<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR368080_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verzamelverordening 2015</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Alphen-Chaam</dcterms:creator><dcterms:modified>2015-06-01</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Alphen-Chaam</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Ons Weekblad, 06-02-2015</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verzamelverordening 2015</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Gemeentewet/article=108%2C%20147">Gemeentewet, art. 108, 147 </dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Participatiewet/article=8%2C%208a%2C%208b">Participatiewet, art. 8, 8a, 8b </dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20inkomensvoorziening%20oudere%20en%20gedeeltelijk%20arbeidsongeschikte%20werkloze%20werknemers/article=35">Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers, art. 35 </dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=wet%20inkomensvoorziening%20oudere%20en%20gedeeltelijk%20arbeidsongeschikte%20gewezen%20zelfstandigen/article=35">wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen, art. 35 </dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=wet%20aanscherping%20handhaving%20en%20sanctiebeleid%20SZW-wetgeving/article=1">wet aanscherping handhaving en sanctiebeleid SZW-wetgeving, art. 1 </dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2014-12-18</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2015-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2016-06-18</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>ingetrokken per 18-6-2016</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>-</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen.</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verzamelverordening 2015</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente Alphen-Chaam</al><al>• gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders; </al><al>• gelet op artikel 108 en 147 van de Gemeentewet </al><al>• gelet op de artikelen 8 , 8a en 8b Participatiewet; </al><al>• gelet op artikel 35 Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                        arbeidsongeschikte werkloze werknemers </al><al>• gelet op artikel 35 wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                        arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen </al><al>• gelet op het Besluit bijstandsverlening zelfstandigen 2004 </al><al>• gelet op de wet aanscherping handhaving en sanctiebeleid
                        SZW-wetgeving;</al><al> Besluit vast te stellen:</al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><titel>Verzamelverordening P-wet, IOAW, IOAZ en Bbz 2015</titel></kop><paragraaf><kop><label>§</label><nr>1</nr><titel>Algemeen</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 1 Definities</titel></kop><al>1. In deze verordening wordt verstaan onder: a. P-wet:
                                Participatiewet b. Bbz: het Besluit bijstandverlening zelfstandigen
                                2004; c. IOAW : Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                                arbeidsongeschikte werkloze werknemers ; d. IOAZ: Wet
                                inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte
                                gewezen zelfstandigen; e. De wet: de P-wet, IOAW, IOAZ en Bbz te
                                samen; f. Algemene bijstand: de bijstand bedoeld in artikel 5,
                                onderdeel b, van de P-wet; g. Bijstandsnorm: 1° toepasselijke norm
                                als bedoeld in artikel 5, onderdeel c, van de P-wet, of 2° grondslag
                                van de uitkering als bedoeld in artikel 5 van de IOAW of artikel 5
                                van de IOAZ voor zover sprake is van een uitkering op grond van de
                                IOAW of IOAZ; h. Grondslag: de uitkeringsnorm zoals bedoeld in
                                artikel 5 IOAW en artikel 5 IOAZ; i. Bijzondere bijstand: de
                                bijstand bedoeld in artikel 5, onderdeel d, van de P-wet; j.
                                Belanghebbende: de alleenstaande, alleenstaande ouder of het gezin
                                dat recht heeft op een uitkering dan wel een voorziening in het
                                kader van de wet; k. Uitkering: in de context van deze verordening
                                wordt onder uitkering verstaan de bijstandsuitkering of de grondslag
                                IOAW / IOAZ; l. Uitkeringsgerechtigde: een persoon die een uitkering
                                ontvangt ingevolgde de P-wet, IOAW of IOAZ; m.
                                Re-integratieverplichting: de verplichting om gebruik te maken van
                                een voorziening gericht op inschakeling in of het verkleinen van de
                                afstand tot de arbeid waaronder begrepen begeleiding naar
                                maatschappelijke participatie en het meewerken aan een onderzoek
                                naar de mogelijkheden tot arbeidsinschakeling en/ of de geschiktheid
                                voor scholing/ opleiding; n. Inlichtingenplicht: de verplichting om
                                op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling te doen van
                                alle feiten en omstandigheden waarvan redelijkerwijs duidelijk is
                                dat deze van invloed kunnen zijn op de arbeidsinschakeling of het
                                recht op bijstand; o. Medewerkingsverplichting: de verplichting om
                                mee te werken aan de noodzakelijk geachte voorziening, aan een
                                onderzoek naar het recht op uitkering, eventueel via een huisbezoek
                                als ook naar de voortgang van het re-integratietraject; p.
                                Benadelingsbedrag: het bedrag dat ten onrechte of teveel is of wordt
                                verleend als uitkering; q. Recidive: hiervan is sprake wanneer een
                                belanghebbende zich binnen 12 maanden na de vorige als verwijtbaar
                                aangemerkte gedraging opnieuw schuldig maakt aan een verwijtbare
                                gedraging uit dezelfde categorie dan wel hetzelfde artikel zoals
                                genoemd in deze verordening dan wel de wet. Alleen bij de boete is
                                de recidiveperiode vastgesteld op 5 jaar. r. Verlaging/maatregel:
                                het verlagen van de bijstand of grondslag op grond van artikel 18
                                tweede lid van de P-wet resp. 20 lid 2 IOAW/ IOAZ; s. Waarschuwing:
                                het besluit waarin afgezien wordt van het opleggen van een maatregel
                                of boete, maar waarin wel wordt bevestigd dat er sprake is van het
                                verwijtbaar niet nakomen van verplichtingen; t. Voorziening: een
                                door het college noodzakelijk geachte voorziening gericht op
                                inschakeling in de arbeid of zelfstandige maatschappelijke
                                participatie waaronder begrepen een onderzoek naar de belastbaarheid
                                en de noodzaak tot inzet van loonkostensubsidie; u. Doelgroep
                                re-integratie: personen aan wie op grond van artikel 7 eerste lid
                                onder a van de P-wet of op grond van artikel 34 van de IOAW, of op
                                grond van artikel 34 van de IOAZ door de gemeente ondersteuning bij
                                re-integratie kan worden geboden; v. Participatie: het naar vermogen
                                meedoen in de samenleving door o.a. het verrichten van betaald
                                regulier of gesubsidieerd werk, het volgen van scholing, het
                                verrichten van maatschappelijk nuttige activiteiten of een
                                tegenprestatie; w. Loonkostensubsidie: de subsidie op de loonsom die
                                het college kan verstrekken aan een werkgever om een werknemer met
                                een verminderde loonwaarde vanwege een beperking al dan niet
                                tijdelijk in dienst te nemen; x. Verminderde loonwaarde: hiervan is
                                sprake wanneer een persoon vanwege een beperking niet in staat is
                                het wettelijk minimum uurloon te verdienen; y. Plan van aanpak: een
                                plan van aanpak zoals bedoeld in artikel 44a van de P-wet of een
                                trajectplan; z. Tegenprestatie: onbeloonde maatschappelijk nuttige
                                activiteiten die worden verricht, eventueel naast of in aanvulling
                                op beloonde arbeid, en die niet leiden tot verdringing op de
                                arbeidsmarkt. De werkzaamheden hoeven niet te leiden tot het
                                versterken van het arbeidsperspectief en dienen als wederdienst voor
                                de ontvangen uitkering; aa. Wachttijd (27-) wettelijk bepaalde
                                periode van vier weken waarin de belanghebbende verplicht is zelf op
                                zoek te gaan naar werk en om de mogelijkheden van regulier onderwijs
                                te onderzoeken. Pas hierna wordt de aanvraag ingediend en het recht
                                op inkomensondersteuning en ondersteuning naar participatie
                                onderzocht; bb. Inspanningsperiode (27+): de eerste periode van vier
                                weken waarin de belanghebbende verplicht kan worden zelf op zoek te
                                gaan naar werk. Pas na vier weken wordt het recht op
                                inkomensondersteuning en ondersteuning naar participatie onderzocht;
                                cc. Duurzame arbeidsinschakeling: algemeen geaccepteerde arbeid die
                                over een periode van ten minste zes maanden wordt verricht en waar
                                geen voorziening aan verbonden is in de vorm van loonkostensubsidie;
                                dd. Bestuurlijke boete: een boete die door een daartoe bevoegde
                                overheidsdienst zonder tussenkomst van het Openbaar Ministerie of
                                een rechter kan worden opgelegd. Deze boete heeft een straffend
                                karakter; ee. Beslagvrije voet: beslagvrije voet als bedoeld in de
                                artikelen 475c tot en met 475e van het Wetboek van Burgerlijke
                                Rechtsvordering, deel van het inkomen waarop geen beslag mag worden
                                gelegd; ff. Recidiveboete: bestuurlijke boete als bedoeld in artikel
                                18a, vijfde lid, van de P-wet; gg. Bezit: waarde van de bezittingen
                                waarover belanghebbende of diens gezin beschikt of redelijkerwijs
                                kan beschikken, met uitzondering van het in de bewoonde woning met
                                bijbehorend erf gebonden vermogen, bedoeld in artikel 50, eerste
                                lid, van de P-wet; hh. Verrekenen: de verrekening als bedoeld in
                                artikel 60, vierde lid, van P-wet. ii. Mantelzorg: langdurige zorg,
                                gedurende 10 uur of meer per week, die niet in het kader van een
                                hulpverlenend beroep wordt geboden aan een hulpbehoevende door
                                personen uit diens directe omgeving, waarbij de zorgverlening
                                rechtstreeks voortvloeit uit de sociale relatie en de gebruikelijke
                                zorg van huisgenoten voor elkaar overstijgt; jj. Flankerende
                                voorziening: de inzet van deze voorziening is een randvoorwaarde
                                voor de belanghebbende voor deelname aan re-integratievoorzieningen
                                en nakoming van arbeidsverplichtingen (waaronder schuldhulpverlening
                                en kinderopvang); kk. No-risk polis: een verzekering die de
                                financiële gevolgen van ziekte van de in dienst genomen
                                uitkeringsgerechtigde voor een werkgever afdekt; ll. Screening: een
                                onderzoek naar de mogelijkheden op de arbeidsmarkt van een
                                uitkeringsaanvrager of uitkeringsgerechtigde dat wordt verwerkt in
                                een plan van aanpak; mm. Diagnose: wanneer de screening duidt op het
                                mogelijk bestaan van een arbeidsbeperking of een andere belemmering
                                richting arbeidsmarkt, wordt dit vervolgonderzoek ingesteld teneinde
                                een plan van aanpak vast te stellen; nn. Verdiepende diagnose: een
                                nader onderzoek naar de arbeidsmogelijkheden en beperkingen
                                uitgevoerd door een externe deskundige teneinde een plan van aanpak
                                vast te stellen; oo. Participatiepartner: re-integratiebedrijf,
                                werkgever of maatschappelijke partner, waarmee de gemeente
                                samenwerkt in het kader van de P-wet.</al></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>§</label><nr>2</nr><titel>Re-integratie en Tegenprestatie</titel></kop><paragraaf><kop><label>§</label><nr>2.1</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 2 Opdracht en taak van het college</titel></kop><al>1. Het college biedt ondersteuning krachtens deze verordening ten
                                behoeve van de persoon die behoort tot de doelgroep re-integratie en
                                die dit naar het oordeel van het college nodig heeft bij de
                                arbeidsinschakeling of zelfstandige maatschappelijke participatie.
                                2. Het college draagt zorg voor voldoende diversiteit in het aanbod
                                aan ondersteuning en voorzieningen. 3. Het college houdt bij het
                                aanbieden van een voorziening of ondersteuning rekening met de
                                mogelijkheden en omstandigheden van de belanghebbende. Deze
                                omstandigheden hebben in ieder geval betrekking op zorgtaken van die
                                persoon zoals beschreven in de beleidsregels, eventuele structurele
                                beperkingen, de mogelijkheid dat hij behoort tot de doelgroep
                                loonkostensubsidie of gebruik maakt van de voorziening beschut werk.
                                4. Het college bevordert de beschikbaarheid en de inzet van
                                flankerende voorzieningen die belemmeringen voor re-integratie en
                                arbeidsinschakeling kunnen opheffen. 5. Het college kan bij het
                                bepalen van het aanbieden van voorzieningen prioriteren naar gelang
                                de financiële mogelijkheden en rekening houden met maatschappelijke,
                                economische en conjuncturele ontwikkelingen. 6. Het college kan
                                budgetplafonds vaststellen voor de verschillende voorzieningen of
                                doelgroepen en draagt daarbij zorg voor een evenwichtige
                                verdeling.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3 Aanspraak</titel></kop><al>1. De aanspraak op ondersteuning gericht op re-integratie wordt niet
                                eerder dan vier weken na de (uitkerings)aanvraag inhoudelijk
                                beoordeeld, tenzij dit naar de mening van het college in de
                                individuele situatie niet geoorloofd is. 2. Voorzieningen kunnen
                                worden verstrekt aan een belanghebbende dan wel aan de werkgever van
                                de belanghebbende. 3. Op basis van een screening en eventueel een
                                (verdiepende) diagnose stemt het college de ondersteuning en
                                voorzieningen af op het vergroten van de zelfredzaamheid van de
                                belanghebbende via de kortste weg naar duurzame arbeidsinschakeling
                                dan wel een zo hoog mogelijke arbeidsproductiviteit. 4. Het college
                                legt het individuele aanbod van een voorziening aan een persoon vast
                                in een plan van aanpak en/of een beschikking. 5. Er bestaat geen
                                aanspraak op ondersteuning voor zover er een beroep kan worden
                                gedaan op een voorliggende voorziening die voldoende bijdraagt aan
                                de arbeidsinschakeling of maatschappelijke participatie. 6. Een
                                persoon die behoort tot de doelgroep re-integratie maar geen
                                bijstandsuitkering ontvangt, heeft geen aanspraak op ondersteuning
                                krachtens deze verordening indien: a. het gezinsinkomen hoger is dan
                                110% van het wettelijk minimumloon en/of het vermogen hoger is dan
                                het maximaal vrij te laten vermogen conform de P-wet; b. deze
                                persoon betaalde arbeid verricht gedurende meer dan 12 uur per week;
                                c. niet redelijkerwijs kan worden aangenomen dat deze persoon bereid
                                dan wel in staat is om tenminste 12 uur per week algemeen
                                geaccepteerde arbeid te verrichten. 7. Voor personen zoals bedoeld
                                in lid 6 van dit artikel, van wie het college heeft vastgesteld dat
                                zij met voltijdse arbeid niet in staat zijn tot het verdienen van
                                het wettelijk minimumloon, maar wel mogelijkheden tot
                                arbeidsparticipatie hebben, kunnen wel in aanmerking komen voor de
                                voorzieningen zoals bedoeld in artikelen 4 lid 1 sub a, b, c en d en
                                8 van deze verordening, tegen dezelfde criteria. 8. Het college kan
                                in de beleidsregels voorzieningen aanwijzen, waarvoor de bepalingen
                                zoals opgenomen in lid 6 niet van toepassing zijn. 9. Het college
                                kan besluiten enige tijd geen voorziening aan te bieden als een
                                eerdere voorziening voortijdig is beëindigd vanwege een reden, zoals
                                opgenomen in artikel 5 sub a en e.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>§</label><nr>2.2</nr><titel>Voorzieningen</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 4 Voorzieningen</titel></kop><al>1. Het college kan een persoon behorende tot de doelgroep
                                re-integratie: a. (laten) bemiddelen naar algemeen geaccepteerde
                                arbeid; b. begeleiden bij het zoeken naar en verkrijgen van arbeid;
                                c. ondersteunen bij het zoveel mogelijk wegnemen van belemmeringen
                                voor de arbeidsinschakeling, waaronder begeleiding op en
                                aanpassingen van de werkplek en scholing; d. verwijzen naar en
                                ondersteunen bij deelname aan maatschappelijke participatie; e.
                                anderszins een voorziening verstrekken in verband met bepaalde
                                specifieke re-integratie activiteiten, nader te bepalen in de
                                beleidsregels zoals vermeld in lid 3 van dit artikel. 2. Het college
                                kan aan een werkgever (financiële) ondersteuning bieden ten behoeve
                                van een belanghebbende die behoort tot de doelgroep re-integratie,
                                anders dan de loonkostensubsidie, zoals opgenomen in §2.3 van deze
                                verordening. 3. Het college stelt ter nadere uitvoering van deze
                                verordening beleidsregels vast, waarin de voorzieningen en de
                                bijbehorende voorwaarden zijn opgenomen, voor zover daarover in deze
                                verordening geen nadere bepalingen zijn opgenomen.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5 Beëindigen van een voorziening</titel></kop><al>Het college kan een voorziening beëindigen als: a. de persoon die
                                aan de voorziening deelneemt zijn verplichting als bedoeld in de
                                artikelen 9 en 17 van de P-wet of de artikelen 13 en 37 van de IOAZ
                                of IOAW niet (langer) nakomt; b. de persoon die aan de voorziening
                                deelneemt niet meer behoort tot de doelgroep re-integratie; c. de
                                persoon die aan de voorziening deelneemt algemeen geaccepteerde
                                arbeid aanvaardt waarbij geen gebruik wordt gemaakt van een in deze
                                verordening genoemde voorzieningen, tenzij het betreft een persoon
                                als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a, onder 2° van de
                                P-wet; d. naar het oordeel van het college de voorziening
                                onvoldoende bijdraagt aan een snelle arbeidsinschakeling of niet
                                meer geschikt is voor de persoon die gebruik maakt van de
                                voorziening; e. de persoon die aan de voorziening deelneemt niet
                                naar behoren gebruik maakt van de aangeboden voorziening; f. de
                                persoon die aan de voorziening deelneemt niet meer voldoet aan de
                                voorwaarden die in deze verordening en de beleidsregels worden
                                gesteld om in aanmerking te komen voor die voorziening; g. door het
                                college wordt vastgesteld dat voortzetting van de voorziening niet
                                wenselijk is omdat de participatiepartner, niet of in onvoldoende
                                mate aan de op hem rustende verplichtingen krachtens het Burgerlijk
                                Wetboek en/of de geldende voorwaarden voldoet.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6 Participatie(plaats) voor personen ouder dan 27
                                    jaar</titel></kop><al>1. Het college kan ter uitvoering van artikel 7, eerste lid,
                                onderdeel a, van de P-wet een uitkeringsgerechtigde voor wie de kans
                                op inschakeling in het arbeidsproces gering is en die daardoor
                                vooralsnog niet bemiddelbaar is op de arbeidsmarkt, onbeloonde
                                additionele werkzaamheden laten verrichten zoals bedoeld in artikel
                                10a van de P-wet. 2. Een uitkeringsgerechtigde die onbeloonde
                                additionele werkzaamheden zoals bedoeld in artikel 10a P-wet
                                verricht, ontvangt conform lid 6 van dat artikel ieder half jaar een
                                premie mits naar vermogen is meegewerkt aan het vergroten van de
                                kans op arbeidsinschakeling. 3. Het college kan op basis van artikel
                                10a van de P-wet of artikel 38a IOAW/IOAZ aan uitkeringsgerechtigden
                                van 27 jaar of ouder en die niet beschikt over een startkwalificatie
                                scholing aanbieden met als doel de afstand tot de arbeidsmarkt te
                                verkleinen. 4. De premie bedraagt per jaar 25% van het bedrag
                                genoemd in artikel 31, tweede lid, onder j van de P-wet. 5. Het
                                college stelt nadere regels ten aanzien van de participatieplaats,
                                voor wat betreft de premie zoals bedoeld in lid 2, de scholing zoals
                                bedoeld in lid 3 en de voorwaarden en verplichtingen die daaraan
                                verbonden zijn.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>§</label><nr>2.3</nr><titel>Voorzieningen voor mensen met verminderde loonwaarde of
                                beperkingen richting werk</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 7 Participatievoorziening beschut werk</titel></kop><al>1. Het college biedt beschut werk zoals bedoeld in artikel 10b van
                                de P-wet. 2. Het college zal met behulp van een screening en
                                diagnose beoordelen welke personen uit de doelgroep re-integratie
                                uitsluitend in een beschutte omgeving onder aangepaste
                                omstandigheden kunnen werken. 3. Het college kan de persoon, bij wie
                                uit de beoordeling zoals bedoeld in lid 2 is gebleken dat hij
                                uitsluitend in een beschutte omgeving onder aangepaste
                                omstandigheden kan werken, ook een alternatieve passende voorziening
                                aanbieden, anders dan beschut werk.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 8 No-risk polis</titel></kop><al>1. Een werkgever kan in aanmerking komen voor een no-riskpolis als:
                                a. de werkgever een arbeidsovereenkomst aangaat met een werknemer,
                                dan wel de arbeidsovereenkomst verlengt en; b. de werknemer
                                voorafgaande aan de aanvang van de arbeid behoort tot de doelgroep
                                re-integratie en; c. de werknemer een structurele functionele of
                                andere belemmering heeft richting werk of de werkgever ten behoeve
                                van de werknemer een loonkostensubsidie als bedoeld in artikel 10d
                                van de P-wet ontvangt en; d. artikel 29b van de Ziektewet niet van
                                toepassing is. 2. Om de werkgever een no-riskpolis te kunnen
                                verstrekken, sluit de gemeente een verzekering af en treedt op als
                                verzekeringnemer. De begunstigde is de werkgever. 3. De vergoeding,
                                de looptijd van de verzekering en overige voorwaarden zijn
                                gespecificeerd in de polisvoorwaarden van de no-risk polis, zoals
                                overeengekomen met de verzekeraar. 4. Het college stelt nadere
                                regels ten aanzien van de no-risk polis.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9 Vaststelling doelgroep loonkostensubsidie en
                                    loonwaarde</titel></kop><al>1. Het college stelt vast of een persoon behoort tot de doelgroep
                                loonkostensubsidie. 2. Hierbij neemt het college de volgende
                                criteria in acht: a. een persoon moet behoren tot de doelgroep zoals
                                omschreven in artikel 7, eerste lid, onderdeel a, van de P-wet en;
                                b. die persoon is niet in staat met voltijdse arbeid het wettelijk
                                minimumloon te verdienen, en c. die persoon heeft mogelijkheden tot
                                arbeidsparticipatie. 3. De loonwaarde wordt bepaald aan de hand van
                                een regionaal overeengekomen methodiek. 4. De in lid 3 bedoelde
                                methodiek wordt als bijlage dan wel als addendum toegevoegd aan deze
                                verordening. 5. Indien de regionale methodiek zoals bedoeld in lid 3
                                ten tijde van de inwerkingtreding van deze verordening nog niet
                                vastgesteld is, dan wordt de loonwaarde, tot het moment dat dit wel
                                het geval is, bepaald aan de hand van een methodiek die voldoet aan
                                de eisen die worden gesteld in de algemene maatregel van bestuur
                                alsook aan de eisen van de ministeriële regeling.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>§</label><nr>2.4</nr><titel>Studietoeslag</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 10 Indienen verzoek</titel></kop><al>Een verzoek voor studietoeslag als bedoeld in artikel 36b, eerste
                                lid, van de P-wet, wordt ingediend middels een door het college
                                vastgesteld formulier.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 11 Mogelijkheid tot verdienen wettelijk
                                    minimumloon</titel></kop><al>Het college controleert of de aanvrager voldoet aan de vereisten van
                                artikel 36b en stelt vast of de belanghebbende niet in staat is tot
                                het verdienen van het wettelijk minimumloon, maar wel mogelijkheden
                                heeft tot arbeidsparticipatie. Bij twijfel vraagt het college een
                                externe organisatie om advies.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 12 Eenmaal per periode individuele studietoeslag
                                    verlenen</titel></kop><al>Een persoon kan slechts eenmaal per studiejaar in aanmerking komen
                                voor een individuele studietoeslag.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 13 Hoogte individuele studietoeslag</titel></kop><al>1. Een individuele studietoeslag bedraagt maximaal € 100 per maand.
                                2. Indexering van het onder lid 1 genoemde bedrag vindt per nieuw
                                studiejaar plaats op basis van het consumentenprijsindexcijfer, af
                                te ronden op hele euro's.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 14 Betaling individuele studietoeslag</titel></kop><al>Een individuele studietoeslag wordt per studiejaar eenmalig als één
                                bedrag uitbetaald.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>§</label><nr>2.5</nr><titel>Tegenprestatie</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 15 Doelgroep en doel tegenprestatie</titel></kop><al>1. Tot de doelgroep van de tegenprestatie behoren alle
                                belanghebbenden van 18 jaar of ouder, die de pensioengerechtigde
                                leeftijd nog niet hebben bereikt en die een uitkering ontvangen op
                                grond van de wet. 2. Het doel van het verrichten van een
                                tegenprestatie is om belanghebbenden maatschappelijk nuttige
                                werkzaamheden te laten verrichten.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 16 Inhoud van een tegenprestatie</titel></kop><al>1. Het college kan onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden,
                                die additioneel van aard zijn, inzetten als tegenprestatie voor
                                zover die werkzaamheden: a. naar zijn aard niet zijn gericht op
                                toeleiding tot de arbeidsmarkt en; b. niet zijn bedoeld als
                                re-integratie instrument en; c. in de organisatie waarin ze worden
                                verricht, worden verricht naast of in aanvulling op reguliere arbeid
                                en; d. niet leiden tot verdringing op de arbeidsmarkt. 2. Het
                                college stelt ter nadere uitvoering van de tegenprestatie
                                beleidsregels vast waarin wordt vastgelegd welke aanvullende
                                werkzaamheden het college in ieder geval kan aanbieden en de
                                voorwaarden die daarbij gelden voor zover daarover in deze
                                verordening geen nadere bepalingen zijn opgenomen.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 17 Het opdragen van een tegenprestatie</titel></kop><al>1. Het college kan een belanghebbende een tegenprestatie opdragen.
                                2. Bij het opdragen van een tegenprestatie houdt het college
                                rekening met de volgende factoren: a. de belanghebbende moet de
                                tegenprestatie naar vermogen kunnen verrichten; b. de persoonlijke
                                situatie en individuele omstandigheden van een belanghebbende worden
                                in aanmerking genomen; c. de wensen van de belanghebbende ten
                                aanzien van de inhoud van de tegenprestatie, waaronder begrepen een
                                eventueel voorstel voor wat betreft de inhoud van de tegenprestatie
                                van de belanghebbende zelf.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 18 Duur en omvang van een tegenprestatie</titel></kop><al>1. De uitvoering van de tegenprestatie wordt opgedragen voor een
                                maximale duur van drie maanden. 2. De tegenprestatie wordt
                                opgedragen voor maximaal acht uur per week. 3. De tegenprestatie kan
                                binnen een periode van 12 maanden slechts eenmaal worden
                                opgedragen.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 19 Afzien van het opleggen van een
                                    tegenprestatie</titel></kop><al>1. Het college draagt geen tegenprestatie op indien een
                                belanghebbende mantelzorg verricht. 2. Het college draagt geen
                                tegenprestatie op indien de belanghebbende naar het oordeel van het
                                college reeds voldoende maatschappelijk nuttige activiteiten
                                verricht. 3. Het college kan afzien van het opleggen van de
                                tegenprestatie aan bepaalde groepen uitkeringsgerechtigden en legt
                                dat, indien van toepassing, vast in beleidsregels.  </al></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>§</label><nr>3</nr><titel>Afstemming en bestuurlijke boete</titel></kop><paragraaf><kop><label>§</label><nr>3.1</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 20 Het opleggen van een verlaging van de
                                    uitkering</titel></kop><al>1. Als de belanghebbende naar het oordeel van het college
                                tekortschietend besef van verantwoordelijkheid betoont voor de
                                voorziening in het bestaan zoals bedoeld in de P-wet dan wel de
                                verplichtingen genoemd in deze verordening en/of de wet, met
                                uitzondering van artikel 17, eerste lid, P-wet en artikel 13 IOAW en
                                IOAZ, niet of onvoldoende nakomt, waaronder begrepen het zich zeer
                                ernstig misdragen zoals omschreven in artikel 34 van deze
                                verordening, wordt overeenkomstig deze verordening een verlaging van
                                de uitkering opgelegd. 2. Een verlaging van de uitkering wordt
                                afgestemd op de ernst van de gedraging, de mate waarin de
                                belanghebbende de gedraging kan worden verweten en de omstandigheden
                                waarin hij of zijn gezin verkeert.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 21 Besluit</titel></kop><al>1. In het besluit tot het opleggen van de verlaging of waarschuwing
                                van de uitkering wordt in ieder geval vermeld: de reden van de
                                verlaging/waarschuwing, de eventuele duur en hoogte van de verlaging
                                als ook de afweging van de individuele belangen zoals bedoeld in
                                deze verordening. 2. Met een besluit waarmee een verlaging is
                                opgelegd, wordt gelijkgesteld het besluit om daarvan af te zien op
                                grond van dringende redenen dan wel het geven van een waarschuwing
                                op grond van deze verordening. Daarom tellen ook deze besluiten mee
                                voor recidive.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 22 Afzien van het opleggen van een verlaging</titel></kop><al>1. Het college ziet af van het opleggen van een verlaging indien: a.
                                elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt; of b. de gedraging meer dan
                                2 jaar voor constatering daarvan door het college heeft
                                plaatsgevonden en het is niet de gedraging zoals bedoeld in de
                                geüniformeerde maatregelen, zoals opgenomen in artikel 18 lid 4
                                P-wet. 2. Het college kan afzien van het opleggen van een verlaging
                                indien het daarvoor dringende redenen aanwezig acht. 3. Indien het
                                college afziet van het opleggen van een verlaging op grond van
                                dringende redenen, wordt aan de belanghebbende daarvan schriftelijk
                                mededeling gedaan.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 23 Ingangsdatum, tijdvak en recidive</titel></kop><al>1. Tenzij in deze verordening anders is bepaald, gaat de verlaging
                                in op de eerste dag van de kalendermaand die volgt op de datum
                                waarop het besluit tot het opleggen van de verlaging van de
                                uitkering aan de belanghebbende is bekendgemaakt. Daarbij wordt
                                uitgegaan van de voor die maand geldende toepasselijke
                                bijstandsnorm. 2. In afwijking van het eerste lid kan de verlaging
                                met terugwerkende kracht worden opgelegd als er sprake is van een
                                besluit op aanvraag, voor zover de uitkering nog niet is uitbetaald.
                                In deze situatie werkt het verlagen van de uitkering terug tot de
                                ingangsdatumdatum van de uitkering dan wel de datum waarop het
                                verzuim betrekking heeft. 3. In afwijking van het eerste lid kan,
                                voor zover het zelfstandigen betreft die een uitkering voor
                                levensonderhoud hebben ontvangen in de vorm van een geldlening op
                                grond van het Bbz, de verlaging met terugwerkende kracht worden
                                betrokken bij de definitieve vaststelling van die bijstand. 4. Bij
                                samenloop van verschillende gedragingen die het niet nakomen van
                                verplichtingen inhouden, wordt de hoogte en duur van de verlaging
                                vastgesteld op de gedraging met de hoogste verlaging. 5. De
                                uitkering wordt verlaagd voor de duur van één maand, tenzij sprake
                                is van: a. recidive, dan wordt de duur van de verlaging verdubbeld
                                tenzij in deze verordening of de wet anders is bepaald; b.
                                verwijtbaar gedrag waarvoor in deze verordening een afwijkende duur
                                is vastgesteld. 6. Indien door beëindiging van de uitkering de
                                verlaging niet of niet volledig kan worden toegepast, kan bij een
                                eventuele nieuwe aanvraag binnen de termijn van 1 jaar de verlaging
                                of het deel dat nog niet is uitgevoerd alsnog worden
                                geëffectueerd.</al><al> </al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 24 De berekeningsgrondslag van de verlaging</titel></kop><al>1. De verlaging wordt toegepast op de toepasselijke bijstandsnorm.
                                2. Deze verlaging bestaat uit een percentage van de toepasselijke
                                bijstandsnorm, dan wel uit een percentage van het benadelingsbedrag,
                                zoals opgenomen in deze verordening. 3. In afwijking van het eerste
                                lid kan de verlaging ook worden toegepast op de bijzondere bijstand
                                indien: a. aan belanghebbende bijzondere bijstand wordt verleend met
                                toepassing van artikel 12 (onderhoudsplicht ouders) P-wet; b. de
                                verwijtbare gedraging van belanghebbende, in relatie tot het recht
                                op bijzondere bijstand, daartoe aanleiding geeft; c. het bijzondere
                                bijstand betreft voor woonkosten en premie voor
                                arbeidsongeschiktheidsverzekering aan zelfstandigen die een
                                uitkering voor levensonderhoud (hebben) ontvangen krachtens het Bbz
                                of IOAZ. 4. Onverminderd het bepaalde in de vorige leden kan
                                bijzondere bijstand worden afgestemd op de wijze zoals beschreven in
                                artikel 32 lid 5 van deze verordening wanneer sprake is van
                                tekortschietend besef van verantwoordelijkheid. 5. Onverminderd het
                                bepaalde in de vorige leden kan afstemming plaatsvinden door de
                                bijstand bij een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor
                                de voorziening in de kosten van het bestaan te verstrekken als
                                geldlening op basis van artikel 48, tweede lid, onder b, P-wet.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 25 Waarschuwing</titel></kop><al>Het college kan bij gedragingen uit de tweede categorie zoals
                                bedoeld in 27 sub b en 29 sub b van deze verordening, in plaats van
                                een verlaging, een waarschuwing opleggen indien, ter beoordeling van
                                het college, de ernst van de gedraging, de mate van verwijtbaarheid
                                en de omstandigheden waarin belanghebbende verkeert daartoe
                                aanleiding geven.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 26 Horen van belanghebbende(n)</titel></kop><al>Voordat de uitkering wordt verlaagd, wordt de belanghebbende in de
                                gelegenheid gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen. Hiervan
                                kan afgezien worden als: a. de belanghebbende zijn zienswijze al
                                eerder kenbaar heeft gemaakt en er geen sprake is van nieuwe feiten
                                of omstandigheden; of b. binnen de gestelde termijn niet is voldaan
                                aan de inlichtingenplicht; of c. het horen niet nodig is voor het
                                vaststellen van de ernst van de gedraging of de mate van
                                verwijtbaarheid.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>§</label><nr>3.2</nr><titel>Gedragingen en bijbehorende maatregelen</titel></kop><structuurtekst><al/></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><label>§</label><nr>3.2.1</nr><titel>Niet nakomen van de niet geüniformeerde verplichtingen met
                                betrekking tot de arbeidsinschakeling</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 27 Gedragingen P-wet</titel></kop><al>Gedragingen van een belanghebbende waardoor algemeen geaccepteerde
                                arbeid niet wordt verkregen of een verplichting op grond van de
                                artikelen 9 en 9a van de P-wet niet of onvoldoende wordt nagekomen,
                                worden onderscheiden in de volgende categorieën: a. eerste
                                categorie: 1. het door een persoon niet of onvoldoende meewerken aan
                                het opstellen, uitvoeren of evalueren van een plan van aanpak; 2.
                                het onvoldoende aantoonbaar trachten arbeid of passende scholing te
                                verkrijgen, te aanvaarden en te behouden gedurende de wachttijd van
                                4 weken na melding voor jongeren tot 27 jaar; 3. het niet of
                                onvoldoende verrichten van een door het college opgedragen
                                tegenprestatie naar vermogen als bedoeld in artikel 9, eerste lid,
                                onderdeel c, P-wet. 4. het niet naar vermogen meewerken aan de
                                verplichtingen, verbonden aan de inspanningsperiode van vier weken
                                na aanvraag voor personen van 27 jaar en ouder; 5. het niet of in
                                onvoldoende mate meewerken aan een onderzoek naar de mogelijkheden
                                tot arbeidsinschakeling of re-integratie. b. tweede categorie: 1.
                                het niet naar vermogen proberen algemeen geaccepteerde arbeid te
                                verkrijgen voor zover dit niet voortvloeit uit een gedraging als
                                bedoeld in artikel 18, vierde lid, van de P-wet; 2. het door een
                                alleenstaande ouder niet voldoen aan de re-integratieverplichtingen
                                verbonden aan de in artikel 9a, eerste lid, P-wet bedoelde
                                ontheffing, wat heeft geleid tot het intrekken van de ontheffing van
                                de arbeidsplicht; 3. het zich niet (tijdig) laten registeren als
                                werkzoekende bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen of
                                het niet (tijdig) laten verlengen van de registratie; 4. andere
                                gedragingen die de inschakeling in arbeid belemmeren, niet zijnde
                                gedragingen genoemd in artikel 18, vierde lid, P-wet.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 28 Niet nakomen overige verplichtingen P-wet</titel></kop><al>Indien een belanghebbende nadere verplichtingen als bedoeld in
                                artikel 55 P-wet die strekken tot arbeidsinschakeling niet nakomt,
                                wordt een verlaging van de uitkering van 50% gedurende 1 maand
                                toegepast.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 29 Gedragingen IOAW en IOAZ</titel></kop><al>Gedragingen van een belanghebbende waardoor algemeen geaccepteerde
                                arbeid niet wordt verkregen of een verplichting op grond van de
                                artikelen 37 en 38 van de IOAW/IOAZ niet of onvoldoende wordt
                                nagekomen, worden onderscheiden in de volgende categorieën: a.
                                eerste categorie: 1. het niet aanvaarden van algemeen geaccepteerde
                                arbeid; 2. het door eigen toedoen niet behouden van algemeen
                                geaccepteerde arbeid; 3. het weigeren van een passend re-integratie
                                aanbod; 4. het niet of onvoldoende verrichten van een door het
                                college opgedragen tegenprestatie naar vermogen als bedoeld in
                                artikel 37, eerste lid, onderdeel f, IOAW/IOAZ. 5. het niet naar
                                vermogen meewerken aan de verplichtingen, verbonden aan de
                                inspanningsperiode van vier weken na aanvraag voor personen van 27
                                jaar en ouder. 6. het niet of in onvoldoende mate meewerken aan een
                                onderzoek naar de mogelijkheden tot arbeidsinschakeling of
                                re-integratie; b. tweede categorie: 1. het niet naar vermogen
                                proberen algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen; 2. het niet
                                naar vermogen meewerken aan een door het college aangeboden
                                voorziening als bedoeld in de artikelen 36, eerste lid, en 37,
                                eerste lid, onderdeel e, IOAW/IOAZ, waaronder begrepen het niet naar
                                vermogen deelnemen aan taalwervingslessen voor mensen die
                                onvoldoende de Nederlandse taal beheersen; 3. het door een
                                alleenstaande ouder niet voldoen aan de re-integratieverplichtingen
                                verbonden aan de in artikel 38, eerste lid, IOAW/IOAZ bedoelde
                                ontheffing, wat heeft geleid tot het intrekken van de ontheffing van
                                de arbeidsplicht; 4. het zich niet (tijdig) laten registeren als
                                werkzoekende bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen of
                                het niet (tijdig) laten verlengen van de registratie; 5. andere
                                gedragingen die de inschakeling in arbeid belemmeren.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 30 Hoogte en duur van de verlaging</titel></kop><al>1. De verlaging, bij gedragingen als bedoeld in de artikelen 27 en
                                29 van deze verordening, wordt vastgesteld op: a. 100% van de
                                uitkering gedurende 1 maand bij gedragingen van de eerste categorie;
                                b. 50% van de uitkering gedurende 1 maand bij gedragingen van de
                                tweede categorie; 2. Het college kan op basis van individuele
                                omstandigheden besluiten om in afwijking van lid 1, onderdeel a, van
                                dit artikel de maatregel te effectueren door gedurende 2 maanden de
                                uitkering met 50% te verlagen.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>3.2.2</nr><titel>Niet nakomen van de geüniformeerde verplichtingen met betrekking
                                tot de arbeidsinschakeling</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 31 Duur verlaging bij schending geüniformeerde
                                    arbeidsverplichtingen</titel></kop><al>Als een belanghebbende een verplichting als bedoeld in artikel 18,
                                vierde lid, van de P-wet niet of onvoldoende nakomt, bedraagt de
                                verlaging 100 % van de bijstandsnorm gedurende 1 maand.</al><al>§ 3.2.3 Overige gedragingen die leiden tot een verlaging</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 32 Tekortschietend besef van
                                    verantwoordelijkheid</titel></kop><al>1. Indien een belanghebbende een tekortschietend besef van
                                verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan heeft
                                betoond, niet zijnde de gedragingen zoals genoemd in lid 4 van dit
                                artikel en artikel 33 van deze verordening, dan wordt een verlaging
                                van de uitkering opgelegd die wordt afgestemd op de hoogte van het
                                benadelingsbedrag. 2. De verlaging als bedoeld in lid 1 wordt op de
                                volgende wijze vastgesteld: a. 10% van het benadelingsbedrag als dit
                                gelijk of lager is dan € 4.000; b. 20% van het benadelingsbedrag als
                                dit hoger is dan € 4.000. 3. Indien geen benadelingsbedrag kan
                                worden vastgesteld bedraagt de verlaging 20% van de uitkering
                                gedurende één maand. 4. Bij het versneld interen van vermogen of het
                                hebben gedaan van een schenking waarmee rekening zou zijn gehouden
                                bij het verlenen van de bijstand, kan voor de duur van het eerder
                                dan wel langer bijstandsafhankelijk zijn een verlaging worden
                                opgelegd van 100%. Deze bepaling geldt alleen voor de P-wet. 5.
                                Wanneer een belanghebbende bij aanvragen voor bijzondere bijstand
                                geen gebruik maakt van een voorliggende voorziening, die gezien haar
                                aard passend en toereikend is voor de soort kosten waarvoor
                                bijzondere bijstand is aangevraagd, wordt de bijzondere bijstand
                                verlaagd met het bedrag waarin de voorliggende voorziening zou
                                hebben voorzien. 6. Als toepassing van lid 4 leidt tot
                                onbillijkheden, wordt toepassing gegeven aan het bepaalde in artikel
                                48, tweede lid, onder b, P-wet en wordt de uitkering verstrekt in de
                                vorm van een geldlening voor de duur van het eerder dan wel langer
                                bijstandsafhankelijk zijn.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 33 Verlies van een passende en toereikende
                                    voorliggende voorziening wegens recidiveboete</titel></kop><al>In afwijking van het bepaalde in artikel 32 van deze verordening
                                wordt een verlaging van de uitkering opgelegd van 100% gedurende één
                                maand, indien belanghebbende geen beroep meer kan doen op een
                                passende en toereikende voorliggende voorziening, omdat deze
                                volledig wordt verrekend met een bestuurlijke boete, gerekend vanaf
                                de start van de verrekening.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 34 Zeer ernstig misdragen</titel></kop><al>1. Als de belanghebbende zich ernstig misdraagt tegenover personen
                                en instanties, die zijn belast met de uitvoering van de P-wet, als
                                bedoeld in artikel 9, zesde lid van de P-wet, kan de uitkering
                                worden verlaagd. 2. Als de belanghebbende zich ernstig misdraagt
                                tegenover het college of zijn ambtenaren, onder omstandigheden die
                                rechtstreeks verband houden met de uitvoering van de IOAW, IOAZ of
                                Bbz, kan de uitkering worden verlaagd. 3. Het agressieprotocol
                                treedt in werking in geval van een zeer ernstige misdraging. 4. Het
                                college legt een maatregel op van 100% gedurende één maand. 5. Bij
                                recidive legt het college een maatregel op van 100% gedurende 3
                                maanden.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 35 Niet nakomen van overige verplichtingen</titel></kop><al>Indien een belanghebbende een of meerdere door het college opgelegde
                                verplichtingen als bedoeld in artikel 55 P-wet, niet zijnde de
                                gedragingen als bedoeld in artikel 28 of 32 van deze verordening,
                                niet of onvoldoende nakomt, wordt een verlaging toegepast. De
                                verlaging wordt vastgesteld op: a. 20% gedurende 1 maand bij het
                                niet of onvoldoende nakomen van nadere verplichtingen die verband
                                houden met de aard en het doel van een bepaalde vorm van bijstand;
                                b. 40% gedurende 1 maand bij het niet of onvoldoende nakomen van
                                nadere verplichtingen die strekken tot vermindering van de bijstand;
                                c. 100% gedurende 1 maand bij het niet of onvoldoende nakomen van
                                nadere verplichtingen die strekken tot beëindiging van de
                                bijstand.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>§</label><nr>3.3</nr><titel>Bestuurlijke boete</titel></kop><structuurtekst><al/></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><label>§</label><nr>3.3.1</nr><titel>Schending inlichtingenplicht</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 36 Niet nakomen van de inlichtingenverplichting en
                                    bestuurlijke boete</titel></kop><al>1. Bij het niet, niet tijdig of niet volledig voldoen aan de
                                inlichtingenverplichting op grond van de wet, waardoor ten onrechte
                                of tot een te hoog bedrag uitkering is verleend, wordt er een
                                bestuurlijke boete opgelegd ter hoogte van het benadelingsbedrag. 2.
                                Indien het benadelingsbedrag lager is dan de minimale boete zoals
                                opgenomen in het Boetebesluit, wordt deze minimale boete opgelegd.
                                3. Indien het niet, niet tijdig, of niet behoorlijk nakomen van de
                                inlichtingenplicht op grond van de wet niet heeft geleid tot een
                                benadelingsbedrag, dan wordt de minimale boete opgelegd zoals
                                opgenomen in het Boetebesluit. 4. Als er sprake is van een situatie
                                zoals genoemd in lid 3, en er geen sprake is van recidive, kan het
                                college besluiten tot het geven van een waarschuwing in plaats van
                                het opleggen van een bestuurlijke boete. 5. De boete wegens
                                schending van de inlichtingenplicht wordt niet opgelegd zolang de
                                gedraging wordt onderzocht door het Openbaar Ministerie en blijft
                                definitief achterwege indien ter zake strafvervolging is ingesteld
                                en het onderzoek ter terechtzitting een aanvang heeft genomen, of
                                het recht tot strafvervolging is vervallen ingevolge artikel 74 van
                                het Wetboek van Strafrecht.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 37 Matigen en afzien van opleggen bestuurlijke
                                    boete</titel></kop><al>1. Het college kan de bestuurlijke boete matigen als er sprake is
                                van verminderde verwijtbaarheid. 2. Het college kan afzien van het
                                opleggen van een boete als er sprake is van zeer dringende
                                redenen.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>§</label><nr>3.3.2</nr><titel>Bescherming beslagvrije voet bij verrekening wegens recidive
                                (alleen P-wet)</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 38 Verrekenen zonder beslagvrije voet bij voldoende
                                    bezit</titel></kop><al>1. Indien het bezit van een belanghebbende ten minste driemaal de
                                toepasselijke bijstandsnorm bedraagt, verrekent het college de
                                recidiveboete de eerste drie maanden zonder inachtneming van de
                                beslagvrije voet. 2. De verrekening, bedoeld in het eerste lid,
                                geschiedt gedurende een tijdvak van drie maanden vanaf de eerste van
                                de maand volgend op de dagtekening waarop de bestuurlijke boete is
                                opgelegd.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 39 Verrekenen bij geen of onvoldoende bezit</titel></kop><al>1. Indien het bezit van een belanghebbende niet ten minste driemaal
                                de toepasselijke bijstandsnorm bedraagt, verrekent het college de
                                recidiveboete gedurende één maand zonder inachtneming van de
                                beslagvrije voet. De verrekening geschiedt vanaf de eerste van de
                                maand volgend op de dagtekening waarop de bestuurlijke boete is
                                opgelegd. 2. Aansluitend op verrekening als bedoeld in het eerste
                                lid, verrekent het college de recidiveboete in de daarop volgende
                                twee maanden op een dusdanige wijze dat belanghebbende blijft
                                beschikken over een inkomen ter hoogte van 80% van de toepasselijke
                                bijstandsnorm. 3. Tot het inkomen, bedoeld in het tweede lid, worden
                                ook middelen gerekend als bedoeld in artikel 31, tweede lid,
                                onderdelen n en r, P-wet.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 40 Verrekenen met inachtneming beslagvrije
                                    voet</titel></kop><al>In afwijking van de artikelen 38 en 39 van deze verordening kan het
                                college de recidiveboete met inachtneming van de beslagvrije voet
                                verrekenen indien: a. aannemelijk is dat verrekening op de wijze,
                                bedoeld in de artikelen 38 en 39 zou leiden tot huisuitzetting van
                                belanghebbende en diens gezin; of b. anderszins sprake is van
                                dringende redenen.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 41 Eerder opgelegde bestuurlijke boete</titel></kop><al>De artikelen in deze paragraaf zijn van overeenkomstige toepassing
                                op de verrekening van de bestuurlijke boete, bedoeld in artikel 18a,
                                eerste lid, P-wet, indien en voor zover deze boete nog niet is
                                betaald op het moment van verrekening.</al></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>§</label><nr>4.</nr><titel>Handhaving: Bestrijden misbruik en oneigenlijk gebruik</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 42 Hoogwaardig handhaven</titel></kop><al>1. Het voorkomen en bestrijden van uitkeringsfraude dan wel van misbruik
                            en oneigenlijk gebruik van de wet is ingericht naar het landelijk model
                            voor hoogwaardig handhaven. 2. Het college stelt regels met betrekking
                            tot hoogwaardig handhaven waarbij tenminste wordt aangegeven hoe wordt
                            geregeld: a. de voorlichting over de regelgeving alsmede de daaraan
                            verbonden gevolgen bij misbruik en oneigenlijk gebruik; b. de wijze van
                            verificatie van gegevens en van informatie uitwisseling met derden; c.
                            de wijze waarop controles worden uitgevoerd; d. de wijze waarop fraude
                            wordt opgespoord en afgehandeld.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 43 Controle</titel></kop><al>1. Het college doet onderzoek naar de rechtmatigheid van de uitkering en
                            kan daarbij gebruikmaken van controlemiddelen zoals een
                            heronderzoeksplan, huisbezoeken, risicoprofielen, bestandsvergelijkingen
                            en de samenloopsignalen die daaruit voortkomen. Het college onderzoekt
                            daarnaast overige signalen en tips die relevant zijn voor het recht op
                            bijstand. 2. Het college doet onderzoek naar de reden van de beëindiging
                            van de uitkering en neemt op basis daarvan besluiten met betrekking tot
                            de rechtmatigheid van de uitkering en de wederzijds tussen het college
                            en de belanghebbende resterende verplichtingen en de afhandeling
                            daarvan.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 44 Aangifte bij het Openbaar Ministerie</titel></kop><al>Indien een schending van de inlichtingenplicht leidt tot benadeling van
                            de gemeenten, doet het college aangifte bij het Openbaar Ministerie, in
                            overeenstemming met de door het Openbaar Ministerie op dit punt
                            gehanteerde uitgangspunten in de Aanwijzing Sociale
                            Zekerheidsfraude.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 45 Terugvorderen opgespoorde fraudebedragen</titel></kop><al>Het college stelt regels met betrekking tot herziening, terug- en
                            invordering waarbij tenminste wordt geregeld: a. op welke wijze gebruik
                            wordt gemaakt van de wettelijke bevoegdheid tot herziening,
                            terugvordering en invordering van een verstrekte voorziening; b. op
                            welke wijze er geheel of gedeeltelijk van terugvordering dan wel van
                            invordering kan worden afgezien; c. met welke frequentie heronderzoeken
                            plaats moeten vinden.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>46</nr><titel>Verhaal</titel></kop><al>Het college stelt regels op met betrekking tot verhaal op de
                            onderhoudsplicht waarin tenminste wordt geregeld: a. op welke wijze
                            gebruik wordt gemaakt van de wettelijke bevoegdheid tot verhaal; b.
                            wanneer en op welke wijze er wordt afgezien van het nemen van een
                            verhaalsbesluit en het invorderen van de te verhalen voorziening; c. met
                            welke frequentie heronderzoeken plaats moeten vinden.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>§</label><nr>5</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 47 Hardheidsclausule</titel></kop><al>Het college kan in bijzondere gevallen afwijken van de bepalingen in
                            deze verordening, als toepassing daarvan tot onbillijkheden van
                            overwegende aard leidt. Hierbij moet vermeld worden dat voorzieningen en
                            uitkeringsverlening altijd afgestemd wordt op de individuele
                            situatie.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 48 Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening kan worden aangehaald als: “Verzamelverordening
                            2015”.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 49 Inwerkingtreding</titel></kop><al>De verordening treedt in werking op 1 januari 2015.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 50 Intrekking oude verordeningen en
                                overgangsrecht</titel></kop><al>1. De “Verzamelverordening WWB, IOAW, IOAZ, Bbz 2013” wordt op 1 januari
                            2015 ingetrokken. 2. Voor wat betreft de re-integratieparagraaf geldt
                            het volgende: een persoon die gebruik maakt van een toegekende
                            voorziening op grond van de Verzamelverordening 2013, die moet worden
                            beëindigd op grond van deze verordening, behoudt deze voorziening voor
                            zover wordt voldaan aan de voorwaarden voor de duur dat deze is
                            verstrekt. 3. De toeslagenparagraaf van de Verzamelverordening 2013
                            blijft gelden voor alle belanghebbenden, die op 31 december 2014 een
                            uitkering krachtens de WWB ontvingen, bij ongewijzigde omstandigheden
                            tot 1 juli 2015.</al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><nota-toelichting><kop><titel>Toelichting Verzamelverordening Participatiewet, IOAW, IOAZ en Bbz
                        2015</titel></kop><al/><al>Inleiding Per 1 januari 2015 wordt de Participatiewet (P-wet) ingevoerd. De Wet
                    werk en bijstand (WWB) gaat hier in op. De P-wet maakt onderdeel uit van de 3
                    grote transities op het sociale domein, waarmee centrale overheidstaken naar
                    gemeenten komen. De overheveling in de P-wet betreft de afschaffing van nieuwe
                    instroom Sociale Werkvoorziening en jonggehandicapten met arbeidspotentieel. Het
                    zittende bestand SW en Wajong blijft onder de WSW vallen en het UWV. Ook mensen
                    die duurzaam en volledig arbeidsongeschikt zijn houden recht op een Wajong
                    uitkering vanuit het UWV. Naast de invoering van de P-wet zijn er ook WWB
                    maatregelen 2015 doorgevoerd. Deze gaan o.a. over de kostendelersnorm, waardoor
                    het gemeentelijk beleid op toeslagen en verlagingen geschrapt is. Deze
                    verordeningsplicht vervalt dan ook. Ook is er een aantal gedragingen expliciet
                    in de wet opgenomen, waaraan een wettelijke maatregel is gekoppeld. Deze
                    maatregelen zijn ook als zodanig in deze verzamelverordening opgenomen. De P-wet
                    kent een aantal nieuwe, verplichte verordeningen. Dit zijn: tegenprestatie,
                    loonkostensubsidie, beschut werk. Deze verordeningen zijn in deze
                    verzamelverordening gerangschikt onder de paragraaf re-integratie en
                    tegenprestatie. Verder komen de afstemmings- (incl. bestuurlijke boete) en
                    handhavingsverordening terug. Ook nu zijn een groot deel van de verplichte
                    verordeningen samengevoegd tot één verzamelverordening. Dit omdat deze
                    onderwerpen zeer nauw samenhangen en vanwege de lokale wens om de uitvoering te
                    vereenvoudigen en regels terug te dringen. Er zijn nog enkele aparte
                    verordeningen die vastgesteld moeten worden: De verordening individuele
                    inkomenstoeslag vervangt de verordening langdurigheidstoeslag en wordt als
                    afzonderlijke verordening ter vaststelling aangeboden. De verordening
                    cliëntparticipatie wordt in de loop van 2015 vervangen. Deze laatste wordt
                    onderwerp van een onderzoek. Het is namelijk denkbaar, vanwege de invoering van
                    de P-wet, de Jeugdwet en de WMO 2015, om te gaan werken met één raad voor het
                    sociale domein.</al><al>Ook nu zijn er duidelijk weer aanscherpingen te zien op het afstemmings- en
                    handhavingsbeleid. Met name de uniforme maatregelen in de wet geven dit aan.
                    Hier staat een minimale maatregel van 100% gedurende 1 maand voor. Ook is heel
                    duidelijk te zien dat er sprake is van een kanteling in denken: minder inzet van
                    voorzieningen, vooral begeleiding naar de reguliere arbeidsmarkt en wie
                    begeleiding nodig heeft krijgt deze kortdurend en heel gericht.</al><al>Het kabinet beschrijft deze ontwikkelingen als volgt:</al><al>Individueel, maatschappelijk én financieel belang nieuwe aanpak “Ieder mens
                    heeft recht op zelfbeschikking, verdient de kans het beste uit zichzelf te halen
                    en zich te ontplooien. We schrijven niemand af, maar spreken iedereen aan. Een
                    baan is immers de beste sociale zekerheid. Natuurlijk zorgen we samen voor wie
                    echt niet kan meedoen.” Zo beschrijft het regeerakkoord van dit kabinet het
                    individuele belang dat iedereen die dat kan, ook naar vermogen meedoet. Meedoen
                    naar vermogen dient daarnaast ook een maatschappelijk en economisch belang. De
                    arbeidsmarkt staat voor grote veranderingen. Voor het eerst sinds decennia neemt
                    het aantal werkenden af. Als er niets gebeurt, komt de samenleving straks mensen
                    tekort om het werk te doen. Terwijl er intussen om uiteenlopende redenen nog
                    veel mensen langs de kant staan die (gedeeltelijk) wel kunnen werken. Dat is
                    sociaal en economisch ongewenst.</al><al>Voor mensen met een arbeidsbeperking die hierdoor niet in staat zijn om het
                    wettelijk minimum uurloon te verdienen zijn specifieke voorzieningen
                    voorgeschreven welke op maat in deze verordening terug te zien zijn.</al><al>Aanpassingen vanwege de invoering P-wet In de verordening zijn bepalingen
                    opgenomen met betrekking tot voorzieningen, specifiek voor mensen met verminderd
                    arbeidsvermogen (o.a. in §2.3). Hieronder valt ook de studietoeslag, die
                    verstrekt wordt aan niet-uitkeringsgerechtigden ter ondersteuning bij hun
                    studie. Deze bepalingen worden veelal nog nader uitgewerkt in beleidsregels om
                    te komen tot maatwerk en toch zo veel als mogelijk uniformiteit.</al><al>Aanpassing WWB maatregelen 2015 De uniforme maatregelen zijn verwerkt. Hierop is
                    de maatregel "niet ingeschreven staan UWV" verhoogd zodat deze aansluit op de
                    uniforme maatregelen. Vanwege de invoering van de kostendelersnorm is de
                    toeslagenparagraaf vervallen. Er worden nog wel beleidsregels opgesteld om de
                    commerciële huurdeling te regelen. Verder staat de tegenprestatie in de
                    paragraaf re-integratie en tegenprestatie opgenomen.</al><al>De Verzamelverordening 2015 is als volgt opgebouwd: 1. algemene bepalingen 2.
                    re-integratie en tegenprestatie 3. maatregelen (afstemming) incl. bestuurlijke
                    boete 4. handhaving 5. slotbepalingen</al><al>  §1 Algemene bepalingen</al><al>Artikel 1. Definities De centrale rol van participatie in de bijstandsverlening
                    (werk boven inkomen en iedereen doet mee) raakt in het bijzonder de doelgroep,
                    het karakter en de reikwijdte van begrippen als participatie en voorzieningen.
                    De in de verzamelverordening gebruikte begrippen sluiten zoveel als mogelijk aan
                    bij die van de wetgeving. Dit uit het oogpunt van helderheid en structuur.
                    Hiermee wordt het makkelijker om de samenhang te doorzien tussen het doel van de
                    wetgeving en de in de verordening uitgewerkte beleidskaders. Voor zover er
                    definities niet in de Verordening zijn opgenomen, gelden deze zoals in de wet
                    bedoeld. De definities in deze paragraaf gelden voor de gehele
                    Verzamelverordening, tenzij hierop in de paragrafen een uitzondering voor wordt
                    gegeven.</al><al>§2 Re-integratie Dit hoofdstuk regelt het ondersteunen en het aanbieden van
                    voorzieningen aan werkzoekenden die behoren tot de doelgroep. De opdracht
                    hiertoe is geregeld in artikel 7 van de P-wet en 34 IOAW. Voor de IOAZ en Bbz
                    gelden deze regels niet vanwege de specifieke doelgroep en bepalingen.</al><al>Artikel 2 Opdracht en taak van het college Het college biedt voorzieningen en
                    ondersteuning zoals bedoeld in deze verordening aan personen aan die behoren tot
                    de doelgroep re-integratie. Door het college wordt een afweging gemaakt, waarbij
                    gekeken wordt of een voorziening gelet op de mogelijkheden en capaciteiten van
                    de belanghebbende (het meest) doelmatig is met het oog op arbeidsinschakeling.
                    Het is aan het college om te zorgen voor voldoende aanbod van voorzieningen
                    gericht op arbeidsinschakeling en re-integratie. Het college zorgt voor een
                    gevarieerd aanbod aan voorzieningen en legt deze vast in de beleidsregels. Bij
                    het aanbieden van een voorziening of ondersteuning houdt het college rekening
                    met de mogelijkheden en omstandigheden van de belanghebbende, zoals bedoeld in
                    artikel 8a, tweede lid, onderdeel a, van de P-wet. Hierin ligt besloten dat de
                    gemeenteraad ook rekening houdt met de omstandigheden en functionele beperkingen
                    van personen met een handicap. Dit is in overeenstemming met het VN-verdrag
                    inzake de rechten van personen met een handicap. De doelstelling van dit verdrag
                    is het bevorderen, beschermen en waarborgen van het volledige genot door alle
                    personen met een handicap van alle mensenrechten en fundamentele vrijheden op
                    voet van gelijkheid en het bevorderen van de eerbiediging van hun inherente
                    waardigheid. Daarnaast dient het college bij het aanbieden van ondersteuning of
                    een voorziening rekening te houden met de zorgtaken van de belanghebbende. Onder
                    deze zorgtaken worden ten minste verstaan de opvang van ten laste komende
                    kinderen en het verrichten van mantelzorg. Door het college worden nadere regels
                    gesteld over inhoud van deze zorgtaken en de manier waarop daarmee rekening
                    wordt gehouden.</al><al>Soms hebben personen hulp of ondersteuning nodig, anders dan direct gericht op
                    arbeid, om de stap richting de arbeidsmarkt te kunnen maken. Dit kan
                    bijvoorbeeld het geval zijn wanneer er sprake is van een ernstige
                    schuldenproblematiek. In lid vier is opgenomen dat het college de inzet van
                    flankerende voorzieningen bevordert. Bij deze voorzieningen kan dus gedacht
                    worden aan een traject in het kader van schuldhulpverlening maar bijvoorbeeld
                    ook kinderopvang. De inzet van een dergelijke voorziening kan (in het
                    individuele geval) een randvoorwaarde zijn voor wat betreft deelname aan
                    re-integratievoorzieningen en nakoming van arbeidsverplichtingen. Let wel: de
                    gemeente hoeft niet perse zelf alle voorzieningen te organiseren, maar houdt wel
                    rekening met het beschikbaar zijn hiervan. De gemeente kan, om de financiële
                    risico’s te beheersen, een verdeling maken van de middelen over de verschillende
                    voorzieningen. Het college zal naar aanleiding van een aanspraak op
                    ondersteuning altijd een individuele afweging maken of zij die aanspraak wil en
                    kan honoreren. Het ontbreken van financiële middelen kan echter niet de reden
                    zijn om aanvragen op ondersteuning af te wijzen. Wel kan per voorziening een
                    plafond worden ingebouwd. Het college dient in zo'n geval na te gaan welke
                    andere, goedkopere alternatieven er beschikbaar zijn. In het individuele geval
                    is het altijd aan de gemeente om te beoordelen of er überhaupt ondersteuning
                    noodzakelijk is en welke vorm die moet krijgen, gelet op het te bereiken doel
                    van arbeidsinschakeling, al dan niet op langere termijn. Hierbij kan de afweging
                    gemaakt worden voor het goedkoopste adequate alternatief. Artikel 3 Aanspraak
                    Met de wijziging van de WWB per 1 januari 2012, heeft de Regering de
                    verplichtingen voor jongeren tot 27 jaar aangescherpt. Onder meer is toen voor
                    de jongere tot 27 jaar een zoektermijn van 4 weken ingevoerd (vanaf de datum van
                    melding). In deze periode dient de jongere aantoonbare inspanningen te
                    verrichten om algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen en zijn mogelijkheden
                    voor de terugkeer naar regulier onderwijs te onderzoeken.</al><al>Het college betrekt bij het afwegen van de belangen bij het aanbieden van
                    voorzieningen onder meer de situatie op de arbeidsmarkt, de mate van investering
                    in een belanghebbende (eerder aangeboden voorzieningen), het vooruitzicht op
                    inkomen uit betaalde arbeid als ook de mogelijkheid van een voorliggende
                    voorziening waaronder voor jongeren de terugkeer naar het reguliere
                    onderwijs.</al><al>De aanspraak voor mensen zonder uitkering, die wel tot de doelgroep behoren,
                    wordt beperkt naar inkomen en vermogen. Ook dit past in de nieuwe visie op
                    re-integratie waarbij de steeds schaarsere middelen worden ingezet voor de
                    doelgroepen die dit het hardste nodig hebben. In verband met de invoering van de
                    kostendelersnorm wordt de inkomensgrens voor het gezinsinkomen gesteld op 110%
                    van het Wettelijk minimum loon (WML), en niet de van toepassing zijnde
                    bijstandsnorm. Met gezinsinkomen wordt hier aangesloten bij het begrip gezin
                    zoals in artikel 4 onderdeel c van de P-wet. Toepassing van de
                    (kostendelers)norm zou te snel tot uitsluiting van voorzieningen leiden. Het
                    hanteren van het 110% WML heeft ook consequenties voor de mensen die voorheen
                    Wajong zouden hebben ontvangen. Dit betekent bijvoorbeeld dat arbeidsbeperkten
                    met arbeidsvermogen en een verdienende partner bij overschrijding van de
                    inkomens-/vermogensgrens geen beroep op re-integratieondersteuning zouden kunnen
                    doen, terwijl dat onder de Wajong wel kon. Daarom is in artikel 7 voor deze
                    doelgroep een aantal voorzieningen wel mogelijk gemaakt, zodat deze mensen niet
                    tussen wal en schip vallen. Het gaat dan o.a. om de begeleiding op de werkplek,
                    ondersteuning bij het zoeken en aanvaarden van werk maar ook om de no risk
                    polis. We willen hiermee mogelijk maken dat ook mensen met verminderd
                    arbeidsvermogen aan het werk kunnen gaan, ongeacht de hoogte van het inkomen van
                    het gezin.</al><al>In lid 8 is opgenomen dat de bepalingen die zijn opgenomen in lid 6 niet van
                    toepassing zijn op voorzieningen die daartoe worden aangewezen in de
                    beleidsregels. Het betreffen de voorwaarden waaronder niet
                    uitkeringsgerechtigden aanspraak kunnen maken op voorzieningen. Voor bepaalde
                    voorzieningen zijn dergelijke voorwaarden niet wenselijk. Dit lid geeft de
                    ruimte om bepaalde voorzieningen, indien gewenst, voor een bredere doelgroep in
                    te zetten.</al><al>Artikel 4 Voorzieningen De P-wet schrijft niet uitputtend voor welke
                    voorzieningen het college aan moet bieden. Het criterium is dat de voorziening
                    gericht moet zijn op de arbeidsinschakeling en moet bijdragen aan het (op
                    termijn) mogelijk maken van reguliere arbeid door een persoon. Al naar gelang de
                    afstand van een persoon tot de arbeidsmarkt kan een voorziening gericht zijn op
                    bijvoorbeeld: • activering en het voorkomen van een isolement (zoals het doen
                    van vrijwilligerswerk); • het leren van vaardigheden of kennis; • het opdoen van
                    werkervaring (bijvoorbeeld via gesubsidieerd werk); • de mogelijkheid om met
                    behoud van uitkering te werken (inclusief vergoeding); De voorzieningen voor
                    werkgevers zou je ook in verschillende categorieën kunnen opdelen. Zo kan de
                    werkgever gestimuleerd worden om een persoon uit de doelgroep werkervaring op te
                    laten doen in zijn bedrijf dan wel de persoon in dienst te nemen. De gemeente
                    zou bijvoorbeeld een deel van de opleidingskosten voor haar rekening kunnen
                    nemen. Ook kan er door middel van een voorziening worden gecompenseerd voor een
                    verminderde loonwaarde of productiviteit van een belanghebbende. Dit betreft
                    bijvoorbeeld loonkostensubsidie, zoals opgenomen in artikel 9. Verder kan het
                    college een voorziening verstrekken die het risico van een werkgever wegneemt
                    voor wat betreft ziekte van de werknemer. Dit wordt in deze verordening vertaald
                    in de no-risk polis zoals opgenomen in artikel 8. In dit artikel zijn de
                    verschillende categorieën voorzieningen opgenomen die het college tot haar
                    beschikking heeft bij het ondersteunen van belanghebbenden richting de
                    arbeidsmarkt. Onder deze categorieën vallen meer specifieke instrumenten zoals
                    bijvoorbeeld bemiddeling van de werkzoekende, scholing, proefplaatsen etc. Deze
                    individuele voorzieningen zullen door het college uitgewerkt worden in nadere
                    regels.</al><al>Artikel 5 Beëindigen van een voorziening In artikel vijf zijn de
                    beëindigingsgronden opgenomen die gelden voor voorzieningen die zijn toegekend.
                    Er staat beschreven dat het college een voorziening kan beëindigen en in welke
                    gevallen dit kan. Het college kan een voorziening beëindigen in de gevallen
                    zoals opgenomen in artikel vijf van deze verordening. Een voorziening kan
                    bijvoorbeeld worden beëindigd als een persoon niet in voldoende mate meewerkt
                    aan de betreffende voorziening. In een dergelijk geval zal overigens ook een
                    afstemming van uitkering worden bezien.</al><al>Onderdeel g. is, anders dan in onderdeel a. tot en met f., gericht op de
                    werkgever en niet op de persoon die gebruik maakt van de voorziening. Indien een
                    participatiepartner niet voldoet aan de verplichtingen die zijn verbonden aan de
                    voorziening, bijvoorbeeld het bieden van bepaalde ondersteuning op de werkvloer,
                    dan kan de voorziening ook worden beëindigd. Het is wel van belang dat er door
                    de werkgever of uitvoeringsorganisatie een overeenkomst is ondertekend waarin de
                    verwachtingen ten opzichten van de werkgever en de voorwaarden in verband met de
                    voorziening staan beschreven. Er moet worden opgelet met de reikwijdte van deze
                    bepaling, aangezien die beperkt is. Dit lid kan niet worden toegepast wanneer er
                    reeds in wettelijke bepalingen is vastgelegd wanneer aan de voorwaarden is
                    voldaan. Dat is het geval bij de voorzieningen beschut werk en
                    loonkostensubsidie. Wanneer er een arbeidsovereenkomst is gesloten tussen
                    werkgever en werknemer geldt het burgerlijk recht en heeft de werkgever enkel
                    verplichtingen richting de werknemer (en niet jegens de gemeente).</al><al>De P-wet voorziet niet in een wettelijke bepaling tot terugvordering van
                    re-integratiekosten die onnodig zijn gemaakt. Noch van een bijstandsgerechtigde,
                    noch van een niet-bijstandsgerechtigde dan wel de werkgever kunnen de kosten
                    worden teruggevorderd. Terugvordering dient te geschieden op grond van het
                    Burgerlijk Wetboek.</al><al>Artikel 6 Participatie(plaats) voor personen ouder dan 27 jaar Een
                    participatieplaats is bedoeld voor personen met een grotere afstand tot de
                    arbeidsmarkt. Voor personen jonger dan 27 jaar is ondersteuning in de vorm van
                    een participatieplaats niet mogelijk (artikel 7, achtste lid, van de P-wet). Het
                    college kan dan ook enkel aan personen van 27 jaar of ouder met recht op
                    algemene bijstand een participatieplaats aanbieden.</al><al>Additionele werkzaamheden Op een participatieplaats worden additionele
                    werkzaamheden verricht. Niet de te verrichten werkzaamheden staan centraal maar
                    het leren werken of het (opnieuw) wennen aan werken. Aspecten als omgaan met
                    gezag, op tijd komen, werkritme en samenwerking met collega’s zijn allemaal
                    zaken waaraan in een participatieplaats gewerkt kan worden. Ook kan hiermee
                    worden beoordeeld of het werkterrein past bij de capaciteiten van de
                    uitkeringsgerechtigde, zodat een persoon bijvoorbeeld een opleiding op het
                    betreffende terrein kan gaan volgen en daarmee voor zichzelf een duurzaam
                    perspectief op arbeid kan realiseren. De duur van de participatieplaats is
                    wettelijk beperkt tot maximaal vier jaar (artikel 10a van de P-wet). Na negen
                    maanden wordt beoordeeld door het college of de participatieplaats de kans op
                    arbeidsinschakeling heeft vergroot (artikel 10a, achtste lid, van de P-wet). Zo
                    niet dan wordt de participatieplaats beëindigd. Uiterlijk 24 maanden na aanvang
                    van de participatieplaats wordt opnieuw beoordeeld of de participatieplaats
                    wordt voorgezet. Als de gemeente concludeert dat voortzetting van de
                    participatieplaats met het oog op in de persoon gelegen factoren aanmerkelijk
                    bijdraagt tot de arbeidsinschakeling, dan kan de participatieplaats nog één jaar
                    verlengd worden. Echter in dat geval dient een andere werkomgeving geboden te
                    worden (artikel 10a, negende lid, van de P-wet). Na 36 maanden vindt opnieuw een
                    dergelijke beoordeling plaats (artikel 10a, tiende lid, van de P-wet).</al><al>   Premie De persoon die werkzaamheden verricht op een participatieplaats heeft
                    recht op een premie voor het eerst na zes maanden en vervolgens iedere zes
                    maanden na aanvang van de additionele werkzaamheden (artikel 10a, zesde lid, van
                    de P-wet). Voorwaarde is dat de persoon naar het oordeel van het college
                    voldoende heeft meegewerkt aan het vergroten van zijn kansen op de arbeidsmarkt.
                    De hoogte van de premie moet in de verordening vastgelegd worden (artikel 8a,
                    eerste lid, onderdeel d, van de P-wet). De premie wordt vrijgelaten op grond van
                    artikel 31, tweede lid, onderdeel j, van de P-wet. In verband hiermee is de
                    hoogte van de premie begrensd door het in de vrijlatingsbepaling genoemde
                    bedrag. Bij het bepalen van de hoogte van de premie zijn de risico's van de
                    armoedeval betrokken.</al><al>De premie wordt per zes maanden verstrekt. Aangezien in artikel 6 wordt verwezen
                    naar de premie zoals genoemd in artikel 31, lid 2, onderdeel j, is ook bij de
                    hoogte van de premie aansluiting gezocht bij voornoemd artikel. De hoogte van de
                    premie is per jaar bepaald op 25% van het in artikel 6, lid 2, onderdeel j.
                    genoemde bedrag, thans € 2.312 . Het bedrag per periode van 6 maanden zoals
                    genoemd in artikel 10a, lid 6 is derhalve thans telkens € 289.</al><al>Artikel 7 Participatievoorziening beschut werk De gemeenteraad moet in een
                    verordening regels stellen over de voorziening beschut werk (artikel 8a lid 1
                    onderdeel e van de Participatiewet). Er zal ook nagegaan worden of er
                    alternatieve voorzieningen aangeboden kunnen worden. Deze worden uitgewerkt in
                    de beleidsregels.</al><al>Artikel 8 No-risk polis De no-riskpolis is een belangrijk instrument om
                    aarzelingen bij werkgevers weg te nemen om mensen uit de doelgroep in dienst te
                    nemen. De gemeente kan de verzekering aanbieden aan een werkgever die een
                    persoon uit de doelgroep re-integratie in dienst neemt. De polis zorgt ervoor
                    dat de werkgever schadeloos wordt gesteld wanneer de betrokken werknemer ziek
                    wordt.</al><al>Voorwaarden De no-riskpolis kan worden ingezet als ondersteuning bij de
                    arbeidsinschakeling. In het eerste lid is beschreven welke criteria gelden voor
                    een werkgever om in aanmerking te komen voor een polis. De no-risk polis kan
                    worden ingezet wanneer een werkgever een arbeidsovereenkomst aangaat met een
                    werknemer, dan wel het arbeidscontract van de werknemer verlengt. Voorts is voor
                    inzet van de no-risk polis vereist dat de werknemer behoort tot de doelgroep
                    re-integratie en hij een structurele functionele of andere beperking heeft of
                    ten behoeve van hem de werkgever een loonkostensubsidie als bedoeld in artikel
                    10d van de P-wet ontvangt. De no-risk polis is dus breder inzetbaar dan enkel
                    voor werknemers die behoren tot de doelgroep loonkostensubsidie. Maar het is
                    beslist niet de bedoeling om voor iedere uitkeringsgerechtigde die gaat werken
                    het risico van ziekte af te dekken. Alleen wanneer er sprake is van een goede
                    reden om de polis in te zetten (aanwezige ziekte of beperking of een
                    psychosociaal probleem) dan zal hiervoor gekozen worden. Dit wordt in nadere
                    regels uitgewerkt. Verder dient de werknemer, en dus niet de werkgever, ten
                    tijde van het afsluiten van de eerste polis, zijn woonplaats te hebben binnen de
                    gemeente. De gemeente bepaalt bij welke verzekeraar zij de verzekering afsluit
                    en wat de dekking is. De duur en hoogte van de dekking worden nader vastgelegd
                    in de beleidsregels, deze zullen corresponderen met de polisvoorwaarden zoals
                    deze zijn overeengekomen tussen de gemeente en de verzekeraar. Na twee jaar is
                    het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen verantwoordelijk. De
                    no-riskpolis kan derhalve maximaal voor de duur van twee jaar worden ingezet.
                    Nadat betrokkene twee jaar zelfstandig het minimumloon heeft verdiend, dus
                    zonder loonkostensubsidie, gaat de verantwoordelijkheid voor de no-riskpolis
                    over naar Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen en kan artikel 29b van de
                    Ziektewet van toepassing zijn. Het is van belang dat een werkgever bij het
                    verstrekken van de polis goed geïnformeerd wordt over de voorwaarden van de
                    polis, zoals: welke kosten zijn gedekt, wat is het eigen risico. Artikel 9
                    Vaststelling doelgroep loonkostensubsidie en loonwaarde De loonkostensubsidie
                    zoals beschreven in dit artikel kan uitsluitend worden ingezet als de persoon in
                    kwestie behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie, als bedoeld in artikel 6,
                    eerste lid, onderdeel e, van de P-wet: personen met een arbeidsbeperking. Deze
                    nieuwe vorm van loonkostensubsidie is niet per definitie tijdelijk, maar kan
                    indien nodig voor een langere periode worden ingezet. Met dit instrument
                    compenseert de gemeente werkgevers voor de verminderde productiviteit van de
                    werknemer.</al><al>In artikel 10c van de P-wet is bepaald dat het aan college is om vast te stellen
                    of een persoon tot de doelgroep loonkostensubsidie behoort. Binnen de kaders van
                    de P-wet is het aan de gemeente om vast te stellen op welke wijze zij bepalen of
                    mensen tot de doelgroep loonkostensubsidie behoren en of loonkostensubsidie voor
                    hen wordt ingezet. In artikel 9, tweede lid, is vastgelegd welke criteria
                    daarbij in acht genomen worden. Deze cumulatieve criteria zijn ontleend aan
                    artikel 6, eerste lid, onderdeel e, van de P-wet. Daarin is immers wettelijk de
                    doelgroep loonkostensubsidie vastgelegd.</al><al>Loonwaardebepaling In de P-wet en in de concept lagere regelgeving zijn de
                    wettelijke eisen neergelegd waaraan de loonwaarde methodiek moet voldoen.
                    Daarbinnen wordt aan gemeenten en regio’s beleidsvrijheid gegeven. De P-wet
                    bepaalt dat de methode van loonwaardebepaling waarvoor wordt gekozen in de
                    gemeentelijke verordening wordt vastgelegd.</al><al>Gemeenten dienen over de loonwaardebepaling regionale afspraken te maken in het
                    Werkbedrijf. Het opstellen van een methodiek voor loonwaardebepaling hangt dus
                    samen met de vorming van Werkbedrijven. Hoewel er in alle regio's hard wordt
                    gewerkt aan de vorming van Werkbedrijven, zal niet in iedere regio op 1 januari
                    een Werkbedrijf van start gaan. Dat betekent ook dat gemeenten in deze regio
                    niet in de gelegenheid zijn de loonwaardemethodiek tijdig vast te leggen in een
                    verordening.</al><al>Zoals vermeld in de nota van toelichting op het Ontwerpbesluit
                    loonkostensubsidie Participatiewet is er een ministeriële regeling ontworpen
                    voor het geval Werkbedrijven voor 1 januari 2015 niet operationeel zijn. Als er
                    over de loonwaardebepaling nog geen regionale afspraken in het Werkbedrijf zijn
                    gemaakt, kiezen de gemeenten zelf voor een loonwaardemethodiek.</al><al>Die methodiek moet dan, naast de voorwaarden die in het Ontwerpbesluit zijn
                    opgenomen, voldoen aan de in de ministeriële regeling opgenomen eisen. De eisen
                    die in het Ontwerpbesluit zijn opgenomen zijn: • de loonwaardebepaling wordt
                    uitgevoerd door of onder verantwoordelijkheid van een deskundige; • de
                    loonwaardebepaling vindt plaats op de werkplek met inbreng van de werkgever; •
                    de loonwaardebepaling wordt uitgevoerd op basis van een beschreven objectieve
                    methode.</al><al>In de ministeriële regeling staat welke bestanddelen (kwaliteit, tempo,
                    inzetbaarheid) bij de vaststelling van de loonwaarde moeten worden betrokken, de
                    functie waartegen de prestaties van de betrokken (potentiële) werknemer moeten
                    worden afgezet en de wijze waarop de loonwaarde wordt berekend. Tot aan het
                    moment dat in een regionaal Werkbedrijf afspraken over een loonwaardemethodiek
                    zijn gemaakt en die methode voldoet aan de voorwaarden van het Ontwerpbesluit,
                    gelden de in de ministeriële regeling opgenomen eisen.</al><al>De loonwaarde methodiek zal -indien deze niet tijdig beschikbaar is- separaat
                    van deze Verzamelverordening als addendum worden aangeboden. Dit gebeurt op het
                    moment dat er in de arbeidsmarktregio afspraken over minimumeisen tot stand zijn
                    gekomen en deze bovendien akkoord zijn bevonden door SZW. De regionale afspraken
                    treden na vaststelling in de plaats van de bij ministeriële regeling gestelde
                    aanvullende eisen.</al><al>  § 2.4 Studietoeslag</al><al>Voorwaarden individuele studietoeslag Artikel 36b, eerste lid, van de P-wet
                    spreekt zowel over verzoek als aanvraag. Het college kan op een dergelijk
                    verzoek – gelet op de individuele omstandigheden van een persoon - een
                    individuele studietoeslag verlenen. Hiervoor is vereist dat deze persoon op de
                    datum van de aanvraag: • 18 jaar of ouder is; • recht heeft op
                    studiefinanciering op grond van de Wet studiefinanciering 2000 of recht heeft op
                    een tegemoetkoming op grond van hoofdstuk 4 van de Wet tegemoetkoming
                    onderwijsbijdrage en schoolkosten; • geen in aanmerking te nemen vermogen als
                    bedoeld in artikel 34 van de P-wet heeft; en • een persoon is van wie is
                    vastgesteld dat hij met voltijdse arbeid niet in staat is tot het verdienen van
                    het wettelijk minimumloon, doch wel mogelijkheden tot arbeidsparticipatie
                    heeft.</al><al>Dat een persoon recht moet hebben op studiefinanciering of een
                    WTOS-tegemoetkoming, betekent niet dat deze persoon ook daadwerkelijk
                    studiefinanciering of een tegemoetkoming moet ontvangen. Het recht op
                    studiefinanciering bestaat, afhankelijk van iemands gekozen opleiding, leeftijd
                    en inkomen. Of van dit recht gebruik gemaakt wordt is niet in de P-wet geregeld
                    en is geen vereiste voor het ontvangen van een individuele studietoeslag op
                    grond van de P-wet. Voor het recht op een individuele studietoeslag is het dan
                    ook voldoende dat een persoon recht heeft op studiefinanciering of een
                    tegemoetkoming. De persoon zal - als aanvrager van de toeslag - aannemelijk
                    moeten maken dat hij recht op studiefinanciering of een tegemoetkoming heeft,
                    bijvoorbeeld door een beschikking van DUO of door een bewijs van inschrijving
                    bij een bepaalde opleiding te overleggen. De artikelen 12, 43, 49 en 52 van de
                    P-wet zijn niet van toepassing bij verlening van de individuele studietoeslag
                    (artikel 36b, tweede lid, van de P-wet). De aanvraag moet worden ingediend bij
                    het college en er wordt geen rekening gehouden met een eventuele draagkracht van
                    de ouders (artikel 12). Een individuele studietoeslag kan niet als lening worden
                    verstrekt als een persoon met de studietoeslag schulden wil aflossen. Artikel 49
                    van de P-wet is namelijk niet van toepassing op de individuele studietoeslag
                    (artikel 36b, tweede lid, van de P-wet). Ook artikel 52 van de P-wet is niet van
                    toepassing op de individuele studietoeslag (artikel 36b, tweede lid, van de
                    P-wet). Dit maakt dat de individuele studietoeslag niet kan worden verstrekt in
                    de vorm van een voorschot.</al><al>Artikel 10 Indienen verzoek De persoon dient op datum van de aanvraag aan de
                    voorwaarden te voldoen zoals genoemd in artikel 36b, eerste lid, van de P-wet.
                    Onder aanvraag wordt verstaan: een verzoek van een persoon, een besluit te nemen
                    (artikel 1:3, derde lid, van de Awb). Een aanvraag dient in beginsel
                    schriftelijk te worden ingediend (artikel 4:1 van de Awb). Om onduidelijkheid te
                    voorkomen omtrent de wijze waarop het verzoek als bedoeld in artikel 36b, eerste
                    lid, van de P-wet moet worden ingediend, staat in deze verordening dat het
                    verzoek moet worden gedaan middels een door het college vastgesteld formulier.
                    Een verzoek wordt dan gezien als een aanvraag zoals bedoeld in afdeling 4.1.1
                    van de Awb. Het gaat dan om een schriftelijke aanvraag (artikel 4:1 van de Awb)
                    die wordt ondertekend door de aanvrager en ten minste de naam en het adres van
                    de aanvrager bevat, de dagtekening en een aanduiding van de beschikking die
                    wordt gevraagd (artikel 4:2, eerste lid, van de Awb). De aanvrager verschaft ook
                    de gegevens en bescheiden die voor de beslissing op de aanvraag nodig zijn en
                    waarover hij redelijkerwijs de beschikking kan krijgen (artikel 4:2, tweede lid,
                    van de Awb). Een mondeling verzoek kan hiermee dus niet worden aangemerkt als
                    een verzoek om individuele studietoeslag zoals bedoeld in artikel 36b van de
                    P-wet.</al><al>Artikel 11 Advies over oordeel verdienen wettelijk minimumloon In eerste
                    instantie onderzoekt het college zelf of er sprake is van verminderd
                    arbeidsvermogen, dus of de aanvrager niet in staat is om het wettelijk minimum
                    uurloon te verdienen. Wanneer het college hieraan twijfelt en de eigen
                    onderzoeksmogelijkheden deze twijfel niet weg kunnen nemen, zal er extern advies
                    worden aangevraagd.</al><al> Artikel 12 Eenmaal per periode individuele studietoeslag verlenen Een persoon
                    kan slechts eenmaal per studiejaar in aanmerking komen voor een individuele
                    studietoeslag. We kiezen voor deze periode omdat we dan de bijstand onbelast
                    kunnen verstrekken. Voordeel van eenmalige verstrekking is dat er alleen bij de
                    aanvraag hoeft te worden gekeken of belanghebbende voldoet aan alle voorwaarden.
                    We hoeven niet later ook nog te onderzoeken of iemand is blijven studeren. Wel
                    zal bij een nieuwe aanvraag voor een volgende periode weer op dat moment
                    onderzocht moeten worden of iemand voldoet aan de criteria. Een studiejaar start
                    op 1 september en eindigt op 31 augustus van het daaropvolgende jaar.</al><al>Artikel 13 Hoogte individuele studietoeslag De studietoeslag wordt per persoon
                    die voldoet aan de voorwaarden toegekend. Een individuele studietoeslag bedraagt
                    € 100 per maand. Is sprake van gehuwden die allebei afzonderlijk voldoen aan de
                    voorwaarden voor een individuele studietoeslag, dan komen zij afzonderlijk in
                    aanmerking voor een individuele studietoeslag. In het tweede lid is het
                    indexeringspercentage opgenomen. Deze bepaling voorkomt dat de verordening
                    telkens opnieuw moet worden vastgesteld, enkel voor indexatie van de bedragen.
                    Het is van belang de nieuwe bedragen (na indexering) intern duidelijk te
                    communiceren.</al><al>In artikel 13 is opgenomen dat de toeslag na indexering steeds wordt afgerond op
                    een rond bedrag van hele euro's. Voor wat betreft het indexeren, wordt het
                    maandelijkse (geïndexeerde) bedrag eerst met twaalf vermenigvuldigd voor het
                    jaarbedrag. Het jaarbedrag wordt vervolgens afgerond, dus niet het
                    maandbedrag.</al><al>Artikel 14 Betaling individuele studietoeslag In dit artikel wordt de frequentie
                    van de betaling van de individuele studietoeslag geregeld.</al><al>Eenmalige uitbetaling Een individuele studietoeslag wordt eenmalig per
                    studiejaar in één bedrag uitbetaald. Dit is het bedrag zoals neergelegd in
                    artikel 13 van deze verordening x 12 maanden. Na 12 maanden kan een persoon
                    opnieuw in aanmerking komen voor een individuele studietoeslag. Hiertoe dient
                    een nieuwe aanvraag worden ingediend.</al><al>§2.5 Tegenprestatie</al><al>Het college is bevoegd een belanghebbende te verplichten naar vermogen een
                    tegenprestatie te verrichten, ook als die tegenprestatie niet direct samenhangt
                    met arbeidsinschakeling. Dit is vastgelegd in artikel 9, eerste lid, onderdeel
                    c, van de P-wet. Deze mogelijkheid staat al langere tijd in de wet, maar met de
                    invoering van de WWB maatregelen 2015 is de verplichting tot het opstellen van
                    een verordening opgenomen. Opvallend hierbij is dat de wet nog steeds een
                    discretionaire bevoegdheid aan het college geeft om de tegenprestatie op te
                    dragen en niet spreekt van een wettelijke verplichting. Maar de verplichte
                    verordening geeft een ander signaal aan gemeenten: ze worden geacht de
                    tegenprestatie te regelen, maar hebben de vrijheid om deze naar vermogen op te
                    leggen.</al><al>De mogelijkheid tot het opleggen van een tegenprestatie is beperkt door hetgeen
                    is opgenomen in artikel 4 EVRM rondom gedwongen arbeid. De arbeid moet van korte
                    duur, incidenteel en onbeloond zijn en het mag beslist geen verdringing
                    opleveren op de arbeidsmarkt.</al><al>Artikel 15 Doelgroep en doel De verplichting tot het verrichten van een
                    tegenprestatie geldt in beginsel voor iedereen die een uitkering ontvangt. Dit
                    geldt niet alleen voor belanghebbenden met een uitkering op grond van de P-wet,
                    maar ook voor belanghebbenden met een uitkering op grond van de IOAW of IOAZ.
                    Het opleggen van een tegenprestatie naar vermogen is geen middel, maar een doel.
                    Doel is om uitkeringsgerechtigden, die tot dusver aan de zijlijn stonden, te
                    prikkelen om zich in te zetten voor de samenleving als tegenprestatie voor de
                    ontvangen uitkering.</al><al>Artikel 16 Inhoud van een tegenprestatie Het college bepaalt aan de hand van de
                    individuele omstandigheden en de voorhanden zijnde onbeloonde maatschappelijk
                    nuttige werkzaamheden, de aard, de duur en de omvang van de aan een persoon op
                    te leggen tegenprestatie. Hierbij moet het college de in deze verordening
                    neergelegde criteria in acht nemen. Het college dient hierbij maatwerk toe te
                    passen. Als het college een tegenprestatie vraagt van belanghebbende, moet het
                    een duidelijke omschrijving geven van de te verrichten werkzaamheden. Het moet
                    voor een belanghebbende immers duidelijk zijn welke tegenprestatie het college
                    van hem verwacht.</al><al>Additionele onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden In de wet is
                    bepaald dat de tegenprestatie onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden
                    betreffen die additioneel van aard zijn. De maatschappelijk nuttige
                    werkzaamheden in het kader van de tegenprestatie dienen zich te onderscheiden
                    van de reguliere betaalde werkzaamheden: het moet om iets extra’s gaan waar
                    normaal gesproken geen banen voor zijn. De in dit artikel gestelde voorwaarden
                    zijn gebaseerd op de belangrijkste kenmerken van de tegenprestatie die volgen
                    uit de parlementaire geschiedenis (zie TK 2010-2011, 32 815, nr. 3, p. 14) en op
                    de eisen van het EVRM. In de beleidsregels kan het college vastleggen welke
                    werkzaamheden zij in ieder geval als tegenprestatie kunnen inzetten (artikel 16,
                    tweede lid, van deze verordening). Deze werkzaamheden kunnen gezien worden als
                    een uitwerking van artikel 16 van deze Verordening. De tegenprestatie is in
                    beginsel niet bedoeld voor de re-integratie en is ook niet direct gericht op
                    toeleiding naar de arbeidsmarkt. Het is zeer wenselijk dat de tegenprestatie wel
                    iets toevoegt voor belanghebbenden in het kader van sociale stijging. Hiermee
                    houden we rekening bij het opleggen hiervan. De tegenprestatie mag het
                    accepteren van passende arbeid of van re-integratie inspanningen niet
                    belemmeren. Het uitgangspunt werk boven uitkering staat voorop. Dit volgt uit
                    artikel 9, eerste lid, onderdeel c, van de P-wet en de parlementaire
                    geschiedenis (zie TK 2010-2011, 32 815, nr. 3, p. 14). Artikel 17 Het opdragen
                    van een tegenprestatie Het college heeft beleidsvrijheid om een tegenprestatie
                    op te dragen. Het college bepaalt uiteindelijk of, en zo ja, welke
                    tegenprestatie zij aan de belanghebbende opdraagt. Tegen een besluit tot het
                    opdragen van een tegenprestatie kan een belanghebbende bezwaar en beroep
                    aantekenen (TK 2013-2014, 33 801, nr. 7, p. 49). Het college moet rekening
                    houden met de individuele omstandigheden van belanghebbende, waaronder leeftijd,
                    opleiding, werkervaring en andere relevante persoonlijke omstandigheden zoals
                    zorgtaken. Het college draagt de werkzaamheden immers op ‘naar vermogen’. Het is
                    dus van belang dat belanghebbende ook in staat is de werkzaamheden te
                    verrichten</al><al>Artikel 18 Duur en omvang van een tegenprestatie Maximale duur tegenprestatie in
                    dagen De uitvoering van de tegenprestatie kunnen we opdragen voor de maximale
                    duur van drie maanden. Let wel: het gaat hier om de termijn waarop de
                    belanghebbende daadwerkelijk werkzaam is op de tegenprestatie, niet de termijn
                    waarop deze is opgelegd zonder dat hiervoor ook gewerkt wordt. Maximale duur
                    tegenprestatie in uren Er moet sprake zijn van een korte duur: daarom is er voor
                    gekozen om maximaal 8 uur per week een tegenprestatie op te dragen. Daarnaast
                    kan de rest van de week nog steeds voldaan worden aan een eventuele
                    re-integratie – of arbeidsverplichting. We leggen binnen een periode van twaalf
                    maanden een tegenprestatie slechts eenmaal op. Het gaat hierbij om een
                    aaneengesloten periode van twaalf maanden. De tegenprestatie dient immers niet
                    in de weg te staan aan de re-integratie van een belanghebbende.   Artikel 19
                    afzien van het opleggen van een tegenprestatie Er is een aantal redenen waarom
                    geen tegenprestatie wordt opgelegd. De regering heeft deze mogelijkheid
                    uitdrukkelijk benoemd voor mantelzorg in de nota van wijziging met betrekking
                    tot de Wet maatregelen WWB (TK 2013-2014, 33 801, nr. 24, p. 6). Verricht een
                    belanghebbende mantelzorg in de zin van deze verordening en is het verrichten
                    van mantelzorg volgens het college redelijkerwijs noodzakelijk, dan draagt het
                    college een belanghebbende geen tegenprestatie op. Daarnaast leggen we geen
                    aanvullende tegenprestatie op als iemand al voldoende maatschappelijk actief is
                    en op deze wijze een tegenprestatie levert aan de maatschappij. Daarnaast kan
                    het college nog bepaalde groepen mensen uitzonderen, in beleidsregels.</al><al>Er moet ook rekening gehouden worden met de wensen va een belanghebbende voor
                    wat betreft de inhoud van de tegenprestatie. Het moet hier vanzelfsprekend wel
                    gaan om reële wensen die uitvoerbaar zijn.</al><al>  § 3 Afstemming en bestuurlijke boete Op 1 januari 2013 is de Wet aanscherping
                    handhaving en sanctiebeleid SZW-wetgeving in werking getreden. Sinds die datum
                    is het college verplicht een bestuurlijke boete op te leggen als sprake is van
                    schending van de inlichtingenplicht. De eerdere bevoegdheid van het college om
                    bij schending van de inlichtingenplicht een maatregel op te leggen is verdwenen.
                    Gaat het om schending van een andere verplichting dan de inlichtingenplicht, dan
                    is een maatregel nog wel aan de orde. Denk bijvoorbeeld aan schending van de
                    medewerkingsplicht, arbeid- en re-integratieverplichting, aan tekortschietend
                    besef van verantwoordelijkheid, het zich zeer ernstig misdragen of het niet
                    nakomen van nadere verplichtingen die strekken tot vermindering of beëindiging
                    van de bijstand.</al><al>In paragraaf 3.1 en 3.2 is de verplichting als bedoeld in artikel 18 van de
                    P-wet uitgewerkt om vorm en inhoud te geven aan een sanctiebeleid (vaststellen
                    afstemmingsverordening). Het verlagen van de uitkering is voorgeschreven als de
                    belanghebbende naar het oordeel van het college: • tekortschietend besef van
                    verantwoordelijkheid betoont voor de voorziening in het bestaan; • de uit de wet
                    voortvloeiende verplichtingen, anders dan benoemd in artikel 17, eerste lid,
                    P-wet niet of onvoldoende nakomt.</al><al>Het sanctiebeleid is uitgewerkt vanuit de visie, dat een uitkering als een
                    tijdelijke overbrugging moet worden gezien naar participatie met betaald
                    (gesubsidieerd) werk. Op grond van de eigen verantwoordelijkheid zijn
                    uitkeringsgerechtigden wettelijk verplicht al datgene te doen (en na te laten)
                    wat nodig en mogelijk is om in het eigen bestaan te voorzien. Zij worden hierin
                    ondersteund en aangemoedigd via eventuele voorzieningen. De tegenhanger hiervan
                    is het sanctiebeleid. Als een noodzakelijk traject naar participatie wordt
                    gefrustreerd, wordt metterdaad en streng gehandeld (lik op stuk beleid). Ook
                    waar het agressie/geweld tegen die dienstverleners die de wetten uitvoeren
                    betreft.</al><al>§ 3.1 Algemene bepalingen</al><al>Maatwerk uitgewerkt in de artikelen 20 t/m 22 Het sanctiebeleid moet voldoen aan
                    de vereisten van de P-wet en de Algemene wet bestuursrecht. Deze bepalingen
                    komen tegemoet aan de beginselen van zorgvuldigheid, rechtszekerheid en
                    motivering bij het opleggen van een sanctie. De gestelde waarborgen
                    verduidelijken de rechtspositie van de klant in relatie tot de
                    P-wet-inkomensgarantie op minimumniveau.</al><al>Artikel 20 Besluit De regels, zoals deze voortkomen uit constante jurisprudentie
                    worden hierbij aangehaald: Een maatregel wordt beoordeeld op: • De ernst van de
                    gedraging -&gt; welke verplichting is niet of niet correct nagekomen; • De mate
                    van verwijtbaarheid -&gt; was het niet nakomen aan de belanghebbende toe te
                    rekenen; • De individuele omstandigheden -&gt; soms zijn de omstandigheden
                    zodanig dat de gedraging niet aan te rekenen valt en soms kunnen de
                    omstandigheden ook een reden zijn om geen maatregel op te leggen. Met name deze
                    laatste overweging is maatwerk, nu hier uitgegaan wordt van de individuele
                    situatie van de belanghebbende.</al><al>Artikel 22 Afzien van het opleggen van een verlaging Nieuw is hier dat er een
                    termijn is gesteld waar binnen het college een maatregel kan opleggen. Deze
                    termijn geldt alleen voor de niet-geüniformeerde maatregelen van artikel 18 lid
                    4 P-wet. Concreet betekent dit dat als de gedraging meer dan 2 jaar voordat het
                    college deze constateert heeft plaatsgevonden, er wordt afgezien van het
                    opleggen van een maatregel. Let wel: dit geldt dus niet voor de schending van de
                    inlichtingenplicht! Het college kan afzien van het opleggen van een maatregel
                    als hier dringende redenen voor zijn: dit zal niet vaak het geval zijn. Gedacht
                    moet worden aan de zeer dringende reden zoals bedoeld in artikel 16 P-wet.</al><al>  Artikel 23 Ingangsdatum en tijdvak en recidive Lid 1: de verlaging kan pas
                    ingaan op het moment dat iemand hiervan op de hoogte is gesteld, dus als hij of
                    zij de beschikking heeft ontvangen. Daarom gaat de verlaging in de maand volgend
                    op de maand waarin de beschikking wordt verstuurd in. Meestal wijzigt de
                    toepasselijke norm niet. Voor de effectuering van de verlaging geldt de norm in
                    de maand waarin deze wordt geëffectueerd om te voorkomen dat iemand financieel
                    onevenredig wordt benadeeld. Een voorbeeld hierbij is dat iemand de norm
                    alleenstaande heeft op het moment dat de maatregelwaardige gedraging wordt
                    geconstateerd en leeft als gehuwde (met de norm tweepersoonshuishouden) op het
                    moment dat de verlaging wordt geëffectueerd. Als er 10% gedurende 1 maand wordt
                    opgelegd, zal deze geëffectueerd worden op de norm behorend bij een
                    tweepersoonshuishouden. In dit geval is de verlaging hoger, maar het kan
                    andersom ook zo zijn dat de verlaging lager wordt als de situatie omgekeerd is
                    (tweepersoonshuishouden wordt alleenstaande).</al><al>Lid 2: De verlaging kent geen terugwerkende kracht en gaat in per de eerste van
                    de maand volgend op de beschikkingsdatum. Uitzondering hierop is bij de
                    aanvraag. Als er dan sprake is van een maatregelwaardige gedraging gaat deze in
                    per ingangsdatum van de uitkering of datum gedraging, als deze hierna ligt, mits
                    de uitkering niet al is uitbetaald. Is de uitkering al wel uitbetaald, dan geldt
                    de hoofdregel van de eerste van de maand volgend op de beschikking.</al><al>Lid 4: Als er sprake is van meerdere maatregelwaardige gedragingen, dan zal
                    altijd de maatregel met de hoogste sanctie worden opgelegd. De sancties worden
                    dus niet bij elkaar opgeteld en opgelegd.</al><al>Lid 5 sub b: Bij recidive is de duur van de verlaging in principe altijd twee
                    maanden, ook als er sprake is van een derde of vierde overtreding. Dit in
                    afwijking van de geüniformeerde verlagingen, waarbij de duur van de verlaging
                    bij herhaalde niet nakoming is gesteld op drie maanden.</al><al>Lid 6: als de uitkering is beëindigd kan er geen verlaging van de uitkering meer
                    worden geëffectueerd. Wanneer de klant binnen een jaar een nieuwe uitkering
                    aanvraagt en deze wordt toegekend, dan kan de verlaging of het deel dat nog niet
                    is geëffectueerd alsnog worden geëffectueerd op de nieuwe uitkering vanaf de
                    ingangsdatum.</al><al>Artikel 24 De berekeningsgrondslag van de maatregel De verlaging is een
                    percentage van de maanduitkering dan wel van het benadelingsbedrag. In principe
                    wordt de verlaging toegepast op de bijstand voor levensonderhoud. Er zijn
                    uitzonderingen hierop: Wanneer bijzondere bijstand betaald wordt voor
                    levensonderhoud of wanneer er sprake is van ongenoegzaam besef van
                    verantwoordelijkheid door het laten liggen van een voorliggende voorziening
                    (artikel 32 lid 5 verordening).</al><al>Artikel 25 Waarschuwing In plaats van het opleggen van een verlaging kan bij
                    gedragingen van de 2e categorie zoals bedoeld in artikel 27 sub b en artikel 29
                    sub b van deze verordening worden volstaan met het geven van een schriftelijke
                    waarschuwing. Dit kan alleen in de situaties waarin de verordening dit toestaat.
                    De waarschuwing telt mee voor de recidive en moet hiertoe dan ook beschikt en
                    geregistreerd worden.</al><al>Artikel 26 Horen van de belanghebbende(n) De belanghebbende moet worden gehoord
                    en het besluit moet altijd schriftelijk worden genomen. Vanzelfsprekend zijn de
                    bepalingen van de Algemene wet bestuursrecht hierop ook van toepassing. In dit
                    artikel staan alleen de bijzondere bepalingen voor de uitvoering van de
                    P-wet.</al><al>De sanctie gaat pas in als de belanghebbende hier van op de hoogte is gesteld.
                    Het college kan slechts in bepaalde situaties, zoals opgenomen in deze
                    verordening, gemotiveerd afzien van het horen.</al><al>  § 3.2 Gedragingen en bijbehorende maatregelen</al><al>§ 3.2.1 Niet nakomen van de niet geüniformeerde verplichtingen met betrekking
                    tot de arbeidsinschakeling</al><al>Artikel 27 Gedragingen P-wet De artikelen 27 en 30 moeten in onderlinge
                    samenhang worden gelezen. In artikel 27 worden schendingen van verplichtingen
                    uit de P-wet geformuleerd. De verwijtbare gedragingen die hierin worden genoemd
                    zijn ondergebracht in categorieën. Aan die categorieën wordt in artikel 30 een
                    gewicht toegekend in de vorm van een verlagingspercentage. De categorieën zijn
                    gerangschikt naar toenemende zwaarte.</al><al>Gedragingen in de eerste categorie: De gedragingen die hier genoemd worden wegen
                    allemaal zeer zwaar gelet op de eigen verantwoordelijkheid van de
                    uitkeringsgerechtigde om al datgene te doen wat nodig en mogelijk is om in het
                    eigen bestaan te voorzien. Een tekortkoming van deze aard druist zo in tegen het
                    uitgangspunt van participatie naar vermogen, dat een verlaging van de uitkering
                    van 100% voor de duur van één maand proportioneel wordt geacht. Deze verlaging
                    wordt bovendien redelijk en billijk geacht, omdat de belanghebbende door diens
                    opstelling, houding of gedrag niet zelf in het bestaan kan voorzien. Daarnaast
                    wordt hiermee aangesloten bij de in de wet genoemde (wel geüniformeerde)
                    maatregelen.</al><al>Gedragingen in de tweede categorie: De gedragingen die hier genoemd wegen minder
                    zwaar dan de gedragingen in de eerste categorie. Gelet op de aard van de
                    gedragingen in relatie tot het teruglopende participatiebudget, wordt een
                    verlaging van 50% gedurende 1 maand niet disproportioneel geacht.</al><al>Artikel 28 Niet nakomen overige verplichtingen P-wet Artikel 55 van de P-wet
                    geeft het college de bevoegdheid om personen verplichtingen op te leggen die
                    afgestemd zijn op de individuele situatie van de klant. Deze verplichtingen
                    worden beperkt tot een viertal categorieën, te weten: • verplichtingen die
                    strekken tot arbeidsinschakeling; • verplichtingen die verband houden met de
                    aard en het doel van een bepaalde vorm van bijstand; • verplichtingen die
                    strekken tot vermindering van de bijstand, en • verplichtingen die strekken tot
                    beëindiging van de bijstand.</al><al>Dit artikel ziet op de verplichtingen die strekken tot arbeidsinschakeling. De
                    overige verplichtingen komen terug in artikel 35.</al><al>Voorbeeld van verplichtingen die strekken tot arbeidsinschakeling: het zich
                    onderwerpen, op advies van een arts, aan een noodzakelijke behandeling van
                    medische aard, omdat de beperkingen arbeidsinschakeling in de weg staan.</al><al>Bij het niet nakomen van deze verplichtingen wordt een verlaging van de
                    uitkering van 50% gedurende 1 maand opgelegd.</al><al>Artikel 29 Gedragingen IOAW en IOAZ De artikelen 29 en 30 moeten in onderlinge
                    samenhang worden gelezen. In artikel 29 worden schendingen van verplichtingen
                    uit de IOAW en IOAZ geformuleerd. De verwijtbare gedragingen die hierin worden
                    genoemd zijn ondergebracht in categorieën. Aan die categorieën wordt in artikel
                    30 een gewicht toegekend in de vorm van een verlagingspercentage. De categorieën
                    zijn gerangschikt naar toenemende zwaarte. Een gedraging wordt ernstiger geacht
                    naarmate de gedraging meer concrete gevolgen heeft voor het niet aanvaarden,
                    verkrijgen of behouden van betaalde arbeid.</al><al>  Artikel 30 Hoogte en duur van de verlaging In lid 1 staan de
                    verlagingspercentages behorende bij de verlagingswaardige gedragingen als
                    bedoeld in de artikelen 27 en 29. Met de Wet Maatregelen WWB 2015 zijn
                    geüniformeerde arbeidsverplichtingen en bijbehorende maatregelen geïntroduceerd
                    (artikel 18, vierde en vijfde lid, van de P-wet). Er is voor gekozen bij de
                    zwaarte van de afstemming van de gedragingen in de eerste categorie als bedoeld
                    in de artikelen 27 en 29 aan te sluiten bij de maatregelen voor het schenden van
                    de geüniformeerde arbeidsverplichtingen. Dit omwille van duidelijkheid.
                    Bovendien zijn diverse geüniformeerde arbeidsverplichtingen verwant aan de
                    gedragingen in de eerste categorie.</al><al>In lid 2 is bepaald dat het college op basis van individuele omstandigheden kan
                    besluiten de verlaging van 100% gedurende een maand op te delen in 2 maanden
                    verlaging van 50%. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn bij gezinnen met kleine
                    kinderen die door de verlaging van 100% in dusdanige problemen komen dat de
                    huisvesting in het geding komt. Hierbij moet opgemerkt worden dat het hebben van
                    kinderen op zich niet de reden is voor deze spreiding, het moet gaan om de
                    gehele situatie.</al><al>§ 3.2.2 Niet nakomen van de geüniformeerde verplichtingen met betrekking tot de
                    arbeidsinschakeling</al><al>Artikel 31 Duur verlaging bij schending geüniformeerde arbeidsverplichting In
                    lid 1 is bepaald dat bij het verwijtbaar niet naleven van een geüniformeerde
                    arbeidsverplichting, de verlaging van de uitkering 100% gedurende een maand
                    bedraagt. Dit is volgens de p-wet de minimale verlaging. Als er sprake is van
                    recidive (het niet of onvoldoende nakomen van een geüniformeerde
                    arbeidsverplichting binnen twaalf maanden nadat aan een belanghebbende een
                    eerste verlaging is opgelegd wegens schending van een geüniformeerde
                    arbeidsverplichting), bedraagt de verlaging 100% gedurende 2 maande, zoals
                    beschreven in artikel 23.</al><al>Bij een derde, vierde en volgende schending van een geüniformeerde
                    arbeidsverplichting, telkens binnen twaalf maanden na oplegging van de vorige
                    verlaging, bedraagt de verlaging honderd procent gedurende drie maanden (artikel
                    18, zevende en achtste lid, van de P-wet).</al><al>Wettelijk heeft de belanghebbende de mogelijkheid om zich te herstellen. Hij kan
                    hiervoor een verzoek doen en moet aantonen nu wel te voldoen aan de
                    verplichtingen. Deze mogelijkheid wordt verder uitgewerkt in de
                    beleidsregels.</al><al>§ 3.2.3 Overige gedragingen die leiden tot een verlaging</al><al>Artikel 32 tekortschietend besef van verantwoordelijkheid Een tekortschietend
                    besef van verantwoordelijkheid kan uit allerlei gedragingen blijken zoals: - een
                    onverantwoorde besteding van vermogen; - geen of te late aanvraag doen voor een
                    voorliggende voorziening; - het niet nakomen van de verplichting tot het
                    instellen van een alimentatievordering.</al><al>De sanctie wordt afgestemd op het benadelingsbedrag. Wanneer er geen
                    benadelingsbedrag kan worden vastgesteld (maar er is wel benadeling), dan wordt
                    een verlaging van 20% van de uitkering gedurende 1 maand opgelegd.</al><al>Bij het onverantwoord interen van vermogen of het weggeven (schenken) van
                    vermogen is de hoogte van de sanctie gekoppeld aan de duur van de schadelast
                    voor de gemeente. Deze maatregel geldt niet voor de IOAW nu deze regeling geen
                    vermogensbepaling kent. Wanneer er sprake is van versneld interen of wegschenken
                    van vermogen wordt de uitkering gedurende het eerder bijstandsafhankelijk zijn
                    met 100% verlaagd. Als dit tot problemen leidt kan bijstand in de vorm van een
                    lening worden verstrekt conform artikel 48 van de wet. Versneld interen van
                    vermogen wordt berekend naar de systematiek van 1,5 x de norm per maand.  
                    Artikel 33 Verlies van een passende en toereikende voorliggende voorziening
                    wegens recidiveboete Iemand die vanwege recidive wel recht heeft op een
                    voorliggende voorziening die niet tot uitbetaling komt, kan vanaf dat moment
                    aanspraak maken op bijstand. De voorliggende voorziening is namelijk niet meer
                    passend en toereikend. Er bestaat wel formeel recht, maar het komt niet meer tot
                    uitbetaling. Als iemand een beroep doet op bijstand vanwege verrekening van de
                    bestuurlijke boete, wordt een maatregel opgelegd van 100% gedurende de eerste
                    maand gerekend vanaf de start van de verrekening van de voorliggende
                    voorziening. Als dan de beslagvrije voet bij een voorliggende voorziening op
                    nihil wordt gesteld, dan wordt een – bij ministeriële regeling bepaald – deel
                    van de zorgkosten, woonkosten en de kosten van kinderen vrijgesteld. Het vrij te
                    laten deel van de uitkering kan afhankelijk worden gesteld van de leefsituatie.
                    Wordt de beslagvrije voet op nihil gesteld en krijgt iemand als gevolg daarvan
                    bijstand, dan ontstaat de situatie dat iemand op papier twee (volledige)
                    uitkeringen ontvangt. Dit heeft gevolgen voor de toeslagen, nu het jaarinkomen
                    op papier hoog is. Er zal dus geen recht meer zijn op huur- en zorgtoeslag en
                    kindgebonden budget waardoor de kosten van bestaan niet meer betaald kunnen
                    worden uit de bijstandsuitkering. Om dit op te lossen is in de P-wet geregeld
                    dat dit vrijgelaten bedrag voor de bijstand niet als middel wordt aangemerkt
                    (artikel 31 lid 2 sub x P-wet).</al><al>Artikel 34 Zeer ernstig misdragen Met ingang van 1 januari 2015 is de
                    verplichting om zich te onthouden van zeer ernstige misdragingen een
                    zelfstandige verplichting die is opgenomen in artikel 9, zesde lid, van de
                    P-wet. Onder de term ‘zeer ernstig misdragen’ dient in elk geval te worden
                    verstaan: elke vorm van ongewenst en agressief (fysiek) contact met een persoon
                    of het ondernemen van pogingen daartoe. Hieronder valt bijvoorbeeld schoppen,
                    slaan of het (dreigen met) gooien van voorwerpen naar een persoon. Ook het
                    toebrengen van schade aan een gebouw of inventarisonderdeel, evenals het
                    ondernemen van pogingen daartoe in enige vorm wordt als zeer ernstige misdraging
                    gezien. Handelingen die door hun grote en mogelijk blijvende impact op de
                    desbetreffende persoon of personen grote invloed hebben zoals het opzetten van
                    gerichte lastercampagnes, seksuele intimidatie, het tonen van steek en/of
                    vuurwapens evenals (pogingen tot) opsluiting in een ruimte zijn eveneens als
                    zeer ernstige misdraging te beschouwen. Ook verbaal geweld valt onder de noemer
                    'zeer ernstige misdraging'.</al><al>Het gaat dus om alle vormen van zeer ernstige misdragingen tegenover de met de
                    uitvoering van de P-wet belaste personen en instanties tijdens het verrichten
                    van hun werkzaamheden. Met de zinsnede 'tijdens het verrichten van de
                    werkzaamheden' wordt aangegeven dat de verlaging van de uitkering alleen
                    opgelegd kan worden bij misdragingen in het kader van de uitvoering van de
                    P-wet. Als er sprake is van misdragingen jegens de met de uitvoering van de
                    P-wet belaste personen en instanties zonder dat deze bezig zijn met de
                    uitvoering van de P-wet (dus evt. in hun privésituatie) , wordt altijd aangifte
                    gedaan en kan een gebouwverbod worden opgelegd. Bij zeer ernstige misdragingen
                    treedt het agressieprotocol in werking. Dit protocol voorziet in onder meer een
                    ordegesprek, het doen van justitiële aangifte (altijd bij fysiek geweld), een
                    gebouwverbod en dergelijke. Daarnaast wordt een verlaging van de uitkering van
                    100% gedurende een maand opgelegd. Bij recidive wordt de uitkering gedurende 3
                    maanden met 100% verlaagd. Dit omdat de impact van zeer ernstig misdragen op de
                    personen maar ook op de organisatie dermate groot zijn dat dit zoveel mogelijk
                    moet worden voorkomen. Deze hoogte heeft naast een repressief ook een preventief
                    aspect.</al><al>Artikel 35 Niet nakomen overige verplichtingen Artikel 55 van de P-wet geeft het
                    college de bevoegdheid om personen verplichtingen op te leggen die afgestemd
                    zijn op de individuele situatie van de klant. Deze verplichtingen worden beperkt
                    tot een viertal categorieën, te weten: • verplichtingen die strekken tot
                    arbeidsinschakeling (geregeld in artikel 28 van deze verordening); •
                    verplichtingen die verband houden met de aard en het doel van een bepaalde vorm
                    van bijstand; • verplichtingen die strekken tot vermindering van de bijstand, en
                    • verplichtingen die strekken tot beëindiging van de bijstand.</al><al>De sanctie wordt afgestemd op het soort verplichting dat niet wordt nagekomen en
                    de impact hiervan op de bijstandsverlening.</al><al>§ 3.3 Bestuurlijke boete</al><al>§3.3.1 Schending inlichtingenplicht In de P-wet (artikel 18a) is bepaald, dat
                    het college een bestuurlijke boete oplegt als de inlichtingenplicht wordt
                    geschonden. Het college is verplicht de bestuurlijke boete met de lopende
                    uitkering te verrekenen. In beginsel moet bij deze verrekening de bescherming
                    van de beslagvrije voet in acht genomen worden. Is echter sprake van een
                    recidiveboete (binnen 5 jaar), dan kan het college besluiten gedurende maximaal
                    drie maanden zonder beslagvrije voet te verrekenen. De P-wet verplicht de
                    gemeenteraad in een verordening nadere regels te stellen over de bevoegdheid de
                    beslagvrije voet tijdelijk buiten werking te stellen bij verrekening van de
                    recidiveboete. Gemeenten krijgen daarmee de ruimte een afweging te maken van
                    situaties of omstandigheden waarin het buiten werking stellen van de beslagvrije
                    voet niet proportioneel wordt geacht. Deze bevoegdheid van de gemeenteraad kan
                    op veel verschillende manieren worden ingevuld, echter strekt deze zich slechts
                    uit over het al dan niet in acht nemen van de beslagvrije voet bij verrekening
                    van de recidiveboete. De wetgever geeft gemeenten verder heel weinig
                    beleidsruimte waar het gaat om terugvorderen (verplicht) en het opleggen van een
                    boete (ook verplicht).</al><al>Artikel 36 Niet nakomen van de inlichtingenverplichting en bestuurlijke boete
                    Bij het niet nakomen van deze verplichting wordt, met opschorting van het recht
                    op uitkering, een hersteltermijn geboden. Het gaat hier veelal om de plicht tot
                    het verstrekken of aanvullen van informatie (aanvraagformulier,
                    inkomstenverklaring en nader onderzoek rechtmatigheid). De
                    inlichtingenverplichting heeft mede betrekking op het nakomen van de
                    verplichting bedoeld in artikel 30c van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
                    Werk en Inkomen. Als een aanvraag of lopende uitkering formeel correct is af te
                    doen via het buiten behandeling laten van de aanvraag of het tijdig stopzetten
                    van een lopende uitkering en er géén sprake is van financiële benadeling wordt
                    geen sanctie toegepast. Dus alleen bij verwijtbare nalatigheid van de
                    inlichtingenverplichting met gevolgen voor de uitkering wordt een boete
                    opgelegd. De hoogte van de boete wordt afgestemd op de hoogte van het
                    benadelingbedrag. Dit bedrag is netto voor de P-wet, tenzij het kalenderjaar
                    wordt overschreden en bruto voor de IOAW en IOAZ. Wanneer er sprake is van een
                    benadelingbedrag van € 50.000 of meer wordt er in beginsel aangifte gedaan bij
                    het OM en blijft sanctionering achterwege (ne bis in idem) tenzij het OM besluit
                    te seponeren om een andere reden dan dat er geen sprake is van fraude of
                    benadeling van de gemeente. Dan zal er wel gesanctioneerd worden, vandaar dat er
                    geen restrictie is in dit artikel tot € 50.000. Dit onderdeel van het
                    sanctiebeleid steunt mede op het kosten-/baten-principe. Is ten onrechte of tot
                    een te hoog bedrag uitkering verleend, dan wordt het benadelingsbedrag in
                    beginsel volledig teruggevorderd. Dit onder handhaving van het recht tot het
                    opleggen van een boete.</al><al>Artikel 37 Matigen en afzien van opleggen bestuurlijke boete Als alle
                    verwijtbaarheid ontbreekt mag de gemeente volgens de wet geen boete opleggen.
                    Let wel: het gaat hier om objectiveerbare niet-verwijtbaarheid. Of er sprake is
                    van opzet is niet relevant, hoewel het woord fraude wel enige opzettelijkheid in
                    zich heeft. Het college kan wel de boete matigen als er sprake is van
                    verminderde verwijtbaarheid. Ook weer objectiveerbaar natuurlijk.</al><al>Bij de beoordeling van de mate waarin de gedraging aan de betrokkene kan worden
                    verweten, leiden in ieder geval de volgende criteria tot verminderde
                    verwijtbaarheid: a. de betrokkene verkeerde in onvoorziene en ongewenste
                    omstandigheden, die niet tot het normale levenspatroon behoren en die hem
                    weliswaar niet in de feitelijke onmogelijkheid brachten om aan de
                    inlichtingenverplichting te voldoen, maar die emotioneel zo ontwrichtend waren
                    dat hem niet volledig valt toe te rekenen dat de inlichtingen niet tijdig of
                    volledig zijn verstrekt; b. de betrokkene verkeerde in een zodanige geestelijke
                    toestand dat hem de overtreding niet volledig valt aan te rekenen, of c. de
                    betrokkene heeft wel inlichtingen verstrekt, die echter onjuist of onvolledig
                    waren, of heeft anderszins een wijziging van omstandigheden niet onverwijld
                    gemeld, maar uit eigen beweging alsnog de juiste inlichtingen verstrekt voordat
                    de overtreding is geconstateerd, tenzij de betrokkene deze inlichtingen heeft
                    verstrekt in het kader van toezicht op de naleving van een
                    inlichtingenverplichting.</al><al>Het college kan in andere, zeer dringende situaties ook besluiten tot matiging
                    van de boete. Dit is altijd maatwerk en zal individueel goed gemotiveerd
                    worden.</al><al>§ 3.3.2 Bescherming beslagvrije voet bij verrekening wegens recidive (alleen
                    P-wet)</al><al>Artikel 38 Verrekenen zonder beslagvrije voet bij voldoende bezit Bij het begrip
                    bezit zoals dat in deze verordening wordt gebruikt, gaat het nadrukkelijk niet
                    om vermogen als bedoeld in artikel 34 van de P-wet. Eventueel aanwezige schulden
                    spelen immers geen rol en worden dus ook niet op het bezit in mindering
                    gebracht. Ook de vrijlatingen van artikel 34, tweede lid, van de P-wet zijn hier
                    niet van toepassing. Een belanghebbende die vanwege de volledige verrekening met
                    de beslagvrije voet zonder inkomsten komt te zitten, zal de bezittingen waarover
                    hij beschikt of redelijkerwijs kan beschikken, volledig moeten aanwenden om in
                    de noodzakelijke kosten van het bestaan te kunnen voorzien. Een uitzondering is
                    gemaakt voor de door belanghebbende en zijn gezin bewoonde (eigen) woning.
                    Uitgangspunt van deze verordening is dat volledige verrekening met de
                    beslagvrije voet plaatsvindt voor de maximale termijn van drie maanden als een
                    belanghebbende over voldoende bezittingen beschikt om dit op te kunnen vangen.
                    Dat uitgangspunt is vastgelegd in artikel 38 van deze verordening. Van voldoende
                    bezit is sprake als de waarde van de bezittingen waarover belanghebbende
                    beschikt (of redelijkerwijs kan beschikken), ten minste driemaal de
                    toepasselijke bijstandsnorm bedraagt. Immers, bij aanwending of tegeldemaking
                    van deze bezittingen, zou een periode van drie maanden overbrugd moeten kunnen
                    worden.</al><al>Artikel 39 Verrekenen bij geen of onvoldoende bezit Heeft een belanghebbende
                    onvoldoende bezittingen om een periode van drie maanden volledige verrekening
                    met de beslagvrije voet te kunnen overbruggen, dan verrekent het college slechts
                    één maand zonder inachtneming van de beslagvrije voet (dus 100% van de
                    uitkering). Voor de overige twee maanden vindt weliswaar verrekening met in
                    achtneming van de beslagvrije voet plaats, maar niet volledig. Belanghebbende
                    blijft beschikken over een inkomen ter hoogte van 80% van de toepasselijke
                    bijstandsnorm. Voor het percentage van 80% is aansluiting gezocht bij de
                    invorderingsmogelijkheden die de Belastingdienst heeft bij notoire wanbetalers.
                    Onder omstandigheden kan deze de beslagvrije voet (90% van de toepasselijke
                    bijstandsnorm) verlagen met 10% op grond van artikel 19, eerste lid, van de
                    Invorderingswet 1990. Met de gekozen opzet wordt enerzijds uiting gegeven aan
                    het principe dat fraude niet mag lonen. Het gaat hier immers om belanghebbenden
                    die herhaaldelijk hun inlichtingenplicht hebben geschonden. Daar mag een
                    duidelijk signaal tegenover staan. Anderzijds wordt rekening gehouden met de
                    zorgplicht van gemeenten en de vangnetfunctie van de bijstand. Het volledig
                    buiten werking stellen van de beslagvrije voet gedurende drie maanden kan
                    kwalijke maatschappelijke consequenties hebben. Dat moet voorkomen worden, nu de
                    regeling daarmee zijn doel voorbij zou schieten. Een belanghebbende kan
                    inkomsten uit arbeid hebben die op grond van artikel 31, tweede lid, onderdelen
                    n of r, van de P-wet worden vrijgelaten voor de algemene bijstand. Bij
                    verrekening van een recidiveboete tot 80% van de bijstandsnorm, tellen deze
                    inkomsten echter gewoon mee. Het college laat deze inkomsten dus niet buiten
                    beschouwing bij de beoordeling van de vraag of een belanghebbende nog over
                    voldoende inkomen beschikt. Dat is geregeld in lid 3.</al><al>  Artikel 40 Verrekenen met inachtneming beslagvrije voet Hoewel het hier gaat
                    om een herhaaldelijke schending van de inlichtingenplicht, zijn situaties
                    denkbaar waarin volledige verrekening met de beslagvrije voet niet aanvaardbaar
                    wordt geacht. Het gaat daarbij altijd om individuele omstandigheden waaraan het
                    college zal moeten toetsen. In onderdeel a is geregeld dat het college kan
                    besluiten in afwijking van de artikelen 38 en 39 toch de beslagvrije voet te
                    respecteren wanneer volledige verrekening waarschijnlijk leidt tot
                    huisuitzetting van belanghebbende en diens gezin. Voorkomen moet worden dat een
                    belanghebbende door de volledige verrekening op straat komt te staan, nu dit de
                    problematiek alleen maar verergert, met alle maatschappelijke kosten van dien.
                    Een dreigende huisuitzetting wordt in deze verordening gezien als een dringende
                    reden om van verrekening met de beslagvrije voet af te zien. Dat volgt uit het
                    woord 'anderszins' in onderdeel b. Ook bij aanwezigheid van andere dringende
                    redenen dan een dreigende huisuitzetting, kan het college rekening houden met de
                    bescherming van de beslagvrije voet. Van dringende redenen is niet snel sprake.
                    Het gaat slechts om incidentele gevallen, waarbij de behoeftige omstandigheden
                    waarin de belanghebbende en diens gezinsleden verkeren op geen enkele andere
                    wijze te verhelpen zijn. Het enkele feit dat het belanghebbende door de
                    verrekening aan middelen ontbreekt om in het bestaan te voorzien, is op zich
                    geen voldoende voorwaarde om te kunnen spreken van dringende redenen. In het
                    kader van pseudoverrekening kunnen gemeenten te maken krijgen met verzoeken van
                    andere gemeenten om een door hen opgelegde recidiveboete te verrekenen. Het
                    college dat de boete heeft opgelegd zal in dat geval aangeven in hoeverre het de
                    beslagvrije voet in acht wil nemen (volgens de regels van zijn gemeentelijke
                    verordening). De gemeente die de uitkering verstrekt, moet in beginsel gehoor
                    geven aan dit verzoek. Mocht de beslagvrije voet niet gerespecteerd worden, dan
                    kan de belanghebbende het college waarvan hij uitkering ontvangt, verzoeken de
                    beslagvrije voet toch in acht te nemen. In artikel 60b, tweede lid, van de P-wet
                    is geregeld dat het college die de uitkering verstrekt, de bevoegdheid heeft aan
                    dit verzoek van belanghebbende tegemoet te komen. Het ligt voor de hand dat het
                    college bij de beslissing op dat verzoek handelt analoog aan de regels die in de
                    eigen gemeentelijke verordening zijn vastgelegd.</al><al>Artikel 41 Eerder opgelegde bestuurlijke boete In artikel 60b, derde lid, van de
                    P-wet is bepaald dat de bevoegdheid om te verrekenen met de beslagvrije voet ook
                    van toepassing is op eerder opgelegde bestuurlijke boetes voor zover op het
                    moment van verrekening van de recidiveboete, die eerdere boetes nog niet zijn
                    betaald. Mocht het college die eerdere, nog openstaande boetes gaan verrekenen,
                    dan regelt dit artikel dat de bepalingen in deze verordening van overeenkomstige
                    toepassing zijn.</al><al>  § 4 Bestrijden misbruik en oneigenlijk gebruik In deze paragraaf is de
                    verplichting uitgewerkt als bedoeld in artikel 8b van de P-wet: in het kader van
                    goed financieel beheer regels opstellen voor de bestrijding van het ten onrechte
                    ontvangen van bijstand alsmede van misbruik en oneigenlijk gebruik van de wet.
                    Deze regels moeten waarborgen dat aan de eisen van rechtmatigheid wordt voldaan.
                    Gelet op de financiële verantwoordelijk van de gemeente is naast controle van de
                    rechtmatigheid van de bijstand ook het beheersen van het volume in de bijstand
                    belangrijk. Een effectieve handhaving vertaalt zich immers in een besparing op
                    het inkomensdeel. Het beleid voor handhaving is reeds lang ingericht naar het
                    model van hoogwaardig handhaven.</al><al>Dit model voor integraal en hoogwaardig handhaven is opgebouwd uit vier pijlers,
                    waarvan twee preventief en twee repressief van aard zijn: 1. goede en tijdige
                    voorlichting over rechten en verplichtingen; 2. het optimaliseren van de
                    dienstverlening (creëren draagvlak voor spontane naleving P-wet); 3. het
                    vroegtijdig achterhalen (detecteren) van oneigenlijk gebruik en misbruik en 4.
                    het metterdaad straffen van oneigenlijk gebruik en misbruik.</al><al>Het college werkt de pijlers van hoogwaardig handhaven verder uit in
                    beleidsregels en richtlijnen voor de uitvoering.</al><al>Het rechtmatig verstrekken van uitkeringen, het voorkomen en het bestrijden van
                    oneigenlijk gebruik en misbruik van de P-wet, IOAW, IOAZ en Bbz 2004 is
                    gewaarborgd door te werken naar de uitgangspunten van het landelijke model voor
                    programmatisch en hoogwaardig handhaven. De vier visievelden van dat model
                    worden in samenhang uitgevoerd. De nadruk ligt op preventie en
                    gedragsverandering (spontaan naleven verplichtingen). Voorkomen is beter dan
                    genezen.</al><al>Artikel 44 Aangifte bij het Openbaar Ministerie Er wordt geen bestuurlijke boete
                    opgelegd als er aangifte wordt gedaan bij het OM, vanwege het beginsel “ne bis
                    in idem” (niet 2x straffen voor hetzelfde feit). Als het OM echter besluit niet
                    tot vervolging over te gaan, dan kan er wel worden gesanctioneerd. Dit kan wel
                    enige tijd later zijn, omdat het OM de aangifte zal moeten beoordelen en dat
                    kost tijd.</al><al>Artikel 45 Terugvorderen opgespoorde fraudebedragen Ten onrechte of tot een te
                    hoog bedrag verleende bruto uitkering door oneigenlijk gebruik of misbruik van
                    de P-wet, IOAW, IOAZ of Bbz 2004 wordt in beginsel volledig teruggevorderd
                    volgens de door het college vastgestelde nadere regels in het beleidskader
                    terug- en invordering van kosten van bijstand. Deze regels voorzien mede in het
                    afzien van het terugvorderen van (marginale) kosten van bijstand, de termijn
                    waarover naar draagkracht moet worden terugbetaald en het matigen dan wel
                    afboeken (kwijtschelden) van terug te vorderen kosten van bijstand.</al><al>De slotbepalingen behoeven geen toelichting</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>