<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR369467_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening op het recht van onderzoek van de gemeenteraad van Montfoort 2015</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Montfoort</dcterms:creator><dcterms:modified>2015-06-15</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Montfoort</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Onbekend</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening op het recht van onderzoek van de gemeenteraad van Montfoort 2015</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Gemeentewet, art. 155a</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Gemeentewet, art. 155f</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>bestuur en recht</dcterms:subject><dcterms:issued>2015-01-12</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2015-06-19</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:terugwerkendekrachtDatum>2015-01-12</overheidrg:terugwerkendekrachtDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2020-09-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>111252</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening op het recht van onderzoek van de raad van de gemeente Montfoort 2015 </intitule><regeling><aanhef><preambule><al>(ex artikel 155a Gemeentewet)</al><al/><al>De raad van de gemeente Montfoort,</al><al/><al>Gelet op de beraadslagingen in het presidium van 22 december en 5 januari
                        gelet op de artikelen 155a tot en met 155f Gemeentewet;</al><al/><al><vet>Besluit:</vet></al><al/><al>vast te stellen:</al><al><vet>Verordening op het recht van onderzoek van de raad van de gemeente
                            Montfoort 2015 (ex artikel 155a Gemeentewet)</vet></al><al/><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>onderzoek: een onderzoek als bedoeld in artikel 155a, eerste lid,
                                van de Gemeentewet;</al></li><li nr="b."><al>onderzoekscommissie: een commissie als bedoeld in artikel 155a,
                                derde lid, van de Gemeentewet.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Instellen van het onderzoek/onderzoekscommissie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Op voorstel van een of meer van zijn leden kan de raad besluiten een
                            onderzoek in te stellen. Een onderzoek kan betrekking hebben op
                            (aspecten van) het bestuur van het college of van de burgemeester dan
                            wel op bijzondere gebeurtenissen.</al><lijst><li nr="a."><al>Voordat de raad besluit een onderzoek in te stellen als bedoeld
                                    in artikel 155a-155f van de Gemeentewet, kan ook eerst een
                                    vooronderzoek worden uitgevoerd.</al></li><li nr="b."><al>Dit vooronderzoek wordt uitgevoerd door minimaal 3 raadsleden op
                                    voordracht van het presidium.</al></li><li nr="c."><al>Het doel van het vooronderzoek is de onderzoeksvraag helder te
                                    formuleren en na te gaan of het raadsonderzoek het juiste
                                    instrument is om deze te beantwoorden.</al></li><li nr="d."><al>Het vooronderzoek duurt maximaal 1 maand.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In de eerstvolgende raadsvergadering na dit besluit stelt de raad een
                            onderzoekscommissie in van tenminste drie leden.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De raad wijst een genoegzaam aantal plaatsvervangende leden aan.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Bij de instelling van de onderzoekscommissie stelt de raad nadere regels
                            vast met betrekking tot de rapportage van de onderzoekscommissie aan de
                            raad.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Voorzitter/plaatsvervangend voorzitter</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De leden van de onderzoekscommissie kiezen uit hun midden een voorzitter
                            en een plaatsvervangend voorzitter.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De voorzitter is belast met:</al><lijst><li nr="a."><al>het leiden van de beraadslaging en zitting;</al></li><li nr="b."><al>het handhaven van de orde;</al></li><li nr="c."><al>het doen naleven van bij of krachtens deze verordening gestelde
                                    regels;</al></li><li nr="d."><al>hetgeen deze verordening hem verder opdraagt.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Beëindiging van het lidmaatschap</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het lidmaatschap van een lid van de onderzoekscommissie eindigt
                            indien:</al><lijst><li nr="a."><al>de raad besluit tot opheffing van de onderzoekscommissie;</al></li><li nr="b."><al>het lid ophoudt lid te zijn van de raad;</al></li><li nr="c."><al>de onderzoekscommissie besluit het lid van zijn commissie te
                                    horen;</al></li><li nr="d."><al>het lid ontslag neemt.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een lid van de onderzoekscommissie kan op elk moment ontslag nemen.
                            Hiervan brengt hij de raad en de voorzitter van de onderzoekscommissie
                            zo spoedig mogelijk schriftelijk op de hoogte.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In openstaande vacatures wordt zo spoedig mogelijk voorzien.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Dit artikel is van overeenkomstige toepassing op de plaatsvervangende
                            leden.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Bevoegdheden van de onderzoekscommissie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De onderzoekscommissie besluit alvorens het eerste getuigenverhoor
                            plaats vindt of getuigen uitsluitend verhoord worden na het afleggen van
                            de eed of belofte.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De onderzoekscommissie kan buiten de in artikel 155b, eerste lid, van de
                            Gemeentewet genoemde personen tevens anderen verzoeken om medewerking
                            aan het onderzoek te verlenen. Laatstgenoemde medewerking geschiedt
                            slechts op vrijwillige basis.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De onderzoekscommissie kan besluiten derden in te schakelen voor het
                            uitvoeren van opdrachten die zij in het kader van de onderzoeksopdracht
                            en de uitoefening van haar taak nodig acht.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De onderzoekscommissie kan in het belang van het onderzoek in
                            beslotenheid met een ieder informatieve gesprekken voeren, welke als
                            zodanig geen onderdeel van het onderzoek uitmaken. Er bestaat hiertoe
                            geen plicht tot medewerking.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De onderzoekscommissie kan de bovengenoemde bevoegdheden uitsluitend
                            uitoefenen indien ten minste drie van haar leden aanwezig zijn.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>De onderzoekscommissie besluit met meerderheid van stemmen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Ambtelijke bijstand</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De raad benoemt ter ondersteuning van de onderzoekscommissie een
                            secretaris, de griffier of een medewerker van de griffie.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De secretaris is bij iedere zitting aanwezig.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Bij zijn verhindering of afwezigheid wordt zijn plaats ingenomen door
                            een daartoe door de raad aangewezen vervanger.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De griffier draagt zorg voor voldoende ambtelijke ondersteuning van de
                            commissie. De griffier en de gemeentesecretaris stellen daartoe in
                            overleg met de voorzitter van de commissie een plan van aanpak op.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De verordening ambtelijke bijstand is niet van toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Zittingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De voorzitter van de commissie bepaalt plaats en tijdstip van de zitting
                            en brengt die ter openbare kennis.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De voorzitter roept de leden van de onderzoekscommissie, getuigen en
                            deskundigen ten minste tien dagen voor de zitting te ontvangen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Binnen drie werkdagen na verzending van de oproep kunnen de getuigen en
                            deskundigen onder opgaaf van redenen de voorzitter verzoeken het
                            tijdstip van de zitting te wijzigen.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De beslissing van de voorzitter op dit verzoek wordt uiterlijk één week
                            voor het tijdstip van de zitting aan de betrokken getuige of deskundige
                            medegedeeld.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Toehoorders en de pers</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De toehoorders en vertegenwoordigers van de pers kunnen uitsluitend op
                            de voor hen bestemde plaatsen openbare zittingen bijwonen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het geven van tekenen van goed- of afkeuring of het op andere wijze
                            verstoren van de orde is verboden.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De voorzitter is bevoegd, toehoorders die op enigerlei wijze de orde van
                            de vergadering verstoren, op te dragen te vertrekken.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Geluid- en beeldregistraties</titel></kop><al>Degenen die tijdens de zitting geluid- dan wel beeldregistraties willen
                        maken doen hiervan mededeling aan de voorzitter en gedragen zich naar zijn
                        aanwijzingen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Verslaglegging zitting</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De secretaris draagt zorg voor de verslaglegging van de zitting.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het verslag vermeldt de namen van de aanwezigen en hun hoedanigheid voor
                            zover van belang.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het verslag houdt een zakelijke vermelding in van wat over en weer is
                            gezegd en wat verder ter zitting is voorgevallen</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het verslag verwijst naar de op de zitting overgelegde bescheiden, die
                            aan het verslag kunnen worden gehecht.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het verslag wordt ondertekend door de voorzitter en de secretaris.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Beraadslagingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De onderzoekscommissie beraadslaagt indien een lid dat nodig acht.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De onderzoekscommissie beraadslaagt achter gesloten deuren, tenzij de
                            commissie anders beslist.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Afronding onderzoek</titel></kop><al>Na afronding van het onderzoek door de onderzoekscommissie worden haar
                        bevindingen voorgelegd aan de raad.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>1.De verordening op het gebruik van het onderzoeksrecht van de raad van
                        Montfoort treedt in werking op 12 januari 2015.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening op het recht van
                        onderzoek van de gemeenteraad van Montfoort 2015. </al><al/><al/></artikel></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus besloten door de raad van de gemeente Montfoortin zijn vergadering van
                        12 januari 2015</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>De griffier, </ondertekening><ondertekening>Drs. E.C.M. van der Klauw</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>De voorzitter, </ondertekening><ondertekening>E.L. Jansen BA</ondertekening><ondertekening/><ondertekening/><ondertekening/><ondertekening/></regeling-sluiting><bijlage><kop><titel>Bijlage: Artikelsgewijze toelichting op de verordening op het recht van
                        onderzoek van de raad van Montfoort</titel></kop><tussenkop><vet>Algemeen</vet></tussenkop><al>Het onderzoeksrecht van de raad is uitvoerig geregeld in de artikelen 155a tot
                    en met 155f van de Gemeentewet. Deze verordening, die in nauwe samenhang met de
                    artikelen uit de Gemeentewet dient te worden gelezen, bevat nadere regels met
                    betrekking tot dit onderzoeksrecht. Het onderzoeksrecht is een exclusief recht
                    van de raad dat ingevolge artikel 156, tweede lid, van de Gemeentewet niet
                    overdraagbaar is.</al><al/><al>Daar waar in deze verordening de vormvariant <cursief>hij</cursief> wordt
                    gehanteerd, dient tevens te worden gelezen de vormvariant
                    <cursief>zij</cursief>.</al><al/><tussenkop>Artikel 1 Begripsbepalingen</tussenkop><al>Dit artikel spreekt voor zich.</al><al/><tussenkop>Artikel 2 Instellen van het onderzoek</tussenkop><al>Ter verduidelijking wordt hier nogmaals aangegeven dat op voorstel van leden van
                    de raad, bij raadsbesluit, een onderzoek kan worden ingesteld naar het door het
                    college of de burgemeester gevoerde bestuur. Het voorstel hiertoe kan via een
                    initiatiefvoorstel worden ingediend. In het raadsvoorstel moet een toelichting
                    worden gegeven waarover het onderzoek moet gaan en waarom het onderzoek
                    noodzakelijk is. Dit volgt uit het tweede lid van artikel 155a Gemeentewet</al><al/><al>Indien de raad tot een onderzoek besloten heeft dient in de eerstvolgende
                    raadsvergadering besloten te worden omtrent het aantal leden dat in de
                    onderzoekscommissie plaats zal nemen en welke leden dat zijn (samenstelling). </al><al/><al>De Gemeentewet bepaald hieromtrent in artikel 155a, derde en vierde lid, dat de
                    onderzoekscommissie uit ten minste drie (raads)leden bestaat en dat de raad bij
                    de samenstelling zorgdraagt voor een evenwichtige vertegenwoordiging van de in
                    de raad vertegenwoordigde groeperingen. Omdat het denkbaar is dat hieromtrent
                    nader overleg tussen raadsfracties nodig is, is dit besluitmoment verschoven
                    naar de eerstvolgende raadsvergadering na het besluit tot het instellen van een
                    onderzoek. Omdat de onderzoekscommissie ingevolge artikel 5 van deze verordening
                    besluit met meerderheid van stemmen verdient het aanbeveling om een oneven
                    aantal leden te benoemen. Op deze wijze kan het staken van stemmen worden
                    voorkomen.</al><al/><al>Het derde lid voorziet in de benoeming van plaatsvervangende leden. Het aantal
                    plaatsvervangende leden is afhankelijk van de omvang van de onderzoekscommissie.
                    Omdat de uitoefening van bevoegdheden van de onderzoekscommissie gekoppeld is
                    aan de aanwezigheid van tenminste drie leden kan benoeming van plaatsvervangende
                    leden bij een omvangrijke commissie achterwege blijven.</al><al/><al>Het vierde lid bepaalt dat er bij de instelling van de onderzoekscommissie wordt
                    bepaald hoe en op welk moment deze commissie aan de raad rapporteert.
                    Voorstelbaar zou zijn dat hier bepaald wordt dat de voorzitter in elke
                    raadsvergadering een kort verslag doet omtrent de vorderingen.</al><al/><tussenkop>Artikel 3 Voorzitter/plaatsvervangend voorzitter</tussenkop><al>In de modelverordening is ervoor gekozen dat de onderzoekscommissie haar
                    voorzitter en plaatsvervangend voorzitter benoemt. In deze verordening is
                    daarvan afgeweken en is bepaalt dat de raad deze “uit zijn midden” benoemt. De
                    voorzitter maakt tevens deel uit van de onderzoekscommissie en is derhalve niet
                    slechts (technisch) voorzitter.</al><al/><tussenkop>Artikel 4 Beëindiging van het lidmaatschap</tussenkop><al>In artikel 155a, zesde lid, van de Gemeentewet is bepaald dat de bevoegdheden en
                    werkzaamheden van een onderzoekscommissie niet worden geschorst door het
                    aftreden van de raad. Nu de onderzoekscommissie slechts mag bestaan uit leden
                    van de raad brengt dat met zich mee dat bij het aantreden van een nieuwe raad de
                    samenstelling van de onderzoekscommissie wel zal moeten worden aangepast. Indien
                    een individueel lid van de onderzoekscommissie ophoudt lid te zijn van de raad
                    eindigt derhalve tevens zijn lidmaatschap van eerder genoemde commissie.</al><al/><al>Voorts eindigt een lidmaatschap uiteraard bij opheffing van de
                    onderzoekscommissie en bij het nemen van ontslag. De raad kan tevens, indien dit
                    wenselijk wordt geacht, de onderzoekscommissie tussentijds opheffen.</al><al/><al>Daarnaast eindigt het lidmaatschap indien de onderzoekscommissie besluit een van
                    haar leden te horen. Artikel 155c, tweede lid, van de Gemeentewet bepaalt
                    namelijk dat een getuige of deskundige die door de onderzoekscommissie wordt
                    gehoord, niet tevens lid is van de onderzoekscommissie. </al><al/><al>Het bepaalde is uiteraard tevens van toepassing op de plaatsvervangende
                    leden.</al><al/><tussenkop>Artikel 5 Bevoegdheden van de onderzoekscommissie </tussenkop><al>De onderzoekscommissie heeft op basis van de bepalingen uit de Gemeentewet reeds
                    een aantal bevoegdheden. Zo bepaalt artikel 155c, vijfde lid, van de Gemeentewet
                    dat de onderzoekscommissie kan besluiten dat getuigen uitsluitend worden
                    verhoord na het afleggen van een eed of belofte. Omdat het tengevolge hiervan
                    niet mogelijk is om de ene getuige wel en de andere niet onder ede te horen is
                    in artikel 5, eerste lid, van deze verordening bepaald dat de
                    onderzoekscommissie hieromtrent een besluit neemt alvorens de eerste getuige of
                    deskundige gehoord is.</al><al/><al>Artikel 155b, eerste lid, Gemeentewet bepaalt de groep van personen die
                    verplicht zijn mee te werken aan een onderzoek en jegens wie dwangmiddelen
                    kunnen worden ingezet. Het gaat dan onder meer om leden en oud-leden van de
                    gemeenteraad, de burgemeester en de wethouders, evenals de gewezen burgemeester
                    en gewezen wethouders. Maar ook leden van door het college of de burgemeester
                    ingestelde commissies en (oud)ambtenaren in dienst van de gemeente. Dit laat
                    onverlet de mogelijkheid om personen buiten deze groep te horen, zij het op
                    vrijwillige basis. Deze personen zijn niet verplicht om een verklaring onder ede
                    af te leggen. Indien een onderzoekscommissie derhalve bepaald heeft dat alle
                    getuigen en deskundigen onder ede gehoord worden, zijn deze personen hiervan
                    uitgezonderd.</al><al/><al>Naast het horen op vrijwillige basis kan een onderzoekscommissie ook informele
                    (informatieve) gesprekken voeren met getuigen en deskundigen, bijvoorbeeld om
                    vast te stellen of horen ter zitting nuttig is.</al><al/><al>Tenslotte bestaat de mogelijkheid om, bijvoorbeeld bij gebrek aan deskundigheid,
                    opdrachten uit te besteden aan derden. Ingevolge artikel 155f Gemeentewet dient
                    het college de door de raad geraamde kosten voor een onderzoek in een bepaald
                    jaar op te nemen in de ontwerpbegroting. Voorstelbaar is dat hier tevens een
                    post wordt opgenomen met betrekking tot deze (mogelijke) inschakeling van
                    externen. Tot het aangaan van eventuele overeenkomsten met derden ter
                    ondersteuning van de onderzoekscommissie moet het college beslissen.</al><al/><al>De onderzoekscommissie kan ingevolge artikel 155a, vijfde lid, Gemeentewet, de
                    haar bij die wet verleende bevoegdheden uitsluitend uitoefenen indien tenminste
                    drie van haar leden aanwezig zijn. Met betrekking tot de bevoegdheden die op
                    basis van deze verordening bestaan is gekozen voor hetzelfde regime. Er kan
                    uiteraard bepaald worden dat alle of enkele van de bevoegdheden kunnen worden
                    uitgeoefend bij de aanwezigheid van een kleiner aantal leden. Uit praktische
                    overwegingen zou er bijvoorbeeld voor gekozen kunnen worden om het voeren van
                    informatieve gesprekken ook door individuele leden mogelijk te maken. Daarnaast
                    zegt het zesde lid dat de onderzoekscommissie beslist met een meerderheid van
                    stemmen. Om deze reden wordt ook aanbevolen een oneven aantal leden te benoemen. </al><al/><al>Het reglement van de carrousel c.q. de verordening op de raadscommissies is hier
                    buiten toepassing verklaard omdat hierin zaken en bevoegdheden geregeld worden
                    die bij het onderzoek niet toepasbaar dan wel onwenselijk zijn. Hierbij valt te
                    denken aan zaken als spreekrecht voor burgers enz.</al><al/><tussenkop>Artikel 6 Ambtelijke bijstand</tussenkop><al>Artikel 155a, achtste lid, van de Gemeentewet, bepaalt dat de raad, alvorens tot
                    een onderzoek besloten wordt, bij verordening nadere regels stelt met betrekking
                    tot deze onderzoeken. Hierin dienen in ieder geval regels opgenomen te worden
                    over de wijze waarop ambtelijke bijstand wordt verleend aan de
                    onderzoekscommissie. </al><al/><al>Artikel 6 van deze verordening voorziet in de benoeming van een secretraris. </al><al/><al>Het staat de raad uiteraard vrij om te besluiten dat ambtelijke bijstand binnen
                    of buiten de raadsgriffie gezocht dient te worden. Het is voorstelbaar dat
                    daartoe tijdelijke krachten van buiten worden ingehuurd of dat direct een beroep
                    wordt gedaan op het ambtelijke apparaat.</al><al/><tussenkop>Artikel 7 Zitting</tussenkop><al>Artikel 155d, eerste lid, van de Gemeentewet voorziet in de schriftelijke
                    oproeping van getuigen en deskundigen die ter zitting dienen te verschijnen.
                    Deze zitting dient te worden onderscheiden van de beraadslaging van de
                    onderzoekscommissie, die ingevolge artikel 11 van de verordening achter gesloten
                    deuren plaatsheeft. Op de zitting vinden de verhoren van getuigen en deskundigen
                    plaats ex artikel 155c, zesde lid, van de Gemeentewet en zijn in beginsel
                    openbaar. De getuigen zijn verplicht een getuigenis af te leggen. De
                    onderzoekscommissie kan ingevolge artikel 155c, zevende lid, van de Gemeentewet
                    om gewichtige redenen echter besluiten dat een verhoor of een gedeelte ervan
                    niet in het openbaar plaatsvindt. De leden bewaren geheimhouding over hetgeen
                    hen tijdens een besloten zitting ter kennis komt. De redenen om besloten te
                    vergaderen zijn hierbij anders dan die genoemd in artikel 86, eerste lid, van de
                    Gemeentewet. In artikel 86, eerste lid, wordt immers gesproken over belangen als
                    bedoeld in artikel 10 Wet openbaarheid van bestuur. Dat is bij besloten
                    vergaderingen in het kader van het onderzoeksrecht niet van belang. Slechts van
                    belang is er of naar het oordeel van de onderzoekscommissie sprake is van
                    ‘gewichtige redenen’. Het bepaalde in artikel 86, eerste lid, is derhalve op de
                    onderzoekscommissie niet van toepassing.</al><al/><al>Een getuige kan zich tijdens het verhoor laten bijstaan.</al><al/><tussenkop>Artikel 8 Toehoorders en de pers</tussenkop><al>Artikel 26, eerste en tweede lid, van de Gemeentewet regelen dat de voorzitter
                    van de raad toehoorders die de orde verstoren, kan doen vertrekken en bij
                    volharding in hun gedrag de toezegging kan ontzeggen. Voor de
                    onderzoekscommissie ontbreekt een dergelijke bepaling in de Gemeentewet, het
                    derde lid voorziet hierin.</al><al/><tussenkop>Artikel 9 Geluid- en beeldregistraties</tussenkop><al>Aangezien de zittingen van een onderzoekscommissie in principe openbaar zijn,
                    kunnen radio- en tv-stations geluids- en beeldregistraties maken. Dit is
                    uiteraard niet het geval als het een besloten zitting betreft. De voorzitter kan
                    aanwijzingen geven met betrekking tot bijvoorbeeld plaats en opstelling.</al><al/><tussenkop>Artikel 10 Verslaglegging zitting</tussenkop><al>Het verdient aanbeveling om tijdens de verhoren een geluidsband mee te laten
                    draaien of op andere wijze het gezegde exact vast te leggen. Op deze wijze
                    ontstaat achteraf nooit discussie over hetgeen wel of niet gezegd is.</al><al/><tussenkop>Artikel 11 Beraadslaging</tussenkop><al>Beraadslaging vindt (in principe) plaats achter gesloten deuren omdat de inhoud
                    van een beraadslaging zich mogelijk niet voor openbaarheid leent. Het is
                    namelijk zeer wel denkbaar dat er beraadslaagd wordt omtrent
                    ondervragingsmethoden, tactieken en dergelijke, welke in het belang van het
                    onderzoek niet naar buiten mogen worden gebracht. Daarnaast moet er vrij
                    gesproken kunnen worden over personen en hetgeen door hen naar voren is
                    gebracht.</al><al/><al>De raad kan op basis van artikel 2, vierde lid, van deze verordening, nadere
                    regels stellen omtrent deze beraadslagingen in verband met de rapportage naar de
                    raad.</al><al/><tussenkop>Artikel 12 Afronding onderzoek</tussenkop><al>Indien de onderzoekscommissie haar werkzaamheden heeft afgerond legt zij haar
                    bevindingen voor aan de raad. De vorm waarin dit geschiedt wordt hier niet nader
                    bepaald en is aan de raad in het kader van de nadere regels als genoemd in
                    artikel 2, derde lid, van deze verordening. Hierbij zijn verschillende vormen
                    mogelijk, variërend van een rapport tot een voorstel aan de raad. De vraag luidt
                    hierbij wat de raad onder bevindingen wenst te verstaan. Is dit slechts een
                    feitenrelaas van de onderzoekscommissie waarover de raad zich een oordeel vormt
                    of dient er door de commissie ook zelf een oordeel gevormd te worden alvorens de
                    raad zich erover buigt. </al><al/><tussenkop>Artikel 13 Inwerkingtreding</tussenkop><al>De onderliggende verordening bevat geen algemeen verbindende voorschriften. De
                    verplichting voor bepaalde categorieën personen om medewerking te verlenen aan
                    een door de raad in te stellen onderzoek vloeit immers niet voort uit de
                    verordening, maar rechtstreeks uit de wet.</al><al/><tussenkop>Artikel 14 Citeertitel</tussenkop><al>Deze verordening kan worden aangehaald als: Verordening op het onderzoeksrecht
                    van de raad.</al></bijlage></regeling></body></cvdr>