<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR366824_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening rechtspositie wethouders, raads- en commissieleden gemeente                            Moerdijk</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Moerdijk</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-11-22</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Moerdijk</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Moerdijkse Bode week 20, 2015</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening rechtspositie wethouders, raads- en commissieleden gemeente Moerdijk</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0005416">artikelen 44, 95 tot en met 99 en 147 en 149 van de Gemeentewet</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>bestuur en recht</dcterms:subject><dcterms:issued>2015-04-23</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2015-05-14</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:terugwerkendekrachtDatum>2015-01-01</overheidrg:terugwerkendekrachtDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2017-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Onbekend</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening rechtspositie wethouders, raads- en commissieleden gemeente
                            Moerdijk</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente Moerdijk;</al><al>Gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 3
                        maart 2015;</al><al>gelet op de artikelen 44, 95 tot en met 99 en 147 en 149 van de
                        Gemeentewet;</al><al>gelet op het Rechtspositiebesluit wethouders en het Rechtspositiebesluit
                        raads- en commissieleden;</al><al/><al/><al><vet>BESLUIT</vet></al><al/><al>vast te stellen de volgende verordening:</al><al/><al><vet>VERORDENING RECHTSPOSITIE WETHOUDERS, RAADS- EN COMMISSIELEDEN GEMEENTE
                        </vet></al><al><vet>MOERDIJK 2015</vet></al><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>I</nr><titel>Algemene Bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>Commissie: een commissie als bedoeld in artikel 82, 83 en 84
                                    Gemeentewet;</al></li><li nr="b."><al>Rechtspositiebesluit wethouders: het Koninklijk Besluit van 22
                                    maart 1994, Stb. 243;</al></li><li nr="c."><al>Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden: het Koninklijk
                                    Besluit van 22 maart 1994, Stb. 244;</al></li><li nr="d."><al>Regeling rechtspositie wethouders: de ministeriële regeling van
                                    20 februari 2001, Stcrt. 41 als bedoeld in artikel 23 van het
                                    Rechtspositiebesluit wethouders;</al></li><li nr="e."><al>Reisregeling Binnenland: het besluit van de Minister van
                                    Binnenlandse Zaken van 16 maart 1993, nr. AB93/U280,
                                    Stcrt.56.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>II</nr><titel>Voorzieningen voor raadsleden</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Onkostenvergoeding raadslid</titel></kop><al>Aan het raadslid wordt een onkostenvergoeding toegekend conform artikel
                            2 van het Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Reis- en verblijfskosten</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Aan het raadslid wordt de ten behoeve van de gemeente gemaakte reis-
                                en verblijfkosten in verband met reizen buiten het grondgebied van
                                de gemeente ter uitvoering van een beslissing van het
                                gemeentebestuur vergoed.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De vergoeding als bedoeld in het eerste lid betreft:</al><lijst><li nr="a."><al>bij gebruik van openbare middelen van vervoer en van een een
                                        (trein)taxi: een volledige vergoeding van de in redelijkheid
                                        noodzakelijk gemaakte reiskosten;</al></li><li nr="b."><al>bij gebruik van een eigen motorvoertuig of bromfiets: een
                                        vergoeding van de in redelijkheid noodzakelijke reiskosten
                                        overeenkomstig het bepaalde in artikel 4 van de Regeling
                                        rechtspositie wethouders.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De in redelijkheid noodzakelijk gemaakte verblijfskosten ter zake
                                van reizen buiten het grondgebied van de gemeente worden aan het
                                raadslid vergoed, tot ten hoogste de bedragen genoemd in artikel 5
                                van de Reisregeling Binnenland.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Cursus, congres, seminar of symposium</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De kosten van deelname van een raadslid aan cursussen, congressen,
                                seminars en symposia die in het gemeentebelang door of namens de
                                gemeente worden aangeboden of verzorgd, komen voor rekening van de
                                gemeente.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Raadsleden die aan scholing als bedoeld in artikel 13 eerste lid van
                                het Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden willen deelnemen,
                                die niet door of namens de gemeente wordt aangeboden of verzorgd,
                                dienen daartoe vooraf een gemotiveerde melding in bij het presidium.
                                De melding gaat vergezeld van inhoudelijke informatie en een
                                kostenspecificatie. De kosten komen voor rekening van de gemeente
                                als deelname van belang is in verband met de vervulling van het
                                raadslidmaatschap.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Computer, tablet en internetverbinding</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een raadslid ontvangt op aanvraag voor de uitoefening van het
                                raadslidmaatschap voor een periode van maximaal drie jaar een
                                tegemoetkoming van 30% van de aanschafwaarde voor:</al><lijst><li nr="a."><al>aanschaf van een computer of tablet, bijbehorende apparatuur
                                        en software, of</al></li><li nr="b."><al>gebruik van een eigen computer of tablet, bijbehorende
                                        apparatuur en software.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Daarbij wordt ten hoogste uitgegaan van een door het presidium
                                vastgestelde normbedragen voor de aanschaf van de computer of
                                tablet, bijbehorende apparatuur en software welke noodzakelijk is
                                voor de uitoefening van het raadslidmaatschap.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De computer, tablet, bijbehorende apparatuur en moet voldoen aan de
                                vereisten welke het presidium heeft bepaald.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Op aanvraag vergoedt het college het raadslid de abonnementskosten
                                voor de internetverbinding tot een door het presidium vastgesteld
                                bedrag ten behoeve van de in lid 1 bedoelde apparatuur.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Werkkostenregeling</titel></kop><al>Als eindheffingbestanddeel als bedoeld in artikel 31, eerste lid,
                            onderdeel f van de Wet op de loonbelasting 1964 worden aangewezen:</al><lijst><li nr="a."><al>de onkostenvergoeding voor het raadslid als bedoeld in artikel 2
                                    van deze verordening;</al></li><li nr="b."><al>de vergoedingen op grond van artikel 3 tot en met 5 van deze
                                    verordening;</al></li><li nr="c."><al>de tegemoetkoming in de kosten van een ziektekostenverzekering
                                    als bedoeld in artikel 11 van het Rechtspositiebesluit raads- en
                                    commissieleden. </al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>III</nr><titel>Voorzieningen voor wethouders</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Onkostenvergoeding</titel></kop><al>Aan de wethouder wordt een onkostenvergoeding toegekend voor overige aan
                            de uitoefening van het ambt verbonden kosten conform artikel 25 van het
                            Rechtspositiebesluit wethouders.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Reiskosten woon-werkverkeer</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De wethouder wordt voor het reizen tussen zijn woning en zijn plaats
                                van tewerkstelling een tegemoetkoming in de kosten van het reizen
                                verleend overeenkomstig het bepaalde in artikel 3 van de Regeling
                                rechtspositie wethouders.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Op aanvraag kan de wethouder deelnemen aan de uitruiloptie
                                reiskosten woon-werkverkeer zoals deze voor het gemeentepersoneel in
                                het Cafetariamodel is opgenomen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Zakelijke reis- en verblijfskosten</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Aan de wethouder wordt een vergoeding verleend voor reis- en
                                verblijfskosten voor reizen gemaakt voor de uitoefening van het
                                ambt. De vergoeding betreft:</al><lijst><li nr="a."><al>bij gebruik van openbare middelen van vervoer en van een
                                        taxi: een volledige vergoeding van de reiskosten;</al></li><li nr="b."><al>bij gebruik van een eigen personenauto: de vergoeding als
                                        bedoeld in artikel 4, onderdeel b, van de Regeling
                                        rechtspositie wethouders;</al></li><li nr="c."><al>een vergoeding van noodzakelijke en redelijkerwijs gemaakte
                                        verblijfskosten tot ten hoogste de bedragen genoemd in
                                        artikel 5 van de Reisregeling Binnenland.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onverminderd het bepaalde in het eerste lid worden de in
                                redelijkheid noodzakelijk gemaakte verblijfskosten ter zake van
                                reizen binnen en buiten het grondgebied van de gemeente vergoed tot
                                ten hoogste de bedrage genoemd in artikel 5 van de Reisregeling
                                Binnenland.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Buitenlandse dienstreis</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Als de wethouders in het gemeentelijke belang een reis buiten
                                Nederland maken worden de in redelijkheid gemaakte noodzakelijke
                                reis- en verblijfkosten vergoed.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voor een reis in het gemeentelijk belang buiten Nederland, niet
                                zijnde een reis naar een Europese instelling, is vooraf toestemming
                                van het college vereist. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Cursus, congres, seminar of symposium</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De kosten van deelname van een wethouder aan cursussen, congressen,
                                seminars en symposia die in het gemeentelijk belang door of namens
                                de gemeente worden aangeboden of verzorgd komen voor rekening van de
                                gemeente.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De wethouder die wil deelnemen aan een cursus, congres, seminar of
                                symposium dat niet door of namens de gemeente wordt aangeboden of
                                verzorgd, dient daartoe een gemotiveerde aanvraag in bij het college
                                van Burgemeester en Wethouders. De aanvraag gaat vergezeld van
                                inhoudelijke informatie en een kostenspecificatie. De kosten komen
                                voor rekening van de gemeente als deelname van belang is in verband
                                met de uitoefening van het ambt van wethouder.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Computer en tablet</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Aan de wethouder wordt voor de uitoefening van het wethouderschap
                                een computer of tablet, bijbehorende apparatuur en software in
                                bruikleen ter beschikking gesteld voor zakelijk gebruik.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De computer, tablet, bijbehorende apparatuur en software is
                                noodzakelijk voor de uitoefening van het wethouderschap. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De wethouder ondertekent daartoe een bruikleenovereenkomst met de
                                gemeente.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college stelt het model van de bruikleenovereenkomst vast.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>Mobiele telefoon voor zakelijk gebruik</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Op aanvraag wordt de wethouder voor de uitoefening van zijn ambt een
                                mobiele telefoon in bruikleen ter beschikking gesteld die
                                uitsluitend is bestemd voor zakelijk gebruik.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De mobiele telefoon is noodzakelijk voor de uitoefening van het
                                wethouderschap.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De wethouder ondertekent daartoe een bruikleenovereenkomst met de
                                gemeente.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college stelt het model van de bruikleenovereenkomst vast.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>Reis- en pensionkosten en verhuiskosten</titel></kop><al>De wethouder die bij benoeming nog niet over woonruimte in de gemeente
                            beschikt heeft ten laste van de gemeente aanspraak op vergoeding
                            van:</al><lijst><li nr="a."><al>reis- en pensionkosten overeenkomstig het bepaalde in artikel 1
                                    van de Regeling rechtspositie wethouders, en</al></li><li nr="b."><al>verhuiskosten in verband met de benoeming als wethouder
                                    overeenkomstig het bepaalde in artikel 2 van de Regeling
                                    rechtspositie wethouders.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15</nr><titel>Werkkostenregeling</titel></kop><al>Als eindheffingsbestanddeel als bedoeld in artikel 31, eerste lid,
                            onderdeel f van de Wet op de loonbelasting 1964 worden aangewezen:</al><lijst><li nr="a."><al>de onkostenvergoeding voor de wethouder als bedoeld in artikel 7
                                    van deze verordening;</al></li><li nr="b."><al>de vergoedingen op grond van artikel 8 tot en met 14 van deze
                                    verordening; </al></li><li nr="c."><al>de vergoeding als bedoeld in artikel 28b, lid 1 en 2 van het
                                    Rechtspositiebesluit wethouders.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>IV</nr><titel>Voorzieningen voor commissieleden</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16</nr><titel>Vergoeding voor het bijwonen van vergaderingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het lid van een commissie ontvangt voor het bijwonen van de
                                vergadering van een commissie een vergoeding die gelijk is aan het
                                bedrag vermeld in tabel IV van het Rechtspositiebesluit raads- en
                                commissieleden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op degene die
                                als lid van een commissie een vaste vergoeding voor de werkzaamheden
                                als bedoeld in artikel 96, tweede lid, van de Gemeentewet
                                ontvangt.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Geen vergoeding ontvangt degene die zitting heeft in een
                                commissie</al><lijst><li nr="a."><al>als raadslid;</al></li><li nr="b."><al>uit hoofde van dan wel als rechtstreeks uitvloeisel van een
                                        ambtelijke of bestuurlijke hoedanigheid dan wel van een
                                        functie bij een instelling die grotendeels van overheidswege
                                        wordt gesubsidieerd;</al></li><li nr="c."><al>als vertegenwoordiger van een belanghebbende instelling,
                                        organisatie of groepering, tenzij zijn lidmaatschap van de
                                        commissie tevens in belangrijke mate het gemeentelijk belang
                                        dient.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De raad kan in afwijking van het bepaalde in het eerste lid een
                                hogere vergoeding vaststellen ten aanzien van:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>een lid van een commissie die op grond van zijn bijzondere
                                beroepsmatige deskundigheid op het taakgebied van de commissie voor
                                deelname aan haar werkzaamheden is aangetrokken, en;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>een lid van een commissie ten aanzien waarvan de vergoeding niet
                                geacht kan worden in een redelijke verhouding te staan tot de
                                zwaarte van zijn taak en de omvang van de door hem te verrichten
                                arbeid.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17</nr><titel>Computer, tablet en internetverbinding</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een lid van de commissie, niet zijnde tevens raadslid, ontvangt op
                                aanvraag voor de uitoefening van het commissielidmaatschap voor een
                                periode van maximaal drie jaar een tegemoetkoming van 30% van de
                                aanschafwaarde voor:</al><lijst><li nr="a."><al>aanschaf van een computer of tablet, bijbehorende apparatuur
                                        en software, of </al></li><li nr="b."><al>gebruik van een eigen computer of tablet, bijbehorende
                                        apparatuur en software.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Daarbij wordt ten hoogste uitgegaan van een door het presidium
                                vastgestelde normbedragen voor de aanschaf van de computer of
                                tablet, bijbehorende apparatuur en software welke noodzakelijk is
                                voor de werkzaamheden als commissielid.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De computer, tablet, bijbehorende apparatuur en software moet
                                voldoen aan de vereisten welke het presidium heeft bepaald. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Op aanvraag vergoedt het college het lid van de commissie, niet
                                zijnde tevens raadslid, de abonnementskosten voor de
                                internetverbinding tot een door het presidium vastgesteld bedrag ten
                                behoeve van de in lid 1 bedoelde apparatuur.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>V</nr><titel>De procedure van declaratie</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18</nr><titel>Betaling vaste vergoedingen</titel></kop><al>De betaling van de vergoeding voor werkzaamheden, de bezoldiging voor
                            wethouders op grond van het Rechtspositiebesluit wethouders, de
                            onkostenvergoedingen en declaraties geschiedt maandelijks of in
                            maandelijkse termijnen als er sprake is van een vergoeding op jaarbasis.
                            Het voorgaande geldt tenzij het Rechtspositiebesluit raads- en
                            commissieleden, het Rechtspositiebesluit wethouders of de Regeling
                            rechtspositie wethouders anders bepalen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19</nr><titel>Betaling van kosten</titel></kop><al>Betaling van kosten op grond van deze verordening vindt plaats
                            door:</al><lijst><li nr="a."><al>betaling uit eigen middelen, op declaratiebasis; of</al></li><li nr="b."><al>rechtstreekse toezending van de factuur aan de gemeente.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>20</nr><titel>Declaratie van vooruit betaalde kosten</titel></kop><al>Vergoeding van vooruit betaalde kosten vindt plaats op declaratiebasis.
                            Dit geldt voor alle genoemde voorzieningen met uitzondering van de
                            kosten op grond van artikel 4 lid 1 en artikel 11 lid 1.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>21</nr><titel>Rechtstreekse facturering bij de gemeente</titel></kop><al>De vergoeding van kosten, bedoeld in artikel 4 lid 1 en artikel 11 lid 1
                            vindt plaats door rechtstreekse facturering aan de gemeente.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>VI</nr><titel>Citeertitel en inwerkingtreding</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>22</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Deze verordening treedt in werking op de dag na publicatie en werkt
                                terug tot en met 1 januari 2015.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De verordening wordt met inachtneming van de bepalingen in de
                                Gemeentewet bekendgemaakt.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De ‘Verordening voorziening wethouders, raads- en commissieleden
                                gemeente Moerdijk 2010’ wordt ingetrokken.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>23</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als Verordening rechtspositie
                            wethouders, raads- en commissieleden gemeente Moerdijk. </al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Vastgesteld in de vergadering van de raad 23 april 2015</ondertekening><ondertekening>de griffier, de voorzitter,</ondertekening><ondertekening>H.D. Tiekstra J.P.M. Klijs</ondertekening></regeling-sluiting><nota-toelichting><al><vet>ALGEMEEN</vet></al><al><vet>Wettelijke regelingen</vet></al><al>De regeling van de rechtspositie van wethouders en raads- en
                            commissieleden vindt op drie of vier niveaus plaats, te weten bij wet,
                            algemene maatregel van bestuur (AMvB), ministeriële regeling (alleen
                            wethouders) en gemeentelijke verordening. Wettelijk is voor wethouders
                            in de Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers (Appa) de uitkering na
                            aftreden en het pensioen geregeld. In de Gemeentewet is aangegeven dat
                            de nadere invulling van de rechtspositie van wethouders, raads- en
                            commissieleden moet worden geregeld bij of krachtens de wet (AMvB en
                            ministeriële regeling). Daartoe zijn tot stand gekomen het
                            ‘Rechtspositiebesluit wethouders’ en het ‘Rechtspositiebesluit raads- en
                            commissieleden’. In een ministeriële regeling, de Regeling rechtspositie
                            wethouders, zijn sommige vergoedingen nader uitgewerkt. In deze wetten
                            en nadere regelgeving zijn alle voor de rechtspositie van belang zijnde
                            onderwerpen geregeld. Een aantal voorzieningen, zoals de hoogte van de
                            bezoldiging en de verschillende onkostenvergoedingen, is in de
                            rechtspositiebesluiten overwegend geregeld in dwingendrechtelijke
                            bepalingen.</al><al>Met uitzondering van de onkostenvergoeding aan raadsleden,
                            commissieleden en wethouders zijn de vergoedingen en regelingen voor
                            raadsleden, commissieleden en wethouders die bij of krachtens de wet
                            dwingendrechtelijk geregeld zijn, niet opgenomen in deze verordening.
                            Het betreft de volgende vergoedingen:</al><lijst><li nr="1."><al>de toelage voor fractievoorzitters en leden van de
                                    rekenkamerfunctie bedoeld in artikel 81a Gemeentewet</al></li><li nr="2."><al>de compensatiemaatregelen voor raadsleden als zij een WW, BWOO
                                    of arbeidsongeschiktheidsuitkering hebben</al></li><li nr="3."><al>de voorzieningen bij ziekte en dienstongeval</al></li><li nr="4."><al>de vergoeding voor de waarneming van het voorzitterschap van de
                                    gemeenteraad</al></li><li nr="5."><al>de voorzieningen bij tijdelijk ontslag wegens zwangerschap en
                                    bevalling of ziekte</al></li><li nr="6."><al>de tegemoetkoming in de ziektekostenverzekering voor
                                    raadsleden</al></li><li nr="7."><al>voorzieningen voor raadsleden en wethouders met een fysieke
                                    beperking</al></li><li nr="8."><al>de bezoldiging van de wethouders</al></li></lijst><al><vet>Hoofdlijnen gemeentelijke verordening</vet></al><al>In de verordening zijn bepalingen opgenomen inzake de rechtspositie van
                            wethouders en raadsleden voor zover die niet dwingend geregeld is in
                            hogere wet- en regelgeving. De grondslag hiervoor is te vinden in de
                            Gemeentewet en genoemde rechtspositiebesluiten. Buiten hetgeen hun bij
                            of krachtens de wet is toegekend genieten wethouders als zodanig geen
                            inkomsten, in welke vorm dan ook, ten laste van de gemeente (artikel 44
                            van de Gemeentewet). Dit betekent dat de rechtspositionele aanspraken
                            voor zittende wethouders uitsluitend te vinden zijn in respectievelijk
                            de Gemeentewet, het Rechtspositiebesluit wethouders, de Regeling
                            rechtspositie wethouders en de plaatselijke Verordening rechtspositie
                            wethouders en raadsleden. Gewezen wethouders ontlenen hun aanspraak op
                            een ontslaguitkering en pensioen aan de Algemene pensioenwet politieke
                            ambtsdragers.</al><al>Een soortgelijke bepaling als artikel 44 is voor raadsleden opgenomen in
                            artikel 99 van de Gemeentewet.</al><al>Het tweede lid van die bepaling voegt daaraan toe dat bij gemeentelijke
                            verordening aan raadsleden voordelen, anders dan in de vorm van
                            vergoedingen en tegemoetkomingen, mogen worden toegekend. Daarvoor is
                            wel de goedkeuring van gedeputeerde staten vereist.</al><al>De rechtspositionele aanspraken voor raadsleden zijn dan ook uitsluitend
                            te vinden in respectievelijk de Gemeentewet, het ‘Rechtspositiebesluit
                            raads- en commissieleden’ en de ‘plaatselijke Verordening rechtspositie
                            wethouders en raadsleden.</al><al><vet>De arbeidsverhouding van de wethouder en het raadslid</vet></al><al>Raadsleden zijn niet in dienstbetrekking bij de gemeente. De gemeente is
                            dus niet de werkgever. Dat betekent bijvoorbeeld dat zij voor zover het
                            betreft het raadslidmaatschap niet vallen onder de
                            werknemersverzekeringen zoals de Werkloosheidswet, Ziektewet en WIA.
                            Omdat er geen dienstbetrekking met de gemeente is vallen raadsleden niet
                            onder de Wet op de loonbelasting 1964 maar worden hun inkomsten getoetst
                            aan de Wet inkomstenbelasting 2001. Wel kan een raadslid opteren voor de
                            loonbelasting door te kiezen voor het fictief werknemerschap (zie
                            hieronder).</al><al>Wethouders zijn ingevolge de Ambtenarenwet als benoemde bestuurders in
                            openbare dienst aangesteld en vallen onder de werking van die wet. </al><al>Echter de bepalingen over het materiële ambtenarenrecht uit de
                            Ambtenarenwet zijn niet van toepassing op wethouders. Hun rechtspositie
                            wordt, zoals hiervoor is aangegeven, beheerst door specifieke wet- en
                            regelgeving. De aanstelling in openbare dienst houdt voor de toepassing
                            van de fiscale wetgeving in dat sprake is van een arbeidsverhouding die
                            als dienstbetrekking wordt aangemerkt. Dit betekent dat wethouders
                            direct onder de werking van de Wet op de loonbelasting vallen.
                            Wethouders vallen niet onder de werking van de Ziektewet, WIA en
                            Werkloosheidswet. </al><al>De uitkering na aftreden en ouderdoms- en nabestaandepensioen zijn voor
                            wethouders geregeld in de Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers
                            (Appa).</al><al><vet>DE LOON- EN INKOMSTENBELASTING</vet></al><al><vet>Opting-in-regeling</vet></al><al>Raadsleden kunnen opteren voor de loonbelasting. Het raadslid kan met de
                            gemeente overeenkomen dat deze loonheffing inhoudt. Dat wordt de
                            ‘opting-in-regeling’ genoemd. De administratie van de gemeente is
                            zodanig ingericht dat wordt voldaan aan de daaraan gestelde wettelijke
                            eisen. In een gezamenlijke verklaring melden de gemeente en het raadslid
                            aan de Belastingdienst dat wordt geopteerd voor de loonbelasting. Als
                            gezamenlijk wordt gekozen voor het loonbelastingsysteem, dan draagt de
                            gemeente de ingehouden loonheffing af aan de Belastingdienst. Omdat een
                            raadslid geen werknemer in de formele zin van het woord is, valt hij
                            zoals gezegd vanwege het raadslidmaatschap niet onder de sociale
                            zekerheidswetgeving. Om die reden worden over de raadsvergoeding ook
                            geen premies sociale zekerheid ingehouden. De inkomsten worden als loon
                            belast in box 1. Het raadslid hoeft in dat geval geen administratie bij
                            te houden.</al><al><vet>Fiscale standaardpositie</vet></al><al>Als niet voor de loonbelasting wordt geopteerd, dan geldt voor het
                            raadslid dat hij voor de Wet inkomstenbelasting 2001 resultaat uit een
                            werkzaamheid geniet. In dat geval is het winstsysteem van toepassing.
                            Betrokkene moet dan alle ontvangsten verantwoorden als winst en kan de
                            gemaakte kosten daarop in mindering brengen. Raadsleden die gekozen
                            hebben voor de standaardregeling zullen dan ook over de
                            netto-onkostenvergoeding inkomstenbelasting moeten betalen, tenzij zij
                            aan de hand van bewijsmateriaal aan kunnen tonen dat de vergoeding is
                            besteed aan onkosten voortvloeiend uit het raadslidmaatschap.
                            Betrokkenen kunnen bij de aangifte inkomstenbelasting hun werkelijke
                            beroepskosten, met inachtneming van een aantal wettelijke beperkingen en
                            normeringen, in mindering brengen op hun belastbaar inkomen (belastbare
                            resultaat). De gemeente dient jaarlijks alle betalingen en
                            verstrekkingen op grond van deze verordening aan de Belastingdienst te
                            melden middels een opgave IB47. Verstrekkingen moeten naar de waarde in
                            het economische verkeer worden opgegeven. Het daadwerkelijk zakelijk
                            gebruik leidt dan tot aftrek.</al><al><vet>Eenmalige keuze per zittingsperiode</vet></al><al>De keuze om al of niet te opteren voor de loonbelasting kan voor het
                            raadslid ingrijpende gevolgen hebben. De beslissing om voor de
                            loonbelasting te opteren kan eenmaal per zittingsperiode worden gemaakt
                            en geldt in beginsel voor de (resterende) zittingsperiode. Wel kan
                            betrokkene als spijtoptant terugkomen op deze beslissing voor de
                            resterende periode. Opteren voor de loonbelasting hoeft niet bij aanvang
                            van de zittingsperiode te gebeuren, maar kan ook gedurende de
                            zittingsperiode voor de resterende periode.</al><al><vet>De vergoedingensystematiek</vet></al><al>Voor de uitoefening van het politieke ambt moeten bestuurders niet het
                            eigen inkomen hoeven aan te spreken. Een adequate vergoedingssystematiek
                            is daarom van belang. Waar er functionele uitgaven zijn, verdient het
                            aanbeveling terughoudend te zijn met een financieringswijze waarin de
                            bestuurder deze uit eigen middelen vooruit betaalt en de gemeente ze
                            terugbetaalt. Eigen middelen en publieke middelen moeten zo veel
                            mogelijk gescheiden worden gehouden. Vanuit die overweging heeft het de
                            voorkeur de kosten direct in rekening te brengen bij de gemeente. Aan de
                            mogelijkheid om zo nodig declaraties in te dienen zal echter behoefte
                            blijven bestaan.</al><al><vet>Controle en verantwoording</vet></al><al>Voor de bestuurlijke uitgaven is – net als voor de besteding van alle
                            andere publieke middelen – transparantie van groot belang. Daartoe
                            dienen enerzijds inzichtelijke regels en richtlijnen die voor het
                            vergoedingen- en voorzieningenstelsel gelden en anderzijds een
                            duidelijke verantwoording van het daadwerkelijk gebruik. Op deze wijze
                            kan worden voorkomen dat er onnodige discussies plaatsvinden omtrent het
                            gebruik van onkostenregelingen of voorzieningen door gemeentebestuurders
                            en over de eventueel verschuldigde belasting.</al><al>Dat is ook in hun belang omdat zij hun functie moeten kunnen uitoefenen
                            zonder te worden gehinderd door onzekerheden omtrent de financiering van
                            de functionele uitgaven. Daartoe is vereist dat er een zodanig sluitende
                            financiële en administratieve organisatie is ingericht dat er vertrouwen
                            kan bestaan omtrent de juistheid en rechtmatigheid van de uitgaven.</al><al>In hoofdstuk V is in verband hiermee, in aanvulling op de in de beheers-
                            en controleverordening vastgestelde regels, een aantal belangrijke
                            procedures vastgelegd over rechtstreekse facturering van functionele
                            uitgaven, declaratie van vooruitbetaalde kosten. Daarnaast zijn in de
                            bruikleenovereenkomsten heldere afspraken vastgelegd over het gebruik
                            van computer- en communicatie-apparatuur en zijn de vereisten en
                            maximale vergoedingen door het presidium vastgesteld.</al><al/><al><vet>ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING</vet></al><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>en 7 Onkostenvergoeding</titel></kop><al>In het Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden en in het
                            Rechtspositiebesluit wethouders is dwingendrechtelijk het recht op en de
                            hoogte van de onkostenvergoeding opgenomen. In verband met de verplichte
                            aanwijzing van deze vergoeding als zijnde eindheffingsbestanddeel binnen
                            de WKR-systematiek is de onkostenvergoeding wel opgenomen in de
                            verordening. In de verordening is vervolgens bij artikel 6 en artikel 15
                            de aanwijzing van de onkostenvergoeding als eindheffingsbestanddeel
                            opgenomen. Dit betreft uitvoering van fiscale wetgeving.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Reis- en verblijfkosten</titel></kop><al>De Gemeentewet voorziet niet in een vergoeding voor ‘woon-werkverkeer’
                            voor raadsleden. Het is dan ook in strijd met artikel 99 van de
                            Gemeentewet als raadsleden van de gemeente een vergoeding ontvangen voor
                            reizen binnen het grondgebied van de gemeente.</al><al>Artikel 97 van de Gemeentewet voorziet voor raadsleden wel in een
                            vergoeding van de reis- en verblijfkosten voor reizen buiten het
                            grondgebied van de gemeente ter uitvoering van een beslissing van het
                            gemeentebestuur.</al><al>De vergoeding voor noodzakelijke en redelijkerwijs gemaakte
                            verblijfkosten is niet nader ingevuld. Daarmee is dit een lokale
                            aangelegenheid.</al><al>Omdat in het ‘Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden’ verder geen
                            eigen vergoedingsregeling is opgenomen, is aansluiting gezocht bij de
                            vergoedingsregelingen voor wethouders.</al><al>Voor raadsleden die niet hebben geopteerd voor de loonbelasting geldt
                            dat de verstrekte vergoedingen bij de aangifte inkomstenbelasting als
                            opbrengst moeten worden verantwoord. De reiskosten kunnen onder
                            voorwaarden als aftrekbare beroepskosten worden opgevoerd.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikelen 4 en 11 Scholing</label></kop><al>Op grond van artikel 13 lid 1 van het ‘Rechtspositiebesluit raads- en
                            commissieleden’ komt niet partijpolitiek georiënteerde scholing in
                            verband met de vervulling van de functie van raadslidmaatschap ten laste
                            van de gemeente. In dit artikel is de procedure verder uitgewerkt.</al><al>Gezien de aard en duur van het ambt liggen voor raadsleden opleidingen
                            voor de hand die gericht zijn op het persoonlijk functioneren in het
                            ambt.</al><al>Scholing is functiegericht als zij beoogt de voor de functie benodigde
                            vakkennis en vaardigheden te verwerven dan wel actueel te houden. Onder
                            deze scholingskosten worden verstaan de cursus- en lesgelden, de kosten
                            van het studiemateriaal, examen- en diplomakosten en de aanschafkosten
                            van verplicht gesteld studiemateriaal, alsmede reis- en verblijfkosten
                            in het kader van de opleiding. Voor raadsleden die niet hebben geopteerd
                            voor de loonbelasting geldt dat de vergoedingen en verstrekkingen naar
                            de waarde in het economische verkeer bij de aangifte inkomstenbelasting
                            als opbrengst moeten worden verantwoord en dat de gemaakte kosten binnen
                            de geldende randvoorwaarden als aftrekbare beroepskosten kunnen worden
                            opgevoerd.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikelen 5, 12 en 17 Computer, tablet en internetverbinding en artikel 13 Mobiele telefoon</label></kop><al>In het Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden en het
                            Rechtspositiebesluit wethouders is geregeld dat het raadslid en
                            commissielid, respectievelijk de wethouder van de gemeente een
                            vergoeding ontvangt voor de aanschaf of het gebruik van zijn eigen
                            computer dan wel een computer in bruikleen krijgt. De vergoeding is
                            daarom niet in strijd met artikel 99 van de Gemeentewet. Deze aanspraken
                            kunnen echter alleen worden verstrekt wanneer dat is vastgelegd in een
                            verordening. </al><al>De computer, tablet, bijbehorende apparatuur, internetverbinding en
                            mobiele telefoon zijn noodzakelijk voor de uitoefening van de
                            werkzaamheden als raadslid, commissielid en wethouder. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikelen 6 en 15 Werkkostenregeling</label></kop><al>In verband met de werkkostenregeling moeten een aantal
                            netto-vergoedingen en verstrekkingen door de gemeente aangewezen worden
                            als eindheffingsbestanddeel. Het betreft uitvoering van fiscale
                            wetgeving. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>en 9 Reiskosten woon-werk en zakelijke reiskosten</titel></kop><al>Voor wethouders is in artikel 8 een belastingvrije vergoeding voor het
                            woon-werkverkeer geregeld overeenkomstig de bepalingen bij en krachtens
                            het Rechtspositiebesluit wethouders en de Regeling rechtspositie
                            wethouders.</al><al>Op grond van artikel 9 worden zakelijke reis- en verblijfkosten, vergoed
                            overeenkomstig de bepalingen bij en krachtens het Rechtspositiebesluit
                            wethouders en de Regeling rechtspositie wethouders.</al><al>Bij gebruik van een eigen personenauto voor dienstreizen ontvangen
                            wethouders een bedrag van € 0,28 per kilometer.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Buitenlandse dienstreis</titel></kop><al>Bij buitenlandse dienstreizen in het gemeentelijk belang kunnen aan de
                            wethouder de in redelijkheid gemaakte werkelijke reis- en verblijfkosten
                            worden vergoed. Hiervoor is wel expliciet toestemming nodig van het
                            college. De tarieven in het voor het rijkspersoneel geldende Reisbesluit
                            buitenland zijn richtsnoer voor wat betreft vergoeding van de
                            kosten.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>Reis- en pensionkosten en verhuiskosten</titel></kop><al>Ook personen van buiten de gemeenteraad kunnen tot wethouder worden
                            benoemd. Dat kunnen ook personen zijn die niet in de gemeente zelf
                            wonen. Die zijn op grond van de Gemeentewet verplicht om te gaan wonen
                            in de gemeente waar zij wethouder zijn geworden. Geregeld is dat zij bij
                            verhuizing naar de gemeente in aanmerking komen voor een
                            verhuiskostenvergoeding en eventueel voor vergoeding van reis- en
                            pensionkosten in afwachting van de verhuizing volgens de bepalingen in
                            artikel 1 en 2 van de Regeling Rechtspositie Wethouders. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikelen 16 Vergoeding voor het bijwonen van vergaderingen </label></kop><al>In artikel 16 is de vergoeding voor het bijwonen van vergaderingen voor
                            commissieleden opgenomen en welke uitzonderingsgronden er gelden.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikelen 18 t/m 21 De procedure van declaratie</label></kop><al>In de verordening zijn de drie manieren van betaling aangegeven. Ook is
                            aangegeven in welke gevallen welke betalingswijze aan de orde is en
                            welke procedurevoorschriften in acht genomen moeten worden. Voor
                            scholing georganiseerd door de gemeente geldt rechtstreekse facturering
                            bij de gemeente. Voor de overige voorzieningen geldt dat deze kosten op
                            declaratiebasis worden vergoed. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>22</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>De ingangsdatum hoeft niet verder terug te gaan dan tot 1 januari 2015,
                            aangezien de rechtspositionele wijzigingen welke per 1 juli 2014 gelden
                            zijn opgenomen in de rechtspositiebesluiten en rechtspositieregeling en
                            dit hogere regelgeving betreft waaraan conform uitvoering moet worden
                            gegeven en is gegeven.</al></divisie></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>