<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.92--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR367359_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening verrekening bestuurlijke boete bij recidive 2015</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Cuijk</dcterms:creator><dcterms:modified>2015-04-01</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Cuijk</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2015-26669.html?zoekcriteria=%3fzkt%3dUitgebreid%26pst%3dGemeenteblad%26vrt%3dVerordening%2bverrekening%2bbestuurlijke%2bboete%2bbij%2brecidive%2b2015%26zkd%3dInDeGeheleText%26dpr%3dAlle%26spd%3d20151224%26epd%3d20151224%26sdt%3dDatumPublicatie%26org%3dCuijk%26orgt%3dgemeente%26planId%3d%26pnr%3d1%26rpp%3d10&amp;resultIndex=2&amp;sorttype=1&amp;sortorder=4">Gemeenteblad d.d. 1 april 2015 nr. 26669</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening verrekening bestuurlijke boete bij recidive 2015</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0015703">Participatiewet</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2015-03-16</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2015-04-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:terugwerkendekrachtDatum>2015-01-01</overheidrg:terugwerkendekrachtDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2023-02-22</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>Geen</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening verrekening bestuurlijke boete bij recidive 2015</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente Cuijk</al><al/><al>gezien het voorstel van burgemeester en wethouders d.d. 20 januari
                        2015.</al><al/><al>gezien het advies van de Participatieraad Welzijnsbeleid gemeente Cuijk d.d.
                        5 januari 2015</al><al/><al>gezien het advies van de raadscommissie 3 maart 2015</al><al/><al>gelet op artikel 8, eerste lid, onderdeel d, van de Participatiewet; </al><al/><al>overwegende dat het noodzakelijk is om de wijze van verrekening van de
                        bestuurlijke boete bij recidive bij verordening te regelen; </al><al/><al><vet>besluit</vet></al><al/><al>Vast te stellen de navolgende </al><al/><al><vet>VERORDENING VERREKENING BESTUURLIJKE BOETE BIJ RECIDIVE 2015</vet></al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>1.</nr><titel>ALGEMENE BEPALINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Begrippen</titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="-"><al>beslagvrije voet: beslagvrije voet als bedoeld in de artikelen
                                    475c tot en met 475e van het Wetboek van Burgerlijke
                                    Rechtsvordering;</al></li><li nr="-"><al>recidiveboete: bestuurlijke boete als bedoeld in artikel 18a,
                                    vijfde lid, van de Participatiewet;</al></li><li nr="-"><al>bezit<cursief>: </cursief>waarde van de bezittingen waarover
                                    belanghebbende of diens gezin beschikt of redelijkerwijs kan
                                    beschikken, met uitzondering van het in de woning met
                                    bijbehorend erf gebonden vermogen, bedoeld in artikel 50, eerste
                                    lid, van de Participatiewet;</al></li><li nr="-"><al>verrekenen<cursief>: </cursief>verrekening als bedoeld in
                                    artikel 60b, vierde lid, van de Participatiewet.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>2</nr><titel>BESCHERMING BESLAGVRIJE VOET BIJ VERREKENING WEGENS RECIDIVE</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Verrekenen met beslagvrije voet bij voldoende bezit</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien het bezit van een belanghebbende ten minste driemaal de
                                toepasselijke bijstandsnorm bedraagt, verrekenen burgemeester en
                                wethouders de recidiveboete zonder inachtneming van de beslagvrije
                                voet.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De verrekening, bedoeld in het eerste lid, geschiedt gedurende een
                                tijdvak van drie maanden vanaf het moment van de dagtekening waarop
                                de bestuurlijke boete is opgelegd.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>Verrekenen bij geen of onvoldoende bezit</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien het bezit van een belanghebbende niet ten minste driemaal de
                                toepasselijke bijstandsnorm bedraagt, verrekenen burgemeester en
                                wethouders de recidiveboete gedurende één maand zonder inachtneming
                                van de beslagvrije voet. De verrekening geschiedt vanaf het moment
                                van de dagtekening waarop de bestuurlijke boete is opgelegd.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Aansluitend op verrekening als bedoeld in het eerste lid, verrekenen
                                burgemeester en wethouders de recidiveboete in de daarop volgende
                                twee maanden op een dusdanige wijze dat belanghebbende blijft
                                beschikken over een inkomen ter hoogte van 80% van de toepasselijke
                                bijstandsnorm.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Tot het inkomen, bedoeld in het tweede lid, worden ook middelen
                                gerekend als bedoeld in artikel 31, tweede lid, onderdelen n en r,
                                van de Participatiewet.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Verrekenen met inachtneming beslagvrije voet</titel></kop><al>In afwijking van de artikelen 2 en 3 kunnen burgemeester en wethouders
                            de recidiveboete met inachtneming van de beslagvrije voet verrekenen
                            indien:</al><lijst><li nr="a."><al>aannemelijk is dat verrekening op de wijze, bedoeld in de
                                    artikelen 2 of 3, zou leiden tot huisuitzetting van
                                    belanghebbende en diens gezin; of</al></li><li nr="b."><al>anderszins sprake is van dringende redenen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Eerder opgelegde bestuurlijke boetes</titel></kop><al>De artikelen 2, 3 en 4 zijn van overeenkomstige toepassing op de
                            verrekening van de bestuurlijke boete, bedoeld in artikel 18a, eerste
                            lid, van de Participatiewet, indien en voor zover deze boete nog niet is
                            betaald op het moment van verrekening van de recidiveboete.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>3</nr><titel>SLOTBEPALINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Inwerkingtreding en citeertitel</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Deze verordening treedt in werking op de eerste dag na die van
                                    bekendmaking en werkt terug tot en met 1 januari 2015, behoudens
                                    situaties waarbij sprake is van negatieve gevolgen voor de
                                    belanghebbende.</al></li><li nr="2."><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening verrekening
                                    bestuurlijke boete bij recidive 2015</al></li><li nr="3."><al>De Verordening verrekening bestuurlijke boete bij recidive 2013,
                                    vastgesteld in de vergadering van 10 juni 2013 wordt ingetrokken
                                    op de dag van inwerkingtreding als bedoeld in het eerste
                                    lid.</al></li></lijst><al/><al/><al/><al/><al/></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus besloten door de raad van de gemeente Cuijk in zijn openbare
                        vergadering </ondertekening><ondertekening>van 16 maart 2015.</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>De raad voornoemd,</ondertekening><ondertekening/><ondertekening/><ondertekening>R.M. van der Weegen</ondertekening><ondertekening>griffier </ondertekening><ondertekening/><ondertekening>mr. W.A.G. Hillenaar</ondertekening><ondertekening>voorzitter</ondertekening><ondertekening/></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>TOELICHTING</titel></kop><tussenkop>Algemeen</tussenkop><al>Op 1 januari 2013 is de "Wet aanscherping handhaving en sanctiebeleid
                    SZW-wetgeving" in werking getreden. Voor de Participatiewet regelt deze wet de
                    bestuurlijke boete bij een schending van de inlichtingenplicht. Het college van
                    burgemeester en wethouders (verder college) is verplicht de bestuurlijke boete
                    met de lopende uitkering te verrekenen. In beginsel moet bij deze verrekening de
                    bescherming van de beslagvrije voet in acht genomen worden. Is echter sprake van
                    een bestuurlijke boete wegens recidive, dan kan het college besluiten gedurende
                    maximaal drie maanden met de beslagvrije voet te verrekenen.</al><al>De Participatiewet verplicht de gemeenteraad in een verordening nadere regels te
                    stellen over de bevoegdheid de beslagvrije voet tijdelijk buiten werking te
                    stellen bij verrekening van de recidiveboete. Gemeenten krijgen daarmee de
                    ruimte een afweging te maken van situaties of omstandigheden waarin het buiten
                    werking stellen van de beslagvrije voet niet proportioneel wordt geacht. De
                    nieuwe bevoegdheid kan op veel verschillende manieren worden ingevuld. Om
                    gemeenten enige aanknopingspunten te bieden, hebben het RCF Kenniscentrum
                    Handhaving - Landelijk Kenniscentrum Handhaving, Divosa, de VNG en Kluwer
                    Schulinck gezamenlijk een modelverordening ontwikkeld. Die heeft aan de basis
                    gestaan van de verordening van 2013. Uiteindelijk is het natuurlijk aan
                    gemeenten zelf naar eigen inzicht keuzen te maken. </al><al>De bevoegdheid van de gemeenteraad reikt tot het al dan niet in acht nemen van
                    de beslagvrije voet bij verrekening van de recidiveboete. Daar waar
                    terugvordering en invordering niet door de wetgever is verplicht, blijft sprake
                    van een bevoegdheid van het college.</al><al>Het is daarom aan het college op deze onderdelen nadere (beleids)regels vast te
                    stellen.</al><al>In het kader van pseudo-verrekening (met andere uitkeringsinstanties) kunnen
                    gemeenten te maken krijgen met verzoeken van andere gemeenten om een door hen
                    opgelegde recidiveboete te verrekenen. Het college dat de boete heeft opgelegd
                    zal in dat geval aangeven in hoeverre het de beslagvrije voet in acht wil nemen
                    (volgens de regels van zijn gemeentelijke verordening). De gemeente die de
                    uitkering verstrekt, moet in beginsel gehoor geven aan dit verzoek. Mocht de
                    beslagvrije voet niet gerespecteerd worden, dan kan de belanghebbende het
                    college waarvan hij uitkering ontvangt, verzoeken de beslagvrije voet toch in
                    acht te nemen. In artikel 60b, tweede lid, van de Participatiewet is geregeld
                    dat het college die de uitkering verstrekt, de bevoegdheid heeft aan dit verzoek
                    van belanghebbende tegemoet te komen. Het ligt voor de hand dat het college bij
                    de beslissing op dat verzoek handelt analoog aan de regels die in de eigen
                    gemeentelijke verordening zijn vastgelegd.</al><al/><tussenkop>ARTIKELSWIJZE TOELICHTING</tussenkop><tussenkop>Artikel 1. Begrippen</tussenkop><al>In deze bepaling zijn een aantal begrippen nader omschreven. De meeste behoeven
                    geen nadere toelichting.</al><al/><tussenkop>Bezit</tussenkop><al>De verordening kent een definitie van het begrip bezit. Het gaat daarbij om (de
                    waarde van) alle bezittingen waarover een belanghebbende of diens gezinsleden
                    beschikken of redelijkerwijs kunnen beschikken. Bezittingen kunnen zowel bestaan
                    uit geld als op geld waardeerbare goederen. Bij het begrip bezit zoals dat in
                    deze verordening wordt gebruikt, gaat het nadrukkelijk niet om vermogen als
                    bedoeld in artikel 34 van de Participatiewet. Eventueel aanwezige schulden
                    spelen immers geen rol en worden dus ook niet op het bezit in mindering
                    gebracht. Ook de vrijlatingen van artikel 34, tweede lid, van de Participatiewet
                    zijn hier niet van toepassing. Een belanghebbende die vanwege de volledige
                    verrekening met de beslagvrije voet zonder inkomsten komt te zitten, zal de
                    bezittingen waarover hij beschikt of redelijkerwijs kan beschikken, volledig
                    moeten aanwenden om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te kunnen
                    voorzien. Een uitzondering is gemaakt voor de door belanghebbende en zijn gezin
                    bewoonde (eigen) woning.</al><al/><tussenkop>Verrekenen</tussenkop><al>De Participatiewet kent een ruimer begrip van verrekenen dan het Wetboek van
                    Burgerlijke Rechtsvordering. Voor de duidelijkheid is daarom een aparte
                    begripsbepaling opgenomen in de verordening.</al><al/><tussenkop>Artikel 2. Verrekenen met beslagvrije voet bij voldoende
                    bezit</tussenkop><al>Uitgangspunt van deze verordening is dat volledige verrekening met de
                    beslagvrije voet plaats vindt voor de maximale termijn van drie maanden als een
                    belanghebbende over voldoende bezittingen beschikt om dit op te kunnen vangen.
                    Dat uitgangspunt is vastgelegd in artikel 2 van deze verordening. Van voldoende
                    bezit is sprake als de waarde van de bezittingen waarover belanghebbende
                    beschikt (of redelijkerwijs kan beschikken), ten minste driemaal de
                    toepasselijke bijstandsnorm bedraagt. Immers, bij aanwending of tegeldemaking
                    van deze bezittingen, zou een periode van drie maanden overbrugd moeten kunnen
                    worden.</al><al/><tussenkop>Artikel 3. Verrekenen bij geen of onvoldoende bezit</tussenkop><al>Heeft een belanghebbende onvoldoende bezittingen om een periode van drie maanden
                    volledige verrekening met de beslagvrije voet te kunnen overbruggen, dan
                    verrekent het college slechts één maand zonder inachtneming van de beslagvrije
                    voet. Voor de overige twee maanden vindt weliswaar verrekening met de
                    beslagvrije voet plaats, maar niet volledig. Belanghebbende blijft beschikken
                    over een inkomen ter hoogte van 80% van de toepasselijke bijstandsnorm.</al><al>Voor het percentage van 80% is aansluiting gezocht bij de
                    invorderingsmogelijkheden die de Belastingdienst heeft bij notoire wanbetalers.
                    Onder omstandigheden kan deze de beslagvrije voet (90% van de toepasselijke
                    bijstandsnorm) verlagen met 10% op grond van artikel 19, eerste lid, van de
                    Invorderingswet 1990. Met de gekozen opzet wordt enerzijds uiting gegeven aan
                    het principe dat fraude niet mag lonen. Het gaat hier immers om belanghebbenden
                    die herhaaldelijk hun inlichtingenplicht hebben geschonden. Daar mag een
                    duidelijk signaal tegenover staan. Anderzijds wordt rekening gehouden met de
                    zorgplicht van gemeenten. Het volledig buiten werking stellen van de beslagvrije
                    voet gedurende drie maanden kan kwalijke maatschappelijke consequenties hebben.
                    Dat moet voorkomen worden, nu de regeling daarmee zijn doel voorbij zou
                    schieten. Een belanghebbende kan inkomsten uit arbeid hebben die op grond van
                    artikel 31, tweede lid, onderdelen n of r, van de Participatiewet worden
                    vrijgelaten voor de algemene bijstand. Bij verrekening van een recidiveboete tot
                    80% van de bijstandsnorm, tellen deze inkomsten echter gewoon mee. Het college
                    laat deze inkomsten dus niet buiten beschouwing bij de beoordeling van de vraag
                    of een belanghebbende nog over voldoende inkomen beschikt. Dat is geregeld in
                    lid 3.</al><al/><tussenkop>Artikel 4. Verrekenen met inachtneming beslagvrije voet</tussenkop><al>Hoewel het hier gaat om een herhaaldelijke schending van de inlichtingenplicht,
                    zijn situaties denkbaar waarin volledige verrekening met de beslagvrije voet
                    niet aanvaardbaar wordt geacht. Die situaties komen aan de orde in artikel 4.
                    Het gaat daarbij altijd om individuele omstandigheden waaraan het college zal
                    moeten toetsen. In onderdeel a is geregeld dat het college kan besluiten in
                    afwijking van de artikelen 2 en 3 toch de beslagvrije voet te respecteren
                    wanneer volledige verrekening waarschijnlijk leidt tot huisuitzetting van
                    belanghebbende en diens gezin. Voorkomen moet worden dat een belanghebbende door
                    de volledige verrekening op straat komt te staan, nu dit de problematiek alleen
                    maar verergert, met alle maatschappelijke kosten van dien. Een dreigende
                    huisuitzetting wordt in deze verordening gezien als een dringende reden om van
                    verrekening met de beslagvrije voet af te zien. Dat volgt uit het woord
                    'anderszins' in onderdeel b. Ook bij aanwezigheid van andere dringende redenen
                    dan een dreigende huisuitzetting, kan het college rekening houden met de
                    bescherming van de beslagvrije voet. Van dringende redenen is niet snel sprake.
                    Het gaat slechts om incidentele gevallen, waarbij de behoeftige omstandigheden
                    waarin de belanghebbende en diens gezinsleden verkeren op geen enkele andere
                    wijze te verhelpen zijn. Het enkele feit dat het belanghebbende door de
                    verrekening aan middelen ontbreekt om in het bestaan te voorzien, is op zich
                    geen voldoende voorwaarde om te kunnen spreken van dringende redenen.</al><al/><tussenkop>Artikel 5. Eerder opgelegde bestuurlijke boetes</tussenkop><al>In artikel 60b, derde lid, van de Participatiewet is bepaald dat de bevoegdheid
                    om te verrekenen met de beslagvrije voet ook van toepassing is op eerder
                    opgelegde bestuurlijke boetes voor zover op het moment van verrekening van de
                    recidiveboete, die eerdere boetes nog niet zijn betaald. Mocht het college die
                    eerdere, nog openstaande boetes gaan verrekenen, dan regelt artikel 5 dat de
                    bepalingen in deze verordening van overeenkomstige toepassing zijn.</al><al/><tussenkop>Artikel 6. Inwerkingtreding en citeertitel</tussenkop><al>Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>