<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR367596_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening op de heffing en de invordering van belastingen op roerende woon- en bedrijfsruimten 2015</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Castricum</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-10-10</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Castricum</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2014-76148.html">gmb-2014-76148</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening belastingen op roerende woon- en bedrijfsruimten 2015</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0005416&amp;artikel=221">Gemeentewet, artikel 221</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>financiën en economie</dcterms:subject><dcterms:issued>2014-11-13</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2015-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2016-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend.</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Deze verordening vervangt de Verordening op de heffing en invordering van belastingen op roerende woon- en bedrijfsruimte 2014.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening op de heffing en de invordering van belastingen op roerende woon- en
            bedrijfsruimten 2015</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente Castricum;</al><al>Gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 7
                        oktober 2014;</al><al>gelet op <extref doc="1.0:v:BWBR0005416&amp;artikel=221" struct="BWB">artikel 221 van de Gemeentewet</extref>;</al><al>besluit vast te stellen de volgende verordening:</al></preambule></aanhef><regeling-tekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><al>Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder: </al><lijst><li nr="a."><al>ruimte: een roerende woon- of bedrijfsruimte, welke duurzaam aan een
                                plaats gebonden is en dient tot permanente bewoning of permanent
                                gebruik; </al></li><li nr="b."><al> woonruimte: een ruimte waarvan de vastgestelde waarde in hoofdzaak
                                kan worden toegerekend aan delen van de ruimte die dienen tot woning
                                dan wel volledig dienstbaar zijn aan woondoeleinden; </al></li><li nr="c."><al>bedrijfsruimte: een ruimte die niet kan worden aangemerkt als
                                woonruimte. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Belastingplicht</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Onder de naam 'belastingen op roerende woon- en bedrijfsruimten' worden
                            ter zake van binnen de gemeente gelegen ruimten twee directe belastingen
                            geheven: </al><lijst><li nr="a."><al>een gebruikersbelasting van degene die bij het begin van het
                                    kalenderjaar een bedrijfsruimte, al dan niet krachtens eigendom,
                                    bezit, beperkt recht of persoonlijk recht gebruikt, verder te
                                    noemen: gebruikersbelasting; </al></li><li nr="b."><al>een eigenarenbelasting van degene die bij het begin van het
                                    kalenderjaar van een ruimte het genot heeft krachtens eigendom,
                                    bezit of beperkt recht, verder te noemen: eigenarenbelasting.
                                </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Bij de gebruikersbelasting wordt: </al><lijst><li nr="a."><al>gebruik door degene aan wie een deel van een bedrijfsruimte in
                                    gebruik is gegeven, aangemerkt als gebruik door degene die dat
                                    deel in gebruik heeft gegeven; </al></li><li nr="b."><al>het ter beschikking stellen van een bedrijfsruimte voor
                                    volgtijdig gebruik aangemerkt als gebruik door degene die die
                                    ruimte ter beschikking heeft gesteld. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Degene die een in het vorige lid bedoelde bedrijfsruimte in gebruik
                            heeft gegeven of ter beschikking heeft gesteld is bevoegd de belasting
                            als zodanig te verhalen op degene aan wie die ruimte of deel daarvan in
                            gebruik is gegeven of ter beschikking is gesteld. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Belastingobject</titel></kop><al>Als één ruimte wordt aangemerkt: </al><lijst><li nr="a."><al>een binnen de gemeente gelegen ruimte; </al></li><li nr="b."><al>een gedeelte van een in onderdeel a bedoelde ruimte dat blijkens
                                zijn indeling is bestemd om als een afzonderlijk geheel te worden
                                gebruikt; </al></li><li nr="c."><al>een samenstel van twee of meer onder a bedoelde ruimten of in
                                onderdeel b bedoelde gedeelten daarvan die bij dezelfde persoon in
                                gebruik zijn en die, naar de omstandigheden beoordeeld, bij elkaar
                                behoren; </al></li><li nr="d."><al>het binnen de gemeente gelegen deel van een in onderdeel a bedoelde
                                ruimte, van een in onderdeel b bedoeld gedeelte daarvan of van een
                                in onderdeel c bedoeld samenstel. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Maatstaf van heffing</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De heffingsmaatstaf is de waarde die aan de ruimte dient te worden
                            toegekend indien de volle en onbezwaarde eigendom daarvan zou kunnen
                            worden overgedragen en de verkrijger de ruimte in de staat waarin deze
                            zich bevindt, onmiddellijk en in volle omvang in gebruik zou kunnen
                            nemen. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In afwijking in zoverre van het eerste lid wordt de waarde van een
                            bedrijfsruimte, met uitzondering van ruimten die zijn ingeschreven in
                            een van de ingevolge de <extref doc="1.0:v:BWBR0004471" struct="BWB">Monumentenwet 1988</extref> vastgestelde registers van
                            beschermde monumenten, bepaald op de vervangingswaarde indien dit leidt
                            tot een hogere waarde dan die ingevolge het eerste lid. Bij de
                            berekening van de vervangingswaarde wordt rekening gehouden met: </al><lijst><li nr="a."><al>de aard en de bestemming van de ruimte; </al></li><li nr="b."><al>de sedert de stichting van de ruimte opgetreden technische en
                                    functionele veroudering waarbij de invloed van latere
                                    wijzigingen in aanmerking wordt genomen. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In afwijking in zoverre van het eerste lid wordt de waarde van een
                            ruimte in aanbouw bepaald op de vervangingswaarde, bedoeld in het tweede
                            lid. Onder een ruimte in aanbouw wordt verstaan een roerende zaak of
                            gedeelte daarvan waarvoor een bouwvergunning in de zin van de Woningwet
                            is afgegeven en dat door bouw nog niet geschikt is voor gebruik
                            overeenkomstig de beoogde bestemming. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>In afwijking in zoverre van het eerste lid wordt de waarde van een
                            woonruimte, die deel uitmaakt van een op de voet van de<extref doc="1.0:v:BWBR0001939" struct="BWB"> Natuurschoonwet
                                1928</extref> aangewezen landgoed dat voldoet aan de voorwaarden
                            genoemd in <extref doc="1.0:v:BWBR0004914&amp;artikel=8" struct="BWB">artikel 8 van het Rangschikkingsbesluit Natuurschoonwet
                                1928</extref>, bepaald met inachtneming van een vooronderstelde
                            verplichting om het landgoed gedurende een tijdvak van 25 jaren als
                            zodanig in stand te houden en geen opgaand hout te vellen anders dan
                            volgens de regels van normaal bosbeheer noodzakelijk of gebruikelijk is.
                            Ruimten die dienstbaar zijn aan de woonruimte worden geacht deel uit te
                            maken van die woonruimte.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Met betrekking tot een ruimte als bedoeld in artikel 3, aanhef en
                            onderdeel d, wordt de waarde gesteld op een evenredig deel van de waarde
                            die dient te worden toegekend aan de gehele ruimte. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Vrijstellingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><lijst><li nr=""><al>In afwijking in zoverre van artikel 4 wordt bij de bepaling van
                                    de heffingsmaatstaf buiten aanmerking gelaten, de waarde van: </al><lijst><li nr="a."><al>glasopstanden die bedrijfsmatig worden aangewend voor de
                                            kweek of teelt van gewassen, voor zover de ondergrond
                                            daarvan bestaat uit cultuurgrond die bedrijfsmatig wordt
                                            geëxploiteerd ten behoeve van de land- of bosbouw. Onder
                                            cultuurgrond wordt mede begrepen de open grond, alsmede
                                            de ondergrond van glasopstanden, die bedrijfsmatig
                                            aangewend wordt voor de kweek of teelt van gewassen,
                                            zonder daarbij de ondergrond als voedingsbodem te
                                            gebruiken; </al></li><li nr="b."><al>ruimten die in hoofdzaak zijn bestemd voor de openbare
                                            eredienst of voor het houden van openbare
                                            bezinningssamenkomsten van levensbeschouwelijke aard,
                                            een en ander met uitzondering van delen van zodanige
                                            ruimten die dienen als woning; </al></li><li nr="c."><al>ruimten ten behoeve van waterverdedigings- en
                                            waterbeheersingswerken die worden beheerd door organen,
                                            instellingen of diensten van publiekrechtelijke
                                            rechtspersonen, een en ander met uitzondering van delen
                                            van zodanige ruimten die dienen als woning; </al></li><li nr="d."><al>ruimten die zijn bestemd voor de zuivering van riool- en
                                            ander afvalwater en die worden beheerd door organen,
                                            instellingen of diensten van publiekrechtelijke
                                            rechtspersonen, een en ander met uitzondering van delen
                                            van zodanige ruimten die dienen als woning; </al></li><li nr="e."><al>werktuigen die van een ruimte kunnen worden afgescheiden
                                            zonder dat beschadiging van betekenis aan die werktuigen
                                            wordt toegebracht en die niet op zichzelf als ruimten
                                            zijn aan te merken;</al></li><li nr="f."><al>bedrijfsruimten voor zover die bestemd zijn te worden
                                            gebruikt voor de publieke dienst van de gemeente, met
                                            uitzondering van delen van zodanige bedrijfsruimten die
                                            bestemd zijn te worden gebruikt voor het geven van
                                            onderwijs; </al></li><li nr="g."><al>ruimten voor zover die bestemd zijn te worden gebruikt
                                            ten behoeve van begraafplaatsen, urnentuinen en
                                            crematoria, een en ander met uitzondering van delen van
                                            zodanige ruimten die dienen als woning;</al></li></lijst></li></lijst><lijst><li nr="2."><al>De vrijstelling met betrekking tot de in het eerste lid,
                                    onderdeel f, bedoelde bedrijfsruimte geldt niet voor de
                                    eigenarenbelasting voor zover de gemeente van die ruimten niet
                                    het genot heeft krachtens eigendom, bezit of beperkt recht.
                                </al></li><li nr="3."><al>In afwijking in zoverre van artikel 4 wordt bij de bepaling van
                                    de heffingsmaatstaf voor de gebruikersbelasting buiten
                                    aanmerking gelaten de waarde van gedeelten van de bedrijfsruimte
                                    die in hoofdzaak tot woning dienen dan wel in hoofdzaak
                                    dienstbaar zijn aan woondoeleinden. </al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Waardepeildatum</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De heffingsmaatstaf wordt bepaald naar de waarde die de ruimte op de
                            waardepeildatum heeft naar de staat waarin de ruimte op die datum
                            verkeert.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De waardepeildatum ligt één jaar voor het begin van het kalenderjaar
                            waarvoor de waarde wordt bepaald.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien een ruimte in het kalenderjaar voorafgaande aan het begin van het
                            kalenderjaar waarvoor de waarde wordt bepaald:</al><lijst><li nr="a."><al>opgaat in een andere ruimte dan wel in meer ruimten, of </al></li><li nr="b."><al>wijzigt als gevolg van hetzij bouw, verbouwing, verbetering,
                                    afbraak of vernietiging, hetzij verandering van bestemming, of
                                </al></li><li nr="c."><al>een verandering in waarde ondergaat als gevolg van een andere,
                                    specifiek voor de ruimte geldende, bijzondere omstandigheid,
                                    wordt, in afwijking van het derde lid, de waarde bepaald naar de
                                    staat van die ruimte bij het begin van het kalenderjaar. </al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Belastingtarieven</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het tarief van de belasting bedraagt een percentage van de
                            heffingsmaatstaf.</al><al>Het percentage bedraagt voor: </al><table><tgroup cols="4"><colspec colname="col1" colwidth="24*"/><colspec colname="col2" colwidth="24*"/><colspec colname="col3" colwidth="28*"/><colspec colname="col4" colwidth="25*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>a.</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>de gebruikersbelasting</al></entry><entry colname="col4"><al>0,198% </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>b.</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>de eigenarenbelasting</al></entry><entry colname="col4"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>1.</al></entry><entry colname="col3"><al>voor onroerende zaken die in hoofdzaak tot woning
                                                dienen</al></entry><entry colname="col4"><al>0,1067%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>2.</al></entry><entry colname="col3"><al>voor onroerende zaken die niet in hoofdzaak tot
                                                woning dienen</al></entry><entry colname="col4"><al>0,211%</al></entry></row></tbody></tgroup></table></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voor belastingbedragen tot € 10,00 vindt geen invordering plaats. Voor
                            de toepassing van de vorige volzin wordt het totaal van op een
                            aanslagbiljet verenigd verschuldigde bedragen belastingen op roerende
                            woon- en bedrijfsruimten of andere heffingen, aangemerkt als één
                            belastingbedrag.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Wijze van heffing</titel></kop><al>De belastingen worden bij wege van aanslag geheven.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Termijnen van betaling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In afwijking van <extref doc="1.0:v:BWBR0004770&amp;artikel=9" struct="BWB">artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet
                                1990</extref> moeten de aanslagen worden betaald in twee gelijke
                            termijnen waarvan de eerste vervalt op de laatste dag van de maand
                            volgend op de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet vermeld
                            en de tweede twee maanden later.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In afwijking van het eerste lid geldt, zolang de verschuldigde bedragen
                            door middel van automatische betalingsincasso kunnen worden
                            afgeschreven, dat de aanslagen moeten worden betaald in zoveel gelijke
                            termijnen als er na de maand van de dagtekening van het aanslagbiljet
                            nog maanden in het kalenderjaar waarin de aanslagen worden opgelegd
                            overblijven, met dien verstande dat het aantal termijnen ten minste drie
                            en ten hoogste acht bedraagt. De eerste termijn vervalt 1 maand na de
                            dagtekening van het aanslagbiljet en elk van de volgende termijnen
                            telkens een maand later.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In afwijking van het tweede lid geldt, dat als de aanslagen over een
                            voorgaand belastingjaar worden opgelegd, dat de aanslagen worden
                            afgeschreven in drie gelijke termijnen. De eerste termijn vervalt 1
                            maand na de dagtekening van het aanslagbiljet en elk van de volgende
                            termijnen telkens een maand later.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De <extref doc="1.0:v:BWBR0002448" struct="BWB">Algemene
                                Termijnenwet</extref> is niet van toepassing op de in het eerste lid
                            gestelde termijnen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Nadere regels door het college van burgemeester en wethouders</titel></kop><al>Het college van burgemeester en wethouders kan nadere regels geven met
                        betrekking tot de heffing en de invordering van de belastingen op roerende
                        woon- en bedrijfsruimten.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Overgangsrecht</titel></kop><al>De ‘Verordening belastingen op roerende woon- en bedrijfsruimten 2014’ van
                        14 november 2013, wordt ingetrokken met ingang van de in artikel 12, tweede
                        lid, genoemde datum van ingang van de heffing, met dien verstande dat zij
                        van toepassing blijft op de belastbare feiten die zich voor die datum hebben
                        voorgedaan.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Deze verordening treedt in werking met ingang van de eerste dag na die
                            van de bekendmaking.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2015.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als 'Verordening belastingen op roerende
                        woon- en bedrijfsruimten 2015'. </al></artikel></regeling-tekst><regeling-sluiting><slotformulering><al>Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van </al></slotformulering><gegeven><dagtekening><datum isodatum="2014-11-13">13 november 2014.</datum></dagtekening></gegeven><ondertekening>de griffier, Mr. V.H. Hornstra</ondertekening><ondertekening>de voorzitter, Drs. A. Mans</ondertekening><ondertekening>Deze verordening is bekend gemaakt op 17 december 2015.</ondertekening></regeling-sluiting></regeling></body></cvdr>