<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91-->
  
  
  
  
  
  
  
  
  <meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR368291_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Handhavingsverordening Participatiewet, Ioaw, Ioaz, Bbz gemeente Twenterand 2015</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Twenterand</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-05-30</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Twenterand</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Gemeenteblad 29 mei 2015</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Handhavingsverordening Participatiewet, Ioaw, Ioaz, Bbz</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Participatiewet, Ioaw, Ioaz, Bbz;</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Gemeentewet en Algemene wet bestuursrecht.</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2015-02-10</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2015-06-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>BIS015.038.0002</overheidrg:kenmerk><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta>
  
  <body><intitule>
      Handhavingsverordening Participatiewet, Ioaw, Ioaz, Bbz gemeente Twenterand 2015
    </intitule>
    
    <regeling>
      <aanhef>
        <preambule>
          <al>
            <vet>Geconsolideerde tekst van de regeling</vet>
          </al>
          <al>Nr. 015.038.0002</al>
          <al/>
          <al>De raad van de gemeente Twenterand;</al>
          <al/>
          <al>gezien het voorstel van het college van burgemeester en wethouders;</al>
          <al/>
          <al/>
          <al>
            <vet>
              <cursief>besluit:</cursief>
            </vet>
          </al>
          <al/>
          <al>vast te stellen de: </al>
          <al/>
          <al>
            <vet>Handhavingsverordening Participatiewet, Ioaw, Ioaz, Bbz gemeente Twenterand 2015</vet>
          </al>
          <al/>
        </preambule>
      </aanhef>
      <regeling-tekst>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label>Hoofdstuk</label>
            <nr>1.</nr>
            <titel>Algemene bepalingen</titel>
          </kop>
          <structuurtekst>
            <al>Nr. 015.038.0002</al>
            <al>De raad van de gemeente Twenterand;</al>
            <al>gezien het voorstel van het college van burgemeester en wethouders;</al>
            <al>
              <vet>
                <cursief>besluit:</cursief>
              </vet>
            </al>
            <al>vast te stellen de: </al>
            <al>
              <vet>Handhavingsverordening Participatiewet, Ioaw, Ioaz,Bbz gemeente Twenterand 2015</vet>
            </al>
          </structuurtekst>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>1.</nr>
              <titel>Begrippen</titel>
            </kop>
            <al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al>
            <lijst>
              <li nr="a."><al>benadelingsbedrag: netto-uitkering waarop eerder, langer of tot
                                    een hoger bedrag een beroep wordt of is gedaan ten gevolge van
                                    tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de
                                    voorziening in het bestaan;</al></li>
              <li nr="b."><al>bijstandsnorm:</al><lijst>
                  <li nr="1°."><al>toepasselijke bijstandsnorm als bedoeld in artikel 5,
                                            onderdeel c, van de Participatiewet;</al></li>
                  <li nr="2°."><al>grondslag van de uitkering als bedoeld in artikel 5 van
                                            de Ioaw of artikel 5 van de Ioaz, voor zover sprake is
                                            van een uitkering op grond van de Ioaw of Ioaz;</al></li>
                  <li nr="3°."><al>de jaarnorm bedoeld in artikel 1, onderdeel g, Besluit
                                            bijstandverlening zelfstandigen 2004;</al></li>
                </lijst></li>
              <li nr="c."><al>college: het college van burgemeester en wethouders van de
                                    gemeente Twenterand;</al></li>
              <li nr="d."><al>Ioaw: Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                                    arbeidsongeschikte werkloze werknemers;</al></li>
              <li nr="e."><al>Ioaz: Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                                    arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen;</al></li>
              <li nr="f."><al>uitkering: algemene bijstand op grond van de Participatiewet of
                                    een uitkering op grond van de Ioaw of Ioaz;</al></li>
              <li nr="g."><al>UWV: Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.</al></li>
            </lijst>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>2.</nr>
              <titel>Het besluit tot opleggen van een verlaging</titel>
            </kop>
            <al>In het besluit tot het opleggen van een verlaging van de uitkering als
                            bedoeld in artikel 18, tweede, vijfde en zesde lid, van de
                            Participatiewet, de artikelen 20 en 38, twaalfde lid, van de Ioaw en de
                            artikelen 20 en 38, twaalfde lid, van de Ioaz worden in ieder geval
                            vermeld:</al>
            <lijst>
              <li nr="a."><al>de reden van de verlaging;</al></li>
              <li nr="b."><al>de duur van de verlaging;</al></li>
              <li nr="c."><al>het bedrag of percentage waarmee de uitkering wordt verlaagd,
                                    en</al></li>
              <li nr="d."><al>(indien van toepassing) de reden om af te wijken van een
                                    standaard maatregel; de maatregel wordt afgestemd op de ernst
                                    van de gedraging, de mate waarin de belanghebbende de gedraging
                                    kan worden verweten en de omstandigheden waarin hij
                                    verkeert.</al></li>
            </lijst>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>3.</nr>
              <titel>Horen van belanghebbende</titel>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1.</lidnr>
              <al>Voordat een maatregel wordt opgelegd wordt een belanghebbende in de
                                gelegenheid gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2.</lidnr>
              <al>Het horen van een belanghebbende kan achterwege blijven als:</al>
              <lijst>
                <li nr="a."><al>de vereiste spoed zich daartegen verzet;</al></li>
                <li nr="b."><al>belanghebbende al eerder in de gelegenheid is gesteld zijn
                                        zienswijze naar voren te brengen en zich sindsdien geen
                                        nieuwe feiten of omstandigheden hebben voorgedaan;</al></li>
                <li nr="c."><al>het college het horen niet nodig acht voor het vaststellen
                                        van de ernst van de gedraging of de mate van
                                        verwijtbaarheid, of</al></li>
                <li nr="d."><al>belanghebbende aangeeft hiervan geen gebruik te willen
                                        maken.</al></li>
              </lijst>
            </lid>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>4.</nr>
              <titel>Afzien van verlaging</titel>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1.</lidnr>
              <al>Het college ziet af van een verlaging indien:</al>
              <lijst>
                <li nr="a."><al>elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt;</al></li>
                <li nr="b."><al>de gedraging meer dan 1 jaar vóór constatering van die
                                        gedraging door het college heeft plaatsgevonden.</al></li>
              </lijst>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2.</lidnr>
              <al>Het college kan afzien van een verlaging indien het daarvoor
                                dringende redenen aanwezig acht.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>3.</lidnr>
              <al>Indien het college afziet van een verlaging op grond van dringende
                                redenen, wordt een belanghebbende hiervan schriftelijk op de hoogte
                                gesteld.</al>
            </lid>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>5.</nr>
              <titel>Ingangsdatum en tijdvak van een verlaging</titel>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1.</lidnr>
              <al>Een verlaging wordt toegepast op de uitkering of bijzondere bijstand
                                die is verleend met toepassing van artikel 12 van de Participatiewet
                                over de kalendermaand volgend op de maand waarin het besluit tot het
                                opleggen van de verlaging aan een belanghebbende is bekendgemaakt.
                                Daarbij wordt uitgegaan van de op dat tijdstip voor die
                                belanghebbende geldende bijstandsnorm.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2.</lidnr>
              <al>In afwijking van het eerste lid kan de maatregel met terugwerkende
                                kracht worden toegepast, voor zover de bijstand of de individuele
                                inkomenstoeslag nog niet is uitbetaald.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>3.</lidnr>
              <al>Indien een verlaging niet of niet geheel ten uitvoer kan worden
                                gelegd als gevolg van de beëindiging of intrekking van de uitkering,
                                wordt de verlaging of dat deel van de verlaging dat nog niet is
                                uitgevoerd, alsnog opgelegd als belanghebbende binnen de termijn,
                                bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel b, opnieuw een uitkering
                                ontvangt.</al>
            </lid>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>6.</nr>
              <titel>Berekeningsgrondslag</titel>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1.</lidnr>
              <al>Een verlaging wordt berekend over de bijstandsnorm.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2.</lidnr>
              <al>In afwijking van het eerste lid kan een verlaging worden toegepast
                                op de bijzondere bijstand indien:</al>
              <lijst>
                <li nr="a."><al>aan belanghebbende bijzondere bijstand wordt verleend met
                                        toepassing van artikel 12 van de Participatiewet, of</al></li>
                <li nr="b."><al>de verwijtbare gedraging van belanghebbende in relatie met
                                        zijn recht op bijzondere bijstand daartoe aanleiding
                                        geeft.</al></li>
              </lijst>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>3.</lidnr>
              <al>Bij toepassing van het tweede lid, onderdeel a, moet in de
                                hoofdstukken 2, 3 en 4 ‘bijstandsnorm’ worden gelezen als
                                ‘bijstandsnorm inclusief de op grond van artikel 12 van de
                                Participatiewet verleende bijzondere bijstand’.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>4.</lidnr>
              <al>Bij toepassing van het tweede lid, onderdeel b, moet in de
                                hoofdstukken 2, 3 en 4 ‘bijstandsnorm’ worden gelezen als ‘de
                                verleende bijzondere bijstand’.</al>
            </lid>
          </artikel>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label>Hoofdstuk</label>
            <nr>2.</nr>
            <titel>Niet nakomen van de niet geüniformeerde verplichtingen met betrekking
                            tot de arbeidsinschakeling</titel>
          </kop>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>7.</nr>
              <titel>Gedragingen Participatiewet</titel>
            </kop>
            <al>Gedragingen van een belanghebbende waardoor algemeen geaccepteerde
                            arbeid niet wordt verkregen of een verplichting op grond van de
                            artikelen 9, 9a en 55 van de Participatiewet niet of onvoldoende wordt
                            nagekomen, worden onderscheiden in de volgende categorieën:</al>
            <lijst>
              <li nr="1."><al>eerste categorie:</al><lijst>
                  <li nr="a."><al>het zich niet tijdig laten registreren als werkzoekende
                                            bij het UWV of het niet tijdig laten verlengen van de
                                            registratie;</al></li>
                  <li nr="b."><al>het zonder tegenbericht niet of te laat verschijnen op
                                            een oproep van het college om in het kader van
                                            re-integratie dan wel participatie op een aangegeven
                                            plaats en tijdstip aanwezig te zijn;</al></li>
                </lijst></li>
              <li nr="2."><al>tweede categorie:</al><lijst>
                  <li nr="a."><al>het niet of onvoldoende meewerken aan het opstellen,
                                            uitvoeren en evalueren van een plan van aanpak als
                                            bedoeld in artikel 44a van de Participatiewet;</al></li>
                  <li nr="b."><al>het onvoldoende nakomen van verplichtingen als bedoeld
                                            in de artikelen 9, eerste lid, of 55 van de
                                            Participatiewet, voor zover het gaat om een
                                            belanghebbende jonger dan 27 jaar, gedurende vier weken
                                            na een melding als bedoeld in artikel 43, vierde en
                                            vijfde lid, van de Participatiewet, voor zover deze
                                            verplichtingen niet worden genoemd in artikel 18, vierde
                                            lid, van de Participatiewet;</al></li>
                  <li nr="c."><al>het uit houding en gedrag ondubbelzinnig laten blijken
                                            verplichtingen als bedoeld in artikel 9, eerste lid,
                                            onderdeel b, van de Participatiewet niet te willen
                                            nakomen, wat heeft geleid tot het intrekken van de
                                            ontheffing van de arbeidsplicht voor een alleenstaande
                                            ouder, bedoeld in artikel 9a, eerste lid, van de
                                            Participatiewet;</al></li>
                  <li nr="d."><al>het niet of onvoldoende verrichten van een door het
                                            college opgedragen tegenprestatie naar vermogen als
                                            bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel c, van de
                                            Participatiewet;</al></li>
                </lijst></li>
              <li nr="3."><al>derde categorie: het niet naar vermogen proberen algemeen
                                    geaccepteerde arbeid te verkrijgen in de gemeente van inwoning
                                    en buiten de gemeentegrenzen voor zover dit niet voortvloeit uit
                                    een gedraging als bedoeld in artikel 18, vierde lid, van de
                                    Participatiewet.</al></li>
            </lijst>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>8.</nr>
              <titel>Gedragingen Ioaw en Ioaz</titel>
            </kop>
            <al>Gedragingen van een belanghebbende waardoor algemeen geaccepteerde
                            arbeid niet wordt verkregen of een verplichting op grond van de
                            artikelen 37 en 38 van de Ioaw of de artikelen 37 en 38 van de Ioaz niet
                            of onvoldoende wordt nagekomen, worden onderscheiden in de volgende
                            categorieën:</al>
            <lijst>
              <li nr="1."><al>eerste categorie: </al><lijst>
                  <li nr="a."><al>het zich niet tijdig laten registreren als werkzoekende
                                            bij het UWV of het niet tijdig laten verlengen van de
                                            registratie;</al></li>
                  <li nr="b."><al>het zonder tegenbericht niet of te laat verschijnen op
                                            een oproep van het college om in het kader van
                                            re-integratie dan wel participatie op een aangegeven
                                            plaats en tijdstip aanwezig te zijn;</al></li>
                </lijst></li>
              <li nr="2."><al>tweede categorie:</al><lijst>
                  <li nr="a."><al>het niet of in onvoldoende mate meewerken aan een
                                            onderzoek naar de mogelijkheden tot
                                            arbeidsinschakeling;</al></li>
                  <li nr="b."><al>het uit houding en gedrag ondubbelzinnig laten blijken
                                            de verplichtingen als bedoeld in artikel 37, eerste lid,
                                            onderdeel e, van de Ioaw of artikel 37, eerste lid,
                                            onderdeel e, van de Ioazniet te willen nakomen, wat
                                            heeft geleid tot het intrekken van de ontheffing van de
                                            arbeidsplicht voor een alleenstaande ouder als bedoeld
                                            in artikel 38, eerste lid, van de Ioawof artikel 38,
                                            eerste lid, van de Ioaz;</al></li>
                  <li nr="c."><al>het niet of onvoldoende verrichten van een door het
                                            college opgedragen tegenprestatie naar vermogen als
                                            bedoeld in artikel 37, eerste lid, onderdeel f, van de
                                            Ioaw of artikel 37, eerste lid, onderdeel f, van de
                                            Ioaz;</al></li>
                </lijst></li>
              <li nr="3."><al>derde categorie:</al><lijst>
                  <li nr="a."><al>het niet naar vermogen proberen algemeen geaccepteerde
                                            arbeid te verkrijgen;</al></li>
                  <li nr="b."><al>het niet aanvaarden van algemeen geaccepteerde
                                            arbeid;</al></li>
                  <li nr="c."><al>het door eigen toedoen niet behouden van algemeen
                                            geaccepteerde arbeid;</al></li>
                  <li nr="d."><al>het niet of onvoldoende gebruik maken van een door het
                                            college aangeboden voorziening gericht op
                                            arbeidsinschakeling als bedoeld in de artikelen 36,
                                            eerste lid, en 37, eerste li d, onderdeel e, van de Ioaw
                                            en de artikelen 36, eerste lid, en 37, eerste lid,
                                            onderdeel e, van de Ioaz, voor zover dit heeft geleid
                                            tot het geen doorgang vinden of tot voortijdige
                                            beëindiging van die voorziening.</al></li>
                </lijst></li>
            </lijst>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>9.</nr>
              <titel>Hoogte en duur van de verlaging</titel>
            </kop>
            <al>De verlaging, bij gedragingen als bedoeld in de artikelen 7 en 8, wordt
                            vastgesteld op:</al>
            <lijst>
              <li nr="a."><al>10% van de bijstandsnorm gedurende één maand bij gedragingen van
                                    de eerste categorie;</al></li>
              <li nr="b."><al>35% van de bijstandsnorm gedurende één maand bij gedragingen van
                                    de tweede categorie;</al></li>
              <li nr="c."><al>100% van de bijstandsnorm gedurende één maand bij gedragingen
                                    van de derde categorie.</al></li>
            </lijst>
          </artikel>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label>Hoofdstuk</label>
            <nr>3.</nr>
            <titel>Niet nakomen van de geüniformeerde verplichtingen met betrekking tot
                            de arbeidsinschakeling</titel>
          </kop>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>10.</nr>
              <titel>Duur verlaging bij schending geüniformeerde
                                arbeidsverplichting</titel>
            </kop>
            <al>Als een belanghebbende een verplichting als bedoeld in artikel 18,
                            vierde lid, van de Participatiewet niet of onvoldoende nakomt, bedraagt
                            de verlaging 100% van de bijstandsnorm gedurende één maand.</al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>11.</nr>
              <titel>Verrekenen verlaging</titel>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1.</lidnr>
              <al>Het bedrag van de verlaging, bedoeld in artikel 10, wordt toegepast
                                over de maand van oplegging van de maatregel en de volgende twee
                                maanden als bijzondere omstandigheden dit rechtvaardigen.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2.</lidnr>
              <al>Indien sprake is van een verlaging op grond van artikel 18, vierde
                                lid, onderdeel a, van de Participatiewet, vindt geen verrekening als
                                bedoeld in het eerste lid plaats.</al>
            </lid>
          </artikel>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label>Hoofdstuk</label>
            <nr>4.</nr>
            <titel>Overige gedragingen die leiden tot een verlaging</titel>
          </kop>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>12.</nr>
              <titel>Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid</titel>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1.</lidnr>
              <al>De verlaging wegens tekortschietend besef van verantwoordelijkheid
                                voor de voorziening in het bestaan als bedoeld in artikel 18, vijfde
                                lid van de Participatiewet, als gevolg waarvan een beroep wordt
                                gedaan op de Participatiewet, bedraagt 1 maand 100%.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2.</lidnr>
              <al>Een verlaging wegens tekortschietend besef van verantwoordelijkheid
                                voor de voorziening in het bestaan als bedoeld in artikel 18, tweede
                                lid, van de Participatiewet, anders dan in lid 1, wordt afgestemd op
                                het benadelingsbedrag.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>3.</lidnr>
              <al>De verlaging wordt vastgesteld op:</al>
              <lijst>
                <li nr="a."><al>10% van de bijstandsnorm gedurende één maand bij een
                                        benadelingsbedrag tot € 1.000,00;</al></li>
                <li nr="b."><al>20% van de bijstandsnorm gedurende één maand bij een
                                        benadelingsbedrag vanaf € 1.000,00 tot € 2.000,00;</al></li>
                <li nr="c."><al>40% van de bijstandsnorm gedurende één maand bij een
                                        benadelingsbedrag vanaf € 2.000,00 tot € 4.000,00;</al></li>
                <li nr="d."><al>100%van de bijstandsnorm gedurende één maand bij een
                                        benadelingsbedrag van € 4.000,00 of hoger.</al></li>
              </lijst>
            </lid>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>13.</nr>
              <titel>Zeer ernstige misdragingen</titel>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1.</lidnr>
              <al>Indien een belanghebbende zich zeer ernstig misdraagt tegenover
                                personen en instanties die zijn belast met de uitvoering van de
                                Participatiewet als bedoeld in artikel 9, zesde lid, van die wet,
                                wordt een verlaging opgelegd van:</al>
              <lijst>
                <li nr="a."><al>100% van de bijstandsnorm gedurende één maand, bij het
                                        uitoefenen van fysiek geweld tegen de in het eerste lid
                                        genoemde personen;</al></li>
                <li nr="b."><al>50% van de bijstandsnorm gedurende één maand, bij het
                                        uitoefenen van fysiek geweld tegen materiële zaken en bij
                                        mondelinge of schriftelijke bedreigingen gericht tegen de in
                                        het eerste lid genoemde personen.</al></li>
              </lijst>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2.</lidnr>
              <al>Indien een belanghebbende zich zeer ernstig misdraagt tegenover het
                                college of zijn ambtenaren, onder omstandigheden die rechtstreeks
                                verband houden met de uitvoering van de Ioaw of Ioaz, wordt een
                                verlaging opgelegd van:</al>
              <lijst>
                <li nr="a."><al>100% van de bijstandsnorm gedurende één maand bij het
                                        uitoefenen van fysiek geweld tegen de in het tweede lid
                                        genoemde personen;</al></li>
                <li nr="b."><al>50% van de bijstandsnorm gedurende één maand bij het
                                        uitoefenen van fysiek geweld tegen materiële zaken en bij
                                        mondelinge of schriftelijke bedreigingen gericht tegen de in
                                        het tweede lid genoemde personen.</al></li>
              </lijst>
            </lid>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>14.</nr>
              <titel>Niet nakomen van overige verplichtingen</titel>
            </kop>
            <al>Als een belanghebbende een door het college opgelegde verplichting als
                            bedoeld in artikel 55 van de Participatiewet niet of onvoldoende nakomt,
                            wordt een verlaging toegepast. De verlaging bedraagt:</al>
            <lijst>
              <li nr="a."><al>20% van de bijstandsnorm gedurende één maand, bij het niet of
                                    onvoldoende nakomen van verplichtingen die strekken tot
                                    arbeidsinschakeling;</al></li>
              <li nr="b."><al>20% van de bijstandsnorm gedurende één maand, bij het niet of
                                    onvoldoende nakomen van verplichtingen die verband houden met de
                                    aard en het doel van een bepaalde vorm van bijstand;</al></li>
              <li nr="c."><al>40% van de bijstandsnorm gedurende één maand, bij het niet of
                                    onvoldoende nakomen van verplichtingen die strekken tot
                                    vermindering van de bijstand;</al></li>
              <li nr="d."><al>100% van de bijstandsnorm gedurende één maand, bij het niet of
                                    onvoldoende nakomen van verplichtingen die strekken tot
                                    beëindiging van de bijstand.</al></li>
            </lijst>
          </artikel>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label>Hoofdstuk</label>
            <nr>5.</nr>
            <titel>Samenloop en recidive</titel>
          </kop>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>15.</nr>
              <titel>Samenloop van gedragingen</titel>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1.</lidnr>
              <al>Indien sprake is van één gedraging die schending oplevert van
                                meerdere in deze verordening of artikel 18, vierde lid, van de
                                Participatiewet genoemde verplichtingen, wordt één verlaging
                                opgelegd. Voor het bepalen van de hoogte en duur van de verlaging
                                wordt uitgegaan van de gedraging waarop de hoogste verlaging is
                                gesteld.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2.</lidnr>
              <al>Indien sprake is van meerdere gedragingen die schending opleveren
                                van één of meerdere in deze verordening of artikel 18, vierde lid,
                                van de Participatiewet genoemde verplichtingen, wordt voor iedere
                                gedraging een afzonderlijke verlaging opgelegd. Deze verlagingen
                                worden gelijktijdig opgelegd, tenzij dit gelet op de ernst van de
                                gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de omstandigheden van de
                                belanghebbende niet verantwoord is.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>3.</lidnr>
              <al>Indien sprake is van één gedraging die schending oplevert van zowel
                                een in deze verordening of artikel 18, vierde lid, van de
                                Participatiewet genoemde verplichting als een in artikel 17, eerste
                                lid, van de Participatiewet genoemde verplichting, wordt geen
                                verlaging opgelegd, voor zover voor die schending een bestuurlijke
                                boete wordt opgelegd.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>4.</lidnr>
              <al>Indien sprake is van meerdere gedragingen die schending opleveren
                                van zowel een in deze verordening of artikel 18, vierde lid, van de
                                Participatiewet genoemde verplichting als een in artikel 17, eerste
                                lid, van de Participatiewet genoemde verplichting, waarvoor een
                                bestuurlijke boete kan worden opgelegd, wordt voor iedere gedraging
                                een afzonderlijke verlaging opgelegd, tenzij dit gelet op de ernst
                                van de gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de omstandigheden
                                van de belanghebbende niet verantwoord is.</al>
            </lid>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>16.</nr>
              <titel>Recidive</titel>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1.</lidnr>
              <al>Indien een belanghebbende zich binnen twaalf maanden na bekendmaking
                                van een besluit waarmee een verlaging is toegepast vanwege een
                                gedraging als bedoeld in de artikelen 7, tweede of derde lid, 8,
                                tweede of derde lid, 12, eerste lid, of 14 opnieuw schuldig maakt
                                aan eenzelfde verwijtbare gedraging, wordt telkens de duur van de
                                oorspronkelijke verlaging verdubbeld.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2.</lidnr>
              <al>Indien een belanghebbende zich binnen twaalf maanden na bekendmaking
                                van een besluit waarmee een verlaging is toegepast vanwege een
                                gedraging als bedoeld in de artikelen 7, eerste lid, 8, eerste lid
                                of 13 opnieuw schuldig maakt aan eenzelfde verwijtbare gedraging,
                                wordt telkens de hoogte van de oorspronkelijke verlaging
                                verdubbeld.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>3.</lidnr>
              <al>Indien een belanghebbende zich binnen twaalf maanden na bekendmaking
                                van een besluit waarmee een verlaging is toegepast vanwege een
                                gedraging als bedoeld in artikel 18, vierde lid, van de
                                Participatiewet, opnieuw schuldig maakt aan een verwijtbare
                                gedraging als bedoeld in artikel 18, vierde lid, van de
                                Participatiewet, bedraagt de verlaging 100% van de bijstandsnorm
                                gedurende drie maanden.</al>
            </lid>
          </artikel>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label>Hoofdstuk</label>
            <nr>6.</nr>
            <titel>Blijvende of tijdelijke weigering Ioaw/Ioaz</titel>
          </kop>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>17.</nr>
              <titel>Samenloop bij weigeren uitkering Ioaw/Ioaz</titel>
            </kop>
            <al>Indien het college de uitkering op grond van artikel 20, eerste lid, van
                            de Ioaw of artikel 20, tweede lid, van de Ioaz blijvend of tijdelijk
                            weigert en de gedraging die tot deze weigering heeft geleid tevens op
                            grond van deze verordening tot een verlaging zou kunnen leiden, blijft
                            een verlaging ter zake van die gedraging achterwege.</al>
          </artikel>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label>Hoofdstuk</label>
            <nr>7.</nr>
            <titel>Bescherming beslagvrije voet bij verrekening bestuurlijke boete
                            wegens recidive</titel>
          </kop>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>18.</nr>
              <titel>Verrekenen met beslagvrije voet bij voldoende bezit</titel>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1.</lidnr>
              <al>Indien het bezit van een belanghebbende tenminste driemaal de
                                uitkeringsnorm bedraagt, verrekent het college de recidiveboete
                                zonder inachtneming van de beslagvrije voet.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2.</lidnr>
              <al>De verrekening als bedoeld in het eerste lid geschiedt gedurende een
                                tijdvak van drie maanden vanaf het moment van de dagtekening waarop
                                de bestuurlijke boete is opgelegd.</al>
            </lid>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>19.</nr>
              <titel>Verrekenen met beslagvrije voet bij geen of onvoldoende
                                bezit</titel>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1.</lidnr>
              <al>Indien het bezit minder bedraagt dan bedoeld in artikel 18, eerste
                                lid, verrekent het college de recidiveboete 1 maand zonder
                                inachtneming van de beslagvrije voet.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2.</lidnr>
              <al>De verrekening als bedoeld in het eerste lid geschiedt gedurende een
                                tijdvak van drie maanden vanaf het moment van de dagtekening waarop
                                de bestuurlijke boete is opgelegd.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>3.</lidnr>
              <al>Aansluitend hierop verrekent het college de recidiveboete in de
                                eerstvolgende twee maanden op een dusdanige wijze dat belanghebbende
                                blijft beschikken over 80% van de voor hem geldende
                                bijstandsnorm.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>4.</lidnr>
              <al>Tot het inkomen, bedoeld in het derde lid, worden ook middelen
                                gerekend als bedoeld in artikel 31, tweede lid, onder n, r en z van
                                de Participatiewet.</al>
            </lid>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>20.</nr>
              <titel>Verrekenen met inachtneming beslagvrije voet</titel>
            </kop>
            <al>In afwijking van artikel 18 en 19 kan het college de recidiveboete met
                            inachtneming van de beslagvrije voet verrekenen indien: </al>
            <lijst>
              <li nr="a."><al>aannemelijk is dat de verrekening zou leiden tot uithuiszetting,
                                    of; </al></li>
              <li nr="b."><al>anderszins sprake is van dringende redenen. </al></li>
            </lijst>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>21.</nr>
              <titel>Eerder opgelegde bestuurlijke boete</titel>
            </kop>
            <al>De artikelen 18, 19 en 20 zijn van overeenkomstige toepassing op de
                            verrekening van de bestuurlijke boete bedoeld in artikel 18a, eerste
                            lid, van de Participatiewet, voor zover deze boete nog niet is betaald
                            op het moment van verrekening van de recidiveboete. </al>
          </artikel>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label>Hoofdstuk</label>
            <nr>8.</nr>
            <titel>Slotbepalingen</titel>
          </kop>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>22.</nr>
              <titel>Nadere regels en hardheidsclausule</titel>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1.</lidnr>
              <al>In gevallen, de uitvoering van deze verordening betreffend, waarin
                                de verordening niet voorziet, beslist het college.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2.</lidnr>
              <al>Voor zover noodzakelijk voor de uitvoering van deze verordening kan
                                het college in beleidsregels nadere regels stellen.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>3.</lidnr>
              <al>Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de
                                rechthebbende afwijken van de bepalingen van deze verordening indien
                                toepassing van de verordening tot onbillijkheden van overwegende
                                aard leidt. </al>
            </lid>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>23.</nr>
              <titel>Overgangsbepalingen</titel>
            </kop>
            <al>Voor gedragingen die betrekking hebben op de periode van voor de
                            inwerkingtreding van deze verordening blijven de bepalingen van de
                            Handhavingsverordening 2013 van toepassing.</al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>24.</nr>
              <titel>Intrekken oude verordening</titel>
            </kop>
            <al>De Handhavingsverordening 2013 en de Afstemmingsverordening Wwb, Ioaw,
                            Ioaz en Bbz gemeente Twenterand 2012 worden ingetrokken.</al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>25.</nr>
              <titel>Inwerkingtreding en citeertitel</titel>
            </kop>
            <lijst>
              <li nr="1."><al> Deze verordening treedt in werking met ingang van de eerste dag
                                    na de datum van bekendmaking.</al></li>
              <li nr="2."><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Handhavingsverordening
                                    Participatiewet, Ioaw, Ioaz en Bbz gemeente Twenterand.</al></li>
            </lijst>
          </artikel>
        </hoofdstuk>
      </regeling-tekst>
      <regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering>
        
        <ondertekening>Vriezenveen, 10 februari 2015</ondertekening>
        <ondertekening>De raad voornoemd,</ondertekening>
        <ondertekening>de griffier, de voorzitter,</ondertekening>
        <ondertekening>drs. R.J.M. Ros ir. C.L. Visser</ondertekening>
      </regeling-sluiting>
      <nota-toelichting>
        <kop>
          <titel>Toelichting</titel>
        </kop>
        <tussenkop>Algemeen</tussenkop>
        <tussenkop>Rechten en plichten in de Participatiewet</tussenkop>
        <al>De gemeente heeft een verantwoordelijkheid met betrekking tot de invulling van
                    de rechten en plichten van bijstandsgerechtigden. Mede gelet op de
                    rechtszekerheid van een bijstandsgerechtigde moet het gemeentelijk beleid
                    vastgelegd worden in een verordening. Rechten en plichten zijn echter twee
                    kanten van één medaille. Het recht op algemene bijstand is altijd verbonden aan
                    de plicht zich in te zetten om weer onafhankelijk te worden van de
                    uitkering.</al>
        <al>Artikel 18, eerste lid, van de Participatiewet spreekt over het afstemmen van de
                    bijstand en de daaraan verbonden verplichtingen op de omstandigheden,
                    mogelijkheden en middelen van een belanghebbende. In deze bepaling wordt
                    benadrukt dat het vaststellen van de hoogte van de uitkering en de daaraan
                    verbonden verplichtingen voor bijstandsgerechtigden maatwerk is. Daarbij moet
                    recht worden gedaan aan de individuele situatie en de persoonlijke
                    omstandigheden van bijstandsgerechtigden. Artikel 18, tweede lid, van de
                    Participatiewet legt een directe koppeling tussen de rechten en plichten van
                    uitkeringsgerechtigden: het recht op een uitkering is altijd verbonden aan de
                    plicht zich in te zetten om weer onafhankelijk te worden van de uitkering. Dit
                    betekent dat de vaststelling van de hoogte van de uitkering niet alleen afhangt
                    van de toepasselijke uitkeringsnorm en de beschikbare middelen van de
                    bijstandsgerechtigde, maar ook van de mate waarin de verplichtingen worden
                    nagekomen. De inspanningen die van de bijstandsgerechtigde naar vermogen kunnen
                    worden verwacht, spelen ook een rol.</al>
        <al>Wanneer het college tot het oordeel komt dat een bijstandsgerechtigde zijn
                    verplichtingen niet of in onvoldoende mate nakomt, verlaagt het de uitkering. Er
                    is dus geen sprake van een bevoegdheid, maar van een verplichting. Alleen
                    wanneer iedere vorm van verwijtbaarheid ontbreekt, ziet het college af van een
                    dergelijke verlaging. Het college moet niettemin bij de vaststelling van de
                    verlaging rekening houden met de persoonlijke omstandigheden en de individueel
                    vastgestelde verplichtingen. Het college kan dan ook van een verlaging afzien
                    als het college daartoe zeer dringende reden aanwezig acht.</al>
        <al>Met ingang van 1 januari 2015 zijn in artikel 18, vierde lid, van de
                    Participatiewet geüniformeerde arbeidsverplichtingen opgenomen. Voor schending
                    van deze verplichting geldt dat de bijstand in beginsel moet worden verlaagd met
                    honderd procent gedurende één tot drie maanden. In de verordening de duur van de
                    verlaging vastgelegd (artikel 18, vijfde lid, van de Participatiewet).</al>
        <al>Is afgezien van een verlaging wegens het ontbreken van elke vorm van
                    verwijtbaarheid, dan is het niet mogelijk om bij toepassing van bepalingen ten
                    aanzien van recidive deze gedraging mee te tellen. Is vanwege de afstemming op
                    grond van artikel 18, eerste lid, van de Participatiewet of vanwege dringende
                    redenen afgezien van het opleggen van een verlaging, dan is daarin geen reden
                    gelegen om de betreffende gedraging buiten beschouwing te laten in geval van
                    recidive.</al>
        <al>Het college beoordeelt uiterlijk drie maanden na de datum van de beschikking of
                    de omstandigheden en het gedrag van belanghebbende aanleiding geven de
                    beslissing te herzien (artikel 18, derde li d, van de Participatiewet). Bij een
                    dergelijke herbeoordeling hoeft niet opnieuw een besluit te worden genomen,
                    waarbij alle feiten en omstandigheden opnieuw tegen het licht worden
                    gehouden.</al>
        <al>Het heeft slechts als doel vast te stellen of belanghebbende tussentijds (binnen
                    de periode waarover de verlaging zich uitstrekt) blijk heeft gegeven van een
                    zodanige gedragsverandering of dat sprake is van een zodanige wijziging van
                    omstandigheden, dat aanleiding bestaat de eerder opgelegde verlaging in zwaarte
                    of duur bij te stellen.</al>
        <al>Artikel 18 derde lid, van de Participatiewet is naar het oordeel van het
                    ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid niet van toepassing als sprake
                    is van schending van een van de geüniformeerde arbeidsverplichtingen (artikel
                    18, vierde lid, van de Participatiewet). Ten aanzien van geüniformeerde
                    arbeidsverplichtingen is artikel 18, elfde lid, van de Participatiewet van
                    toepassing. Verschil tussen artikel 18, derde lid, en artikel 18, elfde lid, van
                    de Participatiewet is dat artikel 18, elfde lid, pas wordt toegepast als
                    belanghebbende daarom vraagt.</al>
        <al>Een verlaging krachtens de afstemmingsverordening is een punitieve sanctie voor
                    zover de verlaging wordt opgelegd omdat belanghebbende zich zeer ernstig heeft
                    misdragen.<sup>2</sup> Als een betreffende gedraging ook een strafbaar feit
                    oplevert, kan belanghebbende hier strafrechtelijk voor worden vervolgd. Deze
                    verlaging en de strafvervolging kunnen alleen naast elkaar bestaan als sprake is
                    van juridisch te onderscheiden feiten. Bijvoorbeeld: belanghebbende beledigt
                    opzettelijk een ambtenaar. Strafrechtelijk bezien kan een geldboete worden
                    opgelegd of een gevangenisstraf van ten hoogste drie maanden. Daarnaast is
                    sprake van zich zeer ernstig misdragen zoals bedoeld in artikel 9, zesde lid,
                    van de Participatiewet op grond waarvan de bijstand kan worden verlaagd.</al>
        <al>In andere gevallen waarin een verlaging wordt opgelegd krachtens de
                    afstemmingsverordening is sprake van een reparatoire sanctie (bijvoorbeeld bij
                    schending arbeidsverplichting). Als een betreffende gedraging ook een strafbaar
                    feit oplevert, kan belanghebbende hier strafrechtelijk voor worden vervolgd. De
                    verlaging en de strafvervolging kunnen naast elkaar bestaan omdat het hier gaat
                    om een reparatoire maatregel en een punitieve sanctie.</al>
        <tussenkop>Afstemmen in de Ioaw en de Ioaz</tussenkop>
        <al>Sinds 1 juli 2010 heeft het college de mogelijkheid een uitkering op grond van
                    de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze
                    werknemers (hierna: Ioaw) of Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                    arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (hierna: Ioaz) te verlagen of te
                    weigeren als een belanghebbende de aan het recht op uitkering verbonden
                    verplichtingen niet of onvoldoende nakomt (artikel 20 van de Ioaw en artikel van
                    de 20 Ioaz). Het gemeentelijk beleid moet vastgelegd worden in een verordening
                    (artikel van de 35 Ioaw en artikel 35 van de Ioaz).</al>
        <al>De verlaging van de uitkering komt in de plaats van het boeten- en
                    maatregelenregime, waarbij moet worden opgemerkt dat de mogelijkheid om een
                    boete op te leggen al per 1 januari 2010 was vervallen.</al>
        <tussenkop>Niet verlenen van medewerking</tussenkop>
        <al>Het niet verlenen van medewerking zal niet snel aanleiding geven tot verlaging
                    van de bijstand. Het belangrijkste voorbeeld van de medewerkingsplicht is het
                    toestaan van een huisbezoek. In de praktijk zal het niet toestaan van een
                    huisbezoek echter leiden tot beëindiging of intrekking van het recht op bijstand
                    omdat het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. Het verlagen van de
                    bijstand is in dat geval niet aan de orde. Het niet voldoen aan een oproep om op
                    een bepaalde plaats en tijd te verschijnen in verband met arbeidsinschakeling
                    valt ook onder het niet voldoen aan de medewerkingsplicht. In de praktijk
                    betreft het echter veelal oproepen voor gesprekken om bepaalde inlichtingen te
                    verstrekken zodat het niet verschijnen dan wordt gezien als het niet nakomen van
                    de inlichtingenplicht. Daarom is ervoor gekozen het niet verlenen van
                    medewerking zoals bedoeld in artikel 17, tweede lid, van de Participatiewet niet
                    als verlagingswaardige gedraging op te nemen in deze verordening.</al>
        <al>
          <sup>2</sup> CRvB 31-12-2007, nrs. 06/4510 WWB, ECLI:NL:CRVB:2007:BC1811, CRvB
                    29 -07-2008, nrs. 07/2262 WWB e.a., ECLI:NL:CRVB:2008:BD9023, CRvB 19-08-2008,
                    nrs. 07/2416 WWB e.a., ECLI:NL:CRVB:2008:BE8919 en CRvB 19 - 01-2010, nr.
                    08/1012 WWB, ECLI:NL:CRVB:2010:BL0052.</al>
        <tussenkop>Schenden van de inlichtingenplicht</tussenkop>
        <al>De bestuurlijke boete is per 1 januari 2013 opnieuw ingevoerd in de Wet werk en
                    bijstand (hierna: WWB) (thans: Participatiewet), Ioaw en Ioaz. Deze moet worden
                    opgelegd bij een schending van de inlichtingenplicht en komt in de plaats van de
                    verlaging van de bijstand. </al>
        <al>De gemeenteraad is verplicht om in een verordening nadere regels te stellen over
                    de bevoegdheid de beslagvrije voet tijdelijk buiten werking te stellen bij
                    verrekening van de recidiveboete (artikel 8, lid 1 onder d Participatiewet). De
                    bepalingen in artikel 18 tot en met 21 van de Afstemmingsverordening stellen
                    hieromtrent nadere regels.</al>
        <tussenkop>Artikelsgewijze toelichting</tussenkop>
        <tussenkop>Artikelsgewijze toelichting</tussenkop>
        <al>Enkel die bepalingen die nadere toelichting behoeven worden hier behandeld.</al>
        <tussenkop>Artikel 1. Begrippen</tussenkop>
        <al>Begrippen die al zijn omschreven in de Participatiewet, de Ioaw, de Ioaz, de
                    Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) of de Gemeentewet worden niet
                    afzonderlijk gedefinieerd in deze verordening. Deze zijn vanzelfsprekend van
                    toepassing op deze verordening.</al>
        <tussenkop>Bijstandsnorm</tussenkop>
        <al>Onder de ‘bijstandsnorm’ wordt in deze verordening verstaan de in de situatie
                    van belanghebbende geldende bijstandsnorm. Dit is de toepasselijke norm,
                    vermeerderd met toeslagen (zoals de alleenstaande ouderkopregeling), en
                    verminderd met verlagingen, alles inclusief vakantietoeslag. Voor zover sprake
                    is van een uitkering op grond van de Ioaw of de Ioaz wordt onder bijstandsnorm
                    verstaan de toepasselijke grondslag zoals bedoeld in artikel 5 van de Ioaw en
                    artikel 5 van de Ioaz.</al>
        <tussenkop>Benadelingsbedrag</tussenkop>
        <al>Het benadelingsbedrag is de netto-uitkering waarop eerder, langer of tot een
                    hoger bedrag een beroep wordt of is gedaan ten gevolge van tekortschietend besef
                    van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan. Voor het bepalen
                    van het benadelingsbedrag wordt uitgegaan van het nettobedrag van de uitkering,
                    zoals ook het geval is bij het benadelingsbedrag in het kader van de
                    bestuurlijke boete.<sup>3</sup></al>
        <tussenkop>Artikel 2. Het besluit tot opleggen van een verlaging</tussenkop>
        <al>Het verlagen van een uitkering op grond van deze verordening vindt plaats door
                    middel van een besluit. Tegen dit besluit kan een belanghebbende bezwaar en
                    beroep indienen. In dit artikel is aangegeven wat in het besluit in ieder geval
                    moet worden vermeld. Deze eisen vloeien rechtstreeks voort uit de Awb en dan
                    vooral uit het motiveringsvereiste. Het motiveringsvereiste houdt onder andere
                    in dat een besluit kenbaar is en van een deugdelijke motivering is
                    voorzien.</al>
        <tussenkop>Artikel 4. Afzien van verlaging</tussenkop>
        <tussenkop>Afzien van verlagen</tussenkop>
        <al>Het afzien van het opleggen van een verlaging “indien elke vorm van
                    verwijtbaarheid ontbreekt", is overgenomen uit artikel 18, negende lid, van de
                    Participatiewet, respectievelijk artikel 20, derde lid, van de Ioaw en artikel
                    20, derde lid, van de Ioaz. Aangenomen moet worden dat hiervan uitsluitend
                    sprake is bij evidente afwezigheid van verwijtbaarheid.<sup>4</sup> Het is aan
                    het college te beoordelen of elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt aan het
                    betreffende gedrag. Is vanwege de afwezigheid van elke vorm van verwijtbaarheid
                    afgezien van een verlaging, dan is het niet mogelijk om bij toepassing van
                    recidive deze gedraging mee te tellen (zie artikel 16 van deze verordening). Is
                    vanwege de afstemming op grond van artikel 18, eerste lid, van de
                    Participatiewet van een verlaging afgezien dan is daarin geen reden gelegen om
                    de betreffende gedraging buiten beschouwing te laten in geval van recidive.</al>
        <al>Kamerstukken II 2011/12, 33 207, nr. 3, blz. 43.</al>
        <al>CRvB 24-07-2001, nr. 99/1857 NABW, ECLI:NL:CRVB:2001:AD4887.</al>
        <al>Een andere reden om af te zien van het opleggen van een verlaging is dat de
                    gedraging te lang geleden heeft plaatsgevonden (verjaring). Omwille van de
                    effectiviteit (“lik op stuk”) is het nodig dat een verlaging spoedig nadat de
                    gedraging heeft plaatsgehad, wordt opgelegd.</al>
        <al>Het college kan geen verlaging opleggen voor gedragingen die langer een jaar
                    geleden hebben plaatsgevonden. Deze verjaringstermijn laat overigens onverlet
                    dat het vanuit het oogpunt van effectiviteit (“lik op stuk”) nastrevenswaardig
                    wordt geacht zo spoedig mogelijk een verlaging op te leggen nadat de gedraging
                    heeft plaatsgevonden. Dat heeft bovendien als voordeel dat een
                    uitkeringsgerechtigde niet te lang in onzekerheid wordt gehouden over de vraag
                    of de gemeente overgaat tot het opleggen van een verlaging.</al>
        <tussenkop>Afzien van verlagen in verband met dringende redenen</tussenkop>
        <al>In het tweede lid is geregeld dat kan worden afgezien van het opleggen van een
                    verlaging als daarvoor dringende redenen aanwezig zijn. De verordening stelt een
                    algemene verplichting tot het opleggen van een verlaging voorop. Uitzonderingen
                    moeten echter mogelijk zijn als voor de belanghebbende onaanvaardbare
                    consequenties zouden optreden. Uit het woord "dringend" blijkt dat er wel iets
                    heel bijzonders en uitzonderlijks aan de hand moet zijn, wil een afwijking van
                    het algemene principe gerechtvaardigd zijn. Wat dringende redenen zijn, is
                    afhankelijk van de concrete situatie en kan dus niet op voorhand worden
                    vastgelegd. Er kan worden gedacht aan enerzijds een mindere mate van
                    verwijtbaarheid ten aanzien van de gedraging en anderzijds aan de financiële of
                    sociale gevolgen voor belanghebbende en/of diens gezin. Daarbij moet worden
                    opgemerkt dat ernstige financiële gevolgen op zichzelf geen reden zijn om van
                    een verlaging af te zien, omdat dit inherent is aan het verlagen van een
                    uitkering.</al>
        <tussenkop>Afzien verlagen ook mogelijk bij geüniformeerde
                    arbeidsverplichtingen</tussenkop>
        <al>De wet schrijft bij overtreding van een geüniformeerde arbeidsverplichting een
                    afstemming voor van honderd procent van de bijstand gedurende één tot drie
                    maanden. Op grond van artikel 18, tiende lid, van de Participatiewet moet het
                    college een op te leggen maatregel of een opgelegde maatregel afstemmen op de
                    omstandigheden van een belanghebbende en diens mogelijkheden om middelen te
                    verwerven. Dit als - volgens het college - dringende redenen daartoe noodzaken,
                    gelet op bijzondere omstandigheden. Op grond van bijzondere omstandigheden kan
                    het college besluiten de maatregel op een lager niveau, voor een kortere duur of
                    op nul vast te stellen.</al>
        <tussenkop>Schriftelijke mededeling in verband met recidive</tussenkop>
        <al>Het doen van een schriftelijke mededeling in een beschikking dat het college
                    afziet van het opleggen van een verlaging wegens dringende redenen is van belang
                    in verband met eventuele recidive (artikel 4, derde lid). Het opleggen van een
                    verlaging bij recidive is geregeld in artikel 16.</al>
        <tussenkop>Artikel 5. Ingangsdatum en tijdvak van een verlaging</tussenkop>
        <al>Het verlagen van de uitkering die in de nabije toekomst wordt verstrekt, is de
                    gemakkelijkste methode van het opleggen van een verlaging. Dan hoeft niet te
                    worden overgegaan tot herziening van de uitkering en terugvordering van het te
                    veel betaalde bedrag. In de praktijk zal dit meestal inhouden dat een verlaging
                    wordt opgelegd met ingang van de eerste dag van de kalendermaand, die volgt op
                    de kalendermaand waarin het besluit bekend is gemaakt. Voor de berekening van de
                    hoogte van de verlaging moet worden uitgegaan van de voor die maand geldende
                    bijstandsnorm.</al>
        <tussenkop>Verlagen met terugwerkende kracht (tweede lid)</tussenkop>
        <al>Het is niet altijd mogelijk om een lopende uitkering af te stemmen. In die
                    gevallen kan de verlaging met terugwerkende kracht te worden toegepast. Het
                    afstemmingsbesluit dat in dat geval wordt genomen, is een bijzondere vorm van
                    herziening van de uitkering. Het besluit leidt namelijk tot te veel verstrekte
                    uitkering. De uitkering die op grond van het afstemmingsbesluit te veel is
                    verstrekt kan met toepassing van artikel 58, tweede lid, onderdeel a, van de
                    Participatiewet, respectievelijk artikel 25, tweede lid, van de Ioaw en van de
                    Ioaz, worden teruggevorderd. Afstemming met terugwerkende kracht is echter niet
                    altijd mogelijk. Als alle uitkering over de betreffende periode is ingetrokken
                    en teruggevorderd, resteert er niets meer om af te stemmen. Is geen duidelijke
                    datum te koppelen aan de gedraging van een belanghebbende of is de verlaging het
                    gevolg van een gedraging voorafgaande aan de aanvraag, dan is verlagen met
                    terugwerkende kracht evenmin mogelijk en kan de verlaging uitsluitend naar de
                    toekomst toe worden toegepast. Denk bijvoorbeeld aan het nalaten om voldoende te
                    solliciteren.</al>
        <tussenkop>Verlaging uitvoeren op nieuwe uitkering (derde lid)</tussenkop>
        <al>Een verlaging kan niet los worden gezien van het recht op bijstand. Het opleggen
                    van een verlaging is niet mogelijk als een belanghebbende geen recht op bijstand
                    (meer) heeft.<sup>5</sup> Als een verlaging niet of niet geheel ten uitvoer kan
                    worden gelegd als gevolg van de beëindiging of intrekking van de uitkering, is
                    het ook mogelijk om de verlaging of dat deel van de verlaging dat nog niet is
                    uitgevoerd, alsnog op te leggen als belanghebbende binnen een bepaalde termijn
                    na beëindiging van de uitkering opnieuw een uitkering op grond van de wet
                    ontvangt. Het college moet wel rekening houden met de vervaltermijn voor het
                    opleggen van een maatregel zoals bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel
                    b.</al>
        <al>Een dergelijke maatregel kan vanwege de samenhang met het recht op bijstand niet
                    bij voorbaat worden opgelegd. Het college moet bij het opnieuw toekennen van het
                    recht op bijstand beoordelen in hoeverre er nog aanleiding bestaat om een
                    verlaging toe te passen. Pas dan is sprake van e en afstemmingsbesluit en staat
                    de mogelijkheid van bezwaar tegen de maatregel open.<sup>6</sup></al>
        <tussenkop>Artikel 6. Berekeningsgrondslag</tussenkop>
        <tussenkop>Bijstandsnorm</tussenkop>
        <al>In het eerste lid is het uitgangspunt vastgelegd dat een verlaging wordt
                    berekend over de bijstandsnorm. Onder de bijstandsnorm wordt verstaan de
                    wettelijke norm, inclusief gemeentelijke toeslag of verlaging en inclusief
                    vakantietoeslag. Bij een uitkering op grond van de Ioaw of de Ioaz wordt gekeken
                    naar de grondslag als bedoeld in artikel 5 van de Ioaw respectievelijk van de
                    Ioaz.</al>
        <tussenkop>Bijzondere bijstand</tussenkop>
        <al>In het tweede lid is bepaald dat een verlaging ook kan worden toegepast op de
                    bijzondere bijstand als aan een belanghebbende bijzondere bijstand wordt
                    verleend met toepassing van artikel 12 van de Participatiewet. Personen tussen
                    de 18 en 21 jaar ontvangen een lage jongerennorm, die indien noodzakelijk wordt
                    aangevuld door middel van aanvullende bijzondere bijstand in de kosten van
                    levensonderhoud. Als een verlaging uitsluitend op de lage jongerennorm wordt
                    opgelegd, zou dit leiden tot rechtsongelijkheid ten opzichte van de 21-jarigen.
                    Daarom is in het derde lid, onderdeel a, geregeld dat de berekeningsgrondslag in
                    dat geval bestaat uit de bijstandsnorm inclusief de verleende bijzondere
                    bijstand op grond van artikel 12 van de Participatiewet.</al>
        <al>Op grond van het tweede lid, onderdeel b, is het mogelijk dat het college in
                    incidentele gevallen een verlaging oplegt over de bijzondere bijstand. Er moet
                    dan wel een verband bestaan tussen de gedraging van een belanghebbende en zijn
                    recht op bijzondere bijstand. Een verlaging kan uitsluitend worden opgelegd als
                    daadwerkelijk bijzondere bijstand is verstrekt.</al>
        <table>
          <tgroup cols="2">
            <colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="1*"/>
            <colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="99*"/>
            <tbody>
              <row>
                <entry colname="col1">
                  <al>
                    <cursief>5</cursief>
                  </al>
                </entry>
                <entry colname="col2">
                  <al>
                    <cursief>CRvB 07-08-2012, nr. 10/3435 WWB,
                                            ECLI:NL:CRVB:2012:BX3978.</cursief>
                  </al>
                </entry>
              </row>
              <row>
                <entry colname="col1">
                  <al>
                    <cursief>6</cursief>
                  </al>
                </entry>
                <entry colname="col2">
                  <al>
                    <cursief>CRvB 08-09-2009, nrs. 07/6337 WWB e.a.,
                                            ECLI:NL:CRVB:2009:BJ7732 en CRvB 07 -12-2010, nr.
                                            09/1094 WWB,</cursief>
                  </al>
                </entry>
              </row>
            </tbody>
          </tgroup>
        </table>
        <tussenkop>ECLI:NL:CRVB:2010:BO6721.</tussenkop>
        <al>De verordening biedt geen ruimte om een verlaging toe te passen op een
                    individuele inkomenstoeslag.</al>
        <tussenkop>Artikel 7. Gedragingen Participatiewet</tussenkop>
        <al>De artikelen 7 en 9 moeten in onderlinge samenhang worden gelezen. In artikel 7
                    worden schendingen van verplichtingen uit de Participatiewet geformuleerd. De
                    verwijtbare gedragingen die zijn genoemd in artikel 7 zijn ondergebracht in
                    categorieën. Aan die categorieën wordt in artikel 9 een gewicht toegekend in de
                    vorm van een verlagingspercentage. De categorieën zijn gerangschikt naar
                    toenemende zwaarte. Een gedraging wordt ernstiger geacht naarmate de gedraging
                    meer concrete gevolgen heeft voor het niet verkrijgen of behouden van betaalde
                    arbeid.</al>
        <tussenkop>Niet of onvoldoende nakomen van verplichtingen</tussenkop>
        <al>De verwijtbare gedragingen omvatten zowel het niet als het onvoldoende nakomen
                    van diverse verplichtingen. Artikel 18, tweede lid, van de WWB zoals dat luidde
                    vóór 1 januari 2015 bepaalt dat het college moest afstemmen als een
                    belanghebbende de verplichtingen "niet of onvoldoende nakomt". Met het huidige
                    artikel 18, tweede lid, van de Participatiewet wordt dit gewijzigd in "het niet
                    nakomen van de verplichtingen". Het woord "onvoldoende" valt hiermee weg.
                    Gemeend wordt dat de wetgever hiermee echter geen inhoudelijke wijziging heeft
                    beoogd en dat dit moet worden gelezen als het niet of onvoldoende nakomen van
                    verplichtingen. Om onduidelijkheid hierover te voorkomen is daarom in artikel 7
                    neergelegd dat sprake is van een verwijtbare gedraging bij het niet of
                    onvoldoende nakomen van de verplichtingen.</al>
        <tussenkop>Het niet naar vermogen proberen algemeen geaccepteerde arbeid te
                    verkrijgen (onderdeel c)</tussenkop>
        <al>Deze verwijtbare gedraging is niet aan de orde voor zover het gaat om het niet
                    naar vermogen proberen te verkrijgen van algemeen geaccepteerde arbeid als dit
                    het gevolg is van een gedraging zoals bedoeld in artikel 18, vierde lid, van de
                    Participatiewet. In artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet staan de
                    geüniformeerde arbeidsverplichtingen. Voor schending van een geüniformeerde
                    arbeidsverplichting geldt een apart afstemmingsregime: verlaging van de bijstand
                    met honderd procent gedurende een in de afstemmingsverordening vastgelegde duur
                    van ten minste een maand en ten hoogste drie maanden (artikel 18, vijfde lid,
                    van de Participatiewet). In deze verordening is de duur vastgelegd in artikel
                    10.</al>
        <al>Er is dus geen sprake van een verwijtbare gedraging zoals bedoeld in artikel 7,
                    derde lid, als het niet naar vermogen proberen te verkrijgen van algemeen
                    geaccepteerde arbeid voortvloeit uit een gedraging zoals bedoeld in artikel 18,
                    vierde lid, van de Participatiewet zoals:</al>
        <lijst>
          <li nr="·"><al>het niet verkrijgen of niet behouden van kennis en vaardigheden die
                            noodzakelijk zijn voor het verkrijgen van algemeen geaccepteerde arbeid,
                            en</al></li>
          <li nr="·"><al>het belemmeren van het verkrijgen van algemeen geaccepteerde arbeid door
                            kleding, gebrek aan persoonlijke verzorging en gedrag.</al></li>
        </lijst>
        <tussenkop>Inspanningen in eerste vier weken na de melding</tussenkop>
        <al>De plicht tot arbeidsinschakeling geldt vanaf datum melding (zie artikel 9,
                    eerste lid, van de Participatiewet). Specifiek voor personen jonger dan 27 jaar
                    geldt dat zij worden beoordeeld op hun inspanningen in de eerste vier weken na
                    de melding (artikel 43, vierde en vijfde lid, van de Participatiewet). Is geen
                    enkele inspanning verricht, dan bestaat op grond van artikel 13, tweede lid,
                    onderdeel d, van de Participatiewet geen recht op bijstand. Zijn er wel
                    inspanningen verricht, maar naar het oordeel van het college onvoldoende, dan
                    verlaagt het college de uitkering. De verlaging kan in principe al worden
                    toegepast op basis van de grondslagen zoals genoemd in artikel 6 van deze
                    verordening. Een aparte grondslag is strikt genomen niet noodzakelijk. Het zou
                    wellicht zelfs tot verwarring kunnen leiden als het bijvoorbeeld gaat om een
                    belanghebbende die in de vijfde of zesde week na de melding de fout in gaat.
                    Desalniettemin is het niet of onvoldoende verrichten van inspanningen vanwege de
                    herkenbaarheid toch als aparte gedraging genoemd opgenomen in de
                    afstemmings-verordening (zie artikel 7, tweede lid, onderdeel b).</al>
        <tussenkop>Artikel 8. Gedragingen Ioaw en Ioaz</tussenkop>
        <al>De artikelen 8 en 9 moeten in onderlinge samenhang worden gelezen. In artikel 8
                    worden schendingen van verplichtingen uit de Ioaw en Ioaz geformuleerd. De
                    verwijtbare gedragingen die zijn genoemd in artikel 8, zijn ondergebracht in
                    categorieën. Aan die categorieën wordt in artikel 9 een gewicht toegekend in de
                    vorm van een verlagingspercentage. De categorieën zijn gerangschikt naar
                    toenemende zwaarte. Een gedraging wordt ernstiger geacht naarmate de gedraging
                    meer concrete gevolgen heeft voor het niet aanvaarden, verkrijgen of behouden
                    van betaalde arbeid.</al>
        <tussenkop>Artikel 9. Hoogte en duur van de verlaging</tussenkop>
        <al>Zie voor de verlagingswaardige gedragingen de toelichting bij de artikelen 7 en
                    8.</al>
        <al>Er is gekozen voor een afstemmingsregime bij gedragingen zoals bedoeld in de
                    artikelen 7 en 8 dat afwijkt van de maatregel bij schending van de
                    geüniformeerde arbeidsverplichtingen als bedoeld i n artikel 18, vierde lid, van
                    de Participatiewet. Dit ondanks dat enkele van de in de artikelen 7 en 8
                    genoemde gedragingen verwant zijn aan de geüniformeerde
                    arbeidsverplichtingen.</al>
        <tussenkop>Artikel 10. Duur verlaging bij schending geüniformeerde
                    arbeidsverplichting</tussenkop>
        <al>De eerste keer dat het college een verwijtbaar niet naleven van een
                    geüniformeerde arbeidsverplichting vaststelt, bedraagt de verlaging honderd
                    procent van de bijstandsnorm gedurende een bij deze verordening vastgestelde
                    periode (artikel 18, vijfde lid, eerste volzin, van de Participatiewet).</al>
        <tussenkop>Artikel 11. Verrekenen verlaging</tussenkop>
        <al>Het college heeft de mogelijkheid bij verlaging van de bijstand wegens schending
                    van een geüniformeerde arbeidsverplichting, de verlaging te verrekenen. Dit over
                    de maand van oplegging van de maatregel en ten hoogste over de twee volgende
                    maanden. Over de eerste maand moet minimaal een derde van het bedrag van de
                    verlaging worden verrekend (artikel 18, vijfde lid, tweede volzin, van de
                    Participatiewet). Wanneer belanghebbende tot inkeer komt, wordt de verlaging
                    stopgezet en ontvangt belanghebbende weer de volledige uitkering (artikel 18,
                    elfde lid, van de Participatiewet). Het gaat hier om een facultatieve
                    bepaling.</al>
        <tussenkop>Verrekenen bij bijzondere omstandigheden</tussenkop>
        <al>Er is voor gekozen gebruik te maken van de mogelijkheid tot het verrekenen van
                    het bedrag van de verlaging bij een eerste schending van een geüniformeerde
                    arbeidsverplichting (of een herhaalde schending buiten de recidivetermijn) als
                    bijzondere omstandigheden dit rechtvaardigen. Hierbij kan worden gedacht
                    aan:</al>
        <lijst>
          <li nr="·"><al>vergroting schuldenproblematiek;</al></li>
          <li nr="·"><al>(dreigende) huisuitzetting;</al></li>
          <li nr="·"><al>afsluiting van gas en elektriciteit.</al></li>
        </lijst>
        <tussenkop>De maand van oplegging</tussenkop>
        <al>In het eerste, tweede en derde lid wordt gesproken over de "maand van
                    oplegging". Deze term is overgenomen uit artikel 18, vijfde lid, van de
                    Participatiewet. Met de "maand van oplegging" wordt in deze verordening bedoeld:
                    de maand waarin het besluit aan belanghebbende is bekend gemaakt.</al>
        <tussenkop>Toedeling over twee maanden bij lichte overtredingen</tussenkop>
        <al>Is sprake van een lichte overtreding van een geüniformeerde arbeidsverplichting,
                    dan kan worden verrekend over twee maanden. Van een lichte overtreding is sprake
                    bij schending van een gedraging zoals bedoeld in artikel 18, vierde lid,
                    onderdelen b, f en g, van de Participatiewet. Bij een dergelijke overtreding
                    wordt de bijstand verlaagd met honderd procent gedurende [ periode]. Aan de
                    maand van oplegging en aan de daaropvolgende maand wordt de helft van het bedrag
                    van de verlaging wordt toebedeeld. Dit betekent dat in de maand van oplegging
                    van de maatregel en de daaropvolgende maand de inhouding in beginsel vijftig
                    procent bedraagt (artikel 11, tweede lid, van deze verordening).</al>
        <tussenkop>Toedeling over drie maanden bij zware overtredingen</tussenkop>
        <al>Is sprake van een zware overtreding van een geüniformeerde arbeidsverplichting,
                    dan kan worden verrekend over drie maanden. Van een zware overtreding is sprake
                    bij schending van een gedraging zoals bedoeld in artikel 18, vierde lid,
                    onderdeel a, c, d, e en h, van de Participatiewet. Bij een dergelijke
                    overtreding wordt de bijstand verlaagd met honderd procent gedurende [ periode].
                    Aan de maand van oplegging en aan de twee daaropvolgende maanden wordt een derde
                    van het bedrag van de verlaging wordt toebedeeld. Dit betekent dat in de maand
                    van oplegging van de maatregel en de daaropvolgende maanden de inhouding in
                    beginsel 66,67 procent bedraagt (artikel 11, derde lid, van deze
                    verordening).</al>
        <tussenkop>Geen verrekening bij niet aanvaarden of behouden algemeen geaccepteerde
                    arbeid</tussenkop>
        <al>In het vierde lid is bepaald dat als sprake is van een verlaging op grond van
                    artikel 18, vierde lid, onderdeel a, van de Participatiewet, geen verrekening
                    plaatsvindt zoals bedoeld in artikel 11, eerste lid. Het betreft het niet
                    aanvaarden of behouden van algemeen geaccepteerde arbeid. Deze keuze is
                    gebaseerd op de zwaarte van de gedraging.</al>
        <tussenkop>Geen verrekening bij recidive</tussenkop>
        <al>Is sprake van een tweede of volgende schending van een geüniformeerde
                    arbeidsverplichting binnen de recidivetermijn, dan is verrekenen van de
                    maatregel niet mogelijk. Artikel 11 bepaalt immers dat verrekenen uitsluitend
                    mogelijk is bij een gedraging zoals bedoeld in artikel 10 van deze verordening
                    én als sprake is van bijzondere omstandigheden. Recidive is niet geregeld in
                    artikel 10, maar in artikel 16, derde lid, van deze verordening en artikel 18,
                    zesde, zevende en achtste lid, van de Participatiewet. Daarom is verrekenen bij
                    recidive niet mogelijk.</al>
        <tussenkop>Geen verrekening bij maatregel wegens schending andere
                    gedragingen</tussenkop>
        <al>Verrekening bij maatregelen voor schendingen van andere gedragingen dan de
                    geüniformeerde arbeidsverplichtingen, is niet mogelijk. Dit volgt uit artikel 11
                    van deze verordening en artike l 18, vijfde lid, van de Participatiewet.</al>
        <tussenkop>Artikel 12. Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid</tussenkop>
        <al>Aan de Participatiewet ligt het beginsel ten grondslag dat iedereen in eerste
                    instantie in zijn eigen bestaan(skosten) dient te voorzien. Pas wanneer dat niet
                    mogelijk is, kan men een beroep doen op bijstand. Hoofdregel is dus dat iedereen
                    alles zal moeten doen en nalaten om een beroep op bijstand te voorkomen. Leidt
                    een gedraging ertoe dat belanghebbende eerder, langer of voor een hoger bedrag
                    is aangewezen op bijstand, dan is veelal sprake van een tekortschietend besef
                    van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan. Hiervan is in ieder
                    geval sprake bij de volgende gedragingen (als die er toe leiden dat
                    belanghebbende eerder, langer of voor een hoger bedrag is aangewezen op
                    bijstand):</al>
        <lijst>
          <li nr="·"><al>het te snel interen van vermogen;</al></li>
          <li nr="·"><al>het door eigen schuld verliezen van het recht op een uitkering;</al></li>
          <li nr="·"><al>het door eigen schuld te laat aanvragen van een voorliggende
                            voorziening.</al></li>
        </lijst>
        <al>Het door eigen toedoen niet behouden van algemeen geaccepteerde arbeid moet
                    worden aangemerkt als een geüniformeerde arbeidsverplichting (zie de artikelen
                    9, eerste lid, onderdeel a, en 18, vierde lid, onderdeel g, van de
                    Participatiewet). Is sprake van het door eigen toedoen niet behouden van
                    algemeen geaccepteerde arbeid, dan moet afstemming plaatsvinden volgens de
                    regels van artikel 18 van de Participatiewet en artikel 10 en 16, derde lid, van
                    deze verordening.</al>
        <al>Op grond van artikel 12 van deze verordening kan een verlaging worden opgelegd
                    wegens het betonen van tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de
                    voorziening in het bestaan. De ernst van de gedraging komt tot uitdrukking in de
                    hoogte van het benadelingsbedrag. Dat is in dit geval het gedeelte van de
                    uitkering waarop eerder, langer of tot een hoger bedrag een beroep wordt
                    gedaan.</al>
        <tussenkop>Bijstand in de vorm van een geldlening</tussenkop>
        <al>Als sprake is van tekortschietend besef van verantwoordelijkheid kan het college
                    tevens besluiten de bijstand in de vorm van een geldlening te verstrekken. Dit
                    volgt uit artikel 48, tweede lid, onderdeel b, van de Participatiewet. Als het
                    college besluit beide instrumenten te gebruiken (leenbijstand én verlaging) moet
                    het wel voldoende acht slaan op het totale effect hiervan voor de
                    bijstandsgerechtigde.<sup>7</sup></al>
        <tussenkop>Artikel 13. Zeer ernstige misdragingen</tussenkop>
        <tussenkop>Participatiewet (eerste lid)</tussenkop>
        <al>Onder de term 'zeer ernstige misdraging' dient in elk geval te worden verstaan:
                    elke vorm van ongewenst en agressief fysiek contact met een persoon of het
                    ondernemen van pogingen daartoe. Hieronder valt bijvoorbeeld schoppen, slaan of
                    het (dreigen met) gooien van voorwerpen naar een persoon. Ook het toebrengen van
                    schade aan een gebouw of inventarisonderdeel, evenals het ondernemen van
                    pogingen daartoe in enige vorm wordt als zeer ernstige misdraging gezien.
                    Handelingen die door hun grote en mogelijk blijvende impact op de desbetreffende
                    persoon of personen grote invloed hebben zoals het opzetten van gerichte
                    lastercampagnes, seksuele intimidatie, het tonen van steek en/of vuurwapens
                    evenals (pogingen tot) opsluiting in een ruimte zijn eveneens als zeer ernstige
                    misdraging te beschouwen.<sup>8</sup> Ook verbaal geweld valt onder de noemer
                    'zeer ernstige misdraging'.<sup>9</sup></al>
        <al>Het gaat dus om alle vormen van zeer ernstige misdragingen tegenover de met de
                    uitvoering van de Participatiewet belaste personen en instanties (college, SVB
                    en re-integratiebedrijven) tijdens het verrichten van hun
                    werkzaamheden.<sup>10</sup> Met de zinsnede 'tijdens het verrichten van de
                    werkzaamheden' wordt aangegeven dat de misdraging dient plaats te vinden in het
                    kader van de uitvoering van de Participatiewet. Dat is anders als betrokkenen
                    elkaar buiten werktijd tegen komen: dan is alleen het strafrecht van
                    toepassing.<sup>11</sup></al>
        <al>Met ingang van 1 januari 2015 is de verplichting om zich te onthouden van zeer
                    ernstige misdragingen een zelfstandige verplichting die is opgenomen in artikel
                    9, zesde lid, van de Participatiewet. Deze verplichting staat dus op zichzelf.
                    Vóór 1 januari 2015 was dit een onzelfstandige verplichting. Om een
                    belanghebbende te sanctioneren wegens zeer ernstige misdragingen, moest sprake
                    zijn van een samenhang tussen de zeer ernstige misdragingen met het niet nakomen
                    van een of meer verplichtingen die voortvloeien uit de toenmalige WWB, Ioaw of
                    Ioaz.<sup>12</sup></al>
        <al>CRvB 20-03-2007, nrs. 06/515 NABW e.a., ECLI:NL:CRVB:2007:BA2344.</al>
        <al>Kamerstukken II 2013/14, 33 801, nr. 3, blz. 24.</al>
        <al>CRvB 19-08-2008, nrs. 07/2416 WWB e.a., ECLI:NL:CRVB:2008:BE8919.</al>
        <al>Kamerstukken II 2013/14, 33 801, nr. 3, blz. 55.</al>
        <al>Kamerstukken II 2013/14, 33 801, nr. 3, blz. 25-26.</al>
        <al>CRvB 06-07-2010, nr. 08/2025 WWB, ECLI:NL:CRVB:2010:BN0660.</al>
        <tussenkop>Ioaw en Ioaz (tweede lid)</tussenkop>
        <al>Onder de term ‘zeer ernstige misdragingen’ kunnen diverse vormen van agressie
                    worden verstaan, zij het dat er sprake moet zijn van verwijtbaarheid en van
                    gedrag dat in het normale menselijke verkeer in alle gevallen als onacceptabel
                    wordt beschouwd. Ook verbaal geweld valt onder de noemer 'zeer ernstige
                    misdraging'.<sup>13</sup> Het college kan alleen een verlaging opleggen als er
                    een verband bestaat tussen de ernstige misdraging en (mogelijke) belemmeringen
                    bij het vaststellen van het recht op een uitkering. De Ioaw en Ioaz bevatten
                    immers geen afzonderlijke plicht tot het nalaten van zeer ernstige misdragingen.
                    Het recht op uitkering kan daarom alleen worden afgestemd wegens het zich zeer
                    ernstig misdragen als dit heeft plaatsgevonden bij het (niet) nakomen van een
                    (andere) aan de uitkering verbonden verplichting.<sup>14</sup> Vandaar dat in
                    het tweede lid wordt bepaald dat de zeer ernstige misdragingen moeten hebben
                    plaatsgevonden onder omstandigheden die rechtstreeks verband houden met de
                    uitvoering van Ioaw of Ioaz. Als een belanghebbende zich zeer ernstig misdraagt,
                    geheel los van een (andere) aan de uitkering verbonden verplichting - hij komt
                    bijvoorbeeld uit eigen beweging stennis maken - dan is binnen de Ioaw en Ioaz
                    tegen deze gedraging geen sanctie mogelijk.</al>
        <tussenkop>Artikel 14. Niet nakomen van overige verplichtingen</tussenkop>
        <al>De Participatiewet geeft het college de bevoegdheid om personen verplichtingen
                    op te leggen die volledig individueel bepaald zijn. Artikel 55 van de
                    Participatiewet biedt daartoe de mogelijkheid en beperkt deze tot een viertal
                    categorieën, te weten:</al>
        <lijst>
          <li nr="1."><al>verplichtingen die strekken tot arbeidsinschakeling;</al></li>
          <li nr="2."><al>verplichtingen die verband houden met de aard en het doel van een
                            bepaalde vorm van bijstand;</al></li>
          <li nr="3."><al>verplichtingen die strekken tot vermindering van de bijstand, en</al></li>
          <li nr="4."><al>verplichtingen die strekken tot beëindiging van de bijstand.</al></li>
        </lijst>
        <al>De hoogte van de verlaging is in deze verordening per categorie verschillend
                    vastgesteld. Omdat de verplichtingen die het college op grond van artikel 55 van
                    de Participatiewet kan opleggen een zeer individueel karakter hebben, kan het
                    voorkomen dat de in de verordening vastgestelde verlaging niet is afgestemd op
                    de individuele omstandigheden van een belanghebbende. Het college zal daarom
                    altijd rekening moeten houden met de individualiseringsbepaling van artikel 18,
                    eerste lid, van de Participatiewet. Deze bepaling verplicht het college de
                    bijstand af te stemmen op de omstandigheden, mogelijkheden en middelen van een
                    belanghebbende. In individuele gevallen kan dus worden afgeweken van de in dit
                    artikel vastgestelde verlaging.</al>
        <tussenkop>Artikel 15. Samenloop van gedragingen</tussenkop>
        <tussenkop>Samenloop bij één gedraging waardoor meerdere verplichtingen worden
                    geschonden</tussenkop>
        <al>Het eerste lid regelt samenloop als sprake is van één gedraging die schending
                    oplevert van meerdere verplichtingen, die zijn genoemd in deze verordening,
                    artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet of in beide regelingen. In dat
                    geval wordt één verlaging opgelegd. Voor het bepalen van de hoogte en de duur
                    van de verlaging wordt uitgegaan van de gedraging waarop de hoogste verlaging is
                    gesteld .</al>
        <tussenkop>Samenloop bij meerdere gedraging waardoor één of meerdere verplichtingen
                    worden geschonden</tussenkop>
        <al>Het tweede regelt samenloop als sprake is van meerdere gedraging die schending
                    opleveren van één of meerdere verplichtingen, die zijn genoemd in deze
                    verordening, artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet of in beide
                    regelingen. Dit wordt 'meerdaadse samenloop' genoemd. In dat geval wordt voor
                    iedere gedraging een afzonderlijke verlaging toegepast. Deze verlagingen worden
                    in principe gelijktijdig opgelegd. Dit is anders als dit niet verantwoord is.
                    Hierbij spelen factoren zoals de ernst van de gedraging, de mate van
                    verwijtbaarheid en de omstandigheden van een belanghebbende een rol. Daarvoor
                    moet altijd gekeken worden naar de individuele omstandigheden. De verlaging
                    wordt dan over meerdere maanden uitgesmeerd.</al>
        <al>CRvB 19-08-2008, nrs. 07/2416 WWB e.a., ECLI:NL:CRVB:2008:BE8919.</al>
        <al>CRvB 06-07-2010, nr. 08/2025 WWB, ECLI:NL:CRVB:2010:BN0660.</al>
        <tussenkop>Samenloop met een bestuurlijke boete</tussenkop>
        <al>Het derde en vierde lid regelen in hoeverre een verlaging kan worden opgelegd
                    als sprake is van een verlagingswaardige gedraging die tevens een boetewaardige
                    gedragingen is.</al>
        <al>Als sprake is van één gedraging die zowel schending van een in deze verordening
                    opgenomen verplichting als schending van de inlichtingenplicht oplevert, kan de
                    schending van deze verplichtingen niet gezamenlijk worden afgedaan, omdat
                    schending van de inlichtingenplicht (wettelijk) is geregeld in de vorm van een
                    bestuurlijke boete. In het geval zich de situatie voordoet dat er sprake is van
                    samenloop tussen de bestuurlijke boete en afstemming dient het college in het
                    individuele geval te beoordelen welke sanctie wordt opgelegd. Bij eendaadse
                    samenloop ligt het voor de hand één sanctie op te leggen. Het college bepaalt of
                    al dan niet een boete wordt opgelegd. Is dit het geval, dan wordt geen verlaging
                    meer opgelegd (derde lid).</al>
        <al>Bij meerdaadse samenloop ligt het voor de hand de gedraging te sanctioneren door
                    het opleggen van een bestuurlijke boete voor zover sprake is van een gedraging
                    waarin ook een beboetbare gedraging zit. Daarnaast kan het college in dit geval
                    nog een of meer maatregelen opleggen, waarbij bij de hoogte van de afstemming zo
                    nodig rekening kan worden gehouden met de boete en de eventuele andere
                    maatregelen (vierde lid).</al>
        <al>Als sprake is van één gedraging die zowel schending van een in artikel 18,
                    vierde lid, van de Participatiewet benoemde verplichting als schending van de
                    inlichtingenplicht oplevert, is het voorgaande ook van toepassing.</al>
        <tussenkop>Artikel 16. Recidive</tussenkop>
        <tussenkop>Verdubbeling duur verlaging</tussenkop>
        <al>Als binnen twaalf maanden na een eerste verwijtbare gedraging wederom sprake is
                    van een verwijtbare gedraging waarmee dezelfde verplichting wordt geschonden,
                    wordt de grotere mate van verwijtbaarheid tot uitdrukking gebracht in een
                    verdubbeling van de hoogte of duur van de verlaging. Een verlaging kan nooit
                    hoger zijn dan honderd procent. Daarom is bij gedragingen waar relatief zware
                    verlagingen voor gelden, gekozen voor een verdubbeling van de duur van de
                    maatregel in plaats van de hoogte. Met de eerste verwijtbare gedraging wordt de
                    eerste gedraging bedoeld die aanleiding is geweest tot een verlaging, ook als
                    wegens dringende redenen – op grond van artikel 4, tweede lid, van deze
                    verordening en eventueel 18, tiende lid, van de Participatiewet – is afgezien
                    van het opleggen van een verlaging. Dit geldt ook als van afstemming op grond
                    van artikel 18, eerste lid, van de Participatiewet is afgezien van het opleggen
                    van een verlaging. Is vanwege de afwezigheid van elke vorm van verwijtbaarheid
                    afgezien van een verlaging, dan is het niet mogelijk om bij toepassing van
                    recidive deze gedraging mee te tellen. Voor het bepalen van de aanvang van de
                    termijn van twaalf maanden, geldt het tijdstip waarop het besluit waarmee de
                    verlaging is opgelegd, is verzonden.</al>
        <tussenkop>Verdubbeling hoogte verlaging</tussenkop>
        <al>Als binnen twaalf maanden na een eerste verwijtbare gedraging wederom sprake is
                    van een verwijtbare gedraging waarmee dezelfde verplichting wordt geschonden,
                    wordt de grotere mate van verwijtbaarheid tot uitdrukking gebracht in een
                    verdubbeling van de hoogte of duur van de verlaging. Voor lichte verlagingen is
                    gekozen voor een verdubbeling van de hoogte van de verlaging.</al>
        <tussenkop>Recidive op recidive bij niet geüniformeerde
                    arbeidsverplichtingen</tussenkop>
        <al>Ook in het geval dat een belanghebbende voor een derde of volgende keer een niet
                    geüniformeerde arbeidsverplichting schendt, is de recidivebepaling van artikel
                    16, eerste of tweede lid, van deze verordening van toepassing. Dit wordt tot
                    uitdrukking gebracht door het woord "telkens" in de recidivebepaling. Voor
                    toepassing van de recidivebepaling is vereist dat het opnieuw schenden van
                    dezelfde verplichting plaatsvindt binnen twaalf maanden na bekendmaking van het
                    vorige besluit waarmee een verlaging is toegepast.</al>
        <al>Is sprake van een derde of volgende schending, dan geldt – evenals bij de eerste
                    keer recidive – dat ofwel de hoogte ofwel de duur van de oorspronkelijke
                    verlaging wordt verdubbeld. Bij lichte gedragingen geldt een verdubbeling van de
                    hoogte van de verlaging. Bij zware gedragingen geldt een verdubbeling van de
                    duur van de verlaging.</al>
        <al>Telkens wordt de hoogte of de duur van de oorspronkelijke verlaging verdubbeld.
                    Dit is de verlaging die geldt bij een eerste schending van de verplichting. Er
                    is expliciet niet voor gekozen de hoogte of de duur van de vorige verlaging te
                    verdubbelen. Uitgangspunt is verdubbeling van de hoogte of de duur van de
                    oorspronkelijke verlaging. Hiermee wordt stapeling van verdubbeling van de
                    verlaging voorkomen.</al>
        <tussenkop>Eenzelfde gedraging vereist voor recidive</tussenkop>
        <al>Voor recidive als bedoeld in het eerste en tweede lid is vereist dat sprake moet
                    zijn van "eenzelfde verwijtbare gedraging" als de gedraging waarvoor de eerste
                    verlaging is opgelegd. Voorwaarde is dus dat dezelfde verplichting wordt
                    geschonden. Is dit niet het geval, dan moet de verwijtbare gedraging worden
                    aangemerkt als een eerste schending van een verplichting. Heeft een persoon zich
                    zeer ernstig misdragen (artikel 13) binnen twaalf maanden nadat een verlaging is
                    opgelegd wegens het zich niet tijdig laten registreren als werkzoekende bij het
                    UWV (artikel 7, eerste lid), dan is geen sprake van recidive aangezien het niet
                    "eenzelfde gedraging" betreft. Evenmin is sprake van recidive als een
                    belanghebbende niet meewerkt aan het opstellen van een plan van aanpak (artikel
                    7, tweede lid, onderdeel a) en vervolgens een opgedragen tegenprestatie niet
                    verricht (artikel 7, tweede lid, onderdeel d). Ook dan is geen sprake van
                    eenzelfde gedraging aangezien twee verschillende verplichtingen zijn
                    geschonden.</al>
        <tussenkop>Recidive schending geüniformeerde arbeidsverplichting</tussenkop>
        <al>Is sprake van het niet of onvoldoende nakomen van een geüniformeerde
                    arbeidsverplichting binnen twaalf maanden nadat aan een belanghebbende een
                    eerste maatregel is opgelegd wegens schending van een geüniformeerde
                    arbeidsverplichting, dan bedraagt de verlaging honderd procent gedurende een
                    maand. Dit valt binnen de in artikel 18, zesde lid, van de Participatiewet
                    gegeven marges.</al>
        <al>Bij een derde, vierde en volgende schending van een geüniformeerde
                    arbeidsverplichting, telkens binnen twaalf maanden na oplegging van de vorige
                    maatregel, bedraagt de verlaging honderd procent gedurende drie maanden (artikel
                    18, zevende en achtste lid, van de Participatiewet).</al>
        <tussenkop>Artikel 17. Samenloop bij weigeren uitkering Ioaw/Ioaz</tussenkop>
        <al>Het college is op grond van artikel 20 van de Ioaw en artikel 20 van de Ioaz
                    bevoegd de uitkering blijvend of tijdelijk te weigeren als een belanghebbende,
                    kort gezegd, inkomen uit arbeid had kunnen verwerven, maar dit nalaat. Dit is
                    een discretionaire bevoegdheid van het college. De vraag of e en verlaging moet
                    worden toegepast, zal pas aan de orde komen als het college zich een oordeel
                    heef t gevormd over de eventuele weigering van de uitkering. Deze beoordeling
                    gaat in beginsel voor. Pas als het college concludeert dat van een weigering
                    geen sprake is, kan op grond van deze verordening een verlaging worden
                    toegepast. Artikel 17 van deze verordening is derhalve bedoeld om samenloop te
                    voorkomen.</al>
        <tussenkop>Artikel 18. Verrekenen met beslagvrije voet bij voldoende
                    bezit</tussenkop>
        <al>Uitgangspunt van deze verordening is dat volledige verrekening met de
                    beslagvrije voet plaats vindt voor de maximale termijn van drie maanden als een
                    belanghebbende over voldoende bezittingen beschikt om dit op te kunnen vangen.
                    Dat uitgangspunt is vastgelegd in dit artikel. Van voldoende bezittingen is
                    sprake als de waarde van de bezittingen waarover belanghebbende beschikt (of
                    redelijkerwijs kan beschikken), ten minste driemaal de toepasselijke
                    bijstandsnorm bedraagt. Immers, bij aanwending of tegeldemaking van deze
                    bezittingen moet een periode van drie maanden worden overbrugd.</al>
        <tussenkop>Artikel 19. Verrekenen met beslagvrije voet bij geen of onvoldoende
                    bezit</tussenkop>
        <al>Heeft een belanghebbende onvoldoende bezittingen om een periode van drie maanden
                    volledige verrekening met de beslagvrije voet de kunnen overbruggen, dan
                    verrekent het college slechts één maand zonder inachtneming van de beslagvrije
                    voet. Voor de overige twee maanden vindt weliswaar verrekening met de
                    beslagvrije voet plaats, maar niet volledig. Belanghebbende blijft beschikken
                    over een inkomen ter hoogte van 80% van de toepasselijke bijstandsnorm. </al>
        <al>Voor het percentage van 80 is aansluiting gezocht bij de
                    invorderingsmogelijkheden die de Belastingdienst heeft bij notoire wanbetalers.
                    Onder omstandigheden kan deze de beslagvrije voet (90% van de toepasselijke
                    bijstandsnorm) verlagen met 10% op grond van artikel 19, eerste lid van de
                    Invorderingswet 1990.</al>
        <al>Met de gekozen opzet wordt enerzijds uiting gegeven aan het principe dat fraude
                    niet mag lonen. Het gaat hier immers om belanghebbenden die herhaaldelijk hun
                    inlichtingenplicht hebben geschonden. Daar mag een duidelijk signaal tegenover
                    staan. Anderzijds wordt rekening gehouden met de zorgplicht van gemeenten. Het
                    volledig buiten werking stellen van de beslagvrije voet gedurende drie maanden
                    kan kwalijke maatschappelijke consequenties hebben. Dat moet voorkomen worden,
                    nu de regeling daarmee zijn doel voorbij zou schieten.</al>
        <al>Een belanghebbende kan inkomsten uit arbeid hebben die op grond van de
                    Participatiewet gedeeltelijk worden vrijgelaten voor de algemene bijstand. Bij
                    verrekening van een recidiveboete tot 80% van de bijstandsnorm tellen deze
                    inkomsten echter gewoon mee. Het college laat deze inkomsten dus niet buiten
                    beschouwing bij de beoordeling van de vraag of een belanghebbende nog over
                    voldoende inkomen beschikt. Dit is geregeld in lid 3.</al>
        <tussenkop>Artikel 20. Verrekening met inachtneming beslagvrije voet</tussenkop>
        <al>Hoewel het hier gaat om herhaaldelijke schending van de inlichtingenplicht, zijn
                    situaties denkbaar waarin volledige verrekening met de beslagvrije voet niet
                    aanvaardbaar wordt geacht. Die situaties komen aan de orde in artikel 4. Het
                    gaat daarbij altijd om individuele omstandigheden waaraan het college zal moeten
                    toetsen.</al>
        <al>In onderdeel a is geregeld dat het college kan besluiten toch de beslagvrije
                    voet te respecteren wanneer volledige verrekening waarschijnlijk leidt tot
                    huisuitzetting van belanghebbende en diens gezin. Voorkomen moet worden dat een
                    belanghebbende door de volledige verrekening op straat komt te staan, nu dit de
                    problematiek alleen maar verergert, met alle maatschappelijke kosten van
                    dien.</al>
        <al>Een dreigende huisuitzetting wordt in deze verordening gezien als een dringende
                    reden om van verrekening met de beslagvrije voet af te zien. Dat volgt uit het
                    woord “anderszins” in onderdeel b. Ook bij de aanwezigheid van andere dringende
                    redenen dan een dreigende huisuitzetting kan het college rekening houden met de
                    bescherming van de beslagvrije voet. Van dringende redenen is niet snel sprake.
                    Het gaat slechts om incidentele gevallen, waarbij de behoeftige omstandigheden
                    op geen enkele andere wijze te verhelpen zijn. Het enkele feit dat het
                    belanghebbende door verrekening aan middelen ontbreekt om in het bestaan te
                    voorzien, is op zich geen voldoende voorwaarde om te kunnen spreken van
                    dringende redenen.</al>
        <tussenkop>Artikel 21. Eerder opgelegde bestuurlijke boetes</tussenkop>
        <al>In artikel 60b, derde lid, van de Participatiewet is bepaald dat de bevoegdheid
                    om te verrekenen met de beslagvrije voet ook van toepassing is op eerder
                    opgelegde bestuurlijke boetes voor zover op het moment van verrekening van de
                    recidiveboete, die eerder opgelegde boetes nog niet zijn betaald. Mocht het
                    college die eerdere, nog openstaande boetes gaan verrekenen, dan regelt artikel
                    21 dat de bepalingen in deze verordening van overeenkomstige toepassing
                    zijn.</al>
        <tussenkop>Artikel 22. Nadere regels en hardheidsclausule</tussenkop>
        <al>Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.</al>
        <tussenkop>Artikel 23. Overgangsbepalingen</tussenkop>
        <al>Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.</al>
        <tussenkop>Artikel 24. Intrekken oude verordening</tussenkop>
        <al>Voor wat betreft de Afstemmingsverordening Wwb, Ioaw, Ioaz en Bbz wordt hiermee
                    bedoeld artikel 2 van die verordening. Het overige deel van die verordening is
                    reeds ingetrokken bij de inwerkingtreding van de Handhavingsverordening 2013
                    overtreft.</al>
        <tussenkop>Artikel 25. Inwerkingtreding en citeertitel</tussenkop>
        <al>Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.</al>
      </nota-toelichting>
    </regeling>
  </body>
</cvdr>