<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd" cvdr-version="1.0" owms-version="3.5" xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/"><meta><owmskern><dcterms:identifier xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/">3681_2</dcterms:identifier><dcterms:title xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/">Bouwverordening gemeente Hardenberg</dcterms:title><dcterms:language xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/">nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/">Hardenberg</dcterms:creator><dcterms:modified xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/">2010-09-21</dcterms:modified></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/">Gemeenteblad, 2010, nr. 17</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/">Bouwverordening gemeente Hardenberg</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="www.overheid.nl" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/"> Woningwet, art. 8</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/">volkshuisvesting en woningbouw</dcterms:subject><dcterms:issued xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/">2010-09-21</dcterms:issued><dcterms:rights xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/">De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2010-10-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2011-05-19</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>art. 1.1, 2.1.5, 2.2.6, 2.4.1, 2.4.2, 2.5.2, 2.5.3, 2.5.3A, 2.5.6 t/m 2.5.25, 2.5.27 t/m 2.5.30, 2.6.1 t/m 2.6.12, 2.7.3, 2.7.4 t/m 2.7.6, 4.1, 4.2, 4.4, 4.5, 4.10, 4.12, 4.14, 5.1.2, 5.2.1, 5.3.3, 5.3.4, 6.1.1 t/m 6.4.1, 7.1.2, 7.2.1 t/m 7.2.3, 7.3.2, 7.5.1, 7.6.1, 8.1.1 t/m 8.1.7, 8.2.1, 8.2.2, 8.3.2 t/m 8.3.4, 9.1, 9.5 t/m 9.9, 10.1, 10.3, 10.6, 12.2, 12.4, bijlage 2, 3, 4, 5, 7, 10, 11, 12</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule><vet>BOUWVERORDENING
                GEMEENTE HARDENBERG</vet></intitule><regeling><aanhef><preambule><al></al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr status="officieel">1</nr></kop><structuurtekst><al><vet></vet></al></structuurtekst><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">1.1</nr><titel status="officieel">Begripsomschrijvingen</titel></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="-"><al><cursief>asbest:</cursief> hetgeen daaronder wordt verstaan
                                        in artikel 1, letter a, van het Asbest-verwijderingsbesluit
                                        2005;</al></li><li nr="-"><al><cursief>Bevoegd gezag</cursief>: bestuursorgaan, als
                                        bedoeld in de Woningwet, artikel 1, eerste lid, onderdeel e,
                                        dan wel, bij het ontbreken van een bestuursorgaan als
                                        bedoeld in dit artikellid, burgemeester en wethouders;</al></li><li nr="-"><al><cursief>bouwbesluit:</cursief> de algemene maatregel van
                                        bestuur als bedoeld in artikel 2 van de Woningwet;</al></li><li nr="-"><al><cursief>bouwregistratie:</cursief> de voorschriften met
                                        betrekking tot het tegengaan van sluikbouw;</al></li><li nr="-"><al><cursief>bouwtoezicht:</cursief> degene die ingevolge
                                        artikel 92, tweede lid, van de Woningwet in samenhang met
                                        artikel 5.10 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht
                                        belast is met het bouw- en woningtoezicht;</al></li><li nr="-"><al><cursief>bouwveiligheidsplan:</cursief> het plan, waarin de
                                        aanvrager om bouwvergunning aangeeft op welke wijze deze de
                                        veiligheid van de weg, de in de weg gelegen werken, de
                                        weggebruikers, de naburige bouwwerken, open erven en
                                        terreinen en hun gebruikers, tijdens de bouw zal
                                        garanderen;</al></li><li nr="-"><al><cursief>bouwwerk:</cursief> elke constructie van enige
                                        omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die op de
                                        plaats van bestemming hetzij direct hetzij indirect met de
                                        grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in
                                        of op de grond, bedoeld om ter plaatse te functioneren;</al></li><li nr="-"><al><cursief>deskundig bedrijf als bedoeld in hoofdstuk
                                            8:</cursief> hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel
                                        6, eerste lid van het Asbest-verwijderingsbesluit 2005;</al></li><li nr="-"><al><cursief>gebruiksoppervlakte:</cursief> de
                                        gebruiksoppervlakte als bedoeld in het Bouwbesluit;</al></li><li nr="-"><al><cursief>hoogte van de weg:</cursief> de hoogte van de weg
                                        zoals die door of namens burgemeester en wethouders is
                                        vastgesteld;</al></li><li nr="-"><al><cursief>NEN</cursief><cursief>:</cursief> een door de
                                        Stichting Nederlands Normalisatie-Instituut uitgegeven
                                        norm;</al></li><li nr="-"><al><cursief>NVN</cursief><cursief>:</cursief> een door de
                                        Stichting Nederlands Normalisatie-Instituut uitgegeven
                                        voornorm;</al></li><li nr="-"><al><cursief>Omgevingsvergunning voor het
                                            bouwen</cursief><cursief>:</cursief> vergunning voor een
                                        bouwactiviteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder
                                        a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht;</al></li><li nr="-"><al><cursief>Omgevingsvergunning voor het
                                            slopen</cursief><cursief>:</cursief> vergunning voor een
                                        sloopactviteit als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, onder
                                        a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht;</al></li><li nr="-"><al><cursief>straatpeil:</cursief></al><lijst><li nr="a."><al>voor een bouwwerk, waarvan de hoofdtoegang direct
                                                aan de weg grenst de hoogte van de weg ter plaatse
                                                van die hoofdtoegang;</al></li><li nr="b."><al>voor een bouwwerk, waarvan de hoofdtoegang niet
                                                direct aan de weg grenst de hoogte van het terrein
                                                ter plaatse van die hoofdtoegang bij voltooiing van
                                                de bouw;</al></li></lijst></li><li nr="-"><al><cursief>vloerpeil:</cursief> het peil van de afgewerkte
                                        begane grondvloer van een bouwwerk - ten opzichte van het
                                        straatpeil - dat door of namens burgemeester en wethouders
                                        wordt aangegeven;</al></li><li nr="-"><al><cursief>weg:</cursief> alle voor het openbaar rij- of ander
                                        verkeer openstaande wegen of paden daaronder begrepen de
                                        daarin gelegen bruggen en duikers, de tot de wegen of paden
                                        behorende bermen en zijkanten, alsmede de aan de wegen
                                        liggende en als zodanig aangeduide parkeerterreinen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In
                                deze verordening wordt mede verstaan
                                onder:</al><lijst><li nr="-"><al><cursief>bouwwerk:</cursief> een gedeelte van een
                                        bouwwerk;</al></li><li nr="-"><al><cursief>gebouw:</cursief> een gedeelte van een gebouw.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">1.2</nr><titel status="officieel">Termijnen (vervallen)</titel></kop><al></al></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">1.3</nr><titel status="officieel">Indeling van het gebied van de
                                gemeente</titel></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Voor de toepassing van deze verordening geldt als indeling van de
                                gemeente:</al><lijst><li nr="a."><al>het gebied binnen de bebouwde kom;</al></li><li nr="b."><al>het gebied buiten de bebouwde kom.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Als gebied binnen de bebouwde kom geldt het gebied, dat op de bij
                                deze verordening behorende kaart als zodanig is aangegeven.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr status="officieel">2</nr><titel status="officieel">Omgevingsvergunning voor het bouwen</titel></kop><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr status="officieel">1</nr><titel status="officieel">Gegevens en bescheiden</titel></kop><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">2.1.1</nr><titel status="officieel">Aanvraag bouwvergunning</titel></kop><al>Vervallen.</al></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">2.1.2</nr><titel status="officieel">In de aanvraag op te nemen
                                    gegevens</titel></kop><al>Vervallen.</al></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">2.1.3</nr><titel status="officieel">Bij de aanvraag in te dienen
                                    bescheiden</titel></kop><al>Vervallen.</al></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">2.1.4</nr><titel status="officieel">Gegevens met betrekking tot het
                                    coördineren van vergunningaanvragen</titel></kop><al>Vervallen.</al></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">2.1.5</nr><titel status="officieel">Bodemonderzoek</titel></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Het onderzoek betreffende de bodemgesteldheid als bedoeld in
                                    artikel 8, vierde lid, van de Woningwet bestaat uit:</al><lijst><li nr="a."><al>de resultaten van een recent milieuhygiënisch
                                            bodemonderzoek verricht volgens NEN 5740, uitgave 2009,
                                            in overeenstemming met het onderzoeksprotocol dat volgt
                                            uit figuur 1;</al></li><li nr="b."><al>(vervallen);</al></li><li nr="c."><al>Indien op basis van het vooronderzoek aanleiding bestaat
                                            te veronderstellen dat asbest, daaronder mede begrepen
                                            asbestvezels, -deeltjes of –stof, in de bodem aanwezig
                                            is, vindt het onderzoek mede plaats op de wijze als
                                            voorzien in NEN 5707, uitgave 2003.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>De plicht tot het indienen van een onderzoeksrapport als bedoeld
                                    in artikel 2.4, onder d van de Regeling omgevingsrecht geldt
                                    niet indien het bouwen betrekking heeft op een bouwwerk dat naar
                                    aard en omvang gelijk is aan een bouwwerk als genoemd in het
                                    Besluit omgevingsrecht, artikelen 2 en 3 van bijlage II. Deze
                                    verwijzing geldt niet voor de hoogtebepalingen in het Besluit
                                    omgevingsrecht, artikelen 2 en 3 van bijlage II.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>Het bevoegd gezag staat een geheel of gedeeltelijk afwijken van
                                    de plicht tot het indienen van een onderzoeksrapport als bedoeld
                                    in artikel 2.4, onder d van de Regeling omgevingsrecht toe,
                                    indien voor toepassing van artikel 2.4.1 bij het bevoegd gezag
                                    reeds bruikbare recente onderzoeksresultaten beschikbaar
                                    zijn.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">4.</lidnr><al>Het bevoegd gezag kan een gedeeltelijk afwijken van de plicht
                                    tot het indienen van een onderzoeksrapport als bedoeld in
                                    artikel 2.5, onder d van de Regeling omgevingsrecht toestaan
                                    voor een bouwwerk met een beperkte instandhoudingstermijn als
                                    bedoeld in artikel 2.23 Wet algemene bepalingen omgevingsrecht
                                    en artikel 5.16 van het Besluit omgevingsrecht, indien uit het
                                    in NEN 5725, uitgave 2009, bedoelde vooronderzoek naar het
                                    historisch gebruik en naar de bodemgesteldheid blijkt, dat de
                                    locatie onverdacht is dan wel de gerezen verdenkingen een
                                    volledig veldonderzoek volgens NEN 5740, uitgave 2009 niet
                                    rechtvaardigen.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">5.</lidnr><al>Indien het bouwen pas kan plaatsvinden nadat de aanwezige
                                    bouwwerken zijn gesloopt, dient het bodemonderzoek plaats te
                                    vinden nadat is gesloopt en voordat met de bouw wordt
                                    begonnen.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">2.1.6</nr><titel status="officieel">Overige gegevens en bescheiden behorende
                                    bij de aanvraag om bouwvergunning</titel></kop><al>Vervallen.</al></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">2.1.7</nr><titel status="officieel">Bouwregistratie</titel></kop><al>Vervallen.</al></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">2.1.8</nr><titel status="officieel">Bijzondere bepalingen omtrent de aanvraag
                                    om bouwvergunning woonwagens en standplaatsen</titel></kop><al>Vervallen.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr status="officieel">2</nr><titel status="officieel">Behandeling van de aanvraag om
                                bouwvergunning</titel></kop><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">2.2.1</nr><titel status="officieel">Ontvangst van de aanvraag</titel></kop><al>Vervallen.</al></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">2.2.2</nr><titel status="officieel">Samenloop met vrijstelling ruimtelijke
                                    ordening</titel></kop><al>Vervallen.</al></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">2.2.3</nr><titel status="officieel">Bekendmaking van termijnen</titel></kop><al>Vervallen.</al></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">2.2.4</nr><titel status="officieel">In behandeling nemen en fasering
                                    bouwvergunningverlening</titel></kop><al>Vervallen.</al></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">2.2.5</nr><titel status="officieel">In behandeling nemen en
                                    bodemonderzoek</titel></kop><al>Vervallen.</al></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">2.2.6</nr><titel status="officieel">Kennisgeving van rechtswege verleende
                                    bouwvergunning</titel></kop><al>Vervallen.</al><al></al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf 3 Welstandstoetsing</label></kop><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">2.3.1</nr><titel status="officieel">Welstandscriteria</titel></kop><al>Vervallen.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr status="officieel">4</nr><titel status="officieel">Het tegengaan van bouwen op verontreinigde
                                grond</titel></kop><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">2.4.1</nr><titel status="officieel">Verbod tot bouwen op verontreinigde
                                    bodem</titel></kop><al>Op een bodem die zodanig is verontreinigd dat schade of gevaar is te
                                verwachten voor de gezondheid van de gebruikers, mag niet worden
                                gebouwd voorzover dat bouwen betrekking heeft op een bouwwerk:</al><lijst><li nr="a."><al>waarin
                                        voortdurend of nagenoeg voortdurend mensen zullen
                                        verblijven;</al></li></lijst><lijst><li nr="b."><al>voor
                                        het bouwen waarvan een
                                        omgevingsvergunning
                                        voor het bouwen
                                        is
                                        vereist; en</al></li></lijst><lijst><li nr="c."><al>1.
                                        dat de grond raakt, of</al><al>2.
                                        waarvan het bestaande, niet-wederrechtelijke gebruik niet
                                        wordt gehandhaafd.</al></li></lijst></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">2.4.2</nr><titel status="officieel">Voorwaarden omgevingsvergunning voor het
                                    bouwen</titel></kop><al> In afwijking van het bepaalde in artikel 2.4.1 en onverminderd het
                                bepaalde in artikel 2.4, onder d, van de Regeling omgevingsrecht,
                                kan het bevoegd gezag voorwaarden verbinden aan de
                                omgevingsvergunning voor het bouwen, in het geval zij op grond van
                                het in de Regeling omgevingsrecht bedoelde onderzoeksrapport en/of
                                andere bij hen bekende onderzoeksresultaten dan wel op grond van het
                                overeenkomstig het tweede lid van artikel 39 van de Wet
                                bodembescherming goedgekeurde saneringsplan bedoeld in artikel 39,
                                eerste lid, van die Wet van oordeel zijn, dat de bodem niet geschikt
                                is voor het beoogde doel maar door het stellen van voorwaarden
                                alsnog geschikt kan worden gemaakt.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr status="officieel">5</nr><titel status="officieel">Voorschriften van stedenbouwkundige aard en
                                bereikbaarheidseisen</titel></kop><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">2.5.1</nr><titel status="officieel">Richtlijnen voor de verlening van
                                    ontheffing van de stedebouwkundige bepalingen</titel></kop><al>Vervallen.</al></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">2.5.2</nr><titel status="officieel">Anti-cumulatiebepaling</titel></kop><al>Terrein dat voor het verlenen van een omgevingsvergunning voor het
                                bouwen in aanmerking moet worden genomen mag niet nog eens bij de
                                verlening van een omgevingsvergunning voor het bouwen voor een ander
                                bouwwerk in aanmerking worden genomen. </al></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">2.5.3</nr><titel status="officieel">Bereikbaarheid van bouwwerken voor
                                    wegverkeer. Brandblusvoorzieningen</titel></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Indien de toegang tot een bouwwerk dat voor het verblijf van
                                    mensen is bestemd, meer dan 10 meter is verwijderd van een
                                    openbare weg, moet een verbindingsweg tussen die toegang en het
                                    openbare wegennet aanwezig zijn die geschikt is voor
                                    verhuisauto’s, vuilnisauto’s, ziekenauto’s, brandweerauto’s en
                                    het overige te verwachten verkeer.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Een geschikte verbindingsweg in de zin van het eerste lid moet,
                                    tenzij de gemeenteraad voor de desbetreffende weg in een
                                    bestemmingsplan of in een verordening of anderszins
                                    voorschriften heeft vastgesteld:</al><lijst><li nr="a."><al>een
                                            breedte hebben van ten minste 4,5 m, over een breedte
                                            van ten minste 3,25 m zijn verhard en een vrije hoogte
                                            boven de kruin van de weg hebben van ten minste 4,2
                                            m;</al></li><li nr="b."><al>zijn
                                            verhard op een wijze die geschikt is voor
                                            motorvoertuigen met een massa van ten minste 14.600 kg,
                                            zijn voorzien van de nodige kunstwerken en zijn voorzien
                                            van bochten met een binnenbochtstraal van ten hoogste
                                            5,50 m en een buitenbochtstraal van ten minste 10 m
                                            en</al></li><li nr="c."><al>op
                                            doeltreffende wijze kunnen
                                            afwateren.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op een
                                    bijgebouw voor het bouwen waarvan op grond van artikel 2,
                                    onderdeel 3, of artikel 3, onderdeel 1, van bijlage II bij het
                                    Besluit omgevingsrecht geen vergunning is vereist, voor zover
                                    dat bijgebouw niet tot bewoning bestemd is, maar wel tot een
                                    hoofdgebouw behoort dat op hetzelfde terrein is gelegen.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">4.</lidnr><al>Nabij ieder bouwwerk dat voor het verblijf van mensen is
                                    bestemd, moeten zodanige opstelplaatsen voor brandweerauto’s
                                    aanwezig zijn, dat een doeltreffende verbinding tussen die
                                    auto’s en de bluswatervoorziening kan worden gelegd.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">5.</lidnr><al>Bij afwezigheid van een toereikende primaire openbare
                                    bluswatervoorziening als bedoeld in paragraaf 1 van hoofdstuk 2
                                    uit de publicatie “Handleiding Bluswatervoorziening en
                                    bereikbaarheid” van de Nederlandse Vereniging voor Brandweerzorg
                                    en Rampenbestrijding, moet worden zorggedragen voor een
                                    doeltreffende niet-openbare bluswatervoorziening.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">6.</lidnr><al>Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in
                                    afwijking van het bepaalde in het eerste en het vierde lid,
                                    indien de aard, de ligging en het gebruik van het bouwwerk zich
                                    daarvoor lenen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.3A</nr><titel>Brandweeringang</titel></kop><al>(Vervallen)</al></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">2.5.4</nr><titel status="officieel">Bereikbaarheid van gebouwen voor
                                    gehandicapten</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Tussen
                                    de toegang van enerzijds:</al></lid><lid><lidnr></lidnr><lijst><li nr="a."><al>een woning of een woongebouw, als bedoeld in artikel 4.3
                                            van het Bouwbesluit;</al></li><li nr="b."><al>een gebouw met een al dan niet gemeenschappelijke
                                            toegankelijkheidssector, als bedoeld in artikel 4.3 van
                                            het Bouwbesluit;</al></li></lijst></lid><lid><lidnr></lidnr><al>en anderzijds de openbare weg moet een mede voor gehandicapten
                                    begaanbare weg of begaanbaar pad aanwezig zijn.’ </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voor
                                    de in het eerste lid bedoelde wegen en paden geldt dat zij:</al></lid><lid><lidnr></lidnr><lijst><li nr="a."><al>ten minste 1,10 m breed moeten zijn;</al></li><li nr="b."><al>geen kleinere vrije doorgang mogen hebben dan 0,85 m;
                                            en</al></li><li nr="c."><al>ten hoogste een hoogteverschil mogen overbruggen van
                                            0,02 m, tenzij dit plaatsvindt door middel van een
                                            hellingbaan die voldoet aan het bepaalde in de artikelen
                                            2.39 en 2.40 van het Bouwbesluit.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">2.5.5</nr><titel status="officieel">Ligging van de voorgevelrooilijn</titel></kop><al>De voorgevelrooilijn is:</al><lijst><li nr="a."><al>langs een wegzijde met een regelmatige of nagenoeg
                                        regelmatige ligging van de voorgevels van de bestaande
                                        bebouwing: de evenwijdig aan de as van de weg gelegen lijn,
                                        welke, zoveel mogelijk aansluitend aan de ligging van de
                                        voorgevels van de bestaande bebouwing, een zoveel mogelijk
                                        gelijkmatig beloop van de rooilijn overeenkomstig de
                                        richting van de weg geeft;</al></li><li nr="b."><al>langs een wegzijde waarlangs geen bebouwing als onder a
                                        bedoeld aanwezig is en waarlangs mag worden gebouwd:</al><al>bij
                                        een wegbreedte van ten minste 10 meter, de lijn gelegen op
                                        15 meter uit de as van de weg;</al><al>bij
                                        een wegbreedte geringer dan 10 meter, de lijn gelegen op 10
                                        meter uit de as van de weg.</al></li></lijst></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">2.5.6</nr><titel status="officieel">Verbod tot bouwen met overschrijding van
                                    de voorgevelrooilijn</titel></kop><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 2.5.7 is het verboden een
                                bouwwerk, voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning is
                                vereist, te bouwen met overschrijding van de voorgevelrooilijn.</al></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">2.5.7</nr><titel status="officieel">Toegelaten overschrijding van de
                                    voorgevelrooilijn</titel></kop><al>Het verbod tot bouwen met overschrijding van de voorgevelrooilijn is
                                niet van toepassing op:</al><lijst><li nr="a."><al>onderdelen van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een
                                        omgevingsvergunning is vereist, die bij het afzonderlijk
                                        realiseren opgevat zouden moeten worden als het aanbrengen
                                        van veranderingen bedoeld in artikel 3, onderdeel 7, van
                                        bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht;</al></li><li nr="b."><al>andere onderdelen van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan
                                        een omgevingsvergunning is vereist, die bij het afzonderlijk
                                        realiseren niet vallen onder de werking van de veranderingen
                                        bedoeld in artikel 3, onderdeel 7, van bijlage II bij het
                                        Besluit omgevingsrecht, te weten:</al><lijst><li nr="1."><al>ondergrondse uitsteeksels, zoals
                                                funderingsonderdelen, rioolleidingen en
                                                rioolputten;</al></li><li nr="2."><al>stoepen, stoeptreden en toegangsbruggen, mits zij de
                                                grens van de weg met niet meer dan 0,3 m
                                                overschrijden.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">2.5.8</nr><titel status="officieel">Vergunningverlening in afwijking van het
                                    verbod tot overschrijding van de voorgevelrooilijn</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In afwijking van het verbod tot het bouwen met overschrijding
                                    van
                                    de voorgevelrooilijn kan het bevoegd
                                    gezag de omgevingsvergunning voor het bouwen verlenen
                                    voor:</al><lijst><li nr="a."><al>ondergrondse
                                            bouwwerken zoals kelders, kelderkoekoeken en
                                            kelderingangen, mits de bovenzijde daarvan niet hoger
                                            gelegen is dan het
                                            straatpeil;</al></li></lijst><lijst><li nr="b."><al>bouwwerken,
                                            geen gebouw zijnde, anders dan bedoeld in artikel
                                            2,
                                            onderdeel 9, 16 en 18 van
                                            bijlage II bij het
                                            Besluit
                                            omgevingsrecht,
                                            die naar hun aard en bestemming op een voor de
                                            voorgevelrooilijn gelegen erf toelaatbaar
                                            zijn;’</al></li><li nr="c."><al>laadperrons,
                                            stoepen en stoeptreden, die de grens van de weg
                                            overschrijden;</al></li><li nr="d."><al>erkers,
                                            serres en andere uitbouwen, alsmede balkons en
                                            galerijen, die de voorgevelrooilijn met niet meer dan
                                            1,50 m overschrijden;</al></li><li nr="e."><al>trappenhuizen,
                                            buitentrappen en liftschachten, hijsinrichtingen en
                                            stortbuizen, alsmede andere luifels, dakoverstekken,
                                            uitspringende schoorsteenwanden, reclametoestellen en
                                            draagconstructies voor reclames dan bedoeld zijn in
                                            artikel 2.5.7;</al></li><li nr="f."><al>overbouwingen
                                            ten dienste van de verbinding tussen twee
                                            bouwwerken.</al></li><li nr="g."><al>bouwwerken
                                            aan of bij een monument - als bedoeld in de
                                            Monumentenwet 1988 dan wel in de provinciale of
                                            gemeentelijke monumentenverordening - voor zover zulks
                                            niet bezwaarlijk is met het oog op de in
                                            historisch-esthetisch opzicht gewenste aansluiting bij
                                            het karakter van de bestaande
                                            omgeving.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voor
                                    het bouwen boven een weg kan alleen
                                    afwijking
                                    worden
                                    toegestaan,
                                    indien niet lager gebouwd wordt
                                    dan:</al><lijst><li nr="-"><al>4,20 m boven de hoogte van de rijweg, met inbegrip van
                                            een strook van 0,50 m breedte ter weerszijden van die
                                            rijweg;</al></li><li nr="-"><al>2,20 m boven de hoogte van een ander deel van de
                                            weg;</al></li></lijst></lid><lid><lidnr></lidnr><al>en dan nog voor zover de veiligheid van de gebruikers van de weg
                                    niet in gevaar komt.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">2.5.9</nr><titel status="officieel">Bouwen op de weg</titel></kop><al>In afwijking van het verbod tot het bouwen op de weg kan het bevoegd
                                gezag de omgevingsvergunning voor het bouwen verlenen voor:</al><lijst><li nr="a."><al>gebouwen ten behoeve van een op het openbaar net aangesloten
                                        nutsvoorziening, het telecommunicatieverkeer, het openbaar
                                        vervoer of het wegverkeer, anders dan bedoeld in artikel 2,
                                        onderdeel 18, sub a van bijlage II bij het Besluit
                                        omgevingsrecht;</al></li><li nr="b."><al>bouwwerken, geen gebouw zijnde, ten dienste van het verkeer,
                                        de waterhuishouding, de energievoorziening of het
                                        telecommunicatieverkeer, alsmede straatmeubilair, anders dan
                                        bedoeld in artikel 2, onderdeel 18, sub b, c en d, van
                                        bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht;</al></li><li nr="c."><al>vrijstaande winkel- of reclamevitrines;</al></li><li nr="d."><al>reclametoestellen en draagconstructies voor reclame;</al></li><li nr="e."><al>andere bouwwerken, voor het bouwen waarvan een
                                        omgevingsvergunning is vereist, die naar hun aard en
                                        bestemming op de weg toelaatbaar zijn.</al></li></lijst></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">2.5.10</nr><titel status="officieel">Plaatsing van de voorgevel ten opzichte
                                    van de voorgevelrooilijn. Afschuining van straathoeken</titel></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Een naar de weg gekeerd gevelvlak van een gebouw moet in de
                                    voorgevelrooilijn zijn geplaatst.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing in:</al><lijst><li nr="a."><al>de
                                            gevallen genoemd in artikel 2.5.7 en in die waarin de
                                            afwijking
                                            genoemd in de artikelen 2.5.8 en 2.5.9 is
                                            verleend;</al></li></lijst><lijst><li nr="b."><al>in
                                            de gevallen genoemd in artikel 2.5.13 en in die waarin
                                            de
                                            afwijking
                                            genoemd in artikel 2.5.14 is verleend, voor zover het
                                            bouwwerk geheel achter de achtergevelrooilijn is
                                            geplaatst;</al></li></lijst><lijst><li nr="c."><al>in
                                            de gevallen, bedoeld in het derde
                                            lid.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>Indien van wegen die elkaar kruisen of van een weg die een knik
                                    maakt van 90 graden of minder, de tegenover elkaar liggende
                                    voorgevelrooilijnen zich in beide wegen of zich vóór en na de
                                    knik op onderlinge tussenafstanden van minder dan 3 meter
                                    bevinden, moet de bebouwing op de hoeken - over een hoogte op
                                    een dergelijke hoek van niet meer dan 4,2 meter boven straatpeil
                                    - worden afgerond of afgeschuind, met dien verstande dat de
                                    daardoor onbebouwd blijvende oppervlakte niet groter dan 2
                                    m<sup>2</sup> behoeft te zijn. </al></lid><lid><lidnr status="officieel">4.</lidnr><al>Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in
                                    afwijking van het bepaalde in het eerste lid voor:</al><lijst><li nr="a."><al>gebouwen
                                            behorende tot een complex van
                                            gebouwen;</al></li></lijst><lijst><li nr="b."><al>gebouwen
                                            op handels- en
                                            industrieterreinen;</al></li></lijst><lijst><li nr="c."><al>vrijstaande
                                            enkele of dubbele
                                            eengezinshuizen;</al></li></lijst><lijst><li nr="d."><al>bijgebouwen,
                                            anders dan de in artikel 2,
                                            onderdeel 3, of artikel 3,
                                            onderdeel 1, van bijlage II bij het Besluit
                                            omgevingsrecht
                                            bedoelde gebouwen;’</al></li></lijst><lijst><li nr="e."><al>gebouwen
                                            ten dienste van bodemcultuur en veeteelt, pluimveeteelt
                                            daaronder begrepen, en de daarbijbehorende
                                            woningen;</al></li></lijst><lijst><li nr="f."><al>gedeelten
                                            van naar de weg gekeerde
                                            gevels;</al></li></lijst><lijst><li nr="g."><al>gevallen,
                                            waarin de welstand bij het
                                            toestaan
                                            van de
                                            afwijking
                                            is gebaat.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">2.5.11</nr><titel status="officieel">Ligging van de achtergevelrooilijn</titel></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>De achtergevelrooilijn is evenwijdig aan de voorgevelrooilijn en
                                    bevindt zich:</al><lijst><li nr="a."><al>in
                                            een aan alle zijden bebouwd of te bebouwen driehoekig,
                                            vierhoekig of regelmatig veelhoekig bouwblok op een
                                            afstand van de voorgevelrooilijn gelijk aan de helft van
                                            de straal van de ingeschreven cirkel binnen de
                                            voorgevelrooilijnen, doch op geen grotere afstand van de
                                            voorgevelrooilijn dan 15 meter. Indien meer dan één
                                            ingeschreven cirkel binnen de voorgevelrooilijnen kan
                                            worden beschreven, geldt de
                                            grootste;</al></li></lijst><lijst><li nr="b."><al>in
                                            een aan alle zijden bebouwd of te bebouwen bouwblok van
                                            een andere dan onder a genoemde vorm op zodanige afstand
                                            van de voorgevelrooilijn, bepaald op de wijze als onder
                                            a bepaald, na herleiding van de vorm van het bouwblok
                                            tot een of meer der onder a genoemde vormen, voor zover
                                            zij op zich zelf of gezamenlijk de vorm van het bouwblok
                                            het meest nabijkomen, doch op geen grotere afstand van
                                            de voorgevelrooilijn dan 15
                                            meter;</al></li></lijst><lijst><li nr="c."><al>in
                                            een slechts aan drie zijden bebouwd of te bebouwen
                                            rechthoekig bouwblok, langs deze drie zijden op een
                                            afstand van de voorgevelrooilijn gelijk aan 1/4 van de
                                            afstand tussen de voorgevelrooilijnen van de beide zich
                                            tegenover elkaar bevindende bebouwde of te bebouwen
                                            zijden van het bouwblok, doch op geen grotere afstand
                                            van de voorgevelrooilijn dan 15
                                            meter;</al></li></lijst><lijst><li nr="d."><al>in
                                            een slechts aan twee tegenover elkaar gelegen zijden
                                            bebouwd of te bebouwen rechthoekig bouwblok, langs deze
                                            twee zijden op een afstand van de voorgevelrooilijn
                                            gelijk aan 1/4 van de afstand tussen de
                                            voorgevelrooilijnen van de beide zich tegenover elkaar
                                            bevindende bebouwde of te bebouwen zijden van het
                                            bouwblok, doch op geen grotere afstand van de
                                            voorgevelrooilijn dan 15
                                            meter;</al></li></lijst><lijst><li nr="e."><al>in
                                            alle niet onder a tot en met d genoemde gevallen op een
                                            afstand die wordt bepaald met inachtneming van de
                                            beginselen, welke zijn neergelegd in a tot en met d van
                                            dit lid, doch op geen grotere afstand van de
                                            voorgevelrooilijn dan 15
                                            meter.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Indien in een hoekbebouwing de elkaar snijdende
                                    achtergevelrooilijnen een scherpe hoek vormen moeten de
                                    achterzijden van die bebouwing - in het belang van de toetreding
                                    van daglicht - over een afstand van ten minste 5 meter ter
                                    weerszijden van bedoeld snijpunt ten minste 2 meter terugliggen
                                    ten opzichte van beide achtergevelrooilijnen.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in
                                    afwijking van het bepaalde in het tweede lid, voor zover de
                                    aard, de indeling en het gebruik van de gebouwen in de
                                    hoekbebouwing dit toelaten. </al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">2.5.12</nr><titel status="officieel">Verbod tot bouwen met overschrijding van
                                    de achtergevelrooilijn</titel></kop><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 2.5.13 is het verboden
                                bouwwerken, voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning is
                                vereist, te bouwen met overschrijding van de
                                achtergevelrooilijn.</al></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">2.5.13</nr><titel status="officieel">Toegelaten overschrijding van de
                                    achtergevelrooilijn</titel></kop><al>Het verbod tot bouwen met overschrijding van de achtergevelrooilijn
                                is niet van toepassing op:</al><lijst><li nr="a."><al>buiten de bebouwde kom gelegen kassen en bouwwerken, geen
                                        gebouwen zijnde, voor doeleinden van bodemcultuur en
                                        veeteelt, pluimveeteelt daaronder begrepen;</al></li><li nr="b."><al>buiten de bebouwde kom gelegen gebouwen, geen kassen zijnde,
                                        voor doeleinden van bodemcultuur en veeteelt, pluimveeteelt
                                        daaronder begrepen, indien de afstand tot de zijdelingse
                                        grens van het erf ten minste 20 meter bedraagt;</al></li><li nr="c."><al>onderdelen van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een
                                        omgevingsvergunning is vereist, die bij het afzonderlijk
                                        realiseren opgevat zouden moeten worden als een aan- of
                                        uitbouw, voor het bouwen waarvan op grond van artikel 2,
                                        onderdeel 3, of artikel 3, onderdeel 1 van bijlage II bij
                                        het Besluit omgevingsrecht geen vergunning is vereist;</al></li><li nr="d."><al>onderdelen van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een
                                        omgevingsvergunning is vereist, die bij het afzonderlijk
                                        realiseren opgevat zouden moeten worden als het aanbrengen
                                        van veranderingen als bedoeld in artikel 3, onderdeel 7 van
                                        bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht;</al></li><li nr="e."><al>andere onderdelen van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan
                                        een omgevingsvergunning is vereist, die bij het afzonderlijk
                                        realiseren niet vallen onder de werking van artikel 3,
                                        onderdeel 7 van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht,
                                        te weten:</al><lijst><li nr="1."><al>ondergrondse uitsteeksels, zoals
                                                funderingsonderdelen, rioolleidingen en
                                                rioolputten;</al></li><li nr="2."><al>terrassen, bordessen en bordestreden;</al></li></lijst></li><li nr="f."><al>antennes, anders dan bedoeld in artikel 2, onderdeel 15 en
                                        17 van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht.</al></li></lijst></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">2.5.14</nr><titel status="officieel">Vergunningverlening in afwijking van het
                                    verbod tot overschrijding van de achtergevelrooilijn</titel></kop><al>In afwijking van het verbod tot het bouwen met overschrijding van de
                                achtergevelrooilijn kan het bevoegd gezag de omgevingsvergunning
                                voor het bouwen verlenen voor: </al><lijst><li nr="a."><al>buiten de bebouwde kom gelegen gebouwen, geen kassen zijnde,
                                        voor doeleinden van bodemcultuur en veeteelt, pluimveeteelt
                                        daaronder begrepen, waarvan de afstand tot de zijdelingse
                                        grens van het erf minder dan 20 meter bedraagt;</al></li><li nr="b."><al>binnen de bebouwde kom gelegen kassen;</al></li><li nr="c."><al>vrijstaande enkele of dubbele eengezinshuizen;</al></li><li nr="d."><al>gebouwen op een terrein waarvan twee tegenover elkaar
                                        liggende zijden grenzen aan wegen, aan een weg en een
                                        openbaar water, aan een weg en een spoorweg of aan een weg
                                        en een plantsoen en welk terrein slechts aan één van die
                                        zijden mag worden bebouwd; </al></li><li nr="e."><al>gebouwen op binnenterreinen, mits hiervan de bereikbaarheid,
                                        als bedoeld in de artikelen 2.5.3 en 2.5.4, is
                                        verzekerd;</al></li><li nr="f."><al>bijgebouwen die niet vallen onder artikel 2, onderdeel 3, of
                                        artikel 3, onderdeel 1, van bijlage II van het Besluit
                                        omgevingsrecht;</al></li><li nr="g."><al>gebouwen in een bouwstrook of bouwblok, geheel of overwegend
                                        handels- of industrieterrein omvattend;</al></li><li nr="h."><al> bouwwerken, geen gebouw zijnde, voor het bouwen waarvan een
                                        omgevingsvergunning is vereist;</al></li><li nr="i."><al>ondergrondse bouwwerken, zoals kelders, kelderkoekoeken en
                                        kelderingangen, mits de bovenzijde daarvan niet hoger is
                                        gelegen dan de hoogte van het terrein ter plaatse bij
                                        voltooiing van de bouw;</al></li><li nr="j."><al>erkers en overige uitbouwen, anders dan de uitbouwen die
                                        vallen onder artikel 2, onderdeel 3, of artikel 3, onderdeel
                                        1, van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht;</al></li><li nr="k."><al>trappenhuizen, buitentrappen en liftschachten,
                                        hijsinrichtingen en stortbuizen, balkons en veranda's,
                                        alsmede andere luifels, afdaken, dakoverstekken,
                                        uitspringende schoorsteenwanden, terrassen en bordessen dan
                                        bedoeld zijn in artikel 2.5.13;</al></li><li nr="l."><al>bouwwerken aan of bij een monument - als bedoeld in de
                                        Monumentenwet 1988 dan wel in de provinciale of
                                        gemeentelijke monumentenverordening - voor zover zulks niet
                                        bezwaarlijk is om de in historisch-esthetisch opzicht
                                        gewenste aansluiting te verkrijgen bij het karakter van de
                                        bestaande omgeving.</al></li></lijst></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">2.5.15</nr><titel status="officieel">Erf bij woningen en woongebouwen</titel></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Bij een woning of woongebouw moet een erf aanwezig zijn dat ten
                                    minste een strook grond omvat die:</al><lijst><li nr="a."><al>over
                                            de volle breedte van het gebouw aansluit aan de
                                            achtergevel, en</al></li></lijst><lijst><li nr="b."><al>voor
                                            wat betreft het achter het gebouw gelegen deel dat is
                                            begrepen tussen het verlengde van de zijgevels, een
                                            diepte heeft van ten minste 5
                                            meter.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>De maat genoemd in het eerste lid, moet worden gemeten haaks op
                                    de achtergevelrooilijn en vanuit het verst achterwaarts gelegen
                                    deel van het gebouw. Daarbij moeten de onderdelen van dat
                                    gebouw, bedoeld in artikel 2.5.13, en de balkons en veranda's
                                    buiten beschouwing blijven. </al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in
                                    afwijking van het bepaalde in:</al><lijst><li nr="a."><al>het
                                            eerste lid, wat de aanwezigheid van het erf betreft,
                                            indien de gelijkstraats gelegen bouwlaag niet tot
                                            bewoning bestemd is;</al></li></lijst><lijst><li nr="b."><al>het
                                            eerste lid, indien aan één van de volgende voorwaarden
                                            wordt voldaan:</al></li></lijst><lijst><li nr=""><lijst><li nr="1."><al>een
                                                  gunstige, andere indeling van het erf is
                                                  aanwezig;</al></li></lijst></li></lijst><lijst><li nr=""><lijst><li nr="2."><al>het
                                                  gebouw zal zijn gelegen op een terrein waarvan
                                                  twee tegenover elkaar liggende zijden grenzen aan
                                                  wegen, aan een weg en een openbaar water, aan een
                                                  weg en een spoorweg of aan een weg en een
                                                  plantsoen, mits dat terrein slechts aan één van
                                                  die zijden mag worden bebouwd en tevens een erf
                                                  van redelijke afmetingen tot stand wordt
                                                  gebracht;</al></li></lijst></li></lijst><lijst><li nr=""><lijst><li nr="3."><al>bij
                                                  het vergroten van een gebouw dat niet aan de
                                                  bepalingen voor te bouwen woningen en woongebouwen
                                                  van het Bouwbesluit voldoet, wordt de bestaande
                                                  toestand verbeterd.</al><al></al></li></lijst></li></lijst></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">2.5.16</nr><titel status="officieel">Erf bij overige gebouwen</titel></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Achter een gebouw, waarvan geen deel tot woning, anders dan als
                                    dienstwoning, is bestemd, moet een bij het gebouw behorend erf
                                    aanwezig zijn ter diepte van ten minste 2 meter achter het verst
                                    achterwaarts gelegen deel van het gebouw en over de volle
                                    breedte daarvan.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in
                                    afwijking van het bepaalde in het eerste lid:</al><lijst><li nr="a."><al>indien
                                            ligging en bestemming van het gebouw hiervoor geen
                                            beletsel vormen;</al></li></lijst><lijst><li nr="b."><al>indien,
                                            voor zover nodig, afwijking is
                                            toegestaan
                                            van het verbod tot overschrijding van de
                                            achtergevelrooilijn.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">2.5.17</nr><titel status="officieel">Ruimte tussen bouwwerken</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De
                                    zijdelingse begrenzing van een bouwwerk moet ten opzichte van de
                                    zijdelingse grens van het erf zodanig zijn gelegen dat tussen
                                    dat bouwwerk en de op het aangrenzende erf aanwezige bebouwing
                                    geen tussenruimten ontstaan die:</al><lijst><li nr="a."><al>vanaf
                                            de hoogte van het erf tot 2,2 meter daarboven minder dan
                                            1 meter breed zijn;</al></li></lijst><lijst><li nr="b."><al>niet
                                            toegankelijk zijn.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr></lidnr><al>Bebouwing van ondergeschikte aard op het erf of op het
                                    aangrenzende erf wordt hierbij buiten beschouwing gelaten.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het
                                    bevoegd
                                    gezag
                                    kan
                                    de
                                    omgevingsvergunning
                                    verlenen
                                    in
                                    afwijking
                                    van het bepaalde in het eerste lid, indien voldoende
                                    mogelijkheid aanwezig is voor reiniging en onderhoud van de vrij
                                    te laten ruimte.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">2.5.18</nr><titel status="officieel">Erf- en terreinafscheidingen</titel></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Erf- en terreinafscheidingen, anders dan bedoeld in artikel 2,
                                    onderdeel 12 van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht, zijn
                                    niet toegelaten.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in
                                    afwijking van het bepaalde in het eerste lid in het belang van
                                    het af te scheiden erf of terrein.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">2.5.19</nr><titel status="officieel">Bouwen nabij bovengrondse
                                    hoogspanningslijnen en ondergrondse
                                    hoofdtransportleidingen</titel></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Binnen een strook van 6 meter ter weerszijden van voor
                                    stroomgeleiding bestemde draden van bovengrondse
                                    hoogspanningslijnen mogen zich geen delen bevinden van andere
                                    bouwwerken, voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning is
                                    vereist, dan die welke deel uitmaken van de hoogspanningslijn.
                                    Bij het bepalen van deze afstand moet rekening worden gehouden
                                    met het uitzwaaien van de draden ten gevolge van de wind. Onder
                                    hoogspanningslijn wordt in dit artikel verstaan een lijn met een
                                    nominale elektrische spanning van 1000 volt of meer.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Binnen een strook van 6 meter ter weerszijden van een
                                    ondergrondse hoofdtransportleiding mogen geen bouwwerken, voor
                                    het bouwen waarvan een omgevingsvergunning is vereist, worden
                                    gebouwd.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in
                                    afwijking van:</al><lijst><li nr="a."><al>het
                                            bepaalde in het eerste lid voor wat betreft de afstand
                                            van 6 meter, indien de elektrische spanning van de
                                            hoogspanningslijn daarvoor geen bezwaar
                                            oplevert;</al></li></lijst><lijst><li nr="b."><al>het
                                            bepaalde in het tweede lid voor wat betreft de afstand
                                            van 6 meter, indien daartegen met het oog op de veilige
                                            en ongestoorde ligging van de leiding geen bezwaar
                                            bestaat.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">2.5.20</nr><titel status="officieel">Toegelaten hoogte in de
                                    voorgevelrooilijn</titel></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 2.5.24 bedraagt de maximale
                                    hoogte van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een
                                    omgevingsvergunning is vereist, in het vlak door de
                                    voorgevelrooilijn 1 meter, vermeerderd met:</al><lijst><li nr="a."><al>in
                                            de bebouwde kom éénmaal de afstand tussen de
                                            voorgevelrooilijnen langs de desbetreffende
                                            weg;</al></li></lijst><lijst><li nr="b."><al>buiten
                                            de bebouwde kom 0,75 maal de afstand tussen de
                                            voorgevelrooilijnen langs de desbetreffende
                                            weg.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op
                                    hoekbebouwing aan wegen, waarvan de afstand tussen de
                                    voorgevelrooilijnen onderling verschilt, in welk geval aan de
                                    zijde van de smalle weg tot de hoogte welke aan de brede weg is
                                    toegelaten, mag worden gebouwd over een lengte van de hoek af
                                    gelijk aan de afstand tussen de voorgevelrooilijn van de smalle
                                    weg, doch over geen grotere lengte dan 15 meter.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>De in het eerste lid bedoelde afstand wordt gemeten haaks op de
                                    desbetreffende voorgevelrooilijn in het midden van de breedte
                                    van het bouwwerk of de projectie daarvan op de
                                    voorgevelrooilijn.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">4.</lidnr><al>Indien aan de overzijde van de weg een voorgevelrooilijn
                                    ontbreekt geldt ter bepaling van de grootste toegelaten hoogte,
                                    bedoeld in het eerste lid, de dichtstbij gelegen
                                    tegenoverliggende rooilijn. Indien de tegenoverliggende rooilijn
                                    plaatselijk is onderbroken geldt ter plaatse van die
                                    onderbreking de verstverwijderde van de beide ter weerszijden
                                    van de onderbreking voorkomende rooilijnen.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">2.5.21</nr><titel status="officieel">Toegelaten hoogte in de
                                    achtergevelrooilijn</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Onverminderd
                                    het bepaalde in artikel 2.5.24 bedraagt de maximale hoogte van
                                    een bouwwerk, voor het bouwen waarvan
                                    een omgevingsvergunning is
                                    vereist,
                                    in het vlak door de achtergevelrooilijn 1 meter, vermeerderd
                                    met:</al><lijst><li nr="a."><al>in
                                            de bebouwde kom éénmaal de afstand tot de
                                            tegenoverliggende achtergevelrooilijn in hetzelfde
                                            bouwblok;</al></li></lijst><lijst><li nr="b."><al>buiten
                                            de bebouwde kom 0,75 maal de afstand tot de
                                            tegenoverliggende achtergevelrooilijn in hetzelfde
                                            bouwblok.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De
                                    in het eerste lid bedoelde afstand wordt gemeten haaks op de
                                    achtergevelrooilijn ter plaatse van het
                                    bouwwerk.</al></lid><lid><lidnr></lidnr><al>Indien de te beschouwen achtergevelrooilijnen niet evenwijdig
                                    lopen, wordt voor elke 5 meter breedte van de achterzijde van
                                    het bouwwerk uitgegaan van de gemiddelde afstand tussen de
                                    achtergevelrooilijnen.</al></lid><lid><lidnr></lidnr><al>Indien een tegenoverliggende achtergevelrooilijn ontbreekt,
                                    wordt gemeten tot de dichtstbijzijnde tegenover de
                                    achtergevelrooilijn gelegen voorgevelrooilijn.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In
                                    afwijking van het bepaalde in het eerste lid mag de maximale
                                    hoogte van een bouwwerk in het vlak door de achtergevelrooilijn
                                    niet meer bedragen dan de maximale hoogte in de aangrenzende 5
                                    meter van een aanliggende achtergevelrooilijn in hetzelfde
                                    bouwblok.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Indien
                                    het terrein achter de achtergevelrooilijn lager dan straatpeil
                                    ligt, moet de in het eerste lid bedoelde hoogte worden
                                    verminderd met een maat, gelijk aan het verschil tussen het
                                    straatpeil en het peil van het onderhavige terrein ter plaatse
                                    van de achtertoegang bij voltooiing van de bouw.
                                    </al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">2.5.22</nr><titel status="officieel">Toegelaten hoogte van zijgevels tegenover
                                    een achtergevelrooilijn</titel></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Indien op een kruising van wegen de achtergevels van de
                                    bebouwing, gelegen aan de ene weg, doorgebouwd zijn tot aan de
                                    voorgevelrooilijn van de andere weg en bovendien in die
                                    achtergevels ramen aanwezig zijn, dan bedraagt - onverminderd
                                    het bepaalde in artikel 2.5.24 - de maximale hoogte van de
                                    zijgevel van het eerste bouwwerk aan laatstgenoemde weg nabij de
                                    hoek ten hoogste 1,5 maal de afstand van deze zijgevel tot de
                                    achtergevelrooilijn die bij de eerstgenoemde weg behoort. Deze
                                    afstand moet op dezelfde wijze worden bepaald als beschreven is
                                    in artikel 2.5.21, tweede lid, voor de bepaling van de afstand
                                    tussen twee achtergevelrooilijnen. </al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in
                                    afwijking van het bepaalde in het eerste lid, mits de zijgevel
                                    niet hoger is dan de voorgevel. </al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">2.5.23</nr><titel status="officieel">Toegelaten hoogte tussen voor- en
                                    achtergevelrooilijnen</titel></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 2.5.24 mag een bouwwerk,
                                    voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning is vereist,
                                    tussen de voor- en de achtergevelrooilijn niet hoger reiken dan
                                    tot de vlakken die de verticale vlakken door de
                                    voorgevelrooilijn en door de achtergevelrooilijn snijden op de -
                                    krachtens de artikelen 2.5.20 en 2.5.21 - maximale bouwhoogte en
                                    die met het horizontale vlak een hoek vormen van:</al><lijst><li nr="a."><al>45
                                            graden in de bebouwde kom;</al></li></lijst><lijst><li nr="b."><al>37
                                            graden buiten de bebouwde
                                            kom.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Indien
                                    een bouwwerk nabij een kruising van wegen een zijgevel heeft die
                                    gelegen is tegenover een achtergevelrooilijn in hetzelfde
                                    bouwblok, mag dit bouwwerk bovendien niet hoger reiken dan tot
                                    het vlak dat het verticale vlak door die zijgevel snijdt ter
                                    hoogte van de - krachtens artikel 2.5.22 - maximale bouwhoogte
                                    en dat met het horizontale vlak een hoek vormt van 56
                                    graden.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">2.5.24</nr><titel status="officieel">Grootste toegelaten hoogte van
                                    bouwwerken</titel></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>De hoogte van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een
                                    omgevingsvergunning is vereist, mag niet meer bedragen dan 15
                                    meter.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Indien het bouwwerk aan meer dan een weg grenst en deze wegen op
                                    verschillende hoogten liggen, geldt de hoogte ten opzichte van
                                    de laagstgelegen weg. </al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">2.5.25</nr><titel status="officieel">Hoogte van bouwwerken op niet aan een weg
                                    grenzende terreinen</titel></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>De hoogte van een bouwwerk dat met een ingevolge artikel 2.5.3
                                    of artikel 2.5.14 toegestane afwijking wordt opgericht op een
                                    niet aan een weg grenzend terrein, mag niet meer bedragen dan
                                    2,70 meter met dien verstande dat - uitgaande van een goothoogte
                                    van genoemde maat - daarboven een zadeldak met hellingen van ten
                                    hoogste 45 graden toegelaten is.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in
                                    afwijking van het bepaalde in het eerste lid, indien de aard en
                                    de ligging van de omringende bebouwing hiervoor geen beletsel
                                    vormen.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">2.5.26</nr><titel status="officieel">Wijze van meten van de hoogte van
                                    bouwwerken</titel></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>De hoogte van een bouwwerk of van een gevel of van een ander
                                    buitenvlak van een bouwwerk moet worden gemeten ten opzichte van
                                    straatpeil. </al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>De hoogte van gevels die geen horizontale beëindiging hebben,
                                    moet worden bepaald door de oppervlakte te delen door de
                                    breedte. Plaatselijke verhogingen, als bedoeld in artikel
                                    2.5.27, onder d, en artikel 2.5.28, onder h, i, j en k, moeten -
                                    voor zover zij de maximale hoogte overschrijden - buiten
                                    beschouwing worden gelaten.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">2.5.27</nr><titel status="officieel">Toegelaten afwijkingen van de toegelaten
                                    bouwhoogte</titel></kop><al>Het bepaalde in artikel 2.5.20, eerste lid, artikel 2.5.21, eerste
                                en derde lid, artikel 2.5.22, eerste lid, artikel 2.5.23 en artikel
                                2.5.24 is niet van toepassing op:</al><lijst><li nr="a."><al>onderdelen van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een
                                        omgevingsvergunning is vereist, die bij het afzonderlijk
                                        realiseren opgevat zouden moeten worden als het aanbrengen
                                        van veranderingen, als bedoeld in artikel 3, onderdeel 7 van
                                        bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht;</al></li><li nr="b."><al>het gedeeltelijk vernieuwen of veranderen van bouwwerken,
                                        anders dan het aanbrengen van veranderingen van
                                        niet-ingrijpende aard, als bedoeld in artikel 3, onderdeel 7
                                        van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht;</al></li><li nr="c."><al>topgevels in het verticale vlak, gaande door de
                                        voorgevelrooilijn of de achtergevelrooilijn, mits zij niet
                                        breder zijn dan 6 meter en mits de geveloppervlakte, over de
                                        breedte van de topgevel gemeten, niet groter is dan het
                                        produkt van de breedte van de topgevel en de maximale
                                        bouwhoogte ter plaatse;</al></li><li nr="d."><al>plaatselijke verhogingen met geen grotere breedte dan 0,60
                                        meter.</al></li></lijst></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">2.5.28</nr><titel status="officieel">Vergunningverlening in afwijking van het
                                    verbod tot overschrijding van de toegelaten bouwhoogte</titel></kop><al>In afwijking van het verbod tot het bouwen met overschrijding van de
                                toegelaten bouwhoogte als bedoeld in de artikelen 2.5.20, eerste
                                lid, 2.5.21, eerste en derde lid, 2.5.22, eerste lid, 2.5.23 en
                                2.5.24 kan het bevoegd gezag de omgevingsvergunning voor het bouwen
                                verlenen voor:</al><lijst><li nr="a."><al>gebouwen voor openbaar nut, scholen, kerken, schouwburgen en
                                        andere gebouwen bestemd voor het houden van bijeenkomsten en
                                        vergaderingen;</al></li><li nr="b."><al>gebouwen bestemd voor woon-, kantoor- of winkeldoeleinden,
                                        indien de welstand bij het toestaan van de afwijking is
                                        gebaat;</al></li><li nr="c."><al>gebouwen
                                        bestemd voor het uitoefenen van een bedrijf op een handels-
                                        en industrieterrein;</al></li><li nr="d."><al>agrarische
                                        bedrijfsgebouwen;</al></li><li nr="e."><al>het
                                        geheel of gedeeltelijk veranderen of vergroten van een
                                        bouwwerk, anders dan bedoeld in artikel
                                        3,
                                        onderdeel 7 van bijlage II bij het
                                        Besluit
                                        omgevingsrecht,
                                        en indien:</al><lijst><li nr="1."><al>de
                                                bestaande belendende gebouwen de maximale bouwhoogte
                                                overschrijden en de welstand bij het
                                                toestaan van de
                                                afwijking
                                                is gebaat;</al></li><li nr="2."><al>bij
                                                het overschrijden van bestaande uitwendige
                                                hoogteafmetingen andere hoogteafmetingen kleiner
                                                worden dan de
                                                bestaande;</al></li></lijst></li><li nr="f."><al>bouwwerken,
                                        geen gebouwen zijnde, ten dienste van het verkeer, de
                                        waterhuishouding, de energievoorziening of het
                                        telecommunicatieverkeer, anders dan bedoeld in artikel
                                        2, onderdeel 16 en 18 van bijlage
                                        II bij
                                        het
                                        Besluit
                                        omgevingsrecht;</al></li><li nr="g."><al>topgevels,
                                        breder dan 6 meter en gevelverhogingen van soortgelijke
                                        aard;</al></li><li nr="h."><al>plaatselijke
                                        verhogingen met een grotere breedte dan 0,60
                                        meter;</al></li><li nr="i."><al>dakvensters,
                                        mits buitenwerks gemeten de breedte niet meer dan 1,75
                                        meter, de hoogte niet meer dan 1,5 meter, de onderlinge
                                        afstand niet minder dan 3 meter en de afstand tot de
                                        erfscheiding niet minder dan 1,5 meter bedraagt. Deze
                                        laatste voorwaarde geldt niet voor gekoppelde dakvensters,
                                        die tot verschillende gebouwen
                                        behoren;</al></li><li nr="j."><al>draagconstructies
                                        voor een reclame;</al></li><li nr="k."><al>vrijstaande
                                        schoorstenen;</al></li><li nr="l."><al>bouwwerken
                                        op een monument - als bedoeld in de Monumentenwet 1988 dan
                                        wel in de provinciale of gemeentelijke monumentenverordening
                                        - voor zover zulks niet bezwaarlijk is om de in
                                        historisch-esthetisch opzicht gewenste aansluiting te
                                        verkrijgen bij het karakter van de bestaande
                                        omgeving.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.29</nr><titel>Vergunningverlening in afwijking van het verbod tot
                                    overschrijding van de rooilijnen en van de toegelaten bouwhoogte
                                    in geval van voorbereiding van nieuw ruimtelijk beleid</titel></kop><al>In andere gevallen dan bedoeld in de artikelen 2.5.8, 2.5.14 en
                                2.5.28, kan het bevoegd gezag afwijken van de verboden tot bouwen
                                met overschrijding van de voor- en van de achtergevelrooilijn, en
                                van het verbod tot bouwen met overschrijding van de maximale
                                bouwhoogte, indien:</al><lijst><li nr="a."><al>er voor het betreffende gebied geen bestemmingsplan of
                                        beheersverordening of projectbesluit van kracht is;</al></li><li nr="b."><al>geen van de aanhoudingsgronden zoals genoemd in artikel 3.3
                                        van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht van toepassing
                                        is;</al></li><li nr="c."><al>de activiteit in overeenstemming is met in voorbereiding
                                        zijnd toekomstig ruimtelijk beleid;</al></li><li nr="d."><al>de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke
                                        ordening, en</al></li><li nr="e."><al>de motivering van het besluit een goede ruimtelijke
                                        onderbouwing bevat.</al></li></lijst></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">2.5.30</nr><titel status="officieel">Parkeergelegenheid en laad- en
                                    losmogelijkheden bij of in gebouwen</titel></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Indien de omvang of de bestemming van een gebouw daartoe
                                    aanleiding geeft, moet ten behoeve van het parkeren of stallen
                                    van auto's in voldoende mate ruimte zijn aangebracht in, op of
                                    onder het gebouw, dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat
                                    bij dat gebouw behoort. Deze ruimte mag niet overbemeten zijn,
                                    gelet op het gebruik of de bewoning van het gebouw, waarbij
                                    rekening moet worden gehouden met de eventuele bereikbaarheid
                                    per openbaar vervoer.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>De in het eerste lid bedoelde ruimte voor het parkeren van
                                    auto's moet afmetingen hebben die zijn afgestemd op gangbare
                                    personenauto's. Aan deze eis wordt geacht te zijn voldaan:</al><lijst><li nr="a."><al>indien
                                            de afmetingen van bedoelde parkeerruimten ten minste
                                            1,80 m bij 5,00 m en ten hoogste 3,25 m bij 6,00 m
                                            bedragen;</al></li></lijst><lijst><li nr="b."><al>indien
                                            de afmetingen van een gereserveerde parkeerruimte voor
                                            een gehandicapte - voorzover die ruimte niet in de
                                            lengterichting aan een trottoir grenst - ten minste 3,50
                                            m bij 5,00 m bedragen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>Indien de bestemming van een gebouw aanleiding geeft tot een te
                                    verwachten behoefte aan ruimte voor het laden of lossen van
                                    goederen, moet in deze behoefte in voldoende mate zijn voorzien
                                    aan, in of onder dat gebouw, dan wel op of onder het onbebouwde
                                    terrein dat bij dat gebouw behoort.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">4.</lidnr><al>Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in
                                    afwijking van het bepaalde in het eerste en het derde lid:</al><lijst><li nr="a."><al>indien het voldoen aan die bepalingen door bijzondere
                                            omstandigheden op overwegende bezwaren stuit; of</al></li><li nr="b."><al>voor zover op andere wijze in de nodige parkeer- of
                                            stallingruimte, dan wel laad- of losruimte wordt
                                            voorzien.</al></li></lijst></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf 6 Voorschriften inzake brandveiligheidsinstallaties</label></kop><structuurtekst><al></al></structuurtekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.6.1</nr><titel>Beginsel inzake brandmeldinstallaties</titel></kop><al>(vervallen).</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.6.2</nr><titel>Aanwezigheid van brandmeldinstallaties</titel></kop><al>(vervallen).</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.6.3</nr><titel>Omvang van de bewaking door brandmeldinstallaties</titel></kop><al>(vervallen).</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.6.4</nr><titel>Kwaliteit van brandmeldinstallaties</titel></kop><al>(vervallen).</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.6.5</nr><titel>Beginsel inzake ontruimingsalarminstallaties</titel></kop><al>(vervallen).</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.6.6</nr><titel>Aanwezigheid van ontruimingsalarminstallaties</titel></kop><al>(vervallen).</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.6.7</nr><titel>Kwaliteit van ontruimingsinstallaties</titel></kop><al>(vervallen).</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.6.8</nr><titel>Beginsel inzake vluchtrouteaanduidingen</titel></kop><al>(vervallen).</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.6.9</nr><titel>Aanwezigheid van vluchtrouteaanduidingen</titel></kop><al>(vervallen).</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.6.10</nr><titel>Kwaliteit van vluchtrouteaanduidingen</titel></kop><al>(vervallen).</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.6.11</nr><titel>Gelijkwaardigheid</titel></kop><al>(vervallen).</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.6.12</nr><titel>Communicatiesysteem voor publieke
                                    hulpverleningsdiensten</titel></kop><al>(vervallen).</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr status="officieel">7</nr><titel status="officieel">Aansluitplicht op de nutsvoorzieningen</titel></kop><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">2.7.1</nr><titel status="officieel">Eis tot aansluiting aan de
                                    waterleiding</titel></kop><al>De in artikel 3.119 van het Bouwbesluit bedoelde, in bouwwerken aan
                                te brengen voorzieningen voor drinkwater moeten zijn aangesloten aan
                                het distributienet van de openbare waterleiding:</al><lijst><li nr="a."><al>indien het bouwwerk op ten hoogste 50 m afstand van de
                                        dichtst bij zijnde leiding van het distributienet is
                                        gelegen; of</al></li><li nr="b."><al>indien het bouwwerk op een grotere afstand dan 50 m van de
                                        dichtst bij zijnde leiding van het distributienet is
                                        gelegen, maar de kosten van aansluiting voor het
                                        desbetreffende bouwwerk niet hoger zijn dan bij een afstand
                                        van 50 m.</al></li></lijst></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">2.7.2</nr><titel status="officieel">Eis tot aansluiting aan het
                                    elektriciteitsnet</titel></kop><al>De in artikel 2.46 van het Bouwbesluit bedoelde, in bouwwerken aan
                                te brengen elektriciteitsvoorziening moet zijn aangesloten aan het
                                openbare distributienet voor elektriciteit:</al><lijst><li nr="a."><al>indien het bouwwerk op ten hoogste 100 m afstand van de
                                        dichtst bij zijnde leiding van dat distributienet is
                                        gelegen; of</al></li><li nr="b."><al>indien het bouwwerk op grotere afstand is gelegen van de
                                        leiding van het elektriciteitsdistributienet dan onder a
                                        bedoeld, maar de kosten van aansluiting voor het
                                        desbetreffende bouwwerk niet hoger zijn dan bij een afstand
                                        van 100 m.</al></li></lijst></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">2.7.3</nr><titel status="officieel">Eis tot aansluiting aan het
                                    aardgasnet</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De
                                    in artikel 2.68 van het Bouwbesluit bedoelde, in bouwwerken aan
                                    te brengen gasvoorziening moet zijn aangesloten aan het openbare
                                    distributienet voor aardgas:</al><lijst><li nr="a."><al>indien het bouwwerk op ten hoogste 40 m afstand van de
                                            dichtst bij zijnde leiding van dat distributienet is
                                            gelegen; of</al></li><li nr="b."><al>indien het bouwwerk op grotere afstand is gelegen van de
                                            leiding van het aardgasdistributienet dan onder a
                                            bedoeld, maar de kosten van aansluiting voor het
                                            desbetreffende bouwwerk niet hoger zijn dan bij een
                                            afstand van 40 m.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr></lidnr><al>Niet van toepassing is het bepaalde in dit lid op woningen,
                                    waarin voor het kunnen koken een andere energiebron dan gas
                                    aanwezig is en voor verwarming geen individuele aansluiting van
                                    gastoevoer nodig is.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het
                                    bevoegd
                                    gezag
                                    kan
                                    de
                                    omgevingsvergunning
                                    verlenen
                                    in
                                    afwijking
                                    van het bepaalde in het eerste
                                    lid:</al><lijst><li nr="a."><al>voor woningen met een gebruiksoppervlakte van meer dan
                                            500 m<sup>2</sup>;</al></li><li nr="b."><al>voor woningen die niet bestemd zijn om te worden
                                            verhuurd;</al></li><li nr="c."><al>voor woningen met een aansluiting op een
                                            gemeenschappelijke of publieke voorziening voor
                                            verwarming, als bedoeld in artikel 2.69 van het
                                            Bouwbesluit (warmtedistributienet).</al></li></lijst></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">2.7.3A</nr><titel status="officieel">Eis tot aansluiting aan de publieke
                                    voorziening voor verwarming</titel></kop><al>Indien in een deel van de gemeente een publieke voorziening voor
                                verwarming van bouwwerken, als bedoeld in artikel 2.69 van het
                                Bouwbesluit (warmtedistributienet), aanwezig is, moet een aldaar te
                                bouwen bouwwerk zijn aangesloten op die publieke voorziening:</al><lijst><li nr="a."><al>indien het bouwwerk op ten hoogste 40 m afstand van de
                                        dichtstbijzijnde leiding van die publieke voorziening is
                                        gelegen, of</al></li><li nr="b."><al>indien het bouwwerk op grotere afstand is gelegen van de
                                        leiding van de publieke voorziening dan onder a bedoeld,
                                        maar de kosten van aansluitingvoor het desbetreffende
                                        bouwwerk niet hoger zijn dan bij een afstand van 40 m.</al></li></lijst></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">2.7.4</nr><titel status="officieel">Eis tot aansluiting aan de openbare
                                    riolering</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De
                                    in artikel 3.31 van het Bouwbesluit bedoelde, in bouwwerken aan
                                    te brengen voorzieningen voor de afvoer van afvalwater en
                                    faecaliën, alsmede de in artikel 3.41 van het Bouwbesluit
                                    bedoelde, aan of in bouwwerken aan te brengen voorzieningen voor
                                    de afvoer van hemelwater moeten zijn aangesloten aan een
                                    openbaar riool.</al></lid><lid><lidnr></lidnr><al>Niet van toepassing is het bepaalde in dit lid:</al><lijst><li nr="a."><al>in
                                            delen van de gemeente waarin geen openbare riolering
                                            aanwezig is;</al></li></lijst><lijst><li nr="b."><al>voor
                                            zover uitsluitend hemelwater wordt
                                            geloosd.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Op
                                    aanwijzing van het bouwtoezicht wordt
                                    bepaald:</al><lijst><li nr="a."><al>op welke plaats, op welke hoogte en met welke
                                            binnenmiddellijn de voor het maken van de aansluiting
                                            noodzakelijke leiding of leidingen de gevel van het
                                            gebouw dan wel de grens van het erf of terrein moet of
                                            moeten kruisen </al></li><li nr="b."><al>of er al dan niet voorzieningen in die aansluitleiding
                                            moeten worden tussengeschakeld ter voorkoming van het
                                            terugvloeien van afvalwater, faecaliën en hemelwater,
                                            ingeval de leiding te laag gelegen is om op natuurlijke
                                            wijze op het openbaar riool te lozen. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Op
                                    aanwijzing van het bevoegd gezag krachtens de Wet milieubeheer
                                    moet worden bepaald of er al dan niet voorzieningen in de
                                    bedoelde aansluitleiding moeten worden tussengeschakeld ter
                                    verzekering van de goede werking of de goede staat van het
                                    openbaar riool, dan wel ter voorkoming van hinder voor andere
                                    aangeslotenen aan het openbaar riool, ingeval de hoeveelheid of
                                    de aard van de af te voeren stoffen daartoe aanleiding
                                    geeft.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het
                                    bevoegd
                                    gezag
                                    kan
                                    de
                                    omgevingsvergunning
                                    verlenen
                                    in
                                    afwijking
                                    van het bepaalde in het eerste lid, indien afvoer op een andere
                                    wijze zonder verontreiniging van water, bodem of lucht mogelijk
                                    is:</al><lijst><li nr="a."><al>voor bouwwerken die op een grotere afstand dan 40 m van
                                            een openbaar riool zijn gelegen;</al></li><li nr="b."><al>voor agrarische bedrijven.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">2.7.5</nr><titel status="officieel">Aansluiting anders dan aan de openbare
                                    riolering</titel></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Indien de in artikel 3.31 van het Bouwbesluit bedoelde, in
                                    bouwwerken aan te brengen voorzieningen voor de afvoer van
                                    afvalwater en faecaliën, alsmede de in artikel 3.41 van het
                                    Bouwbesluit bedoelde, aan of in bouwwerken aan te brengen
                                    voorzieningen voor de afvoer van hemelwater niet aan een
                                    openbaar riool worden aangesloten, gelden de volgende
                                    bepalingen:</al><lijst><li nr="a."><al>leidingen
                                            voor faecaliën, afkomstig uit toiletten met
                                            waterspoeling, moeten lozen op een rottingput met
                                            overstort;</al></li></lijst><lijst><li nr="b."><al>leidingen
                                            voor faecaliën, afkomstig uit toiletten zonder
                                            waterspoeling, moeten lozen op een
                                            mestkelder of een
                                            beerput
                                            zonder overstort, een gierput of een rottingput met
                                            overstort;</al></li></lijst><lijst><li nr="c."><al>leidingen
                                            voor de afvoer van hemelwater en voor de afvoer van
                                            afvalwater zonder faecaliën, alsmede overstorten van
                                            rottingputten moeten zodanig lozen dat geen
                                            verontreiniging van water, bodem of lucht kan
                                            optreden;</al></li></lijst><lijst><li nr="d."><al>leidingen
                                            voor de afvoer van hemelwater en voor de afvoer van
                                            afvalwater zonder faecaliën mogen niet lozen op een
                                            rottingput.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in
                                    afwijking van het bepaalde in het eerste lid, onder a en b,
                                    indien afvoer op andere wijze zonder verontreiniging van water,
                                    bodem en lucht mogelijk is.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">2.7.6</nr><titel status="officieel">Kwaliteit en dimensionering van de
                                    buitenriolering op erven en terreinen</titel></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Ondergrondse doorvoeringen van leidingen door uitwendige
                                    scheidingsconstructies van bouwwerken moeten zoveel mogelijk
                                    haaks plaatsvinden. De doorvoeringen moeten waterdicht zijn
                                    aangewerkt.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>De aansluiting van de in het eerste lid bedoelde leidingen aan
                                    leidingen van de buitenriolering moet zodanig zijn dat de
                                    dichtheid van de aansluiting gehandhaafd blijft bij enige
                                    zetting van het bouwwerk of de buitenriolering.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>In leidingen, gelegen tussen de gevel van een gebouw en de
                                    aansluiting aan een openbaar riool, mogen geen beerputten of
                                    rottingputten voorkomen.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">4.</lidnr><al>Leidingen van de buitenriolering op erven en terreinen mogen
                                    geen vernauwingen in de stroomrichting bevatten en moeten een
                                    vloeiend beloop hebben, alsmede een voldoende lucht- en
                                    waterdichtheid en een voldoende binnenwerkse middellijn. Aan
                                    beide laatstgenoemde eisen wordt geacht te zijn voldaan, indien
                                    wordt voldaan aan het bepaalde in NEN 3215, uitgave 2007.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">5.</lidnr><al>Onverminderd het bepaalde in het vierde lid, moet een leiding
                                    voor de afvoer van afvalwater, faecaliën en hemelwater ter
                                    plaatse waar zij de grens van de weg kruist, een binnenwerkse
                                    middellijn hebben van ten minste 125 mm. </al></lid><lid><lidnr status="officieel">6.</lidnr><al>Het materiaal, de sterkte en de vorm van buizen en hulpstukken
                                    van leidingen van de buitenriolering op erven en terreinen
                                    moeten doeltreffend zijn. Aan deze eis wordt geacht te zijn
                                    voldaan, indien wordt voldaan aan het bepaalde in de NEN-normen
                                    die zijn opgenomen in bijlage 7.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">2.7.7</nr><titel status="officieel">Wijze van meten van de afstand tot de
                                    leidingen van het openbare net van de nutsvoorzieningen</titel></kop><al>De in de artikelen 2.7.1, 2.7.2, 2.7.3 en 2.7.4 bedoelde afstand
                                moet worden gemeten langs de kortste lijn waarlangs een aansluiting
                                zonder bezwaren kan worden gemaakt en tot het deel van het bouwwerk
                                dat zich het dichtst bij een leiding van het distributienet bevindt.
                                Hierbij moeten bouwwerken die zich te samen op één erf of terrein
                                bevinden, als één bouwwerk worden beschouwd.</al></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr status="officieel">3</nr><titel status="officieel">De melding</titel></kop><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">3.1</nr><titel status="officieel">De wijze van melden</titel></kop><al>Vervallen.</al></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">3.2</nr><titel status="officieel">Welstandscriteria</titel></kop><al>Vervallen.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr status="officieel">4</nr><titel status="officieel">Plichten tijdens en bij voltooiing van de bouw en
                            bij ingebruikneming van een bouwwerk</titel></kop><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">4.1</nr><titel status="officieel">Intrekking bouwvergunning bij niet-tijdige
                                start of tussentijdse staking van bouwwerkzaamheden</titel></kop><al>(vervallen).</al></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">4.2</nr><titel status="officieel">Op het bouwterrein verplicht aanwezige
                                bescheiden</titel></kop><al>Op het bouwterrein moeten, voor zover van toepassing op het bouwwerk,
                            aanwezig zijn en op verzoek aan het bouwtoezicht ter inzage worden
                            gegeven:</al><lijst><li nr="a."><al>de omgevingsvergunning voor het bouwen;</al></li><li nr="b."><al>andere toestemmingen;</al></li><li nr="c."><al>het bouwveiligheidsplan;</al></li><li nr="d."><al>een besluit ingevolge artikel 13, 13a en 14, tweede lid, sub b
                                    van de Woningwet, dan wel een besluit tot toepassing van
                                    bestuursdwang of oplegging van een last onder dwangsom.</al></li></lijst></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">4.3</nr><titel status="officieel">Wijzigingen in gegevens
                                bouwregistratie</titel></kop><al></al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel status="officieel">Vervallen.</titel></kop><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">4.4</nr><titel status="officieel">Het uitzetten van de bouw</titel></kop><al>Met het bouwen van een bouwwerk waarvoor een omgevingsvergunning voor
                            het bouwen is verleend mag - onverminderd het in de voorwaarden van de
                            omgevingsvergunning voor het bouwen bepaalde - niet worden begonnen
                            alvorens door of namens het bevoegd gezag voor zover nodig:</al><lijst><li nr="a."><al>het straatpeil is aangegeven;</al></li><li nr="b."><al>de rooilijnen en/of bebouwingsgrenzen op het bouwterrein zijn
                                    uitgezet;</al></li><li nr="c."><al>het vloerpeil is aangegeven.</al></li></lijst></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">4.5</nr><titel status="officieel">Kennisgeving aan het bouwtoezicht van start
                                van (onderdelen van) de bouwwerkzaamheden</titel></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Het bouwtoezicht dient - voor zover het betreft bouwwerken waarvoor
                                een omgevingsvergunning voor het bouwen is verleend en onverminderd
                                het bepaalde in de voorwaarden van de omgevingsvergunning voor het
                                bouwen - ten minste twee dagen voor de aanvang van elk der hierna te
                                noemen onderdelen van het bouwproces in kennis te worden
                                gesteld:</al><lijst><li nr="a."><al>de aanvang der werkzaamheden, ontgravingswerkzaamheden
                                        daaronder begrepen;</al></li><li nr="b."><al>de aanvang van het inbrengen van de funderingspalen, het
                                        slaan van proefpalen daaronder begrepen;</al></li><li nr="c."><al>de aanvang van de grondverbeteringswerkzaamheden.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Het bouwtoezicht dient ten minste één dag van tevoren in kennis te
                                worden gesteld van het storten van beton.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>De in het eerste en tweede lid bedoelde kennisgevingen moeten,
                                indien het bouwtoezicht dit verlangt, schriftelijk geschieden.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">4.6</nr><titel status="officieel">Opmetingen, ontgravingen, opbrekingen en
                                onderzoekingen</titel></kop><al>Zolang de bouwwerkzaamheden niet zijn voltooid moeten alle opmetingen,
                            ontgravingen, opbrekingen en onderzoeken worden verricht, welke het
                            bouwtoezicht in het kader van de controle op de naleving van deze
                            verordening en van het Bouwbesluit nodig acht.</al></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">4.7</nr><titel status="officieel">Bemalen van bouwputten</titel></kop><al>Bij het bemalen van bouwputten, leidingsleuven en andere tijdelijke
                            ontgravingen ten behoeve van bouwwerkzaamheden mag niet op een zodanige
                            wijze water aan de bodem worden onttrokken, dat een verlaging van de
                            grondwaterstand in de omgeving plaatsvindt, waardoor funderingen van
                            naburige bouwwerken kunnen worden aangetast op een wijze die de
                            veiligheid van die bouwwerken schaadt.</al></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">4.8</nr><titel status="officieel">Veiligheid op het bouwterrein</titel></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Het bouwen en het verrichten van alles wat daarmee in verband staat,
                                moet geschieden op veilige wijze, onder meer zodanig dat de nodige
                                veiligheidsmaatregelen zijn genomen ten behoeve van de weg en de in
                                de weg gelegen werken en de weggebruikers en ten behoeve van
                                naburige bouwwerken, open erven en terreinen en hun gebruikers.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Op een terrein, waarop een bouw- of grondwerk wordt uitgevoerd
                                moeten, wanneer er niet wordt gewerkt - rustpauzen tijdens de
                                dagelijkse werktijd niet inbegrepen: </al><lijst><li nr="a."><al>de
                                        tijdelijke elektrische installaties ten behoeve van de
                                        uitvoering van het bouw- en grondwerk, in hun geheel op
                                        zodanige wijze zijn uitgeschakeld, dat het weer in gebruik
                                        stellen van de installaties door anderen dan daartoe
                                        bevoegde personen niet zonder meer mogelijk
                                        is;</al></li></lijst><lijst><li nr="b."><al>machines
                                        en werktuigen worden achtergelaten in een zodanige toestand,
                                        dat deze, dan wel mechanismen daarvan, niet zonder meer door
                                        anderen dan de daartoe bevoegde personen in werking kunnen
                                        worden gesteld;</al></li></lijst></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>Het tweede lid is niet van toepassing op de voeding van een
                                elektrische verlichtingsinstallatie of van één of meer elektrisch
                                aangedreven bemalingspompen, indien de omstandigheden vereisen dat
                                de voeding niet wordt onderbroken en de veiligheid voldoende is
                                gewaarborgd.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">4.</lidnr><al>Het is verboden stempels, schoren, kruisen of zwiepingen weg te
                                nemen of andere veiligheidsmaatregelen op te heffen zolang zij uit
                                veiligheidsoogpunt nodig zijn.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">4.9</nr><titel status="officieel">Afscheiding van het bouwterrein</titel></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Het terrein waarop wordt gebouwd, grond wordt ontgraven of
                                dergelijke werkzaamheden worden verricht, moet door een
                                doeltreffende afscheiding van de weg en van het aangrenzende open
                                erf of terrein zijn afgescheiden indien gevaar of hinder te duchten
                                is. </al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>De in het eerste lid bedoelde afscheiding moet zodanig zijn
                                geplaatst en ingericht, dat het verkeer zo min mogelijk hinder ervan
                                ondervindt en de toegang tot brandkranen en andere openbare
                                voorzieningen, zoals leidingen, er niet door wordt belemmerd.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>Een terrein, waarop een bouw- of grondwerk wordt uitgevoerd en dat
                                niet van de weg en van het aangrenzende open erf of terrein is
                                afgescheiden, moet, wanneer er niet wordt gewerkt, worden bewaakt,
                                tenzij het bouwtoezicht dit niet nodig acht.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">4.10</nr><titel status="officieel">Veiligheid van hulpmiddelen en het voorkomen
                                van hinder</titel></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Afscheidingen, steigers, ladders, heistellingen,
                                transportinrichtingen en ander hulpmateriaal moeten, wat kwaliteit
                                en samenstelling betreft, voldoen aan de eis van goed en veilig werk
                                en in goede staat van onderhoud verkeren.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Het is verboden bij de uitvoering van een bouw- of grondwerk een
                                werktuig of een stof te gebruiken, indien daardoor gevaar voor de
                                omgeving optreedt.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>Het bevoegd gezag kan het gebruik van een werktuig, dat schade of
                                ernstige hinder voor de omgeving veroorzaakt of kan veroorzaken,
                                verbieden.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">4.</lidnr><al>Het bevoegd gezag kan voorschrijven, dat voor een op een werk te
                                gebruiken krachtwerktuig:</al><lijst><li nr="a."><al>uitsluitend
                                        een bepaalde brandstof wordt gebezigd,
                                        en/of</al></li></lijst><lijst><li nr="b."><al>de
                                        aandrijving elektrisch geschiedt,
                                        en/of</al></li></lijst><lijst><li nr="c."><al>het
                                        werktuig gedurende bepaalde delen van een etmaal niet mag
                                        worden gebruikt.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr status="officieel">5.</lidnr><al>Het bepaalde in het tweede, derde en vierde lid is niet van
                                toepassing indien en voor zover het betreft nadelige gevolgen voor
                                het milieu waarop de Wet milieubeheer of enige in deze wet genoemde
                                milieuwet van toepassing is.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">4.11</nr><titel status="officieel">Bouwafval</titel></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Het bouwafval moet op de bouwplaats ten minste worden gescheiden in
                                de volgende fracties:</al><lijst><li nr="a."><al>de
                                        als gevaarlijk aangeduide afvalstoffen van hoofdstuk 17 de
                                        Afvalstoffenlijst behorende bij de Regeling Europese
                                        afvalstoffenlijst (EURAL; Stcr. 17 augustus 2001, nr. 158,
                                        blz. 9);</al></li></lijst><lijst><li nr="b."><al>steenwol, mits dit meer dan 1 m<sup>3</sup> per bouwproject
                                        bedraagt;</al></li></lijst><lijst><li nr="c."><al>glaswol, mits dit meer dan 1 m<sup>3</sup> per bouwproject
                                        bedraagt;</al></li></lijst><lijst><li nr="d."><al>overig
                                        afval.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Overig afval, zoals bedoeld in het voorgaande lid onder d, en de
                                fracties, bedoeld in het voorgaande lid onder a, b en c, moeten op
                                de bouwplaats gescheiden worden gehouden. Overig afval dat uit één
                                afvalstof bestaat, evenals de fracties bedoeld in het voorgaande lid
                                onder a, b en c, moeten worden afgevoerd naar een
                                bewerkingsinrichting of verwerkingsinrichting, dan wel een
                                inzamelaar die bevoegd is deze afvalstoffen te ontvangen.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>Indien de totale hoeveelheid bouwafval die vrijkomt bij een
                                bouwproject minder bedraagt dan de inhoud van één container van 10
                                m<sup>3</sup>, mag degene die bedrijfsmatig bouwwerkzaamheden
                                verricht dit bouwafval meenemen naar zijn bedrijf voor tijdelijke
                                opslag.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">4.12</nr><titel status="officieel">Gereedmelding van (onderdelen van) de
                                bouwwerkzaamheden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Van
                                het gereedkomen:</al><lijst><li nr="a."><al>van
                                        putten en van grond- en huisaansluitleidingen van de
                                        riolering, alsmede van leidingdoorvoeren en mantelbuizen
                                        door wanden en vloeren beneden
                                        straatpeil;</al></li></lijst><lijst><li nr="b."><al>van
                                        de thermische isolatie in de spouw van wanden, alsmede van
                                        de thermische isolatie in andere besloten
                                        constructies</al></li></lijst></lid><lid><lidnr></lidnr><al>moet het bouwtoezicht onmiddellijk na de voltooiing van de onder a
                                en b bedoelde werkzaamheden in kennis worden gesteld.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onderdelen
                                van het bouwwerk, waarop het eerste lid betrekking heeft, mogen niet
                                zonder toestemming van het bouwtoezicht aan het oog worden
                                onttrokken gedurende twee dagen na het tijdstip van
                                kennisgeving.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het
                                bepaalde in het tweede lid is van overeenkomstige toepassing op die
                                onderdelen van het bouwwerk, waarvoor in de aan de
                                omgevingsvergunning voor het
                                bouwen
                                verbonden voorwaarden een plicht tot kennisgeving van voltooiing is
                                bepaald.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Uiterlijk
                                op de dag van beëindiging van de werkzaamheden, waarop de
                                omgevingsvergunning voor het
                                bouwen
                                betrekking heeft, wordt het einde van die werkzaamheden bij het
                                bouwtoezicht gemeld.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De
                                in dit artikel bedoelde kennisgevingen moeten, indien het
                                bouwtoezicht dit verlangt, schriftelijk
                                geschieden.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">4.13</nr><titel status="officieel">Melden van werken bij lage
                                temperaturen</titel></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Indien bij temperaturen beneden 2 graden Celsius beton-, metsel- of
                                buitenpleisterwerk wordt uitgevoerd, moet het bouwtoezicht ten
                                minste twee dagen vóór het begin van het desbetreffende werk in
                                kennis worden gesteld van de te treffen maatregelen ten behoeve
                                van:</al><lijst><li nr="a."><al>het
                                        niet verwerken van bevroren
                                        materialen;</al></li></lijst><lijst><li nr="b."><al>het
                                        verkrijgen van een goede binding en
                                        verharding;</al></li></lijst><lijst><li nr="c."><al>de
                                        bescherming van het desbetreffende werk na de voltooiing
                                        tegen vorstschade, zolang het nog onvoldoende is verhard of
                                        de temperatuur nog beneden 2 graden Celsius
                                        is.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>De in het eerste lid bedoelde kennisgevingen moeten, indien het
                                bouwtoezicht dit verlangt, schriftelijk plaatsvinden.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">4.14</nr><titel status="officieel">Verbod tot ingebruikneming</titel></kop><al>Het is verboden na de bouw van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een
                            omgevingsvergunning is verleend, het bouwwerk in gebruik te geven of te
                            nemen, indien het bouwwerk niet gereed is gemeld bij het
                            bouwtoezicht.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr status="officieel">5</nr><titel status="officieel">Staat van open erven en terreinen, aansluiting op
                            de nutsvoorzieningen en het weren van schadelijk en hinderlijk
                            gedierte</titel></kop><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr status="officieel">1</nr><titel status="officieel">Staat van open erven en terreinen</titel></kop><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">5.1.1</nr><titel status="officieel">Staat van onderhoud van open erven en
                                    terreinen</titel></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Open erven en terreinen moeten zich in een, in verband met hun
                                    bestemming, voldoende staat van onderhoud bevinden.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Open erven en terreinen mogen geen gevaar kunnen opleveren voor
                                    de veiligheid, noch nadeel voor de gezondheid van of hinder voor
                                    de gebruikers of anderen, ten gevolge van:</al><lijst><li nr="a."><al>drassigheid;</al></li><li nr="b."><al>stank;</al></li><li nr="c."><al>verontreiniging;</al></li><li nr="d."><al>aanwezigheid van schadelijk of hinderlijk gedierte;</al></li><li nr="e."><al>aanwezigheid van begroeiing.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">5.1.2</nr><titel status="officieel">Bereikbaarheid van gebouwen voor
                                    wegverkeer. Brandblusvoorzieningen</titel></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Indien de toegang van een gebouw meer dan 10 meter is verwijderd
                                    van een openbare weg, moet een verbindingsweg tussen die toegang
                                    en het openbare wegennet aanwezig zijn die geschikt is voor
                                    verhuisauto’s, vuilnisauto’s, ziekenauto’s, brandweerauto’s en
                                    het overige te verwachten verkeer, tenzij de aard, de ligging en
                                    het gebruik van het gebouw zulks niet vereisen.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Een geschikte verbindingsweg in de zin van het eerste lid moet,
                                    tenzij de gemeenteraad voor de desbetreffende weg in een
                                    bestemmingsplan of in een verordening voorschriften heeft
                                    vastgesteld:</al><lijst><li nr="a."><al>een
                                            breedte hebben van ten minste 4,5 m, over een breedte
                                            van ten minste 3,25 m zijn verhard en een vrije hoogte
                                            boven de kruin van de weg hebben van ten minste 4,2
                                            m;</al></li></lijst><lijst><li nr="b."><al>zijn
                                            verhard op een wijze die geschikt is voor
                                            motorvoertuigen met een massa van ten minste 14.600 kg,
                                            zijn voorzien van de nodige kunstwerken en zijn voorzien
                                            van bochten met een binnenbochtstraal van ten hoogste
                                            5,50 m en een buitenbochtstraal van ten minste 10 m;
                                            en</al></li></lijst><lijst><li nr="c."><al>op
                                            doeltreffende wijze kunnen
                                            afwateren.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>Het
                                    bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op een
                                    bijgebouw voor het bouwen waarvan op grond van artikel 2,
                                    onderdeel 3, of artikel 3, onderdeel 1, van bijlage II bij het
                                    Besluit omgevingsrecht geen vergunning is vereist, voor zover
                                    dat bijgebouw niet tot bewoning bestemd is, maar wel tot een
                                    hoofdgebouw behoort dat op hetzelfde terrein is gelegen.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">4.</lidnr><al>Nabij ieder gebouw moeten zodanige opstelplaatsen voor
                                    brandweerauto’s aanwezig zijn, dat een doeltreffende verbinding
                                    tussen die auto’s en de bluswatervoorziening kan worden gelegd,
                                    tenzij de aard, de ligging en het gebruik van het gebouw zulks
                                    niet vereisen.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">5.</lidnr><al>Bij afwezigheid van een toereikende primaire openbare
                                    bluswatervoorziening als bedoeld in paragraaf 1 van hoofdstuk 2
                                    uit de publicatie “Handleiding Bluswatervoorziening en
                                    bereikbaarheid” van de Nederlandse Vereniging voor Brandweerzorg
                                    en Rampenbestrijding, moet worden zorggedragen voor een
                                    doeltreffende niet-openbare bluswatervoorziening.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">5.1.3</nr><titel status="officieel">Bereikbaarheid van gebouwen voor
                                    gehandicapten</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Tussen
                                    de toegang van enerzijds:</al><lijst><li nr="a."><al>een woning of een woongebouw, als bedoeld in artikel 4.3
                                            van het Bouwbesluit; </al></li><li nr="b."><al>een gebouw met een al dan niet gemeenschappelijke
                                            toegankelijkheidssector, als bedoeld in artikel 4.3 van
                                            het Bouwbesluit;</al></li></lijst></lid><lid><lidnr></lidnr><al>en anderzijds de openbare weg moet een mede voor gehandicapten
                                    begaanbare weg of begaanbaar pad aanwezig zijn.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voor
                                    de in het eerste lid bedoelde wegen en paden geldt dat zij:</al><lijst><li nr="a."><al>ten
                                            minste 1,10 m breed moeten zijn;
                                            en</al></li></lijst><lijst><li nr="b."><al>geen kleinere vrije doorgang mogen hebben dan 0,85 m;
                                            en</al></li><li nr="c."><al>ten hoogste een hoogteverschil mogen overbruggen van
                                            0,02 m, tenzij dit plaatsvindt door middel van een
                                            hellingbaan die voldoet aan het bepaalde in de artikelen
                                            2.39 en 2.40 van het Bouwbesluit.’</al></li></lijst></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf 2 Staat van brandveiligheidinstallaties en vluchtrouteaanduidingen</label></kop><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">5.2.1</nr><titel status="officieel">Voorschriften inzake
                                    brandveiligheidsinstallaties en vluchtrouteaanduidingen</titel></kop><al>Vervallen.</al></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">5.2.2</nr><titel status="officieel">Aanwezigheid van
                                    brandveiligheidsinstallaties in gebouwen, niet zijnde woningen,
                                    woongebouwen, logiesverblijven, logiesgebouwen of
                                    kantoorgebouwen</titel></kop><al>Vervallen.</al></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">5.2.3</nr><titel status="officieel">Aanwezigheid van
                                    brandveiligheidsinstallaties in woongebouwen van bijzondere
                                    aard</titel></kop><al>Vervallen.</al></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">5.2.4</nr><titel status="officieel">Aanwezigheid van
                                    brandveiligheidsinstallaties in logiesverblijven en
                                    logiesgebouwen</titel></kop><al>Vervallen.</al></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">5.2.5</nr><titel status="officieel">Aanwezigheid van
                                    brandveiligheidsinstallaties in kantoorgebouwen</titel></kop><al>Vervallen.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr status="officieel">3</nr><titel status="officieel">Eis tot aansluiting aan de
                                waterleiding</titel></kop><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">5.3.1</nr><titel status="officieel">Eis tot aansluiting aan de
                                    waterleiding</titel></kop><al>De in de artikelen 3.123 en 3.124 van het Bouwbesluit bedoelde, in
                                bouwwerken aanwezige voorzieningen voor drinkwater moeten zijn
                                aangesloten aan het distributienet van de openbare
                                waterleiding:</al><lijst><li nr="a."><al>indien het bouwwerk op ten hoogste 50 m afstand van de
                                        dichtst bij zijnde leiding van het distributienet is
                                        gelegen; of</al></li><li nr="b."><al>indien het bouwwerk op een grotere afstand dan 50 m van de
                                        dichtst bij zijnde leiding van het distributienet is
                                        gelegen, maar de kosten van aansluiting voor het
                                        desbetreffende bouwwerk niet hoger zijn dan bij een afstand
                                        van 50 m. </al></li></lijst></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">5.3.2</nr><titel status="officieel">Eis tot aansluiting aan het
                                    elektriciteitsnet</titel></kop><al>De in artikel 2.52 van het Bouwbesluit bedoelde, in bouwwerken
                                aanwezige elektriciteitsvoorziening moet zijn aangesloten aan het
                                openbare-distributienet voor elektriciteit:</al><lijst><li nr="a."><al>indien het bouwwerk op ten hoogste 100 m afstand van de
                                        dichtst bij zijnde leiding van dat distributienet is
                                        gelegen; of</al></li><li nr="b."><al>indien het bouwwerk op grotere afstand is gelegen van de
                                        leiding van het elektriciteitsdistributienet dan onder a
                                        bedoeld, maar de kosten van aansluiting voor het
                                        desbetreffende bouwwerk niet hoger zijn dan bij een afstand
                                        van 100 m.</al></li></lijst></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">5.3.3</nr><titel status="officieel">Eis tot aansluiting aan het
                                    aardgasnet</titel></kop><al>De in artikel 2.72 van het Bouwbesluit bedoelde, in bouwwerken
                                aanwezige gasvoorziening moet zijn aangesloten aan het
                                openbare-distributienet voor aardgas:</al><lijst><li nr="a."><al>indien het bouwwerk op ten hoogste 40 m afstand van de
                                        dichtst bij zijnde leiding van dat distributienet is
                                        gelegen; of</al></li><li nr="b."><al>indien het bouwwerk op grotere afstand is gelegen van de
                                        leiding van het aardgasdistributienet dan onder a bedoeld,
                                        maar de kosten van aansluiting voor het desbetreffende
                                        bouwwerk niet hoger zijn dan bij een afstand van 40 m.</al></li></lijst><al>Niet van toepassing is voorgaande eis op:</al><lijst><li nr="a."><al>woningen, waarin voor het kunnen koken een andere
                                        energiebron dan gas aanwezig is en voor verwarming geen
                                        individuele aansluiting van gastoevoer nodig is;</al></li><li nr="b."><al>woningen met een gebruiksoppervlakte van meer dan 500
                                        m<sup>2</sup>;</al></li><li nr="c."><al>woningen die niet worden verhuurd;</al></li><li nr="d."><al>woningen met een aansluiting op het
                                        stadsverwarmingsnet.</al></li></lijst></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">5.3.4</nr><titel status="officieel">Eis tot aansluiting aan de openbare
                                    riolering</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De
                                    in artikel 3.36 van het Bouwbesluit bedoelde, in bouwwerken
                                    aanwezige voorzieningen voor de afvoer van afvalwater en
                                    faecaliën, alsmede de eventueel in of aan bouwwerken aanwezige
                                    voorzieningen voor de afvoer van hemelwater moeten, onverminderd
                                    het bedoelde in artikel 5.3.6, op een doeltreffende zijn
                                    aangesloten aan een openbaar
                                    riool.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Niet
                                    van toepassing is het gestelde in het eerste
                                    lid:</al><lijst><li nr="a."><al>in
                                            delen van de gemeente waarin geen openbare riolering
                                            aanwezig is;</al></li></lijst><lijst><li nr="b."><al>op
                                            bouwwerken die op een grotere afstand dan 40 m van een
                                            openbaar riool zijn
                                            gelegen;</al></li></lijst><lijst><li nr="c."><al>voor
                                            zover uitsluitend hemelwater wordt
                                            geloosd;</al></li></lijst><lijst><li nr="d."><al>op
                                            agrarische bedrijven waarin de faecaliën voor
                                            bedrijfsdoeleinden worden gebruikt en een daartoe
                                            voldoende ruime mestkelder,
                                            gier-
                                            of beerput aanwezig is.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">5.3.5</nr><titel status="officieel">Aansluiting anders dan aan de openbare
                                    riolering</titel></kop><al>Indien het gestelde in artikel 5.3.4, tweede lid, van toepassing is,
                                gelden de volgende bepalingen:</al><lijst><li nr="a."><al>voor de opvang van faecaliën, afkomstig uit toiletten met
                                        waterspoeling, moet een doeltreffende rottingput met een
                                        doeltreffende aansluitleiding naar die toiletten aanwezig
                                        zijn, tenzij de faecaliën voor agrarische bedrijfsdoeleinden
                                        worden gebruikt;</al></li><li nr="b."><al>voor de opvang van faecaliën, afkomstig uit toiletten zonder
                                        waterspoeling, moeten een doeltreffende beerput zonder
                                        overstort, een doeltreffende gierput of een doeltreffende
                                        rottingput met overstort aanwezig zijn, alsmede een
                                        doeltreffende aansluitleiding tussen die toiletten en de
                                        genoemde put, tenzij op andere zodanige wijze wordt geloosd
                                        dat geen verontreiniging van water, bodem of lucht kan
                                        optreden;</al></li><li nr="c."><al>leidingen voor de afvoer van hemelwater en voor de afvoer
                                        van afvalwater zonder faecaliën, alsmede overstorten van
                                        rottingputten moeten zodanig lozen dat geen verontreiniging
                                        van water, bodem of lucht kan optreden;</al></li><li nr="d."><al>leidingen voor de afvoer van hemelwater en voor de afvoer
                                        van afvalwater zonder faecaliën mogen niet lozen op een
                                        rottingput.</al></li></lijst></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">5.3.6</nr><titel status="officieel">Kwaliteit en dimensionering van de
                                    buitenriolering op erven en terreinen</titel></kop><al>Artikel 2.7.6 en de bijbehorende bijlage 7 zijn van overeenkomstige
                                toepassing.</al></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">5.3.7</nr><titel status="officieel">Wijze van meten van de afstand tot de
                                    leidingen van het openbare net van de nutsvoorzieningen</titel></kop><al>De in de artikelen 5.3.1, 5.3.2, 5.3.3 en 5.3.4 bedoelde afstand
                                moet worden gemeten langs de kortste lijn waarlangs een aansluiting
                                zonder bezwaren kan worden gemaakt en tot het deel van het bouwwerk
                                dat zich het dichtst bij een leiding van het distributienet bevindt.
                                Hierbij moeten bouwwerken die zich tezamen op één erf of terrein
                                bevinden, als één bouwwerk worden beschouwd.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr status="officieel">4</nr><titel status="officieel">Het weren van schadelijk of hinderlijk
                                gedierte. reinheid</titel></kop><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">5.4.1</nr><titel status="officieel">Preventie</titel></kop><al>Het normale onderhoud van een bouwwerk dient zodanig te geschieden
                                dat het bouwwerk zich in zindelijke staat bevindt.</al></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr status="officieel">6</nr><titel status="officieel">Brandveilig gebruik</titel></kop><artikel><kop><label></label></kop><al>(vervallen).</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr status="officieel">7</nr><titel status="officieel">Overige gebruiksbepalingen</titel></kop><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr status="officieel">1</nr><titel status="officieel">overbevolking</titel></kop><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">7.1.1</nr><titel status="officieel">Overbevolking van woningen</titel></kop><al>Het is verboden een woning te bewonen met of toe te staan dat een
                                woning wordt bewoond door meer dan één persoon per 12 m<sup>2</sup>
                                gebruiksoppervlakte.</al></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">7.1.2</nr><titel status="officieel">Overbevolking van woonwagens</titel></kop><al>Het is verboden een woonwagen te bewonen met of toe te staan dat een
                                woonwagen wordt bewoond door meer dan één persoon per 6
                                m<sup>2</sup> gebruiksoppervlakte.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr status="officieel">2</nr><titel status="officieel">staken van het gebruik</titel></kop><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">7.2.1</nr><titel status="officieel">Verbod tot gebruik bij
                                    bouwvalligheid</titel></kop><al>Het is verboden een bouwwerk, een open erf of terrein te gebruiken
                                of te doen gebruiken, indien door of namens burgemeester en
                                wethouders is medegedeeld, dat zulks gevaarlijk is in verband
                                met:</al><lijst><li nr="a."><al>bouwvalligheid van het bouwwerk;</al></li><li nr="b."><al>bouwvalligheid van een in de nabijheid gelegen
                                        bouwwerk.</al></li></lijst></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">7.2.2</nr><titel status="officieel">Staken van gebruik wegens gebrek aan
                                    veiligheid en gebrek aan hygiëne</titel></kop><al>Indien tengevolge van het niet functioneren - hieronder begrepen het
                                afgesloten zijn - van de ingevolge het Bouwbesluit verplicht
                                aanwezige voorzieningen tot het kunnen afvoeren van faecaliën, het
                                kunnen beschikken over drinkwater, het kunnen beschikken over
                                gedistribueerd gas en het kunnen beschikken over gedistribueerde
                                elektriciteit een onvoldoende veiligheid of een onvoldoende hygiëne
                                aanwezig is, kan het bevoegd gezag gelasten het gebruik van het
                                bouwwerk te staken.</al></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">7.2.3</nr><titel status="officieel">Staken van het gebruik van een
                                    woonwagen</titel></kop><al>(vervallen).</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr status="officieel">3</nr><titel status="officieel">gebruik van bouwwerken open erven en
                                terreinen</titel></kop><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">7.3.1</nr><titel status="officieel">(Vervallen)</titel></kop><al></al></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">7.3.2</nr><titel status="officieel">Hinder</titel></kop><al>Het is verboden in, op of aan een bouwwerk of op een open erf of
                                terrein voorwerpen of stoffen te plaatsen, te werpen of te hebben,
                                handelingen te verrichten of na te laten of werktuigen te gebruiken,
                                waardoor:</al><lijst><li nr="a."><al>op voor de omgeving hinderlijke of schadelijke wijze rook,
                                        roet, walm of stof wordt verspreid;</al></li></lijst><lijst><li nr="b."><al>overlast wordt of kan worden veroorzaakt voor de gebruikers
                                        van het bouwwerk, het open erf of terrein;</al></li><li nr="c."><al>op voor de omgeving hinderlijke of schadelijke wijze stank,
                                        stof of vocht of irriterend materiaal wordt verspreid of
                                        overlast wordt veroorzaakt door geluid en trilling,
                                        elektrische trilling daaronder begrepen, of door schadelijk
                                        of hinderlijk gedierte, dan wel door verontreiniging van het
                                        bouwwerk, open erf of terrein;</al></li><li nr="d."><al>instortings-, omval- of ander gevaar wordt veroorzaakt.</al></li></lijst><al>Niet van toepassing is het vorenstaande, indien en voor zover het
                                betreft nadelige gevolgen voor het milieu waarop de Wet milieubeheer
                                of enige in deze wet genoemde wet van toepassing is.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr status="officieel">4</nr><titel status="officieel">het weren van schadelijk of hinderlijk
                                gedierte. Reinheid</titel></kop><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">7.4.1</nr><titel status="officieel">Preventie</titel></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Het normale onderhoud van een bouwwerk dient zodanig te
                                    geschieden dat het bouwwerk zich in zindelijke staat
                                    bevindt.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Voorraden en afval dienen op zodanige wijze en plaats te worden
                                    bewaard dat schadelijk of hinderlijk gedierte hierdoor niet
                                    wordt aangetrokken.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf 5 watergebruik</label></kop><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">7.5.1</nr><titel status="officieel">Verboden gebruik van water</titel></kop><al>Het is verboden drink- en werkwater, waarvan door het bevoegd gezag
                                schriftelijk is medegedeeld dat het ondeugdelijk wordt geacht, te
                                gebruiken.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr status="officieel">6</nr><titel status="officieel">installaties</titel></kop><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">7.6.1</nr><titel status="officieel">Gebruiksgereed houden van
                                    installaties</titel></kop><al>Installaties in of nabij een bouwwerk, waarvan het Bouwbesluit, het
                                Besluit brandveilig gebruik bouwwerken of de Bouwverordening de
                                aanwezigheid verplicht stelt, moeten in een goede staat verkeren,
                                zodat daarvan een onbelemmerd gebruik kan worden gemaakt.’</al></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr status="officieel">8</nr><titel status="officieel">Slopen</titel></kop><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr status="officieel">1</nr><titel status="officieel">Omgevingsvergunning voor het slopen</titel></kop><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">8.1.1</nr><titel status="officieel">Omgevingsvergunning voor het
                                    slopen</titel></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Het is verboden bouwwerken en woonwagens te slopen zonder of in
                                    afwijking van een vergunning van het bevoegd gezag.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>De in het eerste lid bedoelde vergunning is niet vereist indien
                                    naar redelijke schatting de hoeveelheid sloopafval niet meer zal
                                    bedragen dan 10 m<sup>3</sup>, tenzij het slopen mede betreft
                                    het verwijderen van asbest. Voorts is geen vergunning vereist
                                    voor het slopen ingevolge een besluit op grond van artikel 13
                                    van de Woningwet, dan wel een besluit tot toepassing van
                                    bestuursdwang of oplegging van een last onder dwangsom. Het
                                    bevoegd gezag kan aan zijn besluit voorwaarden verbinden als
                                    bedoeld in het derde lid.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>Het bevoegd gezag verbindt aan de omgevingsvergunning voor het
                                    slopen slechts voorschriften over:</al><lijst><li nr="a."><al>de
                                            veiligheid tijdens het
                                            slopen;</al></li></lijst><lijst><li nr="b."><al>de
                                            bescherming van nabijgelegen
                                            bouwwerken;</al></li></lijst><lijst><li nr="c."><al>het
                                            scheiden en het op de sloopplaats gescheiden houden van
                                            het sloopafval, ten minste inhoudende een scheiding in
                                            een fractie asbest, een fractie gevaarlijk afval en een
                                            fractie overig afval.</al></li></lijst><lijst><li nr="d."><al>het
                                            voor de aanvang van de sloopwerkzaamheden overleggen van
                                            de gegevens als bedoeld in artikel
                                            7.2, onder b van de Regeling
                                            omgevingsrecht.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr status="officieel">4.</lidnr><al>De voorschriften over het sloopafval, als bedoeld in het derde
                                    lid, onder letter c, kunnen eisen bevatten omtrent het selectief
                                    slopen, de fracties waarin wordt gescheiden, de tijdelijke
                                    opslag op het sloopterrein en het in fracties gescheiden
                                    verpakken van het sloopafval op het sloopterrein. Het bevoegd
                                    gezag verbindt aan de omgevingsvergunning voor het slopen met
                                    betrekking tot asbest voorschriften over het afzonderlijk gereed
                                    maken daarvan voor de afvoer van het sloopterrein en over de
                                    termijn waarbinnen dit moet plaatsvinden.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">5.</lidnr><al>De vergunningplicht als bedoeld in het eerste lid geldt niet
                                    indien in een tijdelijke omgevingsvergunning voor het bouwen
                                    voor een seizoengebonden bouwwerk voorschriften zijn gesteld
                                    over het slopen van het tijdelijke bouwwerk.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.1.2</nr><titel>Aanvraag sloopvergunning</titel></kop><al>(Vervallen).</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.1.3</nr><titel>In behandeling nemen</titel></kop><al>(Vervallen).</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.1.4</nr><titel>Termijn van beslissing</titel></kop><al>(Vervallen).</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.1.5</nr><titel>Samenloop van slopen en bouwen</titel></kop><al>(Vervallen).</al></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">8.1.6</nr><titel status="officieel">Weigeren omgevingsvergunning voor het
                                    slopen</titel></kop><al>Een omgevingsvergunning voor het slopen moet worden geweigerd
                                indien:</al><lijst><li nr="a."><al>de veiligheid tijdens het slopen onvoldoende is gewaarborgd
                                        en ook door het stellen van voorschriften niet op een
                                        voldoende peil kan worden gewaarborgd;</al></li><li nr="b."><al>de bescherming van nabijgelegen bouwwerken in verband met
                                        het slopen onvoldoende is gewaarborgd en ook door het
                                        stellen van voorschriften niet op een voldoende peil kan
                                        worden gewaarborgd;</al></li><li nr="c."><al>een vergunning met betrekking tot de archeologische
                                        monumenten ingevolge de Monumentenwet 1988 of een
                                        provinciale of een gemeentelijke monumentenverordening is
                                        vereist en deze niet is verleend;</al></li><li nr="d."><al>een vergunning ingevolge een leefmilieuverordening op grond
                                        van de Wet op de stads- en dorpsvernieuwing, die krachtens
                                        overgangsrecht van de Invoeringswet Wet ruimtelijke ordening
                                        de werking heeft behouden, is vereist en deze niet is
                                        verleend.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.1.7</nr><titel>Intrekken omgevingsvergunning voor het slopen</titel></kop><al>Een omgevingsvergunning voor het slopen kan worden ingetrokken
                                indien: </al><lijst><li nr="a."><al>de vergunning is verleend tengevolge van onjuiste of
                                        onvolledige opgave van gegevens;</al></li><li nr="b."><al>binnen 26 weken na het onherroepelijk worden van de
                                        omgevingsvergunning voor het slopen geen begin met de
                                        werkzaamheden is gemaakt;</al></li><li nr="c."><al>tussen het begin en het einde van de sloopwerkzaamheden deze
                                        werkzaamheden langer dan een aaneengesloten periode van 26
                                        weken stilliggen.</al></li></lijst></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf 2 Sloopmelding</label></kop><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">8.2.1</nr><titel status="officieel">Sloopmelding</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In
                                    afwijking van artikel 8.1.1 eerste lid, is geen
                                    omgevingsvergunning voor het slopen vereist voor het anders dan
                                    in de uitoefening van een beroep of bedrijf in zijn geheel
                                    slopen van:</al></lid><lid><lidnr></lidnr><lijst><li nr="a."><al>geschroefde, asbesthoudende platen waarin asbestvezels
                                            hechtgebonden zijn, niet zijnde dakleien, uit een woning
                                            of uit een op het erf van die woning staand bijgebouw,
                                            voor zover de woning of het bijgebouw niet in het kader
                                            van de uitoefening van een beroep of bedrijf worden
                                            gebruikt of bedoeld zijn voor gebruik in dat kader en de
                                            oppervlakte van de te verwijderen asbesthoudende platen
                                            maximaal vijfendertig vierkante meter per kadastraal
                                            perceel bedraagt;</al></li><li nr="b."><al>asbesthoudende vloertegels of niet-gelijmde,
                                            asbesthoudende vloerbedekking uit een woning of uit een
                                            op het erf van die woning staand bijgebouw, voor zover
                                            de woning of het bijgebouw niet in het kader van de
                                            uitoefening van een beroep of bedrijf worden gebruikt of
                                            bedoeld zijn voor gebruik in dat kader en de oppervlakte
                                            van de te verwijderen asbesthoudende vloerbedekking of
                                            vloertegels maximaal vijfendertig vierkante meter per
                                            kadastraal perceel bedraagt,</al></li></lijst></lid><lid><lidnr></lidnr><al>mits het voornemen tot dit slopen is gemeld bij burgemeester en
                                    wethouders en door burgemeester en wethouders binnen acht dagen
                                    na de dag waarop dit is gemeld, is medegedeeld dat geen
                                    omgevingsvergunning voor het slopen is vereist. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het
                                    voornemen tot slopen als bedoeld in het eerste lid moet worden
                                    gemeld met gebruikmaking van een door of namens burgemeester en
                                    wethouders vastgesteld formulier.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De
                                    melding en de daarbij behorende bescheiden moeten in 3-voud
                                    worden ingediend.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De
                                    melding en de daarbij behorende bescheiden moeten in het
                                    Nederlands zijn gesteld.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>In
                                    de melding moeten zijn opgenomen de plaats, het adres, de aard
                                    en het gebruik van het bouwwerk.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Degene,
                                    die de melding heeft gedaan, krijgt door of namens burgemeester
                                    en wethouders een bewijs van ontvangst toegezonden of
                                    uitgereikt, waarin de datum van ontvangst is
                                    vermeld.</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>Indien
                                    burgemeester en wethouders de in het eerste lid bedoelde
                                    mededeling niet binnen de aldaar gestelde termijn hebben gedaan,
                                    is de mededeling van rechtswege
                                    gedaan.</al></lid><lid><lidnr>8.</lidnr><al>Burgemeester
                                    en wethouders kunnen aan een mededeling als bedoeld in het
                                    eerste lid voorschriften verbinden met betrekking tot de
                                    verwijdering, opslag en afvoer van
                                    asbest.</al></lid><lid><lidnr>9.</lidnr><al>De
                                    houder van een mededeling als bedoeld in het eerste of het
                                    zevende lid is verplicht het gestelde in een door de minister
                                    van volkshuisvesting, ruimtelijke ordening en milieubeheer
                                    uitgegeven publicatie ter zake van het slopen van asbest
                                    bevattende vloerbedekking in acht te nemen. Voorts is de houder
                                    verplicht de voorschriften, bedoeld in het achtste lid, alsmede
                                    de voorschriften die bij of krachtens de artikelen 7 en 8 van
                                    het Asbestverwijderingsbesluit 2005 zijn gesteld, in acht te
                                    nemen</al></lid><lid><lidnr>10.</lidnr><al>Het
                                    bewerken van het asbest ter plaatse waar dit asbest door sloop
                                    vrijkomt is niet toegestaan.</al></lid><lid><lidnr>11.</lidnr><al>Bij
                                    het niet voldoen aan de bij of krachtens de in het eerste tot en
                                    met het vijfde lid van dit artikel gestelde eisen, stellen
                                    burgemeester en wethouders degene die de melding heeft gedaan in
                                    de gelegenheid om binnen één week de door hen aan te geven
                                    ontbrekende gegevens over te
                                    leggen.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">8.2.2</nr><titel status="officieel">Overige uitzonderingen op het vereiste van
                                    een omgevingsvergunning voor het slopen</titel></kop><al>In afwijking van artikel 8.1.1, eerste lid, is voorts geen
                                omgevingsvergunning voor het slopen vereist, indien het slopen, voor
                                zover dat betrekking heeft op asbest, uitsluitend bestaat uit het in
                                het kader van de uitoefening van een beroep of bedrijf geheel of
                                gedeeltelijk verwijderen van:</al><lijst><li nr="a."><al>geklemde vloerplaten onder verwarmingstoestellen;</al></li><li nr="b."><al>verwijderen van beglazingskit dat is verwerkt in de
                                        constructie van kassen;</al></li><li nr="c."><al>rem- en frictiematerialen;</al></li><li nr="d."><al>pakkingen uit verbrandingsmotoren;</al></li><li nr="e."><al>pakkingen uit procesinstallaties, onderscheidenlijk
                                        verwarmingstoestellen met een nominaal vermogen dat lager is
                                        dan 2250 kilowatt.</al></li></lijst></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf 3 verplichting tijdens het slopen</label></kop><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">8.3.1</nr><titel status="officieel">Veiligheid op sloopterrein</titel></kop><al>Het bepaalde in de artikelen 4.8 tot en met 4.10 is van
                                overeenkomstige toepassing op het slopen en het sloopterrein.</al></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">8.3.2</nr><titel status="officieel">Op het sloopterrein verplicht aanwezige
                                    bescheiden</titel></kop><al>Op het sloopterrein moet de omgevingsvergunning voor het slopen of
                                een besluit tot toepassing van bestuursdwang of oplegging van een
                                last onder dwangsom tot het slopen, aanwezig zijn en op verzoek aan
                                het bouwtoezicht ter inzage worden gegeven.</al></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">8.3.3</nr><titel status="officieel">Plichten van de houder van de
                                    omgevingsvergunning voor het slopen</titel></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>De houder van de omgevingsvergunning voor het slopen moet het
                                    slopen, voor zover dat betrekking heeft op asbest, opdragen aan
                                    een deskundig bedrijf.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>De houder van de omgevingsvergunning voor het slopen moet een
                                    afschrift van de vergunning ter hand stellen aan het deskundig
                                    bedrijf dat het slopen krachtens aanneming van werk zal
                                    uitvoeren.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>De houder van de omgevingsvergunning voor het slopen stelt
                                    tenminste één week voorafgaande aan de aanvraag van het slopen,
                                    het bevoegd gezag schriftelijk op de hoogte van de data en
                                    tijdstippen waarop het slopen, voor zover dat betrekking heeft
                                    op asbest, zal plaatsvinden.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">4.</lidnr><al>De houder van de omgevingsvergunning voor het slopen stuurt
                                    binnen twee weken na de uitvoering van de werkzaamheden het
                                    bevoegd gezag een afschrift van de resultaten van de
                                    eindbeoordeling, bedoeld in artikel 9, eerste lid van het
                                    Asbestverwijderingsbesluit 2005.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">8.3.4</nr><titel status="officieel">Plichten van degene die sloopt</titel></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Indien wordt gesloopt zonder dat een omgevingsvergunning voor
                                    het slopen is verleend voor het slopen van asbest en tijdens het
                                    slopen asbest wordt ontdekt, is degene die sloopt verplicht
                                    hiervan terstond melding te doen aan het bouw- en
                                    woningtoezicht.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Aan het bouwtoezicht dienen ten minste twee dagen van tevoren de
                                    aanvang van de sloopwerkzaamheden te worden gemeld en uiterlijk
                                    op de dag van de beëindiging van de sloopwerkzaamheden het einde
                                    van die werkzaamheden. Indien het bouwtoezicht dit verlangt,
                                    moeten genoemde meldingen schriftelijk geschieden.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">8.3.5</nr><titel status="officieel">Wijze van slopen, verpakken en opslaan van
                                    asbest</titel></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Voor zover redelijkerwijs uitvoerbaar moet eerst het in een
                                    bouwwerk aanwezige asbest worden verwijderd, voordat het
                                    bouwwerk wordt gesloopt.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Bij de verwijdering van het asbest moeten de beste bestaande
                                    technieken worden toegepast om verontreiniging van het milieu
                                    met asbest te voorkomen.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">8.3.6</nr><titel status="officieel">Plichten ten aanzien van de sloop van
                                    tuinbouwkassen</titel></kop><al>Vervallen</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr status="officieel">4</nr><titel status="officieel">vrij slopen</titel></kop><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">8.4.1</nr><titel status="officieel">Sloopafval algemeen</titel></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Afval dat ontstaat door sloopwerkzaamheden waarvoor geen
                                    vergunning krachtens artikel 8.1.1, noch een melding krachtens
                                    artikel 8.2.1 is vereist, dient ten minste te worden gescheiden
                                    in de navolgende fracties:</al><lijst><li nr="a."><al>de
                                            als gevaarlijk aangeduide afvalstoffen van hoofdstuk 17
                                            de afvalstoffenlijst behorende bij de Regeling Europese
                                            afvalstoffenlijst (EURAL; Stcr. 17 augustus 2001, nr.
                                            158, blz. 9)’</al></li></lijst><lijst><li nr="b."><al>steenachtig
                                            sloopafval, zonder inbegrip van
                                            gips;</al></li></lijst><lijst><li nr="c."><al>bitumineuze
                                            en teerhoudende
                                            dakbedekking;</al></li></lijst><lijst><li nr="d."><al>met
                                            PAKS verontreinigde
                                            materialen;</al></li></lijst><lijst><li nr="e."><al>asfalt;</al></li></lijst><lijst><li nr="f."><al>dakgrind;</al></li></lijst><lijst><li nr="g."><al>overig
                                            afval.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Overig afval, zoals bedoeld in het voorgaande lid onder g, en de
                                    fracties, bedoeld in het voorgaande lid onder a tot en met f,
                                    moeten op het sloopterrein gescheiden worden gehouden.</al></lid></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr status="officieel">9</nr><titel status="officieel">Het Welstandstoezicht</titel></kop><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">9.1</nr><titel status="officieel">De advisering door de
                                welstandscommissie</titel></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>De advisering over redelijke eisen van welstand is opgedragen aan
                                Het Oversticht die uit haar midden personen voordraagt als lid van
                                de welstandscommissie, hierna gezamenlijk te noemen: de
                                welstandscommissie.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>De welstandscommissie adviseert over de welstandsaspecten van
                                aanvragen voor een omgevingsvergunning voor het bouwen.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>(vervallen).</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">9.2</nr><titel status="officieel">Samenstelling van de
                                welstandscommissie</titel></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>De welstandscommissie bestaat ten minste uit vijf leden, waaronder
                                een voorzitter en een secretaris, waarvan ten minste drie leden
                                deskundig zijn op het gebied van architectuur, ruimtelijke kwaliteit
                                dan wel cultuurhistorie.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Voor de leden worden plaatsvervangers aangewezen.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>De welstandscommissie kan slechts adviezen uitbrengen indien ten
                                minste drie leden aanwezig zijn en waarvan ten minste twee leden
                                beschikken over deskundigheid op het gebied van welstand.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">4.</lidnr><al>De leden van de commissie zijn onafhankelijk van het
                                gemeentebestuur.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">5.</lidnr><al>In de welstandscommissie kan een ingezetene van de gemeente anders
                                als bedoeld in het eerste lid zitting hebben.’</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">9.3</nr><titel status="officieel">Benoeming en zittingsduur</titel></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>De voorzitter, de secretaris en de overige leden van de
                                welstandscommissie en hun plaatsvervangers worden op voorstel van de
                                burgemeester en wethouders benoemd en ontslagen door de
                                gemeenteraad.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>De leden van de welstandscommissie kunnen ten hoogste voor een
                                termijn van drie jaar worden benoemd. Zij kunnen eenmaal worden
                                herbenoemd voor een periode van ten hoogste drie jaar.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>Het reglement van orde van de welstandscommissie dat als bijlage 9
                                bij deze verordening is vastgesteld, bevat, binnen het gestelde in
                                de voorgaande leden, nadere benoemingsprocedures.’</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">9.4</nr><titel status="officieel">Jaarlijkse verantwoording</titel></kop><al>De welstandscommissie stelt jaarlijks een verslag op van haar
                            werkzaamheden voor de gemeenteraad, waarin ten minste aan de orde
                            komt:</al><lijst><li nr="-"><al>op welke wijze toepassing is gegeven aan de welstandscriteria
                                    uit de welstandsnota;</al></li><li nr="-"><al>de werkwijze van de welstandscommissie;</al></li><li nr="-"><al>op welke wijze uitwerking is gegeven aan de openbaarheid van
                                    vergaderen;</al></li><li nr="-"><al>de aard van de beoordeelde plannen;</al></li><li nr="-"><al>de bijzondere projecten.</al></li></lijst><al>De welstandscommissie kan in haar jaarverslag aanbevelingen doen ten
                            aanzien van het gemeentelijk ruimtelijk kwaliteitsbeleid in het algemeen
                            en de aanpassing van de gemeentelijke welstandsnota in het
                            bijzonder.</al></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">9.5</nr><titel status="officieel">Termijn van advisering</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De
                                welstandscommissie brengt het advies over de aanvraag om een
                                omgevingsvergunning
                                voor het bouwen
                                uit
                                binnen
                                vier
                                weken nadat door of namens burgemeester en wethouders daarom is
                                verzocht.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De
                                welstandscommissie brengt het advies over de aanvraag om een
                                omgevingsvergunning
                                voor het bouwen, indien deze vergunning
                                betrekking heeft op een deel van een project of een gefaseerde
                                aanvraag
                                betreft,
                                uit binnen drie weken nadat door of namens burgmeester en wethouders
                                daarom is verzocht.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Burgemeester
                                en wethouders kunnen in hun verzoek om advies de welstandscommissie
                                een langere termijn dan genoemd in de bovengenoemde leden van dit
                                artikel geven voor het uitbrengen van het welstandsadvies. Een
                                langere termijn kan door burgemeester en wethouders worden gegeven
                                indien de termijn van afdoening van de
                                aanvraag is verlengd met toepassing van artikel 3.9, tweede lid van
                                de Wet algemene bepalingen
                                omgevingsrecht.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">9.6</nr><titel status="officieel">Openbaarheid van vergaderen en
                                mondeling
                                toelichting</titel></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>De behandeling van bouwplannen door de welstandscommissie is
                                openbaar. De agenda voor de vergadering van de welstandscommissie
                                wordt tijdig bekendgemaakt in een van overheidswege uitgegeven blad
                                of een dag-, nieuws- of huis-aan-huisblad, dan wel op een andere
                                geschikte wijze. Indien burgemeester en wethouders – al dan niet op
                                verzoek van de aanvrager – een verzoek doen tot niet-openbare
                                behandeling, dan dienen burgemeester en wethouders daaraan klemmende
                                redenen op grond van artikel 10 van de Wet openbaarheid van bestuur
                                ten grondslag te leggen. De openbaarheid geldt zowel voor de
                                beraadslagingen, de beoordeling als de adviezen.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Indien de aanvrager van de omgevingsvergunning voor het bouwen
                                hierom bij het indienen van de aanvraag om omgevingsvergunning voor
                                het bouwen heeft verzocht, wordt deze door of namens de
                                welstandscommissie in staat gesteld tot het geven van een
                                toelichting op het bouwplan.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>In het geval dat het bouwplan in de vergadering van de commissie
                                wordt behandeld en een verzoek tot het geven van een toelichting is
                                gedaan, dient de aanvrager van de omgevingsvergunning voor het
                                bouwen een uitnodiging te ontvangen voor de vergadering van de
                                commissie, waarin de aanvraag wordt behandeld.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">4.</lidnr><al>Belanghebbenden hebben in toelichtende zin spreekrecht. Het
                                reglement van orde van de welstandscommissie dat als bijlage 9 bij
                                deze verordening is vastgesteld, voorziet in een procedurele opzet,
                                waarbij er een onderscheid wordt aangebracht in de toelichtende fase
                                en de beraadslagingen.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">9.7</nr><titel status="officieel">Afdoening bij mandaat</titel></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>De welstandscommissie kan de advisering over een aanvraag om advies
                                voor regulier vergunningplichtige bouwwerken als bedoeld in artikel
                                44, eerste lid onder d van de Woningwet mandateren aan een of
                                meerdere daartoe aangewezen leden. De aangewezen leden (voorzitter
                                en/of secretaris) adviseren over bouwplannen waarvan volgens hen het
                                oordeel van de welstandscommissie als bekend mag worden
                                verondersteld.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>In elk geval van twijfel legt de gemandateerde het bouwplan als
                                bedoeld in het vorige lid alsnog voor aan de
                                welstandscommissie.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>Behandeling van bouwplannen onder mandaat is openbaar. Indien
                                burgemeester en wethouders –al dan niet op verzoek van de aanvrager-
                                een verzoek doen tot niet-openbare behandeling, dan dienen
                                burgemeester en wethouders daaraan klemmende redenen op grond van
                                artikel 10 van de Wet openbaarheid van bestuur ten grondslag te
                                leggen.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">4.</lidnr><al>(vervallen).</al></lid><lid><lidnr status="officieel">5.</lidnr><al>(vervallen).</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">9.8</nr><titel status="officieel">Vorm waarin het advies wordt
                                uitgebracht</titel></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>De welstandscommissie adviseert en motiveert haar advies
                                schriftelijk.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Zodra het advies wordt uitgebracht, wordt het door of namens
                                burgemeester en wethouders gevoegd bij de aanvraag om een
                                omgevingsvergunning voor het bouwen.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">9.9</nr><titel status="officieel">Uitsluiting van gebieden en categorieën
                                bouwwerken</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien
                                de raad op grond van artikel 12 van de Woningwet het voornemen heeft
                                een gebied van de gemeente of een categorie bouwwerken uit te
                                sluiten van welstandstoezicht, neemt de raad het daartoe strekkende
                                besluit niet dan nadat:</al><lijst><li nr="a."><al>op het voornemen inspraak is verleend;</al></li><li nr="b."><al>het advies van de welstandscommissie is ingewonnen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>De inspraak als bedoeld in het eerste lid vindt plaats op de wijze
                                voorzien in de krachtens artikel 150 Gemeentewet vastgestelde
                                verordening.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr status="officieel">10</nr><titel status="officieel">Overige administratieve bepalingen</titel></kop><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">10.1</nr><titel status="officieel">De aanvraag om woonvergunning</titel></kop><al>(vervallen).</al></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">10.2</nr><titel status="officieel">De aanvraag om vergunning tot hergebruik van
                                een ontruimde onbewoonbaar verklaarde woning of woonwagen</titel></kop><al>Vervallen.</al></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">10.3</nr><titel status="officieel">Overdragen vergunningen</titel></kop><al>(vervallen).</al></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">10.4</nr><titel status="officieel">Overdragen mededeling</titel></kop><al>Vervallen.</al></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">10.5</nr><titel status="officieel">Het kenteken voor onbewoonbaar verklaarde
                                woningen en woonwagens alsmede onbruikbaar verklaarde
                                standplaatsen</titel></kop><al>Vervallen.</al></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">10.6</nr><titel status="officieel">Herziening en vervanging van aangewezen normen
                                en andere voorschriften</titel></kop><al>Het bevoegd gezag is bevoegd om rekening te houden met de herziening en
                            vervanging van de NEN-normen, voornormen, praktijkrichtlijnen en andere
                            voorschriften waarnaar in deze verordening - of in de bij deze
                            verordening behorende bijlagen - wordt verwezen, indien de bevoegde
                            instantie de betrokken norm, voornorm, praktijkrichtlijn of het
                            voorschrift heeft herzien of vervangen en die herziening of vervanging
                            heeft gepubliceerd.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr status="officieel">11</nr><titel status="officieel">Handhaving</titel></kop><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">11.1</nr><titel status="officieel">Stilleggen van de bouw</titel></kop><al>Vervallen.</al></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">11.2</nr><titel status="officieel">Overtreding van het verbod tot
                                ingebruikneming</titel></kop><al>Vervallen.</al></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">11.3</nr><titel status="officieel">Stilleggen van het slopen</titel></kop><al>Vervallen.</al></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">11.4</nr><titel status="officieel">onderzoek naar een gebrek</titel></kop><al>Vervallen.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr status="officieel">12</nr><titel status="officieel">Straf- overgangs- en slotbepalingen</titel></kop><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">12.1</nr><titel status="officieel">Strafbare feiten</titel></kop><al>Vervallen.</al></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">12.2</nr><titel status="officieel">Overgangsbepaling bodemonderzoek</titel></kop><al>Indien ten behoeve van de bouw van een vergunningplichtig bouwwerk in
                            enig ander verband dan de aanvraag om omgevingsvergunning voor het
                            bouwen indicatief bodemonderzoek is verricht, geldt dit indicatieve
                            bodemonderzoek als het in artikel 2.1.5 bedoelde verkennende
                            bodemonderzoek, tenzij burgemeester en wethouders van mening zijn dat
                            het indicatieve bodemonderzoek niet meer als een recent onderzoek kan
                            worden gezien.</al></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">12.3</nr><titel status="officieel">Overgangsbepaling met betrekking tot de staat
                                van open erven en terreinen</titel></kop><al>Het bepaalde in de artikelen 5.1.2 en 5.1.3 inzake de bereikbaarheid van
                            gebouwen is niet van toepassing op een gebouw, dat gebouwd is of wordt
                            op basis van een bouwvergunning als bedoeld in artikel 47, eerste lid,
                            van de Woningwet van 12 juli 1962, tenzij bij een latere vergunning op
                            grond van artikel 40 van de Woningwet eisen aan de bereikbaarheid van
                            dat gebouw zijn gesteld.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.4</nr><titel>(vervallen)</titel></kop><al>(vervallen).</al></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">12.5</nr><titel status="officieel">Overgangsbepaling sloopmelding</titel></kop><al>Vervallen.</al></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">12.6</nr><titel status="officieel">Slotbepaling</titel></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Deze verordening treedt in werking op de achtste dag na die waarop
                                zij is afgekondigd.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Bij de inwerkingtreding van deze verordening vervallen:</al><lijst><li nr="a."><al>de
                                        bouwverordening, vastgesteld bij raadsbesluit van de
                                        gemeente Avereest d.d. 10 juni 1993, bij raadsbesluit van de
                                        gemeente Gramsbergen d.d. 9 maart 1993 en bij raadsbesluit
                                        van de gemeente Hardenberg d.d. 30 september 1992 en alle
                                        daarin aangebrachte
                                        wijzigingen;</al></li></lijst><lijst><li nr="b."><al>de
                                        brandbeveiligingsverordening, vastgesteld bij raadsbesluit
                                        van de gemeente Avereest d.d. 10 juni 1993, bij raadsbesluit
                                        van de gemeente Gramsbergen d.d. 9 maart 1993 en bij
                                        raadsbesluit van de gemeente Hardenberg d.d. 30 september
                                        1992 en alle daarin aangebrachte wijzigingen, voor zover
                                        deze brandbeveiligingsverordening eisen aan het brandveilig
                                        gebruik van bouwwerken stelt.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>Deze
                                verordening kan worden aangehaald als 'Bouwverordening gemeente
                                Hardenberg'.</al></lid></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><bijlage><al><plaatje><illustratie formaat="pdf" naam="Toelichting op de bouwverordening" type="foto" id="i4048"></illustratie></plaatje></al></bijlage><bijlage status="goed"><al><plaatje><illustratie uitlijning="start" kleur="nee" formaat="pdf" naam="Bijlage 1 Bouwverordening" type="foto" id="i214"></illustratie></plaatje></al></bijlage><bijlage status="goed"><al><plaatje><illustratie uitlijning="start" kleur="nee" formaat="pdf" naam="" type="foto" id="i213"></illustratie></plaatje><plaatje><illustratie formaat="pdf" naam="Bijlage 2 Bouwverordening" type="foto" id="i3974"></illustratie></plaatje></al></bijlage><bijlage status="goed"><al><plaatje><illustratie uitlijning="start" kleur="nee" formaat="pdf" naam="" type="foto" id="i212"></illustratie></plaatje><plaatje><illustratie formaat="pdf" naam="Bijlage 3 Bouwverordening" type="foto" id="i3975"></illustratie></plaatje></al></bijlage><bijlage status="goed"><al><plaatje><illustratie formaat="pdf" naam="Bijlage 4 Bouwverordening" type="foto" id="i3976"></illustratie></plaatje><plaatje><illustratie uitlijning="start" kleur="nee" formaat="pdf" naam="" type="foto" id="i211"></illustratie></plaatje></al></bijlage><bijlage status="goed"><al><plaatje><illustratie uitlijning="start" kleur="nee" formaat="pdf" naam="" type="foto" id="i210"></illustratie></plaatje><plaatje><illustratie formaat="pdf" naam="Bijlage 5 Bouwverordening" type="foto" id="i3977"></illustratie></plaatje></al></bijlage><bijlage status="goed"><al><plaatje><illustratie uitlijning="start" kleur="nee" formaat="pdf" naam="Bijlage 6 Bouwverordening" type="foto" id="i209"></illustratie></plaatje></al></bijlage><bijlage status="goed"><al><plaatje><illustratie formaat="pdf" naam="Bijlage 7 Bouwverordening" type="foto" id="i3978"></illustratie></plaatje><plaatje><illustratie uitlijning="start" kleur="nee" formaat="pdf" naam="" type="foto" id="i208"></illustratie></plaatje></al></bijlage><bijlage status="goed"><al><plaatje><illustratie uitlijning="start" kleur="nee" formaat="pdf" naam="Bijlage 8 Bouwverordening" type="foto" id="i207"></illustratie></plaatje></al></bijlage><bijlage status="goed"><al><plaatje><illustratie uitlijning="start" kleur="nee" formaat="pdf" naam="Bijlage 9 Bouwverordening" type="foto" id="i206"></illustratie></plaatje></al></bijlage><bijlage status="goed"><al><plaatje><illustratie uitlijning="start" kleur="nee" formaat="pdf" naam="" type="foto" id="i205"></illustratie></plaatje><plaatje><illustratie formaat="pdf" naam="Bijlage 10 Bouwverordening" type="foto" id="i3979"></illustratie></plaatje></al></bijlage><bijlage status="goed"><al><plaatje><illustratie uitlijning="start" kleur="nee" formaat="pdf" naam="" type="foto" id="i204"></illustratie></plaatje><plaatje><illustratie formaat="pdf" naam="Bijlage 11 Bouwverordening" type="foto" id="i3980"></illustratie></plaatje></al></bijlage><bijlage status="goed"><al><plaatje><illustratie uitlijning="start" kleur="nee" formaat="pdf" naam="" type="foto" id="i203"></illustratie></plaatje><plaatje><illustratie formaat="pdf" naam="Bijlage 12 Bouwverordening" type="foto" id="i3981"></illustratie></plaatje></al></bijlage></regeling></body></cvdr>