbod is van
                    afvalwater, zoals in de nachtelijke uren, zal geloosd kunnen worden op het
                    lokale rioolstelsel. Het betreft hier een voortzetting van de bestaande praktijk
                    ten aanzien van de (verplichte) aanleg van een bufferput. Een uitzondering wordt
                    gemaakt voor situaties waarin sprake is van een rechtstreekse aansluiting op de
                    openbare riolering.</al><al>Ten aanzien van het laatste criterium, neergelegd in onderdeel e, geldt dat de
                    aanvraag kampeervergunning op grond van het derde lid eveneens wordt geweigerd
                    als honorering van de aanvraag tot een hoger aantal standplaatsen op
                    kleinschalige kampeerterreinen zou leiden dan de door de raad vastgestelde
                    bovengrens van 3.015. In de van deze toelichting deel uitmakende bijlage is het
                    aantal op het moment van vaststelling van de verordening (al dan niet tijdelijk)
                    vergunde standplaatsen op kleinschalige kampeerterreinen weergegeven. De
                    standplaatsen op landschapscampings maken hiervan geen deel uit.</al><al>Ondanks de krimpende kampeermarkt blijft er - gezien de unieke geografische
                    ligging en toeristische positie van de gemeente Veere en de hiervoor genoemde
                    planologische argumenten - vanuit juridisch en beleidsmatig oogpunt een behoefte
                    bestaan aan een instrument om een ongebreidelde toename van het aantal
                    standplaatsen te voorkomen. Om die reden is het stellen van een bovengrens aan
                    het totaal aantal standplaatsen in de gemeente Veere noodzakelijk. Er worden
                    daardoor geen nieuwe standplaatsen toegevoegd aan het totaal van het op dit
                    moment toegestane standplaatsen op kleinschalige kampeerterreinen. Hiermee wordt
                    concreet uitvoering gegeven aan het Omgevingsplan Zeeland 2012-2018, dat
                    eveneens uitgaat van een maximering van het huidige aantal standplaatsen. De
                    bovengrens is gesteld op het overeenkomstig de Verordening kleinschalig kamperen
                    2008 aantal theoretisch uit te geven standplaatsen. De bovengrens wordt daarmee
                    vastgesteld op 171 x 15 + 450 (45 uitbreiders x 10 standplaatsen) = 3.015
                    standplaatsen. Uit de overzichtslijst blijkt dat er op het moment van
                    vaststellen van de actuele kampeerverordening 161 kampeervergunningen zijn
                    verleend met in totaal 2904 standplaatsen.</al><al>Ten behoeve van een transparante besluitvorming dient vanzelfsprekend inzicht te
                    bestaan in de ‘voorraad’ nog uit te geven standplaatsen. Tijdens de behandeling
                    van de kadernotitie is door de gemeenteraad bovendien nadrukkelijk de wens geuit
                    dat handel in kampeervergunningen moet worden voorkomen. De kans dat zonder
                    aanvullende bepalingen een dergelijke handel gaat ontstaan is immers aanwezig,
                    nu het stellen van een bovengrens aan het aantal te vergunnen standplaatsen tot
                    schaarste kan leiden. </al><al>Naast een bovengrens aan het aantal uit te geven standplaatsen, wordt ter
                    voorkoming van een versnippering en ongebreidelde toename van het aantal
                    minicampings als zodanig ook een bovengrens aan het aantal uit te geven
                    kampeervergunningen gesteld. Nu het aantal uit te geven standplaatsen is
                    gerelateerd aan het aantal op grond van de eerdere verordening uit te geven
                    standplaatsen, geldt dit ook voor het aantal kampeervergunningen. Om die reden
                    is onder overname van het quotum uit de Verordening kleinschalig kamperen 2008
                    het maximaal aantal kampeervergunningen op 171 gesteld. </al><al>Indien sprake is van één van de weigeringsgronden als vermeld in het tweede lid,
                    wordt de kampeervergunning geweigerd. Dit neemt niet weg dat de
                    kampeervergunning onder voorwaarden kan worden verleend (zie het vijfde lid).
                    Uitzondering op het stelsel van weigeringsgronden in het tweede lid, betreft de
                    situatie waarin het besluit tot intrekking van de kampeervergunning (op
                    initiatief van het college) later wordt herroepen. Met de mogelijkheid van
                    herroeping van een belastend besluit dient immers altijd rekening te worden
                    gehouden. Herstel van de gevolgen van het intrekkingsbesluit (het vervallen van
                    de vergunde standplaatsen) is niet mogelijk als de weigeringsgrond van artikel
                    2, tweede lid, onder e, onverkort op die situatie van toepassing zou zijn. Dat
                    is onwenselijk en in strijd met de beoogde werking van een herstelbesluit. In de
                    door het college vastgestelde nadere regels en beleidsregels wordt een besluit
                    tot herroeping daarom gelijk gesteld met een kampeervergunning op grond van de
                    verordening.</al><tussenkop>Derde lid</tussenkop><al>Paragraaf 4.1.3.3 Algemene wet bestuursrecht heeft betrekking op de van
                    rechtswege verleende vergunning. Invoering van dit principe is in dit geval
                    onwenselijk, omdat daarmee het risico wordt gelopen dat de bovengrens van het
                    aantal standplaatsen ongewild wordt overschreden. Dit zou een onevenredig grote
                    aantasting van de werking van het stelsel van kampeervergunningen tot gevolg
                    hebben. </al><tussenkop>Vierde lid</tussenkop><al>In sommige gevallen is voor realisering van het plan tot uitbreiding van een
                    kleinschalig kampeerterrein een omgevingsvergunning nodig. Dit geldt als op de
                    betreffende locatie sprake is van een omgevingsvergunningplichtige situatie voor
                    de activiteit bouwen, aanleggen of gebruik in strijd met het bestemmingsplan.
                    Dit geldt dus niet wanneer het bestemmingsplan Buitengebied gewijzigd dient te
                    worden om de gevraagde ontwikkeling mogelijk te maken. Met de
                    aanhoudingsregeling als neergelegd in het vierde lid wordt gewaarborgd dat de
                    benodigde toestemming wordt verkregen en de aanvraag kampeervergunning niettemin
                    binnen de formele beslistermijn wordt afgehandeld. </al><tussenkop>Vijfde en zesde lid</tussenkop><al>Het uitgangspunt is dat een kampeervergunning voor onbepaalde tijd wordt
                    verleend. Een kampeervergunning kan echter ook onder voorwaarden worden
                    verleend, omdat nog niet is voldaan aan alle eisen als gesteld in het tweede
                    lid. Zo kan bijvoorbeeld worden bepaald dat de vergunninghouder binnen een nader
                    vast te stellen termijn moet voldoen aan (de eisen van) een goede
                    landschappelijke inpassing. In het geval de kampeervergunning onder één of meer
                    voorwaarden wordt verleend, geldt dat de kampeervergunning voor bepaalde tijd
                    wordt verleend. Hoe lang deze termijn is, is afhankelijk van de voorwaarde(n)
                    die worden gesteld. Na afloop van de termijn vervalt de kampeervergunning van
                    rechtswege. Hieruit volgt dat het de verantwoordelijkheid van de
                    aanvrager/vergunninghouder is om tijdig aan de voorwaarde te gaan voldoen en een
                    kampeervergunning voor onbepaalde tijd te verkrijgen. Daartoe dient bij het
                    college een verzoek tot verkrijging van een kampeervergunning voor onbepaalde
                    tijd te worden ingediend. Indien aan de voorwaarden als gesteld in de tijdelijke
                    kampeervergunning wordt voldaan, zal het verzoek worden toegewezen. Het college
                    beoordeelt of dit het geval is.</al><tussenkop>Zevende lid</tussenkop><al>Aan de kampeervergunning wordt standaard een set van voorschriften verbonden,
                    die deels rechtstreeks gebaseerd zijn op de bepalingen van de
                    Kampeerverordening. Indien de vergunninghouder niet aan deze voorschriften
                    voldoet, kan op grond hiervan de kampeervergunning tijdelijk of geheel worden
                    ingetrokken (artikel 8, eerste lid, onder a).</al><tussenkop>Achtste lid</tussenkop><al>Op grond van het zevende lid wordt de kampeervergunning op naam gesteld van de
                    aanvrager. Artikel 7 van de verordening bevat voorschriften met betrekking tot
                    de wijziging van tenaamstelling van een kampeervergunning.</al><tussenkop>Tiende en elfde lid</tussenkop><al>Het tiende lid maakt het mogelijk om een ander dan de vergunninghouder het
                    toezicht op de minicamping te laten uitoefenen. De aanvrager wordt geacht niet
                    het dagelijks toezicht op de minicamping uit te oefenen, als hij niet de bewoner
                    is van de woning aanwezig op en behorend bij het agrarisch bouwvlak. Op zichzelf
                    gezien bestaat geen bezwaar tegen het loskoppelen van de exploitatie en het
                    toezicht, zolang is gewaarborgd dat het toezicht wordt uitgeoefend door de
                    bewoner van de woning die volgens het bestemmingsplan Buitengebied hoort bij het
                    (voormalig) agrarisch bouwvlak (zie negende lid). Zowel in ruimtelijk opzicht
                    (landschappelijke inpassing) als in het kader van het behoud van het unieke
                    product kleinschalig kamperen (de beleving van het “kamperen bij de boer”) ligt
                    er een directe koppeling tussen het (al dan niet langer aanwezige) agrarische
                    bouwvlak met bijbehorende (voormalig agrarische) bedrijfswoning en het
                    kleinschalig kampeerterrein. Om die reden is uitoefening van het toezicht alleen
                    toegestaan vanuit de woning behorend bij het (voormalig) agrarische bouwvlak. De
                    vergunninghouder is verantwoordelijk voor de correcte vermelding van de
                    toezichthouder in de kampeervergunning.</al><tussenkop>Artikel 3</tussenkop><al>Artikel 3 bevat de randvoorwaarden waarbinnen het kleinschalig kamperen
                    plaatsvindt. Het betreft hier algemene kaders die grotendeels een voortzetting
                    vormen van het eerdere beleid. Wel is – binnen de beperkingen van artikel 2,
                    tweede lid - zoveel mogelijk ruimte gelaten aan de ondernemer. De regeling sluit
                    verder zoveel mogelijk aan bij nieuwe ontwikkelingen binnen de kampeerbranche en
                    de behoeften van kampeerders en ondernemers, waarbij anderzijds gestreefd wordt
                    naar instandhouding van het unieke karakter van kleinschalige kampeerterreinen. </al><tussenkop>Artikel 4</tussenkop><al>Het eerste lid roept een vergunningplicht in het leven voor landschapscampings.
                    Op deze manier kan toezicht en handhaving worden uitgeoefend op de (wijze van)
                    exploitatie van een landschapscamping. In de tweede plaats kan door het stellen
                    van de vergunningplicht het maximum aantal uit te geven vergunningen worden
                    gehandhaafd. De vergunningplicht is voor de exploitatie van een
                    landschapscamping, waardoor het is toegestaan 60 standplaatsen te realiseren en
                    te exploiteren. Een uitbreiding van een landschapscamping is niet aan de orde. </al><tussenkop>Tweede lid</tussenkop><al>Uit de bepaling volgt in de eerste plaats dat geen vergunning voor een
                    landschaps-camping kan worden verkregen als reeds een vergunning voor een
                    kleinschalig kampeerterrein is verleend. Wanneer sprake is van doorgroei van een
                    kleinschalig kampeerterrein naar een landschapscamping, vervalt de verleende
                    vergunning voor een kleinschalig kampeerterrein. De standplaatsen van het
                    kleinschalig kampeerterrein vloeien terug in het daarvoor bestemde quotum. Voor
                    landschapscampings is voorts een bovengrens vastgesteld aan het aantal te
                    verlenen vergunningen. Op het moment dat 5 vergunningen voor een
                    landschapscamping zijn verleend, worden de overige aanvragen geweigerd. De
                    quotering is afgeleid van het aantal plaatsen dat in de Regiovisie Walcheren
                    2000+ beschikbaar was voor plattelandstoerisme in de vorm van o.a. een
                    hofstedecamping. Bij de vaststelling van het quotum is in de beleidsnota 2008
                    rekening gehouden met een doorgroei van de 3 bestaande
                    hofstedecampings/boerenboscampings, zodat er ruimte was voor de realisering van
                    2 nieuwe landschapscampings. Indien een hofstedecamping niet wil of kan
                    doorgroeien bestaat er ruimte voor nieuwvestiging van een landschapscamping
                    zolang er quotum beschikbaar is. Voor de argumentatie om evenals het
                    kleinschalig kamperen het aantal landschapscampings te quoteren wordt verwezen
                    naar het algemene gedeelte van deze toelichting. </al><tussenkop>Vijfde en zesde lid</tussenkop><al>Voor aanvragen ter verkrijging van een vergunning voor een landschapscamping
                    geldt dat, alvorens op die aanvraag kan worden beslist, de bestemming moet
                    worden gewijzigd door toepassing te geven aan de wijzigingsbevoegdheid in het
                    bestemmingsplan Buitengebied. Voor deze situatie kent het vijfde lid een
                    aanhoudingsregeling. </al><al>Voor het overige gelden voor aanvragen als bedoeld in artikel 4, eerste lid,
                    dezelfde regels met betrekking tot aanhouding en vergunningverlenging als bij
                    een aanvraag voor kleinschalige kampeerterreinen. Indien op enig moment ruimte
                    ontstaat om een nieuwe vergunning voor een landschapscamping te verstrekken,
                    komt hiervoor de eerste aanvrager op de wachtlijst in aanmerking. </al><tussenkop>Artikel 5</tussenkop><al>Dit artikel bepaalt dat voor kamperen op landschapscampings materieel dezelfde
                    regels gelden als voor het kleinschalig kamperen. </al><tussenkop>Artikel 6</tussenkop><al>Naast het kamperen op kleinschalige kampeerterreinen en landschapscampings komt
                    het enkele malen per jaar voor dat in het kader van een evenement een terrein
                    wordt ingericht en gebruikt als kampeerterrein ten behoeve van dat evenement.
                    Aangezien deze gevallen niet worden gedekt door artikel 2 en 4 van de
                    verordening, is hiervoor een afzonderlijke ontheffingsmogelijkheid opgenomen in
                    artikel 6. Voor de omschrijving van het begrip evenement is aangesloten bij het
                    bepaalde in artikel 2:24 van de APV.</al><tussenkop>Artikel 7</tussenkop><al>In dit artikel is de wijziging van de tenaamstelling van kampeervergunningen
                    geregeld. Voorheen werd uitsluitend van 'overdracht' gesproken. Dat miskent dat
                    weliswaar sprake is van een contract tussen twee private partijen, maar dat het
                    aan het bestuur is om te bepalen of een vergunning op naam van een ander kan
                    worden gesteld. Een vergunning is immers een publiekrechtelijk instrument. </al><al>Overdracht van kampeervergunningen moet immers niet leiden tot een ongewenste
                    handel in kampeervergunningen. Dat neemt niet weg dat het voor een
                    vergunninghouder onder voorwaarden mogelijk moet zijn om de kampeervergunning,
                    welke immers een bepaalde economische waarde vertegenwoordigt, over te dragen
                    aan een derde. Van belang daarbij is het behoud en de borging van de
                    toezichtrelatie tussen de bewoner van de bij het (voormalige) agrarisch bedrijf
                    aanwezige woning en het kleinschalig kampeerterrein.</al><tussenkop>Vierde lid</tussenkop><al>Bij wijziging van de tenaamstelling van kampeervergunningen vindt geen toetsing
                    meer plaats aan de eisen voor uitbreiding (waaronder dus tevens begrepen
                    nieuwvestiging) zoals opgenomen in artikel 2, tweede lid, onder a en b, en
                    artikel 4, derde lid, onder a. Het betreft hier een formalisering van een reeds
                    onder de Verordening kleinschalig kamperen 2008 in de praktijk gebracht beleid.
                    De nieuwe exploitant dient – uiteraard - wel te voldoen aan dezelfde
                    exploitatievoorwaarden als opgenomen in de aan de vorige exploitant verleende
                    kampeervergunning.</al><tussenkop>Vijfde lid</tussenkop><al>Bij wijziging van de tenaamstelling van kampeervergunningen wordt de
                    toezichtrelatie in de verordening vastgelegd door te bepalen dat overdracht
                    alleen plaats mag vinden aan de (nieuwe) eigenaar van de woning en artikel 2,
                    negende tot en met elfde lid, van de kampeerverordening van overeenkomstige
                    toepassing te verklaren. Van deze voorwaarde kan slechts gemotiveerd worden
                    afgeweken in uitzonderlijke gevallen. Daarvan is sprake als feitelijke
                    overdracht van de kampeervergunning nog niet aan de orde is, bijvoorbeeld bij
                    tijdelijke verhuur van een kleinschalig kampeerterrein in afwachting van de
                    verkoop daarvan. Bij gemotiveerd afwijken zoals bijvoorbeeld voor tijdelijke
                    verhuur wordt uitgegaan van maximaal twee achtereenvolgende kampeerseizoenen.
                    Daarna moet een volwaardige overdracht plaatsvinden of wordt de
                    kampeervergunning ingetrokken. Bij intrekking vloeien de standplaatsen terug in
                    het quotum. </al><tussenkop>Artikel 8</tussenkop><al>De intrekking of het opschorten van kampeervergunningen moet worden aangemerkt
                    als een bestuurlijke sanctie, tenzij de intrekking plaatsvindt op verzoek van de
                    vergunninghouder zelf. De uitoefening van de bevoegdheid tot intrekking, voor
                    zover dit inderdaad een bestuurlijke sanctie is, is vanzelfsprekend aan de
                    regels van bestuurlijke handhaving gebonden. Het systeem van intrekking in
                    samenhang met de bovengrens die aan het aantal standplaatsen en
                    kampeervergunningen is gesteld impliceert niettemin een actieve houding van het
                    college ten aanzien van de uitoefening van die bevoegdheid. Om te voorkomen dat
                    het college in de uitoefening van deze bevoegdheid door derden te veel beperkt
                    of beïnvloed wordt, is het van belang de intrekking van kampeervergunningen op
                    een goede manier te regelen. Die regeling vindt plaats op grond van artikel 8
                    van de verordening in (directe) samenhang met de door het college vast te
                    stellen nadere regels.</al><tussenkop>Eerste lid </tussenkop><al>In het eerste lid zijn de redenen opgenomen op grond waarvan een vergunning kan
                    worden ingetrokken of de werking tijdelijk wordt opgeschort. In de door het
                    college vast te stellen nadere regels en beleidsregels vindt de uitwerking van
                    die redenen plaats. Gelet op het ingrijpende karakter van deze sanctie zal van
                    de bevoegdheid tot intrekking op grond van het eerste lid, onderdeel a, in
                    beginsel slechts gebruik worden gemaakt in het geval sprake is van een
                    voortdurende of ernstige overtreding van de voorschriften die aan de vergunning
                    zijn verbonden. </al><al>Onderdeel b geeft het bestuur de bevoegdheid tot het intrekken van de
                    kampeervergunning, indien niet (langer) wordt voldaan aan de voorwaarden
                    waaronder de kampeervergunning is verleend. Aangezien de toetsing van de
                    aanvraag aan de vergunningcriteria slechts een momentopname is, bestaat er
                    behoefte aan een sanctiemiddel teneinde te waarborgen dat ook in de toekomst
                    wordt voldaan aan de voorschriften waaronder de kampeervergunning is verleend. </al><al>Onderdeel c is toegevoegd vanuit de gedachte dat kampeervergunningen waarvan
                    geen gebruik wordt gemaakt moeten worden ingetrokken, zodat de door intrekking
                    van die ‘slapende’ vergunningen vrijkomende standplaatsen ten goede komen aan de
                    markt. Het belang van deze intrekkingsgrond is duidelijk, gezien de bovengrens
                    aan het aantal standplaatsen. Zie in dit verband ook de tekst bij artikel 2,
                    tweede en derde lid. De exploitatie wordt geacht te zijn gestaakt indien
                    gedurende twee achtereenvolgende jaren geen toeristenbelasting is afgedragen.
                    Het betreft hier een objectief criterium dat slechts een beperkte
                    administratieve belasting met zich meebrengt. Dit bewijs kan indien nodig worden
                    aangevuld met verklaringen van toezichthouders dat de exploitatie feitelijk is
                    gestaakt.</al><al>Voordat van de bevoegdheid tot intrekking op grond van het eerste lid, onderdeel
                    a tot en met c, gebruik wordt gemaakt, wordt de vergunninghouder altijd in
                    kennis gesteld van het voornemen tot intrekking en in de gelegenheid gesteld
                    diens zienswijzen op dat voornemen in te dienen.</al><al>Onderdeel d spreekt voor zich. Vrijwillige inlevering van de kampeervergunning
                    wegens bedrijfsbeëindiging of een andere reden is natuurlijk altijd mogelijk.
                    Een formele intrekking van de kampeervergunning blijft echter ook in dat geval
                    noodzakelijk. Van een kennisgeving van het voornemen tot intrekking kan dan
                    verder worden afgezien. </al><tussenkop>Tweede lid</tussenkop><al>Deze bepaling is van belang voor de gevolgen die een besluit tot intrekking
                    heeft voor de handhaving en de voorwaarden waaronder de door de intrekking
                    vrijkomende standplaatsen worden herverdeeld. Een besluit tot intrekking als
                    bedoeld in het eerste lid treedt pas in werking met ingang van het jaar volgend
                    op het jaar waarop het besluit is genomen, tenzij de veiligheid in het geding
                    is. Hiermee wordt in de eerste plaats voorkomen dat de vergunninghouder
                    gedurende het lopende kampeerseizoen wordt geconfronteerd met een
                    handhavingsmaatregel die directe gevolgen heeft voor de toestemming tot
                    exploitatie en campinggasten worden gedupeerd. </al><tussenkop>Artikel 9</tussenkop><al>Het college kan nadere regels en beleidsregels vast stellen ten aanzien van de
                    behandeling van een aanvraag, ontheffing, wijzigen van de tenaamstelling,
                    intrekken of opschorten van een vergunning.</al><al>Ten behoeve van een efficiënte procedure zijn standaard aanvraagformulieren
                    beschikbaar. Indien de aanvraag niet-ontvankelijk is kan de aanvraag op grond
                    van artikel 4:5, eerste lid, van de Awb immers eenvoudig buiten behandeling
                    worden gesteld, mits de aanvrager in de gelegenheid is gesteld de aanvraag aan
                    te vullen.</al><al>Door middel van de nadere regels en beleidsregels wordt de noodzakelijke
                    transparantie gewaarborgd en wordt beleid gevormd ten aanzien van de
                    totstandkoming en (her)uitgifte van de beschikbare standplaatsen. Op deze wijze
                    houdt de gemeente de regie op de uitgifte van standplaatsen. Deze nadere regels
                    en beleidsregels zijn vanwege hun technische karakter niet opgenomen in de
                    verordening. </al><tussenkop>Artikel 10</tussenkop><al>In aanvulling op de mogelijkheid tot het opleggen van bestuurlijke
                    herstelsancties, wordt in het kader van een effectieve handhaving in de praktijk
                    de behoefte gevoeld om ten aanzien van enkele specifieke overtredingen sneller
                    op te kunnen treden door in die gevallen een bestuurlijke boete als bedoeld in
                    artikel 5:40, eerste lid, van de Awb op te leggen. Het betreft hier
                    overtredingen die samenhangen met de exploitatie als zodanig, zoals
                    overschrijding van het maximaal aantal toegestane kampeermiddelen en het niet
                    verwijderen van reguliere kampeermiddelen buiten het kampeerseizoen. In de
                    voorgaande verordening ontbraken deze boetebepalingen.</al><al>Nu de hoogte van de bestuurlijke boete voor de in dit artikel genoemde
                    overtredingen niet bij wettelijk voorschrift is vastgesteld, geldt artikel 5:46,
                    tweede lid, van de Awb. De hoogte van de bestuurlijke boete moet worden
                    afgestemd op de ernst van de overtreding en de mate waarin deze aan de
                    overtreding kan worden verweten. Daarbij dient zo nodig rekening gehouden te
                    worden met de omstandigheden waaronder de overtreding is gepleegd. Artikel 9,
                    eerste en tweede lid, gaat uit van een maximaal boetebedrag van € 250,-. Gelet
                    op het economisch voordeel dat kan worden behaald met het overtreden van het
                    maximaal toegestane aantal standplaatsen (met name in het hoogseizoen) moet de
                    maximale hoogte van de bestuurlijke boete evenredig worden geacht in relatie tot
                    de overtreding. </al><al>De uitoefening van de bevoegdheid tot het opleggen van bestuurlijke boetes kan
                    uitgewerkt worden in een beleidsregel, welke beoogt de handhaving van deze
                    voorschriften in de praktijk te regelen.</al><al>Op grond van artikel 5:47 van de Awb blijft een bestuurlijke boete achterwege
                    voor gedragingen die op grond van artikel 10, eerste lid, van de verordening
                    tevens een strafbaar feit zijn en waarvoor de overtreder door het Openbaar
                    Ministerie wordt vervolgd.</al><tussenkop>Artikel 12</tussenkop><al>Eerste, tweede en derde lid</al><al>Deze tekst is in deze verordening opgenomen om kampeervergunningen voor het
                    exploiteren van een kleinschalig kampeerterrein en het exploiteren van een
                    landschapscamping verleend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van deze
                    verordening te laten beschouwen als een vergunning in de zin van de
                    Kampeerverordening. </al><tussenkop>Vierde lid</tussenkop><al>Het vierde lid beschermt de status van aanvragers welke een aanvraag hebben
                    gedaan in de periode, waarin relevante bepalingen van het bestemmingsplan
                    Buitengebied door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waren
                    vernietigd. Hun aanvragen zouden daardoor getoetst moeten worden aan de
                    bepalingen in het voorgaande bestemmingsplan Buitengebied, waarin andere eisen
                    waren opgenomen voor het stichten van een kleinschalig kampeerterrein. Daardoor
                    bestaat de kans dat hun aanvraag, al dan niet na een rechterlijke procedure,
                    alsnog zal moeten worden afgewezen, terwijl het in 2015 vastgestelde, op de
                    vernietigde onderdelen verbeterde bestemmingsplan Buitengebied tot honorering
                    van hun aanvragen zou leiden. Gelet op het bij de vaststelling van deze
                    verordening nog beperkte resterende quotum nog te vergunnen kampeerplaatsen gaat
                    het niet aan om deze aanvragers de dupe te laten worden van een omissie in het
                    eerdere bestemmingsplan Buitengebied. De oorspronkelijke datum van hun aanvraag
                    wordt in dergelijke gevallen voor de volgorde van binnenkomst – bepalend voor
                    het kunnen toekennen van kampeerplaatsen bij het verlenen van een vergunning –
                    dan ook beschouwd als datum van aanvraag voor de toepassing van de voorliggende
                    verordening. </al><tussenkop>Vijfde lid</tussenkop><al>In de Verordening kleinschalig kamperen 2008 ontbrak overgangsrecht ten aanzien
                    van de zgn. hofstedecampings. Er moet echter rekening worden gehouden met de
                    mogelijkheid dat de in het voorgaande kampeerbeleid veronderstelde doorgroei van
                    een bestaande hofstedecamping naar een landschapscamping niet in alle (3) de
                    situaties doorgang vindt, hetzij omdat niet wordt voldaan aan de voorwaarden van
                    een landschapscamping, hetzij omdat de eigenaar van de hofstedecamping hieraan
                    geen behoefte meer heeft. In die situatie is het de vraag wat dan de status van
                    de bestaande hofstedecamping is, aangezien die kampeervorm inmiddels is komen te
                    vervallen. Voor deze gevallen wordt in het vierde lid een overgangsbepaling
                    opgenomen.</al><tussenkop>Zesde en zevende lid</tussenkop><al>Onder de Verordening kleinschalig kamperen 2008 werden kampeerontheffingen voor
                    uitbreiding verleend voor een bepaalde termijn. Na het verstrijken van de
                    termijn van 5 jaren zou bij een strikte uitleg van de bepalingen van die
                    verordening opnieuw moeten worden getoetst aan alle criteria van het
                    bestemmingsplan Buitengebied. Dit leidt bij nader inzien tot onwenselijke
                    situaties en staat op gespannen voet met het rechtszekerheidsbeginsel waarop
                    vergunninghouders zich kunnen beroepen. De vijfjaarlijkse hertoetsing is
                    vervallen. Kampeerontheffingen verleend op basis van de Verordening kleinschalig
                    kamperen 2008 worden op grond van het eerste, tweede en vierde lid, van dit
                    artikel in de actuele verordening geacht voor onbepaalde tijd te zijn verleend.
                    Mits, zo beperkt het zevende lid die fictie, zij blijven binnen de grenzen van
                    het besluit dat eertijds aan hun vergunning of toestemming ten grondslag heeft
                    gelegen. </al><tussenkop>Artikel 13</tussenkop><al>De Kampeerverordening 2013 wordt ingetrokken op de datum dat de
                    Kampeerverordening 2015 in werking treedt.</al><tussenkop>Artikel 14</tussenkop><al>Uitgangspunt is dat de rechtstreekse koppeling tussen de Kampeerverordening en
                    het bestemmingsplan Buitengebied in stand blijft. Deze verordening treedt in
                    werking met ingang van de dag na haar bekendmaking. </al></bijlage></regeling></body></cvdr>