<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd" xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance"><meta><owmskern><dcterms:identifier>366847_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening verrekening bestuurlijke boete bij recidive 2015 GR Ferm
                Werk”.</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:RegionaalSamenwerkingsorgaan">Ferm Werk</dcterms:creator><dcterms:modified>2015-04-13</dcterms:modified></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2014-82065.html">gemeenteblad</dcterms:isFormatOf><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier=""></dcterms:isFormatOf><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier=""></dcterms:isFormatOf><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier=""></dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening verrekening bestuurlijke boete bij </dcterms:alternative><dcterms:alternative>recidive 2015 GR Ferm Werk”.</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="http://wetten.overheid.nl/BWBR0015703/Hoofdstuk1/12/Artikel8/geldigheidsdatum_13-04-2015">artikel 8, eerste lid onder d van de Participatiewet</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanRegionaalSamenwerkingsorgaan">algemeen bestuur</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>algemeen</dcterms:subject><dcterms:issued>2014-12-18</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2015-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2017-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>besluit algemeen bestuur</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>participatie en inkomen</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule><vet>Verordening verrekening administratieve boete bij recidive</vet></intitule><regeling><aanhef><preambule><al><vet>Het algemeen bestuur van Ferm Werk</vet></al><lijst><li nr="-"><al><vet>gelezen het voorstel van het dagelijks bestuur van 11 december
                                    2014;</vet></al></li><li nr="-"><al><vet>gelet op artikel 8, eerste lid onder d van de
                                    Participatiewet;</vet></al></li><li nr="-"><al><vet>gezien de zienswijze van:</vet></al></li><li nr="-"><al><vet>de gemeenteraad van de gemeente Woerden d.d. 10 november 2014,
                                </vet></al></li><li nr="-"><al><vet>de gemeenteraad van de gemeente Bodegraven-Reeuwijk d.d. 17
                                    december 2014, </vet></al></li><li nr="-"><al><vet>de gemeenteraad van de gemeente Montfoort d.d. 15 december
                                    2014, </vet></al></li><li nr="-"><al><vet>de gemeenteraad van de gemeente Oudewater d.d. 23 oktober 2014,
                                </vet></al></li></lijst><al><vet>en het advies van de: </vet></al><lijst><li nr="-"><al><vet>Regionale adviesraad Werk 18 november 2014,</vet></al></li><li nr="-"><al><vet>Participatieraad gemeente Montfoort d.d. 23 oktober 2014,</vet></al></li></lijst><al><vet>besluit vast te stellen de</vet></al><al></al><al><vet>Verordening verrekening bestuurlijke boete bij recidive 2015 GR Ferm
                            Werk</vet></al></preambule></aanhef><regeling-tekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><al>Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en die niet nader
                        worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de Participatiewet, de
                        Algemene wet bestuursrecht (Awb) en de Gemeentewet. In deze verordening
                        wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="1."><al>Beslagvrije voet: de beslagvrije voet als bedoeld in de artikelen
                                475c tot en met 475e van het Wetboek van Burgerlijke
                                Rechtsvordering;</al></li><li nr="2."><al>Recidiveboete: een bestuurlijke boete als bedoeld in artikel 18a,
                                vijfde lid, van de Participatiewet;</al></li><li nr="3."><al>Bezit: de waarde van de bezittingen waarover de alleenstaande, de
                                alleenstaande ouder of het gezin beschikt of redelijkerwijs kan
                                beschikken, niet zijnde de eigen woning, met uitsluiting van
                                bezittingen in natura die naar hun aard en waarde algemeen
                                gebruikelijk zijn dan wel, gelet op de omstandigheden van persoon en
                                gezin, noodzakelijk zijn;</al></li><li nr="4."><al>Verrekenen: verrekening als bedoeld in artikel 60 vierde lid van de
                                Participatiewet.</al></li><li nr="5."><al>Algemeen bestuur: het algemeen bestuur van het openbaar lichaam Ferm
                                Werk.</al></li><li nr="6."><al>Dagelijks bestuur: het dagelijks bestuur van het openbaar lichaam
                                Ferm Werk.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Verrekening recidiveboete bij voldoende bezit</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien het bezit van een belanghebbende ten minste driemaal de
                            toepasselijke bijstandsnorm bedraagt, verrekent het dagelijks bestuur de
                            recidiveboete zonder inachtneming van de beslagvrije voet.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De verrekening, bedoeld in het eerste lid, geschiedt gedurende een
                            tijdvak van drie maanden vanaf het moment van de dagtekening waarop de
                            bestuurlijke boete is opgelegd. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>Verrekening recidiveboete bij geen of onvoldoende bezit</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien het bezit van een belanghebbende niet ten minste driemaal de
                            toepasselijke bijstandsnorm bedraagt, verrekent het dagelijks bestuur de
                            recidiveboete gedurende één maand zonder inachtneming van de beslagvrije
                            voet. De verrekening geschiedt vanaf het moment van de dagtekening
                            waarop de bestuurlijke boete is opgelegd.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Aansluitend op verrekening als bedoeld in het eerste lid, verrekent het
                            dagelijks bestuur de recidiveboete in de daarop volgende twee maanden op
                            een dusdanige wijze dat belanghebbende blijft beschikken over een
                            inkomen ter hoogte van 80% van de toepasselijke bijstandsnorm.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Tot het inkomen, bedoeld in het tweede lid, worden ook middelen gerekend
                            als bedoeld in artikel 31, tweede lid, onderdelen n en r, van de Wet
                            werk en bijstand. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Verrekening recidiveboete met inachtneming beslagvrije voet</titel></kop><al>In afwijking van de artikelen 2 en 3 verrekent het dagelijks bestuur een
                        recidiveboete met inachtneming van de beslagvrije voet indien en voor
                        zover:</al><lijst><li nr="a."><al>toepassing van de artikelen 2 of 3 zou leiden tot huisuitzetting van
                                belanghebbende en diens gezin; of</al></li><li nr="b."><al>anderszins sprake is van dringende redenen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Eerder opgelegde bestuurlijke boetes</titel></kop><al>De artikelen 2, 3 en 4 zijn van overeenkomstige toepassing op de verrekening
                        van de bestuurlijke boete, bedoeld in artikel 18a, eerste lid, van de Wet
                        werk en bijstand, indien en voor zover deze boete nog niet is betaald op het
                        moment van verrekening van de recidiveboete. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Intrekken oude verordeningen</titel></kop><al>De volgende op 7 februari 2014 door het algemeen bestuur vastgestelde
                        verordeningen worden ingetrokken:</al><lijst><li nr="a."><al>Verordening verrekening bestuurlijke boete bij recidive 2013
                                gemeenten Woerden;</al></li><li nr="b."><al>Verordening verrekening bestuurlijke boete bij recidive 2013
                                gemeente Bodegraven-Reeuwijk;</al></li><li nr="c."><al>Verordening verrekening bestuurlijke boete bij recidive 2013
                                gemeente Montfoort; en </al></li><li nr="d."><al>Verordening verrekening bestuurlijke boete bij recidive 2013
                                gemeente Oudewater.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel>Inwerkingtreding en citeertitel</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2015.</al></li><li nr="2."><al>Deze verordening kan worden aangehaald als “Verordening verrekening
                                bestuurlijke boete bij recidive 2015 GR Ferm Werk”.</al></li></lijst></artikel></regeling-tekst><regeling-sluiting><slotformulering><al>Aldus besloten in de vergadering van het algemeen bestuur van Ferm Werk
                        gehouden op 18 december 2014.</al><al></al><al>Y.Koster-Dreese </al><al>voorzitter algemeen bestuur Ferm Werk </al><al></al><al>I. Korte</al><al>secretaris algemeen bestuur Ferm Werk</al></slotformulering></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>Algemene toelichting</titel></kop><divisie><kop><titel>Bestuursorganen</titel></kop><al>Op grond van artikel 5 lid 2 van de Gemeenschappelijke Regeling (GR) Ferm
                        Werk hebben de raden en de colleges van burgemeester en wethouders hun
                        bevoegdheden, overgedragen aan de betreffende bestuursorganen van de GR Ferm
                        Werk. Voordat de GR Ferm Werk gebruik zal maken van de verordende
                        bevoegdheden, zal zij om de zienswijzen van de deelnemers vragen. </al><al>Om die reden wordt in deze verordening gesproken over Het algemeen bestuur,
                        daar waar het gaat om een bevoegdheid van de raad en over het dagelijks
                        bestuur, daar waar het gaat om een bevoegdheid van het college. </al></divisie><divisie><kop><titel>Aanscherping sanctiebeleid</titel></kop><al>Op 1 januari 2013 is de "Wet aanscherping handhaving en sanctiebeleid
                        SZW-wetgeving" in werking getreden. Voor de Wet werk en bijstand (WWB)
                        herintroduceerde deze wet de bestuurlijke boete bij een schending van de
                        inlichtingenplicht. Het dagelijks bestuur is verplicht de bestuurlijke boete
                        met de lopende uitkering te verrekenen. In beginsel moet bij deze
                        verrekening de bescherming van de beslagvrije voet in acht genomen worden.
                        Is echter sprake van een bestuurlijke boete wegens recidive, dan kan het
                        dagelijks bestuur besluiten deze boete gedurende maximaal drie maanden te
                        verrekenen zonder rekening te houden met de beslagvrije voet. </al></divisie><divisie><kop><titel>Verordeningsplicht</titel></kop><al>De participatiewet verplicht het algemeen bestuur in een verordening nadere
                        regels te stellen over de bevoegdheid de beslagvrije voet tijdelijk buiten
                        werking te stellen bij verrekening van een recidiveboete. Zo wordt ruimte
                        gecreëerd om een afweging te maken ten aanzien van situaties of
                        omstandigheden waarin het buiten werking stellen van de beslagvrije voet
                        niet proportioneel wordt geacht. Deze verordening is geënt op de
                        modelverordening die het RCF Kenniscentrum Handhaving - Landelijk
                        Kenniscentrum Handhaving, Divosa, de VNG en Schulinck gezamenlijk hebben
                        ontwikkeld. </al></divisie><divisie><kop><label>Verrekenen</label></kop><al>De Participatiewet kent een ruimer begrip van verrekenen dan het Wetboek van
                        Burgerlijke Rechtsvordering. Voor de duidelijkheid is daarom een aparte
                        begripsbepaling opgenomen in de verordening.</al></divisie><divisie><kop><titel>Pseudoverrekening</titel></kop><al>Ferm Werk kan te maken krijgen met verzoeken van andere gemeenten om een
                        door hen opgelegde recidiveboete te verrekenen. De term hiervoor is
                        pseudoverrekening. Het college dat de boete heeft opgelegd zal in dat geval
                        aangeven in hoeverre het de beslagvrije voet in acht wil nemen (volgens de
                        regels van zijn gemeentelijke verordening). Als Ferm Werk de uitkering
                        verstrekt, moet het dagelijks bestuur in beginsel gehoor geven aan dit
                        verzoek. Mocht de beslagvrije voet niet gerespecteerd worden, dan kan de
                        belanghebbende het dagelijks bestuur verzoeken de beslagvrije voet toch in
                        acht te nemen. In artikel 60b, tweede lid, van de Participatiewet is
                        geregeld dat het dagelijks bestuur de bevoegdheid heeft aan dit verzoek van
                        belanghebbende tegemoet te komen. Het ligt voor de hand dat bij de
                        beslissing op dat verzoek wordt gehandeld analoog aan de regels die in de
                        eigen verordening zijn vastgelegd. </al></divisie><divisie><kop><titel>Niet voor de IOAW en IOAZ</titel></kop><al>De IOAW en IOAZ, maar ook andere sociale zekerheidswetten zoals de
                        Ziektewet, AOW en de WW, kennen een afwijkende regeling als het gaat om
                        verrekening van de recidiveboete. Het dagelijks bestuur is binnen deze
                        wetten verplicht de recidiveboete gedurende maximaal vijf jaar volledig te
                        verrekenen met de uitkering, zonder inachtneming van de beslagvrije voet.
                        Slechts in geval van dringende redenen mag van volledige verrekening worden
                        afgezien. Voor wat betreft de IOAW en IOAZ is er dus geen bevoegdheid, zoals
                        in de Participatiewet, om zelf te bepalen hoe met de beslagvrije voet wordt
                        omgegaan. Er geldt dan ook geen verordeningsplicht. </al></divisie></nota-toelichting><nota-toelichting><kop><titel>Artikelsgewijze toelichting</titel></kop><al>Bepalingen die geen nadere toelichting behoeven worden hier niet behandeld.</al><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>In deze bepaling zijn een aantal begrippen nader omschreven. De meeste
                        behoeven geen nadere toelichting.</al><al>Bezit De verordening kent een definitie van het begrip bezit. Het gaat
                        daarbij om (de waarde van) alle bezittingen waarover een belanghebbende of
                        diens gezinsleden beschikken of redelijkerwijs kunnen beschikken.
                        Bezittingen kunnen zowel bestaan uit geld als op geld waardeerbare goederen. </al><al> Bij het begrip bezit zoals dat in deze verordening wordt gebruikt, gaat het
                        nadrukkelijk niet om vermogen als bedoeld in artikel 34 van de
                        Participatiewet. Eventueel aanwezige schulden spelen immers geen rol en
                        worden dus ook niet op het bezit in mindering gebracht. Ook de vrijlatingen
                        van artikel 34, tweede lid, van de WWB zijn hier niet van toepassing. Een
                        belanghebbende die vanwege de volledige verrekening met de beslagvrije voet
                        zonder inkomsten komt te zitten, zal de bezittingen waarover hij beschikt of
                        redelijkerwijs kan beschikken, volledig moeten aanwenden om in de
                        noodzakelijke kosten van het bestaan te kunnen voorzien. Een uitzondering is
                        gemaakt voor de door belanghebbende en zijn gezin bewoonde (eigen) woning.
                        Analoog aan de bepalingen in de Participatiewet zijn ook bezittingen die
                        algemeen gebruikelijk dan wel in het individuele geval noodzakelijk zijn
                        uitgezonderd. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Verrekening recidiveboete bij voldoende bezit</titel></kop><al>Uitgangspunt van deze verordening is dat volledige verrekening met de
                        beslagvrije voet plaats vindt voor de maximale termijn van drie maanden als
                        een belanghebbende over voldoende bezittingen beschikt om dit op te kunnen
                        vangen. Dat uitgangspunt is vastgelegd in artikel 2 van deze verordening.
                        Van voldoende bezit is sprake als de waarde van de bezittingen waarover
                        belanghebbende beschikt (of redelijkerwijs kan beschikken), ten minste
                        driemaal de toepasselijke bijstandsnorm bedraagt. Immers, bij aanwending of
                        tegeldemaking van deze bezittingen, zou een periode van drie maanden
                        overbrugd moeten kunnen worden.</al><al></al><al>De Fraudewet voerde een extra zwaar regime in voor herhaalde schending van
                        de inlichtingenplicht. In het oorspronkelijke wetsvoorstel was dwingend
                        voorgeschreven dat de (verhoogde) boete dan gedurende 3 maanden werd
                        verrekend met de volledige uitkering. Door het buiten werking stellen van de
                        beslagvrije voet zou de belanghebbende dus 3 maanden lang geen uitkering
                        ontvangen.</al><al>Door aanneming van het amendement Sterk hebben gemeenten de bevoegdheid
                        gekregen om hier eigen beleid te voeren. Hierbij is het enerzijds van belang
                        om recht te doen aan het principe dat fraude niet mag lonen, maar anderzijds
                        rekening te houden met de zorgplicht van de gemeente voor kwetsbare
                        inwoners. De voorliggende verordening voorziet in bepalingen om maximaal te
                        incasseren als het kan en een minder zwaar regime als maximaal incasseren
                        door gebrek aan reserves tot onaanvaardbare gevolgen zou leiden.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>Verrekening recidiveboete bij geen of onvoldoende bezit</titel></kop><al>Heeft een belanghebbende onvoldoende bezittingen om een periode van drie
                        maanden volledige verrekening met de beslagvrije voet te kunnen overbruggen,
                        dan verrekent het dagelijks bestuur slechts één maand zonder inachtneming
                        van de beslagvrije voet. Voor de overige twee maanden vindt weliswaar
                        verrekening met de beslagvrije voet plaats, maar niet volledig.
                        Belanghebbende blijft beschikken over een inkomen ter hoogte van 80% van de
                        toepasselijke bijstandsnorm. </al><al>Voor het percentage van 80% is aansluiting gezocht bij de
                        invorderingsmogelijkheden die de Belastingdienst heeft bij notoire
                        wanbetalers. Onder omstandigheden kan deze de beslagvrije voet (90% van de
                        toepasselijke bijstandsnorm) verlagen met 10%. </al><al>Met de gekozen opzet wordt enerzijds uiting gegeven aan het principe dat
                        fraude niet mag lonen. Het gaat hier immers om belanghebbenden die
                        herhaaldelijk hun inlichtingenplicht hebben geschonden. Daar mag een
                        duidelijk signaal tegenover staan. Anderzijds wordt rekening gehouden met de
                        zorgplicht van Ferm Werk. Het volledig buiten werking stellen van de
                        beslagvrije voet gedurende drie maanden kan kwalijke maatschappelijke
                        consequenties hebben. Dat moet voorkomen worden als de regeling daarmee zijn
                        doel voorbij zou schieten.</al><al>Een belanghebbende kan inkomsten uit arbeid hebben die op grond van artikel
                        31, tweede lid, onderdelen n of r, van de WWB worden vrijgelaten voor de
                        algemene bijstand. Bij verrekening van een recidiveboete tot 80% van de
                        bijstandsnorm, tellen deze inkomsten echter gewoon mee. Het dagelijks
                        bestuur laat deze inkomsten dus niet buiten beschouwing bij de beoordeling
                        van de vraag of een belanghebbende nog over voldoende inkomen beschikt. Dat
                        is geregeld in lid 3.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Verrekening recidiveboete met inachtneming beslagvrije voet</titel></kop><al>Hoewel het hier gaat om een herhaaldelijke schending van de
                        inlichtingenplicht, zijn situaties denkbaar waarin volledige verrekening met
                        de beslagvrije voet niet aanvaardbaar wordt geacht. Die situaties komen aan
                        de orde in artikel 4. Het gaat daarbij altijd om individuele omstandigheden
                        waaraan het dagelijks bestuur zal moeten toetsen.</al><al>In onderdeel a is geregeld dat het dagelijks bestuur kan besluiten in
                        afwijking van de artikelen 2 en 3 toch de beslagvrije voet te respecteren
                        wanneer volledige verrekening waarschijnlijk leidt tot huisuitzetting of het
                        afsluiten van energielevering van belanghebbende en diens gezin. Voorkomen
                        moet worden dat een belanghebbende door de volledige verrekening op straat
                        komt te staan, nu dit de problematiek alleen maar verergert, met alle
                        maatschappelijke kosten van dien. Ook een afsluiting van energielevering van
                        een gezin, zeker in de wintermaanden, geldt als een reden om af te zien van
                        verrekening van de recidiveboete met de volledige uitkering.</al><al> Een dreigende huisuitzetting of afsluiting van energie wordt in deze
                        verordening gezien als een dringende reden om van verrekening met de
                        beslagvrije voet af te zien. Dat volgt uit het woord 'anderszins' in
                        onderdeel b. Ook bij aanwezigheid van andere dringende redenen kan het
                        dagelijks bestuur rekening houden met de bescherming van de beslagvrije
                        voet. Het gaat dan om onaanvaardbare consequenties voor de belanghebbende of
                        zijn gezin. Het enkele feit dat het belanghebbende door de verrekening aan
                        middelen ontbreekt om in het bestaan te voorzien, is op zich geen voldoende
                        voorwaarde om te kunnen spreken van dringende redenen. Gedacht kan worden
                        aan ernstige gevolgen voor de gezondheidstoestand van de belanghebbende of
                        een gezinslid. Bij een beoordeling van omstandigheden die kunnen leiden tot
                        het alsnog in acht nemen van de beslagvrije voet, wordt rekening gehouden
                        met de consequenties voor gezinsleden waarbij speciaal wordt geduid op
                        kinderen die financieel volledig van hun ouders afhankelijk zijn.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel 5. </label><titel>Eerder opgelegde bestuurlijke boetes</titel></kop><al>In artikel 60b, derde lid, van de Participatiewet is bepaald dat de
                        bevoegdheid om te verrekenen met de beslagvrije voet ook van toepassing is
                        op eerder opgelegde bestuurlijke boetes voor zover op het moment van
                        verrekening van de recidiveboete, die eerdere boetes nog niet zijn betaald.
                        Mocht het dagelijks bestuur die eerdere, nog openstaande boetes gaan
                        verrekenen, dan regelt artikel 5 dat de bepalingen in deze verordening van
                        overeenkomstige toepassing zijn.</al><al></al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>6 en 7.</nr><titel></titel></kop><al>Behoeven geen toelichting</al></divisie></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>