<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR368005_1</dcterms:identifier><dcterms:title>VERORDENING LOONKOSTENSUBSIDIE PARTICIPATIEWET 2015</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Ten Boer</dcterms:creator><dcterms:modified>2015-06-01</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Groningen</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Onbekend</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening loonkostensubsidie participatiewet 2015</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Onbekend</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2015-04-22</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2015-06-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2020-11-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Onbekend</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>Maatschappelijke zorg en welzijn</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>VERORDENING LOONKOSTENSUBSIDIE PARTICIPATIEWET 2015</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>DE RAAD VAN DE GEMEENTE Ten Boer;</al><al>(nr. 7);</al><al>gelezen het voorstel het college van 7 april 2015;</al><al>gelet op artikel 6, tweede lid, van de Participatiewet;</al><al>BESLUIT:</al><al>de Verordening loonkostensubsidie Participatiewet 2015 vast te
                        stellen.</al></preambule></aanhef><regeling-tekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Vaststelling wie tot doelgroep loonkostensubsidie behoort</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college stelt vast of een persoon behoort tot de doelgroep
                                loonkostensubsidie.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Hierbij neemt het college de volgende criteria in acht:</al><lijst><li nr="a."><al>een persoon moet behoren tot de doelgroep zoals omschreven
                                        in artikel 7, eerste lid, onderdeel a, van de
                                        Participatiewet;</al></li><li nr="b."><al>die persoon is niet in staat met voltijdse arbeid het
                                        wettelijk minimumloon te verdienen, en</al></li><li nr="c."><al>die persoon heeft mogelijkheden tot
                                        arbeidsparticipatie.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen adviseert het
                                college met betrekking tot het oordeel of een persoon behoort tot de
                                doelgroep loonkostensubsidie. Het Uitvoeringsinstituut
                                werknemersverzekeringen neemt daarbij de in het tweede lid
                                neergelegde criteria in acht.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Vaststelling loonwaarde</titel></kop><al>Het college maakt bij de vaststelling van de loonwaarde van een persoon
                            gebruik van een methode die ten minste voldoet aan de eisen die daaraan
                            worden gesteld in het Besluit loonkostensubsidie Participatiewet en de
                            daarop gebaseerde Regeling loonkostensubsidie Participatiewet.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>Onvoorzien en nadere regels</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In gevallen waarin deze verordening niet voorziet, beslist het
                                college.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan nadere regels stellen over de uitvoering van deze
                                verordening.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Inwerkingtreding en citeertitel</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Deze verordening treedt in werking op 1 juni 2015.</al></li><li nr="2."><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening
                                    loonkostensubsidie Participatiewet 2015.</al></li></lijst></artikel></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Gedaan te Ten Boer ter openbare raadsvergadering van 22 april 2015.</ondertekening><ondertekening>N.A. van de Nadort R.Sj. Bosma</ondertekening><ondertekening>De voorzitter, De griffier,</ondertekening></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>Toelichting</titel></kop><tussenkop>Algemeen</tussenkop><al>Deze verordening geeft uitvoering aan artikel 6, tweede lid, van de
                    Participatiewet. Overeenkomstig deze bepaling dient de gemeenteraad bij
                    verordening regels vast te stellen over de doelgroep loonkostensubsidie en de
                    loonwaarde. De regels dienen in ieder geval te bepalen:</al><lijst><li nr="-"><al>de wijze waarop wordt vastgesteld wie tot de doelgroep
                            loonkostensubsidie behoort, en</al></li><li nr="-"><al>de wijze waarop de loonwaarde wordt vastgesteld.</al></li></lijst><al>Het college kan op verzoek of ambtshalve vaststellen wie tot de doelgroep
                    loonkostensubsidie behoort (artikel 10c van de Participatiewet). Personen zoals
                    bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a, van de Participatiewet die
                    mogelijkheden tot arbeidsparticipatie hebben en van wie is vastgesteld dat zij
                    met voltijdse arbeid niet in staat zijn tot het verdienen van het wettelijk
                    minimumloon, behoren tot de doelgroep loonkostensubsidie (artikel 6, eerste lid,
                    onderdeel e, van de Participatiewet).</al><al>Heeft het college vastgesteld dat een persoon behoort tot de doelgroep
                    loonkostensubsidie en is een werkgever voornemens met die persoon een
                    dienstbetrekking aan te gaan, dan stelt het college in beginsel de loonwaarde
                    van die persoon vast (artikel 10d, eerste lid, van de Participatiewet). Hiervoor
                    is geen aanvraag vereist. De vastgestelde loonwaarde legt het college vast in
                    een beschikking waartegen zowel de betrokken persoon als diens (potentiële)
                    werkgever bezwaar en beroep kunnen instellen. </al><al>De loonwaarde is een vastgesteld percentage van het rechtens geldende loon voor
                    de door een persoon - die behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie -
                    verrichte arbeid in een functie naar evenredigheid van de arbeidsprestatie in
                    die functie van een gemiddelde werknemer met een soortgelijke opleiding en
                    ervaring, die niet tot de doelgroep loonkostensubsidie behoort (artikel 6,
                    eerste lid, onderdeel g, van de Participatiewet).</al><al>Deze nieuwe vorm van loonkostensubsidie is niet per definitie tijdelijk, maar
                    kan indien nodig voor een langere periode worden ingezet. Met dit instrument
                    compenseert de gemeente werkgevers voor de verminderde productiviteit van de
                    werknemer (zie Kamerstukken II 2013/14, 33 161, nr. 107, blz. 60).</al><al>Begrippen die al zijn omschreven in de Participatiewet, Algemene wet
                    bestuursrecht (hierna: Awb) of de Gemeentewet zijn vanzelfsprekend ook van
                    toepassing op deze verordening. Hiervan zijn in deze verordening daarom geen
                    begripsomschrijvingen opgenomen. Voor de duidelijkheid zijn een aantal
                    belangrijke wettelijke definities hieronder weergegeven.</al><lijst><li nr="-"><al>doelgroep loonkostensubsidie (artikel 6, eerste lid, onderdeel e,
                            Participatiewet): personen als bedoeld in artikel 7, eerste lid,
                            onderdeel a, van wie is vastgesteld dat zij met voltijdse arbeid niet in
                            staat zijn tot het verdienen van het wettelijk minimumloon, doch wel
                            mogelijkheden tot arbeidsparticipatie hebben;</al></li><li nr="-"><al>loonwaarde (artikel 6, eerste lid, onderdeel g, Participatiewet):
                            vastgesteld percentage van het rechtens geldende loon voor de door een
                            persoon, die tot de doelgroep loonkostensubsidie behoort, verrichte
                            arbeid in een functie naar evenredigheid van de arbeidsprestatie in die
                            functie van een gemiddelde werknemer met een soortgelijke opleiding en
                            ervaring, die niet tot de doelgroep loonkostensubsidie behoort;</al></li><li nr="-"><al>dienstbetrekking (artikel 6, eerste lid, onderdeel f Participatiewet):
                            een privaatrechtelijke of publiekrechtelijke dienstbetrekking.</al></li></lijst><tussenkop>Artikelsgewijze toelichting</tussenkop><al>Enkel die bepalingen die verdere toelichting behoeven worden hieronder
                    behandeld.</al><tussenkop>Artikel 1. Vaststelling wie tot doelgroep loonkostensubsidie
                    behoort</tussenkop><al>In artikel 10c van de Participatiewet is geregeld wanneer wordt vastgesteld of
                    een persoon tot de doelgroep loonkostensubsidie behoort: op schriftelijke
                    aanvraag of ambtshalve. Ambtshalve vaststelling is alleen mogelijk bij:</al><lijst><li nr="-"><al>personen die algemene bijstand ontvangen;</al></li><li nr="-"><al>personen als bedoeld in artikel 34a, vijfde lid, onderdeel b, 35, vierde
                            lid, onderdeel b, en 36, derde lid, onderdeel b, van de Wet werk en
                            inkomen naar arbeidsvermogen (hierna: WIA) tot het moment dat het
                            inkomen uit arbeid in dienstbetrekking gedurende twee aaneengesloten
                            jaren ten minste het minimumloon bedraagt en ten behoeve van die persoon
                            in die twee jaren geen loonkostensubsidie als bedoeld in artikel 10d van
                            de Participatiewet is verleend;</al></li><li nr="-"><al>personen als bedoeld in artikel 10, tweede lid, van de
                            Participatiewet;</al></li><li nr="-"><al>personen met een uitkering op grond van de Wet inkomensvoorziening
                            oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers, en</al></li><li nr="-"><al>personen met een uitkering op grond van de Wet inkomensvoorziening
                            oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen.</al></li></lijst><al>In artikel 10c van de Participatiewet is ook bepaald dat het aan het college is
                    om vast te stellen of een persoon tot de doelgroep loonkostensubsidie behoort.
                    Binnen de kaders van de wet is het aan de gemeente om vast te stellen op welke
                    wijze zij bepalen of mensen tot de doelgroep loonkostensubsidie behoren en of
                    loonkostensubsidie voor hen wordt ingezet (zie Kamerstukken II 2013/14, 33 161,
                    nr. 107, blz. 62). In artikel 1, tweede lid, is vastgelegd welke criteria
                    daarbij in acht genomen worden. Deze cumulatieve criteria zijn ontleend aan
                    artikel 6, eerste lid, onderdeel e, van de Participatiewet. Daarin is immers
                    wettelijk de doelgroep loonkostensubsidie vastgelegd.</al><al>Bij de vaststelling op iemand behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie laat
                    het college zich adviseren door het Uitvoeringsinstituut
                    Werknemersverzekeringen. Het college draagt personen voor die zouden kunnen
                    behoren tot de doelgroep loonkostensubsidie, het Uitvoeringsinstituut
                    Werknemersverzekeringen adviseert en neemt daarbij eveneens de in het tweede lid
                    neergelegde criteria in acht. Op basis van het advies beslist het college of
                    iemand tot de doelgroep loonkostensubsidie behoort. Alleen als sprake is van een
                    onzorgvuldige totstandkoming van het advies, kan besloten worden het advies niet
                    te volgen.</al><tussenkop>Artikel 2. Vaststelling loonwaarde</tussenkop><al>In artikel 10d, eerste lid, van de Participatiewet is bepaald dat als een
                    persoon behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie en een werkgever voornemens
                    is een dienstbetrekking aan te gaan met die persoon, het college de loonwaarde
                    van die persoon vaststelt. Hiervoor is geen aanvraag vereist. De vastgestelde
                    loonwaarde legt het college vast in een beschikking waartegen zowel de betrokken
                    persoon als diens (potentiële) werkgever bezwaar en beroep kunnen instellen. </al><al>In de arbeidsmarktregio is afgesproken om de in het land verreweg meest
                    gebruikte methode “Dariuz” te vergelijken met de methodiek van het UWV en beiden
                    indien mogelijk te integreren. Op deze manier kan in de arbeidsmarktregio naar
                    één methode van loonwaarde meting worden toegewerkt die voor alle doelgroepen
                    (huidige Wajong, huidige Wsw en nieuwe doelgroep Participatiewet) toepasbaar is
                    en waarvoor een brede groep functionarissen beschikbaar zal zijn om vanuit het
                    UWV, de gemeente(n) en/of sociale werkvoorzieningen deze meting uit te voeren. </al><al>De regionale Werkbedrijven, die over de te gebruiken methode voor loonwaarde
                    vaststelling op regionaal niveau afspraken moeten maken, worden niet eerder dan
                    vanaf 1 januari 2015 operationeel en kunnen derhalve pas dan toewerken naar het
                    maken van nadere afspraken over minimumeisen waaraan een loonwaarde methode moet
                    voldoen.</al><al>Om dat gat te dichten heeft de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid
                    nadere regels vastgesteld omtrent minimumeisen voor de vaststelling van de
                    loonwaarde van mensen met een arbeidsbeperking, die vanaf 1 januari 2015 met een
                    loonkostensubsidie aan het werk gaan. Deze Regeling loonkostensubsidie
                    Participatiewet (Staatscourant 2014 nr. 29290, 15 oktober 2014) geldt zolang er
                    nog niet op regionaal niveau afspraken zijn gemaakt.</al><al>De eisen waaraan elke methode van loonwaardebepaling in ieder geval moet voldoen
                    zijn de volgende:</al><lijst><li nr="1."><al>De loonwaarde moet worden vastgesteld op basis van de feitelijke
                            werkzaamheden van de medewerker en met inbreng van de werkgever. </al></li><li nr="2."><al>De methode waarmee de loonwaarde wordt bepaald moet een beschreven
                            objectieve methode zijn die door of onder verantwoordelijkheid van een
                            deskundige wordt uitgevoerd.</al></li></lijst><al>Bij de vaststelling van de loonwaarde moeten volgens de Regeling de volgende
                    stappen worden gezet:</al><tussenkop>Vooraf:</tussenkop><lijst><li nr="•"><al>Heeft een werkgever de intentie om met betrokkene een dienstbetrekking
                            aan te gaan?</al></li><li nr="•"><al>Heeft betrokkene al bij die werkgever gewerkt, bijvoorbeeld met
                            proefplaatsing of werkervaringsplaats?</al></li><li nr="•"><al>Welke beschreven methodiek wordt gebruikt?</al></li><li nr="•"><al>Welke deskundige uitvoerder stelt de loonwaarde vast?</al></li></lijst><tussenkop>Stappen ter bepaling van de loonwaarde:</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>Beoordeling vindt plaats op basis van de feitelijk uitgevoerde
                            werkzaamheden door de werknemer op de
                                <onderstreept>werkplek</onderstreept>, met werkgever.</al></li><li nr="2."><al>Vaststellen van de <onderstreept>taken</onderstreept>, die betrokkene
                            kan verrichten en <onderstreept>aandeel</onderstreept> (percentage) van
                            totale</al><al> takenpakket.</al></li><li nr="3."><al>Vaststellen van de <onderstreept>normfunctie</onderstreept> van een
                            werknemer zonder beperkingen en het functieloon daarbij.</al></li><li nr="4."><al>Vaststellen van de <onderstreept>normen</onderstreept> voor de
                            prestaties op basis waarvan de loonwaarde wordt bepaald: tempo,
                            kwaliteit, inzetbaarheid (prestatie van de persoon zonder beperkingen)
                            per taak.</al></li><li nr="5."><al>Vaststellen van de <onderstreept>afzonderlijke prestaties</onderstreept>
                            (in percentage van 4) op de bestanddelen, tempo, kwaliteit,
                            inzetbaarheid,
                                <onderstreept>van</onderstreept><onderstreept>betrokkene</onderstreept>
                            met beperkingen per taak 1.</al></li><li nr="6."><al>Vaststellen van de <onderstreept>prestaties per taak in vergelijking met
                                de prestatie van de persoon zonder beperkingen</onderstreept>: het
                            product van de prestaties op de bestanddelen, tempo, kwaliteit,
                            inzetbaarheid, <onderstreept>van betrokkene</onderstreept> met
                            beperkingen.</al></li><li nr="7."><al>Vaststellen van de <onderstreept>loonwaarde per taak</onderstreept> door
                            het aandeel van de taak als percentage van het totale takenpakket te
                            vermenigvuldigen met de prestatie per taak (stap 6). De loonwaarde is
                            een percentage van het functieloon.</al></li><li nr="8."><al>Vaststellen van de <onderstreept>totale loonwaarde als percentage van
                                het functieloon</onderstreept> door de verschillende loonwaarden per
                            taak bij elkaar op te tellen en af te ronden.</al></li></lijst><al>Wij zijn van mening dat de methode Dariuz ten minste voldoet aan de eisen die de
                    Regeling van de minister stelt. Om die reden zullen wij daar voorlopig gebruik
                    van maken.</al><al>Wanneer de nieuwe methode binnen de arbeidsmarktregio Groningen beschikbaar is,
                    zal de gemeenteraad in de vorm van een wijziging van deze verordening de
                    definitieve keuze voor een bepaalde methode vaststellen.</al><al>Als een dienstbetrekking tot stand komt, verleent het college loonkostensubsidie
                    aan de werkgever met inachtneming van artikel 10d van de Participatiewet.</al><tussenkop>Artikel 3. Onvoorzien en nadere regels </tussenkop><al>Dit artikel is bedoeld als een vangnetartikel. Waar de verordening onvoldoende
                    aansluit bij een bijzondere situatie uit de praktijk, kan het college een
                    besluit nemen om daarin te voorzien. Dit kan in een individueel geval zijn
                    waarin de verordening niet voorziet. Dit kan ook door het college nadere regels
                    over de uitvoering van deze verordening te laten vaststellen.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>