<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.92--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR367151_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Maatregelenverordening Participatiewet IOAW en IOAZ 2015 gemeente Soest</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Soest</dcterms:creator><dcterms:modified>2015-03-01</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Soest</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Soester Courant 11 maart 2015</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Maatregelenverordening Participatiewet IOAW en IOAZ 2015 gemeente Soest</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Participatiewet, artikel 18, IOAW, artikel 35 en IOAZ, artikel 35</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2015-02-19</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2015-03-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:terugwerkendekrachtDatum>2015-03-01</overheidrg:terugwerkendekrachtDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2024-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>RB 15-07 (Verseon 1228971)</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>Maatregelenverordening Participatiewet 2015</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Maatregelenverordening Participatiewet IOAW en IOAZ 2015 gemeente Soest</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>Kenmerk SL/1228971</al><al>Nummer RB 15-07 </al><al><vet>MAATREGELENVERORDENING</vet></al><al><vet>PARTICIPATIEWET, IOAW EN IOAZ 2015 GEMEENTE SOEST</vet></al><al>De raad der gemeente Soest; </al><al>gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders d.d. 19 november 2014,
                        nr. RV 15-07;</al><al><vet>b e s l u i t:</vet></al><al>Vast te stellen de “Maatregelenverordening Participatiewet, IOAW en IOAZ
                        2015 gemeente Soest” en de ingangsdatum te bepalen op 1 maart 2015.</al><al><vet>MAATREGELENVERORDENING PARTICIPATIEWET, IOAW EN IOAZ 2015 GEMEENTE
                            SOEST</vet></al><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>1.</nr><titel>ALGEMENE BEPALINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Begripsomschrijving</titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="-"><al>benadelingsbedrag: netto-uitkering waarop eerder, langer of tot
                                    een hoger bedrag een beroep wordt of is gedaan ten gevolge van
                                    tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de
                                    voorziening in het bestaan;</al></li><li nr="-"><al>bijstandsnorm:</al></li></lijst><al>1° toepasselijke bijstandsnorm als bedoeld in artikel 5, onderdeel c,
                            van de Participatiewet, of</al><al>2° grondslag van de uitkering als bedoeld in artikel 5 van de Wet
                            inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze
                            werknemers of artikel 5 van de Wet inkomensvoorziening oudere en
                            gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen voor zover sprake
                            is van een uitkering op grond van de Wet inkomensvoorziening oudere en
                            gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers of de Wet
                            inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen
                            zelfstandigen;</al><al>-uitkering: algemene bijstand op grond van de Participatiewet of een
                            uitkering op grond van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                            arbeidsongeschikte werkloze werknemers of de Wet inkomensvoorziening
                            oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Het besluit tot het opleggen van een maatregel</titel></kop><al>In het besluit tot het opleggen van een verlaging van de uitkering als
                            bedoeld in artikel 18, tweede, vijfde en zesde lid, van de
                            Participatiewet, de artikelen 20 en 38, twaalfde lid, van de Wet
                            inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze
                            werknemers en de artikelen 20 en 38, twaalfde lid, van de Wet
                            inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen
                            zelfstandigen worden in ieder geval vermeld: </al><lijst><li nr="a."><al>de reden van de verlaging;</al></li><li nr="b."><al>de duur van de verlaging;</al></li><li nr="c."><al>het bedrag of percentage waarmee de uitkering wordt verlaagd,
                                    en</al></li><li nr="d."><al>indien van toepassing, de reden om af te wijken van de
                                    standaardverlaging.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>Horen van belanghebbende</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Voordat een maatregel wordt opgelegd wordt een belanghebbende in de
                                gelegenheid gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het horen van een belanghebbende kan achterwege blijven als:</al><lijst><li nr="a."><al>de vereiste spoed zich daartegen verzet;</al></li><li nr="b."><al>belanghebbende al eerder in de gelegenheid is gesteld zijn
                                        zienswijze naar voren te brengen en zich sindsdien geen
                                        nieuwe feiten of omstandigheden hebben voorgedaan;</al></li><li nr="c."><al>het college het horen niet nodig acht voor het vaststellen
                                        van de ernst van de gedraging of de mate van
                                        verwijtbaarheid, of</al></li><li nr="d."><al>belanghebbende aangeeft hiervan geen gebruik te willen
                                        maken.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Afzien van verlaging</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college ziet af van een verlaging als:</al><lijst><li nr="a."><al>elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt; of</al></li><li nr="b."><al>de gedraging meer dan één jaar vóór constatering daarvan
                                        door het college heeft plaatsgevonden en voor die gedraging
                                        een verlaging van € 340 of minder kan worden opgelegd,
                                        of</al></li><li nr="c."><al>de gedraging meer dan vijf jaar voor constatering daarvan
                                        door het college heeft plaatsgevonden en voor die gedraging
                                        een verlaging van meer dan € 340 kan worden opgelegd.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan afzien van een verlaging als het daarvoor dringende
                                redenen aanwezig acht.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Als het college afziet van een verlaging op grond van dringende
                                redenen, wordt een belanghebbende hiervan schriftelijk op de hoogte
                                gesteld.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Ingangsdatum en tijdvak van verlaging</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een verlaging wordt toegepast op de uitkering of bijzondere bijstand
                                die is verleend met toepassing van artikel 12 van de Participatiewet
                                over de kalendermaand volgend op de maand waarin het besluit tot het
                                opleggen van de verlaging aan een belanghebbende is bekendgemaakt.
                                Daarbij wordt uitgegaan van de op dat tijdstip voor die
                                belanghebbende geldende bijstandsnorm.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een verlaging kan met terugwerkende kracht worden toegepast op de
                                uitkering over de periode waarop de gedraging betrekking heeft gehad
                                of over de periode waarin de gedraging heeft plaatsgevonden als een
                                verlaging overeenkomstig het eerste lid niet mogelijk is omdat de
                                uitkering is beëindigd of ingetrokken.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Als een verlaging niet of niet geheel ten uitvoer kan worden gelegd
                                als gevolg van de beëindiging of intrekking van de uitkering, wordt
                                de verlaging of dat deel van de verlaging dat nog niet is
                                uitgevoerd, alsnog opgelegd als belanghebbende binnen de termijn,
                                bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel b, opnieuw een uitkering
                                ontvangt.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Berekeningsgrondslag</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een verlaging wordt berekend over de bijstandsnorm of de
                                grondslag.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In afwijking van het eerste lid kan een verlaging worden toegepast
                                op de bijzondere bijstand als:</al><lijst><li nr="a."><al>aan belanghebbende bijzondere bijstand wordt verleend met
                                        toepassing van artikel 12 van de Participatiewet, of</al></li><li nr="b."><al>de verwijtbare gedraging van belanghebbende in relatie met
                                        zijn recht op bijzondere bijstand daartoe aanleiding
                                        geeft.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Bij toepassing van het tweede lid, onderdeel a, moet in de
                                hoofdstukken 2, 3 en 4 ‘bijstandsnorm’ worden gelezen als
                                ‘bijstandsnorm inclusief de op grond van artikel 12 van de
                                Participatiewet verleende bijzondere bijstand’.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Bij toepassing van het tweede lid, onderdeel b, moet in de
                                hoofdstukken 2, 3 en 4 ‘bijstandsnorm’ worden gelezen als ‘de
                                verleende bijzondere bijstand’. </al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>2.</nr><titel>NIET NAKOMEN VAN DE NIET GEÜNIFORMEERDE VERPLICHTINGEN MET BETREKKING
                            TOT DE ARBEIDSINSCHAKELING</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel>Gedragingen Participatiewet</titel></kop><al>Gedragingen van een belanghebbende waardoor een verplichting op grond
                            van de artikelen 9, 9a en 55 van de Participatiewet niet of onvoldoende
                            wordt nagekomen, worden onderscheiden in de volgende categorieën:</al><al>a.eerste categorie:</al><al> het zich niet tijdig laten registreren als werkzoekende bij het
                            Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen of het niet tijdig laten
                            verlengen van de registratie;</al><lijst><li nr="b."><al>tweede categorie: 1°. het niet of onvoldoende meewerken aan het
                                    opstellen, uitvoeren en evalueren van een plan van aanpak als
                                    bedoeld in artikel 44a van de Participatiewet; 2°. het
                                    onvoldoende nakomen van verplichtingen als bedoeld in de
                                    artikelen 9, eerste lid, of 55 van de Participatiewet, voor
                                    zover het gaat om een belanghebbende jonger dan 27 jaar,
                                    gedurende vier weken na een melding als bedoeld in artikel 43,
                                    vierde en vijfde lid, van de Participatiewet, voor zover deze
                                    verplichtingen niet worden genoemd in artikel 18, vierde lid,
                                    van de Participatiewet; 3°. het uit houding en gedrag
                                    ondubbelzinnig laten blijken verplichtingen als bedoeld in
                                    artikel 9, eerste lid, onderdeel b, van de Participatiewet niet
                                    te willen nakomen, wat heeft geleid tot het intrekken van de
                                    ontheffing van de arbeidsplicht voor een alleenstaande ouder,
                                    bedoeld in artikel 9a, eerste lid, van de Participatiewet; 4°.
                                    het niet of onvoldoende verrichten van een door het college
                                    opgedragen tegenprestatie naar vermogen als bedoeld in artikel
                                    9, eerste lid, onderdeel c, van de Participatiewet;</al></li><li nr="c."><al>derde categorie: het niet naar vermogen proberen algemeen
                                    geaccepteerde arbeid te verkrijgen in de gemeente van inwoning
                                    voor zover dit niet voortvloeit uit een gedraging als bedoeld in
                                    artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.</nr><titel>Gedragingen IOAW en IOAZ</titel></kop><al>Gedragingen van een belanghebbende waardoor of een verplichting op grond
                            van de artikelen 37 en 38 van de Wet inkomensvoorziening oudere en
                            gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers of de artikelen 37
                            en 38 van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                            arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen niet of onvoldoende wordt
                            nagekomen, worden onderscheiden in de volgende categorieën: </al><lijst><li nr="a."><al>eerste categorie: het zich niet tijdig laten registreren als
                                    werkzoekende bij het Uitvoeringsinstituut
                                    werknemersverzekeringen of het niet tijdig laten verlengen van
                                    de registratie;</al></li><li nr="b."><al>tweede categorie:</al></li></lijst><al> 1°. het niet of in onvoldoende mate meewerken aan een onderzoek naar de
                            mogelijkheden tot arbeidsinschakeling; </al><al> 2°. het niet of onvoldoende gebruik maken van een door het college
                            aangeboden voorziening als bedoeld in de artikelen 36, eerste lid, en
                            37, eerste lid, onderdeel e, van de Wet inkomensvoorziening oudere en
                            gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers of de artikelen 36,
                            eerste lid, en artikel 37, eerste lid, onderdeel e, van de Wet
                            inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen
                            zelfstandigen, voor zover dit niet heeft geleid tot het geen doorgang
                            vinden of tot voortijdige beëindiging van die voorziening; </al><al> 3°. het uit houding en gedrag ondubbelzinnig laten blijken de
                            verplichtingen als bedoeld in artikel 37, eerste lid, onderdeel e, van
                            de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte
                            werkloze werknemers of artikel 37, eerste lid, onderdeel e, van de Wet
                            inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen
                            zelfstandigen niet te willen nakomen, wat heeft geleid tot het intrekken
                            van de ontheffing van de arbeidsplicht voor een alleenstaande ouder als
                            bedoeld in artikel 38, eerste lid, van de Wet inkomensvoorziening oudere
                            en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers of artikel 38,
                            eerste lid, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                            arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen; </al><al> 4°. het niet of onvoldoende verrichten van een door het college
                            opgedragen tegenprestatie naar vermogen als bedoeld in artikel 37,
                            eerste lid, onderdeel f, van de Wet inkomensvoorziening oudere en
                            gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers of artikel 37,
                            eerste lid, onderdeel f, van de Wet inkomensvoorziening oudere en
                            gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen; </al><al>c.derde categorie: 1°. het niet naar vermogen proberen algemeen
                            geaccepteerde arbeid te verkrijgen; 2°. het niet aanvaarden van algemeen
                            geaccepteerde arbeid; 3°. het door eigen toedoen niet behouden van
                            algemeen geaccepteerde arbeid als bedoeld in artikel 20, eerste lid,
                            onder a of b, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                            arbeidsongeschikte werkloze werknemers of artikel 20, tweede lid, onder
                            a of b, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                            arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen;</al><al> 4°. het niet of onvoldoende gebruik maken van een door het college
                            aangeboden voorziening gericht op arbeidsinschakeling als bedoeld in de
                            artikelen 36, eerste lid, en 37, eerste lid, onderdeel e, van de Wet
                            inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze
                            werknemers en de artikelen 36, eerste lid, en 37, eerste lid, onderdeel
                            e, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                            arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen, voor zover dit heeft geleid
                            tot het geen doorgang vinden of tot voortijdige beëindiging van die
                            voorziening.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.</nr><titel>Hoogte en duur van de verlaging</titel></kop><al>De verlaging, bij gedragingen als bedoeld in de artikelen 7 en 8, wordt
                            vastgesteld op: </al><lijst><li nr="a."><al>10% van de bijstandsnorm gedurende één maand bij gedragingen van
                                    de eerste categorie;</al></li><li nr="b."><al>20% van de bijstandsnorm gedurende één maand bij gedragingen van
                                    de tweede categorie;</al></li><li nr="c."><al>50% van de bijstandsnorm gedurende één maand bij gedragingen van
                                    de derde categorie.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>3.</nr><titel>NIET NAKOMEN VAN DE GEÜNIFORMEERDE VERPLICHTINGEN MET BETREKKING TOT
                            DE ARBEIDSINSCHAKELING</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.</nr><titel>Duur verlaging bij schending geüniformeerde
                                arbeidsverplichting</titel></kop><al>Als een belanghebbende een verplichting als bedoeld in artikel 18,
                            vierde lid, van de Participatiewet niet of onvoldoende nakomt, bedraagt
                            de verlaging 100 procent van de bijstandsnorm gedurende: </al><lijst><li nr="a."><al>één maand bij gedragingen als bedoeld in artikel 18, vierde lid,
                                    onderdeel b, f en g, van de Participatiewet;</al></li><li nr="b."><al>twee maanden bij gedragingen als bedoeld in artikel 18, vierde
                                    lid, onderdeel a, c, d, e en h, van de Participatiewet.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11.</nr><titel>Verrekenen verlaging</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het bedrag van de verlaging, bedoeld in artikel 10, wordt toegepast
                                over de maand van oplegging van de maatregel en de volgende twee
                                maanden als bijzondere omstandigheden dit rechtvaardigen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Bij een verlaging als bedoeld in artikel 10, onderdeel a, kan de
                                verlaging worden toegepast over twee maanden waarbij zowel aan de
                                maand van oplegging als aan de daaropvolgende maand de helft van de
                                verlaging wordt toebedeeld.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Bij een verlaging als bedoeld in artikel 10, onderdeel b, kan de
                                verlaging worden toegepast over drie maanden waarbij zowel aan de
                                maand van oplegging als aan de twee daaropvolgende maanden een derde
                                van de verlaging wordt toebedeeld.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Als sprake is van een verlaging op grond van artikel 18, vierde lid,
                                onderdeel a, van de Participatiewet, vindt geen verrekening als
                                bedoeld in het eerste lid plaats.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>4.</nr><titel>OVERIGE GEDRAGINGEN DIE LEIDEN TOT EEN VERLAGING</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.</nr><titel>Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een verlaging wegens tekortschietend besef van verantwoordelijkheid
                                voor de voorziening in het bestaan als bedoeld in artikel 18, tweede
                                lid, van de Participatiewet wordt afgestemd op het
                                benadelingsbedrag.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De verlaging wordt vastgesteld op:</al><lijst><li nr="a."><al>10 procent van de bijstandsnorm gedurende één maand bij een
                                        benadelingsbedrag tot € 1000,--;</al></li><li nr="b."><al>20 procent van de bijstandsnorm gedurende één maand bij een
                                        benadelingsbedrag vanaf € 1000,-- tot € 2000;</al></li><li nr="c."><al>40 procent van de bijstandsnorm gedurende één maand bij een
                                        benadelingsbedrag vanaf € 2000,-- tot € 4000,--;</al></li><li nr="d."><al>100 procent van de bijstandsnorm gedurende één maand bij een
                                        benadelingsbedrag van € 4000,-- of hoger.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13.</nr><titel>Zeer ernstige misdragingen</titel></kop><al>Als een belanghebbende zich zeer ernstig misdraagt tegenover personen en
                            instanties die zijn belast met de uitvoering van de Participatiewet als
                            bedoeld in artikel 9, zesde lid, van die wet, tegenover personen en
                            instanties die zijn belast met de uitvoering van de Wet
                            inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze
                            werknemers als bedoeld in artikel 37, eerste lid, onder g, van die wet
                            of tegenover personen en instanties die zijn belast met de uitvoering
                            van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte
                            gewezen zelfstandigen als bedoeld in artikel 37, eerste lid, onder g,
                            van die wet, wordt een verlaging opgelegd van 50 procent van de
                            bijstandsnorm gedurende één maand.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14.</nr><titel>Niet nakomen van overige verplichtingen</titel></kop><al>Als een belanghebbende een door het college opgelegde verplichting als
                            bedoeld in artikel 55 van de Participatiewet niet of onvoldoende nakomt,
                            wordt een verlaging toegepast. De verlaging wordt vastgesteld op: </al><lijst><li nr="a."><al>20 procent van de bijstandsnorm gedurende één maand bij het niet
                                    of onvoldoende nakomen van verplichtingen die strekken tot
                                    arbeidsinschakeling;</al></li><li nr="b."><al>20 procent van de bijstandsnorm gedurende één maand bij het niet
                                    of onvoldoende nakomen van verplichtingen die verband houden met
                                    de aard en het doel van een bepaalde vorm van bijstand;</al></li><li nr="c."><al>40 procent van de bijstandsnorm gedurende één maand bij het niet
                                    of onvoldoende nakomen van verplichtingen die strekken tot
                                    vermindering van de bijstand;</al></li><li nr="d."><al>100 procent van de bijstandsnorm gedurende één maand bij het
                                    niet of onvoldoende nakomen van verplichtingen die strekken tot
                                    beëindiging van de bijstand.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>5.</nr><titel>SAMENLOOP EN RECIDIVE</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15.</nr><titel>Samenloop van gedragingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Als sprake is van één gedraging die schending oplevert van meerdere
                                in deze verordening of artikel 18, vierde lid, van de
                                Participatiewet genoemde verplichtingen, wordt één verlaging
                                opgelegd. Voor het bepalen van de hoogte en duur van de verlaging
                                wordt uitgegaan van de gedraging waarop de hoogste verlaging is
                                gesteld.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Als sprake is van meerdere gedragingen die schending opleveren van
                                één of meerdere in deze verordening of artikel 18, vierde lid, van
                                de Participatiewet genoemde verplichtingen, wordt voor iedere
                                gedraging een afzonderlijke verlaging opgelegd. Deze verlagingen
                                worden gelijktijdig opgelegd, tenzij dit gelet op de ernst van de
                                gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de omstandigheden van de
                                belanghebbende niet verantwoord is.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Als sprake is van één gedraging die schending oplevert van zowel een
                                in deze verordening of artikel 18, vierde lid, van de
                                Participatiewet genoemde verplichting als een in artikel 17, eerste
                                lid, van de Participatiewet genoemde verplichting, wordt geen
                                verlaging opgelegd, voor zover voor die schending een bestuurlijke
                                boete wordt opgelegd.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Als sprake is van meerdere gedragingen die schending opleveren van
                                zowel een in deze verordening of artikel 18, vierde lid, van de
                                Participatiewet genoemde verplichting als een in artikel 17, eerste
                                lid, van de Participatiewet genoemde verplichting, waarvoor een
                                bestuurlijke boete kan worden opgelegd, wordt voor iedere gedraging
                                een afzonderlijke verlaging opgelegd, tenzij dit gelet op de ernst
                                van de gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de omstandigheden
                                van de belanghebbende niet verantwoord is.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16.</nr><titel>Recidive</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Als een belanghebbende zich binnen twaalf maanden na bekendmaking
                                van een besluit waarmee een verlaging is toegepast vanwege een
                                gedraging als bedoeld in de artikelen 7, onder b of c, 8, onder b of
                                c, 12, eerste lid, of 14 opnieuw schuldig maakt aan eenzelfde
                                verwijtbare gedraging, wordt telkens de duur van de oorspronkelijke
                                verlaging verdubbeld.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Als een belanghebbende zich binnen twaalf maanden na bekendmaking
                                van een besluit waarmee een verlaging is toegepast vanwege een
                                gedraging als bedoeld in de artikelen 7, onder a, 8, onder a, of 13
                                opnieuw schuldig maakt aan eenzelfde verwijtbare gedraging, wordt
                                telkens de hoogte van de oorspronkelijke verlaging verdubbeld.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Als een belanghebbende zich binnen twaalf maanden na bekendmaking
                                van een besluit waarmee een verlaging is toegepast vanwege een
                                gedraging als bedoeld in artikel 18, vierde lid, van de
                                Participatiewet, opnieuw schuldig maakt aan een verwijtbare
                                gedraging als bedoeld in artikel 18, vierde lid, van de
                                Participatiewet, bedraagt de verlaging honderd procent van de
                                bijstandsnorm gedurende drie maanden.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>6.</nr><titel>BLIJVENDE OF TIJDELIJKE WEIGERING IOAW/IOAZ</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17.</nr><titel>Samenloop bij weigeren uitkering IOAW/IOAZ</titel></kop><al>Als het college de uitkering op grond van artikel 20, eerste lid, van de
                            Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte
                            werkloze werknemers of artikel 20, tweede lid, van de Wet
                            inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen
                            zelfstandigen blijvend of tijdelijk weigert en de gedraging die tot deze
                            weigering heeft geleid tevens op grond van deze verordening tot een
                            verlaging zou kunnen leiden, blijft een verlaging ter zake van die
                            gedraging achterwege.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18.</nr><titel>Blijvend en tijdelijk weigeren IOAW- of IOAZ-uitkering</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan de uitkering tijdelijk weigeren naar de mate waarin
                                de belanghebbende inkomen als bedoeld in of op grond van artikel 8
                                van de IOAW of de IOAZ zou hebben kunnen verwerven, als:</al><lijst><li nr="a."><al>aan de beëindiging van zijn dienstbetrekking een dringende
                                        reden ten grondslag ligt in de zin van artikel 678 van Boek
                                        7 van het Burgerlijk Wetboek en een persoon ter zake een
                                        verwijt kan worden gemaakt, of</al></li><li nr="b."><al>de dienstbetrekking is beëindigd door of op verzoek van een
                                        persoon zonder dat aan de voortzetting ervan zodanige
                                        bezwaren waren verbonden, dat deze voortzetting
                                        redelijkerwijs niet van hem zou kunnen worden gevergd.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan de uitkering blijvend weigeren naar de mate waarin
                                de belanghebbende inkomen als bedoeld in of op grond van artikel 8
                                van de IOAW van de IOAZ zou hebben kunnen verwerven, als een
                                persoon:</al><lijst><li nr="a."><al>nalaat algemeen geaccepteerde arbeid te aanvaarden, of</al></li><li nr="b."><al>door eigen toedoen geen algemeen geaccepteerde arbeid
                                        verkrijgt.</al></li></lijst></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>7.</nr><titel>SLOTBEPALINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19.</nr><titel>Intrekken oude verordening</titel></kop><al>De Maatregelenverordening Wet werk en bijstand 2004 gemeente Soest en de
                            Maatregelenverordening IOAW en IOAZ 2010 gemeente Soest worden per 1
                            maart 2015 ingetrokken.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>20.</nr><titel>Inwerkingtreding en citeertitel</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Deze verordening treedt in werking op 1 maart 2015.</al></li><li nr="2."><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Maatregelenverordening
                                    Participatiewet, IOAW en IOAZ 2015 gemeente Soest.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van de raad van de gemeente
                        Soest van 19 februari 2015</ondertekening><ondertekening>Soest, </ondertekening><ondertekening>de raad voornoemd, </ondertekening><ondertekening>de griffier, de voorzitter,</ondertekening><ondertekening>M.van Vliet MPM AA R.T. Metz</ondertekening><ondertekening/></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>Toelichting op de Maatregelenverordening Participatiewet, IOAW en IOAZ
                        2015 gemeente Soest</titel></kop><tussenkop>AlgemeenRechten en plichten in de Participatiewet </tussenkop><al>De gemeente heeft een verantwoordelijkheid met betrekking tot de invulling van
                    de rechten en plichten van bijstandsgerechtigden. Mede gelet op de
                    rechtszekerheid van een bijstandsgerechtigde moet het gemeentelijk beleid
                    vastgelegd worden in een verordening. Rechten en plichten zijn echter twee
                    kanten van één medaille. Het recht op algemene bijstand is altijd verbonden aan
                    de plicht zich in te zetten om weer onafhankelijk te worden van de uitkering. </al><al>Artikel 18, eerste lid, van de Participatiewet spreekt over het afstemmen van de
                    bijstand en de daaraan verbonden verplichtingen op de omstandigheden,
                    mogelijkheden en middelen van een belanghebbende. In deze bepaling wordt
                    benadrukt dat het vaststellen van de hoogte van de uitkering en de daaraan
                    verbonden verplichtingen voor bijstandsgerechtigden maatwerk is. Daarbij moet
                    recht worden gedaan aan de individuele situatie en de persoonlijke
                    omstandigheden van bijstandsgerechtigden. Artikel 18, tweede lid, van de
                    Participatiewet legt een directe koppeling tussen de rechten en plichten van
                    uitkeringsgerechtigden: het recht op een uitkering is altijd verbonden aan de
                    plicht zich in te zetten om weer onafhankelijk te worden van de uitkering. Dit
                    betekent dat de vaststelling van de hoogte van de uitkering niet alleen afhangt
                    van de toepasselijke uitkeringsnorm en de beschikbare middelen van de
                    bijstandsgerechtigde, maar ook van de mate waarin de verplichtingen worden
                    nagekomen. De inspanningen die van de bijstandsgerechtigde naar vermogen kunnen
                    worden verwacht, spelen ook een rol.</al><al>Wanneer het college tot het oordeel komt dat een bijstandsgerechtigde zijn
                    verplichtingen niet of in onvoldoende mate nakomt, verlaagt het de uitkering. Er
                    is dus geen sprake van een bevoegdheid, maar van een verplichting. Alleen
                    wanneer iedere vorm van verwijtbaarheid ontbreekt, ziet het college af van een
                    dergelijke verlaging. Het college moet niettemin bij de vaststelling van de
                    verlaging rekening houden met de persoonlijke omstandigheden en de individueel
                    vastgestelde verplichtingen. Het college kan dan ook van een verlaging afzien
                    als het college daartoe zeer dringende reden aanwezig acht.</al><al>Met ingang van 1 januari 2015 zijn in artikel 18, vierde lid, van de
                    Participatiewet geüniformeerde arbeidsverplichtingen opgenomen. Voor schending
                    van deze verplichting geldt dat de bijstand in beginsel moet worden verlaagd met
                    honderd procent gedurende één tot drie maanden. In de verordening is de duur van
                    de verlaging vastgelegd (artikel 18, vijfde lid, van de Participatiewet).</al><al>Is afgezien van een verlaging wegens het ontbreken van elke vorm van
                    verwijtbaarheid, dan is het niet mogelijk om bij toepassing van bepalingen ten
                    aanzien van recidive deze gedraging mee te tellen. Is vanwege de afstemming op
                    grond van artikel 18, eerste lid, van de Participatiewet of vanwege dringende
                    redenen afgezien van het opleggen van een verlaging, dan is daarin geen reden
                    gelegen om de betreffende gedraging buiten beschouwing te laten in geval van
                    recidive.</al><al>Het college beoordeelt uiterlijk drie maanden na de datum van de beschikking of
                    de omstandigheden en het gedrag van belanghebbende aanleiding geven de
                    beslissing te herzien (artikel 18, derde lid, van de Participatiewet). Bij een
                    dergelijke herbeoordeling hoeft niet opnieuw een besluit te worden genomen,
                    waarbij alle feiten en omstandigheden opnieuw tegen het licht worden gehouden.
                    De herbeoordeling heeft slechts als doel vast te stellen of belanghebbende
                    tussentijds (binnen de periode waarover de verlaging zich uitstrekt) blijk heeft
                    gegeven van een zodanige gedragsverandering of dat sprake is van een zodanige
                    wijziging van omstandigheden, dat aanleiding bestaat de eerder opgelegde
                    verlaging in zwaarte of duur bij te stellen.(1) </al><al>(1) CRvB 19-04-2011, nr. 10/4882 WWB, ECLI:NL:CRVB:2011:BQ3002.</al><al>Artikel 18, derde lid, van de Participatiewet is naar oordeel van het ministerie
                    van Sociale Zaken en Werkgelegenheid niet van toepassing als sprake is van
                    schending van een van de geüniformeerde arbeidsverplichtingen (artikel 18,
                    vierde lid, van de Participatiewet). Ten aanzien van geüniformeerde
                    arbeidsverplichtingen is artikel 18, elfde lid, van de Participatiewet van
                    toepassing. Verschil tussen artikel 18, derde lid, en artikel 18, elfde lid, van
                    de Participatiewet is dat artikel 18, elfde lid, pas wordt toegepast als
                    belanghebbende daarom vraagt.</al><al>Een verlaging op grond van de maatregelenverordening is een punitieve sanctie
                    voor zover de verlaging wordt opgelegd omdat belanghebbende zich zeer ernstig
                    heeft misdragen.(2) Als een betreffende gedraging ook een strafbaar feit
                    oplevert, kan belanghebbende hier strafrechtelijk voor worden vervolgd. Deze
                    verlaging en de strafvervolging kunnen alleen naast elkaar bestaan als sprake is
                    van juridisch te onderscheiden feiten. Bijvoorbeeld: belanghebbende beledigt
                    opzettelijk een ambtenaar. Strafrechtelijk bezien kan een geldboete worden
                    opgelegd of een gevangenisstraf van ten hoogste drie maanden. Daarnaast is
                    sprake van zich zeer ernstig misdragen zoals bedoeld in artikel 9, zesde lid,
                    van de Participatiewet op grond waarvan de bijstand kan worden verlaagd.</al><al>In andere gevallen waarin een verlaging wordt opgelegd op grond van de
                    maatregelenverordening is sprake van een reparatoire sanctie (bijvoorbeeld bij
                    schending arbeidsverplichting). Als een betreffende gedraging ook een strafbaar
                    feit oplevert, kan belanghebbende hier strafrechtelijk voor worden vervolgd. De
                    verlaging en de strafvervolging kunnen naast elkaar bestaan omdat het hier gaat
                    om een reparatoire maatregel en een punitieve sanctie. </al><tussenkop>Afstemmen in de IOAW en de IOAZ </tussenkop><al>Sinds 1 juli 2010 heeft het college de mogelijkheid een uitkering op grond van
                    de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze
                    werknemers (hierna: IOAW) of Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                    arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (hierna: IOAZ) te verlagen of te
                    weigeren als een belanghebbende de aan het recht op uitkering verbonden
                    verplichtingen niet of onvoldoende nakomt (artikel 20 van de IOAW en artikel van
                    de 20 IOAZ). Het gemeentelijk beleid moet vastgelegd worden in een verordening
                    (artikel 35 van de IOAW en artikel 35 van de IOAZ).</al><al>De verlaging van de uitkering komt in de plaats van het boeten- en
                    maatregelenregime, waarbij moet worden opgemerkt dat de mogelijkheid om een
                    boete op te leggen al per 1 januari 2010 was vervallen.</al><tussenkop>Niet verlenen van medewerking </tussenkop><al>Het niet verlenen van medewerking zal niet snel aanleiding geven tot verlaging
                    van de bijstand. Het belangrijkste voorbeeld van de medewerkingsplicht is het
                    toestaan van een huisbezoek. In de praktijk zal het niet toestaan van een
                    huisbezoek echter leiden tot beëindiging of intrekking van het recht op bijstand
                    omdat het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. Het verlagen van de
                    bijstand is in dat geval niet aan de orde. Het niet voldoen aan een oproep om op
                    een bepaalde plaats en tijd te verschijnen in verband met arbeidsinschakeling
                    valt ook onder het niet voldoen aan de medewerkingsplicht. In de praktijk
                    betreft het echter veelal oproepen voor gesprekken om bepaalde inlichtingen te
                    verstrekken zodat het niet verschijnen dan wordt gezien als het niet nakomen van
                    de inlichtingenplicht. Daarom is ervoor gekozen het niet verlenen van
                    medewerking zoals bedoeld in artikel 17, tweede lid, van de Participatiewet niet
                    als verlagingswaardige gedraging op te nemen in deze verordening.</al><al>(2) CRvB 31-12-2007, nrs. 06/4510 WWB, ECLI:NL:CRVB:2007:BC1811, CRvB
                    29-07-2008, nrs. 07/2262 WWB e.a., ECLI:NL:CRVB:2008:BD9023, CRvB 19-08-2008,
                    nrs. 07/2416 WWB e.a., ECLI:NL:CRVB:2008:BE8919 en CRvB 19- 01-2010, nr. 08/1012
                    WWB, ECLI:NL:CRVB:2010:BL0052. </al><tussenkop>Schenden van de inlichtingenplicht </tussenkop><al>De bestuurlijke boete is per 1 januari 2013 opnieuw ingevoerd in de Wet werk en
                    bijstand (hierna: WWB) (thans: Participatiewet), IOAW en IOAZ. Deze moet worden
                    opgelegd bij een schending van de inlichtingenplicht en komt in de plaats van de
                    verlaging van de bijstand.</al><tussenkop>Verrekening bestuurlijke boete bij recidive </tussenkop><al>De Participatiewet verplicht in een verordening nadere regels te stellen over de
                    bevoegdheid de beslagvrije voet tijdelijk buiten werking te stellen bij
                    verrekening van de recidiveboete. Gemeenten hebben daarmee de ruimte een
                    afweging te maken van situaties of omstandigheden waarin het buiten werking
                    stellen van de beslagvrije voet niet proportioneel wordt geacht. Het is mogelijk
                    deze regels onder te brengen in de maatregelenverordening. De gemeenteraad heeft
                    er echter voor gekozen deze regels niet in deze verordening op te nemen omdat
                    deze verordening een gecombineerde Participatiewet, IOAW en IOAZ
                    maatregelenverordening is. De regels over de bevoegdheid om de beslagvrije voet
                    tijdelijk buiten werking te stellen bij verrekening van de recidiveboete zijn
                    neergelegd in de Verordening verrekening bestuurlijke boete bij recidive 2015
                    gemeente Soest.</al><tussenkop>Artikelsgewijze toelichting</tussenkop><al>Enkel die bepalingen die nadere toelichting behoeven worden hier behandeld.</al><tussenkop>Artikel 1. Begrippen</tussenkop><al> Begrippen die al zijn omschreven in de Participatiewet, de IOAW, de IOAZ, de
                    Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) of de Gemeentewet worden niet
                    afzonderlijk gedefinieerd in deze verordening. Deze zijn vanzelfsprekend van
                    toepassing op deze verordening.</al><al><cursief>Bijstandsnorm</cursief> Onder de ‘bijstandsnorm’ wordt in deze
                    verordening verstaan de in de situatie van belanghebbende geldende
                    bijstandsnorm. Dit is de toepasselijke norm, vermeerderd met toeslagen, en
                    verminderd met verlagingen, alles inclusief vakantietoeslag. Voor zover sprake
                    is van een uitkering op grond van de IOAW of de IOAZ wordt onder bijstandsnorm
                    verstaan de toepasselijke grondslag zoals bedoeld in artikel 5 van de IOAW en
                    artikel 5 van de IOAZ.</al><al><cursief>Benadelingsbedrag</cursief> Het benadelingsbedrag is de netto-uitkering
                    waarop eerder, langer of tot een hoger bedrag een beroep wordt of is gedaan ten
                    gevolge van tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening
                    in het bestaan. Voor het bepalen van het benadelingsbedrag wordt uitgegaan van
                    het nettobedrag van de uitkering, zoals ook het geval is bij het
                    benadelingsbedrag in het kader van de bestuurlijke boete.(3)</al><tussenkop>Artikel 2. Het besluit tot opleggen van een verlaging</tussenkop><al> Het verlagen van een uitkering op grond van deze verordening vindt plaats door
                    middel van een besluit. Tegen dit besluit kan een belanghebbende bezwaar en
                    beroep indienen. In dit artikel is aangegeven wat in het besluit in ieder geval
                    moet worden vermeld. Deze eisen vloeien rechtstreeks voort uit de Awb en dan
                    vooral uit het motiveringsvereiste. Het motiveringsvereiste houdt onder andere
                    in dat een besluit kenbaar is en van een deugdelijke motivering is
                    voorzien.</al><tussenkop>Artikel 4. Afzien van verlaging</tussenkop><al> Afzien van verlagen Het afzien van het opleggen van een verlaging “indien elke
                    vorm van verwijtbaarheid ontbreekt", is overgenomen uit artikel 18, negende lid,
                    van de Participatiewet, respectievelijk artikel 20, derde lid, van de IOAW en
                    artikel 20, derde lid, van de IOAZ.</al><al>(3) Kamerstukken II 2011/12, 33 207, nr. 3, blz. 43. </al><al>Aangenomen moet worden dat hiervan uitsluitend sprake is bij evidente
                    afwezigheid van verwijtbaarheid.(4) Het is aan het college te beoordelen of elke
                    vorm van verwijtbaarheid ontbreekt aan het betreffende gedrag. Is vanwege de
                    afwezigheid van elke vorm van verwijtbaarheid afgezien van een verlaging, dan is
                    het niet mogelijk om bij toepassing van recidive deze gedraging mee te tellen
                    (zie artikel 16 van deze verordening). Is vanwege de afstemming op grond van
                    artikel 18, eerste lid, van de Participatiewet van een verlaging afgezien dan is
                    daarin geen reden gelegen om de betreffende gedraging buiten beschouwing te
                    laten in geval van recidive.</al><al>Een andere reden om af te zien van het opleggen van een verlaging is dat de
                    gedraging te lang geleden heeft plaatsgevonden (verjaring). Omwille van de
                    effectiviteit (“lik op stuk”) is het nodig dat een verlaging spoedig nadat de
                    gedraging heeft plaatsgehad, wordt opgelegd. Het college kan geen verlaging
                    opleggen voor gedragingen die langer dan drie of vijf jaar geleden hebben
                    plaatsgevonden. De vervaltermijn is afhankelijk van de hoogte van de maatregel.
                    Hiermee wordt aangesloten bij de vervaltermijnen zoals genoemd in artikel 5:45,
                    tweede lid, van de Awb. De bevoegdheid tot het afstemmen vervalt na drie jaar
                    nadat de overtreding heeft plaatsgevonden als een verlaging van € 340 of minder
                    kan worden opgelegd. De bevoegdheid tot het afstemmen vervalt na vijf jaar nadat
                    de overtreding heeft plaatsgevonden als een verlaging van meer dan € 340 kan
                    worden opgelegd. Deze verjaringstermijn laat overigens onverlet dat het vanuit
                    het oogpunt van effectiviteit (“lik op stuk”) nastrevenswaardig wordt geacht zo
                    spoedig mogelijk een verlaging op te leggen nadat de gedraging heeft
                    plaatsgevonden. Dat heeft bovendien als voordeel dat een uitkeringsgerechtigde
                    niet te lang in onzekerheid wordt gehouden over de vraag of de gemeente overgaat
                    tot het opleggen van een verlaging.</al><al><cursief>Afzien van verlagen in verband met dringende redenen</cursief> In het
                    tweede lid is geregeld dat kan worden afgezien van het opleggen van een
                    verlaging als daarvoor dringende redenen aanwezig zijn. De verordening stelt een
                    algemene verplichting tot het opleggen van een verlaging voorop. Uitzonderingen
                    moeten echter mogelijk zijn als voor de belanghebbende onaanvaardbare
                    consequenties zouden optreden. Uit het woord "dringend" blijkt dat er wel iets
                    heel bijzonders en uitzonderlijks aan de hand moet zijn, wil een afwijking van
                    het algemene principe gerechtvaardigd zijn. Wat dringende redenen zijn, is
                    afhankelijk van de concrete situatie en kan dus niet op voorhand worden
                    vastgelegd. Er kan worden gedacht aan enerzijds een mindere mate van
                    verwijtbaarheid ten aanzien van de gedraging en anderzijds aan de financiële of
                    sociale gevolgen voor belanghebbende en/of diens gezin. Daarbij moet worden
                    opgemerkt dat ernstige financiële gevolgen op zichzelf geen reden zijn om van
                    een verlaging af te zien, omdat dit inherent is aan het verlagen van een
                    uitkering.</al><al><cursief>Afzien verlagen ook mogelijk bij geüniformeerde
                        arbeidsverplichtingen</cursief> De wet schrijft bij overtreding van een
                    geüniformeerde arbeidsverplichting een afstemming voor van honderd procent van
                    de bijstand gedurende één tot drie maanden. Op grond van artikel 18, tiende lid,
                    van de Participatiewet moet het college een op te leggen maatregel of een
                    opgelegde maatregel afstemmen op de omstandigheden van een belanghebbende en
                    diens mogelijkheden om middelen te verwerven. Dit als - volgens het college -
                    dringende redenen daartoe noodzaken, gelet op bijzondere omstandigheden. Op
                    grond van bijzondere omstandigheden kan het college besluiten de maatregel op
                    een lager niveau, voor een kortere duur of op nul vast te stellen.</al><al><cursief>Schriftelijke mededeling in verband met recidive</cursief> Het doen van
                    een schriftelijke mededeling in een beschikking dat het college afziet van het
                    opleggen van een verlaging wegens dringende redenen is van belang in verband met
                    eventuele recidive (artikel 4, derde lid). Het opleggen van een verlaging bij
                    recidive is geregeld in artikel 16.</al><al>(4) CRvB 24-07-2001, nr. 99/1857 NABW, ECLI:NL:CRVB:2001:AD4887.</al><tussenkop>Artikel 5. Ingangsdatum en tijdvak van een verlaging</tussenkop><al> Het verlagen van de uitkering die in de nabije toekomst wordt verstrekt, is de
                    gemakkelijkste methode van het opleggen van een verlaging. Dan hoeft niet te
                    worden overgegaan tot herziening van de uitkering en terugvordering van het te
                    veel betaalde bedrag. In de praktijk zal dit meestal inhouden dat een verlaging
                    wordt opgelegd met ingang van de eerste dag van de kalendermaand, die volgt op
                    de kalendermaand waarin het besluit bekend is gemaakt. Voor de berekening van de
                    hoogte van de verlaging moet worden uitgegaan van de voor die maand geldende
                    bijstandsnorm.</al><al><cursief>Verlagen met terugwerkende kracht (tweede lid)</cursief> Het is niet
                    altijd mogelijk om een lopende uitkering af te stemmen. In die gevallen kan de
                    verlaging met terugwerkende kracht worden toegepast. Het maatregelbesluit dat in
                    dat geval wordt genomen, is een bijzondere vorm van herziening van de uitkering.
                    Het besluit leidt namelijk tot te veel verstrekte uitkering. De uitkering die op
                    grond van het maatregelbesluit te veel is verstrekt kan met toepassing van
                    artikel 58, tweede lid, onderdeel a, van de Participatiewet, respectievelijk
                    artikel 25, tweede lid, van de IOAW en van de IOAZ, worden teruggevorderd.
                    Afstemming met terugwerkende kracht is echter niet altijd mogelijk. Als alle
                    uitkering over de betreffende periode is ingetrokken en teruggevorderd, resteert
                    er niets meer om af te stemmen. Is geen duidelijke datum te koppelen aan de
                    gedraging van een belanghebbende of is de verlaging het gevolg van een gedraging
                    voorafgaande aan de aanvraag, dan is verlagen met terugwerkende kracht evenmin
                    mogelijk en kan de verlaging uitsluitend naar de toekomst toe worden toegepast.
                    Denk bijvoorbeeld aan het nalaten om voldoende te solliciteren.</al><al><cursief>Verlaging uitvoeren op nieuwe uitkering (derde lid)</cursief> Een
                    verlaging kan niet los worden gezien van het recht op bijstand. Het opleggen van
                    een verlaging is niet mogelijk als een belanghebbende geen recht op bijstand
                    (meer) heeft.(5) Als een verlaging niet of niet geheel ten uitvoer kan worden
                    gelegd als gevolg van de beëindiging of intrekking van de uitkering, is het ook
                    mogelijk om de verlaging of dat deel van de verlaging dat nog niet is
                    uitgevoerd, alsnog op te leggen als belanghebbende binnen een bepaalde termijn
                    na beëindiging van de uitkering opnieuw een uitkering op grond van de wet
                    ontvangt. Het college moet wel rekening houden met de vervaltermijn voor het
                    opleggen van een maatregel zoals bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel
                    b.</al><al>Een dergelijke maatregel kan vanwege de samenhang met het recht op bijstand niet
                    bij voorbaat worden opgelegd. Het college moet bij het opnieuw toekennen van het
                    recht op bijstand beoordelen in hoeverre er nog aanleiding bestaat om een
                    verlaging toe te passen. Pas dan is sprake van een maatregelbesluit en staat de
                    mogelijkheid van bezwaar tegen de maatregel open.(6)</al><tussenkop>Artikel 6. Berekeningsgrondslag</tussenkop><al><cursief>Bijstandsnorm</cursief> In het eerste lid is het uitgangspunt
                    vastgelegd dat een verlaging wordt berekend over de bijstandsnorm. Onder de
                    bijstandsnorm wordt verstaan de wettelijke norm, inclusief gemeentelijke toeslag
                    of verlaging en inclusief vakantietoeslag. Bij een uitkering op grond van de
                    IOAW of de IOAZ wordt gekeken naar de grondslag als bedoeld in artikel 5 van de
                    IOAW respectievelijk van de IOAZ.</al><al><cursief>Bijzondere bijstand</cursief> In het tweede lid is bepaald dat een
                    verlaging ook kan worden toegepast op de bijzondere bijstand als aan een
                    belanghebbende bijzondere bijstand wordt verleend met toepassing van artikel 12
                    van de Participatiewet.</al><al>(5) CRvB 07-08-2012, nr. 10/3435 WWB, ECLI:NL:CRVB:2012:BX3978.</al><al>(6) CRvB 08-09-2009, nrs. 07/6337 WWB e.a., ECLI:NL:CRVB:2009:BJ7732 en CRvB
                    07-12-2010, nr. 09/1094 WWB, ECLI:NL:CRVB:2010:BO6721.</al><al>Personen tussen de 18 en 21 jaar ontvangen een lage jongerennorm, die indien
                    noodzakelijk wordt aangevuld door middel van aanvullende bijzondere bijstand in
                    de kosten van levensonderhoud. Als een verlaging uitsluitend op de lage
                    jongerennorm wordt opgelegd, zou dit leiden tot rechtsongelijkheid ten opzichte
                    van de 21-jarigen. Daarom is in het derde lid, onderdeel a, geregeld dat de
                    berekeningsgrondslag in dat geval bestaat uit de bijstandsnorm inclusief de
                    verleende bijzondere bijstand op grond van artikel 12 van de
                    Participatiewet.</al><al>Op grond van het tweede lid, onderdeel b, is het mogelijk dat het college in
                    incidentele gevallen een verlaging oplegt over de bijzondere bijstand. Er moet
                    dan wel een verband bestaan tussen de gedraging van een belanghebbende en zijn
                    recht op bijzondere bijstand. Een verlaging kan uitsluitend worden opgelegd als
                    daadwerkelijk bijzondere bijstand is verstrekt.</al><al>De verordening biedt geen ruimte om een verlaging toe te passen op een
                    individuele inkomenstoeslag.</al><tussenkop>Artikel 7. Gedragingen Participatiewet</tussenkop><al> De artikelen 7 en 9 moeten in onderlinge samenhang worden gelezen. In artikel 7
                    worden schendingen van verplichtingen uit de Participatiewet geformuleerd. De
                    verwijtbare gedragingen die zijn genoemd in artikel 7 zijn ondergebracht in
                    categorieën. Aan die categorieën wordt in artikel 9 een gewicht toegekend in de
                    vorm van een verlagingspercentage. De categorieën zijn gerangschikt naar
                    toenemende zwaarte. Een gedraging wordt ernstiger geacht naarmate de gedraging
                    meer concrete gevolgen heeft voor het niet verkrijgen van betaalde arbeid.</al><al><cursief>Niet of onvoldoende nakomen van verplichtingen</cursief> De verwijtbare
                    gedragingen omvatten zowel het niet als het onvoldoende nakomen van diverse
                    verplichtingen. Artikel 18, tweede lid, van de WWB zoals dat luidde vóór 1
                    januari 2015 bepaalt dat het college moest afstemmen als een belanghebbende de
                    verplichtingen "niet of onvoldoende nakomt". Met het huidige artikel 18, tweede
                    lid, van de Participatiewet wordt dit gewijzigd in "het niet nakomen van de
                    verplichtingen". Het woord "onvoldoende" valt hiermee weg. Gemeend wordt dat de
                    wetgever hiermee echter geen inhoudelijke wijziging heeft beoogd en dat dit moet
                    worden gelezen als het niet of onvoldoende nakomen van verplichtingen. Om
                    onduidelijkheid hierover te voorkomen is daarom in artikel 7 neergelegd dat
                    sprake is van een verwijtbare gedraging bij het niet of onvoldoende nakomen van
                    de verplichtingen.</al><al><cursief>Het niet naar vermogen proberen algemeen geaccepteerde arbeid te
                        verkrijgen (onderdeel c)</cursief> Deze verwijtbare gedraging is niet aan de
                    orde voor zover het gaat om het niet naar vermogen proberen te verkrijgen van
                    algemeen geaccepteerde arbeid als dit het gevolg is van een gedraging zoals
                    bedoeld in artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet. In artikel 18, vierde
                    lid, van de Participatiewet staan de geüniformeerde arbeidsverplichtingen. Voor
                    schending van een geüniformeerde arbeidsverplichting geldt een apart
                    afstemmingsregime: verlaging van de bijstand met honderd procent gedurende een
                    in de maatregelenverordening vastgelegde duur van ten minste een maand en ten
                    hoogste drie maanden (artikel 18, vijfde lid, van de Participatiewet). In deze
                    verordening is de duur vastgelegd in artikel 10.</al><al>Er is dus geen sprake van een verwijtbare gedraging zoals bedoeld in artikel 7,
                    onder c, als het niet naar vermogen proberen te verkrijgen van algemeen
                    geaccepteerde arbeid voortvloeit uit een gedraging zoals bedoeld in artikel 18,
                    vierde lid, van de Participatiewet zoals: - het niet verkrijgen of niet behouden
                    van kennis en vaardigheden die noodzakelijk zijn voor het verkrijgen van
                    algemeen geaccepteerde arbeid, en - het belemmeren van het verkrijgen van
                    algemeen geaccepteerde arbeid door kleding, gebrek aan persoonlijke verzorging
                    en gedrag.</al><al><cursief>Inspanningen in eerste vier weken na de melding</cursief> De plicht tot
                    arbeidsinschakeling geldt vanaf datum melding (zie artikel 9, eerste lid, van de
                    Participatiewet). Specifiek voor personen jonger dan 27 jaar geldt dat zij
                    worden beoordeeld op hun inspanningen in de eerste vier weken na de melding
                    (artikel 43, vierde en vijfde lid, van de Participatiewet). Is geen enkele
                    inspanning verricht, dan bestaat op grond van artikel 13, tweede lid, onderdeel
                    d, van de Participatiewet geen recht op bijstand. Zijn er wel inspanningen
                    verricht, maar naar het oordeel van het college onvoldoende, dan verlaagt het
                    college de uitkering. De verlaging kan in principe al worden toegepast op basis
                    van de grondslagen zoals genoemd in artikel 6 van deze verordening. Een aparte
                    grondslag is strikt genomen niet noodzakelijk. Het zou wellicht zelfs tot
                    verwarring kunnen leiden als het bijvoorbeeld gaat om een belanghebbende die in
                    de vijfde of zesde week na de melding de fout in gaat. Desalniettemin is het
                    niet of onvoldoende verrichten van inspanningen vanwege de herkenbaarheid toch
                    als aparte gedraging genoemd opgenomen in de maatregelenverordening (zie artikel
                    7, tweede lid, onderdeel b). </al><tussenkop>Artikel 8. Gedragingen IOAW en IOAZ</tussenkop><al> De artikelen 8 en 9 moeten in onderlinge samenhang worden gelezen. In artikel 8
                    worden schendingen van verplichtingen uit de IOAW en IOAZ geformuleerd. De
                    verwijtbare gedragingen die zijn genoemd in artikel 8, zijn ondergebracht in
                    categorieën. Aan die categorieën wordt in artikel 9 een gewicht toegekend in de
                    vorm van een verlagingspercentage. De categorieën zijn gerangschikt naar
                    toenemende zwaarte. Een gedraging wordt ernstiger geacht naarmate de gedraging
                    meer concrete gevolgen heeft voor het niet aanvaarden, verkrijgen of behouden
                    van betaalde arbeid.</al><tussenkop>Artikel 9. Hoogte en duur van de verlaging</tussenkop><al> Zie voor de verlagingswaardige gedragingen de toelichting bij de artikelen 7 en
                    8.</al><al>Er is gekozen voor een maatregelregime bij gedragingen zoals bedoeld in de
                    artikelen 7 en 8 dat afwijkt van de maatregel bij schending van de
                    geüniformeerde arbeidsverplichtingen als bedoeld in artikel 18, vierde lid, van
                    de Participatiewet. Dit ondanks dat enkele van de in de artikelen 7 en 8
                    genoemde gedragingen verwant zijn aan de geüniformeerde
                    arbeidsverplichtingen.</al><tussenkop>Artikel 10. Duur verlaging bij schending geüniformeerde
                    arbeidsverplichting</tussenkop><al> De eerste keer dat het college een verwijtbaar niet naleven van een
                    geüniformeerde arbeidsverplichting vaststelt, bedraagt de verlaging honderd
                    procent van de bijstandsnorm gedurende een bij deze verordening vastgestelde
                    periode (artikel 18, vijfde lid, eerste volzin, van de Participatiewet). Bij het
                    vaststellen van de duur van de verlaging is de ernst van de gedraging leidend.
                    Voor lichte overtredingen (overtreding van de in artikel 18, vierde lid,
                    onderdeel b, f en g, van de Participatiewet genoemde verplichtingen) bedraagt de
                    duur één maand. Voor zware overtredingen (overtreding van de in artikel 18,
                    vierde lid, onderdeel a, c, d, e en h, van de Participatiewet) bedraagt de duur
                    twee maanden.</al><tussenkop>Artikel 11. Verrekenen verlaging</tussenkop><al> Het college heeft de mogelijkheid bij verlaging van de bijstand wegens
                    schending van een geüniformeerde arbeidsverplichting, de verlaging te
                    verrekenen. Dit over de maand van oplegging van de maatregel en ten hoogste over
                    de twee volgende maanden. Over de eerste maand moet minimaal een derde van het
                    bedrag van de verlaging worden verrekend (artikel 18, vijfde lid, tweede volzin,
                    van de Participatiewet). Wanneer belanghebbende tot inkeer komt, wordt de
                    verlaging stopgezet en ontvangt belanghebbende weer de volledige uitkering
                    (artikel 18, elfde lid, van de Participatiewet). Het gaat hier om een
                    facultatieve bepaling.</al><al><cursief>Verrekenen bij bijzondere omstandigheden</cursief> Er is voor gekozen
                    gebruik te maken van de mogelijkheid tot het verrekenen van het bedrag van de
                    verlaging bij een eerste schending van een geüniformeerde arbeidsverplichting
                    (of een herhaalde schending buiten de recidivetermijn) als bijzondere
                    omstandigheden dit rechtvaardigen. Hierbij kan worden gedacht aan: - vergroting
                    schuldenproblematiek; - (dreigende) huisuitzetting; - afsluiting van gas en
                    elektriciteit.</al><al><cursief>De maand van oplegging</cursief> In het eerste, tweede en derde lid
                    wordt gesproken over de "maand van oplegging". Deze term is overgenomen uit
                    artikel 18, vijfde lid, van de Participatiewet. Met de "maand van oplegging"
                    wordt in deze verordening bedoeld: de maand waarin de bijstand feitelijk wordt
                    verlaagd (dus de maatregel geëffectueerd wordt).</al><al><cursief>Toedeling over twee maanden bij lichte overtredingen </cursief> Is
                    sprake van een lichte overtreding van een geüniformeerde arbeidsverplichting,
                    dan kan worden verrekend over twee maanden. Van een lichte overtreding is sprake
                    bij schending van een gedraging zoals bedoeld in artikel 18, vierde lid,
                    onderdelen b, f en g, van de Participatiewet. Bij een dergelijke overtreding
                    wordt de bijstand verlaagd met honderd procent gedurende één maand. Aan de maand
                    van oplegging en aan de daaropvolgende maand wordt de helft van het bedrag van
                    de verlaging toebedeeld. Dit betekent dat in de maand van oplegging van de
                    maatregel en de daaropvolgende maand de inhouding in beginsel vijftig procent
                    bedraagt (artikel 11, tweede lid, van deze verordening).</al><al><cursief>Toedeling over drie maanden bij zware overtredingen</cursief> Is sprake
                    van een zware overtreding van een geüniformeerde arbeidsverplichting, dan kan
                    worden verrekend over drie maanden. Van een zware overtreding is sprake bij
                    schending van een gedraging zoals bedoeld in artikel 18, vierde lid, onderdeel
                    a, c, d, e en h, van de Participatiewet. Bij een dergelijke overtreding wordt de
                    bijstand verlaagd met honderd procent gedurende twee maanden. Aan de maand van
                    oplegging en aan de twee daaropvolgende maanden wordt een derde van het bedrag
                    van de verlaging toebedeeld. Dit betekent dat in de maand van oplegging van de
                    maatregel en de daaropvolgende maanden de inhouding in beginsel 66,67 procent
                    bedraagt (artikel 11, derde lid, van deze verordening).</al><al><cursief>Geen verrekening bij niet aanvaarden of behouden algemeen geaccepteerde
                        arbeid</cursief> In het vierde lid is bepaald dat als sprake is van een
                    verlaging op grond van artikel 18, vierde lid, onderdeel a, van de
                    Participatiewet, geen verrekening plaatsvindt zoals bedoeld in artikel 11,
                    eerste lid. Het betreft het niet aanvaarden of behouden van algemeen
                    geaccepteerde arbeid. Deze keuze is gebaseerd op de zwaarte van de
                    gedraging.</al><al><cursief>Geen verrekening bij recidive</cursief> Is sprake van een tweede of
                    volgende schending van een geüniformeerde arbeidsverplichting binnen de
                    recidivetermijn, dan is verrekenen van de maatregel niet mogelijk. Artikel 11
                    bepaalt immers dat verrekenen uitsluitend mogelijk is bij een gedraging zoals
                    bedoeld in artikel 10 van deze verordening én als sprake is van bijzondere
                    omstandigheden. Recidive is niet geregeld in artikel 10, maar in artikel 16,
                    derde lid, van deze verordening en artikel 18, zesde, zevende en achtste lid,
                    van de Participatiewet. Daarom is verrekenen bij recidive niet mogelijk.</al><al><cursief>Geen verrekening bij maatregel wegens schending andere gedragingen
                    </cursief> Verrekening bij maatregelen voor schendingen van andere gedragingen
                    dan de geüniformeerde arbeidsverplichtingen, is niet mogelijk. Dit volgt uit
                    artikel 11 van deze verordening en artikel 18, vijfde lid, van de
                    Participatiewet.</al><tussenkop>Artikel 12. Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid</tussenkop><al> Aan de Participatiewet ligt het beginsel ten grondslag dat iedereen in eerste
                    instantie in zijn eigen bestaan(skosten) dient te voorzien. Pas wanneer dat niet
                    mogelijk is, kan men een beroep doen op bijstand. Hoofdregel is dus dat iedereen
                    alles zal moeten doen en nalaten om een beroep op bijstand te voorkomen. Leidt
                    een gedraging ertoe dat belanghebbende eerder, langer of voor een hoger bedrag
                    is aangewezen op bijstand, dan is veelal sprake van een tekortschietend besef
                    van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan. Hiervan is in ieder
                    geval sprake bij de volgende gedragingen (als die er toe leiden dat
                    belanghebbende eerder, langer of voor een hoger bedrag is aangewezen op
                    bijstand): </al><al>-het te snel interen van vermogen; - het door eigen schuld verliezen van het
                    recht op een uitkering; - het door eigen schuld te laat aanvragen van een
                    voorliggende voorziening.</al><al>Het door eigen toedoen niet behouden van algemeen geaccepteerde arbeid moet
                    worden aangemerkt als een geüniformeerde arbeidsverplichting (zie de artikelen
                    9, eerste lid, onderdeel a, en 18, vierde lid, onderdeel g, van de
                    Participatiewet). Is sprake van het door eigen toedoen niet behouden van
                    algemeen geaccepteerde arbeid, dan moet afstemming plaatsvinden volgens de
                    regels van artikel 18 van de Participatiewet en artikel 10 en 16, derde lid, van
                    deze verordening.</al><al>Op grond van artikel 12 van deze verordening kan een verlaging worden opgelegd
                    wegens het betonen van tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de
                    voorziening in het bestaan. De ernst van de gedraging komt tot uitdrukking in de
                    hoogte van het benadelingsbedrag. Dat is in dit geval het gedeelte van de
                    uitkering waarop eerder, langer of tot een hoger bedrag een beroep wordt
                    gedaan.</al><al><cursief>Bijstand in de vorm van een geldlening</cursief> Als sprake is van
                    tekortschietend besef van verantwoordelijkheid kan het college tevens besluiten
                    de bijstand in de vorm van een geldlening te verstrekken. Dit volgt uit artikel
                    48, tweede lid, onderdeel b, van de Participatiewet. Als het college besluit
                    beide instrumenten te gebruiken (leenbijstand én verlaging) moet het wel
                    voldoende acht slaan op het totale effect hiervan voor de
                    bijstandsgerechtigde.(7) </al><tussenkop>Artikel 13. Zeer ernstige misdragingen </tussenkop><al>Onder de term 'zeer ernstige misdraging' dient in elk geval te worden verstaan:
                    elke vorm van ongewenst en agressief fysiek contact met een persoon of het
                    ondernemen van pogingen daartoe. Hieronder valt bijvoorbeeld schoppen, slaan of
                    het (dreigen met) gooien van voorwerpen naar een persoon. Ook het toebrengen van
                    schade aan een gebouw of inventarisonderdeel, evenals het ondernemen van
                    pogingen daartoe in enige vorm wordt als zeer ernstige misdraging gezien.
                    Handelingen die door hun grote en mogelijk blijvende impact op de desbetreffende
                    persoon of personen grote invloed hebben zoals het opzetten van gerichte
                    lastercampagnes, seksuele intimidatie, het tonen van steek en/of vuurwapens
                    evenals (pogingen tot) opsluiting in een ruimte zijn eveneens als zeer ernstige
                    misdraging te beschouwen.(8) Ook verbaal geweld valt onder de noemer 'zeer
                    ernstige misdraging'.(9) Het gaat dus om alle vormen van zeer ernstige
                    misdragingen tegenover de betreffende personen en instanties tijdens het
                    verrichten van hun werkzaamheden.(10) Dus als er uitvoering gegeven wordt aan de
                    betreffende wetten. Het is anders als betrokkenen elkaar buiten werktijd tegen
                    komen; dan is alleen het strafrecht van toepassing.(11)</al><al>Met ingang van 1 januari 2015 is de verplichting om zich te onthouden van zeer
                    ernstige misdragingen een zelfstandige verplichting. Deze verplichting staat dus
                    op zichzelf. Vóór 1 januari 2015 was dit een onzelfstandige verplichting. Om een
                    belanghebbende te sanctioneren wegens zeer ernstige misdragingen, moest sprake
                    zijn van een samenhang tussen de zeer ernstige misdragingen met het niet nakomen
                    van één of meer verplichtingen die voortvloeien uit de toenmalige WWB, IOAW of
                    IOAZ.(12)</al><al>(7) CRvB 20-03-2007, nrs. 06/515 NABW e.a., ECLI:NL:CRVB:2007:BA2344. (8)
                    Kamerstukken II 2013/14, 33 801, nr. 3, blz. 24. (9) CRvB 19-08-2008, nrs.
                    07/2416 WWB e.a., ECLI:NL:CRVB:2008:BE8919. (10) Kamerstukken II 2013/14, 33
                    801, nr. 3, blz. 55. (11) Kamerstukken II 2013/14, 33 801, nr. 3, blz. 25-26.
                    (12) CRvB 06-07-2010, nr. 08/2025 WWB, ECLI:NL:CRVB:2010:BN0660.</al><tussenkop>Artikel 14. Niet nakomen van overige verplichtingen</tussenkop><al> De Participatiewet geeft het college de bevoegdheid om personen verplichtingen
                    op te leggen die volledig individueel bepaald zijn. Artikel 55 van de
                    Participatiewet biedt daartoe de mogelijkheid en beperkt deze tot een viertal
                    categorieën, te weten: 1. verplichtingen die strekken tot arbeidsinschakeling;
                    2. verplichtingen die verband houden met de aard en het doel van een bepaalde
                    vorm van bijstand; 3. verplichtingen die strekken tot vermindering van de
                    bijstand, en 4. verplichtingen die strekken tot beëindiging van de bijstand. De
                    hoogte van de verlaging is in deze verordening per categorie verschillend
                    vastgesteld. Omdat de verplichtingen die het college op grond van artikel 55 van
                    de Participatiewet kan opleggen een zeer individueel karakter hebben, kan het
                    voorkomen dat de in de verordening vastgestelde verlaging niet is afgestemd op
                    de individuele omstandigheden van een belanghebbende. Het college zal daarom
                    altijd rekening moeten houden met de individualiseringsbepaling van artikel 18,
                    eerste lid, van de Participatiewet. Deze bepaling verplicht het college de
                    bijstand af te stemmen op de omstandigheden, mogelijkheden en middelen van een
                    belanghebbende. In individuele gevallen kan dus worden afgeweken van de in dit
                    artikel vastgestelde verlaging.</al><tussenkop>Artikel 15. Samenloop van gedragingen</tussenkop><al><cursief>Samenloop bij één gedraging waardoor meerdere verplichtingen worden
                        geschonden</cursief> Het eerste lid regelt samenloop als sprake is van één
                    gedraging die schending oplevert van meerdere verplichtingen, die zijn genoemd
                    in deze verordening, artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet of in beide
                    regelingen. In dat geval wordt één verlaging opgelegd. Voor het bepalen van de
                    hoogte en de duur van de verlaging wordt uitgegaan van de gedraging waarop de
                    hoogste verlaging is gesteld.</al><al><cursief>Samenloop bij meerdere gedraging waardoor één of meerdere
                        verplichtingen worden geschonden</cursief> Het tweede lid regelt samenloop
                    als sprake is van meerdere gedraging die schending opleveren van één of meerdere
                    verplichtingen, die zijn genoemd in deze verordening, artikel 18, vierde lid,
                    van de Participatiewet of in beide regelingen. Dit wordt 'meerdaadse samenloop'
                    genoemd. In dat geval wordt voor iedere gedraging een afzonderlijke verlaging
                    toegepast. Deze verlagingen worden in principe gelijktijdig opgelegd. Dit is
                    anders als dit niet verantwoord is. Hierbij spelen factoren zoals de ernst van
                    de gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de omstandigheden van een
                    belanghebbende een rol. Daarvoor moet altijd gekeken worden naar de individuele
                    omstandigheden. De verlaging wordt dan over meerdere maanden uitgesmeerd.</al><al><cursief>Samenloop met een bestuurlijke boete</cursief> Het derde en vierde lid
                    regelen in hoeverre een verlaging kan worden opgelegd als sprake is van een
                    verlagingswaardige gedraging die tevens een boetewaardige gedraging is. Als
                    sprake is van één gedraging die zowel schending van een in deze verordening
                    opgenomen verplichting als schending van de inlichtingenplicht oplevert, kan de
                    schending van deze verplichtingen niet gezamenlijk worden afgedaan, omdat
                    schending van de inlichtingenplicht (wettelijk) is geregeld in de vorm van een
                    bestuurlijke boete. In het geval zich de situatie voordoet dat er sprake is van
                    samenloop tussen de bestuurlijke boete en de maatregel dient het college in het
                    individuele geval te beoordelen welke sanctie wordt opgelegd. Bij eendaadse
                    samenloop ligt het voor de hand één sanctie op te leggen. Het college bepaalt of
                    al dan niet een boete wordt opgelegd. Is dit het geval, dan wordt geen verlaging
                    meer opgelegd (derde lid).</al><al>Bij meerdaadse samenloop ligt het voor de hand de gedraging te sanctioneren door
                    het opleggen van een bestuurlijke boete voor zover sprake is van een gedraging
                    waarin ook een beboetbare gedraging zit. Daarnaast kan het college in dit geval
                    nog één of meer maatregelen opleggen, waarbij bij de hoogte van de maatregel zo
                    nodig rekening kan worden gehouden met de boete en de eventuele andere
                    maatregelen (vierde lid).</al><al>Als sprake is van één gedraging die zowel schending van een in artikel 18,
                    vierde lid, van de Participatiewet benoemde verplichting als schending van de
                    inlichtingenplicht oplevert, is het voorgaande ook van toepassing.</al><tussenkop>Artikel 16. Recidive</tussenkop><al><cursief>Verdubbeling duur verlaging</cursief> Als binnen twaalf maanden na een
                    eerste verwijtbare gedraging wederom sprake is van een verwijtbare gedraging
                    waarmee dezelfde verplichting wordt geschonden, wordt de grotere mate van
                    verwijtbaarheid tot uitdrukking gebracht in een verdubbeling van de hoogte of
                    duur van de verlaging. Een verlaging kan nooit hoger zijn dan honderd procent.
                    Daarom is bij gedragingen waar relatief zware verlagingen voor gelden, gekozen
                    voor een verdubbeling van de duur van de maatregel in plaats van de hoogte. Met
                    de eerste verwijtbare gedraging wordt de eerste gedraging bedoeld die aanleiding
                    is geweest tot een verlaging, ook als wegens dringende redenen – op grond van
                    artikel 4, tweede lid, van deze verordening en eventueel 18, tiende lid, van de
                    Participatiewet – is afgezien van het opleggen van een verlaging. Dit geldt ook
                    als van afstemming op grond van artikel 18, eerste lid, van de Participatiewet
                    is afgezien van het opleggen van een verlaging. Is vanwege de afwezigheid van
                    elke vorm van verwijtbaarheid afgezien van een verlaging, dan is het niet
                    mogelijk om bij toepassing van recidive deze gedraging mee te tellen. Voor het
                    bepalen van de aanvang van de termijn van twaalf maanden, geldt het tijdstip
                    waarop het besluit waarmee de verlaging is opgelegd, is verzonden.</al><al><cursief>Verdubbeling hoogte verlaging</cursief> Als binnen twaalf maanden na
                    een eerste verwijtbare gedraging wederom sprake is van een verwijtbare gedraging
                    waarmee dezelfde verplichting wordt geschonden, wordt de grotere mate van
                    verwijtbaarheid tot uitdrukking gebracht in een verdubbeling van de hoogte of
                    duur van de verlaging. Voor lichte verlagingen is gekozen voor een verdubbeling
                    van de hoogte van de verlaging.</al><al><cursief>Recidive op recidive bij niet geüniformeerde
                        arbeidsverplichtingen</cursief> Ook in het geval dat een belanghebbende voor
                    een derde of volgende keer een niet geüniformeerde arbeidsverplichting schendt,
                    is de recidivebepaling van artikel 16, eerste of tweede lid, van deze
                    verordening van toepassing. Dit wordt tot uitdrukking gebracht door het woord
                    "telkens" in de recidivebepaling. Voor toepassing van de recidivebepaling is
                    vereist dat het opnieuw schenden van dezelfde verplichting plaatsvindt binnen
                    twaalf maanden na bekendmaking van het vorige besluit waarmee een verlaging is
                    toegepast.</al><al>Is sprake van een derde of volgende schending, dan geldt – evenals bij de eerste
                    keer recidive – dat ofwel de hoogte ofwel de duur van de oorspronkelijke
                    verlaging wordt verdubbeld. Bij lichte gedragingen geldt een verdubbeling van de
                    hoogte van de verlaging. Bij zware gedragingen geldt een verdubbeling van de
                    duur van de verlaging.</al><al>Telkens wordt de hoogte of de duur van de oorspronkelijke verlaging verdubbeld.
                    Dit is de verlaging die geldt bij een eerste schending van de verplichting. Er
                    is expliciet niet voor gekozen de hoogte of de duur van de vorige verlaging te
                    verdubbelen. Uitgangspunt is verdubbeling van de hoogte of de duur van de
                    oorspronkelijke verlaging. Hiermee wordt stapeling van verdubbeling van de
                    verlaging voorkomen.</al><al><cursief>Eenzelfde gedraging vereist voor recidive</cursief> Voor recidive als
                    bedoeld in het eerste en tweede lid is vereist dat sprake moet zijn van
                    "eenzelfde verwijtbare gedraging" als de gedraging waarvoor de eerste verlaging
                    is opgelegd. Voorwaarde is dus dat dezelfde verplichting wordt geschonden. Is
                    dit niet het geval, dan moet de verwijtbare gedraging worden aangemerkt als een
                    eerste schending van een verplichting. Heeft een persoon zich zeer ernstig
                    misdragen (artikel 13) binnen twaalf maanden nadat een verlaging is opgelegd
                    wegens het zich niet tijdig laten registreren als werkzoekende bij
                    Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (artikel 7, onderdeel a), dan is
                    geen sprake van recidive aangezien het niet "eenzelfde gedraging" betreft.
                    Evenmin is sprake van recidive als een belanghebbende niet meewerkt aan het
                    opstellen van een plan van aanpak (artikel 7, onderdeel b, onder 1°) en
                    vervolgens een opgedragen tegenprestatie niet verricht (artikel 7, onderdeel b,
                    onder 4°). Ook dan is geen sprake van eenzelfde gedraging aangezien twee
                    verschillende verplichtingen zijn geschonden.</al><al><cursief>Recidive schending geüniformeerde arbeidsverplichting</cursief> Is
                    sprake van het niet of onvoldoende nakomen van een geüniformeerde
                    arbeidsverplichting binnen twaalf maanden nadat aan een belanghebbende een
                    eerste maatregel is opgelegd wegens schending van een geüniformeerde
                    arbeidsverplichting, dan bedraagt de verlaging honderd procent gedurende drie
                    maanden. Dit valt binnen de in artikel 18, zesde lid, van de Participatiewet
                    gegeven marges. Bij een derde, vierde en volgende schending van een
                    geüniformeerde arbeidsverplichting, telkens binnen twaalf maanden na oplegging
                    van de vorige maatregel, bedraagt de verlaging honderd procent gedurende drie
                    maanden (artikel 18, zevende en achtste lid, van de Participatiewet).</al><tussenkop>Artikel 17. Samenloop bij weigeren uitkering IOAW/IOAZ</tussenkop><al> Het college is op grond van artikel 20 van de IOAW en artikel 20 van de IOAZ
                    bevoegd de uitkering blijvend of tijdelijk te weigeren als een belanghebbende,
                    kort gezegd, inkomen uit arbeid had kunnen verwerven, maar dit nalaat. Dit is
                    een discretionaire bevoegdheid van het college. De vraag of een verlaging moet
                    worden toegepast, zal pas aan de orde komen als het college zich een oordeel
                    heeft gevormd over de eventuele weigering van de uitkering. Deze beoordeling
                    gaat in beginsel voor. Pas als het college concludeert dat van een weigering
                    geen sprake is, kan op grond van deze verordening een verlaging worden
                    toegepast. Artikel 17 van deze verordening is derhalve bedoeld om samenloop te
                    voorkomen.</al><tussenkop>Artikel 18. Blijvend en tijdelijk weigeren IOAW- of
                    IOAZ-uitkering</tussenkop><al> Artikel 20, eerste lid, van de IOAW en artikel 20, tweede lid, van de IOAZ
                    geeft het college de bevoegdheid om de uitkering tijdelijk of blijvend te
                    weigeren naar de mate waarin de belanghebbende inkomen als bedoeld in of op
                    grond van artikel 8 van de IOAW of de IOAZ zou hebben kunnen verwerven, indien:
                    a. aan de beëindiging van zijn dienstbetrekking een dringende reden ten
                    grondslag ligt in de zin van artikel 678 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek
                    en de belanghebbende ter zake een verwijt kan worden gemaakt; b. de
                    dienstbetrekking is beëindigd door of op verzoek van de belanghebbende zonder
                    dat aan de voortzetting ervan zodanige bezwaren waren verbonden, dat deze
                    voortzetting redelijkerwijs niet van hem zou kunnen worden gevergd. c. de
                    belanghebbende nalaat algemeen geaccepteerde arbeid te aanvaarden; of d. de
                    belanghebbende door eigen toedoen geen algemeen geaccepteerde arbeid
                    verkrijgt.</al><al>Als sprake is van een situatie die valt onder a of b dan kan het college de
                    uitkering tijdelijk weigeren. Beide situaties spelen zich af voorafgaand aan de
                    aanvraag van de uitkering. Als sprake is van een situatie die valt onder c of d
                    dan kan het college de uitkering blijvend weigeren. Beide situaties spelen zich
                    af tijdens de uitkering. </al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>