<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.92--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR36885_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening maatregelen en handhaving IOAW/IOAZ 2010</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Uden</dcterms:creator><dcterms:modified>2010-07-15</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Uden</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Infopagina 14-07-2010</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening maatregelen en handhaving IOAW-IOAZ 2010</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet Ioaw, art. 35; Wet Ioaz, art. 35</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2010-07-08</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2010-07-15</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2024-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>2010/35</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>N.v.t.</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening maatregelen en handhaving IOAW/IOAZ 2010</intitule><regeling><aanhef><preambule><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label/><nr/><titel/></kop><structuurtekst><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>IOAW: Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                                    arbeidsongeschikte werkloze werknemers;</al></li><li nr="b."><al>IOAZ: Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                                    arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen;</al></li><li nr="c."><al>IOAW/IOAZ: de IOAW alsmede de IOAZ, beide voor zover zij op
                                    belanghebbende van toepassing zijn;</al></li><li nr="d."><al>uitkering: de uitkering, bedoeld in artikel 5, eerste lid,
                                    IOAW/IOAZ;</al></li><li nr="e."><al>uitkeringsnorm: de op belanghebbende van toepassing zijnde netto
                                    grondslag, bedoeld in artikel 5, vierde lid, IOAW/IOAZ;</al></li><li nr="f."><al>maatregel: het verlagen van de uitkeringsnorm op grond van
                                    artikel 20, tweede lid, IOAW en artikel 20, eerste lid,
                                    IOAZ;</al></li><li nr="g."><al>inkomen: inkomen als bedoeld in artikel 8 IOAW/IOAZ;</al></li><li nr="h."><al>benadelingbedrag: bruto bedrag dat als gevolg van het niet of
                                    niet behoorlijk nakomen van een inlichtingenverplichting ten
                                    onrechte is verleend als uitkering op grond van de
                                    IOAW/IOAZ;</al></li><li nr="i."><al>belanghebbende: hij die recht heeft op een uitkering op grond
                                    van de IOAW, voor zover hij is aangewezen op arbeid in
                                    dienstbetrekking, alsmede hij die recht heeft op een uitkering
                                    op grond van de IOAZ;</al></li><li nr="j."><al> het College: het College van burgemeester en wethouders van de
                                    gemeente Uden;</al></li><li nr="k."><al>algemeen geaccepteerde arbeid: alle arbeid, niet zijnde arbeid
                                    in het kader van de Wet sociale werkvoorziening, die algemeen
                                    maatschappelijk aanvaard is en niet indruist tegen de openbare
                                    orde of goede zeden.</al></li></lijst></structuurtekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Het opleggen van een maatregel</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Als de belanghebbende naar het oordeel van het College een
                                verplichting als bedoeld in artikel 13 IOAW/IOAZ of een op grond van
                                hoofdstuk III IOAW/IOAZ aan de uitkering verbonden verplichting
                                schendt, wordt overeenkomstig deze verordening een maatregel
                                opgelegd of wordt het recht op uitkering (deels) blijvend geweigerd.
                                Daarnaast wordt tevens een maatregel opgelegd indien belanghebbende
                                onder omstandigheden die rechtstreeks verband houden met de
                                uitvoering van de IOAW/IOAZ zich jegens het College (zeer ernstig)
                                misdraagt.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het eerste lid is gelijkelijk van toepassing op de belanghebbende
                                die een uitkering ontvangt op grond van de IOAW, wanneer hij de op
                                basis van artikel 30c, tweede en derde lid van de Wet structuur
                                uitvoeringsorganisatie werk en inkomen op hem rustende
                                verplichtingen schendt.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>Berekeningsgrondslag</titel></kop><al>De maatregel wordt toegepast op de uitkeringsnorm.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Het besluit tot opleggen van een maatregel</titel></kop><al>In het besluit tot opleggen van een maatregel worden in ieder geval
                            vermeld: de reden van de maatregel, de duur van de maatregel, de periode
                            waarover de maatregel wordt opgelegd, het percentage waarmee de
                            uitkeringsnorm wordt verlaagd of geweigerd, het bedrag waarmee de
                            uitkeringsnorm wordt verlaagd of geweigerd en, indien van toepassing, de
                            reden om af te wijken van een standaardmaatregel.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Horen van belanghebbende</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Voordat een maatregel wordt opgelegd, wordt de belanghebbende in de
                                gelegenheid gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het horen van belanghebbende kan achterwege worden gelaten
                                indien:</al><lijst><li nr="a."><al>de belanghebbende reeds eerder in de gelegenheid is gesteld
                                        zijn zienswijze naar voren te brengen en zich sindsdien geen
                                        nieuwe feiten of omstandigheden hebben voorgedaan of,</al></li><li nr="b."><al>de belanghebbende niet heeft voldaan aan een verzoek van het
                                        College of een door haar ingeschakelde derde, om binnen een
                                        gestelde termijn inlichtingen te verstrekken als bedoeld in
                                        artikel 13 van IOAW/IOAZ.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Afzien van het opleggen van een maatregel</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het College ziet af van het opleggen van een maatregel indien:</al><lijst><li nr="a."><al>elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt; of</al></li><li nr="b."><al>de gedraging meer dan één jaarvóór constatering
                                        van die gedraging door het College heeft plaatsgevonden,
                                        tenzij de gedraging een schending van de inlichtingenplicht
                                        inhoudt en als gevolg van die gedraging ten onrechte, of tot
                                        een te hoog bedrag, uitkering is verleend. Een maatregel
                                        wegens schending van de inlichtingenplicht wordt niet
                                        opgelegd na verloop van vijf jarennadat de
                                        betreffende gedraging heeft plaatsgevonden.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het College kan afzien van het opleggen van een maatregel indien het
                                daarvoor dringende redenen aanwezig acht.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien het College afziet van het opleggen van een maatregel op
                                grond van dringende redenen, wordt de belanghebbende daarvan
                                schriftelijk mededeling gedaan.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel>Hoogte en duur van de maatregel</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een maatregel wordt afgestemd op de ernst van de gedraging, de mate
                                waarin de belanghebbende de gedraging kan worden verweten en de
                                omstandigheden waarin hij verkeert.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Tenzij in de verordening anders is bepaald bedraagt de duur van de
                                maatregel een maand.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De duur van de maatregel als bedoeld in het tweede lid wordt
                                verdubbeld, indien de belanghebbende zich binnen twaalf maanden na
                                bekendmaking van een besluit waarbij een maatregel is opgelegd,
                                opnieuw schuldig maakt aan een verwijtbare gedraging van dezelfde of
                                hogere categorie. Met een besluit waarmee een maatregel is opgelegd
                                wordt gelijkgesteld het besluit om daarvan af te zien op grond van
                                dringende redenen, bedoeld in artikel 6, tweede lid.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.</nr><titel>Ingangsdatum en tijdsvak</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De maatregel wordt opgelegd met ingang van de eerstvolgende
                                kalendermaand, volgend op de datum waarop het besluit tot het
                                opleggen van de maatregel aan de belanghebbende is bekendgemaakt.
                                Daarbij wordt uitgegaan van de voor die maand geldende
                                uitkeringsnorm.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In afwijking van het eerste lid kan de maatregel met terugwerkende
                                kracht worden opgelegd, voor zover de uitkering nog niet is
                                uitbetaald.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.</nr><titel>Samenloop van gedragingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien sprake is van één gedraging die schending oplevert van
                                meerdere in de IOAW/IOAZ genoemde verplichtingen, wordt één
                                maatregel opgelegd. Indien voor schending van die verplichtingen
                                maatregelen van verschillende hoogten gelden, wordt de hoogste
                                maatregel opgelegd.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien sprake is van meerdere gedragingen die schending opleveren
                                van één of meerdere in de IOAW/IOAZ genoemde verplichtingen, worden
                                alle van toepassing zijnde maatregelen afzonderlijk opgelegd. </al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>2.</nr><titel>Geen of onvoldoende medewerking verlenen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.</nr><titel>Indeling in categorieën</titel></kop><al>Gedragingen van de belanghebbende waardoor de verplichtingen op grond
                            van artikel 37 van de IOAW/IOAZ, anders dan de verplichting, bedoeld in
                            artikel 37, eerste lid, onderdeel c IOAW/IOAZ, niet of onvoldoende zijn
                            nagekomen, worden onderscheiden in de volgende categorieën:</al><lijst><li nr="1."><al>eerste categorie: het zich niet tijdig laten registreren als
                                    werkzoekende bij het Uitvoeringsinstituut
                                    werknemersverzekeringen of het niet tijdig laten verlengen van
                                    de registratie;</al></li><li nr="2."><al>tweede categorie:</al><lijst><li nr="a."><al>het niet naar vermogen trachten algemeen geaccepteerde
                                            arbeid te verkrijgen of te aanvaarden;</al></li><li nr="b."><al>het niet of in onvoldoende mate meewerken aan een
                                            onderzoek naar de mogelijkheden tot
                                            arbeidsinschakeling;</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>derde categorie:</al><lijst><li nr="a."><al>gedragingen die de inschakeling in de arbeid
                                            belemmeren;</al></li><li nr="b."><al>het niet of in onvoldoende gebruikmaken van een door het
                                            College aangeboden voorziening gericht op
                                            arbeidsinschakeling, waaronder begrepen sociale
                                            activering.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11.</nr><titel>Hoogte en duur van de maatregel</titel></kop><al>1.Onverminderd artikel 4, eerste lid, wordt de maatregel vastgesteld
                            op:</al><lijst><li nr="a."><al>tien procent van de uitkeringsnorm bij gedragingen van de eerste
                                    categorie;</al></li><li nr="b."><al>twintig procent van de uitkeringsnorm bij gedragingen van de
                                    tweede categorie;</al></li><li nr="c."><al>vijftig procent van de uitkeringsnorm bij gedragingen van de
                                    derde categorie.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>3.</nr><titel>Het verliezen van algemeen geaccepteerde arbeid of nalaten dit te
                            accepteren</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.</nr><titel>Door eigen toedoen verliezen van algemeen geaccepteerde
                                arbeid</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Onverminderd artikel 4, eerste lid, weigert het College, met in
                                achtneming van artikel 20, vierde lid, IOAW/IOAZ, blijvend het recht
                                op uitkering indien de belanghebbende door eigen toedoen een inkomen
                                uit of in verband met arbeid is verloren en:</al><lijst><li nr="a."><al>aan de beëindiging van zijn dienstbetrekking een dringende
                                        reden ten grondslag ligt in de zin van artikel 678 van Boek
                                        7 van het Burgerlijk Wetboek, dan wel</al></li><li nr="b."><al>de dienstbetrekking is beëindigd door of op verzoek van de
                                        belanghebbende zonder dat aan de voortzetting ervan zodanige
                                        bezwaren waren verbonden, dat deze voortzetting
                                        redelijkerwijs niet van hem zou kunnen worden gevergd.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De hoogte van de weigering is gelijk aan het door eigen toedoen niet
                                verkregen bruto inkomen uit deze arbeid.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13.</nr><titel>Niet aanvaarden van algemeen geaccepteerde arbeid</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Onverminderd artikel 4, eerste lid, weigert het College blijvend het
                                recht op uitkering indien de belanghebbende een uitkering ontvangt
                                op basis van de IOAW en IOAZ en hij weigert hem aangeboden algemeen
                                geaccepteerde arbeid te aanvaarden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De hoogte van de weigering is gelijk aan het door eigen toedoen niet
                                verkregen bruto inkomen uit deze arbeid.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>4.</nr><titel>Niet nakomen van de inlichtingenplicht</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14.</nr><titel>Te laat verstrekken van gegevens</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Onverminderd artikel 4, eerste lid, legt het College een maatregel
                                op van vijf procent van de uitkeringsnorm, indien belanghebbende de
                                verplichting op grond van artikel 13 IOAW/IOAZ niet is nagekomen
                                door informatie die van belang is voor de verlening van de uitkering
                                of de voortzetting daarvan niet uit eigen beweging of, desgevraagd,
                                binnen de door het College daartoe gestelde termijn te
                                verstrekken.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Van het opleggen van de maatregel kan worden afgezien en worden
                                volstaan met het geven van een schriftelijke waarschuwing, tenzij
                                het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting plaatsvindt
                                binnen een periode van twee jaar te rekenen vanaf de datum waarop
                                eerder aan de belanghebbende een schriftelijke waarschuwing is
                                gegeven.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15.</nr><titel>Verstrekken van onjuiste of onvolledige inlichtingen met gevolgen
                                voor de bijstand</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenplicht
                                bedoeld in artikel13 IOAW/IOAZ heeft geleid tot het ten onrechte of
                                tot een te hoog bedrag verstrekken van een uitkering, wordt de
                                maatregel afgestemd op de hoogte van het benadelingbedrag.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onverminderd artikel 4, eerste lid, wordt de maatregel op de
                                volgende wijze vastgesteld:</al><lijst><li nr="a."><al>bij een benadelingbedrag tot € 500,-: <cursief>10%
                                        </cursief>van de uitkeringsnorm;</al></li><li nr="b."><al>bij een benadelingbedrag van € 500,- tot € 1000,-:
                                            <cursief>20% </cursief>van de uitkeringsnorm;</al></li><li nr="c."><al>bij een benadelingbedrag van € 1000,- tot € 2500,-:
                                            <cursief>50% </cursief>van de uitkeringsnorm;</al></li><li nr="d."><al>bij een benadelingbedrag van € 2500,- of meer: <cursief>100%
                                        </cursief>van de uitkeringsnorm.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Van een maatregel wordt afgezien:</al><lijst><li nr="a."><al>zodra ter zake van de gedraging strafvervolging is ingesteld
                                        en het onderzoek ter terechtzitting een aanvang heeft
                                        genomen;</al></li><li nr="b."><al>zodra het recht tot strafvervolging is vervallen, doordat
                                        het Openbaar Ministerie een schikking met belanghebbende
                                        heeft getroffen.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16.</nr><titel>Verstrekken van onjuiste of onvolledige inlichtingen zonder
                                gevolgen voor de uitkering</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Onverminderd artikel 4, eerste lid, legt het College een maatregel
                                op van vijf procent van de uitkeringsnorm, indien het niet of niet
                                behoorlijk nakomen van de inlichtingenplicht bedoeld in artikel 13
                                IOAW/IOAZ niet heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog
                                bedrag verstrekken van een uitkering.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Van het opleggen van de maatregel bedoeld in het eerste lid kan
                                worden afgezien en volstaan kan worden met het geven van een
                                schriftelijke waarschuwing, tenzij het niet of niet behoorlijk
                                nakomen van de verplichting plaatsvindt binnen een periode van één
                                jaar te rekenen vanaf de datum waarop eerder aan de belanghebbende
                                een schriftelijke waarschuwing is gegeven.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>5.</nr><titel>Overige gedragingen die leiden tot een maatregel</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17.</nr><titel>Misdragingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien een belanghebbende zich misdraagt tegenover het College of
                                zijn ambtenaren of medewerkers van andere organisaties die zich in
                                opdracht van het College bezig houden met de uitvoering van de wet,
                                onder omstandigheden die rechtstreeks verband houden met de
                                uitvoering van de wet als bedoeld in artikel 20, tweede lid, van de
                                IOAW/IOAZ, wordt onverminderd artikel 2 tweede lid, met hantering
                                van het agressieprotocol gemeente Uden, een waarschuwingsbrief
                                verzonden, eventueel vergezeld van een uitnodiging voor een
                                ordegesprek.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien een belanghebbende zich zeer ernstig misdraagt tegenover het
                                College of zijn ambtenaren of medewerkers van andere organisaties
                                die zich in opdracht van het College bezig houden met de uitvoering
                                van de wet, onder omstandigheden die rechtstreeks verband houden met
                                de uitvoering van de wet als bedoeld in artikel 20 tweede lid van de
                                IOAW/IOAZ, wordt een maatregel opgelegd van tenminste:</al><lijst><li nr="a."><al>tien procent van de bijstandsnorm gedurende een maand bij
                                        verbaal geweld;</al></li><li nr="b."><al>dertig procent van de bijstandsnorm gedurende een maand bij
                                        discriminatie;</al></li><li nr="c."><al>twintig procent van de bijstandsnorm gedurende twee maanden
                                        bij intimidatie;</al></li><li nr="d."><al>veertig procent van de bijstandsnorm gedurende twee maanden
                                        bij zaakgericht fysiek geweld;</al></li><li nr="e."><al>dertig procent van de bijstandsnorm gedurende drie maanden
                                        bij mensgericht fysiek geweld;</al></li><li nr="f."><al>vijftig procent van de bijstandsnorm gedurende drie maanden
                                        bij een combinatie van zaakgericht en mensgericht fysiek
                                        geweld.</al></li></lijst></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>6.</nr><titel>Handhaving</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18.</nr><titel>Handhaving</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het College draagt zorg voor een uitvoeringsbeleid en -organisatie
                                die gericht zijn op het zo veel mogelijk voorkomen en bestrijden van
                                misbruik en oneigenlijk gebruik, en het wegnemen van de gevolgen van
                                geconstateerd misbruik en oneigenlijk gebruik. Daartoe behoren in
                                ieder geval:</al><lijst><li nr="a."><al>het verstrekken van informatie over de verplichtingen die
                                        aan een uitkering verbonden zijn;</al></li><li nr="b."><al>het controleren op de naleving van deze verplichtingen;</al></li><li nr="c."><al>het gebruik maken van de bevoegdheid tot terugvordering van
                                        te veel of ten onrechte betaalde bijstand;</al></li><li nr="d."><al>het opleggen van maatregelen en het uitsluiten van het recht
                                        op uitkering zoals bedoeld in deze verordening;</al></li><li nr="e."><al>het doen van aangifte van een vermoeden van bijstandsfraude
                                        bij het Openbaar Ministerie als er sprake is van het niet of
                                        onvoldoende nakomen van de inlichtingenplicht leidend tot
                                        een bruto benadelingsbedrag van € 12.000,00 of meer.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De Raad bepaalt de onderwerpen waarover het College aan hem verslag
                                uitbrengt. Daartoe behoren in ieder geval:</al><lijst><li nr="a."><al>het aantal gevallen waarin bijstand ten onrechte of tot een
                                        te hoog bedrag is verleend;</al></li><li nr="b."><al>het aantal gevallen waarin is besloten tot
                                        terugvordering;</al></li><li nr="c."><al>het aantal opgelegde maatregelen in verband met misbruik en
                                        oneigenlijk gebruik;</al></li><li nr="d."><al>het aantal gevallen waarin aangifte bij het Openbaar
                                        Ministerie is gedaan.</al></li></lijst></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>7.</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19.</nr><titel>De inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening treedt in werking op de eerste dag na de datum van
                            bekendmaking.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>20.</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening maatregelen en
                            handhaving IOAW/IOAZ 2010.</al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Vastgesteld in de openbare vergadering van 8 juli 2010.</ondertekening><ondertekening>De Raad voornoemd</ondertekening><ondertekening>de griffier de burgemeester</ondertekening><ondertekening/><ondertekening/></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>Algemene toelichting</titel></kop><al>Op 15 december 2009 heeft de Eerste Kamer ingestemd met het Wetsvoorstel
                            bundeling van uitkeringen inkomensvoorziening aan gemeenten (Wet BUIG).
                            Met de inwerkingtreding van de Wet BUIG per 1 januari 2010 krijgt de
                            gemeente een grotere beleidsmatige rol en financiële
                            verantwoordelijkheid rond de uitvoering van de IOAW, IOAZ, WWIK en Bbz
                            2004.</al><al>De IOAW, IOAZ en het Bbz 2004 kenden tot 1 januari 2010 een
                            financieringsystematiek waarbij 75% bij het Rijk kon worden gedeclareerd
                            en 25% drukte op het gemeentelijke budget; de WWIK kende daarnaast een
                            financieringssystematiek waarbij 100% kon worden gedeclareerd. Per 1
                            januari 2010 is een systeem van volledige budgetfinanciering ingevoerd,
                            zoals dit nu van toepassing is op het WWB-inkomensdeel. Met de Wet BUIG
                            worden de financiële middelen van de ‘kleine inkomensregelingen’
                            gebundeld in het volledig gebudgetteerde I-deel dat de gemeente ontvangt
                            voor de bijstandsverstrekking op grond van de WWB. Gemeenten krijgen
                            door de wet aldus een grotere verantwoordelijkheid en lopen ook meer
                            financieel risico.</al><al>Door de Wet BUIG wordt het aantal landelijke regels verder sterk
                            teruggedrongen. In de plaats komt een grotere beleidsruimte voor de
                            gemeente. Daardoor wordt de gemeente ook gevorderd om op een aantal
                            punten zelf beleid te ontwikkelen.</al><al>De huidige voorbeeldverordening voorziet daarbij in het
                            afstemmingsbeleid voor de IOAW en IOAZ. Dit beleid was geregeld bij
                            AMvB. Deze landelijke regelingen, alsmede de nog bestaande
                            boetebepalingen, zijn echter met de Wet BUIG komen te vervallen. Op
                            basis van het inwerkingtredingbesluit is het aan de gemeente om per 1
                            juli 2010 in een bij verordening vastgelegd beleid te voorzien.</al><al>In deze verordening is er daarbij voor gekozen om met betrekking tot de
                            IOAW en IOAZ te komen tot een zo veel mogelijk analoog aan het
                            WWB-regime toe te passen afstemmingsbeleid. Daarbij zij opgemerkt dat in
                            afwijking van de WWB, de IOAW en IOAZ in een aantal situaties de
                            mogelijkheid creëren om de uitkering (gedeeltelijk) blijvend te
                            weigeren. Daar de gemeente Uden van mening is dat werk voor uitkering
                            gaat en er streng opgetreden moet worden wanneer de klant zich hier niet
                            aan houdt, is er voor gekozen om de bevoegdheid tot weigering op
                            dezelfde wijze in te vullen als dit voorheen bij wet was geregeld. Dit
                            wil zeggen dat daar waar de mogelijkheid tot weigeren er is, deze wordt
                            aangegrepen.</al><al/><al/><al><vet>Artikelsgewijze toelichting</vet></al><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr></kop><al>Dit artikel bevat de verschillende begripsomschrijvingen. Een aantal
                            omschrijvingen verdient enige extra aandacht.</al><al><cursief>Onder c. de IOAW/IOAZ</cursief></al><al>Gekozen is voor een definitie die gelijktijdig naar beide wetten
                            verwijst nu een groot deel van de bepalingen in beide wetten identiek is
                            qua nummering en inhoud en aldus voorkomen wordt dat steeds specifiek
                            naar elke afzonderlijke wet verwezen moet worden.</al><al><cursief>Onder e. uitkeringsnorm</cursief></al><al>De WWB werkt met verlagingen op de netto bijstand. Om een identiek
                            systeem in de IOAW en IOAZ te creëren is het wenselijk om een begrip te
                            introduceren dat verwijst naar een netto norm.</al><al><cursief>Onder f. maatregel</cursief></al><al>In afwijking van de WWB wordt ook het blijvend of tijdelijk
                            (gedeeltelijk) weigeren van de uitkering binnen deze verordening als
                            maatregel aangemerkt. Dit houdt verband met de extra mogelijkheden
                            binnen de IOAW en IOAZ op dit vlak.</al><al><cursief>Onder g. inkomen</cursief></al><al>Qua inkomensbegrip wordt aangesloten bij het inkomensbegrip binnen de
                            IOAW en IOAZ. Dit wijkt af van het binnen de WWB gehanteerde
                            inkomensbegrip.</al><al><cursief>Onder i. belanghebbende</cursief></al><al>Daar de in artikel 20, tweede lid IOAW opgenomen bevoegdheden tot het
                            opleggen van een maatregel, blijkens dat artikel,daar enkel gelden voor
                            de persoon die is aangewezen op arbeid in dienstbetrekking, is ook het
                            begrip belanghebbende in die zin ingeperkt.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr></kop><al>Dit artikel bundelt het bepaalde in artikel 20, eerste lid IOAZ en
                            artikel 20, tweede lid IOAW.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr></kop><al>Zoals reeds aangegeven wordt de maatregel toegepast op de netto
                            norm.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>tot en met 9</titel></kop><al>Bij deze artikelen is heel nadrukkelijk gekeken naar hetgeen hierover is
                            opgenomen in de verordening Wwb. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr></kop><al>Ten opzichte van de Wwb-afstemmingsverordening zijn in deze bepaling
                            geen gedragingen opgenomen die verband houden met het niet aanvaarden
                            dan wel het door eigen toedoen verliezen van algemeen geaccepteerde
                            arbeid. Dit houdt verband met het feit dat juist bij deze gedragingen de
                            IOAW en IOAZ de mogelijkheid biedt tot tijdelijke of blijvende
                            (gedeeltelijke) weigering van de uitkering. De sanctie bij deze vorm van
                            gedragingen is daarom in een apart hoofdstuk opgenomen.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr></kop><al>Bij de bepaling van de hoogte van deze maatregelen wordt aangesloten bij
                            wat hierover eerder is vastgelegd in de Wwb-afstemmingsverordening.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>en 13</titel></kop><al>In deze bepalingen zijn de mogelijkheden die de IOAW en IOAZ biedt om de
                            uitkering (tijdelijk en/of blijvend geheel of gedeeltelijk) te weigeren
                            volledig uitgewerkt. Hierbij wordt in de verordening aangesloten bij de
                            systematiek zoals die voorheen gold vanuit de wet. </al><al>Indien gekozen wordt voor volledige weigering, kan de belanghebbende in
                            wezen per direct aankloppen voor een aanvulling in het kader van de Wwb.
                            Binnen het kader van de Wwb zal dan moeten worden beoordeeld of
                            belanghebbende recht heeft op Wwb (in afwijking van de IOAW en IOAZ kent
                            de Wwb een beperkte vermogensvrijlating en een ruimer inkomensbegrip) en
                            in hoeverre het maatregelwaardige gedrag ook binnen de Wwb tot een
                            verlaging zou hebben geleid.</al><al>Deze artikelen geven verder invulling aan een leemte in artikel 20 IOAZ.
                            De plicht om de uitkering (deels) te weigeren indien een klant passende
                            arbeid weigert of door eigen toedoen geen arbeid verkrijgt is wel
                            opgenomen in de IOAZ (artikel 37), maar in de wet is geen directe
                            bevoegdheid opgenomen om in deze situaties te sanctioneren (anders dan
                            in de IOAW). De gemeente Uden kiest ervoor om in voornoemde situatie
                            wel, analoog aan de IOAW, het recht op uitkering (deels) te
                            weigeren.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>tot en met 17</titel></kop><al>Deze bepalingen zijn zeer sterk verwant aan de bepalingen binnen de
                            Wwb-afstemmingverordening en de Wij-afstemmingsverordening. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>18</nr></kop><al>De verplichting aan de gemeenteraad om bij verordening regels te stellen
                            in het kader van het voorkomen van misbruik wordt via dit artikel
                            ingevuld. Hierbij is gekozen voor een vergelijkbare systematiek en
                            invulling als bij de Wwb het geval is. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>19</nr></kop><al>Deze bepaling spreekt voor zich. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>20</nr></kop><al>Deze bepaling spreekt voor zich.</al><al/><al/><al><vet>Inhoudsopgave</vet></al><al><onderstreept>Bladzijde</onderstreept></al><al> 1</al><al>HOOFDSTUK 2. Geen of onvoldoende medewerking verlenen 3</al><al>HOOFDSTUK 3. Het verliezen van algemeen geaccepteerde arbeid of nalaten
                            dit te accepteren 4</al><al>HOOFDSTUK 4. Niet nakomen van de inlichtingenplicht 4</al><al>HOOFDSTUK 5. Overige gedragingen die leiden tot een maatregel 5</al><al>HOOFDSTUK 6. Handhaving 6</al><al>HOOFDSTUK 7. Slotbepalingen 6</al><al>Algemene toelichting 7</al><al>Artikelsgewijze toelichting 8</al></divisie></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>