<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR36812_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Maatregelenverordening Wet werk en bijstand 2007</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Montfoort</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-03-27</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Montfoort</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Onbekend</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Onbekend</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet werk en bijstand, artikel 8 Hd 1 onderdeel b en artikel 18.</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2006-09-18</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2007-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2011-09-22</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Onbekend</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Maatregelenverordening Wet werk en bijstand 2007</intitule><regeling><aanhef><preambule><al/><al>De raad van de gemeente Montfoort;</al><al>gezien het voorstel van burgemeester en wethouders d.d. 15 augustus
                        2006;</al><al>gehoord het advies van de raadscommissie d.d. 4 september 2006;</al><al>gelet op artikel 8 Hd 1 onderdeel b en artikel 18 van de Wet werk en
                        bijstand;</al><al>besluit:</al><al>het volgende vast te stellen:</al><al>Maatregelenverordening Wet werk en bijstand 2007</al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><titel>Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen.</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>- Begripsomschrijving.</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>zeer ernstige misdragingen: het door de belanghebbende op
                                        een dusdanige wijze benaderen van het college, dan wel onder
                                        haar ressorterende personen die belast zijn met de uitvoe
                                        ring van de Wet werk en bijstand (WWB), dat deze zich op een
                                        fysieke of psychische wijze dan wel een combinatie van
                                        beiden bedreigd voelen.</al></li><li nr="b."><al>agressieprotocol: het door de gemeente Woerden vastgestelde
                                        protocol ter voorkoming en bestrijding van agressie.</al></li><li nr="c."><al>fraude: het verwijtbaar informatie achterhouden, of
                                        verwijtbaar onjuiste informatie ver strekken, met het doel
                                        een (hogere) uitkering te ontvangen anders dan waarop men op
                                        grond van juiste en/of volledige informatie recht zou
                                        hebben.</al></li><li nr="d."><al>benadelingsbedrag: het door de gemeente ten onrechte
                                        uitbetaalde bedrag aan bijstand ver hoogd met de loonheffing
                                        en de premies volksverzekeringen waarvoor de gemeente die de
                                        bijstand verstrekt op grond van de Wet op de loonbelasting
                                        1964 inhoudingsplichtige is, alsmede met de vergoeding
                                        bedoeld in artikel 46 van de Zorgverzekeringswet.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en die niet
                                nader worden omschreven, hebben dezelfde betekenis als in de Wet
                                werk en bijstand (WWB) en de Algemene wet bestuursrecht (Awb).</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2 Het opleggen van een maatregel</nr></kop><al/><lijst><li nr="1."><al>Als belanghebbende naar het oordeel van het college
                                    tekortschietend besef van verantwoordelijkheid betoont voor de
                                    voorziening in het bestaan dan wel de uit de wet of de artikel
                                    28 lid 2 of 29 lid 1 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
                                    werk en inkomen voortvloeiende verplichtingen niet of
                                    onvoldoende nakomt, waaronder begrepen het zich jegens het
                                    college zeer ernstig misdragen, wordt overeenkomstig deze
                                    verordening een maatregel opgelegd.</al></li><li nr="2."><al>Een maatregel wordt afgestemd op de ernst van de gedraging, de
                                    mate waarin de belanghebbende de gedraging kan worden verweten
                                    en de omstandigheden waarin hij verkeert.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>- Berekeningsgrondslag.</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De maatregel wordt toegepast op de bijstandsnorm.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In afwijking van het eerste lid kan de maatregel ook worden
                                toegepast op de bijzondere bijstand indien:</al><lijst><li nr="a."><al>aan belanghebbende bijzondere bijstand wordt verleend met
                                        toepassing van artikel 12 van de wet; of</al></li><li nr="b."><al>de verwijtbare gedraging van belanghebbende, in relatie met
                                        zijn recht op bijzondere bijstand daartoe aanleiding
                                        geeft.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4 Het besluit tot opleggen van een maatregel</nr></kop><al>In het besluit tot opleggen van een maatregel worden in ieder geval
                            vermeld: de reden van de maatregel, de datum van aanvang van de
                            maatregel, de duur van de maatregel, het percentage waarmee de bijstand
                            wordt verlaagd en, indien van toepassing, de reden om af te wijken van
                            de duur en hoogte van de maatregel die volgt uit deze verordening.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>- Afzien van het opleggen van een maatregel.</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college ziet af van het opleggen van een maatregel indien:</al><lijst><li nr="a."><al>enige vorm van verwijtbaarheid ontbreekt; of</al></li><li nr="b."><al>de gedraging meer dan één jaar voor constatering van die
                                        gedraging door het college heeft plaatsgevonden, met
                                        uitzondering van de gedraging die schending van de
                                        inlichtingenplicht inhoudt; of</al></li><li nr="c."><al>de gedraging, die een schending van de inlichtingenplicht
                                        inhoudt langer dan vijf jaar geleden heeft
                                        plaatsgevonden.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan afzien van het opleggen van een maatregel indien
                                daaivoor dringende redenen aanwezig zijn.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien het college afziet van het opleggen van een maatregel op
                                grond van dringende redenen, wordt de belanghebbende daarvan
                                schriftelijk mededeling gedaan.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6 Ingangsdatum en tijdvak</nr></kop><al/><lijst><li nr="1."><al>De maatregel wordt opgelegd met ingang van de eerste dag van de
                                    volgende eerstvolgende kalendermaand volgend op de datum waarop
                                    het besluit tot het opleggen van de maatregel aan de
                                    belanghebbende is bekendgemaakt. Daarbij wordt uitgegaan van de
                                    voor die maand geldende bijstandsnorm.</al></li><li nr="2."><al>In afwijking van het eerste lid kan de maatregel met
                                    terugwerkende kracht worden opgelegd, voor zover de bijstand nog
                                    niet is uitbetaald.</al></li><li nr="3."><al>In afwijking van het eerste lid kan de maatregel met
                                    terugwerkende kracht worden opgelegd, indien de
                                    inlichtingenplicht niet is nagekomen en de bijstand ten onrechte
                                    of tot een te hoog bedrag is verleend.</al></li><li nr="4."><al>Een maatregel wordt voor bepaalde tijd opgelegd. Een maatregel
                                    die voor een periode van meer dan drie maanden wordt opgelegd,
                                    wordt uiterlijk na drie maanden nadat het besluit bekend gemaakt
                                    is, heroverwogen.</al></li><li nr="5."><al>Een opgelegde maatregel die niet kan worden uitgevoerd omdat de
                                    bijstand van belanghebbende is beëindigd, herleeft indien
                                    belanghebbende binnen 12 maanden opnieuw een beroep doet op
                                    bijstand.</al></li></lijst><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>- Samenloop en recidive.</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien belanghebbende zich tegelijkertijd schuldig heeft gemaakt aan
                                verschillende verwijtbare gedragingen, wordt voor het bepalen van de
                                hoogte en de duur van de maatregel uitgegaan van cumulatie van de
                                percentages welke gelden voor de verschillende gedragingen, met een
                                maximum van 100% van de bijstandsnorm.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De duur van de maatregel wordt verdubbeld indien de belanghebbende
                                zich binnen 12 maanden na bekendmaking van een besluit waarmee een
                                maatregel is opgelegd opnieuw schuldig maakt aan een verwijtbare
                                gedraging. Indien de belanghebbende na een tweede verwijtbare
                                gedraging wederom verwijtbaar gedrag vertoont, wordt de hoogte en de
                                duur van de maatregel individueel vastgesteld.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Voor de toepassing van het tweede lid wordt met een besluit waarmee
                                een maatregel is opgelegd, gelijkgesteld het besluit om daarvan af
                                te zien op grond van dringende redenen als bedoeld in artikel 5 lid
                                2 van deze verordening.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>- Horen van belanghebbende.</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Voordat een maatregel wordt opgelegd, wordt de belanghebbende in
                                    de gelegenheid- gesteld zijn zienswijze naar voren te
                                    brengen,</al></li><li nr="2."><al>Het horen van belanghebbende kan achterwege worden gelaten
                                    indien:</al><lijst><li nr="a."><al>de vereiste spoed zich daartegen verzet;</al></li><li nr="b."><al>de belanghebbende reeds eerder in de gelegenheid is
                                            gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen en zich
                                            sindsdien geen nieuwe feiten of omstandigheden hebben
                                            voorgedaan;</al></li><li nr="c."><al>de belanghebbende niet heeft voldaan aan een verzoek van
                                            het coUege of van een derde aan wie het college met
                                            toepassing van artikel 7 van de wet werkzaamheden in het
                                            kader van de wet heeft uitbesteed, om binnen een
                                            gestelde termijn inlichtingen te verstrekken als bedoeld
                                            in artikel 17 van de wet;</al></li><li nr="d."><al>het coUege het horen niet nodig acht in het vaststellen
                                            van de ernst van de gedraging of de mate van
                                            verwijtbaarheid;</al></li><li nr="e."><al>de maatregel wordt toegepast wegens zeer ernstige
                                            misdragingen als bedoeld in artikel 15.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Het horen van de belanghebbende wordt niet achterwege gelaten
                                    indien de maatregel wordt vastgesteld op 100% van de
                                    bijstandsnorm.</al></li></lijst><al/><al><vet>Hoofdstuk 2 Geen of onvoldoende medewerking verlenen aan het
                                verkrijgen of behouden van algemeen geaccepteerde arbeid.</vet></al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>- Categorieën.</titel></kop><al>Gedragingen van belanghebbenden waardoor de verpHchting op grond van
                            artikel 9 van de wet niet of onvoldoende is nagekomen, worden
                            onderscheiden in de volgende categorieën:</al><al><cursief>1.</cursief><cursief> eerste categorie:</cursief></al><al>het zich niet of niet tijdig laten registreren als werkzoekende bij de
                            Centrale organisatie werk en inkomen of het niet of niet tijdig laten
                            verlengen van de registratie.</al><al><cursief>2.</cursief><cursief> tweede categorie:</cursief></al><lijst><li nr="a."><al>het niet naar vermogen trachten algemeen geaccepteerde arbeid te
                                    verkrijgen;</al></li><li nr="b."><al>het niet of in onvoldoende mate meewerken aan een onderzoek naar
                                    de mogelijkheden tot arbeidsinschakeling;</al></li></lijst><al/><al><cursief>3.</cursief><cursief> derde categorie:</cursief></al><lijst><li nr="a."><al>gedragingen die de inschakeling in arbeid belemmeren;</al></li><li nr="b."><al>het niet of onvoldoende gebruikmaken van een door het college
                                    aangeboden voorziening als bedoeld in artikel 9 lid 1 onder b en
                                    artikel 10 lid 1 van de wet, voorzover dit niet heeft geleid tot
                                    het geen doorgang vinden of tot voortijdige beëindiging van die
                                    voorziening;</al></li></lijst><al><cursief>4.</cursief><cursief>vierde categorie:</cursief></al><lijst><li nr="a."><al>het niet aanvaarden van algemeen geaccepteerde arbeid;</al></li><li nr="b."><al>het door eigen toedoen niet behouden van algemeen geaccepteerde
                                    arbeid;</al></li><li nr="c."><al>het niet of onvoldoende gebruikmaken van een door het college
                                    aangeboden voorziening als bedoeld in artikel 9 lid 1 onder b en
                                    artikel 10 Hd 1 van de wet, voorzover dit heeft geleid tot het
                                    geen doorgang vinden of tot voortijdige beëindiging van die
                                    voorziening.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10 De</nr><titel>hoogte en duur van de maatregel.</titel></kop><al>De maatregel wordt onverminderd artikel 2 lid 2 vastgesteld op:</al><lijst><li nr="1."><al>5% van de bijstandsnorm gedurende een maand bij gedragingen van
                                    de eerste categorie;</al></li><li nr="2."><al>20% van de bijstandsnorm gedurende een maand bij gedragingen van
                                    de tweede categorie;</al></li><li nr="3."><al>40% van de bijstandsnorm gedurende een maand bij gedragingen van
                                    de derde categorie;</al></li><li nr="4."><al>100% van de bijstandsnorm gedurende een maand bij gedragingen
                                    van de vierde categorie.</al></li></lijst><al/><al><vet>Hoofdstuk 3 Niet (tijdig) nakomen van de
                            inlichtingenplicht.</vet></al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Te laat verstrekken van gegevens.</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien een belanghebbende de inlichtingenplicht niet is nagekomen
                                door informatie die van belang is voor de verlening van bijstand of
                                de voortzetting daarvan niet binnen de door het college daartoe
                                gestelde termijn te verstrekken, maar wel binnen de hersteltermijn,
                                als bedoeld in artikel 54 lid 2 van de wet, wordt onverminderd
                                artikel 2 lid 2 een maatregel opgelegd van 5% van de bijstandsnorm
                                gedurende een maand.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Van het opleggen van een maatregel als bedoeld in het eerste lid kan
                                worden afgezien en worden volstaan met het geven van een
                                schriftelijke waarschuwing, tenzij het niet of niet behoorlijk
                                nakomen van de verplichting plaatsvindt binnen een periode van twee
                                jaar, te rekenen vanaf de datum waarop eerder een belanghebbende een
                                schriftelijke waarschuwing is gegeven.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>- Verstrekken van geen, onjuiste of onvolledige inlichtingen
                                zonder gevolgen voor de bijstand.</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Indien het niet of niet behoorhjk nakomen van de
                                    inHchtingenpHcht niet heeft geleid tot het ten onrechte of tot
                                    een te hoog bedrag verlenen van bijstand, bedraagt de maatregel
                                    5% van de bijstand gedurende een maand, onverminderd artikel 2
                                    lid 2.</al></li><li nr="2."><al>Van het opleggen van een maatregel als bedoeld in het eerste lid
                                    kan worden afgezien en worden volstaan met het geven van een
                                    schriftehjke waarschuwing, tenzij het niet of niet behoorlijk
                                    nakomen van de verplichting plaatsvindt binnen een periode van
                                    twee jaar, te rekenen vanaf de datum waarop eerder een
                                    belanghebbende een schriftelijke waarschuwing is gegeven.</al><al>3.Voor de toepassing van dit artikel wordt onder het niet
                                    verstrekken van inlichtingen tevens verstaan het na afloop van
                                    de hersteltermijn, als bedoeld in artikel 54 lid 2 van de wet,
                                    alsnog verstrekken van inlichtingen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13 Verstrekken van geen, onjuiste of onvolledeige inlichtingen met
                                gevolgen voor de bijstand.</nr></kop><al/><lijst><li nr="1."><al>Indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de
                                    inlichtingenphcht heeft geleid tot het ten onrechte of tot een
                                    te hoog bedrag verlenen van bijstand, wordt de maatregel
                                    afgestemd op de hoogte van het benadelingsbedrag.</al></li><li nr="2."><al>De maatregel wordt onverminderd artikel 2 Hd 2 vastgesteld
                                    op:</al><lijst><li nr="a."><al>10% van de bijstandsnorm gedurende een maand bij een
                                            benadelingsbedrag tot € 1.000;</al></li><li nr="b."><al>20% van de bijstandsnorm gedurende een maand bij een
                                            benadelingsbedrag vanaf € 1.000 tot en € 2.000;</al></li><li nr="c."><al>40% van de bijstandsnorm gedurende een maand bij een
                                            benadelingsbedrag vanaf € 2.000 tot en met € 4.000;</al></li><li nr="d."><al>100% van de bijstandsnorm gedurende een maand bij een
                                            benadelingsbedrag groter dan €4.000.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Voor de toepassing van dit artikel wordt onder het niet
                                    verstreldeen van inlichtingen tevens verstaan het na afloop van
                                    de hersteltermijn, als bedoeld in artikel 54 lid 2 van de wet,
                                    alsnog verstrekken van inlichtingen.</al></li><li nr="4."><al>Indien het benadelingsbedrag gelijk is aan of meer bedraagt dan
                                    € 6.Q00,- wordt geen maatregel opgelegd, maar aangifte gedaan
                                    bij het Openbaar Ministerie. Bij een seponering door het
                                    Openbaar Ministerie dient alsnog een maatregel te worden
                                    overwogen.</al></li></lijst><al/><al><vet>Hoofdstuk 4 Overige gedragingen.</vet></al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>- Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid.</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Gedragingen van de belanghebbende die niet vallen onder de artikelen
                                8 tot en met 12 van deze verordening, maar ook aangemerkt kunnen
                                worden als tekortschietend besef van verantwoordelijkheid, als
                                bedoeld in artikel 18 Hd 2 van de wet, leiden tot een
                                maatregel.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college bepaalt welke gedragingen leiden tot een maatregel,
                                alsmede de hoogte en duur van de maatregel.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15-</nr><titel>Zeer ernstige gedragingen.</titel></kop><al>Indien een belanghebbende zich zeer ernstig misdraagt tegenover het
                            college of zijn ambtenaren, onder omstandigheden die rechtstreeks
                            verband houden met de uitvoering van de wet, wordt onverminderd artikel
                            2 Hd 2 een maatregel opgelegd van niinimaal 25% van de bijstandsnorm
                            gedurende een maand.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16-Nadere</nr><titel>verplichtingen.</titel></kop><al>Indien aan belanghebbende een of meerdere verplichtingen als bedoeld in
                            artikel 55 tot en met 57 van de wet zijn opgelegd en deze niet in
                            voldoende mate worden nagekomen, wordt een verlaging toegepast van 20%
                            van de bijstandsnorm gedurende een maand.</al><al/><al><vet>Hoofdstuk 5 Slotbepalingen.</vet></al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17</nr><titel>- Citeertitel.</titel></kop><al>Deze verordening kan worden aangehaald als Maatregelenverordening Wet
                            werk en bijstand 2007,</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18-</nr><titel>Inwerkingtreding.</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 januari
                                2007.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De Msternmingsverordening Wet Werk en Bijstand 2004 wordt
                                ingetrokken per 1 januari 2007.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19</nr><titel>- Overgangsbepaling.</titel></kop><al>Indien de maatregelwaardige gedraging heeft plaatsgevonden vóór 1
                            januari 2007 gelden de bepalingen van deze verordening. De hoogte van de
                            maatregel wordt ten gunste van de belanghebbende gematigd tot hetgeen is
                            bepaald in de tot 1 januari 2007 van kracht zijnde verordening.</al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van de raad van de gemeente
                        Montfoort, gehouden op 18 september 2006.</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>De griffier, De voorzitter,</ondertekening><ondertekening/><ondertekening/></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>Artikelsgewijze toelichting</titel></kop><al>Inleiding</al><al>Rechten en pHchten zijn twee kanten van één medaüle. Het recht op een uitkering
                    is altijd verbonden aan de plicht zich in te zetten om weer onafhankelijk van de
                    uitkering te worden. Dit betekent dat de vaststelling van de hoogte van de
                    uitkering niet alleen afhangt van de toepasselijke uitkeringsnorm en de
                    beschikbare middelen van de belanghebbende, maar ook van de mate waarin de
                    opgelegde verplichtingen worden nagekomen.</al><al>Onder de WWB dient de gemeente bij aanvang van de uitkeringssituatie aan
                    belanghebbende mede te delen wat de opgelegde verplichtingen zijn en wat de
                    directe gevolgen zijn voor de uitkering indien belanghebbende één of meer van
                    deze verpHchtingen niet nakomt. De in de vorige zin genoemde gevolgen, veelal
                    een verlaging van de bijstand, worden door de gemeente zelf bepaald. Artikel 8
                    lid 1 onderdeel b van de WWB schrijft voor dat de gemeenteraad bij verordening
                    regels stelt met betrekking tot het verlagen van de bijstand. In de
                    Maatregelenverordening WWB zijn deze regels vastgelegd.</al><al>In artikel 18 WWB is bepaald in welke gevallen de gemeente tot verlaging
                    overgaat. Jn het eerste lid van artikel 18 wordt gesproken over het afstemmen
                    van de bijstand en de daaraan verbonden verplichtingen op de omstandigheden,
                    mogelijkheden en middelen van de belanghebbende. In deze bepaling wordt
                    benadrukt dat het vaststellen van de hoogte van de uitkering en de daaraan
                    verbonden verplichtingen voor de uitkeringsgerechtigden maatwerk is, waarbij
                    recht moet worden gedaan aan de individuele situatie en de persoonlijke
                    omstandigheden van uitkeringsgerechtigden. In het tweede lid wordt een directe
                    koppeling gelegd tussen de rechten en verpHchtingen van uitkeringsgerechtigden:
                    het recht op bijstand is altijd verbonden aan de verplichtingen die aan de
                    bijstandsverlening zijn verbonden. Dit betekent dat de vaststelHng van de hoogte
                    van de uitkering niet alleen afhangt van de toepasseUjke uitkeringsnorm en de
                    beschikbare middelen van de belanghebbende, maar ook van de mate waarin de
                    opgelegde verplichtingen worden nagekomen. Wanneer het college tot het oordeel
                    komt dat een bijstandsgerechtigde zijn verpHchtingen niet of in onvoldoende mate
                    nakomt, wordt de uitkering verlaagd. Er is dus geen sprake van een bevoegdheid,
                    maar van een verplichting.</al><al>Het verlagen van de bijstand vanwege het niet of onvoldoende nakomen van
                    verpHchtingen zal worden aangeduid als het opleggen van een maatregel. Daarmee
                    wordt niet alleen aangesloten bij het spraakgebruik dat sinds de Wet Boeten en
                    Maatregelen gangbaar is, maar wordt ook het sanctionerende karakter ervan
                    benadrukt.</al><al>Op grond van artikel 18 lid 2 WWB kan de bijstand (dat wil zeggen." algemene
                    bijstand en bijzondere bijstand) worden verlaagd.</al><al>In deze verordening is er voor gekozen dat maatregelen in beginsel worden
                    opgelegd over de bijstandsnomi inclusief toeslagen en verlagingen. De
                    uitzondering hierop vormt de bijzondere bijstand voor jongeren van 18 tot 21
                    jaar. Deze groep ontvangt een lage algemene bijstandsuitkering die wordt
                    aangevuld door middel van aanvuüende bijzondere bijstand voor de kosten van
                    levensonderhoud. Indien de maatregel aUeen op de lage jongerennorm wordt
                    opgelegd, zou dit leiden tot rechtsongelijkheid ten opzichte van de groep
                    21-jarigen en ouder. Ook kan in incidentele gevallen een maatregel opgelegd
                    worden over de bijzondere bijstand. Dit kan alleen als er een verband bestaat
                    tussen de gedraging van de belanghebbende en zijn recht op bijzondere
                    bijstand.</al><al/><divisie><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1</nr><titel>Algemene bepalingen.</titel></kop></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>- Begripsomschrijving.</titel></kop><al>Dit artikel bevat enkele begripsomschrijvingen. Er is voor gekozen om
                        begrippen die al zijn omschreven in de Wet werk en bijstand (WWB) of de
                        Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet afzonderlijk te definiëren in deze
                        verordening. Dit voorkomt dat in geval van wijziging van betreffende
                        begrippen in de WWB en de Awb ook deze verordening moet worden
                        gewijzigd.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>- Het opleggen van een maatregel.</titel></kop><al>Lidl.</al><al>De WWB verbindt aan het recht op een bijstandsuitkering de volgende
                        verplichtingen:</al><lijst><li nr="1."><al>Het tonen van voldoende besef van verantwoordelijkheid voor de
                                voorziening in het bestaan (artikel 18 lid 2).</al></li><li nr="2."><al>De plicht tot arbeidsinschakeling (artikel 9). Deze plicht bestaat
                                uit twee soorten verplichtingen:</al></li></lijst><al>» de plicht om naar vermogen algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen en
                        deze te aanvaarden; en</al><al>e&gt; de plicht gebruik te maken van een door het college aangeboden
                        voorziening gericht op ondersteuning bij arbeidsinschakeHng.</al><lijst><li nr="3."><al>De informatieplicht (artikel 17 lid 1). Op een uitkeringsgerechtigde
                                rust de verplichting aan het college op verzoek of onverwijld uit
                                eigen beweging mededeling te doen van alle feiten en omstandigheden
                                waarvan hem redelijkerwijs duideHjk moet zijn dat zij van invloed
                                kunnen zijn op zijn arbeidsinschakeling of het recht op
                                bijstand.</al></li><li nr="4."><al>De medewerkingsplicht (artikel 17 lid 2). Dit is de phcht van
                                uitkeringsgerechtigden om desgevraagd het college de medewerking te
                                verlenen die redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van de wet.
                                De medewerkingspHcht kan uit allerlei concrete verplichtingen
                                bestaan, zoals:</al></li></lijst><al>® het toestaan van huisbezoek;</al><al>« het meewerken aan een psychologisch onderzoek. De Wet SUWI legt ook
                        verpHchtingen op aan uitkeringsgerechtigden. Het betreft de verplichting om
                        alle gevraagde gegevens en bewijsstukken aan de Centrale organisatie werk en
                        inkomen te verstrekken die nodig zijn voor de beslissing door het college
                        (artikel 28 lid 2 Wet SUWI) en de verplichting om op verzoek of onverwijld
                        uit eigen beweging alle feiten en omstandigheden mee te delen aan de
                        Centrale organisatie werk en inkomen, waarvan redehjkerwijs duidelijk moet
                        zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op bijstand, het geldend
                        maken van het recht op bijstand of de hoogte of de duur van de bijstand. Lid
                        2.</al><al>In de verordening zijn voor allerlei gedragingen die een schending van een
                        verpHchting betekenen, standaardmaatregelen vastgesteld in de vorm van een
                        vaste procentuele verlaging van de bijstandsnorm.</al><al>In het tweede lid is de hoofdregel neergelegd: een op te leggen maatregel
                        moet worden afgestemd op de individuele omstandigheden van de belanghebbende
                        en de mate van verwijtbaarheid. Dat wil zeggen dat bij elke op te leggen
                        maatregel zal moeten worden nagegaan of, gelet op de ernst van de gedraging,
                        de mate van verwijtbaarheid en de individuele omstandigheden van de
                        betrokken uitkeringsgerechtigde, afwijking van de hoogte en de duur van de
                        voorgeschreven standaardmaatregel geboden is. T^wy'leing van de
                        standaardmaatregel kan zowel een verzwaring als een matiging betekenen.</al><al>Dit betekent dat het coUege bij het beoordelen of een maatregel moet worden
                        opgelegd telkens de volgende drie stappen moet doorlopen.'</al><al/><al>Stap 1: vaststellen van de ernst van de gedraging.</al><al>Stap 2: vaststellen van de verwijtbaarheid.</al><al>Stap 3: vaststellen van de omstandigheden van de uitkeringsgerechtigde.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>- Berekeningsgrondslag.</titel></kop><al>Lid 1.</al><al>In dit lid is het uitgangspunt vastgelegd dat een maatregel wordt opgelegd
                        over de bijstandsnorm. Onder de bijstandsnorm wordt verstaan de wettelijke
                        norm, inclusief gemeentelijke toeslag of verlaging en inclusief
                        vakantietoeslag. Lid 2.</al><al>Onderdeel a: de 18 tot 21-jarigen ontvangen een lage jongerennorm, die
                        indien noodzakelijk wordt aangevuld door middel van aanvullende bijzondere
                        bijstand voor de kosten van levensonderhoud. Indien de maatregel alleen op
                        de lage jongerennorm zou worden opgelegd, zou dit leiden tot
                        rechtsongelijkheid ten opzichte van de 21-jarigen en ouder.</al><al>Onderdeel b: deze bepaling maakt het mogelijk dat het college in incidentele
                        gevallen een maatregel oplegt over de bijzondere bijstand, doch wel
                        voorzover de verwijtbare gedraging tot het verlenen van een hoger bedrag aan
                        bijzondere bijstand heeft geleid.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>4-Het</nr><titel>besluit tot opleggen van een maatregel</titel></kop><al>Het opleggen van een maatregel vindt plaats door middel van een besluit.
                        Tegen dit besluit kan</al><al>door de belanghebbende bezwaar en beroep worden aangetekend.</al><al>In dit artikel wordt aangegeven wat in het besluit in ieder geval moet
                        worden vermeld. Deze eisen</al><al>vloeien rechtstreeks voort uit de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en dan
                        met name uit het</al><al>motiveringsvereiste. Het motiveringsvereiste houdt onder andere in dat een
                        besluit kenbaar is en</al><al>van een deugdelijke motivering wordt voorzien.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>5—Afzien</nr><titel>van het opleggen van een maatregel</titel></kop><al>Lidl.</al><al>Het afzien van het opleggen van een maatregel 'indien elke vorm van
                        verwijtbaarheid' ontbreekt, is geregeld in artikel 18 lid 2 WWB.</al><al>Een andere reden om af te zien van het opleggen van een maatregel is dat de
                        gedraging te lang geleden heeft plaatsgevonden (verjaring). Omwille van de
                        effectiviteit ('lik op stuk') is het nodig dat een maatregel spoedig nadat
                        de gedraging heeft plaatsgehad, wordt opgelegd. Om deze reden wordt onder b.
                        geregeld dat het coUege geen maatregelen oplegt voor gedragingen die langer
                        dan één jaar geleden hebben plaatsgevonden. Dit heeft tevens als voordeel
                        dat de cliënt niet te lang in onzekerheid wordt gehouden of de gemeente
                        overgaat tot het opleggen van een maatregel.</al><al>Voor gedragingen die een schending van de informatieplicht inhouden en als
                        gevolg waarvan ten onrechte bijstand is verleend of een te hoog bedrag aan
                        bijstand is verleend, geldt in de verordening een veijaringstermijn van
                        vijfjaar. Voor wat betreft de duur van deze termijn is aansluiting gezocht
                        bij de in artikel 14e van de (oude) Abw genoemde termijn betreffende het
                        opleggen van een boete wegens niet-nakoming van de informatieplicht. Deze
                        termijn was in het leven geroepen om ervoor te zorgen dat, uit het oogpunt
                        der rechtszekerheid, de mogelijkheid tot het opleggen van een boete niet
                        eindeloos kan bestaan. Lid 2.</al><al>In dit lid is geregeld dat kan worden afzien van het opleggen van een
                        maatregel indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn.</al><al/><al>De verordening stelt een algemene verplichting tot het opleggen van een
                        maatregel voorop. Uitzonderingen moeten echter mogelijk zijn indien voor de
                        belanghebbende onaanvaardbare consequenties zouden optreden. Uit het woord
                        "dringend" blijkt dat er wel iets heel bijzonders en uitzon-deriijks aan de
                        hand moet zijn, wil een afwijking van het algemene principe gerechtvaardigd
                        zijn. Wat dringende redenen zijn, is afhankeHjk van de concrete situatie en
                        kan dus niet op voorhand worden vastgelegd. Lid 3.</al><al>Het doen van een schriftelijke mededeling dat het college afziet van het
                        opleggen van een maatregel wegens dringende redenen is van belang in verband
                        met eventuele recidive.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>- Ingangsdatum en tijdvak.</titel></kop><al>Lidl.</al><al>Het opleggen van een maatregel vindt plaats door het verlagen van de
                        uitieering. Verlaging van de</al><al>uitkering kan in beginsel op twee manieren:</al><lijst><li nr="1."><al>met terugwerkende kracht, door middel van een herziening van de
                                uitkering; of</al></li><li nr="2."><al>door middel van verlaging van het uitkeringsbedrag met ingang van de
                                eerstvolgende kalendermaand nadat het besluit kenbaar is
                                gemaakt.</al></li></lijst><al>Het verlagen van de uitkering die in de nabije toekomst wordt verstrekt, is
                        de gemakkelijkste methode, omdat dan niet hoeft te worden overgegaan tot
                        herziening van de bijstand en het terugvorderen van het te veel aan bijstand
                        betaalde bedrag. Om deze reden is in het eerste lid vastgelegd dat de
                        maatregel wordt opgelegd met ingang van de eerste dag van de kalendermaand,
                        die volgt op de kalendermaand waarin het besluit is bekend gemaakt. Voor de
                        berekening van de hoogte van de maatregel moet worden uitgegaan van de voor
                        die maand geldende bijstandsnorm. Lid 2.</al><al>Wanneer een uitkeringsbedrag nog niet (volledig) aan de bijstandsgerechtigde
                        is uitbetaald, kan het praktisch zijn om de verlaging van de uitkering te
                        verrekenen met het bedrag dat nog moet worden uitbetaald. Lid 3.</al><al>Indien een uitkering is beëindigd kan geen maatregel in de toekomst worden
                        opgelegd. Het opleggen van een maatregel met terugwerkende kracht is slechts
                        mogelijk, als er sprake is van het niet nakomen van de inlichtingenplicht en
                        is vastgesteld, dat er ten onrechte of tot een te hoog bedrag aan bijstand
                        is verleend.</al><al>Het te veel betaalde bedrag aan bijstand moet van de uitkeringsgerechtigde
                        worden teruggevorderd. De bijstand moet dan wel eerst worden herzien. Niet
                        alleen voor wat betreft de ten onrechte verstrekte uitkering, maar ook voor
                        wat betreft de met terugwerkende kracht toe te passen maatregel. Lid 4.</al><al>Dit lid regelt dat een maatregel voor bepaalde tijd kan worden opgelegd.
                        Wordt een maatregel voor een langere duur dan drie maanden opgelegd, dan zal
                        het college de maatregel aan een herbeoordeling moeten onderwerpen. Dit is
                        geregeld in artikel 18 Hd 3 WWB. Het is ter beoordeling aan het college
                        wanneer die herbeoordeling plaatsvindt, als dat maar gebeurt binnen drie
                        maanden nadat het besluit is genomen. Bij zo'n herbeoordehng hoeven niet
                        opnieuw alle relevante feiten en omstandigheden opnieuw tegen het licht te
                        worden gehouden. Een marginale beoordeling volstaat: het college moet
                        beoordelen of het redelijk is dat de opgelegde maatregel wordt
                        gecontinueerd. Daarbij kan bijvoorbeeld worden gekeken naar de
                        omstandigheden waarin betrokkene verkeert, maar ook of de betreffende
                        persoon nu wel aan zijn verplichtingen voldoet. Lid 5.</al><al>Indien een maatregel is opgelegd, maar die wegens beëindiging van de
                        bijstand niet meer kan worden uitgevoerd, herleeft indien de belanghebbende
                        binnen 12 maanden na datum besluit tot opleggen van de maatregel terugkomt
                        in de bijstand. Een termijn van 12 maanden is een redelijke termijn. Datum
                        besluit tot oplegging maatregel blijft uiteraard bepalend voor de
                        beantwoording van de vraag of er bij een volgende maatregel al dan niet
                        sprake is van recidive.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>- Samenloop en recidive.</titel></kop><al>Lidl.</al><al>De regeling voor de samenloop van gedragingen heeft betrekking op
                        verschillende gedragingen van de bijstandsgerechtigde die (min of meer)
                        gelijktijdig plaatsvinden. Indien er sprake is van verschillende gedragingen
                        waarvoor in een zelfde periode een maatregel opgelegd zou kunnen worden, kan
                        voor deze verschillende gedragingen tegelijkertijd een maatregel worden
                        opgelegd. Dit betekent dus dat de afzonderlijke maatregelen in dat geval
                        worden opgeteld. Natuurlijk blijft de hoofdregel, neergelegd in artikel 2
                        lid 2, van toepassing: een op te leggen maatregel moet worden afgestemd op
                        de ernst van de gedraging, de omstandigheden en de mate van verwijtbaarheid.
                        Leden 2 en 3.</al><al>Indien binnen twaalf maanden na een eerste verwijtbare gedraging wederom
                        sprake is van een verwijtbare gedraging, wordt de grotere mate van
                        verwijtbaarheid tot uitdrukking gebracht in een verdubbeling van de duur van
                        de maatregel. Met de eerste verwijtbare gedraging wordt de eerste gedraging
                        bedoeld die aanleiding is geweest tot een maatregel, ook indien wegens
                        dringende redenen is afgezien van het opleggen van een maatregel. Voor het
                        bepalen van de aanvang van de termijn van 12 maanden, geldt het tijdstip
                        waarop het besluit waarmee de maatregel is opgelegd is verzonden.</al><al>Op basis van deze bepaling kan een recidivemaatregel slechts een keer worden
                        toegepast. Indien de belanghebbende na een tweede verwijtbare gedraging
                        wederom verwijtbaar-gedrag vertoont, zal de hoogte en de duur van de
                        maatregel individueel moeten worden vastgesteld.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>- Horen van belanghebbende.</titel></kop><al>Lidl.</al><al>Op grond van afdeling 4.1.2. van de Awb is in een aantal gevallen het horen
                        van de belanghebbende verplicht bij de voorbereiding van beschikkingen. Deze
                        hoorplicht geldt echter niet bij de voorbereiding van beschikkingen die
                        betrekking hebben op een financiële aanspraak (artikel 4:12 Awb). In dit
                        artikel wordt het horen van de belanghebbende voordat een maatregel wordt
                        toegepast in beginsel voorgeschreven. Altijd horen bij een maatregel van
                        100%.</al><al>Met horen wordt niet bedoeld een fomele hoorprocedure. De belanghebbende
                        moet op enigerlei wijze in de gelegenheid zijn gesteld zijn/haar visie met
                        betrekking tot de geconstateerde gedraging te geven. Dit moet uit de
                        rapportage blijken. Leden 2 en 3.</al><al>Het tweede lid bevat een aantal uitzonderingen op deze hoorplicht. De
                        onderdelen a en b. staan ook genoemd in artikel 4:11 Awb. Let op: altijd
                        horen bij een maatregel van 100%,</al><al>Hoofdstuk 2 Geen of onvoldoende medewerking verlenen aan het verkrijgen of
                        behouden van algemeen geaccepteerde arbeid.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>- Categorieën.</titel></kop><al>De gedragingen die schending inhouden van één van de verplichtingen, die
                        gelden op grond van artikel 9 WWB, worden in vier categorieën onderscheiden.
                        Hierbij is de ernst van de gedraging het onderscheidende criterium. Een
                        gedraging wordt ernstiger geacht naarmate de gedraging meer concrete
                        gevolgen heeft voor het niet verkrijgen of behouden van betaalde
                        arbeid.</al><al/><al>De gedragingen die in dit artikel worden genoemd zijn minder concreet
                        omschreven dan in het Maatregelenbesluit Abw, loaw en loaz van 19 juni 1996,
                        Stb. 360. De reden hiervoor is dat de WWB, in tegenstelling tot de Abw,
                        volstaat met een algemene omschrijving van de pHcht tot
                        arbeidsinschakeling.</al><al>De <onderstreept>eerste categorie</onderstreept> betreft de formele
                        verpHchting om zich als werkzoekende in te schrijven bij het CWI en
                        ingeschreven te blijven.</al><al>De <onderstreept>tweede categorie</onderstreept> wordt onderscheiden in twee
                        subcategorieën:</al><al>a.het niet naar vermogen trachten algemeen geaccepteerde arbeid te
                        verkrijgen.</al><al>Deze gedraging betreft schending van de verpHchting tot het hebben van een
                        actieve houding op de arbeidsmarkt in ruime zin. Voorbeelden hiervan zijn
                        het te weinig solliciteren, het stellen van een onredelijke salariseis
                        tijdens een sollicitatiegesprek en het hebben van een negatieve houding
                        tijdens een solHcitatiegesprek. Ook het geval dat de belanghebbende te laat
                        terugkeert van vakantie is een gedraging als hier bedoeld. De belanghebbende
                        onttrekt zich dan namelijk aan de arbeidsmarkt en doet niet wat in zijn
                        vermogen ligt om algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen.</al><al>b.het niet of in onvoldoende mate meewerken aan een onderzoek naar de
                        mogelijkheden tot arbeidsinschakeling.</al><al>Voorbeeld hiervan zijn het weigeren mee te werken aan een toets in verband
                        met het bepalen of een bepaalde opleiding geschikt is voor de belanghebbende
                        en het weigeren mee te werken aan een medisch-arbeidskundig onderzoek naar
                        de mate van arbeidsgeschiktheid.</al><al>Ook de <onderstreept>derde categorie</onderstreept> wordt onderscheiden in
                        twee subcategorieën:</al><lijst><li nr="a."><al>gedragingen die de inschakeling in arbeid belemmeren. Dit kunnen er
                                veel zijn. Het kan bij voorbeeld gaan om niet verantwoorde eisen die
                                de belanghebbende stelt ten aanzien van het aanvaarden van werk,
                                maar ook om gedragingen die de kansen op arbeidsinschakeling ver
                                minderen. Negatieve gedragingen kunnen onder andere blijken hoe de
                                belanghebbende zich tijdens een solHcitatiegesprek opstelt.</al></li><li nr="b."><al>het niet of in onvoldoende mate meewerken aan een door het college
                                aangeboden voorziening gericht op arbeidsinschakeling voor zover dit
                                niet heeft geleid tot het geen doorgang vinden of voortijdige
                                beëindiging van die voorziening.</al></li></lijst><al>Hierbij moet met name gedacht worden aan schending van verplichtingen die
                        aan belanghebbende zijn opgelegd in het kader van een reïntegratietraject.
                        Ook gedragingen die zich voordoen tijdens de werkstage vallen hieronder. De
                        gedraging valt alleen onder deze categorie indien de bewuste gedraging niet
                        tot gevolg heeft gehad dat de voorziening geen doorgang heeft gevonden of is
                        beëindigd. Indien dit wel het geval is geweest, dan dient er een maatregel
                        van de vierde categorie te worden opgelegd.</al><al>De <onderstreept>vierde categorie</onderstreept> is onderverdeeld in drie
                        subcategorieën:</al><al>a.het niet aanvaarden van algemeen geaccepteerde arbeid.</al><al>Deze gedraging duidt op de situatie dat geen gebruik wordt gemaakt van de
                        mogelijkheid om algemeen geaccepteerde arbeid, al dan niet in deeltijd, te
                        aanvaarden teneinde de bijstands-afhankeHjkheid geheel of gedeelteHjk te
                        beëindigen.</al><al>b.het door eigen toedoen niet behouden van arbeid in dienstbetrekking.</al><al>Onder deze gedraging wordt gerekend de situatie waarin op verwijtbare wijze
                        door eigen toedoen voorafgaand aan de aanvraag dan wel tijdens de
                        bijstandsverlening - als het gaat om deeltijdwerk - betaalde arbeid niet
                        behouden wordt. Een voorbeeld hiervan is het herhaaldelijk te laat
                        verschijnen op het werk, waardoor de dienstbetrekking uiteindelijk wordt
                        ontbonden door de kantonrechter of de arbeidsovereenkomst niet wordt
                        verlengd, c. de voorziening gericht op arbeidsinschakeling vindt in het
                        geheel geen doorgang of komt voortijdig tot een einde. Voorbeelden hiervan
                        zijn het verwijtbaar door toedoen van de belanghebbende eindigen van het
                        reïntegratietraject en het weigeren van een werkstage.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>10-De</nr><titel>hoogte en duur van de maatregel.</titel></kop><al>Deze bepaling bevat de normering voor de vier categorieën van gedragingen
                        die van doen hebben met verplichtingen van belanghebbenden die gelden op
                        grond van artikel 9 WWB, In de hoogte van de normering wordt de ernst van de
                        gedraging tot uitdrukking gebracht.</al><al>Hoofdstuk 3 Niet (tijdig) nakomen van de inlichtingenplicht.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>- Te laat verstrekken van gegevens.</titel></kop><al>Lidl.</al><al>Indien de belanghebbende de voor de verlening van bijstand van belang zijnde
                        gegevens of gevorderde bewijsstukken niet binnen de door het college
                        gestelde termijn heeft verstrekt, kan het coUege het recht op bijstand
                        opschorten (artikel 54 lid 1 van de wet). Het college geeft vervolgens op
                        grond van artikel 54 lid 2 van de wet een hersteltermijn waarbinnen de
                        belanghebbende het verzuim kan herstellen door alsnog de gegevens of
                        bewijsstukken te verstrekken. Indien de belanghebbende de gegevens of
                        bewijsstukken binnen deze termijn verstrekt, dan wordt een maatregel van 5%
                        opgelegd op grond van dit artikel van deze verordening. Indien de gegevens
                        of bewijsstukken buiten deze termijn worden verstrekt, wordt een maatregel
                        opgelegd op grond van artikel 12 of 13.</al><al>Lid 2.</al><al>Dit lid geeft de mogelijkheid om in plaats van een maatregel een
                        waarschuwing te geven. De waarschuwing wordt schriftelijk afgegeven. De
                        waarschuwing is een schriftelijk besluit van een bestuursorgaan inhoudende
                        een publiekrechtehjke rechtshandeling, waartegen de belanghebbende ingevolge
                        de Awb in bezwaar en vervolgens in beroep kan gaan.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>- Verstrekken van geen, onjuiste of onvolledige inlichtingen zonder
                            gevolgen voor de bijstand.</titel></kop><al>Lidl.</al><al>In dit artikel wordt de zogeheten "nulfraude" geregeld: het verstrekken van
                        onjuiste of onvolledige inlichtingen, zonder dat dit heeft geleid tot het
                        ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van bijstand.</al><al>Een voorbeeld van nulfraude is het niet opgeven van een vermogensbestanddeel
                        waarbij de waarde van het bestanddeel niet tot gevolg heeft dat de voor de
                        belanghebbende(n) geldende vermogensgrens wordt overschreden. Lid 2.</al><al>Zie de toelichting bij artikel 10 lid 2. Lid 3,</al><al>Dit lid is toegevoegd om er geen misverstanden over te laten ontstaan dat er
                        in de situatie dat na afloop van de hersteltermijn de gevraagde gegevens
                        alsnog aan het coUege worden verstrekt, er ook sprake is van het niet
                        verstrekken van inlichting. Niet relevant voor de toepassing van dit lid is
                        of het besluit tot toekenning van bijstand na afloop van de hersteltermijn
                        al dan niet is ingetrokken op grond van artikel 54 lid 4 van de wet.</al><al/></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>- Verstreklcen van geen, onjuiste of onvolledige inlichtingen met
                            gevolgen voor de bijstand.</titel></kop><al>Lidl.</al><al>Dit artikel is bedoeld om een maatregel op te leggen als schending van de
                        inHchtingenplicht heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog
                        bedrag verlenen van bijstand.</al><al>De ernst van de gedraging komt tot uitdrukking in dé hoogte van het
                        benadelingsbedrag. Het benadelingsbedrag is het bedrag als bedoeld in
                        artikel 58 Hd 4 van de wet. Dat is het bedrag waarmee de gemeente wordt
                        benadeeld als het niet of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenplicht
                        heeft geleid tot het ten onrechte of tot het een te hoog bedrag verlenen van
                        bijstand. Loonbelasting, premies volksverzekeringen en ziekenfondspremie,
                        voorzover deze belasting en premies met verrekend kunnen worden met de
                        belastingdienst en het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, zijn
                        daardoor naast de netto teveel betaalde bijstand onderdeel van het
                        benadelingsbedrag. Lid 2.</al><al>De maatregel wegens het niet of niet behoorlijk nakornen van de
                        inlichtingenplicht is afhankelijk gesteld van de hoogte van het bedrag aan
                        bijstand dat als gevolg van de schending van deze verplichting ten onrechte
                        ofte veel aan de belanghebbende is verleend. Lid 3.</al><al>Zie de toelichting bij artikel 12 Hd 3. Lid 4.</al><al>Onder het boeteregime van de Abw bestond de verplichting voor gemeenten om
                        proces-verbaal op te maken en aangifte te doen bij het Openbaar Ministerie
                        indien er sprake is van fraude en het benadelingsbedrag hoger is dan € 6.000
                        = (de aangifterichtlijn sociale zekerheid). Het is de bedoeling dat deze
                        taakverdeling tussen gemeenten en het OM blijft bestaan, ook al kent de WWB
                        de bestuurlijke boete niet en zullen gemeenten bij fraude (in casu het niet
                        nakomen van de inlichtingenplicht) een maatregel op moeten leggen. De
                        centrale raad voor beroep heeft zich in het (recente) verleden geregeld
                        uitgesproken tegen 'dubbele bestraffing'. Het Hgt daarom niet voor de hand
                        om over te gaan tot het opleggen van een maatregel, als het OM inmiddels een
                        sanctie heeft opgelegd. Het 'una via' beginsel (geen samenloop van sancties
                        op dezelfde onrechtmatige gedraging dan bij beslissing van één enkele
                        overheidsorgaan) verzet zich daar tegen.</al><al>Hoofdstuk 4 Overige gedragingen.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>- Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid.</titel></kop><al>Lidl.</al><al>Aan de WWB ligt het beginsel ten grondslag dat een ieder in eerste instantie
                        in zijn eigen bestaanskosten dient te voorzien, Pas wanneer dat niet
                        mogelijk is, kan men een beroep doen op bijstand. Hoofdregel is dus dat
                        iedereen alles zal moeten doen en nalaten om een beroep op bijstand te
                        voorkomen. Gebeurt dit niet of in onvoldoende mate dan is er veelal sprake
                        van een tekortschietend besef van verantwoordelijleheid voor de voorziening
                        in het bestaan. Indien de belanghebbende er blijk van heeft gegeven zich
                        daarvan onvoldoende bewust te zijn, wordt ingevolge dit artikel een
                        maatregel opgelegd. Een tekortschietend besef van verantwoordehjkheid kan
                        uit allerlei gedragingen blijken, zoals:</al><lijst><li nr="•"><al>een onverantwoorde besteding van vermogen;</al></li><li nr="•"><al>geen of een te late aanvraag doen voor een vooriiggende
                                voorziening.</al></li></lijst><al>De verplichting om voldoende besef van verantwoordelijkheid te tonen voor de
                        voorziening in het bestaan, geldt reeds voordat een bijstandsuitkering wordt
                        aangevraagd. Dit betekent bijvoorbeeld dat, wanneer iemand in de periode
                        voorafgaand aan de bijstandsaanvraag een grote erfenis in korte tijd op
                        heeft uitgegeven, waardoor hij niet langer beschikt over voldoende middelen
                        om in de</al><al/><al/><al>( I</al><al> kosten van het bestaan te voorzien en als gevolg daarvan een
                        bijstandsuitkering moet aanvragen, het college hiermee rekening houdt door
                        het opleggen van een maatregel. Lid 2.</al><al>Omdat het niet mogelijk is een limitatieve opsomming te geven van alle
                        gedragingen die leiden tot een tekortschietend besef van verantwoordeHjkheid
                        geeft het tweede Hd het college de mogelijkheid om de hoogte van de
                        maatregel af te stemmen op de ernst van de gedraging, de mate van
                        verwijtbaarheid en de omstandigheden waarin de belanghebbende verkeert. Bij
                        het onverantwoord interen van vermogen kan de volgende
                            <onderstreept>richtlijn w</onderstreept>orden gehanteerd:</al><lijst><li nr="a."><al>10 % van de bijstandsnorm gedurende 3 maanden indien de
                                bijstandsverlening tot 3 maanden eerder moet worden verleend dan bij
                                een verantwoorde intering het geval zou zijn geweest;</al></li><li nr="b."><al>20 % van de bijstandsnorm gedurende 3 maanden indien de
                                bijstandsverlening 3 tot 6 maanden eerder moet worden verleend dan
                                bij een verantwoorde intering het geval zou zijn geweest;</al></li><li nr="c."><al>50 % van de bijstandsnorm gedurende 3 maanden indien de
                                bijstandsverlening meer dan 6 maanden eerder moet worden verleend
                                dan bij een verantwoorde intering het geval zou zijn geweest.</al></li></lijst></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>15-</nr><titel>Zeer ernstige gedragingen.</titel></kop><al>Onder de term 'zeer ernstige misdragingen' kunnen diverse vormen van
                        agressie worden verstaan, zij het dat er sprake moet zijn van
                        verwijtbaarheid en van gedrag dat in het normale menselijke verkeer in alle
                        gevallen als onacceptabel wordt beschouwd. Het college kan alleen een
                        maatregel opleggen indien er een verband bestaat tussen de ernstige
                        misdraging en (mogelijke) belemmeringen bij het vaststeUen van het recht op
                        een uitkering. Vandaar dat in dit artikel wordt bepaald dat de zeer ernstige
                        misdragingen moeten hebben plaatsgevonden onder omstandigheden die
                        rechtstreeks verband houden met de uitvoering van WWB. In artikel 18 Hd 2
                        wordt gesproken over 'het zich jegens het college zeer ernstig misdragen'.
                        Dit betekent dat alleen (zeer) agressief gedrag tegenover leden van het
                        college en hun ambtenaren aanleiding is voor het opleggen van een maatregel.
                        Er kan dus geen maatregel worden opgelegd als een klant zich agressief heeft
                        gedragen tegenover een medewerker van een andere organisatie die belast is
                        met de uitvoering van de WWB (bijvoorbeeld een reïntegratiebedrijf). Bij het
                        vaststellen van de maatregel in de situatie dat een uitkeringsgerechtigde
                        zich ernstig heeft misdragen, zal gekeken moeten worden naar de ernst van de
                        gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de persoonlijke omstandigheden van
                        de belanghebbende.</al><al>Wat betreft het vaststellen van de ernst van de gedraging, kunnen de
                        volgende vormen van agressief gedrag in een oplopende reeks (steeds
                        ernstiger) worden onderscheiden:</al><lijst><li nr="•"><al>verbaal geweld (schelden); a discriminatie;</al></li><li nr="•"><al>intimidatie (uitoefenen van psychische druk); » zaakgericht fysiek
                                geweld (vernielingen);</al></li></lijst><al>o mensgericht fysiek geweld; » combinatie van agressievormen.</al><al>Voor het bepalen van verwijtbaarheid van de misdraging zal gekeken moeten
                        worden naar de omstandigheden waaronder de misdraging heeft plaatsgehad. In
                        dit verband is het relevant een onderscheid te maken tussen instrumenteel
                        geweld en frustratiegeweld. Van instrumenteel geweld is sprake als iemand
                        het toepassen van geweld bewust gebruikt om een bepaald doel te bereiken
                        (bijvoorbeeld het verkrijgen van een uitkering). Agressie die ontstaat door
                        onmacht, ontevredenheid, onduidelijleheid en dergelijke kan worden aangeduid
                        met frustratieagressie. Het zal duidehjk zijn dat de mate van
                        verwijtbaarheid bij instrumenteel geweld in beginsel groter is dan bij
                        frustratiegeweld.</al><al/><al/></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>16-Nadere</nr><titel>verplichtingen.</titel></kop><al>In artüeel 55 tot en met 57 van de wet wordt de mogelijkheid geboden om
                        naast de in Hoofdstuk 2 van de wet opgenomen verplichtingen aan
                        belanghebbende bepaalde andere verplichtingen op te leggen die strekken tot
                        arbeidsinschakeling of vermindering dan wel beëindiging van de
                        bijstand.</al><al>Hoofdstuk 5 Slotbepalingen.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>17</nr><titel>- Citeertitel.</titel></kop><al>In de uitvoeringspraktijk wordt veelal niet gesproken over de
                        ''afsternmmgsverordening", maar over de "maatregelenverordening". Men
                        spreekt ook over het opleggen van een maatregel. Daarom is gekozen voor
                        laatstgenoemde benaming.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>18-</nr><titel>Inwerkingtreding.</titel></kop><al>Dit artikel behoeft geen toelichting.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>19-</nr><titel>Overgangsbepaling.</titel></kop><al>Deze verordening kent ten aanzien van bepaalde gedragingen welke ook onder
                        de "oude" verordening van vóór 1 januari 2007 voor een maatregel in
                        aanmerleing kwamen mogelijk een hoger maatregelpercentage. Uit het oogpunt
                        van rechtszekerheid voor de belanghebbende wordt voor een gedraging van vóór
                        1 januari 2007 het lagere "oude" maatregelpercentage toegepast, ofwel het
                        maatregelpercentage genoemd in deze verordening wordt tot dat lagere niveau
                        gematigd.</al><al/></divisie></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>