<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR367986_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Re-integratieverordening participatiewet 2015</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Ten Boer</dcterms:creator><dcterms:modified>2015-06-01</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Groningen</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Onbekend</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Re-integratieverordening participatiewet 2015</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Onbekend</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2015-04-22</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2015-06-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2020-11-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Onbekend</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Re-integratieverordening participatiewet 2015</intitule><regeling><aanhef><preambule><al><vet>RE-INTEGRATIEVERORDENING PARTICIPATIEWET</vet><vet>2015
                    </vet></al><al>DE RAAD VAN DE GEMEENTE TEN BOER,</al><al>(nr. 7);</al><al>gezien het voorstel van het college van 7 april 2015;</al><al>gelet op de artikelen 8a, eerste lid, aanhef en onder a, c, d en e, en
                        tweede lid, en 10b, vierde lid, van de Participatiewet;</al><al>BESLUIT:</al><al>de Re-integratieverordening Participatiewet 2015 vast te stellen.</al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1.</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Begrippen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="-"><al>doelgroep: personen als bedoeld in artikel 7, eerste lid,
                                        onder a, van de wet;</al></li><li nr="-"><al>grote afstand tot de arbeidsmarkt: deelname aan de
                                        arbeidsmarkt is redelijkerwijs niet mogelijk binnen één
                                        jaar;</al></li><li nr="-"><al>korte afstand tot de arbeidsmarkt: deelname aan de
                                        arbeidsmarkt is redelijkerwijs mogelijk binnen één
                                        jaar;</al></li><li nr="-"><al>wet: Participatiewet.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voor zover niet anders is bepaald, worden begrippen in deze
                                verordening gebruikt in dezelfde betekenis als in de wet.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2.</nr><titel>Beleid en financiën</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Evenwichtige verdeling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan de voorzieningen, bedoeld in artikel 5, 7 en 8
                                aanbieden aan personen die behoren tot de doelgroep met korte
                                afstand tot de arbeidsmarkt.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan de voorzieningen, bedoeld in de artikelen 5, 6, 7, 8
                                en 9 aanbieden aan personen die behoren tot de doelgroep met een
                                grote afstand tot de arbeidsmarkt. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college houdt bij het aanbieden van de in deze verordening
                                opgenomen voorzieningen rekening met de omstandigheden en
                                functionele beperkingen van een persoon. De omstandigheden hebben in
                                ieder geval betrekking op zorgtaken van die persoon en de
                                mogelijkheid dat hij behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie of
                                gebruik maakt van de voorziening beschut werk. Onder zorgtaken wordt
                                in ieder geval verstaan: a. de opvang van ten laste komende kinderen
                                tot vijf jaar, en b. de noodzakelijkheid van het verrichten van
                                mantelzorg. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>Budget- en subsidieplafonds</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan bij uitvoeringsbesluit een of meer subsidie- of
                                budgetplafonds vaststellen voor de verschillende voorzieningen. Een
                                door het college ingesteld subsidie- of budgetplafond vormt een
                                weigeringsgrond bij de aanspraak op een specifieke voorziening.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan bij uitvoeringsbesluit een plafond instellen voor
                                het aantal personen dat in aanmerking komt voor een specifieke
                                voorziening.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3.</nr><titel>Voorzieningen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Algemene bepalingen over voorzieningen</titel></kop><al>Het college kan een voorziening beëindigen als: </al><lijst><li nr="a."><al>de persoon die aan de voorziening deelneemt zijn verplichting
                                    als bedoeld in de artikelen 9 en 17 van de wet, de artikelen 13
                                    en 37 van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                                    arbeidsongeschikte werkloze werknemers of de artikelen 13 en 37
                                    van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                                    arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen niet nakomt;</al></li><li nr="b."><al>de persoon die aan de voorziening deelneemt niet meer behoort
                                    tot de doelgroep;</al></li><li nr="c."><al>de persoon die aan de voorziening deelneemt algemeen
                                    geaccepteerde arbeid aanvaardt waarbij geen gebruik wordt
                                    gemaakt van een in deze verordening genoemde voorzieningen,
                                    tenzij het betreft een persoon als bedoeld in artikel 7, eerste
                                    lid, onderdeel a, onder 2°, van de wet;</al></li><li nr="d."><al>naar het oordeel van het college de voorziening onvoldoende
                                    bijdraagt aan een snelle arbeidsinschakeling;</al></li><li nr="e."><al>de voorziening naar het oordeel van het college niet meer
                                    geschikt is voor de persoon die gebruik maakt van de
                                    voorziening;</al></li><li nr="f."><al>de persoon die aan de voorziening deelneemt niet naar behoren
                                    gebruik maakt van de aangeboden voorziening;</al></li><li nr="g."><al>de persoon die aan de voorziening deelneemt niet meer voldoet
                                    aan de voorwaarden die in deze verordening worden gesteld om in
                                    aanmerking te komen voor die voorziening.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Werkstage</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan een persoon een werkstage gericht op
                                arbeidsinschakeling aanbieden als deze behoort tot de
                                doelgroep.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het doel van een werkstage is het opdoen van werkervaring of het
                                leren functioneren in een arbeidsrelatie. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college plaatst de persoon uitsluitend als hierdoor de
                                concurrentieverhoudingen niet onverantwoord worden beïnvloed en er
                                geen verdringing op de arbeidsmarkt plaatsvindt. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De werkstage duurt maximaal zes maanden en vindt als de persoon
                                algemene bijstand ontvangt, plaats met behoud van uitkering. Een
                                werkstage kan eenmaal met een zelfde periode worden verlengd indien
                                dit noodzakelijk is voor arbeidsinschakeling.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Gedurende de werkstage vindt begeleiding plaats.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>In een schriftelijke overeenkomst tussen stage-gever, stagiair en
                                gemeente wordt in ieder geval vastgelegd:</al><lijst><li nr="a."><al>het doel van de werkstage, en</al></li><li nr="b."><al>de wijze waarop de begeleiding plaatsvindt.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Sociale activering</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan een persoon die behoort tot de doelgroep
                                activiteiten aanbieden in het kader van sociale activering voor
                                zover de mogelijkheid bestaat dat hij op enig moment algemeen
                                geaccepteerde arbeid kan verkrijgen waarbij geen gebruik wordt
                                gemaakt van een voorziening. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al> Het college stemt de duur van de in het eerste lid bedoelde
                                activiteiten af op de mogelijkheden en capaciteiten van die
                                persoon.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel>Detacheringsbaan</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan zorgen voor toeleiding van een persoon die behoort
                                tot de doelgroep naar een dienstverband met een werkgever, gericht
                                op arbeidsinschakeling.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De werknemer wordt voor het verrichten van arbeid gedetacheerd bij
                                een onderneming. De detachering wordt vastgelegd in een
                                schriftelijke overeenkomst tussen zowel de werkgever en inlenende
                                organisatie als tussen de werknemer en inlenende organisatie.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Een werknemer wordt uitsluitend geplaatst als hierdoor de
                                concurrentieverhoudingen niet onverantwoord worden beïnvloed en er
                                geen verdringing op de arbeidsmarkt plaatsvindt.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college kan formeel als werkgever van de werknemer optreden, dan
                                wel een organisatie aanwijzen die in opdracht van de gemeente
                                formeel als werkgever van de werknemer, bedoeld in het eerste lid,
                                optreedt.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.</nr><titel>Scholing</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan een persoon die behoort tot de doelgroep een
                                scholingstraject aanbieden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een scholingstraject voldoet in ieder geval aan de volgende
                                eisen:</al><lijst><li nr="a."><al>is noodzakelijk voor de toeleiding naar de arbeidsmarkt,
                                        en</al></li><li nr="b."><al>duurt niet langer dan een jaar.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het eerste lid is niet van toepassing op personen als bedoeld in
                                artikel 7, derde lid, onderdeel a, van de
                                wet<cursief>.</cursief></al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.</nr><titel>Participatieplaats</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan een persoon van 27 jaar of ouder met recht op
                                algemene bijstand overeenkomstig artikel 10a van de wet onbeloonde
                                additionele werkzaamheden laten verrichten. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een participatieplaats duurt maximaal zes maanden. Een
                                participatieplaats kan maximaal driemaal met een zelfde periode
                                worden verlengd tot in totaal vierentwintig maanden, indien dit
                                noodzakelijk is voor een grotere kans op arbeidsinschakeling. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Gedurende de periode waarin een persoon op een participatieplaats
                                werkzaamheden verricht, vindt begeleiding plaats. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De premie, bedoeld in artikel 10a, zesde lid, van de wet bedraagt €
                                600 per zes maanden, mits in die zes maanden voldoende is meegewerkt
                                aan het vergroten van de kans op inschakeling in het arbeidsproces.
                            </al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Voor zover een persoon niet beschikt over een startkwalificatie,
                                beoordeelt het college binnen zes maanden na aanvang van de
                                werkzaamheden in hoeverre scholing of opleiding de toegang tot de
                                arbeidsmarkt bevordert. Het college betrekt bij deze
                                beoordeling:</al><lijst><li nr="a."><al>in hoeverre die persoon de krachten en bekwaamheden bezit om
                                        scholing of opleiding te volgen;</al></li><li nr="b."><al>het oordeel van degene in wiens opdracht die persoon de
                                        werkzaamheden uitvoert;</al></li><li nr="c."><al>de scholingswens van die persoon.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.</nr><titel>Participatievoorziening beschut werk</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan aan een persoon die behoort tot de doelgroep de
                                voorziening beschut werk aanbieden als hij door een lichamelijke,
                                verstandelijke of psychische beperking een zodanige mate van
                                begeleiding op en aanpassingen van de werkplek nodig heeft dat van
                                een reguliere werkgever redelijkerwijs niet kan worden verwacht dat
                                hij deze persoon in dienst neemt.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college maakt uit de personen die behoren tot de doelgroep een
                                voorselectie en wint bij het Uitvoeringsinstituut
                                werknemersverzekeringen advies in voor de beoordeling of zij
                                uitsluitend in een beschutte omgeving onder aangepaste
                                omstandigheden mogelijkheden tot arbeidsparticipatie hebben. Het
                                college maakt voor de voorselectie gebruik van het reguliere
                                instroom- en diagnoseproces zoals dat in de dienstverleningslijn
                                wordt toegepast, tenzij dit gelet op de aard en ernst van de
                                arbeidsbeperking niet mogelijk is. In dat geval wordt gebruik
                                gemaakt van een op de situatie van de persoon aangepaste
                                methodiek.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Om de in artikel 10b, eerste lid, van de wet, bedoelde werkzaamheden
                                mogelijk te maken zet het college de volgende ondersteunende
                                voorzieningen in: fysieke aanpassingen van de werkplek of de
                                werkomgeving, uitsplitsing van taken of aanpassingen in de wijze van
                                werkbegeleiding, werktempo of arbeidsduur.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Ieder kalenderjaar komt maximaal 1 personen in aanmerking voor een
                                Participatievoorziening beschut werk totdat het maximum van 9
                                werkplekken is bereikt. De raad kan jaarlijks in de
                                programmabegroting afwijken van deze aantallen.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het college wijst een aanvraag om een participatievoorziening
                                beschut werk af indien de omvang van het aanbod van de voorziening
                                zoals is vastgesteld ingevolge het vierde lid, in het jaar van
                                aanvraag is bereikt.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11.</nr><titel>Ondersteuning bij leer-werktraject</titel></kop><al>Het college kan ondersteuning als bedoeld in artikel 10f van de wet
                            aanbieden bij het volgen van een leer-werktraject als het college van
                            oordeel is dat een leer-werktraject nodig is. Ondersteuning wordt alleen
                            aangeboden als deze nodig is voor het volgen van een leer-werktraject en
                            het personen betreft:</al><lijst><li nr="a."><al>van zestien of zeventien jaar van wie de leerplicht of de
                                    kwalificatieplicht, bedoeld in de Leerplichtwet 1969, nog niet
                                    is geëindigd, of</al></li><li nr="b."><al>van achttien tot 27 jaar die nog geen startkwalificatie hebben
                                    behaald.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.</nr><titel>Persoonlijke ondersteuning</titel></kop><al>Aan een persoon die behoort tot de doelgroep kan het college
                            persoonlijke ondersteuning bij het verrichten van de aan die persoon
                            opgedragen taken aanbieden in de vorm van structurele begeleiding indien
                            hij zonder persoonlijke ondersteuning niet in staat is de aan hem
                            opgedragen taken te verrichten. Persoonlijke ondersteuning wordt in
                            ieder geval aangeboden als de werkgever ten behoeve van de werknemer een
                            loonkostensubsidie als bedoeld in artikel 10d van de wet ontvangt of als
                            de persoon die op een detacheringsbaan werkzaam is, behoort tot de
                            doelgroep loonkostensubsidie in de zin van artikel 6, eerst lid sub e
                            van de wet. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13.</nr><titel>No-riskpolis</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een werkgever kan gebruik maken van een no-risk polis ten behoeve
                                van een werknemer voor wie het college loonkostensubsidie als
                                bedoeld in artikel 10d van de wet heeft toegekend.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De no-risk polis wordt uitgevoerd door UWV.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college kan nadere regels stellen waaraan de werkgever moet
                                voldoen om voor een no-riskpolis in aanmerking te komen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14.</nr><titel>Werkgeversarrangement</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college kan met een werkgever een overeenkomst sluiten over
                                    een pakket voorzieningen gericht op re-integratie ten behoeve
                                    van de arbeidsinschakeling van een of meer personen die behoren
                                    tot de doelgroep. Dit pakket kan bestaan uit verschillende
                                    voorzieningen zoals die in de verordening of de krachtens deze
                                    verordening genomen uitvoeringsbesluiten zijn vastgelegd.</al></li><li nr="2."><al>Het college kan in de overeenkomst afwijken van hetgeen in deze
                                    verordening of de krachtens deze verordening genomen
                                    uitvoeringsbesluiten is bepaald, voor zover dit de
                                    arbeidsinschakeling van een of meer personen als bedoeld in het
                                    eerste lid bevordert.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15.</nr><titel>Nazorg</titel></kop><al>Het college kan voorzieningen bieden gericht op nazorg aan een werkgever
                            die een persoon die behoort tot de doelgroep in dienst neemt voor het
                            verrichten van algemeen geaccepteerde arbeid, waarbij geen sprake is van
                            een voorziening.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16.</nr><titel>Overige vergoedingen</titel></kop><al>Een persoon die behoort tot de doelgroep kan in aanmerking komen voor
                            vergoeding van kosten die naar het oordeel van het college noodzakelijk
                            zijn in het kader van de voorziening waarvan die persoon gebruik
                            maakt.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4.</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17.</nr><titel>Onvoorzien en nadere regels</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In gevallen waarin deze verordening niet voorziet, beslist het
                                college.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan nadere regels stellen over de uitvoering van deze
                                verordening.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18.</nr><titel>Intrekken oude verordening en overgangsrecht</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De Re-integratieverordening Wet werk en bijstand wordt
                                ingetrokken.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een persoon die gebruik maakt van een toegekende voorziening op
                                grond van de Re-integratieverordening Wet werk en bijstand, die moet
                                worden beëindigd op grond van deze verordening, behoudt deze
                                voorziening voor zover wordt voldaan aan de voorwaarden uit de
                                Re-integratieverordening Wet werk en bijstand voor de duur:</al><lijst><li nr="a."><al>van een periode van twaalf maanden gerekend vanaf de
                                        inwerkingtreding van deze verordening, of</al></li><li nr="b."><al>van een periode waarvoor deze voorziening bij besluit is
                                        verstrekt, als dat korter is dan de periode als bedoeld in
                                        het tweede lid, onderdeel a.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college kan na afloop van de in het tweede lid, onderdeel a,
                                bedoelde periode, besluiten of een voorziening wordt
                                voortgezet.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De Re-integratieverordening Wet werk en bijstand blijft van
                                toepassing ten aanzien van een voorziening als bedoeld in het tweede
                                en derde lid.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19.</nr><titel>Inwerkingtreding en citeertitel</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Deze verordening treedt in werking op 1 juni 2015.</al></li><li nr="2."><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Re-integratieverordening
                                    Participatiewet 2015.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Gedaan te Ten Boer ter openbare raadsvergadering van 22 april 2015.</ondertekening><ondertekening>N.A. van de Nadort R.Sj. Bosma</ondertekening><ondertekening>De voorzitter, De griffier,</ondertekening></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>Toelichting</titel></kop><tussenkop>Algemeen</tussenkop><al>Er is gekozen voor een algemene, globale verordening. Dit heeft te maken met de
                    aard van de opdracht die de raad heeft gekregen, te weten het bij verordening
                    regels stellen waarin het beleid van de gemeente ten aanzien van haar
                    re-integratietaak wordt neergelegd. Hieruit moet onder andere aandacht blijken
                    voor de in de Participatiewet onderscheiden doelgroepen en de daarbinnen te
                    onderscheiden subgroepen. Dit leent zich niet tot het formuleren van
                    gedetailleerde regels die op iedere situatie van toepassing zijn. Immers,
                    re-integratie is maatwerk. Het is helemaal afhankelijk van iemands mogelijkheden
                    en beperkingen wat in het concrete geval een passend re-integratietraject is.
                    Daarom wordt aan het college de bevoegdheid gegeven om op een aantal punten
                    eigen afwegingen te maken. Artikel 10 van de Participatiewet bepaalt dat
                    personen uit de doelgroep aanspraak hebben op ondersteuning bij de
                    arbeidsinschakeling en de door het college noodzakelijk geachte voorziening
                    binnen de kaders van de re-integratieverordening. Daarom is ervoor gekozen in de
                    verordening de voorzieningen vast te leggen die het college in ieder geval kan
                    aanbieden.</al><al>Met betrekking tot de volgende voorzieningen is de gemeenteraad verplicht om
                    regels op te nemen in deze verordening:</al><lijst><li nr="-"><al>scholing of opleiding, bedoeld in artikel 10a, vijfde lid, van de
                            Participatiewet (artikelen 8a, eerste lid, onderdeel c, en tweede lid,
                            onderdeel c, van de Participatiewet);</al></li><li nr="-"><al>de premie, bedoeld in artikel 10a, zesde lid, Participatiewet (artikelen
                            8a, eerste lid, onderdeel d, en tweede lid, onderdeel c, van de
                            Participatiewet);</al></li><li nr="-"><al>participatievoorziening beschut werk, bedoeld in artikel 10b van de
                            Participatiewet (artikelen 8a, eerste lid, onderdeel e, en 10b, vierde
                            lid, van de Participatiewet), en</al></li><li nr="-"><al>no riskpolis (artikel 8a, tweede lid, onderdeel b, van de
                            Participatiewet).</al></li></lijst><tussenkop>Artikelsgewijze toelichting</tussenkop><al>Enkel die bepalingen die verdere toelichting behoeven worden hieronder
                    behandeld.</al><tussenkop>Artikel 1. Begrippen</tussenkop><al>Begrippen die al zijn omschreven in de Participatiewet worden niet afzonderlijk
                    gedefinieerd in deze verordening. Deze zijn vanzelfsprekend van toepassing op
                    deze verordening. </al><al>De doelgroep wordt gevormd door personen zoals bedoeld in artikel 7, eerste lid,
                    onder a, van de Participatiewet. Het betreft:</al><lijst><li nr="-"><al>personen die algemene bijstand ontvangen;</al></li><li nr="-"><al>personen als bedoeld in de artikelen 34a, vijfde lid onderdeel b,35,
                            vierde lid, onderdeel b, en 36, derde lid, onderdeel b, van de Wet werk
                            en inkomen naar arbeidsvermogen (hierna: WIA) tot het moment dat het
                            inkomen uit arbeid in dienstbetrekking gedurende twee aaneengesloten
                            jaren ten minste het minimumloon bedraagt en ten behoeve van die persoon
                            in die twee jaren geen loonkostensubsidie als bedoeld in artikel 10d van
                            de Participatiewet is verleend;</al></li><li nr="-"><al>personen als bedoeld in artikel 10, tweede lid, van de
                            Participatiewet;</al></li><li nr="-"><al>personen met een nabestaanden- of wezen- uitkering op grond van de
                            Algemene nabestaandenwet (hierna: ANW);</al></li><li nr="-"><al>personen met een uitkering ingevolge de Wet inkomensvoorziening oudere
                            en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (hierna:
                            IOAW);</al></li><li nr="-"><al>personen met een uitkering ingevolge de Wet inkomensvoorziening oudere
                            en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (hierna:
                            IOAZ);</al></li><li nr="-"><al>personen zonder uitkering;</al></li></lijst><al>en, die voor de arbeidsinschakeling zijn aangewezen op een door het college
                    aangeboden voorziening.</al><tussenkop>Korte afstand tot de arbeidsmarkt</tussenkop><al>Onder een korte afstand tot de arbeidsmarkt wordt verstaan dat een persoon
                    redelijkerwijs binnen één jaar geschikt is voor deelname aan de arbeidsmarkt.
                    Zie verder de toelichting bij artikel 2.</al><tussenkop>Grote afstand tot de arbeidsmarkt</tussenkop><al>Onder een grote afstand tot de arbeidsmarkt wordt verstaan dat een persoon
                    redelijkerwijs niet binnen één jaar geschikt is voor deelname aan de
                    arbeidsmarkt. Zie verder de toelichting bij artikel 2.</al><tussenkop>Artikel 2. Evenwichtige verdeling </tussenkop><al>Op grond van artikel 8a, tweede lid, onderdeel a, van de Participatiewet moet de
                    gemeenteraad in de verordening de verdeling van de voorzieningen over personen
                    vastleggen, waarbij rekening wordt gehouden met de omstandigheden en de
                    functionele beperkingen van die personen. Hierin ligt besloten dat de
                    gemeenteraad ook rekening houdt met de omstandigheden en functionele beperkingen
                    van personen met een handicap. Dit is in overeenstemming met het VN-verdrag
                    inzake de rechten van personen met een handicap. De doelstelling van dit verdrag
                    is het bevorderen, beschermen en waarborgen van het volledige genot door alle
                    personen met een handicap van alle mensenrechten en fundamentele vrijheden op
                    voet van gelijkheid en het bevorderen van de eerbiediging van hun inherente
                    waardigheid. In dit artikel is aan het voorgaande uitvoering gegeven.</al><tussenkop>Korte afstand tot arbeidsmarkt</tussenkop><al>Het college kan de voorziening zoals bedoeld in artikel 5, 7 en 8 aanbieden aan
                    personen die behoren tot de doelgroep met een korte afstand tot de arbeidsmarkt.
                    De doelgroep is gedefinieerd in artikel 1. </al><tussenkop>Grote afstand tot arbeidsmarkt</tussenkop><al>Het college kan voorzieningen als bedoeld in de artikelen 5, 6, 7, 8 en 9
                    aanbieden aan personen aan die behoren tot de doelgroep met een grote afstand
                    tot de arbeidsmarkt. De doelgroep is gedefinieerd in artikel 1. </al><al>Het aanbieden van een voorziening is maatwerk. Om die reden kunnen dezelfde
                    voorzieningen in veel gevallen zowel aan personen met een korte als aan personen
                    met een grote afstand tot de arbeidsmarkt worden aangeboden. Door de invulling
                    van de voorziening wordt deze ‘op maat gemaakt’ voor de persoon die het
                    betreft.</al><tussenkop>Overige voorzieningen</tussenkop><al>Voor de overige voorzieningen, volgt al uit de doelgroepomschrijving aan wie het
                    college deze voorzieningen kan aanbieden. Het gaat om: beschut werk (artikel
                    10), ondersteuning bij leer-werktrajecten (artikel 11), persoonlijke
                    ondersteuning (artikel 12) en de no-riskpolis (artikel 13). </al><tussenkop>Rekening houden met omstandigheden en beperkingen</tussenkop><al>Het college moet bij de inzet van de voorzieningen rekening houden met de
                    omstandigheden en functionele beperkingen van een persoon. In artikel 2, derde
                    lid, is opgenomen waarmee het college in ieder geval rekening moet houden.</al><tussenkop>Artikel 3.</tussenkop><tussenkop> Budget- en subsidieplafonds</tussenkop><al>De gemeentelijke middelen voor re-integratie zijn beperkt. Om financiële
                    risico’s te beheersen kan het college een verdeling maken van de middelen over
                    de verschillende voorzieningen, bijvoorbeeld in de programmabegroting of een
                    beleidsplan. Het uitgeput zijn van begrotingsposten kan echter geen reden zijn
                    om aanvragen voor een voorziening in zijn algemeenheid te weigeren. Door het
                    instellen van een budget- of subsidieplafond kunnen financiële risico’s worden
                    voorkomen en behoudt het college de mogelijkheid om bij het bereiken van het
                    plafond naar alternatieven te zoeken.</al><al>Bij dit artikel wordt uitgegaan van de bevoegdheid van het college om plafonds
                    in te stellen. Een mogelijkheid is dat bij de vaststelling van de plafonds wordt
                    verwezen naar de bedragen die in een beleidsplan of in de begroting voor de
                    verschillende voorzieningen worden gereserveerd.</al><al>Een budgetplafond geldt voor de uitgaven die het college doet in het kader van
                    voorzieningen. Een subsidieplafond geldt voor voorzieningen die subsidies
                    inhouden. Een subsidieplafond moet wel bekendgemaakt worden vóór de periode
                    waarvoor deze geldt (art. 4:27 lid 1 Algemene wet bestuursrecht). </al><tussenkop>Artikel 4. Algemene bepalingen over voorzieningen</tussenkop><al>De Participatiewet schrijft niet uitputtend voor welke voorzieningen het college
                    aan moet bieden. Het enige criterium is dat de voorziening gericht moet zijn op
                    de arbeidsinschakeling en moet bijdragen aan het (op termijn) mogelijk maken van
                    reguliere arbeid door een persoon. Al naar gelang de afstand van een persoon tot
                    de arbeidsmarkt kan een voorziening gericht zijn op bijvoorbeeld sociale
                    activering en het voorkomen van een isolement (zoals het doen van
                    vrijwilligerswerk met behoud van uitkering), het leren van vaardigheden of
                    kennis, of het opdoen van werkervaring (bijvoorbeeld via gesubsidieerd werk).
                    Ook is het mogelijk dat een gemeente in individuele gevallen een
                    persoonsgebonden re-integratiebudget ter beschikking stelt.</al><tussenkop>Beëindigingsgronden</tussenkop><al>Het artikel geeft aan dat het college een voorziening kan beëindigen en in welke
                    gevallen het dat kan doen. Onder beëindigen wordt hierbij ook verstaan het
                    stopzetten van de subsidie aan een werkgever of het opzeggen van de
                    arbeidsovereenkomst bij een detacheringsbaan. Bij deze laatste wijze van
                    beëindigen dienen vanzelfsprekend de toepasselijke bepalingen uit het
                    arbeidsrecht en de eventueel aanwezige rechtspositieregeling in acht te worden
                    genomen.</al><al>Het college kan een voorziening beëindigen in de gevallen zoals opgenomen in
                    artikel 4, tweede lid van deze verordening. Een voorziening wordt bijvoorbeeld
                    beëindigd als een persoon algemeen geaccepteerde arbeid aanvaardt. Voor de
                    persoon zoals bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a onder 2, van de
                    Participatiewet wordt op dit punt een uitzondering gemaakt. Het gaat om de
                    persoon zoals bedoeld in artikel 34a, vijfde lid, onderdeel b, 35, vierde lid,
                    onderdeel b, en 36, derde lid, onderdeel b, van de WIA tot het moment dat het
                    inkomen uit arbeid in dienstbetrekking gedurende twee aaneengesloten jaren ten
                    minste het minimumloon bedraagt en ten behoeve van die persoon in die twee jaren
                    geen loonkostensubsidie als bedoel in artikel 10d is verleend. Voor deze
                    doelgroep geldt dat het college ondersteuning bij de arbeidsinschakeling moet
                    bieden gedurende twee aaneengesloten jaren tot het moment dat het inkomen uit
                    arbeid in dienstbetrekking gedurende twee aaneengesloten jaren ten minste het
                    minimuminkomen bedraagt en ten behoeve van die persoon in die twee jaren geen
                    loonkostensubsidie als bedoeld in artikel 10d van de Participatiewet is
                    verstrekt. </al><al>De Participatiewet voorziet niet in een terugvorderingsgrond van
                    re-integratiekosten die onnodig zijn gemaakt. Noch van een bijstandsgerechtigde,
                    noch van een niet bijstandsgerechtigde kunnen die kosten worden teruggevorderd.
                    Terugvordering dient te geschieden op grond van het Burgerlijk Wetboek.</al><tussenkop>Artikel 5. Werkstage</tussenkop><al>Een werkstage onderscheidt zich van een gewone arbeidsovereenkomst. Bij een
                    beoordeling of er al dan niet sprake is van een arbeidsovereenkomst toetst de
                    rechter aan de drie criteria voor het bestaan van een arbeidsovereenkomst:
                    persoonlijk verrichten van arbeid, loon en gezagsverhouding. Daarbij wordt
                    gekeken naar een aantal aspecten zoals de bedoeling van de partijen en wat al
                    dan niet schriftelijk is overeengekomen. De rechter besteedt vooral aandacht aan
                    de feitelijke invulling van de overeenkomst.</al><al><cursief>Werkstage is gericht op uitbreiden kennis en ervaring</cursief> De Hoge
                    Raad heeft bepaald dat er bij werkstages weliswaar sprake is van het persoonlijk
                    verrichten van arbeid, maar dat dit overwegend gericht is op het uitbreiden van
                    de kennis en ervaring van de werknemer. Daarnaast is bij een werkstage in de
                    regel geen sprake van beloning. Terughoudend zijn met het verstrekken van een
                    gerichte stagevergoeding ligt daarom voor de hand. Er kan wel een
                    onkostenvergoeding worden gegeven, mits er daadwerkelijk sprake is van een
                    vergoeding van gemaakte kosten.</al><al><cursief>Doelgroep aanbieden werkstage</cursief> Het college kan een persoon die
                    behoort tot de doelgroep een werkstage aanbieden. Het gaat hierbij om een soort
                    scholingsinstrument: niet de arbeid zelf, maar het leren werken staat centraal. </al><tussenkop>Doel van de werkstage</tussenkop><al>Het tweede lid geeft nog eens specifiek aan wat het doel is van de werkstage, om
                    het verschil met een normale arbeidsverhouding aan te geven. Dit is vooral van
                    belang om te voorkomen dat een persoon claimt dat sprake is van een
                    arbeidsovereenkomst en bij de rechter loonbetaling afdwingt.</al><al>De werkstage kan twee doelen hebben. Op de eerste plaats kan het gaan om het
                    opdoen van specifieke werkervaring. Dit is vergelijkbaar met de zogenaamde
                    ‘snuffelstage’, waarbij een persoon de gelegenheid krijgt om te bezien of het
                    soort werk als passend kan worden beschouwd. Op de tweede plaats kan het gaan om
                    het leren werken in een arbeidsrelatie. In de werkstage kan een persoon wennen
                    aan aspecten als gezag, op tijd komen, werkritme en samenwerken met
                    collega’s.</al><tussenkop>Geen verdringing</tussenkop><al>In het derde lid is bepaald dat de werkstage uitsluitend wordt verstrekt als er
                    geen verdringing van de arbeidsmarkt plaatsvindt. Het opvullen van een vacature
                    is alleen toegestaan als de vacature niet is ontstaan door afvloeiing, maar door
                    ontslag op grond van een van de volgende redenen:</al><lijst><li nr="-"><al>eigen initiatief van de werknemer;</al></li><li nr="-"><al>handicap;</al></li><li nr="-"><al>ouderdomspensioen;</al></li><li nr="-"><al>vermindering van werktijd op initiatief van de werknemer, of</al></li><li nr="-"><al>gewettigd ontslag om dringende redenen.</al></li></lijst><tussenkop>Duur werkstage</tussenkop><al>Het vierde lid geeft de maximale duur van de werkstage aan. In beginsel gaat het
                    daarbij om een periode van zes maanden. Dit is bedoeld om ervoor te zorgen dat
                    de re-integratieactiviteiten gericht blijven op de inschakeling in de arbeid en
                    dat wordt voorkomen dat er vormen van productieve arbeid ontstaan. In sommige
                    gevallen kan een verlenging van deze periode noodzakelijk zijn om de kans op
                    werk te vergroten. Bij een verlenging wordt uitdrukkelijk getoetst of deze
                    noodzakelijk is om kennis en vaardigheden gericht op arbeidsinschakeling van de
                    belanghebbende te vergroten.</al><tussenkop>Begeleiding</tussenkop><al>Een werkstage vindt plaats met een vorm van begeleiding. Dit is in het vijfde
                    lid bepaald. Hiermee wordt nog eens onderstreept dat het bij een werkstage niet
                    gaat om een reguliere arbeidsverhouding.</al><tussenkop>Opstellen schriftelijke overeenkomst</tussenkop><al>In het zesde lid is bepaald dat voor de werkstage een schriftelijke overeenkomst
                    wordt opgesteld tussen stage-gever, stagiair en de gemeente. Hierin kan
                    expliciet het doel van de stage worden opgenomen, evenals de wijze van
                    begeleiding. Door deze schriftelijke overeenkomst kan nog eens worden
                    gewaarborgd dat het bij een werkstage niet gaat om een reguliere
                    arbeidsverhouding.</al><tussenkop>Artikel 6. Sociale activering</tussenkop><al>Volgens de Participatiewet dient ook sociale activering uiteindelijk gericht te
                    zijn op arbeidsinschakeling. Voor bepaalde doelgroepen is arbeidsinschakeling
                    echter een te hoog gegrepen doel. Voor deze personen staat dan ook niet
                    re-integratie, maar participatie voorop. <cursief>Begrip sociale
                        activering</cursief> Onder 'sociale activering' wordt verstaan: het
                    verrichten van onbeloonde maatschappelijk zinvolle activiteiten gericht op
                    arbeidsinschakeling of, als arbeidsinschakeling nog niet mogelijk is, op
                    zelfstandige maatschappelijke participatie (artikel 6, eerste lid, onderdeel c,
                    Participatiewet). Bij activiteiten in het kader van sociale activering kan
                    worden gedacht aan het zelfstandig, zonder externe begeleiding, verrichten van
                    vrijwilligerswerk of deelnemen aan activiteiten in de wijk of buurt.</al><al><cursief>Doelgroep sociale activering</cursief> Het college kan aan een persoon
                    die behoort tot de doelgroep activiteiten aanbieden in het kader van sociale
                    activering voor zover de mogelijkheid bestaat dat hij op enig moment algemeen
                    geaccepteerde arbeid kan verkrijgen waarbij geen gebruik wordt gemaakt van een
                    voorziening (artikel 6, eerste lid).</al><al>Voor de verplichting op grond van artikel 9, eerste lid, onderdeel b, van de
                    Participatiewet gebruik te maken van een voorziening gericht op sociale
                    activering is vereist dat de mogelijkheid bestaat dat een persoon op enig moment
                    algemeen geaccepteerde arbeid kan verkrijgen waarbij geen gebruik wordt gemaakt
                    van een voorziening. Bestaat die mogelijkheid niet, dan kan een persoon niet
                    worden verplicht gebruik te maken van een dergelijke voorziening. Sociale
                    activering heeft tot doel personen met een grote afstand tot de arbeidsmarkt
                    terug te leiden naar de arbeidsmarkt, of als dit nog niet mogelijk is, als
                    tussendoel te bevorderen dat personen zelfstandig kunnen deelnemen aan het
                    maatschappelijk leven. Hieruit volgt dat als het einddoel, arbeidsinschakeling,
                    niet kan worden bereikt, er geen grond is die persoon te verplichten om gebruik
                    te maken van een voorziening gericht op sociale activering.</al><tussenkop>College stemt duur activiteiten af op de persoon</tussenkop><al>Het tweede lid geeft het college de mogelijkheid om de duur van activiteiten in
                    het kader van sociale activering nader te bepalen. Het college moet de duur
                    afstemmen op de mogelijkheden en capaciteiten van een persoon. Gezien de
                    mogelijk sterk verschillende behoeften op dit gebied, zal een al te rigide
                    termijn moeilijk zijn.</al><tussenkop>Geen verdringing</tussenkop><al>Zie wat hierover is opgemerkt bij artikel 5.</al><tussenkop>Artikel 7. Detacheringsbaan</tussenkop><al>De Participatiewet biedt de mogelijkheid personen uit de doelgroep een
                    dienstverband aan te bieden om op detacheringsbasis werkervaring op te doen. In
                    de verordening zijn de randvoorwaarden vastgelegd waarbinnen de banen
                    vormgegeven worden. </al><al> Het eerste lid biedt de mogelijkheid tot het aangaan van het dienstverband. Het
                    college zorgt ervoor dat een persoon een dienstverband krijgt aangeboden door
                    een derde, de werkgever. Die derde kan bijvoorbeeld een detacheringsbureau zijn.
                    In het tweede lid wordt bepaald dat het gaat om detachering. Daarbij worden op
                    twee vlakken afspraken gemaakt. Ten eerste tussen het inlenende bedrijf en de
                    werkgever. Hierin worden zaken geregeld als de verhouding tot de werkgever, de
                    hoogte van de inleenvergoeding en de wijze waarop de begeleiding wordt
                    vormgegeven. In de overeenkomst tussen werknemer en inlener worden afspraken
                    gemaakt over werktijden, verlof en de inhoud van het werk. In het vierde lid is
                    een regeling opgenomen die al bestond onder toepassing van de
                    Re-integratieverordening Wet werk en bijstand. In het kader van de detachering
                    kan het college zelf als formeel werkgever optreden dan wel een andere
                    organisatie aanwijzen die deze rol vervult. Het dienstverband bestaat in dat
                    geval tussen deze organisatie en de persoon uit de doelgroep. Deze organisatie
                    kan een organisatie zijn waarop het college beslissende invloed uitoefent of een
                    organisatie die geheel zelfstandig opereert zonder directe of indirecte banden
                    met de gemeente. Onder organisatie kan ook een uitzendorganisatie vallen.</al><tussenkop>Artikel 8. Scholing</tussenkop><tussenkop>Startkwalificatie</tussenkop><al>Onder startkwalificatie wordt verstaan een havo of VWO-diploma of een diploma
                    van het middelbaar beroepsonderwijs (mbo), niveau twee. Scholing kan worden
                    aangeboden aan personen met of zonder een dergelijke startkwalificatie. Vooral
                    voor personen zonder startkwalificatie kan scholing noodzakelijk zijn voor de
                    re-integratie. <cursief>Jongeren</cursief> Personen jonger dan 27 jaar die nog
                    mogelijkheden hebben binnen het uit 's Rijks kas bekostigde onderwijs kunnen
                    sinds 1 juli 2012 geen voorziening ontvangen die hen ondersteunt bij de
                    arbeidsinschakeling (artikel 7, derde lid, onderdeel a, van de Participatiewet).
                    Dit is voor de volledigheid opgenomen in het derde lid.</al><al><cursief>Scholing in combinatie met participatieplaats</cursief> Wanneer een
                    persoon die in aanmerking is gebracht voor een participatieplaats niet over een
                    startkwalificatie beschikt, dient het college aan deze persoon scholing of
                    opleiding aan te bieden. Dit geldt vanaf zes maanden na aanvang van de
                    werkzaamheden op de participatieplaats. De scholing of opleiding moet zijn
                    gericht zijn vergroting van de kansen op de arbeidsmarkt. Het college hoeft aan
                    een persoon alleen geen scholing of opleiding aan te bieden als dergelijke
                    scholing of opleiding naar zijn oordeel de krachten of bekwaamheden van de
                    persoon te boven gaan of als naar zijn oordeel scholing of opleiding niet
                    bijdraagt aan vergroting van de kans op inschakeling in het arbeidsproces van de
                    persoon. Dit volgt uit artikel 10a, vijfde lid, van de Participatiewet. </al><al>Zie artikel 9 van deze verordening over de voorziening participatieplaatsen. </al><tussenkop>Artikel 9. Participatieplaats</tussenkop><al>Een participatieplaats is bedoeld voor personen met een grotere afstand tot de
                    arbeidsmarkt. Voor personen jonger dan 27 jaar is ondersteuning in de vorm van
                    een participatieplaats niet mogelijk (artikel 7, achtste lid, van de
                    Participatiewet). Het college kan dan ook enkel aan personen van 27 jaar of
                    ouder met recht op algemene bijstand een participatieplaats aanbieden.</al><tussenkop>Additionele werkzaamheden</tussenkop><al>Op een participatieplaats worden additionele werkzaamheden verricht. Niet de te
                    verrichten werkzaamheden staan centraal maar het leren werken of het (opnieuw)
                    wennen aan werken. Aspecten als omgaan met gezag, op tijd komen, werkritme en
                    samenwerking met collega’s zijn allemaal zaken waaraan in een participatieplaats
                    gewerkt kan worden. Ook kan hiermee worden beoordeeld of het werkterrein past
                    bij de capaciteiten van de uitkeringsgerechtigde, zodat een persoon bijvoorbeeld
                    een opleiding op het betreffende terrein kan gaan volgen en daarmee voor
                    zichzelf een duurzaam perspectief op arbeid kan realiseren. De duur van de
                    participatieplaats is wettelijk beperkt tot maximaal vier jaar (artikel 10a van
                    de Participatiewet). Na negen maanden wordt beoordeeld door het college of de
                    participatieplaats de kans op arbeidsinschakeling heeft vergroot (artikel 10a,
                    achtste lid, van de Participatiewet). Zo niet dan wordt de participatieplaats
                    beëindigd. Uiterlijk 24 maanden na aanvang van de participatieplaats wordt
                    opnieuw beoordeeld of de participatieplaats wordt voorgezet. Als de gemeente
                    concludeert dat voortzetting van de participatieplaats met het oog op in de
                    persoon gelegen factoren aanmerkelijk bijdraagt tot de arbeidsinschakeling, dan
                    kan de participatieplaats nog één jaar verlengd worden. Echter in dat geval
                    dient een andere werkomgeving geboden te worden (artikel 10a, negende lid, van
                    de Participatiewet). Na 36 maanden vindt opnieuw een dergelijke beoordeling
                    plaats (artikel 10a, tiende lid, van de Participatiewet).</al><al>In het tweede lid is opgenomen dat een participatieplaats maximaal 24 maanden (4
                    x 6 maanden) kan duren. Dit was vastgelegd in de Re-integratieverordening Wet
                    werk en bijstand en is ongewijzigd overgenomen.</al><al>Rangorde voorziening</al><al>In vergelijking tot de werkstage (artikel 5) is gemeenschappelijk dat het
                    uiteindelijke doel het verkrijgen van regulier werk is. Waarin deze voorziening
                    met de werkstage verschilt, is dat de inzet van de participatieplaats de
                    doorgroei van de persoon die behoort tot de doelgroep naar een volgende fase
                    richting arbeidsmarkt beoogt. In de volgende fase zal het accent dan meer liggen
                    op arbeidsactivering (zoals: leerwerktrajecten, scholing, taalcursussen) of
                    arbeidstoeleiding (zoals: bemiddeling, sollicitatiecursus) en uiteindelijk
                    reguliere arbeid. De participatieplaatsen dienen perspectief te bieden aan
                    personen uit de doelgroep die nog niet bemiddelbaar zijn voor regulier
                    werk.</al><tussenkop>Premie</tussenkop><al>De persoon die werkzaamheden verricht op een participatieplaats heeft recht op
                    een premie voor het eerst na zes maanden en vervolgens iedere zes maanden na
                    aanvang van de additionele werkzaamheden (artikel 10a, zesde lid, van de
                    Participatiewet). Voorwaarde is dat de persoon naar het oordeel van het college
                    voldoende heeft meegewerkt aan het vergroten van zijn kansen op de arbeidsmarkt.
                    De hoogte van de premie moet in de verordening vastgelegd worden (artikel 8a,
                    eerste lid, onderdeel d, van de Participatiewet). De premie wordt vrijgelaten op
                    grond van artikel 31, tweede lid, onderdeel j, van de Participatiewet. In
                    verband hiermee is de hoogte van de premie begrensd door het in de
                    vrijlatingsbepaling genoemde bedrag. Daarnaast moet bij het bepalen van de
                    hoogte van de premie ook de risico's van de armoedeval worden betrokken. </al><al>De gemeente Ten Boer heeft bij het bepalen van de hoogte van de premie in
                    relatie tot de armoedeval gebruik gemaakt van rekenvoorbeelden van de regering
                    (Tweede Kamer, vergaderjaar 2008-2009, 31577, nr.6, p. 28 – 29). Wanneer deze
                    rekenvoorbeelden worden afgezet tegen de hoogte van de premie van de gemeente
                    blijkt dat hier geen armoedeval valt te verwachten.</al><al>Er is gekozen voor een premie van telkens € 600 per zes maanden. Deze premie is
                    ongewijzigd in vergelijking tot de premie die gold onder de
                    Re-integratieverordening Wet werk en bijstand.</al><tussenkop>Artikel 10. Participatievoorziening beschut werk</tussenkop><al>Het college kan de voorziening beschut werk aanbieden aan een persoon uit de
                    doelgroep die door een lichamelijke, verstandelijke of psychische beperking een
                    zodanige mate van begeleiding op en aanpassingen van de werkplek nodig heeft dat
                    niet van een reguliere werkgever redelijkerwijs niet kan worden verwacht dat hij
                    deze in dienst neemt (eerste lid).</al><tussenkop>Stap 1: voorselectie</tussenkop><al>Ten behoeve van de participatievoorziening beschut werk voert de gemeente een
                    voorselectie uit. Tijdens de voorselectie bepaalt het college welke mensen in
                    aanmerking kunnen komen voor beschut werk, en op welk moment. In de verordening
                    moet vastgelegd worden hoe zij deze voorselectie uitvoeren. Daarom is in het
                    tweede lid bepaald dat het college zo mogelijk van het reguliere instroom- en
                    diagnoseproces zoals dat in de dienstverleningslijn wordt toegepast gebruik
                    maakt om tot een voorselectie te komen. Is het doorlopen van het reguliere
                    proces gelet op de aard en ernst van de arbeidsbeperkingen van belanghebbende
                    niet mogelijk, dan wordt bekeken welk onderzoek door welke (gespecialiseerde)
                    medewerkers nodig is om in het individuele geval tot een juiste diagnose te
                    komen. Zo wordt bij belanghebbenden die afkomstig zijn van de Pro Vso scholen
                    voorzien in een warme overdracht door al op de scholen zelf te beginnen met een
                    indicatiestelling. Deze warme overdracht wordt zoveel mogelijk uitgevoerd
                    conform de methodiek Werkschool 2.0. zoals afgesproken in arbeidsregio-verband.
                    Vervolgens wordt, in alle gevallen waar het vermoeden bestaat dat belanghebbende
                    uitsluitend in een beschutte omgeving mogelijkheden tot arbeidsparticipatie
                    heeft, door de gemeente een (bindend) advies gegeven over de mogelijkheid om
                    binnen de bestaande voorzieningen een passende plek aan te kunnen bieden.</al><al>Het college kan ambtshalve vaststellen of een persoon uitsluitend in een
                    beschutte omgeving onder aangepaste omstandigheden mogelijkheden tot
                    arbeidsparticipatie heeft (artikel 10b, eerste lid, van de Participatiewet).
                    Hiervoor is dus geen aanvraag van een persoon nodig. Het college maakt uit de
                    personen uit de doelgroep een voorselectie. Het college moet bij het
                    Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen advies inwinnen voor de beoordeling
                    of de geselecteerde personen uitsluitend in een beschutte omgeving onder
                    aangepaste omstandigheden mogelijkheden tot arbeidsparticipatie hebben. </al><tussenkop>Stap 2: advies Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen</tussenkop><al>Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen adviseert het college met
                    betrekking tot het oordeel of een persoon tot de doelgroep beschut werk behoort.
                    Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen voert op basis van landelijke
                    criteria een beoordeling uit (artikel 10b, tweede lid, van de Participatiewet). </al><tussenkop>Stap 3: besluit gemeente</tussenkop><al>Op basis van het advies van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
                    beslist de gemeente of iemand tot de doelgroep 'beschut werk' behoort. Alleen
                    als sprake is van een onzorgvuldige totstandkoming van het advies van het
                    Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, kan de gemeente besluiten het
                    advies niet te volgen.</al><al>S<cursief>tap 4: dienstbetrekking 'beschut werk'</cursief></al><al>Nadat is vastgesteld dat iemand tot de doelgroep 'beschut werk' behoort, zorgt
                    de gemeente ervoor dat deze persoon in een dienstbetrekking onder beschutte
                    omstandigheden aan de slag gaat (artikel 10b, derde lid, van de
                    Participatiewet). Het kan dan gaan om een privaatrechtelijke of een
                    publiekrechtelijke dienstbetrekking (artikel 6, eerste lid, onderdeel f, van de
                    Participatiewet). Hoe de dienstbetrekking wordt georganiseerd, behoort tot de
                    beleidsvrijheid van gemeenten. Een dienstbetrekking kan bijvoorbeeld worden
                    georganiseerd via een gemeentelijke dienst, NV, BV of stichting. Ook kunnen
                    personen (via detachering) in een beschutte omgeving bij reguliere werkgevers
                    werken.</al><al>Naast het bepalen van wie in aanmerking kan komen voor beschut is in deze
                    verordening vastgelegd welke voorzieningen voor arbeidsinschakeling ingezet
                    worden om deze dienstbetrekking mogelijk te maken (derde lid). Tevens is in deze
                    verordening vastgelegd op welke wijze de gemeente de omvang van het aanbod van
                    beschut werk, het aantal beschikbare plekken, vaststelt. Gemeenten kunnen het
                    werk zelf organiseren via bijvoorbeeld een aan de gemeente gelieerd bedrijf
                    zoals een SW-bedrijf. Ook kunnen zij afspraken maken met andere reguliere
                    werkgevers over de voorwaarden waarop zij deze mensen een dergelijke
                    dienstbetrekking aanbieden.</al><tussenkop>Omvang beschut werk</tussenkop><al>De raad heeft in de kadernota ‘Invoering Participatiewet in de gemeente Ten
                    Boer’ de omvang van het aanbod beschut werk vastgelegd. Deze aantallen zijn
                    overgenomen in het vierde lid. De raad wil echter wel de bevoegdheid behouden om
                    van deze aantallen af te wijken als de omstandigheden naar hun oordeel daarom
                    vragen.</al><tussenkop>Artikel 11. Ondersteuning bij leer-werktraject</tussenkop><al>Personen die behoren tot de doelgroep kunnen in aanmerking komen voor de
                    voorziening ondersteuning bij leer-werktrajecten. Het college moet dan wel van
                    oordeel zijn dat een leer-werktraject nodig is en de ondersteuning nodig moet
                    zijn voor het volgen van dat leer-werktraject. Dit is geregeld in artikel 10 en
                    volgt uit artikel 10f van de Participatiewet.</al><al>Artikel 10f van de Participatiewet bepaalt voorts dat het college uitsluitend
                    ondersteuning bij een leer-werktraject kan aanbieden aan personen:</al><lijst><li nr="-"><al>van zestien of zeventien jaar van wie de leerplicht of de
                            kwalificatieplicht, bedoeld in de Leerplichtwet 1969, nog niet is
                            geëindigd, of</al></li><li nr="-"><al>van achttien tot 27 jaar die nog geen startkwalificatie hebben
                            behaald.</al></li></lijst><al>De voorziening ondersteuning bij leer-werktrajecten is inzetbaar voor jongeren
                    van zestien of zeventien jaar oud die dreigen uit te vallen uit school, maar
                    middels een leer/werktraject alsnog een startkwalificatie kunnen behalen. Om te
                    voorkomen dat jongeren onnodig uitvallen, wordt de mogelijkheid geboden extra
                    ondersteuning te bieden. Deze voorziening kan ook worden ingezet ter voorkoming
                    van schooluitval bij jongeren van achttien tot 27 jaar die door een
                    leer-werktraject alsnog een startkwalificatie kunnen behalen.</al><al>Bijstandsgerechtigden jonger dan 27 jaar die uit 's Rijks kas bekostigd
                    onderwijs kunnen volgen, zijn uitgesloten van ondersteuning op grond van artikel
                    7, derde lid, onder a, van de Participatiewet. Voor de conclusie dat een jongere
                    uit 's Rijks kas bekostigd onderwijs kan volgen is vereist dat de jongere uit 's
                    Rijks kas bekostigd onderwijs volgt of daarvoor in aanmerking komt. In het kader
                    van artikel 7, derde lid, onder a, van de Participatiewet betekent dit dat het
                    college vanaf het moment dat de jongere uit 's Rijks kas bekostigd onderwijs
                    volgt of kan volgen geen ondersteuning bij de arbeidsinschakeling kan bieden. </al><al>In artikel 10f van de Participatiewet is bepaald dat het college onder
                    omstandigheden ondersteuning kan bieden aan personen jonger dan achttien jaar en
                    aan personen van achttien tot 27 jaar die nog geen startkwalificatie hebben
                    behaald en voor wie een leer-werktraject nodig is. Er wordt vanuit gegaan dat
                    het mogelijk is een leer-werktraject aan te bieden aan personen die voldoen aan
                    het bepaalde in de artikelen 10 en 10f van de Participatiewet, in afwijking van
                    artikel 7, derde lid, onder a, van de Participatiewet.</al><tussenkop>Artikel 12. Persoonlijke ondersteuning</tussenkop><al>In artikel 12 wordt de voorziening persoonlijke ondersteuning nader geduid. Het
                    gaat dan om een voorziening zoals een job coach, die op vaste tijden en
                    gedurende een langere periode de werknemer met beperkingen bij het verrichten
                    van zijn taken ondersteunt. Het moet dan ook gaan om een systematische
                    ondersteuning. Daarnaast moet de ondersteuning noodzakelijk zijn in die zin, dat
                    de werknemer zonder die ondersteuning in redelijkheid niet zijn werkzaamheden
                    zou kunnen verrichten. Persoonlijke ondersteuning heeft tot doel dat een
                    werknemer wordt begeleid naar een situatie dat hij uiteindelijk zonder
                    begeleiding via een dergelijke voorziening bij een reguliere werkgever werkzaam
                    kan zijn.</al><tussenkop>Artikel 13. No-riskpolis</tussenkop><al>Voor inzet van de no-riskpolis is vereist dat de werknemer behoort tot de
                    doelgroep en hij een structurele functionele of andere beperking heeft of ten
                    behoeve van hem de werkgever een loonkostensubsidie als bedoeld in artikel 10d
                    van de Participatiewet ontvangt. Uiteraard dient de werknemer zijn woonplaats
                    binnen de gemeente te hebben.</al><al>De no-riskpolis wordt maximaal voor de duur van twee jaar ingezet (bij ziekte
                    van een werknemer). </al><al>VNG en UWV hebben een afspraak gemaakt over de no-riskpolis 2015 voor de
                    gemeentelijke doelgroep van de banenafspraak die in aanmerking komt voor
                    loonkostensubsidie. In afwachting van een wettelijke regeling die ingaat per
                    2016, komt de no-riskpolis van UWV nu ook beschikbaar voor de gemeentelijke
                    doelgroep van de banenafspraak, op dezelfde wijze als dat voor de
                    Wajong-doelgroep geldt. De no-riskpolis 2015 kan niet worden ingezet voor de
                    doelgroep beschut werk.</al><al>De werkgever meldt de werknemer uit de doelgroep ziek bij het UWV via de
                    gebruikelijke route. Bij de ziekmelding levert de werkgever een bewijsstuk
                    (beschikking loonkostensubsidie) dat de werknemer tot de doelgroep behoort. UWV
                    beoordeelt de ziekmelding vervolgens op basis van artikel 29b Ziektewet en voert
                    na de ziekmelding haar standaardproces uit.</al><al>De werkgever is verplicht om ziekte en herstel zowel te melden bij UWV als bij
                    de gemeente. De loonkostensubsidie moet namelijk tijdens de ziekteperiode worden
                    stopgezet, anders betaalt de gemeente zowel de werkgever als het UWV gedurende
                    de ziekteperiode (en krijgt de werkgever twee keer uitbetaald). </al><tussenkop>Artikel 14. Werkgeversarrangement</tussenkop><al>De gemeente werkt met de UWV aan een gezamenlijke benadering van werkgevers met
                    het doel afspraken te maken over het inzetten van werkzoekenden bij het
                    vervullen van vacatures. Omdat in veel gevallen een perfecte match nog niet tot
                    stand kan worden gebracht zullen arrangementen met werkgevers (moeten) worden
                    afgesloten. Deze arrangementen kunnen bijvoorbeeld inhouden dat aan personen uit
                    de doelgroep een vorm van scholing wordt aangeboden of extra begeleiding in de
                    eerste periode of dat de kosten en risico’s voor een werkgever gedurende een
                    bepaalde periode worden beperkt. Ook leer-werkconstructies maken hier onderdeel
                    van uit. Dit is in het eerste lid geregeld.</al><al>In het tweede lid wordt de mogelijkheid geboden maatwerkafspraken met werkgevers
                    te maken doordat in bijzondere gevallen kan worden afgeweken van hetgeen in de
                    verordening en de uitvoeringsbesluiten geregeld is.</al><tussenkop>Artikel 15. Nazorg</tussenkop><al>Mede gezien de beperkte financiële middelen is het belangrijk ervoor te zorgen
                    dat personen uit de doelgroep na uitstroom niet na een korte periode terugvallen
                    in een uitkering. De gemeente kan ertoe besluiten veel aandacht te besteden aan
                    nazorg, met als doel een werkelijk duurzame plaatsing te realiseren. Bij dit
                    artikel is ervan uitgegaan dat nazorg geboden kan worden ná acceptatie van
                    algemeen geaccepteerde arbeid, dus niet bij gesubsidieerde arbeid. Bij
                    gesubsidieerde arbeid maakt begeleiding en advisering normaal gesproken al
                    onderdeel uit van het traject.</al><tussenkop>Artikel 16. Overige vergoedingen</tussenkop><al>Ter stimulering van de arbeidsinschakeling kan het college nog niet nader
                    benoemde kosten vergoeden voor activiteiten die daaraan bijdragen. Daarbij geldt
                    als restrictie dat de kosten niet behoren tot kosten waarvoor een voorliggende
                    voorziening bestaat.</al><tussenkop>Artikel 17. Onvoorzien en nadere regels </tussenkop><al>Dit artikel is bedoeld als een vangnetartikel. Waar de verordening onvoldoende
                    aansluit bij een bijzondere situatie uit de praktijk, kan het college een
                    besluit nemen om daarin te voorzien. Dit kan in een individueel geval zijn
                    waarin de verordening niet voorziet. Dit kan ook door het college nadere regels
                    over de uitvoering van deze verordening te laten vaststellen.</al><tussenkop>Artikel 18. Intrekken oude verordening en overgangsrecht</tussenkop><al>In artikel 18 is onder andere het overgangsrecht neergelegd. Het kan voorkomen
                    dat personen een voorziening toegekend hebben gekregen op grond van de oude
                    re-integratieverordening, die niet meer voldoet aan de voorwaarden uit deze
                    verordening. Hierbij kan worden gedacht aan de situatie waarin de oude
                    re-integratieverordening voorzieningen bevat die na inwerkingtreding van deze
                    verordening niet meer worden verstrekt. Ook is het denkbaar dat een persoon op
                    grond van de oude re-integratieverordening wel in aanmerking zou komen voor een
                    voorziening, maar door inwerkingtreding van deze verordening niet meer. De
                    toegekende voorziening zou dan op grond van artikel 4 van deze verordening
                    moeten worden beëindigd. Om dit te voorkomen is in het tweede lid, geregeld dat
                    dergelijke voorzieningen worden behouden voor een bepaalde duur. Een dergelijke
                    voorziening wordt behouden voor ten hoogste de duur van twaalf maanden of - als
                    dit eerder is - voor de duur dat deze is verstrekt. Dit uiteraard voor zover
                    wordt voldaan aan de voorwaarden uit de Re-integratieverordening Wet werk en
                    bijstand. Wordt niet meer aan die voorwaarden voldaan, dan moet de voorziening
                    worden beëindigd, bijvoorbeeld als een belanghebbende geen aanspraak meer heeft
                    op ondersteuning bij de arbeidsinschakeling. De periode van twaalf maanden
                    begint te lopen vanaf het moment van inwerkingtreding van deze verordening.</al><tussenkop> Voortzetten toegekende voorzieningen</tussenkop><al>Toegekende voorzieningen op grond van de Re-integratieverordening Wet werk en
                    bijstand worden dus in beginsel behouden tot twaalf maanden na inwerkingtreding
                    van deze verordening. Na afloop van die periode kan het college besluiten of een
                    voorziening wordt voortgezet (artikel 18, derde lid). Hierbij kan het college
                    rekening houden met al gesloten overeenkomsten. Voortzetting van een voorziening
                    ligt bijvoorbeeld voor de hand als het college is gehouden de kosten van een
                    dergelijke voorziening te voldoen, ongeacht of een persoon nog gebruik maakt van
                    de voorziening. Lopende re-integratievoorzieningen kunnen in beginsel ná
                    inwerkingtreding van deze verordening worden afgerond conform de
                    overeenkomst.</al><tussenkop>Voortzetting is niet mogelijk</tussenkop><al>Voortzetting van een toegekende voorziening na twaalf maanden is niet mogelijk
                    als de voorziening binnen die periode is beëindigd wegens het niet meer voldoen
                    aan de voorwaarden voor die voorziening op grond van de Re-integratieverordening
                    Wet werk en bijstand of als de voorziening is toegekend voor een kortere duur
                    dan twaalf maanden na inwerkingtreding van de verordening.Een
                    voorziening dient immers niet langer te worden voortgezet dan de duur van de
                    oorspronkelijke toekenning. </al><al>Ten aanzien van de voorzieningen als bedoeld in het tweede en derde lid blijft
                    de Re-integratieverordening Wet werk en bijstand van toepassing. Dit staat in
                    het vierde lid.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>