<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd" xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance"><meta><owmskern><dcterms:identifier>367932_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs Schiermonnikoog 2015</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Schiermonnikoog</dcterms:creator><dcterms:modified>2015-05-29</dcterms:modified></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Gemeenteblad, gemeentelijke nieuwsbrief, gemeentelijke website</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs Schiermonnikoog 2015. </dcterms:alternative><dcterms:alternative></dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="BWB://1.0:v:BWBR0002399">Wet op het voortgezet onderwijs</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>onderwijs</dcterms:subject><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en databankrecht</dcterms:rights><dcterms:source resourceIdentifier="BWB://1.0:v:BWBR0005416">Gemeentewet</dcterms:source><dcterms:issued>2015-05-19</dcterms:issued><dcterms:source resourceIdentifier="BWB://1.0:v:BWBR0003420">Wet op het primair onderwijs</dcterms:source></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2015-05-19</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:terugwerkendekrachtDatum>2015-01-01</overheidrg:terugwerkendekrachtDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2017-05-12</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Onbekend</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>huisvesting onderwijs</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule><vet>Verordening</vet><vet></vet><vet>voorzieningen huisvesting onderwijs
                </vet><vet>Schiermonnikoog 2015</vet></intitule><regeling><aanhef><preambule><al><vet>De raad van de gemeente
                        </vet><vet>Schiermonnikoog</vet><vet>;</vet></al><lijst><li nr="-"><al>gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 16 april
                                2015;</al></li><li nr="-"><al>gelezen het verslag van het gevoerde op overeenstemming gerichte
                                overleg met de vertegenwoordigers van de bevoegde
                                gezagsorganen;</al></li><li nr="-"><al>gelet op artikel 149 van de Gemeentewet, artikel 102 van de Wet op
                                het primair onderwijs en artikel 76m van de Wet op het voortgezet
                                onderwijs;</al></li></lijst><al><vet>B E S L U I T</vet></al><al>vast te stellen de </al><al><vet>Verordening</vet><vet></vet><vet>voorzieningen huisvesting onderwijs
                            </vet><vet>Schiermonnikoog 2015</vet></al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1.</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>In deze
                        verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="-"><al>aanvraag: verzoek om het bekostigen van een voorziening of om het
                                bekostigen van een voorbereidingskrediet;</al></li><li nr="-"><al>aanvrager: het bevoegd gezag dat een aanvraag indient;</al></li><li nr="-"><al>advies Onderwijsraad: advies van de Onderwijsraad als bedoeld in
                                artikel 95, negende lid, van de Wet op het primair onderwijs of
                                artikel 76f, negende lid, van de Wet op het voortgezet
                                onderwijs;</al></li><li nr="-"><al>bevoegd gezag: bevoegd gezag van een volgens de Wet op het primair
                                onderwijs of de Wet op het voortgezet onderwijs bekostigde openbare
                                of bijzondere school die geheel of gedeeltelijk gehuisvest is in een
                                gebouw dat zich bevindt op het grondgebied van de gemeente;</al></li><li nr="-"><al>lokaal bewegingsonderwijs: ruimte die geschikt is voor het
                                bewegingsonderwijs;</al></li><li nr="-"><al>minister: minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap;</al></li><li nr="-"><al>overzicht: overzicht als bedoeld in artikel 96 van de Wet op het
                                primair onderwijs of artikel 76g van de Wet op het voortgezet
                                onderwijs;</al></li><li nr="-"><al>permanent gebouw: ruimte die door de keuze van het ontwerp en de
                                aard van de constructie en materialen ten minste 60 jaar als
                                volwaardige huisvesting voor het onderwijs kan functioneren;</al></li><li nr="-"><al>programma: programma als bedoeld in artikel in artikel 95 Wet op het
                                primair onderwijs en artikel 76f van de Wet op het voortgezet
                                onderwijs;</al></li><li nr="-"><al>school:</al></li></lijst><al>1°. school voor basisonderwijs: basisschool als bedoeld in artikel 1 van de
                        Wet op het primair onderwijs;</al><al>2°. school voor voortgezet onderwijs: school of scholengemeenschap voor
                        voorbereidend wetenschappelijk onderwijs, voor hoger en middelbaar algemeen
                        voortgezet onderwijs, voor voorbereidend beroepsonderwijs en voor
                        praktijkonderwijs als bedoeld in de artikelen 1, 2 en 5 van de Wet op het
                        voortgezet onderwijs;</al><lijst><li nr="-"><al>tijdelijk gebouw: al dan niet verplaatsbare ruimte die door de keuze
                                van het ontwerp en de aard van de constructie en materialen minstens
                                15 jaar als volwaardige huisvesting voor het onderwijs kan
                                functioneren;</al></li><li nr="-"><al>verhuur: gebruik van een onderwijsgebouw door derden, niet zijnde
                                onderwijsgebruik of gebruik voor culturele, maatschappelijke of
                                recreatieve doeleinden;</al></li><li nr="-"><al>voor blijvend gebruik bestemde voorziening: voorziening die volgens
                                de uitkomst van de prognose als bedoeld in bijlage II minimaal 15
                                jaar noodzakelijk is;</al></li><li nr="-"><al>voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening: voorziening die volgens
                                de uitkomst van de prognose als bedoeld in bijlage II maximaal 15
                                jaar noodzakelijk is;</al></li><li nr="-"><al>voorziening: voorzieningen in de huisvesting als bedoeld in artikel
                                2.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Omschrijving voorzieningen in de
                            huisvesting</titel></kop><al>Bij het toepassen van deze verordening worden de volgende voorzieningen
                        onderscheiden:</al><al>a.voor blijvend of voor tijdelijk gebruik bestemde voorzieningen, bestaande
                        uit:</al><al>1°. nieuwbouw voor een school die voor het eerst door het rijk voor
                        bekostiging in aanmerking is gebracht, of nieuwbouw om een gebouw waarin een
                        school is gehuisvest geheel of gedeeltelijk te vervangen, al dan niet op
                        dezelfde locatie;</al><al>2°. uitbreiding van een gebouw waarin een school is gehuisvest;</al><al>3°. het geheel of gedeeltelijk in gebruik nemen van een bestaand gebouw voor
                        het huisvesten van een school;</al><al>4°. verplaatsing van een of meer bestaande tijdelijke gebouwen voor het
                        huisvesten van een school; </al><al>5°. terrein voor zover nodig voor het realiseren van een voorziening als
                        bedoeld in 1° tot en met 4°;</al><al>6°. inrichting met onderwijsleerpakket of met leer- en
                        hulpmiddelen<cursief></cursief>voor zover deze nog niet eerder door het rijk of de
                        gemeente is bekostigd;</al><al>7°. inrichting met meubilair voor zover dit nog niet eerder door het rijk of
                        de gemeente is bekostigd;</al><al>8°.medegebruik van een ruimte voor het onderwijs in een gebouw dat al bij
                        een andere school in gebruik is of van een lokaal bewegingsonderwijs;</al><lijst><li nr="b."><al>aanpassingen aan gebouwen bestaande uit één of meer activiteiten
                                zoals onderscheiden in bijlage 1.</al></li><li nr="c."><al>onderhoud aan gebouwen van een school voor basisonderwijs bestaande
                                uit een of meer activiteiten zoals onderscheiden in bijlage 1.</al></li></lijst><al>d herstel van constructiefouten bestaande uit schade aan een gebouw
                        veroorzaakt door</al><al>eigen gebrek of eigen bederf, evenals uit kosten gemoeid met het voorkomen
                        van nog niet</al><al>zichtbare materiële schade onmiddellijk voortvloeiend uit ontwerpfouten,
                        uitvoeringsfouten of wanprestatie;</al><al>e.herstel en vervanging in verband met schade aan gebouw,
                        onderwijsleerpakket, leer- en</al><al>hulpmiddelen of meubilair ingeval van bijzondere omstandigheden;</al><al>f.huur van een sportterrein, dat niet in eigendom is van een bevoegd gezag,
                        voor een school voor voortgezet onderwijs voor het onderwijs in lichamelijke
                        oefening.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>Voorbereidingskrediet</titel></kop><al>Voorvoorzieningen als bedoeld in artikel 2, onderdeel 1 tot en met 5 kan een
                        aanvraag voor het bekostigen van de kosten voor het opstellen van een
                        aanbestedingsgereed bouwplan worden ingediend. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Vaststellen vergoeding
                            voorzieningen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Voor voorzieningen als bedoeld in artikel 2, onderdeel a, onder 6, 7
                                en 8,<cursief></cursief>wordt de vergoeding vastgesteld overeenkomstig de in
                                bijlage IV opgenomen normbedragen.</al></li><li nr="2."><al>Voor andere voorzieningen dan bedoeld in het eerste lid wordt de
                                vergoeding vastgesteld op de feitelijke kosten.</al></li><li nr="3."><al>De vergoeding voor een voorbereidingskrediet als bedoeld in artikel
                                3 wordt vastgesteld op 8 procent van het geraamde
                                investeringsbedrag.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Informatieverstrekking</titel></kop><al>Het bevoegd gezag verstrekt aan het college de gegevens die noodzakelijk
                        zijn voor het uitvoeren van het bepaalde in deze verordening. Hierbij wordt
                        gebruik gemaakt van een door het college vastgesteld formulier.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2.</nr><titel>Programma en
                            overzicht</titel></kop><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2.1</nr><titel>Aanvragen programma</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Indienen aanvraag</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Een aanvraag om opname van een voorziening op het programma wordt
                                door het bevoegd gezag bij het college ingediend en moet uiterlijk
                                31 januari van het jaar waarin van het betreffende programma wordt
                                vastgesteld zijn ontvangen. Hierbij wordt gebruik gemaakt van een
                                door het college vastgesteld formulier.</al></li><li nr="2."><al>Aanvragen die na deze datum worden ontvangen neemt het college niet
                                in behandeling.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel>Inhoud aanvraag; gelegenheid tot
                            aanvullen aanvraag; niet behandelen onvolledige
                            aanvraag</titel></kop><al>1. Een aanvraag vermeldt in ieder geval:</al><lijst><li nr="a."><al>de naam en het adres van de aanvrager;</al></li><li nr="b."><al>de dagtekening;</al></li><li nr="c."><al>de naam van de school en, als dit van toepassing is, het gebouw
                                waarvoor de voorziening is bestemd;</al></li><li nr="d."><al>de voorziening die wordt aangevraagd;</al></li><li nr="e."><al>de onderbouwing van de noodzaak en de omvang van de gewenste
                                voorziening, bestaande uit:</al></li></lijst><al>1°. een prognose van het te verwachten aantal leerlingen van de school voor
                        basisonderwijs of de school voor voortgezet onderwijs, als het betreft een
                        aanvraag voor een voorziening als bedoeld in artikel 2, onderdeel a, , onder
                        de voorwaarde dat de prognose overeenkomstig bijlage II is vastgesteld. als
                        de aanvraag betrekking heeft op het geheel of gedeeltelijk bekostigen van
                        vervangende nieuwbouw van een gebouw als bedoeld in artikel 2, onderdeel a,
                        onder 1°, of herstel van een constructiefout als bedoeld in artikel 2,
                        onderdeel b, een bouwkundige rapportage die voldoet aan de eisen NEN 2767,
                        zodat de noodzaak van de gevraagde voorziening kan worden vastgesteld;</al><al>3°. als de aanvraag betrekking heeft op het bekostigen van een voorziening
                        waarvoor de vergoeding wordt vastgesteld op de feitelijke kosten, een
                        begroting van de noodzakelijke kosten voor het bekostigen van de voorziening
                        of, als de aanvraag betrekking heeft op het bekostigen van een
                        voorbereidingskrediet als bedoeld in artikel 3, een kostenbegroting.</al><lijst><li nr="f."><al>de geplande aanvangsdatum van uitvoering van de voorziening, en</al></li><li nr="g."><al>als het een voorziening betreft als bedoeld in artikel 2, onderdeel
                                a, onder 1° tot en met 5°, de aanduiding van de gewenste plaats waar
                                de voorziening moet worden gerealiseerd.</al><lijst><li nr="2."><al>Het college stelt de aanvrager voor 15 februari schriftelijk
                                        op de hoogte als gegevens als bedoeld in het eerste of
                                        tweede lid ontbreken. De aanvrager heeft tot 15 maart (de
                                        hersteldatum) de gelegenheid de ontbrekende gegevens aan te
                                        vullen. Als dit niet gebeurt, neemt het college de aanvraag
                                        niet in behandeling.</al></li><li nr="3."><al>Als een door het college in behandeling genomen aanvraag
                                        mede is gebaseerd op het aantal leerlingen van de betrokken
                                        school op 1 oktober van het jaar waarin het programma wordt
                                        vastgesteld, is de aanvrager verplicht dat aantal voor 15
                                        oktober te registeren in de Basisregistratie Onderwijs bij
                                        de Dienst Uitvoering Onderwijs. Heeft aanvrager de
                                        registratie niet binnen de gestelde termijn gerealiseerd,
                                        dan deelt het college dit schriftelijk mede aan de aanvrager
                                        en heeft de aanvrager de gelegenheid dit alsnog te doen
                                        binnen drie dagen na de datum van ontvangst van de
                                        mededeling. Als de registratie niet alsnog binnen drie dagen
                                        is verstrekt, neemt het college de aanvraag niet in
                                        behandeling.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.</nr><titel>Opgave ingediende aanvragen</titel></kop><al>Het
                        college verstrekt aan de bevoegde gezagsorganen voor<cursief></cursief>1
                        augustus<cursief></cursief>een opgave van de aanvragen die overeenkomstig artikel 6
                        zijn ingediend en geeft daarbij aan welke niet in behandeling worden
                        genomen.
                        </al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2.2</nr><titel>Overleg voorafgaand aan
                            vaststellen programma en overzicht</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.</nr><titel>Toelichting aanvraag; overleg over
                            ingediende begroting</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college of een aanvrager kan verzoeken een aanvraag nader toe te
                                lichten. Dit overleg vindt plaats binnen 2 maanden na de
                                hersteldatum, bedoeld in artikel 7, tweede lid.</al></li><li nr="2."><al>Het college treedt in overleg met de aanvrager als de aanvraag
                                betrekking heeft op een voorziening waarvoor de vergoeding wordt
                                vastgesteld op de feitelijke kosten en het college van oordeel is
                                dat de door de aanvrager overgelegde kostenbegroting moet worden
                                aangepast.</al></li><li nr="3."><al>Het college vermeldt in het voorstel tot het vaststellen van het
                                bekostigingsplafond, het programma en het overzicht, bedoeld in
                                paragraaf 2.3:</al><lijst><li nr="a."><al>de hoogte van het geraamde bedrag, waarvan voor de
                                        aangevraagde voorziening wordt uitgegaan, en</al></li><li nr="b."><al>als dit van toepassing is, de redenen waarom in het overleg
                                        geen overeenstemming is bereikt over de hoogte van het
                                        geraamde bedrag.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.</nr><titel>Overleg programma en overzicht;
                            advies Onderwijsraad</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Voordat het college het programma en het overzicht vaststelt, worden
                                de bevoegde gezagsorganen in een overleg in de gelegenheid gesteld
                                hun zienswijze over de voorgenomen inhoud van dat voorstel naar
                                voren te brengen.</al></li><li nr="2."><al>Dit overleg vindt plaatst uiterlijk 15 september van het jaar
                                voorafgaand aan het jaar waarop het vast te stellen programma
                                betrekking heeft. De bevoegde gezagsorganen worden ten minste 2
                                weken voor de door het college vastgestelde datum schriftelijk in
                                kennis gesteld van het tijdstip van het overleg en de voorgenomen
                                inhoud van het voorstel.</al></li><li nr="3."><al>De bevoegde gezagsorganen die niet deelnemen aan het overleg kunnen
                                voor het overleg hun zienswijzen schriftelijk kenbaar maken aan het
                                college. Het college stelt de deelnemers aan het overleg van deze
                                zienswijzen in kennis.</al></li><li nr="4."><al>Het college maakt een verslag van de in het overleg door de bevoegde
                                gezagsorganen naar voren gebrachte zienswijzen. De overeenkomstig
                                het vorige lid ingediende zienswijzen en de reactie van het college
                                hierop worden opgenomen in het verslag. Het verslag wordt binnen een
                                maand na het overleg toegezonden aan alle bevoegde
                                gezagsorganen.</al></li><li nr="5."><al>Een bevoegd gezag en het college kunnen de Onderwijsraad verzoeken
                                een advies uit te brengen over het conceptprogramma. Het verzoek
                                bevat een schriftelijk gemotiveerde omschrijving van de onderwerpen
                                waarover advies wordt verwacht. Het advies dient betrekking te
                                hebben op de relatie tussen de voorgenomen inhoud van het programma
                                en de vrijheid van richting en inrichting. Het verzoek en de
                                daarover naar voren gebrachte zienswijzen worden opgenomen in het
                                verslag, bedoeld in het vierde lid.</al></li><li nr="6."><al>Het college is belast met het indienen van een verzoek om advies bij
                                de Onderwijsraad. Het college zorgt ervoor dat de Onderwijsraad alle
                                stukken ontvangt die nodig zijn voor het beoordelen van het verzoek,
                                waaronder het verslag, bedoeld in het vierde lid.</al></li><li nr="7."><al>Een afschrift van het door de Onderwijsraad uitgebrachte advies
                                wordt zo spoedig mogelijk door het college toegezonden aan de
                                bevoegde gezagsorganen. Als het advies zou leiden tot één of meer
                                inhoudelijke bijstellingen van de voorgenomen inhoud van het
                                programma worden de bevoegde gezagsorganen door het college bij het
                                toezenden van het afschrift van het advies uitgenodigd voor een
                                nader overleg. In alle andere gevallen beoordeelt het college of
                                nader bestuurlijk overleg over het advies van de Onderwijsraad
                                noodzakelijk is. Het college geeft dit aan bij het toezenden van het
                                afschrift van het advies.</al></li><li nr="8."><al>Nader overleg als bedoeld in het vorige lid vindt plaats binnen 2
                                weken nadat het advies van de Onderwijsraad aan de bevoegde
                                gezagsorganen is gezonden. Het college maakt van dit overleg een
                                verslag en voegt dit toe aan het verslag, bedoeld in het vierde
                                lid.</al></li></lijst></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2.3</nr><titel>Vaststellen
                            bekostigingsplafond, programma en overzicht</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11.</nr><titel>Tijdstip vaststellen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college stelt het bekostigingsplafond vast voor de vergoeding
                                van de aangevraagde voorzieningen. Hierbij kan onderscheid gemaakt
                                worden naar onderwijssoort of per voorziening.</al></li><li nr="2."><al>Het programma en het overzicht worden vastgesteld op uiterlijk 31
                                december voorafgaande aan het jaar waarop het programma betrekking
                                heeft.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.</nr><titel>Bekendmaken besluiten
                            vaststellen bekostigingsplafond, programma en
                            overzicht</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De besluiten tot het vaststellen van het bekostigingsplafond, het
                                programma en het overzicht worden door het college binnen 2 weken na
                                de datum waarop het besluit is genomen bekend gemaakt door het
                                toezenden of uitreiken van het besluit aan de aanvragers.
                                Gelijktijdig stelt het college de overige bevoegde gezagsorganen
                                schriftelijk in kennis van de genomen besluiten.</al></li><li nr="2."><al>De besluiten worden gelijktijdig met de bekendmaking ter inzage
                                gelegd.</al></li></lijst></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2.4</nr><titel>Uitvoeren
                            programma</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13.</nr><titel>Overleg
                            wijze van uitvoering</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Binnen vier weken nadat het programma is vastgesteld treedt het
                                college in overleg met de aanvrager over de wijze waarop de op het
                                programma geplaatste voorziening wordt uitgevoerd. In dit overleg
                                wordt alle informatie verstrekt die nodig is voor het uitvoeren van
                                de voorziening en worden, voor zover van toepassing, afspraken
                                gemaakt over:</al><lijst><li nr="a."><al>het bouwheerschap, bedoeld in artikel 103 van de Wet op het
                                        primair onderwijs en artikel 76n van de Wet op het
                                        voortgezet onderwijs;</al></li><li nr="b."><al>het tijdstip waarop het bouwplan en de begroting door de
                                        aanvrager worden ingediend;</al></li><li nr="c."><al>als dit van toepassing is, een andere wijze waarop de
                                        toegekende voorziening wordt uitgevoerd, met inachtneming
                                        van het beschikbaar te stellen bedrag;</al></li><li nr="d."><al>de wijze waarop het college het bouwplan en de begroting
                                        toetst, en of het naar het oordeel van het college
                                        noodzakelijk is bij het toetsen van het bouwplan en de
                                        begroting rekening te houden met feiten en omstandigheden
                                        die gewijzigd zijn ten opzichte van het moment waarop het
                                        programma is vastgesteld, waardoor het eerder genomen
                                        besluit kan worden herzien;</al></li><li nr="e."><al>de controle op en het afleggen van verantwoording over het
                                        besteden van de beschikbaar te stellen middelen;</al></li><li nr="f."><al>de wijze waarop de aanbesteding plaatsvindt;</al></li><li nr="g."><al>de mogelijkheid om vooruitlopend op het aanvragen van het
                                        totale investeringskrediet een bedrag aan te vragen voor de
                                        kosten van voorbereiding van het bouwplan tot 8% van het
                                        geraamde investeringsbedrag.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>De inhoud van de afspraken of het feit dat het overleg niet tot
                                overeenstemming heeft geleid legt het college schriftelijk vast in
                                een verslag. De aanvrager ontvangt het verslag binnen 4 weken na het
                                overleg. Als de aanvrager niet binnen twee weken nadat het verslag
                                is ontvangen schriftelijk reageert, wordt, afhankelijk van de inhoud
                                van het vastgestelde verslag, geacht overeenstemming of geen
                                overeenstemming te zijn bereikt.</al></li><li nr="3."><al>Bij het toepassen van artikel 14, tweede lid, neemt het college
                                binnen 4 weken nadat overeenstemming is bereikt een beslissing over
                                het tijdstip waarop de bekostiging aanvangt. Het bepaalde in artikel
                                15 is daarbij van overeenkomstige toepassing.</al></li><li nr="4."><al>Als in het overleg geen overeenstemming is bereikt, deelt het
                                college dit binnen 4 weken nadat het verslag is vastgesteld
                                schriftelijk mede aan de aanvrager en vermeldt gelijktijdig dat het
                                bekostigen van de uitvoering van de voorziening wordt
                                opgeschort.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14.</nr><titel>Instemmen bouwplannen en begroting;
                            tijdstip aanvang bekostiging; toetsen wettelijke
                            voorschriften en nieuwe feiten en omstandigheden;
                            overleggen offertes</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Nadat overeenstemming als bedoeld in artikel 13, tweede lid, is
                                bereikt dient het bevoegd gezag het bouwplan en, als de voorziening
                                wordt bekostigd op basis van de feitelijke kosten, de bijbehorende
                                begroting in bij het college. Het bevoegd gezag houdt daarbij
                                rekening met de hierover gemaakte afspraken, bedoeld in artikel 13,
                                eerste lid. Gelijktijdig vermeldt het bevoegd gezag het tijdstip
                                waarop de bekostiging kan starten. Het college moet instemmen met
                                het bouwplan en de begroting voordat een bouwopdracht wordt
                                verleend.</al></li><li nr="2."><al>Het college beslist binnen 6 weken nadat de stukken zijn ontvangen
                                over de bouwplannen, de desbetreffende begroting en het tijdstip
                                waarop de bekostiging start. Het college kan, onder mededeling
                                daarvan aan de aanvrager, deze termijn verlengen met 3 weken. Als
                                niet binnen de gestelde termijn is besloten, wordt geacht instemming
                                te zijn verleend met de bouwplannen en de begroting en start de
                                bekostiging op het door de aanvrager aangegeven tijdstip. Het
                                college stelt de aanvrager binnen 2 weken na de datum van de
                                beslissing over het bouwplan, de desbetreffende begroting en het
                                tijdstip waarop de bekostiging start respectievelijk na de datum
                                waarop de instemming geacht wordt te zijn verleend hiervan
                                schriftelijk in kennis.</al></li><li nr="3."><al>De vergoeding op basis van de feitelijke kosten wordt vastgesteld op
                                basis van de economisch meest voordelige aanbieding.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15.</nr><titel>Aanvang bekostiging</titel></kop><al>
                        Het college kan bij de beslissing over het tijdstip waarop de bekostiging
                        start bepalen dat de gelden in termijnen betaald worden. Het betalen van de
                        gelden vindt telkens plaats op een zodanig tijdstip dat de aanvrager kan
                        voldoen aan de financiële verplichtingen die voortkomen uit het realiseren
                        van de op het programma geplaatste voorziening. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16.</nr><titel>Vervallen aanspraak op
                            bekostiging</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Voor 1 oktober van het jaar waarop het programma betrekking heeft
                                geeft de aanvrager een bouwopdracht of sluit hij een koop-, huur- of
                                erfpachtovereenkomst af. Hiervan zendt hij voor 15 oktober een
                                afschrift aan het college. De aanspraak op bekostiging vervalt als
                                niet aan deze verplichtingen wordt voldaan.</al></li><li nr="2."><al>De in het eerste lid bedoelde:</al><lijst><li nr="a."><al>bouwopdrachten en overeenkomsten zijn onherroepelijk;</al></li><li nr="b."><al>bouwopdrachten vermelden de aanvangsdatum van het werk en de
                                        termijn, uitgedrukt in het aantal werkbare dagen, waarbinnen
                                        het werk wordt opgeleverd;</al></li><li nr="c."><al>huur- of erfpachtovereenkomsten vermelden de datum van
                                        inwerkingtreding, alsmede de duur van de overeenkomst;</al></li><li nr="d."><al>koopovereenkomsten vermelden de datum van aankoop.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>De aanspraak op bekostiging vervalt niet als het overschrijden van
                                de in het eerste lid bedoelde termijn veroorzaakt wordt door:</al><lijst><li nr="a."><al>bijzondere omstandigheden die niet aan de aanvrager zijn toe
                                        te rekenen, en</al></li><li nr="b."><al>de aanvrager voor 1 september een schriftelijk gemotiveerd
                                        verzoek tot het verlengen van de termijn heeft ingediend bij
                                        het college.</al></li></lijst></li><li nr="4."><al>Het college beslist voor 15 september<vet></vet>op een verzoek tot het
                                verlengen van de termijn. Bij inwilliging van het verzoek wordt in
                                het besluit aangegeven tot welke datum de termijn wordt
                                verlengd.</al></li></lijst></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3.</nr><titel>Aanvragen met spoedeisend karakter</titel></kop><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>3.1</nr><titel>Aanvraag</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17.</nr><titel>Indienen aanvraag</titel></kop><al>Een aanvraag
                        tot het bekostigen van een voorziening die gelet op de voortgang van het
                        onderwijs geen uitstel kan lijden, wordt binnen 2 weken na het ontstaan van
                        de calamiteit ingediend bij het college. Hierbij wordt gebruik gemaakt van
                        een door het college vastgesteld formulier.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18.</nr><titel>Inhoud aanvraag</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Een aanvraag als bedoeld in artikel 17 vermeldt naast de gegevens
                                genoemd in artikel 7, eerste lid, de omstandigheden waarom de
                                voorziening spoedeisend wordt geacht.</al></li><li nr="2."><al>Het college stelt de aanvrager binnen 2 weken na de datum waarop de
                                aanvraag is ingediend schriftelijk op de hoogte als gegevens als
                                bedoeld in het eerste lid ontbreken. De aanvrager heeft vervolgens 2
                                weken om de ontbrekende gegevens aan te vullen. Als dit niet
                                gebeurt, neemt het college de aanvraag niet in behandeling.</al></li></lijst></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>3.2</nr><titel>Beoordelen aanvraag;
                            uitvoeren besluit</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19.</nr><titel>Tijdstip
                        beslissing</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college beslist binnen 4 weken nadat de aanvraag is ontvangen
                                of, binnen 4 weken nadat de aanvullende gegevens zijn verstrekt of
                                hadden moeten zijn verstrekt.</al></li><li nr="2."><al>Als een beschikking niet binnen de gestelde termijn kan worden
                                gegeven, deelt het college dit aan de aanvrager schriftelijk mede en
                                noemt daarbij een redelijke termijn waarbinnen de beschikking wel
                                tegemoet kan worden gezien.</al></li><li nr="3."><al>Het college stelt de aanvrager binnen 2 weken na de datum van de
                                beslissing schriftelijk van de beslissing in kennis.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>20.</nr><titel>Vervallen aanspraak op
                            bekostiging</titel></kop><al>De aanspraak op bekostiging van een voorziening vervalt, indien niet binnen
                        drie maanden na de beschikking, bedoeld in het eerste lid, met betrekking
                        tot de voorziening een bouwopdracht is gegeven dan wel een koop-, huur- of
                        erfpachtovereenkomst is gesloten.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>21.</nr><titel>&gt;Uitvoeren beslissing</titel></kop><al>1. Na het
                        bekendmaken van een beslissing als bedoeld in artikel 19, eerste lid,
                        waarbij een vergoeding is toegewezen, treedt het college zo spoedig mogelijk
                        in overleg met de aanvrager over de wijze waarop de voorziening wordt
                        uitgevoerd. Het bepaalde in de artikelen 13, 14, 15 en 16, tweede tot en met
                        vierde lid, is daarbij van overeenkomstige toepassing, met dien verstande
                        dat in plaats van de termijn, bedoeld in artikel 14, tweede lid, eerste
                        volzin, een termijn van 3 weken geldt.</al><al>2.Binnen drie maanden na bekendmaking van een beslissing als bedoeld in het
                        eerste lid geeft de aanvrager een bouwopdracht of sluit hij een koop-, huur-
                        of erfpachtovereenkomst af. Hiervan zendt hij binnen twee weken een
                        afschrift aan het college. De aanspraak op bekostiging vervalt als niet aan
                        deze verplichtingen wordt voldaan.</al></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4.</nr><titel>Medegebruik
                            en verhuur</titel></kop><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>4.1</nr><titel>Medegebruik 
                            onderwijs of educatie</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>22.</nr><titel>Aanduiden omstandigheden</titel></kop><al>Het
                        college kan overgaan tot het vorderen van een gedeelte van een voor een
                        school bestemd gebouw of terrein als:</al><lijst><li nr="a."><al>door medegebruik aan de behoefte aan huisvesting kan worden voorzien
                                van een school waarbij overeenkomstig bijlage III, deel C, een
                                aanvullende ruimtebehoefte is vastgesteld en het bevoegd gezag van
                                die school een aanvraag als bedoeld in de artikelen 6 of 17 heeft
                                ingediend;</al></li><li nr="b."><al>leegstand is vastgesteld in een lesgebouw van een school;</al></li><li nr="c."><al>leegstand is vastgesteld in een lokaal bewegingsonderwijs van een
                                school, of</al></li><li nr="d."><al>een sportveld van een school voor voortgezet onderwijs niet volledig
                                wordt benut, wat blijkt uit het lesrooster van de school of scholen
                                die dat sportveld voor het onderwijs gebruiken</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>23.</nr><titel>Omschrijving
                            leegstand</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Er is sprake van leegstand in een schoolgebouw als overeenkomstig
                                bijlage III, deel C, is vastgesteld dat de vastgestelde capaciteit
                                van het gebouw groter is dan de vastgestelde ruimtebehoefte.</al></li><li nr="2."><al>Er is sprake van leegstand in een lokaal bewegingsonderwijs
                                als:</al><lijst><li nr="a."><al>het lokaal wordt gebruikt door een of meer scholen voor
                                        basisonderwijs en<cursief></cursief>de som van het aantal klokuren
                                        gebruik dat door het college is vastgesteld minder is dan 40
                                        klokuren;</al></li><li nr="b."><al>het lokaal wordt gebruikt door een of meer scholen voor
                                        voortgezet onderwijs en uit de overeenkomstig bijlage III,
                                        deel B, vastgestelde ruimtebehoefte blijkt dat het lokaal
                                        minder dan 40 lesuren wordt gebruikt, tenzij het bevoegd
                                        gezag op basis van het lesrooster of de lesroosters voor het
                                        lopende of eerstkomende schooljaar aantoont dat dit niet het
                                        geval is;</al></li></lijst></li></lijst><al><cursief>c.</cursief><cursief></cursief><cursief>het lokaal wordt gebruikt door
                            </cursief><cursief>een of meer scholen voor
                            basisonderwijs</cursief><cursief> of</cursief><cursief> voortgezet
                            onderwijs</cursief><cursief>,</cursief><cursief> en de som van de
                            berekeningswijzen</cursief><cursief>,</cursief><cursief></cursief><cursief>bedoeld
                            </cursief><cursief>onder a en
                            b</cursief><cursief>,</cursief><cursief></cursief><cursief>minder is
                            </cursief><cursief>dan 40 klokuren. </cursief></al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>24.</nr><titel>Nalaten
                            vorderen</titel></kop><al>Het college vordert geen medegebruik als het bevoegd gezag de leegstand van
                        het gebouw waarin het beoogde medegebruik moet plaatsvinden, in gebruik
                        heeft gegeven aan een andere school of scholen voor het onderwijs aan die
                        school of scholen, tenzij dat gebruik kan plaatsvinden in de voor die
                        scholen al beschikbare huisvestingscapaciteit.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>25.</nr><titel>Overleg en
                            mededeling</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Voordat het college overgaat tot vorderen in het kader van een
                                aanvraag als bedoeld in artikel 6 overlegt het daarover met de
                                betrokken bevoegde gezagsorganen tijdens het overleg als bedoeld in
                                artikel 10.</al></li><li nr="2."><al>Voordat het college overgaat tot vorderen in het kader van een
                                aanvraag als bedoeld in artikel 17, overlegt het daarover zo spoedig
                                mogelijk met de betrokken bevoegde gezagsorganen.</al></li><li nr="3."><al>Binnen 4 weken nadat het programma is vastgesteld of binnen 1 week
                                na het overleg, bedoeld in het vorige lid, deelt het college het
                                bevoegd gezag waarvan gevorderd wordt schriftelijk mede dat
                                gevorderd wordt.</al></li><li nr="4."><al>De schriftelijke mededeling van het college bevat in ieder
                                geval:</al><lijst><li nr="a."><al>de naam van de school en het bevoegd gezag waarvoor wordt
                                        gevorderd;</al></li><li nr="b."><al>een aanduiding van het aantal leerlingen waarvoor gevorderd
                                        wordt of, als het betreft het bewegingsonderwijsonderwijs,
                                        het aantal klokuren dat gevorderd wordt;</al></li><li nr="c."><al>het gebouw waarop de vordering betrekking heeft;</al></li><li nr="d."><al>het aantal vierkante meters bruto vloeroppervlakte dat
                                        gevorderd wordt;</al></li><li nr="e."><al>de periode waarvoor gevorderd wordt, en</al></li><li nr="f."><al>de ingangsdatum van het medegebruik.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>26.</nr><titel>Vergoeding</titel></kop><al>De betrokken bevoegde gezagsorganen stellen in
                        onderling overleg de vergoeding voor het medegebruik vast. Hierbij wordt als
                        uitgangspunt genomen dat de vergoeding kostendekkend dient te zijn.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>4.2</nr><titel>Medegebruik
                            voor culturele, maatschappelijke of
                            recreatieve doeleinden</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>27.</nr><titel>Overleg en mededeling</titel></kop><al>1.
                        Voordat het college overgaat tot vorderen overlegt het college met het
                        bevoegd gezag.</al><lijst><li nr="2."><al>In het overleg komt in ieder geval aan de orde:</al><lijst><li nr="a."><al>voor welke activiteit of activiteiten gevorderd wordt;</al></li><li nr="b."><al>of die activiteit of activiteiten zich verdragen met het
                                        onderwijs aan de in het gebouw gevestigde school;</al></li><li nr="c."><al>of maatregelen noodzakelijk zijn om te voorkomen dat het
                                        onderwijs aan de in het gebouw gevestigde school hinder van
                                        het medegebruik ondervindt;</al></li><li nr="d."><al>wat naar oordeel van het college en het bevoegd gezag een
                                        redelijke vergoeding voor het medegebruik is;</al></li><li nr="e."><al>de datum waarop het medegebruik redelijkerwijs aanvang kan
                                        nemen.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Binnen 4 weken na het overleg deelt het college het bevoegd gezag
                                waarvan medegebruik gevorderd wordt schriftelijk mede dat gevorderd
                                wordt. Als het overleg heeft geleid tot afspraken, worden ook deze
                                opgenomen in de schriftelijke mededeling. Als het overleg niet tot
                                volledige overeenstemming heeft geleid, dan bevat de mededeling de
                                beslissing van het college over de punten waarover geen
                                overeenstemming was bereikt.</al></li></lijst></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>4.3</nr><titel>Verhuur</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>28.</nr><titel>Verzoek
                            toestemming college</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het bevoegd gezag verzoekt het college schriftelijk om toestemming
                                als bedoeld in artikel 108, eerste lid, van de Wet op het primair
                                onderwijs of artikel 76s, eerste lid, van de Wet op het voortgezet
                                onderwijs voordat een huurovereenkomst wordt gesloten.</al></li><li nr="2."><al>Het verzoek bevat een aanduiding van de huurder en van de bestemming
                                van de te verhuren ruimte.</al></li><li nr="3."><al>Het college kan aan de toestemming de voorwaarde verbinden dat voor
                                de verhuur een huur is verschuldigd.</al></li></lijst></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>5.</nr><titel>Einde 
                            gebruik gebouwen en terreinen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>29.</nr><titel>Staat van onderhoud</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Als het bevoegd gezag aan het college schriftelijk meldt dat een
                                gebouw of terrein niet meer nodig is voor het huisvesten van een
                                school stelt het college vast of er mogelijk sprake is van
                                achterstallig onderhoud aan het gebouw of terrein.</al></li><li nr="2."><al>Als het college vaststelt dat er sprake is van achterstallig
                                onderhoud wordt voordat de eigendomsoverdracht plaatsvindt een staat
                                van onderhoud opgemaakt.</al></li><li nr="3."><al>De staat van onderhoud wordt na overleg met het bevoegd gezag
                                opgemaakt in opdracht van het college.</al></li><li nr="4."><al>Over de staat van onderhoud wordt overleg gevoerd met het bevoegd
                                gezag.</al></li><li nr="5."><al>Als uit de staat van onderhoud blijkt dat sprake is van
                                achterstallig onderhoud wordt in het overleg vastgesteld welk deel
                                hiervan voor rekening van het bevoegd gezag komt en of het bevoegd
                                gezag opdracht verstrekt voor het uitvoeren van de werkzaamheden, of
                                dat het bevoegd gezag een in overleg vast te stellen bedrag aan het
                                college betaalt. Als geen overeenstemming wordt bereikt, stellen
                                partijen vast welke handelwijze verder gevolgd wordt.</al></li><li nr="6."><al>Het opmaken van een staat van onderhoud blijft achterwege als dit
                                naar het oordeel van het college niet nodig is.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>6.</nr><titel>Gebruik
                            lokaal bewegingsonderwijsdoor
                            basisonderwijs</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>30.</nr><titel>Mutaties aantal klokuren
                            binnen beschikbare capaciteit,
                            inroosteren en gebruik</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college stelt jaarlijks voor 15 december voorlopig vast het
                                aantal klokuren bewegingsonderwijs waarop een school voor
                                basisonderwijs in het daaropvolgende schooljaar aanspraak
                                maakt.</al></li><li nr="2."><al>Grondslag voor het berekenen van het aantal klokuren is het aantal
                                leerlingen dat op 1 oktober van het lopende schooljaar op de school
                                staat ingeschreven.</al></li><li nr="3."><al>Op basis van het aantal klokuren stelt het college voor 31 december
                                een rooster op voor het gebruik van de lokalen bewegingsonderwijs,
                                waarbij het college rekening houdt met de volgende
                                uitgangspunten:</al><lijst><li nr="a."><al>de afstanden in relatie tot de omvang van het
                                        onderwijsgebruik van een lokaal bewegingsonderwijs, bedoeld
                                        in bijlage I, deel B;</al></li><li nr="b."><al>een school waarvan het bevoegd gezag eigenaar is van het
                                        lokaal bewegingsonderwijs wordt voor de school als eerste
                                        ingeroosterd voor het lokaal bewegingsonderwijs, en</al></li><li nr="c."><al>het bewegingsonderwijs van een school wordt zoveel mogelijk
                                        ingeroosterd in één lokaal bewegingsonderwijs.</al></li></lijst></li><li nr="4."><al>Het college stelt het bevoegd gezag, nadat het rooster voorlopig is
                                vastgesteld, voor 15 januari in kennis van het rooster. Hierbij
                                worden per school de volgende gegevens vermeld:</al><lijst><li nr="a."><al>het aantal klokuren waarvoor de school wordt
                                        ingeroosterd;</al></li><li nr="b."><al>het lokaal bewegingsonderwijs dat voor het
                                        bewegingsonderwijs is toegewezen, en</al></li><li nr="c."><al>de lestijden gedurende welke het onderwijsgebruik
                                        plaatsvindt.</al></li></lijst></li><li nr="5."><al>De bevoegde gezagsorganen kunnen tot 1 maart reageren op het
                                voorstel.</al></li><li nr="6."><al>Op verzoek van de bevoegde gezagsorganen kan het college een overleg
                                over het voorstel plannen. Dit overleg vindt plaats voor 15
                                februari. In het overleg kunnen de vertegenwoordigers van de
                                bevoegde gezagsorganen reageren op het voorstel.</al></li><li nr="7."><al>Het college stelt het rooster voor 15 maart<cursief></cursief>definitief vast
                                en houdt hierbij rekening met de reacties van de bevoegde
                                gezagsorganen.</al></li><li nr="8."><al>Het bevoegd gezag kan het college verzoeken meer klokuren in te
                                roosteren dan het aantal klokuren dat door het college is
                                vastgesteld.</al></li><li nr="9."><al>Het college neemt een verzoek als bedoeld in het vorige lid
                                uitsluitend in behandeling als daarvoor nog capaciteit beschikbaar
                                is. Het aantal klokuren dat door het college extra wordt
                                ingeroosterd komt voor rekening van het bevoegd gezag van de school.
                            </al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>7.</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>31.</nr><titel>Beslissing
                            college in gevallen waarin de verordening niet voorziet</titel></kop><al>
                        In gevallen die de uitvoering van deze verordening betreffen en waarin deze
                        verordening niet voorziet beslist het college.
                        </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>32.</nr><titel>Indexering</titel></kop><al>Het
                        college stelt jaarlijks de in het kader van deze verordening gehanteerde
                        normbedragen voor de vergoeding van voorzieningen bij op basis van de in
                        bijlage IV opgenomen systematiek van prijsbijstelling.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>33.</nr><titel>Intrekken oude verordening</titel></kop><al>De Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs gemeente Schiermonnikoog,
                        vastgesteld door de raad in 2009 wordt ingetrokken.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>34.</nr><titel>Inwerkingtreding en
                        citeertitel</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Deze verordening treedt in werking op de dag van bekendmaking en
                                werkt terug tot 1 januari 2015</al></li><li nr="2."><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening voorzieningen
                                huisvesting onderwijs Schiermonnikoog 2015.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><slotformulering><al>Aldus besloten in de openbare vergadering van 19 mei 2015</al><al>, voorzitter (J. Stellinga)</al><al>, griffier (S.T. van der Zwaag)</al><al></al><al></al></slotformulering></regeling-sluiting><bijlage><al><vet>Bijlage I – Beoordelingscriteria </vet><vet>noodzaak
                                    </vet><vet>aangevraagde voorzieningen</vet></al><al>Deel A - Lesgebouwen</al><al>De voorzieningen genoemd onder A.2 (vervangende bouw), A.3.1
                                (uitbreiding met één of meer leslokalen) en A.3.2 (uitbreiding met
                                een speellokaal) worden niet noodzakelijk geacht voor dislocaties
                                met een permanente bouwaard. Slechts in bijzondere omstandigheden
                                kan dit, na overleg met het bevoegd gezag en ter beoordeling van het
                                college plaatsvinden.</al><al>A.1 Nieuwbouw</al><al>Noodzaak van nieuwbouw is aanwezig als:</al><lijst><li nr="a."><al>de minister de desbetreffende school voor het eerst voor
                                        bekostiging in aanmerking brengt;</al></li><li nr="b."><al>de te huisvesten leerlingen aanwezig zijn of kunnen worden
                                        verwacht en:</al></li></lijst><al>1°. als het een voor blijvend gebruik bestemde voorziening betreft
                                een overeenkomstig bijlage II opgestelde prognose aantoont dat deze
                                leerlingen gedurende ten minste 15 jaar kunnen worden verwacht,
                                of</al><al>2°. als het een voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening betreft
                                een overeenkomstig bijlage II opgestelde prognose aantoont dat deze
                                leerlingen gedurende ten minste 4 jaar kunnen worden verwacht,
                                en</al><lijst><li nr="c."><al>geen gebouw beschikbaar is of komt dat geschikt is of
                                        geschikt te maken is als passende huisvesting voor de
                                        school, en</al></li><li nr="d."><al>het onmogelijk is om door medegebruik een passende
                                        huisvesting voor de school te realiseren.</al></li><li nr="A."><al>2 Vervangende bouw</al></li></lijst><al>De noodzaak van vervangende bouw is aanwezig als:</al><lijst><li nr="a."><al>op grond van een overeenkomstig NEN 2767 opgestelde
                                        bouwkundige rapportage wordt vastgesteld dat onderhoud of
                                        renovatie niet zal leiden tot de gewenste
                                        levensduurverlenging;</al></li><li nr="b."><al>dit het gevolg is van een herschikkingsoperatie;</al></li><li nr="c."><al>dit het gevolg is van ontwikkelingen in de ruimtelijke
                                        ordening en:</al></li></lijst><al>1°. als het een voor blijvend gebruik bestemde voorziening betreft
                                een overeenkomstig bijlage II opgestelde prognose aantoont dat dit
                                aantal leerlingen gedurende ten minste 15 jaar aanwezig zijn of
                                kunnen worden verwacht, of</al><al>2°. als het een voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening betreft
                                een overeenkomstig bijlage II opgestelde prognose aantoont dat dit
                                aantal leerlingen gedurende ten minste 4 jaar aanwezig zijn of
                                kunnen worden verwacht, en</al><lijst><li nr="e."><al>geen gebouw beschikbaar is of komt dat geschikt is of
                                        geschikt te maken is als passende huisvesting voor de
                                        school, en</al></li><li nr="f."><al>het onmogelijk is om door medegebruik een passende
                                        huisvesting voor de school te realiseren.</al></li></lijst><al>A.3 Uitbreiding</al><al>A.3.1 Uitbreiding schoolgebouw</al><al>De noodzaak van het uitbreiden van een schoolgebouw is aanwezig
                                als:</al><lijst><li nr="a."><al><cursief></cursief>de overeenkomstig bijlage III, deel A,
                                        vastgestelde capaciteit van een schoolgebouw van een school
                                        voor basisonderwijs of voortgezet onderwijs kleiner is dan
                                        de overeenkomstig bijlage III, deel B, vastgestelde
                                        ruimtebehoefte en het verschil tussen de capaciteit en de
                                        ruimtebehoefte<cursief></cursief>voor een school voor
                                            <cursief>basisonderwijs of voortgezet
                                            onderwijs,</cursief> gelijk of groter is dan de
                                        drempelwaarde, bedoeld in bijlage III, deel C, en</al></li><li nr="b."><al>daarnaast:</al></li></lijst><al>1°. als het een voor blijvend gebruik bestemde voorziening betreft
                                een overeenkomstig bijlage II opgestelde prognose aantoont dat dit
                                aantal leerlingen gedurende minstens vijftien jaar kunnen worden
                                verwacht, </al><al>2°. als het een voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening betreft
                                een overeenkomstig bijlage II opgestelde prognose aantoont dat dit
                                aantal leerlingen gedurende minstens vier jaar aanwezig zijn of
                                kunnen worden verwacht, of</al><al>3°. de prognose op basis van de laatste teldatum voor het indienen
                                van de aanvraag aantoont dat het aantal leerlingen dat aanwezig is
                                niet voor ten hoogste vier jaar binnen het gebouw of de gebouwen
                                kunnen worden gehuisvest, en</al><lijst><li nr="c."><al>geen gebouw beschikbaar is of komt dat geschikt is of
                                        geschikt te maken is als passende huisvesting voor de
                                        school, en</al></li><li nr="d."><al>het onmogelijk is om door medegebruik een passende
                                        huisvesting voor de school te realiseren.</al></li></lijst><al>A.3.2 Uitbreiding met een speellokaal</al><al>De noodzaak van het uitbreiden met een speellokaal is aanwezig
                                als:</al><lijst><li nr="a."><al>de school volgens een overeenkomstig bijlage II opgestelde
                                        prognose aantoont dat de school minstens vijftien jaar zal
                                        blijven bestaan;</al></li><li nr="b."><al>in het schoolgebouw geen speellokaal aanwezig is;</al></li><li nr="c."><al>medegebruik van een speellokaal of lokaal bewegingsonderwijs
                                        binnen <vet></vet>300 meter hemelsbreed onmogelijk is, en</al></li><li nr="e."><al>het naar oordeel van het college onmogelijk is om tegen
                                        redelijke kosten inpandig een speellokaal te realiseren door
                                        gebruik te maken van een bestaand verschil tussen de
                                        overeenkomstig bijlage III, deel A, vastgestelde capaciteit
                                        en de overeenkomstig bijlage III, deel B, vastgestelde
                                        ruimtebehoefte.</al></li></lijst><al>A.4 In gebruik nemen van een bestaand gebouw</al><al>De noodzaak van het in gebruik nemen van een gebouw is aanwezig
                                als:</al><lijst><li nr="a."><al>de minister de desbetreffende school voor het eerst voor
                                        bekostiging in aanmerking brengt of als het huidige gebouw
                                        moet worden vervangen of uitgebreid;</al></li><li nr="b."><al>de te huisvesten leerlingen aanwezig zijn of kunnen worden
                                        verwacht en:</al></li></lijst><al>1°. als het een voor blijvend gebruik bestemde voorziening betreft
                                een overeenkomstig bijlage II opgestelde prognose aantoont dat deze
                                leerlingen gedurende minstens vijftien jaar kunnen worden verwacht,
                                of</al><al>2°. als het een voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening betreft
                                een overeenkomstig bijlage II opgestelde prognose aantoont dat deze
                                leerlingen gedurende minstens vier jaar kunnen worden verwacht,
                                en</al><lijst><li nr="c."><al>geen gebouw beschikbaar is of komt dat geschikt is of
                                        geschikt te maken is als passende huisvesting voor de
                                        school;</al></li><li nr="d."><al>het onmogelijk is om door medegebruik een passende
                                        huisvesting voor de school te realiseren, en</al></li><li nr="e."><al>de kosten van het in gebruik nemen en aanpassen naar oordeel
                                        van het college in redelijke verhouding staan tot de kosten
                                        van vervangende bouw of uitbreiding.</al></li></lijst><al>A.5 Verplaatsen tijdelijk gebouw</al><al>De noodzaak van het verplaatsen van een tijdelijk gebouw is aanwezig
                                als:</al><lijst><li nr="a."><al>er op basis van een overeenkomstig bijlage II opgestelde
                                        prognose een tijdelijke behoefte aan huisvesting voor
                                        minstens vier jaar is, waarin een beschikbaar leeg of
                                        leegkomend tijdelijk gebouw kan voorzien;</al></li><li nr="b."><al>geen gebouw beschikbaar is of komt dat geschikt is of
                                        geschikt te maken is als passende huisvesting voor de
                                        school;</al></li><li nr="c."><al>het onmogelijk is om door medegebruik een passende
                                        huisvesting voor de school te realiseren, en</al></li><li nr="d."><al>de kosten van het verplaatsen naar oordeel van het college
                                        in redelijke verhouding staan tot de kosten van een nieuwe
                                        tijdelijke voorziening voor hetzelfde aantal leerlingen en
                                        voor dezelfde tijdsduur.</al></li></lijst><al>A.6 Terrein</al><al>De noodzaak van het verwerven of uitbreiden van een terrein of een
                                deel daarvan is aanwezig als het college heeft ingestemd met een
                                voorziening als bedoeld in artikel 2, onderdeel a, onder 1° tot en
                                met 4°, en de oppervlakte van het bestaande terrein niet voldoende
                                is om deze voorziening te realiseren. De oppervlakte van het terrein
                                moet voldoen aan de minimumnormen, bedoeld in bijlage III, deel
                                D.</al><lijst><li nr="A."><al>7 Eerste inrichting</al></li><li nr="1."><al>De noodzaak van de eerste aanschaf van onderwijsleerpakket
                                        en meubilair of leer- en hulpmiddelen<cursief></cursief>ontstaat
                                        wanneer een voorziening wordt toegekend die uitbreiding van
                                        de totale huisvestingscapaciteit van de school tot gevolg
                                        heeft en deze niet voor 1 januari 2015 is bekostigd.</al></li><li nr="3."><al>Bij fusie van scholen wordt uitsluitend uitbreiding van
                                        eerste aanschaf van onderwijsleerpakket, meubilair of leer-
                                        en hulpmiddelen toegekend als het aantal leerlingen na de
                                        fusie groter is dan het totaal aantal leerlingen van de
                                        afzonderlijk aan de fusie deelnemende scholen.</al></li></lijst><lijst><li nr="A."><al>8 Medegebruik</al></li><li nr="1."><al>De noodzaak van medegebruik van een school voor
                                        basisonderwijs, of een school voortgezet
                                        onderwijs,<cursief></cursief>is aanwezig als het verschil tussen de
                                        overeenkomstig bijlage III, deel A, vastgestelde capaciteit
                                        en de overeenkomstig bijlage III, deel B, vastgestelde
                                        ruimtebehoefte:</al></li><li nr="a."><al>gelijk of groter is dan de drempelwaarde, bedoeld in bijlage
                                        III, deel C, en</al></li><li nr="b."><al>een overeenkomstig bijlage II opgestelde prognose aantoont
                                        dat de overeenkomstig bijlage III, deel C, vastgestelde
                                        aanvullende ruimtebehoefte voor minimaal 4 jaar noodzakelijk
                                        is.</al></li><li nr="2."><al>Bepalend bij het beoordelen van de beschikbaarheid van een
                                        gebouw of ruimte voor medegebruik is een afstand van ten
                                        hoogste 2 kilometer, gemeten langs de kortste voor de
                                        leerling voldoende begaanbare en veilige
                                            weg<cursief>.</cursief></al></li></lijst><al><vet>A 9 Aanpassing </vet></al><al>De voorziening aanpassing bestaat uit:</al><lijst><li nr="a."><al>wijzigingen bij ingebruikneming van een gebouw indien het
                                        gebouw anders niet geschikt is voor het basisonderwijs,
                                        gelet op de eisen gesteld in bijlage III, delen A en D;</al></li><li nr="b."><al>een integratieverbouwing om een ander gebouw te kunnen
                                        afstoten of om, afgezien van een speellokaal, een gebouw van
                                        een speciale school voor basisonderwijs geschikt te maken
                                        voor kinderen jonger dan zes jaar;</al></li><li nr="c."><al>creëren speellokaal binnen het gebouw van een school voor
                                        speciaal basisonderwijs;</al></li><li nr="d."><al>voorzieningen in verband met eisen voortkomend uit de wet-
                                        en regelgeving;</al></li><li nr="e."><al>vervangen van oliegestookte verwarmingsinstallaties; en</al></li><li nr="d."><al>het terrein toegankelijk maken voor rolstoelgebruikers en/of
                                        het aanbrengen van een traplift bij meerlaagse
                                        schoolgebouwen;</al></li><li nr="e."><al>aanpassing als gevolg van onderwijskundige
                                        vernieuwingen.</al></li></lijst><al><vet>Ad a</vet></al><al>De noodzaak voor deze activiteit blijkt uit het feit dat
                                ingebruikneming van het desbetreffende gebouw op basis van de
                                beoordelingscriteria, zoals genoemd onder 1.4, noodzakelijk is, doch
                                het gebouw niet voldoet aan de huisvestingseisen voor een school
                                voor basisonderwijs, terwijl deze wel tegen redelijke kosten, zulks
                                ter beoordeling van het college, te verwezenlijken zijn.</al><al><vet>Ad b</vet></al><al>De noodzaak voor een integratieverbouwing teneinde een schoolgebouw
                                te kunnen afstoten blijkt uit het feit dat door terugloop van het
                                aantal leerlingen het gebruik van een gebouw kan of moet worden
                                beëindigd omdat binnen een of meer andere gebouwen in gebruik bij de
                                school voldoende ruimte aanwezig is, terwijl deze niet zijn
                                ingericht voor het onderwijs aan vier- en vijfjarigen of zes- tot
                                twaalfjarigen.</al><al>De noodzaak voor een integratieverbouwing in een gebouw van een
                                speciale school voor basisonderwijs blijkt uit het feit dat 12
                                kinderen jonger dan zes jaar worden toegelaten tot de school,
                                terwijl het gebouw niet geschikt is voor het onderwijs aan
                                leerlingen jonger dan zes jaar.</al><al><vet>Ad c</vet></al><al>De noodzaak voor deze activiteit blijkt uit het feit dat de speciale
                                school voor basisonderwijs niet beschikt over een speellokaal en er
                                geen ruimte groter dan 56 m2 aanwezig is en er bovendien geen
                                medegebruik van een speellokaal van een school binnen 300 meter
                                mogelijk is. Daarnaast is de noodzaak afhankelijk van het feit dat
                                tot de school minimaal 12 kinderen jonger dan zes jaar worden
                                toegelaten.</al><al>Indien het inpandig creëren van een speellokaal meer kost dan een
                                uitbreiding, zulks ter beoordeling van het college, op grond van
                                bijlage IV, deel A, wordt beslist alsof uitbreiding de gevraagde
                                voorziening is.</al><al><vet>Ad d</vet></al><al>De noodzaak voor deze activiteit blijkt uit het niet overeenkomen
                                van het gebouw met de geldende wet- en regelgeving, terwijl dat
                                verschil op korte termijn moet worden opgeheven.</al><al><vet>Ad e</vet></al><al>De noodzaak voor deze activiteit blijkt uit het feit dat de
                                oliegestookte verwarmingsinstallatie in een zo slechte conditie
                                verkeert dat vervanging noodzakelijk is.</al><al><vet>Ad f</vet></al><al>De noodzaak voor deze activiteiten blijkt uit de aanwezigheid van
                                een gehandicapte leerling of leraar waarvoor vanwege de handicap de
                                betreffende voorziening noodzakelijk is. Voorzover het betreft het
                                aanbrengen van een traplift, dient het tevens niet mogelijk te zijn
                                om zodanige organisatorische maatregelen te treffen dat het
                                volledige onderwijsproces op de begane grond kan worden gevolgd,
                                respectievelijk kan worden gegeven.</al><al>Bovenstaande aanpassingen kunnen plaatsvinden indien zij
                                noodzakelijk zijn en indien de prognose, die voldoet aan de
                                vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende ten minste vijftien
                                jaren voldoende leerlingen om de school in stand te kunnen houden,
                                kunnen worden verwacht. Indien de betreffende aanpassing absoluut
                                noodzakelijk is voor de voortgang van het onderwijs, terwijl volgens
                                de prognose onvoldoende leerlingen worden verwacht, wordt de
                                aanpassing slechts goedgekeurd als er geen andere, goedkopere,
                                voorziening mogelijk is.</al><al><vet>Ad g </vet></al><al>De noodzaak van deze aanpassing blijkt uit het feit dat:</al><lijst><li nr="a."><al>de aanpassing nog niet eerder is toegekend, en</al></li><li nr="b."><al>bij de bouw van het gebouw geen rekening is gehouden met
                                        onderwijskundige vernieuwingen, en</al></li><li nr="c."><al>het een permanent gebouw betreft, en</al></li><li nr="d."><al>het om een bouwkundige aanpassing van het gebouw gaat.</al></li></lijst><al><vet>A 10 Onderhoud</vet></al><al>De voorziening onderhoud bestaat uit:</al><lijst><li nr="a."><al>onderhoud aan de buitenzijde van het gebouw voorzover
                                        omschreven in het overzicht 'onderhoud primair
                                        onderwijs';</al></li><li nr="b."><al>(algehele) vervanging van binnenkozijnen en binnendeuren
                                        (inclusief hang- en sluitwerk);</al></li><li nr="c."><al>algehele vervanging van radiatoren, convectoren en leidingen
                                        voor centrale verwarming.</al></li></lijst><al>De noodzaak van onderhoud blijkt uit het feit dat het gevraagde
                                gebouwelement of een gedeelte daarvan ten minste in een matige
                                conditie verkeert volgens de bouwkundige opname zoals bedoeld in
                                artikel 7, tweede lid, onder c, terwijl regulier onderhoud door het
                                bevoegd gezag niet langer volstaat.</al><al>Gehuurde gebouwen komen niet in aanmerking voor onderhoud.</al><al>Noodzakelijk onderhoud aan permanente gebouwen komt voor bekostiging
                                in aanmerking indien op basis van een prognose, die voldoet aan de
                                in bijlage II gestelde vereisten, het gebouw nog ten minste vier
                                jaar voor de school nodig is.</al><al>Noodzakelijk onderhoud aan noodlokalen komt voor bekostiging in
                                aanmerking indien:</al><lijst><li nr="a."><al>het noodlokaal op basis van een prognose, die voldoet aan de
                                        in bijlage II gestelde vereisten, nog ten minste vier jaar
                                        voor de school nodig is; en</al></li><li nr="b."><al>voor de aanwezige leerlingen geen gebruik kan worden gemaakt
                                        van medegebruik binnen een straal van 2000 meter
                                        hemelsbreed.</al><al>A.11 Herstel van constructiefouten</al><al>De noodzaak van herstel van constructiefouten is aanwezig
                                        als een bouwkundige rapportage uitwijst dat het gaat om
                                        constructiefouten die hersteld moeten worden. </al><al>A.12 Vervangen of herstel van schade aan gebouw,
                                        onderwijsleerpakket en meubilair in geval van bijzondere
                                        omstandigheden</al><al>De noodzaak van vervangen of herstel van een gebouw,
                                        onderwijsleerpakket of meubilair als gevolg van schade
                                        daaraan is aanwezig als door de opgetreden bijzondere
                                        omstandigheid het onderwijs in het desbetreffende gebouw
                                        wordt gehinderd.</al><al><vet>Deel</vet><vet> B - Voorzieningen voor lichamelijke
                                            oefening</vet></al><al>B.1 Nieuwbouw, vervangende nieuwbouw, uitbreiding en
                                        ingebruikneming.</al><al>De noodzaak van:</al><lijst><li nr="a."><al>nieuwbouw<vet></vet>is aanwezig als de minister de
                                                desbetreffende school voor het eerst voor
                                                bekostiging in aanmerking brengt;</al></li><li nr="b."><al>vervangende nieuwbouw is aanwezig op grond van een
                                                overeenkomstig NEN 2767 opgestelde bouwkundige
                                                rapportage wordt vastgesteld dat onderhoud of
                                                renovatie niet zal leiden tot de gewenste
                                                levensduurverlenging of dit het gevolg is van een
                                                herschikkingsoperatie;</al></li><li nr="c."><al>uitbreiding van een lokaal bewegingsonderwijs is
                                                aanwezig als de oppervlakte van de zaal kleiner is
                                                dan 140 vierkante meters en het effectief gebruik
                                                van het lokaal daardoor belemmerd wordt, of</al></li><li nr="d."><al>het in gebruik nemen van een lokaal
                                                bewegingsonderwijs is aanwezig als:</al></li></lijst><al>1°. de minister de school voor het eerst voor bekostiging in
                                        aanmerking brengt;</al><al>2°. het huidige gebouw overeenkomstig onderdeel b voor
                                        vervanging in aanmerking komt; of</al><al>3°. de kosten van het in gebruik nemen en aanpassen naar
                                        oordeel van het college in redelijke verhouding staan tot de
                                        kosten van vervangende bouw, en </al><al>e.het onmogelijk is gebruik te maken van één of meer lokalen
                                        bewegingsonderwijs of van binnen een redelijke termijn
                                        beschikbaar komende lokalen bewegingsonderwijs voor:</al><al>1°. een school voor<cursief></cursief>basisonderwijs, bij
                                        noodzakelijk gebruik van: ten minste 20 klokuren binnen 2
                                        kilometer gemeten langs de kortste voor de leerling
                                        voldoende begaanbare en veilige weg;</al><al>2°. een school voor voortgezet onderwijs binnen 2 kilometer
                                        gemeten langs de kortste voor de leerling voldoende
                                        begaanbare en veilige weg, en </al><al>een overeenkomstig bijlage II opgestelde prognose aantoont
                                        dat gedurende ten minste vijftien jaar<cursief></cursief>de groepen
                                        leerlingen waarvoor het door het college vastgestelde aantal
                                        klokuren noodzakelijk is, aanwezig zijn of verwacht kunnen
                                        worden.</al><al>B.2 Terrein</al><al>De noodzaak van het verwerven of uitbreiden van een terrein
                                        of een deel daarvan is aanwezig als voor het realiseren van
                                        de nieuwbouw of de uitbreiding geen of onvoldoende terrein
                                        aanwezig is.</al><al>B.3 Eerste inrichting</al><al>De noodzaak van eerste inrichting bewegingsonderwijs is
                                        aanwezig als:</al><lijst><li nr="a."><al>nieuwbouw, uitbreiding of ingebruikneming bestaand
                                                lokaal bewegingsonderwijs voor de school is
                                                goedgekeurd, en</al></li><li nr="b."><al>voor de desbetreffende groepen leerlingen van het
                                                basisonderwijs nog niet eerder bekostiging eerste
                                                inrichting bewegingsonderwijs is verstrekt of voor
                                                de desbetreffende leerlingen van het voortgezet
                                                onderwijs nog niet eerder bekostiging eerste
                                                inrichting bewegingsonderwijs is verstrekt.</al></li></lijst><al>B.4 Huur van een sportterrein school voor voortgezet
                                        onderwijs</al><al>De noodzaak van huur van een sportveld is aanwezig als het
                                        lesrooster buitensport vermeldt, het bevoegd gezag niet
                                        beschikt over een eigen sportveld en medegebruik van een
                                        sportveld van een ander bevoegd gezag onmogelijk is.</al><al>B.5 Medegebruik</al><al>De noodzaak van medegebruik is aanwezig als het door de
                                        gemeente vastgestelde aantal klokuren bewegingsonderwijs
                                        zodanig is dat daarvoor binnen de op dat moment in gebruik
                                        zijnde lokalen bewegingsonderwijs geen plaats is.</al><al>B.6 Herstel constructiefouten</al><al>De noodzaak van herstel van constructiefouten is aanwezig
                                        als een bouwkundige rapportage uitwijst dat het gaat om
                                        constructiefouten die hersteld moeten worden. </al><al>B.7 Herstel of vervanging van schade aan gebouw,
                                        onderwijsleerpakket en meubilair in geval van bijzondere
                                        omstandigheden</al><al>De noodzaak van vervangen of herstel van een gebouw,
                                        onderwijsleerpakket of meubilair als gevolg van schade
                                        daaraan is aanwezig als door de opgetreden bijzondere
                                        omstandigheid het onderwijs in het desbetreffende gebouw
                                        wordt gehinderd.</al><al><vet>Bijlage II – </vet><vet>Prognosecriteria</vet></al><al><vet>A. Algemeen</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Een prognose van het aantal te verwachten leerlingen
                                                van een school voor basisonderwijs of voor
                                                voortgezet onderwijs<cursief></cursief>wordt gemaakt voor een
                                                periode van minstens vijftien jaar, met als eerste
                                                jaar het jaar waarin de start van de bekostiging
                                                wordt gewenst (de prognoseperiode).</al></li><li nr="2."><al>De prognose omvat gegevens voor minstens een periode
                                                van zes jaar (de analyseperiode) met als laatste
                                                jaar het jaar dat voorafgaat aan het indienen van de
                                                aanvraag. De prognose is niet meer dan twee jaar
                                                oud. Als basis voor de prognose mag gebruik gemaakt
                                                worden van de omvang van de basisgeneratie voor het
                                                basisonderwijs zoals het meest recent berekend door
                                                het Centraal Bureau voor de Statistiek of het
                                                ministerie van Onderwijs, Cultuur en
                                                Wetenschap.</al></li><li nr="3."><al>Een prognose wordt schriftelijk aangeleverd en bevat
                                                in ieder geval de relevante gegevens en berekeningen
                                                over de analyse- en prognoseperiode, een
                                                beschrijving van de gebruikte programmatuur en een
                                                onderbouwing van de aannames waarop de prognose is
                                                gebaseerd.</al></li></lijst><al><vet>B. Voedingsgebied</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het voedingsgebied van een school omvat het gebied
                                                waaruit het overgrote deel van de leerlingen
                                                afkomstig is of zal zijn.</al></li><li nr="2."><al>De prognose voor een basisschool bevat in ieder
                                                geval een beschrijving van het voedingsgebied op
                                                wijkniveau. Bij een school voor voortgezet onderwijs
                                                kan, als het voedingsgebied zich over de
                                                gemeentegrens uitstrekt, worden volstaan met een
                                                opsomming van de gemeenten die tot het
                                                voedingsgebied worden gerekend.</al></li><li nr="3."><al>Voor zover het voedingsgebied kleiner is dan de hele
                                                gemeente wordt beredeneerd aangegeven welke
                                                berekeningen op de basisgeneratie zijn
                                                toegepast.</al></li></lijst><al><vet>C. Prognose school voor basisonderwijs</vet></al><al>De prognose van een school voor basisonderwijs geeft per
                                        jaar inzicht in het te verwachten aantal leerlingen van de
                                        school of nevenvestiging waarbij rekening wordt gehouden
                                        met:</al><lijst><li nr="a."><al>het voedingsgebied;</al></li><li nr="b."><al>de bevolking in het voedingsgebied, verdeeld in
                                                relevante leeftijdsgroepen;</al></li><li nr="c."><al>de woningvoorraad en wijzigingen daarin, inclusief
                                                een eventuele wijziging van het voedingsgebied;</al></li><li nr="d."><al>veranderingen als gevolg van migratie, sterfte en
                                                geboorte in de leeftijdsgroepen, bedoeld onder
                                                b;</al></li><li nr="e."><al>veranderingen in de bevolking als gevolg van
                                                wijzigingen in de woningvoorraad;</al></li><li nr="f."><al>de verdeling van de leerlingen als gevolg van de
                                                belangstelling voor de basisschool, en</al></li><li nr="g."><al>het onderwijs dat wordt gegeven.</al></li></lijst><al><vet>D</vet><vet>. Prognose school voor voortgezet
                                            onderwijs</vet></al><al>De prognose van een school voor voortgezet onderwijs moet
                                        inzicht geven in:</al><lijst><li nr="a."><al>de gemeente van herkomst van de leerlingen</al></li><li nr="b."><al>het voedingsgebied;</al></li><li nr="c."><al>de verdeling van de leerlingen als gevolg van de
                                                belangstelling voor de basisschool;</al></li><li nr="d."><al>de basisgeneratie 4 tot en met 11 jaar + 30 procent
                                                van de 12 jarigen, en</al></li><li nr="e."><al>de plaats waar het onderwijs moet worden
                                                gegeven.</al></li></lijst><al><vet>Bijlage III – </vet><vet>Criteria vaststellen
                                            </vet><vet>capaciteit</vet><vet>,</vet><vet></vet><vet>ruimtebehoefte</vet><vet>
                                            en </vet><vet>aanvullende ruimtebehoefte</vet></al><al><vet>Deel A –</vet><vet></vet><vet>Vaststellen
                                            c</vet><vet>apaciteit </vet></al><al><vet>A.1 Uitgangspunten</vet></al><al>De capaciteit van gebouwen wordt op basis van onderstaande
                                        methodiek vastgesteld. Het college kan in overeenstemming
                                        met het bevoegd gezag van een school besluiten tot het
                                        verminderen van de met onderstaande methodiek vastgestelde
                                        capaciteit, als de hiertoe beschikbaar komende ruimten
                                        worden ingezet voor onderwijskundige, culturele,
                                        maatschappelijke of recreatieve doeleinden. Als een deel van
                                        een gebouw is gerealiseerd met andere dan overheidsmiddelen
                                        en hiervoor geen vergoeding wordt genoten, wordt dit deel
                                        niet tot de capaciteit van het gebouw gerekend. Dit deel
                                        wordt wel geregistreerd.</al><al><vet>A.1.1 School voor basisonderwijs</vet><vet><cursief> of
                                                voortgezet onderwijs</cursief></vet></al><lijst><li nr="1."><al>De capaciteit van een gebouw voor een school voor
                                                basisonderwijs of voortgezet onderwijs wordt
                                                vastgelegd in de bruto vloeroppervlakte van het
                                                gebouw en bepaald overeenkomstig bijlage III, deel
                                                E. De capaciteit van ieder gebouw wordt afzonderlijk
                                                vastgesteld.</al></li><li nr="2."><al>De capaciteit van een schoolgebouw wordt verminderd
                                                met 90 vierkante meter als een ruimte in het
                                                schoolgebouw is verhuurd voor het huisvesten van een
                                                peuterspeelzaal, buitenschoolse opvang of
                                                kinderopvang en het college voor deze verhuur vooraf
                                                toestemming heeft verleend.</al></li><li nr="3."><al>De bruto vloeroppervlakte van een schoolgebouw van
                                                het voortgezet onderwijs wordt vermeerderd met de
                                                bruto vloeroppervlakte van de lokalen
                                                bewegingsonderwijs.</al></li><li nr="4."><al>Als sprake is van een schoolgebouw met een
                                                bruto-netto-verhouding in de oppervlakte die sterk
                                                afwijkt van de sinds 1 januari 1997 gerealiseerde
                                                schoolgebouwen, kan het schoolbestuur een verzoek
                                                indienen tot vaststelling van een fictieve bruto
                                                vloeroppervlakte als grondslag voor de
                                                capaciteitsbepaling.</al></li></lijst><al><vet>A.1.2 Dislocaties, gebouwen met een permanente of
                                            tijdelijke bouwaard</vet></al><al>De capaciteit van dislocaties wordt overeenkomstig bijlage
                                        III, deel E, vastgesteld.</al><al><vet>A.1.3 Rangorde hoofdgebouwen en dislocaties</vet></al><al>Als een schoolbestuur voornemens is een hoofdvestiging,
                                        nevenvestiging of dislocatie af te stoten, wordt in overleg
                                        met het college vastgesteld welk gebouw wordt
                                        afgestoten.</al><al><vet>A.1.4 Terrein</vet></al><al>Het terrein omvat het kadastraal perceel of de kadastrale
                                        percelen waarop het schoolgebouw met toebehoren zich
                                        bevindt. De terreinoppervlakte is gelijk aan de grootte in
                                        de kadastrale registratie van het Kadaster. Als de
                                        kadastrale perceelgrenzen niet overeenkomen met de grenzen
                                        van het schoolterrein wordt het met overheidsmiddelen
                                        bekostigde deel van de terreinoppervlakte vastgelegd.</al><al><vet>A.1.5 Inventaris</vet></al><al>Voor de inventaris geldt als uitgangspunt dat op 1 januari
                                        2015 alle scholen voor basisonderwijs en voortgezet
                                        onderwijs in de gemeente zijn voorzien van voldoende
                                        onderwijsleerpakket en meubilair en leer- en hulpmiddelen.
                                        De bruto vloeroppervlakte van de school is de basis voor het
                                        vaststellen van de omvang van de aanwezige inventaris.</al><al><vet>A.1.6 </vet><vet>Lokalen bewegingsonderwijs</vet></al><al><vet>A.1.6.1 </vet><vet>Lokalen
                                        bewegingsonderwijs.</vet></al><al>De capaciteit van een lokaal bewegingsonderwijs bedraagt 40
                                        klokuren.</al><al><vet>A.1.6.2 Terrein</vet></al><al>De terreinoppervlakte is de oppervlakte zoals vastgelegd bij
                                        het Kadaster. Slechts de terreinoppervlakte van de
                                        vrijstaande lokalen bewegingsonderwijs gelegen op eigen
                                        terrein, los van het terrein van het lesgebouw, wordt
                                        geregistreerd.</al><al><vet>A.1.6.3 Inventaris</vet></al><al>De inventaris aanwezig op 1 januari 2015<cursief></cursief>wordt
                                        geacht voldoende te zijn.</al><al><vet>Deel B
                                            –</vet><vet></vet><vet>Vaststellen</vet><vet></vet><vet>r</vet><vet>uimtebehoefte</vet></al><al><vet>B.</vet><vet>1 </vet><vet>Lesgebouwen</vet></al><al><vet>B.1.1 School voor basisonderwijs</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De ruimtebehoefte voor een school voor
                                                basisonderwijs wordt bepaald aan de hand van het
                                                aantal leerlingen. De ruimtebehoefte wordt berekend
                                                voor elke school met een eigen BRIN-nummer en voor
                                                elke nevenvestiging met een eigen vestigingsnummer.
                                                Een nevenvestiging wordt voor het berekenen van de
                                                ruimtebehoefte beschouwd als een afzonderlijke
                                                school. De ruimtebehoefte is opgebouwd uit een
                                                basisruimtebehoefte en een toeslag in verband met de
                                                gewichtensom.</al></li><li nr="2."><al>De basisruimtebehoefte wordt berekend met de
                                                formule:</al></li></lijst><al>B = 200 + 5,03 * L, waarbij:</al><al>B = Basisruimtebehoefte in vierkante meter bruto
                                        vloeroppervlakte, afgerond op hele vierkante meter.</al><al>L = Aantal leerlingen dat op 1 oktober voorafgaande aan elk
                                        jaar waarop de prognose betrekking heeft op de school zijn
                                        ingeschreven.</al><al>3.De toeslag wordt berekend met de formule:</al><al>T = 1,40 * G, waarbij:</al><al>T = Toeslag in vierkante meter bruto vloeroppervlakte,
                                        afgerond op hele vierkante meter.</al><al>G = Gecorrigeerde gewichtensom, welke als volgt wordt
                                        bepaald:</al><al>1°. bepaal de (ongecorrigeerde) gewichtensom (= het totaal
                                        van alle gewichten van alle ingeschreven leerlingen);</al><al>2°. verminder de ongecorrigeerde gewichtensom met een getal
                                        ter grootte van 6 procent van het aantal ingeschreven
                                        leerlingen, waarbij de gewichtensom niet kleiner dan 0 mag
                                        worden. De uitkomst wordt afgerond op een geheel getal;</al><al>3°. als de dan verkregen gewichtensom meer bedraagt dan 80
                                        procent van het aantal ingeschreven leerlingen wordt de
                                        gewichtensom vastgesteld op 80 procent van het aantal
                                        ingeschreven leerlingen.</al><al><vet>B.1.4</vet><vet></vet><vet>School voor voortgezet
                                            onderwijs</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De ruimtebehoefte voor een school voor voortgezet
                                                onderwijs wordt bepaald aan de hand van het
                                                ruimtebehoeftemodel. De totale ruimtebehoefte van
                                                een instelling voor voortgezet onderwijs is het
                                                totaal van twee componenten, te weten:</al></li><li nr="a."><al>een leerlinggebonden component, en</al></li><li nr="b."><al>een vaste voet.</al></li><li nr="2."><al>De leerlinggebonden component wordt berekend door de
                                                in tabel 2.a opgenomen bruto vloeroppervlakten per
                                                leerling te vermenigvuldigen met het aantal
                                                leerlingen dat op de school voor voortgezet
                                                onderwijs staat ingeschreven. De leerlinggebonden
                                                component is afhankelijk van de soort onderwijs, de
                                                leerweg of de sector die de leerling volgt.</al></li><li nr="3."><al>De vaste voet is opgenomen in tabel 2.b. De vaste
                                                voet voor de hoofdvestiging van de instelling is 980
                                                vierkante meter bruto vloeroppervlakte. Voor een
                                                nevenvestiging die op grond van een ministeriële
                                                beschikking in aanmerking komt voor aanvullende
                                                bekostiging in verband met spreidingsnoodzaak geldt
                                                een afzonderlijke vaste voet van 550 vierkante meter
                                                bruto vloeroppervlakte. Een tijdelijke
                                                nevenvestiging komt niet in aanmerking voor een
                                                vaste voet. Naast de vaste voet per instelling wordt
                                                per instelling een vaste voet toegekend op de
                                                vestiging voor die sectoren waar de beroepsgerichte
                                                leerweg(en) wordt aangeboden.</al></li><li nr="4."><al>De ruimtebehoefte van een school voor voortgezet
                                                onderwijs is de som van:</al></li><li nr="a."><al>de uitkomst van de vermenigvuldiging van het aantal
                                                leerlingen per onderwijssoort met de bijbehorende
                                                normoppervlakten;</al></li><li nr="b."><al>de vaste voet per instelling;</al></li><li nr="c."><al>als dit van toepassing is, een vaste voet per
                                                sector, uitgedrukt in bruto vierkante meter, en</al></li><li nr="d."><al>als dit van toepassing is, een vaste voet voor een
                                                afdeling praktijkonderwijs.</al></li><li nr="5."><al>De ruimtebehoefte van een school voor
                                                praktijkonderwijs is de som van:</al></li><li nr="a."><al>de uitkomst van de vermenigvuldiging van het aantal
                                                leerlingen met de bijbehorende normoppervlakten,
                                                en</al></li><li nr="b."><al>de vaste voet voor praktijkonderwijs.</al></li><li nr="6."><al>Als dit noodzakelijk is voor het bepalen van de
                                                omvang van de toekenning, kan op basis van deze
                                                normering de leegstand in onderwijsruimten binnen
                                                een gebouw voor voortgezet onderwijs worden bepaald.
                                                Het ruimtebehoeftemodel kent geen afzonderlijke
                                                normering voor een orthopedagogisch didactisch
                                                centrum.</al></li></lijst><al><vet><cursief>Tabel 2.a – Berekening leerlingafhankelijke
                                                ruimtebehoefte voortgezet
                                        onderwijs</cursief></vet></al><table><tgroup cols="4"><colspec colnum="1" colname="col1" colwidth="44*"></colspec><colspec colnum="2" colname="col2" colwidth="16*"></colspec><colspec colnum="3" colname="col3" colwidth="18*"></colspec><colspec colnum="4" colname="col4" colwidth="22*"></colspec><tbody><row><entry colname="col1"><al><cursief>Onderwijssoort</cursief></al></entry><entry colname="col2"><al><cursief>Leerweg</cursief><cursief><sup></sup></cursief></al></entry><entry colname="col3"><al><cursief>Ruimtetype</cursief></al></entry><entry colname="col4"><al><cursief>BVO/leerling</cursief></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><cursief>Onderbouw (leerjaar 1 en
                                                  2)</cursief></al></entry><entry colname="col2"><al><cursief>-</cursief></al></entry><entry colname="col3"><al><cursief>Algemeen</cursief></al></entry><entry colname="col4"><al><cursief>6,18</cursief></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><cursief>Bovenbouw AVO/VWO</cursief></al></entry><entry colname="col2"><al><cursief>-</cursief></al></entry><entry colname="col3"><al><cursief>Algemeen</cursief></al></entry><entry colname="col4"><al><cursief>5,85</cursief></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><cursief>Bovenbouw theoretische
                                                  leerweg</cursief></al></entry><entry colname="col2"><al><cursief>TLW</cursief></al></entry><entry colname="col3"><al><cursief>Algemeen</cursief></al></entry><entry colname="col4"><al><cursief>6,41</cursief></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><cursief>-</cursief></al></entry><entry colname="col2"><al><cursief>LWOO</cursief></al></entry><entry colname="col3"><al><cursief>Algemeen</cursief></al></entry><entry colname="col4"><al><cursief>7,07</cursief></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><cursief>Bovenbouw techniek</cursief></al></entry><entry colname="col2"><al><cursief>GLW</cursief></al></entry><entry colname="col3"><al><cursief>Algemeen</cursief></al></entry><entry colname="col4"><al><cursief>5,98</cursief></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><cursief>-</cursief></al></entry><entry colname="col2"><al><cursief>-</cursief></al></entry><entry colname="col3"><al><cursief>Specifiek</cursief></al></entry><entry colname="col4"><al><cursief>5,47</cursief></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><cursief>-</cursief></al></entry><entry colname="col2"><al><cursief>BLW</cursief></al></entry><entry colname="col3"><al><cursief>Algemeen</cursief></al></entry><entry colname="col4"><al><cursief>4,69</cursief></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><cursief>-</cursief></al></entry><entry colname="col2"><al><cursief>-</cursief></al></entry><entry colname="col3"><al><cursief>Specifiek</cursief></al></entry><entry colname="col4"><al><cursief>8,99</cursief></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><cursief>-</cursief></al></entry><entry colname="col2"><al><cursief>LWOO</cursief></al></entry><entry colname="col3"><al><cursief>Algemeen</cursief></al></entry><entry colname="col4"><al><cursief>4,44</cursief></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><cursief>-</cursief></al></entry><entry colname="col2"><al><cursief>-</cursief></al></entry><entry colname="col3"><al><cursief>Specifiek</cursief></al></entry><entry colname="col4"><al><cursief>12,72</cursief></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><cursief>Bovenbouw economie</cursief></al></entry><entry colname="col2"><al><cursief>GLW</cursief></al></entry><entry colname="col3"><al><cursief>Algemeen</cursief></al></entry><entry colname="col4"><al><cursief>5,95</cursief></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><cursief>-</cursief></al></entry><entry colname="col2"><al><cursief>-</cursief></al></entry><entry colname="col3"><al><cursief>Specifiek</cursief></al></entry><entry colname="col4"><al><cursief>0,89</cursief></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><cursief>-</cursief></al></entry><entry colname="col2"><al><cursief>BLW</cursief></al></entry><entry colname="col3"><al><cursief>Algemeen</cursief></al></entry><entry colname="col4"><al><cursief>5,56</cursief></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><cursief>-</cursief></al></entry><entry colname="col2"><al><cursief>-</cursief></al></entry><entry colname="col3"><al><cursief>Specifiek</cursief></al></entry><entry colname="col4"><al><cursief>2,25</cursief></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><cursief>-</cursief></al></entry><entry colname="col2"><al><cursief>LWOO</cursief></al></entry><entry colname="col3"><al><cursief>Algemeen</cursief></al></entry><entry colname="col4"><al><cursief>5,85</cursief></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al><cursief>Specifiek</cursief></al></entry><entry colname="col4"><al><cursief>3,06</cursief></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><cursief>Bovenbouw zorg/welzijn</cursief></al></entry><entry colname="col2"><al><cursief>GLW</cursief></al></entry><entry colname="col3"><al><cursief>Algemeen</cursief></al></entry><entry colname="col4"><al><cursief>5,33</cursief></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al><cursief>Specifiek</cursief></al></entry><entry colname="col4"><al><cursief>2,10</cursief></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al><cursief>BLW</cursief></al></entry><entry colname="col3"><al><cursief>Algemeen</cursief></al></entry><entry colname="col4"><al><cursief>4,71</cursief></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al><cursief>Specifiek</cursief></al></entry><entry colname="col4"><al><cursief>4,22</cursief></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al><cursief>LWOO</cursief></al></entry><entry colname="col3"><al><cursief>Algemeen</cursief></al></entry><entry colname="col4"><al><cursief>4,85</cursief></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al><cursief>Specifiek</cursief></al></entry><entry colname="col4"><al><cursief>5,53</cursief></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><cursief>Bovenbouw landbouw</cursief></al></entry><entry colname="col2"><al><cursief>GLW</cursief></al></entry><entry colname="col3"><al><cursief>Algemeen</cursief></al></entry><entry colname="col4"><al><cursief>5,94</cursief></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al><cursief>Specifiek</cursief></al></entry><entry colname="col4"><al><cursief>0,78</cursief></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al><cursief>BLW</cursief></al></entry><entry colname="col3"><al><cursief>Algemeen</cursief></al></entry><entry colname="col4"><al><cursief>5,37</cursief></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al><cursief>Specifiek</cursief></al></entry><entry colname="col4"><al><cursief>2,34</cursief></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al><cursief>LWOO</cursief></al></entry><entry colname="col3"><al><cursief>Algemeen</cursief></al></entry><entry colname="col4"><al><cursief>5,03</cursief></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al><cursief>Specifiek</cursief></al></entry><entry colname="col4"><al><cursief>4,69</cursief></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><cursief>Praktijkonderwijs</cursief></al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al><cursief>Algemeen</cursief></al></entry><entry colname="col4"><al><cursief>4,41</cursief></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al><cursief>Specifiek</cursief></al></entry><entry colname="col4"><al><cursief>7,72</cursief></al></entry></row></tbody></tgroup></table><al><vet><cursief>Tabel 2.b – Vaste voet per instelling voor het
                                                berekenen van de ruimtebehoefte</cursief></vet></al><al><vet><cursief>voortgezet onderwijs</cursief></vet></al><table><tgroup cols="3"><colspec colnum="1" colname="col1" colwidth="61*"></colspec><colspec colnum="2" colname="col2" colwidth="21*"></colspec><colspec colnum="3" colname="col3" colwidth="18*"></colspec><tbody><row><entry colname="col1"><al><cursief>Onderwijssoort</cursief></al></entry><entry colname="col2"><al><cursief>Ruimtetype</cursief></al></entry><entry colname="col3"><al><cursief>Vaste voet</cursief></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><cursief>Hoofdvestiging</cursief></al></entry><entry colname="col2"><al><cursief>Algemeen</cursief></al></entry><entry colname="col3"><al><cursief>980</cursief></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><cursief>Nevenvestiging met
                                                  spreidingsnoodzaak</cursief></al></entry><entry colname="col2"><al><cursief>Algemeen</cursief></al></entry><entry colname="col3"><al><cursief>550</cursief></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><cursief>Tijdelijke nevenvestiging
                                                  </cursief></al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al><cursief>0</cursief></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><cursief>VMBO-techniek BLW</cursief></al></entry><entry colname="col2"><al><cursief>Specifiek</cursief></al></entry><entry colname="col3"><al><cursief>299</cursief></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><cursief>VMBO-economie BLW</cursief></al></entry><entry colname="col2"><al><cursief>Specifiek</cursief></al></entry><entry colname="col3"><al><cursief>196</cursief></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><cursief>VMBO-zorg/welzijn BLW</cursief></al></entry><entry colname="col2"><al><cursief>Specifiek</cursief></al></entry><entry colname="col3"><al><cursief>168</cursief></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><cursief>VMBO-landbouw BLW</cursief></al></entry><entry colname="col2"><al><cursief>Specifiek</cursief></al></entry><entry colname="col3"><al><cursief>117</cursief></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><cursief>Praktijkonderwijs</cursief></al></entry><entry colname="col2"><al><cursief>Algemeen</cursief></al></entry><entry colname="col3"><al><cursief>306</cursief>]</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al><vet>B.2 Lokalen bewegingsonderwijs </vet></al><lijst><li nr="1."><al>De ruimtebehoefte van een lokaal bewegingsonderwijs
                                                wordt vastgesteld:</al></li><li nr="a."><al>voor een school voor basisonderwijs, op 1,5 klokuur
                                                per week per groep leerlingen 6 jaar en ouder;</al></li><li nr="b."><al>als het schoolgebouw niet beschikt over een
                                                speellokaal, op 3,75 klokuur per week voor de
                                                leerlingen 4 en 5 jaar.</al></li><li nr="2."><al>Bij een school voor voortgezet onderwijs wordt de
                                                ruimtebehoefte bepaald op basis van het aantal
                                                lestijden bewegingsonderwijs. Hiervoor geldt als
                                                maximum het aantal lesuren dat overeenkomstig tabel
                                                3 van het ruimtebehoeftemodel is berekend. Deze
                                                berekening is als volgt: (aantal leerlingen * 32 *
                                                vierkante meter bruto vloeroppervlakte
                                                bewegingsonderwijs per leerling) ÷ 460. Voor het
                                                leerwegondersteunend onderwijs en praktijkonderwijs
                                                wordt een aangepaste formule gehanteerd: (aantal
                                                leerlingen * 32 * vierkante meter bruto
                                                vloeroppervlakte bewegingsonderwijs per leerling) ÷
                                                322.</al></li></lijst><al><vet><cursief>Tabel 3 – Uitgangspunten vaststellen
                                                ruimtebehoefte lokaal bewegingsonderwijs voortgezet
                                                onderwijs</cursief></vet></al><table><tgroup cols="3"><colspec colnum="1" colname="col1" colwidth="56*"></colspec><colspec colnum="2" colname="col2" colwidth="21*"></colspec><colspec colnum="3" colname="col3" colwidth="23*"></colspec><tbody><row><entry colname="col1"><al><cursief>Onderwijssoort</cursief></al></entry><entry colname="col2"><al><cursief>Leerweg</cursief></al></entry><entry colname="col3"><al><cursief>BVO per leerling</cursief></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><cursief>Onderbouw (leerjaar 1 en
                                                  2)</cursief></al></entry><entry colname="col2"><al><cursief>-</cursief></al></entry><entry colname="col3"><al><cursief>1,66</cursief></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><cursief>Bovenbouw AVO/VWO</cursief></al></entry><entry colname="col2"><al><cursief>-</cursief></al></entry><entry colname="col3"><al><cursief>0,78</cursief></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><cursief>Bovenbouw theoretische
                                                  leerweg</cursief></al></entry><entry colname="col2"><al><cursief>TLW</cursief></al></entry><entry colname="col3"><al><cursief>1,11</cursief></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><cursief>-</cursief></al></entry><entry colname="col2"><al><cursief>LWOO</cursief></al></entry><entry colname="col3"><al><cursief>1,26</cursief></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><cursief>Bovenbouw techniek</cursief></al></entry><entry colname="col2"><al><cursief>GLW</cursief></al></entry><entry colname="col3"><al><cursief>1,11</cursief></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><cursief>-</cursief></al></entry><entry colname="col2"><al><cursief>BLW</cursief></al></entry><entry colname="col3"><al><cursief>1,38</cursief></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><cursief>-</cursief></al></entry><entry colname="col2"><al><cursief>LWOO</cursief></al></entry><entry colname="col3"><al><cursief>1,57</cursief></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><cursief>Bovenbouw economie</cursief></al></entry><entry colname="col2"><al><cursief>GLW</cursief></al></entry><entry colname="col3"><al><cursief>1,11</cursief></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><cursief>-</cursief></al></entry><entry colname="col2"><al><cursief>BLW</cursief></al></entry><entry colname="col3"><al><cursief>1,38</cursief></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><cursief>-</cursief></al></entry><entry colname="col2"><al><cursief>LWOO</cursief></al></entry><entry colname="col3"><al><cursief>1,57</cursief></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><cursief>Bovenbouw zorg/welzijn</cursief></al></entry><entry colname="col2"><al><cursief>GLW</cursief></al></entry><entry colname="col3"><al><cursief>1,11</cursief></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><cursief>-</cursief></al></entry><entry colname="col2"><al><cursief>BLW</cursief></al></entry><entry colname="col3"><al><cursief>1,38</cursief></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><cursief>-</cursief></al></entry><entry colname="col2"><al><cursief>LWOO</cursief></al></entry><entry colname="col3"><al><cursief>1,57</cursief></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><cursief>Bovenbouw landbouw</cursief></al></entry><entry colname="col2"><al><cursief>GLW</cursief></al></entry><entry colname="col3"><al><cursief>1,11</cursief></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><cursief>-</cursief></al></entry><entry colname="col2"><al><cursief>BLW</cursief></al></entry><entry colname="col3"><al><cursief>1,38</cursief></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><cursief>-</cursief></al></entry><entry colname="col2"><al><cursief>LWOO</cursief></al></entry><entry colname="col3"><al><cursief>1,57</cursief></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><cursief>Praktijkonderwijs</cursief></al></entry><entry colname="col2"><al><cursief>-</cursief></al></entry><entry colname="col3"><al><cursief>1,99</cursief>]</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al><vet>Deel C – </vet><vet>Vaststellen </vet><vet>aanvullende
                                            </vet><vet>ruimtebehoefte</vet><vet></vet></al><al><vet>C.1 Voor blijvend gebruik bestemde
                                        voorzieningen</vet></al><al>Er is sprake van een voorziening voor blijvend gebruik als
                                        de overeenkomstig deel C vastgestelde ruimtebehoefte
                                        gedurende minstens vijftien jaar blijft bestaan.</al><al><vet>C.1.1 Nieuwbouw, </vet><vet>of</vet><vet> vervangende
                                            nieuwbouw</vet></al><al>De omvang van de goedgekeurde voor blijvend gebruik bestemde
                                        voorziening nieuwbouw of vervangende nieuwbouw wordt
                                        overeenkomstig deel B vastgesteld.</al><al><vet>C.1.2 Overige voor blijvend gebruik bestemde
                                            voorzieningen</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Uitbreiding, uitbreiding ter vervanging van een
                                                bestaand gebouw, ingebruikneming of medegebruik
                                                wordt voor een:</al></li><li nr="a."><al>school voor basisonderwijs vastgesteld als het
                                                verschil tussen de overeenkomstig deel A
                                                vastgestelde capaciteit en de overeenkomstig deel B
                                                vastgestelde ruimtebehoefte gelijk of groter is dan
                                                de drempelwaarde van:</al></li></lijst><al>1°. 55 vierkante meter bruto vloeroppervlakte voor een
                                        voorziening basisonderwijs;</al><al>b.school voor voortgezet onderwijs wordt vastgesteld als het
                                        verschil tussen de overeenkomstig deel A vastgestelde
                                        capaciteit en de overeenkomstig deel B vastgestelde
                                        ruimtebehoefte gelijk of groter is dan tien procent van de
                                        bestaande capaciteit met een minimum van 100 vierkante
                                        meter. Medegebruik wordt vastgesteld op het verschil tussen
                                        de overeenkomstig deel B vastgestelde ruimtebehoefte en de
                                        overeenkomstig deel A vastgestelde capaciteit verhoogd met
                                        10%.</al><al><vet>C.2 Voor tijdelijk gebruik bestemde voorzieningen
                                        </vet></al><al>De ruimtebehoefte van een voor tijdelijk gebruik bestemde
                                        voorziening wordt op dezelfde wijze vastgesteld als de
                                        ruimtebehoefte voor een voor blijvend gebruik bestemde
                                        voorzieningen. Een voor tijdelijk gebruik bestemde
                                        voorziening is voor minstens vier jaar en maximaal vijftien
                                        jaar noodzakelijk. Voor het vaststellen van de omvang van
                                        een voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening moet het
                                            verschil<cursief>:</cursief></al><lijst><li nr="a."><al>bij een school voor basisonderwijs ten minste 40
                                                vierkante meter bruto vloeroppervlakte bedragen,
                                                en</al></li><li nr="b."><al>bij een school voor voortgezet onderwijs voldoen aan
                                                het gestelde onder C.1.2, eerste lid, onder b.</al></li></lijst><al><vet>C.3 Overige voor blijvend gebruik
                                            </vet><vet>of</vet><vet> voor tijdelijk gebruik bestemde
                                            voorzieningen</vet></al><al>De omvang van een goedgekeurde voorziening:</al><lijst><li nr="a."><al>voor blijvend of tijdelijk gebruik bestemde
                                                voorziening terrein, dan wel uitbreiding van het
                                                terrein, wordt bepaald door de minimaal
                                                noodzakelijke terreinoppervlakte om het schoolgebouw
                                                te realiseren met inachtneming van de bij of
                                                krachtens de wet gestelde eisen ten aanzien van de
                                                terreinoppervlakte en de minimumnormen, bedoeld in
                                                deel D.</al></li><li nr="b."><al>eerste aanschaf van:</al></li></lijst><al>1°. onderwijsleerpakket en meubilair, of uitbreiding van de
                                        eerste aanschaf van het onderwijsleerpakket en meubilair
                                        voor een school basisonderwijs, en</al><al>2°. leer- en hulpmiddelen en meubilair, of uitbreiding van
                                        de eerste aanschaf van leer- en hulpmiddelen en meubilair
                                        voor een school voor voortgezet onderwijs</al><al>is gekoppeld aan de omvang van de toegekende
                                        voorziening.</al><lijst><li nr="c."><al>tegemoetkoming in eerste inrichting leer- en
                                                hulpmiddelen en meubilair voor een school voor
                                                voortgezet onderwijs als gevolg van een inpandige
                                                aanpassing waarbij algemene of specifieke ruimte
                                                wordt omgezet in specifieke of werkplaatsruimte
                                                bedraagt het verschil tussen de vergoeding voor
                                                eerste inrichting van de bestaande ruimte en de
                                                vergoeding voor eerste inrichting van de te creëren
                                                ruimte.</al></li><li nr="d."><al>herstel van constructiefouten en herstel van schade
                                                aan het gebouw, onderwijsleerpakket, leer- en
                                                hulpmiddelen en meubilair in geval van bijzondere
                                                omstandigheden wordt bepaald door de activiteiten
                                                die minimaal noodzakelijk zijn voor de voortgang van
                                                het onderwijs.</al></li></lijst><al><vet>C.4 Lokalen bewegingsonderwijs</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De omvang van de goedgekeurde voorziening nieuwbouw,
                                                vervangende nieuwbouw en uitbreiding van een lokaal
                                                bewegingsonderwijs wordt:</al></li><li nr="a."><al>voor een school voor
                                                basisonderwijs<cursief></cursief>vastgesteld op<cursief></cursief>het
                                                verschil tussen de overeenkomstig bijlage III, deel
                                                A, vastgestelde capaciteit en het overeenkomstig
                                                B.2, eerste lid, vastgestelde
                                                  ruimtebehoefte[<cursief>,
                                                en</cursief><cursief></cursief></al></li><li nr="b."><al>voor een school voor voortgezet onderwijs
                                                vastgesteld op de overeenkomstig B.2, tweede lid,
                                                vastgestelde ruimtebehoefte als de uitbreiding
                                                groter of gelijk is dan tien procent van de
                                                overeenkomstig deel A vastgestelde capaciteit.</al></li><li nr="2."><al>De omvang van de goedgekeurde voorziening aanpassen
                                                van een lokaal bewegingsonderwijs van een school
                                                voor basisonderwijs wordt vastgesteld op de minimaal
                                                noodzakelijke aanvullende vloeroppervlakte om te
                                                kunnen voldoen aan de minimumnormen, bedoeld in deel
                                                D, onder D.3.</al></li><li nr="4."><al>De omvang van de goedgekeurde voorziening terrein,
                                                of uitbreiding van het terrein, voor een lokaal
                                                bewegingsonderwijs wordt vastgesteld op de minimaal
                                                noodzakelijke terreinoppervlakte om het lokaal, of
                                                de uitbreiding van het lokaal te realiseren.</al></li><li nr="5."><al>De omvang van de goedgekeurde voorziening aanvulling
                                                op de eerste aanschaf van het meubilair wordt
                                                overeenkomstig bijlage IV bepaald als een lokaal
                                                bewegingsonderwijs in gebruik wordt genomen door
                                                andere leerlingen dan waarvoor het lokaal
                                                oorspronkelijk is bedoeld of wordt uitgebreid.</al></li><li nr="6."><al>De omvang van de goedgekeurde voorziening herstel
                                                van constructiefouten en het herstel van schade aan
                                                gebouw, onderwijsleerpakket en meubilair in geval
                                                van bijzondere omstandigheden, wordt bepaald door de
                                                feitelijke kosten voor de activiteiten die minimaal
                                                noodzakelijk zijn voor de voortgang van het
                                                onderwijs.</al></li></lijst><al><vet>Deel D – Minimumnormen bij het realiseren van nieuwe
                                            voorzieningen </vet></al><al><vet>D.1 Terreinoppervlakte </vet></al><al>Voor een school voor basisonderwijs geldt voor het verharde
                                        gedeelte (speelplaats) een minimum terreinoppervlakte van 3
                                        vierkante meter per leerling, met een minimum van 300
                                        vierkant meter netto. Vanaf 200 leerlingen kan worden
                                        volstaan met 600 vierkante meter netto.</al><al><vet>D.2 Speellokaal </vet></al><al>Een speellokaal heeft een minimum van 90 vierkante meter
                                        netto.</al><al><cursief></cursief><vet>D.3 Lokaal bewegingsonderwijs </vet></al><lijst><li nr="1."><al>De netto vloeroppervlakte van een lokaal
                                                bewegingsonderwijs is minstens 252 vierkante meter
                                                netto en de hoogte minstens 5 meter.</al></li><li nr="2."><al>Een lokaal bewegingsonderwijs bevat minstens twee
                                                kleedruimten met een was- of douchegelegenheid.</al></li></lijst><al><vet>Deel E</vet><vet> – Meetinstructie vo</vet><vet>or het
                                            vaststellen van de bruto </vet><vet>vloeroppervlakte van
                                            schoolgebouwen</vet></al><al><vet>E.1 Meetinstructie voor schoolgebouwen</vet></al><al>De bruto vloeroppervlakte van een schoolgebouw wordt
                                        vastgesteld volgens NEN 2580.</al><al><vet>E.2</vet><vet> Aanvulling op de meetinstructie voor de
                                            schoolgebouwen</vet></al><al><vet>E.</vet><vet>2.1
                                        </vet><vet>basisonderwijs</vet><vet></vet></al><lijst><li nr="1."><al>De in- en aangebouwde fietsenstallingen en bergingen
                                                die uitsluitend van buitenaf bereikbaar</al><al> zijn, worden niet tot de bruto vloeroppervlakte
                                                gerekend.</al></li><li nr="2."><al>De oppervlakte van verbindende ruimten tussen in- of
                                                aanpandige lokalen bewegingsonderwijs wordt
                                                toegekend aan het lesgebouw.</al></li><li nr="3."><al>Bij scheidingswanden tussen lesgebouwen en in- of
                                                aanpandige lokalen bewegingsonderwijs wordt de bruto
                                                vloeroppervlakte gerekend tot het hart van de
                                                scheidingsconstructie.</al></li></lijst><al><vet>E.</vet><vet>2.2 Voortgezet onderwijs </vet></al><al>De bruto oppervlakte van een gebouw is de som van de bruto
                                        vloeroppervlakte van alle tot het gebouw behorende
                                        beloopbare binnenruimten. De bruto vloeroppervlakte wordt
                                        gemeten op vloerniveau langs de buitenomtrek van de opgaande
                                        buitenconstructies die de ruimten omhullen. Tot de bruto
                                        oppervlakte behoren eveneens: </al><lijst><li nr="a."><al>de oppervlakte van trapgaten, liftschachten, en
                                                leidingschachten op elk vloerniveau, en</al></li><li nr="b."><al>de oppervlakte van vrijstaande uitwendige kolommen,
                                                voor zover groter dan 0,5 vierkante meter.</al></li></lijst><al><vet>E.</vet><vet>2.3 Uitzonderingen</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De oppervlakten van overdekte niet door vaste
                                                buitenbegrenzingen omsloten ruimten worden niet tot
                                                de bruto vloeroppervlakte gerekend, ongeacht de
                                                vloerconstructie of wijze van verharding. Dit
                                                betreft in ieder geval luifels, dakoverstekken, de
                                                ruimte onder op kolommen staande verdiepingen,
                                                fietsenstallingen.</al></li><li nr="2."><al>Open brand-of vluchttrappen aan de buitenzijde van
                                                een gebouw worden bij de bepaling van de bruto
                                                oppervlakte niet meegerekend.</al></li><li nr="3."><al>Niet beloopbare kelders en zolders worden niet
                                                meegerekend.</al></li></lijst><al><vet>Bijlage IV</vet><vet> – Normbedragen voor
                                            vergoeding</vet><vet> en indexering</vet></al><al><vet>Deel A</vet><vet> – Indexering </vet></al><al>De normbedragen in deel B worden jaarlijks aangepast in
                                        overeenstemming met de onderstaande systematiek van
                                        prijsbijstelling:</al><al><vet>A.1 Nieuwbouw </vet><vet>en
                                            </vet><vet>uitbreiding</vet></al><table><tgroup cols="5"><colspec colnum="1" colname="col1" colwidth="31*"></colspec><colspec colnum="2" colname="col2" colwidth="3*"></colspec><colspec colnum="3" colname="col3" colwidth="31*"></colspec><colspec colnum="4" colname="col4" colwidth="3*"></colspec><colspec colnum="5" colname="col5" colwidth="31*"></colspec><tbody><row><entry colname="col1"><al>1</al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>Prijsindexcijfer van de bouwkosten van nieuwe
                                                  woningen, jaar t,</al><al>tweede kwartaal (bron: CBS, kerncijfers,
                                                  bouwnijverheid, inclusief btw)</al></entry><entry colname="col4"><al></al></entry><entry colname="col5"><al>MEV, jaar t+1, bruto investeringen door
                                                  bedrijven in woningen (bron: CPB, Middelen en
                                                  bestedingen)</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>----------------------------------------</al></entry><entry colname="col2"><al>*</al></entry><entry colname="col3"><al>----------------------------------------</al></entry><entry colname="col4"><al>*</al></entry><entry colname="col5"><al>----------------------------------------</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>MEV, jaar t, bruto investeringen door
                                                  bedrijven in woningen (bron: CPB, Middelen en
                                                  bestedingen)</al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>Prijsindexcijfer van de bouwkosten van nieuwe
                                                  woningen, jaar t-1, tweede kwartaal (bron: CBS,
                                                  kerncijfers, bouwnijverheid, inclusief btw)</al></entry><entry colname="col4"><al></al></entry><entry colname="col5"><al>1</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al><vet>A.2 </vet><vet>E</vet><vet>erste inrichting
                                            onderwijsleerpakket en meubilair</vet></al><table><tgroup cols="5"><colspec colnum="1" colname="col1" colwidth="31*"></colspec><colspec colnum="2" colname="col2" colwidth="3*"></colspec><colspec colnum="3" colname="col3" colwidth="31*"></colspec><colspec colnum="4" colname="col4" colwidth="3*"></colspec><colspec colnum="5" colname="col5" colwidth="31*"></colspec><tbody><row><entry colname="col1"><al>1</al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>Consumentenprijsindex, alle huishoudens, jaar
                                                  t, per 1 juli (bron: CBS, Kerncijfers, cijfer van
                                                  de maand juni jaar t)</al></entry><entry colname="col4"><al></al></entry><entry colname="col5"><al>MEV, jaar t+1 prijsmutatie netto materiële
                                                  overheidsconsumptie (bron: CPB, Kerngegevens
                                                  collectieve sector)</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>----------------------------------------</al></entry><entry colname="col2"><al>*</al></entry><entry colname="col3"><al>----------------------------------------</al></entry><entry colname="col4"><al>*</al></entry><entry colname="col5"><al>----------------------------------------</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>MEV, jaar t, prijsmutatie netto materiële
                                                  overheidsconsumptie (bron: CPB, Kerngegevens
                                                  collectieve sector)</al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>Consumentenprijsindex, alle huishoudens, jaar
                                                  t-1, per 1 juli (bron: CBS, Kerncijfers, cijfer
                                                  van de maand juni jaar t-1)</al></entry><entry colname="col4"><al></al></entry><entry colname="col5"><al>1</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al><vet>Deel B – </vet><vet>Normbedragen</vet></al><al>Alle in dit deel genoemde bedragen zijn inclusief BTW.</al><al><vet>A. </vet><vet>Nieuwbouw </vet><vet>met
                                            </vet><vet>permanente bouwaard</vet><vet></vet></al><al><vet>A.1 Kostencomponenten</vet><vet> nieuwbouw</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De financiële normering voor nieuwbouw valt uiteen
                                                in de volgende kostencomponenten:</al></li><li nr="a."><al>kosten voor terrein;</al></li><li nr="b."><al>bouwkosten;</al></li><li nr="c."><al>toeslag voor het herstel van terrein en
                                                verhuiskosten bij vervangende bouw;</al></li><li nr="d."><al>als het een school voor voortgezet onderwijs
                                                betreft, toeslag paalfundering;</al></li><li nr="2."><al>Als vervangende nieuwbouw wordt gecombineerd met het
                                                uitbreiden van een gebouw ter vervanging van een
                                                ander gebouw, gelden de bedragen bedoeld in
                                                paragraaf B.</al></li></lijst><al><vet>A.2 </vet><vet>Kosten voor terreinen</vet></al><al>Het benodigde bouwrijpe terrein wordt door de gemeente,
                                        eventueel na aankoop, om niet aan het schoolbestuur
                                        beschikbaar gesteld en het juridisch eigendom wordt aan hen
                                        overgedragen. De kosten van een terrein worden opgenomen op
                                        het programma, zowel bij aankoop van een terrein als in de
                                        situatie dat de gemeente een terrein beschikbaar stelt. De
                                        kosten voor het terrein worden bepaald op de in de gemeente
                                        gangbare wijze van waardevaststelling van terreinen. Bij
                                        vervangende nieuwbouw op dezelfde plaats als het oude gebouw
                                        behoren de kosten voor het slopen van het oude gebouw tot de
                                        kosten voor terreinen.</al><al><vet>A.3</vet><vet>.1</vet><vet></vet><vet>Bouwkosten</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Tot de bouwkosten behoren:</al></li><li nr="a."><al>de bouwkosten van het gebouw, inclusief fundering,
                                                en</al></li><li nr="b."><al>de kosten van de aanleg en inrichting van het
                                                schoolterrein.</al></li><li nr="2."><al>De vergoeding bestaat uit een startbedrag, inclusief
                                                een aantal vierkante meters, en een bedrag per
                                                vierkante meter bruto vloeroppervlakte. Met deze
                                                vergoedingsbedragen moet de in overeenkomstig
                                                bijlage III, deel C, vastgestelde aanvullende
                                                ruimtebehoefte worden gerealiseerd.</al></li></lijst><al><vet>A.</vet><vet>3.2 </vet><vet>Bouwkosten school voor
                                            basisonderwijs</vet></al><al>De vergoeding voor een basisschool wordt vastgesteld op
                                        basis van de volgende bedragen: </al><table><tgroup cols="2"><colspec colnum="1" colname="col1" colwidth="78*"></colspec><colspec colnum="2" colname="col2" colwidth="22*"></colspec><tbody><row><entry colname="col1"><al>Startbedrag voor de realisatie van de eerste
                                                  350 m<sup>2 </sup>bvo<sup></sup></al></entry><entry colname="col2"><al>€ 666.689,57</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Voor elke volgende m<sup>2</sup> bvo</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 1.140,89</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al><vet>A.3.</vet><vet>3</vet><vet></vet><vet>Bouwkosten school voor
                                            voortgezet onderwijs</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Er is geen onderscheid in de normbedragen tussen
                                                nieuwbouw en uitbreiding.</al></li><li nr="2."><al>De sectieafhankelijke kosten bestaan voor projecten
                                                vanaf 460 vierkante meter bruto vloeroppervlak uit
                                                een vast bedrag per voorziening en een vast bedrag
                                                per sectie.</al></li><li nr="3."><al>Voor projecten kleiner dan 460 vierkante meter bruto
                                                vloeroppervlakte worden geen sectieafhankelijke
                                                kosten per project toegekend. Deze kosten zijn
                                                namelijk opgenomen in de bedragen voor de
                                                ruimteafhankelijke kosten per vierkante meter bruto
                                                vloeroppervlakte.</al></li><li nr="4."><al>De bedragen zijn opgenomen in de tabel met vaste
                                                bedragen per vierkante meter bruto vloeroppervlakte
                                                en vaste bedragen per voorziening.</al></li><li nr="5."><al>Voor het berekenen van de vergoeding voor de:</al></li><li nr="a."><al>ruimteafhankelijke kosten wordt het overeenkomstig
                                                bijlage III, deel C, vastgestelde aantal vierkante
                                                meter per type ruimte van de voorziening,
                                                vermenigvuldigd met onderstaande bedragen per
                                                ruimtesoort:</al></li></lijst><table><tgroup cols="4"><colspec colnum="1" colname="col1" colwidth="40*"></colspec><colspec colnum="2" colname="col2" colwidth="16*"></colspec><colspec colnum="3" colname="col3" colwidth="23*"></colspec><colspec colnum="4" colname="col4" colwidth="21*"></colspec><tbody><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al>&lt; 460 m<sup>2</sup></al></entry><entry colname="col3"><al>&gt; 460 &lt;2.500 m<sup>2</sup></al></entry><entry colname="col4"><al><onderstreept>&gt;</onderstreept> 2.500
                                                  m<sup>2</sup></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al> Algemene en specifieke ruimte</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 1.784,94</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 1.059,30</al></entry><entry colname="col4"><al>€ 1.033,93</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al> Werkplaatsen</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 1.743,37</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 1.410,24</al></entry><entry colname="col4"><al>€ 1.410,24</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al> Werkplaatsen consumptief</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 2.116,98</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 1.783,86</al></entry><entry colname="col4"><al>€ 1.783,86</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>b.sectieafhankelijke kosten wordt de vergoeding voor de
                                        algemene vaste voet of de vaste voet voor de algemene sectie
                                        of de werkplaatssectie, afhankelijk van de secties waaruit
                                        de overeenkomstig bijlage III, deel C, toegekende
                                        voorziening bestaat, verhoogd met de onderstaande
                                        bedragen:</al><table><tgroup cols="4"><colspec colnum="1" colname="col1" colwidth="40*"></colspec><colspec colnum="2" colname="col2" colwidth="16*"></colspec><colspec colnum="3" colname="col3" colwidth="23*"></colspec><colspec colnum="4" colname="col4" colwidth="21*"></colspec><tbody><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al>&lt;460m2</al></entry><entry colname="col3"><al>&gt; 460 &lt;2.500 m<sup>2</sup></al></entry><entry colname="col4"><al><onderstreept>&gt;</onderstreept> 2.500
                                                  m<sup>2</sup></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Algemene en specifieke ruimte</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 0,00</al></entry><entry colname="col3" namest="col3" nameend="col4"><al>€ 112.625,40</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Werkplaatsen, exclusief consumptief</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 0,00</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 221.075,15</al></entry><entry colname="col4"><al>€ 308.617,49</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Werkplaatsen consumptief</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 0,00</al></entry><entry colname="col3" namest="col3" nameend="col4"><al>€ 40.877,53</al></entry></row></tbody></tgroup></table><lijst><li nr="6."><al>Tot de algemene en specifieke ruimte behoren:</al></li><li nr="a."><al>(uiterlijke) verzorging/mode en commercie:
                                                huishoudkunde, gezondheidskunde, uiterlijke
                                                verzorging, mode en commercie, en</al></li><li nr="b."><al>handel/verkoop/administratie: verkooppraktijk,
                                                kantoorpraktijk, etaleren.</al></li><li nr="7."><al>Tot de werkplaatsen behoren:</al></li><li nr="a."><al>techniek algemeen:</al><al> 1°. Bouwtechniek;</al><al> 2°. Machinale houtbewerking;</al><al> 3°. Meten;</al><al> 4°. Elektrotechniek;</al><al> 5°. installatietechniek;</al><al> 6°. lasserij;</al><al> 7°. Metaal;</al><al> 8°. Motorvoertuigentechniek, en</al><al> 9°. Mechanische techniek;</al></li><li nr="b."><al>consumptief: werkplaats consumptieve techniek;</al></li><li nr="c."><al>grafische techniek: werkplaats grafische techniek,
                                                en</al></li><li nr="d."><al>landbouw: groen-praktijk.</al></li><li nr="8."><al>De overige ruimten behoren tot de categorie algemene
                                                ruimte.</al></li></lijst><al><vet>A.3.6 </vet><vet>Toeslag paalfundering school voor
                                            voortgezet onderwijs</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Voor de school voor voortgezet onderwijs is het
                                                bedrag van de normkosten gebaseerd op een
                                                standaardlocatie. Voor de volgende aanvullende
                                                investeringskosten wordt, indien noodzakelijk, een
                                                aanvullend bedrag beschikbaar gesteld:</al></li><li nr="a."><al>paalfundering, en</al></li><li nr="b."><al>bemaling.</al></li><li nr="2."><al>De aanvullende vergoeding is afhankelijk van de
                                                benodigde paallengte in relatie met de omvang van de
                                                bouw in bruto vloeroppervlakte en wordt bepaald op
                                                basis van de volgende formules:</al></li><li nr="3."><al>Als de grondwaterstand minder dan 1 meter onder het
                                                maaiveld ligt, is bemaling noodzakelijk en wordt een
                                                aanvullend bedrag per vierkante meter goedgekeurde
                                                terreinoppervlakte toegekend. De vergoeding bedraagt
                                                € 11,18 per vierkante meter terrein.</al></li></lijst><al><vet>A.3.7 </vet><vet>Toeslag voor herstel van terrein en
                                            verhuiskosten bij vervangende bouw school voor primair
                                            onderwijs.</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Als de vervangende nieuwbouw voor een school voor
                                                basisonderwijs plaatsvindt op dezelfde plaats, moet
                                                het desbetreffende terrein, nadat de bouw is
                                                afgerond, worden hersteld en moeten de leerlingen
                                                verhuizen naar een tijdelijke, vervangende locatie.
                                                De genormeerde vergoeding voor deze kosten is
                                                gebaseerd op een vast bedrag per vierkante meter
                                                bruto vloeroppervlakte.</al></li><li nr="2."><al>De vergoeding voor een
                                                basisschool<cursief></cursief><cursief></cursief>wordt vastgesteld op
                                                basis van de volgende bedragen:</al></li></lijst><table><tgroup cols="2"><colspec colnum="1" colname="col1" colwidth="70*"></colspec><colspec colnum="2" colname="col2" colwidth="30*"></colspec><tbody><row><entry colname="col1"><al>Permanente bouw per m<sup>2</sup> bvo</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 46,25</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Tijdelijke bouw per m<sup>2 </sup>bvo</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 31,74</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al><vet>B. </vet><vet>Uitbreiding </vet><vet>met
                                            p</vet><vet>ermanente bouw</vet><vet>aard</vet></al><al><vet>B.1 </vet><vet>Reikwijdte</vet></al><al>Deze paragraaf is van toepassing op de uitbreiding van de
                                        huisvesting in permanente bouwaard van een school voor
                                        basisonderwijs. Op overige uitbreidingen is paragraaf A
                                        overeenkomstig van toepassing.</al><al><vet>B</vet><vet>.</vet><vet>2</vet><vet></vet><vet>Kosten
                                            terrein</vet></al><al>Als uitbreiding van het terrein noodzakelijk is, is het
                                        bepaalde in A.2 overeenkomstig van toepassing op het
                                        vaststellen van de kosten voor het voor uitbreiding
                                        benodigde terrein.</al><al><vet>B</vet><vet>.</vet><vet>3</vet><vet>.1
                                            </vet><vet>Bouwkosten</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Tot de bouwkosten behoren:</al></li><li nr="a."><al>de bouwkosten van het gebouw, en</al></li><li nr="b."><al>kosten voor extra aanleg en inrichting van een deel
                                                van het schoolterrein.</al></li><li nr="2."><al>De vergoeding bestaat uit een startbedrag, inclusief
                                                een aantal vierkante meters, en een bedrag per
                                                vierkante meter. Met deze vergoedingsbedragen moet
                                                de overeenkomstig bijlage III, deel C, vastgestelde
                                                aanvullende ruimtebehoefte worden gerealiseerd.</al></li></lijst><al><vet>B.</vet><vet>3</vet><vet>.2 Bouwkosten
                                            </vet><vet>school voor basisonderwijs</vet></al><al>De vergoeding voor een basisschool wordt bepaald op basis
                                        van de volgende bedragen:</al><table><tgroup cols="2"><colspec colnum="1" colname="col1" colwidth="75*"></colspec><colspec colnum="2" colname="col2" colwidth="25*"></colspec><tbody><row><entry colname="col1"><al>Startbedrag bij uitbreidingen van 115
                                                  m<sup>2</sup> bvo of groter</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 97.630,04</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Startbedrag bij uitbreidingen van 55 tot 115
                                                  m<sup>2</sup> bvo</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 65.086,70</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Voor elke volgende m<sup>2</sup> bvo</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 1.300,53</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al><vet>B.3</vet><vet>.</vet><vet>3</vet><vet></vet><vet>Toeslag
                                            paalfundering school voor voortgezet
                                        onderwijs</vet></al><al>Het bepaalde in A.3.6 is overeenkomstig van toepassing op
                                        het bepalen van de omvang van de vergoeding voor
                                        paalfundering en bemaling bij uitbreiding.</al><al><vet>B.</vet><vet>3</vet><vet>.</vet><vet>6
                                            </vet><vet>Toeslag voor het herstel van het terrein en
                                            verhuiskosten bij vervangende bouw op dezelfde
                                            plaats</vet></al><al>Het bepaalde in A.3.7 is overeenkomstig van toepassing op
                                        het bepalen van de omvang van de vergoeding voor het herstel
                                        van terrein en verhuizing bij uitbreiding.</al><al><vet>C.</vet><vet></vet><vet>Tijdelijke voorziening</vet></al><al><vet>C.1 Vergoedingsbedragen tijdelijke
                                        voorzieningen</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De vergoedingsbedragen voor tijdelijke voorzieningen
                                                zijn afgestemd op de investeringslasten van voor
                                                tijdelijk gebruik bestemde voorzieningen. Hierbij is
                                                onderscheid gemaakt tussen:</al></li><li nr="a."><al>nieuwbouw van een voor tijdelijk gebruik bestemd
                                                gebouw als hoofdlocatie;</al></li><li nr="b."><al>uitbreiding van een permanente hoofdlocatie met een
                                                voor tijdelijk gebruik bestemd gebouw, en</al></li><li nr="c."><al>uitbreiding van bestaande voor tijdelijk gebruik
                                                bestemde gebouwen.</al></li><li nr="2."><al>In aanvulling op het eerste lid wordt rekening
                                                gehouden met het bekostigen van een tijdelijke
                                                voorziening door middel van huur van een voor
                                                tijdelijk gebruik bestemd gebouw.</al></li></lijst><al><vet>C.2 Kosten voor terreinen</vet></al><al>Als een tijdelijke voorziening niet gerealiseerd kan worden
                                        op het aanwezige terrein, worden de kosten voor het
                                        benodigde terrein bepaald overeenkomstig A.2.</al><al><vet>C.3</vet><vet>.1 </vet><vet>Nieuwbouw als
                                            hoofdlocatie/uitbreiding van permanente
                                            hoofdlocatie</vet></al><al>De vergoeding voor een tijdelijke voorziening bestaat uit
                                        een startbedrag en een bedrag per vierkante meter. In deze
                                        bedragen zijn begrepen de bouwkosten, de kosten van herstel
                                        en inrichting van terreinen, de kosten van paalfundering en
                                        de eenmalige aansluitkosten op nutsvoorzieningen. </al><al><vet>C</vet><vet>.</vet><vet>3</vet><vet>.2 Vergoeding
                                            basisschool </vet></al><al>De vergoeding voor een basisschool wordt vastgesteld op
                                        basis van de volgende bedragen:</al><table><tgroup cols="2"><colspec colnum="1" colname="col1" colwidth="75*"></colspec><colspec colnum="2" colname="col2" colwidth="25*"></colspec><tbody><row><entry colname="col1"><al>Startbedrag bij nieuwbouw van 80
                                                  m<sup>2 </sup>bvo of groter</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 37.966,88</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Startbedrag bij nieuwbouw van 40 tot 80
                                                  m<sup>2</sup> bvo</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 25.311,26</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Voor elke volgende m<sup>2</sup> bvo</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 933,03</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al><vet>C.</vet><vet>3</vet><vet>.4 Vergoeding school voor
                                            voortgezet onderwijs</vet></al><al>De vergoeding voor een school voor voortgezet onderwijs
                                        wordt bepaald op basis van de vergoedingsformule € 567,99 *
                                        A + € 39.049,94, waarbij A het overeenkomstig bijlage III,
                                        deel C, bepaalde aantal vierkante meter bruto
                                        vloeroppervlakte aan tijdelijke huisvesting is.</al><al><vet>C.</vet><vet>4</vet><vet>.1</vet><vet></vet><vet>Uitbreiding
                                            van bestaande tijdelijke voorzieningen primair
                                            onderwijs</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De vergoeding voor uitbreiding bestaande tijdelijke
                                                voorziening bestaat uit een startbedrag en een
                                                bedrag per vierkante meter. In deze bedragen zijn
                                                begrepen de bouwkosten, de toeslag voor
                                                paalfundering en de toeslag voor herstel en
                                                inrichting van terreinen.</al></li><li nr="2."><al>Paragraaf A is overeenkomstig van toepassing op het
                                                bepalen van de hoogte van de vergoeding voor
                                                sloopkosten van het oude gebouw, herstel en
                                                inrichting van terreinen en voor tijdelijke
                                                verhuizing van de leerlingen.</al></li></lijst><al><vet>C.4</vet><vet>.2 Vergoeding basisschool </vet></al><al>De vergoeding voor een basisschool wordt vastgesteld op
                                        basis van de volgende bedragen:</al><table><tgroup cols="2"><colspec colnum="1" colname="col1" colwidth="75*"></colspec><colspec colnum="2" colname="col2" colwidth="25*"></colspec><tbody><row><entry colname="col1"><al>Startbedrag bij uitbreiding van 80
                                                  m<sup>2 </sup>bvo of groter</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 21.341,49</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Startbedrag bij uitbreiding van 40 tot 80
                                                  m<sup>2 </sup>bvo</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 14.227,66</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Voor elke volgende m<sup>2</sup> bvo</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 977,65</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al><vet>C.5</vet><vet></vet><vet>Huur van voor tijdelijk gebruik
                                            bestemde gebouwen</vet></al><al>Huur van een voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening en
                                        huur van een bestaand gebouw worden vergoed op basis van de
                                        werkelijke kosten.</al><al><vet>D. </vet><vet>Eerste inrichting</vet></al><al><vet>D</vet><vet>.</vet><vet>1</vet><vet>.1</vet><vet></vet><vet>Uitbreiding
                                            </vet><vet>onderwijsleerpakket en meubilair</vet></al><al>Bij uitbreiding met onderwijsleerpakket en meubilair wordt
                                        het uit te keren bedrag van de vergoeding bepaald aan de
                                        hand van het verschil tussen de al toegekende
                                        investeringsbedragen en de nieuw berekende vergoeding.</al><al><vet>D.1.2 Vergoeding basisschool </vet></al><al>De vergoeding voor een basisschool wordt vastgesteld op
                                        basis van de volgende bedragen:</al><table><tgroup cols="2"><colspec colnum="1" colname="col1" colwidth="75*"></colspec><colspec colnum="2" colname="col2" colwidth="25*"></colspec><tbody><row><entry colname="col1"><al>Startbedrag</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 38.300,32</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Voor elke volgende m<sup>2 </sup>bvo</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 133,98</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al><vet>D</vet><vet>.2</vet><vet></vet><vet>School voor voortgezet
                                            onderwijs</vet></al><al>1.De vergoeding voor eerste inrichting leer- en hulpmiddelen
                                        en meubilair is gekoppeld aan de toe te kennen voorziening
                                        nieuwbouw, niet zijnde vervangende nieuwbouw, uitbreiding en
                                        ingebruikneming, niet zijnde ingebruikneming ter vervanging
                                        van een bestaand gebouw. Aanspraak op deze vergoeding
                                        bestaat als de eerste inrichting nog niet eerder door het
                                        rijk of de gemeente is bekostigd. De hoogte van de
                                        vergoeding wordt berekend door vast te stellen het verschil
                                        tussen de al toegekende vergoeding en de vergoeding die is
                                        vastgesteld op basis van de te realiseren bruto
                                        vloeroppervlakte per ruimtetype. De hoogte van de vergoeding
                                        per ruimtetype wordt bepaald op basis van de volgende
                                        bedragen:</al><table><tgroup cols="3"><colspec colnum="1" colname="col1" colwidth="22*"></colspec><colspec colnum="2" colname="col2" colwidth="55*"></colspec><colspec colnum="3" colname="col3" colwidth="23*"></colspec><tbody><row><entry colname="col1"><al> Ruimtetype</al></entry><entry colname="col2"><al> Functie</al></entry><entry colname="col3"><al>m2</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al> Algemeen</al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al> € 158,06</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al> Specifiek</al></entry><entry colname="col2"><al>(Uiterlijke) verzorging/mode en commercie</al><al>Handel/verkoop/administratie</al><al>Praktijkonderwijs</al></entry><entry colname="col3"><al> € 369,42</al><al> € 225,99</al><al> € 303,42</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al> Werkplaatsen</al></entry><entry colname="col2"><al>Techniek algemeen</al><al>Consumptief</al><al>Grafische techniek</al><al>Landbouw</al></entry><entry colname="col3"><al> € 387,57</al><al> € 750,55</al><al> € 1.434,94</al><al> € 0,00</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>2.Als in plaats van uitbreiding van het schoolgebouw
                                        medegebruik van een voor een school bestemd gebouw wordt
                                        gevorderd, wordt inventaris slechts toegekend als de
                                        inventaris in de voor medegebruik aangewezen ruimte
                                        ontbreekt of niet geschikt is.</al><al><vet>E</vet><vet>.</vet><vet></vet><vet>Lokalen
                                            bewegingsonderwijs</vet></al><al><vet>E</vet><vet>.1</vet><vet></vet><vet>Bouwkosten
                                            nieuwbouw</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De vergoeding van de bouwkosten voor nieuwbouw van
                                                een lokaal bewegingsonderwijs met een netto
                                                speeloppervlakte van 252 vierkante meters bedraagt €
                                                700.859,23 als deze op het schoolterrein
                                                gerealiseerd kan worden, of € 715.034,52 als deze op
                                                een afzonderlijk terrein gerealiseerd wordt. In deze
                                                vergoeding zijn opgenomen de kosten van fundering op
                                                staal en inrichting van het terrein.</al></li><li nr="2."><al>Als paalfundering noodzakelijk is wordt een toeslag
                                                gegeven op basis van de volgende bedragen:</al></li></lijst><table><tgroup cols="3"><colspec colnum="1" colname="col1" colwidth="23*"></colspec><colspec colnum="2" colname="col2" colwidth="28*"></colspec><colspec colnum="3" colname="col3" colwidth="49*"></colspec><tbody><row><entry colname="col1"><al>Paallengte</al></entry><entry colname="col2"><al>Vergoeding</al></entry><entry colname="col3"><al>Vergoeding bij ruimten LG en MG</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>1&lt;15m</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 14.097,01</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 17.774,32</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>15&lt;20m</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 19.433,46</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 24.616,04</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><onderstreept>&gt;</onderstreept>20m</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 27.293,44</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 35.426,62</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al><vet>E.</vet><vet>2</vet><vet></vet><vet>Uitbreiding</vet></al><al>Het bepaalde in E.1, eerste lid, is overeenkomstig van
                                        toepassing op het bepalen van de hoogte van de vergoeding
                                        voor uitbreiding van een lokaal bewegingsonderwijs. Bij
                                        lokalen bewegingsonderwijs met een oefenvloer van 140
                                        vierkante meter netto speeloppervlakte of minder, kan de
                                        oefenvloer worden uitgebreid tot een oppervlakte van 252
                                        vierkante meter. De hoogte van de vergoeding wordt bepaald
                                        op basis van de volgende bedragen:</al><table><tgroup cols="5"><colspec colnum="1" colname="col1" colwidth="23*"></colspec><colspec colnum="2" colname="col2" colwidth="19*"></colspec><colspec colnum="3" colname="col3" colwidth="17*"></colspec><colspec colnum="4" colname="col4" colwidth="19*"></colspec><colspec colnum="5" colname="col5" colwidth="22*"></colspec><tbody><row><entry colname="col1" morerows="1"><al>Uitbreiding</al></entry><entry colname="col2" morerows="1"><al>Normbedrag</al></entry><entry colname="col3" namest="col3" nameend="col5"><al>Paallengte</al></entry></row><row><entry colname="col3"><al>1 &lt; 15 meter</al></entry><entry colname="col4"><al>15 &lt; 20 meter</al></entry><entry colname="col5"><al><onderstreept>&gt;</onderstreept> 20
                                                  meter</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>112 t/m 120 m<sup>2</sup></al></entry><entry colname="col2"><al>€ 162.835,79</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 6.310,99</al></entry><entry colname="col4"><al>€ 10.930,99</al></entry><entry colname="col5"><al>€ 17.870,96</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>121 t/m 150 m<sup>2</sup></al></entry><entry colname="col2"><al>€ 197.949,27</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 7.891,30</al></entry><entry colname="col4"><al>€ 13.660,22</al></entry><entry colname="col5"><al>€ 22.338,70</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al><vet>E.3.2 </vet><vet>OLP/meubilair school voor
                                            basisonderwijs </vet></al><al>De vergoeding voor de eerste inrichting met
                                        onderwijsleerpakket of meubilair voor een lokaal
                                        bewegingsonderwijs voor een basisschool [<cursief>of
                                            </cursief><cursief>een speciale school voor
                                            basisonderwijs</cursief>] bedraagt € 51.310,54.</al><al><vet>E</vet><vet>.3.</vet><vet>3</vet><vet></vet><vet>Meubilair/leer-
                                            en hulpmiddelen</vet><vet> school voor voortgezet
                                            onderwijs</vet></al><al>De vergoeding voor de eerste inrichting meubilair of leer-
                                        en hulpmiddelen voor een lokaal bewegingsonderwijs voor een
                                        school voor voortgezet onderwijs wordt bepaald op basis van
                                        de volgende bedragen:</al><table><tgroup cols="4"><colspec colnum="1" colname="col1" colwidth="25*"></colspec><colspec colnum="2" colname="col2" colwidth="20*"></colspec><colspec colnum="3" colname="col3" colwidth="35*"></colspec><colspec colnum="4" colname="col4" colwidth="20*"></colspec><tbody><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al><vet>Meubilair</vet></al></entry><entry colname="col3"><al><vet>Leer- en hulpmiddelen</vet></al></entry><entry colname="col4"><al><vet>Totaal</vet></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al> Eerste lokaal</al><al> Tweede lokaal</al><al> Derde lokaal</al><al> Oefenplaats 1</al><al> Oefenplaats 2</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 1.083,67</al><al>€ 1.083,67</al><al>€ 1.083,67</al><al>€ 0,00</al><al>€ 0,00</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 64.621,30</al><al>€ 50.409,52</al><al>€ 21.915,70</al><al>€ 14.271,50</al><al>€ 1.647,45</al></entry><entry colname="col4"><al>€ 65.704,97</al><al>€ 51.393,19</al><al>€ 22.999,37</al><al>€ 14.271,50</al><al>€ 1.647,45</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al><vet>E.</vet><vet>4</vet><vet></vet><vet>Medegebruik/huur van een
                                            niet-eigen voorziening</vet></al><al>Naast bewegingsonderwijs in een eigen lokaal van de school
                                        is ook bewegingsonderwijs mogelijk in een bestaand lokaal
                                        bewegingsonderwijs door middel van:</al><lijst><li nr="a."><al>medegebruik van een gebouw van een andere school of
                                                de gemeente, of</al></li><li nr="b."><al>huur van een gebouw van een commerciële
                                                exploitant.</al></li></lijst><al><vet>F. Vergoeding feitelijke kosten</vet></al><al>De vergoeding van de feitelijke kosten als bedoeld in
                                        artikel 4, tweede lid, wordt gebaseerd op de door het
                                        college goedgekeurde offerte en verhoogd met 8
                                            procent<vet><cursief></cursief></vet>voor de kosten van
                                        technische advisering, voor zover het een voorziening
                                        betreft als bedoeld in artikel 2, onder b en c.</al><al><vet>G. Huur sportvelden</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Een school voor voortgezet onderwijs maakt aanspraak
                                                op een vergoeding van de huur van een sportveld voor
                                                maximaal 8 weken per jaar. De vergoeding voor deze
                                                kosten bedraagt voor de periode van 8 weken € 20,94
                                                per klokuur.</al></li><li nr="2."><al>Aanspraak op vergoeding als bedoeld in het eerste
                                                lid bestaat uitsluitend als de school voor
                                                voortgezet onderwijs niet beschikt over een eigen
                                                sportveld en geen gebruik maakt van een sportveld
                                                dat door de gemeente is gefinancierd.</al></li></lijst><al><vet>Bijlage V – Criteria voor het vaststellen van de
                                            prioriteit van de aangevraagde voorziening</vet></al><al><vet>1. Algemeen</vet></al><al>Prioriteiten worden vastgesteld als het overeenkomstig
                                        artikel 11 vastgestelde bekostigingsplafond onvoldoende is
                                        om alle aangevraagde voorzieningen die in aanmerking komen
                                        om te worden opgenomen op het programma te honoreren. Op
                                        basis van de gestelde prioriteiten wordt een rangorde
                                        vastgesteld van de voorzieningen waarvan is vastgesteld dat
                                        die voor bekostiging in aanmerking komen. Daarna wordt
                                        vastgesteld voor welke voorzieningen het bekostigingsplafond
                                        voldoende is en deze voorzieningen worden opgenomen op het
                                        programma. De voorzieningen die niet worden opgenomen op het
                                        programma worden op het overzicht geplaatst.</al><al><vet>2. Onderscheid voorzieningen</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Bij het stellen van de prioriteiten wordt
                                                onderscheid gemaakt in voorzieningen die
                                                noodzakelijk zijn:</al></li><li nr="a."><al>om capaciteitstekorten op te heffen, en</al></li><li nr="b."><al>om een adequaat niveau te handhaven.</al></li><li nr="2."><al>Voorzieningen als bedoeld in het eerste lid, onder
                                                a, vallen onder hoofdprioriteit 1. Het betreft de
                                                volgende voorzieningen:</al></li><li nr="a."><al>nieuwbouw, inclusief terrein;</al></li><li nr="b."><al>uitbreiding, indien van toepassing, inclusief
                                                terrein;</al></li><li nr="c."><al>in gebruik nemen bestaand gebouw, indien van
                                                toepassing, inclusief terrein;</al></li><li nr="d."><al>verplaatsen tijdelijke gebouwen;</al></li><li nr="e."><al>eerste inrichting met onderwijsleerpakket of
                                                meubilair <cursief>of leer- en
                                                  hulpmiddelen</cursief>;</al></li><li nr="f."><al>uitbreiding eerste inrichting met
                                                onderwijsleerpakket en meubilair <cursief>of leer-
                                                  en hulpmiddelen</cursief>, en</al></li><li nr="g."><al>medegebruik.</al></li><li nr="3."><al>Voorzieningen als bedoeld in het eerste lid, onder
                                                b, vallen onder hoofdprioriteit 2. Het betreft de
                                                volgende voorzieningen:</al></li><li nr="a."><al>vervangende nieuwbouw, indien van toepassing,
                                                inclusief terrein;</al></li><li nr="b."><al>herstel van een constructiefout, en</al></li><li nr="c."><al>herstel en vervanging in verband met schade.</al></li><li nr="4."><al>De onder hoofdprioriteit 2 opgenomen voorziening
                                                vervangende nieuwbouw valt onder hoofdprioriteit 1
                                                op het moment dat deze voorziening gecombineerd
                                                wordt met een uitbreiding van de capaciteit en de
                                                vervangende nieuwbouw noodzakelijk is omdat wordt
                                                voldaan aan het criterium genoemd onder in bijlage
                                                I, deel A, onder A.2.</al></li></lijst><al><vet>3. Hoofd- en subprioriteit</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Om te komen tot het vaststellen van de prioriteit
                                                wordt een onderverdeling gemaakt in hoofdprioriteit
                                                en sub-prioriteit.</al></li><li nr="2."><al>Voor het vaststellen van de prioriteiten wordt voor
                                                de onder 2, eerste lid, onder a, genoemde
                                                voorzieningen de ruimtebehoefte vastgesteld
                                                overeenkomstig bijlage III, deel C. Deze
                                                voorzieningen omvatten zowel de schoolgebouwen als
                                                de lokalen bewegingsonderwijs.</al></li><li nr="3."><al>Nadat de onderverdeling naar hoofdprioriteiten heeft
                                                plaatsgevonden moet worden vastgesteld welke
                                                voorzieningen in aanmerking komen om op het
                                                programma te worden geplaatst. Dit vindt plaats op
                                                basis van het vaststellen van de sub-prioriteit. Bij
                                                hoofdprioriteit 1 worden de volgende uitgangspunten
                                                gehanteerd om vast te stellen welke voorzieningen
                                                voor het plaatsen op het programma in aanmerking
                                                komen:</al></li><li nr="a."><al>als eerste die voorziening die relatief gezien een
                                                zo groot mogelijk kwantitatief tekort opheft in een
                                                situatie met herschikking van schoolgebouwen;</al></li><li nr="b."><al>vervolgens die voorziening die relatief gezien een
                                                zo groot mogelijk kwantitatief tekort opheft in een
                                                situatie zonder herschikking van schoolgebouwen,
                                                en</al></li><li nr="c."><al>vervolgens die voorziening die relatief gezien een
                                                zo groot mogelijk kwantitatief tekort aan lokalen
                                                bewegingsonderwijs en sportterreinen opheft.</al></li></lijst><al><vet>Toelichting </vet></al><al><cursief>NB Deze toelichting is geschreven met de
                                            (mogelijke) keuzes die in de Modelverordening
                                            voorzieningen huisvesting onderwijs gemaakt zijn in
                                            gedachte. Als een individuele gemeente op punten andere
                                            keuzes maakt, dan sluit deze toelichting mogelijk niet
                                            aan. Wel kan ze uiteraard als basis dienen voor een door
                                            de gemeente zelf op te stellen toelichting. Voor een
                                            goed beeld dient deze modelverordening in samenhang met
                                            de hierbij behorende ledenbrief gelezen te
                                            worden.</cursief></al><al><vet>Artikelsgewijze toelichting</vet></al><al><vet>Artikel 1. Begripsbepalingen</vet></al><al>De begripsomschrijving ‘bevoegd gezag’ en ‘aanvrager’
                                        omvatten alle bevoegde gezagsorganen die een volgens de wet
                                        bekostigde voorziening onderwijshuisvesting in stand houden
                                        die geheel of gedeeltelijk staat op het grondgebied van de
                                        gemeente (hoofdvestiging, nevenvestiging, tijdelijke
                                        nevenvestiging, dislocatie). </al><al><vet>Artikel 2. Omschrijving voorzieningen in de
                                            huisvesting</vet></al><al>Artikel 2 vermeldt de voorzieningen onderwijshuisvesting die
                                        op grond van de Wet op het primair onderwijs (WPO) en Wet op
                                        het voortgezet onderwijs (WVO)] door het bevoegd gezag bij
                                        het college kunnen worden aangevraagd. Deze hebben een
                                        limitatief karakter. Dit betekent dat het college deze niet
                                        kan inperken. Niet alleen voor de schoolgebouwen, maar ook
                                        voor de lokalen bewegingsonderwijs kan een voorziening
                                        huisvesting onderwijs worden aangevraagd. Voorzieningen die
                                        een bevoegd gezag wenst, maar die niet in de onderwijswetten
                                        zijn opgenomen, dus geen voorziening in de
                                        onderwijshuisvesting zijn, vallen buiten het bereik van deze
                                        verordening. Het college wijst een dergelijk aangevraagde
                                        voorziening af op grond van artikel 100, eerste lid, onder
                                        a, van de WPO en artikel 76k, onder a, van de WVO.</al><al>In het kader van lokaal maatwerk heeft het college de
                                        vrijheid om aanvullende voorzieningen te bekostigen. Daarbij
                                        geldt dat de gemeenten geen uitgaven mogen doen voor een
                                        niet door de gemeente in stand gehouden school dan op grond
                                        van de wet (artikel 6 van de WPO en artikel 77 van de WVO.
                                        Voor het bekostigen van de voorzieningen die geen onderdeel
                                        uitmaken van de voorzieningen onderwijshuisvesting moet
                                        zodoende een andere juridische basis worden
                                        vastgesteld.</al><al><cursief>Onderdeel a. De voor blijvend of voor tijdelijk
                                            gebruik bestemde voorzieningen</cursief></al><al>1° Het begrip nieuwbouw omvat tevens het begrip vervangende
                                        nieuwbouw.</al><al>2° Uitbreiding is het gevolg van een toename van het aantal
                                        leerlingen op de school. Het bevoegd gezag komt voor het
                                        bekostigen van uitbreiding in aanmerking als wordt voldaan
                                        aan de in bijlage I opgenomen criteria (noodzaak van de
                                        voorziening) en de gevraagde uitbreiding gelijk of groter is
                                        dan de in bijlage III, deel C, opgenomen drempelwaarde.</al><al>3° Ingebruikgeving kan plaatsvinden als een aanvraag voor
                                        het bekostigen van de voorziening (vervangende) nieuwbouw of
                                        uitbreiding is ontvangen en het college een bestaand gebouw
                                        of een gedeelte daarvan beschikbaar heeft. Het kan gaan om
                                        een onderwijsgebouw dat geheel leeg staat en nog een
                                        onderwijsbestemming heeft, maar ook om een
                                        niet-onderwijsgebouw. Bij ingebruikgeving van een
                                        onderwijsgebouw of een niet-onderwijsgebouw moet het gebouw
                                        geschikt zijn of geschikt gemaakt worden voor het onderwijs
                                        van de betreffende school. Een schoolgebouw van een school
                                        voor basisonderwijs is bijv. niet automatisch geschikt voor
                                        het huisvesten van een speciale school voor basisonderwijs.
                                        Het in gebruik geven van een gebouw moet worden
                                        onderscheiden van medegebruik, zie 8°.</al><al>4° Verplaatsing is alleen mogelijk van die lokalen die gelet
                                        op de bouwaard van het gebouw verplaatst kunnen worden. Dit
                                        betreft over het algemeen tijdelijke huisvesting die in
                                        semipermanente gebouwen is gerealiseerd.</al><al>5° Terrein is noodzakelijk voor het realiseren van nieuwbouw
                                        en kan noodzakelijk zijn bij vervangende nieuwbouw en
                                        uitbreiding. Of bij vervangende nieuwbouw en uitbreiding
                                        terrein noodzakelijk is, is afhankelijk van de situering van
                                        de voorgenomen investering en de oppervlakte van het
                                        terrein.</al><al>6°/7° Onderwijsleerpakket en meubilair resp. leer- en
                                        hulpmiddelen wordt in principe alleen toegekend op het
                                        moment dat ook nieuwbouw (eerste voorziening) en uitbreiding
                                        van een schoolgebouw of lokaal bewegingsonderwijs wordt
                                        toegekend. Een uitzondering is de situatie dat het college
                                        een school heeft gehuisvest in een schoolgebouw dat een
                                        grotere capaciteit heeft dan de ruimtebehoefte en de
                                        toekenning van de eerste inrichting is gebaseerd op het
                                        werkelijk aantal leerlingen vanaf de start van de school. In
                                        die situatie heeft het bevoegd gezag nog aanspraak op
                                        bekostiging van eerste inrichting bij toename van het aantal
                                        leerlingen als wordt voldaan aan de drempelwaarde genoemd in
                                        bijlage III, deel C. Bij vervangende nieuwbouw wordt geen
                                        eerste inrichting toegekend omdat het bevoegd gezag in het
                                        verleden al bekostiging voor de eerste inrichting heeft
                                        ontvangen. Zie verder de toelichting in bijlage III, deel
                                        C.</al><al>8° Medegebruik is het gebruik van ruimte in een schoolgebouw
                                        of lokaal bewegingsonderwijs die het bevoegd gezag, dat
                                        juridisch eigenaar is, niet nodig heeft voor het huisvesten
                                        van het aantal leerlingen dat op de school staat
                                        ingeschreven. Er is dan sprake van ‘leegstand’. Medegebruik
                                        is uitsluitend mogelijk als de leegstand hoger is dan de in
                                        bijlage III, deel C, opgenomen drempelwaarde resp. het
                                        lokaal bewegingsonderwijs niet volledig is
                                        ingeroosterd.</al><al><cursief>Onderdeel </cursief><cursief>d</cursief><cursief>.
                                            Herstel van constructiefouten</cursief></al><al>Voor de omschrijving van het begrip ‘constructiefouten’ is
                                        aangesloten bij een ‘definitie’ die in het verleden door
                                        middel van jurisprudentie tot stand is gekomen. Als een
                                        constructiefout de voortgang van het onderwijs belemmert kan
                                        voor het herstel van de constructiefout de spoedprocedure
                                        (artikel 19 e.v.) worden gevolgd. Is er geen sprake van een
                                        bedreiging voor de voortgang van het onderwijs, dan kan het
                                        herstel worden aangevraagd op grond van de reguliere
                                        procedure. Dit betekent dat een constructiefout dan wordt
                                        opgenomen op het programma of overzicht, afhankelijk van het
                                        feit of deze voorziening past binnen het door het college
                                        vastgestelde bekostigingsplafond.</al><al><cursief>Onderdeel </cursief><cursief>e</cursief><cursief>.
                                            Herstel in verband met schade</cursief></al><al>In de onderwijswetten is als voorziening huisvesting
                                        onderwijs het begrip ‘bijzondere omstandigheden’ opgenomen.
                                        Dit begrip is in de verordening niet verder uitgewerkt,
                                        omdat ‘bijzondere’ omstandigheden zich niet uitputtend laten
                                        beschrijven. Voor het bekostigen van ‘herstel en vervanging
                                        in verband met schade aan een gebouw’ geldt de
                                        aanvraagprocedure van het programma, of de aanvraagprocedure
                                        in het kader van spoedeisendheid (de voortgang van het
                                        onderwijs wordt belemmerd door bijv. schade door inbraak of
                                        brand). Het college kan zich voor deze zaken verzekeren.
                                        Heeft het college geen verzekering afgesloten, dan is sprake
                                        van ‘eigen risico’ voor het college. </al><al>Onderdeel f. Huur van een sportterrein</al><al>Deze voorziening is noodzakelijk als in de gemeente een
                                        school voor voortgezet onderwijs is gevestigd. Onder de
                                        voorwaarden genoemd in bijlage I, deel B, onder B.4 en
                                        bijlage IV, onder F kan een schoolbestuur in het voortgezet
                                        onderwijs aanspraak maken op een vergoeding voor het huren
                                        van een sportterrein voor buitensportactiviteiten.
                                        Voorwaarde is dat het schoolbestuur niet beschikt over een
                                        eigen sportterrein en geen gebruik kan maken van een met
                                        gemeentelijke middelen gerealiseerd sportterrein.</al><al><vet>Artikel 3. Voorbereidingskrediet</vet></al><al>Het voorbereidingskrediet kan worden aangevraagd voor zowel
                                        de situatie dat de investering wordt bekostigd op basis van
                                        de normbedragen als op basis van de feitelijke kosten.
                                        Doelstelling van het voorbereidingskrediet is dat het
                                        bevoegd gezag vroegtijdig kan starten met de voorbereiding
                                        van een bouwplan. Uitgangspunt van het voorbereidingskrediet
                                        is dat er een principebesluit ligt dat de voorziening,
                                        waarvoor het voorbereidingskrediet wordt aangevraagd, na het
                                        indienen van de aanvraag voor het bekostigen van de
                                        voorziening op het eerstvolgende programma wordt opgenomen.
                                        Het voorbereidingskrediet stelt het bevoegd gezag in de
                                        gelegenheid om een voor aanbesteding gereed bouwplan te
                                        ontwikkelen resp. een aanbesteding te laten plaatsvinden.
                                        Uitsluitend als de investering wordt bekostigd op basis van
                                        de feitelijke kosten wordt de op basis van het bouwplan
                                        opgestelde kostenraming resp. de uitkomst van de
                                        aanbesteding opgenomen op het programma. Heeft voorafgaande
                                        aan het vaststellen van het programma nog geen aanbesteding
                                        plaatsgevonden, dan kan de aanbesteding of het vragen van
                                        offertes plaatsvinden nadat het programma is vastgesteld.
                                        Door te werken met een voorbereidingskrediet kan het
                                        realiseren van een bouwplan worden bespoedigd. Het
                                        beschikbaar gestelde voorbereidingskrediet maakt onderdeel
                                        uit van het totale investeringsbedrag en wordt in mindering
                                        gebracht op het totaal vastgestelde
                                        investeringskrediet.]</al><al><vet>Artikel 4. Vaststellen vergoeding
                                        voorzieningen</vet></al><al>Dit artikel bepaalt op welke wijze de voorzieningen
                                        huisvesting onderwijs worden bekostigd. Dit kan op basis van
                                        normbedragen (normatieve kosten) of op basis van feitelijke
                                        kosten. De normbedragen voor de diverse voorzieningen die op
                                        basis daarvan worden bekostigd zijn opgenomen in bijlage IV,
                                        deel B.</al><al>Wordt het normbedrag beschikbaar gesteld, dan heeft het
                                        bevoegd gezag aanspraak op het beschikbaar stellen van het
                                        volledige normbedrag, onafhankelijk van de werkelijke
                                        kosten. Dit betekent dat als de werkelijke kosten hoger of
                                        lager zijn dan het normbedrag (= uitkomst aanbesteding) in
                                        de ene situatie het schoolbestuur een financieel voordeel
                                        heeft en in de andere situatie een financieel nadeel. Bij
                                        een financieel voordeel moet het schoolbestuur de
                                        beschikbare middelen wel inzetten voor het doel waarvoor het
                                        is verstrekt: investeren in de voorziening huisvesting
                                        onderwijs.</al><al>Het bedrag van de bekostiging, gebaseerd op de feitelijke
                                        kosten, wordt vastgesteld op basis van ontvangen offertes
                                        (de zgn. offertelijn, zie ook artikel 13, eerste lid).</al><al><vet>Artikel 5. Informatieverstrekking</vet></al><al>Dit artikel verplicht het bevoegd gezag aan het college alle
                                        informatie te verstrekken die noodzakelijk is om de
                                        verordening voorzieningen huisvesting onderwijs op een
                                        verantwoorde wijze te kunnen uitvoeren (zie artikel 112 van
                                        de WPO en artikel 76w van de WVO<cursief>)</cursief>. Deze
                                        informatie staat los van de informatie die wordt gevraagd
                                        als onderdeel van een aanvraag voor het bekostigen van een
                                        voorziening. Het betreft de actuele gegevens, zoals:</al><lijst><li nr="-"><al>gegevens van het bevoegd gezag (o.a. naam en adres
                                                voorzitter en secretaris en
                                                bankrekeningnummer);</al></li><li nr="-"><al>gegevens van de school (o.a. naam school, naam
                                                directeur, adres school, telefoonnummer);</al></li><li nr="-"><al>bruto vloeroppervlakte schoolgebouw;</al></li><li nr="-"><al>naam contactpersoon;</al></li><li nr="-"><al>medegebruik/verhuur.</al></li></lijst><al>Om deze informatie op een eenduidige wijze te ontvangen
                                        stelt het college een formulier vast. Dit formulier wordt
                                        aan de bevoegde gezagsorganen toegezonden. Het college kan
                                        in dit formulier opnemen de gegevens die al bij het college
                                        bekend zijn. Het bevoegd gezag kan zich dan beperken tot het
                                        vermelden van de wijzigingen. Beschikt het college over
                                        digitale informatievoorziening, dan kan van deze digitale
                                        informatievoorziening gebruik worden gemaakt.</al><al><vet>Artikel 6. Indienen aanvraag</vet></al><al>Artikel 6 bepaalt dat een aanvraag voor het programma wordt
                                        ingediend door middel van een door het college vastgesteld
                                        aanvraagformulier. Door te werken met een standaardformulier
                                        worden de gegevens die noodzakelijk zijn voor het beoordelen
                                        van de aanvraag (zie ook artikel 7) op een eenduidige wijze
                                        ontvangen. Dit vergroot de onderlinge vergelijkbaarheid van
                                        aanvragen. Voor het overzicht wordt geen aanvraag ingediend.
                                        De reden is dat op het overzicht worden opgenomen de
                                        aanvragen die zijn ingediend voor het programma, maar niet
                                        worden gehonoreerd <cursief>(zie artikel 96
                                            </cursief><cursief>van de </cursief><cursief>WPO en 76c
                                            </cursief><cursief>van de
                                            </cursief><cursief>WVO]</cursief> en toelichting bij
                                        artikel 13). </al><al>Ook in de situatie dat de gemeenteraad in overleg met de
                                        bevoegde gezagsorganen een meerjarig huisvestingsbeleid
                                        (Integraal Huisvestingsplan, (IHP)) heeft vastgesteld (het
                                        zgn. ‘consensusmodel’) moet een aanvraag wordt ingediend. De
                                        reden is dat een IHP geen juridische status heeft.</al><al>Is het college of een bestuurscommissie ex artikel 82 van de
                                        Gemeentewet bevoegd gezag van een openbare school (=
                                        integraal bestuur) dan gelden dezelfde procedures en
                                        termijnen als voor een bestuur van een bijzondere school. In
                                        de bestuurspraktijk is het geen unieke situatie dat een
                                        college bij het eigen orgaan een verzoek indient (voor het
                                        realiseren van een gemeentelijk project - bijv. stadhuis -
                                        moet het college bij zichzelf een verzoek om een
                                        bouwvergunning indienen). Dit betekent dat het college
                                        altijd moet kunnen aantonen dat men de ‘eigen’ aanvragen ook
                                        daadwerkelijk in alle opzichten gelijk behandelt ten
                                        opzichte van de andere aanvragen. </al><al><vet>Artikel 7. Inhoud aanvraag; gelegenheid tot aanvullen
                                            aanvraag; niet behandelen onvolledige
                                        aanvraag</vet></al><al><cursief>Lid 1</cursief></al><al>Dit lid bepaalt welke gegevens het bevoegd gezag moet
                                        aanleveren wil het college de aanvraag in behandeling kunnen
                                        nemen. Naast de gegevens van bevoegd gezag en school moet de
                                        aanvraag voor de onderbouwing van de benoemde voorzieningen
                                        huisvesting onderwijs worden onderbouwd met een
                                        leerlingenprognose en/of een bouwkundige rapportage.
                                        Uitgangspunt is dat het bevoegd gezag bij de aanvraag een
                                        leerlingenprognose indient</al><al><cursief>Lid 2</cursief></al><al>Het tweede lid bepaalt dat het college het bevoegd gezag in
                                        staat moet stellen, als de ontvangen aanvraag niet volledig
                                        is, deze ontbrekende gegevens binnen de in dit lid gestelde
                                        termijn aan te vullen. Is de ontvangen aanvraag ook op de
                                        hersteldatum niet volledig dan besluit het college de
                                        aanvraag niet in behandeling te nemen. Dit besluit is een
                                        voor bezwaar en beroep vatbare beslissing.</al><al><cursief>Lid 3</cursief></al><al>Voor het vaststellen van de noodzaak van o.a. de
                                        voorzieningen (vervangende) nieuwbouw en uitbreiding is het
                                        aantal leerlingen dat op de school staat ingeschreven van
                                        wezenlijk belang. Schoolbesturen zijn verplicht deze
                                        gegevens aan te leveren via de Basisregistratie Onderwijs
                                        (BRON). Omdat de ingediende aanvraag is gebaseerd op het
                                        aantal leerlingen dat op de school staat ingeschreven op 1
                                        oktober van het jaar dat voorafgaat aan het indienen van de
                                        aanvraag (bijv. bij de aanvraag voor programma 2016 is
                                        opgenomen het aantal leerlingen op de teldatum 1 oktober
                                        2014), moet het college tijdig beschikken over het werkelijk
                                        aantal ingeschreven leerlingen op de wettelijke teldatum van
                                        1 oktober, voorafgaande aan het jaar waarvoor het programma
                                        wordt vastgesteld. Met de gegevens van de laatste teldatum
                                        kan worden vastgesteld of de eerder aangevraagde
                                        voorziening, die mogelijk wordt toegekend omdat aan de in
                                        bijlage I tot en met III gestelde criteria is voldaan, op
                                        basis van de laatste gegevens ook daadwerkelijk noodzakelijk
                                        is. De in het derde lid opgenomen termijn is een fatale
                                        termijn. Dit betekent dat als de gevraagde gegevens niet
                                        tijdig zijn ontvangen het college besluit om de aanvraag
                                        niet te behandelen. Dit besluit is een voor bezwaar en
                                        beroep vatbare beslissing.</al><al><vet>Artikel 8. Opgave ingediende aanvragen</vet></al><al>Dit artikel verplicht het college om alle bevoegde
                                        gezagsorganen een overzicht beschikbaar te stellen van alle
                                        ingediende aanvragen. Met dit overzicht hebben alle bevoegde
                                        gezagsorganen inzicht in wat er aan aanvragen, zowel vanuit
                                        het bijzonder als het openbaar onderwijs is ontvangen en of
                                        deze aanvragen al of niet in behandeling worden genomen. Dit
                                        betreft algemene informatie en gaat vooraf aan het
                                        beoordelen van de aanvragen.</al><al><vet>Artikel 9. Toelichting aanvraag; overleg over
                                            ingediende begroting</vet></al><al><cursief>Lid 1</cursief></al><al>De mogelijkheid om een nadere toelichting/verduidelijking te
                                        vragen of te geven is bedoeld om mogelijke onduidelijkheden
                                        over de op zich complete aanvragen te bespreken voordat het
                                        programma wordt voorgelegd aan het bestuurlijk overleg
                                        (artikel 10). Door een nadere toelichting wordt voorkomen
                                        dat het bestuurlijk overleg onnodig belast wordt door
                                        allerlei vragen over onduidelijkheden in de aanvragen.</al><al><cursief>Lid 2</cursief></al><al>Voor een voorziening waarvan de vergoeding wordt gebaseerd
                                        op de feitelijke kosten wordt bij de aanvraag een
                                        kostenraming ingediend. Is het college na het beoordelen van
                                        de ontvangen kostenraming van oordeel dat de kostenraming op
                                        een of meer onderdelen moet worden bijgesteld dan vindt
                                        hierover overleg plaats met het bevoegd gezag. Als in het
                                        overleg geen overeenstemming wordt bereikt over de
                                        kostenraming bepaalt het college de hoogte van de geraamde
                                        kosten die in het kader van het vast te stellen programma
                                        worden toegekend. Het college moet in de beschikking wel
                                        motiveren waarom op het programma is afgeweken van het
                                        bedrag dat door het bevoegd gezag bij de aanvraag is
                                        overlegd.</al><al><vet>Artikel 10. Overleg programma en overzicht; advies
                                            Onderwijsraad</vet></al><al><cursief>Lid 1-4</cursief></al><al>Het college is verplicht, voordat het programma en overzicht
                                        wordt vastgesteld, overleg te voeren met het onderwijsveld
                                        over het voorgenomen besluit. In afwijking van het
                                        wettelijke verplichte overleg over het vaststellen of
                                        wijzigen van de verordening voorzieningen huisvesting
                                        onderwijs (artikel 102 van de WPO en artikel 76m van de WVO)
                                        is dit overleg geen ‘op overeenstemming gericht overleg’.
                                        Uitgangspunt is dat het bedoelde overleg plaatsvindt met
                                        alle bevoegde gezagsorganen. In plaats van een overleg met
                                        alle bevoegde gezagsorganen kan het college besluiten het
                                        overleg in te richten per onderwijssector (primair en
                                        voortgezet onderwijs). Het overleg over de voorzieningen
                                        huisvesting onderwijs kan ook ingebed worden in een breder
                                        gestructureerd overleg in het kader van het lokaal
                                        onderwijsbeleid, de zgn. lokaal educatieve agenda. Het staat
                                        de aanvrager die niet aan het overleg deelneemt vrij om zijn
                                        standpunten schriftelijk kenbaar te maken. Degenen die wel
                                        aan het overleg deelnemen, moeten voorafgaande aan het
                                        overleg op de hoogte zijn van de schriftelijke ingebrachte
                                        standpunten, zodat ze daar in het overleg eventueel op
                                        kunnen reageren.</al><al><cursief>Lid 5-8</cursief></al><al>De leden 5-8 zijn gebaseerd op artikel 102, zesde lid, van
                                        de WPO en artikel 76m van de WVO. Zowel een bevoegd gezag
                                        als het college kan de Onderwijsraad advies vragen over het
                                        voornemen tot het vaststellen van het programma
                                        voorzieningen huisvesting onderwijs. De leden 5 t/m 8
                                        vermelden de procedure die moet worden gevolgd voor het
                                        vragen van dit advies. De adviesaanvraag moet betrekking
                                        hebben op de relatie tussen het voorgenomen besluit tot het
                                        vaststellen van het programma voorzieningen huisvesting
                                        onderwijs en de aspecten van vrijheid van richting en
                                        vrijheid van inrichting. Het college is in alle gevallen
                                        verplicht het verzoek om advies in te dienen bij de
                                        Onderwijsraad en dit verzoek goed te documenteren. Daarnaast
                                        moet het verzoek vergezeld gaan van alle stukken die
                                        relevant (kunnen) zijn voor de adviseur (artikel 3:9 van de
                                        Algemene wet bestuursrecht (Awb)). De Onderwijsraad stelt
                                        zich namelijk op het standpunt dat de adviestermijn van vier
                                        weken start vanaf het moment dat de Onderwijsraad beschikt
                                        over de stukken die hij relevant acht voor de advisering.
                                        Als de Onderwijsraad om advies wordt gevraagd is het van
                                        belang dat het college goed in de gaten houdt dat hierdoor
                                        de besluitvorming geen ernstige vertraging oploopt.</al><al>De Onderwijsraad brengt binnen vier weken, nadat de
                                        Onderwijsraad alle noodzakelijke informatie heeft ontvangen,
                                        zijn advies uit. Het college zendt het advies van de
                                        Onderwijsraad daarna zo spoedig mogelijk aan de bevoegde
                                        gezagsorganen. Afhankelijk van het ontvangen advies wordt
                                        een nieuw bestuurlijk overleg vastgesteld. Op de wijze
                                        waarop de Onderwijsraad adviseert is van toepassing wat in
                                        algemene zin over het verstrekken van adviezen is geregeld
                                        in de Awb. In dit verband is vooral het bepaalde in artikel
                                        3:6, tweede lid, artikel 3:7 en artikel 3:50 van belang. Zo
                                        kan op grond van artikel 3:6, tweede lid, het college het
                                        programma voorzieningen huisvesting onderwijs vaststellen
                                        als de Onderwijsraad het advies niet binnen vier weken nadat
                                        de adviesaanvraag volledig is, uitbrengt. Op grond van
                                        artikel 3:7 is het college gehouden, al dan niet op verzoek,
                                        de gegevens beschikbaar te stellen die de Onderwijsraad
                                        nodig heeft voor het uitbrengen van advies. Wanneer het
                                        college afwijkt van het advies van de Onderwijsraad worden
                                        op grond van artikel 3:50 van de Awb de redenen daarvan
                                        vermeld in de motivering. Het vijfde lid bepaalt dat alle
                                        deelnemers aan het overleg in de gelegenheid worden gesteld
                                        hun zienswijze te geven over de inhoud van een (voorgenomen)
                                        verzoek om advies aan de Onderwijsraad. Dit omdat iedereen
                                        erbij gebaat is dat duidelijkheid bestaat over de
                                        beweegredenen bij een, meer of alle partijen om zich tot de
                                        Onderwijsraad te wenden. Dit laat uiteraard onverlet het
                                        recht van een individueel schoolbestuur of van het college
                                        om de Onderwijsraad in te schakelen als de andere
                                        overlegpartners daaraan geen behoefte hebben. De zienswijzen
                                        van de schoolbesturen moeten schriftelijk worden vastgelegd
                                        omdat de Onderwijsraad bij het vormen van zijn oordeel over
                                        een verzoek om advies ook afwijkende meningen zal willen
                                        betrekken.</al><al>Van een eventueel overleg, nadat het advies van de
                                        Onderwijsraad wordt ontvangen, wordt een afzonderlijk
                                        verslag gemaakt dat wordt toegevoegd aan de stukken die
                                        moeten leiden tot een besluit van het college.</al><al><vet>Artikel 11. Tijdstip vaststellen
                                            bekostigingsplafond</vet></al><al><cursief>Lid 1</cursief></al><al>Het college is verplicht het bekostigingsplafond dat
                                        beschikbaar is voor het honoreren van de aangevraagde
                                        voorzieningen vast te stellen. Het vaststellen van het
                                        bekostigingsplafond is een afzonderlijk collegebesluit, maar
                                        kan in dezelfde vergadering worden genomen als het besluit
                                        tot het vaststellen van het programma en overzicht.<sup></sup>
                                        Het bekostigingsplafond staat los van het totaal van het
                                        investeringsbedrag van de aangevraagde voorzieningen. Het
                                        bekostigingsplafond is uitsluitend bepalend voor de vraag of
                                        alle aangevraagde voorzieningen huisvesting onderwijs ook
                                        kunnen worden gehonoreerd. Het college kan een
                                        bekostigingsplafond per onderwijssector of per voorziening
                                        vaststellen. Achtergrond van deze mogelijkheid is te
                                        voorkomen dat één onderwijssector of één bepaalde
                                        voorziening structureel voor bekostiging in aanmerking komt,
                                        waardoor andere gewenste investeringen niet kunnen worden
                                        gehonoreerd. Het onderverdelen van het beschikbare
                                        investeringsbedrag voor een specifieke categorie van
                                        voorzieningen is een instrument om bepaalde accenten te
                                        leggen in de uitvoering van de zorgplicht. Deze
                                        onderverdeling kan uitsluitend plaatsvinden op basis van een
                                        door de gemeenteraad vastgesteld meerjareninvesteringsplan. </al><al><cursief>Lid 2</cursief></al><al>Uitgangspunt van de verordening is dat het programma en, als
                                        dit noodzakelijk is, het overzicht worden vastgesteld voor
                                        31 december van het lopende kalenderjaar. De datum van 31
                                        december is geen fatale termijn. Wordt het programma en
                                        overzicht niet voor 31 december vastgesteld dan betekent dit
                                        niet dat alle aangevraagde voorzieningen automatisch voor
                                        bekostiging in aanmerking komen. Op grond van Artikel 6:2
                                        van de Awb heeft het bevoegd gezag, omdat het college niet
                                        tijdig een besluit heeft genomen, de mogelijkheid om in deze
                                        situatie de procedure van bezwaar en beroep te volgen. De
                                        overschrijding van de termijn heeft dus geen (financiële)
                                        gevolgen voor het college.</al><al><vet>Artikel 12. Bekendmaken besluiten vaststellen
                                            bekostigingsplafond, programma en overzicht</vet></al><al>Artikel 95 van de WPO en 76f van de WVO vermelden de
                                        criteria die het college moet hanteren bij het vaststellen
                                        van het programma voorziening huisvesting onderwijs. Het
                                        uitgangspunt voor het overzicht voorziening huisvesting
                                        onderwijs is opgenomen in artikel 96 van de WPO en 76g van
                                        de WVO. In dit artikel wordt bepaald op welke wijze het
                                        besluit tot het vaststellen van het programma en overzicht
                                        aan de bevoegde gezagsorganen wordt bekendgemaakt.</al><al><cursief>Lid 1</cursief></al><al>Het programma en overzicht zijn een bundel beschikkingen. De
                                        aanvragers ontvangen deze beschikkingen binnen een
                                        vastgestelde termijn nadat het programma en overzicht zijn
                                        vastgesteld. Voor deze termijn is gekozen omdat de
                                        onderwijswetten bepalen (zie toelichting artikel 13, eerste
                                        lid) dat binnen vier weken nadat het programma is
                                        vastgesteld overleg over de uitvoering van de voorziening
                                        moet plaatsvinden met het college. Op grond van artikel 3:43
                                        van de Awb moet het college het besluit meedelen aan degenen
                                        die bij de voorbereiding van het besluit hun zienswijze naar
                                        voren hebben gebracht. Omdat het programma en overzicht
                                        onderdeel uitmaken van het bestuurlijk overleg dat vooraf
                                        gaat aan het vaststellen van het programma is in de
                                        modelverordening opgenomen dat het besluit aan alle
                                        schoolbesturen wordt verzonden. </al><al><cursief>Lid 2</cursief></al><al>De onderwijswetten bepalen alleen iets over het ter inzage
                                        leggen van het overzicht. Vanwege de samenhang tussen
                                        bekostigingsplafond, programma en overzicht is in de
                                        verordening opgenomen dat zowel het programma als overzicht
                                        ter inzage wordt gelegd.</al><al><vet>Artikel 13. Overleg wijze van uitvoering</vet></al><al>Dit artikel geeft een nadere invulling aan het wettelijk
                                        voorgeschreven overleg over het maken van afspraken over de
                                        zaken die van belang zijn om te komen tot het beschikbaar
                                        stellen van een investeringskrediet voor de voorziening die
                                        op het programma is opgenomen. Door het maken van deze
                                        afspraken voorafgaande aan de start van de uitvoering van
                                        het project worden onduidelijkheden en misverstanden in het
                                        verdere uitvoeringstraject voorkomen.</al><al><cursief>Lid 1</cursief></al><al>In artikel 95, achtste lid, van de WPO en artikel 76n van de
                                        WVO is opgenomen dat het college binnen vier weken met het
                                        betrokken bevoegd gezag in overleg treedt over de uitvoering
                                        van het programma. De in dit overleg gemaakte afspraken
                                        moeten in een verslag worden vastgelegd. De passage ‘voor
                                        zover van toepassing’ betekent dat niet alle onderwerpen die
                                        in dit lid zijn opgenomen betrekking hebben op alle
                                        voorzieningen die op het programma zijn opgenomen (voor
                                        bijv. de voorziening eerste inrichting is geen bouwplan
                                        noodzakelijk) en het college daarnaast van mening is dat het
                                        indienen van het bouwplan en de desbetreffende begroting
                                        voor een op het programma opgenomen voorziening achterwege
                                        kan blijven. De onderwerpen die besproken moeten worden zijn
                                        o.a.:</al><lijst><li nr="-"><al>het bouwheerschap (onderdeel a), met als
                                                uitgangspunt dat het bevoegd gezag optreedt als
                                                bouwheer, conform het bepaalde in artikel 103,
                                                eerste lid , van de WPO en artikel 76n, eerste lid,
                                                van de WVO. Het alternatief is dat het college de
                                                voorziening tot stand brengt (artikel 103, tweede
                                                lid, van de WPO<cursief></cursief>en artikel 76n, tweede lid,
                                                van de WVO. In het overleg moet worden vastgesteld
                                                of van deze mogelijkheid gebruik wordt gemaakt.
                                                Daarnaast kan besproken worden de mogelijkheid dat
                                                de bouw van een multifunctionele accommodatie wordt
                                                gerealiseerd door een derde partij;</al></li><li nr="-"><al>het bouwplan, dat moet worden getoetst aan de
                                                uitgangspunten zoals die op het vastgestelde
                                                programma zijn opgenomen (bijv. aantal vierkante
                                                meter bruto vloeroppervlakte);</al></li><li nr="-"><al>het feit dat het college in de periode die is
                                                verlopen tussen het moment van het vaststellen van
                                                het programma en het aanvragen van de goedkeuring
                                                van het bouwplan en de kostenraming kan toetsen of
                                                zich nieuwe feiten en omstandigheden hebben
                                                voorgedaan of voordoen, waardoor het eerder genomen
                                                besluit moet worden herzien. In het overleg wordt
                                                vastgelegd of het college gebruik maakt van deze
                                                mogelijkheid, zodat het college, na ontvangst tot
                                                goedkeuring van het bouwplan en de kostenbegroting
                                                kan besluiten om de toegekende vergoeding te
                                                herzien; </al></li><li nr="-"><al>de wijze waarop de controle en het afleggen van
                                                verantwoording over de besteding van de middelen
                                                plaatsvindt. De wijze van verantwoording is
                                                grotendeels afhankelijk van de omvang het project
                                                (zie ook toelichting artikel 15);</al></li><li nr="-"><al>de afspraak over de wijze van aanbesteding. Voor
                                                toegekende voorzieningen is de aanvrager verplicht
                                                een aanbestedingsprocedure te volgen. Wordt de
                                                voorziening bekostigd op basis van de genormeerde
                                                vergoeding dan is de uitkomst van de aanbesteding
                                                voor het college feitelijk niet relevant, omdat het
                                                bevoegd gezag aanspraak maakt op het normbedrag.
                                                Wordt de voorziening bekostigd op basis van de
                                                feitelijke kosten dan is de uitkomst van de
                                                aanbesteding wel relevant voor het bepalen voor de
                                                hoogte van het definitieve investeringsbedrag.
                                                Uitgangspunt is dat voldaan wordt aan het bepaalde
                                                in de Aanbestedingswet 2012 en in relevante Europese
                                                regelgeving.<sup></sup> Daarnaast is van toepassing wat
                                                de gemeenteraad heeft vastgesteld in het
                                                gemeentelijk aanbestedingsbeleid over het opvragen
                                                van offertes als er geen Europese regelgeving van
                                                toepassing is.</al></li></lijst><al>Onderstaand is een tabel opgenomen met een onderscheid naar
                                        datgene dat in het gemeentelijke aanbestedingsbeleid is
                                        opgenomen voor het opvragen van offertes en wat is opgenomen
                                        in de Europese richtlijnen. Bij aanbestedingen van
                                        opdrachten onder het Europese drempelbedrag<sup></sup> kan het
                                        college op verzoek van het bevoegd gezag besluiten van het
                                        bepaalde in de tabel af te wijken. </al><table><tgroup cols="5"><colspec colnum="1" colname="col1" colwidth="14*"></colspec><colspec colnum="2" colname="col2" colwidth="16*"></colspec><colspec colnum="3" colname="col3" colwidth="22*"></colspec><colspec colnum="4" colname="col4" colwidth="22*"></colspec><colspec colnum="5" colname="col5" colwidth="26*"></colspec><tbody><row><entry colname="col1"><al><vet>Type opdracht</vet></al></entry><entry colname="col2" namest="col2" nameend="col5"><al><vet>Uitgangspunten
                                                  aanbestedingsprocedure</vet><vet>(genoemde
                                                  </vet><vet>bedragen zijn exclusief BTW)</vet></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2" namest="col2" nameend="col4"><al>Nationaal</al></entry><entry colname="col5"><al>Europees</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2" namest="col2" nameend="col3"><al>Onderhandse procedures</al><al>(offerte-traject)</al></entry><entry colname="col4"><al>Openbare procedure of </al><al>niet-openbare procedure met voorafgaande
                                                  selectie</al></entry><entry colname="col5"><al>Europees verplichte procedures</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al>Enkelvoudig</al></entry><entry colname="col3"><al>Meervoudig</al></entry><entry colname="col4"><al></al></entry><entry colname="col5"><al></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Werken</al></entry><entry colname="col2"><al>t/m € [<vet>…</vet>]</al></entry><entry colname="col3"><al>vanaf € [<vet>…</vet>] t/m €
                                                  [<vet>…</vet>]</al></entry><entry colname="col4"><al>vanaf € [<vet>…</vet>] tot de Europese
                                                  drempel</al></entry><entry colname="col5"><al>vanaf € 5.186.000,00</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Leveringen</al></entry><entry colname="col2"><al>t/m € [<vet>…</vet>]</al></entry><entry colname="col3"><al>vanaf € [<vet>…</vet>] tot de Europese
                                                  drempel</al></entry><entry colname="col4"><al></al></entry><entry colname="col5"><al>vanaf € 207.000,00</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>A-diensten</al></entry><entry colname="col2"><al>t/m € [<vet>…</vet>]</al></entry><entry colname="col3"><al>vanaf € [<vet>…</vet>] tot de Europese
                                                  drempel</al></entry><entry colname="col4"><al></al></entry><entry colname="col5"><al>vanaf € 207.000,00</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>B-diensten</al></entry><entry colname="col2"><al>t/m € [<vet>…</vet>]</al></entry><entry colname="col3"><al>vanaf € [<vet>…</vet>] tot de Europese
                                                  drempel</al></entry><entry colname="col4"><al></al></entry><entry colname="col5"><al>alléén indien de opdracht grensoverschrijdend
                                                  is</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>Als sprake is van huur moet de huurovereenkomst met daarin
                                        onder meer de overeengekomen huurprijs vooraf aan het
                                        college ter goedkeuring worden voorgelegd.</al><al><cursief>Lid 2</cursief></al><al>Om te voorkomen dat in een later stadium misverstanden
                                        ontstaan over de afspraken die gemaakt zijn over de
                                        uitvoering van de voorziening is bepaald dat de afspraken
                                        schriftelijk worden vastgelegd en ter instemming aan de
                                        aanvrager worden voorgelegd. Als de aanvrager zijn
                                        instemming schriftelijk heeft verleend, dan is daarmee
                                        direct vastgelegd dat er overeenstemming bestaat over de
                                        wijze van uitvoering van de voorziening. Stemt de aanvrager
                                        niet in met het verslag, dan is nader overleg noodzakelijk
                                        met als doel alsnog overeenstemming te bereiken. Blijken
                                        partijen het ook dan niet eens te kunnen worden over de
                                        uitvoering van de voorziening dan wordt dit ook schriftelijk
                                        door beide partijen vastgelegd. </al><al><cursief>Lid 3</cursief></al><al>Het college kan in het gevoerde overleg meedelen dat het
                                        indienen van een bouwplan en begroting achterwege kan
                                        blijven, of dat er geen nadere toetsing aan wettelijke
                                        voorschriften of gewijzigde omstandigheden zal plaatsvinden.
                                        Over het algemeen betreft het voorzieningen waarvoor in een
                                        eerder stadium al een offerte is overgelegd en die weinig of
                                        geen voorbereidingstijd meer vergt. Heeft het overleg tot
                                        overeenstemming geleid, dan ontvangt de aanvrager binnen
                                        vier weken bericht over het moment waarop de bekostiging een
                                        aanvang neemt.</al><al><cursief>Lid 4</cursief></al><al>Als blijkt dat in het overleg geen overeenstemming wordt
                                        bereikt over de wijze van uitvoering van de voorziening en
                                        dit in het vastgestelde verslag is opgenomen dan is het
                                        college de instantie die een definitief besluit neemt. Dit
                                        besluit deelt het college mee aan het bevoegd gezag. In het
                                        besluit zijn opgenomen de overwegingen om niet in te stemmen
                                        met de door de aanvrager gewenste wijze van uitvoering van
                                        de voorziening. Deze mededeling is een besluit in de zin van
                                        de Awb, waartegen dan ook voor aanvrager de mogelijkheid van
                                        bezwaar en beroep openstaat.</al><al><vet>Artikel 14. Instemmen bouwplannen en begroting;
                                            tijdstip aanvang bekostiging</vet><vet>; toetsen
                                            wettelijke voorschriften en nieuwe feiten en
                                            omstandigheden; overleggen offertes</vet></al><al>De aanvrager kan in principe niet eerder tot aanbesteding
                                        overgaan dan nadat het college heeft ingestemd met het
                                        bouwplan. Uitsluitend als een dergelijk plan naar het
                                        oordeel van college gezien de aard van de voorziening niet
                                        vereist is kan de aanvrager voorafgaande aan het goedkeuren
                                        van het bouwplan de procedure van aanbesteding volgen (zie
                                        ook artikel 13, derde lid). </al><al>Nadat het college de uitkomst van de aanbesteding heeft
                                        ontvangen besluit het college tot het vaststellen van het
                                        definitieve bedrag van de bekostiging. Basis voor dit bedrag
                                        zijn de overgelegde offertes.</al><al>[<cursief>Is geen aanvraag voor een voorbereidingskrediet
                                            ontvangen dan kan in het overleg deze mogelijkheid
                                            alsnog worden besproken.</cursief>]</al><al><cursief>Lid 1</cursief></al><al><cursief>Dit artikel betreft de nadere uitwerking van
                                            artikel 103 </cursief><cursief>van de
                                            </cursief><cursief>WPO</cursief><cursief> en
                                            arti</cursief><cursief>kel 76n</cursief><cursief> van
                                            de</cursief><cursief> WVO]</cursief> en heeft een
                                        relatie met artikel 13, eerste en tweede lid. Op basis van
                                        de daar gemaakte afspraken wordt het bouwplan en de
                                        kostenbegroting ingediend. Het college toetst, voordat het
                                        bouwplan wordt goedgekeurd, aan mogelijk nieuwe
                                        ontwikkelingen en stelt het bedrag van de bekostiging
                                        vast.</al><lijst><li nr="-"><al>Het goedkeuren van het bouwplan zoals dat in dit
                                                artikel wordt bedoeld staat los van de goedkeuring
                                                van het bouwplan op grond van de bouwverordening,
                                                dus het verlenen van de omgevingsvergunning. Op
                                                grond van dit artikel wordt het bouwplan getoetst
                                                aan de afgegeven beschikking (toegekend
                                                investeringsbedrag bij feitelijke kosten en
                                                toegekende bvo).</al></li><li nr="-"><al>De wijze waarop de begroting die is ontvangen wordt
                                                getoetst is afhankelijk van de wijze waarop de
                                                voorziening wordt bekostigd. Maakt het bevoegd gezag
                                                aanspraak op:</al></li><li nr="-"><al>de genormeerde vergoeding dan wordt de begroting
                                                marginaal getoetst, omdat het bevoegd gezag
                                                aanspraak maakt op het normbedrag en het college
                                                geen hoger bedrag dan het normbedrag beschikbaar
                                                stelt;</al></li><li nr="-"><al>de vergoeding op basis van de feitelijke kosten dan
                                                vindt een inhoudelijke toetsing van de begroting
                                                plaats om het definitieve bedrag van de vergoeding
                                                te kunnen vaststellen. De kostenbegroting die was
                                                ingediend bij de aanvraag voor het programma was
                                                namelijk een raming van de kosten. Deze begroting
                                                had toen als functie te komen tot het vaststellen
                                                van een bedrag als onderdeel voor het vaststellen
                                                van het programma. Gelet op het tijdsverloop tussen
                                                het ontvangen van de aanvraag en het besluit tot het
                                                vaststellen van het programma kan het definitieve
                                                bedrag van de bekostiging afwijken van de begroting
                                                die is ontvangen als onderdeel van de ingediende
                                                aanvraag voor het programma. Bij de uitvoering van
                                                een voorziening die volgens de offertelijn wordt
                                                gerealiseerd, nemen de offertes de rol over van de
                                                begroting. </al></li></lijst><al>Bij het indienen van de stukken vermeldt het bevoegd gezag
                                        tevens op welk moment het bevoegd gezag de werkzaamheden wil
                                        starten en in relatie daarmee de bekostiging. </al><al><cursief>Lid 2</cursief></al><al>De in dit lid opgenomen termijnen zijn fatale termijnen. Als
                                        het college niet binnen de gestelde termijnen beslist, wordt
                                        geacht de gevraagde goedkeuring te zijn verleend en vindt de
                                        bekostiging plaats op de wijze en het tijdstip zoals door de
                                        aanvrager is aangegeven. De aanvrager kan daarna de
                                        procedure voor het aanvragen van de omgevingsvergunning
                                        starten. De fatale termijn is noodzakelijk met het oog op
                                        een goede voortgang van de uitvoering van de voorziening en
                                        de duidelijkheid richting aanvrager. Gelijktijdig met het
                                        goedkeuren van het bouwplan en begroting stelt het college
                                        het tijdstip vast waarop de bekostiging een aanvang neemt,
                                        conform het bepaalde in artikel 99, eerste lid van de WPO en
                                        artikel 76j van de WVO.</al><al><cursief>Lid 3 </cursief></al><al>Derde lid bepaalt dat voor het vaststellen van de vergoeding
                                        niet de laagste prijs maar de economisch meest voordelige
                                        aanbieding bepalend is.</al><al><vet>Artikel 15. Aanvang bekostiging</vet></al><al>Dit artikel is de uitwerking van artikel 102, vierde lid,
                                        van de WPO en artikel 76m van de WVO. Het geeft het college
                                        de vrijheid om per voorziening te besluiten op welke wijze
                                        het bedrag van de bekostiging beschikbaar wordt gesteld.
                                        Deze keuze is sterk afhankelijk van de concrete
                                        omstandigheden (o.a. grootte van de opdracht, hoogte van het
                                        investeringsbedrag). Uitgangspunt is dat de aanvrager tijdig
                                        aan zijn financiële verplichtingen moet kunnen voldoen. </al><al>De vergoeding wordt rechtstreeks beschikbaar gesteld aan de
                                        opdrachtgever, tenzij in het overleg als bedoeld in artikel
                                        13 wordt overeengekomen dat de vergoeding door het college
                                        rechtstreeks aan de opdrachtnemer wordt verstrekt. Op grond
                                        van de onderwijswetten bestaat er uitsluitend een relatie
                                        tussen college en bevoegd gezag. Vanuit dit uitgangspunt is
                                        de formele lijn dat het college het bedrag aan het bevoegd
                                        gezag betaalt en het bevoegd gezag het bedrag aan de
                                        opdrachtnemer. Op deze wijze kan het bevoegd gezag ook
                                        verantwoording van de ontvangen middelen afleggen. Gedacht
                                        kan worden aan een gespecificeerde verantwoording met als
                                        bijlagen alle rekeningen die op het project betrekking
                                        hebben, of een accountantsverklaring.</al><al><vet>Artikel 16. Vervallen aanspraak op
                                        bekostiging</vet></al><al><cursief>Lid 1</cursief></al><al>De data van zijn gekozen met het oog op het moment dat de
                                        gemeentebegroting wordt vastgesteld. Vanuit financieel
                                        perspectief is het noodzakelijk om te weten of een via het
                                        programma toegekende voorziening in het jaar van toekenning
                                        ook daadwerkelijk in dat jaar wordt gerealiseerd, of dat de
                                        realisatie in dat jaar door omstandigheden niet mogelijk is.
                                        Wordt vastgesteld dat realisatie niet mogelijk is: </al><lijst><li nr="-"><al>in het toegekende programmajaar maar wel in een
                                                volgend begrotingsjaar, dan blijft het beschikbaar
                                                gestelde krediet gehandhaafd, en</al></li><li nr="-"><al>ook niet in een van de volgende begrotingsjaren dan
                                                kan het beschikbaar gestelde krediet worden
                                                ingetrokken; het gevolg van dit besluit is dat de
                                                aangevraagde voorziening te zijner tijd opnieuw moet
                                                worden aangevraagd.</al></li></lijst><al>De bepaling over het toezenden van onder meer de
                                        bouwopdracht is van belang voor het college, omdat het
                                        college na de genoemde data actie in de richting van de
                                        aanvrager kan ondernemen. De term ‘door de aanvrager’
                                        betekent dat, als het college optreedt als bouwheer en de
                                        termijn wordt overschreden, het recht op bekostiging niet
                                        vervalt. De aanvrager heeft dan immers recht op een
                                        voorziening.</al><al><cursief>Lid 3</cursief></al><al>Het kan voorkomen dat het bevoegd gezag niet aan de gestelde
                                        termijnen kan voldoen. De overschrijding van de termijn kan
                                        het gevolg zijn van diverse omstandigheden die buiten de
                                        schuld van de aanvrager liggen. Bijvoorbeeld:</al><lijst><li nr="-"><al>planologische en stedenbouwkundige
                                                ontwikkelingen;</al></li><li nr="-"><al>procedures in het kader van de ruimtelijke
                                                ordening;</al></li><li nr="-"><al>vervuilde grond.</al></li></lijst><al>Het is dan aan de aanvrager om bij het college een verzoek
                                        in te dienen om de gestelde termijnen te verlengen.</al><al><cursief>Lid 4</cursief></al><al>De datum in dit lid heeft een relatie met de data in het
                                        eerste lid. Als het verzoek van de aanvrager wordt afgewezen
                                        moet een zodanige datum worden gekozen dat de aanvrager in
                                        de gelegenheid is om alsnog voor de in het eerste lid
                                        genoemde datum een bouwopdracht et cetera te overleggen. Als
                                        het college dus niet tijdig beslist is voor de aanvrager de
                                        in het eerste lid genoemde datum niet haalbaar.</al><al><vet>Artikelen 17-21. Aanvragen met spoedeisend
                                            karakter</vet></al><al>Er kan zich een calamiteit voordoen waardoor de voortgang
                                        van het onderwijs wordt belemmerd. Het bevoegd gezag kan dan
                                        op grond van deze artikelen een aanvraag voor het bekostigen
                                        van een voorziening huisvesting onderwijs indienen. Het moet
                                        duidelijk zijn dat het een calamiteit is die op korte
                                        termijn moet worden opgelost en niet kan wachten op de
                                        reguliere aanvraagprocedure. Het spoedeisende karakter moet
                                        dus duidelijk naar voren komen in de omschrijving van
                                        aanvraag. Bij aanvragen met een spoedeisend karakter valt te
                                        denken aan:</al><lijst><li nr="-"><al>brand- en stormschade, waardoor het onderwijsproces
                                                (tijdelijk) in een andere accommodatie moet
                                                plaatsvinden;</al></li><li nr="-"><al>herstel van schade als gevolg van constructiefouten
                                                (verwijderen asbest), of</al></li><li nr="-"><al>overige schades (vandalisme, glasbreuk,
                                                inbraak).</al></li></lijst><al>De spoedprocedure kan niet worden gebruikt als een soort
                                        ‘ontsnappingsroute’ voor de reguliere procedure, zoals een
                                        situatie:</al><lijst><li nr="-"><al>dat een bevoegd gezag verzuimd heeft tijdig – op
                                                grond van artikel 6 van de verordening – een
                                                aanvraag in te dienen voor het programma, of</al></li><li nr="-"><al>dat een aangevraagde voorziening niet op het
                                                programma is geplaatst wegens het toepassen van de
                                                financiële weigeringsgrond omdat het
                                                bekostigingsplafond niet toereikend is.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 17. Indienen aanvraag</vet></al><al>Een aanvraag op basis van de spoedprocedure kan gedurende
                                        het hele jaar worden ingediend, omdat het moment waarop de
                                        calamiteit zich voordoet niet bij voorbaat bekend is. De
                                        calamiteit moet zo spoedig mogelijk (telefonisch) worden
                                        gemeld en de noodzakelijke maatregelen moeten worden
                                        genomen. Na de melding moet de aanvrager binnen de gestelde
                                        termijn de aanvraag indienen. </al><al><vet>Artikel 18. Inhoud aanvraag</vet></al><al><cursief>Lid 1</cursief></al><al>Naast de gegevens die noodzakelijk zijn bij het indienen van
                                        een aanvraag op grond van de reguliere procedure (artikel 7,
                                        eerste lid) is het bevoegd gezag verplicht te motiveren
                                        waarom deze voorziening spoedeisend is. Uit de aanvraag moet
                                        onomstotelijk blijken dat de aanvraag betrekking heeft op
                                        een calamiteit die niet voorzienbaar was en dat het treffen
                                        van een voorziening geen uitstel kan lijden, omdat anders
                                        het onderwijsproces geen doorgang meer kan vinden.</al><al><cursief>Lid 2</cursief></al><al>Gelet op het spoedeisende karakter van de aanvraag zijn de
                                        termijnen voor het aanleveren van aanvullende gegevens kort
                                        gehouden.</al><al><vet>Artikel 19. Tijdstip beslissing</vet></al><al>Omdat de aanvraag een spoedeisend karakter heeft, wordt ook
                                        voor de beslistermijn een korte periode aangehouden. </al><al><vet>Artikel 21. Uitvoer</vet><vet>en</vet><vet>
                                            beslissing</vet></al><al>Voor het beoordelen en toekennen van de op grond van de
                                        spoedprocedure aangevraagde voorziening gelden de criteria
                                        die zijn opgenomen in de bijlagen I tot en met III van de
                                        verordening. Als extra toets geldt het element van de
                                        spoedeisendheid: het treffen van de voorziening kan geen
                                        uitstel lijden in verband met de voortgang van het
                                        onderwijs. In tegenstelling tot de reguliere procedure kan
                                        het college bij de spoedprocedure geen financiële
                                        weigeringsgrond hanteren. Dit blijkt uit de relatie tussen
                                        artikel 98, tweede lid, van de WPO en artikel 100, eerste
                                        lid, van de WPO en artikel 76i, tweede lid, van de WVO en
                                        artikel 76k, eerste lid, van de WVO.</al><al>Op de uitvoering van de beschikking zijn de artikelen 13 tot
                                        en met 16 van toepassing.</al><al><vet>Artikelen 22-28. Medegebruik en verhuur</vet></al><al>De artikelen 22-28 zijn een nadere uitwerking van artikel
                                        102 van de WPO en artikel 76m van de WVO. Op grond hiervan
                                        moet de gemeenteraad bij verordening een procedure
                                        vaststellen voor het medegebruik en de verhuur. Bij
                                        medegebruik en verhuur gaat het nadrukkelijk om delen van
                                        lesgebouwen die niet noodzakelijk zijn voor het gebruik door
                                        de eigen school.</al><al>De artikelen 22 t/m 27 worden door het college toegepast als
                                        het college een aanvraag van een bevoegd gezag voor het
                                        bekostigen van een voorziening huisvesting onderwijs heeft
                                        ontvangen. Het college kan besluiten dat de aangevraagde
                                        voorziening huisvesting wordt afgewezen omdat door middel
                                        van medegebruik in de noodzakelijke huisvestingsbehoefte kan
                                        worden voorzien.</al><al><vet>Artikel 22. Aanduiden omstandigheden</vet></al><al><cursief>Onderdelen a en c</cursief></al><al>Deze bepalingen geven het college de mogelijkheid om
                                        leegstand te vorderen op het moment dat het college op grond
                                        van artikel 6 of 19 een aanvraag voor het bekostigen van een
                                        voorziening huisvesting onderwijs nieuwbouw, vervangende
                                        nieuwbouw of uitbreiding voor een school heeft ontvangen.
                                        Het college moet twee zaken vaststellen, te weten dat:</al><lijst><li nr="-"><al>de school die de aanvraag heeft ingediend ook
                                                daadwerkelijk een tekort aan capaciteit heeft,
                                                en</al></li><li nr="-"><al>er leegstand binnen een ander schoolgebouw aanwezig
                                                is.</al></li></lijst><al>Het vorderingsrecht op grond van dit artikel heeft
                                        betrekking op medegebruik door een school. Dit medegebruik
                                        betekent dat het doel van het vorderen (ruimte voor het
                                        geven van onderwijs) in principe in overeenstemming is met
                                        de bestemming van het schoolgebouw en aanpassingen niet
                                        noodzakelijk zijn.</al><al><vet>Artikel 23. Omschrijving leegstand</vet></al><al><cursief>Lid 1</cursief></al><al>De leegstand is gekoppeld aan het criterium ‘bruto vierkante
                                        meters’. De leegstand wordt vastgesteld op basis van het
                                        saldo tussen de vastgestelde capaciteit (bijlage III, deel
                                        A) en de berekende ruimtebehoefte (bijlage III, deel B). Bij
                                        het vaststellen van de leegstand wordt geen rekening
                                        gehouden met de drempelwaarde. Bij het vorderen wordt geen
                                        onderscheid gemaakt in leegstand bij een school voor
                                        basisonderwijs, een speciale school voor basisonderwijs, een
                                        school voor speciaal onderwijs of voortgezet speciaal
                                        onderwijs of een school voor voortgezet onderwijs. Dit
                                        betekent dat het college kan besluiten leegstand die wordt
                                        vastgesteld in een school voor basisonderwijs toe te wijzen
                                        aan een speciale school voor basisonderwijs, een school voor
                                        speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs, of een
                                        school voor voortgezet onderwijs.</al><al>Bij het vaststellen van leegstand worden ook betrokken de
                                        zgn. eigendoms- en huurscholen, omdat deze schoolgebouwen
                                        behoren tot de voorzieningen huisvesting onderwijs en
                                        zodoende vallen onder het vorderingsrecht. Het
                                        vorderingsrecht kan ook worden toegepast op de leegstaande
                                        capaciteit waaraan een bevoegd gezag een andere bestemming
                                        (bijvoorbeeld mediatheek, overblijflokaal) heeft gegeven.
                                        Genormeerde leegstand waaraan een bevoegd gezag een andere
                                        bestemming heeft gegeven moet wijken voor noodzakelijk
                                        onderwijsgebruik.</al><al><cursief>Lid 2</cursief></al><al>Een lokaal bewegingsonderwijs kan maximaal 40 klokuren per
                                        week voor bewegingsonderwijs in gebruik worden gegeven. Een
                                        school voor basisonderwijs<cursief></cursief>kan op basis van het
                                        lesrooster per week maximaal 26 klokuren worden
                                        ingeroosterd. Hierdoor wordt voorkomen dat deze scholen
                                        buiten hun reguliere lestijden voor het bewegingsonderwijs
                                        worden verwezen naar een lokaal bewegingsonderwijs dat nog
                                        geen 40 klokuren in gebruik is. </al><al>Voor scholen voor het voortgezet onderwijs wordt voor het
                                        inroosteren uitgegaan van minimaal 32 lesuren<sup></sup> en
                                        maximaal 40 lesuren, omdat voor het voortgezet onderwijs het
                                        aantal van 40 lesuren, gelet op de schooltijden voor het
                                        voortgezet onderwijs, de maximumgrens vormt. Dit betekent
                                        dat als in een lokaal bewegingsonderwijs:</al><lijst><li nr="-"><al>voor een school voor basisonderwijs[, een speciale
                                                school voor basisonderwijs, een school voor speciaal
                                                onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs] minder
                                                dan 26 klokuren zijn ingeroosterd medegebruik
                                                mogelijk is door een andere school voor
                                                basisonderwijs[, een speciale school voor
                                                basisonderwijs, een school voor speciaal of
                                                voortgezet speciaal onderwijs] voor het verschil
                                                tussen 26 klokuren en het aantal ingeroosterde
                                                klokuren;</al></li><li nr="-"><al>voor een school voor basisonderwijs[, een speciale
                                                school voor basisonderwijs, een school voor speciaal
                                                onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs] minder
                                                dan 26 klokuren of 26 klokuren zijn ingeroosterd
                                                medegebruik mogelijk is door een school voor
                                                voortgezet onderwijs voor de resterende klokuren tot
                                                een maximum van 40 lesuren;</al></li><li nr="-"><al>voor een school voortgezet minder dan 40 klokuren
                                                ingeroosterd zijn medegebruik mogelijk is door:</al></li><li nr="-"><al>een school voor basisonderwijs, [(een speciale
                                                school voor basisonderwijs, een school voor speciaal
                                                onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs mogelijk
                                                als de klokuren medegebruik passen binnen de 26
                                                klokuren, en</al></li><li nr="-"><al>een school voor voortgezet onderwijs mogelijk voor
                                                de resterende klokuren tot een maximum van 40
                                                lesuren.</al></li></lijst><al>Medegebruik kan alleen plaatsvinden binnen de [voor de
                                        betreffende onderwijssector] geldende reële
                                        schooltijden.</al><al><vet>Artikel 24. Nalaten vorderen</vet></al><al>Dit artikel geeft de bevoegde gezagsorganen de ruimte in
                                        onderling overleg medegebruik te regelen. Als de bevoegde
                                        gezagsorganen een onderlinge regeling hebben getroffen is er
                                        voor het college geen reden om dat te doorkruisen, tenzij
                                        het college heeft vastgesteld dat de school die
                                        medegebruiker is in de eigen accommodatie voldoende
                                        capaciteit heeft om alle leerlingen te huisvesten. Als
                                        bevoegde gezagsorganen medegebruik onderling hebben geregeld
                                        moet het college hiervan in kennis worden gesteld. Het
                                        college moet vaststellen of door het medegebruik de (meest)
                                        optimale situatie is gecreëerd. </al><al>Op het moment dat een school is gehuisvest in meerdere
                                        schoolgebouwen wordt in onderling overleg vastgesteld in
                                        welk schoolgebouw de leegstand wordt gevorderd. Wordt geen
                                        overeenstemming bereikt, dan besluit het college zelfstandig
                                        in welk schoolgebouw de leegstand wordt gevorderd.</al><al><vet>Artikel 25. Overleg en mededeling</vet></al><al><cursief>Lid 1</cursief></al><al>Onderdeel van het vaststellen van het programma is het
                                        besluit tot het vorderen voor en toekennen van medegebruik
                                        in plaats van het toekennen van bijv. een aangevraagde
                                        voorziening 'uitbreiding'. Om deze reden maakt het vorderen
                                        voor medegebruik onderdeel uit van het wettelijk verplichte
                                        overleg over het programma. Voor beide bevoegde
                                        gezagsorganen die betrokken zijn bij het voorgenomen besluit
                                        tot medegebruik in het kader van het programma bestaat de
                                        mogelijkheid een advies van de Onderwijsraad te vragen. Op
                                        het programma wordt niet vermeld het besluit tot vordering,
                                        dit is een afzonderlijk besluit van het college.</al><al><cursief>Lid 2</cursief></al><al>Voor het vorderen van leegstand als een aanvraag voor het
                                        bekostigen van een voorziening op grond van de
                                        spoedprocedure is ontvangen is geen termijn voor het overleg
                                        opgenomen. De aard van de aanvragen kan namelijk met zich
                                        meebrengen dat een en ander op zeer korte termijn geregeld
                                        moet worden. Uiteraard moet ook hier het 'ontvangende'
                                        bevoegde gezag redelijkerwijs de gelegenheid hebben om de
                                        nodige maatregelen te treffen.</al><al><cursief>Lid 3</cursief></al><al>Een bevoegd gezag waarvan leegstand gevorderd wordt moet de
                                        gelegenheid hebben tijdig eventuele (organisatorische)
                                        maatregelen te nemen. Daarom is de termijn waarop het
                                        besluit tot vorderen bekend moet worden gemaakt zo kort
                                        mogelijk gehouden. Voordat het college het besluit tot
                                        vorderen heeft genomen heeft over dit besluit over het
                                        algemeen al overleg plaatsgevonden met het bevoegd gezag.
                                        Dit betekent dat het bevoegd gezag in principe al in de
                                        gelegenheid geweest om zich voor te bereiden op het
                                        medegebruik.</al><al><cursief>Lid 4</cursief></al><al>Het bevoegd gezag waarvan gevorderd wordt moet weten waar
                                        het aan toe is. Om deze reden moeten de in het vierde lid
                                        opgenomen elementen in de beschikking worden opgenomen,
                                        waarvan vooral de onder ‘e’ genoemde periode gedurende welke
                                        de leegstand wordt gevorderd van belang is. De periode kan
                                        bijv. worden gebaseerd op de uitkomst van de
                                        leerlingenprognose. Het kan wenselijk zijn om in het besluit
                                        tot het vorderen van medegebruik op te nemen dat het
                                        vorderen voor medegebruik in ieder geval eindigt als de
                                        leegstand voor de eigen school noodzakelijk is. Dit is niet
                                        strikt noodzakelijk, omdat uitgangspunt van de verordening
                                        is dat eigen gebruik voor medegebruik gaat.</al><al><vet>Artikel 26. Vergoeding</vet></al><al>Bij medegebruik heeft het bevoegd gezag dat ruimte in
                                        medegebruik geeft te maken met exploitatiekosten als gevolg
                                        van dit medegebruik. De bevoegde gezagsorganen moeten in
                                        onderling overleg de vergoeding voor het medegebruik
                                        overeenkomen. Uitgangspunt is dat de werkelijke
                                        exploitatiekosten worden vergoedt. Dit is redelijk omdat het
                                        bevoegd gezag dat medegebruiker is ook bij het gebruik van
                                        de eigen accommodatie de werkelijke kosten moet betalen.
                                        Deze werkelijke kosten zijn onafhankelijk van de
                                        rijksvergoeding materiële instandhouding die het
                                        schoolbestuur ontvangt. Worden de werkelijke kosten niet
                                        doorberekend, dan is sprake van een indirecte subsidiëring
                                        van de medegebruiker en zet het bevoegd gezag dat een
                                        gedeelte van de school in medegebruik heeft geven de
                                        ontvangen rijksvergoeding niet in voor het doel waarvoor
                                        deze wordt ontvangen. De hoogte van de vergoeding is ook
                                        afhankelijk van de afspraken die worden gemaakt over de
                                        activiteiten die voor rekening van de school en de
                                        medegebruiker komen.</al><al><vet>Artikel 27. Overleg en mededeling</vet></al><al>Artikel 27 heeft betrekking op het vorderen voor medegebruik
                                        voor culturele, maatschappelijke of recreatieve doeleinden.
                                        Dit vorderen kan plaatsvinden zowel tijdens als na de
                                        schooltijden. Medegebruik voor de genoemde activiteiten kan
                                        in overeenstemming zijn met de bestemming van het
                                        schoolgebouw (eisen bestemmingsplan), of met het onderwijs
                                        dat in het gebouw wordt gegeven, maar dat is niet strikt
                                        noodzakelijk. Is het medegebruik niet in overeenstemming met
                                        de bestemming van het schoolgebouw, dan betekent dit dat het
                                        medegebruik niet eerder kan plaatsvinden dan nadat een
                                        wijziging van het bestemmingsplan is vastgesteld. Is
                                        medegebruik niet in overeenstemming met het onderwijs van de
                                        school dan is het noodzakelijk dat het bevoegd gezag in het
                                        overleg met het college de gelegenheid krijgt om specifieke
                                        wensen aangaande het medegebruik naar voren te brengen. Voor
                                        het bevoegd gezag kan daarbij de vrijheid van richting en
                                        inrichting een rol spelen.</al><al>Lid 2 vermeldt de onderwerpen die in het overleg tussen
                                        college en bevoegd gezag minimaal moeten worden besproken
                                        als medegebruik door een niet onderwijsinstelling aan de
                                        orde is. Het bevoegd gezag moet, voordat het instemt met het
                                        medegebruik, in het overleg in de gelegenheid gesteld worden
                                        zich een oordeel te vormen over de aard van de activiteit en
                                        de invloed van die activiteit op het onderwijsproces.
                                        Afhankelijk van de uitkomst van het overleg en de
                                        activiteiten waarvoor het medegebruik noodzakelijk is, kan
                                        het noodzakelijk zijn dat besloten moet worden om bepaalde
                                        bouwkundige maatregelen te nemen om hinder te voorkomen.
                                        Artikel 26 (bedrag van de vergoeding ‘medegebruik’) is niet
                                        van toepassing op medegebruik voor culturele,
                                        maatschappelijke of recreatieve doeleinden. Het staat het
                                        bevoegd gezag vrij om een ander tarief in rekening te
                                        brengen, maar ook aan te sluiten bij de systematiek die is
                                        opgenomen in artikel 26.</al><al>Verondersteld wordt dat de beoogde organisatie die
                                        medegebruiker wordt in het overleg tussen college en bevoegd
                                        gezag wordt vertegenwoordigd door het college. Het is aan
                                        het college om te besluiten of de beoogde medegebruiker al
                                        of niet deelneemt aan het overleg. Het bevoegd gezag,
                                        college en de medegebruiker moeten voor de aanvang van het
                                        medegebruik schriftelijk een aantal (praktische) afspraken
                                        vastleggen. Het kader voor die afspraken wordt gevormd door
                                        het besluit tot vordering door college.</al><al><cursief>Lid 3</cursief></al><al>Als in het overleg geen overeenstemming wordt bereikt, neemt
                                        het college een beslissing inzake de openstaande punten.
                                        Hiervoor is gekozen om te voorkomen dat door een verschil
                                        van mening het vorderingsrecht niet geëffectueerd kan
                                        worden.</al><al><vet>Artikel 28. </vet><vet>Verzoek t</vet><vet>oestemming
                                            college</vet></al><al>Verhuur van een gedeelte van een schoolgebouw kan
                                        uitsluitend plaatsvinden door de juridisch eigenaar. Dit
                                        betekent dat het college een schoolgebouw waarvan het
                                        bevoegd gezag juridisch eigenaar is niet kan vorderen voor
                                        verhuur. De afweging om een ruimte te verhuren is
                                        uitsluitend de verantwoordelijkheid van het bevoegd gezag.
                                        Het bevoegd gezag moet, als het (een gedeelte van) het
                                        schoolgebouw wil verhuren, vooraf aan het college
                                        toestemming voor de verhuur vragen. Zonder toestemming van
                                        het college is een huurovereenkomst strijdig met de wet en
                                        dus nietig. Bij het aanvragen van de toestemming voor de
                                        verhuur moet het bevoegd gezag het college inzicht geven in
                                        de huurder, de te verhuren ruimte, de activiteiten die in de
                                        te verhuren ruimte plaatsvinden, de periode van verhuur en
                                        de in de komende jaren te verwachten ruimtebehoefte van de
                                        school. Daarnaast betrekt het college bij het verlenen van
                                        de toestemming ook de te verwachten ruimtebehoefte van de
                                        overige scholen. Dit om te voorkomen dat het college
                                        toestemming voor de verhuur verleent, maar binnen de
                                        verhuurtermijn een aanvraag wordt ontvangen voor
                                        bijvoorbeeld uitbreiding van een schoolgebouw.</al><al>Met de door het bevoegd gezag verstrekte informatie toets
                                        het college het verzoek aan wet- en regelgeving. Op grond
                                        van artikel 108, eerste lid, van de WPO en artikel 76s van
                                        de WVO is het niet toegestaan om een onderwijsgebouw of
                                        -terrein te verhuren als:</al><lijst><li nr="-"><al>woon- of bedrijfsruimte als bedoeld in artikel
                                                1623a, tweede lid, en 1624, tweede lid, van het
                                                Burgerlijk Wetboek, of</al></li><li nr="-"><al>de bestemming zich niet verdraagt met het onderwijs
                                                aan de school.</al></li></lijst><al>Het college neemt bij het verlenen van de toestemming in
                                        ieder geval de voorwaarde op dat als de te verhuren ruimte
                                        op (korte) termijn nodig is voor het onderwijs, dat het
                                        college deze ruimte dan vordert. De wet bepaalt dat de
                                        risico's voor verhuur en de eventuele schadeplicht die
                                        ontstaat bij het voortijdig opzeggen van het huurcontract
                                        door het bevoegd gezag, omdat het college gebruik maakt van
                                        hun vorderingsrecht, liggen bij het bevoegd gezag.</al><al>Bij verhuur moet een huurovereenkomst worden afgesloten en
                                        een huurprijs bepaald worden. Onderscheid moet worden
                                        gemaakt in de vergoeding voor de exploitatiekosten (=
                                        gebruiksvergoeding) en de vergoeding in de
                                        investeringslasten (= huurvergoeding). Het schoolbestuur
                                        stelt de hoogte van de component ‘exploitatiekosten’ (beheer
                                        en onderhoud van het schoolgebouw) vast. In het derde lid is
                                        opgenomen de mogelijkheid voor het college om aan de
                                        toestemming tot verhuur de voorwaarde te verbinden dat voor
                                        de verhuur een huur is verschuldigd, waarvan de hoogte door
                                        het college wordt vastgesteld. Dit lid is een aanvulling op
                                        wat in de onderwijswetten is opgenomen. Deze huurvergoeding
                                        is wat anders dan de gebruiksvergoeding waarvan de hoogte
                                        door het bevoegd gezag wordt vastgesteld en waar het bevoegd
                                        gezag aanspraak op maakt. De huurcomponent moet worden
                                        afgedragen aan het college als bijdrage in de
                                        investeringslasten van het schoolgebouw. Aan het verbinden
                                        van de voorwaarde tot het betalen van een huurvergoeding
                                        zijn voorwaarden verbonden:</al><lijst><li nr="1."><al>het college moet kunnen aantonen dat door het niet
                                                doorbereken van de huur de gemeente een financieel
                                                nadeel leidt;</al></li><li nr="2."><al>de huurprijs moet gerelateerd zijn aan de extra
                                                kosten of het verlies aan inkomsten door de gemeente
                                                en</al></li><li nr="3."><al>de ontvangen huurvergoeding moet rechtstreeks ten
                                                goede komen aan onderwijshuisvesting.<sup></sup></al></li></lijst><al><vet>Artikel 29. Staat van onderhoud</vet></al><al>In artikel 110 van de WPO en artikel 76u van de WVO is
                                        geregeld in welke situatie en hoe moet worden omgegaan met
                                        de overdracht van een (gedeelte van een) schoolgebouw en
                                        -terrein aan het college. Over het algemeen is de overdracht
                                        van het hele schoolgebouw en -terrein gekoppeld aan het
                                        beëindigen van de bekostiging (bijzonder onderwijs) of het
                                        opheffen van de school (openbaar onderwijs) door de minister
                                        van OCW. Overdracht door het bevoegd gezag van een
                                        schoolgebouw en -terrein aan de gemeente vindt uitsluitend
                                        plaats als het bevoegd gezag (bijzonder onderwijs, of
                                        verzelfstandigd openbaar onderwijs in bijv. een stichting)
                                        juridisch eigenaar is van het schoolgebouw. Is de gemeente
                                        juridisch eigenaar van het schoolgebouw en -terrein dan
                                        vindt geen overdracht van een (gedeelte van een)
                                        schoolgebouw en -terrein plaats. Een overdracht kan ook
                                        plaatsvinden als vervangende nieuwbouw op een andere locatie
                                        is gerealiseerd. Als dit noodzakelijk is wordt in de door
                                        het college en bevoegd gezag gezamenlijk opgestelde en
                                        ondertekende acte opgenomen een termijn waarin het
                                        schoolgebouw nog kan worden gebruikt. Bij het einde van het
                                        gebruik wordt geen onderscheid gemaakt tussen hoofdgebouwen
                                        en dislocaties, omdat dit onderscheid bij het einde van het
                                        gebruik niet relevant is. Voor alle gebouwen moet duidelijk
                                        zijn op welk moment het gebruik uiterlijk beëindigd moet
                                        worden. </al><al>De procedure voor het opmaken van een staat van onderhoud
                                        bij het beëindigen van het gebruik is gekoppeld aan het
                                        beëindigen van het gebruik van een gebouw door het bevoegd
                                        gezag. Is sprake van integraal bestuur dan blijft het
                                        opmaken van een staat onderhoud achterwege. Vanuit het
                                        oogpunt van gelijke behandeling van het openbaar en
                                        bijzonder onderwijs kan in materiële zin gekozen worden voor
                                        een gelijke handelwijze.</al><al>Met 'achterstallig onderhoud' wordt bedoeld het onderhoud
                                        dat het bevoegd gezag, met het oog op de onderhoudsplicht,
                                        had moeten uitvoeren. Het gaat er dus niet om dat een gebouw
                                        nog een extra opknapbeurt moet krijgen voordat het buiten
                                        gebruik wordt gesteld.</al><al>De staat van het onderhoud wordt opgemaakt voordat de
                                        eigendomsoverdracht plaatsvindt, omdat alleen voor die tijd
                                        nog eenduidig kan worden vastgesteld aan wie het eventueel
                                        achterstallig onderhoud is toe te rekenen. De staat van
                                        onderhoud maakt ook onderdeel uit van de op te maken akte
                                        van overdracht. </al><al><cursief>Lid 3</cursief></al><al>Het college geeft de opdracht voor het opstellen van het
                                        rapport met daarin een beschrijving van de staat van
                                        onderhoud. Deze opdracht wordt, vanuit het oogpunt van
                                        objectiviteit, verstrekt aan een onafhankelijke derde, zoals
                                        een bouwkundig adviesbureau. Voordat de opdracht wordt
                                        verstrekt heeft het college overleg met het betrokken
                                        bevoegd gezag over de inhoud van de opdracht en over de
                                        instantie die deze opdracht uitvoert. Hiermee wordt
                                        voorkomen dat achteraf onnodige discussies c.q.
                                        meningsverschillen ontstaan over de inhoud van de opdracht
                                        en over de keuze van de uitvoerder. Op grond van artikel 5
                                        kunnen bepaalde inlichtingen van het bevoegd gezag gevraagd
                                        worden (bijv. beschikbaar stellen meerjarenonderhoudsplan
                                        en/of bewijsstukken dat er geregeld onderhoud is
                                        uitgevoerd).</al><al><cursief>Lid 5</cursief></al><al>Als uit de rapportage van de staat van onderhoud blijkt dat
                                        bij het opmaken van de rapportage achterstallig onderhoud is
                                        geconstateerd en het bevoegd gezag met deze constatering
                                        instemt, kan in het overleg overeengekomen worden dat het
                                        bevoegd gezag:</al><lijst><li nr="-"><al>alsnog opdracht verstrekt tot het uitvoeren van het
                                                noodzakelijke onderhoud, of</al></li><li nr="-"><al>het bedrag dat gemoeid is met het achterstallig
                                                onderhoud aan het college betaalt, waarna het
                                                college de opdracht verstrekt.</al></li></lijst><al>Als in het overleg geen overeenstemming wordt bereikt over
                                        de uitkomst van de rapportage wordt in het overleg besproken
                                        hoe de vervolgprocedure zal zijn. Er kan worden
                                        overeengekomen dat arbitrage plaatsvindt, waarbij beide
                                        partijen afspreken zich te zullen neerleggen bij de uitkomst
                                        daarvan. Alternatief is dat het college zicht wendt tot de
                                        burgerlijke rechter, op grond van het feit dat het bevoegd
                                        gezag een onrechtmatige daad heeft gepleegd door zich niet
                                        te houden aan de wettelijke opdracht om een gebouw
                                        behoorlijk te gebruiken of te onderhouden.</al><al><cursief>Lid 6</cursief></al><al>Deze bepaling is opgenomen voor de situatie dat er geen
                                        enkele aanleiding is om te veronderstellen dat sprake is van
                                        achterstallig onderhoud, of een vermoeden over achterstallig
                                        onderhoud bestaat, maar er geen reden is om dit nog te laten
                                        vastleggen in een rapport. Dit laatste kan zich voordoen als
                                        het voornemen bestaat het schoolgebouw dat buiten gebruik
                                        wordt gesteld op termijn bijv. te verbouwen voor een andere
                                        bestemming of te slopen.</al><al><vet>Artikel 30. Mutaties aantal klokuren binnen beschikbare
                                            capaciteit; inroosteren en gebruik</vet></al><al>Lokalen bewegingsonderwijs zijn een voorziening huisvesting
                                        onderwijs en kunnen juridisch eigendom zijn van de gemeente,
                                        het bevoegd gezag of een derde. In het kader van de
                                        ruimtebehoefte van de lokalen bewegingsonderwijs is het de
                                        verantwoordelijkheid van de gemeenteraad om de criteria vast
                                        te stellen voor het vaststellen van de ruimtebehoefte en de
                                        aanvullende ruimtebehoefte. Deze criteria zijn opgenomen in
                                        bijlage III, deel B. Daarnaast is het de
                                        verantwoordelijkheid van het college om een rooster
                                        bewegingsonderwijs vast te stellen. De omvang van het
                                        gebruik door een school voor basisonderwijs van lokalen
                                        bewegingsonderwijs wordt uitgedrukt in het aantal klokuren.
                                        Het aantal klokuren is afhankelijk is van het aantal
                                        gymgroepen. Omdat het aantal gymgroepen afhankelijk is van
                                        het aantal formatieplaatsen en het aantal formatieplaatsen
                                        afhankelijk van het aantal leerlingen dat op de school is
                                        ingeschreven fluctueert het aantal klokuren jaarlijks als
                                        gevolg van mutaties in het aantal leerlingen. Voor het
                                        verwerken van de jaarlijkse mutaties is de jaarlijkse
                                        procedure tot aanvragen in het kader van het programma en de
                                        spoedprocedure niet het geëigende middel. Beide procedures
                                        zijn te zwaar en te omslachtig voor het verwerken van de
                                        jaarlijkse mutaties in het gebruik van de lokalen
                                        bewegingsonderwijs. Dit geldt in ieder geval als het aantal
                                        klokuren binnen de bestaande capaciteit kan worden
                                        opgevangen en dus niet leidt tot een uitbreiding of
                                        nieuwbouw van lokalen bewegingsonderwijs.</al><al>Tegen deze achtergrond is in artikel 30 een afzonderlijke
                                        procedure opgenomen. Uitgangspunt van deze procedure is dat
                                        het college op basis van het aantal ingeschreven leerlingen
                                        op de teldatum 1 oktober het aantal gymgroepen en daarmee
                                        het aantal klokuren bewegingsonderwijs vaststelt en op basis
                                        van het aantal klokuren het conceptrooster
                                        bewegingsonderwijs kan vaststellen. Stelt het college vast
                                        dat er te weinig capaciteit is, of dat een lokaal
                                        bewegingsonderwijs moet worden vervangen, dan kan het
                                        college de procedure voor het aanvragen van bekostiging van
                                        een huisvestingsvoorziening starten. Door deze procedure
                                        heeft het college, als lokale overheid, tijdig zicht heeft
                                        op:</al><lijst><li nr="-"><al>de accommodaties die geschikt zijn voor
                                                bewegingsonderwijs, inclusief de accommodaties die
                                                op grond van de onderwijswijswetgeving behoren tot
                                                de zgn. ‘eigendomsscholen’;</al></li><li nr="-"><al>de capaciteit van de accommodaties
                                                bewegingsonderwijs;</al></li><li nr="-"><al>het gebruik van de accommodatie bewegingsonderwijs
                                                (welke school geeft bewegingsonderwijs in welk
                                                gebouw);</al></li><li nr="-"><al>de tijdstippen en het aantal uren dat het lokaal
                                                bewegingsonderwijs gebruikt wordt, en</al></li><li nr="-"><al>het gebruik, waarbij moet worden vastgesteld of het
                                                een genormeerd gebruik is of dat het gebruik
                                                gebaseerd is op feitelijk gebruik.</al></li></lijst><al>De verordening kent zodoende de volgende stappen:</al><lijst><li nr="1."><al>het college stelt voor 15 december op basis van de
                                                teldatum 1 oktober het aantal gymgroepen vast op de
                                                datum 1 augustus (start schooljaar);</al></li><li nr="2."><al>het college stelt voor 31 december daaropvolgend een
                                                conceptrooster op; als basis kan dienen het rooster
                                                bewegingsonderwijs van het lopende schooljaar en
                                                daarin worden de mutaties als gevolg van mutaties in
                                                het aantal gymgroepen verwerkt;</al></li><li nr="3."><al>het college stelt de bevoegde gezagsorganen voor 15
                                                januari daaropvolgend in kennis van het voorlopig
                                                vastgestelde rooster bewegingsonderwijs voor het
                                                komende schooljaar;</al></li><li nr="4."><al>de bevoegde gezagsorganen reageren voor 1 maart op
                                                het aangeboden conceptrooster;</al></li><li nr="5."><al>het bevoegd gezag kan het college vragen om voor de
                                                datum van 1 maart een overleg over het
                                                conceptrooster te beleggen;</al></li><li nr="6."><al>het college stelt het rooster bewegingsonderwijs
                                                voor het komende schooljaar vast voor 15 maart
                                                .</al></li></lijst><al>De verordening geeft het bevoegd gezag de mogelijkheid om
                                        meer klokuren bewegingsonderwijs aan te vragen dan door het
                                        college genormeerd is vastgesteld. Het college kan dit
                                        verzoek honoreren als binnen de bestaande accommodaties
                                        daarvoor ruimte beschikbaar is. Aan het bevoegd gezag worden
                                        dan de kosten van deze extra klokuren
                                        doorberekend.<vet></vet></al><al><vet>Artikel 32. Indexering</vet></al><al>De in bijlage IV, deel B, opgenomen genormeerde vergoedingen
                                        moeten jaarlijks worden aangepast aan de prijsontwikkeling.
                                        Omdat bijlage IV integraal onderdeel is van de verordening
                                        moet op grond van de onderwijswetten een wijziging van de
                                        verordening worden vastgesteld door de gemeenteraad. Om deze
                                        zware procedure voor uitsluitend het aanpassen van de
                                        normbedragen te voorkomen bepaalt dit artikel dat het
                                        jaarlijks aanpassen van de normbedragen wordt gedelegeerd
                                        aan het college. De uitgangspunten voor de indexering zijn
                                        opgenomen in bijlage IV, deel A. Het wettelijk verplichte
                                        overleg met het onderwijsveld dat voor een wijziging van de
                                        verordening noodzakelijk is, kan plaatsvinden door het
                                        toezenden van de voorgenomen prijsbijstellingen en het
                                        bieden van de mogelijkheid om hierop te reageren.</al><al><vet>Bijlage I</vet><vet> –</vet><vet> Beoordelingscriteria
                                            noodzaak aangevraagde voorzieningen</vet></al><al>In bijlage I zijn opgenomen de criteria die van belang zijn
                                        voor het vaststellen van de noodzaak van de aangevraagde
                                        voorziening. De bijlage is onderverdeeld in deel A –
                                        Lesgebouwen en deel B – Lokalen bewegingsonderwijs. </al><al><vet>Deel A </vet><vet>–</vet><vet>Lesgebouwen</vet></al><al><vet>Algemeen</vet></al><al>Per voorziening onderwijshuisvesting zijn de criteria voor
                                        het vaststellen van de noodzaak van de aangevraagde
                                        voorziening beschreven. </al><al>Een school kan gehuisvest zijn in een hoofdvestiging of een
                                        dislocatie. De dislocatie is bedoeld als tijdelijke
                                        huisvesting, voor de situatie dat de hoofdvestiging te
                                        weinig capaciteit heeft om alle leerlingen te huisvesten. Is
                                        het aantal leerlingen zodanig afgenomen dat alle leerlingen
                                        weer op de hoofdvestiging kunnen worden gehuisvest, dan
                                        wordt de dislocatie afgestoten. Ontvangt het college een
                                        aanvraag voor het bekostigen van een voorziening voor een
                                        dislocatie, dan stelt het college, voordat het besluit deze
                                        aanvraag te honoreren, vast of:</al><lijst><li nr="-"><al>de dislocatie, gelet op het aantal leerlingen, nog
                                                als aanvullende huisvesting voor de school
                                                noodzakelijk is;</al></li><li nr="-"><al>dat het mogelijk is alle leerlingen in de
                                                hoofdvestiging te huisvesten, eventueel met een
                                                bouwkundige aanpassing, of</al></li><li nr="-"><al>dat er een andere geschikte of geschikt te maken
                                                locatie beschikbaar is.</al></li></lijst><al>Of het bekostigen van de voorziening in/aan de dislocatie
                                        wordt toegekend is op basis van het voorgaande een
                                        financiële afweging van het college.</al><al>Om de beoordelingscriteria van bijlage I te kunnen toepassen
                                        moet het college beschikken over minimaal de volgende
                                        gegevens:</al><lijst><li nr="-"><al>het aantal leerlingen dat op de teldatum op de
                                                school staat ingeschreven;</al></li><li nr="-"><al>het aantal leerlingen dat op lange termijn wordt
                                                verwacht;</al></li><li nr="-"><al>het verschil tussen de bestaande capaciteit (=
                                                brutovloeroppervlakte) van het gebouw of de gebouwen
                                                die door de school worden gebruikt en de gewenste
                                                ruimtebehoefte, en</al></li><li nr="-"><al>zo nodig, de bouwkundige staat van het gebouw of de
                                                gebouwen.</al></li></lijst><al>Het vaststellen van de periode waarvoor de voorziening
                                        huisvesting onderwijs noodzakelijk is, is nodig om
                                        desinvesteringen te voorkomen. Is de (aanvullende)
                                        voorziening onderwijshuisvesting voor een korte periode
                                        noodzakelijk, dan wordt gekozen voor een ‘voor tijdelijk
                                        gebruik bestemde voorziening’ tenzij een ‘voor blijvend
                                        gebruik bestemde voorziening’ voor de periode waarvoor de
                                        voorziening noodzakelijk is beschikbaar is. De periode
                                        waarvoor de voorziening noodzakelijk is wordt herleid uit de
                                        leerlingenprognose. De leerlingenprognose geeft antwoord op
                                        de vraag of het aantal leerlingen op de teldatum
                                        voorafgaande aan de datum waarop de aanvraag is ingediend
                                        ook de komende jaren nog wordt verwacht. Is de uitkomst van
                                        de leerlingenprognose dat het aantal leerlingen waarvoor de
                                        aangevraagde voorziening huisvesting onderwijs is bedoeld
                                        ook de komende jaren aanwezig is en noodzakelijk is voor een
                                        periode van:</al><lijst><li nr="-"><al>drie jaar, dan wordt geen voorziening
                                                onderwijshuisvesting toegekend omdat wordt
                                                verondersteld dat de school de extra ruimtebehoefte
                                                voor deze beperkte periode binnen de eigen school
                                                kan opvangen. Alleen als wordt vastgesteld dat dit
                                                onmogelijk is, wordt een andere voorziening
                                                goedgekeurd;</al></li><li nr="-"><al>minimaal vier tot maximaal veertien jaar, dan wordt
                                                een voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening
                                                toegekend en</al></li><li nr="-"><al>minimaal vijftien jaar, dan wordt een voor blijvend
                                                gebruik bestemde voorziening onderwijshuisvesting
                                                toegekend</al></li></lijst><al>De genoemde termijnen gelden niet voor aanvragen die zijn
                                        ontvangen voor het bekostigen van de voorzieningen
                                        huisvesting onderwijs constructiefouten en vervanging of
                                        herstel van schade in geval van bijzondere
                                        omstandigheden.</al><al>Bij het vaststellen van de noodzaak van de aangevraagde
                                        voorzieningen huisvesting onderwijs (vervangende) nieuwbouw
                                        en uitbreiding speelt, onafhankelijk van de periode waarvoor
                                        de voorziening noodzakelijk is, een rol de mogelijkheid van
                                        medegebruik of ingebruikname van een bestaand gebouw.</al><al>A.1 Nieuwbouw</al><al>Nieuwbouw<cursief></cursief>is noodzakelijk voor het huisvesten van
                                        een nieuw instituut of een nieuwe afdeling en heeft dus
                                        betrekking op een onderwijsvoorziening die nog niet in de
                                        gemeente is gevestigd en voor deze nieuwe voorziening ook
                                        geen bestaande accommodatie beschikbaar is.</al><al>A.2 Vervangende bouw</al><al>Vervangende nieuwbouw<cursief></cursief>kan het gevolg zijn van een
                                        tweetal situaties. Ten eerste vanwege de slechte conditie
                                        (bouwkundige staat) van een gebouw. Voor het vaststellen van
                                        de bouwkundige staat van het gebouw en om verschillen in de
                                        bouwkundige staat tussen verschillende gebouwen in een
                                        volgorde te kunnen plaatsen wordt voor de bouwkundige
                                        rapportage als eis gesteld een rapportage op grond van NEN
                                        2767.<vet></vet>Uitgangspunt van deze methode is dat de
                                        onderhoudsscenario's op basis van verschillende keuzes en
                                        bevindingen worden doorgerekend en bij het bepalen van de
                                        keuzes een afweging plaatsvindt tussen kwaliteit, kosten en
                                        risico's. Bij het maken van keuzes met betrekking tot
                                        onderhoud is inzicht in de aanwezige en de te bereiken
                                        kwaliteit (en de daaraan verbonden kosten) essentieel.
                                        Uitgangspunt van de methode van conditiemeting NEN 2767 is
                                        dat voor alle bouwkundige elementen een conditie wordt
                                        toegekend. Bij het vaststellen van de condities wordt ook
                                        rekening gehouden met de noodzaak van het onderhoud binnen
                                        een vooraf vastgestelde periode (in principe 3 jaar). Voor
                                        het antwoord op de vraag of activiteiten binnen de periode
                                        van 3 jaar voor het onderhoud in aanmerking komen wordt de
                                        ernst, de omvang en de intensiteit van het gebrek
                                        vastgesteld. De ernst van het gebrek wordt uitgedrukt in een
                                        score, de zgn. 'conditie voor'. Met de 'conditie voor' wordt
                                        dus eigenlijk de kwaliteit van het totale schoolgebouw
                                        vastgesteld. Deze kwaliteit kan worden onderverdeeld in de
                                        volgende conditieschalen:</al><al>Conditie 1 Nieuwbouwkwaliteit of met nieuwbouw vergelijkbare
                                        kwaliteit;</al><al>Conditie 2 Een bouw- of installatiedeel vertoont kenmerken
                                        van een beginnende veroudering;</al><al>Conditie 3 Het verouderingsproces is duidelijk op gang
                                        gekomen;</al><al>Conditie 4 Het verouderingsproces is duidelijk
                                        zichtbaar;</al><al>Conditie 5 Het verouderingsproces is niet meer te
                                        keren;</al><al>Conditie 6 De bouwkundige staat is zo slecht dat deze niet
                                        meer onder conditie 5 kan worden gerangschikt.</al><al>Op basis van de vermelde condities wordt inzicht verkregen
                                        in de bouwkundige staat en kan worden vastgesteld of
                                        vervangende nieuwbouw noodzakelijk is.</al><al>Vervangende nieuwbouw<cursief></cursief>kan ten tweede het gevolg
                                        zijn een herschikkingsoperatie. Dit kan zich in meerdere
                                        gevallen voordoen:</al><lijst><li nr="-"><al>bevoegde gezagsorganen kunnen overeenkomen om
                                                schoolgebouwen te ruilen omdat is vastgesteld dat er
                                                voldoende capaciteit voor het huisvesten van de
                                                leerlingen beschikbaar is, maar dat het ene
                                                schoolgebouw een overmaat aan capaciteit heeft en
                                                het andere schoolgebouw een tekort aan capaciteit.
                                                Door onderlinge ruil, eventueel met een beperkte
                                                bouwkundige aanpassing of uitbreiding bij een
                                                bestaand schoolgebouw of in relatie met vervangende
                                                nieuwbouw voor een bestaand schoolgebouw kan een
                                                efficiënte bezetting van de schoolgebouwen worden
                                                gerealiseerd en kan mogelijk een schoolgebouw worden
                                                afgestoten;</al></li><li nr="-"><al>fusies van scholen kunnen aanleiding zijn voor een
                                                herschikkingsoperatie omdat een fusie op
                                                schoolniveau ook gevolgen heeft voor de
                                                leerlingenstromen, waardoor mogelijk door een
                                                beperkte uitbreiding (= vervangende bouw) van het
                                                ene schoolgebouw het andere schoolgebouw kan worden
                                                afgestoten;</al></li><li nr="-"><al>vervangende nieuwbouw kan verband houden met
                                                ontwikkelingen in de ruimtelijke ordening, als
                                                gevolg van bijv. stadsvernieuwing, of het
                                                herinrichten van een wijk, waarvoor het noodzakelijk
                                                is dat het bestaande schoolgebouw of de bestaande
                                                schoolgebouwen vervangen wordt/worden.</al></li></lijst><al>Uitgangspunt van investeringen die het gevolg zijn van een
                                        herschikkingsplan is dat een grotere doelmatigheid in het
                                        gebruik van de schoolgebouwen wordt bereikt en dat het voor
                                        het college een budgettair neutrale investering is, dus voor
                                        de gemeente geen extra investeringslasten ontstaan. De
                                        budgettaire neutraliteit kan uitsluitend worden gerealiseerd
                                        als de investering van de vervangende nieuwbouw kan worden
                                        gefinancierd uit de (grond)opbrengst van de verkoop van de
                                        bestaande (te vervangen) locatie. Eventueel kunnen, nadat
                                        hierover overeenstemming is bereikt met het aanvragende
                                        schoolbestuur, gelden die het bevoegd gezag van het rijk
                                        ontvangt voor het bekostigen van de exploitatie, het
                                        onderhoud, en de aanpassingen schoolbestuur als
                                        medefinanciering worden ingezet.</al><al>A.3 Uitbreiding</al><al>Uitbreiding<cursief></cursief>wordt toegekend als de bestaande
                                        capaciteit van het schoolgebouw of de schoolgebouwen niet
                                        voldoende is voor het huisvesten van het aantal leerlingen
                                        dat op de school is ingeschreven: de ruimtebehoefte is dan
                                        groter dan de beschikbare huisvestingscapaciteit (zie ook
                                        bijlage III). Het is aan het college te bepalen op welke
                                        wijze de gevraagde extra capaciteit beschikbaar wordt
                                        gesteld. Bij het besluit kan het college rekening houden met
                                        de eventueel beschikbare capaciteit bij andere
                                        schoolgebouwen en als dat mogelijk is in plaats van de
                                        gevraagde uitbreiding van het schoolgebouw bijv. medegebruik
                                        toekennen.</al><al><vet>A.4 In gebruik nemen van een bestaand gebouw</vet></al><al>In gebruik nemen<cursief></cursief>van een bestaand gebouw of een
                                        gedeelte daarvan is afhankelijk van de volgende
                                        factoren:</al><lijst><li nr="-"><al>het aspect afstand en bereikbaarheid, waarbij het
                                                aspect afstand alleen een rol speelt als het gebouw
                                                een dislocatie wordt van een bestaande
                                                hoofdvestiging; is het gebouw noodzakelijk voor het
                                                huisvesten van een nieuwe school dan is de ligging
                                                niet relevant;</al></li><li nr="-"><al>de omvang van het gebouw is van belang om vast te
                                                stellen of en zo ja welke in- of uitpandige
                                                investeringen noodzakelijk zijn om te zorgen voor
                                                voldoende capaciteit voor het huisvesten van de
                                                leerlingen.</al></li><li nr="-"><al>de bouwkundige en onderwijskundige kwaliteit van het
                                                gebouw is van belang om vast te stellen welke
                                                bouwkundige investeringen noodzakelijk zijn om het
                                                gebouw bouwkundig en onderwijskundig geschikt te
                                                maken als kwalitatief geschikte huisvesting. Het
                                                college kan besluiten tot het bekostigen van
                                                vervangende nieuwbouw als de investeringskosten om
                                                het gebouw voor het onderwijs geschikt te maken,
                                                zoals aanpassing, uitbreiding en onderhoud,
                                                vermeerderd met (eventuele) kosten van verwerving
                                                hoger zijn dan de kosten van volledige
                                                nieuwbouw.</al></li></lijst><al>In gebruik nemen is ook mogelijk:</al><lijst><li nr="-"><al>als vervanging van een bestaand gebouw aan de orde
                                                is en ingebruikgeving per saldo geen meerkosten met
                                                zich meebrengt;</al></li><li nr="-"><al>bij een herschikkingsoperatie;</al></li><li nr="-"><al>als gevolg ontwikkelingen in de ruimtelijke
                                                ordening;</al></li><li nr="-"><al>als uitbreiding van het huidige schoolgebouw aan de
                                                orde is.</al></li></lijst><al>A.5 Verplaatsen tijdelijk gebouw</al><al>Verplaatsen van een tijdelijk gebouw kan alleen als het
                                        gebouw niet aard en nagelvast aan de grond is verbonden. Bij
                                        het verplaatsen van een tijdelijk gebouw moet rekening
                                        worden gehouden met de kosten van verplaatsen (verwijderen
                                        en opnieuw plaatsen) en het op termijn opnieuw verwijderen.
                                        Op dit punt kan het college een afweging maken tussen het
                                        verplaatsen en het bekostigen van een nieuwe
                                        voorziening.</al><al>A.6 Terrein</al><al>Terrein<cursief></cursief>is een voorziening huisvesting onderwijs
                                        die niet automatisch wordt toegekend. Vervangende nieuwbouw
                                        of uitbreiding van het schoolgebouw kan bijv. op het
                                        bestaande schoolterrein worden gerealiseerd. Als voor het
                                        realiseren van de genoemde voorzieningen terrein
                                        noodzakelijk is, wordt daar bij de eventuele toestemming
                                        voor de huisvestingsvoorziening rekening mee gehouden, deze
                                        voorziening wordt opgenomen op het programma.</al><al>A.7 Eerste inrichting</al><al>Eerste inrichting onderwijsleerpakket en meubilair wordt
                                        bekostigd aan een school voor basisonderwijs<cursief>.
                                        </cursief>Eerste inrichting leer- en hulpmiddelen wordt
                                        bekostigd aan een school voor voortgezet
                                        onderwijs.<cursief></cursief>Voor alle onderwijssectoren is de
                                        bekostiging van de eerste inrichting<cursief></cursief>gekoppeld aan
                                        het aantal m<sup>2</sup> bruto vloeroppervlakte waarvoor de
                                        voorziening nieuwbouw of uitbreiding wordt toegekend.</al><al>Bij fusie van scholen worden twee of meer scholen
                                        samengevoegd tot één school. In principe hebben de
                                        afzonderlijke scholen tot het moment van fusie ieder voor
                                        zich bekostiging voor eerste inrichting ontvangen. Dit
                                        betekent dat bij fusie van voorheen afzonderlijke scholen
                                        geen aanspraak bestaat op bekostiging van eerste inrichting
                                        als de bruto vloeroppervlakte van de gefuseerde scholen
                                        minder of gelijk is aan de bruto vloeroppervlakte van de
                                        voor de fusie afzonderlijke scholen. Uitbreiding eerste
                                        inrichting wordt uitsluitend toegekend in combinatie met
                                        uitbreiding van het schoolgebouw. Bij een fusie wordt voor
                                        de gefuseerde school geregistreerd de bruto vloeroppervlakte
                                        van de schoolgebouwen van de voorheen aan de afzonderlijke
                                        scholen is toegekend.</al><al>A.8 Medegebruik</al><al>Medegebruik is een belangrijk instrument als het gaat om het
                                        realiseren van het doelmatig gebruik van schoolgebouwen en
                                        de efficiënte inzet van middelen. </al><al>Voordat het college besluit tot medegebruik is het
                                        noodzakelijk om inzicht te hebben:</al><lijst><li nr="-"><al>in de periode waarvoor medegebruik noodzakelijk is
                                                (door middel van de leerlingenprognose), en</al></li><li nr="-"><al>de periode van medegebruik in het schoolgebouw waar
                                                de leegstand is vastgesteld (wordt op korte termijn
                                                een toename van het aantal leerlingen verwacht dan
                                                is het de vraag of medegebruik zinvol is).</al></li></lijst><al>De verordening kent geen beperking in het aantal locaties
                                        waarnaar bij medegebruik van leegstand kan worden verwezen.
                                        Wel hanteert de verordening bij medegebruik een
                                        afstandscriterium tussen de hoofdvestiging en de ruimte die
                                        in aanmerking komt voor het medegebruik, de zgn.
                                        verwijsafstand). In de verordening is als verwijsafstand
                                        opgenomen het criterium ‘voor de leerling voldoende
                                        begaanbare en veilige weg’. </al><al>De verordening maakt geen onderscheid tussen leegstand in
                                        een schoolgebouw van scholen van verschillende
                                        onderwijssectoren. De leegstand wordt vastgesteld op basis
                                        van het verschil tussen de vastgestelde capaciteit (bruto
                                        vloeroppervlakte) op grond van bijlage III, deel A, en de
                                        voor de school vastgestelde ruimtebehoefte op grond van
                                        bijlage III, deel B. Of de berekende genormeerde leegstand
                                        ook als leegstaande ruimte geschikt is voor medegebruik
                                        wordt afzonderlijk vastgesteld.</al><lijst><li nr="-"><al>Feitelijke leegstand in een school voor
                                                basisonderwijs en een school voor voortgezet
                                                onderwijs] is per definitie geschikt voor
                                                medegebruik.</al></li><li nr="-"><al>Ruimten, die een bevoegd gezag met eigen middelen
                                                heeft bekostigd, maar waarvoor het college een
                                                vergoeding verstrekt (zogenaamde eigendoms- en
                                                huurscholen) maken onderdeel uit van de
                                                voorzieningen huisvesting onderwijs en komen in
                                                aanmerking voor medegebruik.</al></li><li nr="-"><al>Ruimten die een bevoegd gezag volledig met eigen
                                                middelen heeft gerealiseerd en waarvoor geen
                                                vergoeding van de overheid is ontvangen kunnen niet
                                                in medegebruik worden gegeven omdat deze ruimte geen
                                                onderdeel uitmaken van de voor het schoolgebouw
                                                vastgestelde capaciteit (bijlage III, deel A).</al></li></lijst><al><vet>A.4 en A.8 Investeringskosten bij geschikt maken voor
                                            nieuwe bewoner</vet></al><al>In de situatie van het in gebruik nemen van een bestaand
                                        gebouw (A.4) en medegebruik (A.8) kan het noodzakelijk zijn
                                        dat bouwkundige voorzieningen moeten worden getroffen om het
                                        betreffende (school)gebouw geschikt te maken voor de nieuwe
                                        bewoner. De investeringskosten van deze investering komen
                                        voor rekening van de gemeente.</al><al>A.9 Herstel van constructiefouten</al><al>Herstel van constructiefouten<cursief></cursief>is een voorziening
                                        huisvesting onderwijs. Voordat bekostiging voor een
                                        constructiefout wordt toegekend is het van belang vast te
                                        stellen dat het daadwerkelijk gaat om een constructiefout en
                                        wie verantwoordelijk is voor het ontstaan van de
                                        constructiefout. Als sprake is van een ontwerpfout o.i.d.
                                        kan de veroorzaker van de constructiefout aansprakelijk
                                        worden gesteld voor het herstel. In dit verband speelt ook
                                        het moment waarop bekostiging voor een constructiefout wordt
                                        aangevraagd een rol. In dit verband heeft de Raad van State
                                        uitgesproken dat herstel van riolering waarvoor het
                                        schoolbestuur verantwoordelijk was (onder schoolterrein)
                                        niet als een constructiefout kan worden aangemerkt maar als
                                        regulier onderhoud moet worden gezien. Tussen het moment van
                                        het aanleggen van de riolering en het aanvragen van
                                        bekostiging lag een periode van 28 jaar. De Raad van State
                                        was van oordeel dat, gelet op de levensduur, er op dat
                                        moment geen sprake meer kan zijn van een constructiefout,
                                        maar dat sprake is van regulier onderhoud.<sup></sup> Het herstel
                                        van een constructiefout is eveneens geen voorziening
                                        huisvesting onderwijs en komt voor rekening van het bevoegd
                                        gezag als de constructiefout het gevolg is van nalatigheid
                                        van het bevoegd gezag (artikel 100, tweede lid, van de WPO
                                        en artikel 76k, tweede lid, van de WVO].<sup></sup></al><al>A.10 Vervangen of herstel van schade aan gebouw,
                                        onderwijsleerpakket en meubilair in geval van bijzondere
                                        omstandigheden</al><al>Het bekostigen van vervangen of herstel van schade in geval
                                        van bijzondere omstandigheden<cursief></cursief>is van toepassing als
                                        het bevoegd gezag geconfronteerd wordt met schade als gevolg
                                        van bijv. vandalisme, ruitbreuk, storm, inbraak, brand etc.
                                        en deze schade niet is te verhalen op een derde
                                        (daderaansprakelijkheid). Bij het bepalen van de omvang van
                                        de bekostiging wordt rekening gehouden met de situatie van
                                        de school. Bij vervanging na brand kan bijvoorbeeld een
                                        totaal afgebrande school worden vervangen door een
                                        schoolgebouw met minder bruto vloeroppervlakte als de
                                        leerlingenprognose daartoe aanleiding geeft. Ook kan het
                                        college in plaats van nieuwbouw een ander schoolgebouw
                                        toewijzen. Hiervoor geldt eveneens dat als de schade
                                        veroorzaakt wordt door nalatigheid van het bevoegd gezag
                                        (bijv. inbraak was mogelijk doordat een raam niet was
                                        afgesloten) de kosten voor rekening van het bevoegd gezag
                                        komen.</al><al><vet>Deel B</vet><vet> –</vet><vet> Voorzieningen voor
                                            lichamelijke oefening</vet></al><al>Tot een ruimte voor bewegingsonderwijs wordt niet alleen
                                        gerekend het traditionele lokaal bewegingsonderwijs (=
                                        gymnastiekruimten), maar ook het gebruik van de
                                        (gemeentelijke) sporthal. Een lokaal bewegingsonderwijs kan
                                        juridisch eigendom zijn van de gemeente, het bevoegd gezag,
                                        of een derde.</al><al><vet>B.1 Nieuwbouw, vervangende nieuwbouw, uitbreiding of
                                            ingebruikgeving</vet></al><al>Voor het vaststellen van de noodzaak van een van de
                                        gevraagde voorzieningen is een relatie gelegd tussen het
                                        aantal klokuren dat moet worden ingeroosterd en de afstand
                                        tussen het schoolgebouw dat van het lokaal
                                        bewegingsonderwijs gebruik moet maken.</al><al>Als vervoer naar een verder weg gelegen lokaal
                                        bewegingsonderwijs voor de gemeente financieel een goed
                                        alternatief is kan het college besluiten in plaats van een
                                        voorziening het vervoer naar het lokaal bewegingsonderwijs
                                        te vergoeden. Voordat hierover een besluit wordt genomen
                                        voert het college overleg met het bevoegd gezag. </al><al>B.3 Eerste inrichting</al><al>Aanvullend meubilair<cursief></cursief>voor het inrichten van het
                                        lokaal bewegingsonderwijs kan als eerste inrichting worden
                                        verstrekt als een bestaand lokaal:</al><lijst><li nr="-"><al>met een te kleine oefenzaal wordt uitgebreid waarbij
                                                de oefenzaal wordt vergroot, of</al></li><li nr="-"><al>vervangende nieuwbouw wordt gerealiseerd met een
                                                groter lokaal bewegingsonderwijs.</al></li></lijst><al>In deze situaties is de eerste inrichting in het verleden
                                        bekostigd voor de toen gerealiseerde oppervlakte en voldoet
                                        de bestaande eerste inrichting naar verwachting niet aan de
                                        gestelde eisen, respectievelijk is voor deze vernieuwde
                                        lokalen bewegingsonderwijs niet eerder de volledige
                                        bekostiging eerste inrichting verstrekt.</al><al>B.5 Medegebruik</al><al>De mogelijkheid van medegebruik<cursief></cursief>in een lokaal
                                        bewegingsonderwijs<cursief></cursief>wordt vastgesteld op basis van
                                        het rooster bewegingsonderwijs dat het college heeft
                                        vastgesteld voor de scholen voor primair en speciaal of
                                        voortgezet speciaal onderwijs en het rooster
                                        bewegingsonderwijs dat het bevoegd gezag van de school voor
                                        het voortgezet onderwijs heeft vastgesteld voor de school
                                        voor voortgezet onderwijs.</al><al><vet>Bijlage II</vet><vet>
                                            –</vet><vet></vet><vet>Prognosecriteria </vet></al><al>Op grond van de artikelen 7, tweede lid, onder a, en 20,
                                        eerste lid, onder c, is het bevoegd gezag verplicht een
                                        leerlingenprognose te overleggen als een aanvraag voor het
                                        bekostigen van een voorziening huisvesting onderwijs
                                        (vervangende) nieuwbouw, uitbreiding gebouw, eerste
                                        inrichting, in gebruik nemen, verplaatsen, terrein en
                                        medegebruik wordt ingediend. De leerlingenprognose is de
                                        basis voor het beoordelen van de noodzaak van de door de
                                        bevoegde gezagsorganen aangevraagde voorziening en van
                                        belang voor het vaststellen van de periode waarvoor de
                                        voorziening huisvesting onderwijs noodzakelijk is. </al><al><vet>Bijlage III</vet><vet> –</vet><vet>
                                            Beoordelingscriteria capaciteit, ruimtebehoefte en
                                            </vet><vet>aanvullende ruimtebehoefte</vet></al><al>In bijlage III wordt evenals in bijlage I een onderverdeling
                                        per voorziening huisvesting onderwijs gehanteerd. Op
                                        verschillen tussen de onderwijssectoren wordt bij de
                                        sectoren afzonderlijk ingegaan.</al><al>Bij het vaststellen van de onderwijscapaciteit van het
                                        schoolgebouw die wordt geregistreerd wordt geen rekening
                                        gehouden met de m<sup>2</sup> bruto vloeroppervlakte die een
                                        bevoegd gezag voor eigen rekening heeft gerealiseerd, waar
                                        dus geen (rijks)vergoeding voor is verstrekt. Deze
                                        capaciteit wordt wel geregistreerd.</al><al><vet>Deel A</vet><vet> –</vet><vet> Vaststellen
                                            capaciteit</vet></al><al>De capaciteit van een (school)gebouw wordt vastgesteld in
                                        m<sup>2</sup> bruto vloeroppervlakte. Op basis van de
                                        vastgestelde capaciteit kan worden beoordeeld of het
                                        (school)gebouw:</al><lijst><li nr="a."><al>te maken heeft met leegstand, of</al></li><li nr="b."><al>moet worden uitgebreid omdat er een tekort aan
                                                capaciteit is (aanvullende ruimtebehoefte, deel
                                                C).</al></li></lijst><al>De bruto vloeroppervlakte van het schoolgebouw wordt door
                                        het college opgenomen in de gemeentelijke administratie,
                                        omdat dit gegeven van wezenlijk belang is voor het uitvoeren
                                        van de verordening. Mutaties die plaatsvinden (nieuwbouw,
                                        vervangende nieuwbouw, uitbreiding etc.) moeten op grond van
                                        artikel 5 van de verordening door de bevoegde gezagsorganen
                                        aan het college worden doorgegeven. Door het vastleggen van
                                        deze mutaties in de gemeentelijke administratie beschikt het
                                        college over de meest actuele bruto vloeroppervlakte van de
                                        (school)gebouwen. De bruto vloeroppervlakte is een gegeven
                                        dat wordt bepaald aan de hand van deel E, de meetinstructie
                                        voor het vaststellen van de bruto vloeroppervlakte van
                                        schoolgebouwen.</al><al>Bij het vaststellen van de capaciteit kan vastgesteld worden
                                        dat als gevolg van de indeling van het schoolgebouw de
                                        vastgestelde capaciteit niet volledig geschikt is voor
                                        medegebruik (bijv. een gangenschool). Het schoolgebouw is
                                        dan ‘overgedimensioneerd’ als gevolg van een onevenwichtige
                                        indeling van het schoolgebouw. Op dat moment kan het bevoegd
                                        gezag het college vragen om de capaciteit lager vast te
                                        stellen. Het college neemt over dit verzoek een besluit.
                                        Besluit het college aan het verzoek van het bevoegd gezag te
                                        voldoen, dan registreert het college zowel de totale bruto
                                        vloeroppervlakte van het schoolgebouw en de bruto
                                        vloeroppervlakte die geschikt is als op minder
                                        onderwijscapaciteit. Op het moment dat het college een
                                        aanvraag voor het bekostigen van uitbreiding van het
                                        schoolgebouw ontvangt stelt het college vast of het mogelijk
                                        is de gevraagde uitbreiding geheel of gedeeltelijk inpandig
                                        te realiseren waardoor de ‘overdimensionering’ van het
                                        schoolgebouw wordt verminderd.</al><al><vet>A.1.2 en A.1.3 Dislocaties</vet></al><al>Als de school is gehuisvest in meerdere gebouwen wordt
                                        gesproken van huisvesting in een hoofdgebouw en een of meer
                                        dislocaties. Daalt het aantal leerlingen zodanig dat het
                                        gebruik van een van de locaties kan worden beëindigd, dan is
                                        het in eerste instantie aan het bevoegd gezag een besluit te
                                        nemen over de locatie die buiten gebruik wordt gesteld en
                                        wordt overgedragen aan het college, tenzij een van de
                                        locaties een gebouw is waarvoor het college een
                                        huurvergoeding betaalt. Een schoolgebouw waarvoor het
                                        college een huurvergoeding betaalt wordt als eerste buiten
                                        gebruik gesteld. Als het college van mening is dat het
                                        buiten gebruik stellen van een ander schoolgebouw de
                                        voorkeur heeft, dan vindt overleg plaats tussen het bevoegd
                                        gezag en het college.</al><al><vet>A.1.4 Terrein </vet></al><al>De terreinoppervlakte waarop het schoolgebouw staat is
                                        gelijk aan de grootte van het perceel zoals dit bij het
                                        Kadaster is vastgelegd. Het kan voorkomen dat de kadastrale
                                        perceelgrenzen niet overeenkomen met de grenzen van het
                                        schoolterrein. Oorzaak is vaak dat de terreinoppervlakte van
                                        het openbaar groen en eventueel andere openbare gebouwen
                                        samen met het schoolterrein als een geheel is geregistreerd.
                                        In die situatie wordt voor het schoolgebouw het met
                                        overheidsmiddelen bekostigde deel van de terreinoppervlakte
                                        vastgelegd.</al><al><vet>A.1.5 Inventaris </vet></al><al>Het vaststellen van het aantal leerlingen waarvoor eerste
                                        inrichting is bekostigd is noodzakelijk voor het beoordelen
                                        van een aanvraag voor het bekostigen uitbreiding van eerste
                                        inrichting. Evenals geldt voor het schoolgebouw is de
                                        uitbreiding van de eerste inrichting gekoppeld aan de
                                        uitbreiding met het aantal m<sup>2</sup> bruto
                                        vloeroppervlakte. Uitgangspunt is dat op 1 januari 2015 de
                                        eerste inrichting is bekostigd waarop het bevoegd gezag tot
                                        die datum aanspraak maakte.</al><al><vet>A.1.6 Loka</vet><vet>len</vet><vet> bewegingsonderwijs
                                        </vet></al><al>Het vaststellen van de capaciteit van het lokaal
                                        bewegingsonderwijs is van belang om te kunnen vaststellen of
                                        het aantal klokuren voor een school voor
                                        basisonderwijs,<cursief></cursief>of het aantal lesuren voor een
                                        school voor voortgezet kan worden ingeroosterd.</al><al><vet>A.1.6.2 Terrein</vet></al><al>De terreinoppervlakte<cursief></cursief>van een lokaal
                                        bewegingsonderwijs is gelijk aan de grootte van het perceel
                                        zoals dit bij het Kadaster is vastgelegd. Of de
                                        terreinoppervlakte van het lokaal bewegingsonderwijs
                                        afzonderlijk wordt geregistreerd is afhankelijk van de
                                        ligging van het lokaal bewegingsonderwijs. Als het lokaal
                                        bewegingsonderwijs:</al><lijst><li nr="-"><al>inpandig in het schoolgebouw is gerealiseerd maakt
                                                het onderdeel uit van de terreinoppervlakte van het
                                                schoolgebouw; </al></li><li nr="-"><al>als aanbouw van het schoolgebouw, of als
                                                afzonderlijk gebouw is gerealiseerd op het terrein
                                                van het bevoegd gezag wordt het afzonderlijk
                                                geregistreerd;</al></li><li nr="-"><al>ligt op een afzonderlijk terrein wordt het
                                                afzonderlijk geregistreerd;</al></li><li nr="-"><al>onderdeel uitmaakt van een school voor voortgezet
                                                onderwijs en ligt op hetzelfde terrein als het
                                                schoolgebouw, dan wordt het niet afzonderlijk
                                                geregistreerd.</al></li></lijst><al><vet>A.1.6.3 Inventaris</vet></al><al>De eerste inrichting van het lokaal bewegingsonderwijs die
                                        bekostigd is wordt geacht voldoende te zijn om te voldoen
                                        aan de gesteld eisen van het bewegingsonderwijs.</al><al><vet>Deel B</vet><vet> –</vet><vet> Vaststellen
                                            ruimtebehoefte</vet></al><al>Voor het vaststellen van de ruimtebehoefte is bepalend het
                                        aantal leerlingen dat op de teldatum 1 oktober voorafgaande
                                        aan het indienen van de aanvraag op de school aanwezig is.
                                        Op basis van het aantal leerlingen wordt de bruto
                                        vloeroppervlakte (= ruimtebehoefte) vastgesteld. Op basis
                                        van de uitkomst van de leerlingenprognose wordt vastgesteld
                                        voor welke periode deze ruimtebehoefte noodzakelijk is. </al><al><vet>B.1 Lesgebouwen</vet></al><al>De ruimtebehoefte voor een school voor basisonderwijs en een
                                        school voor voortgezet onderwijs wordt gebaseerd op het
                                        aantal leerlingen vermenigvuldigd met een m<sup>2</sup>
                                        bruto vloeroppervlakte per leerling. Een school voor
                                        voortgezet onderwijs maakt daarnaast aanspraak op een vaste
                                        voet, die afhankelijk is van:</al><lijst><li nr="-"><al>de aard van de vestiging, te weten een hoofd- of een
                                                nevenvestiging met spreidingsnoodzaak, en</al></li><li nr="-"><al>de leerweg van de school voor vmbo of
                                                praktijkschool.</al></li></lijst><al><vet>B.1.1 School voor basisonderwijs </vet></al><al>De ruimtebehoefte van de school voor basisonderwijs is
                                        opgebouwd uit de basisruimtebehoefte en de aanvullende
                                        ruimtebehoefte. De basisruimtebehoefte bestaat uit de vaste
                                        voet (200 m<sup>2</sup>) en de som van het aantal ongewogen
                                        leerlingen dat op de school voor basisonderwijs is
                                        ingeschreven vermenigvuldigd met 5,03 m<sup>2</sup> per
                                        leerling. Op aanvullende ruimtebehoefte bestaat aanspraak
                                        als op de school ‘gewichtenleerlingen’ staan ingeschreven.
                                        De aanvullende ruimtebehoefte is afhankelijk van de
                                        ‘gewichtensom’. De som van de basisruimtebehoefte en de
                                        aanvullende ruimtebehoefte is de totale ruimtebehoefte.</al><al><vet>B.1.4 School voor voortgezet onderwijs</vet></al><al>Een school voor voortgezet onderwijs kent uitsluitend de
                                        basisruimtebehoefte. De basisruimtebehoefte bestaat uit een
                                        vaste voet, vermeerderd met de som van het aantal leerlingen
                                        vermenigvuldigd met de m<sup>2</sup> bruto vloeroppervlakte
                                        per leerling, die geldt voor de onderwijsrichting waarop de
                                        leerling staat ingeschreven. De vaste voet wordt toegekend
                                        voor de hoofdvestiging van de school voor voortgezet
                                        onderwijs en de nevenvestiging met spreidingsnoodzaak.
                                        Daarnaast wordt een vaste voet toegekend voor de
                                        afzonderlijke leerwegen in het vmbo. Of sprake is van een
                                        nevenvestiging met spreidingsnoodzaak wordt vastgesteld op
                                        basis van de door de minister van OCW aan het bevoegd gezag
                                        afgegeven beschikking. </al><al>Leerwegondersteunend onderwijs (Lwoo) of de gemengde leerweg
                                        kan de school voor voortgezet onderwijs uitsluitend
                                        aanbieden in relatie met de beroepsgerichte leerweg van een
                                        bepaalde afdeling of sector en kan uitsluitend worden
                                        aangeboden als de minister van OCW hiervoor toestemming
                                        heeft verleend. De school voor voortgezet onderwijs beschikt
                                        dan over de betreffende licenties.]</al><al><vet>B.2 Lokalen bewegingsonderwijs</vet></al><al>De ruimtebehoefte van een lokaal bewegingsonderwijs is
                                        afhankelijk van het totaal aantal klokuren of lesuren dat in
                                        het lokaal bewegingsonderwijs is ingeroosterd. De
                                        ruimtebehoefte van de school voor basisonderwijs is
                                        afhankelijk van het aantal gymgroepen. Het aantal gymgroepen
                                        voor de school voor basisonderwijs is afhankelijk van het
                                        aantal formatieplaatsen. Om het aantal formatieplaatsen te
                                        bepalen wordt de splitsingstabel gehanteerd die het college
                                        hanteert bij het vaststellen van de materiele vergoeding.
                                        Beschikt de school voor basisonderwijs niet over een
                                        speellokaal, dan bestaat aanspraak op gebruik van een lokaal
                                        bewegingsonderwijs door de leerlingen in de leeftijd van 4
                                        en 5 jaar. Hierop bestaat geen aanspraak als de school voor
                                        basisonderwijs binnen de genormeerde bruto vloeroppervlakte
                                        geen speellokaal heeft gerealiseerd.</al><al><vet>Deel C</vet><vet> –</vet><vet> Vaststellen aanvullende
                                            ruimtebehoefte</vet></al><al>De aanvullende ruimtebehoefte wordt in de volgende stappen
                                        vastgesteld:</al><lijst><li nr="-"><al>stap 1 vastgestelde capaciteit (deel A)</al></li><li nr="-"><al>stap 2 vastgestelde ruimtebehoefte (deel B)</al></li><li nr="-"><al>stap 3 vaststellen aanvullende ruimtebehoefte =
                                                saldo capaciteit – vastgestelde ruimtebehoefte</al></li><li nr="-"><al>stap 4 vaststellen of saldo van stap 3 gelijk of
                                                groter is dan de drempelwaarde<sup></sup></al></li><li nr="-"><al>stap 5 is de uitkomst van stap 4:</al></li><li nr="-"><al>lager dan de drempelwaarde, dan bestaat geen
                                                aanspraak op bekostigen voorziening,</al></li><li nr="-"><al>gelijk of groter dan de drempelwaarde, dan bestaat
                                                aanspraak op het bekostigen van een voorziening op
                                                basis van de uitkomst van stap 3.</al></li></lijst><al>Een school voor basisonderwijs maakt geen aanspraak op extra
                                        bruto vloeroppervlakte voor een speellokaal, omdat deze
                                        bruto vloeroppervlakte is geïntegreerd in de vaste voet en
                                        bruto vloeroppervlakte per leerling. Heeft de school voor
                                        basisonderwijs binnen de genormeerde bruto vloeroppervlakte
                                        geen speellokaal gerealiseerd dan bestaat geen aanspraak op
                                        gebruik van een lokaal bewegingsonderwijs door de groepen 1
                                        en 2 wegens het ontbreken van een speellokaal. In deze
                                        situatie kan de school voor basisonderwijs een lokaal
                                        bewegingsonderwijs door de groepen 1 en 2 alleen gebruiken
                                        als het college hiervoor toestemming verleend, binnen het
                                        lokaal bewegingsonderwijs de noodzakelijke capaciteit
                                        beschikbaar is en het bevoegd gezag bereid is een
                                        huurvergoeding te betalen. </al><al>Bij een aanvraag voor het bekostigen van de voorziening
                                        onderwijshuisvesting uitbreiding wordt vastgesteld of
                                        gebruik is gemaakt van de mogelijkheid om de capaciteit van
                                        het schoolgebouw lager vast te stellen dan de feitelijke
                                        bruto vloeroppervlakte van het schoolgebouw (zie toelichting
                                        deel A). Heeft deze situatie zich voorgedaan, dan wordt in
                                        de berekening voor het vaststellen van het aantal
                                        m<sup>2</sup> uitbreiding van het schoolgebouw bekeken of
                                        het verschil tussen de feitelijk aanwezige capaciteit en de
                                        geregistreerde capaciteit kan worden opgeheven resp.
                                        verminderd. Doet deze situatie zich voor, dan geldt als
                                        uitgangspunt voor het ontwerpen van een bouwplan dat de
                                        toegekende uitbreiding in eerste instantie moet leiden tot
                                        het verminderen van de zgn. verschiloppervlakte. Dit kan
                                        leiden tot het toekennen van een interne aanpassing of
                                        beperkte uitbreiding in combinatie met een interne
                                        aanpassing van het schoolgebouw. De definitieve keuze is
                                        afhankelijk van de investeringskosten die moeten blijken uit
                                        een vergelijking tussen de investeringskosten van
                                        uitsluitend de aanpassing en de investeringskosten van een
                                        combinatie van aanpassing met een eventuele (beperkte)
                                        uitbreiding. Op het moment dat wordt vastgesteld dat de
                                        investeringskosten van de aanpassing hoger zijn dan de
                                        investeringskosten van een (beperkte) uitbreiding van het
                                        gebouw kan worden besloten het gebouw uit te breiden. </al><al>In het voortgezet onderwijs bestaat pas aanspraak op
                                        bekostiging van de voorziening uitbreiding van het
                                        schoolgebouw als de gevraagde ruimtebehoefte minimaal tien
                                        procent hoger is dan de bruto vloeroppervlakte van de
                                        bestaande capaciteit. De wijze waarop de ruimtebehoefte
                                        wordt vastgesteld is afhankelijk van de onderwijssoort. Bij
                                        het toekennen van de voorziening uitbreiding wordt
                                        onderscheid gemaakt in de ‘voor blijvend’ en de ‘voor
                                        tijdelijk gebruik bestemde voorziening’. Wordt
                                        toegekend:</al><lijst><li nr="-"><al>de voor blijvend gebruik bestemde voorziening, dan
                                                wordt toegekend de totaal berekende aanvullende
                                                ruimtebehoefte, er wordt dus geen rekening gehouden
                                                met de drempel van 10%;</al></li><li nr="-"><al>de voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening, dan
                                                wordt toegekend het aantal m<sup>2</sup> dat de 10%
                                                overschrijdt, de aanvullende ruimtebehoefte tot 10%
                                                moet het schoolbestuur binnen de bestaande
                                                capaciteit opvangen<sup></sup>.</al></li></lijst><al><vet>C.1 en C.2 Voor blijvend en tijdelijk gebruik bestemde
                                            voorzieningen</vet><vet></vet></al><al>Bij het toekennen van ruimtebehoefte wordt onderscheid
                                        gemaakt in voor tijdelijk gebruik bestemde voorzieningen en
                                        voor blijvend gebruik bestemde voorzieningen. De keuze
                                        tussen voor tijdelijk of permanent is afhankelijk van de
                                        verwachte periode dat de voorziening noodzakelijk is. Bij
                                        een periode van:</al><lijst><li nr="-"><al>korter dan 4 jaar, dan in principe geen
                                                toekenning;</al></li><li nr="-"><al>4 jaar tot 15 jaar, dan toekennen van voor tijdelijk
                                                gebruik bestemde</al></li></lijst><al>huisvesting;</al><al>-langer dan 15 jaar, dan toekennen van voor blijvend gebruik
                                        bestemde </al><al>- huisvesting.</al><al><vet>C.3 Overige voor blijvend gebruik of voor tijdelijk
                                            gebruik bestemde voorzieningen</vet></al><al>De mogelijkheid van ingebruikneming is afhankelijk van de
                                        vastgestelde ruimtebehoefte in relatie tot de capaciteit van
                                        het schoolgebouw. Afhankelijk van de benodigde capaciteit
                                        kan een gebouw volledig dan wel gedeeltelijk in gebruik
                                        worden gegeven.</al><al>De mogelijkheid van medegebruik is afhankelijk van de
                                        vastgestelde leegstand in het schoolgebouw en in relatie tot
                                        de vastgestelde ruimtebehoefte en de afstand tussen de
                                        hoofdvestiging en de vestiging waar het medegebruik kan
                                        worden gerealiseerd.</al><al>De omvang van het terrein heeft betrekking op zowel de
                                        ondergrond van het schoolgebouw als het aangrenzende
                                        speelterrein. De minimaal noodzakelijke oppervlakte voor een
                                        school voor basisonderwijs of school voor voortgezet
                                        speciaal onderwijs<cursief></cursief>is opgenomen in deel D. Tot het
                                        terrein behoren niet de eventueel noodzakelijke
                                        parkeerplaatsen, of de ruimte voor een kiss-en-ride-strook. </al><al>De omvang van de eerste aanschaf van onderwijsleerpakket of
                                        de uitbreiding is gekoppeld aan de voorziening nieuwbouw of
                                        uitbreiding. Wordt een van deze voorzieningen toegekend, of
                                        een alternatief (bijv. ingebruikgeving, medegebruik), dan
                                        ontstaat aanspraak op bekostiging van deze voorziening.</al><al><vet>C.4 Lokalen bewegingsonderwijs</vet></al><al>De bepalingen rond de verschillende voorzieningen
                                        huisvesting onderwijs die betrekking hebben op het lokaal
                                        bewegingsonderwijs zijn gelijk aan de bepalingen die van
                                        toepassing zijn op het toekennen van voorzieningen voor
                                        schoolgebouwen. </al><al><vet>Deel D</vet><vet> –</vet><vet> Minimumnormen bij het
                                            realiseren van nieuwe voorzieningen </vet></al><al>In de verordening zijn uitsluitend minimumnormen opgenomen.
                                        Het is aan het bevoegd gezag om de ruimten en indeling van
                                        het schoolgebouw te bepalen. Daarbij moet het bevoegd gezag
                                        wel voldoen aan de eisen van het Bouwbesluit.</al><al><vet>Bijlage IV</vet><vet> –</vet><vet> Normbedragen voor
                                            vergoeding en indexering</vet></al><al><vet>Algemeen</vet></al><al>Artikel 102, derde lid, van de WPO en artikel 76m, derde
                                        lid, van de WVO verplichten de gemeenteraad normen vast te
                                        stellen voor het bekostigen van de voorzieningen huisvesting
                                        onderwijs die worden toegekend. Bijlage IV is de uitwerking
                                        van deze artikelen en deze bijlage heeft een relatie met
                                        artikel 4 van de verordening, waarin is opgenomen welke
                                        voorzieningen worden bekostigd op basis van normbedragen </al><al>Naast het bekostigen van de genoemde voorzieningen
                                        onderwijshuisvesting is de gemeente verantwoordelijk voor
                                        het bekostigen van de onroerend zaak belasting (artikel 133
                                        van de WPO, artikel 127 van de WEC en artikel 96c.1 van de
                                        WVO). Het bedrag dat de gemeente voor de OZB moet bekostigen
                                        is gelijk aan het bedrag van de opgelegde aanslag.</al><al><vet>Deel A</vet><vet> –</vet><vet> Indexering</vet></al><al>De normbedragen moeten jaarlijks worden aangepast aan het
                                        dan geldende prijspeil. Met het bijstellen aan de hand van
                                        een indexcijfer wordt het normbedrag op een actueel
                                        prijspeil gebracht. De verordening hanteert het
                                        MEV-prijsindexcijfer dat jaarlijks, gelijktijdig met de
                                        miljoenennota, wordt gepubliceerd. Het vaststellen van de
                                        nieuwe normbedragen is door de gemeenteraad gedelegeerd aan
                                        het college (artikel 32 van de verordening).</al><al><vet>Deel B</vet><vet> –</vet><vet> Normbedragen</vet></al><al><vet>Vergoeding voorbereidingskrediet</vet></al><al>In de artikelen 3, 4, 7 en 15 van de verordening is de
                                        mogelijkheid opgenomen om een voorbereidingskrediet aan te
                                        vragen en toe te kennen. Het voorbereidingskrediet wordt
                                        gebaseerd op 8% van het normbedrag zoals opgenomen in deze
                                        bijlage, of op 8% van het geraamde bedrag van de feitelijke
                                        kosten. Nadat het definitieve bedrag van de bekostiging is
                                        vastgesteld wordt bij het beschikbaar stellen van de
                                        vergoeding het al beschikbaar gestelde voorbereidingskrediet
                                        in mindering gebracht op het bedrag van de vastgestelde
                                        bekostiging. </al><al><vet>A en B. Nieuwbouw en uitbreiding met permanente
                                            bouw</vet><vet>aard</vet></al><al>De opgenomen normbedragen omvatten alle bijkomende kosten,
                                        zoals eventuele kosten voor fundering, aansluitkosten,
                                        terreininrichting en dergelijke en zijn incl. BTW.</al><al>De hoogte van de normvergoeding is voor:</al><al>-een school voor basisonderwijs opgebouwd uit een:</al><al>1) startbedrag, inclusief een aantal m2 bruto
                                        vloeroppervlakte en</al><al>2) bedrag per m2 bruto vloeroppervlakte.</al><al>-een school voor voortgezet onderwijs opgebouwd uit
                                        een:</al><al>1) vaste voet (hoofdvestiging en nevenvestiging met
                                        spreidingsnoodzaak)</al><al>2) bedrag per m2 bruto vloeroppervlakte, afhankelijk van de
                                        toegekende bruto vloeroppervlakte en toegekende ruimtesoort
                                        (lokaal specifiek en sectie specifiek).</al><al>De normvergoeding ‘uitbreiding’ voor een school voor
                                        voortgezet onderwijs wordt als volgt vastgesteld:</al><lijst><li nr="a."><al>per ruimtesoort bepalen het verschil tussen
                                                bestaande capaciteit bruto vloeroppervlakte en
                                                toegekende uitbreiding bruto vloeroppervlakte;</al></li><li nr="b."><al>per ruimtesoort berekenen de vergoeding op basis van
                                                het onder a vastgestelde verschil in capaciteit,
                                                en</al></li><li nr="c."><al>vaststellen de hoogte van de vergoeding.</al></li></lijst><al>Deze berekening is noodzakelijk omdat een uitbreiding van
                                        een school voor voortgezet onderwijs enerzijds bestaande
                                        ruimten in het schoolgebouw moeten worden uitgebreid en
                                        anderzijds mogelijk bestaande ruimten in bruto
                                        vloeroppervlakte kunnen worden teruggebracht.</al><al>Naast de genoemde normbedragen voor de stichtingskosten
                                        kunnen, afhankelijk van de toe te kennen voorziening,
                                        aanvullende vergoedingen worden toegekend voor bijv.
                                        fundering, inrichting van het terrein, het realiseren van
                                        een speellokaal en sloopkosten. Kosten voor de verwerving
                                        van een terrein zijn niet opgenomen, aangezien deze kosten
                                        afhankelijk van de ligging sterk kunnen variëren.</al><al><vet>A.2</vet><vet> Kosten voor terreinen</vet></al><al>De gemeente moet de grond bouw- en woonrijp opleveren. Dit
                                        betekent dat alle kosten die verband houden met het bouw- en
                                        woonrijp maken (aankoop, aanleggen riolering, schoongrond
                                        verklaring, bestrating et cetera) voor rekening van de
                                        gemeente komen</al><al><vet>C. Tijdelijke voorziening</vet></al><al>Een tijdelijk gebouw kan worden gerealiseerd in de vorm van
                                        nieuwbouw, of door middel van huur van een tijdelijke
                                        voorziening of bestaande huisvesting (een tijdelijke
                                        accommodatie kan ook betrekking hebben op een semipermanent
                                        gebouw). De keuze tussen aankoop en huur van tijdelijke
                                        huisvesting is afhankelijk van aspecten als de verwachte
                                        gebruiksduur, verwerving van eigendom en multifunctioneel
                                        gebruik. Tijdelijke lokalen kunnen noodzakelijk zijn:</al><lijst><li nr="-"><al>als eerste voorziening (nieuwbouw);</al></li><li nr="-"><al>voor het uitbreiden van een permanent hoofdgebouw,
                                                en</al></li><li nr="-"><al>voor het uitbreiden van een bestaande
                                                accommodatie.</al></li></lijst><al>De keuze tussen huur of koop van tijdelijke huisvesting in
                                        plaats van het realiseren van permanente huisvesting wordt
                                        gebaseerd op de uitkomst van een vergelijking tussen de
                                        kosten van:</al><lijst><li nr="-"><al>tijdelijke huisvesting in relatie tot de kosten van
                                                een permanente voorziening, en</al></li><li nr="-"><al>aankoop van tijdelijke huisvesting in relatie met de
                                                kosten van huur van tijdelijke huisvesting,</al></li></lijst><al>waarbij in beide vergelijkingen rekening moet worden
                                        gehouden met de kosten van het plaatsen en het in de
                                        toekomst verwijderen van de te huren resp. aan te kopen
                                        lokalen.</al><al>Afhankelijk van de uitkomst van de berekening kan de
                                        conclusie zijn dat gelet op de:</al><lijst><li nr="-"><al>kosten van de tijdelijke huisvesting in vergelijking
                                                met de kosten van de permanente huisvesting alsnog
                                                bekostiging voor permanente bouw wordt toegekend
                                                (dit speelt vooral als de tijdelijke huisvesting
                                                naar verwachting voor lange termijn noodzakelijk
                                                is);</al></li><li nr="-"><al>korte periode waarvoor de voorziening noodzakelijk
                                                is een huurvergoeding wordt toegekend, of</al></li><li nr="-"><al>periode waarvoor de voorziening noodzakelijk is,
                                                wordt overgegaan tot koop van een tijdelijk gebouw
                                                omdat dit goedkoper is dan huur.</al></li></lijst><al><vet>D. Eerste inrichting</vet></al><al>De vergoeding voor de eerste inrichting van een school voor
                                        basisonderwijs<cursief></cursief>bestaat<cursief></cursief>uit een basisbedrag
                                        en een bedrag per m<sup>2</sup>. </al><al>Voor het voortgezet onderwijs wordt bij (vervangende)
                                        nieuwbouw het bedrag van de bekostiging eerste inrichting
                                        waarop de school voor voortgezet onderwijs aanspraak maakt
                                        op gelijke wijze berekend als de berekening van vergoeding
                                        bouwkosten (vervangende) nieuwbouw. Aanvullende bekostiging
                                        eerste inrichting leer- en hulpmiddelen is niet in alle
                                        gevallen noodzakelijk:</al><lijst><li nr="-"><al>als een school goedkope ruimte (bijv. algemene
                                                ruimte) moet ombouwen voor dure ruimte (bijv.
                                                werkplaats of specifieke ruimte) wordt het verschil
                                                in inventariskosten gecompenseerd;</al></li><li nr="-"><al>als een school een werkplaats of specifieke ruimte
                                                ombouwt tot algemene ruimte ontstaat de omgekeerde
                                                situatie, in principe wordt de school gekort op het
                                                bedrag voor inventaris. Als deze situatie zich
                                                voordoet wordt vastgesteld dat de school een hoger
                                                bedrag aan bekostiging heeft ontvangen dan waarop
                                                het volgens de verordening aanspraak maakt. Dit
                                                verschil wordt geregistreerd.</al></li></lijst><al><vet>E. Lokalen bewegingsonderwijs</vet></al><al>De normbedragen voor de lokalen bewegingsonderwijs zijn
                                        onderverdeeld in bedragen voor:</al><lijst><li nr="-"><al>nieuwbouw;</al></li><li nr="-"><al>uitbreiding, en</al></li><li nr="-"><al>eerste inrichting met
                                                onderwijsleerpakket/meubilair.</al></li></lijst><al><vet>F. Vergoeding feitelijke kosten</vet></al><al>Voor het vaststellen van de vergoeding op basis van de
                                        feitelijke kosten wordt onderscheid gemaakt in de
                                        voorzieningen genoemd in artikel 2, onder a, en de
                                        voorzieningen genoemd in artikel 2, onder b en c. In de
                                        kostenbegroting van de eerstgenoemde voorzieningen zijn
                                        opgenomen de kosten van de architect en het bouwkundig
                                        toezicht. Deze kosten maken geen onderdeel uit van de
                                        ontvangen offertes voor het herstel als gevolg van een
                                        constructiefout of andere schade. Ook bij het vaststellen
                                        van deze niet genormeerde kosten moet rekening worden
                                        gehouden met de kosten van technische advisering.<sup></sup></al><al><vet><cursief>G. Huur sportvelden</cursief></vet></al><al>Een school voor voortgezet onderwijs maakt aanspraak op een
                                        vergoeding van het college voor het gebruik van een
                                        sportveld. Op deze vergoeding bestaat uitsluitend aanspraak
                                        als het sportveld niet is gerealiseerd met gemeentelijke
                                        middelen. De huurvergoeding is een vergoeding in de
                                        investeringskosten. Naast de vergoeding voor de
                                        investeringskosten die voor rekening van de gemeente komt
                                        kan de verhuurder aan de school voor voortgezet onderwijs in
                                        rekening brengen een vergoeding voor de exploitatiekosten.
                                        De hoogte van de exploitatiekosten wordt vastgesteld door
                                        degene die het sportveld beschikbaar stelt en deze kosten
                                        komen volledig voor rekening van het bevoegd gezag. </al><al>De gemeentelijke vergoeding is gebaseerd op de periode van 8
                                        weken en wordt alleen vermenigvuldigd met het aantal lesuren
                                        dat de school voor voortgezet onderwijs van het sportveld
                                        gebruik maakt.</al></li></lijst></bijlage></regeling></body></cvdr>