<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR368188_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Financiele verordening gemeente Landerd 2015</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Landerd</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-12-13</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Landerd</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Arena, 12 juni 2015</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Financiele verordening gemeente Landerd 2015</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Gemeentewet, Artikel 212</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>financiën en economie</dcterms:subject><dcterms:issued>2015-05-28</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2015-06-13</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2018-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Wijziging</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Deze regeling vervangt de Financiele verordening gemeente Landerd 2013</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Financiele verordening gemeente Landerd 2015</intitule><regeling><aanhef><preambule><al><vet>Financiële </vet><vet>verordening</vet><vet>gemeente Landerd
                    </vet><vet>201</vet><vet>5</vet></al><al>De raad van de gemeente Landerd; </al><al>gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van
                        14 april 2015; </al><al>gelet op artikel 212 van de Gemeentewet;</al><al>besluit vast te stellen de Financiële verordening Landerd 2015:</al><al/><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1.</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Begripsbepaling</titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="-"><al>afdeling: iedere organisatorische eenheid binnen de
                                    gemeentelijke organisatie met een eigen rechtstreekse
                                    verantwoordelijkheid aan het college;</al></li><li nr="-"><al>inkomsten: totaal van de baten voor onttrekking reserves;</al></li><li nr="-"><al>netto schuld: bruto schuld minus de omvang van de geldelijke
                                    bezittingen die niet zijn ingezet voor de publieke taak. Onder
                                    bruto schuld wordt verstaan het totaal van langlopende leningen,
                                    kortlopende schulden, crediteuren en overlopende passiva. Onder
                                    geldelijke bezittingen die niet zijn ingezet voor de publieke
                                    taak wordt verstaan het totaal van langlopende uitzettingen,
                                    vorderingen, liquide middelen en overlopende activa;</al></li><li nr="-"><al>overheidsbedrijf: onderneming met privaatrechtelijke
                                    rechtspersoonlijkheid, niet zijnde een personenvennootschap met
                                    rechtspersoonlijkheid, waarin een publiekrechtelijke
                                    rechtspersoon, al dan niet tezamen met een of meer andere
                                    publiekrechtelijke rechtspersonen, in staat is het beleid te
                                    bepalen of een onderneming in de vorm van een
                                    personenvennootschap, waarin een publiekrechtelijke
                                    rechtspersoon deelneemt;</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2.</nr><titel>Begroting en verantwoording</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Programma-indeling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De raad stelt bij aanvang van iedere raadsperiode een
                                programma-indeling voor die raadsperiode vast.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De raad stelt bij aanvang van iedere raadsperiode op basis van de
                                door het college aan de programma’s toegewezen producten de
                                onderverdeling van de programma’s vast.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De raad stelt op voorstel van het college per programma relevante
                                indicatoren vast voor het meten van en het afleggen van
                                verantwoording over de gemeentelijke productie van leveringen en
                                diensten en de maatschappelijke effecten van het gemeentelijke
                                beleid.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De raad stelt bij aanvang van iedere raadsperiode vast over welke
                                onderwerpen hij in extra paragrafen naast de verplichte paragrafen
                                in de begroting en rekening kaders wil stellen en wil worden
                                geïnformeerd.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>Inrichting begroting en jaarstukken</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Bij de begroting worden onder elk van de programma’s de lasten en
                                baten weergegeven en bij de jaarstukken worden onder elk van de
                                programma’s de gerealiseerde lasten en baten weergegeven.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Bij de uiteenzetting van de financiële positie in de begroting wordt
                                van de nieuwe investeringen per investering het benodigde
                                investeringskrediet weergegeven en wordt van de lopende
                                investeringen het geautoriseerde investeringskrediet en de raming
                                van de uitputting van het krediet in het lopende boekjaar
                                weergegeven.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Bij de uiteenzetting van de financiële positie in de begroting wordt
                                in aanvulling op het bepaalde in artikel 20 en artikel 21 van het
                                Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten inzicht
                                gegeven in de ontwikkeling van de schuldpositie als gevolg van de
                                begroting, de meerjarenraming en de investeringen.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>In de jaarrekening wordt van de investeringen en meerjarige
                                projecten de uitputting van de geautoriseerde investeringskredieten
                                en de actuele raming van de totale uitgaven weergegeven.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Kaders begroting</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college biedt voor 30 juni aan de raad een nota aan met een
                                voorstel voor het beleid en de financiële kaders van de begroting
                                voor het volgende begrotingsjaar en de meerjarenraming. De raad
                                stelt deze nota voor 31 juli vast.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In de begroting wordt een post onvoorzien opgenomen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Autorisatie begroting en investeringskredieten</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De raad autoriseert met het vaststellen van de begroting de baten en
                                de lasten per programma.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Bij de begrotingsbehandeling geeft de raad aan van welke nieuwe
                                investeringen hij op een later tijdstip een apart voorstel voor
                                autorisatie van het investeringskrediet wil ontvangen. De overige
                                nieuwe investeringen worden bij de begrotingsbehandeling met het
                                vaststellen van de financiële positie geautoriseerd.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college informeert de raad vooraf als ze verwacht dat de lasten
                                de geautoriseerde lasten of de investeringsuitgaven de
                                geautoriseerde investeringskredieten dreigen te overschrijden of de
                                baten de geautoriseerde baten dreigen te onderschrijden. De raad
                                geeft vervolgens aan of hij hiervoor een voorstel wil voor wijziging
                                van het budget of een voorstel voor bijstelling van het beleid.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Bij de behandeling van de tussenrapportages in de raad doet het
                                college voorstellen voor het wijzigen van de geautoriseerde
                                budgetten en de investeringskredieten en het bijstellen van het
                                beleid.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Voor een investering waarvan het investeringskrediet niet met het
                                vaststellen van de begroting is geautoriseerd, legt het college vóór
                                het aangaan van verplichtingen een investeringsvoorstel met een
                                voorstel voor het vaststellen van een investeringskrediet aan de
                                raad voor. Bij investeringen groter dan € 1.000.000 informeert het
                                college de raad in het voorstel over het effect van de investering
                                op de schuldpositie van de gemeente.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Tussentijdse rapportage</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college informeert de raad tijdig over de realisatie van de
                                    begroting van de gemeente over het lopende boekjaar.</al></li><li nr="2."><al>De inrichting van de tussenrapportages sluit aan bij de
                                    programma- en productenindeling van de begroting.</al></li><li nr="3."><al>De tussenrapportages gaan in op de afwijkingen die zich in de
                                    uitvoering van de begroting over het lopende boekjaar hebben
                                    voorgedaan.</al></li><li nr="4."><al>Bij de behandeling van de tussenrapportages in de raad doet het
                                    college voorstellen voor wijziging van de geautoriseerde
                                    budgetten en investeringskredieten en bijstelling van het
                                    beleid.</al></li><li nr="5."><al>In de tussenrapportage worden afwijkingen op de ramingen van de
                                    baten en lasten en van de investeringskredieten groter dan €
                                    10.000 toegelicht. Het betreft afwijkingen op
                                    programmaniveau.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel>Informatieplicht</titel></kop><al>Het college informeert in ieder geval vooraf de raad en neemt pas een
                            besluit nadat de raad in de gelegenheid is gesteld zijn wensen en
                            bedenkingen ter kennis van het college te brengen indien het
                            college:</al><lijst><li nr="a)"><al>wil overgaan tot aankoop of verkoop van leveringen en diensten
                                    voor een bedrag hoger dan € 15.000;</al></li><li nr="b)"><al>nieuwe investeringen wil doen voor een bedrag groter dan €
                                    15.000;</al></li><li nr="c)"><al>lopende investeringen gaat overschrijden met minimaal 10%, met
                                    een minimum van € 10.000, en bij alle overschrijdingen van meer
                                    dan € 20.000; </al></li><li nr="d)"><al>nieuwe meerjarige verplichtingen wil aangaan waarvan de lasten
                                    groter zijn dan € 10.000;</al></li><li nr="e)"><al>het verstrekken van kapitaal aan instellingen en
                                    ondernemingen,</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.</nr><titel>EMU-saldo</titel></kop><al>Wanneer het Rijk de gemeente bericht dat alle gemeenten samen het
                            collectieve aandeel van gemeenten in het EMU-tekort, bedoeld in artikel
                            3, zesde lid, van de Wet houdbare overheidsfinanciën, hebben
                            overschreden, informeert het college de raad of een aanpassing van de
                            begroting nodig is. Als het college een aanpassing nodig acht, doet het
                            college een voorstel voor het wijzigen van de begroting. </al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3.</nr><titel>Financieel beleid</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.</nr><titel>Waardering afschrijving en vaste
                            activa</titel></kop><al>Waardering en afschrijving van vaste activa vindt plaats volgens de
                            regels zoals in de “Notitie Waardering en afschrijving vaste activa”
                            zijn opgenomen. Deze nota geeft regels voor de waardering en
                            afschrijving van de vaste activa binnen de wettelijke kaders. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.</nr><titel>Voorziening voor oninbare vorderingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Voor de vorderingen op verbonden partijen en derden wordt een
                                voorziening wegens oninbaarheid gevormd op basis van een vast bedrag
                                van € 15.000.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voor individuele vorderingen groter dan € 15.000 wordt een aparte
                                voorziening wegens oninbaarheid gevormd.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Voor de vorderingen op derden (debiteuren sociale zaken) wordt een
                                voorziening wegens oninbaarheid gevormd op basis van een individuele
                                beoordeling op oninbaarheid van de openstaande vorderingen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11.</nr><titel>Reserves en voorzieningen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college biedt de raad eens in de 4 jaar een nota reserves en
                                voorzieningen aan. Deze nota wordt door de raad vastgesteld en
                                behandelt:</al><lijst><li nr="a."><al>de vorming en besteding van reserves;</al></li><li nr="b."><al>de vorming en besteding van voorzieningen;</al></li><li nr="c."><al>de rentetoerekening aan reserves en voorzieningen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Bij een voorstel voor de instelling van een bestemmingsreserve voor
                                een investeringsvoornemen (dekking kapitaaluitgaven) wordt minimaal
                                aangegeven:</al><lijst><li nr="a."><al>het specifieke doel van de reserve;</al></li><li nr="b."><al>de voeding van de reserve;</al></li><li nr="c."><al>de maximale hoogte van de reserve; en</al></li><li nr="d."><al>de maximale looptijd.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien een bestemmingsreserve voor een investeringsvoornemen
                                (dekking kapitaaluitgaven) binnen de aangegeven maximale looptijd
                                niet heeft geleid tot een investering, valt de bestemmingsreserve
                                vrij en wordt deze aan de algemene reserve toegevoegd.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college informeert de raad jaarlijks, gelijktijdig met de in
                                artikel 4 genoemde nota, over de actuele ontwikkelingen inzake
                                reserves en voorzieningen.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het college is bevoegd voorzieningen in te stellen voor (meerjarige)
                                doeluitkeringen waarvan het bedrag, rekening houdend met de looptijd
                                / periode van de uitkering(en), gemiddeld genomen kleiner is dan €
                                50.000 op jaarbasis.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>De raad stelt de bedragen die gestort worden in de reserve bestemde
                                budgetten direct bij het vaststellen van de jaarrekening beschikbaar
                                aan het college.</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>Het college is bevoegd om tot een bedrag van € 50.000 per jaar (per
                                reserve) uitgaven te doen ten laste van de elk jaar in de begroting
                                expliciet benoemde bestemmingreserves.</al></lid><lid><lidnr>8.</lidnr><al>Het college rapporteert over deze uitgaven in de eerstvolgende
                                Burap.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.</nr><titel>Kostprijsberekening</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Voor het bepalen van de geraamde kostprijs van leveringen,
                                    werken en diensten van de gemeente<cursief>,</cursief> die
                                    worden geleverd aan overheidsbedrijven en derden, wordt een
                                    systeem van kostentoerekening gehanteerd. Bij de
                                    kostentoerekening worden naast de directe kosten de indirecte
                                    kosten betrokken, die rechtstreeks samenhangen met de door de
                                    gemeente verleende diensten.</al></li><li nr="2."><al>Bij de kosten worden betrokken de bijdragen aan en onttrekkingen
                                    van voorzieningen voor de noodzakelijke vervanging van de
                                    betrokken activa, de kapitaallasten van de in gebruik zijnde
                                    activa en voor rioolheffing en afvalstoffenheffing de
                                    compensabele belasting over de toegevoegde waarde (BTW) en de
                                    kosten van het kwijtscheldingsbeleid.</al></li><li nr="3."><al>Voor de inzet van materiele activa worden naast directe kosten,
                                    indirecte kosten en afschrijvingskosten, de rente voor de
                                    financiering van het actief toegerekend. Deze rente is een
                                    vergoeding voor de inzet van vreemd vermogen en van eigen
                                    vermogen. De rentepercentages voor deze vergoeding worden bij de
                                    behandeling van de kadernota vastgesteld.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13.</nr><titel>Prijzen economische activiteiten</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Voor de leveringen, diensten of werken aan overheidsbedrijven en
                                derden en met welke bijbehorende activiteiten de gemeente in
                                concurrentie met marktpartijen treedt, wordt tenminste de geraamde
                                integrale kostprijs in rekening gebracht. Bij afwijking doet het
                                college vooraf voor elk van deze activiteiten afzonderlijk een
                                voorstel voor een raadsbesluit, waarin het publiek belang van de
                                activiteit wordt gemotiveerd.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Bij het verstrekken van leningen of garanties aan overheidsbedrijven
                                en derden brengt de gemeente de geraamde integrale kosten in
                                rekening. Bij afwijking doet het college vooraf een voorstel voor
                                een raadsbesluit, waarin het publiek belang van de lening of
                                garantie wordt gemotiveerd.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Bij het verstrekken van kapitaal door de gemeente aan
                                overheidsbedrijven en derden gaat het college uit van een vergoeding
                                van tenminste de geraamde integrale kosten van de verstrekte
                                middelen. Bij afwijking doet het college vooraf een voorstel voor
                                een raadsbesluit, waarin het publiek belang van de
                                kapitaalverstrekking wordt gemotiveerd.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Raadbesluiten met de motivering van het publiekbelang als bedoeld in
                                de vorige leden zijn niet nodig als sprake is van:</al><lijst><li nr="a."><al>leveringen, diensten of werken en het verstrekken van
                                        leningen, garanties en kapitaal aan andere overheden voor
                                        zover deze leveringen en verstrekkingen zijn bedoeld voor de
                                        uitoefening van de publieke taak door die andere
                                        overheid;</al></li><li nr="b."><al>een bevoordeling van activiteiten in het kader van een bij
                                        wet opgedragen publiekrechtelijke taak;</al></li><li nr="c."><al>een bevoordeling van activiteiten in het kader van een
                                        toegekend bijzonder of uitsluitend recht waarvoor
                                        prijsvoorschriften gelden;</al></li><li nr="d."><al>een bevoordeling van sociale werkplaatsen;</al></li><li nr="e."><al>een bevoordeling van onderwijsinstellingen;</al></li><li nr="f."><al>een bevoordeling van publieke media-instellingen; en</al></li><li nr="g."><al>een bevoordeling die valt onder de reikwijdte van de
                                        staatssteunregels van het Werkingsverdrag van de Europese
                                        Unie en daarmee verenigbaar is.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14.</nr><titel>Vaststelling hoogte belastingen, rechten, heffingen en
                                prijzen</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14.</nr><titel>Vaststelling hoogte belastingen, rechten, heffingen en
                                prijzen</titel></kop><al>Het college doet de raad jaarlijks een voorstel voor de hoogte van de
                            gemeentelijke tarieven voor de belastingen, heffingen, leges en rechten
                            .</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15.</nr><titel>Financieringsfunctie</titel></kop><al>Het college neemt in het treasurystatuut de regels op die zij hanteert
                            voor:</al><lijst><li nr="·"><al>het dagelijkse beheer van valutarisico; </al></li><li nr="·"><al>kredietrisico en relatiebeheer;</al></li><li nr="·"><al>intern liquiditeitsrisico en geldstromenbeheer;</al></li><li nr="·"><al>administratieve organisatie;</al></li><li nr="·"><al>interne controle van de financieringsfunctie. </al></li></lijst><al>Het college biedt het treasurystatuut, en het wijzigen ervan, aan ter
                            behandeling en vaststelling aan de raad. </al><al>2.Bij de begroting en jaarstukken doet het college in de paragraaf
                            financiering in ieder geval verslag van de algemene ontwikkelingen van
                            het rentebeleid, de renterisico’s, de kasgeldlimiet, de
                            financieringsbehoefte en de leningenportefeuille.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4.</nr><titel>Paragrafen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16.</nr><titel>Lokale heffingen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Bij de begroting en de jaarstukken neemt het college in de paragraaf
                            lokale heffingen naast de verplichte onderdelen op grond van artikel 10 van het Besluit
                            begroting en verantwoording provincies en gemeenten in ieder geval
                            op:</al><lijst><li nr="a)"><al>de mate van kostendekkendheid van de rioolheffingen en
                                            de afvalstoffenheffing;</al></li><li nr="b)"><al>de opbrengsten per lokale heffing;</al></li><li nr="c)"><al>het volume en bedrag aan kwijtscheldingen;</al></li><li nr="d)"><al>de (ontwikkeling) van de lokale lastendruk per
                                            huishouden. </al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Het college biedt de raad tenminste eenmaal in de vier
                                            jaar een nota lokale heffingen aan.</al></li></lijst><al>Hierbij wordt ingegaan op:</al><lijst><li nr="e)"><al>de samenstelling van het pakket aan gemeentelijke belastingen en
                                    heffingen;</al></li><li nr="f)"><al>de verdeling van de druk over de diverse belanghebbenden;</al></li><li nr="g)"><al>de kostendekkendheid van de belastingen;</al></li><li nr="h)"><al>het kwijtscheldingsbeleid en het tarievenbeleid;</al></li></lijst><al>De nota bevat voorts een overzicht van de verordeningen met de
                            bijbehorende vaststellingsdata waarin tarieven en heffingen zijn
                            vastgelegd. Het college draagt er zorg voor dat er een actueel overzicht
                            is van tarieven, heffingen en kosten.</al><al>De raad stelt de nota vast.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17.</nr><titel>Financiering</titel></kop><al>In de paragraaf financiering bij de begroting en de jaarstukken neemt
                            het college naast de verplichte onderdelen op grond van artikel 13 van
                            het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten in ieder
                            geval op: </al><lijst><li nr="a."><al>de schulden met een looptijd korter dan een jaar en het
                                    verschuldigde rentepercentage;</al></li><li nr="b."><al>de schulden met een looptijd langer dan een jaar en het
                                    verschuldigde rentepercentage;</al></li><li nr="c."><al>de liquiditeitsplanning en de financieringsbehoefte voor de
                                    komende vier jaar;</al></li><li nr="d."><al>de rentevisie voor de komende vier jaar.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18.</nr><titel>Weerstandsvermogen &amp; risicobeheersing</titel></kop><lijst><li nr="1)"><al>In de paragraaf weerstandsvermogen en risicobeheersing bij de
                                    begroting en de jaarstukken geeft het college de risico’s van
                                    materieel belang aan en een inschatting van de kans dat deze
                                    risico’s zich voordoen. Ook wordt het gewenste
                                    weerstandsvermogen bepaald en wordt aangegeven in hoeverre dit
                                    toereikend is voor het opvangen van de risico’s.</al></li><li nr="2)"><al>Het college biedt de raad tenminste eenmaal in de vier jaar een
                                    nota weerstandsvermo-gen &amp; risicobeheersing aan. </al></li></lijst><al>In deze nota wordt ingegaan op:</al><lijst><li nr="·"><al>het risicomanagement;</al></li><li nr="·"><al>het opvangen van risico’s door verzekeringen;</al></li><li nr="·"><al>voorzieningen;</al></li><li nr="·"><al>het weerstandsvermogen of anderszins. </al></li></lijst><al>In de nota wordt het beleid omtrent de gewenste weerstandscapaciteit en
                            de gemeentelijke risico’s bepaald. De raad stelt de nota vast.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19.</nr><titel>Onderhoud kapitaalgoederen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Bij de begroting en de jaarstukken neemt het college in de paragraaf
                                onderhoud kapitaalgoederen naast de verplichte onderdelen op grond
                                van artikel 12 van het Besluit begroting en verantwoording
                                provincies en gemeenten in ieder geval op:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>de voortgang van het geplande onderhoud;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>de omvang van het achterstallig onderhoud.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college biedt de raad tenminste eens in de vier jaar een
                                onderhoudsplan wegen aan. Het plan geeft het kader weer voor het
                                beoogde onderhoudsniveau, de planning van het onderhoud en de kosten
                                van het onderhoud voor het wegen. De raad stelt het plan vast.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college biedt de raad tenminste eens in de vier jaar een
                                rioleringsplan aan. Het plan geeft het kader weer voor het beoogde
                                onderhoudsniveau, de planning van het onderhoud, de uitbreiding van
                                de riolering en de kosten van het onderhoud en de eventuele
                                uitbreidingen. De raad stelt het plan vast.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college biedt de raad tenminste eens in de vier jaar een
                                onderhoudsplan gebouwen aan. Het plan bevat voorstellen voor het te
                                plegen onderhoud en de bijbehorende kosten aan de gemeentelijke
                                gebouwen. De raad stelt het plan vast.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het college biedt de raad tenminste eens in de vier jaar een
                                onderhoudsplan openbare verlichting aan. Het plan bevat voorstellen
                                voor het te plegen onderhoud en de bijbehorende kosten aan de
                                openbare verlichting. De raad stelt het plan vast.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>20.</nr><titel>Bedrijfsvoering</titel></kop><al>In de paragraaf bedrijfsvoering bij de begroting en de jaarstukken neemt
                            het college naast de verplichte onderdelen op grond van artikel 14 van
                            het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten in ieder
                            geval op: </al><lijst><li nr="a."><al>de omvang, opbouw en ontwikkeling van het personeelsbestand en
                                    de loonkosten;</al></li><li nr="b."><al>de kosten van inhuur derden;</al></li><li nr="c."><al>de huisvestingskosten;</al></li><li nr="d."><al>de automatiseringskosten;</al></li><li nr="e."><al>de budgetten voor de raad, de griffie, de rekenkamer en de
                                    accountant.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>21.</nr><titel>Verbonden partijen</titel></kop><al>Bij de begroting en de jaarstukken neemt het college in de paragraaf
                            verbonden partijen de verplichte onderdelen op grond van artikel 15 van
                            het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten op.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>22.</nr><titel>Grondbeleid</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>In de paragraaf grondbeleid bij de begroting en de jaarstukken
                                    neemt het college naast de verplichte onderdelen op grond van
                                    artikel van 16 van het Besluit begroting en verantwoording
                                    provincies en gemeenten in ieder geval op:</al><lijst><li nr="a."><al>het verloop van de grondvoorraad;</al></li><li nr="b."><al>de te ontwikkelen en in ontwikkeling genomen projecten.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Het college biedt de raad ten minste eens in de vier jaar een
                                    nota grondbeleid aan. De raad stelt de nota vast. In de nota wordt aandacht besteed aan:</al><lijst><li nr="a."><al>de strategische visie van het toekomstig grondbeleid van de
                                    gemeente;</al></li><li nr="b."><al>te ontwikkelen en in ontwikkeling genomen projecten;</al></li><li nr="c."><al>het verloop van de grondvoorraad;</al></li><li nr="d."><al>de uitgangspunten voor de verkoopprijzen van gronden.</al></li></lijst></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>5.</nr><titel>Financiele organisatie en financieel beheer</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>23.</nr><titel>Administratie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Onder administratie wordt verstaan het systematisch verzamelen,
                                vastleggen, verwerken en verstrekken van informatie ten behoeve van
                                het besturen, functioneren en beheersen van de gemeentelijke
                                organisatie en de verantwoording die daarover moet worden
                                afgelegd.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De administratie is zodanig van opzet en werking, dat zij in ieder
                                geval dienstbaar is voor:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>het sturen en het beheersen van activiteiten en processen in de
                                gemeente als geheel en in de afdelingen;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>het verstrekken van informatie over ontwikkelingen in de omvang van
                                de vaste activa, voorraden, vorderingen, schulden, contracten;</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>het verschaffen van informatie over uitputting van de toegekende
                                budgetten en investeringskredieten en voor het maken van
                                kostencalculaties;</al></lid><lid><lidnr>d.</lidnr><al>het verschaffen van informatie over indicatoren met betrekking tot
                                de gemeentelijke productie van leveringen en diensten en de
                                maatschappelijke effecten van het gemeentelijke beleid;</al></lid><lid><lidnr>e.</lidnr><al>het afleggen van verantwoording over de rechtmatigheid, de
                                doelmatigheid en de doeltreffendheid van het gevoerde bestuur in
                                relatie tot de gestelde beleidsdoelen, de begroting en relevante
                                wet- en regelgeving; en</al></lid><lid><lidnr>f.</lidnr><al>de controle van de registratie van gegevens als zodanig en van de
                                daaraan ontleende informatie, alsmede voor de controle op de
                                rechtmatigheid, de doelmatigheid en de doeltreffendheid van het
                                gevoerde bestuur in relatie tot de gestelde beleidsdoelen, de
                                begroting en relevante wet- en regelgeving.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>24.</nr><titel>Financiële organisatie</titel></kop><al>Het college draagt zorgt voor:</al><lijst><li nr="a."><al>een eenduidige indeling van de gemeentelijke organisatie en een
                                    eenduidig toewijzing van de gemeentelijke taken aan de
                                    afdelingen;</al></li><li nr="b."><al>een adequate scheiding van taken, functies, bevoegdheden,
                                    verantwoordelijkheden;</al></li><li nr="c."><al>de verlening van mandaten en volmachten voor het aangaan van
                                    verplichtingen ten laste van de toegekende budgetten en
                                    investeringskredieten;</al></li><li nr="d."><al>de interne regels voor taken en bevoegdheden, de
                                    verantwoordingsrelaties en de bijbehorende informatievoorziening
                                    van de financieringsfunctie;</al></li><li nr="e."><al>de te maken afspraken met de afdelingen over de te leveren
                                    prestaties, de daarvoor beschikbare middelen en de wijze en
                                    frequentie van rapportage over de voortgang van de activiteiten
                                    en uitputting van middelen;</al></li><li nr="f."><al>de kostenverdeelsleutels voor het eenduidig toewijzen van de
                                    lasten en baten aan de producten van de productenraming en de
                                    productenrealisatie;</al></li><li nr="g."><al>het beleid en de interne regels voor de inkoop en de
                                    aanbesteding van leveringen, werken en diensten;</al></li><li nr="h."><al>het beleid en de interne regels voor de steunverlening en de
                                    toekenning van subsidies aan ondernemingen en instellingen;
                                    en</al></li><li nr="i."><al>het beleid en de interne regels voor het voorkomen van misbruik
                                    en oneigenlijk gebruik van gemeentelijke regelingen en
                                    eigendommen, opdat aan de eisen van rechtmatigheid, controle en
                                    verantwoording wordt voldaan.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>25.</nr><titel>Interne controle</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college zorgt ten behoeve van het getrouwe beeld van de
                                jaarrekening, bedoeld in artikel 213, derde lid, onder a van de
                                Gemeentewet, en de rechtmatigheid van de baten en lasten en de
                                balansmutaties, bedoeld in artikel 213, derde lid, onder b van de
                                Gemeentewet, voor de jaarlijkse interne toetsing van de getrouwheid
                                van de informatieverstrekking en de rechtmatigheid van de
                                beheershandelingen. Bij afwijkingen neemt het college maatregelen
                                tot herstel.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college zorgt voor de systematische controle van de registratie
                                en de ontwikkeling van de bezittingen en het vermogen van de
                                gemeente met dien verstande dat de waardepapieren, de voorraden, de
                                uitstaande leningen, de debiteurenvorderingen, de liquiditeiten, de
                                opgenomen leningen, de kortlopende schulden en de vorderingen van
                                crediteuren jaarlijks worden gecontroleerd. Bij afwijkingen in de
                                registratie neemt het college maatregelen voor herstel van de
                                tekortkomingen.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>6.</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>26.</nr><titel>Intrekken oude verordening en overgangsrecht</titel></kop><al>De “Financiele verordening gemeente Landerd 2013” wordt ingetrokken, met
                            dien verstande dat zij van toepassing blijft op de jaarrekening en het
                            jaarverslag en bijbehorende stukken van 2014 en op de begroting,
                            jaarrekening en jaarverslag en bijbehorende stukken 2015.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>27.</nr><titel>Inwerkingtreding en citeertitel</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Deze verordening treedt in werking op 28 mei 2015.</al></li><li nr="2."><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Financiële verordening
                                    gemeente Landerd 2015.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld in de vergadering van de raad van 28 mei 2015.</ondertekening><ondertekening>De raad voornoemd,</ondertekening><ondertekening>De griffier, de voorzitter,</ondertekening><ondertekening>J.A.G. Huijs M.C. Bakermans</ondertekening></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>Toelichting op de artikelen</titel></kop><tussenkop>Artikel 1. Begripsbepaling</tussenkop><al>De begrippen netto schuld en inkomsten zijn gedefinieerd. Hiervoor zijn de
                    definities gevolgd die de Vereniging van Nederlandse Gemeenten toepast voor het
                    jaarlijkse overzicht met kengetallen over de financiële positie van gemeenten.
                    Tot slot is het begrip overheidsbedrijf gedefinieerd om nadere invulling te
                    kunnen geven aan de verplichtingen die volgen uit de Mededingingswet voor het
                    vaststellen van de hoogte van prijzen.</al><tussenkop>Artikel 2. Programma-indeling</tussenkop><al>Dit artikel bevat bepalingen over de inrichting van de begroting en de
                    jaarstukken. De indeling van de programma’s worden bij aanvang van iedere
                    raadsperiode door de raad vastgesteld. Het BBV bepaalt in aanvulling hierop dat
                    het college de producten aan de programma’s toewijst. </al><al>Op grond van artikel 189 Gemeentewet berust het budgetrecht bij de raad. De raad
                    neemt uiteindelijk de beslissing welke bedragen zij voor taken en activiteiten
                    op de begroting beschikbaar stelt. Gedurende het begrotingsjaar kan de raad op
                    grond van artikel 192 Gemeentewet besluiten nemen tot wijziging van de
                    begroting. De gemeente kan slechts uitgaven doen voor de bedragen die hiervoor
                    op de begroting zijn gebracht (derde lid artikel 189 Gemeentewet). De raad kan
                    kiezen op welk niveau hij budgetten beschikbaar stelt. Er is voor gekozen de
                    budgetten per programma te autoriseren.</al><al>Het derde lid van artikel 2 van de financiële verordening bepaalt dat op
                    voorstel van het college de raad niet-financiële indicatoren per programma
                    vaststelt. Het is het zogenaamde SMART maken van de begroting. Het derde lid van
                    artikel 8 BBV stelt namelijk dat per programma wordt aangegeven wat de
                    doelstelling – in het bijzonder de beoogde maatschappelijke effecten – is en hoe
                    er naar wordt gestreefd deze effecten te bereiken. </al><al>Overigens bepaalt dit artikel niet dat elke nieuwe raadsperiode de gehele
                    begroting en jaarstukken moeten worden herzien. In de meeste gevallen is dat
                    niet raadzaam. Als de indeling en gebruikte indicatoren de vorige raadsperiode
                    goed zijn bevallen, kunnen deze ongewijzigd opnieuw worden vastgesteld. In
                    andere gevallen zijn (kleine) bijstellingen of wijzigingen meestal
                    voldoende.</al><al>Het BBV schrijft een aantal verplichte paragrafen voor. In een paragraaf wordt
                    de raad integraal over een bepaald thema dat dwars door de begroting loopt,
                    geïnformeerd. Het vierde lid van artikel 2 van de financiële verordening bepaalt
                    dat de raad bij aanvang een nieuwe raadsperiode kan aangeven welke paragrafen
                    hij nog meer wenst. </al><tussenkop>Artikel 3. Inrichting begroting en jaarstukken</tussenkop><al>In dit artikel zijn aanvullend op het BBV bepalingen opgenomen voor de
                    inrichting van de begroting. </al><al>In het tweede lid wordt de verplichting in het BBV (artikel 20) om in de
                    begroting aandacht te besteden aan de investeringen nader uitgewerkt door te
                    bepalen dat er bij de uiteenzetting van de financiële positie een overzicht van
                    de investeringen wordt gegeven. In het derde lid wordt dit geregeld voor de
                    jaarrekening.</al><al>Het derde bepaalt dat in aanvulling op het bepaalde in het Besluit begroting en
                    verantwoording provincies en gemeenten de gevolgen van de begroting en
                    meerjarenraming voor de gemeentelijke schuldpositie inzichtelijk worden gemaakt. </al><tussenkop>Artikel 4. Kaders begroting</tussenkop><al>Artikel 4 van de financiële verordening biedt de kaders voor het opstellen van
                    de begroting en de meerjarenraming. Hierin staan een aantal uitgangspunten die
                    het college bij het opstellen van deze stukken in acht moet nemen. Dit in
                    aanvulling op de bepalingen van de artikelen 189 en 193 Gemeentewet en het BBV. </al><al>Het eerste lid van het artikel bepaalt dat de gemeenteraad vooraf aan het
                    opstellen van de begroting een nota vaststelt waarin de hoofdlijnen voor het
                    beleid en de financiële kaders voor de komende jaren zijn vastgelegd. De kaders
                    geven richting aan het college voor het opstellen van de begroting en de
                    meerjarenraming. Deze systematiek wordt in veel gemeenten toegepast en deze nota
                    draagt vaak de naam kadernota of voorjaarsnota.</al><al>Artikel 8 van het BBV zegt dat het bedrag voor onvoorzien moet zijn opgenomen in
                    het programmaplan. In het tweede lid van artikel 4 wordt een nadere invulling
                    aan deze wettelijke verplichtingen gegeven door de omvang van het bedrag voor
                    onvoorzien vast te leggen. De meeste gemeenten nemen een bedrag voor onvoorzien
                    op onder de algemene dekkingsmiddelen. Het is ook mogelijk om als raad aan te
                    geven dat het college per programma een post voor onvoorziene uitgaven opneemt.
                    Dan moet een lid met een andere strekking op deze plaats worden opgenomen. </al><tussenkop>Artikel 5. Autorisatie begroting en investeringskredieten </tussenkop><al>Artikel 5 van de financiële verordening bevat nadere regels voor de autorisatie
                    van de baten en lasten in de begroting en van de investeringskredieten.
                    Autorisatie van de baten en de lasten vindt plaats op het niveau van programma’s
                    (eerste lid). Naast lopende uitgaven doet een gemeenten investeringen. Ook
                    uitgaven voor investeringen moeten worden geautoriseerd – denk hierbij ook aan
                    de grondexploitatie. Voor de autorisatie van deze investeringskredieten is
                    gekozen deze bij de begrotingsbehandeling mee te nemen (tweede lid). Wel kan de
                    raad bij de begrotingsbehandeling aangegeven welke investeringskredieten hij op
                    een later tijdstip wenst te autoriseren. Zo kan de raad de autorisatie van
                    politiek belangrijke investeringen combineren met de behandeling van de
                    inhoudelijke kant van het investeringsvoorstel. Het bedrag voor een dergelijke
                    investering blijft wel op de begroting staan als voorziene uitgaaf, maar de raad
                    autoriseert de uitgaaf nog niet. Het college is nog niet bevoegd verplichtingen
                    voor de investering aan te gaan. </al><al>Het college dient dreigende overschrijdingen van geautoriseerde lasten en
                    investeringskredieten en dreigende onderschrijdingen van geautoriseerde baten
                    bij het bekend worden aan de raad te melden, zodat de raad kan besluiten of het
                    budget moet worden gewijzigd of dat het beleid moet worden bijgesteld.</al><al>Voor het behandelen van de daadwerkelijke begrotingswijzigingen en bijstellingen
                    van beleid is er voor gekozen deze mee te nemen bij de behandeling van de
                    tussenrapportages (vierde lid). </al><al>Meestal komen gedurende het begrotingsjaar nieuwe investeringsvoornemens op
                    tafel die bij het opstellen van de begroting niet waren voorzien. Het vijfde lid
                    van het artikel regelt de autorisatie van de investeringskredieten anders dan
                    bij vaststelling van de begroting. Dus ook voor investeringen die pas in de loop
                    van het begrotingsjaar worden voorzien. Daarbij draagt dit lid aan het college
                    op bij grote investeringen aan te geven wat het effect is op de schuldpositie
                    van de gemeente.</al><tussenkop>Artikel 6. Tussentijdse rapportage</tussenkop><al>Een belangrijk onderdeel van de planning- en controlcyclus voor de raad zijn de
                    tussenrapportages. Op basis van tussenrapportages wordt de raad geïnformeerd
                    over de uitputting van budgetten en investeringskredieten.</al><tussenkop>Artikel 7. Informatieplicht</tussenkop><al>In artikel 7 van de financiële verordening is een nadere invulling van de
                    informatieplicht van het college aan de raad opgenomen. Het betreft een
                    uitwerking van het vierde lid van artikel 169 Gemeentewet. Dat artikel verplicht
                    het college vooraf aan het aangaan van bepaalde verplichtingen de raad
                    inlichtingen te verstrekken indien de raad daar om verzoekt of indien de
                    uitoefening van deze bevoegdheden van het college ingrijpende gevolgen heeft
                    voor de gemeente. </al><al>In artikel 7 verzoekt de raad het college om informatie vooraf aan het aangaan
                    van de opgesomde rechtshandelingen met een financieel gevolg, indien het aangaan
                    van deze verplichtingen de in het artikel genoemde bedragen overschrijden. </al><al>De bepalingen uit het artikel ontslaan het college niet van de informatieplicht
                    in andere gevallen.</al><al>Ook moeten besluiten van het college voor het doen van privaatrechtelijke
                    rechtshandelingen passen binnen de kaders van het beleid dat door de raad is
                    uiteengezet. Het artikel schept slechts duidelijkheid tussen het college en de
                    raad over wanneer de raad in elk geval vóóraf wenst te worden geïnformeerd en in
                    de gelegenheid wil worden gesteld zijn wensen en bedenkingen aan het college
                    kenbaar te maken.</al><tussenkop>Artikel 8. EMU-saldo</tussenkop><al>Voor gemeenten is in de Wet houdbare overheidsfinanciën vastgelegd dat ze
                    aandeel hebben in plafond voor het totale EMU-tekort van Nederland. Wordt dit
                    gemeentelijk aandeel in het EMU-tekort door de gezamenlijke gemeenten
                    overschreden dan kan dat tot een correctieve maatregel van het Rijk leiden of
                    tot een boete uit Europa die naar gemeenten wordt doorvertaald. Maar het kan ook
                    zijn dat de overschrijding niet erg is. </al><al>Gemeenten krijgen in het voorjaar van het Rijk bericht of het gemeentelijk
                    aandeel in het nationale toegestane EMU-tekort met de lopende begroting dreigt
                    te worden overschreden. Ook wordt dan duidelijk of daarop actie van gemeenten is
                    gewenst. Pas als dit laatste het geval is, moeten gemeenten met een individueel
                    EMU-saldo hoger dan gemeentelijke EMU-referentiewaarde hun begroting neerwaarts
                    bijstellen om de overschrijding van het collectieve aandeel ongedaan te maken. </al><al>In het artikel is opgenomen dat het college de raad informeert bij een
                    overschrijding van het toegestane EMU-tekort voor alle gemeenten. Als daarop
                    actie nodig is van de gemeente, doet het college een voorstel voor het wijzigen
                    van de begroting.</al><tussenkop>Artikel 9. Waardering &amp; afschrijving vaste activa</tussenkop><al>In het tweede lid, onder a, van artikel 212 Gemeentewet is opgenomen dat de
                    financiële verordening in elk geval de regels voor waardering en afschrijving
                    van activa bevat. Hieraan is in artikel 9 invulling gegeven. </al><tussenkop>Artikel 10. Voorziening voor oninbare vorderingen</tussenkop><al>Voor de oninbaarheid van vorderingen moet een gemeente een voorziening vormen. </al><tussenkop>Artikel 11. Reserves en voorzieningen</tussenkop><al>Het eerste lid bepaalt dat het college eens in een nader aantal te bepalen jaar
                    een nota over de reserves en voorzieningen aan de raad aanbiedt. Met het
                    vaststellen van deze nota stelt de raad de kaders vast voor de vorming van
                    reserves en voorzieningen.</al><al>Voor een investeringsvoornemen kan de raad een bestemmingsreserve vormen. Een
                    deel van de algemene reserve wordt hiervoor afgezonderd. Hiermee wordt op de
                    balans van de gemeente tot uitdrukking gebracht dat een toekomstige investering
                    een beslag op het eigen vermogen gaat leggen. In het tweede lid zijn de
                    voorwaarden voor een voorstel voor een dergelijke bestemmingsreserve
                    opgenomen.</al><al>Investeringsvoornemens leiden niet altijd tot investeringen. Er bestaat het
                    gevaar dat bestemmingsreserves op de balans blijven staan waar tegenover in het
                    geheel geen investeringsvoornemen meer bestaan. Door bij het instellen van een
                    bestemmingsreserve een maximale “houdbaarheidsdatum” voor de reserve op te nemen
                    kan dit worden voorkomen. Hiervoor moet wel in de verordening de bepaling worden
                    opgenomen dat bestemmingsreserves die de houdbaarheidsdatum hebben overschreden,
                    vervallen en weer aan de algemene reserve worden toegevoegd (3<sup>e</sup>
                    lid).</al><tussenkop>Artikel 12.</tussenkop><tussenkop> Kostprijsberekening</tussenkop><al>Artikel 212 Gemeentewet bepaalt in het tweede lid, onder b, dat de verordening
                    in ieder geval bevat de grondslagen voor de berekening van de door het
                    gemeentebestuur in rekening te brengen prijzen en tarieven voor rechten en
                    heffingen. De grondslag voor de prijzen en tarieven vormt de opbouw van de
                    kostprijs van de leveringen en diensten waarvoor prijzen en heffingen in
                    rekening worden gebracht. In artikel 12 van de verordening staan de kaders voor
                    de bepaling van de kostprijzen van de gemeentelijke diensten die worden geleverd
                    aan derden. Het eerste lid van het artikel bepaalt dat de kostprijs bestaat uit
                    de directe kosten en de indirecte kosten die direct met de dienst samenhangen.
                    Het tweede lid bepaalt dat bij de rioolheffing en afvalstoffenheffing onder de
                    kosten ook worden verstaan bijdragen aan voorzieningen, de compensabele BTW en
                    de kosten van het kwijtscheldingsbeleid. </al><al>Het derde lid geeft aan dat in de kostprijs ook de kosten van de financiering
                    van materiele activa moet worden meegenomen in de vorm van een rente over het
                    eigen vermogen en over het vreemd vermogen. Kaders voor de kostprijzen staan
                    voor heffingen, rechten en leges in artikel 229b Gemeentewet en voor prijzen in
                    de artikelen 25i, 25j en 25m van de Mededingingswet. </al><tussenkop>Artikel 13. Prijzen economische activiteiten</tussenkop><al>Als een gemeente leveringen, diensten of werken levert aan overheidsbedrijven of
                    derden dan mag zij deze activiteiten niet bevoordelen als het economische
                    activiteiten betreft. Economische activiteiten zijn hier activiteiten waarmee de
                    gemeenten in concurrentie met ander ondernemingen treedt. Het
                    bevoordelingsverbod houdt feitelijk in dat tenminste een integrale kostprijs
                    voor de leveringen, diensten werken en het verstrekken van leningen garanties en
                    kapitaal in rekening moet worden gebracht.</al><al>Van deze verplichting kan worden afgeweken als de activiteiten worden ontplooid
                    in het kader van het publiek belang. Daarvoor is wel nodig dat in een
                    raadbesluit het publiek belang van de activiteit wordt gemotiveerd. Het
                    raadbesluit moet worden aangemerkt als een concretiserend besluit van algemene
                    strekking. Het besluit moet worden bekendgemaakt in een van overheidswege
                    uitgegeven blad of een dag-, nieuws- of huis-aan-huisblad en moet open staan
                    voor bezwaar en beroep. Belanghebbenden kunnen dan binnen uiterlijk zes weken na
                    bekendmaking van het besluit een bezwaarschrift indienen bij de gemeente
                    (Artikel 6:7 Algemene wet bestuursrecht). De gemeente moet binnen zes weken een
                    besluit nemen over het bezwaarschrift of – indien een commissie als bedoeld in
                        <onderstreept>artikel 7:13</onderstreept> Algemene wet bestuursrecht is
                    ingesteld – binnen twaalf weken, gerekend vanaf de dag na die waarop de termijn
                    voor het indienen van het bezwaarschrift is verstreken. Bij afwijzing van de
                    bezwaren kan de belanghebbende beroep instellen bij de bestuursrechter.</al><al>Voor het verplicht in rekening brengen van minimaal een integrale kostprijs voor
                    de leveringen, werken en diensten of voor het verstrekken van leningen,
                    garanties en kapitaal gelden een aantal uitzonderingen. Deze uitzonderingen
                    worden in het vierde lid opgesomd. </al><tussenkop>Artikel 14. Vaststelling hoogte belastingen, rechten, heffingen en
                    prijzen </tussenkop><al>Het vaststellen van de tarieven voor belastingen, rechten en leges is een
                    bevoegdheid van de raad. Deze bevoegdheid kan niet worden gedelegeerd (artikel
                    156 Gemeentewet). Dit artikel bepaalt dat de raad de tarieven voor de
                    belastingen, rioolheffingen en afvalstoffenheffing jaarlijks vaststelt. </al><al>Een gemeenteraad die voor meer rechten en leges de tarieven jaarlijks wenst vast
                    te stellen, kan dit artikel lid met leges en rechten en leges uitbreiden. Het
                    betekent dat de bijbehorende verordening jaarlijks moet worden herzien.</al><tussenkop>Artikel 15. Financieringsfunctie </tussenkop><al>Artikel 212 Gemeentewet bevat de bepaling dat de financiële verordening in elk
                    geval regels voor de algemene doelstelling en de te hanteren richtlijnen en
                    limieten van de financieringsfunctie bevat. Artikel 15 geeft invulling aan deze
                    plicht. Het artikel bevat kaders voor het financieringsbeleid. De kaders voor de
                    financiële organisatie van de financieringsfunctie staan in artikel 24.</al><tussenkop>Paragrafen</tussenkop><al>Het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten geeft in de
                    artikelen 16 tot en met 21 aan wat er in de paragrafen lokale heffingen,
                    weerstandsvermogen en risicobeheersing, onderhoud kapitaalgoederen,
                    financiering, bedrijfsvoering, verbonden partijen en grondbeleid ten minste moet
                    staan. In de financiële verordening kan de raad bepalen dat hij ook over
                    aanvullende zaken in de paragrafen wil worden
                    geïnformeerd<cursief>.</cursief></al><tussenkop>Artikel 16. Lokale heffingen</tussenkop><al>In het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten staat in
                    artikel 10 welke informatie de paragraaf lokale heffingen in elk geval moet
                    bevatten. </al><tussenkop>Artikel 17. Financiering</tussenkop><al>In het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten staat in
                    artikel 13 welke informatie de paragraaf financiering in elk geval moet
                    bevatten. Er is opgenomen dat de raad in de paragraaf financiering ook wordt
                    geïnformeerd over de opbouw van de korte en lange schuldpositie, de
                    liquiditeitsplanning en de rentevisie voor de komende jaren. </al><tussenkop>Artikel 18. Weerstandsvermogen &amp; risicobeheersing</tussenkop><al>In het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten staat in
                    artikel 11 welke informatie de paragraaf weerstandsvermogen in elk geval moet
                    bevatten. </al><tussenkop>Artikel 19. Onderhoud kapitaalgoederen</tussenkop><al>In het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten staat in
                    artikel 12 welke informatie de paragraaf onderhoud kapitaalgoederen in elk geval
                    moet bevatten. Dit model heeft daarom een artikel waarin deze aanvullende
                    informatievraag van de raad wordt gedefinieerd. Er is opgenomen dat de raad in
                    de paragraaf onderhoud kapitaalgoederen ook wordt geïnformeerd over de voortgang
                    van het geplande onderhoud en de omvang van het achterstallig onderhoud.</al><tussenkop>Artikel 20. Bedrijfsvoering</tussenkop><al>In het BeFsluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten staat in
                    artikel 14 welke informatie de paragraaf bedrijfsvoering in elk geval moet
                    bevatten. Dit model heeft daarom een artikel waarin deze aanvullende
                    informatievraag van de raad wordt gedefinieerd. Er is opgenomen dat de raad in
                    de paragraaf bedrijfsvoering ook wordt geïnformeerd over de kosten, de opbouw en
                    het verloop van het personeelsbestand, de kosten inhuur derden, de
                    huisvestingskosten, de automatiseringskosten en de budgetten voor de raad, de
                    griffie, de rekenkamer en de accountant. </al><tussenkop>Artikel 21. Verbonden partijen</tussenkop><al>In het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten staat in
                    artikel 15 welke informatie de paragraaf verbonden partijen in elk geval moet
                    bevatten.</al><tussenkop>Artikel 22. Grondbeleid</tussenkop><al>In het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten staat in
                    artikel 16 welke informatie de paragraaf grondbeleid in elk geval moet bevatten.
                    Dit model heeft daarom een artikel waarin deze aanvullende informatievraag van
                    de raad wordt gedefinieerd. Er is opgenomen dat de raad in de paragraaf
                    grondbeleid ook wordt geïnformeerd over het verloop van de grondvoorraad en de
                    te ontwikkelen en in ontwikkeling genomen projecten. </al><al>Het tweede lid bepaalt dat het college eens in een nader bepaald aantal jaar aan
                    de raad een nota grondbeleid aanbiedt. Met de nota kan de raad de kaders voor
                    het toekomstig grondbeleid vaststellen.</al><tussenkop>Artikel 23. Administratie</tussenkop><al>Onder artikel 23 zijn algemene bepalingen opgenomen voor de inrichting van de
                    gemeentelijke administratie. Op hoofdlijnen wordt opgedragen welke gegevens
                    systematisch moeten worden vastgelegd en aan welke eisen deze gegevens en de
                    vastlegging er van moeten voldoen. </al><tussenkop>Artikel 24. Financiële organisatie</tussenkop><al>Artikel 24 geeft de uitgangspunten voor de financiële organisatie en draagt het
                    college op hiervoor zorg te dragen. Het college is op grond van artikel 160
                    Gemeentewet bevoegd regels te stellen over de ambtelijke organisatie. Deze
                    bevoegdheid betreft ook het stellen van regels voor de financiële organisatie,
                    blijkt uit het advies van de Raad van State en het Nader rapport uit 2003 over
                    de wijziging van artikel 212 Gemeentewet. </al><al>Artikel 24 geeft een opsomming op welke terreinen van de financiële organisatie
                    het college beleid en interne regels moet stellen. </al><al>De uitgangspunten voor de financiële organisatie zijn nodig om voor het
                    financieel beheer en beleid aan de eisen voor rechtmatigheid, controle en
                    verantwoording te voldoen. Ze creëren de randvoorwaarden waarop de interne
                    controle en de accountantscontrole kan steunen bij het onderzoek naar de
                    rechtmatigheid van de beheershandelingen en getrouwheid van de jaarrekening. </al><tussenkop>Artikel 25. Interne controle</tussenkop><al>De accountant toetst jaarlijks of de gemeenterekening een getrouw beeld geeft
                    van de gemeentelijke financiën en of de (financiële) beheershandelingen die
                    eraan ten grondslag liggen rechtmatig zijn verlopen. Artikel 25 draagt het
                    college op maatregelen te treffen opdat gedurende het jaar of vooraf aan de
                    accountantscontrole de gemeente zelf nagaat of de cijfers in de administraties
                    een getrouw beeld geven en of de financiële beheershandelingen die aan de baten,
                    de lasten en de balansmutaties ten grondslag liggen rechtmatig (zijn)
                    verlopen.</al><al>Het tweede lid bepaalt dat jaarlijks wordt gecontroleerd of de administratie van
                    waardepapieren e.d. overeenkomen met hetgeen de gemeente daadwerkelijk bezit.
                    Het lid gebiedt daarbij dat eens in een nader aantal te bepalen jaar wordt
                    gecontroleerd of de administratie van registergoederen en bedrijfsmiddelen
                    overeenkomt met het daadwerkelijke bezit. Advies is om deze laatste controle
                    eens in de vier of vijf jaar uit te voeren. </al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>